De kleine wonderen van het menselijk taalvermogen

De dochter van Herm weigert om daken te zeggen. Dat vindt ze een belachelijk woord: het moet dakken zijn, ze weet het zeker. Met haar zeven jaar geeft ze daarmee blijk van een grote dosis kennis van haar moedertaal. Want zeg nou zelf, je hebt toch ook plakken, zakken, bakken, hakken, takken, wrakken, slakken, snelheidsmaniakken en nog veel meer. Waarom zou dan uitgerekend bij dak die a in het meervoud ineens een lange aa moeten worden?

“Dat is een uitzondering op de regel”, luidt het volwassenen-antwoord. Maar hoe komt de kleine Pia aan de regel? Je kunt er donder op zeggen dat nooit iemand tegen haar heeft gezegd: “Luister meisje, als je in het Nederlands een zelfstandig naamwoord tegenkomt dat eindigt op de klank ak onthou dan dat je daar in het meervoud altijd akken van moet maken,” of iets van gelijke strekking. Tegen de tijd dat ze zo’n regeltje voor het eerst een beetje zou kunnen snappen, past ze het al jaren toe. Hoe weet ze dan zo zeker – en terecht – dat er met daken iets raars aan de hand is? En waarom praat ze trouwens niet gewoon braaf haar vader en moeder en alle andere volwassen Nederlanders na? Die zeggen nooit dakken.

Het heeft alles te maken met de manier waarop kinderen zich hun moedertaal eigen maken. Op zijn beurt is dat een van de grote wonderen van de evolutie, een wonder dat nog maar zeer ten dele begrepen wordt. En dat terwijl toch al miljarden kinderen over de hele wereld Pia zijn voorgegaan. Want als mensen in één opzicht gelijk zijn dan is het wel hierin. Jongen, meisje, arm, rijk, gekleurd, blank, het maakt niet uit, als ze zeven zijn hebben kinderen in welke cultuur dan ook het taalsysteem bijna helemaal onder de knie. Hoe kan dat?

Daarachter komen is niet eenvoudig, maar een paar dingen kan iedereen meteen zien. Als je een hondje of een klein katje in huis neemt, dat jarenlang vertroetelt, voedt en toespreekt dan gaat het niet terugpraten, wat je ook probeert. Iedere baby, tenzij die echt grote aangeboren afwijkingen heeft, zal dat wel doen. Taal is iets van mensen, en met het vermogen er een te leren word je geboren. Toch erf je niet zomaar de taal van je ouders. Als Pia na haar geboorte naar Moskou verhuisd was en daar door Russen grootgebracht, dan zat ze nu echt niet in over ‘dakken’ of ‘daken’, want dan sprak ze helemaal geen Nederlands maar Russisch.

Kortom, de invloed van de buitenwereld lijkt zo op het oog van groot belang. Hoe groot eigenlijk? Of anders gezegd: wat is er nu precies aangeboren van dat taalvermogen, en wat is afhankelijk van invloed van buitenaf? Dat is de vraag waar het in heel veel taalkundig en ander onderzoek allemaal om draait. Maar met die vraag in gedachten eens uitgebreid wetenschappelijk verantwoord gaan experimenteren kan niet.

Althans, we zijn daar toch wat anders over gaan denken sinds de Egyptische koning Psammetichus de Eerste in de 7e eeuw voor Christus een geitenhoeder de opdracht gaf twee kinderen op te voeden zonder tegen ze te praten. Psammetichus dacht kennelijk dat kinderen spontaan taal ontwikkelen, want zijn bedoeling was erachter te komen wat de oudste taal ter wereld was. Het is een heel beroemd verhaal geworden doordat de Griekse geschiedschrijver Herodotus het twee eeuwen later opschreef.

Of het allemaal waar gebeurd is blijft natuurlijk de vraag, maar de geschiedenis wil dat de kinderen na twee jaar zoiets als ‘becos’ zeiden. Sommigen herkennen daarin het geluid van geiten, anderen zeggen dat het het gewone gebrabbel waarmee elk kind begint moet zijn geweest. Psammetichus daarentegen liet uitzoeken dat ‘becos’ Phrygisch was voor ‘brood’. De Phrygiërs waren dus ouder dan de Egyptenaren, moest hij concluderen.

Er zijn meer van dergelijke verhalen in omloop, maar de meeste hebben gemeen dat ze volkomen oncontroleerbaar zijn. Een uitzondering, althans tot op zekere hoogte, vormen de twee meisjes Amala (helder-gele bloem) en Kamala (lotus). Anders dan Romulus en Remus die Rome gesticht zouden hebben, en Mowgli van Jungle Book zijn ze geen legendes of romanfiguren. Het zijn de enige wolvenkinderen in de geschiedenis van wie met grote zekerheid gezegd kan worden dat ze daadwerkelijk door wolven zijn opgevoed.

In oktober 1920 werden ze in Bengalen in India letterlijk uit een wolvennest gehaald. Hoe ze daar terechtgekomen waren is nooit duidelijk geworden, maar na aanhoudende verhalen over spoken in het bos werd er onder leiding van de Indiase zendeling J.A.L. Singh een jacht georganiseerd, waarbij de moederwolf werd doodgeschoten maar de meisjes gespaard. Dominee Singh nam ze mee naar zijn weeshuis, waar ze later hun namen kregen. Amala werd ongeveer drie jaar oud geschat toen ze gevonden werd, Kamala vijf of zes.

Ze spraken niet. Sterker nog, ze gedroegen zich eigenlijk in alle opzichten als wolven. Ze renden ongelooflijk snel op armen en benen, wilden uitsluitend rauw, liefst ook nog bedorven vlees eten en joegen op kippen en duiven. Hun gezichten waren strak, emotieloos, nooit verscheen er zelfs maar een klein glimlachje op. Niemand zag ze ooit een gebaar naar elkaar maken. Ze hadden een afkeer van licht en waren alleen ’s nachts actief. Dan huilden ze soms ook, als wolven.

Met zijn tweeën in het wolvengezin hadden de meisjes blijkbaar geen gesproken taal ontwikkeld. De vraag is konden ze het daarna alsnog oppikken? Kinderen van drie of vijf jaar hebben zich onder normale omstandigheden al heel veel taal eigen gemaakt. Je kunt, simpel gezegd, met ze praten. Dominee Singh en zijn vrouw waren er natuurlijk vooral op uit de meisjes ‘menselijk’ te maken, en zo hun zielen te redden. Er werd dus meer aandacht besteed aan pogingen ze iets anders dan rauw vlees te laten eten en ze op twee benen te laten lopen, dan aan hun taalontwikkeling. Toch heeft Singh in het dagboek dat hij bijhield daar wel het een en ander van vastgelegd.

De jongste van de twee, Amala, is de eerste die iets door lijkt te krijgen. In de zomer na hun aankomst bij het weeshuis zijn de meisjes hun ergste ‘wildheid’ kwijt en volgen ze mevrouw Singh altijd de slaapzaal in, in de hoop op iets lekkers. Mevrouw Singh vertelt de weeskinderen daar dagelijks simpele verhaaltjes, vaak aan de hand van de religieuze platen die aan de muur hangen. Ze wijst dingen aan, laat de kinderen benamingen herhalen.

Eerder heeft op ongeveer dezelfde manier geprobeerd Amala en Kamala woorden bij te brengen: telkens als de meisjes iets te eten kregen gaf de domineesvrouw er de naam bij, en bleef die herhalen tot het op was. Diezelfde woorden komen wel eens terug in mevrouw Singhs verhaaltjes voor de weeskinderen. En op een goede dag valt het haar op dat Amala opkijkt naar de platen aan de muur, zodra ze een van woorden hoort voor eten en drinken die mevrouw Singh zo vaak herhaald heeft. Amala lijkt ze te herkennen.

Kamala volgt telkens Amala’s blik, maar kijkt nooit als eerste. Het is ook Amala die kort na hun aankomst zoiets als ‘bhoo bhoo’ zegt wanneer ze naar het water loopt, en die al heel snel daarna datzelfde geluid gaat maken als ze dorst heeft.

Maar Amala sterft binnen een jaar. Kamala moet het verder alleen doen, en inderdaad verandert het dierlijke gebrom, gegrom en gehuil dat ze eerst voortbracht in een soort gemurmel en gebabbel – tegen zichzelf en tegen sommige dieren – dat meer op taal lijkt. Voordat ze zelf een woord zegt lijkt ze er al een heleboel te snappen. Ze knikt ja, schudt nee, wijst naar dingen. Pas na meer dan drie jaar komen de eerste woorden. Onder andere voor ‘ja’ en ‘nee’, en ‘rijst’ en ‘ik’ en ‘eten’. Ook de namen van een aantal kinderen en de woorden ‘ma’ en ‘papa’ (voor mevrouw en dominee Singh) zegt ze dan. Kamala is helemaal gek van dingen die rood zijn. Ook dat woord (‘lal’ in het Bengali) leert ze.

Maar ze zal niet gauw iets uit zichzelf zeggen, ze geeft ook lang niet altijd antwoord. Bovendien heeft ze de neiging om dat wat ze zegt in te korten. Van de meeste woorden blijft maar één lettergreep over als Kamala ze uitspreekt. Soms zegt ze een paar woorden achter elkaar, en ook dan vereenvoudigt ze de uitspraak. ‘Ami jabo’ (ik zal) wordt bijvoorbeeld ‘amjab’.

De eerste keer dat ze drie woorden achter elkaar zegt is als ze een paar (rode!) poppetjes van mevrouw Singh heeft gekregen en een houten doosje om ze in te doen. Uitgelaten rent ze dan op handen en voeten rond, terwijl ze uitroept ‘Bak-poo-voo’, haar weergave van ‘Baksa-pootool-vootara’: doos-pop-erin. Maar meer dan zo’n dertig verschillende woorden schijnt ze nooit gebruikt te hebben. Kamala sterft in september 1929, acht jaar na Amala en negen jaar nadat ze uit het wolvehol was gehaald.

Het verhaal van Kamala doet in een aantal opzichten aan dat van Genie denken. Van Genies taalontwikkeling is alleen veel meer vastgelegd. Haar levensverhaal is nog gruwelijker dan dat van Amala en Kamala. Het speelt in Amerika, in een rustig plaatsje in Californië. Genie werd geboren in 1957. Toen ze twintig maanden oud was, en waarschijnlijk net haar eerste woordjes begon te zeggen, werd ze door haar zwaargestoorde vader opgesloten in een klein slaapkamertje. Daar zat ze, meestal vastgebonden op een potje, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Er viel vrijwel niets te doen, niets te zien, niets te horen. Ze kreeg alleen babyvoedsel, dat wil zeggen: als ze niet vergeten werd.

En niemand sprak tegen haar. De vader kon niet tegen geluid, er was niet eens een radio of tv in huis. Als Genie zelf een geluid maakte, huilde omdat ze pijn had of honger, kwam haar vader om haar met een stok te slaan. Of hij bleef buiten de deur dreigend staan grommen en blaffen als een hond. De enige taal die ze in bijna twaalf jaar tijd hoorde was het gevloek van haar vader als hij boos was.

Toen Genie dertien jaar en zeven maanden oud was vond haar vrijwel blinde en evenzeer geterroriseerde moeder eindelijk de kracht haar echtgenoot te verlaten. Ze nam Genie mee. Niet lang daarna stapte ze de Sociale Dienst van Los Angeles binnen, haar manke, kwijlende dochter aan de hand meevoerend.

Onmiddellijk zag men daar dat er iets ernstig mis was met Genie. Ze belden de politie, de ouders werden gearresteerd en Genie werd naar het ziekenhuis gebracht, in eerste instantie omdat ze zwaar ondervoed was: bij de Sociale Dienst schatte men haar op zes of zeven jaar oud, zo klein was ze gebleven. De vader schoot zich op de dag dat het proces begon door zijn hoofd, de moeder werd vrijgesproken omdat men vond dat ze zelf slachtoffer was geweest.

Genie was niet zindelijk, ze kon haar ledematen niet strekken, ze kon niet kauwen. Net in het ziekenhuis reageerde ze op mensen of het dingen waren. En ze praatte niet. Ze was doodstil. Zelfs bij woeste driftbuien, waarbij ze zichzelf krabde, en snotterde en snikte maakte ze geen enkel geluid.

Maar het verzorgend personeel praatte wel tegen haar. Voor het eerst na al die tijd hoorde ze taal. En ze leek een handjevol woorden te begrijpen. Bijvoorbeeld ‘mama’, ‘konijn’, ‘juwelenkistje’, ‘deur’, ‘gaan’ en wat kleuren. Het enige wat men haar in het begin zelf soms hoorde zeggen was ‘hou-op’ en ‘genoeg’ (‘stopit’ en ‘nomore’), en dat zei ze meestal tegen zichzelf.

Maar het horen van taal had al snel effect, al was Genies taalontwikkeling verre van normaal. Nadat ze uit het ziekenhuis kwam woonde ze jarenlang bij een psychologenechtpaar in huis en werden haar taalvorderingen nauwlettend gevolgd en getest door een taalkundige.

Met bijna elk aspect van Genies taalgebruik was iets mis, en dat bleef ook zo. Zo legde ze geen intonatie in haar stem, die bleef robot-achtig klinken. En ze had grote moeite met de uitspraak van woorden. Net als Kamala kortte ze ze vaak in. Van ‘soep’ maakte ze ‘soe’ bijvoorbeeld, en de naam ‘Steve’ sprak ze uit als ‘Teve’. Of ze stopte er juist een klinker bij, om de uitspraak te vergemakkelijken. ‘Stove’ (kachel, fornuis) werd zoiets als ‘setove’.

Dat lijkt overigens sterk op wat alle kinderen doen in het begin, maar Genie kwam maar niet voorbij die fase. Wel leerde ze heel veel nieuwe woorden. Ze in de goede volgorde zetten was het probleem. Genie bleef in een soort telegramstijl praten. Ook meervouden maken, werkwoordsuitgangen of vraagwoorden gebruiken wilde niet goed lukken. Ze bleef ‘jij’ en ‘ik’ en ‘jouw’ en ‘mijn’ door elkaar halen. Dat laatste kennen veel ouders van hun kinderen, maar alweer: Genie kwam niet door die fase heen.

Net als Kamala sprak ze bovendien zelden of nooit uit zichzelf. Haar antwoorden waren meestal kort, een paar woordjes. ‘Waar was je vandaag?’ vroeg haar pleegmoeder dan bijvoorbeeld. ‘Big gym’ (grote gymzaal) antwoordde Genie dan. Tegen haar zeggen dat ze ‘in zinnen moest praten’ of ‘er een vraag van moest maken’ had geen enkele zin. Ze raakte er van in de war, en begon onbegrijpelijke dingen te zeggen als ‘I where Graham cracker?’ (Ik waar Graham cracker?). Toen de pogingen haar zo expliciet te onderwijzen gestaakt werden, hield Genie ook weer op met woordsalade produceren, en ging ze weer gewoon dingen zeggen als ‘no spit bus’ voor ‘ik heb niet gespuugd in de bus’.

Hoe haar taalgebruik op dit ogenblik is, is niet bekend. Een buitengewoon onverkwikkelijke reeks ruzies en rechtszaken hebben ervoor gezorgd dat Genie nu al vele jaren in een tehuis voor zwakzinnigen zit, waar geen van de mensen die haar de eerste jaren begeleidden haar mogen opzoeken.

 

De wetenschappelijke wereld had grote belangstelling voor Genie toen ze gevonden werd. Dat had ondermeer te maken met een hypothese over het menselijk taalvermogen die net een paar jaar eerder gelanceerd was. Die luidde dat er bij het verwerven van je moedertaal sprake is van een ‘kritieke periode’ of een ‘kritieke leeftijd’: als je het niet leert voor je puberteit, dan is het te laat, en zal het niet meer lukken. Kritieke periodes zijn in de biologie een heel normaal en veelvoorkomend verschijnsel. Je vindt ze bij allerlei soorten dieren.

Een bekend voorbeeld is de ontwikkeling van het gezichtsvermogen. Er zijn heel wat nare experimenten met kippen, katten, apen, duiven en nog veel meer gedaan. In het geval van katten en apen blijkt bijvoorbeeld dat het vermogen om met twee ogen te kijken in de eerste drie maanden ontwikkeld moet worden.

Plak je namelijk bij pasgeboren katjes of apen één oog af in die periode, dan gedragen ze zich daarna voor de rest van hun leven alsof dat ene oog blind is: het doet eenvoudigweg niet mee, terwijl er bij de geboorte niets mis mee was. En het zit hem echt in die eerste drie maanden. Want als je op latere leeftijd een oog dichtplakt, zelfs voor nog veel langere tijd, en je haalt het lapje er weer af, dan blijkt er niets aan de hand te zijn. Het beest kijkt gewoon weer met twee ogen.

Dat valt ook te begrijpen als je weet dat het afplakken in het begin een puur fysiek effect blijkt te hebben: de visuele cortex van de dieren waarbij dat gebeurd is, wijkt totaal af van normaal ontwikkelde cortexen. Kortom: katten en apen – en voor mensen geldt waarschijnlijk hetzelfde – komen ter wereld met het vermogen met twee ogen te kijken, maar dat moet nog wel groeien. Letterlijk. En daarvoor moeten de omstandigheden op het juiste moment meewerken. Het idee was dus dat het met menselijke taal eigenlijk net zo gaat.

Daar zijn ook argumenten voor te vinden. Al is het alleen al de ervaring die heel veel mensen delen: na je puberteit wordt het een stuk lastiger een nieuwe taal te leren. Wat bij je moedertaal nog helemaal automatisch ging, moet je nu ineens voor elkaar zien te krijgen met hard studeren en vervelend stampwerk, en dan nog gebeurt het zelden dat je in een vreemde taal hetzelfde gemak bereikt als in je eerste taal.

Maar er is meer, zoals het herstelvermogen. Iemand die op latere leeftijd taalproblemen krijgt door een hersenbloeding of ander hersenletsel, komt daar meestal niet meer (helemaal) vanaf. Dat taal in je hersenen zit wordt alleen al daardoor bewezen, maar waar precies blijkt in de praktijk van mens tot mens te kunnen verschillen: een beschadiging die van de een een afasiepatiënt maakt, hoeft bij de ander geen taalproblemen op te leveren. Of de afwijking zelf verschilt. Er is nog steeds veel te weinig bekend over het menselijk brein, maar maar er zit kennelijk wat ‘rek’ in, en naarmate je jonger bent legt het meer souplesse aan de dag.

Want als kinderen hersenletsel oplopen – het kan zelfs zijn dat er een hele hersenhelft verwijderd moet worden – dan blijken ze vaak miraculeus goed te herstellen. Ook als ze een tijdje niet meer kunnen praten, leren ze dat later vaak weer helemaal opnieuw. De ‘kritieke periode’, zo lijkt het, is dan nog niet voorbij: hun hersens zijn als het ware nog ontvankelijk voor taal, en in staat het opnieuw ‘vast te leggen’. En de grens ligt ongeveer bij de puberteit: daarna gaat het herstelvermogen razendhard achteruit.

Kamala en Genie lijken de kritieke periode hypothese in ieder geval ten dele te bevestigen. Gewoon, vanzelf en goed een taal leren zat er voor hun niet meer in, hoewel het natuurlijk heel moeilijk is conclusies te trekken op basis van twee meisjes die een in alle opzichten totaal afwijkende ‘opvoeding’ gehad hadden voordat ze met taal in aanraking kwamen. Opvallend is dat ze wel woorden konden leren, het was de grammaticale kant van taal die er niet inging. Netzomin als de sociale overigens. Misschien zijn wel niet alle aspecten van taal afhankelijk van die kritieke periode. Tenslotte gaan we allemaal een levenlang door met nieuwe woorden leren, ook in onze moedertaal.

Duidelijk is wel dat ons taalvermogen een krachtig en robuust iets is. Je krijgt het niet zomaar weg, en het laat zich ook niet gemakkelijk tegenhouden. Het heeft maar een klein zetje nodig te om zich goed te kunnen ontwikkelen. Maar dat zetje moet er waarschijnlijk wel zijn.

Interessant in dat verband is een onderzoek van niet zo lang geleden naar een paar dove kinderen in Amerika. Ze groeiden toevallig in elkaars buurt op, maar hadden ouders die helemaal geen gebaren tegen hen maakten, omdat hen verteld was dat dat slecht voor de ontwikkeling van de kleintjes zou zijn. De kinderen bleken tegen de tijd dat ze een jaar of drie waren helemaal zelf een heel arsenaal aan gebaren ontwikkeld te hebben, waarmee ze elkaar van alles duidelijk konden maken. Alleen een echte grammatica kon de onderzoekster in hun gecommuniceer niet ontdekken.

Gebarentalen, zoals die al sinds mensenheugenis in dovengemeenschappen bestaan, hebben die grammatica wel. Ze hebben in feite alle kenmerken die gesproken talen ook hebben. Ook dat zegt weer iets over de stevigheid van het taalvermogen: het kan blijkbaar ook via een ander kanaal lopen. Zelfs doofblinde kinderen kunnen via voelen perfect een taal leren. En zelf kunnen oefenen is ook geen noodzakelijke voorwaarde. Je kunt je moedertaal ook helemaal passief ondergaan, en hem op die manier evengoed als een ander leren.

Het levende bewijs daarvan vormt de Ierse Christopher Nolan. Hij heeft geen controle over zijn spieren, en zal nooit kunnen praten of gebaren. ‘Ja’ of ‘nee’ zeggen doet hij met zijn ogen. Vele lange jaren zat hij in zichzelf opgesloten en lukte het op geen enkele manier om hem met hulpmiddelen te laten schrijven. Pas toen hij elf was kreeg hij een medicijn dat zijn getril en zijn spasmes zodanig kan bedwingen dat hij een typmachine kan bedienen.

Dat gebeurt heel langzaam, letter voor letter, met behulp van een soort stokje dat aan zijn voorhoofd gemonteerd is, en iemand die zijn hoofd ondertussen vasthoudt. Zoals zijn ouders altijd al wisten bleek Christopher een perfecte kennis van het Engels opgedaan te hebben. En schrijven kan hij ook. Hij maakte eerst een prachtige dichtbundel, en in 1987 verscheen de indrukwekkende autobiografische roman Under the eye of the clock. Inmiddels heeft hij zich ontwikkeld tot een ‘gewone’ schrijver, te oordelen aan The Banyan Tree, een dikke roman in zeer literair, zelfs lastig Engels die in 1999 verscheen.

Slim of sociaal vaardig hoef je voor het leren van taal ook al niet te zijn. De Amerikaanse Laura bijvoorbeeld, is wat in de volksmond achterlijk heet. Ze is nu midden dertig, maar ze tekent nog steeds als een kind van drie. Op intelligentietesten scoort ze buitengewoon laag en vaak kun je absoluut niet volgen waarover ze het heeft. Maar dat ligt niet aan haar kennis van het Engels. Die is namelijk uitstekend. Laura praat in prachtige volzinnen, met correcte vervoegingen en verbuigingen en verwijzingen. Ook ingewikkelde ingebedde constructies, relatieve en passieve zinnen zijn geen probleem. Laura’s grammatica wijkt maar op hele kleine puntjes af van wat normaal is.

Ook snapt ze veel van hoe de wereld in elkaar zit. Als je het haar vraagt vertelt ze je zo dat ‘boeken’ niet ‘gelukkig’ kunnen zijn, dat ‘potloden’ niet kunnen zien en dat ‘fornuizen’ geen ‘appels’ eten. Andere dingen begrijpt ze half. Meestal gebruikt ze getallen en tijdsaanduidingen op de goede plaats in de zin en op het goede moment, alleen de precieze invulling gaat verkeerd. Als je naar haar telefoonnummer vraagt, geeft ze keurig een nummer van de juiste lengte, maar het lijkt niet eens op haar eigen nummer.

Of ze vertelt dat haar ouders twee jaar geleden getrouwd zijn, of dat ze nu 19 is, maar volgend jaar 16 zal worden. Maar wat ze maar niet lijkt te vatten is hoe je een gesprek moet voeren. Ze praat dolgraag, maar ze geeft antwoorden die niet slaan op de rest van het gesprek, of ze begint halverwege haar verhaal ineens over iets totaal anders. Wat ze zegt, is met andere woorden niet coherent.

Laura is een van die mensen die laten zien dat datgene wat we in de wandeling ‘taal’ noemen in feite samengesteld is uit verschillende, in principe tamelijk losstaande vaardigheden.

Nog een sterk geval is Chris, die in Engeland woont. Ook hij heeft een i.q. van ongeveer veertig op heel veel intelligentietesten, alleen op de taaltesten scoort hij hoog. Chris is autistisch en kan absoluut niet voor zichzelf zorgen. Hij is nog niet eens in staat zijn eigen jas dicht te knopen, maar hij heeft een geweldige talenknobbel. Van meer dan twintig talen, uit heel uiteenlopende taalfamilies, heeft hij een behoorlijke kennis. Leg hem een stukje tekst in het Nederlands of het Hindi voor, en hij ratelt het zo op. Een ‘idiot savant’ met een talent voor taal. En net als alle ‘savants’ houdt Chris zich nergens liever mee bezig.

Maar niet alle argumenten komen voort uit spelingen van het lot. Er valt ook veel te leren van al die gevallen waarin alles normaal verloopt. Want de gewone gang van zaken laat zich uitstekend rijmen met het idee je met een compleet taalprogramma geboren wordt, en dat je dat programma bijna onherroepelijk en altijd in de goede volgorde moet doorlopen.

Het gaat meteen van start, en zolang er in de buurt van het kind maar taal gebruikt wordt ontvouwen de talige capaciteiten zich vanzelf in de jaren daarna.

Voor ouders is het misschien wat teleurstellend, maar hun invloed op hun kind is niet zo groot als ze vaak denken. In de literatuur zijn er jarenlang discussies geweest over de rol van wat zelfs het ‘motherese’, het ‘moeders’, heette. Volwassenen praten anders tegen kleine kinderen dan tegen elkaar. Ze spreken langzamer, op een hogere toon, ze gebruiken korte, eenvoudige zinnetjes en ze herhalen veel. Het is een universeel verschijnsel, en zelfs kinderen van vier schijnen hun spraak al aan te passen als ze het tegen een hummeltje van twee hebben.

Begrijpelijk dat de gedachte ontstond dat het horen van die ‘aangepaste taal’ een noodzakelijke voorwaarde was om taal te leren. Maar er is nog nooit enig bewijs voor geleverd. Om te beginnen is het niet zo dat het taalgebruik van de volwassenen parallel loopt met het niveau waarop het kind op dat moment is. Het ‘motherese’ verandert onderweg niet zo veel, terwijl de taal van het kind groeit als kool.

Bovendien zijn er culturen bekend waar eigenlijk niet of nauwelijks tegen kleine kinderen gepraat wordt. In het zuidoosten van Amerika heb je bijvoorbeeld een zwarte arbeidersgemeenschap waar ze kinderen gewoon nog niet als mogelijke gesprekspartners beschouwen. Het gekir boven de wieg van anderen vinden ze maar raar. De kinderen draaien wel gewoon mee in het gezin en horen dus vaak taal. En dat blijkt voldoende: ook die kinderen leren hun moedertaal.

Naar de aard, de inhoud en de opzet van het taalprogramma dat kinderen doorlopen is in de laatste tientallen jaren heel veel onderzoek gedaan. Dat wil overigens bepaald niet zeggen dat het nu geheel in kaart gebracht is. Taal is zo’n ingenieus en ingewikkeld systeem dat er nog steeds niet meer dan fragmenten van beschreven zijn. Ook is er nog geen enkele methode ontwikkeld om met zekerheid aan het brein af te lezen welke taalcapaciteiten er bij de geboorte al in zitten, en wat er daarna groeit en hoe.

Maar in de loop van de evolutie is er in elk geval een link tussen taal en stembanden gelegd. Dat klinkt als een open deur, maar dat is het niet. Het bestaan van gebarentalen bewijst dat de twee niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat die link er is blijkt hieruit: alle kinderen over de hele wereld gaan volautomatisch op dezelfde manier hun stem liggen oefenen in de eerste maanden van hun leven. Het geblaas, gekir, ge-uh, ge-daaah en ge-ammmm is universeel.
Baby’s maken in het begin een standaardsetje geluiden.

Daarin zitten soms ook klanken die in wat hun moedertaal gaat worden niet voorkomen. Die moeten dus ingebakken zitten. En het definitieve bewijs daarvoor vormen dove baby’s: die gaan ook vanzelf in de eerste zes, zeven, maanden op dezelfde manier hun stem uitproberen. Eerst het gepuf en ge-daaah, daarna dezelfde klanken een paar keer achter elkaar: “dadada” en “nenenene” bijvoorbeeld. Dat moet een volautomatisch deel van het taalprogramma zijn.

En hier moet overigens de oorzaak liggen van het feit dat de woorden voor ‘papa’ en ‘mama’, in tegenstelling tot alle andere woorden, in zo ongelooflijk veel talen zo sterk op elkaar lijken.
Na die beginperiode gaan kinderen die kunnen horen door met wat officieel ‘gevarieerd brabbelen’ heet: ze gaan de klanken die ze produceren langzaam maar zeker aanpassen aan de klanken van hun omgeving. Dan komen er dingen uit als “bapetepoepa”. Dove kinderen vallen op dat moment stil.

Maar ‘zelf doen’ of iets begrijpen van wat anderen doen zijn twee dingen. Voordat een kind letterlijk ook maar één woord kan uitbrengen heeft het al een fabelachtige kennis in huis. Als ze kunnen horen, dan hebben baby’s, schijnt het, hun oren zelfs in de baarmoeder al wijd open. Een baby’tje is direct na de geboorte al in staat de stem van zijn moeder te herkennen.

Sterker nog: een pasgeborene hoort ook het verschil tussen dat wat zijn moedertaal gaat worden en andere talen. Hoe je dat meet? Simpel, met een fopspeen waaraan meetapparatuur gemonteerd zit: een oplettend, geconcentreerd kind zuigt daar harder en sneller aan dan een ongeinteresseerde baby. Een al lang bekend feit dat goede diensten bewijst.

Je kunt de zaak zo instellen dat er automatisch gereageerd wordt op het zuigpatroon van het kleintje. Je begint bijvoorbeeld met hem zijn aanstaande moedertaal te laten horen, verliest hij dan interesse dan komt er een vreemde taal voor in de plaats. Verliest hij ook daarvoor interesse dan komt de moedertaal weer terug, en om die te houden moet de baby blijven zuigen. Dat hebben ze ontzettend snel door. En het blijkt dat ze het liefst hun eigen taal horen. Laat je ze namelijk naar twee vreemde talen luisteren dan vertonen ze geen voorkeur voor de een of de ander. Wat ze herkennen is naar alle waarschijnlijkheid het intonatiepatroon.

En het begint werkelijk al voor de geboorte. Baby’tjes reageren in de eerste 24 uur van hun leven al op deze manier, ook als je ze hun moedertaal wat ‘gedempt’ laat horen, zoals het in de baarmoeder geklonken moet hebben.

Oplettendheid is het belangrijkste meetinstrument zolang een kind nog niks kan zeggen. Daarmee is bijvoorbeeld ook aannemelijk gemaakt dat ze tussen de zeven en tien maanden al doorhebben waar ze het eind van een zin of bijzin kunnen verwachten: als je ze laat luisteren naar een verhaaltje waar mechanisch op de verkeerde, ‘onnatuurlijke’ momenten pauzes in zijn ingebracht verliezen ze sneller hun interesse en wenden hun hoofd af.

Wat voor hun taal normale klankcombinaties zijn lijken ze zo tussen zes en negen maanden in de gaten te krijgen. Uit alles blijkt trouwens dat baby’s heel erg gespitst zijn op taal, voorgeprogrammeerd om daar op te letten. Ze vinden het meteen al leuker om naar woorden te luisteren dan naar andere geluiden, of naar stilte.

 Klanken en intonatie zijn maar een klein onderdeeltje van taal. Het zijn wel de dingen waar alle kinderen op de hele wereld mee beginnen. Zo houden ze vaak ‘al hele verhalen’ voordat er ook maar een woord van te verstaan is: dan zijn ze de zinsintonatie aan het oefenen. De eerste ‘echte’ woorden verschijnen meestal rond het eerste levensjaar, maar het kan ook een stuk later zijn. Er is nogal wat variatie in de aanvangstijden binnen het programma. De volgorde van de onderdelen daarentegen is in principe gelijk.

In het begin schiet het niet zo hard op. Zo’n half jaar na het eerste woord, heeft het kind nog steeds maar een handjevol tot zijn beschikking. Meestal een rijtje als: papa, mama, bal, poes, pop, die, op, nog, melk en zo nog een paar. Een woord als ‘melk’ zal niet direct perfect uitgesproken worden. Kinderen blijven hun uitspraak nog een hele tijd vereenvoudigen. En sommige klanken zijn duidelijk moeilijker dan andere. De r en de l bijvoorbeeld kunnen zelfs jaren later nog voor problemen zorgen.

Tenzij het kind Chinees aan het leren is natuurlijk, daar leidt het verschil in uitspraak tussen een ‘l’ en een ’r namelijk nooit tot een betekenisverschil. Vandaar dat veel Chinezen in het Engels geen verschil horen tussen ‘luizen’ en ‘rijst’ (lice en rice), en die twee woorden dus zelf ook door elkaar heen gebruiken. Daar staat weer tegenover dat ze nooit de frustratie hebben van het jongetje dat de ’r’ nog niet kon zeggen en toen hem gevraagd werd of hij ‘fluit’ at boos uitriep “Niet fluit, fluit!”. Overigens bewaren Chinese kinderen wel nog jarenlang het vermogen om die twee klanken te onderscheiden.

Een paar woorden lijkt niet veel, maar toch is het een enorme stap voorwaarts: het kind is nu in staat aan rijtjes willekeurige klanken (immers, in een andere taal heet hetzelfde weer anders) één specifieke betekenis te hechten. Eventjes worstelt hij daar ook mee. Als kinderen zo’n 75 woorden kennen, meestal net voor hun tweede jaar, dan gaan ze een kort poosje overgeneraliseren. Ineens wordt ieder beest een ‘hond’ of alles wat rond is een ‘bal’.

Maar dat ze niet vaker moeite hebben erachter te komen welk woord nou bij welke betekenis hoort is een klein wondertje. Het tempo waarin op een gegeven moment een kindervocabulair aangroeit is gigantisch. Het kan, als ze weer wat ouder zijn, om tientallen woorden per dag gaan. Sommigen denken daarom dat we de concepten voor die woorden al meegekregen hebben bij de geboorte. Dan hoef je er daarna alleen de klanken (of het gebaar als je een gebarentaal leert) bij te leren.

Wat daar van zij, het zou wel een verklaring zijn voor het feit dat blinde en ook doofblinde kinderen zo weinig moeite hebben met woorden leren en concepten begrijpen. Zelfs niet met concepten die met ‘zien’ te maken hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld heel precies het verschil tussen ‘staren’, ‘loeren’, ‘blikken’ en ‘gluren’ uitleggen.

Overigens is die explosie van nieuwe woorden leren een van de dingen die ons scheiden van de apen. De laatste tientallen jaren zijn er veel pogingen gedaan om bijvoorbeeld chimpanzees taal te leren. Nadat gebleken was dat apestrottehoofden niet voldoende klanken van menselijke taal kunnen vormen, ging men over op symbolen, en op gebarentaal.

Een slim idee. Met intensieve training blijk je ze inderdaad nog heel wat woorden te kunnen bijbrengen, wel een paar honderd. Maar nooit komt dat moment dat het ineens met tientallen tegelijk gaat. De kennis die ze wel hebben, gebruiken ze ook niet om eens gezellig te kletsen, maar altijd om iets te krijgen: eten, gekieteld worden. Een ander punt is die training: anders dan kinderen leren apen nooit spontaan taal. Ze hebben niet datzelfde taalprogramma, wat ook blijkt uit het feit dat het met grammatica nooit iets wordt. Apen bouwen geen zinnen.

Kinderen wel. En eigenlijk al vrij snel. De fases die volgen op de zogeheten ‘een-woord-fase’ zijn de twee-woord-fase en de drie-woord-fase. Daarna houdt de wetenschap op met op die manier te tellen. In die laatste twee fases gebeurt er ook al verschrikkelijk veel. Zodra je meer dan een woord hebt sluipt er al grammatica binnen. Nederlandstalige kinderen zeggen ‘boekje lezen’, Engelstalige ‘read bookie’. De plaats van het werkwoord in de zin is in het Engels anders dan in het Nederlands, en elk kind van twee heeft dat al uitgeplust.

De combinatiemogelijkheden zijn natuurlijk niet eindeloos. Naarmate er meer talen beter onderzocht worden, lijkt het er zelfs steeds meer op dat hun bouwprincipes uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. In de taalkunde woedden al jaren twisten en twistjes die hiermee te maken hebben.

Zijn alle talen, als je ze maar op een abstract genoeg niveau bekijkt, eigenlijk hetzelfde? Worden kinderen geboren met een beperkt setje keuzemogelijkeden, en zetten ze dan op basis van wat ze horen het schakelaartje bij wijze van spreken de ene kant uit of de andere? En hangt de keuze voor bijvoorbeeld het werkwoord op de ene plaats in de zin weer samen met andere dingen? Zo ja, hoe? Het is een ware kluwen van argumenten en voorbeelden, en die is nog lang niet ontward.

Wel is duidelijk dat er in taal heel veel verschijnselen zijn waarvan je niet zomaar kunt zeggen ‘dat is Nederlands’, ‘dat is Russisch’, ‘dat is Engels’. De passieve zin bijvoorbeeld is een heel algemeen fenomeen, niet iets dat typisch is voor het Nederlands. Veel regels en beperkingen op regels spelen in heel veel talen precies dezelfde rol. Echt verwonderlijk is het dus misschien ook niet dat kinderen dezelfde ontwikkelingsfases doormaken.

Een heel bekend voorbeeld zijn die passieve zinnen. Geen kind van vier, of het nou Nederlands, Frans, Russisch of nog wat anders aan het leren is, snapt die. Probeer het maar uit: een vierjarige kleuter kent het verschil tussen ‘de kat zit de muis achterna’ en ‘de kat wordt door de muis achternagezeten’ niet. En je kunt het hem ook niet uitleggen. Het taalprogramma is daar nog niet aan toe.

Net zo is het met het gebruik van woorden als ‘zich’ en ‘elkaar’. Een equivalent daarvan vind je voor zover bekend ook overal. Op wie of wat zulke woorden binnen een zin moeten terugslaan is een knap ingewikkeld mechanisme. En kinderen van zes hebben dat nog niet goed door. Ze denken bijvoorbeeld dat ‘De vader van Jan wast hem’ en ‘de vader van Jan wast zich’ hetzelfde betekenen. Alweer: ze erin instrueren helpt niet. Ze zijn er gewoon nog niet rijp voor. Dat moment komt vanzelf. Net als het moment dat ze zoveel taalbeheersing hebben dat ze in staat zijn een ander foutloos de weg te wijzen. Dan zijn ze bijna in hun puberteit.

 “Kinderen zijn papegaaien”, zeggen ouders altijd. Dat is maar zeer ten dele waar. Ja, natuurlijk nemen ze van alles over van hun omgeving, en dan hoor je ze ineens de stoplappen en geliefde uitdrukkingen uitkramen die je zelf altijd gebruikt. Een onverwachte spiegel. Maar dat dat papegaaien dikwijls inderdaad niets anders is dan papegaaien laat de volgende fraaie dialoog tussen moeder en dochter zien:
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: nee, je zegt het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: het bord. mag ik nou de bord?
So much for ouderlijke invloed. Verbeteren kan aan twee kanten tot een flinke portie frustratie leiden. Maar ouders vergeten vaak hoe vertederd ze ook kunnen zijn door de creativiteit die hun kleintje ten toon spreidt bij zijn pogingen het allemaal onder de knie te krijgen.

Dikwijls is het dan zo dat een kind de regel doorheeft, maar de uitzonderingen nog niet. Waarom zou je niet ‘verfmens’ tegen een schilder zeggen, of ‘rooksteen’ tegen een schoorsteen? Dat had net zo goed gekund, want die zelfbedachte woorden zijn wel keurig volgens de regels van het Nederlands gevormd. Woorden als ‘vogelen’ voor (het werkwoord:) ‘vliegen’ of ‘winden’ voor ‘waaien’ zijn zo gek nog niet als je bedenkt dat ‘benen’ kunnen ‘benen’ en dat je ‘planten’ heel goed kunt ‘planten’.

En waarom is ‘slaapte’ nou weer verkeerd, als het wel ‘gaapte’ is? De rij voorbeelden kan eindeloos lang gemaakt worden, maar uiteindelijk zullen ze allemaal ‘sliep’, ‘schilder’ en ‘waaien’ leren zeggen, zonder er ooit nog een seconde bij na te denken. Alle kans dat ook Pia later tegen haar kinderen zegt: “Nee schat, het is niet ‘dakken’, maar ‘daken’. Dat is een uitzondering.”

 

NOOT: Bovenstaand stuk is een paar jaren na verschijning een heel klein beetje geactualiseerd.

NOOT 2: Het verhaal van Amala en Kamala zou beter geverifieerd moeten worden. Er is in ieder geval gefraudeerd met foto’s waar ze op zouden staan. Die waren niet van de meisjes, maar werden later ‘nagespeeld’. Het weeshuis had natuurlijk altijd geld nodig. Jammer. Ik was er ook ingetrapt.

Uitgesproken Nederlands

Dagelijks spreken zo’n vijftien miljoen mensen miljarden woorden Nederlands. Er komen veel meer zinnen uit monden dan uit pennen of tekstverwerkers. Toch draaien schoolmeesters en ingezonden-brievenschrijvers in dit land al jaren een zeer beperkt standaardrepertoire af.’Hij word’ is een doodzonde, de lijdende vorm moet zoveel mogelijk vermeden worden, ‘groter als’ is verboden.  Discussies gaan over spelling, en over de jeugd, die geen fatsoenlijke brief meer kan schrijven. En over onze mooie taal, die het af zal leggen tegen het Engels. Maar hoe ziet gewone spreektaal eruit? Waarom maken jongens wormzinnen en hoe lang duurt een pijnlijke stilte? Liesbeth Koenen luisterde naar Nederlands. 

Spreektaalclichés: uit meligheid begon Inez van Eijk ze zo’n dertig jaar geleden te verzamelen. Op vakantie aan het Gardameer maakte ze er samen met een vriendin een sport van om tuttige conversaties te noteren. Haar collectie “Dooddoeners en stoplappen”, te vinden in een Prisma‑uitgave die net zo heet, is echt om te huilen. Honderden pagina’s gemeenplaatsen, standaardreacties, uitgekauwde grapjes. Het boekje, ‑ verschenen in 1987 en jammer genoeg nu al niet meer te koop ‑ vormt het onomstotelijke bewijs dat onze spreektaal boordevol afgezaagde woordcombinaties zit. Want u kent ze allemaal: 

“Zo. Kô je ’t ’n beetje vinden?”

“Welja joh, ’t is eigenlijk vlakbij hè?”

“Kom d’r in. Geef die plu maar hier. En let niet op de rommel.” 

En niet alleen begroetingen verlopen volgens dit of een soortgelijk ritueel. Hele gesprekken kunnen zo volgeleuterd worden:  

“Nou. Hè, hè, daar zitteme dan. Jij koffie?”

“Ik sla niks af as vliegen. Een bakje leut knapt een mens van op.”

“En … hoe gaat ‘t?”

“Nou, we leven nog hè?”

“Ach ja, dat zeg ik. Hier ook alles z’n gangetje. Nog iets van Peter gehoord de laatste tijd?”

“Nou, da’s óók toevallig, ik kwam ‘m gister nog tegen bij Loes.”

“Tisniewaar! Wat is de wereld toch klein! Issie nog steeds eh…?”

“Ja, wâ dach jij? Ik zei nog tegen ‘m, pas maar op zeg ik. “

“Tistochwat! Affijn, we kennen ‘m langer dan vandaag, wat jij?”

“Zó is dat. Zeg, ik moet ‘r weer ’s vandoor. ’s Kijken of m’n huis d’r nog staat.”

“Leuk dat je geweest bent. Je komt ‘r wel uit hè?” 

Spoelt u maar even, ja. Een kleine steekproef in mijn omgeving wees direct uit dat een dergelijk dialoogje afgrijzen oproept, maar toch tot gegiebel leidt. Ook Inez van Eijk bekijkt haar eigen verzameling nog steeds met gemengde gevoelens: “Aan de ene kant verbaas je je over de rijkdom, de vindingrijkheid van de Nederlandse taalgebruiker, maar je wordt tegelijk ook beroerd van de emotionele armoede die eruit spreekt. Ik heb het idee dat het gebruiken van stoplappen en clichés te maken heeft met je ongemakkelijk voelen, niet goed weten wat je moet zeggen, dus dan wordt het weer een dooddoener.” 

Onvermogen, onzekerheid, compassie, passie: zodra iemand zijn mond open doet kan elk woord meteen boekdelen spreken. Een effect dat op papier nooit te bereiken valt. Want spreektaal opschrijven kán niet.

Ook het gesprekje hierboven is geen spreektaal. Het lijkt er wel op ‑ behalve van Eijks stoplappen heb ik er nog wat kenmerken ingestopt ‑ maar het staat in feite nog mijlenver af van “the real thing”. Iedere fantastische dialoog uit de wereldliteratuur, elk levensecht interview dat u ooit gelezen hebt, het was een leugen. En dat geldt zelfs voor vrijwel alle goede films, toneelstukken en reclamespotjes. Proef op de som: zet de tv aan op een net waar op dat moment Nederlands gesproken wordt, doe uw ogen dicht, luister tien seconden. Beslis dan: dit is gespeeld of echt. Als het gespeeld is hoort, voelt, proeft u dat, want in ’t echt gaat het domweg niet zo.  

Hoe gaat het dan wel in het echt? Waarom is spreektaal zo herkenbaar als spreektaal? Wat rolt er ongemerkt uit onze monden? Anders gezegd: welke kenmerken maken dat onze oren ergens “spreektaal” in horen?

Het definitieve en complete antwoord daarop kent niemand. Een speurtocht naar de spreektaal levert weliswaar heel wat op, maar het zijn allemaal losse stukjes. Dat hoeft niet echt te verbazen, want ál onze kennis van het fenomeen taal tot dusver is fragmentarisch. Het is het sociale bindmiddel bij uitstek, een machtig wapen dat kan vlijen of neersabelen, het voertuig voor onze gevoelens, ons begrip van de wereld, en toch zijn de geleerden nog maar net begonnen er iets van te snappen.

En dat is eigenlijk wél merkwaardig. Want praten en begrijpen wat anderen te vertellen hebben, dat kan iedereen die goede oren en onbeschadigde hersens heeft. En dan zouden we niet weten wat dat nou precies wil zeggen? Toch blijkt dat het geval. Aan een flinke, volwassen schoenmaat is de taalkunde nog niet toe. En gewone spreektaal, de taal van alle doodordinaire normale dagelijkse gesprekken, is binnen dat brede vak een nogal ondergeschoven kindje.

Spreektaal is zoiets als een eerste levensbehoefte. Wat staat breedschalig onderzoek daarnaar dan in de weg? Om te beginnen: wetten en praktische bezwaren natuurlijk. Geld, tijd en energie zijn in wetenschapsland schaarse middelen, en je hebt van alle drie flinke doses nodig om spreektaal te onderzoeken. Het INL, het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (“woordkunde”) in Leiden heeft een databank voor de woorden van het twintigste‑eeuws Nederlands, dus zeker ook voor nieuwe woorden. Nu wordt een deel van de woordenschat geboren in de monden van sprekers om pas daarna een carrière in de schrijftaal te beginnen.

En sommige woorden zullen zelden of nooit het genoegen beleven “publiekelijk” opgeschreven te worden: “plu” voor “paraplu” bijvoorbeeld, of “zekers” en “pietsje”, of “tyfuslijer” en “gratekut”.

 Het INL wil al die woorden natuurlijk toch in zijn bestanden hebben staan, want ze maken deel uit van het Nederlands (het idee dat woordenboekenmakers bepalen wat goed is of betamelijk, is verdwenen, de taak van een lexicograaf is tegenwoordig niet meer en niet minder dan gewoon noteren wat hij hoort en leest).  Maar als het om gesproken Nederlands gaat behelpt het INL zich met de teksten van het Jeugdjournaal. Bij gebrek aan mankracht ‑ banden uitschrijven is een van de tijdrovendste karweitjes die je kunt bedenken ‑ geen slechte noodoplossing.

Professor Piet van Sterkenburg, directeur van het INL en ook hoofdredacteur van het Van Dale woordenboek Hedendaags Nederlands en het Handwoordenboek Hedendaags Nederlands, is dol op het Jeugdjournaal, en begint te glimmen als hij erover praat. Hij heeft ronduit gelijk als hij zegt dat het Jeugdjournaal voor een journaal zo’n bijzondere woordkeus heeft. Uitdrukkingen uit het dagelijks spraakgebruik als “niet meer kapot kunnen”, “daar zit ‘m de kneep” en “’t wel kunnen schudden” zijn in het Jeugdjournaal heel gewoon, terwijl je ze in het volwassenen‑journaal niet snel zult tegenkomen. 

Van Van Sterkenburg verscheen vorig jaar het boek Taal van het Journaal, Een momentopname van hedendaags Nederlands, een titel die iets meer belooft dan waargemaakt wordt: het boek gaat vooral over het woordgebruik in de verschillende NOS‑journaals, en een taal bestaat uit heel wat meer dan dat. Feit is wel dat via het nieuws veel nieuwe woorden het spraakgebruik binnenkomen, (“straatverbod”,  “sofinummer”, “spitsvignet”), die meteen het gesprek van de dag kunnen worden.

Toch zijn zulke woorden zeker niet “typisch spreektaal”. Interessanter is het wat dat betreft te kijken naar voor‑ en achtervoegsels of hele woorden, die zoals het in jargon heet “produktief” zijn, dat wil zeggen: je kunt ze gebruiken om ter plekke een nieuw woord te formeren, en dat is iets dat in de spreektaal nogal eens gebeurt. Van Sterkenburg trof overigens geen modewoorden als “‑gebeuren” (popgebeuren, sinterklaasgebeuren) en “‑plaatje” (inkomensplaatje) aan in zijn collectie journaalteksten (uit 1987), evenmin als, zoals hij ze noemt, “informele bekrachtigers” als “bere‑”, “klote‑”, “loei‑” en “rete‑”.

Topscoorders daarentegen zijn de voorvoegsels “top‑” (van topacteur tot topzakenlui), “anti‑” (anti‑apartheid tot anti‑westers), “niet‑” (niet‑aangemeld tot niet‑verzekerde), “non‑” (non‑actief tot non‑volk) en “thuis‑” (thuisbasis tot thuiszorg).

Sommige van die modieuze nieuwvormingen roepen onmiddellijk de gedachte op aan Jan Kuitenbrouwers boekje Turbotaal  (daarin blijkt ook dat het achtervoegsel “o” en “afko’s” op “o” erg produktief zijn: dumbo, fantastico, techno, demo). Zulke modewoorden leiden vooral een rijk leven in de spreektaal. De kracht van het boekje van Kuitenbrouwer zat ‘m in het feit dat hij als eerste een aantal dingen opschreef die zijn lezers om zich heen hoorden, of, nog mooier, zélf zeiden. De aha‑erlebnis blijkt een grote aantrekkingskracht te hebben.

Een aantal turbo‑uitdrukkingen zal de reguliere woordenboeken wel bereiken, andere zullen alweer verdwenen zijn vóór een volgende nieuwe herziene druk. Van een woordenboek kun je onmogelijk verwachten dat het een complete en correcte inventarisatie van de spreektaal op één moment geeft.

Maar wie probeert met behulp van dictionaires inzicht te krijgen in wat spreektaal is, komt sowieso niet erg ver. De meeste woordenboeken hebben geen aanduiding “spreektaal”, alleen in de Grote Van Dale kon ik in de lijst gebruikte afkortingen ook “spreekt.” vinden. Achter welke woorden staat dat dan? Drie dikke delen doorvlooien op dat ene toevoeginkje is geen doen, maar gelukkig bleek de firma bereid om de computer het zoek‑ en noteerwerk te laten verrichten. Resultaat: één velletje met woorden die het etiket “spreektaal” opgeplakt hebben gekregen, ruim 100 stuks, van “achterelkaar” tot “zwijnderij”.

Daar zouden we al pratend niet ver mee komen. Het lijstje is dan ook nogal willekeurig en bovendien verouderd: “broer” staat er bijvoorbeeld in. Omdat de omschrijving in de Grote Van Dale daarvan luidt “de gewone spreektaalvorm voor broeder”. Iets dergelijks zou je ‑ overigens met even weinig recht ‑ ook over “zus” kunnen zeggen, en dat staat weer niet op het spreektaallijstje. En wie heeft bedacht dat “zoenen”  “Noordndl. spreekt.” is? Bedoelt Van Dale met Noordnederlands soms niet‑Vlaams? En moeten we in Nederland dan “kussen” gebruiken als we schrijven? Dat lijkt me aantoonbare onzin.

Wat je wel weer spreektaal kunt noemen zijn woorden als “geeneens”, “nakie”, “niksen” en “strakjes”.

Ook de Grote Koenen levert maar weinig spreektaalwoorden op. Daar is men ook vergeten om voorin bij de afkortingen “spreekt” op te nemen, terwijl een aantal woorden toch dat label meegekregen heeft. Bij Wolters‑Noordhoff wordt momenteel hard aan een tweede druk van het woordenboek gewerkt, en daarbij worden ook de labels kritisch bekeken. Een tipje van de sluier wil men er wel al oplichten: ook in de volgende druk zal het label “spreekt.” nog voorkomen, maar er vinden wel verschuivingen plaats. De woorden “niks”, “nee” en “kwiek” bijvoorbeeld verliezen hun speciale etiketje, maar bij “omkukelen”, “ophoesten” en “oplawaai” zal het wel blijven staan.  

Het lijkt er hard op dat woordenboekenmakers met de term “spreektaal” niet goed uit de voeten kunnen. Betekent dat dan dat de woordkeus nauwelijks iets uitmaakt voor de bepaling of iets wel of geen spreektaal is? Ja en nee. Heel veel woorden kom je natuurlijk tegen bij willekeurig welk taalgebruik dan ook. De meest frequente woorden in de spreektaal zijn volgens een onderzoek uit de jaren zeventig van de Werkgroep Frequentie‑onderzoek van het Nederlands: ik, ja, eh, dat, en, een, de, niet, het, is, je, wel, dan, maar, dat, ook, dan, ze, van, die.

Om maar even de eerste twintig te nemen. Voor die woorden maakt het niet of nauwelijks uit of je een formeel of informeel gesprek voert, noch of je hoog of laag opgeleid bent, en ook niet of je jong of oud of man of vrouw bent. En behalve “eh”, dat prettig genoeg meegeteld is, lijkt geen van die woorden typisch spreektaal te zijn.

Jammer van dit onderzoek is alleen, dat er van elk van de onderzochte groepen (bijvoorbeeld: jonge vrouw, hoog opgeleid, informeel gesprek) slechts 7500 uitgeschreven woorden zijn bekeken (ter vergelijking: de woordenboeken Hedendaags Nederlands bevatten er een kleine 100.000, en die allemaal maar één keer natuurlijk).

De superfrequente woorden  zoals die hierboven komen daar toch wel uit, maar verder zal het toevallige gespreksonderwerp een onevenredig grote invloed hebben gehad op het beeld van woordfrequenties in gesproken Nederlands dat in het onderzoeksverslag gegeven wordt.

Het grote probleem is de bewerkelijkheid: al die woorden moeten ook nog eens gecodeerd worden wil je er echt iets van kunnen zeggen (het voegwoord “dat” is een ander “dat” dan het aanwijzend voornaamwoord “dat”). Een tweede probleem, dat in heel veel wetenschappelijk onderzoek speelt, is dat de onderzochte sprekers niet echt spontaan konden praten. Ook het informele gesprekje werd met een onderzoeker en natuurlijk de bandrecorder aan gehouden. Gevolg: in de hele frequentielijst is geen onvertogen woord te vinden. Ja, drie “jeetjes” en zeventien “gohs”.

Waarschijnlijk is wat de redactie van het Basiswoordenboek van Van Dale (bedoeld voor middelbare scholieren, en in veel opzichten het beste woordenboek dat ik ken) gedaan heeft dan ook nog het verstandigste. Ook daar ontbreekt de aanduiding “spreektaal” in het lijstje voorin, maar de computer geeft de volgende korte maar krachtige uitdraai: asem, d’r (=haar), d’r (=er), duppie, effe, enigst, hullie, ie, ikke, ‘m, mekaar, met (=op het moment dat, zoals in “met dat ik van m’n fiets stap, komt..”), m’n, ‘n, ‘r, ‘t, z’n.

Stuk voor stuk duidelijk gevallen van spreektaal, dat wil zeggen: op school wordt ons geleerd het zo niet op te schrijven. (Ook al heeft dat bijvoorbeeld Nescio er nooit van weerhouden heeft om consequent “‑i”, “‘t” ,”z’n”, “m’n” etcetera te schrijven, en bevat de ondertiteling van elke willekeurige serie op de Nederlandse televisie reeksen “ie”‘s.) En over vrijwel alle andere Nederlandse woorden kun je twisten: oplawaai en omkukelen uit de Grote Koenen, of achterelkaar en nakie uit de Grote Van Dale zouden tenslotte best in een kranteartikel of fraaie roman kunnen staan.

 Maar woordenboeken kennen natuurlijk wel nog een heleboel andere “labels”, aanduidingen als “populair”, “ruw”, “vulgair”, “informeel”, “literair”, “familiair” etc. Het wel of niet gebruiken van een woord uit een van die categorieën heeft alles te maken met de vraag tot wie je je richt en met welk doel.

En in de praktijk ben je al pratend sneller familiair of ruw dan al schrijvend. Daarbij mag alleen niet vergeten worden dat datgene wat wij onder “schrijftaal” verstaan, hoofdzakelijk bepaald wordt door zakelijke, journalistieke en literaire geschriften. Dagboeken en privécorrespondentie zullen als het om de woordkeus gaat, opvallende gelijkenissen vertonen met de spreektaal: “Wat een kloteweer vandaag” is een mededeling die in een brief aan een goede vriend zeker niet misstaat, maar als beginregel van het weeroverzicht in de krant is hij niet erg geschikt.

Registers is hier het sleutelwoord. Voor zover bekend vind je die in alle talen. Een taal echt goed beheersen, betekent automatisch: verschillende registers tot je beschikking hebben. Voor de koningin trek je een ander register open dan voor je moeder of echtgenoot. Bij de dokter of een ambtenaar van de burgerlijke stand praat je anders dan tegen een kind. En dat doe je helemaal vanzelf. Tegen je collega’s heb je het over ‑ ik doe hiervoor een willekeurige greep uit de lijst “populair” van het Basiswoordenboek van Van Dale ‑  “aftaaien”, “geschift” en “geen porum”, maar tegen je baas zeg je eerder “naar huis gaan”, “een beetje vreemd”, en “geen gezicht”.

Verschillende omstandigheden vereisen verschillende registers. En de verschillende labels in woordenboeken zou je daarom kunnen zien als registeraanduidingen. Ook al zijn de scheidslijnen tussen registers dikwijls boterzacht. Volgens de Grote Van Dale zijn “kontneuken” en “godsliederlijk” informeel, maar “neukdoos” en “hemelzeiker” vulgair.

Wat binnen welk register gepast wordt gevonden, is ook niet iets dat voor eeuwig vastligt. Twee generaties geleden kon je je mond met zeep gaan spoelen als je “trut” of zelfs “rot” gezegd had, nu hoor je ook de keurigste types kalm beweren dat iets gelul is. In de nieuwe druk van de Grote Koenen zullen de  collecties “ruw”, “plat” en “bargoens” niet groter geworden zijn, maar “familiair” is wel gegroeid. 

Je zou kunnen zeggen dat “schrijftaal” een apart register is. Met een aantal merkwaardige kenmerken. Allereerst: je kunt je niet dezelfde vaagheden veroorloven die in spreektaal ongemerkt passeren. Een mededeling als “zeg..eh” kan honderdduizend verschillende dingen betekenen, van “dat waren wel genoeg koekjes” tot “ik wil naar huis, ga je mee?”.

“Een half woord” is wanneer je het voor een ander publiek dan een enkele ingewijde bedoelt, domweg niet genoeg. Wel‑of‑niet‑tutoyeren bijvoorbeeld kun je in gesprekken  redelijk goed in het midden laten. En met de veranderde of nog steeds veranderende sociale code die daarvoor geldt, kan dat bijzonder praktisch zijn. Maar in de eerste de beste brief moet je al kiezen. Afwisselen, zoals ik bij de groenteman en de kaasboer doe, is uitgesloten. Als je schrijft kun je geen woord “wegmoffelen”.

Misschien dat daarom ook alles wat zwart‑op‑wit staat harder aankomt. Je moet, of je nu wilt of niet, expliciet zijn. En bij emotioneel sterk geladen woorden komt daar nog eens bij dat hun betekenis bijna helemaal afhangt van hoe je ze uitspreekt. Tussen neus en lippen door, met een spoortje van een lach in je stem? Of komt het er keihard en verbitterd uit? Mompelt je geliefde half vertederd “ach, stomme trut” voor zich uit, of bijt hij ’t je toe? Nuances die maar moeilijk en nooit rechtstreeks op papier te krijgen zijn. 

Een verandering van toon kan de betekenis van een simpele mededeling (“ja, leuk”, “moet je doen!”) 180 graden doen draaien. Een accent dat nét even ergens anders komt te liggen ook (“gá nou gauw” voor “schiet op” tegenover “ga nou gáuw” voor “ik geloof er niks van”) . Zelfs “weten wie ’t zegt” is soms al genoeg om andere interpretaties uit te sluiten. Als iemand iets ironisch bedoelt, hoor je dat (meestal althans) direct. Op papier leidt het al snel tot misverstanden en zelfs misbruik.

Recent voorbeeld van dat laatste is tekstwetenschap‑professor Teun van Dijk die een interview met Gerrit Komrij in NRC Handelsblad gelezen had, en uit Komrijs overduidelijk ironisch bedoelde woorden dat hij een “bijna seniele kwijlende man” is, “met één been in het graf” concludeerde dat Komrij misschien wel aids heeft. Of was dat soms ook ironisch bedoeld?

Aanhalingstekens helpen niet genoeg tegen misverstanden, omdat die voor te veel verschillende dingen gebruikt worden. Hugo Brandt Corstius stelde ooit voor een ironieteken in te voeren, dat dan aan het begin van een zin geplaatst moest worden. Een toevoeging aan ons schrift die me heel wat interessanter lijkt dan bijvoorbeeld de verbindings‑n in kuttenkop en pruimenpit waarover dure spellingscommissies nu al vele jaren praten. Maar dat terzijde. 

De mogelijkheden die je hebt met stembuigingen en klemtonen zijn natuurlijk een van de meest in het oogspringende kenmerken van de spreektaal. Beroepssprekers kunnen daar mee spelen. Jan Roelands, een man met een fabelachtige inspreekervaring, zei altijd dat het belangrijkste voor een goede “stem” op de radio of bij documentaires zeker niet het timbre was, maar dat het ging om begrip van de tekst in kwestie: de juiste nadruk en pauzes leggen, laten merken dat je weet waar je over praat.

Roelands, die in 1989 onverwachts overleed, was er een meester in. U kent zijn stem allemaal nog, maar hoe hij klonk kan ik onmogelijk onder woorden brengen: iemands stemgeluid is werkelijk een volslagen uniek aspect van spreektaal dat uitsluitend in onmogelijk vage termen beschreven kan worden.

Ook de wetenschap weet er geen raad mee. Bij het Instituut voor Perceptie‑onderzoek (IPO) in Eindhoven probeerden ze er ooit achter te komen wat er nu zo karakteristiek was aan de stemmen van Philip Bloemendal (de Polygoon‑journaal‑stem) en de actrice Mary Dresselhuys: ze kwamen er niet uit. Apparatuur kan het nog niet meten, maar mensen hebben dikwijls letterlijk al genoeg aan één ademtocht om iemands stem te herkennen.

Toch zit er in Jan Roelands’ opmerking over tekstbegrip een sleutel tot meer inzicht in wat spreektaal is. Cees Manintveld, van het stemmenbureau Multi‑Voice in Hilversum waar iedereen een “stem” kan huren voor documentaires en commercials, zegt feitelijk net zoiets: je moet laten horen dat je weet wat je zegt. Het moeilijkste inspreekgenre is volgens hem “zo’n spotje waarin het moet lijken of iemand gewoon zijn eigen ervaringen staat te vertellen”. Natuurlijk, er zijn wel eens van die teksten die niet zo lekker bekken (Manintveld geeft als voorbeeld “nu u uw formulier…” en van die zinsneden als “dat ‘t’ ‘t…”), die moeten dan even omgegooid worden, maar het belangrijkste voor een “stem” is toch dat hij op natuurlijke plaatsen nadruk legt en zich kan inleven in een sfeer.  

Het gaat kortom om “echt”, en wat doe je in het echt? Praten, denken en voelen tegelijk. En dat heeft grote consequenties voor de hele machinerie die telkens wanneer je je mond open wilt doen in gang gezet wordt. Voor spreken komt nogal wat kijken. Hoe we het precies doen is niet bekend, maar professor Willem Levelt (directeur van het Max Planckinstituut voor Psycholinguistiek in Nijmegen) zette de aanwezige kennis en theorieën een paar jaar geleden bij elkaar in zijn boek Speaking.

Héél in het kort komt het er op neer dat we eerst het concept (wat dat ook precies moge zijn) van wat we willen meedelen opvissen uit ons hoofd. Dat concept gaat naar “de formulator”, die moet zorgen dat de gedachte of het idee een talige vorm krijgt. In die formulator is een hele batterij zelfstandige “modules” aan het werk: eentje die de juiste hoeveelheid lettergrepen aanmaakt, eentje die de goede klanken kiest, een die zorgt voor de verbuigingen, een die de woorden in een grammaticale volgorde zet, et cetera.

Die modules werken razendsnel, veel sneller dan we ooit zelf kunnen volgen. Om het tempo te verklaren waarin wij praten, moeten ze parallel werken, dus dwars langs elkaar heen.

Dat verklaart allerlei “domme” versprekingen: “Dan staan ze te schoppen op je klouder” is er zo een. De juiste klanken zijn daar gekozen, het juiste aantal lettergrepen ook, en met de woordvolgorde is niets mis, alleen is de “sch” van “schouder” per ongeluk op de plaats van de “kl” (van kloppen) terechtgekomen. De “sch” en de “kl” (alletwee medeklinkerclusters, zoals dat heet) waren wel al klaargelegd, en toen de “sch” vergeven was, bleef de “kl” over. Gevolg: twee fouten in een zin, in plaats van een. Het zijn ook altijd óf klinkers óf medeklinkers die verwisseld worden, of anders complete lettergrepen (“verkrachte eenden”).

Vaak zie je in een verspreking ook ineens twee gedachten of manieren van uitdrukken tegelijk opduiken, (“een fluitketel die heeft ze ernstig noodzakelijk als theedrinkster” waar “is noodzakelijk voor” en “heeft ze nodig als” door elkaar lopen) en soms kun je er zelfs iemands gedachten uit lezen, zoals bij de mevrouw die op tv zei: “dat was eigenlijk de enige waar ik op dat moment …. ’t meeste aan had”.

Blijkbaar vond die het toch te grof te beweren dat ze aan niemand anders ook maar iets gehad had. Over het hoe en waarom van verspreken of “bijstellen” is verder niet veel bekend. Je kunt alleen constateren dat het vaker voorkomt wanneer iemand moe of dronken is (dan is “het juiste woord” bij een concept vinden ook lastiger). Waar weer tegenover staat dat een niet al te grote hoeveelheid alcohol juist een grotere vlotheid en trefzekerheid in het spreken kan geven.

Levelt geeft ook cijfers: we produceren al pratend gemiddeld vijftien spraakklanken per seconde, dat wil zeggen twee à drie woorden, hoewel dat op kan lopen tot zeven woorden per seconde. Elke drie tot vijf seconden zit daar een hoofdwerkwoord tussen, en slechts bij één promille van de selecties die we uit ons mentale woordenboek maken, gaat het fout en zeggen we bijvoorbeeld “een hoge, eh.. lage drukgebied” of “hori, eh, verticaal”. 

Op dit moment probeert men op het Max Planckinstituut te onderzoeken wat we bij het praten verhoudingsgewijs moeilijk vinden. Het schijnt dat onze ogen werkelijk de spiegel van onze ziel zijn: oogpupillen reageren op mentale inspanning. Daarvan willen Levelt en de andere onderzoekers gebruik maken. Echt eenvoudig is dat niet: de reacties van de pupil zijn complex. Hij kan zowel groter als kleiner worden, en het duurt maar liefst 1,3 seconden vóórdat de reactie maximaal is. Een spreker is dan al gauw vijf of zes woorden verder.

Maar er is een terug‑reken‑methode ontwikkeld en de eerste voorzichtige conclusies sluiten aan bij wat je intuïtief zou verwachten: een zin of een bijzin beginnen is niet speciaal lastig, maar er wordt aan de pupillen te zien echt hard gewerkt tijdens kleine pauzes en op het moment dat in een zin het accent, dus de nadruk gelegd wordt. Met andere woorden: bedenken wat we willen gaan zeggen (dat gebeurt tijdens die pauzes) en het belangrijkste uit de mededeling benadrukken kosten meer aandacht dan bijvoorbeeld een zin construeren. Dat laatste gaat blijkbaar nog meer op de automatische piloot.

Toch hapert ook die automatische piloot nog wel eens, en bovendien heeft hij zo zijn eigen stuurmanstrucjes. Dr. Frank Jansen (werkzaam aan de universiteit van Leiden) is gepromoveerd op Syntaktische konstrukties in gesproken taal, een proefschrift dat gebaseerd is op een veertigtal interviews met allerlei Leidenaren. Wat hij daarin hoorde zou je ontluisterend kunnen noemen: tjonge, wat praten we allemaal slordig.

Al die zinnen die halverwege in de lucht blijven hangen, al die zaken die maar weggelaten worden, en dan de keren dat we halverwege een mededeling een andere mededeling beginnen, of de zin anders afmaken dan we hem begonnen zijn. Toch: in het dagelijks leven merk je daar niets van. Het is ook niet vervelend voor wie spreektaal hoort.

Spreektaal is vluchtig, zegt Jansen, en dat is een feit dat iedereen kan controleren. Zelfs vrijwel direct nadat u een mededeling gehoord of zelf uitgesproken heeft, zult u die onmogelijk woordelijk kunnen herhalen.

Oh ja, de bedoeling, de essentie, die herinnert u zich nog wel, en daar kunt u opnieuw een formulering bij zoeken, maar u kunt het niet zomaar nog een keer precies zo zeggen. (Tenzij het om korte, veelvoorkomende of simpele vragen en zinnetjes gaat natuurlijk, zoals “Heb je honger?” of “Daar gaat‑ie weer”.) Zo produceren en verwerken we taal nu eenmaal: de bedoeling is wat er blijft hangen, maar de vorm waarin die gegoten wordt is alleen een voertuig dat direct uit het zicht verdwijnt zodra het zijn bestelling heeft afgeleverd. Een valse start (“ga even, ach.. ik bedoel geef even…”) is daarom zo weer vergeten.

Vaak heb je niet zo veel woorden nodig om een bedoeling over te brengen, bijvoorbeeld omdat je aan iemands gezicht al ziet dat hij begrepen heeft wat je wilde zeggen. De zin dan nog afmaken is verspilde moeite (en het kan nog irritant worden ook: mensen die er op staan hun “punt even af te maken” terwijl je allang gesnapt hebt waar ze heen willen, wekken al gauw wrevel op). Ook kun je een gebaar (fles omhooghouden) simpelweg ondersteunen met een paar woorden (“Jij nog?”). Van alles weglaten is volstrekt normaal en natuurlijk in gesproken taal.

Op papier ziet het er vaak niet uit, maar let maar eens op, iedereen zegt dingen uit het onderzoek van Jansen zoals (tussen haakjes staat wat er is weggelaten): “’s avonds dan zitten ze nog weer huiswerk te maken, (dat) had je vroeger niet” of “hij ging failliet, nou (toen) stond ik op straat” en “(U) moet me goed begrijpen”. Denk ook aan Trudy Labij  in die overtuigende reclame voor luchtverfrissers: “(dat) Hebtie thuis niet, zulke lekkere luchten.”

Maar waar we aan de ene kant dingen weglaten, herhalen we aan de andere kant ook nogal wat. Bijvoorbeeld als we parafraseren, in andere bewoordingen ongeveer hetzelfde nog eens zeggen: “Ik vind ‘m wel leuk, wel vriendelijk”.

Maar ook als we de typische spreektaalconstructie gebruiken die ik maar even de “hij‑zegt‑zegt‑ie”‑constructie zal noemen: “Hij zegt dus ‘dat zie je hartstikke verkeerd’, zegt‑ie, ik zeg ‘man, ga een eind wieberen’ zeg ik, nou, hij zegt..” enzovoort. Voor “zeggen” kan natuurlijk ook een ander werkwoord worden ingevuld (“ik ben in september ben ik aan die cursus begonnen”), en de volgorde van onderwerp en werkwoord mag ook meteen al werkwoord‑onderwerp zijn: “wat denk je? Loopt‑ie weg, loopt‑ie” of “Komt‑ie hoogstpersoonlijk binnenzetten, komt‑ie”.

U gelooft niet dat u zo praat? Bijna niemand gelooft dat van zichzelf, en toch: dikke kans dat u het doet. Net als “echoën”: “ik had geen doel meer hè, had geen doel meer” of simpelweg “toen heb ik eh heb ik niet gewerkt”.

Een principe waar ook iedereen voortdurend op terugvalt is wat Jansen voor het gemak het dikke‑dingen‑buiten‑boord‑principe noemt. Is bijvoorbeeld het onderwerp van de zin wat ingewikkelder dan zetten we dat als het ware buiten de mededeling door er met een woordje als “die” of “dat” of “daar” naar te verwijzen en dan pas de rest van de zin af te maken.

Bijvoorbeeld: “Hoe die ooit van z’n leven in Oegstgeest is gekomen dat weet ik niet”  en “en wie dan de goedkoopste van de drie was die kreeg het”. En het hoeven niet eens echt “dikke dingen” te zijn, in spreektaal verwijzen we heel dikwijls met één samenvattend woordje naar het vorige zinsdeel (“die ouders daar maakte je kennis mee”, “in december dan werd er geld opgehaald”, “toen ik wegging toen zei iemand..”). 

In schrijftaal (dan) laat je die woorden weg, maar in spreektaal ontlasten dergelijke verwijzingen het geheugen. Zowel dat van de spreker als dat van de luisteraar: je bouwt als het ware verder op dat ene woordje, en datgene waar het op slaat, de inhoud, is al “verwerkt”.

Lezen gaat veel sneller dan luisteren (gemiddeld horen we 180 woorden per minuut, en lezen we er 300) maar schrijven gaat juist stukken langzamer dan praten.

Met andere woorden, waar in een gesprek produktie‑ en consumptietempo gelijk op gaan, is er in het schriftelijk verkeer een groot verschil tussen die twee. Misschien dat daaruit een deel van de verschillen tussen schrijftaal en spreektaal te verklaren is. Die samenvattende, terugverwijzende woordjes heeft het geheugen bij een snellere “tekstverwerking” blijkbaar minder hard nodig. Hetzelfde geldt voor herhalingen. Snel na elkaar eenzelfde woord wéér gebruiken, of veel verkleinwoordjes (in de spreektaal stikt het daar van) in de tekst stoppen, wordt zelfs al gauw hinderlijk bij het lezen. Of is die afkeer ons op school aangeleerd?

Net zo snel schrijven als je praat is uitgesloten, dat lukt de wereldrecordhouder sneltypen nog niet. Dat betekent dat je op een andere manier taal gaat produceren. Overdachter. En op papier zie je ineens de ongerijmdheden, de antwoorden die beginnen met “ja, nee”, de nergens op slaande tussenwerpsels als “dat zeg ik” of “nou, daarom”. En het valt op als zinnen halverwege.. en dan weer een nieuwe beginen en nou ja, dat is dus allemaal een ramp om te lezen, tenminste vind ik hoor en eh… ik niet niet alleen trouwens, de weerzin tegen gesproken taal lezen die hebben heel veel mensen, dat zei Frank Jansen ook.

Karel van het Reve lanceerde een tijdje terug in Het Parool het plan om een paar honderd boeken met louter uitgeschreven bandopnamen van gesprekken uit te geven. Hij denkt dat hij daar met plezier in zou lezen, en dat is pertinent een vergissing.

Hij vergist zich trouwens ook als hij denkt dat het onderzoek naar de grammatica van het gesproken Nederlands nog moet beginnen (daar zouden die paar honderd boeken als uitgangspunt voor moeten dienen). Vooral naar de spreektaalconstructie waar hij zelf een uitstekend oor voor blijkt te hebben is nu juist relatief veel onderzoek gedaan.

Dat is de “Melk hou ik veel van” constructie, zinnetjes waarin het voorzetsel ergens achteraan is blijven staan, terwijl het in geschreven taal de zin moet openen: “Van melk hou ik veel” (speciaal voor van het Reve: in jargon heet dit prepositie‑stranden). In spreektaal zijn zinnen als “Misdaadfilms kijk ik graag naar”, “Emigreren voel ik weinig voor” en “Tanden poetsen zie ik het nut niet van in”, zoals van het Reve terecht opmerkt, volstrekt normaal. Ze vallen niet op, ze worden niet fout gevonden.

Toch bestaan er zeker normen in de spreektaal. Een norm die zelfs uitsluitend en alleen in de spreektaal kan gelden is die voor de goede klemtoon: catalógus, pagína, vidéo en normalíter vallen niet binnen het standaardnederlands.

Wie die woorden toch zo uitspreekt weet niet hoe het hoort, en wordt (door de hogere klassen) automatisch ingedeeld bij de lagere klassen. Normen zijn er ook voor woordgebruik. Allereerst bestaan er natuurlijk nette en niet‑nette woorden, al zullen dat zeker niet voor iedereen dezelfde zijn (hoe algemeen geaccepteerd is “trut” bijvoorbeeld inmiddels?). Of iemand niet‑nette woorden gebruikt hangt af van zijn opvoeding en het gezelschap waarin hij verkeert. Maar wie vloekt in de kerk of tegen de minister‑president wijkt af van de norm.

Maar daarnaast zijn er van oudsher in het Nederlands een paar heel merkwaardige woorden die, in ieder geval in sommige kringen, niet mogen: je mag niet “gebakjes” zeggen, dat moet “taartjes” zijn, iets doet geen “zeer” maar “pijn”, het is niet “op vakantie” maar “met vakantie”, je hebt niets voor je verjaardag “gehad”, je hebt iets “gekregen”.

De niet‑getolereerde woorden worden of werden geassocieerd met lage milieus. Dat geldt nog sterker voor allerlei contaminaties als “optelefoneren”, “dat kost duur” en natuurlijk het verwisselen van “kennen” en “kunnen” (“kan je die?”) en “liggen” en “leggen” (“nou, ik leg”). Ook zogenaamde hypercorrecties (“beeldhouder” voor “beeldhouwer”, “even groot dan” voor “even groot als”) en malapropismen (woorden die nét even verkeerd gebruikt worden: “hypokritisch” voor “hypocriet”, “bolsjewisme” voor “botulisme” enzovoort) vormen een dodelijke weggever.

“Door de mand vallen” is de uitdrukking die dr. Joop van der Horst, historisch taalkundige, gebruikt. Zegt Ruud Lubbers een keer “hun hebben” dan gaat hij door de mand. Het gevoel dat er steeds meer “hun‑hebben‑zeggers” komen is wijdverbreid, ook al heeft niemand het nagemeten.

Het gekke met “hun” als onderwerp gebruiken, is dat het een tegenargument lijkt te zijn tegen het gangbare idee dat “sociaal gestigmatiseerde” (in de terminologie van Van der Horst) taalveranderingen altijd in de onderste lagen van de maatschappij beginnen. Ze houden dat stigma totdat de verandering compleet is. Of “hun hebben” het zal halen, durft niemand te voorspellen, maar in ieder geval is het gebruik ervan volgens van der Horst niet bij de lagere klassen begonnen.

“Hun” is uit andere delen van het land naar het westen komen overwaaien. Het gaat om een hypercorrectie of een overgeneralisatie van dialectsprekers: in een aantal dialecten is de vorm voor het onderwerp en het lijdend voorwerp gelijk, namelijk alletwee “ze”. Dialectsprekers hoorden in het standaardnederlands “hun” gebruiken waar zijzelf “ze” zeiden en namen dan aan dat “ze” in het standaardnederlands altijd “hun” moest zijn.

Ondertussen is er op dit moment een grote verandering in de spreektaal gaande die geen stigma heeft, en dus ook door vrijwel niemand opgemerkt wordt: de verschuiving van “dat” naar “wat”. Van der Horst schat dat 90 procent van de bevolking consequent dingen zegt als “Het meisje wat ik gezien heb”, “het kadootje wat ik nog moest kopen”, “het pak wat jij toen aanhad”. In de 17e eeuw vond de verschuiving van “daar” naar “waar” plaats (“het huis daar ik gewoond heb” was tot die tijd normaal) en nu is “dat” dus aan de beurt. Ook “wie” voor “die” kom je regelmatig tegen (“de jongen wie ik tegenkwam”), maar dat lijkt toch iets minder frequent te gebeuren.

Van der Horst wijst er overigens op dat niet alle veranderingen in de spreektaal beginnen. Soms loopt de schrijftaal voorop, zoals bijvoorbeeld bij het gebruik van het woordje “zich”. Half Nederland zegt nog steeds “z’n eigen” of “‘m”, maar geschreven wordt het zo niet meer.

“Zich” is zijn zegetocht begonnen in de tijd van de reformatie (puristen opgelet: het is een germanisme, dat via Duitse theologische geschriften het Nederlands binnengeslopen is). Eerste drukken van het werk van Vondel hebben nog “z’n eigen”, maar in latere drukken heeft hij ervoor gezorgd dat het “zich” werd.

Volgens professor Jaap van Marle, historisch taalkundige en directeur van het P.J. Meertensinstituut dat onder andere dialecten onderzoekt, is het achtervoegsel ‑baar (eetbaar, voelbaar, zichtbaar) ook iets dat in de schrijftaal ontstaan is.

Steun voor dat idee vindt hij in het feit dat het in geen van de Nederlandse dialecten een equivalent heeft. En alweer: ook ‑baar kwam via het Duits binnen. Overigens merkt Van Marle op dat het dialectonderzoek flink wat hinder ondervindt van het feit dat er maar weinig bekend is over gesproken standaardnederlands. Van dialecten bestaat meestal geen geschreven versie, alle onderzoek richt zich dus op de spreektaal, en dan weet je dikwijls niet of je te maken hebt met een algemeen spreektaalfenomeen, of met iets dat speciaal voor het dialect in kwestie geldt.

Veranderingen in de spreektaal traceren, ook Van Marle zegt het, is een lastige klus. Oude opnames bestaan niet, en van literair taalgebruik weet je nooit hoever het van de gesproken taal afstond. Wel kun je soms iets over de uitspraak aan de weet komen uit rijmende gedichten: als “paard” en “staart” onder elkaar staan kun je er gevoeglijk van uitgaan dat ze op dezelfde klank eindigden.

Maar taal wordt sowieso nooit zo geschreven als hij klinkt. Al pratend versmelten de woorden (“vinknieleuk”), passen klanken zich aan elkaar aan (“inpakken” klinkt altijd als “impakken”), reduceren allerlei medeklinkers tot een stomme ê (“vênavênt” voor “vanavond”) etcetera. De manier waarop in belleterie Jan met de pet altijd sprekend opgevoerd wordt staat daarom meestal helemaal niet zo ver af van de manier waarop de bazen en “mevrouwen” praten. Die zeggen óók “wat woudie nou” of “da’s feel mooier” of “doe ’s sachjes”.

In het Nederlandse klankpatroon vinden er bij tijd en wijle wel echte verschuivingen plaats. Soms kun je de herinnering daaraan in de spelling nog terugvinden: de ei en de ij, die sinds de 17e eeuw hetzelfde klinken, en de ou en de au die tot in de vorige eeuw verschillend geklonken moeten hebben.

In veel dialecten zijn die verschillen trouwens wél nog steeds te horen. En het is aardig te bedenken dat dé Nederlandse spreektaal pas sinds de tweede helft van de 19e eeuw bestaat.

Voor die tijd waren er volgens Van der Horst alleen maar verschillende dialectgebieden, en was er uitsluitend sprake van een min of meer gestandaardiseerde schrijftaal. Het “west‑Nederlands” is de standaardspreektaal geworden, en het heeft tot ver in deze eeuw geduurd voordat scholing en later ook radio en televisie ervoor gezorgd hadden dat nu vrijwel iedere Nederlander het standaardnederlands ten minste als tweede taal kent.

 De standaardklanken zijn nog steeds aan verandering onderhevig: Joop van der Horst bespeurt op dit moment de neiging om de o steeds meer als een au uit te spreken (“laupen”), en Frank Jansen heeft het idee dat de r in veel woorden aan het verdwijnen is (“zwart” bijvoorbeeld klinkt vaak als “zwat”, “voor mij” als “voo mij”).

Maar dat het Nederlands van nu in ieder geval nog ongeveer zo klinkt als dat van vijftig jaar geleden valt op te maken uit een uiterst curieus boek dat dateert uit de oorlog: Spoken Dutch heet het, en het is geschreven door de beroemde Amerikaanse taalgeleerde Leonard Bloomfield.

Het is een soort Nederlands‑op‑reis boekje, dat vol staat met fonetisch gespelde zinnen en dialogen. Bloomfield heeft daar een bijzonder slimme en duidelijke vorm voor gevonden. Maar degenen voor wie het leerboek bedoeld was gingen natuurlijk niet met vakantie. Vandaar bijvoorbeeld dit dialoogje tussen Annie, die verderop in de lessen nog ten huwelijk gevraagd zal worden, en een sergeant:

Annie: hep‑jê‑van‑MORghê an‑êt‑chêVECHT MEE‑ghêdaan?

Sergeant: JAA. ik‑was‑êr‑van‑êd‑bêGHIN tot‑êt‑EIND‑bei.

Annie: was‑êt‑ERCH?

Sergeant: ên‑TEIT‑lang haddê‑wê‑t‑erch‑MOEIJlik. mein‑rêzjieMENT kwam‑NET achtêr‑dê‑TENKS‑aan. toen‑wei‑êr‑aankwamê was‑tê‑VEIjant nogh‑DRUK‑an‑t‑SCHIEtê.

Annie: hebbê‑jullie‑VEEL‑MANNê verLOOrê?

Sergeant: JAA, HEEL‑wat.

Enfin, de vijand wordt wel verslagen. Een boek om uren in te lezen. De conclusie blijft dat er aan onze uitspraak en grammatica weinig veranderd is sindsdien, alleen zijn sommige zaken en woorden verdwenen (TIEN‑sent voor‑dê‑FOOJ bijvoorbeeld, en het telegraafkantoor).

Overigens is er aan het gesprekje tussen Annie en de sergeant nog het een en ander over spreektaal af te lezen. Spreektaal gebruik je in gesprekken, en gesprekken hebben een aantal kenmerken.

Ze zijn, zoals de taalkundige Grice het uitdrukt, gebaseerd op samenwerking. Mensen zeggen meestal niet zo maar iets, ze proberen elkaar iets duidelijk te maken. Dat betekent dat zowel degene die praat als degene die ernaar luistert er van uitgaat dat er niet nodeloos veel of nodeloos duister gesproken wordt, én dat wat er gezegd wordt waar en relevant is. De sergeant geeft antwoord op de vragen van Annie, en Annie reageert daar weer adequaat op.

Dat klinkt ietwat triviaal, maar er zijn aardige experimentjes gedaan waarbij een onderzoeker consequent die samenwerkingsprincipes schond en daarmee zijn gesprekspartner tot wanhoop of razernij bracht (“Weet u zeker dat het half drie is?” “Ja.” “Maar bent u er echt honderd procent van overtuigd?” “Ja, natuurlijk!” “Ja maar, u moet het me echt eerlijk zeggen hoor.” ). U kent misschien zelf de irritatie die bovenkomt wanneer iemand op álles wat u zegt met “ja” of “nee” antwoordt, of dat geliefde kinderspelletje: bij wijze van antwoord uitsluitend de woorden van de ander te herhalen (“Jij bent gek.” “Jij bent gek.” “Hou nou op!” “Hou nou op!” etcetera).

Huis‑en‑tuin‑en‑keuken gesprekken hebben ook als we wel “samenwerken” vaak een bijzonder grillig verloop. Mededelingen gaan dwars door elkaar heen, de onderwerpen springen van hot naar her.

Natuurlijk, gesprekken bij de groenteman of de dokter hebben een aantal voorspelbare elementen, maar ook daar kan de spreker ineens gaan uitwijden over pas gelande marsmannetjes of de zoete geur van voorjaarsbloemen.

Wat er wel altijd gebeurt is dat we “omstebeurt” spreken. Die beurten kunnen we geven en nemen, maar de patronen daarin zijn voor mannen anders dan voor vrouwen. Bij gesprekken waaraan zowel mannen als vrouwen meedoen schijnt gemiddeld 98 procent van de interrupties van de mannen afkomstig te zijn.

Drs. Ingrid van Alphen, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar het taalgedrag van jongens en meisjes, en de verschillen beginnen al vroeg. Wanneer ze tussen de vijf en de vijftien zijn trekken zowel de jongens als de meisjes zich in ongemengde vrienden‑ en vriendinnenclubjes terug.

De jongens leren daar om de een of andere reden monologen te houden en “wormzinnen” te maken (zinnen die zonder pauzes minutenlang maar doorgaan en doorgaan, en door hun intonatie anderen ervan weerhouden “in te vallen”), terwijl de meisjes ‑ in kleinere groepjes dan de jongens ‑ juist dialogen voeren, en steeds de anderen ook een kans geven iets te zeggen. Meisjes zeggen eerder dingen als “zullen we dit of dat ..” dan “ik wil dit…”, en eerder “ja, dat is misschien wel zo, maar ..” dan “nee, ik vind..”.

En wanneer ze vrouw geworden zijn geven ze nog steeds veel vaker dan mannen zogenaamde “minimale responsen” als “hmm” en “mhm” die aangeven dat ze luisteren naar de ander.

Van Alphen hangt de interessante stelling aan dat “hm” en “mhm” zeggen voor mannen een andere betekenis heeft dan voor vrouwen: mannen drukken er instemming met wat ze horen mee uit, terwijl vrouwen alleen maar “ik luister nog” bedoelen. Vandaar dat vrouwen altijd roepen dat mannen niet kunnen luisteren, en dat mannen niks van vrouwen snappen: als die de hele tijd instemming hebben zitten betuigen, blijkt daarna alsnog dat ze het toch niet eens waren met wat de man beweerde.

Van Alphens oplossing voor alle miscommunicatie die het gevolg is van het “ondersteunende en harmonieuze” gedrag van de meisjes en de “concurrerende en bevechtende” houding van de jongens: probeer ze een soort sociale tweetaligheid mee te geven. Stimuleer op scholen bijvoorbeeld in discussiegesprekken felheid bij meisjes en ondersteunend “gehm” en “geja, maar toch..” bij jongens.  

De legpuzzel van de spreektaal is nog verre van compleet. Wel is duidelijk dat de stukjes van divers materiaal gemaakt zijn, en forse verschillen in grootte en vorm vertonen. Nog een ding dat uniek is voor spreektaal moet genoemd: de mogelijkheid je mond te houden, een tijdje niets te zeggen.

Hoe snel een stilte pijnlijk wordt is cultuurafhankelijk (volgens Van Alphen kun je in Japan veel langer zwijgen dan hier), maar je kunt daar ook gebruik van maken. De nieuwe voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), professor Rinnooy Kan, gaf laatst een mooie tip: krijg je een salarisaanbod, hou dan je mond en tel tot tien. Bij de zevende tel krijgt de werkgever het al benauwd, en zal hij denken dat je iets veel hogers in gedachten had. Negen van de tien keer zal hij een hoger bod doen.

Het geheim van de blind-uh-darm*

*Een waarschuwing vooraf: zoals destijds voorgesteld en hieronder beschreven, werd het toch weer niet precies, her en der is daarna nog haastig gesjoemeld. En ook jaren later zijn er nog bijstellingen geweest. 

In 1997 wordt de nieuwe spelling van kracht, de eerste wijziging sinds 1947. Iedere Nederlander zal zich dan moeten bezinnen op het koppelteken, de verbindings-n, de s-tussenklank en het c of k-vraagstuk. De taalunie en het comité van Nederlandse en Vlaamse ministers leverden een zeldzaam ingewikkeld werkstuk af, dat het uiterste zal vragen van de gebruiker van de Nederlandse taal. Daarom een uitputtende alfabetische bespreking van alle veranderingen.

 

Apostrof

Er verandert in de nieuwe spelling bijna niets. ’t Kofschip bijvoorbeeld vaart gewoon door, en ook bij de d- of dt-kwesties blijft alles bij het oude. Ondanks allerlei geruchten en gedelibereer geldt dat ook voor de apostrof (het kommaatje in de lucht in bijvoorbeeld bikini’s, ‘ s ochtends, Trix’ en WK’s). Dat betekent dat de meest gemaakte spelfout in kranten en tijdschriften (tussen een naam en een bezits-s consequent een apostrof zetten: Van Straaten’s levensgevoel, Homme’s hoest, Shell’s woordvoerder), gewoon fout blijft.

 

 

Boekuitgeverijen

Voor uitgeverijen van boeken kunnen vooral de financiële gevolgen van spellingswijzigingen groot zijn, zowel positief als negatief. Voor de school- en woordenboekuitgeverijen valt er flink te verdienen, zie daarvoor Kosten/baten.

Voor andere uitgeverijen ziet het er minder zonnig uit. Uiteraard zijn er voor hen, net als voor ieder ander, kosten gemoeid met de omschakeling zelf. Maar wat te doen met bestaande voorraden en met toekomstige nieuwe drukken van al bestaand zetsel? Moeten bestaande voorraden worden vernietigd? Moet duurbetaald bestaand zetsel bij een toekomstige herdruk opnieuw gemaakt en gecorrigeerd worden? Nu de veranderingen zo marginaal zijn, zullen uitgevers zich wel twee keer bedenken voordat ze daartoe overgaan. En dan is er nog de vraag wie het geestdodende karwei moet gaan klaren om in duizenden pagina’s tekst tussen-ennen te gaan toevoegen of weghalen, of trema’s in koppeltekens te veranderen. Anders dan het omwisselen van c’s en k’s of qu’s en kw’s, is dat niet gemakkelijk te automatiseren.

De kans is daarom groot dat de huidige en de nieuwe spelling tot in lengte van jaren naast elkaar zullen blijven bestaan, ook in recente, veelgelezen boeken. Leerlingen krijgen Nederlandse les uit boeken die in de nieuwe spelling de nieuwe spelling onderwijzen, maar lezen tegelijkertijd literatuur in de oude spelling. Of het doel van de hele operatie, het verminderen van verwarring en onzekerheid, gehaald wordt staat dus ook om deze reden te bezien.

 

Computers

‘De nieuwe spelling gaat pas definitief gelden in 1997, dan heeft iedereen de tijd gehad om zijn computer bij te stellen,’ kondigde staatssecretaris Nuis onlangs aan in het NOS-Journaal. Het is te hopen dat niet al te veel computerbezitters zich daar veel van aantrekken, want hoeveel er ook aan een computer bij te stellen valt, de spelling hoort daar niet bij. In plaats daarvan is het wachten op complete nieuwe woordenlijsten voor spellingscorrectie, die de leveranciers van tekstverwerkers, computerwoordenboeken en vertaalhulpen zullen moeten gaan produceren, en die u vervolgens kunt kopen. Een probleem daarbij is, dat de nieuwe regel voor het trema het lastiger maakt om bij woorden die niet in zo’n woordenlijst zitten automatisch een trema te plaatsen. Tot nu toe hoefde je daarvoor immers alleen maar te letten op combinaties van opeenvolgende klinkers, maar nu komt daarbij het moeilijke onderscheid tussen samenstelling en afleiding. Zie daarvoor Trema en koppelteken.
Het gaat overigens alleen om de spellingscontrole. Aan de algoritmen voor woordafbreking hoeft niets te veranderen. Alle wijzigingsvoorstellen die daarop betrekking hadden, zijn gesneuveld. Dat is bijna jammer te noemen, omdat veel uitgevers nu nog werken met speciaal voor hen gemaakte afbreekprogramma’s die minder goed zijn dan wat tegenwoordig wordt bijgeleverd bij een topklasse tekstverwerker. Maar een verstandige uitgever neemt natuurlijk de gelegenheid te baat om naast zijn spellingscorrector meteen ook zijn afbreekalgoritme te vernieuwen.

 

Dubbelspelling

Cantharel of kantarel, organisatie of organizatie, kwibus of quibus? Van de samenstellers van de in 1954 verschenen Woordenlijst van de Nederlandse taal mocht u in onder meer c/k-, th/t-, qu/kw- iz/seren- of iz/satie-kwesties zelf kiezen, zij het dat men wel bij alle dubbelspellingen een voorkeur voor de een of de ander had uitgesproken. Cantharel, organisatie en kwibus hadden bijvoorbeeld de voorkeur, terwijl de andere vormen het stempeltje ‘toegelaten’ kregen. Die toegelaten spelling wordt nu geschrapt. Dat heeft in Nederland niet zo gek veel gevolgen, maar in Vlaanderen wel. Zowel de Nederlandse als de Belgische overheid besloot indertijd al heel snel dat in het onderwijs en bij de overheid de voorkeurspelling verplicht moest worden.

In Nederland houden ook de meeste gedrukte media zich aan de voorkeurspelling, maar nogal wat Vlaamse kranten schrijven juist de toegelaten vormen: kontrakt, kultuur, sukses, sjiek. De reden laat zich raden: de toegelaten spelling pakt vaak uit als een ‘vernederlandsing’ van Franse leenwoorden. Voor de lezers van de Standaard en de Gazet van Antwerpen zullen woorden als contract, cultuur, succes en chic straks vreemd aandoen.

Maar de keuze voor de ‘voorkeursvariant’ en de ‘toegelaten variant’ is niet altijd goed te snappen. Meestal kreeg de c-variant bijvoorbeeld de voorkeur, maar weer niet bij oktober, kritiek, kopie, insekt, en produkt. Een echt consequente spelling van de bastaardwoorden (ingeburgerde leenwoorden) viel daardoor noch te bereiken met consequent ‘op z’n voorkeurs’ spellen, noch met de toegelaten spelling. De feitelijke opwaardering van de voorkeurspelling tot enige spelling betekent dus níet dat het systeem nu consistent wordt, en de spelling van bastaardwoorden dus voorspelbaar. We houden bilocaal naast lokaal, kwaliteit naast quorum.

Slechts bij 35 woorden wordt er in de nieuwe woordenlijst ‘stuivertje gewisseld’: de in de lijst van 1954 toegelaten spellingen fotokopie, product, insect en kroket (voorkeurspelling is croquet, maar dat gebruikt vrijwel niemand) worden in 1997 de norm. Maar oktober blijft oktober (ondanks octet, octaaf, octopus) en kritiek blijft kritiek (ondanks criticus) omdat we zo gewend zouden zijn aan die spellingsbeelden. Zie verder bij Massale verontwaardiging.
Voor een aantal woorden blijven er overigens wel twee (gelijkwaardige) spellingen bestaan. We houden bijvoorbeeld ceramiek naast keramiek omdat sommigen dat woord met een s-klank aan het begin uitspreken, anderen met een k-klank. Vreemd genoeg lijkt echter de charitas het loodje te gaan leggen. In de nieuwe woordenlijst komt alleen nog caritas (en caritatief) voor. Zegt niemand meer garitas? Dubbelspellingen blijven ook bestaan bij samenstellingen waar de een wel en de ander geen verbindings-s hoort (geluidhinder/ geluidshinder, tijdverschil/tijdsverschil).

 

E(n)

Is het bessejenever of bessenjenever? Over die kwestie is de laatste veertig jaar menige zweetdruppel vergoten. De regel was dat je en moest schrijven als de samenstelling de gedachte opriep aan een noodzakelijk meervoud. Het was een onbruikbaar voorschrift, dat leidde tot dusdanig subtiel gefilosofeer over de vraag of van één bes wel jenever te maken viel, dat kwesties als hoeveel engelen op de punt van een naald kunnen dansen erbij verbleekten. De nieuwe regel is eenvoudiger, belooft de Taalunie in de folder die ze overal verspreidt, maar dat valt tegen. Zo eenvoudig mogelijk weergegeven luidt hij als volgt:
In veel samenstellingen (twee aan elkaar geplakte complete woorden) hoor je tussen de delen een extra uh-klank. Bijvoorbeeld: blind plus darm levert in de uitspraak de samenstelling blind-uh-darm op. Die tussenklank schrijf je in beginsel altijd als en. Maar we schrijven hem als e wanneer: 1. het eerste deel niet een zelfstandig naamwoord is (blindedarm en brekebeen, want blind is een bijvoeglijk naamwoord en breken een werkwoord); 2. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat (ook) een meervoud op s heeft (dus: perenboom omdat peers niet bestaat, maar keuzevak omdat keuzes wel bestaat); 3. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat geen meervoud heeft (rijstepap); 4. de samenstelling tot een van de volgende uitzonderingscategorieën behoort: a. het eerste deel is normaal geen zelfstandig naamwoord, maar functioneert in de samenstelling wel zo en dient ter versterking of als waardetoekenning (luizebaan, hondeweer, klerezooi); b. het eerste lid verwijst naar iets waarvan er maar één bestaat (Koninginnedag, want die dag slaat uitsluitend op onze eigen, unieke koningin; zonneschijn, omdat er maar één Zon is. ); c. een van de delen is niet meer als afzonderlijk woord herkenbaar (papegaai, bolleboos); d. het eerste deel is een dierenaam en het geheel een plante- of schimmelnaam (kattekruid, paddestoel, vliegezwam); e. het geheel is een versteende samenstelling en het eerste deel duidt een lichaamsdeel aan (kakebeen, ruggespraak). En let op: vrouwelijke vormen als studente en agente tellen niet mee, zie Politiek correct?
Hoor je in afleidingen (dat zijn combinaties van een woord en een voor- of achtervoegsel) tussen de delen een extra uh-klank, dan schrijf je die in beginsel eveneens als en. Maar we schrijven e: 1. voor de achtervoegsels –tje, -lijk, -ling en -loos (biggetje, vreselijk, boeteling, haveloos); 2. als voor de achtervoegsels –heid, -schap, -dom en -achtig een woord wordt geplakt dat van zichzelf op een stomme e eindigt (dus secretaressedom en asperge-achtig maar heidendom en meidenachtig); 3. de uh-klank onderdeel is van de achtervoegsels -erig of -erik (hangerig, bangerik).
Zie verder ook Inconsistentie.

 

Frequentie

Of een woord de nieuwe Woordenlijst haalt, hangt af van hoe frequent het voorkomt. De frequentie wordt bepaald aan de hand van een aantal zogeheten taalcorpora (grote tekst- en woordbestanden) van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden. Het INL is de leverancier van het materiaal voor het nieuwe Groene Boekje (zie ook Woordenlijst(en) Nederlandse taal). ‘Frequent’ betekent voor het Instituut: het woord komt minimaal vier keer voor in de corpora én is in minstens twee verschillende tekstbestanden te vinden. Dat laatst voorkomt opname van een woord als aardappelkoekjesmonster als gevolg van een toevallig in de bestanden voorkomende column waarin zo’n fantasiefiguur vier keer genoemd wordt. Toch is er bij het werken met tekstbestanden (het gaat dus niet om gesproken Nederlands) altijd een toevalsfactor in het spel. Weliswaar bevatten de corpora ook gegevens uit bijvoorbeeld de Libelle en de Playboy, maar je kunt nooit zeker weten dat je al het gangbare Nederlands echt te pakken hebt. Bovendien zit er in de corpora nauwelijks Vlaams materiaal. Dat heeft men nu proberen te ondervangen door van de uitgever van de tweedelige Verschueren (de Vlaamse Van Dale) informatie te kopen over welke woorden een toevoeging ‘uitsluitend in Vlaanderen’ hebben gekregen. De lijst die daaruit kwam is voorgelegd aan drie verschillende hoogleraren, en die schijnen flink geschrapt te hebben. Er bleven 1500 woorden over die in het standaardvlaams gebruikelijk zijn. Althans, volgens die professoren. Met frequentiemetingen heeft het niets te maken. Aan het toevoegen van Belgische bronnen aan de corpora wordt overigens hard gewerkt, maar voor het nieuwe Groene Boekje is dat te laat.

Omdat alleen woorden en woordvormen die echt voorkomen in het INL-materiaal in aanmerking komen voor opname in de nieuwe Woordenlijst, geeft die lijst geen oplossingen voor bepaalde lastige gevallen. Mensen vermijden die namelijk bij het schrijven. In de nieuwe Woordenlijst zult u dus het verkleinwoord van chassis (chassietje, chassisje, chassistje?) niet aantreffen. Tot verdriet van de Taaladviescommissie van de Taalunie. Die had het Comité van Ministers van harte aanbevolen om voortaan het verkleiningsachtervoegsel -tje met behulp van een apostrofje aan het woord waar het bij hoort te koppelen: chassis’tje, maar dan ook: papa’tje, bikini’tje. De ministers wilden er niet aan.

Geschiedenis

Begin vorige eeuw werd er voor het eerst een officiële spelling van het Nederlands vastgelegd, de spelling Siegenbeek, die sindsdien slechts twee keer gewijzigd is. In de eerste helft van deze eeuw onderwees men nog de spelling-De Vries en Te Winkel (bloote beenen en mensch), en in 1947 werd de thans geldende spelling bij wet vastgesteld. Maar vanaf het verschijnen van de Woordenlijst van de Nederlandse taal (het Groene Boekje) in 1954 is er wel op vrijwel elk moment een of andere Advies- of Spellingcommissie aan het werk geweest. Dat heeft telkens geleid tot commotie, maar nooit tot een wijziging. Behalve deze keer. Ondertussen zijn nu wel alle ooit gedane eerdere voorstellen helemaal van tafel verdwenen. Zo ook die van de Commissie Pée-Wesselings (ingesteld in 1963, ‘eindvoorstellen’ vrijgegeven in 1969), die onder veel meer het probleem van de tussenklank e(n) wilde oplossen door juist altijd te kiezen voor de e, met een paar uitzonderingen (ogenblik, merendeels). Dat sluit zo op het oog en oor goed aan bij het spraakgebruik, want die tussenklank n hoor je in feite nooit. Maar de mogelijkheid de e als uitgangspunt te nemen in plaats van en, werd verworpen door de Werkgroep ad hoc Spelling, die in 1988 verslag uitbracht. De Werkgroep koos de en als basis, onder andere op grond van de “stellige indruk dat dit alternatief veel minder wijzigingen van de bestaande spelling impliceert”. Wie de ingewikkeldheid van nu opgestelde regel bekijkt, zou zich kunnen afvragen of het niet verstandiger geweest was, eerst na te gaan of die stellige indruk wel juist was.

 

Hoofdletters

In het gebruik van hoofdletters valt er maar één veranderingetje te bespeuren. Het ontzag voor wie doorgeleerd heeft, is gestaag afgenomen. De afkortingen van titulatuur (Mr., Drs. Lic., Prof., Dr. Ir.) hoeven in de toekomst niet langer met een hoofdletter geschreven te worden (wél allemaal met een punt erachter). Een aanpassing die aansluit bij de toch al veranderende praktijk op dit punt.
Lastig blijft het onderscheid tussen woorden waarin (nog) echt een naam gevoeld wordt, en woorden waarin dat niet het geval is. Een schilderij is natuurlijk een echte Rubens, maar is het nu Rubensfiguur of rubensfiguur? Ook verwarrend zijn samenstellingen met feestdagen. Naast Pasen heb je paasbrood, en Hemelvaart valt op hemelvaartsdag, terwijl in afleidingen en samenstellingen van aardrijkskundige namen, en namen van talen, de hoofdletter gehandhaaft blijft: Maasproject, Engelstalig. Ook bínnen aardrijkskundige afleidingen blijft in de toekomst de hoofdletter gehandhaaft (zie Zeeuws-Vlaams).

InconsistentieTot op het laatste moment zit de wordingsgeschiedenis van de spellingswijziging vol inconsistenties en plotselinge, toevallige koerswijzigingen. Als uiteindelijk op 21 maart 1994 het Comité van Ministers met een Spellingbesluit de knoop doorhakt, waarbij een groot deel van de voorgestelde wijzigingen van tafel wordt geveegd, geeft het tevens opdracht aan de Taaladviescommissie om nog wat laatste schaafwerk te doen.
Dat schaafwerk houdt ten aanzien van de tussenklank e(n) twee dingen in. De regel moet een definitieve, nette formulering krijgen, en er moeten nog wat uitzonderingscategorieën worden gecreëerd voor woordtypen die volgens de in het Spellingbesluit vastgestelde regel en als tussenklank krijgen, terwijl de ministers dat toch wel erg raar vinden staan. Het gaat dan om gevallen als klerenzooi, bollenboos, paddenstoel, ruggenspraak.
Die uitzonderingscategorieën komen er (zie daarvoor E(n)). Maar de commissie doet méér. In haar ijver om bovendien te voorkomen dat de weidevogel een weidenvogel wordt, overschrijdt ze met reuzenschreden de grenzen van haar opdracht, en wijzigt de grondregel voor samenstellingen bijna in haar tegendeel. Het Spellingbesluit van 21 maart schrijft en voor in alle samenstellingen waarvan het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud op en kán hebben. Dus ook in gevallen waarin het eerste deel tevens een meervoud op s heeft. De commissie verandert dat in: ‘indien het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat uitsluitend een meervoud heeft op en‘. Dus juist niet in die gevallen waarin het eerste deel mogelijk ook een meervoud op s heeft. Volgens het besluit van 21 maart zou het hoogtenvrees worden omdat het meervoud hoogten bestaat, maar nu wordt het hoogtevrees omdat ook het meervoud hoogtes mogelijk is. Op 24 oktober zetten de ministers desondanks moeiteloos hun handtekening onder deze niet door hen besloten of opgedragen regeling.

 

Jeugd

De groep die het sterkst met de nieuwe spelling geconfronteerd gaat worden is de jeugd, vooral het grut dat nu peuter- en kleuterscholen bevolkt. Vanaf september 1997 moet het taalonderwijs de nieuwe spelling doceren. Interessant is dat in het opinie-onderzoek Speling in de spelling, dat de Taalunie in 1988 liet uitvoeren, vooral de ondervraagde onderwijzers klaagden dat de spelling te lastig was – tot hilariteit en misprijzen van de andere ondervraagde groepen professionele taalgebruikers. De leerkrachten meenden dat het te veel moeite en tijd kost om de regels er bij de leerlingen in te krijgen. Vooral de werkwoordsvervoeging (d of dt, d of dd, t of tt) was de gebeten hond.
Of die onderwijzers nu een punt hadden of niet, één ding staat vast. De huidige wijzigingen komen op geen enkele manier aan hun klachten en bezwaren tegemoet. Aan de werkwoordsvervoeging verandert niets, en de nieuwe regel voor de tussenklank e(n) lijkt ons aan een zevenjarige niet te verkopen (Zie ook U), als de leerkracht hem zelf al onder de knie kan krijgen.

 

Kosten/baten

Wie verdient er aan de hele operatie, en wie betaalt de rekening? Over dat laatste kunnen we kort zijn, de betaler bent u. U betaalt in 1997 de nieuwe schoolboeken Nederlands voor uw kinderen, waar anders tweedehandsjes volstaan hadden. U betaalt uiteindelijk de kosten die uitgevers van boeken en kranten maken om hun produktieproces aan te passen. U betaalt de nieuwe spellingchecker voor uw tekstverwerker en het personeel van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie dat de woordenlijst samenstelt. En u heeft de onderzoekjes, de vergaderingen en de rapporten betaald waaruit de wijzigingen zijn geboren, tot en met de publiciteitscampagne.
Verdienen doen de uitgevers van schoolboeken en woordenboeken, Van Dale voorop, die probeert om nog dit jaar een extra editie van zijn driedelige turf te slijten. Maar de grootste winnaar is zonder twijfel de Sdu, die de opdracht tot het produceren van het nieuwe Groene Boekje gekregen heeft (zie ook: Woordenlijst(en) Nederlandse taal). Dat is een bijzonder lucratieve order: alleen al van de editie 1954 zijn naar schatting meer dan een miljoen exemplaren verkocht. De op eigen gezag uitgebrachte editie 1991 legde het bedrijf met 370.000 verkochte exemplaren, ondanks zijn halfslachtig karakter, ook geen windeieren.
Dat deze vette uitgeverskluif ook deze keer zonder meer aan de Sdu gegund werd, is pikant. Immers, anders dan in 1954 is de voormalige Staatsdrukkerij/-uitgeverij geen overheidsbedrijf meer, maar een commerciële uitgeverij als elke andere. Het had een regering die op Prinsjesdag koningin Beatrix laat pleiten voor meer marktwerking dan ook niet misstaan om een opdracht van deze omvang en status openbaar aan te besteden. Even opmerkelijk is het dat de verzamelde uitgevers nauwelijks tegen de gang van zaken geprotesteerd hebben. Maar zie ook Nieuwe woordenlijst(en).

 

Leidraad

Net als vroeger zal ook de nieuwe editie van het Groene Boekje uit twee delen bestaan: de woordenlijst, met daarin de meest voorkomende basiswoorden en de uitzonderingen, en de leidraad, waarin de spellingsregels worden opgesomd en uitgelegd. In het ideale geval bevat de woordenlijst dus alles wat onregelmatig en onvoorspelbaar is, en vertelt de leidraad hoe u van elk woord dat er niet in staat de spelling kunt berekenen.
Wordt die Leidraad, die dit keer wordt geschreven door de Tilburgse professor Jan Renkema, een helder, overzichtelijk geheel? Daar kunnen we nog niet definitief over oordelen, omdat nog maar één hoofdstuk, getiteld Speciale kwesties, in principe helemaal klaar is. Gemakkelijk wordt het in elk geval niet, naar dat hoofdstuk te oordelen. Alleen al voor het afbreekstreepje zijn zeven regels nodig (van 1 via 2 en 2a tot 6), aangevuld met drie noten met uitzonderingen en een losse slotparagraaf met ‘nog de volgende afspraken’. Regel 2a is een uitzondering op regel twee, waarop weer drie uitzonderingen bestaan. Arme Renkema, die ook maar moet roeien met de riemen die het Comité van Ministers hem via de Taaladviescommissie aanreikt. Maar ook: arme gebruiker, die zich door regels moet ploeteren als ‘Samenstellingen en afleidingen van Griekse of Latijnse herkomst waarvan de delen niet meer als zodanig worden herkend, worden niet afgebroken volgens regel [1] of [2] maar volgens regel [6]’, aangevuld met de voetnoot: ‘Bij woorden waarin het Griekse of Latijnse woorddeel wel als zodanig wordt herkend, blijven de regels [1] en [2] van kracht’. Moet de gebruiker nu concluderen dat hij regel [6] moet toepassen op woorden waarvan hij niet weet dat ze van klassieke herkomst zijn? En hoe moet hij dan weten welke dat zijn?

 

Massale verontwaardiging

Vooral de ginecoloog en de preses lokten begin vorig jaar grote volkswoede uit. Het toen uitgebrachte voorstel van de Spellingcommissie maakte velen zelfs zo blind van boosheid dat ze niet goed meer konden lezen wat er over allerlei mogelijke spellingen geschreven werd. Er ontstonden meteen misverstanden. Men dacht dat er voorgesteld was om voortaan sjampanje te schrijven, terwijl de Commissie (afleidingen van) namen nu juist expliciet niet wilde veranderen, dus ook de spelling champagne niet. Ook de laatste weken kwam de sjampanje weer overal in de kranten op de proppen. Nu was het voorstel voor een gedeeltelijke aanpassing van de spelling van bastaardwoorden inderdaad nogal ingewikkeld. Dat zat hem echter niet zozeer in het werk van de Commissie, alswel in de opdracht die het Comité van Ministers gegeven had. De ministers wilden graag dat in vreemde woorden de ‘vreemde’ spelling zou blijven bestaan, maar dat bastaardwoorden het Nederlandse systeem zouden gaan volgen. Maar wat is ‘vreemd’ en wat is ‘bastaard’? Na veel discussiëren besloot de Commissie om ‘bastaardwoorden’ te definiëren als alle leenwoorden waarin geen ‘uitheemse’ klanken te horen vielen, en die alleen volgens het Nederlandse systeem verbogen of vervoegd werden. (Aan de Engelse leenwoorden waagde men zich helemaal niet, die werden vanwege hun recente entree in het Nederlands allemaal als vreemd bestempeld.) Dat leidde logischerwijze tot ginecoloog, preses en roete. Lastig voor de gemiddelde taalgebruiker was weer om te snappen dat gymnasium niet gimnasium zou worden (vanwege het niet-Nederlandse meervoud gymnasia), en dat je naast roete gewoon rouge zou houden (vanwege de uitheemse zje-klank). Dat neemt niet weg dat het voorstel gezien de opdracht nog zo gek niet was. Maar kennelijk hadden de ministers zich niet gerealiseerd dat een aanpassing van de spelling van bastaardwoorden per definitie een verandering inhield van de spelwijze van een aantal woorden. Ook zij schrokken zich een hoedje van de ginecoloog en gooiden met een grote zwaai het voorstel onmiddellijk het raam uit. Pikant is dat de preses het nu toch gaat halen. Het is met pre een van de 35 woorden waarvan niet de voorkeur- maar de toegelaten spelling de enige officiële gaat worden (omdat prae en praeses de enige twee woorden waren waar ‘pre’ als prae gespeld werd).

 

Nieuwe Woordenlijst(en)

De tijden veranderen, en de woorden met hen. Dat idee overheerst bij het doorkijken van de lijst grondwoorden die nieuw aan het Groene Boekje toegevoegd zullen worden. De officiële Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal komt waarschijnlijk nog dit jaar bij de Sdu uit, en zal ongeveer 110.000 woorden tellen. Het oude boekje bevatte er zo’n 67.000. Daaruit worden er nu ongeveer 14.000 in onbruik geraakte verwijderd. Snelle rekensom: dat betekent 57.000 woorden in de nieuwe Woordenlijst die er niet in de oude stonden. Ze weerspiegelen aardig hoe anders we zijn gaan eten en drinken (chablis, espresso, escargots, gamba, martini), hoeveel er sinds 1954 is uitgevonden (deodorant, playbackshow, magnetron, ecotaks, CT-scan), en dat seks nu mag bestaan (condoom, masturberen, erectie). Nog een paar veranderingen: in de nieuwe Woordenlijst staan alle af.breek.pun.ten aangegeven, en men spreekt van de-woorden en het-woorden. Of die de-woorden nu mannelijk of vrouwelijk zijn, is een zaak waar volgens de directeur van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (prof. Piet van Sterkenburg), nodig eens onderzoek naar gedaan moet worden. Wat er nu over in de nieuwe Woordenlijst komt te staan is nog niet helemaal duidelijk.
De concurrentie zit overigens intussen niet stil. In november of december – als alles goed gaat dus tegelijk met de uitgave van de Sdu – komen de uitgeverijen Van Dale, Wolters en Het Spectrum met een eigen, aparte lijst die naar schatting 150.000 woorden zal bevatten. Welke dat zullen zijn, is nog niet bekend.

 

Onderbouwing

Voorstellen tot wijziging van de spelling vloeien altijd voort uit de wens de spelling eenvoudiger of doelmatiger te maken, en deze keer vormt daarop geen uitzondering. Er was sprake van onzekerheid en verwarring, onder meer over de dubbelspelling. In de bewoordingen van de Taalunie was er zelfs sprake van ‘chaos’. En chaos dient bestreden te worden, dat spreekt vanzelf.

Wat niet vanzelf spreekt is hoe je dat dan moet doen. Hoe je werkelijk een optimale spelling bereikt. Dat hangt immers af van hoe mensen met spelling omgaan. Wat voor strategieën ze echt toepassen, hoe ze in werkelijkheid met woordbeelden en dergelijke omgaan. Dat zijn typisch dingen die je niet kunt uitvinden door mensen ernaar te vragen. Zoals bij zoveel vaardigheden het geval is, van lopen tot praten, weten we wel dát we het kunnen, maar niet hóe we het doen. Daarvoor is gedegen onderzoek nodig, wetenschappelijke onderbouwing.

De laatste spellingcommissie was zich daar ook van bewust, evenals van het feit dat de benodigde wetenschappelijke onderbouwing ontbrak. In haar slotbeschouwing begin 1994 meldde zij met zoveel woorden dat men met te weinig kennis van zaken aan het karwei begonnen was, en stelde zij voor om in zowel Nederland als België één universitaire instelling aan te wijzen die zich zou moeten specialiseren in onderzoek op het gebied van spelling.

Met dat voorstel is niets gedaan, en dat is misschien maar goed ook. Spelling is wel een interessant, maar zeker geen geïsoleerd, eigenstandig terrein. Eerder zou je van spellingsonderzoek een speerpunt binnen de cognitiewetenschappen, met name taalkunde en (perceptie)psychologie moeten maken.

Vreemd genoeg werd toch doorgegaan met het maken van wijzigingsvoorstellen, nu binnen de Taaladviescommissie, waarin deels dezelfde personen zaten die eerder verklaard hadden niet te weten waar ze mee bezig waren. Als doekje voor het bloeden schermt de Taalunie nu met een (voorlopige versie van een) artikel van de taalpsycholoog Gerard Kempen. Jammer genoeg berust dat artikel op een welhaast klassieke denkfout in de psychologie, vooral veel voorkomend bij psychologen die met computers werken.

Er zijn traditionele veronderstellingen over hoe we klankvormen en geschreven vormen van woorden met elkaar in verband brengen. Kempen stelt dat je met behulp van een zogenoemd neuraal netwerk een computersysteem kan bouwen dat die verbanden op een andere manier legt. En omdat dat in een computermodel kan, concludeert hij dat het in ons hoofd zo moet gaan. De fout is dat hij zomaar aanneemt dat een neuraal netwerk, of welk ander model dan ook, een correcte afspiegeling van onze hersenen zou zijn. Het enige dat je werkelijk uit Kempens artikel kunt concluderen is dat er kennelijk vele wegen naar Rome leiden. Maar welke de koninklijke weg is, de weg die onze hersens kiezen, blijft even duister als voorheen. Bijgevolg berusten ook de nu voorliggende spellingswijzigingen uitsluitend op onbewezen en zelfs vaak onbeargumenteerbare vooronderstellingen en indrukken.

 

Politiek correct?

De adviseuse, cabaretière, conservatrice, historica, econome, mentrix en rectrix ontbraken in het oude Groene Boekje, maar dat wordt nu goedgemaakt. En wel op een moment dat allerlei vrouwelijke vormen het aan het afleggen zijn: een beetje historica noemt zich tegenwoordig historicus, en wie wil er nog rectrix worden? De maatschappelijke trend gaat richting één vorm voor mannen en vrouwen: de mannelijke. Zouden de samenstellers van de nieuwe lijst, bewust of onbewust, toch ons spraakgebruik willen beïnvloeden?

Maar zoveel consideratie als er met de vrouwen is in de nieuwe woordenlijst, zo weinig tellen ze mee in de nieuwe regel voor de verbindings-en. Ze moeten zelfs de enige uitzondering gaan vormen op de regel dat de tussenklank alleen als en geschreven mag worden wanneer het woord in kwestie uitsluitend een meervoud op en kent. Vrouwelijke vormen op een stomme e krijgen in het meervoud een s (adviseuses, conservatrices, agentes), maar bij het maken van een samenstelling mag daar geen rekening mee worden gehouden. Zo wordt een uniformrokje voor agentes een agentenuniformrokje (het voorbeeld komt van de Taalunie).

 

Quo vadimus?

Waar moet het van nu af heen? Komen er weer nieuwe spellingcommissies? Gaat de hele geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar zich herhalen? De Taalunie gelooft en belooft van niet. Met deze wijzigingen is het schluss. Nou ja, bijna dan. De Taalunie voorziet een ‘dynamische situatie’, met elke tien jaar een aanpassing van de woordenlijst aan de actualiteit, maar verder niets.

De kans dat de Taalunie gelijk krijgt lijkt ons klein, al was het maar omdat de Taaladviescommissie zelf al niet echt gelukkig is over het resultaat van haar inspanningen, volgens voorzitter professor van der Toorn. De Taaladviescommissie had oorspronkelijk veel verdergaande voorstellen gedaan, waarvan het grootste deel door het Comité van Ministers eenvoudig van tafel is geveegd.

Een voorbeeld daarvan zijn de bastaard’tjes (zie: Frequentie): de verkleinvormen van sommige bastaardwoorden. Van compromis en chassis komen compromisje en chassisje, maar de uitspraak daarvan is compromietje en chassietje. Spelling en uitspraak lopen daar wel erg ver uiteen, maar het voorstel van de Taaladviescommissie om die kloof te dichten, vond in Den Haag en Brussel geen genade, zodat alles voorlopig bij het oude blijft. Het blijft compromisje, het blijft chassisje. Zo liggen er nog meer kwesties waar spellingsverbeteraars zich ongetwijfeld op zullen gaan werpen. En zolang de overheid de spelling bepaalt, betekent dat vroeg of laat een spellingcommissie.

 

Regeldrang

Spellingswijziging lijkt wel een nationale sport in Nederland. Al langer dan een mensenleven hebben dikke wolken kruitdamp het spellingsfront verduisterd, meestal zonder veel effect (zie ook Geschiedenis). Er zijn drie voorname oorzaken aan te wijzen. De oudste, vooral belangrijk tijdens de eerste helft van deze eeuw, is de toenmalige, typisch Nederlandse verwevenheid van de bestudering van het Nederlands met het lager en middelbaar onderwijs. In andere landen waren spelling en spraakkunst meer iets voor universiteiten.

Hier ontfermden onderwijzers zich erover, zodat meer dan elders een vanzelfsprekende koppeling ontstond tussen spelling, taalonderwijs en sociaal-democratische idealen. Beheersing van de taal in woord en geschrift was onder meer een wapen op weg naar emancipatie, en daarbij hoorde een zo goed mogelijk onderwijsbare spelling. Maar over wat dat was, liepen en lopen de meningen flink uiteen.

Vanaf 1947 komt daar volgens een eenvoudig mechaniek een tweede drijvende kracht bij: de spellingwet. Een wet betekent ambtenaren om hem uit te voeren. Die ambtenaren stellen commissies in, die voorstellen doen die weerstand oproepen, zodat er een nieuwe commissies komt, die… en zo voort.

In 1954 komt er nog een factor bij: een psychologische blunder van jewelste. Onder meer ten behoeve van de altijd wat anti-Frans georiënteerde Vlamingen was besloten tot de dubbelspelling, met vooral veel vrijheid bij de keuze tussen c en k (zie Dubbelspelling). Fataal was, dat men onmiddellijk één van beide spelwijzen tot voorkeurspelling verhief, daarmee de andere automatisch als minderwaardig bestempelend. Juist de angst betrapt te worden op het gebruik van een minderwaardige spellingvorm verklaart de bijna hysterische afkeer van de toegelaten spelling in Nederland. Dat stigma verklaart ook het geringe verzet in België tegen de spellingswijziging. Weliswaar moeten ze ‘hun’ geliefde toegelaten vormen als klown en kwerulant opgeven, maar daar staat tegenover dat ze niet langer gebruikers zijn van een door grote broer Nederland als tweederangs beschouwde spelling.

De mate van rust aan het spellingsfront lijkt overigens omgekeerd evenredig met de mate van overheidsbemoeienis. In Engeland doet de overheid niks en gebeurt er nooit wat. Ook Amerika is sinds Noah Websters toonaangevende woordenboeken, twee eeuwen geleden, rimpelloos gebleven. In Duitsland stelt woordenboekmaker Duden de norm, en begint het voor het eerst in lange tijd een beetje te rommelen. Frankrijk, met zijn Academie Française en actieve ministers van Cultuur, kent veel meer taalwoelingen, onder meer over het Franglais en over accenten. En Nederland spant met zijn spellingwet de kroon: altijd herrie, altijd twist.

 

S

“Bij de tussenklank -S verandert er bijna niets”, zegt de Taalunie in de folder ‘De nieuwe spelling komt eraan’. Maar wat er dan wel verandert, staat er niet bij. Vergelijking van de oude en de (voorlopige) nieuwe Leidraad doet vermoeden dat voortaan alleen een ander testje dan vroeger uitmaakt of het nu wel of niet een verbindings-s geschreven wordt. Waar nu naar analogie van dorpsweg ook dorpsstraat geschreven wordt, gebeurt dat straks omdat je bij een samentrekking (dorps- en stadsstraten) een s hoort. Dat laatste criterium is helder en werkt goed. Wij konden tot dusverre geen geval bedenken waarin de nieuwe test een ander resultaat geeft dan de oude.
Wat blijft bestaan is een verschil in taalgevoel tussen mensen. De verbindings-s wordt niet altijd door iedereen gehoord. Het staat u ook in de toekomst vrij om voorbehoedmiddelen danwel voorbehoedsmiddelen te gebruiken.

 

Trema en koppelteken

Trema’s zijn een soort waarschuwingstekens. Ze zeggen ‘hier begint een nieuwe lettergreep, deze klinker hoort niet bij de vorige’. Ze worden dus alleen gebruikt wanneer een woord anders verkeerd gelezen kan worden. Vandaar geërgerd, ruïne, naäpen, eindeëi. Het trema houdt in de nieuwe spelling dezelfde functie, maar het zal voortaan alleen nog gebruikt worden in afleidingen. In samenstellingen (woorden gevormd uit twee of meer losse woorden) neemt het koppelteken het over. Naast geërgerd en ruïne krijgen we daarom na-apen en eende-ei. Alleen samenstellingen die een getal vormen, houden weer wel een trema (tweeëntwintig). Het achtervoegsel -achtig en de voorvoegsels bio-, macro-, micro-, mini-, multi-, en neo- gelden kennelijk als woorden, want daarbij wint het koppelteken het van het trema (zebra-achtig, macro-economie, neo-expressionisme). Overigens wordt bij samenstellingen van wat langere woorden nu meestal ook al een koppelteken geschreven (radio-omroep, auto-ongeluk).

Wanneer de voorlopige Leidraad inderdaad de definitieve wordt dan vervalt per 1997 een voorrecht dat “wetenschappelijk gevormden” in het oude Groene Boekje nog hadden. De democratisering van de spelling is een feit, want in de nieuwe Leidraad is er niets terug te vinden van de tekst “Dit betekent echter geenszins, dat het wetenschappelijk gevormden – die aan het gebruik van het deelteken in bastaardwoorden, bestaande uit elementen ontleend aan talen die het deelteken niet kennen, minder behoefte zullen gevoelen – niet vrij zou staan linguist, reinterpretatie en derg. te spellen”.

 

U

Het vertrouwen dat het Comité van Ministers en de Taaladviescommissie van de Taalunie in u hebben is groot. Om de nieuwe spelling te kunnen toepassen moet u om te beginnen het verschil kennen tussen afleidingen en samenstellingen. Immers: de eerste kunnen een trema krijgen, de tweede een koppelteken. Nu maak je samenstellingen van twee (of meer) losse woorden. Maar ook bij de Taaladviescommissie bestond, zo werd vorige week op een Taalunie-perslunch verteld, onzekerheid over wat een los woord is. Bio en para kennelijk wel, vonden ze (in de nieuwe Woordenlijst zult u bio-energie en para-universitair aantreffen), maar pre niet (preëxistent), terwijl iets toch een hele pre maar geen reuze para kan zijn. U moet verder van alle zelfstandige naamwoorden weten of ze een meervoud op en, s, of allebei hebben. Want alleen in het eerste geval wordt er in samenstellingen een verbindings-en geschreven. Maar of je zowel linden als lindes kunt zeggen, daarover denkt niet iedereen hetzelfde. In het nieuwe Groene Boekje zal daarom worden aangegeven welke woorden twee meervouden kunnen hebben.

Een uitputtende lijst is het niet geworden. Zo ontbreken onder meer: geneugte, karbonade, ode, tombe, kariatide, sage, spermatozoïde, gilde, prelude, rotonde, druïde, pagode, insekticide, catacombe, episode, pesticide, boutade, bolide en marinade. Deels staan die woorden wel in de lijst, maar dan wordt er niet bij aangegeven dat ze een dubbel meervoud hebben. Daarnaast moet u voor de regel over de tussenklank e(n) ook nog feilloos zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, drie typen achtervoegsels, en vrouwelijke en mannelijke vormen uit elkaar kunnen houden. En tot slot moet u er bij nadenken of er misschien sprake is van een versterkend of waardetoekennend eerste deel, van planten of schimmels met een dier in de naam, van een versteende samenstelling met daarin een lichaamsdeel, of van iets waarvan er maar één bestaat (is er echt maar één zon, maan of koningin?).

Dat het misschien allemaal wat veel gevraagd is, moge blijken uit het feit dat ook getrainde beroepsspellers moeite hebben de veranderingen goed te interpreteren. In het hoofdartikel van de Volkskrant van 27 september j.l. worden de nieuwe regels voor de tussenklank e(n) en de verbindings-s geprezen omdat ze soepeler geworden zijn. Soepeler? Van de e(n)-regel kun je dat moeilijk volhouden, en de regels voor de tussen-s zijn in feite helemaal niet veranderd. De Volkskrant verwacht van de nieuwe spelling geen noemenswaardige problemen, ook al omdat niemand wakker zal liggen van de veranderingen rond trema en koppelteken. Toch is een beetje wakker liggen misschien wel nodig, want het hoofdartikel meldt ook nog ten onrechte dat we voortaan ge-emmer zullen schrijven.

 

Verplichting

Een uitvloeisel van de spellingwet is de verplichting voor overheidsdienaren in functie en voor het onderwijs tot het gebruik van de officieel vastgestelde spelling (tot nu toe: de voorkeurspelling). Maar hoe wordt die wet gehandhaafd? Een ambtenaar die weigert zich eraan te houden zou je theoretisch een dienstbevel kunnen geven. Weigeren zo’n bevel op te volgen kan dan grond voor ontslag zijn. Maar in het onderwijs ligt het moeilijker. Wat doe je met een schoolbestuur dat zijn school zo bijzonder acht dat het besluit de nieuwe spelling aan zijn laars te lappen? Navraag bij het Ministerie van OCW leert drie dingen: er is daar geen geval bekend waarin zich zoiets heeft voorgedaan, er is nooit serieus over nagedacht, en het zal in het uiterste geval wel uitdraaien op het hanteren van de subsidiekraan.
Voor alle anderen in Nederland heeft de spellingwet geen formele betekenis. Er is geen verplichting, dus ook geen straf als u het anders wilt doen.

 

Woordenlijst(en) Nederlandse taal

In 1954, zeven jaar na het aannemen van de laatste wijziging in de spellingswet, verscheen als bijlage bij de Staatscourant de Woordenlijst van de Nederlandse taal, die door zijn uiterlijk als roepnaam het Groene Boekje kreeg. De lijst bestond uit ongeveer 67.000 woorden, voorafgegaan door een leidraad waarin de spellingsregels werden behandeld. Er zijn er ongeveer een miljoen van verkocht, maar op dit ogenblik wordt een ander boekje waarschijnlijk het meest gebruikt. In 1990 werd het oude Groene Boekje namelijk niet meer herdrukt, en kwam de Sdu op eigen gezag met een merkwaardig, maar uiterst succesvol produkt op de markt: de Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal (die officieel niet zo mocht heten, want de echte herziene lijst verschijnt op zijn vroegst eind dit jaar).

Daarin stond het complete oude Groene Boekje (met dien verstande dat alle toegelaten spellingen naar een aparte lijst achterin werden verbannen), aangevuld met 30.000 nieuwe trefwoorden. Voor die nieuwe woorden had men een voorschot op een eventuele spellingswijziging genomen. Daarbij ging het ook toen al om de tussenklank e(n). Maar aan de oorspronkelijke woordenlijst wilde de uitgever geen letter veranderen. Gevolg: naast hondeneus en hondekop (stonden er al in) verschenen hondenoog en hondenlul (stonden niet in het oorspronkelijke boekje). Hondenoog is echter volgens de huidige spellingwet illegaal. Pas als de nieuwe Maatregel van Bestuur ingaat, wordt het correct. En dan moet u ook hondenneus en hondenkop schrijven.

Zijn die 30.000 nieuwe trefwoorden (te herkennen aan een eraan voorafgaand wiebertje) dan tenminste allemaal in de nieuwe spelling geschreven? Nee. Door alle clausules op de en-regel zijn sommige weer anders. De lijst uit 1990 geeft bijvoorbeeld hondenbaan en vliegenzwam, die in de nieuwe spelling van 1997 geen tussen-n krijgen. Overigens zullen ook niet alle 30.000 in 1990 toegevoegde woorden het échte nieuwe Groene Boekje halen.

 

XXL

Groene boekjes hebben maar een beperkte waarde: u zult er nooit alles in kunnen vinden wat u zou willen weten . Het oude Groene Boekje was een maatje ‘Small’, het nieuwe komt met zijn 125.000 woorden niet verder dan ‘Medium’. Misschien dat de driedelige Van Dale het predikaat Large verdient, maar het echte, levende Nederlands is Extra Extra Large. Dat echte Nederlands bevat namelijk ook alle afleidingen (dus bijvoorbeeld alle vormen van alle werkwoorden), en kent bovendien een letterlijk oneindig aantal samenstellingen, omdat je er telkens weer nieuwe bij kunt bedenken. Geen woordenlijst of woordenboek dat al het Nederlands kan bevatten. Zo staan de sloffenfetisjist, de godenvervloeker, en de tranenlikker nergens, maar met een beetje fantasie kunt u zich wel iets bij die woorden voorstellen. En er zelf nog tien bijverzinnen. Jammer alleen dat nou net de regel voor de tussenklank e(n) in samenstellingen en afleidingen zo ingewikkeld wordt.

 

Y, ei, au en ou

Ook wat betreft de ij en de ei, en de au en de ou blijft alles bij het oude. Het opinie-onderzoek dat in opdracht van de Taalunie in 1988 werd verricht liet zien dat Nederlanders in het algemeen het onderscheid niet als problematisch maar zelfs als nuttig ervaren en ten aanzien van het gebruik ervan vaak nog logische of betekenisverschillen voelen. Ook zijn er nog dialecten waarin de uitspraak van de varianten verschilt.

 

Zeeuws-Vlaams

Buitenlandse namen, en dan vooral de aardrijkskundige, vormen altijd een bron van verwarring, al was het maar omdat de meeste per definitie uit talen afkomstig zijn die maar weinig op het Nederlands lijken. De variatie in opvattingen over hoe een bepaalde naam hier in Nederland moet worden uitgesproken, en vervolgens weer geschreven, is enorm. Zo zijn er maar liefst 124 verschillende manieren in omloop om de naam Chroestjov te schrijven, en zegt de een ‘peking’ waar de ander per se over ‘beedzjing’ wil praten. Officieel is daarom over de spelling van aardrijkskundige namen maar weinig geregeld, en dat weinige wordt nu gestroomlijnd.
Onveranderd blijft dat in samenstellingen met aardrijkskundige namen een koppelteken tussen de delen staat, waarna een hoofdletter volgt: Nieuw-Zeeland, Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen. Volgens de oude regeling verviel dat koppelteken, en dus ook de daarop volgende hoofdletter, in sommige afleidingen. Dat is nu niet meer zo. Het is dus voortaan simpelweg Nieuw-Zeelands, Oost-Groninger en Zeeuws-Vlaams.

Het dubbelleven van Noam Chomsky

Hij is de meest geciteerde persoon van alle levenden op aarde. Maar Noam Chomsky leeft eigenlijk ook twee levens: een als de grote taalgeleerde, en het andere als de grote mensenrechten- activist. Zijn invloed is ongekend groot. De meesten zien ofwel god ofwel de duivel in hem. Zondag 7 december wordt hij 75.

Hij praat altijd zacht, maar vandaag heeft hij wel heel weinig stem. Dat Noam Chomsky (spreek uit: Noom Tsjomskie) onvermoeibaar zou zijn, blijkt onderdeel van de mythe. De Einstein van de taalkunde, de Darwin van onze tijd, de belangrijkste intellectueel op aarde, de extremistische Amerikahater, de sekte-goeroe, en wat wordt hij allemaal nog meer genoemd, is bekaf.

Hij komt net terug uit Illinois, waar hij temidden van de maïsvelden duizenden mensen heeft toegesproken over onder meer de oorlog in Irak. Maar ook vandaag volgen de afspraken elkaar in hoog tempo op. Een Zwitserse cameraploeg moet zijn spullen nog inpakken als ik arriveer, de student na mij staat ook alweer te wachten als Chomsky’s secretaresse op de deur van zijn werkkamer klopt ten teken dat mijn tijd om is. De opgewekte Bev Stohl waakt namelijk streng over zijn agenda, waarin tegenwoordig niemand meer dan een uur krijgt toebedeeld.

Het kan niet meer anders. “De laatste twee jaar, sinds 11 september, is het echt verschrikkelijk”, zegt Chomsky, en hij zucht erbij. “Ik ben elke avond alleen al een uur bezig om uitnodigingen voor lezingen en interviews af te slaan.” Aan e-mail beantwoorden gaan iedere dag zes, zeven uur heen. Daarnaast schrijft hij de ene beschouwing na de andere, en komen er voortdurend nieuwe of herziene boeken van hem uit. Het moeten er alles bij elkaar meer dan honderd zijn – zelf houdt hij het niet bij – en ze weerspiegelen het dubbelleven dat Chomsky al meer dan veertig jaar leidt.

In het ene leven is hij de wereldvermaarde hoogleraar van het MIT (Massachusetts Institute of Technology) in Cambridge bij Boston, die het vak taalkunde een totaal nieuwe draai gegeven heeft doordat hij er een zoektocht naar het menselijk taalvermogen van maakte, waaraan inmiddels duizenden en duizenden onderzoekers in vele tientallen landen meedoen. En die in dat vakgebied nog steeds een grote spil en richtinggever is.

Zijn tweede, activistische leven laat zich minder vlot samenvatten. Misschien komt het er in essentie op neer dat Chomsky het verschijnsel macht analyseert, becommentarieert en bovenal bekritiseert. De macht van regeringen – vooral die van zijn eigen land de Verenigde Staten – de macht van de commercie, de macht van de media.

Lijnen trekkend uit het verleden en nieuwe ontwikkelingen op de voet volgend, legt hij al decennialang keer op keer uit hoe die machten volgens hem werken. En hamert hij op de vaak ingrijpende, desastreuze consequenties voor bevolkingen, of het nu Vietnamezen, Koerden, Palestijnen, Oost-Timorezen, Irakezen, Zuid-, Midden- of Noord-Amerikanen zijn. Om die mensen gaat het hem. Gevraagd naar hoe hij de andere, niet-taalkunde-Chomsky zelf noemt, zegt hij, licht afwerend: “Mens. Het gaat over dingen die belangrijk zijn voor mensen. En dat sommigen zoals ik zich daarmee bezighouden is niets bijzonders, dat niet iedereen het doet, dát is verbazingwekkend.”

Altijd weer benadrukt Chomsky dat wat hij doet en kan allemaal niet zo bijzonder is. Hij ziet bij zichzelf hooguit één talent dat niet iedereen heeft: “Ik kan heel gemakkelijk omschakelen van het ene naar het andere, wat het ook is, en dan gewoon doorgaan waar ik gebleven was. Met sommige vrienden die dat ook hebben, kan ik ook na tien jaar de discussie op exact hetzelfde punt voortzetten.”

Maar de combinatie van een ijzersterk geheugen en een benijdenswaardig concentratievermogen lijken toch echt onvoldoende verklaring voor de enorme invloed die hij op het denken en handelen van zeer uiteenlopende mensen over de hele wereld heeft.

Ook kan daarin niet de oorzaak liggen van de heftigheid van de reacties die hij oproept. In beide levens (“Ja, het voelt volkomen als een dubbelleven,” zegt hij) ontmoet hij voornamelijk ofwel mateloze bewondering ofwel intense haat. Chomsky is god of de duivel, voor de meesten is er geen tussenweg.

Aan een imposant uiterlijk of opvallende stijl valt het allemaal niet af te lezen. Chomsky is op het oog een wat verlegen, vrij tengere man in een trui. Bijna 75 is hij nu. Dat zie je, en hij zelf voelt het ook, maar het zegt hem weinig. Op de vraag of hij zich vanwege die aanstaande verjaardag wilde laten interviewen, mailde hij terug: “75? Ja, dat zal wel. Had er nog niet aan gedacht.”

Officieel is hij al een jaar of vijf met pensioen, maar daar denkt hij zo te zien ook niet aan. Nog steeds zet hij onder het praten zijn voeten op de opengeschoven onderste la van zijn aftandse, afgeladen volle bureau, en laat hij zijn handen aldoor spelen met een papiertje of iets dergelijks.

Zijn ijdelheid gaat niet veel verder dan dat hij voordat de fotografe hem komt vastleggen zijn haar nog even laat knippen door zijn vrouw Carol, die hij al bijna zijn hele leven kent en met wie hij op zijn 21ste trouwde.

Maar zodra hij begint te spreken, begrijp je meteen wél iets van zijn beroemd- en beruchtheid. Chomsky klinkt rationeel, cerebraal en afstandelijk, en tegelijk indringend en zeer begaan met het onderwerp, wat dat ook is. Bloedserieus is hij, ook al breekt er op de onverwachtste momenten een glimlach door. Behalve zacht, praat hij opmerkelijk snel en supergeroutineerd.

In drie gesprekken is er maar een vraag waar hij even stil van valt, langer dan een halve seconde over nadenkt: of hij nog weet hoe hij in wetenschap geïnteresseerd is geraakt. Er volgt een bekentenis. “Ik heb in mijn leven dingen gedaan waar ik niet trots op ben”, zegt hij. “Eentje heb ik nog nooit iemand verteld, behalve mijn vrouw waarschijnlijk. In de derde klas van de lagere school moesten we een onderwerp voor een werkstuk over wetenschap bedenken. Ik weet niet meer wat ik uitkoos, astronomie ofzo, maar dat werkstuk heb ik grotendeels overgeschreven uit de Encyclopaedia Britannica. Mijn eerste geval van plagiaat. En ik dacht wel dat dat niet de bedoeling zou zijn, maar ik heb het niet tegen de onderwijzeres gezegd, al denk ik dat die het wel doorgehad heeft.”

Een onvoldoende, of juist een hoog cijfer leverde het niet op. “We kregen geen cijfers,” zegt Chomsky, die nog altijd heel hoog opgeeft van de vrije school die hij als kind – in Philadelphia, waar hij opgroeide – bezocht. “Pas op de middelbare school begreep ik dat ik goed kon leren. Die vraag kwam eerder gewoon nooit op. Ik wist wel dat ik een klas had overgeslagen, maar dat betekende vooral dat ik de kleinste van de klas was, die als we spijbelden bij de bioscoop altijd voor iedereen de kaartjes moest kopen omdat ik als enige nog door kon gaan voor tien ofzo.”

Na die ene keer was niet alleen Chomsky’s belangstelling voor wetenschap gewekt (“Zodra ik oud genoeg was om alleen met de metro te gaan, gingen mijn beste vriendje en ik middagenlang naar het wetenschapsmuseum om op knopjes te drukken en rare dingen te zien”), maar hij had ook geleerd dat de dingen zelf uitzoeken een stuk bevredigender was.

Hij is er diep van overtuigd dat een schoolsysteem zonder prestatiedruk, dat leerlingen alleen stimuleert hun eigen nieuwsgierigheid achterna te gaan, een totaal andere, veel prettiger wereld zou opleveren, met beter geïnformeerde mensen dan nu het geval is.

Tot op vandaag is de enige boodschap die hij heeft: denk zelf, kijk zelf, oordeel zelf, beslis zelf. Daar ligt precies zijn eigen grote talent. Chomsky is iemand die heel goed een stapje achteruit kan doen en zich dan afvragen wat hij nu eigenlijk ziet. Daardoor stelt hij vragen die anderen niet stellen. Het is geen toeval dat in al zijn geschriften, of ze nu over taal of over macht gaan, met enige regelmaat Marsmannetjes opduiken. Wat zouden die zien, als ze van een afstandje naar ons keken?

Wel, bijvoorbeeld dat alle kinderen gaan praten. Overal ter wereld. En dat ze dat in exact hetzelfde tempo doen. Tegen de tijd dat ze zes of zeven zijn, hebben ze het onder de knie, ongeacht de taal in kwestie. Ze hoeven er ook niet voor naar school, het gaat vanzelf, in wat voor cultuur ze ook opgroeien. Een Marsmannetje concludeert dan dat mensen een aangeboren taalvermogen hebben. En een nieuwsgierig Marsmannetje zou willen weten waaruit dat bestaat, wat al die mensen gemeen hebben. Hoe, iets anders geformuleerd, hun ‘universele grammatica’ er uit ziet.

Het is inmiddels bijna niet meer voor te stellen dat die gedachte tot rabiate reacties leidde. Tientallen jaren lang werd er verbeten strijd om gevoerd. Taal iets biologisch? Vogels krijgen vleugels, mensen taal, zoals Chomsky het graag kort samenvatte? Het kon en mocht niet waar zijn. Het waren de omgeving en de opvoeding die het hem deden.

De veranderende tijdgeest heeft dit conflict min of meer vanzelf de wereld uit geholpen. Dat veel dingen genetisch bepaald worden, is absoluut geen taboe meer, zoals in de jaren zestig en zeventig. En dat onze hersenen over allerlei gespecialiseerde functies beschikken is ook algemeen geaccepteerd.

Het is een beetje in de vergetelheid geraakt dat Chomsky een groot deel van de weg vrijmaakte voor de nu zo bloeiende ‘cognitie-’ en ‘neurowetenschappen’, die steeds meer van onze hersenfuncties blootleggen, tegenwoordig ook met behulp van ingenieuze apparatuur waarmee je in levende en werkende hersens kunt kijken. Dat was nog ondenkbaar in de hoogtijdagen van de Amerikaanse behavioristische psycholoog B.F. Skinner. Hij was wereldberoemd geworden met onder andere zijn experimenten met duiven, die hij allerlei vaak ingewikkelde trucjes aanleerde door ze consequent te belonen als ze het goed deden.

Gedrag kon je op die manier precies zo ‘conditioneren’ als je het hebben wilde. Het uitgangspunt van het Behaviorisme, dat begonnen was bij het hondje van Pavlov, was dat je ook niet meer nodig had om gedrag te verklaren. Leren was een kwestie van actie-reactie, stimulus-respons.

In 1957 kwam Skinners boek Verbal Behavior uit waarin hij, zoals de titel al verraadt, taal verklaarde als een vorm van gedrag. Kinderen werden in wezen net zo getraind als je met duiven kon doen. Ze leerden taal door hun ouders te imiteren, want die beloonden hen als ze het goed deden – met aanmoedigen en prijzen. Fouten werden systematisch verbeterd tot het wel goed ging. En had je eenmaal taal geleerd, dan zat de wereld de rest van je leven vol met ‘stimuli’ die ‘verbale responsen’ opriepen.

De vernietigende recensie die Chomsky in 1959 over dat boek schreef, luidde het einde van het Behaviorisme in, en het begin van Chomsky’s wereldfaam.

Wat hij inbracht waren de dingen die nog steeds het fundament van zijn werk vormen. Zoals dat een van de bijzonderste eigenschappen van taal nou net is dat de mogelijkheden letterlijk eindeloos zijn. Zelfs als je zou willen, dan zou je nog niet alle zinnen van een taal kunnen opsommen. Want in elke zin kun je weer een nieuwe zin beginnen, en altijd kun je er nog weer een extra woord in stoppen. Er is geen sprake van dat een bepaalde stimulus een vaststaande, voorspelbare respons oplevert.

Wie bijvoorbeeld een plaatje ziet, kan daar op talloze manieren iets over zeggen. Of hij zegt niets. Bovendien kan iedereen op elk moment zomaar over iets willekeurigs beginnen, zelfs over iets dat niet eens bestaat. Dat alle ouders voortdurend hun kinderen verbeteren of juist prijzen, is domweg niet het geval, en toch leren – echt ernstige handicaps even daargelaten – alle kleintjes praten.

En imitatie kan ook onmogelijk verklaren dat alle kinderen hetzelfde soort fouten maken. Ze zeggen bijvoorbeeld ‘geslaapt’ en ‘geëten’, en ‘dakken’ en ‘schippen’, wat ze van hun ouders niet horen, maar wat sterk doet vermoeden dat ze de regels te pakken hebben, alleen de uitzonderingen nog niet.

Een stap vooruit in de wetenschap begint vaak met het stellen van achteraf beschouwd nogal voor de hand liggende vragen. “Het is nog niet zo lang geleden dat niemand zich afvroeg waarom een bal naar beneden valt en niet naar boven als je hem loslaat,” zegt Chomsky.

Bij hemzelf kwamen de vragen op nadat hij zich gestort had op het Hebreeuws, dat hij van huis uit had meegekregen – zijn ouders waren joodse immigranten uit de Oekraïne en Rusland die al jong naar Amerika kwamen, en beiden Hebreeuws studeerden. “Ik had eigenlijk geen enkele achtergrond in taalkunde,” vertelt Chomsky. “Ik wist alleen iets over historische Semitische grammatica doordat ik het werk van mijn vader over middeleeuws Hebreeuws had gelezen. Op de universiteit kwam ik de analyses van het structuralisme tegen, en die methode ging ik toepassen op het modern Hebreeuws.”

Indertijd was het structuralisme de taalkundige hoofdstroom in Amerika. Het leverde uitvoerige klank- en woordvormbeschrijvingen van heel uiteenlopende talen op.

Maar niet wat Chomsky zocht. “Mij verbaasde het dat als je goed keek naar al dat gedetailleerde materiaal, het toch in wezen niet meer dan opsommingen waren,” zegt hij met een stem waarin nog steeds enige verbazing doorklinkt. “Maar als je bijvoorbeeld wilde weten hoe je in een taal een vraag kon maken, dan vond je bijna niks.”

“Het was wat dat betreft niet zoveel anders dan traditionele grammatica’s. Daar staan wel heel veel gegevens in, maar die vooronderstellen het taalvermogen van de lezer. Die kent de principes al, waardoor hij wel ongeveer begrijpt wat er bedoeld wordt. En dat is ook zo. Het heeft dus wel een functie, net als woordenboeken. Die geven de betekenis van woorden, denken we. Tot je je gaat afvragen wat de betekenis van een woord is, dan zie je dat woordenboeken eigenlijk alleen maar aanwijzingen geven. Voor het dagelijks gebruik van mensen genoeg, maar tegelijk is zelfs iets simpels als een ‘koe’ een uiterst gecompliceerd concept. Pas als je wilt weten hoe het kan dat we uit de voeten kunnen met traditionele grammatica’s en woordenboeken kom je bij de interessante vragen.”

Waarom zo, en niet anders, welke zin kun je wel maken en welke juist niet, en waarom dan, werden leidende vragen. Waarom kunnen in het zinnetje ‘Jan ziet hem’ Jan en hem onmogelijk dezelfde persoon zijn, maar is dat in ‘Jan hoopt dat Piet hem ziet’ geen enkel probleem? En waarom heeft niemand daar moeite mee? Waarom kun je niet zeggen ‘Jan vroeg wie Piet hem zag?’.

Maar eenvoudige vragen leiden niet vanzelf tot eenvoudige antwoorden. Sterker nog, als de Chomskyaanse taalkunde (beter bekend onder de technische naam generatieve grammatica) iets heeft duidelijk gemaakt, dan is het wel dat ons taalvermogen veel complexer en ingenieuzer is dan iemand ooit doorhad.

Het duurde trouwens ook even voor Chomsky het zelf begreep. Hij probeerde in het Hebreeuws regelmatigheden en principes te vinden, maar dacht nog lang dat het eigenlijk meer een hobby van hem was.

Tot hij op een dag – het is een beroemd verhaal – op een schip midden in de Atlantische Oceaan zich, beroerd en zeeziek al, ineens realiseerde dat dat werk aan de zijlijn dat hij uit particuliere interesse deed het échte werk was dat gedaan moest worden. Hij maakte wat hij nu een “rudimentaire generatieve grammatica” van het Hebreeuws noemt, én wist uiteindelijk anderen te interesseren.

Fijntjes lachend zegt hij: “Er is veel mythologie over dat generatieve grammatica zich alleen op het Engels baseerde, maar het eerste proefschrift ging over het Turks, er werd meteen gewerkt aan het Russisch en het Frans, toen kwamen de Germaanse talen en het Japans, en daarna was het niet meer bij te houden. De boel explodeerde. En elk antwoord leverde zo weer vijf nieuwe vragen op. Maar je kon die vragen wel voor het eerst stellen!”

Het enthousiasme en de opwinding van het begin van de Chomskyaanse revolutie lijken bij Chomsky zelf nooit verloren geraakt te zijn. Inmiddels zijn we vele fases verder, want ook de nieuwe antwoorden op de nieuwe vragen leverden weer nieuwe vragen, die op hun beurt, enzovoort.

En iedere keer werd de blik op taal weer bijgesteld, en daarmee het kader waarbinnen nieuwe inzichten werden binnengehaald. Voor wie er wel eens iets van gehoord heeft: het werken met ‘transformaties’ werd vervangen door ‘principes en parameters’, die op hun beurt weer opgingen in het ‘minimalisme’.

De bijbehorende methoden en technieken zijn zonder meer lastig, en dus moeilijk toegankelijk. Dat zal er een van de oorzaken van zijn dat velen de indruk hebben en Chomsky ook verwijten dat hij iedere keer zijn hele theorie weer uit het raam gooit. Hij moet daar een beetje om lachen: “Rare gedachte is dat, dat je je mening niet mag herzien. Maar het is gewoon een voortgaand proces, dat heb je bij wetenschap.”

Toch is er ook veel hetzelfde gebleven, en Chomsky is de eerste om dat te benadrukken. “We wisten in de jaren vijftig meteen dat als we een principe vonden, dat eigenlijk op zou moeten gaan voor alle talen,” legt hij uit.

“Er móet een algemeen bouwplan voor taal zijn, en dat kan niet ongelooflijk ingewikkeld zijn, anders kunnen niet alle kinderen het zo gemakkelijk leren. Tegelijk zie je als je van dichtbij naar taal kijkt zo eindeloos veel puzzels, zo’n rijkdom aan details, zoveel variëteit, zo’n complexiteit dat die twee met elkaar in tegenspraak lijken. Het kan niet waar zijn dat taal veel gecompliceerder is dan we dachten, er moet ook iets heel simpels aan de hand zijn. Dat is een probleem voor de taalkunde dat nog steeds niet goed opgelost is.”

Maar er gloort wel hoop. Zelfs zoveel dat Chomsky tegenwoordig speculeert over veel verder strekkende vragen. “Mijn collega’s vinden het een bizarre gedachte,” lacht hij, “maar je kunt je afvragen of er misschien algemene, ook elders geldende organisatieprincipes bestaan voor complexe systemen, die als je ze toepast op taal vanzelf leiden tot veel van de kenmerken die we zien. Taal kan ook heel goed alleen een stom toeval zijn, hoor, maar er ís een mogelijkheid dat het maar één voorbeeld van iets algemeners is.”

En in die gedachte ziet Chomsky voor het eerst, heel voorzichtig, een mogelijk aanknopingspunt om over de evolutie van taal na te gaan denken.

Daar heeft hij zich steeds verre van gehouden, en ook dat is hem veel verweten, maar hij had steevast hetzelfde antwoord: dat wat je er ook over zei niets anders kon zijn dan pure speculatie. Sprookjes. Wij waren er immers niet bij toen taal ontstond, er zijn geen bandopnames van bewaard gebleven, en ook de nieuwe inzichten in ons taalvermogen leverden vooralsnog hiervoor geen handvat op.

Nu ziet hij dat dus wel: stel dat inderdaad organisatieprincipes met vaste karakteristieken een grote rol spelen, dan perkt dat de mogelijkheden voor waar taal vandaan gekomen kan zijn behoorlijk in, en komen gerichtere vragen daarover binnen bereik. “Kan ik ook eens een sprookje vertellen,” glimlacht Chomsky sardonisch. Erg veel meer wil hij er niet over kwijt. “Dat er vijftig-, zestigduizend jaar geleden met de hominiden iets gebeurd is, lijkt duidelijk,” zegt hij. “Allerlei archeologische vondsten wijzen daarop. En het moet een kleine verandering geweest zijn, want zo werkt de evolutie.”

Ideeën voor wat dat dan geweest kan zijn, kunnen misschien ook komen uit de groeiende kennis over onze hersenen, erkent hij, en uit vergelijkingen met andere soorten, zoals apen: “Wat apen lijken te missen is onze mogelijkheid voor ‘oneindigheid’, niet alleen in taal, maar ook bij tellen. Drie, vier, vijf dan houdt het op. Wij kunnen oneindig doortellen, telkens weer ‘plus een’. Zo’n operatie noem je recursief. Je neemt een plus een, en bij de uitkomst ‘plus’ je weer een, enzovoort. Taal werkt ook zo, zij het met andere regels dan ‘plus’. Dat recursieve zou een kleine evolutionaire verandering geweest kunnen zijn, en misschien is het ook zo’n algemeen principe van complexe systemen.”

Niets liever zou Chomsky willen dan zich aldoor met dergelijke vragen bezighouden, alleen maar zijn taalkundeleven leiden. De zucht waarmee hij zegt “Ik wou dat de wereld wegging” is heel diep.

Maar hij vindt dat hij geen keus heeft. Het is in zijn ogen een kwestie van fatsoen, simpele morele principes om steeds opnieuw alle vormen van menselijk lijden aan te kaarten. “Het is ziek om dat niet te doen,” zegt hij zelfs.

Dus wonen we in een zieke wereld? “Ja, en hij is er helemaal op ingericht om het zo te houden. Overal is er maar één boodschap die er echt ingehamerd wordt: het hoogste wat het leven te bieden heeft is passief consumeren. Denk vooral niet zelf na, stel geen vragen over hoe je leven en de wereld in elkaar zitten, en maak je niet druk om het lot van anderen.”

“Ik zag het bij mijn kleinkinderen al gebeuren als ze twee waren. Je moet eten, drinken, kopen, en verder kun je je bezighouden met sport, persoonlijke relaties, seks. En het werkt, het is allemaal heel effectief. Pubers brengen nota bene hun vrije tijd in winkelcentra door, zwaarlijvigheid is echt een grote bedreiging geworden. Natuurlijk wordt er gemikt op dingen waar we gevoelig voor zijn. Maar ook het hele schoolsysteem is goeddeels gericht op gehoorzaamheid kweken en zorgen dat je je conformeert. Wie zich om welke reden dan ook niet aanpast, valt al gauw buiten de boot.”

Het is niet toevallig, stelt Chomsky vaak, dat de pr-industrie in Amerika en Engeland ontwikkeld zijn. In het vrije westen is propaganda de enige manier waarop bedrijfsleven en politiek hun macht kunnen uitoefenen. En dat doen ze inmiddels met ongekend succes. “De staaltjes die we hebben gezien rond de oorlog in Irak zijn echt ongelooflijk,” zegt Chomsky, nog steeds verbaasd. “Laatst zei Bush wéér dat Saddam banden met El Qaeda had. Dat hij daarmee wegkomt, terwijl zelfs de CIA heeft gezegd dat daar geen sprake van is, laat zien hoe ver het gaat. En mensen worden zo bang gemaakt! Overal elders vinden ze Saddam een rotzak, maar de Amerikanen zijn bang voor hem.”

Al vanaf het begin van de Vietnamoorlog is Chomsky’s kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek zeer fel, omdat in zijn ogen de immense gevolgen van al dan niet openlijk gepleegde interventies voor de plaatselijke bevolkingen, nooit de aandacht krijgen die gerechtvaardigd zou zijn.

Bij wat hij erover zegt, baseert hij zich altijd op openbare bronnen, zaken die gedocumenteerd zijn. Rapporten van de CIA, officiële regeringsstukken, hij verwijst er keer op keer op keer naar. Voor wie ernaar wil kijken, is ook exact te volgen hoe dingen ontstaan zijn. “Het huidige marktsysteem is bewust opgelegd,” vertelt Chomsky bijvoorbeeld.

Hij mag er ook graag op wijzen hoeveel moeite het kostte tijdens de negentiende eeuwse industrialisatie in Amerika om mensen zo gek te krijgen dat ze hun vrijheid opgaven en ‘loonslaven’ werden.

“Toen dat eenmaal gelukt was, ging men in de jaren twintig van de vorige eeuw bewust praten over de controle die buiten het werk uitgeoefend kan worden,” zegt hij. Uit diezelfde tijd stamt het begrip Manufacturing consent: eensgezindheid, instemming moest ‘gefabriekt’ worden.

Het is de titel van een van Chomsky’s beroemdste boeken, dat onder meer precies uitmeet hoe selectief de media zijn in waar ze wel en niet, en veel of weinig over berichten. En de selectie is direct in verband te brengen met de belangen van de Amerikaanse industrieën en politieke machthebbers.

Opzet en slechtigheid is het meestal niet. Degenen die meewerken aan ‘manufacturing consent’ zijn zich daar zelden van bewust, dat is inherent aan hoe het werkt.

“Iedereen heeft goede redenen te doen wat hij doet, denkt hij,” zegt Chomsky, “en niemand vindt zichzelf een naarling. In de spiegel kijken is ook heel moeilijk. Het meegaan met de grote stroom is geïnternaliseerd, en wie besluit er tegen in te gaan loopt serieuze risico’s. Niet dat je hier wordt doodgeschoten, zoals in veel dictaturen, maar sancties zijn er wel. Voor je carrière, je aanzien, je inkomsten. En het is niet iets dat je even kunt doen, waarna je weer terug kunt naar je tv. Zien wat er allemaal gebeurt, hoeveel mensen lijden, is onplezierig. Er iets tegen proberen te doen kost inspanning.”

Maar als pr nou zo goed werkt, en hij wil de wereld veranderen, waarom verpakt Chomsky dan zijn eigen boodschap niet wat meer? Waarom gebruikt hij bijvoorbeeld geen one-liners en grappen, iets waarmee filmer en schrijver Michael Moore ongehoord succes heeft? “Ik heb maar een boodschap,” zegt Chomsky, “en daaraan valt niets te verpakken: zoek het zelf uit. Gebruik je eigen gezonde verstand. Ik wil niet de wereld verbeteren, maar ik wil dat de mensen de wereld verbeteren. Van Michael Moore weet ik niet zoveel, maar iemand zou zijn publiek eens moeten onderzoeken. Ik zag hem heel toevallig bij Oprah, en ik heb ook Bowling for Columbine in de bioscoop gezien. Alletwee de keren zat het publiek te klappen en te joelen. Dus of bijvoorbeeld de lijst met aantallen doden die Amerika in allerlei landen op zijn geweten heeft, echt doordringt vraag ik me serieus af.”

Chomsky blijft intussen een onverbeterlijke optimist. Niets kan hem ervan overtuigen dat de mens hopeloos slecht zou zijn ondanks de gruwelen waar hij zich continu mee bezighoudt.

Zelfs persoonlijke ervaringen niet, zoals het zien van een documentaire over de atoombom op Hiroshima in nota bene een pornobioscoop waar het publiek juichte bij de verminkte slachtoffers, of het leven in de Kibboets, wat hij vijftig jaar geleden een tijdje met plezier deed, maar waar hij tegelijk gek werd van de groepsdruk.

Wat ik ook in die richting opbreng, Chomsky reageert met een vrijwel onzichtbaar schouderophalen, een lachje, of hij zet zijn onderzoekersstem op: “Over de menselijke natuur is weinig bekend. Iedereen kan zowel een heilige als een folteraar worden.”

Bovendien ziet hij verbeteringen. “Veertig jaar geleden zag je hier in de gang alleen blanke mannen in pakken, dat is nu totaal veranderd,” zegt hij. “Er is maar een ding dat altijd werkt: doorgaan. Volhouden. Of het nou gaat om de slavernij, vrouwenrechten, milieuvragen. Het gaat langzaam, maar het werkt wel. En steeds is het moeilijkste punt dat mensen zich zelf bewust moeten worden van de dingen die ze geïnternaliseerd hebben, gewoon vinden.”

Noemt hij zich nog steeds een anarchist? “Ja, in de dezelfde zin als ik altijd gedaan heb. Ik vind dat mensen hun leven in eigen handen moeten kunnen nemen. Ik zie het als de menselijke aanleg om in denken en handelen in beginsel sceptisch tegenover hiërarchieën en overheersing te staan. Die zijn niet zomaar gegeven, ze moeten zich rechtvaardigen. In hoeverre een wereld mogelijk is zonder hiërarchieën, waarin mensen zelf hun zaken regelen, weet ik ook niet.”

Voor een anarchist moet het zwaar zijn dat zoveel mensen een goeroe in hem zien, hem verafgoden, willen dat hij ze vertelt wat ze moeten doen. Chomsky gruwt inderdaad van persoonsverheerlijking.

Maar over de gevolgen van de haat die hij ook oproept, doet hij wegwuiverig. Hij weigert zich veel aan te trekken van alle ‘hate mail’ en doodsbedreigingen, van het feit dat under cover agenten hem geregeld (“tegen mijn wil”) begeleiden als hij ergens optreedt, of dat zijn post soms een tijdje wordt opgevangen en gescreend omdat de politie zelf aanwijzingen voor op hem geplande aanslagen heeft.

“Wat mensen in andere landen doen is echt levensgevaarlijk. Daar heb ik grote bewondering voor,” zegt hij. “Ik heb het geluk in het vrijste land ter wereld te wonen, waar de vrijheid van meningsuiting beschermd wordt tot het moment dat ik ‘schiet’ tegen jou zeg als we samen een winkel gaan beroven en jij je geweer hebt gericht. Verder mag je alles zeggen. Elders zijn er altijd wel wetten tegen ‘staatsondermijning’, of ‘belediging’ of iets dergelijks. Doe je dan iets dat de staat niet bevalt, dan kun je geen kant op.”

Je kunt Chomsky “met reden de belangrijkste intellectueel ter wereld” noemen, schreef The New York Times ooit, en velen schreven het over. Maar het vervolg van het citaat: “Als dat dan zo is, hoe kan hij dan zulke vreselijke dingen schrijven over de Amerikaanse buitenlandse politiek?” wordt zelden door iemand anders dan Chomsky zelf herhaald.

Je vindt Chomsky’s stukken dus zelden of nooit op de opiniepagina’s van de Times of andere grote Amerikaanse kranten. Maar via zijn indrukwekkende productie voor allerlei tijdschriften, zijn boeken en tegenwoordig internet weet hij toch steeds meer mensen te bereiken. In veel buitenlanden is hij een held, voor wie soms tienduizenden uitlopen als hij komt spreken. Voor iemand die toen hij begon al blij was als er buiten de organisatie iemand kwam luisteren, is ook dat een bewijs dat doorgaan zin heeft.

 

“Het is intrigerend dat woorden vaak harder aankomen dan een vuistslag”

Vloeken, schelden, beledigen. Er is geen taal of tijdperk waarin het niet gebeurt. Toch is Reinhold Aman de enige die zijn levenswerk gemaakt heeft van het inventariseren en onderzoeken van de manieren waarop mensen elkaar met woorden dwarszitten. Amans tijdschrift Maledicta bevat materiaal uit 220 talen. Abonnees heeft hij in 78 landen. “Je komt er vanzelf achter wat in vreemde culturen ideaal en goedgevonden wordt”, zegt hij. Op bezoek bij ’s werelds gevaarlijkste briefkaartschrijver.

Hij houdt de Californische zon buiten. “Dit hier is mijn wereld”, zegt hij, een tikje verlegen een armzwaai makend de verduisterde kamer in. Dr. Reinhold Aman, ‘The King of Curse’ (de Vorst van de Vloek) zoals de Amerikaanse pers hem noemde, de misdadiger ook die vanwege verbale bedreigingen in de gevangenis zat en slechts voorwaardelijk vrij is, blijkt het type van een beminnelijke ‘man alleen’.

Een paar keer per jaar ontvangt hij iemand in zijn huis in Santa Rosa, zo’n vijftig mijl boven San Francisco. Het kleine zitje “is normaal gesproken het domein van de katten”. Zelf zit hij meestal achter zijn computer, te werken aan Maledicta, het unieke internationale tijdschrift dat hij halverwege de jaren zeventig opzette.

‘Vermaledijd’

Maledicta is Latijn, en betekent zoiets als ‘kwaad gezegd’ ofwel ‘vermaledijd’. Aman (1936) bedacht dat etiket voor alle vormen van verbale agressie. In het verzamelen en bestuderen van dat universele menselijke verschijnsel heeft hij zijn hele ziel en zaligheid gelegd. Beledigen, schelden, uitjouwen, beschimpen, sarcastisch zijn, vloeken, belachelijk maken, vuilbekken, verketteren.

Het gebeurt in alle talen en alle culturen. Het is ook van alle tijden en van alle rangen en standen. Maar nog nooit had iemand er serieus naar gekeken.

Dat Aman dat wel doet – hij heeft gegevens uit zo’n 220 talen – wordt dikwijls slecht begrepen. Wie zich met taboes bezighoudt, is al gauw verdacht. Daar zitten merkwaardige kanten aan. In de eerste aflevering van Maledicta wees Aman er in zijn beginselverklaring al op dat dokters over de meest misselijkmakende, gore dingen publiceren, zonder dat iemand er iets van vindt, maar dat uitgevers paradoxaal genoeg aan een primitieve angst voor het woord blijken te lijden zodra een keurige filoloog en middeleeuwse-literatuurkenner als hij iets wil publiceren over beledigend woordgebruik.

Vandaar dat Aman zelf maar een nieuwe carrière begon, als uitgever. Maar ook als hoofdredacteur, typist, opmaker, bestellijstenontwerper, enveloppenschrijver, pr-man, telefoonbeantwoorder en postzegellikker.

Abonnees in 78 landen

Ervaring had hij niet in de meeste van die dingen. Maar hij wilde dolgraag iets doen met al het materiaal dat hij in de jaren daarvoor verzameld had. Inmiddels is er een stevige stapel afleveringen van het tijdschrift, en zijn er bij de Maledicta Press een aantal nieuwe boeken uitgegeven (onder meer Maledicta-bloemlezingen, zoals Talking Dirty en Opus Maledictorum) en oude heruitgegeven (zoals A Dictionary of International Slurs uit 1944). Alles valt nog steeds te bestellen. Abonnees heeft Aman in 78 landen. In Nederland zijn er enkele tientallen trouwe afnemers (relatief veel, zegt hij), waaronder tenminste één grootindustrieel, en een aantal schrijvers.

De inhoud van Maledicta vertoont alle trekjes van een wetenschap in wording: er zijn wat indelingen in categorieën, wat ‘basistaxonomie’, en er is nog weinig theorievorming. Als je bladert, zie je een bonte collectie van soms doorwrochte, soms anekdotische gegevens van over de hele wereld, en uit allerlei tijden.

De vertaling door een Balkanoloog van een vroeg-Macedonische eufemistische zang op een hoertje, naast een inventarisatie van de behandeling van het woord ‘smegma’ in Amerikaanse woordenboeken. Een lijst van pejoratieve termen (Tok Nogut genoemd) uit het Tok Pisin van Nieuw-Guinea, en een bespreking van het vrouwbeeld dat uit Chaucers Canterbury Tales naar voren komt. Sommige artikelen eindigen met een hele rij literatuurverwijzingen of voetnoten, andere bestaan uit een pagina met alleen een pastiche op brave kerstliedjes.

Het is letterkunde, taalkunde, psychologie, folklore en nog veel meer door elkaar. De actualiteit zit er ook vaak in. Zo is er in Maledicta 12 een artikel verschenen van een Sloveense socioloog over “de consequenties van de Joegoslavische oorlogen voor het gebruik van verwensingen in de massamedia”. Toen de Challenger ontploft was, drukte Aman de grappen af (Waar staat NASA voor? Need Another Seven Assholes), tijdens de Golfoorlog hield hij de benamingen bij voor Saddam Hussein (‘Saddam Who’s Sane?), en op de Maledicta-Internet-site kun je soms al binnen een dag de eerste komische commentaren en raadsels vinden met betrekking tot het laatste schandaal en de recentste moord of zelfmoord.

Het grootste taboe van je cultuur

“Wat ik zo mooi vind, en wat me ook na al die jaren nog steeds even sterk boeit, is het inzicht dat ik krijg in culturele waardesystemen”, legt Aman gedreven uit, “want dat zijn de dingen die niet worden aangevallen. En bij schelden gebruik je het grootste taboe van je cultuur. Die taboes vind je feitelijk maar op drie terreinen: religie, familie en lichaamsfuncties, waartoe ook seks behoort. Alles is daar altijd bij onder te brengen.”

“Natuurlijk weet ik niet van alle – wat zijn het, 10.000 talen en dialecten hoe het daar zit, maar die 220 talen waarvan ik het wel weet, liggen verspreid over de hele wereld. Het gaat van het Arabisch tot het Zoeloe, en alle grote taalfamilies en culturen komen in mijn steekproef voor.”

Scheet in je vaders baard

“In de Afrikaanse, Indiaanse en de Aziatische culturen bijvoorbeeld, is de familie het heiligst. Dus als daar je vrouw, je vader, je dochter beledigd wordt, dan is dat het ergste. Beledigen kan lopen van alleen een naam noemen (bij alle Indianen ligt dat gevoelig) tot smerige verwensingen waarin ook andere taboes voorkomen. In het Perzisch heb je bijvoorbeeld ‘Ik schijt op je vaders graf’, in het Arabisch ‘Je zuster zuigt aan de eikel van een syfilitische kameel.’ Bij ons zouden die niet werken. Als de ene Hollander, of Duitser of Fransman tegen te ander zegt: ‘Ik laat een scheet in je vaders baard’, dan is dat bijna komisch. Je gaat je voorstellen hoe dat zou moeten, met een ladder ofzo? Het betekent in feite niks, maar een Arabier of een Bengali zou je er razend mee kunnen krijgen.”

“In een puriteinse cultuur als de Amerikaanse, en tot op zekere hoogte de Britse, zijn seks en lichaamsfuncties taboe, daar praat je niet over. Dus wordt ‘fuck’ erger gevonden dan ‘Jesus Christ’. Maar bij de katholieken, van de Brazilianen tot de Catellanen en de Italianen, vind je heel veel blasfemie: er wordt op Christus gescheten, Maria is een hoer (Madonna puttana), God een varken (Porco Dio).”

“En de Hongaren en de Roemenen leven bijvoorbeeld duidelijk tussen twee culturen, die hebben de godslasteringen van hun katholieke westerse buren en de obsceniteiten van hun Slavische oosterburen. Van de Hongaren is ook de vreselijkste vloek die ik ooit ben tegengekomen, daar zitten alle taboes in: ‘Oh God, hou op met in m’n gezicht te slaan met je lul die nog onder de poep zit van het Jezus neuken’. Die is zo erg, daar krijg ik kippevel van. En ik ben niet religieus. Ik ben al uit de katholieke kerk vertrokken toen ik tien was, en de schijnheiligheid van die zuipende en hoererende priesters en nonnen zag, die ons met de hel dreigden als we ons zouden aftrekken.”

Van rood haar tot hamertenen

Er zijn drie typen taboes, én er zijn drie typen afwijkingen waarmee de ene mens de ander kan beledigen. Aman: “Allereerst iemands uiterlijk. Dat is het eerste wat je ziet, en het aantal mogelijke afwijkingen is gigantisch. Dat gaat van rood haar tot hamertenen. Te groot, te klein, te dik, te dun, flaporen, enzovoort. Dan zijn er iemands intellectuele vermogens (er zijn heel veel manieren om ‘te dom’ of ‘te slim’ uit te drukken) en dan heb je het gedrag: zij roddelt, hij liegt, jullie poetsen je tanden niet, je kleedt je idioot. Enzovoort.”

Aan te publiceren materiaal dat dat allemaal nog eens adstrueert, ontbreekt het hem niet. Het komt zijn oren uit zegt hij. De stapel kartonnen dozen met artikelen uit de hele wereld, reikt tot zijn buik, en in zijn computer zit nog veel meer.

Aman doet zijn uiterste best allerlei dingen te publiceren vóórdat de auteur dood is. “Die man die laatst dat artikel had over latrinalia, wc-opschriften, in het Nederlandse leger, is al heel lang met pensioen”, zegt hij. Geld is het probleem. De Maledicta Press is een eenmansbedrijfje, met smalle marges, en telkens moet Aman zien voldoende vooruitbetalingen voor het volgende nummer binnen te hebben voordat het gemaakt kan worden.

Dat vindt hij eigenlijk verschrikkelijk, maar hij is in al die jaren maar een keertje echt uit het rood geweest: toen The Wallstreet Journal in 1983 een artikel over hem bracht op de voorpagina, kwamen er voor 40.000 dollar bestellingen binnen. Het jaar daarna kreeg hij een hartaanval, en zulke zware medicijnen dat hij nog maar een paar uur per dag kon werken. De verschijningsfrequentie van Maledicta liep terug, en na zijn echtscheiding bracht hij een paar jaar alleen een zeer onderhoudend krantje uit: Maledicta Monitor.

De beruchte Watergate-tapes            

Aman geniet al sinds 1974 nationale bekendheid als ‘scheld-expert’ in de Verenigde Staten. Dankzij Richard Nixon. Toen de beruchte Watergate-tapes in de openbaarheid kwamen, waren die, naar algemeen Amerikaans gebruik, gekuist. Ieder fuck of goddamned, elke diepgevoelde woede-uitbarsting – en Nixon kon er wat van – was eruit geknipt. Aman reconstrueerde de weggepiepte gedeeltes. Deels op basis van de context, deels met behulp van zijn fantasie. Hij stuurde ze naar de kranten, die er met graagte over schreven, en hij mocht meteen in de supergoed bekeken Today Show in New York optreden.

Hij glimt nog steeds een beetje als hij daarover vertelt. “Daarna begonnen mensen me dingen toe te zenden. Ik heb me erg vermaakt toen in New York, en ik sprak beter Jiddisch dan de joodse jongens in de control room daar”, zegt hij.

Het blijkt iedere keer opnieuw: Aman is niet alleen geïnteresseerd in vloeken en schelden, het liefst zou hij álles van álle talen weten. Hij heeft er ook een uitgesproken talent voor. Zelfs zijn kennis van het Nederlands is heel behoorlijk, en wordt in de loop van het gesprek (“Hoe zeggen jullie dat?”) nog aangevuld. ‘Schiphol’ en ‘Scheveningen’ komen er in elk geval vrijwel perfect uit.

Maar zijn moedertaal is het Beiers, hij is geboren in Zuid-Duitsland. Na veertig jaar in Amerika is zijn Engels vlekkeloos, met slechts heel af en toe een Duits klankspoortje, maar in en tegen zichzelf spreekt hij nog altijd Beiers, dat naar zijn zeggen sterk op het Jiddisch lijkt.

Nederlandse specialiteit: ziektes

Het Jiddisch ziet hij ook als mogelijke bron voor een Nederlandse specialiteit: het gebruik van allerlei ziektes in verwensingen. Pest, pokken, tering, kolere (=cholera) en kanker worden creatief ingezet. Pokkenweer, teringhuiswerk, kankerhoer, de mogelijkheden zijn legio.

Omliggende culturen hebben het niet. “Het Jiddisch heeft een enorm arsenaal aan vloeken”, zegt Aman, “en ze gaan allemaal over drie dingen: rijkdom, religie en gezondheid. De joden hebben natuurlijk heel lang niet veel wapens gehad, en de meesten hadden het zwaar. Religie is uiteraard een belangrijke bindende factor, maar geld, brood op de plank, en gezondheid zijn onder moeilijke levensomstandigheden van levensbelang. Omdat er in Nederland altijd zo veel joden gewoond hebben, denk ik dat het heel goed mogelijk is dat een aantal van die ziekteverwensingen uit het Jiddisch vertaald zijn.” Wie weet, het is in elk geval eerder een randstedelijk verschijnsel, dan iets uit bijvoorbeeld het katholieke zuiden.

Amans interesse in het Jiddisch heeft ook te maken met de verwantschap tussen die taal en het Duits uit de Middeleeuwen. Daarmee begon ooit zijn interesse in schelden en wat dies meer zij.

Amerika betoonde zich voor de immigrant het land van de ongekende mogelijkheden. “In mijn generatie was de universiteit alleen weggelegd voor de crème de la crème. Ik ben maar een eenvoudige boerenjongen uit een klein dorpje”, legt hij uit. In Duitsland had Aman een opleiding tot chemisch analist gevolgd, en in 1957 vertrok hij om voor Shell in Canada in een raffinaderij oliemonsters te gaan analyseren. Dat beviel niet echt. Een paar jaar later kwam hij naar de Verenigde Staten, waar vrienden hem al snel aanraadden te gaan studeren.

Toch niet zo dom

Bij de colleges Engels haalde hij als Duitser, temidden van allemaal Amerikanen de beste cijfers. “Kennelijk ben ik toch niet zo dom”, concludeerde hij. Hij ging verder met Duits, Frans en Spaans, en in 1965 kreeg hij een schaars en felbegeerd ‘National Defense fellowship’ toegekend. “Ik kon overal heen”, zegt hij, “Yale, Harvard, Princeton. Maar ik koos Texas, omdat ze daar een van de beste opleidingen Germaanse talen hadden, en omdat het leven daar relatief goedkoop was.”

Een analyse van de 151 gevechtsscènes in Wolfram von Eschenbachs Parzival, een Middeleeuws episch gedicht over de ridder uit het gevolg van koning Arthur die de heilige graal vond, werd het onderwerp van zijn dissertatie. “Daarin kwam ik een paar vreemde beledigingen tegen”, vertelt Aman. “Parsifal wordt op een gegeven moment bijvoorbeeld voor ‘domme gans’ uitgescholden, iets wat nu alleen voor vrouwen gebruikt wordt. Toen ik daarover na ging denken, gebeurde er iets in mijn hoofd. Een tijdje later kwam ik een zinnetje tegen waarin iemand voor aap uitgemaakt werd, en toen zat ik op een avond ineens beledigingen met dieren op te schrijven.”

Jij hond!

“In een paar uur had ik er 200. ‘Jij hond’ is trouwens de oudste bewaard gebleven vervloeking. Dat is in een tekst in het Sanskrit, en dat zeggen we nog steeds. Maar ik bedacht meteen meer categorieën, zoals groente en fruit: Kartoffelkopf, Krautkopf, fruitcake. En je hebt beroepen, relaties, mythische figuren. Enfin, de 42 categorieën waarop ik uiteindelijk uitkwam, zijn opgenomen in Maledicta I.”

Een Beiers Scheldwoordenboek was zijn eerste publikatie op dit gebied. Het wordt nog steeds herdrukt. Het gesprek komt op de voor- en nadelen van schelden. “Schelden is gezond”, zegt Aman, “want als je je kwaad maakt, krijg je allerlei fysieke reacties. Je adrenaline loopt op, je gaat veel maagzuur aanmaken, enzovoort. Die spanning moet je kwijt, ofwel door uit te halen, of een gebaar te maken, ofwel verbaal. Even flink vloeken, geeft je je fysieke en psychische evenwicht weer terug.”

Maar schelden doet ook wel degelijk pijn. Aman: “Het is intrigerend dat woorden vaak harder aankomen dan een vuistslag. Dat geldt vooral voor kinderen. Flaporen, stotteren, rare tanden, te kleine borsten, ze weten feilloos de zwakke plek van een ander kind te vinden. Dat kan je tekenen voor het leven, maar een klap ben je meestal na een paar jaar vergeten.”

“Onder bepaalde omstandigheden kunnen woorden extreem gevaarlijk zijn. Iemand hoeft bijvoorbeeld een sensitieve, wat meisjesachtige jongen maar een paar keer ‘nicht’ te noemen, en het is gebeurd. Ik weet van zo’n geval in Wisconsin. Dat was gewoon een lieve jongen, en die heeft zich doodgeschoten omdat ze hem flikker noemden.”

Kon net zo goed de mafia zijn

Dat woorden gevaarlijk kunnen zijn, heeft Aman ook aan den lijve ondervonden. “Ik heb mijn portie wel gehad, ja”, verzucht hij. De scène met de zeven FBI-agenten heeft zich afgespeeld in het huis naast dat waar hij nu woont. “Ik zag twee van die grote wagens aankomen, en ik wist: dit is helemaal fout”, vertelt hij, “maar ik had geen idee dat het de FBI was, het kon net zo goed de mafia zijn. Ze belden niet aan, dus ik liep hier maar rond: wie heb ik beledigd, wie heb ik beledigd? Ik kon niets bedenken.” Uiteindelijk is hij toch maar naar buiten gegaan, en heeft gevraagd of hij de zes heren en één dame kon helpen. “Bent u Rienhold Aman?” “Nee, Reinhold Aman.” “U staat onder arrest.” “Natuurlijk”, zei Aman spottend, “waar is de verborgen camera?”

Opgesloten met moordenaars

Die was er niet. Aman werd afgeblaft en afgevoerd. Hij mocht nog net de medicijnen voor zijn hart meenemen. Hij kreeg handboeien om, voetboeien, en werd vastgeketend aan andere gevangenen. In de gevangenis werd hij gevisiteerd (“Til je ballen op!” – “Bedoelt u dat ik mijn scrotum moet optillen?” –  “Til je ballen op!”) en hij eindigde die avond in een ‘Maximum Security’ gevangenis, waar hij een week lang werd opgesloten met moordenaars en gewapende roofovervallers.

De verbijstering staat hem nog steeds op het gezicht te lezen, als hij erover vertelt. “Ik had zelfs nog nooit een parkeerbon gehad. Ik kwam in een totaal onbekende wereld terecht, waar ik werd behandeld of ik een levensgevaarlijke killer was.”

Het had met Maledicta allemaal niets te maken, bleek. Wel met verbale agressie, en een akelige echtscheiding. Fijngevoelig of smaakvol kun je zijn actie niet noemen, maar Aman werd in eerste instantie maar liefst tot vijfentwintig jaar gevangenisstraf veroordeeld voor het per post versturen van een scheldkannonade gericht tegen een advocaat en een rechter, en twee kaartjes aan zijn ex-vrouw, waarop hij krantekoppen uit de San Francisco Chronicle geplakt had. ‘Man kills ex-wife” luidde de een, en de ander ‘estranged wife found slain in her home’ (gescheiden vrouw doodgeslagen in haar huis gevonden).

Een oude wet

Aman werd ervan beschuldigd bedreigingen gestuurd te hebben, en omdat hij dat per ‘U.S. Mail’ had gedaan, werd het een federaal misdrijf. Een oude wet. Als hij een fax gestuurd had, was er niks gebeurd.

Meer dan vijftien maanden bracht Aman uiteindelijk in de gevangenis door, de meeste tijd sliep hij onder een Hell’s Angel. De zeven maanden daarvoor, wachtend op zijn proces, had hij huisarrest en een apparaatje aan zijn been waarmee hij volcontinu in de gaten gehouden kon worden. Sinds begin 1995 is hij voorwaardelijk vrij, en dat ‘voorwaardelijk’ duurt tot februari 1998.

Als hij zich tenminste niet buiten een bepaald deel van Californië begeeft, én zich koest houdt. Van alle kanten is hij gewaarschuwd, dat ze het minste of geringste zullen aangrijpen om hem weer in de cel te krijgen. Hij wacht dus nog maar even met het publiceren van The Cat-Man of Lompoc, zijn verslag van zijn verblijf in onder andere de Lompoc-gevangenis, en natuurlijk zo genoemd naar analogie van de beroemde Birdman of Alcatraz.

Gestolen potloodje

De totstandkoming heeft verfilmbare kwaliteiten. Elke dag heeft Aman geschreven, maar in het begin moest hij een potloodje stelen, dat hij scherpte aan de muren. Uit de vuilnisbakken haalde hij kranten, waar hij de marges vanaf scheurde: zijn papier. Dagelijks gingen er een paar velletjes op de bus, naar zijn dochter.

Een dagboek bijhouden mocht, maar iets laten lezen aan een ander zeker niet. Dat kan namelijk, volgens ”Regulation number 5350.7, Manuscripts, Inmate’ van het Federal Bureau of Prisons de veiligheid van de instelling in gevaar brengen. Net zogoed als je ook niks onder je eigen naam mag publiceren zolang je in de gevangenis zit.

“Vrijheid van meningsuiting? Amerika, the Home of the Free?! Pff!”, Aman spuugt het bijna uit. Hij zal zijn (en ieders) recht op ‘freedom of speech’ tot zijn laatste snik verdedigen, maar het bestaat niet, zegt hij.

Een grote doos met zijn gevangenisschrijfsels staat in de kamer. Een deel van het boek dat daaruit moet groeien, is af, en het eerste hoofdstuk belooft dat het bijtend, schokkend, geestig en informatief zal worden.

Maar die kwalificaties zijn op bijna al zijn werk van toepassing. Op zijn eigen bijdragen in Maledicta, maar zeker ook op het boek dat hij al wél heeft uitgegeven: Hillary Clinton’s Pen Pal, a guide to life and lingo in federal prison (‘pen pal’ betekent penvriend, maar ‘pen’ is ook slang voor ‘zwaarbewaakte gevangenis’). Gezien alle beschuldigingen tegen Hillary, verwacht Aman niet anders dan dat ze op zeker moment in het cachot zal belanden. Hij heeft zijn eigen ervaringen omgezet in aan haar gerichte (vaak hilarische) adviezen en een lijst met gevangenisbegrippen en -woorden. Het boek eindigt met een open brief aan Janet Reno, de Amerikaanse minister van Justitie.

Verklikken

De vernederingen en het keiharde regime (“Of je in de Goelag zit”, zegt Aman) zijn schokkend, maar het aangrijpendste is het systeem van de ‘samenzweerders’ en de ‘co-samenzweerders’. Dat werkt zo: wie ergens van beschuldigd wordt, krijgt strafvermindering of zelfs -kwijtschelding als hij of zij verklikt wie er geholpen hebben (de samenzweerders). Die mensen worden dan ook opgepakt, en krijgen dezelfde deal voorgelegd. Enzovoort. Uiteindelijk zitten alleen ‘co-samenzweerders’ straffen van vijf of tien jaar uit, voor het aannemen van een pakje of het doorgeven van een telefoonnummer.

“Je gelooft het niet”, zegt Aman, “maar ik heb het met eigen ogen gezien. Degenen die geweigerd hebben te klikken, zijn de helden van de gevangenis. Het systeem is zo onrechtvaardig. Een vriend van mij, een computerspecialist, heeft acht jaar in een cel gezeten, omdat hij zijn huis verhuurd bleek te hebben aan iemand die in drugs dealde. Hij woonde zelf nota bene in een andere stad, en wist er niets van. Al die flauwekul over tough on crime en three strikes and you’re out. Er zat bij mij in de gevangenis een man die tot levenslang veroordeeld was, voor het stelen van een fiets. Het was de derde keer dat hij gepakt werd.”

Groeiende overgevoeligheid

 Van ‘America the Great’ heeft Aman geen hoge pet op. Het wordt er ook niet beter op. We praten over de politieke-correctheid-beweging, de nog steeds groeiende overgevoeligheid voor het mogelijkerwijs beledigen van wie of wat dan ook. “Ik heb daar in Maledicta in 1987 al de draak mee gestoken”, zegt hij. “Je hebt geen domme of langzame leerlingen meer, maar alleen kinderen met een ‘aandachtsspanne-stoornis’. Het is zo hypocriet, en het gaat tegen de menselijke natuur in.”

“Afwijkingen registreren, is een overlevingsmechanisme. En dat dat uitgaat van de universitaire wereld, cacademia, waar de vrijheid van meningsuiting, van uitwisselingen van ideeën het hoogste goed was, vind ik nog het ergst. Al die schijterige mannen die oplikken tegen feministische vrouwen, en tegen minderheden. De taal wordt hier zo langzamerhand net als het eten: een grijze brij, alles ‘geprocessed’, net als de kaas.”

Crimineel naïef

Heeft hij spijt van zijn scheldpamflet en de verstuurde kaartjes? “Nee. Ik heb nooit iemand fysiek bedreigd”, zegt Aman, “mijn enige misdaad is dat ik crimineel naïef ben. Ik had zes maanden voorwaardelijk kunnen krijgen, verder niets. Dat ik dat niet heb aangenomen, daar heb ik wel spijt van, maar mijn klootzak van een advocaat wilde ervaring opdoen met een ‘federal case’, en we kónden niet verliezen. Nou, we hebben op alle punten verloren.”         

Verbaal agressief is hij zelden, zegt hij. Meestal reageert hij zijn kleine ergernissen (bijvoorbeeld op abonnees die te beroerd zijn een postcode op te zoeken, of die zijn bestelformulier dat nu toch heus ‘fool proof’ leek, niet fatsoenlijk kunnen invullen) in zijn eentje af. “Theoretisch gezien zou ik erg tolerant moeten worden van mijn werk. Maar ik word ook een beetje een narrige ouwe man.”, lacht hij. Of hij scheldt mensen uit in een vreemde taal. Hij heeft tenslotte genoeg om uit te kiezen. “Het klinkt misschien raar”, zegt hij, “maar ik ben werkelijk alleen maar een simpele, goedhartige jongen. Ik ben alleen wel door alles en iedereen genaaid.”

Witte kerkje uit Hitchcocks Birds 

’s Werelds gevaarlijkste briefkaartschrijver, zoals hij zichzelf tegenwoordig noemt, heeft voor de middag een prettig tochtje gepland. Via het direct herkenbare witte kerkje uit Hitchcocks Birds rijden we naar een onbeschrijflijk fraai punt, daar waar de ‘Russian River’ overgaat in de Pacific Ocean. Je kan vanaf de weg naar beneden kijken. Er is een klein landtongetje, afgeladen vol met zeehonden, de meeuwen zijn enorm en de zon is nog net niet onder. Aman praat, wijst, vertelt.

Ook onderweg geeft hij bij alles uitleg, en oefent zijn Nederlands. En hij heeft het over zijn jeugd, en zijn huwelijk. Het kleine boerendorpje, waar hij als jongetje een bijna erotisch genoegen beleefde aan het op blote voeten door de weilanden lopen, van verse koeievlaai naar verse koeievlaai. Zijn vader was politiechef, hij beschrijft hem als een zachtmoedige man, type Bromsnor. Om zijn moeder te plezieren bleef Aman bij zijn echtgenote. “Die twee mochten elkaar nu eenmaal”, zegt hij met een licht schouderophalen. “Maar zodra mijn moeder dood was heb ik gezegd: nu is het genoeg. De laatste vijf jaar had ik al op de bank geslapen.”

Een geheime boodschap

Hij schetst het huwelijk. Vooral het beeld van het halve brilletje waarover zijn vrouw altijd en eeuwig opkeek van haar handwerkje of haar boek, om naar hem te loeren, blijft hangen. En haar jaloezie die zo ver ging dat ze een geheime boodschap las in een ansichtkaart met daarop een foto van een of ander patriottisch standbeeld. ‘Erected by…’ stond erbij. ‘Opgericht door..’. ‘Erected’? Dat was al bijna hetzelfde als ‘erection’, erectie.

Aman zou wel vreemdgegaan zijn met de dame die het kaartje stuurde. “Later heb ik het inderdaad een keer met haar gedaan, en het was verdomd lekker”, kan hij niet nalaten met triomf te melden. Een beetje bitter klinkt hij ook: “Mijn vrouw vond het vreselijk wat ik deed, ze schaamde zich voor Maledicta. Het was echt zo’n burgerlijk, benauwd dorpsmeisje.”

De rechtszaak moet onfris geweest zijn. Het eindigde ermee dat zij 120.000 dollar kreeg, en Aman met 20.000 een nieuw leven moest zien op te bouwen. Wat hem vooral dwars zit, is dat de rechter zijn ex de erfenis van zijn moeder toekende, en (nog erger), de vooruitbetaalde abonnementsgelden voor Maledicta. “Dat was nog niet verdiend inkomen!”, roept hij uit. Je begrijpt die kaartjes ineens iets beter.

Toen Aman uit de gevangenis kwam, stuurde hij noodgedwongen, en met het schaamrood op de kaken, een bedelbrief rond. Ook al reageerde negentig procent van de aangeschrevenen niet, met wat er binnenkwam, kon hij Maledicta 11 en 12 maken, zodat er na vijf jaar eindelijk weer twee nieuwe afleveringen kwamen. Maar de volgende moest weer even wachten.

Wat hij nog wel eens zou willen vinden is een katachtige vrouw. Eentje die hem niet aan zijn kop komt zeuren over d’r haar, of iets anders onbenulligs als hij net de fonologie van het Urdu aan het uitzoeken is. Een vrouw die haar eigen gang gaat, net als zijn katten.

Z’n katten. En de katten van het kattenopvangcentrum waar één dag per week vrijwilligerswerk doet. “Ik compenseer”, zegt hij wat later zelf. “Ik stop al mijn liefde en hartstocht in mijn werk en mijn katten.” In zijn achtertuin, die hij de jungle noemt, wonen er twintig. De organisatie waar hij voor werkt vangt namelijk verwilderde katten (in zijn county alleen al lopen er zo’n 25.000 rond) en probeert die te temmen. Lukt dat niet, dan worden ze in elk geval gesteriliseerd voor ze teruggezet worden, lukt het een heel eind dan kunnen ze in Amans jungle terecht. Slechts een enkele waagt zich ook binnen.

Eén grote bol katjes

Amans huis hangt vol met plaatjes en foto’s van katten. In de gevangenis maakten ze, naast zijn opstelling als antropoloog en lexicograaf, het leven draaglijk. “Ik krijg bijna tranen in mijn ogen als ik dit vertel”, zegt hij, terwijl hij in kleermakerszit op de grond plaatsneemt. “Ik had een nest jonge katjes verborgen. Dan kwam ik ze gestolen of bewaard eten voeren, en dan kwamen ze zo, een voor een, op mijn schoot zitten, tot ik één grote bol katjes op mijn knieën had. Dat ware de enige vredige momenten.”

Van half twaalf ’s ochtends is het bijna vanzelf negen uur ’s avonds geworden. De koffie is op, de zoveelste sigaret en het zoveelste sjekkie (“You’re one tough mama“, riep hij bewonderend toen ik de eerste draaide) zijn uitgedrukt. Bezorgde raadgevingen voor de terugweg vormen het laatste gespreksonderwerp. Of wou hij misschien nog iets kwijt? “Nee. Ik heb het allemaal verteld zoals het is, ik heb niks te verbergen.” En dan lachend: “Of ja, toch een ding. Koop godverdomme mijn boeken!”

Levensbericht Hugo Brandt Corstius

Hij was de absolute kampioen onder-pseudoniemen-schrijven. Hugo Brandt Corstius gebruikte in de loop van zijn schrijvende bestaan, dat bijna zestig jaar besloeg, zeker zestig verschillende namen. Sommige maar één keer, andere een poosje, en het langste was hij Battus en Piet Grijs. Algemeen bekend werden verder onder meer de columns van Stoker, Jan Eter en Maaike Helder. Maar ook achter Gerard Balthasar, Cees Stam, Daan Gramman, Peter Malenkov, Jozef Trapjes en Magriet Vermeer ging Hugo Brandt Corstius schuil.

Dat paste goed bij zijn veelzijdigheid. Brandt Corstius was zowel wis- als taalkundige, maar werd het bekendst als spraakmakend columnist en als de uitvinder van het Opperlands, de speelse variant van het Nederlands. Al die verschillende namen gingen ook uitstekend samen met zijn ongehoord hoge productiviteit. Zelf beweerde hij dat elk pseudoniem een stuk van zijn persoonlijkheid vertegenwoordigde.

Maar die berg pseudoniemen sluit even goed aan bij een zekere ongrijpbaarheid die Brandt Corstius kenmerkte, en een levenslange lol in zijn lezers voor de gek houden. In veel van zijn werk speelt hij met waarheden, hele en halve leugens, draaien en omkeren. En hij houdt van mystificaties. Hij schrijft bijvoorbeeld als Dolf Cohen rustig over Stoker – het ene pseudoniem over het andere. En hij geniet intens als iemand zegt: die Maaike Helder in de Volkskrant, die heeft jouw stijl gepikt. Natuurlijk verraadt hij dan niet dat hij zelf Maaike Helder is.

Hugo Brandt Corstius groeide op in een niet-religieus gezin. Zijn vader Jan (J.C.) Brandt Corstius bedacht tijdens de oorlog samen met zijn vriend Jaap van Praag het Humanistisch Verbond, dat in februari 1946 werd opgericht. Jan Brandt Corstius was neerlandicus, en zou later hoogleraar literatuurwetenschap in Utrecht worden. Hugo’s moeder, Wil Molenaar, was opgeleid als onderwijzeres. De twee ontmoetten elkaar bij de NBAS, de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden, een jeugdbeweging waarin jongens en meisjes als gelijkwaardig beschouwd werden. De abstinentie gold drank, sigaretten en vlees, en ook seks voor het huwelijk. Hugo Brandt Corstius rookte nooit en zou zijn leven lang vegetariër blijven.

Hugo was de middelste van drie kinderen. Zijn broer Frank is twee jaar ouder, zus Liesbeth vijf jaar jonger. Hij was bovengemiddeld slim, en bovengemiddeld dwars. Daar lijkt iedereen het over eens te zijn. Ook ‘buitengewoon geestig’ is een terugkerende typering. Was hij een ADHD’er? Hij vermoedt dat later, als die term in zwang komt (‘Altijd Druk, Heel Druk’ is waar de afkorting voor staat, zal hij als Battus vastleggen). Of was het toch Asperger? De naam van het syndroom dat bij de hoogfunctionerende autist hoort, en dat door Brandt Corstius zelf consequent ‘asperge’ wordt genoemd. In 2003 schrijft hij (als Piet Grijs in Vrij Nederland): ‘Ik ben altijd een asperge geweest. Toen mijn moeder begon te persen, begon ik te pesten. In mijn jeugd werd ik eenvoudig een “lastig kind” of “rotjoch” genoemd, en daar heb ik vrede mee.’

Als kind is hij altijd bezig de puzzels in kranten, ook die van de buren, op te lossen en in te sturen. Menigmaal wint hij een prijs(je). En hij leest, liefst de encyclopedie. Maar hij gaat ook in discussie. Over alles. Stotterend en wel, want stotteren heeft hij voor zover anderen zich herinneren altijd gedaan.

Brandt Corstius groeide op in Utrecht, waar zijn vader lang leraar Nederlands was aan het stedelijk gymnasium, waar ook Hugo naar toe zou gaan. In 1949, hij is nog dertien, wordt hij omdat hij zo lastig gevonden wordt een tijd in huis geplaatst bij Dirk Daalder in Bergen. Daalder is een onderwijzer, redacteur van het blad Het Kind en kinderboekenschrijver die zijn ouders kenden via de NBAS.  Ze dachten er goed aan te doen, maar Hugo vindt de verbanning verschrikkelijk, en komt in de weekenden met de allervroegste trein naar huis.

Hij maakt zijn gymnasium β af in Utrecht, en vertrekt in 1953 naar Amsterdam. Daar gaat hij wiskunde studeren. Dat gaat goed, maar hij blonk er onvoldoende in uit, zei hij er later over. Brandt Corstius wordt lid van het ASC, het Amsterdams Studenten Corps, van het dispuut Breero. Vrijdags is hij meestal op NIA te vinden, de sociëteit. Hij is erg actief, gaat in het bestuur van het dispuut en is van 1956 tot 1957 zelfs preses. Hij duikt ook met enthousiasme in het culturele leven, ziet elke film, iedere toneelvoorstelling.

Daarnaast is hij een liefhebber van literatuur. Zo hield hij levenslang van Simon Vestdijk, over wiens boeken hij al recensies schreef toen ze uitkwamen, en wiens complete oeuvre hij in de vroege jaren negentig nog een keer samen met schrijver Maarten ’t Hart boek voor boek besprak in NRC Handelsblad.

Zoals zovelen van zijn generatie begon Brandt Corstius met schrijven voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, dat indertijd nog automatisch werd toegestuurd aan iedereen die lid was van de ASVA, de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam. De kiem voor veel van zijn latere werk is al terug te vinden in wat hij daar als redacteur tussen 1957 en 1959 maakte. Zelfs de speciale blik op taal die veel later tot de term Opperlands (tegenover Nederlands natuurlijk) zou leiden, is al zichtbaar. Een klein tekstje dat als titel ‘Bestedingsbeperkin’ heeft, legt feilloos uit  – het effect tegelijkertijd demonstrerend –  dat we bes d laatst lette va iede woor kunne weglate.

Vanaf 1959 schrijft hij voor Vrij Nederland. Vaak anoniem of onder pseudoniem, voor de rubriek Vrij Blijvend. Dat is een vergaarbak en een speeltuin, ook voor de andere van Propria Cures afkomstige talenten met wie hij de rubriek een tijd wekelijks vult: de latere Vrij Nederland-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse en tekenaar Peter Vos. Ook houdt hij in Vrij Nederland een tijdje zogenaamd het dagboek van Jan de Quay bij, de minister-president op dat moment, en schrijft hij pastiches op bijna alle kranten

In november 1960 haalt Brandt Corstius zijn doctoraal wiskunde. Zijn bijvakken zijn onder meer wijsbegeerte, wat hij volgt bij filosoof en logicus E.W. Beth (1908-1964), en geschiedenis van de wiskunde, gegeven door wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis (1892-1965), wiens beroemde De mechanisering van het wereldbeeld in 1950 verschenen was.

Voornamelijk om niet in dienst te hoeven, gaat hij direct na zijn afstuderen lesgeven aan het Amsterdams Lyceum. Een ultrakorte carrière als wiskundeleraar, die nog geen schooljaar duurt, volgt. Het is geen succes. Dat zeggen zijn leerlingen, onder wie de latere hersenonderzoeker Dick Swaab, en hij zelf ook.

De volgende zomer vertrekt hij naar Berkeley, University of California. Maar onderweg komt hij terecht in een demonstratie in New Orleans. Het is de tijd van de Freedom Rides, de bustochten door het land als protest tegen de segregatie tussen blank en zwart. De rassenwetten van het Zuiden waren weliswaar officieel afgeschaft, maar in de praktijk bestaan ze nog. Brandt Corstius wordt opgepakt en even vastgezet. Voor Vrij Nederland schrijft hij een tamelijk ironisch stuk over zijn korte detentie. Racisme en discriminatie zullen terugkerende onderwerpen blijven in zijn columns. 

In Berkeley geeft hij een paar uur college en volgt ook zelf colleges bij wiskundige en logicus Alfred Tarski (1901-1983). Toevallig is de wiskundige Adriaan van Wijngaarden (1916-1987) in die periode ook daar. Hij stelt voor dat Brandt Corstius bij het Mathematisch Centrum komt werken, waar Van Wijngaarden hoofd van de rekenafdeling was en een van de grondleggers zou worden van het vak informatica in Nederland.

Van 1962 tot 1970 is Brandt Corstius inderdaad in dienst bij dat onderzoeksinstituut, dat tegenwoordig CWI, Centrum Wiskunde & Informatica, heet. Het zijn opwindende tijden. Op zijn zestigste beschrijft hij hoe hij op zijn 25ste verliefd werd en dat tien jaar bleef op de computer: ‘Je weet zeker dat je je hele leven aan haar gaat wijden. Ze is fantastisch. Ze is mooi. Ze is slim. Ze is grillig. Ze is voorspelbaar. Ze is gul. Ze is onvermoeibaar. Ze is vermoeiend. Ze is duur. Ze maakt je in korte tijd veel wijzer. Zonder ophouden denk je aan nieuwe manieren om het met haar te doen. Ze verrast je telkens weer.’ Hij probeert wiskunde toe te passen op taal. Met de computer kan er ineens van alles dat nooit kon, en ook in de taalkunde zindert het van de nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden. Brandt Corstius stort onder meer zich op een automatisch woordafbreekprogramma voor het Nederlands. Nederlandse kranten gebruiken het vele jaren.

‘Taalkunde is een exacte wetenschap’, luidt een van de stellingen bij zijn proefschrift. Hij promoveert in 1970, op Exercises in Computational Linguistics. Het Engels van zijn proefschrift laat hij nakijken door Ina Mulder, die als Ina Rike (en vanaf een gegeven moment als Ina Rilke) een gelauwerd literair vertaalster werd, en met wie hij in 1987 een relatie zou beginnen – in 1989 trouwden ze. Maar eind jaren zestig leerde Brandt Corstius eerst Tatje Smits kennen, die in de jaren zeventig de moeder werd van zijn kinderen.

Onder meer na klachten over te weinig aanwezig zijn – een constante in zijn universitaire loopbaan – maakt Brandt Corstius in 1970 een overstap naar het instituut voor Neerlandistiek. Hij geeft er computertaalkunde. Tegelijk gaat hij Algemene Taalwetenschap studeren. In 1975 haalt hij zijn doctoraal. En eind jaren zeventig gaat hij zelf bij Algemene Taalwetenschap werken, een halve medewerkersbaan. In 1974 is hij daarnaast aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam benoemd tot buitengewoon lector in ‘de automatische informatieverwerking, in het bijzonder de verwerking van de natuurlijke taal’. Die positie verliest hij uiteindelijk ook door gedoe over hoeveel hij bijdraagt.

Over zijn computerliefde schrijft Brandt Corstius in dezelfde Piet Grijscolumn uit 1995: ‘Rond het jaar 1970 taande mijn verliefdheid. Ik denk dat ik de enige hoogleraar informatica was die nooit een computer aanraakte.’ Desalniettemin maakt hij in de jaren zeventig twee nog altijd opmerkelijk actuele overzichten over het samengaan van rekenen en taal, namelijk Algebraïsche Taalkunde en Computer-taalkunde. De liefde zou pas opnieuw bij hem inslaan bij het verschijnen van woordenboeken op een schijfje,  met al hun nieuwe zoekmogelijkheden: ‘Weer word ik dag en nacht in beslag genomen door een weerspannige tegenspeelster. En ze kent nog meer Nederlandse woorden dan ik!’

Maar dat leverde geen wetenschappelijk werk meer op. De wetenschappelijke productie van Brandt Corstius viel na die overzichtswerken in feite droog. Wie ze leest begrijpt daar wel iets van. Brandt Corstius ontkomt niet aan de constatering dat de taalmogelijkheden met een computer heel snel spaak lopen. En wel op de te ongrijpbare betekeniskant van woorden, zinnen en teksten. De semantiek gooit altijd roet in het eten, vatte hij het samen. Hij was er dan ook vast van overtuigd niet meer mee te zullen maken dat een computer in staat zou zijn taal te begrijpen, of om goed te vertalen van de ene in de andere taal. Dat is uitgekomen.

Intussen was en bleef Brandt Corstius buiten de universitaire wereld wel zeer actief. Hij was overal bij. Alles wat spraakmakend was. Alles dat ging over het gezag ondergraven, de autoriteiten niet meer zomaar hun autoriteit laten uitoefenen. Dus ook bij Zo is ’t toevallig ook nog eens een keer, dat van 1963 tot 1966 op de Nederlandse tv te zien was, en onder meer met het item Beeldreligie, satire op het geloof, voor veel ophef en stormen van protesten zorgde. De tekst die het einde vormde van het programma, en die nooit werd uitgezonden, is van de hand van Brandt Corstius. Het is een soort persiflage op een gesprek met Van Hall, burgermeester van Amsterdam in provotijden, met Mies Bouwman in haar interviewprogramma Mies en scène. Mies Bouwman zelf was toen trouwens al jaren weg bij Zo is ‘t… Ook aan het latere satirische tv-programma Hadimassa leverde Brandt Corstius bijdragen.

En natuurlijk was hij vele jaren te horen op vrijdagmiddag bij de vpro, in het door Joop van Tijn gepresenteerde Welingelichte Kringen, tot het radioprogramma stopte in 1997. Bij de dood van Van Tijn, ook in 1997, beschreef Brandt Corstius hoe het er steevast aan toeging met Joop: ‘Hij zat altijd aan mijn rechterkant. In zijn rechterhand hield hij een pen of een stuk papier. Met zijn linkerarm dirigeerde hij mij. We hebben het er nooit over gehad  – het was gewoon zo. Als hij wilde dat ik iets ging zeggen, stak hij zijn elleboog naar me toe. Als hij wilde dat ik het kalmpjes aan deed, gebaarde hij sussend met zijn hand. Als hij wilde dat ik m’n kop hield, legde hij zijn linkerhand op mijn rechterarm. Meestal gehoorzaamde ik.’

In 1981 komt het succesvolste boek van Brandt Corstius uit, zijn Opperlandse taal- en letterkunde. Het boek waarin hij onder het pseudoniem Battus alles verzameld heeft dat valt onder ‘het Nederlands met vakantie’. Het is van een grote inventiviteit en originaliteit, en het publiek waardeert het erg en koopt het boek massaal.

Eind van datzelfde jaar sterft zijn vrouw Tatje, pas 34 jaar oud, aan melanoom, een agressieve huidkanker. Brandt Corstius blijft achter met een zoontje van drie en twee dochters van vijf en zes. Jelle, Merel en Aaf. Dat gezin vertrekt de zomer daarna naar de Amerikaanse staat Minnesota, naar de hoofdstad St. Paul. Brandt Corstius werkt er aan de universiteit. Hij houdt op met zijn vaste columns en denkt dit maal misschien wel voorgoed geëmigreerd te zijn. Maar na een jaar is hij alweer terug.

Het is de eerste keer dat hij de column die hij als Piet Grijs in 1968 in Vrij Nederland begonnen was een tijdje laat schieten. Halverwege de jaren tachtig houdt hij er zelfs een paar jaar mee op, na een grote ruzie met zijn mede-columniste Renate Rubinstein, die onder de naam Tamar ook wekelijks in VN schrijft.

Ruzie, gedoe. Ook dat hoort bij het leven van Brandt Corstius. Al zijn huisraad wordt in 1966 geveild, nadat hij geweigerd heeft een rekening van negentig gulden te betalen aan de psychiater die hij daarna voor eeuwig ‘Van Poolse Havenstad’ zou blijven noemen (Van Dantzig dus). Hij maakt politicus Hans Wiegel op de radio uit voor ‘lul’, er wordt een later geseponeerd onderzoek ingesteld naar majesteitsschennis, en nog meer.

Twee kwesties hebben zich in het collectief geheugen genesteld. Buikhuisen en de PC Hooftprijs. De eerste lijkt in retrospectief samengebald te zijn tot een lange scheldpartij uit de pen van Piet Grijs, met als uitkomst het ontslag van de criminoloog. Het speelde in werkelijkheid over een aantal jaren en Piet Grijs was zeker niet de enige die bezwaar maakte tegen het plan om delinquenten te onderzoeken op sociobiologische kenmerken (in 1978) en een plan uit 1980 om iets soortgelijks bij kinderen in kindertehuizen te doen. Brandt Corstius zou altijd volhouden dat wat als een misdaad gezien wordt in hoge mate cultureel bepaald is (denk aan zaken als geloofsafval en homoseksualiteit) en ook dat Wouter Buikhuisen zijn ontslag aan zichzelf te wijten had.

Het Buikhuisenverhaal valt als exemplarisch te zien voor de kant van de vetes, de openbaar uitgevochten meningsverschillen en de scheldpartijen. Want Brandt Corstius kon geweldig van leer trekken en was niet te beroerd om op de man te spelen. Dat zit ook achter de weigering van het CDA, in de persoon van Elco Brinkman, om hem de PC Hooftprijs te geven. De jury, nota bene onder voorzitterschap van de door Brandt Corstius voor Roomse gluipkop uitgemaakte Cornelis Verhoeven, besluit in februari 1985 dat Brandt Corstius de prijs van 1984 dient te krijgen. Maar dat gaat niet door. Onder andere het feit dat minister Onno Ruding de Eichmann van zijn tijd werd genoemd door Piet Grijs, in diens column van 3 november 1984 in Vrij Nederland maakte dat Brinkman (dan minister van Cultuur) weigert de prijs toe te kennen. Want Brandt Corstius heeft ‘het kwetsen tot instrument gemaakt’.

Over die PC Hooftprijs ontstaat vervolgens een enorme hoeveelheid commotie. Elke krant, elke journalist schrijft erover, en vrijwel iedereen vindt het een schande. Tot in het buitenland aan toe. Het heeft gevolgen. De prijs verdwijnt een paar jaar en keert dan terug als een niet-staatsprijs. Bovendien gaat het prijzengeld van tien naar vijfentwintig duizend gulden. De eerste die wordt uitgereikt is voor Brandt Corstius. Dat gebeurt op 3 juni 1988.

 Alle controverse ten spijt zijn zijn bijdragen vele tientallen jaren zeer gewild. De nalatenschap van Hugo Brandt Corstius puilt uit van de verzoeken, en ook van de herhaalde verzoeken, aanmaningen, vermaningen en aandringende briefjes. Hugo reageert niet. Hij neemt de telefoon niet op. Hij beantwoordt zijn post niet. Dat is normaal. Hij is er zich van bewust. Het is ook pure opzet, bekent hij een keer in een gezamenlijk schrijven aan drie jubilarissen, de schrijver Remco Campert, uitgever Ary Langbroek en redacteur Bert Poll. ‘Ik besteed bijna mijn hele werkdag met het verspreiden van de mythe dat ik het overal veel te druk voor heb.’ meldt hij ze in september 1989.

Adres en telefoonnummer werden zorgvuldig geheim gehouden. In datzelfde jaar 1989 bleek het secretariaat van Algemene Taalwetenschap zijn adres niet te kennen. Dat was nadat hij er ruim een dozijn jaren werkte. En toch houdt hij jaar in jaar uit overal praatjes en lezingen, presenteert boeken, schrijft inleidingen, maakt werk in opdracht. Zoals De Hoofdredacteur, een boekje ter gelegenheid van het afscheid van hoofdredacteur Harry Lockefeer bij de Volkskrant. Hij schrijft ook een lang verhaal voor het jaarverslag voor kinderen dat BSO in 1989 uitbrengt, het softwarebedrijf van de eigenzinnige Eckart Wintzen (1939-2008).

Ook werkt hij voor meer kranten dan welke journalist of columnist dan ook. De Volkskrant en NRC Handelsblad zijn allebei en tegelijkertijd vaste afnemer, heel uitzonderlijk, maar ook voor Het Parool en Trouw schrijft hij met een zekere regelmaat. Aan Vrij Nederland is hij bijna een halve eeuw verbonden, in 2008 verschijnt de laatste aflevering van de column van Piet Grijs, die dan vier decennia gelopen heeft. Het literaire tijdschrift Tirade kan een tijdje op zijn medewerking rekenen, hij doet mee aan het taboedoorbrekende Gandalf, maar voor Hollands Maandblad schrijft hij het langste. Hij blijft er tot hij het echt niet meer kan pagina’s Opperlan(d)s voor maken (in de uitgebreide versie van zijn boek Opperlandse taal- en letterkunde heet Opperlands ineens Opperlans). Want tellen en rekenen met letters en woorden is hetgeen hem levenslang het meeste plezier verschaft.  Zijn laatste andere bijdrage aan Hollands Maandblad heet ‘Mijn korte leventje’ en is inderdaad een mini-autobiografie.

Zelf zei hij met zijn onderwerpen van een glijbaan af te gaan. Via de wiskunde en de taalkunde kwam hij bij de letteren, en beloofde een biografie van Multatuli te gaan schrijven. Daar lijkt hij nooit erg serieus aan gewerkt te hebben. Het meeste was toch kortebaanwerk. Daar lag zijn kracht. En misschien was hij wel te ongeduldig voor langere dingen. Ongeduld was volgens hemzelf het kenmerk dat zijn hele leven kon verklaren.

Was wat Hugo Brandt Corstius schreef typisch voor Nederland en het Nederlands? Pogingen werk vertaald te krijgen hebben in elk geval weinig opgeleverd. Wel leverde hij een tijdlang bijdragen aan het Amerikaanse tijdschrift Word Ways: The Journal of Recreational Linguistics.

In 1996 ging hij met de VUT, en vanaf het jaar daarna zou Brandt Corstius tot het eind van zijn leven ook een deel van de tijd in Parijs wonen. Daar gaf hij aan de Sorbonne nog drie jaar les aan studenten Nederlands. Maar ook Nederlandse universiteiten vroegen hem soms nog. Hij bekleedde in 1998 de Leornardo Leerstoel van de universiteit van Tilburg, en was in 2003 gastschrijver aan de TU Delft.

De laatste jaren van zijn leven ging Brandt Corstius achteruit, al viel dat de meeste mensen lang niet zo op. Wonderlijk, onaangepast gedrag was normaal geweest, misschien wel zijn handelsmerk geworden. In elk geval was hij altijd wars van alles wat formeel is. ‘Vroeger had ik met iedereen ruzie, maar nu kan ik het me niet meer herinneren,’ zei hij, met een opmerkelijke opgewektheid.

Hij leed waarschijnlijk aan wat semantische dementie genoemd wordt. Dat betekende dat hij ook zijn spraak verloor. Tot hij uiteindelijk niets meer kon zeggen. Geen woord. Niet lang daarna is hij gestorven.

Voor dit levensbericht is geput uit de nalatenschap van Hugo Brandt Corstius, die wordt ondergebracht bij de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. En er is gebruik gemaakt van gesprekken die ik voerde voor de biografie waaraan ik werk, en die in 2019 moet verschijnen. Ook heb ik een paar eigen herinneringen verwerkt.

 

VOORNAAMSTE GESCHRIFTEN

Ik sta op mijn hoofd, Amsterdam 1966 (onder pseudoniem Raoul Chapkis)

Exercises in Computational Linguistics, Amsterdam 1970 (proefschrift)

Algebraïsche Taalkunde, Utrecht 1974

De encyclopedie, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Battus)

Computer-taalkunde, Muiderberg 1978

Televisie, psychiaters, computers en andere griezelverhalen, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Piet Grijs)

Opperlandse taal- en letterkunde, Amsterdam 1981 (onder pseudoniem Battus, uitgebreide editie in 2002 met titel Opperlans! Taal- en letterkunde)

Rekenen op taal, Amsterdam 1983 (onder halfpseudoniem Hugo Battus)

 

PRIJZEN (selectie)

Anne Frank-prijs 1966 voor Ik sta op mijn hoofd van Raoul Chapkis

Cestoda-prijs 1978 voor de moeiteloze beoefening van de Nederlandse taal in al haar genres

Multatuli-prijs 1982 voor Opperlands taal- en letterkunde van Battus

Busken-Huet-prijs 1985 voor Rekenen op taal van Hugo Battus

P.C. Hooft-prijs 1987 voor essays voor zijn hele oeuvre

Nootje: De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde geeft elk jaar een jaarboek uit, met daarin onder meer overzichten van het leven van gestorven leden. In mei 2016 verscheen het Jaarboek 2014-2015 waarin bovenstaande Levensbericht staat.

‘Achter een door iemand in het water gegooide piano moet een wanhoop zitten, een geschiedenis’

Niet lang geleden was Paolo Conte in Nederland alleen iemand voor fijnproevers – nu is hij zó populair, dat Carré al weken voor zijn optreden – vanaf 30 november – vrijwel is uitverkocht. Tot zijn stomme verbazing, vertelde hij in San Remo, waar hij sprak over zijn schitterende teksten (‘de woorden kosten meer tijd dan de muziek’), swing en de noodzaak van begrijpelijkheid ‘op het eerste gehoor’.

Sanremo eind oktober. Alleen de kleur van de blaadjes aan de bomen verraadt dat het geen hartje zomer is. Het is niet warm, het is bloedheet tijdens het festival van de ‘cantautori’ (cantore =zanger, autore = auteur). De cantautore Paolo Conte heeft het festival in geen jaren bezocht. Gevolg: er ligt een hele stapel prijzen op hem te wachten, waaronder een voor de beste elpee van 1987: Aguaplano, een dubbelelpee, in Nederland gesplitst uitgebracht als (ook) Aguaplano en Jimmy, ballando. Om vier uur is de prijsuitreiking, daarvóór zal ik Conte interviewen. Maar dit is Italië.

“Mooi dat je er bent”, stelt men tevreden vast. “Laten we een hapje gaan eten.” We gaan een hapje eten. In een restaurant waar aan elk tafeltje wel iemand zit die Conte gedag komt zeggen. Tegen iedereen is hij even vriendelijk en hartelijk. Hij zal het de hele dag blijven. Paolo Conte, geboren 6 januari 1937. Advocaat. Musicus: zanger, componist, pianist. Groeide op met jazz, literatuur en Hollywood. Schreef eerst alleen voor anderen, bijvoorbeeld de wereldhit Azzuro. Werd bij toeval als zanger ontdekt, maakt nu zo’n vijftien jaar platen. Is overal geweest, is een echte gentleman. Zo staat het in alle interviews en het is allemaal waar.

Paolo Conte in San Remo, oktober 1988. Foto: Liesbeth Koenen

 

In Nederland is hij in razend tempo de intellectuele en quasi-intellectuele milieus (Peter van Stratens Agnes hoorde hem vorige week nog in een decor van witlederen banken en Perrier) ontgroeid.

Twee jaar geleden haalde Carré hem naar Nederland en kreeg niet meer dan een fijnproevershoekje van de zaal vol. In januari van dit jaar was hij er weer, in een uitverkocht theater dit keer, vol stampende en gillende mensen die voor een groot deel door de voorstelling heenkletsten alsof ze thuis voor de tv zaten. Voor Contes nieuwe tournee die 30 november aanstaande begint is al bijna geen kaartje meer te krijgen en waarschijnlijk verkoopt alleen Michael Jackson dit jaar in Nederland meer platen dan hij.

Het rijtje top-40 hits luidt: Gli (spreek uit: ‘lji’, de man heet trouwens ook Contè en niet Contie) Impermeabili, Max, Aguaplano. En ze zijn overal te horen: in winkelcentra, hamburgertenten, als achtergrond bij tv-programma’s, in kroegen en restaurants.

Verklaringen? Conte heeft ze niet. Wordt hij eenvoudig meegevoerd op de almaar groter wordende stroom tagliatelle, tortellini, pizza’s, schoenen, ‘design’ en wijn die uit Italië Nederland binnenkomt? Klinkt het Italiaans naar vakantie? Waarom dan hij wel en bijvoorbeeld Lucio Dalla of Lucio Battisti niet? “Ik heb er nooit mijn best voor gedaan,” zegt Conte, “ik heb het succes niet gezocht, het publiek heeft beslist. Ik voel me vereerd, dat wel, maar ik zou dolgraag begrijpen waarom het in Nederland zo goed gaat.”

Nederland interesseert hem. Hij wil van alles weten: hoeveel mensen er wonen, of oranje de nationale kleur is vanwege de tulpen, wat voor blad Vrij Nederland precies is, welke Italiaanse literatuur hier gelezen wordt, of Nederland zich Europees voelt.

Conte: “Italië niet. Het heeft te veel last van een noord-zuidsplitsing. Milaan, dat is een Europese stad, maar als je kijkt naar Rome of Florence, dat zijn alleen maar mooie vrouwen die in de spiegel kijken, verder niks. Zelf ben ik een volbloed Piemontijn, uit Asti. Wij zijn, of we voelen ons erg afgescheiden van de rest van Italië. Erg gepasseerd. We hebben een beetje een gesloten, timide karakter, niet zo extravert als de andere Italianen.”

“Niemand verstaat ook een woord van ons dialect, terwijl het Romeins bijvoorbeeld overal begrepen wordt. En het Napolitaans is zo’n beetje een tweede Italiaanse taal. Ons dialect maakt dat we een speciale woordenschat hebben: sommige woorden hinderen ons, die willen we niet gebruiken. Bepaalde vormen van het werkwoord, de ‘passato remoto’ (in standaard-Italiaans gebruikt voor dingen die lang geleden gebeurd zijn, in veel dialecten de normale verledentijdsvorm LK) gebruiken we nóóit. Ik heb het wel eens gedaan in een liedje, vanwege het metrum, maar daar voel ik me nog altijd een beetje beschaamd over. Als schrijver. Maar ik voel me niet geroepen om dat dialect te propageren. Dat heb ik nooit gewild. Als mens, als wereldburger voel ik me niet verbonden met één bepaalde realiteit in het bijzonder.”

Er bestaat inderdaad maar een liedje van Conte dat duidelijk “geëngageerd” genoemd kan worden: Naufragio a Milna, Schipbreuk in Milaan, over de ellende en de heimwee van Napolitaanse “gastarbeiders” die in Milaan “gestrand” zijn, temidden van het beton en vaste werktijden, geen zee, geen water, geen zon, geen muziek. In hartverscheurend Napolitaans.

Aan tafel wordt er gesproken over de mogelijkheid een verzamelalbum uit te brengen in Italië, een soort ‘greatest hits’: in Nederland was dat goed voor een platina elpee, maar in Italië moet het anders omdat ze daar zijn liedjes al veel langer kennen. “Wat denk je,” vraagt hij, “zou een ‘live’-album een goed idee zijn? Hoe spreek je dat eigenlijk uit als het om muziek gaat? Laif of liv? Ik zou toch eens Engels moeten leren.”

Later zal hij dat weer terugnemen. Maar dan is het heel veel later. De prijsuitreiking vindt uiteindelijk niet om vier uur maar om kwart voor negen plaats. Waarom weet niemand. Het hindert ook niemand. Men praat, men neemt nog een drankje, men praat nog meer, men lacht, men drinkt en na de prijsuitreiking is het toch echt weer tijd om iets te gaan eten. De bestelling laat anderhalf uur op zich wachten. Het ontlokt Conte de ene cynische opmerking na de andere tegen een niets-begrijpende ober (“La signora en ik genieten echt, maar denkt u dat u toch even in de keuken zou kunnen informeren..”). In de tussentijd biedt hij aan stukjes van de allang gearriveerde pizza’s van anderen met me te delen, “cheek-to-cheek” zoals hij het uitdrukt.

Het licht viel al af. Conte buiten bij het festival van San Remo, oktober ’88. Foto: Liesbeth Koenen

Het is middernacht geweest als we met het eigenlijke interview beginnen en ik hem vraag wat hij toch heeft met dat Engels. Het is in allerlei liedjes te vinden, middenin het Italiaans ineens een kreet, een woord, een zinnetje (“Shoe shiner, come back to my Chinatown” in Lo Zio, “I whisper I love you” in Sotto le stelle del jazz, Hesitation, Midnights knock-out en Sparring partner zijn een paar titels). Conte: “Het Engels fascineert me. Omdat ik het niet spreek heeft het de aantrekkingskracht van het onbekende. En het is de taal van de muziek die ik altijd al lief heb gehad: de Amerikaanse jazz. Eigenlijk is het de taal van alle muziek van deze hele eeuw.

Overigens is dit niet iets dat alleen voor mij geldt: de jongeren in Italië houden van Engelstalige muziek, maar ik geloof dat maar heel weinigen van ons Engels spreken. En toch voelen we die speciale fascinatie. Ik ben ook bang dat liedjes me zouden tegenvallen zodra ik wel goed Engels zou spreken en alle teksten zou begrijpen. Maar zolang die taal mysterieus blijft kan ik me er bij voorstellen wat ik wil. Je hebt een veel eenvoudiger relatie met de muziek op deze manier, begrijp je?”

Toch gebruikt u dat Engels heel geregeld, en u speelt ook met de klanken.

“Ja, soms ben ik moe van het zoeken naar Italiaanse woorden. Als het niet lukt neem ik soms Engelse. Maar ook wel eens Franse of Napolitaanse. Ik zou ook Indianentalen kunnen gebruiken, of Nederlands als dat uitkwam. Het blijft die fascinatie van een taal waar je niets van begrijpt. Aan de andere kant vind ik het in bepaalde gevallen, op een theatraal moment in een liedje ook heel terecht om iets Engels te gebruiken. Waarom niet?”

In uw teksten komt heel dikwijls het woord “lampo” of “fulmine”, bliksem of weerlicht voor. De teksten in hun geheel hebben daar ook iets van weg: het zijn flitsen, prachtige flarden sfeer, die telkens een klein stukje van de wereld, van wat mensen beweegt doen oplichten. Met grove lijnen geschetste scènes van oude mensen die zich nog snel vol taartjes eten, aarzelend beginnende liefdesverhoudingen, geheimzinnige telefoongesprekken, allemaal kunnen ze als een soort pars pro toto dienen voor het leven zelf.

“Om te beginnen hou ik vreselijk veel van het weerlicht in onweersbuien. Misschien is dat iets Hollands in me: de Hollandse schilders hebben het heldere licht dat onweer geeft of dat je na een onweer ziet ook zo schitterend vastgelegd. Als het gaat om het karakter van de teksten dan komt het deels voort uit de noodzaak iets te vertellen in een hele korte tijd. Ik moet drie of vier minuten beheren, meer is het niet, en ik voel me vóór alles musicus. De muziek komt eerst, de tekst moet zich aanpassen. In die drie minuten moet de muziek praten vind ik. Dan hou je heel weinig ruimte over voor je verhaal, dat moet je dan haastig vertellen, als in een bliksemflits.”

“Het schrijven zelf gaat niet snel, en de woorden kosten meer tijd dan de muziek. Die maak ik eerst, ik heb altijd cassettes vol liggen. Dat gaat naar verhouding gemakkelijk. Voor de tekst moet ik wachten tot de muziek me inspireert, tot ik zin heb om te schrijven. En dan komt het probleem dat het Italiaans zo weinig muzikaal is. Dat betekent dat ik heel veel moet schrijven en dan schrappen, schrappen, schrappen voordat ik iets bruikbaars overhoud. Het Italiaans heeft zulke lange woorden, en het accent valt niet op de laatste lettergreep. Daardoor is het niet ritmisch. Het Engels is wat dat betreft heel anders: heel korte woorden, het accent aan het eind, zachte medeklinkers, het is een en al ‘swing’. Het Italiaans heeft geen ‘swing’.”

Uw muziek swingt anders behoorlijk.

“Ik neem dat compliment graag aan, maar het kost me ontzettend veel moeite het zover te krijgen. En ik doe mijn uiterste best om de teksten niet te ontoegankelijk te maken. Dat gebeurt tegenwoordig zo vaak, en ik heb het zelf ook wel eens gedaan, maar ik vind het té gemakkelijk. Wie een beetje fantasie heeft produceert zo kilo’s ontoegankelijke poëzie. Realistisch schrijven is veel moeilijker. Ik wil dat alles wat ik schrijf op het eerste gehoor begrepen wordt. De eerste keer dat je ernaar luistert móet je het begrijpen. En dan blijven er de tweede keer misschien nog wat kleine mysterietjes over, die interessant kunnen zijn, maar alleen omdat het raadsels zijn. Het mag geen assemblage worden van woorden die geen betekenis hebben, maar zo mooi staan. Het verhaal moet altijd duidelijk zijn.”

Max was Max, kalmer dan ooit, zijn helderheid… Schei uit Max,het gemak waarmee jij de dingen doet maakt het er niet eenvoudiger op, Max.. Max, is niet te peilen- laat me eruit, Max ik zie een geheim op me af komen, Max..’* Wat is het verhaal van Max?

“Ja, nou stel je een moeilijke vraag. Max is nou net een liedje waarvan ik ook niet weet wat het wil zeggen. Maar daar is een reden voor. Ik wilde de muziek niet kapot maken met een stem. Dus wilde ik maar weinig woorden gebruiken en de rest allemaal muziek laten. Ik ben begonnen bij die Max, dat vond ik een mooie naam. Ik stelde hem me voor als een grote, brede man. Een vriend, maar iemand die bezig was met iets gevaarlijks, iets mysterieus’. Een vriend om toch een beetje op een afstand te houden dus. Het zou een autocoureur kunnen zijn, of iemand die paardrijdt ofzo. Ik weet het niet.”

“Maar met Max is me iets heel merkwaardigs overkomen. Ik had die tekst in mei geschreven en het nummer opgenomen. In juli gingen we op tournee naar Canada en daar wilde ik meteen kennismaken met de Indianen. Die ken je zo goed van boeken en films, ik wilde ze graag in het echt ontmoeten. Toen werd ik voorgesteld aan een stamhoofd, echt een boom van een vent, twee meter lang. En die heette: Max. Echt waar. Ik verzin het niet. Gek hè? Mooi verhaal hè?”

“Maar goed, alleen als ik weinig plek om te schrijven heb moet het bij een impressie blijven. In liedjes die me een beetje tijd geven wil ik verhalen vertellen.”

Aguaplano (watervliegtuig) is wat langer. Kunt u vertellen waar dat over gaat? U zingt onder andere over de ‘fiume di gennaio’, de ‘januaririvier’. Is dat Rio de Janeiro?

“Ja, het heeft me altijd geïntrigeerd dat Rio de Janeiro ‘januaririvier’ heette, terwijl er nergens een rivier te bekennen is. Dat komt omdat de ontdekker van de baai van Rio de Janeiro dacht dat hij zich in de monding van een rivier bevond. En het was januari, vandaar. Zelf vind ik januari een mooie maand. Maar Aguaplano is een soort onderzoek dat gedaan wordt aan boord van een klein vliegtuigje, dat boven de baai van Rio de Janeiro vliegt. Aan boord zie je dat er op de zee een piano drijft. Je stelt je dan voor dat iemand met een enorme kracht die piano in zee gegooid heeft. Omdat de piano verantwoordelijk is voor een liefdesgeschiedenis die iemand teleurgesteld heeft.”

“En het eindigt dan zo: iemand heeft de piano gezien, heeft bedacht wat er gebeurd kan zijn en laat het dan achter zich. Ik laat in het midden wie die persoon precies is, of het dezelfde is die in het vliegtuigje zit. Dat mag het publiek beslissen. Het verhaal legt uit dat er achter een door iemand in het water gegooide piano wanhoop moet zitten, een geschiedenis.”

Nogmaals Conte. Foto: nogmaals Liesbeth Koenen

Aguaplano, Max en ook Gli Impermeabili (‘De Regenjassen’) zijn grote hits geweest, zijn dat nu de nummers die u zelf ook het geslaagdst vindt?

“Ik luister eigenlijk nooit meer naar mijn platen als ze af zijn, dat vind ik vervelend. Kijk, ik heb aan geen enkel nummer een hekel, maar Aguaplano is niet een van mijn favorieten. Van Max begreep ik direct toen ik het geschreven had dat het publiek dat mooi zou vinden, dat het een zekere aantrekkingskracht zou hebben. Maar uit een oogpunt van inspiratie… Er zijn andere liedjes, moeilijkere liedjes waar ik meer van hou. Dal Loggione (‘Vanaf het schellinkje’, vanwaaruit een man neerkijkt op zijn vroegere geliefde, nu getrouwd, hij komt alleen om haar te zien, en ‘misschien, misschien wil je dat ik er ben, en wacht je op een flits van waanzin’, maar het licht gaat al uit, ‘En dus leve de muziek’) bijvoorbeeld is zonder meer van een hogere kwaliteit.”

Gli Impermeabili is wel een van mijn favorieten. Dat vind ik bijna het mooiste wat ik gemaakt heb. Het mooiste? Dat moet nog komen, daar wacht ik nog op. Maar “Gli Impermeabili, Dal Loggione, Hesitation en Nessuno mi ama (Niemand houdt van mij), dat is echt mijn muzikale smaak. De woorden in Gli Impermeabili zeggen niet zo heel veel, ik wilde de muziek heel laten, dus weinig zingen. Hoewel, je voelt het wel regenen hè? En ik gebruik het woord ‘impermeabile’ (regenjas en waterdicht of ondoordringbaar) in een dubbele betekenis: het regent lekker, zowel op de regenjassen als op de ‘ondoordringbare’ mensen.”

En Simpati Simpatia? Dat staat op dezelfde elpee als Gli Impermeabili, de eerste die in Nederland verscheen. Ik vind dat een van uw mooiste liedjes.

“Ah, je maakt me gelukkig. Dat is absoluut een van mijn lievelingsnummers. Maar jammer genoeg is niemand dat met me eens, het publiek vraagt er nooit om, terwijl mijn vrouw en ik er zoveel van houden.”

Het enige dat iedereen van u weet, is dat u advocaat bent. Bent u dat eigenlijk nog wel?

“Sinds een jaar, anderhalf jaar ben ik eigenlijk alleen nog musicus. Ik hou wel mijn kantoor aan, uit sentimentele overwegingen: ik heb er jaren voor gestudeerd, ik heb het werk jaren gedaan en met plezier, er is de herinnering aan mijn familie, aan mijn vader en mijn opa die notaris waren, het bordje zit nog op de deur, ik heb er mijn vrouw leren kennen en die vermaakt zich daar nog steeds. Nee, het zou verraad zijn om zomaar dicht te gaan. En er lopen ook nog wat zaken van vroeger. Maar als je me vraagt of ik over een jaar weer gewoon advocaat zou willen zijn dan zeg ik nee. Misschien gespecialiseerd op een bepaald terrein. Of ik ga met pensioen. Ik heb genoeg hobby’s. Nee, niet de muziek. Ik teken en schilder al heel lang, al langer dan ik muziek maak.”

Bent u het muzikantenleven moe?

“Ja, ik vind het wel genoeg zo. Maar dat zeg ik nu omdat al te lang dit leven leef. Ik heb een beetje heimwee naar huis, ik ben teveel weg. En artistiek: het orkest dat ik heb is oké, ze zijn heel goed, maar toch, ik zou verandering van omgeving nodig hebben. Op dit moment kan ik alleen nog maar ‘toevoegen’. Ik heb nu elf muzikanten, ik kan er violen bijdoen, ik kan zus, ik kan zo, ik kan er steeds meer ‘Hollywood’ van maken. Of ik zou het allemaal moeten wegdoen, en weer met een trio op pad gaan, of in mijn eentje, net als in het begin.”

“Ik moet mezelf artistiek een ‘shock’ geven. Er moet iets veranderen. En verder, weet je, het leven van een artiest galoppeert voorbij, het gaat veel te hard.”

Maar u bent pas heel laat een artiestenleven gaan leiden.

“Ja, dat is waar. En ik moet zeggen dat ik mijn lot ook wel accepteer. Stilstaan is uiteindelijk ook niet goed. Je moet het leven ook kunnen leven zonder er al te veel over na te denken. Maar ja, dat is weer een andere filosofie. En het ene moment denk ik er zo over, en een half uur later weer heel anders. Als ik eerlijk ben wil ik vooral gezondheid en vrijheid. En artistieke passie. Persoonlijk succes heb ik nooit gewild. Ik heb er nooit naar verlangd beroemd te zijn. En het bevalt me niet echt nu ik het ben. Het is vermoeiend. In die richting zoek ik verder niets.”

“Ook al heb ik natuurlijk wel de bevrediging dat mijn werk succesvol is. Het bemoedigt en het rechtvaardigt je keuzes: je kunt zeggen, oké, ik heb dat allemaal gedaan, maar ik speelde geen spelletjes, het was wérk. Ik twijfelde altijd of het nou werk of spelen was. Weet je waarom? In een mensenleven heb je niet altijd het geluk te kunnen doen wat je écht leuk vindt. Ik was advocaat van beroep, dat deed ik graag, maar toch nooit met zoveel passie als ik voor de muziek voel. En als je dan musicus wordt, en je houdt daar zoveel van als ik, dan is het net alsof het helemaal geen werk is. Er zijn zoveel momenten geweest dat ik dacht: en hier krijg ik nog voor betaald ook!”

“Maar ik vind dat geld wel plezierig. Ik kom uit de provincie moet je weten, en het mooiste applaus is voor ons toch iets duurzaams, iets substantieels. Het moet je in leven kunnen houden. Niet dat ik hoge eisen heb, maar geld geeft zekerheid. Bovendien, om goed te kunnen werken moet ik musici en apparatuur kunnen betalen.”

“Ik zou graag wat minder tournees doen de komende tijd, en weer eens wat muziek schrijven voor films of theater. Dat heb ik al eerder gedaan, een film met Roberto Benigni bijvoorbeeld, maar het is een slechte periode voor de Italiaanse film: er is geen geld en er zijn geen ideeën. Misschien doe ik ook nog wel liever theater, maakt me niet uit wat: modern, klassiek, een Griekse tragedie.”

U maakt ook gebruik van zo ongeveer alle muziekstijlen die er bestaan.

“Ja, je moet jezelf geen grenzen opleggen. Why? Why?”

Voorlopig bent u nog wel op tournee. Frankrijk, Duitsland en dan Nederland. Komt u graag naar Nederland?

“Ik moet nog steeds het idee dat ik vroeger van Nederland had in overeenstemming brengen met het idee dat ik nu heb, nu ik er een aantal keren geweest ben. De dingen die je als kind geleerd hebt zitten zo in je hersenen gegrift, en ik herinner me heel goed een liedje van toen ik klein was. Dat heette Tuli-tulipani (‘tulpen’), en het gaf een prachtig toverachtig beeld van Nederland met kaas en tulpen en windmolens. Dat vond ik vreselijk mooi.”

“En één keertje heb ik iets van die magie teruggevonden. Ik was in Rotterdam, nu niet direct de mooiste stad van Nederland. Het liep tegen kerstmis, en het was koud. Ik wandelde door een grote winkelstraat, met een speelgoedwinkel, en toen klonk daar ineens zo’n orgeltje, met van die prachtige muziek, échte muziek. Daar stond ik, ik leek wel gek. Ik heb een kwartierlang dat speelgoed staan bekijken, met achter me dat orgeltje dat héél hard die vreselijk mooie muziek speelde. Ik was weer kind geworden.”

Half twee ’s nachts. De volle maan schijnt door de palmbomen. Conte loopt mee, de trappen van het hotel af, en wacht met me op de taxi. Een echte gentiluomo.

 *Vertaling van Max overgenomen uit Paolo Conte, De Teksten, vertalingen van alle 77 Conte-nummers door Frans Roth en Willy Hemelrijk, inleiding Griselda-Edwien Visser, uitgegeven door de International Theater Bookshop, 96 pagina’s, f 17,50, verschijnt half november. Soms iets teveel naar de letter en te weinig naar de geest vertaald, maar geeft alles bij elkaar een uitstekend overzicht van Contes werk. 

NOOT: Dit interview is ook verschenen in de Vlaamse krant De Morgen. In welke vorm en wanneer weet ik niet. Nooit gezien. Beloofde betaling is ook uitgebleven…

Zo gauw vertalen beter betaalt stort elke werkloze tandartsvrouw van Nederland zich erop

Vertalen is soms met een enorme snelheid duizenden mogelijkheden kunnen verwerken in je hoofd

Als ik de oprijlaan op kom lopen staat Gerrit Komrij net afscheid te nemen van vorige bezoekers. Ik mag even in het prieeltje in de tuin gaan zitten waar Komrijs vriend Charles Hofman een koel Portugees pilsje serveert.

Ik kijk om me heen. Er is uitzonderlijk weinig inlevingsvermogen nodig om te begrijpen dat iemand hier wil wonen, ook al zal Komrij later stijf volhouden dat hij gewoon in Nederland woont.

“Want,” zegt hij dan, “ik zie hier meer Nederlanders dan toen ik om de hoek van de Kinkerstraat woonde en de krant krijg ik net zo snel als een postabonnee in Groningen: de volgende dag. Alsof Portugal aan het andere eind van de wereld ligt. Ik kan morgen in Nederland zijn als ik wil.”

Gerrit Komrij, Pouca da Beira, 8-8-’88. Foto: Liesbeth Koenen

“Het valt me altijd op dat die moderne intellectuelen de nieuwe communicatie- en reistechnieken omhelzen, maar tegelijkertijd ontkennen ze ze ook: Diemen is al ver hoor. Ja, vroeger was het ver, toen deed je er drie dagen met de trekschuit over om in Antwerpen te komen.”

Het piepkleine Portugese dorpje en de villa zijn prachtig, maar ik heb de lange reis niet gemaakt om te zien waar of hoe mooi Komrij woont, ik zit in het prieeltje omdat in theater Carré de nieuwe première van Cats op komst is. Immers, Gerrit Komrij is verantwoordelijk voor de Nederlandse teksten die de poezen al springend, dansend, kopjes gevend, sluipend en kruipend over het toneel moeten zingen.

Het succes dat ze daar het eerste seizoen mee boekten was daverend: geestdriftige recensies en Carré vrijwel iedere avond tot de nok toe gevuld. Tienduizenden kaartjes werden bij voorbaat alweer verkocht voor de tweede serie voorstellingen. En al zal Komrij de laatste zijn om het succes van deze musical bij het grote publiek op conto van zijn vertaling te schrijven (Komrij: “Cats is het werk van een zeer talentvolle groep mensen waar toevallig deze vertaling als een klein radertje inhangt. De tekst is toch ondergeschikt gemaakt aan het kijken, het spektakel, de dynamiek van het geheel.”), onbelangrijk is die toch niet. Omdat Komrij het zo gewild heeft staat Spikkelpikkelmies nu de kakkerlakken een lesje te leren, en niet Jennyanydots, en de avonturen van Growltiger, ‘The Terror of the Thames’, zijn die van Snauwtijger, ‘de Nijdas van de Rijn’ geworden. Met andere woorden: Komrij heeft er Nederlandse katten van gemaakt.

Wie wilde, kon daar overigens al jaren kennis van nemen: Andrew Lloyd Webbers musical Cats is gebaseerd op een klein, in 1939 voor het eerst uitgegeven boekje van T.S. Eliot, Old Possum’s Book of Practical Cats, en in 1985 vertaalde Gerrit Komrij dat bundeltje kattenverzen in Kobus Kruls Parmantige Kattenboek. De Nederlandse gedichten en hun originelen (typische gevallen van ‘light verse’) naast elkaar leggen is een waar genoegen. Komrijs inventiviteit dwingt respect af: alle katten zijn weliswaar vernederlandst, maar ze hebben hun eigen kattenkarakters behouden.

De Nederlandse Dr. Diavolo is net zo duivels als zijn Engelse tegenhanger Mr. Mistoffellees. Kattekwaad uithalen in het Vondelpark is uiteindelijk hetzelfde als kattekwaad uithalen in Victoria Grove. En hoe Komrij ook heeft moeten schuiven en veranderen om rijm en metrum te handhaven, de Nederlandse gedichten vertellen toch allemaal hetzelfde verhaal als de Engelse.

Komrij met kat. Foto: Liesbeth Koenen

Om over de Cats-vertaling en vertalen in het algemeen te praten, verhuizen we van de tuin naar het koele huis. Het bier blijft rijkelijk vloeien intussen en nog nooit eerder heeft het me zo gespeten dat het onmogelijk is iemands stemgeluid op papier vast te leggen: in dat van Komrij klinkt ook ‘live’ de sardonische en bijtende toon door die de lezers van zijn werk wel kennen. Wie Komrijs stem een keer gehoord heeft, vergeet die nooit meer, evenmin als zijn lach: een malicieuze, bijzonder aanstekelijke gniffel.

Waarmee overigens niet gezegd is dat hij niet serieus over vertalen wil praten. Hij heeft er een rijke ervaring in: proza, poëzie, toneelstukken, oud-Grieks, nieuw-Grieks, Latijn, Engels, Frans, Duits, alles heeft hij vertaald. Van Poggio de Florentijn tot Shakespeare, Oscar Wilde en Salvador Dali. Maar erg positief heeft hij zich er nooit over uitgelaten: een vertaler blijft altijd minder dan een schrijver en daarnaast betaalt het schandalig slecht, is kortgezegd zijn steeds terugkerende commentaar.

“Ach,” relativeert hij dat laatste punt nu, “zodra het beter betaalt, stort elke werkeloze tandartsvrouw van Nederland zich erop. Het is een nobel vak, maar voor een schrijver is het natuurlijk het werk dat je op de Place du Tertre verkoopt: het havenlandschapje omdat er brood op de plank moet zijn voor vrouw en kinderen. Het is geen substituut voor literair werk: het is proberen degene die het geschreven heeft zoveel mogelijk recht te doen. Je hebt alleen met de auteur te maken, en niet met collega-vertalers. Of met mensen op de universiteit. Die weten tegenwoordig ineens zoveel van vertalen, het schijnt een leerbaar vak geworden te zijn.”

 Kun je vertalen niet leren dan?

“Als je niet kunt vertalen dan kun je het niet, maar je kan de mensen die het kunnen waarschijnlijk wel leren veelvoorkomende stommiteiten te vermijden. Maar dan nog, als je dat moet leren… Stommiteiten vermijden kun je ook gewoon door argwaan, intuïtie en voorzichtigheid, die allemaal bij vertalen horen. Om nou statistisch veelvoorkomende fouten bij elkaar te zetten en daar een vertaalvak van te maken, een vertaalwetenschap zelfs, dat is onzinnig. Bovendien: iedere goede vertaler die de auteur zoveel mogelijk recht probeert te doen heeft recht op stommiteiten. In elke vertaling hóórt een mooie stommiteit te zitten. Dat is hetzelfde als de Mohammedanen die in ieder Perzisch tapijt één steek laten vallen, omdat alleen Allah volmaakt is. Auteurs laten zelf ook zoveel steken vallen.”

“Een vertaling onder de loep leggen en daar kritiek op hebben is echt het allergemakkelijkste dat er is. Niet alleen omdat er verschillende opvattingen bestaan, maar ook vanwege het reusachtige aantal woorden dat ermee gepaard gaat, het enorm arbeidsintensieve van het werk én het economische feit dat je niet zoals op vertaalinstituten 30 jaar met een werkgroep aan één bladzijde kan werken. Het moet een keer af zijn, want je werkt onder tijdsdruk. Niet zozeer van uitgevers of theatergezelschappen, maar van de eindigheid van je leven. Binnen die tijd en de mogelijkheden die je hebt doe je je uiterste best. En dat is denk ik vooral afhankelijk van talent, maar ook talent laat wel eens een steekje vallen.”

“Het blijft toch altijd nederig werk. Ik vind dat mensen er doorgaans veel te pedant over doen. In Nederland zijn vertalers dikwijls al een beetje gepikeerd wanneer hun naam op de titelpagina niet groter geschreven staat dan die van de auteur. Eigenlijk hoort hun naam kleintjes achterin vermeld te worden in minuscuul corps. Het is een dienst waarvoor je betaald krijgt en geen kunst. Dikwijls zijn het natuurlijk ook gemankeerde schrijvers.”

“Maar ja, het gebeurt wel vaker dat juist de mensen van laten we zeggen ‘de mindere kunsten’ zich het dikst maken: fotografen, ‘designers’, modeontwerpers, die moeten ook met hun neus overal vooraan staan. Begrijp me goed: ik praat hier niet denigrerend over het vak vertalen, ik praat denigrerend over vertalers die menen aan dat vak kapsones te mogen ontlenen. Het is het meest ondankbare, het moeilijkste en misschien ook wel het interessantste werk dat er bestaat.”

Maar toch bent u voor kleine lettertjes, en hoe zit het dan met die slechte betaling?

“Ach, ik druk me wel eens meer overdreven uit en schiet dan door naar het andere uiterste. Zo’n naam moet natuurlijk in normale letters, en je moet er ook normaal voor beloond worden. Kijk, nu staat er hier twee meter vertaling op de boekenplank, ik weet niet hoeveel honderdduizend manuren, en als je daarover gaat nadenken begint al die tijd je toch bitter te spijten. De meeste van die boeken heb ik vertaald in een tijd dat je er nagenoeg niets voor betaald kreeg. Ik herinner me dat ik 800 gulden kreeg voor zo’n vertaling uit het Grieks, en daar was ik dan vijf, zes maanden mee bezig. Ik heb er indertijd grote correspondenties over gevoerd en ruzie over gemaakt. Ik ben heel lang bezig geweest te vechten voor een betere beloning voor vertalers en ik denk dat ik er meer aan gedaan heb dan die hele Vereniging van Letterkundigen die toen met de eer is gaan strijken. Maar goddank ben ik geen lid van die vereniging.”

Vertaalt u graag? Het eerste dat er van u verscheen was een vertaling.

“Maar natuurlijk schreef ik op mijn achtste al mooie gedichten! Toen in 1968 mijn debuut bij de Arbeiderspers zou verschijnen, destijds nog zeer vreemde poëzie, was dat blijkbaar zo briljant dat het ook een bijpassende dichter had, namelijk arm, ondervoed en zo sjofel en schamel dat de uitgever dacht: dat magere scharminkel geven we wat te vertalen. Opdat ik niet helemaal door mijn knieën zou zakken.”

“Die vertaling is toen eerder verschenen dan mijn debuut omdat ze daar helemaal niets in zagen. Nu heb ik school gemaakt, ja, maar ik ben de enige Nederlandse schrijver met een school die toch eenzaam is. Daar staat weer veel tegenover. Je ziet mij hier niet in sombere buien van ontevredenheid vervallen.”

“Ik ben gewoon een schrijver die omdat hij onafhankelijk was en thuis wilde werken vanaf zijn achttiende veel heeft moeten vertalen om in het culturele klimaat van Nederland althans nog een boterham te hebben.”

“Ik doe het steeds minder, en dan het liefst wat kleinere dingen waarvan je eind ook een keer ziet. Als je een hele roman vertaalt mag je al blij zijn wanneer je op pagina veertig niet al over de auteur denkt: nou ken ik je wel maatje, nou heb ik alle trucjes en vervelende dingen wel door. Op tweederde van een boek ben je er vaak kotsmisselijk van en dan moet je het toch nog afmaken.”

“Nee, ik hou meer van kleine maar wel moeilijke dingen die iets legpuzzelachtigs hebben. Maar op een gegeven moment moet je beslissen dat je daar maar een bepaalde tijd van het jaar aan wilt besteden. Ik doe toch altijd ondankbare dingen die geen hond wil hebben. Als vertaler denk je: alsjeblieft geef mij maar een boek dat ook nog eens een herdruk beleeft, waar royalty’s van binnen komen.”

Door Cats brengt uw vertaling van Eliot toch wel wat op?

“Aan de weduwe Eliot ja. Nee, het is natuurlijk heel aardig dat die vertaling die er al was nu voor de musical gebruikt wordt. Zeker wanneer je zoals ik geen best-seller auteur bent, is het een geweldige sensatie geld binnen te zien komen voor iets dat je al gedaan hebt. Al is het maar f 3,75.”

Waarom hebt u indertijd dat boekje vertaald?

“Ja, waarom doe je zoiets? Omdat je katten hebt. Dat boekje ken je, en het is enig, maar je kunt het je nauwelijks in het Nederlands voorstellen. En als jij dat dan doet, dan is het er wel. Een boek vertalen doe je ook omdat het nu eenmaal bestaat en het leuk is het in het Nederlands te hebben. Bovendien is Eliots boekje er zo een waarvan je bang bent dat een ander eraan begint, omdat je denkt dat jij dat alleen maar kan. Maar het blijft een gok of dat lukt of niet.”

Vindt u dat het gelukt is?

“Ik denk dat het het beste is wat ik kan doen. Ik had besloten om de gedichten te vernederlandsen omdat er in Eliots versie zoveel Engelse dingen en toestanden zitten. Je kunt rustig aannemen dat wie daar iets van begrijpt, ook Engels kan lezen. Over sommige van die gedichten ben ik erg tevreden, over Lorrenjopie en Scharrelnelis bijvoorbeeld, die altijd samen op rooftocht zijn en het Vondelpark als uitvalsbasis gebruiken.”

“En zeer tevreden ben ik over Ghiselbert Smit, de residentiekat. Een Haagse dandy en een lekkerbek: ‘de forellen zijn blauwer bij oesterbar Sauer’, ‘voor een sappige lende stapt hij naar Des Indes’. Helaas is die in de musical voor de helft weggevallen.”

“Ze zijn natuurlijk niet allemaal even geslaagd, maar dat kun je ook zeggen van die gedichten van Eliot.”

U bent zelf een kattenliefhebber. Wat is nou van die pakweg tien verschillende katten uw favoriet?

“Ik denk… Van Zonderen. Ja, dat denk ik. De Napoleon van het Kwaad, die ínbraaf lijkt maar voortdurend iets aan het uitbroeden is, en als het kwaad geschied is, is hij weg. Waarom Van Zonderen? Tja, ik dacht dat we het over vertalen zouden hebben, niet over gewetensonderzoek.”

Hoe komt u nu op zo’n naam Van Zonderen?

“Hij heet in het Engels Macavity, cavity is een holte, een niet-aanwezig zijn, en mac is van natuurlijk. Van Zonderen. Dat is toch een prachtige naam? Bovendien heb je één beklemtoonde en drie onbeklemtoonde lettergrepen nodig. Daar zijn er honderden van, daar alleen doe je al dagen over. Ik denk dat ik met ieder van die gedichten wel een paar weken bezig ben geweest, zonder er iets anders naast te doen.”

“Ach, de leukste namen werken dan weer niet, en soms moet je als je al een hele tijd bezig bent alles toch weer veranderen om de een of andere woordspeling te kunnen handhaven. Of je hebt eigenlijk een leukere naam, maar die lijkt dan weer niet op het origineel. Niet dat ik bang ben voor Mr. Eliot, maar het moet toch allemaal passen binnen de grote megafoon die de auteur achter je hersenpan houdt. Hij leest altijd over je schouder mee.”

“Vertalen is soms een soort exacte wetenschap: je moet met een enorme snelheid duizenden mogelijkheden kunnen verwerken in je hoofd. Dingen verwerpen, ze laten hangen in je hoofd, zeven. Snelheid is een essentiële voorwaarde voor vertalen. Hetzelfde geldt trouwens bij het schrijven van gedichten.”

 

Over de aanpassingen die de musical-versie van de gedichten vergde had ik in Nederland al het een en ander gehoord van de producent Hubert Atjak (tevens adjunct-directeur van Carré) en van muzikaal leider Paul Morris. Er zijn alleen kleine dingen veranderd. Omdat er zo snel gezongen wordt bijvoorbeeld is ‘oogst je applaus’ nu ‘krijg je applaus’ geworden aangezien je dat vlugger je mond uit krijgt.

De choreografie van de Nederlandse versie is exact gelijk aan die van de Engelse. Dat betekende dat sommige teksten niet meer synchroon liepen met de acties op het toneel, omdat Komrij uit metrum- of rijmdwang wel eens paar zinnen had omgegooid. Er is dus een lange lijst kleine verschillen tussen de boek- en de musicalteksten, maar er is niets essentieels veranderd.

Morris sprak wel vol bewondering over de samenwerking met Komrij: “Hij is zo slim. Dan zegt hij bijvoorbeeld: geef me vijf minuten. En dan zie je hem nadenken en dan zegt hij: nee, ik ben ieder woord afgegaan, maar daar is niets anders voor. Of: morgenochtend weet ik het. En dat is dan ook zo. Hij is geweldig.”

Komrij zelf is bijzonder te spreken over het feit dat hij voor iedere komma geraadpleegd is (“Zo hoort het natuurlijk ook te zijn, maar pas als het zo gaat, besef je hoezeer dat soort dingen in onbruik geraakt zijn.”) én over het professionalisme waarmee de hele produktie aangepakt is: “Ik heb daar groot respect voor, en het is een geruststellende gedachte dat het land na mijn vertrek toch niet achter me is ingestort.”

Zelf heeft hij de voorstelling – tot zijn spijt – niet kunnen zien, maar hij is wel bij repetities geweest en hij heeft de plaatopname natuurlijk in huis. Dat de musical zo’n succes heeft, maakt hem bijzonder enthousiast, maar: “dan heb je in Nederland alleen weer die absurde situatie ‘dat het op moet houden’. Ik zou zeggen: doorgaan tot ze dood uit de trapeze vallen bij wijze van spreken. Hier had van overheidswege ingegrepen moeten worden, Hare Majesteit had Carré moeten confisqueren! André van Duin kan toch wel eens naar het De la Mar theater? Dat was voor Wim Kan ook goed genoeg.”

Over de adaptaties voor de musical doet hij nogal losjes: een paar dagen zeer genoeglijk klooien over details. En samen zingen. Komrij: “Omdat ik zo van galmen hou, ben ik maar buitenaf gaan wonen.” Sommige musicalteksten zaten echter niet in Old Possum’s Book of Practical Cats, het liedje Memory bijvoorbeeld, de eerste tophit die Komrij ooit vertaalde. Een makkie, naar zijn zeggen: “Het gevalletje telt zes regels. Daar heeft de regisseur er twee van vertaald, Hubert Atjak heeft er twee gedaan, en ik nog eens twee. Dat zijn niemendalletjes.”

 Volgens Paul Morris was het juist heel lastig. ‘Memory’ kan niet ‘herinnering’ worden, dat is te lang en heeft de verkeerde klanken. Van ‘touch me’ kun je niet ‘raak me aan’ maken. U bent in de vertaling vrij ver afgeweken van het origineel. ‘Memory’ is bijvoorbeeld ‘Maanlicht’ geworden.

“Ja, dat moet. Het gaat om klanken. In zo’n tophit moeten een paar sentimentele kreten op de juiste plaats staan. En je kan ‘touch me’ toch moeilijk door ‘knijp me’ vertalen. Dat is dus ‘streel me’ geworden. Vertalen is zo eenvoudig.”

Kunt u met al die verschillende vertaalervaringen achter de rug iets zeggen over hoe vertalen in zijn werk gaat? Weet u wat er gebeurt in uw hoofd?

“Ik denk dat ik het niet meer zou kunnen als ik wist hoe het in zijn werk ging. Ik weet het niet, ik ben absoluut geen theoreticus. Als ik alles bijgehouden had, de problemen vastgelegd dan zou ik er nu vast heel interessante dingen over weten te zeggen. Maar ik vertaal niet om erachter te komen hoe het in zijn werk gaat. Vertalen is voor mij toch vooral een soort eredienst aan de auteur. “

“De ene taal is ook niet gemakkelijker dan de andere. Het hangt helemaal van het boek af. Pas als je weet wat je gaat vertalen, kun je je voorbereiden, er dingen omheen lezen. En ik gebruik bij het vertalen alles wat los en vast zit: woordenboeken, vaak specialistische, rijmwoordenboeken, wat dan ook. En als het oude teksten zijn, kun je leunen op het graafwerk dat anderen, filologen bijvoorbeeld, al gedaan hebben. Ik vertaal liever wat oudere teksten, omdat je dan archeologie kunt bedrijven. Voor een moderne roman zou je op reis moeten, en allerlei mensen raadplegen.”

“De week nadat een vertaling af is kan ik er wel heel veel over zeggen, maar dat zakt weer weg. Ach, je weet dat je liefdes hebt gehad, maar waarom het verkeerd ging dat weet je toch ook niet meer? Alle details van ruzies? Ik vergeet altijd alles meteen weer, ik ben ook absoluut niet gevoelig voor sentimentaliteit over het verleden.”

Nog eens Komrij met eigen kat. Foto: Liesbeth Koenen

Aan het eind van de musical, als alle katten de revue gepasseerd zijn, wordt er eentje uitverkoren om naar de kattehemel te gaan. Terwijl die op een grote autoband de lucht in gevoerd wordt zong de rest oorspronkelijk ‘Hoog hoog hoog langs het Amstelhotel’, maar daar moest het publiek zo om lachen dat het Amstelhotel veranderd is in het Pallashotel.

“Ja, dat Amstelhotel was realisme: je zou als je die kant uit zweefde inderdaad langs het Amstelhotel komen. Realisme kan niet op het toneel, dan zegt het publiek ‘ha, ha, betrapt!’. Het moest dus een fantasienaam worden of een hotel dat heel ver weg ligt.”

“Ik ben hier dagen heerlijk bezig geweest om een mooie hotelnaam te bedenken. Ik ken alle mooie hotels van Europa en net als iedereen heb ik overal het briefpapier en de enveloppen meegenomen. Die heb ik allemaal doorgelopen, en uiteindelijk ben ik toch bij een heel eenvoudige naam blijven steken. Eentje die ik in het begin ook al had, maar het was leuk om me dagenlang met de magie van hotelnamen bezig te houden.”

Er is wel gezegd dat de vertaling te moeilijk zou zijn. En een bijna unanieme klacht in de recensies was dat de teksten zo onverstaanbaar waren.

“Ik weet niet precies waar dat aan ligt. Het zijn geen eenvoudige gedichten, het is literair werk. Ik denk dat ook in de Engelse versie de gemiddelde bezoeker vrijwel alles zal ontgaan. Dat is de moeilijkheidsgraad van de teksten. Maar als ik de plaat hoor, denk ik vaak wel: als je dat nou een fractie van een seconde had vastgehouden, als je dat accent nu net ietsje anders had gelegd, dan was het wél te verstaan geweest. Vooral voor buitenlanders die in een andere taal moeten zingen zijn dat soort subtiliteiten heel moeilijk. Dan is het dus geen kwestie van taal maar een kwestie van het strottehoofd.”

“Maar ik moet er wel op wijzen dat ik 300 opera’s gezien heb, en 300 keer de tekst niet gehoord heb. De laatste zangeres van wie ik woord-voor-woord heb kunnen verstaan wat ze zong, was Barbara Streisand. En die hoop ik nooit meer te horen. Ach, het is toch leuk te weten dat omdat jij dat beslist hebt, de mond van de acteur op een gegeven moment een o-vorm moet aannemen. Bovendien zijn er tekstboekjes, dat schept de ruimte om naar de boekhandel te lopen om het betreffende boekje aan te schaffen en nog eens na te genieten.”

“En over die moeilijke woorden: er wordt me in het algemeen verweten dat ik wel eens een woord gebruik dat niet iedereen kent. Ik begrijp nooit hoe iemand het lef heeft dat te zeggen, dat is toch gênant? Maar de woorden in Cats zijn niet mijn moeilijke woorden, het zijn Mr. Eliots moeilijke woorden. En Eliot is ook niet altijd even leuk.”

“Ik begrijp bijvoorbeeld absoluut niet wat hij nou met die spoorwegkat moest, daar vind ik niks aan. De verleiding om te ver van het origineel af te wijken is dan wel eens groot, maar je mag eigenlijk niet meer mooie vondsten gebruiken dan er in de oorspronkelijke tekst staan. Maar die kunnen wel eens ergens anders terecht komen, je compenseert iets dat verloren moet gaan elders.”

“Alles bij elkaar ben ik wel tevreden ja. Ik heb hier veel tijd in gestopt. Het duurt nog een héél lang voordat iemand deze vertaling verbetert.”

 

Het is zondag, dus het personeel heeft vrij. De gastheren worden er niet minder gastvrij van: we gaan uit eten en ik moet de mooiste wijn van Portugal proeven. Op de terugweg in de oude Zephir zingt Komrij zuiver en luidkeels Memory. In het Engels.

Komrij voor zijn Zephir. Foto: Liesbeth Koenen

Achtergrondnoot: toen Carré een eeuw bestond, in 1987, kwamen ze daar met een Nederlandse versie van de musical Cats, waarin de kattengedichten van T.S. Eliot gezongen en gespeeld worden. Toevallig bestond daar al een Nederlandse vertaling van, van Gerrit Komrij, en die zou ook gebruikt gaan worden.

Goeie aanleiding om met hem te gaan praten. Dat vond ook K.L. Poll, indertijd baas van het Cultureel Supplement van de NRC, toen ik het hem voorstelde. Alleen moest dan wel een redacteur het gaan doen, niet ik, meende hij, en stal schaamteloos mijn idee.

Niet voor een gat te vangen, stapte ik met mijn voorstel naar Vrij Nederland, maar ai, daar moest indertijd nog wekenlang democratisch overlegd worden over of ik wel helemaal naar Portugal mocht. Toen de ja-stemmen in de meerderheid bleken, was het te laat. Komrij was niet enthousiast geworden van het telefoontje van de NRC-redacteur, en had ook in mij geen zin.

Een jaar later kwam het allemaal helemaal goed. Er ging een nieuwe serie Cats van start, en ik toog alsnog naar Portugal. Bovenstaand gesprek vond plaats op 7 augustus 1988. Na een indrukwekkende hoeveelheid bier. Het ging goed. Toen mocht ik blijven slapen. Gelukkig. Want de reis vanuit Porto per taxi was die ochtend nogal lang geweest. Nog altijd kan ik Terence Trent d’Arby niet horen zonder aan die avond te denken (Sign your name across my heart…).

Het interview is ook verschenen in de twee edities van ‘Het vermogen te verlangen (9 letters), gesprekken over taal en het menselijk brein’.

Intussen leek Cats onuitroeibaar. Op 7 oktober 2006 ging de musical nog weer eens in première. Opnieuw met de teksten van Komrij. Raar, en ook echt erg dat hij er niet meer is.

Een modern wolvekind

Bij zijn zelfmoord liet Genies vader een paar briefjes achter. Eentje was bedoeld voor zijn zoon en bevatte vooral instructies over overhemden en schoon ondergoed. Het andere was voor de politie. “De wereld zal het nooit begrijpen,” had Clark, naar waarheid, geschreven. Clark was 70 toen hij op 20 november 1970 een deken en een stuk plastic op de grond uitspreidde en zich door zijn rechterslaap schoot. Op dat moment bevond zijn twintig jaar jongere echtgenote Irene zich in de rechtbank. Clark werd daar eigenlijk ook verwacht, want beide ouders waren aangeklaagd voor zware mishandeling van hun dochter Genie.

Een paar weken eerder was het allemaal voor het eerst in de openbaarheid gekomen. Irene was per ongeluk de Sociale Dienst in Los Angeles binnen komen wandelen, op zoek naar het bureau voor blindenondersteuning, omdat ze bijna niets meer zag. Aan haar ene arm voerde ze haar ook al bijna blinde moeder mee, aan de andere Genie. Het moet een onvergetelijk gezicht geweest zijn. De eerste maatschappelijk werkster die Genie zag, dacht dat het een autistisch kind van een jaar of zes, zeven was. Maar toen Genie die dag stilletjes binnen kwam hinken, met die houding die aan een konijntje deed denken, handen voor zich, vingers naar beneden hangend, alsof ze een denkbeeldige railing vasthield, was ze ruim dertien en een half. En ze was bepaald niet autistisch.

Al gauw werd duidelijk dat Genies uiterlijk en haar gedrag alles te maken hadden met haar leven tot dan toe. Of leven? Ze had vrijwel altijd opgesloten gezeten in een klein slaapkamertje. Afgezien van een enkel zachtgekookt ei had ze uitsluitend babyvoedsel te eten gehad, als ze tenminste al eten kreeg, en niet gewoon vergeten werd. In het kamertje stond bijna niks. Een kast, een kinderbed met kippegaas en een po-stoeltje. Haar vader had zelf een soort keurslijf genaaid waarmee Genie aan de po-stoel werd vastgebonden. In dat keurslijf kon ze alleen haar handen en voeten en haar vingers en tenen bewegen. Zo bracht ze het grootste deel van haar tijd door. De ramen waren dichtgeplakt. Alleen bovenaan was een smalle reep waar licht door kon vrijgelaten. Aan het plafond hing een zwak peertje. Soms kreeg Genie een oude tv-gids of een leeg doosje om mee spelen.

Er viel dus niet veel te zien voor Genie, noch te proeven, ruiken of voelen. Maar het ergste was misschien wel dat er ook niets te horen viel. Niemand praatte tegen haar. Het enige wat ze soms aan taal opving was het getier en gevloek van haar vader als hij kwaad was. Een radio of televisie was er niet. Als Genie huilde of anderszins geluid maakte omdat ze honger had, of pijn, dan kwam haar vader binnen om haar te slaan met een stok die altijd klaarstond. Of hij ging staan grommen en blaffen als een hond, vaak buiten haar deur. Clark kon niet tegen lawaai. Daarom had hij eigenlijk ook geen kinderen gewild.

Maar hij kreeg ze toch, zij het dat de eerste pas na vijf jaar kwam. Die werd niet ouder dan twee en een halve maand. Haar gehuil maakte Clark zo woest dat hij haar in de garage zette. Daar stierf ze aan wat ‘vliegende longontsteking’ genoemd werd. Het zoontje dat daarna kwam overleefde zijn vroegste kindertijd wel, maar was heel traag in zijn ontwikkeling, waarschijnlijk doordat hij verwaarloosd werd. Het schijnt dat zijn oma, Clarks moeder, hem min of meer redde door hem een tijdje in huis te nemen.

Maar op een dag werd oma geschept door de auto van een dronken tiener. Haar dood was het begin van Genies nachtmerrie. Ze was twintig maanden oud toen het gezin verhuisde naar het huis in Temple City in Californië waar de grootmoeder gewoond had. Op de stille Golden West Avenue begonnen Genies jaren van eenzame opsluiting in het slaapkamertje. Clark kwam nooit over het verlies van zijn moeder heen. En toen duidelijk werd dat de jongen die haar dood op zijn geweten had alleen een proeftijd kreeg, besloot hij dat hij niets meer met die afschuwelijke buitenwereld te maken wilde hebben. Zijn zieke geest dacht bovendien dat hij Genie moest beschermen tegen de wereld die niets te bieden had. Clark was er van overtuigd dat zijn dochter zwaar geestelijk gehandicapt was, en nooit ouder dan twaalf zou worden. Dat ze die leeftijd toch haalde mag inderdaad een wonder heten.

Irene heeft altijd beweerd dat haar leven ophield op de dag dat ze trouwde. Clark mishandelde haar ook, en in feite was ze zijn gevangene. Ze mocht zelfs haar ouders die vlakbij woonden niet opzoeken, en ze was te blind om een telefoonnummer te draaien, vertelde ze later. Tot ze op een dag, toen het gezin al bijna twaalf jaar in het kleine huisje woonde, eindelijk de moed vond in opstand te komen tegen Clark. Na een verschrikkelijke ruzie vertrok Irene naar haar ouders en ze nam Genie mee. Waarom het toen nog weken duurde voordat er hulp gezocht werd weet niemand. En het was nota bene niet eens voor Genie.

Nadat de sociale dienst de politie gebeld had werden de ouders gearresteerd, maar door Clarks zelfmoord kwam het nooit tot een rechtzaak. Irene werd meteen vrijgesproken omdat ze zelf als een slachtoffer werd gezien. De zoon ging naar een pleeggezin, en zou later op het criminele pad raken.

Genie werd naar het Kinderziekenhuis van Los Angeles gebracht, in eerste instantie omdat ze zwaar ondervoed was – ze woog zevenentwintig kilo en was maar een meter dertig lang – maar er was natuurlijk veel meer met haar mis. Zo kon ze haar ogen maar tot op een afstand van ongeveer vier meter scherpstellen, groter was haar wereld nooit geweest. Haar armen en benen helemaal strekken lukte niet. Ze was ook niet zindelijk, en op haar billen had ze een dikke laag eelt en verkleuringen in de vorm van het gat van de po-stoel. Ze had nooit geleerd haar eten te kauwen en kwijlde aan een stuk door. Ook masturbeerde ze waar en wanneer het haar uitkwam, en dat was overal en vaak. Verder leek ze geen verschil te zien tussen mensen en dingen. Ze reageerde niet op mensen en keek ze niet aan.

En ze praatte niet. Meestal maakte ze zelfs geen enkel geluid. Wel had ze vreselijke driftaanvallen. Ze spuugde, snikte, snoof en krabde haar gezicht open, allemaal zonder een kik te geven. Het enige wat ze haar in het ziekenhuis in het begin ooit hoorden zeggen was ‘Houwop’ en ‘Nietmeer’ en nog een paar korte ontkenningen. Meestal had ze het dan tegen zichzelf.
Maar ze leek wel een handjevol andere woorden te begrijpen. ‘Konijntje’, ‘moeder’ en ‘lopen’ bijvoorbeeld. Waarschijnlijk was ze net begonnen haar eerste woordjes te zeggen toen ze werd opgesloten en veroordeeld tot stilte. Nu, twaalf jaar later, werd er eindelijk tegen haar gepraat.

Eerst alleen door de ziekenhuismedewerkers, maar al snel stond er een stoet geïnteresseerde wetenschappers uit allerlei disciplines klaar. Genie was een uniek geval. Een soort modern wolvekind. Allerlei mensen wilden haar sociale, emotionele, intellectuele, en fysieke ontwikkelingen volgen. Zouden die er zijn? Kon iemand die zo gruwelijk verwaarloosd was, en in veel opzichten op het niveau van een baby was blijven steken, de ontwikkeling nog inhalen? En wie mocht Genie gaan volgen? Vrij snel werd besloten dat haar taalontwikkeling het belangrijkste onderzoeksobject zou worden.

Het noodlot had op een bijzonder moment voor een volstrekt onaanvaardbaar experiment gezorgd. Toen Genie gevonden werd was er binnen de taalkunde een hevige discussie gaande over het taalvermogen van de mens. Noam Chomsky had het vak in een stroomversnelling gebracht met zijn ideeën over de aangeborenheid van dat vermogen. Van hem kwam de hypothese dat we ter wereld komen met allemaal dezelfde ‘blauwdruk’ in ons hoofd. De taal van de omgeving, die elk kind vanzelf leert, vult die blauwdruk als het ware in.

Maar de neurobioloog Eric Lenneberg had niet lang daarvoor extra stof tot nadenken geleverd. Zijn boek The biological foundation of language was in 1967 uitgekomen. Op basis van onder meer onderzoek met kinderen die hersenbeschadigingen hadden opgelopen, concludeerde hij daarin dat er voor taal zoiets als een ‘kritische periode’ moest zijn: wanneer een kind zich niet voor zijn puberteit een moedertaal eigen maakte, dan lukte het niet meer. En eigen maken betekent: eraan blootgesteld worden.

Nu was de kritieke periode een bekend verschijnsel in de biologie. Zo leren katten bijvoorbeeld nooit meer goed met twee ogen kijken als je in de eerste paar maanden van hun leven één oog dichtplakt. Hun hersens kunnen zich dan kennelijk niet normaal ontwikkelen: zulke poezen blijken een sterk afwijkende visuele cortex te hebben. En dat is echt afhankelijk van die specifieke periode. Want plak je daarna een oog dicht, dan verandert er, ook als het lang duurt, niets aan hun gezichtsvermogen. De natuur kent talloze kritieke periodes, maar niemand had het begrip ooit met taalontwikkeling in verband gebracht. Lennebergs boek maakte indruk. Zijn bewijsmateriaal is ook vandaag nog overtuigend, maar een experiment dat het ultieme bewijs kon leveren: een kind tot zijn puberteit in een taalloze omgeving laten opgroeien, was natuurlijk onuitvoerbaar.

Zou Genie Lennebergs gelijk bewijzen? Het was de taalkundestudent Susan Curtiss die dat ging onderzoeken. Ze bracht een onwaarschijnlijke hoeveelheid tijd met Genie door. Ze maakten uitjes, Curtiss speelde piano voor haar, en natuurlijk nam ze dingen op en maakte ze aantekeningen van wat Genie zei. Tests moest ze zelf ontwikkelen: met wat er was kon ze niets beginnen in het geval van Genie. Curtiss schreef het allemaal op in haar proefschrift.

Taal horen, toegesproken worden had namelijk wel degelijk effect op Genie. Vlak nadat ze in het ziekenhuis was opgenomen begon ze al te reageren, en leek ze regelmatig te begrijpen wat er tegen haar gezegd werd. Ze was zelf ook begonnen met praten, ook al was het dikwijls onverstaanbaar.

Maar Lennebergs leek het toch in ieder geval deels bij het rechte eind gehad te hebben. Genies taalontwikkeling was verre van normaal. Met vrijwel iedere onderdeel was er iets mis, en dat bleef ook zo. Zo gebruikte ze bijvoorbeeld vrijwel geen intonatie, en sprak met een heel hoog stemgeluid. De uitspraak van woorden was een groot probleem. Ze liet klanken weg: ‘soep’ werd ‘soe’, ‘Steve’ werd ‘Teve’. Er verdwenen ook hele lettergrepen, ‘another’ (een andere) kwam eruit als ‘noth’, ‘refrigirator’ (ijskast) werd ‘frid’. Andersom voegde ze vaak klanken toe, vooral klinkers, om de uitspraak te vergemakkelijken: ‘stove’ (fornuis) werd dan zoiets als ‘setove’. Nu gaan kinderen bij hun spraakontwikkeling allemaal door een soortgelijke fase heen, maar Genie kwam er niet voorbij.

Wel leerde ze eindeloos veel nieuwe woorden. Die aan elkaar rijgen was het probleem. Ze bleef op z’n best in telegramstijl praten. Meestal sprak ze maar een of twee woorden tegelijk. Als je haar bijvoorbeeld vroeg ‘Waar was je vandaag’ dan antwoordde ze ‘Grote gymzaal’. Zelfs na jaren zei ze nog ‘Niet spugen bus’ als ze bedoelde ‘ik heb vandaag niet gespuugd in de bus’. Werkwoordsverbuigingen, meervouden, het verschil tussen ‘jij’ en ‘ik’ en ‘jouw’ en ‘mijn’ bleven een groot probleem. Tegen haar zeggen dat ze in zinnen moest praten of vraagwoorden moest gebruiken, leek haar alleen maar in de war te brengen. Pas toen die instructies niet meer gegeven werden hield Genie op woordsalade uit te brengen als ‘ik waar Graham cracker’.

Tot voor kort was het proefschrift van Curtiss het enige – naast indertijd een paar sensatiestukken in de krant – wat de buitenwereld over Genie te horen kreeg. Maar vorig jaar verscheen er een boek over haar, van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Russ Rymer. Vanaf volgende week is ook de Nederlandse (jammer genoeg iets te letterlijke en houterige) vertaling, Genie, een mishandeld kind ontvlucht de stilte, verkrijgbaar.

Rymer heeft met zo ongeveer iedereen gesproken die bij Genie betrokken is geweest nadat ze gevonden werd. Het BBC wetenschapsprogramma Horizon (in samenwerking met hun Amerikaanse tegenhanger Nova) deed dat nog eens dunnetjes over, en haalde bovendien een grote hoeveelheid filmmateriaal boven tafel. Afgelopen maandag werd het resultaat uitgezonden: beelden van een knap tenger meisje, met een hartveroverende glimlach. Voor wie dat gemist heeft: zaterdagmiddag wordt het programma herhaald.

Zowel het boek als de aflevering van Horizon laten je in verbijstering achter. Het leven van Genie is een lange aaneenschakeling van tragische misverstanden en menselijk onvermogen. En de tragiek hield niet op toen ze gevonden werd. Al na een half jaar kwam ze met een smoesje tijdelijk in huis bij Jeane Butler, een hulpverleenster van het ziekenhuis, die openlijk verkondigde dat dit meisje haar wereldberoemd zou gaan maken. Haar poging officieel Genies pleegmoeder te worden strandde, onder andere omdat ze onderzoekers (waaronder Susan Curtiss) de toegang tot haar huis ontzegde. Ze beschuldigde de wetenschappers ervan Genie te misbruiken: ze kreeg geen rust omdat ze aldoor allerlei tests moest doen. Waarschijnlijk wilde ze Genie vooral voor zichzelf houden.

De leider van het onderzoeksteam dat zich met Genie bezighield was de psycholoog David Rigler. Hij en zijn vrouw besloten haar in huis te nemen. Ze bleef er vier jaar, de jaren die Curtiss beschrijft in haar proefschrift, en die er op de film heel gelukkig uitzien. Maar wat er daarna gebeurde is feitelijk onvoorstelbaar. In 1975 kregen de Riglers geen onderzoeksgeld meer, vooral omdat ze geen duidelijk onderzoeksprogramma hadden. Inderdaad hebben ze nooit iets over Genie gepubliceerd. De Riglers, die nooit van plan waren geweest Genie voorgoed te houden lieten haar gaan. Waarheen? Terug naar haar moeder (die inmiddels door een operatie weer kon zien), en terug naar het huis waar ze al die jaren gevangen had gezeten.

Het werd geen succes, om het zacht uit te drukken. Genie kwam terecht in het ene pleeggezin na het andere. En het ene na het andere mishandelde en misbruikte haar. Een grote terugval was het resultaat. Stuitend is het verhaal over het eerste pleeggezin. Daar werd ze geslagen omdat ze een paar keer overgegeven had. Het gevolg was dat Genie letterlijk haar mond niet meer open durfde te doen.

Ze hield op met praten, en vertelde het verhaal met het beetje gebarentaal dat ze gelukkig ook geleerd had aan de Riglers, nadat ze teruggehaald was naar het ziekenhuis (de scène is in Horizon te zien). Maar daarna ging de pleeggezinnenellende gewoon door. Rymers boek eindigt met de beschrijving van een Genie die er nu inderdaad zwaar achterlijk uitziet, niet meer praat en in een tehuis voor geestelijk gehandicapten woont.

Genies moeder verbiedt het de onderzoekers van indertijd al meer dan tien jaar om haar dochter te zien. Waarschijnlijk onder invloed van Jeane Butler, die inmiddels overleden is, deed ze hen zelfs allemaal een proces aan omdat Genie als proefkonijn gebruikt zou zijn. Een zeer onverkwikkelijke zaak die uiteindelijk geschikt is. In zijn boek probeert Rymer zorgvuldig geen schuldigen aan te wijzen, maar aan de telefoon zegt hij geschokt te zijn geweest door het gedrag van de Riglers. “Meteen nadat het geld ophield stuurden ze haar weg,” zegt hij.

Curtiss denkt daar iets anders over: “Nu ik zelf kinderen heb weet ik hoe zwaar dat is. Voor Genie zorgen was een grote extra belasting,” zegt ze. Haar eigen frustratie zit hem in het feit dat ze indertijd nog maar een student was, en niets kon doen om te voorkomen dat Genie uit het zicht verdween. “Niemand bij officiële instanties zag hoe bijzonder ze was. Ik heb toen veel over macht geleerd,” meldt ze spijtig via de telefoon. Curtiss spreekt met grote liefde en bewondering over Genie: “Ze had zo’n sterke persoonlijkheid, zo veel vechtlust.”

Over het boek van Rymer heeft ze gemengde gevoelens. Ze ziet het als het zoveelste verraad aan Genie dat al die persoonlijke gegevens die ze zelf zorgvuldig verborgen had gehouden nu alsnog op straat liggen. Het is nu zelfs heel gemakkelijk haar echte naam via de Los Angeles Times te achterhalen.

Curtiss verwijt Rymer ook fouten. “Ik heb hier een hele lijst, maar ik wil er niet meer naar kijken omdat ik er alleen maar beroerd van wordt,” vertelt ze. Ook is Rymer naar haar smaak niet diep genoeg in de taalkundewereld binnengedrongen. Daar heeft ze wel een punt: Rymers (overigens vaak iets te bloemrijke) beschrijvingen van het taalkundejargon en wat dies meer zij, zijn soms hilarisch, maar of ze altijd duidelijk maken waar het dat vreemde volkje nu precies om gaat, valt te betwijfelen. Anderzijds vindt ze dat Rymer het in de media heel goed doet, en heeft het boek tot haar vreugde ontwikkelingen in gang gezet waarvan ze voorzichtig hoopt dat die haar weer bij Genie zullen brengen.

Achter haar conclusies van indertijd staat ze nog steeds, en al het onderzoek dat ze sindsdien gedaan heeft bevestigt dat alleen maar. Zo volgde ze jaren een vrouw die ze ‘Chelsea’ noemt en die vergelijkbaar is met Genie, alleen leed ze niet onder emotionele verwaarlozing. Chelsea groeide op in een gewoon gezin waar ze werd aangezien voor achterlijk, maar in feite bleek ze doof te zijn. Ze was al over de dertig toen ze voor het eerst gehoorapparaten kreeg en kon beginnen met taal leren. “Het is hetzelfde patroon,” zegt Curtiss: “nieuwe woorden leren dat lukt, dat kan iedereen trouwens zijn leven lang, maar met de grammatica wordt het niets. Ze kan wat dat betreft zelfs minder dan Genie. Waarschijnlijk omdat ze zo veel ouder was toen ze begon. Ik denk dat die kritieke periode een glijdende schaal is.”

Rymer hoopt Genie binnenkort voor het eerst te ontmoeten. Zijn boek liet open of hij geprobeerd had haar zelf te spreken. “Nee,” zegt hij, “ik heb op een bepaald moment besloten haar via al die anderen te beschrijven.” Nu dat gebeurd is, kan hij zijn nieuwsgierigheid bevredigen. Maar er is nog meer gebeurd. Rymer heeft tot dusver de aanbiedingen zijn boek te verfilmen afgeslagen. “Want dan willen ze toch altijd een held en een boef, en die kun je hier niet aanwijzen, “ legt hij uit. “Bovendien heb je een happy end nodig natuurlijk.” Toch is het end minder unhappy dan je op grond van Rymers boek alleen zou concluderen. Sinds twee jaar woont Genie bij een pleegmoeder die ook drie mongoolse kinderen in huis heeft. Voor het eerst in vele jaren gaat het haar beter: Genie praat weer.

Bedreigd Nederlands

De angsten banen zich een weg naar buiten. Vooral sinds er serieus gepraat wordt over een verenigd Europa, duikt steeds in allerlei gedaanten de vrees op dat onze moedertaal in het samenvoegproces het loodje zal leggen.

Laatst de Tweede Kamer nog. Het eerste geplande debat in de nieuwe zaal ging over de positie van het Nederlands. Die wordt bedreigd vreest men, en dus moeten we in de grondwet vastleggen dat Nederlands de voertaal is in Nederland. Nu is het Nederlands dat al sinds jaar en dag, sterker nog: nooit eerder in geschiedenis hebben zoveel mensen Nederlands gesproken als nu.

Niet alleen doordat er meer inwoners zijn dan vroeger, maar ook doordat er steeds minder dialectsprekers overblijven. En wie wel een dialect spreekt, spreekt daarnaast door onderwijs, kranten, televisie en wat dies meer zij, vrijwel altijd ook de standaardtaal.

Voor Vlaanderen geldt ongeveer hetzelfde: er zijn meer Vlamingen, en die krijgen ook onderwijs en kijken ook televisie, zodat de meesten Standaardvlaams kennen. Dat wijkt in woordenschat (‘je’, ‘ge’ en ‘u’ worden anders gebruikt, ze zeggen ‘proper’ tegen ‘schoon’ en ‘schoon’ tegen ‘mooi’) en grammatica (‘.. voor het eerst zijn mee begonnen’, ‘.. dat het verhaal straks moet gelezen worden’) weliswaar licht af van het Standaardnederlands, maar voor het gemak zeggen we altijd dat die vijf miljoen Vlamingen tot de sprekers van het Nederlands behoren.

Twintig miljoen Nederlandstaligen hebben we dus: dat staat gelijk aan een ruime middenklasser.

Waarom dan die angst dat het Nederlands het zal afleggen? Ik denk dat die berust op een hele serie misverstanden over het verschijnsel taal die, spijtig genoeg, in brede kring een vrijwel onuitroeibaar bestaan leiden. Neem nu bijvoorbeeld het Engels waar het iedereen het over heeft. Dat zou het Nederlands langzaam maar zeker aan het overvleugelen zijn. Is dat zo? Laten we het eens van een paar kanten bekijken. Hoeveel hebben we nu bijvoorbeeld uit het Engels geleend?

Een paar jaar geleden maakten Rik Smits en ik een inventarisatie van de Engelse woorden en uitdrukkingen die je tegenwoordig met een zekere regelmaat in het Nederlands kunt lezen en horen (Peptalk & Pumps, Engels woordgebruik in de Nederlandse taal). Dat boekje bevat ongeveer 3000 leenwoorden, waaronder overigens ook heel oude zoals film, sporten en canvas waarvan bijna niemand zich nog realiseert dat ze uit het Engels komen.

Nu is geen enkel woordenboek compleet, dit ook niet, en sindsdien zijn er nog woorden bijgekomen. Laten we het daarom heel ruim nemen en stellen dat er momenteel 5000 Engelse woorden en uitdrukkingen zijn die je gewoon in het dagelijks leven tegen kunt komen.

Is dat nou veel? De hedendaagse woordenboeken van Van Dale en Koenen bevatten ieder grofweg 100.000 woorden. Vaak zijn dat niet dezelfde woorden, dus daaraan alleen al kun je zien dat ook die woordenboeken niet volledig zijn. Wel kun je aannemen dat iemand met een woordenschat van 100.000 er een fikse algemene ontwikkeling op nahoudt. Voor het rekengemak delen we dat aantal daarom even in tweeën: stel dat de gemiddelde Nederlander 50.000 woorden kent (dat is inclusief de passieve kennis).

Als er daarvan 5000 afkomstig zijn uit het Engels, dan bestaat tien procent van de woordenkennis van Jan en Truus Modaal uit Engelse leenwoorden. Dat is natuurlijk onzin, want in een gemiddelde woordenschat zitten heus niet al die 5000 Engelse woorden.

Maar zelfs als dat wel zo zou zijn, dan nog is het geen dramatisch percentage. Het aardigste onderdeel van het Etymologisch Woordenboek van Van Dale vind ik de naar taal uitgesplitste lijsten met leenwoorden, die achterin het boek staan. Als je die ziet lijkt het wel of we bijna niks ‘van onszelf’ hebben, en zo is het ook. Van de 28.000 woorden die er in dat woordenboek staan zijn er nog geen 10.000 niet geleend, dat wil zeggen: dus afkomstig van de een of andere Germaanse stam.

Absolute topscorers zijn het Frans en het Latijn. En er is niemand meer die bezwaar maakt tegen woorden als accepteren, journaal en omelet (uit het Frans) of idylle, pagina en interrumperen (uit het Latijn), want die woorden zijn ingeburgerd.

Inburgeren is het sleutelwoord. Het drukt ook beter uit wat er gebeurt dan het begrip ‘lenen’. Want als ik iemand een boek leen heb ik het zelf niet meer in huis, en hoop ik in ieder geval dat het weer een keer terugkomt.

Een taal die een woord uitleent raakt zelf dat woord niet kwijt, en krijgt het zelden of nooit meer terug. Wanneer dat laatste wel gebeurt dan kun je goed zien wat inburgeren betekent. Ooit leenden de Fransen het Middelnederlandse woord mannekijn (mannetje, pop), we kregen het terug als mannequin, compleet met Franse tongval. Schrabbelen (krabbelen, schrapen) leenden we uit aan Engeland, en dat kwam terug in de vorm van een spelletje scrabble.

Woorden worden niet zomaar ‘geleend’, ze worden gekneed, er wordt aan getrokken en geduwd tot ze min of meer passen in het systeem van de lenende taal. Daarom zeggen we in Nederland tegen een computer niet kumpjoe:tuh, maar kompjoeter, met een hoorbare r en zonder alle extra lucht en lengte die de Engelsen hun spraakklanken mee weten te geven. Mannequin krijgt nu het terug is in het Nederlands veel minder neusklank mee dan in het Frans, en scrabble heet hier skrebbel.

Hoe gemakkelijker een woord in het Nederlandse klanksysteem is in te passen, des te meer kans heeft het om daadwerkelijk in te burgeren (er zijn natuurlijk meer factoren).

Maar niet alleen de uitspraak wordt aangepast. We maken van een budget rustig twee butgetten, we krijgen telexen binnen en stappen in liften. We gebruiken dus de Nederlandse meervoudsuitgangen, altijd, ook al lijkt dat vaak niet zo (magazines, insiders, credit cards) doordat het Engels net als het Nederlands een meervouds-s kent. Maar het zijn de regels van het Nederlands die bepalen of er –en of een –s achter een geleend zelfstandig naamwoord komt. Net zoals we werkwoorden op de voor ons normale manier vervoegen: ik push, jij managet, hij lobbyt, wij interviewen, jullie kidnappen, zij settelen. De spelling is soms even wennen, maar in de spreektaal valt het niemand op.

En het gaat nog verder: onbewust zien we zelfs het Nederlandse systeem in woorden die van elders komen. Bijna iedereen die Nederlands als moedertaal heeft vindt dat er iets geks is met de woorden floppytje, stickytje en guppytje.

Waarom? Omdat we ook moppie zeggen, en broekie, of we praten over ‘een leuk boompie‘: we kennen die uitgangen pie en kie als een informele of ‘platte’ verkleinvorm. Die nog eens verkleinen is raar, broekietje gaat tegen ons gevoel in, net als guppytje, ook al heten die visjes alleen maar zo omdat ooit een meneer Guppy er een paar vanuit Trinidad naar het British Museum stuurde.

Het Nederlands blijkt dus een grote souplesse aan de dag te leggen als het iets leent. Het doet gewoon of er niks aan de hand is en behandelt nieuwe woorden zoveel mogelijk op dezelfde manier als de rest.

Ik vind het altijd zo jammer dat degenen die bezorgd zijn over het Nederlands geen oog hebben voor de kracht en robuustheid van het taalsysteem. In voorbije eeuwen zijn tienduizenden woorden door dat systeem opgenomen, ingeburgerd geraakt. Maar de meeste mensen zien alleen de leenwoorden die op dit moment een plaatsje aan het bevechten zijn, en de woorden die er na hun jeugd bijgekomen zijn.

Want echt ingeburgerd is een woord pas wanneer er een nieuwe generatie komt die geen herinnering heeft aan de tijd dat een woord nog geen deel uitmaakte van het Nederlands. Een paar generaties geleden werd er nog heftig geprotesteerd tegen horloge en slagroom. Wij zijn grootgeworden met die woorden en kunnen ons dat nauwelijks meer voorstellen. Wat je als kind leert, slik je voor zoete koek. Tenslotte denk je dan van vrijwel alles ‘dat het zo hoort’, dus ook van de woorden die je omgeving gebruikt. En zo begint alles telkens weer van voren af aan: iedereen moet erachter komen dat de wereld niet statisch is, zelfs je moedertaal niet.

Waarom eigenlijk niet? Die vraag is niet een-twee-drie te beantwoorden. Je kunt naar de geschiedenis kijken en eenvoudig constateren dat alle talen voortdurend veranderen. Leentjebuur spelen bijvoorbeeld is overal dagelijkse praktijk. Bestaat er een universele algemeen menselijke behoefte aan variatie in woordgebruik misschien? Dat kan zijn, maar daartegenover staat dat velen (hoevelen eigenlijk?) veranderingen als bedreigend ervaren.

Toch slaat de balans bij alle talen door naar wél lenen en wél nieuwe woorden bedenken. Daar zijn ook zeker redenen voor te geven.

Verreweg de meeste nieuwe woorden (of ze nu geleend worden, of vertaald, of samengesteld uit elementen die we al hadden) komen simpelweg mee met een ding of een idee. Zo kregen we goelasj van de Hongaren, de tjalk van de Friezen en karate van de Japanners. Uit het Engels vertaalden we ondermeer de ‘zorgzame samenleving’ en die eindeloze hoeveelheid combinaties met ‘situatie’ (thuissituatie, schoolsituatie, leefsituatie). ‘Virtuele realiteit’ uit de computerwereld is nog vers, maar gaat het vast maken omdat het werken met een nagebootste werkelijkheid in ontwikkeling is. De politiek leverde ons nieuwvormingen op als ‘reparatiewetgeving’ en ‘meersporenbeleid’.

Nu is het gekke dat er geen enkele weerstand bestaat tegen de pizza of het broodje shoarma, maar vaak wel tegen woorden en uitdrukkingen uit de zachte sector (‘randgroepjongere’, ‘naar jou toe’) en de politiek. Kennelijk heeft niemand per se bezwaar tegen een woord dat er eerst niet was. Men heeft eerder iets tegen het verhullende karakter van die woorden.

Het is alsof er een klein stemmetje binnenin protesteert en roept: ‘ik heb jou wel door’, als er zo’n eufemisme wordt gebruikt.

En toch zijn eufemismen nuttige dingen, waar iedereen wel eens een beroep op doet. De behoefte de boodschap zachtjes aan te laten komen, is een van de oorzaken van het succes van leenwoorden. Die klinken namelijk wat ‘vager’. Hun betekenis ligt nog niet helemaal vast, ze roepen nog niet direct een heel arsenaal aan precieze beelden, bijgedachten en gevoelens op. Woorden die al lang meegaan in een taal doen dat wel. In de Angelsaksische wereld shit, fuck of christ roepen komt dan ook veel harder aan dan datzelfde hier doen.

‘Zachtere’, ‘verhullende’ woorden hebben dus hun voor- en nadelen. Net als geïmporteerde artikelen: sommigen zijn dolgelukkig met de komst van de cheeseburger, de mountainbike en de salad bars, anderen moeten niets hebben van de McDonaldscultuur en die hele health rage met fitnesstrainingen, gejog en gezeur over je cholesterolgehalte.

Ik denk dat de klacht over ‘al dat Engels’ eigenlijk helemaal niets met het Engels te maken heeft. Het is gewoon afkeer van de invloed die (vooral) de Amerikaanse maatschappij op de onze heeft, die Nederlanders laat protesteren tegen Engelse woorden. Ze doen daarmee aan symptoombestrijding, een methode die de kwaal zoals bekend niet geneest.

Maar we hebben nóg ergens nieuwe woorden voor nodig. De mens is een groepsdier en lijdt aan groepsgedrag. Om de (overigens wel altijd vage) grenzen tussen die groepen te bepalen, grijpen we naar het middel ‘afwijkend gedrag’: je kunt aan ons zien en horen van welke groep we deel uitmaken. We proberen ons onder meer net zo te kleden en uit te drukken als de groep of het groepje doet, waar we bij willen horen. Onder professoren klinkt daarom het jargon van hun onderzoeksterrein, corpsballen praten anders dan bouwvakkers en elke nieuwe schoolgeneratie vindt zijn eigen jongerentaal uit. Je jargon verrijken door woorden uit het buitenland te halen is gemakkelijk: ze liggen er als het ware voor. En vaak kun je er tegelijk mee laten zien dat je niet van de straat bent.

Bij het lenen of bedenken van woorden gaat het dus bijna altijd om zaken als cultuur, politiek, psychologie of sociologie. De weerstanden ertegen zijn dan ook van culturele, politieke, psychologische of sociologische aard.

Maar als te doen gebruikelijk krijgt de boodschapper de schuld: de taal. In de volksmond kom je ook altijd ‘talige’ argumenten tegen. ‘Er bestaat toch een goed Nederlands woord voor’ is er zo een. Soms is dat zo, en soms zal dat ook winnen (de wordprocessor is inderdaad definitief verdreven door de tekstverwerker), maar er zijn meer factoren dan alleen maar ‘of er een vertaling bestaat’ (overigens: is die er niet, dan maakt een leenwoord helemaal een dikke kans het te redden).

Neem bijvoorbeeld de halfvertaling virtuele realiteit (virtual reality) van hierboven. Die kunnen we natuurlijk ook ‘nagebootste werkelijkheid’ noemen, maar dat heeft een veel bredere interpretatie dan die computerterm. Daarom geef ik ‘virtuele realiteit’ een redelijke kans ingeburgerd te raken. Het helpt een onderscheiding te maken. Zo gebruiken we in het Nederlands het woord keyboard ook alleen voor muziekinstrumenten, onze computer heeft gewoon een toetsenbord.

‘Het werkt verwarrend’ is nog zo’n kreet, die je op het moment veel kunt horen over het woord ‘controleren’ dat naast ‘nakijken’ ook ‘onder controle hebben’ is gaan betekenen. Zorgen twee betekenissen voor één woord voor verwarring?

Nou, zelden, en dat is maar goed ook. Het Nederlands kent namelijk ontelbaar veel woorden en woordvormen die twee betekenissen hebben. Als dat niet zo was kon er, om maar eens iets te noemen, onmogelijk jaar in jaar uit iedere week een ander cryptogram in de krant staan. Het maakt bijvoorbeeld nogal uit of braken tegenwoordige of verleden tijd is, en of trouw een opdracht is, of een bijwoord, of een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord. Je kunt je hoed, een been of iemand anders afzetten. En wat te denken van: Gegeven de huidige situatie worden de gegevens over het gegeven geld niet aan de inspecteur gegeven. Allemaal geen probleem. De grammatica en de rest van de context geven meestal feilloos de juiste interpretatie.

Bij krantekoppen en andere telegramstijl gaat er dan ook vaker iets mis. De rijschool bij mij op de hoek van de straat bijvoorbeeld heeft in grote letters de nogal ontmoedigende tekst NU OPGEVEN! op de ruit geplakt. Bij de kop ‘Frankrijk spaart het Duitse beton’ moest ik laatst ook even nadenken, maar als je je realiseert hoeveel vormen meer dan één betekenis hebben, dan kun je niet anders dan concluderen dat we daar fabelachtig goed mee overweg kunnen.

Het is zelfs meestal duidelijk wanneer met niet in het minst eigenlijk (het vrijwel tegenovergestelde) niet het minst bedoeld wordt, anders zou J. Heldring zijn collectie van deze fout niet maandelijks kunnen aanvullen.

Maar de meest gehoorde verzuchting is misschien wel ‘iémand moet toch een norm stellen’. Een uitroep die regelmatig gepaard gaat met een verwijt aan taalkundigen: die hebben het er bij laten zitten, die weigeren tegenwoordig hun zegenrijke werk te doen, want ‘van hun mag alles’.

Mijn antwoord hierop is altijd: goed, laten we er inderdaad even van uitgaan dat er een norm gesteld moet worden. Hoe zie je dat voor je? Wie gaat dat doen, en hoe? Een commissie met taalkundigen in Den Haag misschien, die ondermeer beslist welke nieuwe woorden wel en welke niet gebruikt mogen worden, en die iedere maand een bijgewerkte lijst naar media en scholen stuurt? En daarnaast dan een andere commissie (al gauw een kantoortoren vol mensen), die de media nauwgezet volgt en een boete oplegt of een berisping geeft, zodra ergens een woord opduikt dat niet op de goedgekeurde lijsten staat?

Iedereen kan meteen zien dat dat niet kan. Die twee commissies sluiten elkaar feitelijk uit: als de controlecommissie zijn werk goed doet en effect sorteert dan heeft de bijhoudcommissie niets te doen. Een alternatief zou dan zijn de bijhoudcommissie opdracht te geven een zwarte lijst te maken: alleen woorden te verzamelen die niet mogen.

Afgezien van het feit dat de dingen die niet mogen een grote aantrekkingskracht hebben voor velen, komen we daarmee ook bij het eigenlijke probleem: op welke gronden zou zo’n commissie moeten kiezen voor of tegen een woord? Er zijn geen taalkundige criteria die daarbij de doorslag kunnen geven. Iedere taalkundige weet dat alle talen vol zitten met de gekste leenwoorden, ze maken deel uit van het niet te stuiten proces van taalverandering dat elke taal ondergaat. Van taalkundigen verlangen dat ze beslissingen over goede en foute woorden nemen, is net zoiets als van dokters vragen dat ze voortaan aan alle vrouwen de maten 90-60-90 voorschrijven. Wat je ermee bereikt is ongeveer hetzelfde: het voorschrift is voor bijna niemand haalbaar, en alle anderen worden er erg onzeker van.

Betekent dit alles nu dat je al die leenwoorden maar mooi moet vinden? Welnee, dat is ook zo’n raar misverstand. Net zoals je kunt gruwen van iemands schoenen, kun je ook gruwen van zijn woordgebruik. De verkeerde saus over je eten kan de hele maaltijd bederven, de verkeerde woorden kunnen een gesprek finaal vergallen.

Maar het zijn wel smaakkwesties, en niets anders. En je eigen smaak wordt, waar het ook om gaat, bepaald door je achtergrond, je opvoeding en andere toevalligheden. Die bepalen ook voor een goed deel hoe je je huis inricht, zij het dat je uit praktische overwegingen soms niet om lelijke of onhandige spullen heen kunt.

Bij taal gaat het precies zo: je gebruikt de woorden die je zelf mooi vindt, maar soms moet je om jezelf duidelijk te maken toch wel eens iets vreselijks zeggen (dan hebben we gelukkig altijd nog het ironiewapen achter de hand). Ageren mag ook. Het staat iedereen vrij woest te worden over een woord, maar het zal er niet door verdwijnen, evenmin als McDonalds en Ikea hun deuren zullen sluiten omdat u en ik dat verschrikkelijke zaken vinden. Maar eens even lekker schelden lucht altijd op.

Die Engelse woorden gaan dus niet meer weg, net zomin als de Franse uit de vorige eeuw verdwenen zijn. Maar er is nog iets anders aan de hand met het Engels. Het zijn niet alleen de woorden. In kranten en tijdschriften tref je steeds vaker hele Engelse zinnen aan. Van die halfvertaalde interviews, of wervende reclamekreten. Blijkbaar gaan redacties en adverteerders er van uit dat wij dat allemaal begrijpen, en vaak is dat ook zo. Nederland is heel langzaam min of meer tweetalig aan het worden. Tweetalig is het juiste woord, want als er een taal bijkomt betekent dat bepaald niet dat die het zal overnemen van de taal die er al was. De halve wereld is tweetalig, mede doordat moedertalen zo onuitroeibaar zijn.

Miljarden zijn er gespendeerd, ontelbare liters bloed zijn er gevloeid bij pogingen om talen het zwijgen op te leggen. De Basken spreken nog altijd Baskisch, de Catalanen Catalaans, de Armeniërs Armeens en zo zijn er talloze. Een land als India zou nauwelijks kunnen functioneren wanneer de inwoners niet een beetje Engels als voertaal konden gebruiken naast al die verschillende moedertalen die ze er hebben.

Mij lijkt het bepaald gunstig als veel Nederlanders ook Engels zouden spreken. Gewoon, voor gebruik onder bepaalde omstandigheden, op reis, in de handel, in de wetenschap. Het mag best steenkolenengels wezen, meer wordt het meestal ook helemaal niet. Bent u wel eens op een internationaal congres geweest waar de lezingen in het Engels werden gehouden? Ook onder hoogopgeleiden is dat meestal verre van perfect, maar het werkt wel. Wil je zaken uitwisselen met mensen uit andere landen dan kan dat nu eenmaal niet in je moedertaal. Ja, je kunt natuurlijk tegen de klippen op blijven roepen dat jouw taal de lingua franca hoort te zijn, en dat anderen zich maar moeten aanpassen, maar daar komen brokken van.

Het is de tactiek van de Fransen. In Frankrijk denken ze nog altijd dat je taal kunt dwingen. Ze stellen prachtige lijsten op van ‘goede Franse woorden’ waar iedereen zich aan behoort te houden. Wel, die vormen het levende bewijs dat een dergelijke taalpolitiek alleen maar geld- en energieverspilling is. Doet u uw oren maar eens goed open in een Parijs café, of kijkt u eens een avondje TV5: het wemelt ook in het Frans van de verboden Engelse woorden.

In Frankrijk mag je je proefschrift uitsluitend in het Frans schrijven, ze subsidiëren zich er gek aan Franstalige wetenschappelijke tijdschriften. En wat is het gevolg? Dat onderzoeksresultaten de buitenwereld vaak maar mondjesmaat bereiken. Wetenschappers doen ook geen ervaring op in het schrijven van Engelse teksten en hebben daardoor een extra barrière.

Laatst was in Horizon, het onvolprezen wetenschapsprogramma van de BBC, te zien hoe verstrekkend de consequenties van de Franse politiek kunnen zijn. In de kwestie over de ontdekking van het aids-virus (de Amerikaan Gallo versus de Fransman Montaigner, misschien wel het wetenschapsschandaal van de eeuw) speelde een klein samenvattinkje een cruciale rol. De Fransen vergaten er een te schrijven bij hun moeizaam in het Engels vertaalde artikel, en in plaats van dat nog even snel recht te zetten, lieten ze het over aan Gallo. Die maakte van de gelegenheid gebruik de zaak zo te draaien dat het net leek of de Franse resultaten zo’n beetje aansloten bij zijn eigen onderzoek.

Het artikel, dat een echte doorbraak betekende, bleef onopgemerkt: de Fransen hadden het (later HIV genoemde) aids-virus in handen, maar het duurde nog een jaar voor de wereld dat accepteerde, en bijvoorbeeld bloeddonoren ging controleren op het virus. Tienduizenden onnodige besmettingen zijn het gevolg geweest. Daarvoor schieten woorden in elke taal tekort.

GEBARENTAAL

Over de merkwaardige geschiedenis van gebarentaal, de verschillen en overeenkomsten met gesproken taal, en de pogingen een Nederlands gebarenwoordenboek uit te brengen.

Er zijn in Nederland zo’n 25 à 30.000 mensen die ernstige problemen hebben met horen. Hoeveel van die mensen vanaf hun geboorte doof zijn vertellen de statistieken niet, maar ze vormen de grootste groep. Iemand die nooit (goed) heeft kunnen horen weet letterlijk niet wat hij mist. Dat maakt het voor wie goed kan horen nogal lastig zich een redelijke voorstelling te maken van ‘hoe het is om doof te zijn’.

Een ding ligt echter nogal voor de hand: gewoon op dezelfde manier en met hetzelfde gemak leren praten als andere kinderen zal een doof kind niet lukken. Eeuwenlang hield doof-geboren-worden zelfs altijd levenslang-stom-blijven in. En dat stom nog steeds hetzelfde betekent als dom of achterlijk maakt wel duidelijk hoe je er dan voorstond.

Abbé de l’Epée

Het heeft tot de zestiende eeuw geduurd voor de Spaanse monnik Pedro Ponce de Leon de wereld liet zien dat een defect aan het gehoor nog geen defect aan het taalvermogen is: hij leerde de dove kinderen van een adelijke familie spreken, lezen en schrijven. Van hoe hij dat deed weten we niets, maar hij oogstte er de stomme verbazing van geleerden in heel Europa mee.

Ook Jacob Pereire nam het geheim van zijn methode (zelfs opzettelijk) mee het graf in. Pas in zijn tijd, de achttiende eeuw, onstond er enig structureel onderwijs aan doven. Dat was zeker voor een deel te danken aan zijn meest succesvolle leerling: Saboureux de Fontenay, de eerste doofgeborene in de geschiedenis die zelf publiceerde. De Fontenay trad op voor de Academie van Wetenschappen in Parijs, die onder de indruk was van zijn goede intonatie, maar zich beklaagde over zijn trage en hakkerige uitspraak.

Later, toen hij niet langer bij Pereire in de leer was hield de Fontenay op met spreken en bediende zich uitsluitend nog van pen en papier. Tegen die tijd had Pereire zich verbitterd teruggetrokken: de eerste openbare dovenschool werkte met een andere methode en met een andere doelstelling dan hijzelf voorstond.

Die school werd rond 1760 in Parijs gesticht door de Abbé de l’Epée, met de officiële steun van onder andere Lodewijk XVI.

De l’Epée wordt wel de vader van de doven genoemd omdat hij de eerste was die zag dat doven onderling communiceerden met behulp van gebaren. Daar maakte hij bij zijn onderwijs aan hen gebruik van. De stichting van een openbare school betekende overigens dat onderwijs voor het eerst niet meer uitsluitend voorbehouden was aan dove kinderen van rijke ouders die een privédocent konden betalen. De l’Epée wilde dat zijn dove leerlingen in de eerste plaats de mogelijkheid kregen zich op de een of andere manier te uiten en te ontwikkelen.

Wetend dat ze zelf gebaren gebruikten bedacht hij een gebaarsysteem dat hen Frans bijbracht: ieder woord, maar ook iedere uitgang in het Frans kon nu behalve geschreven ook ‘gebaard’ worden. De kinderen leerden wel schrijven en gebaren, maar niet spreken, terwijl Pereire het juist belangrijk vond zijn leerlingen praten en liplezen bij te brengen.

Dilemma

Met dit verschil in inzicht zitten we meteen in het hart van een vaak heftige maar ook verwarde discussie die eeuwen geduurd heeft, en waarvan de naweeën nog steeds voelbaar zijn. Bij het onderwijs aan doven is er natuurlijk sprake van een enorm dilemma: voor iemand die niet kan horen is het bijzonder moeilijk de juiste klanken op het juiste moment en op de juiste plaats te leren uiten.

Voor spraakafzien (er wordt niet alleen naar de lippen gekeken) geldt hetzelfde: verschillen tussen klanken zijn vaak niet te zien en moeten dan geraden worden. Dat betekent dat het voor een een dove altijd moeilijker zal zijn om ‘gewoon’ te praten dan voor een horende.

Maak je gebruik van gebaren dan bestaat dat probleem niet: doven en horenden kunnen dat evengoed leren. Dat gebeurt alleen in de praktijk niet: in het gewone dagelijks leven zal een dove toch voornamelijk mensen tegenkomen die zijn gebarentaal niet begrijpen en dus niet kunnen beantwoorden. Een echte oplossing voor dit probleem is moeilijk voor te stellen.

Bij dat alles komt dan nog eens dat de discussie vaak vertroebeld werd door de waanideeën die er over gebaren bestonden en deels zelfs nog bestaan. De l’Epée bracht zijn leerlingen een gebarensysteem bij dat precies het Frans volgde omdat hij het idee had dat de gebaren die de dovengemeenschap in Parijs spontaan gebruikte nooit alle mogelijkheden van een ‘echte’ taal konden hebben. Een telkens opnieuw opduikend punt was ‘het godsbeeld van de dove’: om het abstracte idee van ‘God’ te kunnen begrijpen is de structuur van een gewone taal nodig. Zieltjes winnen was een belangrijk argument voor dovenonderwijs.

Geen oertaal

Hoe het ook zij, het maakt wel een belangrijk misverstand over gebaren duidelijk: men dacht dat je met spontaan ontstane gebaren alleen kon wijzen en niet verwijzen; waar je in gesproken taal kunt praten over een stoel die ergens anders staat zou je het met behulp van gebaren alleen kunnen hebben over een stoel binnen het gezichtsveld van de ‘sprekers’. Abstracte woorden en ideeën vallen daar per definitie mee af: wie kan het feminisme of de conjunctuur aanwijzen? Waar dit idee vandaan komt is niet zo moeilijk te begrijpen: als je twee mensen die een verschillende taal spreken bij elkaar zet zullen ze in eerste instantie inderdaad alleen iets kunnen uitwisselen over de dingen in hun directe omgeving.

Maar op zichzelf genomen is er natuurlijk geen enkel verschil tussen het uitspreken van een volstrekt willekeurige klankvorm als tafel of het maken van een even willekeurig gebaar om een ding aan te duiden waar je aan kunt eten.

Dat de menselijke natuur nu eenmaal ‘taal’ met zich meebrengt en dat de dovengemeenschappen in de wereld daar gewoon een ander medium voor gebruikten is maar moeizaam doorgedrongen. Pas 25 jaar geleden werd voor het eerst ingezien dat gebarentalen vrijwel alle eigenschappen van gewone (zogenaamde ‘natuurlijke’) talen hebben.

Net zoals er nergens op de wereld twee precies gelijke gesproken talen zijn ontstaan, zo heeft ook iedere dovengemeenschap zijn eigen gebarentaal. ‘Gebarentaal’ is dus niet een soort ‘natuurlijke oertaal’ die maakt dat een Nederlander die niet kan horen probleemloos en vanzelf kan communiceren met een dove Chinees.

Tenslotte zijn ook de gebaren die je in horende gemeenschappen vindt niet universeel: een Griek schudt ‘ja’ en als een Italiaan een Nederlander gebaart naar hem toe te komen denkt die Nederlander dat hij weggestuurd wordt.

Voor zover is na te gaan is er altijd en overal waar meerdere doven bijelkaar kwamen een gebarentaal ‘gesproken’ die dan weer aan nieuwkomers werd geleerd. Hoe, waar en wanneer die talen ontstaan zijn weet niemand, maar ook van gesproken talen is dat vrijwel nooit bekend.

Gebarentalen maken niet, zoals lang gedacht is, alleen gebruik van ‘uitbeeldende’ of ‘iconische’ gebaren: een dak in de lucht tekenen om ‘huis’ te zeggen bijvoorbeeld. Zulke gebaren bestaan wel, maar ze vormen netzomin een meerderheid als de woorden in gesproken talen die een klank nabootsen (zogenaamde onomatopeeën), zoals loeien, grommen of rinkelen.

Bovendien is een iconisch gebaar nog niet hetzelfde als een voorspelbaar gebaar: een boom uitbeelden kan op veel manieren en gebeurt dan ook in de Britse gebarentaal anders dan in de Deense of de Chinese. Zelfs klanknabootsingen zijn allerminst voorspelbaar: een Nederlandse haan zegt ‘kukeleku’, een Franse ‘cocorico’ en een Engelse ‘cock-a-doodle-do’.

False friends

Het vertalen van een gebarentaal in een gesproken taal of andersom levert goeddeels dezelfde moeilijkheden op als het vertalen van de ene gesproken taal in een andere: één woord kan meerdere gebaren als vertaling hebben en andersom kan één gebaar voor verschillende woorden staan. En net als tussen gesproken talen bestaan er tussen gebarentalen onderling wat de Engelsen zo mooi ‘false friends’ noemen: de gebaren die in Japanse gebarentaal man en vrouw betekenen staan in Britse gebarentaal voor goed en slecht.

Gebarentaal gebaren gaat net zo snel als spreektaal spreken, maar een woord uitspreken gaat sneller dan een woord gebaren. Dat moet betekenen dat in gebarentaal verschillende dingen tegelijk uitgedrukt kunnen worden. Het volstrekt lineaire karakter van gesproken of geschreven taal (hoe je het ook draait of keert het ene woord moet altijd na het andere komen) ontbreekt.

Daarin zit het grote nadeel van gebaarsystemen die een gesproken taal op de voet volgen, zoals dat van de l’Epée voor het Frans: ze zijn veel trager in het gebruik dan echte gebarentalen. En in nog sterkere mate geldt dat voor vingerspellen: het letter voor letter uitspellen van alle woorden. Daar wordt trouwens wel gebruik van gemaakt binnen gebarentalen, om namen aan te geven of woorden waarvoor geen gebaar bestaat.

Bij een gebaar moet dus meer komen kijken dan alleen een bepaalde stand van de handen, want die kunnen ook maar een beweging tegelijk maken.

Iedere taal werkt met een beperkt aantal middelen waar eindeloos veel dingen mee gedaan kunnen worden. In gesproken taal zijn die middelen bijvoorbeeld klanken, voor- en achtervoegsels, woordvolgorderegels en intonatie. Samen dragen die zorg voor de betekenis van een zin.

De middelen van gebarentalen zijn anders, maar bewerkstelligen hetzelfde: de beweging die de handen maken, de plaats die ze daarbij innemen (voor de buik, bij het gezicht en dergelijke) en de stand waarin ze staan (open, gesloten, naar beneden, bepaalde vingers omhoog of naar links of rechts etcetera) bepalen samen met de gezichtsuitdrukking de betekenis van een zin.

In ieder geval het complete bovenlichaam is dus betrokken bij gebarentaal spreken. Het gezicht kan de betekenis van het handgebaar bepalen en dus ook veranderen.

Een bepaalde mimiek kan aangeven of het een vraagzin of een ontkenning betreft, een oogbeweging kan van een gewone hoofdzin een betrekkelijke bijzin maken. En doordat je op hetzelfde moment een gezicht kunt trekken en een handbeweging maken gaat gebarentaal spreken even vlot als gewoon praten.

Martha’s Vineyard

Het net niet meer levende bewijs dat een gebarentaal een gewone, complete menselijke taal is waar alles in gezegd kan worden levert wel het eilandje Martha’s Vineyard. Op Martha’s Vineyard, dat voor de Amerikaanse oostkust, iets onder Boston ligt, vestigde zich in de zestiende eeuw een groepje kolonisten uit Kent.

De geschiedenis heeft overgeleverd dat zich onder hen in ieder geval één dove man bevond. Uit het verdere verloop van van het verhaal is op te maken dat hij een vorm van erfelijke aangeboren doofheid had. Erfelijke doofheid is een recessieve eigenschap, maar de al uit Kent daterende geslotenheid van de gemeenschap, die nu bovendien op een eiland woonde, zorgde voor zoveel inteelt dat binnen een paar generaties iedereen op zijn minst enkele dove familieleden had of zelf doof was. Dat is tot in de loop van deze eeuw zo gebleven.

Gehandicapt ben je alleen als je te erg afwijkt van je omgeving. Als een op de tien mensen in je omgeving doof is (dat percentage kwam voor!) dan ben je geen uitzondering meer te noemen. Op Martha’s Vineyard was doof-zijn hooguit lastig, maar nooit een reden om buitengesloten te worden van welke vorm van het sociale leven dan ook.

Op Martha’s Vineyard sprak namelijk iedereen gebarentaal en niemand vond daar iets bijzonders van. Men wist ook niet beter of doofheid kwam overal even vaak voor als ze zelf in hun omgeving gewend waren. Sommige eilandbewoners kunnen nog vertellen hoe verbaasd ze waren nergens iemand gebarentaal te zien gebruiken toen ze voor het eerst in Boston of ergens anders buiten het eiland kwamen.

De verhalen van mensen die die tijd nog hebben meegemaakt, gecombineerd met de verhalen die zij zich van hun ouders herinneren schetsen een gewoon mini-maatschappijtje van vissers en boeren met als enig bijzonder aspect dat alle horende inwoners tweetalig waren. Gebarentaal leerden ze er als kind vanzelf bij, tussen de bedrijven door, van familie en vriendjes en vriendinnetjes. Je zou de doven van nu bijna toewensen dat er veel meer mensen met hoorproblemen op de wereld kwamen.

Spieken

Overigens heeft het kennen van gebarentaal ook voor horenden onderling onbetwistbare voordelen: heel vermakelijk zijn de verhalen van eilandbewoners over spieken in de klas en praten in de kerk. De bemanning van een vissersboot die zich buiten gehoorsafstand van een andere boot bevond kon toch gegevens over de vangst en het weer uitwisselen.

Buurvrouwen die ver van elkaar weg woonden gaven tussen de afwas en het strijken snel even de laatste roddels door. Ze luidden dan eerst een bel om de aandacht te trekken, waarna met behulp van gebarentaal en een kijker het gesprek gevoerd kon worden. En als er ergens een dame binnenkwam waar een stel heren bezig waren aan een onbetamelijk verhaal, dan keerde men haar de rug toe en maakte het verhaal af in gebarentaal.

Een voor doven paradijselijk wereld als op Martha’s Vineyard zal er wel niet gauw van komen, maar een verbetering van hun opleiding en hun rechten is vaak wel mogelijk en bijna overal nodig.

Want wat is er gebeurd nadat de l’Epée zijn school in Parijs stichtte? Zijn initiatief zorgde voor een sneeuwbaleffect: binnen de kortste keren waren er overal in Europa en iets later ook in de Verenigde Staten dovenscholen te vinden.

Vaak was de stichter van zo’n school bij de l’Epée of zijn opvolger Siccard komen kijken. De sporen van de het Franse gebaarsysteem zijn nu nog terug te vinden in de gebarentaal van het Groningse doveninstituut omdat oprichter Guyot in Parijs in de leer was geweest.

Bij het onderwijs aan de kinderen werd er niet echt één strakke lijn gevoerd: meestal leerden ze een op de taal van de sprekende gemeenschap om hen heen gebaseerd gebaarsysteem, en daarnaast wat lezen en schrijven en een beetje spreken.

Totdat in 1880 op een internationaal congres in Milaan om onduidelijke redenen alle gebarentaal en ieder gebaarsysteem uit het onderwijs gebannen werd. Dove kinderen moest alleen nog maar geleerd worden om te spreken en te liplezen: het oralisme als norm werd ingevoerd. De gevolgen van die beslissing werken nog steeds na.

Wat waren de consequenties in Nederland bijvoorbeeld? De afgelopen eeuw is in alle doveninstituten geprobeerd het gebruik van gebarentaal te verbieden. Overigens niet met kwade bedoelingen: de oralistische aanpak leek dove kinderen de beste kansen op meedraaien in de buitenwereld te bieden. Gebarentaal, toch al gezien als een inferieur systeem, zou ze maar afleiden van het einddoel en de kans op ‘ghetto-vorming’ vergroten.

Gewone minderheidstalen

Jammer genoeg leert maar een klein deel van alle doofgeboren kinderen redelijk verstaanbaar praten voor mensen die er niet aan gewend zijn, voor die beruchte buitenwereld dus. Bovendien kost het ze zoveel moeite en energie dat ze de kans lopen hun hele schoolcarrière lang alleen maar ‘taal’ te leren en niets anders. Dat zal een van de redenen zijn dat gebarentalen net zo hardnekkig en onuitroeibaar blijken als pakweg het Catalaans of het Fries.

Tegenwoordig neigt men er dan ook toe om gebarentalen als gewone minderheidstalen te beschouwen. Daar zit echter iets scheefs in: iedere Turk in Nederland kan in principe Nederlands leren, net als iedere Breton in Frankrijk Frans, terwijl iemand die niet kan horen die keus domweg niet heeft.

Meer nog dan enige andere taal verdienen gebarentalen daarom erkenning: een grote groep mensen kan absoluut niet zonder. In Zweden is de Zweedse gebarentaal daarom erkend als de moedertaal van doofgeborenen. Hetzelfde inzicht heeft er in Amerika toe geleid dat American Sign Language (ASL) na het Engels en het Spaans de derde officiële taal van het land is. Dat houdt onder andere recht op onderwijs in die gebarentalen en recht op een tolk in.

In Nederland lopen we met dit alles zwaar achter. Gelukkig is men inmiddels wel net als elders min of meer gewonnen voor het Amerikaanse idee van de ‘Totale Communicatie’, dat wil zeggen: gebarentaal wordt niet langer uit het onderwijs geweerd en het idee is dove kinderen alle mogelijkheden die er zijn aan te bieden, zodat ze zelf kunnen kijken wat ze het prettigst vinden en wat ze waar willen gebruiken.

Dat gebarentalen echte talen zijn wordt alleen nog ontkend door enkele volstrekt onwetende lieden die bijvoorbeeld denken dat talen zonder lidwoorden geen talen zijn (daar zullen de Russen van opkijken) en dat talen zonder geschreven vorm ook niet echt iets kunnen voorstellen (voor de duidelijkheid: de meeste talen kennen geen schriftvorm).

Toch moet er nog een Milanese erfenis opgeruimd worden: door het verbod om gebaren te gebruiken ontbreekt er in Nederland nog altijd een ‘Standaard Gebarentaal’. Rondom de vijf doveninstituten die dit land telt zijn er vijf gebarendialecten ontstaan.

Bovendien bestaat er van geen van die dialecten nog een goede beschrijving. Dat is om verschillende redenen onpraktisch. Allereerst: dove kinderen gaan pas op hun derde jaar naar school. Tot die tijd leren ze alles van hun ouders, die maar in tien procent van de gevallen zelf doof zijn. Kinderen van drie kunnen je al behoorlijk de oren van het hoofd kletsen, sterker nog, in de eerste drie jaar van een mensenleven worden er stevige fundamenten voor iemands moedertaal gelegd.

Het is niet gezegd dat het na die tijd onmogelijk is, maar gemakkelijker wordt het zeker niet. Bovendien moeten ouders hun peuter voordien al uit kunnen leggen dat de kachel of de centrale verwarming heet en dus gevaarlijk is, en dat betekent dat de middelen daarvoor voorhanden moeten zijn. Nu zijn er alleen hap-snap wat cursussen waar per definite een zekere willekeur heerst. Een standaardgebarentaal die de ouders kunnen leren zou een eind maken aan de unieke situatie waarin dove kinderen verkeren: ze leren hun moedertaal van iemand anders dan hun ouders.

Een ander punt is de positieverbetering die het recht op een tolk zou brengen. Een paar maanden geleden waren de eerste afgestudeerden aan de doventolken-opleiding in het nieuws. Het waren allemaal mensen die zelf dove ouders hadden, die kortom gebarentaal met de paplepel ingegoten hadden gekregen.

Nieuwe lichtingen studenten gaan grote problemen krijgen het programma in twee jaar af te werken, want eigenlijk kan dat programma niet echt bestaan: er is niet één gebarentaal die onderwezen kan worden.

Hoe kun je nu zorgen dat er zoiets als een standaardversie -Nederlandse-gebarentaal zal ontstaan? Allereerst door te inventariseren wat er nu bestaat en te zorgen dat wat er gevonden wordt door iedereen geraadpleegd kan worden.

Een paar jaar geleden is de vakgroep Algemene Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind daarmee begonnen. In alle vijf de regio’s werden video-opnamen gemaakt van de gebaren van 2000 Nederlandse woorden in verschillende contexten (aankomen kan arriveren betekenen maar ook zwaarder worden).

Dat leverde maar liefst 15.000 gebaren op die stuk voor stuk geanalyseerd en beschreven moesten worden. Een monikkenkarwei dat het diepste respect verdient. Op dit moment wordt bekeken in welke vorm dit gebarenwoordenboek het best uitgebracht kan worden.

Doordat Nederland zo achterloopt kan het soms genieten van de wet van de remmende voorsprong: er zijn nieuwe technische mogelijkheden, met computers, video en beeldplaat bijvoorbeeld. Bovendien kunnen fouten van anderen vermeden worden: in Zweden is een woordenboek uitgebracht dat maar één dialect als uitgangspunt had, iets dat door de dove Zweden zelf totaal niet geaccepteerd werd. Vandaar de arbeidsintensieve Nederlandse methode.

Aan een inventarisatie van de woorden wordt hard gewerkt, al zijn 2000 stuks natuurlijk niet meer dan een begin. Maar een taal bestaat uit meer dan losse woorden alleen. Het onderzoek naar de grammatica van de gebarentalen in Nederland is nog maar nauwelijks begonnen. Wat meer wetenschappelijke belangstelling (en geld, geld!) is hard nodig.

Ogenschijnlijk lijken gebarentalen zo anders opgebouwd te zijn dan gesproken talen dat ze heel goed bruikbaar zijn om bestaande inzichten over wat ‘taal’ eigenlijk is te toetsen. Bovendien zou meer onderzoek tot een betere beschrijving van de gebarentalen zoals ze nu zijn leiden. En daar zouden de doven weer van profiteren.

Als men daarnaast op de televisie eens begon met regelmatig een vertaling in gebarentaal te geven, dan kijkt over een tijdje niemand meer op van een MacDonalds-reclame in gebarentaal zoals in Amerika allang gewoon is.

Aanbevelenswaardige literatuur:

R. D. Freeman e. a.: Als je kind niet horen kan. Ambo, Baarn 1984. (helder, informatief, bedoeld voor ouders en begeleiders)

N.E. Groce: Everyone here spoke Sign Language. Harvard University Press, Cambridge Ma and London, England 1985. (over Martha’s Vineyard)

H. Lane (ed.): The deaf experience. Harvard University Press, Cambridge Ma and London, England 1984. (geschriften uit de 18e en 19e eeuw van doven en hun leraren)

Noot: Voor dit stuk las ik niet alleen alle genoemde boeken en nog het een en ander, ik sprak ook met Trude Schermer, indertijd gebarentaalonderzoeker bij Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Raar genoeg staat dat nergens. Waar ik me terdege van bewust was ook nog, want het heeft me lang dwarsgezeten. Maar ik wist niet hoe ik het moest doen. Dit was mijn allereerste lange overzichtsstuk en ik moest nog akelig veel  leren. Inclusief trouwens om met iets minder saais beginnen dan ik hier deed…

Dit artikel leverde trouwens wel meteen een verzoek van Nijgh & Van Ditmar op om een boek over gebarentaal te schrijven. Dat heeft even geduurd. Uiteindelijk is dat Gebarentaal, de taal van doven in Nederland geworden, dat begin 1993 verscheen.

‘Je kunt de ANS zelf het gezag toekennen dat je wilt’

Onlangs verscheen de tweede, ingrijpend herziene druk van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Vijf auteurs, gesteund door meer dan veertig redactieleden, waren er ruim tien jaar mee bezig. Liesbeth Koenen sprak met twee van de auteurs. ‘De mensen willen horen: dit is goed, dat is fout.’

We zitten aan een tafeltje in de kantine van de Nijmeegse letterenfaculteit. Buiten is het kil en duister, binnen zijn er koffie en krentenbollen. En naast de kopjes liggen de twee dikke delen van de nieuwe editie van de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst.

Resultaat van een enorme hoeveelheid werk. Eindredacteur Walter Haeseryn (neerlandicus, Vlaming en al twintig jaar in Nijmegen werkend aan de ANS) bekijkt de tweeduizend pagina’s dan ook met “gepaste trots, ja toch wel”, terwijl bij redacteur Maarten van den Toorn (Nederlander, emeritus-hoogleraar Nederlandse taalkunde) de “opluchting, dat de tweede editie er nu ís” overheerst.

De eerste oplage van het boek is al bijna uitverkocht, terwijl er tot dusver opvallend weinig publiciteit geweest is (Van den Toorn: “De uitgever heeft het een beetje laten zitten. Ze hadden de NOS kunnen krijgen, maar er is veel te lang getalmd”). Reacties uit vakkringen zullen nog even op zich laten wachten, al zit een speciaal nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde wel al in de planning, en ook de veertigkoppige redactieraad is nog niet bijeen geweest om het eindresultaat te bespreken.

Tijd dus voor een bescheiden startschot. De Belgisch-Nederlandse delegatie van de vijf auteurs (de anderen zijn Kirsten Romijn, Guido Geerts en Jaap de Rooij) is bereid zich vast enig commentaar voor te laten leggen én te laten ontlokken.

Maar eerst nog even de achtergronden. De tweede editie van de Belgisch-Nederlandse, voor de helft door de Taalunie gefinancierde onderneming die ANS heet, verscheen afgelopen november, dertien jaar na de eerste. Plannen voor een groot naslagwerk over het Nederlands bestonden echter al in de jaren zestig.

Haeseryn: “Het verzoek kwam uit de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, al heette die toen nog niet zo. Docenten Nederlands in het buitenland zijn onze oorspronkelijke, en in zekere zin ook de voornaamste doelgroep. Er zijn in het buitenland meer dan tweehonderd instellingen waar op universitair niveau Nederlands gedoceerd wordt. Bij die mensen – altijd een enthousiaste groep – bestond een grote behoefte aan een naslagwerk. Vaak zitten ze geïsoleerd, en hebben ze maar weinig toegang tot bronnen.”

Van den Toorn valt in: “Voordat de ANS er was, had je alleen leergrammatica’s, die ook veel kleiner waren. De ANS is geen leerboek, maar een grote verzameling gegevens waaruit docenten kunnen putten voor hun leerprogramma.”

Gegevens over woorden en zinnen wel te verstaan, want daarover gaat de ANS, al is in de tweede editie een ‘kleine klankleer voor de morfologie’ toegevoegd.

Afleidingen, vervoegingen en verbuigingen van woorden zijn nu eenmaal ten dele onderhevig aan klankwetten. Van den Toorn: “Het gaat om dingen als ‘huis-huizen’. Anders moet je dat elke keer weer uitleggen.” De manier waarop taalverschijnselen in de ANS beschreven worden, sluit zo veel mogelijk aan bij de traditionele schoolgrammatica’s.

Daar is een reden voor. Haeseryn: “Die docenten Nederlands zijn lang niet altijd taalkundigen, en zelfs lang niet altijd neerlandici. Meestal zijn ze vooral letterkundig geïnteresseerd. Het uitgangspunt moet daarom zijn dat je geen al te hoge eisen aan je publiek kunt stellen. Je mag niet verwachten dat ze ingevoerd zijn in de modernste theoretische taalkundige ontwikkelingen.”

Datzelfde geldt voor een andere doelgroep, van wie Van den Toorn het belang wil benadrukken: “Naast die ‘buitenlanders’ heb je ook de mensen die willen weten of iets goed Nederlands is. Die graag hun vooroordelen bevestigd zien, wat dan trouwens dikwijls niet gebeurt. Kwesties als ‘als of dan’ en ‘doordat of omdat’, en de volgorde ‘gekomen is’ tegenover ‘is gekomen’. Over die volgordes bestaat allerlei geouwehoer. Er staat bijvoorbeeld een heel verhaal over in het Stijlboek van de Volkskrant, de ene volgorde is dan ‘helderder’ en ‘krachtiger’. Dat is allemaal onzin, beide volgordes zijn gewoon goed. Maar dat soort dingen moet je ook in de ANS kunnen vinden.”

Beschreven in termen die je bekend mag veronderstellen bij iedereen die zich nog aardig wat herinnert van schoollessen over woordsoorten en ontleden. Maar daar zit een probleem: veel onderzoek naar hoe het Nederlands in elkaar zit, is niet gedaan door schoolgrammatici. Er zijn allerlei stromingen en uitgangspunten.

Zo heb je in Nederland al heel lang de unieke onderzoeker P.C. Paardekooper, die met zijn eigen ontleedmethode grote delen van de Nederlandse syntaxis (zinsbouw) te lijf is gegaan. Zijn Beknopte ABN-syntaksis (tegen de duizend pagina’s) wordt alom geprezen vanwege de vele, vaak scherpzinnige observaties over de (on)mogelijkheden van het Nederlands.

Op sommige scholen is en wordt Paardekooperiaanse terminologie gebruikt, maar lang niet op alle. Sommige van Paardekoopers inzichten vind je ook bij de generatieve grammatici (hij was er alleen eerder mee), die juist in de afgelopen tientallen jaren grote hoeveelheden gegevens over het Nederlands boven tafel hebben gekregen. Maar in het onderwijs is daar vooralsnog weinig van terug te vinden.

Hoe los je dat op? Haeseryn: “We gaan eclectisch te werk. In deze tweede druk nog meer dan in de eerste.” Het is een feit dat een flinke hoeveelheid literatuur die bij de eerste editie ontbrak nu wel verwerkt is. Ook heeft een rijker geschakeerd gezelschap zijn medewerking verleend.

Van den Toorn: “De ANS heeft dus een breder draagvlak dan eerst. Toen werd er ook wat meesmuilend gereageerd: die lui die willen iets, laat ze hun gang maar gaan. En toen het er was, kwam het commentaar van dit deugt niet en dat deugt niet. Voor de tweede editie waren alle vakgenoten wel bereid mee te doen.”

Onder meer door in de redactieraad en daaruit gevormde werkgroepjes zitting te nemen en advies te geven over hoe bepaalde onderwerpen het best behandeld konden worden. Eerste versies van door de redactieleden geschreven hoofdstukken gingen naar raadsleden die tevoren hadden aangegeven waarin ze geïnteresseerd waren. Voor het woordje ‘er’, de behandeling van werkwoordstijden en voor de aanpak van nevenschikkingen en samentrekkingen werden speciale conferenties belegd en adviezen gemaakt.

Op basis daarvan werden dan de stukken over die onderwerpen uit de eerste ANS bewerkt voor de nieuwe versie. Eindredacteur Haeseryn had dat graag voor nog veel meer onderwerpen zien gebeuren. “De ideale situatie zou zijn over alle kwesties advies te kunnen vragen. Maar de tijd is toch beperkt. Subsidiegevers willen een keer resultaten zien.”

Het nu gepubliceerde resultaat, daarover zijn beiden het eens, is een hele verbetering ten opzichte van de vorige editie. Maar een volgende zal ongetwijfeld nóg beter zijn. “Soortgelijke naslagwerken in het buitenland hebben ook moeten groeien, pas na vele edities wordt het echt de standaard”, vertelt Van den Toorn, en Haeseryn zegt: “Waarschijnlijk is niemand zich zo goed bewust als wij van wat er allemaal nog niet goed is”.

Maar is het doel van begrijpelijkheid voor een groot publiek met die eclectische aanpak eigenlijk wel haalbaar? Wordt het niet vanzelf een enigszins hybride product? Wie nu kijkt naar het hoofdstuk over zinsbouw vindt daar Paardekooperiaanse termen als achter-pv en voor-pv, de ANS-redactie zelf bedacht de term ‘polen’, en uit de moderne theoretische taalkunde komt het begrip ‘constituent’.

Niet bepaald gesneden koek voor de gemiddelde ex-scholier. “Ja, we gaan toch uit van wat er beschikbaar is”, zegt Haeseryn, en Van den Toorn voegt toe: “Stel, je wilt de hele zaak Paardekooperiaans doen. Dan kom je met de syntaxis een heel eind, maar we hebben ook een heel deel morfologie. Daar voorziet hij niet in. De generatieve grammatica heeft ook alleen bepaalde dingen goed uitgezocht. Je blijft hoe dan ook met manco’s zitten, en er is geen tijd om dat allemaal aan te vullen.”

Maar ook als je de verschillende terminologieën uit de diverse onderzoekskaders er even buiten laat, valt er op de toegankelijkheid van de ANS heel wat af te dingen. De nieuwe editie heeft weliswaar een veel groter en verfijnder register, maar de argeloze opzoeker komt wel erg vaak terecht bij lastig te volgen tekst. De taal waarin de dingen worden uitgelegd vertoont veel trekjes van die van de specialist die er zelf helemaal in zit.

“Mm”, mompelt Haeseryn, “is het toch nog te moeilijk…” “Dat weet ik niet”, zegt Van den Toorn, “Je moet voor het raadplegen natuurlijk wel de terminologie kennen. In een atlas of een woordenboek is het makkelijker dingen op te zoeken. En er wordt helaas nou eenmaal erg weinig aan taalkundige vorming gedaan op school.”

Allebei willen ze graag voorbeelden horen van dat moeilijke, gecondenseerde taalgebruik. Dat kan. Een passage uit het deel waar de ANS op tafel net openligt. Een zin die begint met: “in het algemeen geldt dat de wederkerende voornaamwoorden van de eerste en tweede persoon gebruikt worden om te verwijzen naar de in persoon en getal overeenkomende persoonlijke voornaamwoorden…” is typerend voor de stijl van de ANS.

Er worden weliswaar alleen schoolgrammaticatermen gebruikt, maar zijn Van den Toorn en Haeseryn niet bang dat veel mensen aan het eind van zo’n stukje tekst het begin alweer vergeten zijn? “Nou”, bromt Van den Toorn, “het moet natuurlijk ook niet infantiel gaan worden.” “Het is niet de bedoeling dat ze het niet kunnen volgen”, zegt Haeseryn, “daarom gebruiken we juist ook veel voorbeelden.”

“Wat een beetje aan die kritiek tegemoet zou kunnen komen, is een project dat nog niet van start is gegaan, maar waar wel plannen voor zijn. We willen op basis van het materiaal van de ANS een modulaire grammatica gaan maken die op een groter publiek gericht is, en waarin alles geconcentreerd wordt rond klassieke twijfelgevallen en problemen. Neem een kwestie als de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm. Die wordt nu wel behandeld, maar het staat ingebed in een heel hoofdstuk over het onderwerp. In zo’n modulaire grammatica – de Duitse Duden heeft iets soortgelijks – zou je dat als het ware zonder theoretische ballast kunnen uitleggen.”

Haeseryn verwacht overigens dat op den duur alleen dat soort afgeleide producten nog in boekvorm zullen verschijnen. Hij begint nu met een aantal collega’s in Nijmegen aan de ontwikkeling van een elektronische ANS. Daarnaast heeft hij als taak als het ANS-materiaal ‘te beheren’. Maar als je dat alletwee tegelijk moet doen, kan het laatste nooit goed gebeuren, zegt hij.

Het gesprek komt op de praktische invulling van de toekomst. Er zijn nu weer een paar aan de ANS gerelateerde projecten begonnen (zoals die ‘elektronisering’, maar er komen ook contrastieve deelgrammatica’s voor het Duits en voor het Frans), maar er is geen ‘vaste voorziening’.

Van den Toorn zou het liefst een ‘ANS-bureau’ opgericht zien: “Zoals je ook het Instituut voor Nederlandse Lexicologie hebt. Het hoeft niet zo groot te zijn. Je zou het met twee mensen kunnen ‘bemensen’, die het materiaal beheren en vast aan een volgende editie beginnen. Maar het zal er niet van komen, want de Taalunie wil het niet.”

“Momenteel is er maar een persoon echt voor de ANS aangesteld”, valt Haeseryn in, “en dat ben ik. Een complete staf zou natuurlijk veel beter zijn, en op den duur komt dat ook aan de orde. Maar ik moet even iets corrigeren over de Taalunie. De mensen van het algemeen secretariaat zien wel degelijk het belang van een permanente voorziening. Het Comité van Ministers is veel lastiger te bereiken, want je stuit bij de ambtenaren op de ministeries vaak op een muur van onbegrip.”

“Ja”, zegt Van den Toorn, “dat een woordenboek nooit af is, begrijpt iedereen: er komen steeds nieuwe woorden bij. Maar over zo’n grammatica denkt men al gauw ‘die is nu klaar, mooi zo’. Terwijl er natuurlijk steeds nieuwe dingen bekend worden. Bovendien verandert het Nederlands ook. We hebben nu in de tweede editie bij de zogeheten ‘Croma-constructie’ (Hou je van vlees, braad je in Croma) gezet dat het informeel taalgebruik is. In de eerste editie stond nog dat het niet goed was. Ikzelf vind het nog steeds vreemd, volgens mij moet het ‘dan braad je in Croma’ zijn, maar jonge mensen vinden die constructie heel gewoon.”

Goed en fout. Ook over de normativiteit van de ANS is naar aanleiding van de eerste editie heel wat gediscussieerd. De reacties liepen nogal uiteen: sommige vonden de ANS veel te tolerant, anderen juist weer te streng.

“Kijk”, legt Van den Toorn uit, ‘je kunt het boek zelf het gezag toekennen dat je wilt. Je kunt natuurlijk zeggen: ik maal niet om zo’n ANS, ik weet het zelf beter. Maar er zijn ook mensen, zoals bij het blad Onze Taal, die krijgen vragen te beantwoorden en dan grijpen ze terug op de ANS.”

Haeseryn: “Maar dan kun je er wel verschillende kanten mee uit. Aan wie zich daar iets aan gelegen wil laten liggen, proberen we adviezen te geven. Vaak zeggen we: je hebt A en B, en veel mensen vinden B niet goed. Dat kun je als ANS-gebruiker als een waarschuwing opvatten. Maar we hebben er ook vaak bijgezet dat er volgens ons als redactie geen bezwaar hoeft te bestaan tegen een bepaald woord- of zinsgebruik.” Van den Toorn: “Maar dat willen mensen meestal niet. Die willen horen: dit is goed, dat is fout.”

Maar er bestaat ook zoiets als ‘varianten’, en taalveranderingen. Wie weet komt er nog eens een ANS-editie die ‘hun hebben’ goed vindt. Nu is dat nog een deels regionale, deels sociale variant: beneden de rivieren, en in de bovenste sociale lagen hoor je het niet.

Hoewel? ‘Hun’ als onderwerp lijkt steeds normaler te worden. Van den Toorn: “Heel veel studenten zeggen het. Ze vinden het afschuwelijk als je het erover hebt, veroordelen het, maar ze doen het wel. Als je ze daar dan op wijst, schrikken ze. Maar ik hoorde het laatst ook uit de mond van de vrouw van een vroegere minister-president. Overigens is het Zweeds ons hier allang in voorgegaan.” Haeseryn wijst nog op de zuidelijke variant ”m heeft’, ‘hem heeft’ dus, die juist in het ‘noorden’ weer niet voorkomt.

Overigens geeft de ANS alleen regionale varianten, de sociale blijven buiten beschouwing. “Dat ligt ook verdomd gevoelig hoor”, zegt Van den Toorn.

De regionale soms ook. Wie een tijdje doorgebracht heeft met bladeren en lezen in de ANS ziet onmiddellijk dat het West-Nederlands dé norm is voor het complete taalgebied. En wie erachter wil komen waaruit de verschillen tussen het Nederlands en het Vlaams bestaan, moet een fikse omweg bewandelen. Via het register kan hij alle ongeveer 150 ‘regionale verschijnselen’ opzoeken. Maar daar zitten alle regio’s tussen.

Is dat een politieke beslissing geweest? Haeseryn: “In de meeste gevallen gaat het ook niet om Vlaamse, maar echt om zuidelijke varianten. Noord-Brabant, Zuid-Limburg en Zeeland doen dikwijls mee. Een van de kritieken op de vorige ANS was dat we niet vertelden over welke regio het ging. Dat hebben we nu geprobeerd wel zo veel mogelijk te doen. Maar om nu te zeggen dat de norm voor wat we standaard-Nederlands noemen in de meeste gevallen uit het westen komt, ik weet niet of dat helemaal waar is… De standaardtaal is daar historisch natuurlijk wel ontstaan.”

Protesten uit België verwachten de twee niet. Die zijn bij de eerste editie ook uitgebleven, en het beleid is niet wezenlijk veranderd. We praten nog even door over wat je nou wel en niet moet opnemen. De manier waarop in België ‘ge’, ‘jij’ en ‘u’ door elkaar gebruikt worden, is voor Nederlanders niet te volgen. Welk systeem daarachter zit, wordt in de ANS niet uitgelegd. “Maar het gebruik van die woorden in Vlaanderen is vaak gewoon fout”, legt Haeseryn uit. “Ze halen systemen door elkaar. Dan hebben ze geleerd dat het anders is, maar ze weten het niet goed. Dan krijg je bijvoorbeeld ‘Je hebt uw boek vergeten’. Maar het Vlaamse systeem is eenvoudiger: ‘ge’ is daar altijd onderwerp, en ‘u’ wordt voor de voorwerpen gebruikt. En met beleefd en onbeleefd heeft het niets te maken.”

Was het niet een goed idee geweest dat Vlaamse systeem in de ANS uit te leggen? Het maakt veel duidelijk. “Ik denk niet dat dat in de ANS moet”, reageert Van den Toorn. Haeseryn: “Het is een niet-standaardtaalsysteem. En ik geloof ook niet dat je het in de Vlaamse pers zult tegenkomen. Want dat is ook een van onze criteria geweest. Daarom hebben we nu het achtervoegsel -ster voor inwoners, ook de mannen, opgenomen. In Oost-Nederland is een Leekster iemand uit Leek. Dat hadden we in de vorige editie niet, maar we werden bestookt met krantenartikelen waarin dat achtervoegsel stond. Maar goed, het blijven allemaal afwegingen. Iemand anders zal de grens ergens anders leggen.”

Uitgesproken stemmen

De omroepers van radio en televisie zijn de stemmen van ons land en van onze tijd. Wie bepaalt hoe ze klinken? Waren ze vroeger duidelijker en zorgvuldiger? Is daar een zinnig woord over te zeggen? Op verkenning bij de stemmen van het Gooi. ‘Noraly Beyer – kan die wel?’

Tot ver na de oorlog had Hilversum een eigen stemgeluid. Beschaafd en overduidelijk, iets sjieker dan dat van de gemiddelde luisteraar en enigszins gespannen, alsof er in de ether iets overwonnen moest worden voor de klanken de huiskamer bereikten. Zo klonken de stemmen van Alex van Wayenburg, van Guus Weitzel, van Frits Thors, van Han Hollander en van Philip Bloemendal van het Polygoonjournaal in de bioscoop. In onze herinnering is hun geluid deel gaan uitmaken van de gebeurtenissen die zij aankondigden of versloegen. Rampen en nationale feestdagen, amusement waar men voor thuisbleef en de gebeurtenissen van alledag. De stem van Hilversum werd de stem van Nederland, of althans van een generatie.

Misschien dat het geprononceerde geluid dat Hilversum tot ver in de jaren vijftig produceerde iets te maken heeft met het beginpunt van de omroepcarrière van opvallend veel nieuwslezers en omroepers: de Wereldomroep. Uiteenlopende stemmen als die van Frits Thors, Joop van Zijl, Jaap van Meekeren, Fred Emmer, Philip Bloemendal en Jan Roelands werden daar getraind. Dat wil zeggen: getraind om via de korte golf door ruis en storingen heen gehoord te worden in uithoeken van de wereld. Hard en dui-de-lijk spreken betekende dat. Ieder afzonderlijk woord moest aandacht krijgen, een nonchalante voordracht was uit den boze.

Het achterliggende idee was simpel: het spraaksignaal en ook het taalsysteem als geheel zijn redundant. Redundantie zorgt ervoor dat luisteraars niet alle gegeven informatie nodig hebben om de boodschap te begrijpen. Hoe meer informatie – duidelijk uitgesproken klanken, pauzes bij komma’s en punten – er doorgegeven werd, hoe meer er onderweg verloren kon gaan zonder dat de begrijpelijkheid van de berichten verdween. Wie bij de Wereldomroep kon werken, had zijn brevet van verstaanbaarheid gehaald.

De nieuwe generatie presentatoren klinkt anders. Ook minder goed? Philip Bloemendal vindt van wel. Herhaaldelijk heeft hij de telefoon gegrepen om zijn ongenoegen kenbaar te maken over de nieuwslezers van het ANP want het is naar zijn mening ‘één grote jij-bak in Hilversum.’

Maar echt helpen doen zijn bemoeienissen niet. Eén van de ergste boosdoeners (‘nee, laat ik zijn naam maar niet noemen’) beet hem zelfs onvriendelijk toe dat hij zich ook iedere dag rot ergerde aan Bloemendal, die in de Amsterdamse metro met zijn bioscoopstem de stations aankondigt. Het toeval wil dat uitgerekend deze persoon het nieuws leest als ik bij Bloemendal op bezoek ben. We luisteren ernaar en alsof hij het voelt heeft de man het prompt over een politicus. Het verkeerd leggen van de klemtoon is volgens Bloemendal een van de meest voorkomende fouten onder jeugdige collega’s. De strijd tegen de werkgévers en –némers die de normale wèrkgevers en wèrknemers geheel vervangen hebben, heeft hij al min of meer opgegeven. Het óverleg is vrijwel ingeburgerd.

Allemaal slordigheid en gemakzucht, volgens Bloemendal. Zelf is hij iemand die wetenschappelijke onderzoekers verbaasd doet staan over zijn zorgvuldige uitspraak. Bij het Instituut voor Perceptie Onderzoek (IPO) in Eindhoven liet men hem teksten op normale en letterlijk op dubbele snelheid inspreken (Bloemendal: ‘Ik wist niet dat ik het zo snel kon’). Gewone mensen vertonen dan een verschijnsel dat klinkerreductie wordt genoemd: hun klinkers klinken niet zuiver meer en gaan meer op stomme e’s lijken. Zo niet bij Philip Bloemendal: ook op topsnelheid blijft iedere a een a. ‘Maar,’ zegt hij zelf, ‘iedereen vertelt me altijd dat ik te kritisch ben.’

Kansel

Stemmen, klanken – het zijn niet meer dan luchttrillingen, maar ze zijn goed voor hopen emoties. Veel Nederlanders delen Bloemendals ergernis. Over de uitspraak ‘Nikerakwa’ voor ‘Nicaragua’. Over het aanstellerige gedoe van TROS-presentator Tom Blom die geheimzinnig fluisterend het wereldrecord vallende dominostenen verslaat. Maar ook over het erbarmelijke Engels van onze ministers.

De stemmen van Nederland komen dagelijks via steeds meer radiozenders en televisienetten in steeds meer variëteiten op ons af. Voorbij is de tijd dat alleen door- en met een selecte groep autoriteiten werd gesproken over de zaken die ons allen raken. De democratisering heeft met zich meegebracht dat we niet langer voornamelijk uit de hoogte worden toegesproken: op radio en tv mag iedereen nu meepraten.

Volgens Rien Huizing – vroeger nieuwslezer op de televisie en tegenwoordig hoofd van de radionieuwsdienst ANP – valt de lossere spreekstijl die tegenwoordig door omroepers wordt gehanteerd inderdaad te wijten aan de omstandigheid dat tegenwoordig alle lagen van de bevolking aan het woord komen: interviewers passen zich daaraan aan, ze onderscheiden zich in hun taalgebruik liefst niet te zeer van hun onderwerp. Of dat een voor- of een nadeel is laat hij graag in het midden: de tijden zijn veranderd, en de nieuwsdiensten met hen.

Huizing: ‘Vroeger werd er geroepen: “Stil, jongens, het nieuws is er!”en dan moest het hele gezin zijn mond houden, want vader wilde luisteren. Er bestond toen ook de neiging om dat nieuws als een soort donderpreek van de kansel het publiek in te jagen. Het gewichtige is er nu vrijwel af. Echte oorlogsstemmen, zo noem ik ze altijd maar, bestaan niet meer. Toch heb ik vroeger ook zo geklonken; laatst hoorde ik mezelf toevallig terug in een extra nieuwsuitzending ten tijde van de Cuba-crisis. Ik stond verbaasd over mijn eigen toon.’ Huizing vergelijkt nieuwsuitzendingen met een ritueel, een liturgie.

Bij de radio is al zo’n dertig jaar hetzelfde boekje in gebruik dat het stramien voor een nieuwsbericht geeft. Toon en woordgebruik zijn licht gewijzigd, maar de compositie is hetzelfde gebleven. De tekst moet nog steeds helder zijn, lange en korte zinnen horen elkaar af te wisselen, en al te veel bijzinnen dienen vermeden te worden. Vage criteria, maar Huizing heeft waarschijnlijk gelijk als hij stelt dat het geluid van de radionieuwsdienst in vergelijking met de rest van de programma’s veruit het minst veranderd is. De diskjockey-taal heeft nog maar weinig vat op het nieuws, maar Huizing signaleert wel al de trend om de klemtoon ‘vóórtdurend’ op de eerste lettergreep van een woord te leggen (‘nationaal-économische problemen’). Hij schrijft die toe aan de neiging alles heel hard ‘neer te zetten’.

Fanfare

‘In Nederland zijn we langzamerhand gewend geraakt aan de manier waarop ze het ook in Amerika doen: met fanfare’, weet Cees Manintveld. ‘De boel moet worden opgeblazen en liefst moet er in een stem doorklinken dat alles wat-ie zegt belangrijk is. “Anders zou ik het toch niet zeggen?” – die toon heeft het. Alleen bij het nieuws gebeurt dat hier nog niet.’ Manintveld leidt in Hilversum het internationale stemmenbureau Multi-Voice, dat bemiddelt en begeleidt als er teksten gesproken moeten worden bij films, documentaires en in de reclame.

Over belangstelling van potentiële lezers, sprekers en aankondigers heeft hij niet te klagen, maar de meeste gegadigden voldoen niet direct aan de eisen die het vak stelt. Want stem zijn is een vak, daar is men het in Hilversum roerend over eens.

Wie niet irriteert of afleidt van de boodschap die het publiek dient te bereiken, beheerst dat vak. Een goede stem, die hoor je eigenlijk niet. Het mooiste compliment dat Jan Roelands – de stem bij ontelbare documentaires, bij Teleac en van het wekelijkse radioprogramma Wat een taal – ooit hoorde, kreeg hij na afloop van de persvoorstelling van een film waarbij hij het commentaar geleverd had. Hij werd aan iemand voorgesteld als degene die de teksten geschreven en gesproken had. Gegeneerd bekende de man die hem de hand schudde, dat hij zich helemaal geen tekst herinnerde.

‘Dat betekent’, zegt Roelands enthousiast, ‘dat beeld en geluid één pakketje geworden waren. Dat is precies de bedoeling. Je moet je dienstbaar maken.’

‘Het is wel een vak waar ijdelheid bij komt kijken’, meent Rien Huizing, ‘maar we kunnen geen acteurs gebruiken. Een stem mag niet koketteren, dat staat de voordracht in de weg.’ Bij Multi-Voice melden zich dagelijks ‘mooie stemmen’. Manintveld: ‘Die mensen komen voor-le-zen, en hun moo-ie stem la-ten ho-ren. Dan denken ze dat ze meteen ingeschreven worden en werk krijgen. Maar het gaat erom wat je kunt dóen met je stem. De demonstratieband van een stem voor een klant bevat altijd twee soorten commentaar: een bedrijfspresentatie, die stevig in elkaar moet zitten en ook krachtig gebracht moet worden, en daarnaast een documentairetekst, die niet opdringend mag zijn en niet zo gepusht wordt.’

‘Bovendien staan er een aantal reclamespotjes op zo’n bandje. “Voel je goed, voel je zeker met…” moet intiem klinken, maar een commercial voor een belastingalmanak kan wat zakelijker gebracht worden. En dan hebben we ook altijd een tekst van jezelf met dingen als “Ze hebben me gevraagd of ik iets wil vertellen over.., en, nou, dat vind ik..” Dat is het allermoeilijkste: iets op zo’n natuurlijkemanier zeggen dat het net is of je gewoon praat. De stemtesten die ik doe lopen altijd uit. Je probeert er toch alles uit te halen.’

Stemregie heet die laatste bezigheid en volgens Jan Roelands wordt daar veel te weinig aan gedaan in Hilversum. Zelf vindt hij het heerlijk. ‘Je moet alleen nooit in de val lopen om het voor te gaan doen. Mensen moeten met hun eigen stem werken, zich inleven in de tekst. Ik praat er dan in grote cirkels omheen, maak omtrekkende bewegingen. Het gaat er meestal niet om iets te leren, maar iets af te leren.’ Stemmen moeten volgens Roelands ‘dicht tegen zichzelf gaan aanzitten’, want ‘vernisjes – daar kijkt iedereen doorheen.’ Roelands coachte indertijd Bert Haanstra toen die zelf de teksten van zijn film Bij de beesten af wilde inspreken. Haanstra betoonde zich ‘zeer regisabel’. Bij zichzelf bespeurt Roelands veel voldoening als er eens een keer iemand is ‘die net zolang doorzeikt tot het zo klinkt als hij het hebben wil.’

Maar meestal is hij zelf degene die doordramt en roept dat iets over moet. Tot onbegrip van de producenten. Er was er eens een die verbaasd vroeg: ‘Maar je hebt je toch niet versproken?’ Roelands kan er nog wild van worden. Vertel hem ook niet dat hij een ‘mooie stem’ heeft. ‘Dat zijn allemaal mystificaties! Men zoekt het in de klank, in het timbre van een stem. Maar het zit ‘m niet alleen in het geluid.’

Toontje

De resultaten van wetenschappelijk onderzoek, of beter: het gebrek aan resultaten, lijken Roelands voorlopig gelijk te geven. Welke ingrediënten nu precies het karakter van een stem bepalen, is namelijk nog altijd niet goed duidelijk.

Het IPO geeft grif toe dat de wetenschap voorlopig niet in staat is om zelfs maar aan te geven wat gemist kan worden en wat niet. Om daar achter- te komen probeert men stemmen ‘uit te kleden’, waarbij bijvoorbeeld een tekst geheel op één toonhoogte wordt afgespeeld. Bloemendal klinkt dan zoals te verwachten valt nogal monotoon, maar nog steeds even karakteristiek.

Een onderzoek naar ‘het toontje’ van actrice Mary Dresselhuys liep ook op niets uit. Men kwam er niet achter waar ’t hem in zat. Misschien gaat het om hele subtiele dingen en is de meetapparatuur van het IPO nog te grof, zo luidt een veronderstelling. Bloemendals uitzonderlijke prestaties bij het snel voorlezen gooit men er voor het gemak maar op diens ‘beweeglijke spraakorganen’.

Jan Roelands heeft vanuit zijn praktijkervaring een heel ander idee voor een onderzoek: ‘Laat eens iemand met een zogenaamde aangename stem een tekst lezen zonder de juiste pauzes en zonder het tonen van begrip en zet daar tegenover iemand die geen mooie stem heeft, maar duidelijk weet waar het over gaat. Ik ben er heilig van overtuigd dat iedereen de tweede stem mooier zal vinden dan de eerste.’

Een aftiteling waarop staat ‘Stem: Jan Roelands’ roept om die reden dan ook hevige weerzin bij hem op. Roelands: ‘Ik ben geen stem. Ik zit er zelf aan vast.’ Hij maakt het liefst zijn eigen teksten, want dan kan hij, zoals dat in Hilversums jargon heet, ‘naar zijn eigen bek’ schrijven. Na ruim vijfentwintig jaar heeft hij daar zoveel ervaring in, dat hij eigenlijk alleen nog spreektaal kan schrijven.

Wie de tekst van een van zijn programma’s opvraagt hoeft hooguit op een casettebandje te rekenen: uitgeschreven zijn alle herhalingen en halve zinnen in de ogen van normale lezers al snel fout of irritant en lelijk. Zijn teksten annoteert hij ijverig met halen en accenten en strepen tot ze een soort partituur zijn geworden en van tevoren wil hij ook graag precies weten wie zijn publiek zal zijn. Hoe meer mensen er bijvoorbeeld naar een bedrijfspresentatie komen luisteren, des te minder ‘intiem’ of ‘huiskamerachtig’ zijn toon.

Nieuwslezers bij de radio kunnen hooguit een enkele zinsnede die ‘niet lekker bekt’ in een nieuwsbericht veranderen, maar de presentatoren van het televisiejournaal schrijven hun teksten ook vaak zelf. Er is geen sprake van ‘binnenkomen, zitten, papiertje pakken en voorlezen.’

Wie zelf niet begrijpt wat hij zegt, kan geen doorgeefluik voor informatie aan anderen zijn. ‘Je hoort het direct als dat misgaat’, zegt Noortje van Oostveen, die zelf net achter de schermen van het NOS-journaal is gaan werken, in plaats van erop. De presentatoren weten dus wat er in de wereld gebeurt, ze lezen de telexen, doen mee aan redactievergaderingen en beginnen zo’n anderhalf uur voor iedere uitzending hun tekst te oefenen.

Toch worden er nog vreemde fouten gemaakt, men spreekt bijvoorbeeld over ‘de aanval in de golf van gisteren,’ alsof er ook een ‘golf van vandaag’ bestaat. Van Oostveen denkt dat dat komt ‘doordat je zoveel energie en concentratie in die tien of twintig minuten moet stoppen. Dan zit je wel eens tien seconden op de automaat’.

Foutloos voorlezen is het minst moeilijke aspect van haar vak. ‘Als je dat niet kunt, moet je niet aan dit vak beginnen. Er zijn natuurlijk wel eens van die echte tongbrekers, drie keer ‘sch’ achter elkaar bijvoorbeeld. Of je hebt twee woorden die met dezelfde klank beginnen, zoals bij ‘het huis’ – dan neem je soms de klinkers van het tweede woord al bij het eerste woord en begin je ‘hui’ te zeggen in plaats van ‘het’. Zo’n enkele verspreking zal niemand ons kwalijk nemen, denk ik.’

Over de veel lossere stijl waarin het journaal sinds enige tijd gepresenteerd wordt, maken meer mensen zich druk. Die stijl moet volgens Noortje van Oostveen ‘een goed midden houden tussen afstandelijkheid en betrokkenheid. Het NOS-journaal moet in de feiten die het brengt en in de woordkeus objectiviteit nastreven, ook al weten we dat dat niet echt bestaat. Met soms een lachje of een handgebaar proberen we het nieuws aantrekkelijk op te dienen, maar het mag niet zo zijn dat de mensen na afloop zeggen: “nu weet ik wat Joop van Zijl ervan vindt.” De kijkers mogen door ons niet van het nieuws worden afgeleid.’

Philip Bloemendal wordt juist heel erg afgeleid door de nijver bewegende handen van Joop van Zijl en doordat hij ‘geen punten leest’. Ook vindt Bloemendal dat we tegenwoordig dikwijls worden toegesproken alsof we kleine kinderen en analfabeten zijn.

Het televisiejournaal heeft de benadering van zijn publiek inderdaad wezenlijk veranderd. De manier waarop Maartje van Weegen de Nederlanders deze week nog gezellig-begrijpend vertelde ‘dat er weer even angst voor radio-actieve straling was’ zou vijf jaar geleden nog ondenkbaar zijn geweest. Presentatoren en correspondenten tutoyeren elkaar dat het een lieve lust is: ‘Dag Laura..’, ‘Zeg Philip, hoe zit het nu precies met…’, ‘Bedankt, Haye!’

En de heringevoerde weerman voert de ‘persoonlijke betrokkenheid’ aan het eind van iedere uitzending tot maximumsterkte op. Erwin Krol meldt af en toe vrolijk dat hij ons ‘voor morgen mooi weer te bieden heeft’ alsof hij het zelf heeft gemaakt.

‘Wat de een gemakkelijk en prettig vindt om naar te luisteren, is voor de ander weer te nonchalant. We moeten natuurlijk ook iedereen bedienen, mensen van alle opleidingsnivo’s,’ zegt Rien Huizing diplomatiek. Los van alle technische eisen (juiste klemtonen, begrip, kennis van buitenlandse namen), wil hij benadrukken dat de stem van een nieuwslezer ook een eigen karakter moet hebben. Hij spreekt van ‘allure’. Want al te glad gebrachte teksten gaan het ene oor in en het andere weer uit.

In Hilversum wordt die stelling door iedereen onderschreven. Maar de vraag hoe ‘eigen’ een stem mag zijn blijkt een teer punt. Anders geformuleerd luidt die vraag namelijk: Noraly Beyer, de donkere presentatrice met haar onnederlandse r-en, haar z die een s wordt en haar v die als een f klinkt – kan die nu wel of niet? Wie met ‘nee’ antwoordt, loopt kans dat hem racisme wordt verweten. In Hilversum spreekt men daarom vooral over haar presence, die heel goed is, en over haar uitstekende kennis van journalistieke zaken. ‘Ze zou uitstekend het nieuws in Paramaribo kunnen presenteren,’ zegt Philip Bloemendal. ‘Ze spreekt prachtig, maar het is geen ABN.’

Rien Huizing zou haar niet aannemen voor zijn radionieuwsdienst, omdat je het op de radio alleen van het geluid moet hebben. Op de televisie kan Noraly Beyer volgens hem prima, want daar wordt je gesteund door ‘de expressie van gelaat en gebaar’. Noortje van Oostveen ziet geen enkel probleem ‘zolang er in Nederland zoveel honderdduizenden Surinamers wonen.’ Maar wonen er dan geen honderdduizenden Limburgers, Groningers en Tukkers die wegens hun regionaal gekleurde tongval een baan op radio of televisie wel kunnen vergeten? Dat heeft inderdaad iets vreemds, moet de Journaal-redactrice toegeven.

Veronica

Regionale accenten mogen in de reclame juist weer wel. Bij Multi-Voice ziet men in de belangstelling daarvoor ‘golven,’ modes. Na een hit van een Haagse zanger is het Haags een tijdje in, maar dan komen het Gronings en het Limburgs weer. En is geen peil op te trekken. De trend van het moment is een grote vraag naar jonge stemmen.

De Veronica-stem van ‘je bent jong en je wilt wat’ (die Jos Bergenhenegouwen heet) werkte al bij Manintveld voor hij van de voormalige piratenomroep de kans kreeg de meest uiteenlopende onderwerpen met dezelfde hoge graad van geëxalteerdheid te begeleiden. Alles klinkt hetzelfde. Niemand wilde hem vroeger hebben en nog is de vraag naar zijn geluid maar heel beperkt. Vreemd eigenlijk, want het imago dat er bij hoort, doet voor Veronica wonderen. De kijkcijfers van deze omroep zijn op zichzelf tamelijk bedroevend, maar de ledenaanwas is al jaren spectaculair. Het lijkt niet gewaagd te veronderstellen, dat dat iets met de zeer karakteristieke, schreeuwerige presentatie te maken heeft.

Schreeuwerig? Aan de Veronica-stemmen kun je inderdaad afhoren dat ze goed hard zijn opgenomen. Volgens de deskundigen van het Instituut voor Perceptie-Onderzoek helpt het niet wanneer je de volumeknop zachter zet; de ‘moeite’ waarmee een tekst is ingesproken blijft er namelijk altijd in doorklinken. Dat maakt voor sommigen het Veronicageluid zo ergerlijk.

Stemmen roepen emoties op, maar in hoeverre mogen ze zelf emotioneel zijn? Volgens Philip Bloemendal horen in een nieuwsbulletin de voetbaluitslagen net zo te klinken als het overlijdensbericht van de koningin. Wat Jan Roelands betreft moet een stem strakker klinken naar mate de bijbehorende beelden emotioneler zijn. ‘Meegaan’ mag niet. Sterker nog: soms zijn de beelden zo emotioneel dat alleen stilte gepast is. Hij ontnam zichzelf eens een klus door de redactie van Brandpunt ervan te overtuigen dat hun beelden van de Berlijnse muur zo krachtig waren dat gesproken woord er alleen maar afbreuk aan kon doen.

Wie bewust poogt emoties te laten doorklinken beweegt zich bovendien op een hellend vlak. Uit een proef van het IPO blijkt dat luisteraars doorgaans niet erg goed zijn in het herkennen van de bedoelde emotie. Hoe meer interpretatiemogelijkheden aan proefpersonen werden voorgelegd (verdriet, vreugde, woede) des te groter hun verwarring. Zeker is, dat een combinatie van korte klinkers en lange medeklinkers een ‘kortaf’ effect geeft, ook als de tekst in zijn geheel even lang duurt als bij ‘normale’, gemiddelde klinkers en medeklinkers.Snel en haastig lijken teksten die zonder pauzes worden uitgesproken, met het aantal syllaben per seconde heeft dat minder te maken. Een goede stem kan dus goed ‘timen.’

Mopperen

‘Stemmen’ poneert Cees Manintveld, ‘zijn de spiegel van de ziel. Alles zit erin. Stemmen worden ook rijper, al kun je niet horen hoe oud iemand is. Daarom moet ik iedere paar jaar een nieuwe demo-cassette van al mijn stemmen maken.’

Dat Philip Bloemendal nog net zo klinkt als veertig jaar geleden is dus een illusie. Maar wel een illusie die gebruikt kan worden. Bloemendal is de enige presentator die ik tegenkom, die ‘zijn’ stem op kan zetten, die hem aan en uit kan doen. Het geluid dat hij professioneel voortbrengt is uniek en onverbrekelijk verbonden met herrijzend Nederland en het bioscoopjournaal.

De reclamemakers van de Postbank benutten handig die collectieve associatie toen ze hem vroegen te helpen bij de introductie van de giromaatpas. Aanvankelijk was nieuwspresentator Koos Postema ingeschakeld om vaderlijke adviezen te verstrekken over het gebruik, maar daar stak de Reclameraad een stokje voor: Postema’s objectieve journalistenimago verhulde compleet dat het hier om reclame voor een commercieel produkt ging.

De stem van Philip Bloemendal gaf op een heel andere manier een oud-vertrouwde glans aan het zeer nieuwerwetse electronisch betalen en dat mocht wèl. Zijn timbre hoort bij het ouderwetse avondje naar de bioscoop: het licht gaat uit, zacht piepend schuift het voorhang open, de projector zoemt en in een romig zwart en wit zijn daar de eerste beelden. Dankzij zijn stopwatch zet de commentator zonder een schep adem vooraf onmiddelijk keihard in: het eerste kievitsei, een huishoudbeurs, de Keukenhof in volle bloei – toen was geluk nog heel gewoon.

Zijn huiskamerpubliek indachtig had Bloemendal aanvankelijk de tekst bij het Postbank-filmpje met een doordeweekse stem ingesproken, maar dat was uiteraard niet de bedoeling. Professioneel voorzag hij daarop de beelden van zijn kenmerkende geluid, de stem van een generatie die al bijna verdwenen is maar waar we dierbare herinneringen aan hebben.

Een vriendelijke ronde man is hij, bijna zeventig jaar oud inmiddels, en niet de lange, magere heer die veel mensen in gedachten met zijn stem associëren. Hij wil eigenlijk liever niet aldoor mopperen en benadrukt graag dat sommige nieuwslezers van nu het juist heel goed doen. Hij heeft ook wel eens de telefoon gepakt om Rennie Pereira te complimenteren na een perfect gelezen nieuwsbulletin. Een stem zijn, vindt hij, heeft soms grote voordelen. Als Philip Bloemendal voor diabetespatiënten collecteert stapt hij gewoon een warenhuis binnen en zet zijn stem op. Het geld stroomt dan binnen.

Noot: een stuk van 3680 woorden, goeiendag, wat een lap. Ik had niet eerder zo’n omvangrijk onderwerp te pakken gehad, en alles netjes aan elkaar breien bleek nogal een klus waar ik me danig op verkeken had. En hoe ik moest beginnen, wist ik ook niet echt. Vandaar dat ik het goed vond dat de chef van het Zaterdags Bijvoegsel, – dat was toen Hans Maarten van den Brink – de eerste alinea’s schreef. Hij schudde ze zo uit zijn mouw, ik zie het nog voor me. Gloedvol proza ook. Zoiets is me verder nooit meer gebeurd, en ik ben dit stuk altijd blijven voelen als ‘niet helemaal van mij’, alsof ik vals had gespeeld. Meer dan drie decennia later is dat begin voor mij nog steeds zó overduidelijk niet mijn toon, niet mijn woordkeus. Om niet te zeggen: niet mijn stem – het onderwerp van het artikel. Maf is dat. Er volgde overigens nog flink veel discussie en commentaar op dit verhaal, tot ver buiten de NRC, vooral naar aanleiding van Bloemendals opmerkingen over Noraly Beyer. Wat die laatste allemaal toen over zich heen kreeg was echt naar en schokte me.

 

‘Hoe is het mogelijk dat we zoveel weten als we zo weinig gegevens hebben?’

Dertig jaar geleden brak de Chomskyaanse revolutie in de taalkunde uit. Inmiddels is Chomsky’s theorie, de generatieve grammatica, uitgangspunt voor menig taalkundig onderzoek in de wereld. De theorie is een gecompliceerd systeem geworden van regels en mechanismen die aan taalbouwsels ten grondslag liggen. Voor een buitenstaander niet makkelijk te volgen, maar de ideeën waarop de theorie berust zijn volgens Chomsky zelf eigenlijk heel eenvoudig. Noam Chomsky (1928) is als hoogleraar werkzaam op het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston. Een charmante en soms ineens verlegen man over zijn vak.

Taalkunde zoals die door u en een grote groep wetenschappers om u heen bedreven wordt staat bekend onder de naam ‘generatieve grammatica’. Waar staat die term voor?

“De term generatief is misleidend omdat hij te technisch is. In feite is generatieve grammatica gewoon klassieke taalkunde. Het sluit aan bij de ideeën van voor het midden van de negentiende eeuw. In de drie eeuwen die daaraan vooraf gingen, ruwweg van Descartes tot Wilhelm von Humboldt, had men zich beziggehouden met tamelijk voor de hand liggende zaken in menselijke taal.”

“Bijvoorbeeld, u en ik zitten hier te praten. Dat doen we op basis van gedeelde kennis. Onze kennis van het Engels komt niet helemaal overeen, maar genoeg om probleemloos te kunnen communiceren. De vraag is nu: wat delen wij dat ons in staat stelt te doen wat we nu doen? Vijftig of dertig jaar geleden zou het antwoord geweest zijn: we delen een systeem van gewoontes dat gereguleerd wordt door prikkels van buitenaf. Dat was het idee van behavioristen als Bloomfield en Skinner en het is duidelijk een volkomen verkeerd antwoord. Taal wordt niet van buitenaf beregeld: als we daar zin in hebben kunnen we nu over ieder willekeurig onderwerp gaan praten, van ‘de veertiende eeuw’ tot ‘het leven aan de achterkant van Uranus’.”

“De klassieke benadering, die zonder meer correct is, zegt daarentegen dat we een kennissysteem delen. Op de een of andere manier heeft dat een systeem van regels in ons hoofd ontwikkeld, en dat regelsysteem gebruiken u en ik als we met elkaar praten. De vraag is nu natuurlijk: waaruit bestaat dat kennissysteem? Wel, het heeft een aantal frappante karakteristieken, die in de tijd van het moderne rationalisme (dus zeg maar vanaf Descartes) voor het eerst benadrukt werden.”

“Men heeft toen ongeveer driehonderd jaar lang onderzoek gedaan naar wat wij het ‘creatieve aspect van taalgebruik’ zouden noemen: taal is ‘vernieuwend’ in die zin dat we steeds weer dingen zeggen en horen die we nog nooit eerder gezegd of gehoord hebben. Het aantal verschillende zinnen dat we kunnen maken en het aantal onderwerpen dat we ter sprake kunnen brengen is letterlijk eindeloos.”

“Bovendien heeft gewoon taalgebruik een eigenschap die nog het beste ‘samenhang’ genoemd kan worden: er is geen sprake van willekeurige produktie. Het is een eigenschap die heel moeilijk te definiëren valt, maar je kunt hem wel makkelijk herkennen. Als je bijvoorbeeld een schizofreen hoort praten dan weet je dat zijn taalgebruik die samenhang mist.”

“Die ‘vernieuwing’, die samenhang en die onafhankelijkheid van prikkels van buitenaf, zijn eigenschappen die raken aan de kern van taal, en die wil de generatieve grammatica bestuderen. Von Humboldt vatte die kern samen als ‘oneindig gebruik maken van eindige middelen’. Maar in zijn tijd waren er nog geen technische middelen voorhanden om dat uit te drukken. Een van de redenen dat er een einde kwam aan de klassieke traditie was dan ook dat men niet verder kon komen door een gebrek aan gereedschap. Dat is altijd het geval bij wetenschap: om te kunnen beginnen met het onderzoeken van empirische vragen, moet je een zeker niveau van mathematisch en formeel begrip hebben.”

“Het heeft tot de dertiger jaren van deze eeuw geduurd voordat er, vooral binnen de wiskunde, ideeën en middelen werden ontwikkeld waarmee het wel mogelijk werd om dat ‘oneindig gebruik van eindige middelen’ te onderzoeken. Het juiste gereedschap maakte het mogelijk de traditionele vragen over menselijke taal en menselijk denken weer nieuw leven in te blazen, dit keer met de hoop een paar echte antwoorden te krijgen. ‘Genereren’ is niet meer dan een technische term uit de wiskunde.”

Maar waarin zit dan precies het verschil met traditionele grammatica zoals we die allemaal op school geleerd hebben?

“Traditionele grammatica is in heel andere kwesties geïnteresseerd dan generatieve grammatica. Als gevolg daarvan zijn ze bijna complementair: de een doet precies wat de ander nou net niet doet. Bij traditionele grammatica gaat het in de eerste plaats om uitzonderingen, je leert bijvoorbeeld de onregelmatige werkwoorden als je zo’n grammatica bestudeert, maar de gewone, reguliere regels kom je er niet in tegen. Niemand wist trouwens ook welke dat waren. Generatieve grammatica wil zich juist met die regelmatigheden bezighouden.”

Hoe kun je die gewone regels bestuderen? Waar begin je?

“Het allerbelangrijkste is leren je te verbazen. Er zijn hele simpele feiten in taal die de traditionele grammatica niet bestudeert. Als je bijvoorbeeld een zin neemt als Jan zag hem, dan weet je dat hem niet op Jan slaat. Of neem een andere zin: Hij zag Jan, dan weet je ook dat Jan en hij onmogelijk dezelfde persoon kunnen zijn. Soms kan dat weer wel, bijvoorbeeld in een zinnetje als Jan denkt dat Piet hem aardig vindt, maar daar kunnen Piet en hem weer niet dezelfde zijn. Dit is een universeel gegeven, het geldt voor alle talen.”

“Als je alle feiten op een rijtje zet dan zie je dat er een klasse gevallen is waar het persoonlijk voornaamwoord kan verwijzen naar een naam of een zelfstandig naamwoord, en een andere klasse waar dat niet kan. En dat maakt weer deel uit van een veel bredere en abstractere klasse van feiten.”

“Het gaat hier om de regelmatigheden van taal, en die zul je zelfs in de dikste tiendelige traditionele grammatica niet tegenkomen. Op zichzelf is dat niet zo vreemd. Een traditionele grammatica is meestal gericht op onderwijs. En voor het onderwijzen van een taal zijn de onregelmatigheden veel belangrijker, omdat mensen de regelmatigheden al kennen. Daarvoor zijn het mensen. Als u mij nu bijvoorbeeld Nederlands gaat leren, dan moet ik wel alle onregelmatige werkwoorden zien te onthouden, maar u hoeft me niet de regels voor persoonlijke voornaamwoorden bij te brengen. Die ken ik al omdat ik een mens ben.”

“Wil je taal bestuderen met de bedoeling uit te vinden wat de aard van menselijke kennis is dan ben je geïnteresseerd in de dingen die alle mensen weten, niet in buitenissigheden of uitzonderingen. Die kunnen leuk of amusant zijn, maar ze vertellen je niet veel over de menselijke natuur of psychologie. En dat is waar generatieve grammatica in de eerste plaats in iets over te weten wil komen.” 

Denkt u dat resultaten van generatief onderzoek te gebruiken zouden zijn op bijvoorbeeld scholen? Of meer in het algemeen: heeft dit soort kennis praktisch nut?

“Dat is denkbaar, maar het ligt niet direct voor de hand. Deels natuurlijk omdat generatieve grammatica zich bezighoudt met dingen die je niet hoeft te leren. Aan de andere kant kan het voor een leraar wel nuttig zijn te weten hoe sommige dingen werken voordat hij ze gaat onderwijzen, al zal veel van zijn begrip nooit in de praktijk gebruikt worden. Stel je bijvoorbeeld voor dat je iemand leert zwemmen. Dan zou het nuttig zijn om iets te weten over fysiologie, maar je zou je leerling geen fysiologie gaan onderwijzen. Het is voor jezelf prettig om er iets vanaf te weten, zodat je een idee hebt van wat belangrijk is en wat niet. Maar je leerling gebruikt veel van zijn fysiologie natuurlijk gewoon vanzelf, omdat hij een mens is.”  

In traditionele grammatica’s wordt vaak voorgeschreven wat goed en wat fout is, generatieve grammatica wil dat juist béschrijven. Maar hoe weet je dan wat een goede zin is?

“Zoals u dat weet, zoals we dat allemaal weten. Op dezelfde manier waarop ik weet dat ik een boom zie wanneer ik uit het raam kijk. Hoe weet ik dat ik een boom zie? Daar kan ik geen antwoord op geven. Zo zit ik in elkaar. Hoe weet ik dat in hij zag Jan hij en Jan niet dezelfde zijn? Ik kan het je niet vertellen. Ik ben een systeem dat zo werkt.”

“Natuurlijk zijn er weleens gevallen waarin het moeilijk is te oordelen, maar dat geldt ook voor visuele waarneming. Het is niet moeilijk een gecompliceerde visuele ervaring te bedenken, waarbij je niet meer weet wat je ziet en eerst moet nadenken en het dan misschien nog niet weet.”

“Hetzelfde kun je hebben bij een taalkundige ervaring, maar over het algemeen weet je precies wat je ziet en wat je begrijpt. De vraag van de wetenschapper is: wat gebeurt er in mijn hoofd als ik een boom zie? En: wat gebeurt er als ik een zin begrijp? Voordat je daar iets over kunt zeggen zul je erachter moeten komen wat mensen zien of wat mensen begrijpen. Dat kan alleen door ze op de een of andere manier uit te horen over hun oordelen. Je moet feiten, bewijsmateriaal hebben voordat je iets kunt proberen te verklaren. Waar die feiten vandaan komen, doet er op zichzelf niet zoveel toe, maar de oordelen van sprekers zijn toevallig heel rijk en bruikbaar bewijsmateriaal.”

Een steeds terugkerend thema in uw werk is ‘Plato’s probleem’. Welk probleem is dat?

“Het gaat hier om een klassieke vraag in het westerse denken, namelijk: hoe is het mogelijk dat wij zoveel weten terwijl we zo weinig gegevens hebben? Plato was de eerste die die vraag stelde. Hij demonstreerde hem met wat waarschijnlijk het eerste psychologische experiment ter wereld was: in een dialoog toont Socrates aan dat een slaaf die nooit enige training in meetkunde heeft gehad toch meetkunde kent. Socrates stelt de slaaf een serie vragen, maar geeft hem geen enkele informatie. Aan het eind blijkt dat de slaaf het gevraagde kan bewijzen. Dat betekent dat hij op de een of andere manier meetkunde kent, zonder dat het hem geleerd is.”

“De vraag was natuurlijk: hoe kan dat? Plato bedacht als antwoord dat de slaaf het zich herinnerde uit een eerder bestaan. Dat is natuurlijk geen antwoord. Maar het is niet zo eenvoudig een ander antwoord te geven, en door de geschiedenis heen is Plato’s antwoord in de een of andere vorm blijven bestaan. Pas aan het begin van de achttiende eeuw begon men er op verschillende manieren aan te twijfelen.”

“David Hume was een van de twijfelaars, en zijn antwoord was allerlei voor de hand liggende feiten te ontkennen. Hij beweerde bijvoorbeeld dat als je twee lijnen had die in een punt samenkwamen, je nooit zou kunnen weten of ze elkaar ook werkelijk ontmoetten, omdat je het precieze moment waarop dat gebeurt niet zou kunnen waarnemen. Iedereen ziet dat dat onzin is. Maar dat is het probleem van een puur empirische benadering, die zegt dat al je kennis gebaseerd is op waarneming en associaties en dat er niets in de geest aanwezig is behalve wat er in de zintuigen zit. Dan moet je de feiten wel ontkennen.”

“Leibniz had een beter antwoord. Die zei dat Plato gelijk had, maar dat het idee van een eerder bestaan fout was. Dat betekent dat kennis wel in de geest aanwezig is, maar niet dankzij een vorig leven of een onsterfelijke ziel of iets dergelijks. Voor Leibniz was de menselijke geest, wat dat ook is, geconstrueerd in overeenstemming met bepaalde principes, zoals die van de Euclidische meetkunde bijvoorbeeld. En dat is min of meer een correct antwoord. In hedendaagse termen zouden we zeggen dat het biologisch bepaald is dat onze geest zich op een bepaalde manier ontwikkelt, net zoals het lichaam zich alleen op een bepaalde manier kan ontwikkelen.”

“Mensen krijgen bijvoorbeeld armen, en geen vleugels. Zo kunnen ze ook alleen een bepaald soort kennis ontwikkelen. De geest is gewoon een aspect van het lichaam met bepaalde eigenschappen. Bijvoorbeeld dat mensen de wereld in termen van de Euclidische meetkunde kunnen zien, maar ook dat ze taal leren.”

“En een taal leren doen ze allemaal, onafhankelijk van dingen als opleiding en intelligentie. Het tempo waarin en het gemak waarmee kleine kinderen bijvoorbeeld woorden leren, soms tientallen op een dag, doet vermoeden dat het concept van veel van die woorden ingebouwd is. Een keer horen is vaak genoeg, ook voor heel ingewikkelde begrippen zoals achternazitten.”

“Als je probeert een woord als achternazitten te definiëren dan blijkt dat heel lastig te zijn. Jan kan Piet achternazitten, maar dat hoeft niet te betekenen dat Jan Piet ook letterlijk volgt. Hij kan wel een heel andere weg nemen en Piet nog steeds achternazitten. Woorden als achternazitten kom je in alle talen tegen. Kinderen leren ze moeiteloos en het lijkt er dus op dat ze alleen het juiste etiketje (dat van hun taal) hoeven te leren, en niet het begrip zelf.”

“En bij elk aspect van menselijk begrijpen rijst weer de vraag: hoe doen ze dat? Dat is Plato’s probleem, en het is het hoofdprobleem van de psychologie.”

U ziet taal het liefst als een soort biologisch bepaald mentaal orgaan dat groeit, als een apart compartiment van de geest. Waarom?

“Allereerst: taal is een van de interessantste aspecten van Plato’s probleem om te onderzoeken. Het is een kennissysteem dat zich relatief gezien gemakkelijk laat isoleren. Bovendien word je overstroomd met gegevens. Dat maakt het terrein veel toegankelijker dan bijvoorbeeld zoiets als ‘probleem oplossen’. Taalfeiten kun je scheiden van andere aspecten van het leven, en iedere wetenschap is afhankelijk van de mogelijkheid om een onderwerp of probleem af te zonderen. Bovendien is taal iets exclusief menselijks. Kom je iets aan de weet over dit kennissysteem, dan weet je zeker dat je iets over mensen leert. “

“Er zijn verschillende redenen om aan te nemen dat het om een apart systeem gaat. Allereerst is er het feit dat alleen mensen een taalvermogen hebben. Als je verschillende talen bestudeert dan blijken er overeenkomsten tussen die talen te zijn. Dat taalvermogen blijkt in ieder geval voor een deel te beschrijven te zijn in termen van zoiets als een Universele Grammatica. Dat wil zeggen, aan de basis van talen ligt een aantal abstracte principes en regels die voor elke taal gelden. Die regels en principes zijn de voorwaarden voor ‘taal’. Iedere afzonderlijke taal wordt daarmee een invulling van een soort schema. En dat schema, zeg maar de grenzen waartussen taal kan liggen, is biologisch bepaald.”

“Nog lang niet alle principes en regels zijn precies bekend, maar als wat we nu hebben ook maar een beetje in de goede richting is dan zijn ze heel specifiek voor taal. Neem bijvoorbeeld het principe dat ten grondslag ligt aan de mogelijkheden voor Jan en hem om naar elkaar te verwijzen in de zinnen waar we het straks over hadden. Dat principe lijkt heel specifiek op die ene taak toegesneden te zijn. Je komt het niet tegen bij andere vormen van menselijke kennis, zeg het visuele systeem, of ‘hoe je jezelf in een sociaal systeem plaatst’ of iets dergelijks.”

“De uniekheid en de specifiekheid van het taalvermogen maken het aannemelijk dat we met zoiets als een apart ‘taalorgaan’ ter wereld komen. Op zichzelf is dat ook niet zo verbazingwekkend. Het zou heel verwonderlijk zijn als de hersens alleen maar een soort ‘algemene-doelen-functie’ hadden. Het zou ze uniek maken in de biologische wereld waar alles, ook dingen als de lever bijvoorbeeld, een enorm gespecificeerde structuur en functie heeft. Het is alleen historisch altijd bijzonder moeilijk geweest voor mensen om zichzelf als een onderdeel van de biologische wereld te beschouwen.”

Generatief onderzoek richt zich pas sinds kort ook wel eens op de taal van kinderen. Als je uitgaat van een soort taalorgaan dat groeit, ligt het dan niet voor de hand te beginnen bij een baby, die te volgen en te kijken hoe zijn taal groeit?

“Op zichzelf is dat een uitstekend onderwerp om te bestuderen, maar het is veel moeilijker dan het kijken naar de taal van een volwassene. Bij een volwassene kun je taal in een min of meer gefixeerd stadium bestuderen. Neem je bijvoorbeeld een vijfjarige dan bestudeer je een heel rijk systeem dat continu verandert. Het kan volgende week verschillen van wat het vandaag is. En het is veel moeilijker een rijk en complex systeem dat verandert te bestuderen dan net zo’n systeem dat stabiel is. Je ziet ook dat het meeste onderzoek dat hiernaar gedaan is beperkt blijft tot een- of tweejarigen. Bij een driejarige wordt het erg ingewikkeld.”

“Daarnaast is het bij kindertaalonderzoek ook veel moeilijker om aan informatie te komen. Als ik Nederlands wil leren dan kan ik duizend-en-een vragen bedenken waarop u me een antwoord kan geven: wat is dit, wat betekent dat, enzovoort. Een driejarige kun je dat niet vragen. Alles bij elkaar is het een lastig onderwerp, al zou het goed zijn als er meer aan gedaan werd.”

Hoe zit het met het vermogen van mensen om een andere taal naast hun moedertaal te leren?

“Als ze dat tegelijk met hun moedertaal doen dan hebben ze gewoon twee moedertalen. Voor een volwassene ligt het anders. Het lijkt erop dat mensen ergens in hun puberteit het vermogen om een taal perfect te leren beheersen verliezen.”

“Als ik op mijn leeftijd inderdaad nog Nederlands zou willen leren dan is de kans groot dat me dat niet goed zou lukken. Ik zou de woorden wel kunnen onthouden, maar ik zou waarschijnlijk niet vlot leren praten. We weten hier niet veel van. Een experiment waarbij we iemand tot na zijn puberteit alleen zouden voeden, zonder tegen hem te praten, is om ethische redenen uitgesloten. Maar er zijn wel wat anekdotische aanwijzingen.”

“Om een voorbeeld te geven: eind jaren zeventig ging ik voor vier maanden naar Italië met mijn gezin. Mijn zoon was toen tien en hij wilde absoluut geen Italiaans leren. Hij wilde ook helemaal niet weg, maar gewoon bij zijn vriendjes blijven enzovoort. Enfin, we deden hem op een Italiaanse school en daar vond hij het natuurlijk ook helemaal niet leuk, maar na een maand of twee, als we naar een restaurant gingen moest hij voor ons vertalen en vroegen de obers hoe wij Amerikanen toch aan een Italiaans kind kwamen.”

“Ikzelf wilde heel graag Italiaans leren, en ik studeerde en ik las, maar ik leerde geen Italiaans. En toen we een half jaar terug waren, was mijn zoon alles vergeten, terwijl ik wat ik geleerd had wel nog wist. Er zit daar een of ander fundamenteel verschil. Een kind kan taal nog gewoon opzuigen en het dan weer vergeten.”

“Er is nog veel dat we niet precies weten, maar onze kennis heeft inmiddels zoveel meer niveau en diepgang bereikt dan ooit tevoren dat ik hoopvol gestemd ben voor de toekomst.”

Dit interview staat ook in alletwee de versies van Het vermogen te verlangen (9 letters), gesprekken over taal en het menselijk brein.

“Ik denk dat de eerste taal van de mens een soort creolentaal was”

Wat gebeurt er als mensen met een verschillende moedertaal toch met elkaar willen praten? Dan ontstaat er een pidgin, een soort contacttaal. Krijgen de pidginsprekers kinderen, dan kan een pidgin zich ontwikkelen tot een echte, complete taal. Zulke talen heten creolentalen, en je vindt ze over de hele wereld. Volgens Bickerton, die in Nederland de creolentalen uit Suriname kwam onderzoeken, lijken ze allemaal sterk op elkaar. En dat komt, zegt hij, omdat we allemaal met hetzelfde ‘Taal Bioprogramma’ geboren worden. 

Het gebeurde in Suriname, eind zeventiende eeuw. Groepjes slaven ontsnapten van de plantages en vluchtten het oerwoud in. Daar stichtten ze een eigen gemeenschap. Hoe ze op dat moment met elkaar praatten weet niemand: ze kwamen uit verschillende delen van Afrika en hadden deels Engels- deels Portugeessprekende bazen gehad.

Hun nakomelingen (de bosnegers of marrons die nog steeds geregeld in het nieuws komen) spreken nu Saramaccaans, een taal waarin wel Portugese en Engelse woorden zijn te vinden, maar die verder niet op een van die talen lijkt. Er zijn ongeveer 20.000 sprekers van het Saramaccaans. Een klein deel daarvan woont in Nederland.

De slaven die op de plantages bleven hadden dezelfde achtergrond, maar ontwikkelden een andere taal: het Sranan. Ook daar zitten Engelse en wat Portugese woorden in, en ook deze taal lijkt niet op het Engels of het Portugees. Ongeveer een half miljoen mensen spreekt Sranan, een derde van hen woont in Nederland.

Saramaccaans en Sranan lijken overigens ook niet op Afrikaanse talen. Ze lijken eigenlijk nergens op, alleen maar op elkaar én op de zeventig à tachtig andere talen in de wereld die onder vergelijkbare omstandigheden ontstaan zijn. Vrijwel allemaal vormen die de oogst van het koloniale tijdperk. Afhankelijk van de plek op de wereldkaart zijn er bijvoorbeeld Franse, Duitse, Engelse, Portugese, Spaanse of Nederlandse woorden in terug te vinden. Ze worden creolentalen genoemd, en voor taalkundigen zijn ze een ware goudmijn. Er bestaan immers verder geen talen waarvan we zo mooi kunnen nagaan hoe ze ontstaan zijn, en daar komt dan ook nog die merkwaardige gelijkenis bij; creolentalen komen zo verspreid over de wereld voor dat het uitgesloten is dat ze elkaar beïnvloed hebben.

Zoiets schreeuwt om verklaringen, maar pas in het kielzog van de moderne ideeën over grammatica is de creolistiek een echt vak geworden. De overeenkomsten tussen al die talen zitten namelijk vooral in de structuur. Tot dusver is de meest invloedrijke theorie de Taal Bioprogramma Hypothese.

De bedenker daarvan, Prof. Derek Bickerton, deed een jaar lang onderzoek naar de verschillen tussen Saramaccaans en Sranan in Nederland, bij de vakgroep Algemene Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam. Zijn naam is in het jaren tachtig zo gevestigd geraakt dat niemand meer iets over creolistiek kan publiceren zonder op de een of andere manier in te gaan op zijn ideeën.

Creolentalen komen voort uit zogenaamde pidgin-talen. Wat is het verschil tussen die twee?

“Iedere contacttaal die ontstaat tussen mensen die geen gemeenschappelijke taal hebben noemen we een pidgin-taal. Dat kan bijvoorbeeld zoiets zijn als wat matrozen in havens spreken. Zo’n pidgin is nogal beperkt en heeft dikwijls een primitieve structuur, en het is altijd een hulptaal, dat wil zeggen: het kan nooit iemands moedertaal zijn. Maar er zijn omstandigheden waaronder een pidgin wel de moedertaal van een groep mensen wordt. Dan verandert het radicaal, en wel onmiddellijk. Ik wil niet zeggen dat het precies hetzelfde wordt als alle andere natuurlijke talen, maar het krijgt in ieder geval alle essentiële eigenschappen van natuurlijke taal.”

“Meestal is dat gebeurd in plantage-economieën, waar feitelijk een nieuwe maatschappij werd gecreëerd door van buitenaf arbeiders in te voeren. Een maatschappij zonder een eigen taal kan niet bestaan. De reden dat de slaven op de plantages niet de dominante koloniale taal gingen spreken, was dat ze hem niet kenden, en ze hadden niet genoeg contact met hun meesters om hem te leren kennen. Zelf kwamen ze meestal uit verschillende delen van Afrika, dus ze konden ook niet een Afrikaanse taal gebruiken. Daarom moesten ze wel een nieuwe taal uitvinden.”

Maar uw idee is dat de kinderen die creolentalen uitvonden, niet de volwassenen.

“Ja, dat komt heel duidelijk naar voren uit het onderzoek dat ik gedaan heb op Hawaii. Daar heb ik jaren gezeten. Hawaii is de enige plek ter wereld waar dat creolisatie-proces zo kort geleden plaatsvond dat er nog veel overlevenden van de pidgin-periode zijn. Je kunt daar nog steeds gewoon met ze praten, en ze spreken een pidgin-vorm die nauwelijks enige structuur heeft. Het blijft allemaal beperkt tot simpele zinnen, met veel omschrijvingen en aarzelingen. Er zitten veel Engelse woorden in, maar ook nogal wat Hawaiiaanse.”

“Toen ik daar voor het eerst kwam, was er een ding dat me enorm trof: het grote verschil tussen het pidgin van de immigranten, (die uit alle windstreken afkomstig waren) en de taal die hun kinderen gebruikten. Die kinderen zijn op Hawaii opgegroeid en zij maken wel prachtige volzinnen, met complexe structuren, maar dat zijn niet de structuren van het Engels of het Hawaiiaans of wat dan ook. Hun taal lijkt op de talen die onder soortgelijke omstandigheden in totaal andere delen van de wereld ontstaan zijn. Daaruit heb ik geconcludeerd dat niet volwassenen het creolisatie-proces uitvoeren, maar kinderen.”

In welke opzichten lijken die creolentalen dan op elkaar? Kunt u een voorbeeld geven?

“Wat mij zelf indertijd het eerste opviel, en wat ook het duidelijkst is, is de structuur van het ‘hulpwerkwoorden-systeem’. Alle creolentalen hebben een woord dat tijd aangeeft, een woord dat aspect aanduidt, en een woord voor modaliteit. Die woorden zien er natuurlijk niet letterlijk hetzelfde uit, maar ze hebben altijd dezelfde betekenis. Het aspect bijvoorbeeld geeft altijd aan of iets al ‘voltooid’ is of nog ‘niet voltooid’. Is het ‘niet voltooid’, dan is het of nog steeds aan de gang, of het gebeurt regelmatig, van tijd tot tijd zeg maar. Het modaliteit-woord splitst eenvoudig de wereld in feiten en mogelijke gebeurtenissen. Dat betekent dat het verschil tussen ‘Ik zal het doen’ en ‘Ik zou het doen’ niet bestaat. Dit is karakteristiek voor vrijwel alle creolentalen.”

En u denkt dat die karakteristieken ons een inkijkje geven in welke delen van taal we als aangeboren kunnen zien. Ze maken deel uit van wat u het ‘Taal Bioprogramma’ van de mens noemt.

“Ja, mijn stelling is dat een groot deel van de taalstructuur aangeboren is. Dat geldt vooral voor syntactische structuren, dus de zinsbouw, en voor bepaalde aspecten van de semantische structuur, (de betekenis). Die dingen zijn onveranderlijk, en voor alle leden van het menselijk ras gelijk. Ze staan geen enkele variatie toe.

Daarin ga ik dus nog wat verder dan Chomsky, die aanneemt dat er een (overigens klein) arsenaal aan syntactische principes is, waaruit een kind de bij zijn taal passende varianten moet kiezen door naar zijn omgeving te luisteren. Ik zeg dat bepaalde aspecten van de syntaxis en de semantiek op geen enkele manier geleerd hoeven te worden, sterker nog, eigenlijk denk ik dat alle syntactische principes niet aan variatie onderhevig zijn.”

“De vraag is dan natuurlijk wat een kind wel moet leren. Nou, dat weten we allemaal: kinderen leren woorden. Die moeten ze ook echt leren omdat woorden eigenschappen hebben. Ze horen bijvoorbeeld tot een bepaalde woordklasse, en dat brengt soms ook weer eigenschappen met zich mee. Bij werkwoorden moet je weten of er alleen een onderwerp bij mag staan, zoals in ‘Ik zit’, of dat er ook nog een lijdend voorwerp kan volgen (‘Ik koop een boek’) of dat er nog een derde ‘betrokkene’ kan zijn (‘Ik verkoop jou een boek’).”

“De betekenis is natuurlijk ook een eigenschap. Het scala van verschillende functies waarin een woord verschijnt, dat moet een kind leren. Die dingen zijn namelijk niet voor alle talen gelijk, ook verwante woorden kun je vaak niet zomaar vertalen. Neem bijvoorbeeld het Engelse that en het Nederlandse dat: die hebben duidelijk met elkaar te maken, maar toch doen ze niet altijd hetzelfde en zijn er verschillen in functie.”

“Een kind moet dus leren hoe een woord ‘past in de grammatica’. De eigenschappen van de verschillende woorden interacteren met die onveranderlijke, vaststaande syntactische principes. Maar omdat de eigenschappen van de woorden per taal verschillen, krijgen die talen toch een verschillende syntaxis. Als je twee dingen bij elkaar doet, en een van die dingen is altijd hetzelfde en het andere is altijd iets anders, dan zijn de resultaten allemaal verschillend.”

“Wat gebeurt er nou bij creolentalen? Daar heb je te maken met een enorm uitgeklede woordenschat. Dat komt door het pidginisatie-proces dat vooraf gaat aan het formeren van een creolentaal. Pidgin-sprekers zijn als het ware gefrustreerde taal-leerders: ze proberen een bepaalde taal te leren, maar kunnen niet meer dan een klein fragment opsteken. Daarom moeten hun kinderen het met een enorm gereduceerde woordenschat doen, gereduceerd op twee manieren: er zijn veel minder woorden dan normaal, en bovendien hebben die minder eigenschappen.”

“Kinderen hebben, in tegenstelling tot volwassenen, rechtstreeks toegang tot de aangeboren syntactische principes. Dat kunnen we natuurlijk niet uitproberen, maar verhalen over wolvekinderen en dergelijke suggereren wel dat kinderen tot ongeveer hun twaalfde ‘vanzelf’ taal kunnen leren, pas daarna lukt het in ieder geval niet meer probleemloos en automatisch.”

“Dat geldt natuurlijk ook voor de kinderen van pidgin-sprekers, alleen moeten zij het zien te redden met een heel beperkte woordenschat die toch verbonden moet worden aan een complete set syntactische principes. Iedere taal moet nu eenmaal bepaalde dingen hebben, zoals de een of andere markeerder voor tijd en een stel ‘functiewoorden’: dat zijn de woorden die als verbinding tussen gewone inhoudswoorden dienen.”

“Het komt er simpel gezegd op neer dat sommige dingen niet gemist kunnen worden en er toch niet zijn in een pidgin. Voor de creoolgeneratie betekent dat dat ze een heleboel woorden zelf moet uitvinden. Meestal doen ze dat door een woord met inhoud te nemen en dat dan te ‘degraderen’ tot een grammaticaal element. Ze gaan dan bijvoorbeeld een werkwoord gebruiken op de manier waarop in andere talen voorzetsels gebruikt worden. Je zou dat kunnen vergelijken met het achtervoegsel lijk in het Nederlands (heerlijk, uiterlijk). Dat is ooit ontstaan uit lijk dat toen nog lichaam betekende.”

“Door nu te kijken welke veranderingen de kinderen van pidgin-sprekers aangebracht hebben, welke dingen ze erbij verzonnen hebben, welke elementen kortom essentieel zijn, kunnen we een idee krijgen over hoe de ‘universele grammatica’ eruit moet zien. Dit soort onderzoek geeft kijk op de fundamentele principes waarop taal berust.”

En u heeft het idee dat de Surinaamse creolentalen nog meer inzicht in die principes kunnen geven dan andere creolentalen.

“Ja, Suriname is misschien wel het interessantste gebied ter wereld voor de creolistiek. Het gemis aan taal was daar groter dan ergens anders. De reden daarvoor ligt in de geschiedenis van Suriname. Dat begon namelijk rond 1650 als een Engelse kolonie, maar kwam zeventien jaar later al in handen van de Hollanders. Dat betekende dat de oorspronkelijke dominante taal, het Engels, al vrij snel vervangen werd door een andere dominante taal: het Nederlands”

“Toch had dat Engels zich al een stevige plaats verworven. Toen de Nederlanders de boel op een gegeven moment overnamen, kwam het erop neer dat ze het pidgin van de plantages als een buitenlandse taal moesten leren. Nederlands is nooit de voertaal geworden en tot op de dag van vandaag is minder dan 25 procent van de woorden in alle Surinaamse creolentalen Nederlands van oorsprong. Zijn ze dat wel, dan gaat het dikwijls om namen voor dingen die de Nederlanders meebrachten. Zo’n 60 tot 70 procent van het vocabulaire komt uit het Engels, en dan zijn er nog wat Afrikaanse en Portugese woorden.”

“Dat laatste komt omdat een deel van de plantagehouders bestond uit gevluchte Portugese Joden. Dat is een wat rare gecompliceerde historie: die Joden waren meegekomen met de Hollanders bij hun poging Brazilië te veroveren. Die poging mislukte, dus moesten de Joden opnieuw vluchten, omdat ze in een Portugees Brazilië even hard vervolgd zouden worden als in Portugal zelf. Met hun familie en hun slaven, eigenlijk met complete plantages, zwierven ze toen door het hele Caribische gebied. Een deel is nog tijdens de Engelse tijd in Suriname terecht gekomen.”

“Sommige van de ontsnapte slaven die de Saramaccaanse gemeenschap gesticht hebben, waren van die plantages afkomstig, andere hadden een Engelstalige plantagehouder gehad. Die gemeenschap was volkomen geïsoleerd en had dus eigenlijk helemaal geen dominante taal meer, en dat zal wel een van de redenen zijn dat er in het Saramaccaans meer Afrikaanse woorden bewaard zijn gebleven dan in andere creolentalen.”

“Daarnaast hadden slaven de beste kansen om te ontsnappen als ze nog maar net ‘geïmporteerd’ waren, en dus nog niet veel Engels of Portugees hadden gehoord. Toch is er niets specifiek Afrikaans in hun taalstructuur te ontdekken, de syntaxis lijkt alleen op die van andere creolentalen, met dien verstande dat de algemene creoolse tendensen in het Saramaccaans nog iets sterker zijn.”

“Het is bijzonder interessant om het Saramaccaans met het Sranan te vergelijken. Ze zijn in hetzelfde land onder vrijwel gelijke omstandigheden ontstaan, met behulp van ongeveer hetzelfde materiaal, alleen zijn de voorouders van de Sranan-sprekers indertijd niet gevlucht. De twee talen lijken over het algemeen ook erg op elkaar, maar de verschillen die er zijn, zijn heel frappant: in het Saramaccaans is alles altijd, laten we zeggen ‘iets raarder’, het heeft minder weg van de Europese talen. Ik denk dat je hier beter dan ergens anders de karakteristieken van de ‘universele structuur’ kunt zien, omdat die moest opereren met een extra-uitgeklede woordenschat.”

“Het meest ideale zou natuurlijk zijn als we puur naar syntactische structuren konden kijken, zonder woorden, maar dat zou zoiets worden als de onzichtbare man die zijn kleren uittrekt: dan kun je hem niet zien. Syntaxis lijkt erg op die onzichtbare man, om hem te kunnen zien moet hij ‘kleren van woorden’ aanhebben. En in het Saramaccaans bestaat die ‘aankleding’ uit iets dat dicht bij het absolute minimum ligt.”

Als die universele structuren aangeboren zijn, dan moet je eigenlijk in iedere taal dezelfde eigenschappen terug kunnen vinden.

“Ik denk ook dat dat zo is, alleen bij ‘gewone’ talen worden ze als het ware verduisterd omdat talen veranderen, invloed van elkaar ondergaan, woorden overnemen of erbij verzinnen etcetera. Waarom dat zo is weet ik werkelijk niet. Alles verandert, talen ook.”

Hoe denkt u dan dat het zit met de allereerste taal die mensen spraken?

“Ik denk dat de eerste taal van de homo sapiens zeker zoiets als een creolentaal is geweest, maar daar moet een andere taal aan vooraf gegaan zijn: een pidgin-achtige taal. Het is namelijk moeilijk je voor te stellen dat ‘taal’ tijdens de evolutie voortkwam uit een doel, om het zo maar even uit te drukken.”

“Het is veel aannemelijker om ervan uit te gaan dat er twee kanten aan taal zitten. Een is de ‘symbolische referentie’, dat wil zeggen: de mogelijkheid om met woorden ergens naar te verwijzen, maar de tweede kant is iets heel anders: dat is het vermogen om die symbolen in verschillende volgordes te schikken, waardoor het mogelijk wordt complexe beweringen te produceren.”

“Dat refereren kan helemaal onafhankelijk van enig structuursysteem bestaan. Alleen al het feit dat er pidgins bestaan, bewijst dat. Iemand die een pidgin spreekt, gebruikt wat ik een ‘evolutionair vroeger programma’ zou willen noemen. Dat maakt wel deel uit van het hele ‘bioprogramma’, maar het is dat van een vroegere soort, misschien van de homo erectus.”

“Mij zou het in ieder geval niet verbazen, als dat vermogen om te symboliseren al honderdduizenden jaren vóór enige structurele taal zoals wij die kennen was begonnen. Waarschijnlijk zitten die strips waarin holbewoners een soort pidgin praten er dus helemaal niet zover naast, en vertegenwoordigen ze een behoorlijk goede intuïtie over hoe ‘taal’ er vroeger uitzag.”

Volgens u kun je dus aan een taal zien of hij oud of jong is door te kijken of hij veel of weinig typische creolentalen-eigenschappen heeft?

“Nou, dan moet je aannemen dat talen in hetzelfde tempo verouderen, en je weet niet of ze dat doen. Op Hawaii gaat het erg hard, maar kijk je bijvoorbeeld naar het Vietnamees dan ligt het anders. Het Vietnamees heeft vreselijk veel creolen-eigenschappen, en er zijn ook redenen om aan te nemen dat het een creolentaal is, maar het is wel al 2000 jaar oud. Als het echt een creolentaal is dan vraag je je af hoe het die kenmerken zolang bewaard heeft. Het enige antwoord daarop is: we weten het niet. Een mogelijke verklaring is te vinden in het feit dat het een toontaal is. In toontalen kun je een betekenisverschil aan een woord geven door het op een hogere of lagere toon uit te spreken, en het is bekend dat die talen de neiging hebben om sommige dingen beter te bewaren.”

“Je weet niet precies hoe dat allemaal in zijn werk gaat. De Surinaamse creolentalen veranderen op het moment ook. Ik denk dat ik in Nederland al tekenen gezien heb van invloed van de Nederlandse syntaxis op het Sranan, vooral bij jonge mensen die al lang tweetalig zijn. Maar hoe dat in Suriname zit weet ik niet.”

“Het ontstaan van creolentalen is feitelijk een natuurlijk experiment, dat niemand ooit zou mogen uitvoeren. De hele koloniale periode is waarschijnlijk rampzalig voor de menselijke soort in het algemeen geweest, maar het heeft ons in ieder geval toch iets geleerd.”

Noot: Derek Bickerton werd geboren op 25 maart 1926 en stierf op 5 maart 2018. Dit interview schreef ik in 1986. Het werd pas een jaar later gepubliceerd, na allerlei omzwervingen. De NRC wilde het in eerste instantie niet hebben omdat ze het te moeilijk vonden. Het was geloof ik nog even wennen dat taalkunde een normale wetenschap was geworden. Het gesprek staat ook in Het Vermogen te Verlangen (9 letters), gesprekken over taal en het menselijk brein.

“Oh mijn arme Jacqueline, nu weet ik zelfs jouw naam niet meer”

Hersenletsel kan tot grote taalstoornissen leiden. En bij bijna alle afasiepatiënten lijkt er weer net even iets anders aan de hand te zijn. “Maar ik denk dat je intellectuele capaciteiten in ieder geval van afasie moet scheiden”, zegt Ron Prins.

Een sprookje: Eens leefden een koning en een koningin in een groot paleis. Maar de koning en de koningin waren niet gelukkig. Er waren geen kinderen in huis en in de tuin. Op een dag vonden ze een arm jongetje en meisje voor hun deur. Ze namen hen op als hun eigen kinderen. Toen waren de koning en de koningin gelukkig.

Een afasiepatiënt vertelde het zo na: “Ik zou kunnen zeggen, dat er kinderen zijn geweest, waren, die op het kinderen … geweest is geweest. Maar ze zijn gelukkig voor de kinderen en hopen dus graag weer te zien, dat ze gelukkig en gez- en gelukkig zullen zijn, worden, gelijk zullen worden. Nou ja, zo ongeveer hè, in die geest.”

Niet meer uit je woorden kunnen komen, en niet eventjes, maar waarschijnlijk voor altijd. Het lijkt zo ongeveer het ergste wat iemand kan overkomen. Een beschadiging in de hersenen kan nogal verschillende taalstoornissen teweeg brengen: bijna allemaal worden ze afasie genoemd.

Sommige mensen kunnen helemaal niet meer praten, of kennen nog maar een woord of zin, zoals de man die bij een vechtpartij zwaar gewond was geraakt en daarna alleen nog I want protection kon zeggen. Of de patiënt bij wiens hersenoperatie iets fout was gegaan, waarna hij uitsluitend nog riep Jansen godverdomme sodemieter. (Jansen is de, hier gefingeerde, naam van de chirurg die de operatie uitvoerde.) Anderen raaskallen voortdurend door, in vloeiende zinnen waar geen touw aan vast te knopen is. Alles daartussenin bestaat ook.

Zo zag ik eens een filmpje van een meneer die probleemloos sprak. Er viel pas iets bijzonders aan hem te merken toen de logopediste, die hem allerlei dingen op plaatjes liet benoemen, bij de muziekinstrumenten’ aankwam. Op dat moment werd het ineens allemaal heel moeilijk. De man noemde een trompet bijvoorbeeld een fluit en bij het plaatje van de viool zei hij: “Nou, ik zal maar zeggen dat het een gitaar is, maar dat is het niet”. Woordvindingsmoeilijkheden heet dat, en die heb je in veel soorten en maten.

Soms hebben mensen moeite met het produceren van de juiste klank op de juiste plek in een woord, en dat leidt dan tot token in de teuken voor koken in de keuken of athopeker voor apotheker. En is bij die woorden de bedoeling nog wel te achterhalen, van kluising of kaggeloge weet niemand meer wat het moet betekenen. Kollirollervliegtuig voor helikopter zit daar qua begrijpelijkheid weer tussenin.

Andere patiënten kennen een bepaald woord wel en ze kunnen het ook goed uitspreken, maar het lukt ze dikwijls niet om het op het gewenste moment uit hun geheugen ‘op te diepen’. Vraagt iemand ze bijvoorbeeld om een kopje te benoemen, dan weten ze wel ..om uit drinken, of koffie of schoteltje, maar het woord kopje zelf wil ze niet te binnen schieten.

Dat ze het woord inderdaad wel kennen, wordt schrijnend geïllustreerd door de man die uitriep “Oh, mijn arme Jacqueline, nu weet ik zelfs jouw naam niet meer”, toen hem gevraagd werd hoe zijn dochter heette.

Dat iemand ‘er net even naast zit’ zoals bij schoteltje voor kopje gebeurt ook op grotere schaal. Mensen zeggen dan mijn moeder in plaats van mijn vrouw of jongen in plaats van meisje. De problemen die dat in het dagelijks spraakgebruik oplevert zijn nauwelijks te overzien. Mensen die ‘het juiste woord’ niet kunnen vinden nemen dikwijls hun toevlucht tot algemene benamingen als ‘ding’ en ‘doen’, of ze vervallen in herhalingen, of laten van alles maar helemaal weg.

Dat leidt dan tot wat in vaktaal ‘empty speech’ heet, ‘leegspraak’, zoals in het volgende antwoord van een patiënt op de vraag ‘Wat doet u meestal overdag?’: “Ja, als ik half twee, dan wil ik wat doen … schoon en alles toch overdag wil een mens …, maar soms een beetje erger als de ander. Dan ben ik zo moe, dat ik zeg begrijp je me, dat je, je wil, maar het gaat niet zo gemakkelijk hoor, heus, dat voel je gauw genoeg. Maar iedere keer, ach, dan wil je wat doen hè, dat je weer eens wat te doen heb, hè … en daarom doe je weer ‘ns effe wat anders weer ‘ns.”

 Zo’n tekst komt er verhoudingsgewijs nog vlot uit. Traditioneel worden de radde praters Wernickes genoemd, naar de Duitse neuroloog die ze als eerste beschreef, maar er zijn ook veel afasiepatiënten die geen zinnen meer kunnen bouwen.

Zij werden halverwege de vorige eeuw door de Franse arts Broca ‘ontdekt’, en sindsdien als Broca’s geclassificeerd. De ‘inhoudswoorden’ waarover het hierboven ging kennen, ze meestal nog wel, maar het gebruiken van ‘functiewoorden’ (dingen als de, op, in, want, dus etcetera) gaat niet meer.

Het gevolg is dat deze patiënten een soort ‘telegramstijl’ spreken. Een voorbeeld waarin een meneer er een minuut over doet het volgende over zijn woonplaats te vertellen (tussen haakjes de aanmoedigingen van degene met wie hij praat) : “… Alphen … aan de Rijn. (Alphen, ja.) En eh … mooi eh … ik … ik … lekker … lopen. (Ja … ja waar? Waar?) eh … Alphen aan de Rijn. (Loopt u de hele stad door?) Nee … fiets of nee’ eh … eh … auto eh … boodschappen doen. (Oh ja.) En eh … eh bellen (ja) en eh … eerst eh … kopje koffie eh … (volgt de naam van zijn vrouw) en eh … beetje praten. (Maar kunt u iets vertellen over Alphen zelf, over de plaats? Hoe ziet ’t er uit?) Bomen. (Ja.) En eh …. ja, ik weet het niet meer.”

In verreweg de meeste gevallen (ongeveer 85 %) wordt afasie veroorzaakt door een cerebrovasculair accident (CVA), in de volksmond beroerte of hersenbloeding geheten. Andere oorzaken zijn schedeltrauma’s, waarbij de hersenen van buitenaf beschadigd raken (door een verkeersongeluk bijvoorbeeld, of door oorlogsverwondingen), tumoren en ontstekingsprocessen. Dikwijls gaat afasie ook nog gepaard met min of meer ernstige verlammingsverschijnselen aan een kant van het lichaam. Als je daarbij bedenkt dat iemand die niet goed praat in het algemeen voor niet-goed-wijs wordt gehouden dan wordt het misschien mogelijk je een vage voorstelling te maken van het isolement waarin een afasiepatiënt moet leven.

Redenen te over voor veel en veelzijdig wetenschappelijk onderzoek zou je denken. Dat valt een beetje tegen. De tijd dat afasiepatiënten trekpleisters op hun tong aangebracht kregen is weliswaar voorbij, maar zelfs een eenduidig internationaal aanvaard classificatiesysteem voor de verschillende soorten afasie bestaat feitelijk nog steeds niet.

Dat laatste is een van de conclusies uit het proefschrift Afasie: classificatie, behandeling en herstelverloop, waarop Ron Prins (cum laude) gepromoveerd is. De voorbeelden uit het stuk hierboven komen allemaal daaruit.

Prins (1945) houdt zich al sinds het begin van de jaren zeventig bezig met afasie en dat betekent dat hij de belangstelling van linguïstische zijde voor het verschijnsel vrijwel vanaf de prille start heeft meegemaakt. Hij is medewerker van de vakgroep Algemene Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam.

Prins: “Voor ik ooit een afasiepatiënt gezien had heb ik eerst anderhalf jaar lang uittreksels van boeken en artikelen gemaakt. Ik was toen de assistent van professor Tervoort. Dat was in de oude tijd toen hoogleraren nog een persoonlijke assistent hadden. Tervoort was net aangenomen voor taalpathologie en in de dovenwereld was hij goed thuis, maar van afasie wist hij ook niet veel. Samen met nog iemand ben ik toen alle literatuur gaan lezen en daarna had ik keurig de verschillende soorten afasie in mijn hoofd zitten. In Het Algemeen Ziekenhuis Zonnestraal in Hilversum, en iets later in het (inmiddels opgeheven) dagbehandelingscentrum Zeeburg, in Amsterdam, zag ik voor de eerste keer afasiepatiënten.”

“Het verbijsterende was dat ik de types die ik door al dat werk netjes uit m’n hoofd had geleerd helemaal niet tegenkwam. Eigenlijk niet een. Dan zat ik daar en dan dacht ik: ‘Zou dat nou een Broca zijn? Maar die moeten in telegramstijl spreken, en deze meneer praat wel langzaam, maar het is toch niet echt telegramstijl.’ Eerst denk je natuurlijk dat alles wat je niet begrijpt aan jou ligt, maar ik heb me van het begin af aan verbaasd over die classificatie en ik ben er altijd op blijven letten.”

“Neem nou Luria bijvoorbeeld, dat was indertijd dé grote man, ik ben nog bij hem in Moskou geweest, als je die leest dan lijkt het net of we alles van de relatie tussen taal en hersenen weten, en vooral van afasie. Dat is helemaal niet waar, maar bij Luria klopt alles. Hij kent alle onderliggende mechanismen en hij weet ook nog hoe je het allemaal moet herstellen door bewust bepaalde hersengebieden in te schakelen. Maar in Rusland blijven ze natuurlijk even hartstikke afatisch als hier. Luria geeft ook geen cijfers, hij suggereert alleen maar, en het beeld dat hij daarmee oproept is zowel wetenschappelijk, als wat de praktijk betreft veel te gunstig. Die man is daarmee toch een beetje een mooiprater.”

“Ik ben ook in Boston geweest, dat is het Mekka van de afasiologie. Daar zit een hele groep neurologen, psychologen, linguïsten en taaltherapeuten. Goodglass en Kaplan zijn de grote namen daar, die hebben in 1972 deze ‘Rode Bijbel’ geschreven: The assesment of aphasia and related disorders. Daarin staan profielen van allerlei typen afasie beschreven. Valt een patiënt binnen zo’n profiel dan is het bijvoorbeeld een Broca. Dat gaat aan de hand van kenmerken, en zo iemand scoort dan pakweg slecht op ‘melodie’ en ‘grammaticale vorm’, maar goed op ‘begrip’.”

“Maar hoe gaat dat daar? Als ze in Boston een patiënt onderzoeken dan neemt eerst de logopediste wat testjes af, dan doet de psycholoog dat nog eens dunnetjes over en de feitelijke indeling doet de neuroloog. Al redenerend stelt die dan dat iemand wel een Broca moet zijn, ondanks dat zijn taalbegrip bijvoorbeeld vrij slecht is en hij niet in telegramstijl spreekt, kortom ondanks het feit dat hij niet binnen het profiel valt. Omdat dokter Goodglass het zegt — die heeft ervoor doorgeleerd dus die zal het dus wel weten — gaat zo iemand dan toch als Broca de dossiers in.”

“Maar als je het zo doet heeft die classificatie weinig waarde: dan moet dokter Goodglass er ook bij komen als ze in pakweg Italië een diagnose stellen. Ondertussen bouwt wel iedereen op elkaars onderzoek voort. Volgens mij zit het daar fundamenteel mis: als je indeling in types niet consequent is, dan kun je niet generaliseren en dus niet vergelijken.”

“Het komt erop neer dat alle handboeken en ook de onderzoeken van meerdere afasie-types uitgaan, en die overlappen elkaar ook wel voor een belangrijk deel, maar als je het goed gaat bestuderen dan blijken ze nooit duidelijk gedefinieerd te zijn. Er worden wel rijtjes kenmerken gegeven, maar welke kenmerken nou karakteristiek zijn, of de kern vormen, wordt er nooit bij verteld. Stel ze zeggen: ‘dat is een Broca, want op begrip doet ie dit en op lezen dat’, dan blijft het onduidelijk of het nou geen Broca meer zou zijn wanneer hij op lezen iets anders zou doen. Wat voor de ene onderzoeker karakteristiek is, blijkt dat nog niet voor de ander te zijn.”

Maar kan onderzoek bij afasiepatiënten niet juist veel duidelijk maken over de relatie tussen taal en hersenen?

“Ja dat hoor je vaak zeggen. Het idee dat je in je hoofd een machine hebt die normaal gesproken veel te hard draait, maar als er nu iets stuk is, dan kun je hem rustig bestuderen. Een van de problemen is dat onze hersenorganisatie individueel verschilt. Net zoals we allemaal ogen, een neus en een mond hebben, maar toch allemaal een ander gezicht. Je kunt wel een grove indicatie geven van de gebieden in de hersenen die met taal te maken hebben, alleen keiharde individuele voorspellingen kun je niet maken.”

“Die hele typologie waar we het net over hadden gaat trouwens terug op negentiende eeuwse ideeën over de organisatie van taal in de hersenen. Men dacht toen dat er in de hersenen bepaalde geheugendepots zaten waarin de woorden waren opgeslagen.”

“Je had er een voor de articulatie (het spreken), een voor de klankvorm (het luisteren), een voor geschreven vormen (het lezen) en dan ook nog een voor te schrijven vormen. Al die centra waren door middel van verschillende banen met elkaar verbonden. Als je dan op een bepaalde plek een beschadiging had, dan kon je dus in theorie precies voorspellen welk soort stoornis dat gaf.”

“En er zijn ook wel gevallen bekend van mensen die bijvoorbeeld wél kunnen schrijven, maar absoluut niets kunnen lezen. Zuivere alexie heet dat. Dat gaf natuurlijk voedsel aan die depot-theorie, en tot op zekere hoogte klopt die ook wel. Maar inmiddels weten we veel meer van taal. Het is veel ingewikkelder dan men dacht en je kunt niet alles beschrijven in termen van statische, ‘woordbeelden’ die in aparte geheugendepots zouden zijn opgeslagen. Vroeger wisten ze bijvoorbeeld nauwelijks dat er ook zoiets als syntaxis is. Onder invloed van de Chomskyaanse ideeën daarover is men in de jaren zeventig nog eens goed naar het een en ander gaan kijken, naar die Broca’s bijvoorbeeld, die zo goed begrijpen maar zo moeilijk spreken.”

“Het idee was dat Broca’s een syntactische stoornis hebben, die functiewoorden laten ze weg omdat ze geen zinnen kunnen bouwen. Maar als afasie inderdaad een taalstoornis is, dan verwacht je niet echt dat mensen alleen moeilijkheden met syntaxis hebben bij het spreken en helemaal niet bij het begrijpen.”

“Dat is dus ook niet zo. In het dagelijks leven kun je ook zonder syntaxis een hele hoop volgen. De context, de situatie en je kennis van de wereld helpen daarbij. Zegt iemand bijvoorbeeld tegen een Broca-patiënt: ‘Heeft u gisteravond nog naar Dallas gekeken?’, en die patiënt doet dat altijd, dan verstaat hij misschien alleen ‘Dallas’, maar dan weet hij al genoeg.”

“Leg je die mensen nou wat moeilijker vragen voor, waarin de woordvolgorde wél essentieel is, dan weten ze het niet meer. ‘De tijger wordt door de leeuw gebeten. Wie heeft er dan pijn?’ is een bekend voorbeeld waarmee het mis gaat. Ook zinnen als: ‘Het meisje is groter dan de jongen’, tegenover ‘De jongen is groter dan het meisje’, en ‘De hond loopt naar de kat toe’ tegenover ‘De kat loopt naar de hond toe’ begrijpen Broca-afatici meestal niet.”

“Eigenlijk zou je afasie dus niet moeten beschrijven met behulp van die verschillende taalcentra, maar eerder in termen van taalkundige niveaus. Daar wordt het wel verschrikkelijk ingewikkeld. Het is ook absoluut niet duidelijk hoe de vaardigheden die aan taalproduktie ten grondslag liggen (spreken en schrijven dus) samenhangen met de vaardigheden die bij receptie (begrijpen en lezen) een rol spelen. Er zijn nauwelijks psycholinguïstische theorieën ontwikkeld over hoe dat nou zit, hoe dat gaat ‘taal in je hoofd’. Want het is ook weer niet zo dat je een syntactisch hokje in je hersenen hebt dat gestoord kan raken, en een fonologisch hokje enzovoort.”

Conclusies over taal en denken vallen dus ook niet eenvoudig te trekken?

“Ik denk dat je intellectuele capaciteiten in ieder geval van afasie moet scheiden. Het is zeker zo dat er zwaar afatische patiënten bestaan die volkomen helder zijn, en op niet-verbale onderdelen van een intelligentietest goed scoren. Aan de andere kant staat ‘taal’ niet los in de hersenen, en als iemand een vrij grote beschadiging heeft opgelopen, gaat soms alles door elkaar lopen. Je kunt daarom niet altijd beoordelen wat er precies aan de hand is, maar er zijn wel autobiografische verslagen van mensen die hersteld zijn. Die vertellen stuk voor stuk dat ze exact wisten wat er gebeurde, zich volkomen bewust waren van de situatie, dat alleen die taal niet meer wou.”

“Of dat voor alle afasiepatiënten opgaat betwijfel ik. Vooral van de Wernickes weet ik het niet. Dat zijn die mensen die zo doorkletsen, ongeremd alsmaar doorpraten, terwijl ze meestal niet in de gaten hebben dat ze onbegrijpelijk zijn. Dan is er toch iets echt niet in orde. En van die mensen die weer beter geworden zijn, ben je toch geneigd te denken dat ze dus wel niet zo’n ernstige afasie gehad zullen hebben.”

Hoe zit het met de kans op herstel?

“Die is het grootst de eerste paar weken tot maanden na een beschadiging. De ‘spontaan-herstelperiode’ heet dat. Er zijn een paar hypotheses die daar een verklaring voor geven: het kan zijn dat het gebied in de hersenen rondom de zone die getroffen is tijdelijk niet genoeg zuurstof krijgt, zonder dat het afsterft. Andere bloedvaten in de buurt kunnen dan voor herstel van dat stukje zorgen. Want in tegenstelling tot onze andere cellen delen hersencellen zich niet, en komen er dus geen nieuwe. Daar kan een verbetering dus nooit vandaan komen.”

 “Sommige mensen denken ook dat de hersenen zo’n grote schok krijgen dat even alles uit evenwicht is. Dat kan dan weer bijtrekken. En er bestaat ook nog een theorie dat de hersenen zich soms ‘reorganiseren’. Zoals een paard dat een been kwijt is een poosje helemaal niets meer kan, maar na verloop van tijd toch weer gaat huppelen. Hetzelfde doel wordt dan via andere wegen bereikt.”

“Is de spontaan-herstelperiode eenmaal voorbij dan komt het vrijwel nooit meer helemaal goed met een afaticus. De bekendste uitzondering op die regel was de actrice Patricia Neal, de vrouw van Roald Dahl. Die had een hele serie CVA’s gehad en was ernstig afatisch. Roald Dahl heeft toen alle vrienden en kennissen ingeschakeld, en die kwamen jarenlang volgens schema wel zes uur op een dag ‘iets met taal doen’. Je weet natuurlijk niet wat er gebeurd was als ze die hulp niet gehad had, maar na een paar jaar was ze weer helemaal beter. Ze was overigens nog vrij jong, en in het algemeen geldt dat hoe jonger je bent hoe meer kans op herstel je hebt.”

U bent niet erg optimistisch over de mogelijkheden van taaltherapieën.

“Nee, misschien komt er ooit nog eens een rationele therapie die gebaseerd is op een analyse van de onderliggende defecten. Die is er nu nog niet. Om te beginnen zou je daarvoor natuurlijk goed gedefinieerde typen moeten hebben. Het kan zijn dat er neurologisch nog het een en ander mogelijk is, en dat we de juiste weg nog niet gevonden hebben.”

“In de praktijk is de behandeling nu meestal weinig systematisch, nogal ad hoc, en echt helpen doen oefeningen maar zelden. Ik wilde dat eerst niet geloven, en ik heb van alles geprobeerd: eerst heb ik mensen meer therapie laten geven, tien in plaats van de gebruikelijke een à twee uur per week bijvoorbeeld. Dat hielp niet.”

“Toen heb ik allerlei methodes getest, en uiteindelijk ook zelf een groot therapieprogramma gemaakt, maar de mensen gaan hooguit een heel klein beetje vooruit. Dat wil zeggen: ze doen dezelfde tests de volgende keer ietsje beter. Stel, de eerste keer kunnen ze 18 van de 40 plaatjes benoemen, dan zijn het er de volgende keer bijvoorbeeld 22. Dat levert misschien statistisch een significant verschilletje op, maar je weet niet hoeveel je daarvan je als ‘hertest-effect’ moet beschouwen, en ook niet of die mensen nou gemakkelijker om de jam kunnen vragen aan de ontbijttafel.”

 “Wel kan het psychologische en sociale effect van de behandeling vrij groot zijn. De mensen vinden het vaak zelf verschrikkelijk belangrijk. Dan zie je ze in hun rolstoel met hun schriftje onder de arm: ze moeten naar les! Die mensen mag je niet in de steek laten. En ik zeg dus ook niet dat alle therapie onzin is.”

 

NASCHRIFT, UPDATE (uit 1997)

Nee, een sluitend classificatiesysteem voor afasiepatiënten is er nog steeds niet. Zijn er wel vorderingen? Ron Prins is in elk geval niet bijster enthousiast over de mogelijkheden die geboden worden door wat tegenwoordig de ‘cognitieve neuropsychologie’ heet. “Via modellen proberen ze aan de hand van individuele gevallen een beeld te krijgen van de functionele architectuur van de hersenen”, zegt hij. “Het idee is dat er aparte hokjes zijn voor deelfuncties, die dan modulen genoemd worden. Ik heb twijfels over de mogelijkheden om afasie te gebruiken om theorieën te testen. Je weet niet wat er nu precies kapot is bij iemand.”

 Je weet ook niet hoe veel afasiepatiënten vanzelf beter worden, noch hoe véél beter ze worden. Maar daar doet Prins nu iets aan. “Ik doe mee aan een groot onderzoek met honderd patiënten in Rotterdam”, vertelt hij. “Een project dat gericht is op spontaan herstel. In de eerste maand al test ik het spontane taalgebruik van mensen, en dan volg ik ze meer dan een jaar. Daaruit moeten we voor het eerst een beeld krijgen van bij hoe veel patiënten nu eigenlijk hoe veel herstel optreedt.”

Maar Prins heeft zich behalve met afasie inmiddels ook beziggehouden met dementie. Over de taalproblemen die dat (voor een sterk groeiende groep mensen) met zich meebrengt, is nog niet veel bekend, maar Prins kan wel het volgende globale overzicht geven: “Het duurt heel lang voordat iemand met dementie echt afwijkend gaat praten, de spontane taal blijft vrij lang intact, maar met testjes merk je al veel eerder dat er iets mis is. “

“Problemen ontstaan er op het niveau van hun woordenschat en met de semantiek. Mensen krijgen woordvindingsmoeilijkheden, en de betekenissen verdwijnen langzaam. Uiteindelijk kan iemand dan helemaal stil vallen. Maar de syntaxis en de fonologie blijven erg lang bewaard. “

“Ik denk dat je dat kunt verklaren uit het feit dat je twee soorten processen hebt: gecontroleerde en automatische. Zinnen bouwen en klanken formuleren zijn automatische processen. Maar over de inhoud van wat je wilt zeggen, heb je veel meer controle. Dat kost energie en denkkracht, en dat lukt op een gegeven moment niet meer. Afasiepatiënten hebben vaak een syntactisch probleem, dementiepatiënten een lexicaal-semantisch, zou je het kunnen samenvatten.”

“Mijn generatie heeft niet geleerd om de mouwen op te stropen”

Tony Bloem droomt en denkt in gebarentaal. De Nederlandse Gebarentaal is dan ook echt zijn moedertaal: vrijwel zijn hele familie is doof. Maar tegelijk is Bloem gefascineerd door het Nederlands. De Nederlandse cultuur heeft doven een hoop te bieden vindt hij, meer dan de meesten in de gaten hebben. Vraaggesprek met een voormalig buitenbeentje “Voor de meeste doven staat de Nederlandse taal ver van hun bed.”

“Ik herinner me dat er zo’n clubje jongens stond te giechelen, en dat ik werd uitgelachen omdat ik niet wist wat ‘tieten’ waren. Dat soort woorden, en vloeken, heb ik geleerd van een vriendje uit de buurt. Net als ik was hij een beetje een buitenbeentje. Ik ging naar de dovenschool, en mijn klasgenootjes woonden erg verspreid, een heleboel waren zelfs intern. Dat vriendje moest naar een streng-gereformeerde school, die ook verder weg lag.”

“We zijn tien jaar lang vrienden door dik en dun gebleven, en achteraf denk ik dat hij deur van de horende wereld voor me open heeft gezet.”

Tony Bloem (34) had geluk, vindt hij. Van jongs af aan had hij iemand die hem liet zien wat er allemaal te halen viel in de horende maatschappij. En dat beviel hem. Bloem is nog altijd hongerig naar de Nederlandse cultuur.Het baart hem zorgen dat veel andere doven daar minder trek in hebben.

“Doven bewegen zich anders in de maatschappij. Ik zie de verschillen in normen en waarden steeds beter. Het houdt me bijvoorbeeld erg bezig waarom andere gehandicapten als groep veel beter voor zichzelf kunnen opkomen.”

Foetsie

“Ik denk dat het alles te maken heeft met gebrek aan informatie. Doven hebben zo’n beperkt zicht, en daardoor kunnen ze de zaken niet goed organiseren. Dat heeft gevolgen. De dovenwereld heeft de laatste jaren de ene klap na de andere gehad: de Dovenraad is foetsie, de tolkenopleiding ligt stil, Madido – het maatschappelijk werk voor doven – krijgt te weinig steun, en de Docom, een drukkerij van en voor doven, heeft het ook niet gered.”

Maar waarom zoeken doven die broodnodige informatie dan niet op? Bloem heeft daar wel een idee van. We praten en drinken koffie bij Vi-taal, het ontwerpbureau voor visuele communicatie met de bijbehorende Gebarenwinkel in Den Haag, die hij opzette samen met grafisch ontwerper Ruud Janssen, en lachend houdt Bloem zijn koffiebeker omhoog. “Kijk”, zegt hij, “Juliana. Die heb ik nog van vroeger. Alle kinderen op het doveninstituut kregen een beker met haar portret toen ze zoveel jaar koningin was ofzo. Dat is typerend. In die sfeer ging alles: we waren zielige kinderen, afhankelijk van liefdadigheid.”

‘Krijgen, krijgen’

“Dat paternalisme heeft verstrekkende gevolgen voor mijn hele generatie doven gehad, en ook voor iedereen die ouder is dan ik. Alles wat er nu rondloopt, heeft een bepaalde houding: die van ‘krijgen, krijgen’. En ze kregen tenslotte ook altijd alles. De mouwen opstropen en zelf eens aanpakken hebben ze niet geleerd. Dat je iets moet doen om iets te krijgen, is ze nooit bijgebracht. Op school niet, maar thuis meestal ook niet.”

“Vergeet niet dat bijna alle dove kinderen horende ouders hebben. Zulke ouders zeggen niet gauw ‘ga jij even brood halen op de hoek’ tegen hun dove kind.”

Bloems ouders zeiden dat wel. Die waren immers zelf doof, net als zijn broertjes en zusje, en nog een heleboel andere familieleden. Nog steeds is Bloem, ook in het gezelschap van horenden, de eerste om de weg te gaan vragen op straat of een pilsje te bestellen in de kroeg.

“Ik kon altijd al vrij goed spreken”, verklaart hij, “daarom was ik als jongetje in staat om mee te doen met de rest. Contact maken is me altijd makkelijk afgegaan. En ik vond het leuk om te lezen.”

Maar hoe komt het nou dat doven meestal niet zo ver komen? Ze hebben toch allemaal heel veel jaren onderwijs in het Nederlands gehad? “Ja”, zegt Bloem, “maar dat zijn van die echte ‘taallessen’. Ze leerden je niet wat je er mee kunt doen in het dagelijks leven. Op scholen had je alleen verantwoorde, saaie boeken, in keurig Nederlands. Het had allemaal zo weinig met de werkelijkheid te maken, met wat er buiten de muren van de school of het internaat gebeurde.”

“Die scholen liggen meestal ook ver van de wereld, in de bossen. En de mijne was ook nog christelijk, zoals de meeste trouwens. Ik kan me herinneren dat ik indertijd Pietje Bell wilde lezen. Dat had ik in de bibliotheek ontdekt, en dat vond ik prachtig. Dat was meer spreektaal, maar dat mocht niet.”

Boodschappen

Is het onderwijs niet verbeterd? Bloem: “Wel een beetje, maar er zit nog geen filosofie of gedachte achter. Er zou meer ‘zelfredzaamheid’ onderwezen moeten worden. Kinderen boodschappen laten doen, een maaltijd laten organiseren, dat soort dingen. Het punt blijft dat horende kinderen opgroeien met gesproken taal, en daar helemaal in leven. Pas daarna maken ze de overstap naar lezen en schrijven.”

“Doven begínnen met geschreven tekst pas Nederlands te leren. En dat is zo lastig. Voor de meeste doven is alles wat met de Nederlandse taal te maken heeft iets dat ver van hun bed staat. Ze gebruiken het voor de meest noodzakelijke behoeften, en dan houdt het op. En het nare is dat ze zelf niet het idee hebben iets te missen, ze dénken dat ze alles weten. Dus gaan ze ook niet op zoek in de horende wereld. Er wordt niet gezocht naar professionalisme, kwaliteit.”

Alles ‘onder ons’

“En alles blijft altijd ‘onder ons’. Als doven een probleem hebben, willen ze dat altijd onderling oplossen. Laatst werd ik nog opgebeld of ik op een dovenclub les wilde komen geven in video’s maken, omdat wij met Vi-taal die tweetalige banden met kinderversjes en -verhalen hebben gemaakt.”

“Toen heb ik gezegd: vraag daar nou eens een professionele scenarioschrijver of iets dergelijks voor. Neem er een tolk bij, dan haal je tenminste eens iets binnen van de buitenwereld in de dovenwereld. Later hoorde ik via via dat ze toch weer een dove gevonden hadden. Dat vind ik zo zonde, want er valt daarbuiten zo veel te halen.”

Bloem spreekt bijna lyrisch over de rijkdom van de Nederlandse cultuur. Hij heeft daar zelf toegang toe gekregen, en zijn grote streven nu is die cultuur voor andere doven toegankelijk te maken. Daarom werkt hij bij Vi-taal, ook al is het vaak lastig om in een team van doven en horenden te werken.

Bloem: “Overleggen kost verschrikkelijk veel tijd. Je moet aldoor checken of je wat de ander zegt wel goed begrepen hebt. En dan gaat het nog niet altijd goed. Het ondermijnt soms je zelfvertrouwen. Dan denk ik dat we het een hebben afgesproken, en dan blijkt dat de anderen iets anders denken.”

Daar zal hij nooit aan wennen: dat hij gesprekken niet vanzelf kan volgen, dat er daardoor veel mis gaat. “Doven kiezen ook bijna nooit voor praatvakken”, zegt hij. “Meestal gaan ze werk doen dat je in je eentje af kan. Het is echt een vicieuze cirkel.”

Verjaardagskalender

En die valt alleen te doorbreken als er van beide kanten aan gewerkt wordt. “Dat vind ik zo leuk van het werken met Ruud Janssen”, zegt Bloem enthousiast. “Die heeft dan een idee dat leuk is voor hem als – horende –ontwerper, maar tegelijk ook voor doven. Als we bijvoorbeeld een verjaardagskalender willen maken, dan wordt dat hier iets met veel gebaren en grapjes waarmee de dovencultuur verrijkt wordt.”

“Ruud heeft de functie van dat vriendje van vroeger een beetje overgenomen. Vanaf het moment dat ik hem leerde kennen, en dat was een hele tijd voordat we Vi-taal oprichtten, heeft hij me aangemoedigd en de horende wereld toegankelijk voor me gemaakt. Toen we elkaar nog maar pas ontmoet hadden, vertelde hij me bijvoorbeeld dat het Haagse Filmhuis een budget had voor jongeren die films wilden maken. Daar zou ik zelf nooit opgekomen zijn, maar daardoor heb ik toen Koffie kunnen maken, een film over de dovencultuur. Ik krijg soms te horen dat ik voor de doven moet kiezen, en niet zoveel met Ruud moet doen, maar ik denk eerlijk dat ik juist voor de doven kies door bij Vi-taal te werken.”

Schitterende meubels

Bloem fungeert graag ales bemiddelaar tussen de twee culturen. Zo wist hij, samen met Janssen, Bloems broer met heel veel praten en overreden zover te krijgen dat hij de Kunstacademie ging volgen. Inmiddels wint hij prijzen en exposeert hij zijn meubelontwerpen op grote tentoonstellingen.

“Zoals zo veel doven had hij alleen een LTS-opleiding”, vertelt Bloem. “Hij was timmerman, maar op een gegeven moment ging hij zelf schitterende meubels ontwerpen. Maar hij wilde niet eens naar een open dag van de Academie, ‘omdat zijn taal zo slecht was’. Ook dat is typerend voor doven. Ik heb geprobeerd hem uit te leggen dat zijn Nederlands misschien niet goed was, maar met zijn Nederlandse Gebarentaal is niets mis.”

“Dat wordt doven ook nog steeds veel te weinig verteld. Omdat gebarentaal zo lang verboden is geweest, hebben doven een heel andere taaldiscipline. Als de gelijkwaardigheid van gesproken en gebarentalen ook in het onderwijs als uitgangspunt werd genomen, dan zou het Nederlands veel minder ‘eng’ worden.”

Babbelen en kletsen

“Pas de jonge generatie begint wat taalbewuster te worden. Laatst corrigeerde een klein meisje mij: ‘dat gebaar doe je niet goed, dat moet zo!’ Wij werden nooit gecorrigeerd, en in de praktijk wordt gebarentaal ook nog steeds vooral gebruikt om mee te babbelen, om in te kletsen. Hoe je andere dingen kunt aanpakken moeten we nog leren. Ik vertel anderen wel eens dat je een lezing in gebarentaal kunt oefenen door jezelf op te nemen op de video. Maar dat is allemaal nog zo nieuw”

“Door de Nederlandse Gebarentaal ook voor andere dingen dan dagelijkse gesprekken te gebruiken, kun je het niveau van taal opkrikken. Als ik de culturele rijkdom van het Nederlands zie! Mijn dochtertje Noga van twee kan horen, en die heeft nu al zeker twintig boeken.”

Opperlands

“Zo veel boeken in gebarentaal krijgt een doof kind zijn leven lang niet. Er zijn dan nu voor het eerst een paar tweetalige video’s. Dingen als poëzie, rijmpjes, taalspelletjes, in gebarentaal staat dat allemaal nog in de kinderschoenen. Op een bruiloft horen voor Nederlanders bijvoorbeeld voordrachten en gedichten. Toen mijn broer ging trouwen heb ik dat ook gedaan in gebarentaal. Veel doven doen niet aan Sinterklaas, terwijl dat zo leuk is. Zoiets als Opperlandse Taal- en Letterkunde van Battus kan ik inmiddels beter begrijpen, nu ik bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt vertaald heb, en ik vind dat prachtig.”

Juist grappen en woordspelletjes zijn altijd het lastigst te begrijpen in een vreemde taal. Ze vereisen ook dikwijls een soort ‘cultural literacy’. Bloem: “Als ik tegen doven ‘Even Apeldoorn bellen’ zeg, begrijpen ze er niks van. Reclameslogans enzo vind ik zelf heel leuk.”

Bloem volgt de Nederlandstalige cultuur op de voet, zoveel is duidelijk. Zelfs de kreet ‘Busje komt zo’ blijkt gesneden koek voor hem te zijn. Niet omdat hij dat liedje gehoord heeft natuurlijk, maar omdat hij erover gelezen heeft.

Hij kan inmiddels ook, zoals hij dat zelf noemt “tussen de regels door lezen”. Hij weet dingen als dat ‘met een zachte g spreken’ betekent dat iemand uit Limburg komt. En doven moeten vaak nog meer tussen de regels door kunnen lezen dan horenden. Letterlijk. Bloem: “De ondertitels via Teletekst van het Journaal en Nova zijn zo beknopt en raar. Er blijft maar zo’n 25 procent over van wat er werkelijk gezegd wordt, en de titels lopen ook niet synchroon met de bijbehorende beelden.”

Witteman

“Het gaat iets beter wanneer ondertitels van tevoren gemaakt kunnen worden. Ik keek van de week naar een heel interessante aflevering van De ronde van Witteman, en daar viel het erg mee. Achteraf zag ik ook dat Aukje Bijlsma de ondertiteling gedaan had, en die is zelf slechthorend, dus ze snapt het beter.”

“En dan mogen we nog blij zijn dat er in Nederland niet nagesynchroniseerd wordt, zodat we wel veel buitenlandse dingen een beetje kunnen volgen, want via Teletekst wordt er maar heel weinig ondertiteld. Het gevolg is overigens dat doven meestal meer van de Amazone dan van de Biesbosch weten, zeg ik altijd, en meer van de Amerikaanse dan van de Nederlandse politiek.”

Hoever kun je doordringen in de horende wereld? Wat is er mogelijk? Wat is de echte werkelijkheid? Telkens komt Bloem in zijn overpeinzingen bij die vragen terug. Er zijn nog veel culture clashes. Soms leiden die zelfs tot echt akelige misverstanden. Zo raakt men elkaar in de Nederlandse cultuur niet veel aan. “Bij de Marokkanen hier in de buurt zie ik altijd dat dat bij hen heel anders is”, zegt Bloem, “die pakken elkaar voortdurend vast. Ze maken ook meer gebaren bij het praten. Nederlanders schrikken gauw als je ze aanraakt.”

“Doven raken elkaar ook veel aan, al is het maar omdat je op die manier iemand moet ‘roepen’. Een tijdje terug hoorde ik van een dove man die ergens zat te vissen, toen twee meisjes hem iets vroegen. Hij verstond dat niet, en pakte er een even vast, om beter naar haar lippen te kunnen kijken. Die meisjes zijn zich rotgeschrokken. Ze gingen er zelfs de politie bijhalen, en uiteindelijk heeft een maatschappelijk werker moeten uitleggen dat die man geen ouwe viezerik was.”

Onbeleefd

Wat beleefd en onbeleefd wordt gevonden, wil ook nog wel eens verschillen. Bloem: “Het valt mij op dat horenden zich altijd verexcuseren, of bukken als ze tussen twee gebarende doven heenlopen. Maar dat leidt alleen maar af, op die manier onderbreken ze het gesprek juist.”

“Andersom heb ik heel rationeel moeten leren dat een horende je niet aan hoeft te kijken om je te kunnen verstaan. Ik vind oogcontact nog altijd prettiger. Ook zoals nu: ik weet dat een horende kan schrijven en luisteren tegelijk, maar het voelt niet echt aangenaam. Misschien dat je ook zoiets als ‘gedragskunde’ zou moeten onderwijzen. Liefst aan beide zijden. We zijn eigenlijk nog niet eens zo ver dat we goed kunnen formuleren wat de verschillen zijn die er bestaan in de omgang tussen doven en tussen horenden . En een term als ‘tweetaligheid’ vat ook niet alles samen. De zoektocht naar hoe je de dingen kunt verbeteren is nog maar nauwelijks begonnen. Maar dat is wel de reden dat ik zo veel mogelijk dingen probeer te maken waar zowel doven als horenden iets aan hebben.”

Gewetensvraag

Tot slot een gewetensvraag. Bloems vrouw is net als hij doof, hun oudste kind kan horen; de kleine Noga zal daarom vanzelf tweetalig worden. Maar ze heeft net een zusje gekregen. Pas over een tijdje kan vastgesteld worden of Romi horend of doof is.

Wat hoopt Bloem? Hij lacht. “Als ik alleen naar mezelf kijk dan ben ik geneigd te denken: het is gemakkelijk en gezellig als we allemaal alleen gebaren. Maar als ik aan de toekomst denk, dan is het voor Romi waarschijnlijk beter om horend te zijn.”

Aap leert lezen

Sue Savage-Rumbaugh en Roger Lewin Kanzi, The Ape at the Brink of the Human Mind. 299 blz., Doubleday 1994, f 53,20

Kanzi’s start was al behoorlijk bijzonder. Hij was nog geen half uur oud toen hij bij zijn moeder werd weggehaald. Niet door wrede apenonderzoekers, maar door Matata, een bonobo-vrouwtje uit Zaïre, dat zelf niet lang daarvoor ook een kleintje had gekregen.

Het gebeurde in de dierentuin van San Diego, op 28 oktober 1980. Heel voorzichtig plukte Matata Kanzi van de buik van zijn uitgeputte moeder Lorel.

Lorel was in gevangenschap door mensen grootgebracht. Kanzi was haar eerste kind, en ze was duidelijk helemaal niet op haar gemak met dat netgeboren bolletje zwart haar met spichtige armpjes en beentjes. Ze werd wakker op het moment dat Matata gauw haar eigen zoontje naar haar rug had geduwd, en Kanzi zijn plaats op haar buik had laten innemen.

Lorel protesteerde hevig, en ging achter Matata aan, maar om de een of andere reden (bang haar kind pijn te doen, bang dat de rest van de bonobo’s de kant van Matata zou kiezen, die hoger in de ‘pikorde’ stond) durfde ze niet echt aan te vallen.

En Matata wilde Kanzi houden, dat was zonneklaar. Lorel probeerde het nog een paar dagen, maar al gauw behandelde ze Kanzi alsof het Matata’s kind was. Matata op haar beurt betoonde zich een toegewijde moeder, voor allebei haar kinderen.

Bonobo’s zijn laat ontdekt, en pas een jaar of twintig erg in trek in de wetenschap. Ze worden ook wel dwergchimpansees genoemd, maar dat is eigenlijk onzin. Het zijn geen kleine uitvoeringen van chimpansees, maar echt een andere soort.

Eleganter gebouwd dan chimpansees, met langere benen, een hoog voorhoofd en een buitengewoon expressief, heel donker gekleurd gezicht. Ze lopen relatief gemakkelijk op twee benen, en paren heel vaak naar elkaar toegekeerd, dus in de missionarishouding.

Ook zijn ze intelligenter dan gewone chimpansees. Het is met andere woorden de diersoort die het meest op mensen lijkt (wie meer over hun gedrag wil weten, leze Frans de Waals bijzonder boeiende boek Peacemaking among primates). In het wild komen bonobo’s alleen voor in een klein gebied in Zaïre, en het staat er erg slecht met ze voor. Ongeveer driekwart van de populatie is in de afgelopen twintig jaar verdwenen door ontbossing en doordat er op ze gejaagd wordt (de lokale bevolking eet de apen op of verkoopt ze). Er zijn nog hooguit 10.000 bonobo’s over. In dierentuinen en onderzoekscentra leven er zo’n 85.

Onderzoeksinstituut

Matata en Kanzi kwamen al snel terecht in het Yerkes Regional Primate Research Center in Georgia, waarschijnlijk het bekendste apenonderzoeksinstituut ter wereld.

Het heeft ook een afdeling taalonderzoek. Daar ging psychobiologe Sue Savage-Rumbaugh aan de slag met Matata., die ze probeerde woorden te leren, dat wil zeggen, willekeurige geometrische figuurtjes die op een soort toetsenbord kunnen worden aangewezen, en die dan staan voor begrippen als ‘buiten’, ‘appel’, ‘kietelen’, ‘m&m’ (de snoepjes), ‘geven’ et cetera.

De vorm van de figuurtjes staat bij dat soort onderwijs helemaal los van de betekenis die ze symboliseren: een slingertje met een driehoek kan heel goed ‘appel’ betekenen, en een paar strepen ‘geven’.

Het Yerkes-instituut heeft een traditie op dat gebied, en speelt dientengevolge al tientallen jaren een prominente rol in de oorlog die er woedt tussen wetenschappelijk onderzoekers over de vraag of (mens)apen nu wel of niet de capaciteiten bezitten om taal te leren.

Tegenover elkaar in de discussie staan meestal degenen die apen trainen en taalonderricht geven (vrijwel altijd psychologen) en theoretisch taalkundigen. Simpel samengevat houden de psychologen vol dat hun leerlingen wel degelijk taal geleerd hebben, en zeggen de taalkundigen telkens ‘maar waar jullie het over hebben dat is geen taal’, of nog erger ‘jullie belazeren de boel doordat je niet alle gegevens laat zien’.

Dat het nog lang geen vrede aan het front is, wordt al duidelijk op de eerste bladzijden van het boek dat Savage-Rumbaugh over haar ervaringen met apentaalonderzoek schreef.

Ze is overigens zo verstandig geweest Kanzi, The Ape at the Brink of the Human mind te maken in samenwerking met wetenschapsjournalist Roger Lewin. In Amerika gebeurt dat wel vaker, en het doet de leesbaarheid van dit soort ‘onderzoeksverslagen’ veel goed. Kanzi is bij vlagen zelfs spannend om te lezen, ook al is het niet direct gezellige bedlectuur.

En dat komt vooral doordat Savage-Rumbaugh voortdurend in de verdediging is, en telkens weer haar afkeer van taalkundigen kwijt moet. De frustraties spatten hier en daar echt van de pagina’s. Dat leidt nogal af. Mensen die zich beklagen, sorteren gek genoeg maar zelden het gewenste effect, al hebben ze nog zo’n gelijk. En Savage-Rumbaugh heeft in een heleboel opzichten gelijk. Wat er met Kanzi gebeurde is echt spectaculair.

Gebarentaal

In 1980 was dit ongeveer de stand van zaken in het apentaalonderzoek: men had allang opgegeven apen echt te leren praten. Hun anatomie staat dat per definitie in de weg: ze kunnen niet genoeg verschillende klanken maken met hun strottenhoofd, en het ontbreekt ze aan het motorisch systeem dat ons in staat stelt razendsnelle tong-, mond- en lipbewegingen te maken. Dus werd er gewerkt met, al dan niet op een computer aangesloten, aanwijsborden met symbolen.

In de jaren zestig – toen net duidelijk begon te worden dat de gebarentalen van doven ook alle aspecten van menselijke taal bevatten – kwam het psychologen-echtpaar Gardner op de tamelijk briljante gedachte chimpansees gebarentaal te leren.

Over hun methoden en hun resultaten is heel wat gestecheld, maar ze maakten aannemelijk dat je chimpansees (Washoe werd hun beroemdste pupil) met veel instructie en hard werken enkele tientallen tot soms zelf zo’n tweehonderd gebaren kon aanleren. De apen begrepen ze, en gebruikten ze ook zelf, zij het dat het wel om een aangepaste versie van Amerikaanse Gebarentaal ging. De conversatie was heel simpel en handelde meestal over eten en drinken, en spelen.

In de jaren zeventig was het Nim Chimsky die moest bewijzen dat taalkundige Noam Chomsky en de zijnen ongelijk hadden, en dat chimpansees behalve een beperkt aantal woorden (u en ik kennen er in elk geval tienduizenden) ook grammatica konden leren.

De geschiedenis van Nim is uitvoerig (en zeer leesbaar) beschreven in het boek Nim van Herbert Terrace, leider van het Nim-project, dat onder veel strengere regels was opgezet dan het onderzoek van de Gardners. Nim werd van heel jongs af aan in gebarentaal aangesproken, en erin onderwezen, elke dag urenlang.

Ontelbare sessies werden op video gezet. Vaak leek Nim structuur aan te brengen in zijn gebaren. “GEEF NIM APPEL”, “WIL SINAASAPPEL” gebaarde hij dan bijvoorbeeld. Maar nadat er bergen gegevens verwerkt waren, was Terrace om. ‘How Nim Chimsky changed my mind’ heette het artikel dat in 1979 van hem verscheen in Psychology Today.

Er bleek, als je alles samen bekeek, geen enkel systeem te zitten in de ‘meerwoordsuitingen’ van Nim, het was ‘woordsalade’, behalve dan dat hij vaak precies herhaalde (naäapte dus) wat zijn onderwijzers tegen hem zeiden. Het pleit leek beslist: syntaxis lag buiten het bereik van apen. En zonder de bouwprincipes van taal geen taal.

In dat klimaat begon Savage-Rumbaugh haar onderzoek met Matata. Alle discussies uit het recente verleden (er zijn nog meer projecten geweest, Savage-Rumbaugh bespreekt er een aantal heel kort) hadden de verdienste dat ze haar tot grote voorzichtigheid aanzetten bij opzet en interpretatie van taalonderzoek bij apen.

Het is namelijk ontzettend gemakkelijk je in de luren te laten leggen. Savage-Rumbaugh probeert heel consequent om uit te sluiten dat haar apen (voor Matata arriveerde, werkte ze al met chimpansees) alleen maar een trucje leren.

De zorgvuldigheid waarmee ze dat doet overtuigt: haar chimpansees snappen echt dat een plaatje een symbool voor iets anders kan zijn. Net als de toevallige klankcombinaties die wij woorden noemen.

Met Matata komt ze tot haar teleurstelling niet zo ver. Na twee jaar oefenen, en 30.000 keer proberen, kan Kanzi’s adoptiefmoeder een beperkt gebruik maken van niet meer dan zes symbolen. Maar in de tussentijd is er wel iets anders gebeurd.

Dat blijkt als Matata vertrokken is en men wil beginnen met taalonderwijs aan Kanzi. De eerste de beste dag gebruikt hij het symbolenbord 120 keer, en goed. Hij weet waar acht van de symbolen voor staan. Savage-Rumbaugh kan haar ogen niet geloven. Kanzi lijkt wat ze zijn moeder heeft proberen te leren spontaan opgepikt te hebben. Gewoon, door erbij te zitten, en in de kamer te spelen.

Niet eerder had een aap zonder moeizame trainingssessies iets dergelijks geleerd. En dat was ook altijd aangevoerd om te wijzen op de grote verschillen tussen mensen en apen: kinderen leren allemaal hun moedertaal zonder expliciete instructies.

Nu is acht symbolen bepaald nog geen moedertaal, maar Kanzi leerde er daarna gemakkelijk enkele tientallen bij: voor verschillende soorten voedsel, voor plaatsen in het nabijgelegen bos waarheen dikwijls uitstapjes gemaakt werden, voor activiteiten, voor verschillende mensen. Allemaal concrete dingen.

Stout

Als Kanzi vijf is, worden er wat abstractere symbolen toegevoegd, schrijft Savage-Rumbaugh, maar de voorbeelden die ze daarvan geeft zijn niet erg indrukwekkend. Dat Kanzi aan kan geven dat hij ‘stout’ is, of van plan iets ‘stouts’ te gaan doen, verbaast me niet: dat kan mijn hond ook. Over de symbolen voor ‘nu’ en ‘later’ wordt verteld dat Kanzi ze niet gebruikt omdat hij daar ‘vocalisaties’ voor ontwikkeld heeft. Een kreet die ‘straks’ betekent? Dat zou ik wel eens met eigen ogen willen zien.

Enfin. Misschien nog bijzonderder dan spontaan een beginnetje maken met symbolen leren, is dat Kanzi ook gesproken woorden begrijpt.

Het symbolenbord ging in eerste instantie niet mee bij uitstapjes (later werd een draagbare versie gemaakt), en daar begon men te vermoeden dat hij gesproken instructies soms goed snapte.

Bij systematisch testen bleek Kanzi inderdaad van alles te verstaan. Daar heeft hij inmiddels ook al verscheidene malen de televisie mee gehaald. Misschien hebt u hem wel eens bezig gezien in de keuken, waar hij in opdracht netjes de groente spoelt, of zag u hem de rode bal uit een andere kamer halen, zoals hem verteld was, terwijl er toch ook een rode bal voor zijn neus lag.

Razendslim

Kanzi is een aap met opmerkelijke kwaliteiten. Hij is razendslim, wil heel graag communiceren, en is ongelooflijk handig in het overbrengen van zijn bedoelingen. Maar hij heeft natuurlijk toch ook grote beperkingen.

Meer dan Savage-Rumbaugh wil geloven, denk ik. Ze claimt in haar boek dat ze bewezen heeft dat apen wel syntaxis kunnen leren. In werkelijkheid gaat het maar om een ding (ik ga ervan uit dat de gegevens kloppen): door middel van training heeft ze Kanzi geleerd om altijd eerst de activiteit en daarna het object waarop die van toepassing is aan te wijzen op het bord. Dus ‘verstoppen pinda’ en niet ‘pinda verstoppen’.

Dat is de basisvolgorde van het Engels (overigens niet van het Nederlands), en de meeste kinderen gebruiken die als ze ergens tussen te anderhalf en twee zijn. Die doen dat overigens spontaan. Kanzi gebruikte al jarenlang verschillende volgordes door elkaar.

Bij een paar andere voorbeelden van schijnbaar verregaand begrip van Kanzi (let op: hij produceert zelf nooit iets dat op een ingewikkelde zin lijkt), wreekt zich de verkeerde oorlogsstrategie van Savage-Rumbaugh. Wie zijn vijand wil verslaan, moet zorgen dat hij hem goed kent. Savage-Rumbaugh is alleen maar boos op die nare taalkundigen die syntaxis zo vreselijk belangrijk vinden.

Maar als ze die boosheid even opzij zou kunnen zetten, en zich eens een tijdje goed ging verdiepen in al dat onderzoek naar taalstructuren van de laatste tientallen jaren, dan zou ze misschien zien dat die taalkundigen wel degelijk een punt hebben.

Mensen maken gebruik van een ongehoord krachtig en ingenieus vervoermiddel voor hun woorden en gedachten, maar daar merken we in het dagelijks leven (gelukkig) bijna niks van. Het lijkt op het oog zo eenvoudig, en dus zo weinig voor te stellen.

Daarom lijkt wat de apen kunnen zo dichtbij. Maar wie een carrière maakt van taal bij dieren onderzoeken, moet eigenlijk beter weten. Zij het dat andersom de taalkundigen ook heel wat te verwijten valt: van daaruit wordt inderdaad vaak nogal arrogant alleen een wegwerpgebaar gemaakt.

Pas als er aan beide zijden wat vooroordelen opgeruimd worden dan kan je echt iets zeggen over waar de gelijkenis tussen aap en mens ophoudt. Die vraag blijft intrigeren, en het lijkt er op dat ‘de mens’ telkens weer een stukje van zijn exclusiviteit moet opgeven.

Het laatste, en overigens erg speculatieve deel van haar boek wijdt Savage-Rumbaugh aan de vraag of apen naast het te gebruiken, ook gereedschap kunnen vervaardigen. Dit alles uitgaand van de veronderstelling dat er een evolutionair verband zit tussen het vermogen vuistbijlen te vervaardigen en het taalvermogen. Ook hier trekt Savage-Rumbaugh naar mijn smaak te vlot te verregaande conclusies, maar het zet allemaal wel aan tot nadenken. En elk boek dat dat doet, is de moeite waard.

Woordenboeken vergeleken

Kramers Nieuw Woordenboek Nederlands, redactie o.l.v. Drs. H. Coenders1520 blz., geb., Elsevier 1990, f 52,90 ISBN 90 10 06131 0

Wolters’ Woordenboek Nederlands Koenen, samengesteld door C.A. de Ru,1463 blz., geb., Wolters-Noordhoff 1987, f 47,50 ISBN 90 01 96822 8

Van Dale Handwoordenboek Hedendaags Nederlands, door prof.dr.P.G.J. van Sterkenburg, 1247 blz., geb., Van Dale Lexicografie 1988, f 47,50 ISBN 90 6648 201 xgeb.

Prisma Handwoordenboek Nederlands, door André Abeling 1012 blz., Het Spectrum 1989, f 19,90 ISBN 90 274 3472 7

Prisma Handwoordenboek Frans-Nederlands, met medewerking van Van Dale Lexicografie bv, 566 blz., Het Spectrum 1990, f 19,90 ISBN 90 274 2495 0

Prisma Handwoordenboek Engels-Nederlands, met medewerking van Van Dale Lexicografie bv, 634 blz., Het Spectrum 1990, f 19,90 ISBN 90 274 2494 2

Prisma Handwoordenboek Duits-Nederlands, met medewerking van Van Dale Lexicografie bv, 570 blz., Het Spectrum 1990, f 19,90 ISBN 90 274 2496 9

Het heeft een paar jaar geduurd, maar inmiddels hebben alle woordenboekenuitgevers gezorgd dat ze een (nieuw) handwoordenboek Nederlands in hun fonds hebben.

Kramers, Wolters, Van Dale en Prisma bestoken allevier de dagelijkse huis-kantoor-en-middelbare-schoolmarkt. En dat zou wel eens de grootste groep woordenboekengebruikers kunnen zijn: degenen die een dun pocketje te weinig vinden maar die niet direct reden zien met een loodzwaar en bovendien spuugduur naslagwerk op hun knie te gaan zitten.

Nu er zo veel keus bestaat, is de vraag alleen welke van de handwoordenboeken het meest een vast plaatsje onder handbereik verdient.

Om daar een reëel antwoord op te kunnen geven moet je eerst bedenken wat doorsneegebruikers willen doen met een woordenboek Nederlands-Nederlands. Er woorden in opzoeken natuurlijk. Let wel: woorden die ze eerder gehoord of gelezen hebben, en waarvan ze iets meer willen weten.

Dat klinkt als een open deur, en dat is het ook. Alleen niet voor de firma Van Dale. Die wil ons in zijn huidige advertenties voor de grote Van Dale (getekend scènetje van man in restaurant die niet op het woord “tutoyeren” kan komen, en dan verwezen wordt naar pagina 3011 van de Grote Van Dale) doen geloven dat je in een eentalig woordenboek ook woorden kunt opzoeken die je niet kent of even vergeten bent. Dat zou wel erg handig zijn, maar helaas, dat gaat niet. Je kunt zo’n woord hooguit toevallig tegenkomen bij het bladeren.

Maar gelukkig is het meestal wél voldoende een woord ongeveer te kennen: uitzoeken of het nou “minutieus” of “minitieus”, of “laperoscopie” danwel “laparoscopie” is, lukt prima, evenals kijken of het woord “treurbuis” (Gerrit Komrijs nog immer bruikbare benaming voor de televisie) ook volgens woordenboekenmakers bestaat. In dat geval wordt het woordenboek gebruikt als een soort spelling- en controlelijst. Een prachtfunctie, die elk woordenboek kan vervullen.

Ik begrijp dan ook nooit goed waarom spellingsgidsen en “het groene boekje” zo waanzinnig populair zijn: letterlijk voor hetzelfde geld zijn er allerlei naslagwerken te koop waarin tegelijkertijd ook nog andere gegevens gevonden kunnen worden.

Informatie over de uitspraak van een woord bijvoorbeeld. Van oudsher geven woordenboeken aan welke lettergreep de hoofdklemtoon krijgt door voor die lettergreep een kommaatje te zetten: ‘clivia, klei’neren, mine’strone. De handwoordenboeken van Kramers, Wolters en Van Dale doen het nog steeds zo, alleen Prisma komt met iets nieuws: de beklemtoonde lettergreep wordt daar onderstreept (melkboerenhondehaar, opstand, opstandig). Voor de Prismamethode vind ik wel iets te zeggen: zo’n streepje laat zich minder gemakkelijk over het hoofd zien dan een apostrof en de kans dat je automatisch begrijpt waar het voor dient is groter.

Maar aan de uitspraak van een woord zitten nog meer soms onvoorspelbare kanten. Hoe moet “ch” aan het begin van een woord klinken bijvoorbeeld? Aan “chocola”, “chronisch” en “chintz” kun je niet zomaar zien dat die ch er respectievelijk als “sj”, “g” en “tsj” uit hoort te komen.

CHOKE

Bieden de handwoordenboeken hiervoor hulp? Kramers, Wolters en Prisma wel, Van Dale merkwaardigerwijs niet. Kramers geeft direct na het woord de uitspraak tussen haken (chaddor [‘tsjaddor]), Prisma vertelt aan het eind van het lemma hoe je het moet zeggen, en geeft bovendien vaak aan uit welke taal het woord komt (bij “choke” bijvoorbeeld: “Engels, zeg (t)sjook”). Wolters heeft voorin een lange lijst Engelse woorden met hun uitspraak (die wordt in het eigenlijke woordenboek niet nog eens gegeven), en werkt voor andere gevallen met vetgedrukte of schuingedrukte “ch’s”, en sterretje die verwijzen naar een voetnoot onder aan de bladzij waarin duidelijk wordt welke “ch’s” staan voor “sj”, en welke voor een harde “g”.

Nogal omslachtig allemaal. Kramers en Prisma winnen op dit punt met glans. En voor alle duidelijkheid: woorden die met “ch” beginnen waren niet meer dan een voorbeeld, ook bij “diligence”, “peptalk” en “röntgen” wordt de opzoeker geholpen. Kramers maakt overigens soms gebruik van tekens uit het fonetisch alfabet, en Prisma probeert het allemaal met behulp van het gewone alfabet duidelijk te maken (nadeel: minder precieze weergave, voordeel: niemand hoeft voorin onbekende tekens op te zoeken).

Woorden kun je spellen, uitspreken en als ze uit meer lettergrepen bestaan ook nog ergens afbreken. Het aangeven van mogelijke afbreekpunten heeft het de laatste jaren in woordenboekenland helemaal gemaakt. De Spellinggidsen van Wolters en Prisma doen het, evenals het nieuwe groene boekje.

Prisma maakt nu zijn eigen spellingwoordenboek nog overbodiger dan het al is door ook in het Handwoordenboek Nederlands ieder afbreekbaar woord van puntjes te voorzien (de.gen.slik.ker, nou.veau ri.che, mac.chi.a.vel.lis.me). Wolters had blijkbaar geen zin zijn eigen concurrent te zijn, en laat de puntjes dus achterwege in het handwoordenboek. Van Dale doet ook niet mee aan de nieuwste mode, maar Kramers weer wel. Die noemt zich in advertenties dan ook “Het dikste en meest actuele handwoordenboek” (dat het ook het duurste is wordt wijselijk weggelaten, al scheelt de prijs niet echt veel met die van Van Dale en Wolters: alles rond de vijftig gulden).

Het dikste is Kramers inderdaad, al zegt dat nu ook weer niet alles: iedere betekenis, dus ook woorden die er twee of meer hebben en samenstellingen, krijgt een eigen, nieuwe regel. Dus onder elkaar vind je twee maal jacht (in de betekenis “vaartuig” en “het jagen”) en dan jachtakte, jachtdelict, jachten, jachterig, jachteskader, jachtgeweer, enzovoort, tot en met jachtwet. Bij elkaar meer dan dertig “ingangen”.

Bij Van Dale gaat het ongeveer net zo, al hebben ze daar voor de verschillende betekenissen van “jacht” geen twee lemmata, maar dat ingewikkelde en ondoorzichtige Van Dale-doornummersysteem waarvan ik nog steeds vind dat het in de dikke vertaalwoordenboeken wel, maar in de handwoordenboeken beslist niet thuishoort. Wolters en Prisma doen het anders: die geven wel ongeveer net zoveel “jachtsamenstellingen”, maar ze stoppen rustig vijf of meer woorden in één lemma.

Vooral Prisma is daar erg rigoureus in, en somt vaak alleen maar op, zonder betekenisomschrijvingen te geven. In veel gevallen is dat laatste zeker geen slecht idee: wat schiet je op met obligate omschrijvingen van woorden als “jachtbuit”, “jachtgeweer” en “jachtseizoen”, die meestal weinig verduidelijken of toevoegen (jachtseizoen is “jachttijd”  volgens Wolters, “jaargetijde waarin gejaagd wordt” volgens Van Dale, en “tijd van het jaar waarin de jacht geopend is” volgens Kramers, die daarmee nog het meeste te melden blijkt te hebben), maar die wel ruimte vreten.

Anderzijds is het natuurlijk gemakkelijker om een woord te vinden als je daarbij niet voortdurend als het ware binnen een ander woord hoeft te zoeken. Wie hier wint is een kwestie van smaak.

Meervouden, werkwoordsverbuigingen en de geslachten van zelfstandige naamwoorden zijn traditioneel in ieder woordenboek opgenomen, en de hier besproken vier zijn geen uitzondering. Van Dale en Prisma laten het bij de woordgeslachten alleen niet langer uitsluitend bij de aanduiding m of v of o: ze schrijven simpelweg “de” of “het”. Bij de de-woorden gebruikt Van Dale nog wel de afkortingen m en v, maar Prisma zet er tussen haakjes “hij” of “zij” bij.

Dat is op zichzelf een goed idee, want veel mensen vinden terugverwijzen naar een woord met “hij” of “haar” of wat dan ook lastig. Er worden bij het schrijven (het is echt een schrijftaalfenomeen, pratend gaat het allemaal vanzelf goed) ook vaak fouten in gemaakt (“het kabinet en haar leden”). Jammer alleen dat Prisma zo conservatief is, en heel vaak “zij” zet achter woorden waar geen normaal mens “vrouwelijk” naar terugverwijst, zelfs niet op papier: “die muizenis, zet haar maar uit je hoofd”, moet het volgens Prisma wezen. 

En dan, welke woorden staan er eigenlijk in? Het zijn er allemaal tussen de pakweg veertig- en de zeventigduizend. Is Kramers werkelijk het actueelst? Ach, zoiets is maar betrekkelijk. “New age” (inmiddels al niet eens meer “nieuw”) heb ik er niet in kunnen vinden (ook niet in de andere drie, terwijl “new wave” wel overal is opgenomen), evenmin trouwens als de laparoscopie van hierboven. De “treurbuis” heeft alleen Prisma niet gehaald.

Welke woorden waarin staan heeft toch nog steeds veel, zo niet bijna alles, te maken met twee dingen: toeval en het verleden dat op zijn beurt ook weer vol toeval zit. Woordenboeken bouwen allemaal voort op hun vorige druk. Aan woorden als de giromaatpas (ontbreekt alleen bij Wolters) kun je zien of ze de boel een beetje bijhouden, en aan het al dan niet voorkomen van woorden als “wadem” (is volgens de Grote Van Dale damp, nevel, en te vinden in Gorters Mei) of ze niet te archaisch of specialistisch (bijvoorbeeld te literair) zijn.

Echt slecht zijn de bestanden geen van alle, de woordenboektraditie in dit land is oud genoeg. Opvallend is dat Kramers heel veel Zuidnederlandse (=Vlaamse) woorden geeft. Van Dale en Prisma putten overigens uit dezelfde woordvoorraad: Prisma is een ingedikte versie van Van Dale. Voor ons consumenten zou het prachtig zijn als alle woordenboeken Nederlands eens op een grote hoop gegooid zouden worden en iemand daar dan met de stofkam overheen zou gaan.

En daarbij meteen ook voor alle woorden even de beste omschrijvingen zou kiezen. Welke zijn dat? Wat mij betreft: heldere omschrijvingen in gewone mensentaal. Het summum wat dat betreft is in Nederland nog steeds te vinden in Van Dales Basiswoordenboek (ellepijp: bot in je onderarm, aan de kant van je pink), maar ja, dat is voor middelbare scholieren. Van de vier handwoordenboeken is Wolters de woordenboekachtigste (jachtgeweer: geweer ten gebruike op de jacht (met lange loop)). Bij de rest zou ik bladzij voor bladzij moeten gaan turven om er echt iets zinnigs over te kunnen zeggen. Met bladeren en her en der een paar bladzijden vergelijken luidt mijn oordeel: soms is de een beter, soms de ander. Daar koopt u dus niet veel voor.

COMBINATIES

Toch heb ik wel een koopadvies. Wat u verder ook wilt met woordenboeken in uw leven, schaf voor twee tientjes die Prisma aan. Voor het dagelijks gebruik kunt u daar in ieder geval prima mee uit de voeten (dat het boek niet gebonden is wordt door de prijs ruimschoots gecompenseerd), en het boek geeft daarnaast meer dan een van de andere een keur aan synoniemen en allerlei informatie over de gebruiksmogelijkheden van een woord.

Bij “huis” bijvoorbeeld is een hele reeks benamingen te vinden, van “krot” tot “kasteel”, bij “huid” staan zelfs alle onderdelen waaruit huid is opgebouwd. Dat kan bijzonder praktisch zijn, omdat je op deze manier soms wél een woord kunt vinden waar je even niet op kunt komen.

Dat geldt ook voor combinaties van woorden. Wat kun je ook alweer doen met limieten bijvoorbeeld? Prisma geeft het antwoord: die kun je stellen, bereiken, halen, overschreiden of eraan voldoen. Voor uitdrukkingen of speciale betekenissen wordt heel vaak doorverwezen naar andere woorden (bij “stand” staat “zie ook standje” en “zie ook burgerlijk”), en ook mogelijke combinaties met voorzetsels zijn helder aangegeven. Al die extraatjes maken het boek bovendien bij uitstek geschikt voor buitenlanders met een redelijke kennis van het Nederlands.

Andersom kunnen Nederlanders sinds kort hun moderne-talenkennis met soortgelijke informatie opvijzelen: er is net een Prismareeks Duits-Nederlands, Engels-Nederlands en Frans-Nederlands verschenen. Ook die woordenboeken staan vol uitdrukkingen, vaste voorzetselcombinaties en voorbeelden.

Ze kosten weer maar twee tientjes en ze zijn ook gebaseerd op de woordbestanden van Van Dale, die misschien niet perfect zijn, maar wel het beste dat we momenteel hebben. Prismawoordenboeken hebben van oudsher de naam dat ze je waar voor je geld leveren. Die naam weten ze wederom hoog te houden. Het wachten is nu alleen nog op de tegenhangende reeks Nederlands-buitenlands.

Het eeuwige taalchagrijn

Ze geven het nooit op. Wekelijks zijn ze goed voor minstens een hele kolom in de brievenrubrieken van de dagbladen. Ik noem ze de taalchagrijnen.

Ze zijn boos dat de krant ‘chique’ spelt (dat betekent tabak!) of dat een plaats ‘plek’ genoemd wordt, of dat zelfs Van Dale nu al het woord ‘behartenswaardig’ heeft opgenomen, en altijd is de boodschap dat het bergafwaarts gaat met onze taal en cultuur. Ik volg dat gevecht tegen de bierkaai met een mengeling van geamuseerdheid en ergernis. Het verontruste burgermansfatsoen dat er dikwijls uit spreekt doet me grinniken. Hinderlijk vind ik het volmaakte gebrek aan inzicht in de eigenschappen van taal, en de ontstellende arrogantie om te denken dat je je eigen smaak als norm op kunt leggen aan de rest van het land.

Laatst kreeg ik toevallig een oud boekje in handen van een soort ingezonden-brievenschrijver-in-het-kwadraat. Zo’n zuiver geval van een taalchagrijn had ik nog nooit gezien. Meneer N.C. ten Hagen laat zijn verontwaardiging en woede helemaal de vrije loop.

Mijn eigen geamuseerdheid en ergernis bereikten nieuwe toppen bij het lezen van passages als:  “Tientallen voorbeelden zijn er aan te halen van het stupide negatief-gewauwel van omroepers, verslaggevers, ministers, staatssecretarissen, kamerleden en verder allen die voor radio of televisie hun woordje doen! Het is duidelijk dat die negatievelingen min of meer geschift zijn, maar de waanzin is in Nederland zo verbreid, dat het voor een normale nederlander steeds moeilijker wordt aan de infectie te ontkomen. De nederlander die nog gewoon, normaal en beschaafd nederlands spreekt en schrijft, wordt door de dwazen voor ouderwets, bekrompen of iets van dien aard aangezien! Zij kijken je met kalfsogen aan, als je je best doet je taal zo zuiver mogelijk te spreken of te schrijven, vrij van idiotismen, grammaticale fouten, schuttingwoorden, kwajongens uitdrukkingen en perversiteiten!! … Wat een wanorde in Nederland, wat een schooiers, wat een oplichters, wat een verslaafden en sadisten, wat een vandalen en gedegenereerden, maar vooral wat een schenners van de nederlandse taal!!”

Heilige verontwaardiging heeft altijd iets ontroerends. Ten Hagen weet zo absoluut zeker dat hij gelijk heeft en dat hij alleen maar hoeft uit te spellen hoe verschrikkelijk het in dit land gesteld is, om iedereen te overtuigen. En daarmee het geestelijk verval een halt toe te roepen. Wie zijn 93 pagina’s tellende, in eigen beheer uitgegeven boekje De verloedering van onze nederlandse taal gelezen heeft kán toch niet anders dan onmiddellijk zijn leven beteren. Dat rotsvaste geloof spreekt uit elke pagina, en dat moet Ten Hagen op de been gehouden hebben terwijl hij al die uitroeptekens zat te tikken.

Toen hij eind jaren zeventig zijn aanklacht schreef was Ten Hagen zelf al ver in de zeventig. Waarschijnlijk leeft hij nu niet meer, maar uitgestorven is zijn soort nog lang niet. N.C ten Hagen is exemplarisch voor een grote groep mensen.

De meesten zullen zich in iets bedektere termen uitdrukken, en ik hoop dat het niet allemaal net zulke academici-haters zijn (“die zielige mannetjes en vrouwtjes die zo graag drs. of dra. voor hun naam willen hebben”, “.. juristen of andere lieden met een titel voor hun naam, hetzij professor, doctor, ingenieur of het stumperige drs. missen geheel de kennis des onderscheids. Dat wil zeggen dat zij in ’t geheel niet intelligent zijn.”, “die zogenaamde ontwikkelden of geleerden!!”), maar Ten Hagen vertolkt beslist de gevoelens van een deel van het volk.

Dat volk vindt natuurlijk dat alles minder wordt, maar dat is niet interessant. Veel opvallender vind ik dat bij allen die ten strijde trekken tegen de verloedering van onze mooie moedertaal dezelfde misverstanden leven.

Om te beginnen halen ze altijd taal en spelling door elkaar, een vergissing die bijna de complete gealfabetiseerde wereldbevolking maakt. Ook Ten Haven is er diep van overtuigd dat de spellingsvereenvoudiging van vlak na de oorlog het Nederlands vereenvoudigd heeft. En hij heeft het dan speciaal over het afschaffen van de verplichting om verbuigings-n-en (‘van den ouden man’) te schrijven. (Overigens: bent u zich er van bewust dat het volgens de wet nog steeds toegestaan is ze wel te gebruiken?).

Maar dat die verplichting verdween had er alles mee te maken dat niemand die dingen meer uitsprak. Dat gebeurde hooguit nog bij het voorlezen van teksten, niet in alledaagse conversaties.

Het Nederlands was dus al veranderd, de spelling hobbelde daar achteraan. En zeker: het moet voor al die kinderen die die n-en nooit hoorden, en er dus ook geen intuïties over hadden, een hele opluchting zijn geweest dat ze ze niet langer hoefden te schrijven.

Dat het Nederlands door het verdwijnen van de naamvallen gemakkelijker geworden is, denken veel Nederlanders die nu leven en die Duitse rijtjes hebben moeten stampen. Maar het is flauwekul. Een Duits kind leert heus niet moeizamer Duits dan een Nederlands kind Nederlands.

Maar met deze kwestie zitten we wel bij de kern: de gedachte dat je via het onderwijs – dus van overheidswege – taalveranderingen kunt opleggen danwel tegenhouden is de grootste denkfout van wereldverbeteraars à la Ten Hagen.

De taalgemeenschap is het ongehoorzaamste stuk vreten dat je kunt bedenken. Die luistert nergens naar, alleen naar zichzelf. Neem het verdwijnen van die naamvallen: dat is een flink uit de kluiten gewassen taalverandering. Een die zich volkomen buiten het onderwijs om voltrokken heeft. Die zelfs lijnrecht tegen het onderwijs inging.

Ach, het is natuurlijk ook waanzin om te denken dat je je moedertaal op school leert. Op school leer je lezen en schrijven. En ontleden, de bron van weer zo’n onuitroeibaar misverstand. Hoe vaak zou ik nou al gehoord hebben dat ‘men’ tegenwoordig de grammatica van het Nederlands niet meer kent? Ook bij Ten Hagen is het raak, en net als zovelen met hem concludeert hij dat men dus “onze nederlandse taal” niet meer kent.

Stel je voor, dat zou een mooie boel zijn. Als we werkelijk de grammatica van het Nederlands niet meer kenden dan konden we niet met elkaar praten. Maar dat bedoelen de klagers niet.

Met ‘de grammatica kennen’ willen ze zeggen: in staat zijn woordsoorten en zinsdelen te benoemen. Nuttige vaardigheden soms, daar niet van. Ik geloof dat een beetje inzicht in je eigen taal je bijvoorbeeld beslist kan helpen bij het leren van een andere taal. Maar het gaat om inzicht in de kennis die je al had.

Want wie Nederlands als moedertaal heeft kent daarmee vanzelf de grammatica van het Nederlands. Zo simpel is het echt. Zij het dat die kennis wel oneindig veel complexer en interessanter is dan het grammatica-onderwijs op school laat zien. Aan wat ze je daar leren zou je in het dagelijks leven bij lange na niet genoeg hebben.

En dan nog … , probeer u maar eens voor te stellen hoe het zou zijn om inderdaad bewust zinnen te gaan bouwen aan de hand van schoolgrammaticakennis.

Gaat u een hoofdzin of een bijzin maken, of een samengestelde zin? Wordt het misschien een vraag? Waar komt het onderwerp? Vooraan? Kies daar dan een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord of een naam of een verzelfstandigd werkwoord voor, zet daar al of niet een lidwoord bij, of een aanwijzend voornaamwoord of een paar bijvoeglijke naamwoorden, of construeer eerst een zin die de rol van onderwerp kan nemen, waarvoor dan al die keuzes – en nog meer – ook weer gemaakt moeten worden.

Als je bij het praten zo na moest denken zou je gek worden. Andersom, luisterend, zou het ook niet echt opschieten. Prettig dat je eigen zinnen bouwen en die van anderen interpreteren in het normale leven ongemerkt gaat.

Daarom schenken de Ten Hagens er ook nooit werkelijk aandacht aan. De Ten Hagens denken diep in hun hart dat woorden en uitdrukkingen een taal maken. Die vallen hun op. En het moet gezegd: op dat vlak verandert er ook altijd het meest.

Daar kun je volgens de taalchagrijnen dus ook zien dat het Nederlands ziek is, en “taal-injecties en taal-pillen nodig heeft tegen de voortwoekerende infectie” om Ten Hagen nog maar eens aan te halen. Het Nederlands is volgens hem besmet geraakt met “idiotismen” van domoren, stuntels, kwallen, schooiers, taalverminkers, kortom: onbeschaafde lieden, de geestelijke sadisten in onze samenleving. En dat worden er steeds meer. Ze martelen Ten Hagen en andere “beschaafde, intelligente personen” door onverdraaglijke woorden te bezigen als ‘uiteindelijk’, ‘eigentijds’, ‘persoonlijk’, ‘normaliter’ en ‘hartstikke’. Allemaal “ziektes”.

Grof geschut voor woorden waar nu al helemaal niemand meer problemen mee zal hebben denk ik. En altijd zijn het dezelfde argumenten waar mensen als ten Hagen mee komen: de woorden zijn ‘overbodig’ of ‘onlogisch’. Zeggen dat je iets “met eigen ogen” gezien hebt is dom, want met wiens ogen had je het dan willen doen. Iets “ontzettend leuk” vinden kan niet, want die twee woorden spreken elkaar tegen. “Niet slecht” zeggen tegen iets dat je goed vindt is ook al uit den bozen, want waarom zou je?

Ja, waarom zou je. Voor de variatie meneer Ten Hagen, of uit speelsigheid, of om er de nadruk op te leggen. Eens een ander woord gebruiken, of een woord anders gebruiken geeft de kans iets extra’s te doen, wat creativiteit kwijt te raken.

Goed voor de geestelijke gezondheid, om een onderwerp aan te snijden dat u ook graag van stal mag halen. Ten Hagen vindt zelfs dat er een GEESTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST (hoofdletters van hem) moet komen, om het Nederlands van de verloedering te redden. Voor je het weet heb je Orwells Thought Police in huis. Ondertussen trekt geen taal zich iets aan van reactionaire praat. De taalchagrijnen mogen tot in lengte van jaren humeurig blijven, taal is daar totaal ongevoelig voor. Ten Hagens aller landen: toe, spaar jezelf de moeite en stop je energie eens in iets waar je misschien nog wat voor terugkrijgt. 

Noot: Hierna schreef ik nog één column, maar de volgende O is nooit meer uitgekomen. Einde van een blad dat in zijn onderwerpskeuze z’n tijd nogal ’s vooruit was. Ik heinner me nog dat ik de column wel betaald heb gekregen. Reden te meer hem toch een keer te publiceren. Als extraatje. Hier komtie.

EXTRA

Nooit gepubliceerde column

TAAL

Shampoo in een eeuwigdurende loop

Weet u hoe u uw haar moet wassen? Ik ook. Al jaren. Maar de producent van mijn shampoo denkt dat we het niet weten. Want zo lang als ik me kan herinneren ‑ en ik ben heel trouw aan mijn merk ‑ staat er een gebruiksaanwijzing op iedere fles die ik koop. Ik geloof niet dat de tekst ooit wezenlijk veranderd is, dat zou me opgevallen zijn: op de w.c. en in bad heeft een mens vaak niets beters te doen dan te lezen wat hem toevallig voor ogen komt.

Bijna ritueel lees ik daar dan ook dezelfde woorden honderden keren opnieuw. Schoonmaakmiddelen, wc‑papier, douche‑gel, alles wat maar in een beschreven verpakking zit valt ten prooi aan mijn onbedwingbare leeslust.

Dat zinloze lezen geeft een vervreemdend effect. Voor hele zinnen geldt blijkbaar hetzelfde als voor losse woorden: als je ze maar dikwijls genoeg herhaalt krijgen ze op den duur iets raars. Vooral kinderen spelen dat spelletje graag: vijftig keer achter elkaar erwt of tafel of speelgoedautootje of iets dergelijks zeggen.

Elk woord wordt op die manier ‘gek’, en dat komt omdat het los wordt gemaakt van zijn inhoud. De koppeling vorm‑betekenis gaat meestal zo automatisch dat we ons niet eens bewust zijn van het feit dat woorden allebei die aspecten hebben. Sterker nog: vorm en inhoud zijn zo verbonden dat wie voor het eerst een vreemde taal leert het vaak eigenlijk maar idioot vindt dat Fransen, Duitsers of Engelsen tegen een tafel niet ook gewoon tafel zeggen.

Taalbespeler Battus speelt in zijn Encyclopedie prachtig op die kinderlijke gedachte in door onder het lemma ‘taal’ te vermelden dat onze taal een wonder van vernuft en charme is, wat je onder meer direct kunt zien aan het feit dat wij voor een tafel het handigste en precies raakste woord ‘tafel’ hebben. En zo is het. Voor ons gevoel dan, en zolang we er niet over nadenken of woorden en zinnen isoleren. 

Maar ik geloof nooit dat de schrijvers van teksten op allerlei wc‑ en badkamerproducten zich realiseren dat hun schrijfsels vanzelf holle frasen worden voor veel mensen (ik deel mijn afwijking ongetwijfeld met heel wat anderen). Zij hebben andere bedoelingen.

Aan die van mijn shampooproducent erger ik me al jaren. De gebruiksaanwijzing luidt namelijk alsvolgt: ‘Op vochtig haar inbrengen. Licht inmasseren. Even laten inwerken. Zorgvuldig uitspoelen. Behandeling herhalen.’ Wat de fabrikant wil, is denk ik het volgende: ik moet mijn haar niet één maar twee keer wassen en zo zijn omzet verdubbelen.

Dat is natuurlijk onzin. Als je je haar net gewassen hebt dan is het bij een fatsoenlijke shampoo schoon, en dat is nu net het moment waarop je het niet hoeft te wassen. Een goedkope verkooptruc dus, zij het een waaraan wel meer fabrikanten zich schuldig maken.

Misschien erger ik me daarom uiteindelijk nog het meest aan de fout die de maker van dit toch zo eenvoudige tekstje gemaakt heeft. Hij (of zij, wie zal het zeggen), zegt namelijk niet wat hij bedoelt. Wie deze gebruiksaanwijzing opvolgt staat tot in lengte van jaren  zijn haren te wassen. Het rijtje opdrachten keurig uitvoeren leidt er immers toe dat je iedere keer opnieuw de behandeling herhaalt.

Waren we geen mensen, maar computers dan zouden we met deze voorschriften vast komen te zitten in een eeuwigdurende lus. Tot ons geheugen vol was. Iets dat trouwens bij mensen veel eerder het geval is dan bij computers.

In de structuur van menselijke taal kom je dat ‘Drosteblikjes‑effect’ namelijk ook heel veel tegen  (je kunt bijvoorbeeld binnen een zin een bijzin beginnen, waarin weer een bijzin zit, waarin enzovoort), maar erg ‘diep’ kijken kunnen we meestal niet.

Probeert u de volgende zin maar eens uit te plussen: de tekst op de shampoo die het meisje dat haar haar dat vies was wilde wassen las bevatte een onzinnige gebruiksaanwijzing.

Daar zit het randje van ons geheugen. Meer ‘tussenresultaten’ (het bijhouden van wat bij wat hoort, taal is vaak rekenen) kunnen we blijkbaar niet vasthouden.

Maar ook met die geheugenbeperkingen is het Droste-effect (of: recursie) verantwoordelijk voor een van de belangrijkste kenmerken van menselijke taal: het oneindig aantal mogelijkheden om zinnen te bouwen.

Recursie is echt een natuurverschijnsel. Maar geen gemakkelijk begrip. Dat je iets op zichzelf kunt toepassen, dat je binnen de uitvoering van een procedure diezelfde procedure kunt ‘aanroepen’, is een gedachte waar iedereen in eerste instantie aan moet wennen.

Een verhelderend voorbeeld van een recursieve wet vind ik De Wet van Hofstadter. Die luidt aldus: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, ook al houd je rekening met de Wet van Hofstadter.’ Een perfecte formulering van een overbekende frustratie: je wéét dat het langer zal duren dan je nu denkt, en dan nog valt het altijd tegen.

Hofstadters wet staat in zijn – ten onrechte veelal ongelezen gebleven – tophit Gödel, Escher, Bach. Daarin worden overigens allerlei recursieve structuren en processen besproken. Ook de in de jaren tachtig pas echt populair geworden fractals, die prachtige grillige patronen die zichzelf herhalen en die je terugziet in kustlijnen, bomen, bergen en dergelijke.

Maar recursie zit in de meest simpele dingen: bij gewoon tellen herhaal je ook steeds dezelfde stap, desnoods tot in het oneindige.

De recursie in taal laat Hofstadter jammer genoeg liggen. Terwijl bijvoorbeeld Ray Jackendoffs uitwerking van de X-bar-theorie toch al wereldfaam had op het moment dat Hofstadters boek geschreven werd. Zonde dat onderzoeksresultaten uit het ene specialisme maar heel moeizaam doordringen bij een ander specialisme.

Maar goed, de X-bar-theorie. Zelf vind ik die van een verpletterende schoonheid, een van de mooiste inzichten in taal die er bestaan. Hij komt ongeveer op het volgende neer: de bouwprincipes voor taal zijn aldoor dezelfde, voor alle soorten basisbouwstenen die je gebruikt. Stukjes bouwsel die je met behulp van die bouwprincipes gemaakt hebt kunnen bovendien zelf weer een gewone basisbouwsteen zijn, waarmee je een groter geheel kunt bouwen.

Ingewikkeld? Tamelijk, maar minder ingewikkeld dan het op het eerste gezicht lijkt. Er zijn namelijk niet veel bouwprincipes, en er bestaan ook maar weinig basisbouwstenen. Je hebt om te beginnen vier hoofdsoorten woorden. Er zijn werkwoorden (standaardafkorting V van Verb), je hebt namen, voornaamwoorden en zelfstandige naamwoorden (aangeduid met N van Noun), dan zijn er bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden (A van Adjective en Adverb) en voor- en achterzetsels (P van Pre- en Postposition).

De categorieën V, N, A, en P hebben een eigenschap gemeen: ze kunnen allevier als uitgangspunt dienen voor het bouwen van een constituent, in het Engels: phrase of P. Zo krijg je VP’s, NP’s, AP’s en PP’s. Dat zijn de elementen waarmee je zinnen kunt maken. Soms bestaan ze uit één woord, vaak ook uit meerdere.

Grove test: een phrase kun je in zijn geheel op een andere plaats in de zin zetten. Neem het volgende voorbeeld: ‘Die bloedmooie jongen zit elke avond in de kroeg op de hoek’. Daarin horen de drie woorden ‘die bloedmooie jongen’ duidelijk bij elkaar, en hetzelfde geldt voor ‘elke avond’ en ‘in de kroeg op de hoek’, terwijl ‘zit’ in z’n eentje een constituent vormt. Je kunt wel zeggen: ‘In de kroeg op de hoek zit elke avond die bloedmooie jongen’, waarbij alle phrases intact zijn gebleven, maar niet ‘In bloedmooie die elke jongen kroeg de zit avond hoek de op’, om er maar eens een geval van walgelijke woordsalade van te maken.

‘Die bloedmooie jongen’ is een voorbeeld van een NP, de N ‘jongen’ wordt het hoofd van de phrase genoemd. Binnen die NP zit een AP die in dit geval maar uit een woord bestaat: de A ‘bloedmooie’.

Bij de PP ‘In de kroeg op de hoek’ is het verschijnsel recursiviteit heel mooi aan het werk te zien. Het voorzetsel ‘in’ is het hoofd. Bij het hoofd hoort een NP: ‘de kroeg op de hoek’, maar die NP bestaat zelf weer uit een hoofd (‘de kroeg’) en een PP ‘op de hoek’, die op zijn beurt ook uit een hoofd (‘op’) en een NP (‘de hoek’) bestaat.

Je kunt daar heel gemakkelijk nog verder in gaan, en er een soort drietrapsraket van maken: ‘in de kroeg op de hoek van de straat’ waarbij je drie van elkaar afhankelijke PP’s hebt, en zelfs een vierde trap laat zich eenvoudig aanhaken: ‘in de kroeg op de hoek van de straat achter de kerk’. PP’s kunnen dus NP’s bevatten (in de kroeg), maar NP’s ook PP’s (de kroeg op de hoek).

De mogelijkheden om al die constituenten te combineren zijn duizelingwekkend. Het lijkt wel of alles in elkaar grijpt.

Maar bij het bouwen van phrases (de verzamelterm luidt XP’s) moet altijd aan ongeveer dezelfde voorwaarden voldaan worden, het gaat allemaal op dezelfde manier. Telkens combineer je een hoofd met een of meer XP’s tot een grotere XP, en uiteindelijk kom je bij de grootste XP: een hele zin.

De bouwvoorschriften kunnen wel van taal tot taal (licht) verschillen. Zo komen bijvoorbeeld de A’s in het Frans meestal rechts van de N te staan (une chose grande), in het Nederlands is het andersom (een groot ding). ‘Het hoofd regeert naar rechts of naar links’ is het majestueus aandoende jargon hiervoor.

Recursie is een machtig en prachtig instrument. Het basisgegeven is begrijpelijk, en geeft daarom ook echt inzicht, terwijl wat je ermee kunt doen letterlijk eindeloos is. Hoog tijd dat de woordenboeken Nederlands van Van Dale en Koenen het woord eens opnemen trouwens.

Denken over kinderen, apen en robots

De een kijkt hoe kleine kinderen zich ontwikkelen, de ander bestudeert diergedrag en de derde wil intelligente apparatuur maken. Willem Koops, Liesbeth Sterck en JJ Meyer komen uit heel verschillende vakgebieden en onderzoekstradities, maar houden zich alledrie bezig met denken. Op 31 maart a.s., de jaarlijkse Universiteitsdag van de Universiteit Utrecht, praten ze daarover, elk vanuit hun eigen terrein. Voor Illuster lopen ze alvast warm. Wat vind je voor verschillen tussen volwassen mensen aan de ene kant, en kinderen, beesten en machines aan de andere? Waar liggen de raakvlakken en overeenkomsten tussen de onderzoeksgebieden? Over gezichtsbedrog, inlevingsvermogen en taal als hinderpaal.

Het is gedragsbiologe en apenonderzoekster Liesbeth Sterck die samenvat wat het onderzoek van de andere twee eigenlijk ook laat zien: “We worden steeds minder uniek.”

We: wij mensen, bedoelt ze. In de laatste halve eeuw hebben we door de wetenschap nogal wat prijs moeten geven. Om te beginnen aan de apen. Telkens werd ons weer een illusie ontnomen als bleek dat chimpansees of bonobo’s of orang oetans óók werktuigen gebruikten, of oorlogen voerden, of uitvindingen deden en die dan aan elkaar doorgaven.

Maar het ging nog veel verder. Dingen leren, zo werd duidelijk, kan ook het kleinste wurmpje, de miniemste mijt. Sterck: “Twintig zenuwcellen bij elkaar is al genoeg.” Steeds meer dieren blijken zichzelf in de spiegel te kunnen herkennen, laatst nog de olifanten, en de verrassingen lijken nog niet op te zijn. Onlangs werd onomstotelijk vastgesteld dat gaaien niet alleen onthouden waar ze voedsel verstopt hebben, maar ook wat en wanneer. “Ze hebben echt een flexibel geheugen. Er wordt al gesproken over ‘feathered apes’, gevederde mensapen,” lacht Sterck.

Waar zij mens en dier tegenover elkaar zet, gaat het bij informaticus John-Jules (JJ) Meyer om machines. Ook die kunnen steeds meer dingen waarvan we vroeger aannamen dat ze puur menselijk waren. Niet dat het hem daarom te doen is. “Wij willen gewoon slimme dingen maken,” zegt hij opgeruimd over zijn vak, de artificiële intelligentie. En: “Waar filosofen vaak mooi kunnen zweven, moeten wij iets doen.”

En dat gebeurt. Sinds de begindagen van de AI, in de jaren veertig en vijftig, hebben hooggespannen verwachtingen en tegenvallers elkaar dan wel in flink tempo afgewisseld, bijna ongemerkt is onze wereld wel degelijk vol geraakt met apparatuur die intelligente dingen kan. Meyer: “In de jaren tachtig had je bijvoorbeeld de vermaledijde ‘expert-systemen’. Die vind je nu echt overal. Tegenwoordig noemen we ze alleen ‘kennis-gebaseerde systemen’, of ‘beslissingsondersteuning’. Expert-systemen leken namelijk de pretentie te hebben dat ze bijvoorbeeld dokters of rechters zouden gaan vervangen, en dat was pr-gewijs helemaal fout. In werkelijkheid zijn ze intussen wel een groot succes geworden. Cynici zeggen: AI is wat over tien jaar gewoon informatica is.”

Ontwikkelingspsycholoog Willem Koops op zijn beurt toont graag aan dat volwassenen heel wat minder van kleine kinderen verschillen dan ze meestal denken. Ook daar verliezen we dus een deel van onze uniciteit. Dat kan overigens twee kanten uit gaan: soms blijkt dat kleintjes al opmerkelijk veel snappen en kunnen, en soms wordt juist duidelijk dat volwassenen het op de keper beschouwd niet beter doen dan kinderen. “Dat kinderbreintjes niet toegankelijk zouden zijn is een misverstand,” zegt hij.

En hij is er ook van overtuigd geraakt dat eigenlijk al onze ideeën over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen en de inrichting van het onderwijs berusten op een groot misverstand: dat kinderen de vier of vijf ontwikkelingsfases moeten doorlopen die Jean Piaget in het begin van de twintigste eeuw beschreef. “Wij zijn nog steeds bezig het ongelijk van Piaget te bewijzen,” vat Koops opgewekt zijn wetenschappelijk terrein samen.

Onversneden vertelplezier bindt de drie Utrechtse onderzoekers, die bij wijze van warming up voor hun lezingen op de Universiteitsdag ook aan elkaar graag vast van alles kwijt willen. Eén onderwerp komt vanzelf bij alledrie langs als ze over hun vak praten: hoe bedrieglijkheid de wereld kan zijn in mensenogen. Onze hersenen bedotten ons met groot gemak, en daar steeds alert op blijven is een van de lastiger opgaven voor onderzoekers.

We kunnen onder meer het personifiëren niet laten, en zijn altijd geneigd om in dieren en zelfs in machines trekjes van onszelf te zien.

Zo vertelt Sterck over ‘troostende’ apen: “Frans de Waal heeft indertijd die term ingevoerd. Na een conflict gaan veel apen naar de verliezer toe, raken die aan. Het ziet eruit als troosten. Maar wat blijkt nou, de aap vóelt zich helemaal niet getroost. Althans, als je het gaat meten, zie je dat zijn stress niet minder wordt. De troosters zijn er waarschijnlijk op uit conflicten in de toekomst te voorkomen. Eigenbelang dus.”

En de goedlachse Meyer kan nog steeds niet goed uit over een reportage uit Amerika die hij vorig jaar zag: “Dat ging over bejaarden die een Aibo-robot hadden, dat zijn die robothondjes van Sony. Ik vond het een beetje onthutsend hoe ze daar helemaal aan verknocht waren geraakt. Ze zeiden van die dingen als: hij kent me goed hoor. En ze wilden hem absoluut niet ruilen voor een ander. Nou zijn die robots wel een heel klein beetje adaptief, maar dan nog.”

Het brengt het onwaarschijnlijke succes van de tamagotchi in herinnering, het Japanse elektronische huisdier in de vorm van een minicomputer met een minischermpje, dat voortdurend piepte om eten en aandacht.

“Er moet een soort universele primitieve basis zijn op grond waarvan je affectie kunt oproepen,” zegt Koops, die zich nog levendig herinnert dat zijn dochter zo’n nepbeestje had. “We leggen het er zelf in.” Het verschijnsel gezichtsbedrog speelt in zijn onderzoek een opmerkelijke rol. Hij ontdekte bijvoorbeeld op een partijtje van een van zijn eigen kinderen (“Ik was nooit thuis, maar had wel corvee, ik moest van mijn vrouw de verjaardagen doen.”) dat een klassiek proefje van Piaget niet opging voor de tientallen vierjarigen die hij op limonade trakteerde. Koops: “Wij hebben niet zo’n gereguleerd huishouden, dus ik had een tafel vol glazen in alle soorten en maten. Die had ik vol limonade geschonken. Nou, de kinderen vochten zich kapot om de glazen waar het meeste in zat – objectief het meeste. Dat bleken ze heel goed te weten.”

En dat leek in flagrante tegenspraak met een zeer bekend testje van Piaget, waar Koops nota bene zelf college over gaf: je giet water uit een laag en breed glas in een hoog, smal glas en vraagt een kind waar het meeste in zit. Pas kinderen van zes, zeven jaar geven het goede antwoord en lijken te begrijpen dat de hoeveelheid vloeistof niet verandert.

Koops’ verklaring: “Ik denk dat jongere kinderen gewoon visueel overdonderd worden door dat enorm hoge glas. Maar bij volwassenen gebeurt dat ook. Ik heb een analoge proef gedaan, in Groningen waar je de Martinitoren hebt. Daar zette ik de proefpersonen bovenop, en die keken naar beneden, naar de Grote Markt. Ik had het hele eerste jaar ingehuurd, zo’n 130 studenten, om daar te gaan staan. En daarna bewogen die zich, zichtbaar voor de mensen op de Martinitoren, naar de Ossemarkt. Die is veel kleiner dan de Grote Markt. De proefpersonen dachten daardoor allemaal dat er meer studenten waren. In het licht van die overdonderende visualiteit houden volwassenen dus ook hun logica niet overeind. Dat was alleen nooit uitgeprobeerd.”

Ook aan de andere ontwikkelingsfasen van Piaget schort volgens Koops nog wel het een en ander. Dat de verschillen tussen kinderen en volwassenen zo groot worden geacht, hebben we volgens hem te danken aan Jean Jacques Rousseau, wiens ideeën al twee eeuwen ons denken bepalen. “De fases van Piaget lopen exact parallel met wat Rousseau beschreef zonder ooit een kind gezien te hebben. Rara, denk je dan. Maar we zijn zijn verzonnen indeling als het ware waar gaan maken, bijvoorbeeld met het schoolsysteem waar kinderen pas op hun zesde aan ‘concrete operaties’ toe zijn. Maar ik zeg altijd dat de Middeleeuwers gelijk hadden om kinderen als kleine uitvoeringen van volwassenen te beschouwen. In een niet al te ingewikkelde analfabetische omgeving kunnen ze namelijk heel goed meedraaien: als ze drie zijn hebben ze al een Theory of Mind, wat ze in beginsel tot gesprekspartners maakt.”

Daar heeft Koops een begrip te pakken dat een rol speelt op de onderzoeksterreinen van alledrie. ‘Theory of Mind’ is zoiets als ‘het vermogen je in de denkwereld van een ander te verplaatsen’, en de oorsprong ligt bij het apenonderzoek.

Sterck schetst razendsnel de geschiedenis van haar vak: “Ten tijde van Darwin waren de dier- en de mensstudies nog niet losgekoppeld. Toen kreeg je het behaviorisme, en mocht je alleen kijken naar wat je aan de buitenkant kon zien. Wat er in het dier omging, viel niet te bestuderen, was het idee. Maar eind jaren zeventig ging men denken dat er toch iets van een ‘mind’ moest zijn, omdat je anders veel gedrag niet kunt verklaren. Ze probeerden met plaatjes te testen of een chimp wist wat andere chimps wisten. Daar kwam overigens kritiek op, en de proeven zijn veel strenger geworden, waardoor je nog steeds niet met zekerheid kunt zeggen dat of chimpansees werkelijk een ‘Theory of Mind’ hebben, maar sindsdien is die term er.”

Voor kinderen wordt meestal een variant gebruikt van het volgende testje: je vertelt over een jongetje dat iets lekkers heeft gekregen dat het ergens opbergt, zeg de keukenla. Dan gaat het even weg, en iemand anders verplaatst het lekkers, bijvoorbeeld naar de ijskast. Vraag je een twee- tot driejarige waar het jongetje als het terugkomt het lekkers gaat zoeken dan zegt het altijd: in de ijskast. Pas daarna ontwikkelen kinderen een ‘Theory of Mind’ en beginnen ze te begrijpen wat een ander al dan niet kan weten. Dan wordt hun antwoord: in de keukenla.

Meyer ziet wel raakvlakken tussen het kunnen maken van dat soort gevolgtrekkingen en zijn onderzoek naar wat ‘agenten’ heten. Een soort next generation van de expert-systemen, die zelfstandiger kunnen opereren, helemaal als er een aantal gecombineerd worden.

“Het nieuwste hype-woord is autonomie,” legt Meyer uit. “Laten we machines meer op hun eentje proberen te laten doen, zodat ze bijvoorbeeld in gevaarlijke gebieden bommen kunnen opruimen, is het idee. Bij zogeheten multi-agent-systemen proberen we veel in te bouwen, zelfs zoiets als morele oordelen. We gaan uit van BDI: ‘beliefs’, ‘desires’ en ‘intentions’, overtuigingen, wensen en bedoelingen, en om die makkelijker te programmeren hebben we een speciale BDI- programmeertaal ontwikkeld. Helemaal autonoom mogen die agents natuurlijk niet zijn, je wilt ze kunnen sturen, dus je geeft ze constraints mee, een soort normen en waarden waarbinnen ze autonoom kunnen zijn.”

Een speciale programmeertaal? Zijn zulke instructies zo langzamerhand niet in gewone mensentaal te geven? Daar zijn we nog ver vanaf volgens Meyer. “Natuurlijke taal noemen wij ‘AI hard’: net zo moeilijk als de hele AI,” verzucht hij.

Gek genoeg lijkt ook voor de andere twee taal vooral een hinderpaal. Koops: “Ik heb alleen maar last van taal gehad. Taalontwikkeling interesseert me niet, zeg ik altijd. Dat we infants – niet-sprekenden betekent dat – toeschrijven dat ze onbeschreven blaadjes zijn en geen cognitieve structuur van enigerlei fatsoenlijke aard hebben, kon omdat ze niks terugzeggen. Bij proefjes is het probleem dat je vaak niet weet of ze wel goed begrijpen wat je vraagt.”

Dus weet je dan ook niet wat ze denken. Taal houdt op een aantal manieren verband met het lezingenthema. Het taalvermogen is volgens Sterck een van de fundamentele punten waarop mensapen afwijken van mensen. “Dat alleen al maakt het denken moeilijker toegankelijk bij dieren,” zegt ze. “Waarschijnlijk maakt taal dat je over meer dieper kunt nadenken, en ook dat je beter kunt accumuleren, dingen stapelen. Dat is volgens mij ook een echt verschil: apen geven ook wel dingen aan elkaar door, hebben ‘cultureel gedrag’, maar wij kunnen kennis heel gemakkelijk stapelen.”

Hoewel ze alledrie over denken gaan praten, is Sterck de enige die zich aan een definitie van wat dat is waagt: “Het vermogen te reflecteren, is volgens mij de kern. Dat je kunt bedenken: wat ga ik doen. Of dieren dat kunnen, is lastig te bewijzen. Het kan ook toeval zijn als chimps in Ivoorkust stenen meenemen naar een plek met palmnoten, die ze daarmee open kunnen krijgen, of als orang oetans op Borneo vast kleine blaadjes gaan plukken voordat ze een nest maken waar ze die graag in hebben.”

Koops piekert niet over een sluitende omschrijving, maar ziet het menselijk denken wel als bijzonder: “Het kan altijd weer een stapje achter het eigen denken nemen, een metaniveau verzinnen, en daar dan weer over denken, tot in het oneindige. Dat Droste-effect, je weet wel, die blikjes waarop een verpleegster een blad met een blikje Droste-cacao vasthoudt, waarop een verpleegster staat die…”

Meyer: “Maar dat kan een computer in feite tot op zekere hoogte ook. Niet oneindig, maar dat kunnen wij ook niet. Maar in hoeverre de AI het denken over denken veranderd heeft, daar ben ik nog niet uit.”

Willem Koops (1944) moest van zijn vrouw de kinderpartijtjes doen, en ontdekte dankzij dorstige kleuters en tientallen veelvormige glazen limonade dat de beroemde ontwikkelingsfasen van de grondlegger van zijn vak niet opgingen. Koops is hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht, en decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen. Hij spreekt op de komende Universiteitsdag over de vraag Kunnen kinderen denken?

John-Jules Meyer (1954) had graag een mede door hem geprogrammeerde slimme speelgoedhond in de winkel willen zien, maar werpt zich nu op interessantere non playing characters voor de volgende generatie computergames. Hij is hoogleraar aan het Department of Information & Computing Sciences (ICS) van de Universiteit Utrecht en was tot voor kort wetenschappelijk directeur van de onderzoeksschool SIKS (School voor Informatie- en KennisSystemen). Kunnen machines denken? is de titel van zijn lezing. 

Liesbeth Sterck (1960) zag op Borneo hoe een orang-oetanmannetje drie dagen nadat hij verjaagd was op precies dezelfde plek leek te zitten wachten op het vrouwtje dat hij begeerde. Ze onderzoekt mede met behulp van een Vidi-subsidie of apen alleen in het heden leven of dat ze zich ook gebeurtenissen herinneren, en is universitair hoofddocent bij de vakgroep Gedragsbiologie van de UU. Kunnen dieren denken? heet de lezing die ze op de Universiteitsdag houdt.

Mooi, slim en nuttig

Er is sinds eind jaren tachtig over vergaderd, geïnspraakt en gecommissied, en het leek er nou écht te komen: taalkundeonderwijs op de middelbare school. Maar afgelopen zomer is het plan, alle positieve adviezen ten spijt, toch weer door staatssecretaris Netelenbos onder het tapijt geschoffeld. In het nieuwe programma voor de hoogste klassen van HAVO en VWO, dat in 1998 moet ingaan, komt – zoals het er nu uitziet – wel een algemeen vak literatuur, maar geen algemeen vak taal.

Onder taalkunde kan veel vallen, maar het belangrijkste is dat je niet naar een willekeurige taal kijkt, maar naar het hele verschijnsel menselijke taal. Daarbij ligt de nadruk vanzelf op overeenkomsten in bouwprincipes en in gebruik, zoals die uiteindelijk in aanleg in onze hersenen verankerd liggen. Heeft een mens daar iets aan? Nou en of. Nog afgezien van een aantal nobele filosofische redenen (taal vormt een onmisbaar fundament van ons bestaan, onze cultuur, als er geen taal was zou het vak literatuur helemaal niet kunnen bestaan, et cetera) bestaan een hoop handige, praktische of anderszins wenselijke zaken die zo’n vak kan opleveren.

 

1. Zelfvertrouwen

Zelfs wie voor het eerst naar de lagere school gaat, weet bijna alles al, en tegen de tijd dat je de middelbare school betreedt, heb je een kennis van je moedertaal die alleen ontzagwekkend genoemd kan worden. Die kennis is een goudmijn voor docenten, het is hun werkkapitaal. Daar kunnen ze uit putten door hun leerlingen te laten zien hoe verschrikkelijk veel ze weten en kunnen. Want al zijn we ongehoord goed in taal, we merken daar meestal niets van omdat het bijna allemaal vanzelf gaat. Iemand zal ons moeten wijzen op hoe knap we zijn, vaak een kwestie van onbewuste kennis bewust maken. Een paar feiten om leerlingen mee te verleiden en hun ego’s op te krikken.

Allereerst zijn er de ongekende mogelijkheden. De onbegrijpelijke oneindigheid die je in het heelal vindt, zit ook in ons taalvermogen, en daarmee in ons alledaagse taalgebruik. Met wat we in de eerste jaren van ons leven onontkoombaar aan kennis opdoen (geen kind dat het vertikt zijn moedertaal te leren, als dat niet vanzelf gebeurt, is er echt iets grondig mis) kunnen we letterlijk eindeloos veel. De godganse dag horen, lezen en zeggen we nieuwe dingen.

Deze krant bijvoorbeeld bevat voor elke lezer duizenden zinnen die hij nooit eerder tegengekomen is. Is dat een probleem? Absoluut niet. Zelf maken we ook elke dag duizenden nieuwe zinnen, en het is maar heel zelden dat degenen tegen wie we ze uitspreken ons niet-begrijpend aankijken. En dat houdt ook niet morgen op, of wordt langzaam aan minder. Als iemand het eeuwig leven zou hebben, zou hij tot in alle eeuwigheid aldoor dingen zeggen en horen die hij nog niet eerder heeft gezegd of gehoord. Taal (let wel: elke taal) zit zo in elkaar dat je met een beperkt aantal bouwstenen, en een beperkt aantal principes en regels onbeperkt kunt bouwen.

En daarover hoef je bijna nooit na te denken. Je hebt het allemaal door voordat je het weet. Zelfs een kind van twee weet al dat er bij een woord als ‘hoeven’ (er bestaan, in elke taal zulke negatief-polair genoemde woorden en uitdrukkingen) een soort ontkenning hoort. Ouders en onderwijzers vertellen niet dat ‘ik begrijp er een moer van’ niet klopt, maar zo’n fout maak je niet (behalve natuurlijk als grapje, maar de meeste grappen zijn niets anders dan het schenden van regels).

Een moedertaalspreker van het Nederlands ook nooit zou deze zin zeggen, waarin staan twee werkwoorden op de verkeerde plaats. Niemand wijdt er uit zichzelf een gedachte aan dat de volgorde van ‘Joep’ en ‘soep’ in het zinnetje ‘Miep geeft Joep soep’ omkeert zodra je van ‘Joep’ en ‘soep’ onbenadrukte voornaamwoorden maakt. Dan móet het echt ‘Miep geeft ’t ’m’ worden, terwijl ‘Miep geeft soep Joep’ heus fout is.

Ook vinden we het niet verwarrend dat ‘hij’ en ‘Jan’ beslist twee personen moeten zijn als je zegt ‘Hij hoopt dat je Jan belt’, maar dat ze gemakkelijk dezelfde kunnen zijn als je ‘hij’ en ‘Jan’ verwisselt. Zodra je hoort zeggen ‘Jan hoopt dat je hem belt’, dan weet je zeker dat dat heel goed kan inhouden dat Jan degene is die naast de telefoon zit te smachten.

De beheersing van de regels die al die dingen bepalen is perfect, terwijl ze toch knap ingenieus in elkaar zitten. Ze allemaal precies achterhalen is nog lang niet gelukt. Nog zo een die nooit verkeerd gaat: als je van twee woorden een samengesteld woord maakt, komt het ‘hoofdwoord’ in het Nederlands altijd aan de rechterkant te staan: een keukendeur is een soort deur, geen soort keuken. Daarom is waterleiding ook een soort leiding en leidingwater een soort water.

Aan de linkerkant zit daarentegen een grote flexibiliteit in de interpretatiemogelijkheden. Koeiemelk en babymelk zijn allebei onmiskenbaar melk, maar dat koeien koeiemelk geven, wil nog niet zeggen dat babymelk door baby’s geproduceerd wordt. In slagroomtaart zit slagroom verwerkt, in verjaardagstaart geen verjaardag. Al kun je een tenniselleboog of een voetbalknie oplopen door te veel tennissen of voetballen, een wipneus is daarom nog niet het gevolg van te veel wippen.

Aardig is dat die flexibiliteit niet voorgoed verloren gaat als een samenstelling eenmaal ingeburgerd is. Een andere interpretatie blijft mogelijk. Daarom kon Philip Freriks vorige week rustig het journaal openen met de tekst dat België wederom in kinderverdriet gedompeld was, ook al bedoelde hij ‘verdriet om kinderen’, en niet ‘verdriet van kinderen’, zoals gebruikelijk.

Het tempo waarin we taal verwerken en produceren is ondertussen ijzingwekkend. Gemiddeld spreken we twee à drie woorden per seconde uit, maar dat kan oplopen tot zeven. Daarbij sturen we zo’n honderd verschillende spieren en spiertjes aan. Misschien houdt dat toch op, want lezen gaat nog veel sneller. Waar we gemiddeld 180 woorden per minuut horen, lezen we er 300.

En wie onder de indruk wil komen van onze zoekmechanismen moet maar eens opletten hoe weinig aanwijzingen en tijd mensen bij spelletjes als Lingo of Het Rad van Fortuin nodig hebben om het gevraagde woord te vinden. Kruiswoordpuzzels en cryptogrammen kunnen alleen bestaan omdat woorden via zoveel verschillende manieren te bereiken vallen: via hun vorm, hun betekenis, hun categorie, of zelfs alleen via associaties (waar denk je aan bij rood, vuur en ladder? Juist, aan de brandweer). Geen computer kan ons dat allemaal nadoen. 

2. Gemak bij het leren van andere talen

Talen zijn variaties op een thema. Veel meer dan het op het eerste gezicht lijkt. Al dat rare Frans, Engels en Duits (en ook het Grieks en Latijn) bestaat in feite uit dezelfde ingrediënten als Nederlands, en het prettige is: dat ken je al. Het zijn de woorden en klanken die het zicht op de grote overeenkomsten belemmeren.

Met die klanken is het trouwens nog best te overzien. Er zijn er waarschijnlijk maar grofweg honderd op de wereld. Elke taal heeft zijn eigen subset. Het Nederlands doet het met een stuk of veertig. Ook bij klanken heb je kleine variaties. Zo kent het Engels er een paar die net zo zijn als de onze, je moet ze alleen ‘aanblazen’ . Het testje is simpel, een goed aangeblazen Engelse p of t bijvoorbeeld, blaast een vlammetje voor je mond uit.

Ook bij het maken van woorden zijn de verschillen vaak niet zo groot als het lijkt. De Fransen bijvoorbeeld hebben het omgekeerde van wat wij (en de Engelsen en de Duitsers) hebben: bij een samenstelling staat het hoofdwoord niet rechts, maar links (een waterleiding heet er ‘conduite d’eau’, leidingwater ‘eau de conduite’). Ze draaien daar meer zaken om (van ons uit bekeken althans). Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord in het Frans áchter het zelfstandig naamwoord: ‘les mains sales’, tegenover ‘de vuile handen’.

Maar de woorden ‘les mains sales’ nemen net als ‘de vuile handen’ (of ‘the dirty hands’ en ‘die schmutzigen Hände’) samen één positie in de zin in. Posities zijn zo’n basiskenmerk van zinnen, dat je je eigenlijk niet kunt voorstellen dat er vreemde-talenonderwijs bestaat waarin ze niet als uitgangspunt voor de grammatica genomen worden. Toch barst het daarvan. Maar een leraar die eerst laat zien wat zijn leerlingen al weten, en op basis daarvan de verschillen met andere talen bespreekt, kan veel concreter zijn.

Een voorbeeld: in hoofdzinnen kun je in het Nederlands alles op de eerste positie zetten: onderwerp, lijdend of meewerkend voorwerp, een bepaling, het maakt niet uit (je krijgt hooguit betekenisverschuivingen). Daarna moet dan altijd éérst het verbogen werkwoord komen (alleen bij ja/nee-vragen komt het werkwoord voorop). Probeer maar met [Ik] [gaf] [Roos] [gisteren] [op straat] [een orchidee]. Alles wat (samen) tussen haken staat (dat zijn de constituenten, de bouwstenen voor zinnen), kan ook voorop gezet worden, maar je ontkomt er niet aan om direct daarachter ‘gaf’ te zeggen.

In het Duits gaat het net zo, maar in het Engels komt dat verbogen werkwoord altijd achter het onderwerp. Soms komt het daarmee, net als in het Nederlands, terecht in de tweede positie, maar lang niet altijd. Een bekende valkuil. Ook in het Frans kom je het verbogen werkwoord dikwijls tegen op de tweede positie, maar bijvoorbeeld een onbeklemd lijdend voorwerp verdrijft het van die plek (‘j’ai vu Jean’ tegenover ‘je l’ai vu’). Ingewikkeld? Als je het uittekent, en bijvoorbeeld in een boomstructuur neerzet dan wordt het een stuk overzichtelijker.  

3. Wiskundig inzicht

De behendigheid waarmee we al pratend en luisterend omgaan met hiërarchieën, en een lastig fenomeen als recursie, is een buitengewoon bruikbare sleutel voor begrip van die zaken. Als die dingen aan de hand van een zin die gewoon iets betekent worden uitgelegd, dan wordt het begrijpelijker, minder abstract.

Hiërarchie is onmisbaar in taal. Zo bepaalt hun hiërarchische positie binnen de zinsstructuur onder meer waarop woorden als ‘hem’ of ‘zichzelf’ of ‘die’ kunnen of moeten terugslaan. En recursie is het Drosteblikjes-effect: het binnen de toepassing van een regel diezelfde regel opnieuw gaan toepassen, wat in principe tot in het oneindige herhaald kan worden.

Een voorbeeld met een bijzin waarin weer een bijzin begint: De man, die de vrouw, die de hond aaide, liefhad, lachte. De mogelijkheden worden alleen begrensd door onze beperkte geheugencapaciteit. Stoppen we er nog een bijzin in (De man, die de vrouw, die de hond, die kwispelde, aaide, liefhad, lachte) dan wordt het heel lastig het geheel nog te interpreteren. Recursie zit overigens ook in de manier waarop zinsdelen (constituenten) worden opgebouwd, waarvan dan weer grotere constituenten kunnen worden gemaakt, enzovoort. Hierin zit ook het geheim van de oneindige mogelijkheden.

Niet genoeg? Wel, van recursie krijg je bijvoorbeeld ook die prachtige fractals, en je kunt er allerlei handige en snelle algoritmes mee maken. En gevoel hebben opgedaan voor hiërarchieën werpt vruchten af bij zaken als het doorzien van organisatiestructuren, of bij het werken met de menu’s die in steeds meer computerprogramma’s zitten, en met directory-structuren.  

4. Verbindingen met andere vakken

Niet alleen talen en wiskunde hebben duidelijke linken met taalkunde. Zo leeft ook de geschiedenis vaak nog lang voort in de taal. De Franse overheersing is in het Nederlands bewaard gebleven in zeker tienduizend leenwoorden, van abuis en letter tot melodie en zone, en zelfs van de oude Romeinen hebben we nog heel wat overgehouden (de namen van onze maanden bijvoorbeeld). Andersom valt ons roemruchte zeevaartverleden terug te vinden in andere talen (dock en yacht in het Engels, foc en bǎbord in het Frans, Fracht en Matrose in het Duits, maar ook sjturman in het Russisch en masuto (= mast) in het Japans).

Maar taalkunde is ook voor een deel biologie. Specifieke gedeeltes van de hersenen zijn kennelijk vanaf de geboorte voorbestemd voor taal. Meestal zitten die ergens boven je linkeroor. Interessant is bijvoorbeeld de plasticiteit van het brein: als je jong genoeg bent, hoeft zelfs het verwijderen van een hele linker hersenhelft niet te betekenen dat je je taal voorgoed kwijtraakt. Andere gedeeltes nemen de zaak dan over, een vermogen dat vermindert met de jaren. Overigens: hersenen draaien op chemie en elektriciteit, daar kunnen de vakken scheikunde en natuurkunde weer iets over zeggen.

En er zit natuurlijk een sociaal-maatschappelijke kant aan taal. Het dagelijks leven barst van de sociale codes waar we ons aan houden. Er bestaat bijvoorbeeld zoiets als ‘beurtnemingsstrategieën’. We praten niet maar een beetje willekeurig door elkaar heen, maar geven een ander (vaak onbewust) aan dat hij nou weer wat mag zeggen, en zelf vallen we ook meestal alleen op bepaalde punten in. Pas als je die regels doorbreekt, zie je hoe belangrijk ze zijn.

Dat geldt ook voor de ‘samenwerkingsprincipes’ die P. Grice zo’n twintig jaar geleden formuleerde. Die komen er simpel gezegd op neer dat we proberen samen te werken als we praten en ervan uitgaan dat onze gesprekspartner datzelfde wil en geen flauwekul zit te verkopen. Huiswerkopdracht: vraag je ouders iets doodnormaals (‘Mag ik van tafel?’) en trek vervolgens hun antwoord in twijfel (‘Meen je dat nou?’, ‘Weet je het heel zeker’, ‘Zeg, ik vroeg of ik van tafel mocht’). Hou dat minstens twee minuten vol. Beschrijf hoe snel je ruzie krijgt.

Daarnaast sluit taalkunde naadloos aan bij een aantal grote issues in de wetenschap. Neem de kwestie aangeboren-aangeleerd, het nature-nurture-debat. Dat taal aangeboren is, kan niet missen: je konijn zal nooit iets terugzeggen, hoeveel je ook tegen hem praat, maar een kind gaat wél terugpraten. Maar dat is tegelijk aangeleerd gedrag, want het doet dat in dezelfde taal als jij, en niet in willekeurig een van die pakweg vijfduizend andere talen. Over de vraag hoeveel er al is ingebakken (of: in ons genetisch programma zit) en hoe groot de rol van de buitenwereld is, valt op basis van onderzoek van alles te zeggen. De nog altijd lopende discussies daarover geven inzicht in hoe je tegen zo’n probleem kunt aankijken, hoe je een toetsbare theorie kunt opstellen, in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek kortom. 

5. Begrip voor wie taalproblemen heeft

Het ergste is denk ik afasie. Dan heb je gewoon kunnen praten en luisteren als ieder ander, maar een hersenbeschadiging heeft daar een deel van weggenomen. Het kan een groot deel zijn (de patiënt roept sinds het ongeluk alleen nog ‘Kijk uit’), het kan een klein deel zijn (de patiënt kan moeilijk op woorden komen, of is de woorden uit één bepaalde categorie, zeg groente, kwijt). Het kan geen kwaad te weten dat je opa of de buurman die zo hakkelt, of die zulke wonderlijke woorden produceert niet gek is, en in veel gevallen heel goed snapt wat je tegen hem zegt.

Ook de vreemde geluiden die doofgeborenen maken, hebben geen enkele relatie met hun verstandelijke vermogens. Omdat ze anderen en zichzelf niet kunnen horen, ontbreekt hen de mogelijkheid vanzelf, spelenderwijs een gesproken taal te leren. Maar niet-functionerende oren zeggen niets over het taalvermogen.

Doven bewijzen juist hoe krachtig dat is. Niemand weet nog hoe dat in zijn werk gaat, maar in elke groep doven ontstaat een gebarentaal. Telkens een andere, maar ze hebben gemeen dat ze alle essentiële eigenschappen van gesproken taal bevatten: je kunt er steeds iets nieuws in zeggen, je kunt er mee spelen, er komen nieuwe woorden bij en nog veel meer. Sluit je één kanaal af (het gehoor) dan neemt ons taalvermogen gewoon een ander (het gezichtsvermogen).

In elke klas zit wel iemand met dyslexie: soms een meisje, vaker een jongen, die slim genoeg is om de stof te volgen, die zich op alle fronten normaal ontwikkelt, maar die onevenredig veel moeite heeft met (leren) lezen. Elke klasgenoot zou moeten horen dat dat geen stommigheid of luiheid is, maar een neurologische afwijking waarvan we nog niet eens precies weten waaruit die bestaat (het is vooral een probleem op klankniveau, maar onlangs kwamen er aanwijzingen dat dyslectici ook moeite hebben met het verwerken van snelbewegende beeldpatronen), laat staan dat er een pasklare remedie is. Ook belangrijk om te weten: veel extra oefenen maakt het lezen meestal op den duur toch iets beter te doen.

En dan zijn er de buitenlanders. Een Turk die ‘Hij ziek’ in plaats van ‘Hij is ziek’ zegt, klinkt ineens een stuk minder domme-buitenlanderachtig voor wie weet dat het Turks geen koppelwerkwoord ‘zijn’ heeft. Daarover zijn al vaker misverstanden geweest. Het is nog maar kort geleden dat men in Amerika de toch al heersende opinie dat negers dom waren, aldoor bevestigd zag in hun krakkemikkige taalgebruik. In wat in de literatuur ‘Black English’ is gaan heten, wordt toevallig vaak ook geen koppelwerkwoord ‘zijn’ gebruikt: ‘He ill’ is heel gewoon.

Gebarentaal doet er ook niet aan, net zomin als aan lidwoorden, zoals we die in het Nederlands gebruiken. Heel recent waren dat nog aanleidingen om gebarentaal als minderwaardig en onvolledig af te doen. Als dat zo was, dan zouden ook alle Russen een primitief taaltje spreken. Zoals je vaak kunt horen aan een Rus die op tv Engels of Nederlands praat, heeft het Russisch geen lidwoorden.

Over de interferentie tussen talen, en over het switchen van de een naar de ander, soms midden in een zin, is op school genoeg interessants te vertellen. En in elke plaats in Nederland waar buitenlanders wonen, kun je dat op straat live horen gebeuren. Het geeft een ander perspectief.  

6. Spannende verhalen

Amala en Kamala zijn de enige kinderen in de geschiedenis van wie met redelijke zekerheid aangenomen kan worden dat ze door wolven zijn grootgebracht. Ze waren ongeveer zes en drie toen ze in 1920 in India letterlijk uit een wolvenest gehaald werden. De meisjes voelden geen kou, liepen op handen en voeten, en aten het liefst halfverrot rauw vlees.

Bij de pogingen hen te ‘vermenselijken’ hoorde natuurlijk ‘taalles’. Amala ging al gauw dood, maar ook Kamala kwam in de negen jaar die ze nog leefde niet verder dan een paar handenvol losse woorden. Zinnen leren bouwen lukte niet meer. En dat vertoont weer opmerkelijke overeenkomsten met de geschiedenis van Genie, het Amerikaanse meisje dat de eerste dertien jaren van haar leven opgesloten zat in een kamertje. Er bestaat een hartverscheurende Horizon-aflevering over haar, echt iets om een taalkundeles mee te vullen.

Een geheide topper lijken me ook de levensgeschiedenissen van Washoe, Nim en Kanzi, om eens drie apen te nemen die men geprobeerd heeft menselijke taal bij te brengen. Apen kunnen een eindje komen, maar lopen stuk op de wiskundige kant van taal, die hiërarchieën en recursie waar wij zo goed in zijn. Maar van symbolen begrijpen ze wel iets. Tenminste: als er wat te halen valt. Het onderwerp laat mooie speculaties toe over de evolutie, waarbij zeker ook de vraag aan de orde hoort te komen wat slimme apetrucjes zijn, en wat echt taal is.  

7. Borreltafelvoer

Het zijn de clichés op feestjes, de mythes op kantoor, de praatjes in de kroeg. Het Nederlands is een hele moeilijke taal. Er zijn al lang vertaalcomputers te koop. Het Nederlands is maar een klein taaltje, dat sluipenderwijs door het Engels wordt overgenomen. Dat steeds meer mensen ‘hun hebben’ zeggen is een teken van verloedering. Zelfs de nieuwslezers weten niet meer waar de juiste klemtoon in woorden ligt. Een spellingsverandering tast onze taal aan. Enzovoort.

Wel, wie taalkundeonderwijs gehad heeft, weet voortaan dat ‘moeilijk’ of ‘makkelijk’ alleen iets kan betekenen wanneer het gaat om een vreemde taal leren. Een verwante taal is dan vaak inderdaad makkelijker dan eentje uit een andere taalfamilie.

Maar voor kinderen is er geen verschil. Een baby’tje dat hier geboren is en dan naar Japan gebracht wordt, zal even vlot Japans leren als het Nederlands had geleerd. Op taalkundeles leer je ook dat we pas een fractie van onze eigen vermogens in kaart gebracht hebben, waardoor we nog lang niet aan goedwerkende vertaalcomputers toe zijn. En dat het Nederlands op de wereldranglijst met zijn twintig miljoen sprekers een duidelijke middenklasser is, die al vele invasies leenwoorden doorstaan heeft, en dat die woorden keurig in het ijzersterke Nederlandse systeem worden ingepast (saven, savede, gesaved is geen Engels).

En dat de enige talen die niet veranderen (in woordenschat, grammatica, klemtoonpatronen) dode talen zijn. Na een eindexamen taalkunde weet je dat een spellingsverandering nog zulke schandalige flauwekul mag zijn, maar dat hij er niet zomaar voor kan zorgen dat de uitspraakregels van het Nederlands veranderen. Nederlanders gaan in hun gewone spraakgebruik nu echt niet ineens panneNkoek zeggen, of zieleNrust. Ze zeiden immers ook vroeger al geen besseNjenever.

“Erasmus dekt zich altijd in”

Wat “Desiderius” is het Nederlands zou moeten zijn, is niet bekend, maar Erasmus was echt zijn doopnaam. Hele theorieën zijn er bedacht over de naam “Desiderius”, dat via “begeren” (Latijn:”desidero”, ik begeer) afgeleid zou zijn van “Gerrit”, de naam van Erasmus’ vader. “Maar dat schijnt toch allemaal niet waar te zijn” zegt dr. Hans Trapman, uitvoerend secretaris van het Secretariaat voor de Erasmuseditie.

“Althans, zijn vader heette wel echt Gerrit, en er is onlangs door mensen in Italië uitgezocht dat hij een verering voor de heilige Erasmus had. Dat was een normale naam. Inmiddels staat ook wel vast dat Erasmus’ vader priester was. Er is wel gedacht dat Erasmus onder andere daarom een beetje geheimzinnig deed over zijn geboortedatum: dan kon hij nog voor de priesterwijding van zijn vader geboren zijn. Enfin, zijn ouders zijn in ieder geval nooit getrouwd.”     

1469 is het geboortejaar dat meestal aangehouden wordt voor een van de beroemdste Nederlanders die de geschiedenis telt. Ten onrechte. Trapman: “Ik heb net een artikel binnengekregen van zo’n  honderd pagina’s waaruit blijkt dat Erasmus in 1466 geboren is.”

Het Erasmusonderzoek is met andere woorden springlevend, er bestaat zelfs onderzoek vanuit een psychoanalytische benadering van Erasmus’ persoonlijkheid. Toch behoort onderzoek óver de befaamde humanist niet tot de taken van het Secretariaat, dat is er echt alleen voor de Erasmus-editie. De derde in de geschiedenis, maar de eerste kritische, compleet met varianten en een verantwoording bij alle teksten. De vorige uitgave is de zogenaamde “Leidse editie”. Die verscheen tussen 1686 en 1727. In geschriften heet de jongste editie kortweg ”ASD”, naar “Amsterdam”.

Sinds 1969, toen het Secretariaat (naar men dacht: 500 jaar na Erasmus’ geboorte) zijn werk begon, zijn er achttien delen verschenen van wat officieel ”Opera Omnia Desiderii Erasmi Roterodami” (verzamelde werken van Desiderius Erasmus van Rotterdam) heet. “Zonder subsidie,” zegt Trapman met lichte trots in zijn stem.

“Uitgever Elsevier heeft ons nooit verteld hoeveel exemplaren ze van elk deel drukken, maar het moeten er toch zeker zo’n zes-, zevenhonderd zijn. Onbetaalbaar voor particulieren ja. De enige manier om op dit moment goedkoop aan een niet-corrupte Latijnse tekst van Erasmus te komen, is een uitgave kopen van de Italiaanse uitgeverij Elogio della follia. Ik heb net ontdekt dat ze daar een deel van onze teksten gewoon gefotografeerd hebben. Ze geven er een Italiaanse vertaling naast. Ik heb Elsevier erop gewezen, die gaan nu proberen er iets aan te doen.”

Beroemd en succesvol

Trapman schat dat er nog zeker twintig delen zullen volgen en dat het werk niet voor 2010 klaar zal zijn. En dat terwijl Erasmus’ brieven al in een kritische uitgave bestaan: het onvolprezen werk van het Engelse echtpaar Allen, dat mevrouw Allen na het overlijden van haar echtgenoot in 1958 voltooide. Trapman toont in een van de delen een in memoriam voor Percy Stafford Allen: geheel in het Latijn.

De Brieven (”Epistolae”) waren overigens een van de ”ordines” (“ordes” of categorieën) die Erasmus zelf tijdens zijn leven voor zijn teksten bedacht. Hij was beroemd en succesvol genoeg – voor zover bekend was hij de eerste Nederlander die van zijn pen kon leven – om te voorzien dat zijn verzamelde werken na zijn dood uitgebracht zouden worden. Vandaar dat hij alles al vast keurig ordende. “Novum Testamentum” (Het Nieuwe Testament dat Erasmus uit het Grieks in het Latijn vertaalde en annoteerde), en “Adagia” (spreekwoorden) zijn nog twee van de in totaal negen “ordes”. Erasmus’ gedichten zijn voor het eerst in een kritische editie verschenen in 1956. Dr. C. Reedijk verzorgde die uitgave.

Op dit moment zijn er zo’n tien mensen bezig met de een of andere Erasmustekst. “Tenminste, dat zeggen ze,” zegt Trapman ironisch. Hij doelt op een van de problemen bij dit enorme project: voor degenen die het uitvoeren is het feitelijk liefdewerk. Het is al lastig genoeg gekwalificeerde tekstbezorgers te vinden, sancties op het overschrijden van afgesproken termijnen zijn moeilijk voor te stellen. Trapman: “Er zijn wel contracten, maar een datum wordt daar veiligheidshalve niet op ingevuld.” Het liefst ziet Trapman daarom jongeren die moeten promoveren aan een werk van Erasmus beginnen: het is ook in het belang van de promovendi zelf om door te werken. Steekproeven van een redactiecommissie moeten de kwaliteit waarborgen.

Talenkennis

Perfecte of foutloze delen maken is onmogelijk, alleen al omdat niet alles met zekerheid vast te stellen is. Eén keer is het echt verkeerd gegaan: onlangs is de “Lingua” opnieuw uitgegeven, omdat de eerste versie te veel fouten bevatte. “Een pijnlijke zaak,” zegt Trapman, “die zich ruim vijftien jaar geleden heeft afgespeeld. Hoe dat gebeurd kan zijn weet ik niet precies.” De abonnees hebben voor dit extra boek niet hoeven te betalen, het is bekostigd uit de Olympiaprijs die de Erasmuscommissie in 1985 ontving van het Alexander S. Onassisfonds.

Overal, in Engeland, Canada, Duitsland, Italië, Polen, en nog veel meer landen wordt er gewerkt aan de Amsterdamse Erasmuseditie. Commentaar kan zowel in het Engels als het Frans en het Duits gegeven worden. Wie zich in Erasmus wil verdiepen dient er een behoorlijke talenkennis op na te houden. Trapman: “Eerst probeerden we per deel één taal aan te houden, maar daar zijn we van afgestapt. Het is toch al lastig om een deel af te krijgen: vaak wordt er door vier verschillende mensen aan gewerkt, die allemaal een eigen tekst voor hun rekening nemen. Er hoeft er maar een het af te laten weten of ziek te worden en het boek kan niet verschijnen.” 

“Seelenmassage”

Het Secretariaat heeft een serviceverlenende en coördinerende taak. Trapman omschrijft zijn eigen functie als “half wetenschappelijk, half organisatorisch”. Een doordeweekse dag wordt gevuld met zaken als het controleren en aanvullen van kopij, het beantwoorden van vragen van medewerkers, een bezoek aan een bibliotheek om oude Erasmusedities te bekijken et cetera. Contacten onderhouden en “Seelenmassage” zijn altijd belangrijke ingrediënten. Er werken bij het Secretariaat vier mensen die samen tweeëneenhalve formatieplaats vullen. Het is daarmee een van de kleinste Akademie-instituten.

Op het ogenblik is het Secretariaat nog te vinden in een oud bankgebouw aan de Herengracht in Amsterdam. Hetzelfde gebouw waar ondermeer ook het SWIDOC (Sociaal-Wetenschappelijk Informatie- en Documentatiecentrum) te vinden is. Bij gebrek aan een eigen, af te sluiten ruimte ontvangt Trapman de verslaggeefster in een schitterend versierde vergaderzaal met dubbele deuren waarachter naar hartelust bankgeheimen besproken konden worden.

Het Secretariaat zelf bevindt zich boven in het niet met betimmeringen en goudverf verfraaide deel van het pand. Een grote kamer die in de woorden van Trapman nog het meeste weg heeft van een redactielokaal: bureaus, computers en kasten met boeken en correspondentie. Dat de collectie ‘Erasmiana’ die hier staat verre van compleet is, valt gemakkelijk te illustreren aan de hand van een willekeurige bibliografie die Trapman van de plank haalt: voor de periode 1962 tot 1970 alleen al zijn er 1996 pagina’s nodig om te beschrijven wat er aan boeken en artikelen over Erasmus verschenen is.      

Nieuwe huisvesting zal zich dus altijd “in de buurt van boeken” moeten bevinden, zegt Trapman. Er is momenteel sprake van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Daar is bijvoorbeeld het Bureau Basisvoorziening Tekstedities al gevestigd, een van de kleine Akademie-instituten waarmee het Secretariaat samengevoegd zou moeten worden. Maar ook Rotterdam zou geen slecht idee zijn.

Trapman: “Ze hebben daar in de gemeentebibliotheek een fantastische Erasmus-collectie, de grootste ter wereld.” De gemeente Rotterdam levert al eens in de drie jaar een bijdrage aan de Erasmuseditie in wording: dan komt de ”Conseil international pour l’edition des oeuvres complètes d’Erasme” bijeen in het Parkhotel. Rotterdam betaalt overkomst en verblijf van het internationale gezelschap geleerden dat officieel de zorg heeft voor het totstandbrengen van de kopij.

De juridische status van deze raad is niet helemaal duidelijk, maar in de praktijk zijn er nooit problemen met de Erasmuscommissie van de Akademie (voorzitter: Prof. S. Dresden) waaraan het Secretariaat verantwoording moet afleggen. De ”Conseil” werd onder presidentschap van Prof. J.N. Bakhuizen van den Brink, en mede op initiatief van Dr. Reedijk die de uitgave van Erasmus’ gedichten verzorgde, al in 1963 opgericht. Daarmee werd de basis voor het Secretariaat gelegd.

Maar wie hebben er nu iets aan al dat werk dat bij elkaar meer dan veertig jaar in beslag zal nemen? Trapman is er kort over: “Iedereen die met de zestiende eeuw bezig is. Of het nu theologen of historici zijn of mensen die zich bezig houden met emblemata, niemand kan om Erasmus heen.” Als Erasmus zo belangrijk was, hoe komt het dan dat terwijl iedereen zijn naam kent, vrijwel niemand meer over hem weet te vertellen dat hij een humanist was die ”Lof der Zotheid” heeft geschreven?

Trapman: “Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik denk toch dat zijn ideeën te veel zijn doorgedrongen. Wij vinden waar hij voor stond gewoon. ‘Lof der Zotheid’ valt daarom tegen als je het nu leest, zij het niet zo erg als Mores ”Utopia”, dat is pas echt saai. Kijk, Erasmus was dé opvoeder van de zestiende eeuw. Hij heeft heel veel handboeken voor het onderwijs geschreven. Sommige dingen zijn prachtig. ‘De Copia’ bijvoorbeeld, dat bevat dan tweehonderd manieren waarop je ‘Ik heb uw brief met genoegen gelezen’ kon zeggen, of ‘Ik zal altijd aan je blijven denken’. Die man kende ook alle klassieken,Horatius, Terentius, noem maar op, én de bijbel uit zijn hoofd. Alles wat hij schreef zit vol toespelingen op anderen. Dat maakt het soms lastig om teksten goed te begrijpen, maar ik bewonder het ook zeer.”

Verdraagzaamheid

“Verder was Erasmus natuurlijk een man tussen partijen: niet katholiek, niet Lutheriaans. Hij is degene waar onze beroemde zogenaamde ‘verdraagzaamheid’ vandaan komt. Zijn boodschap was eigenlijk vrij banaal: dat je christelijk moet leven, dat je het christendom altijd en overal in de praktijk moet brengen. En dat alles in beschaafde vorm moet gebeuren. Wat er voor hedendaagse ogen vervelend aan is, is dat hij ”altijd” het nuttige met het aangename wilde verenigen. Alles wat hij geschreven heeft, en dat is ongelooflijk veel, is moralistisch. Ik vind dat soms stomvervelend.”

Trapman, die theologie en kerkgeschiedenis studeerde, was oorspronkelijk in de middeleeuwen geïnteresseerd. Hij promoveerde op een boekje dat net buiten die periode viel: de ”Summa der godliker scrifturen”, uit 1523. Het eerste boek dat in Nederland ooit verboden werd. Het bevatte een mengsel van de ideeën van Erasmus en Luther.

Zo kwam Trapman, nu tien jaar geleden, bij het Secretariaat van de Erasmuseditie terecht, ook al bekent hij Luther eigenlijk spannender te vinden. “Luther noemde Erasmus een gladde aal,” zegt hij “en daar had hij wel gelijk in. Erasmus dekt zich altijd in. Hij zal nooit de dogma’s van de kerk in twijfel trekken, maar wel steeds opnieuw de bewijsvoering. Iemand die een vertaling in humanistisch Latijn maakt van de bijbel gaat terug naar de grondtekst, is dus al snel ketters en ondermijnend voor de kerk.”

Manifeste Leugens

“En als je kijkt wat de varianten van zijn teksten zijn dan gaat het voortdurend om toevoegingen als ‘enigszins’, ‘sommige’,’de meerderheid’. Het zijn als het ware tactische veranderingen. Staat er eerst ‘Hovelingen, die zus of zo doen’, dan wordt dat ‘Hovelingen, van wie de meesten..’.  Heel slim, maar ik heb het liefst dat hij scheldt. Zoals in zijn brieven en polemieken als het gaat over religieuze problemen en stijlproblemen.”

“Wat dat betreft heb ik trouwens nog een primeurtje. In december komt er een onuitgegeven geschrift voor de eerste keer uit. Erica Rummel in Canada heeft dat teruggevonden in het oudste wetenschappelijk tijdschrift in Nederland: het Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis, uit 1829. ”Manifesta Mendacia” heet het,’Manifeste Leugens’. Het gaat over de biecht, het is gericht tegen vier Dominicanen, en Erasmus blijkt er heel orthodox in te zijn. Hij zegt zelf altijd te biecht te gaan, en dat tot zijn dood te zullen blijven doen. Daar heeft hij zich nergens anders zo over uitgelaten. Het geschrift is niet echt uitgewerkt, en Erasmus is er heerlijk fanatiek in. Hier is hij echt door het dolle heen. Prachtig.”

Ook al weet hij nooit helemaal zeker of Erasmus nu serieus is of niet, toch had Trapman hem wel gekend willen hebben: “Hij was tijdens zijn leven al erg populair. Hij moet heel geestig geweest zijn. Je merkt aan zijn geschriften dat hij hield van spelen met taal, dat hij daar zelf lol aan beleefde. Iedereen wilde ook brieven van hem ontvangen. Er waren mensen die zo’n brief overal met zich meedroegen, tot hij helemaal uit elkaar viel.”     

Vervelend wordt het werk nooit, vindt Trapman. Het is afwisselend, het opzoeken en terugvinden van citaten is vaak net een puzzel, en dan is er het Latijn. Trapman: “Latijn is mooi.Vooral het Latijn van de humanisten, die echt de oudheid lieten herleven. Middeleeuws Latijn is veel minder interessant, dat volgt gewoon de Nederlandse woordvolgorde. Erasmus wilde van het Latijn weer een levende taal maken, en hij is niet bang. Hij lacht anderen uit die alleen maar Cicero na-apen, geen enkele zinsnede zelf durven te bedenken. Zijn Latijn lezen is een genoegen. Het geeft een enorme bevrediging, dat kan ik verder niet uitleggen.”

Het taalgroepsgedrag

Joop van der Horst: Taal op drift, Lange-termijnontwikkelingen in taal en samenleving € 27,95 Meulenhoff 542 blz.

Taal verandert, net als de samenleving. Men heeft geen vak meer, men ‘doe’t iets’ op een bepaald gebied. In een levendig boek galopperen taal en wereld tezamen op.

‘Misschien zie ik spoken’, zegt Joop van der Horst op pagina 183 van Taal op drift. En ja, dat is helemaal niet uitgesloten. De historisch taalkundige heeft dan al een beetje beschroomd toegegeven bosjes parallellen te hebben ontdekt tussen enerzijds een aantal taalveranderingen en anderzijds veranderingen in de rest van de wereld, althans Europa. Grofweg vanaf de middeleeuwen lopend tot nu.

Zelf vindt de schrijver dat onthutsend en verontrustend. En ook wordt hij er aanstekelijk enthousiast van.

De uitvinding van de bril, heksenbestrijdingen, de ontdekking van de kniepeesreflex, en wie weet de eerste vastlegging van een décolleté. De filosofie van Locke, de werken van Shakespeare,  Luther en Virginia Woolf.  Overal bespeurt Van der Horst, hoogleraar Nederlandse taalkunde in Leuven met een lange staat van dienst, dezelfde ontwikkelingen.  Of het nu gaat om de Universele Verklaring van de rechten van de mens, om riolen en treinrails, of het denken in termen van oorzaak en gevolg, Van der Horst beziet ze in het licht van drie fases: eerst draait alles om eigenschappen, daarna om functies en inmiddels zijn we in het tijdperk van de netwerken beland.

Met de taal is het net zo gegaan, stelt hij. Wat ziet Van der Horst? Hij begint aan de taalkant. Er zijn inderdaad min of meer geheimzinnige verschuivingen aanwijsbaar in veel Europese talen. Die lijken zich dezelfde kant uit te bewegen (zijn ‘op drift’), en niemand begrijpt hoe dat kan, noch het waarom. Dat is al een hele tijd zo, de wetenschap laat het op dit punt een beetje afweten. Reden temeer voor Van der Horst om eens een woest andere blik te proberen.

De eerste grote verandering die hij bespreekt, is het bekende slijten van de naamvalsuitgangen. We hebben nog wat restjes van hoe het vroeger was in uitdrukkingen als ‘te allen tijde’, en in het verschil tussen ‘ik’ en ‘mij’, maar het meeste is verdwenen. Net als merkwaardigerwijs in een hele reeks andere Europese talen (het Engels is al verder dan wij, het Duits loopt een beetje achter).

Het langzaam maar zeker verdwijnen van ingewikkelde woordvormen gaat gepaard met minder bewegingsvrijheid voor de woorden in een zin. De verklaring die daar meestal voor gegeven wordt lijkt voor de hand te liggen: als je aan de vorm kunt zien welk rol een woord vervult (is het het onderwerp, hoort het bij een bepaald zelfstandig naamwoord, enzovoort) dan kan het in principe overal staan zonder dat het geheel onbegrijpelijk wordt. Maar dat ‘Jan slaat Piet’ iets anders betekent dan ‘Piet slaat Jan’ hangt alleen af van de volgorde waarin de (exact gelijke) woorden staan.

Van der Horst ziet er een overgang van (woord)eigenschappen naar (woord)functies in. In het naamvalrestantje ‘ik’ ligt nog de eigenschap besloten dat het per se onderwerp moet zijn (‘Jan slaat ik’ kan niet), maar Jan en Piet kunnen in een zin telkens een andere functie hebben. Zo liggen volgens Van der Horst je  eigenschappen in de middeleeuwen nog vast door je geboorte en zijn ze van god gegeven. Maar later, vanaf de Renaissance, verschillen mensen ook door de functies die ze bekleden, en die hun ook weer afgenomen kunnen worden. De zeventiende-eeuwer Michiel de Ruyter bijvoorbeeld begon als zoon van een bierdrager, maar klom op tot luitenant-admiraal-generaal. In de middeleeuwen was zoiets nog ondenkbaar.

Maar dat wordt allemaal pas behandeld in het tweede, eigenlijk veel aantrekkelijker deel van het boek. De hier en daar wat taaie lesjes over taalverandering zijn dan achter de rug. Ook de geloofwaardige verhandeling over een explosieve groei van zogeheten ‘vaste verbindingen’ (aan de drank, voor nop, in zijn sas, mooi niet, naar behoren), die een eigen betekenis hebben en waar je weinig tot niets aan kunt veranderen. Van der Horst ziet er vaste bouwblokjes in, die van een zin meer een netwerk maken.

En dat is dan zijn fase drie: die van de netwerken, waar  we natuurlijk middenin zitten. Echt een woord van nu.

Maar klopt het werkelijk dat hetzelfde type verandering zich keer op keer overal manifesteert? Van der Horst haalt werkelijk alles uit de (boeken)kast om dat aannemelijk te maken. Dat maakt het zo’n verrukkelijk boek, dat zich laat lezen als een reeks met verve gegeven colleges. Afbeeldingen, literatuur, filosofie, techniek, overal haalt Van der Horst kennis vandaan. Is dat erg?

Nee. Het boek is een echt mooi onderhoudend, rijk betoog geworden, dat behalve tot protesteren zeker ook tot nadenken stemt. Het heeft de vorm van uitstekende colleges, vol levendige voorbeelden en in een eigen, persoonlijke stijl.

Van der Horst neemt vooral ‘menselijke relaties’ als voorbeeld. In de middeleeuwse standenmaatschappij lagen de eigenschappen, de rollen vast. Onwrikbaar. Je had twee procent geestelijkheid, drie procent adel en de gewone bevolking was de rest. Het draaide om hun maatschappelijke rol, niet om iets individueels.

Bij alle drie de standen zie je zelden een gezicht dat je bijblijft op afbeeldingen, stelt Van der Horst. De kleding of uitdossing die past bij de stand, daarop ligt de nadruk. Nergens vind je in de literatuur nou eens ridders die van het goede leven een zware pens hadden gekregen, of een rode neus. Alle edelvrouwen hebben een lief snoetje en mooie handen, maar zomersproeten, flaporen en een wipneus kom je niet tegen.

Pas in de Renaissance ging het individu ertoe doen. Dat gaat voor Van der Horst gelijk op met het belang van het bekleden van functies. Hij schetst ook een fraai, breed verhaal over de opkomst van het gelijkheidsideaal.  Daarvan was onze ‘Acte van Verlatinghe’, waarmee we in 1581 de Spaanse koning Philips II afzetten, een ferm begin. En het kreeg onder meer een flinke boost toen de Engelse koning Charles I in 1649 werd onthoofd. Een koning onthoofden! Dat was wel zo ongehoord. De bijeengekomen massa keek er in doodse stilte naar. Maar ook de reformatie past hierbij: die maakte dat de gelovige een rechtstreeks lijntje met God kreeg. Daarvoor was de kerk bij alles de intermediair.

Prikkelend is de stelling van Van der Horst dat we intussen alweer aan het ontindividualiseren zijn: we netwerken. En we denken wel hyperindividueel te zijn, maar intussen is wat we doen, eten, dragen vrijwel wereldwijd behoorlijk uniform. Massahysterie, internethypes, populisme, het is allemaal groepsgedrag.

En we hebben dikwijls geen duidelijk vak meer, minder welomlijnde functies. De verpleegster en de leraar hebben veelal plaatsgemaakt voor mensen die  ‘verbonden zijn’ aan een instelling, ‘iets doen in’ pakweg de onroerendgoedwereld. De functionaris is een netwerker geworden. Treffend gezegd.

Maar ook is er heel wat aanvechtbaars te vinden. Neem vriendschap, die pas  in de twintigste eeuw iets van groepen werd, zegt Van der Horst. Hij stelt ook dat iemands vriendenkring tegenwoordig nagenoeg samenvalt met iemands netwerk.

Oh ja? Dat op Facebook het woord ‘friend’ gebruikt wordt zegt toch niet dat iedereen die je (viavia) kent ook een vriend is?  Is de hartsvriendin uitgestorven dan? Het hechte vriendenclubje?

Of dit: persoonlijkheid, individualiteit en identiteit beginnen in de tweede helft van de negentiende eeuw problematisch te worden, denkt Van der Horst. Wat je onder meer kunt zien aan het feit dat pas in 1858 voor het eerst een vingerafdruk gebruikt werd om iemands identiteit te bepalen, terwijl al minstens tweeduizend jaar bekend was dat dat ieder mens op zijn vingertoppen een uniek lijnen patroon heeft.

‘Vergezocht’ is het woord dat ik wel vaker in de kantlijn zette. En dat geldt bij uitstek voor het verband met taal. Ik zie het niet, en het blijft ook in de lucht blijft hangen. Terwijl onder de brede termen eigenschappen, functies en netwerken toch ontzettend veel kan vallen – wat op zichzelf de stelling niet sterker maakt.

Nou dekt Van der Horst zich tegen veel tegenwerpingen geraffineerd in. Geestig zijn z’n gedachte-uitwisselingen met de denkbeeldige lezers. Soms richt hij zich ook speciaal tot de taalkundigen onder zijn  publiek. Of die hem maar willen vergeven dat hij zo’n hoop overslaat, of de zaken simpeler voorstelt dan hij heus wel weet dat ze zijn. Hij kent z’n pappenheimers.

Dat moet wel de reden zijn dat hij toch nergens de plons in het diepe neemt. Allerlei aanlopen zijn er, suggesties hangen in de lucht, maar nooit gaat Van der Horst daadwerkelijk verder dan taalveranderingen en maatschappijveranderingen naast elkaar zetten. Maar wat we dan precies moeten zien volgens hem komt er niet goed uit. Ook de drie fases raken ondergesneeuwd. Individu = functie is wel wat beperkt. Wat zou het verband tussen taal en werkelijkheid kunnen zijn dan? Waar zou je moeten beginnen te zoeken? Van der Horst waagt zich er niet aan.

Wel bouwt hij direct voort op zijn eerdere boek Het einde van de standaardtaal. Dat gaat juist ook over het begin van de standaardtaal, een begrip dat, samen met de taalfout, pas in de Renaissance ontstond – na de schokkende ontdekking  dat talen blijkbaar niet voor eeuwig en altijd vastliggen.

Dat komt in Taal op drift ook weer langs: Van der Horst vergelijkt die shock met de omslag in het denken die Darwin en een paar tijdgenoten teweegbrachten met hun stelling dat de biologische soorten veranderlijk zijn. Het blijft lastig om je voor te stellen hoe die veranderingen in wereldbeeld uitgepakt en aangegrepen hebben.

In dat vorige boek ging het voornamelijk over ideeën over taal die hand in hand gingen met technische en maatschappelijke ontwikkelingen, en dat werkt Van der Horst verder uit in Taal op drift, maar nu wil hij dus een grote stap verder gaan door de taal zelf te vergelijken met de wereld. Maar mede doordat hij die stap niet helemaal zet, blijft er ook ruimte voor andersoortige kritiek. Zoals: er zijn duizenden talen, en er is er niet een die we al echt doorgronden. Ook niet bij de Europese talen waar Van der Horst het over heeft. Telkens blijken er onverwachte verbanden en clusters eigenschappen te zien als je van dichtbij gaat kijken. Of van iets verderaf.

Van der Horst memoreert wel de klankwetten van Grimm, die lieten zien dat er heel systematische verschillen zijn op klankniveau tussen veel talen (pater-vader-father, paard – Pferd). Pas toen dat gezien werd kregen we door dat die talen een verre gemeenschappelijke voorouder moeten hebben. Wie weet hoeveel van dat soort dingen we nu nog niet in de gaten hebben?

Punt hier is denk ik dat Van der Horst van oudsher wat weerzin heeft tegen taal als een systeem zien. Geeft niet. Ieder heeft zijn eigen kokervisie,  zijn eigen scheve blik en roze bril. Maar de afkeer van Van der Horst van het systeemdenken maakt volgens mij dat hij niet goed ziet hoe ingenieus  en gecompliceerd dat taalsysteem is. En hoe weinig we er nog van in het vizier hebben.

Op dit moment gaat het volgens Van der Horst veel aan de hand van ‘kijkcijfers’ in de taalkunde. Er wordt gewerkt met grote gegevensverzamelingen. Taalkunde als telkunde, zou je ook kunnen zeggen. Ook de taalkunde ont-individualiseert. En hij gaat nog iets verder: niet alleen elke tijd maar ook elke taalfase krijgt de grammatica die daarbij hoort. Dus taalverandering stuurt ook de analyse van taal. Zeker iets om verder over na te denken. Tegelijk is het in mijn (ongetwijfeld ook koker)visie toch een te beperkte blik.

Tot slot kan ik wel nog een raadsel voor hem oplossen. Helemaal geen ene sikkepit begrijpt Van der Horst van de hartstocht, drift en felheid waarmee de discussies gevoerd worden over de vraag of taal je denken bepaalt, of andersom: is taal het middel om je gedachten te uiten? Een kwestie die bekend is geworden als de Sapir-Whorf-hypothese. Dat draait natuurlijk om: ben je een onbeschreven blad als mens of niet? Is het aangeboren of aangeleerd, nature of nurture? Is de wereld maakbaar, of kunnen we er niets aan doen? Daar ging de hele twintigste eeuw over. Van de verheffing van de arbeider tot Hitlers rassenleer. Vandaar dat het zo’n gevoelig onderwerp is.

 

 

Doof en blind

Marleen Janssen begon als lerares op een blindenschool; nu is ze de eerste hoogleraar doofblinden ter wereld.

Gerda Clement bouwt zelf pauzes in tijdens ons gesprek. Dan wendt ze haar hoofd af, richting plafond, en houdt haar handen voor haar borst. Als ze klaar is om verder te praten, steekt ze haar rechterhand weer losjes omhoog, zodat begeleidster Marianne in haar handpalm kan vingerspellen. Veel moet Gerda op die manier te weten komen. Alles wat haar gevraagd wordt en wat iedereen aan tafel zegt, maar ook dat er een huisgenoot binnen is gekomen, en dat er een tweede kopje koffie is ingeschonken.

Want Gerda hoort en ziet het niet. Ze is doofblind vanaf haar geboorte, 44 jaar geleden. Deze zomer viert ze haar veertigjarig jubileum bij Viataal, dat zichzelf omschrijft als ‘de organisatie voor beter horen, zien en communiceren’, maar dat veel mensen zich zullen herinneren als het bekende doveninstituut in St.-Michielsgestel. Ook Gerda Clement, die met drie anderen in een huis op het terrein van Viataal woont, spreekt nog altijd van ‘het instituut’. Daar leerde ze alle dingen die praten met haar mogelijk maken. Ze spreekt de typische spraak van doven, en de enkele keer dat we dat niet verstaan herhaalt ze het, of vingerspelt ze zelf. Als ze praat, houdt ze haar vingers soms bij haar mond en tegen haar keel: een methode om zichzelf te controleren.

Het is onmogelijk niet onder indruk te zijn van Gerda Clements taalprestaties, al houdt ze haar zinnen kort en ter zake. “Gebaren,” is haar antwoord op de vraag wat ze het eerste leerde. Daarna kwamen vingerspelling en spreken, en ook braille lezen. “Zal ik mijn communicator halen?” vraagt ze als braille ter sprake komt. Ze kent haar weg in huis, en komt even later, lichtjes met haar vrije hand voelend langs muren en de tafelrand, terug met een ingenieus apparaatje: via een gewoon toetsenbord kan iedereen iets intikken dat Gerda aan de andere kant in brailleschrift kan lezen. Ze is overigens niet volledig doof. Dankzij een gehoorapparaat verstaat ze een luid en duidelijk uitgesproken “Koffie” als ze vraagt of het koffie of thee moet zijn, voor ze inschenkt – wijsvinger in de beker om precies het juiste vloeistofniveau te bereiken.

“Gerda is eigenlijk de enige die ik ken die duidelijk een volwaardige taal geleerd heeft,” had prof. dr. Marleen Janssen (52) de week daarvoor al verteld. Uren achtereen praatte ze op haar werkkamer in Groningen met ongekende passie en compassie over doofblinde kinderen. Artikelen, boeken, gidsjes, de tafel lag snel bezaaid. En op haar laptop liet ze onder anderen een jongere Gerda zien, met nog bruin haar, vingerspellend met haar moeder. Eind vorig jaar leverde Janssen hier bij Orthopedogagiek de eerste lichting studenten af met een Masters ‘Communicatie en Congenitale Doofblindheid’. Sinds kort bezet ze een leerstoel met dezelfde leeropdracht. De eerste in de wereld.

Alleen al daaraan kun je afmeten dat er nog buitengewoon weinig kennis verzameld is over de mogelijkheden van kinderen die geboren worden met zowel grote gehoorproblemen als een aangetast gezichtsvermogen (de meeste doofblinden zijn niet én helemaal doof én totaal blind). De praktijk is dikwijls ronduit schrijnend. En Janssen kent de praktijk. “Ik voel nog die handjes,” zegt ze over de vele jaren dat ze met doofblinde kinderen werkte. En: “Je moet voortdurend contact houden, de wereld houdt anders meteen op voor ze.” Begeleiders moeten elk jaar zelf een tijd oefenen met een blinddoek en oordoppen op (“Ontzettend moeilijk,” zegt Janssen), maar het blijft lastig er steeds bij na te denken dat een doofblind kind vrijwel alles mist van wat er in de directe omgeving gebeurt.

Daarnaast is goed reageren lastig. Janssen: “Je weet het vaak niet. Iets aangeven gaat soms heel subtiel. Het zijn van die signaaltjes. Die moet je opvangen. Een beweging van een voet kan al wat betekenen. En je weet bovendien niet altijd wat iemand bedoelt. Maakt een kind een gebaar voor drinken dan is iedereen geneigd te denken dat het dorst heeft. Maar misschien heeft het wel een nieuwe beker, en wil het daar iets over zeggen.”

Hoe krijg je toegang tot wat er omgaat in het hoofd van een doofblind kind? Waar begin je? Een dag op de enige doofblindenschool van het land laat er iets van zien. Ongeveer zestig leerlingen, en evenveel leerkrachten telt Rafaël. De school ligt ook op het terrein van Viataal, en er is geen speeltuin maar een belevingstuin vol dingen om te voelen en te ruiken. Alle leeftijden, tot twintig jaar kunnen hier terecht. Daarna is er, tot verontwaardiging van Janssen, meteen nergens meer een opleidingsmogelijkheid. “Of je na je twintigste niks meer hoeft bij te leren,” zegt ze. Op Rafaël kent ze iedereen nog, en iedereen haar. Janssen begon ooit als onderwijzeres op een blindenschool, maar kwam hier terecht na een enthousiasmerende gastles van de grondlegger van het doofblindenonderwijs in Nederland, toenmalig hoogleraar orthopedagogiek Jan van Dijk.

indsdien is ze gegrepen. Janssen: “Ik heb meteen gezegd dat ik wilde werken met een kind dat helemaal doofblind was.” Dat werd Tsz Kuen, een Chinees meisje van indertijd een jaar of zeven, met wie Janssen vijf jaar intensief optrok. Alles moest ze zelf zien te ontdekken. Ze heeft nog filmpjes en foto’s. Bijvoorbeeld van de stoffen kalender, eigenhandig door haar moeder in elkaar gezet. Janssen: “Tsz Kuen ging elke twee weken naar huis, dus de kalender was veertien dagen lang. Voor elke dag een zakje met iets dat verband hield met die dag, zoals een muntje op een plankje voor de vaste dag dat we boodschappen deden. Een vast programma, regelmaat is ongelooflijk belangrijk voor doofblinde kinderen.”

Contact leggen. Dingen uitwisselen. Zaken duidelijk maken. Janssen leerde het al doende, en zegt dat het neerkomt op patronen opbouwen met tactiele indrukken – met aanraken, voelen dus. Met de ervaringen die ze opdeed, wilde ze verder. Heel bewust ging ze daarom studeren (orthopedagogiek: “Dat bestaat alleen in Nederland, het is een echte behandelingswetenschap, daar staat dat ‘ortho’ voor”), toen promoveren en vervolgens op zoek naar een universiteit die op termijn een hoogleraar zou willen benoemen. Janssen: “Anders beklijft er niets van alle kennis.” Voor haar proefschrift werkte ze een model uit dat ‘harmonieuze interacties’ met doofblinden bevordert. “Dat is stap een,” zegt ze, “Zonder dat is communicatie niet mogelijk.”

Een voorbeeld van hoe dat kan worden aangepakt, zien we op Rafaël, waar met Mick, een blond ventje van vier en een half, eerst voorzichtig contact gemaakt wordt. Hij wordt op schoot genomen, en een half uur lang zingt en praat zijn begeleidster tegen hem. Hoeveel hij kan horen, is niet helemaal duidelijk, maar langzaam zie je hem betrokkener raken, plezier erin krijgen. Als elk kind kan hij geen genoeg krijgen van ‘Van voor naar achter, van links naar rechts’, met de bijbehorende bewegingen, eindigend in een roffel. Al snel lijkt hij gefascineerd door het stemgeluid van zijn begeleidster, die hem met zijn handje laat voelen aan haar keel, en mond. Geïntrigeerd betast hij haar hele gezicht. Ze lacht: “Ja, we zijn erg ‘close’.”

Na het vaste afsluitliedje en het neus snuiten (eerst voelen aan het zakdoekje) wordt Mick een tijdje rechtop gezet, in een soort stellage. Hopelijk leert hij nog lopen, en zal hij binnenkort uit zichzelf de wereld een beetje gaan exploreren met zijn handen. Veel verder denkt men kennelijk nog niet. Het is al mooi dat een kind als Mick geen ‘probleemgedrag’ vertoont. Janssen: “Dat is zo naar. Gelukkig zag ik het bij Mick niet, maar sommige kinderen zitten eindeloos te wiegen, of ze verwonden zichzelf. Ik heb zelf ook gehoord van een man die heel zijn leven al in een instelling voor verstandelijk beperkten verblijft, en veel ligt te masturberen uit verveling. Terwijl hij eigenlijk vrij intelligent is, wat blijkt uit het feit dat hij zich in een vlot tempo kan aankleden. En met zijn tenen voelt hij de tegels in het zwembad af, zodat hij weet waar hij is. Hij kan zich prima zelfstandig verplaatsen.”

“In het algemeen komt er in instellingen voor mensen met verstandelijke beperkingen veel meer doofblindheid voor dan tot nog toe bekend was. Screeningsonderzoeken van collega’s van de Erasmus Universiteit hebben dat aangetoond. Die mensen hebben nooit hulp gekregen.” Hoeveel doofblindgeborenen er zijn is dan ook niet bekend. De schatting voor Nederland is tussen de vijfhonderd en zeshonderd. Janssen: “Gek genoeg is het al tientallen jaren zo dat er steeds ongeveer honderd kinderen zijn.”

De oorzaken verschuiven deels. Janssen: “Vroeger was het vaak dat de moeder rode hond had gehad tijdens de zwangerschap. Daar is nu vrijwel iedereen tegen ingeënt. Maar veel te vroeg geboren kinderen, zoals Mick, overleven tegenwoordig vaker.” Daarnaast is er een aantal ‘syndromen’ die doofblindheid kunnen veroorzaken. Sowieso is er bijna altijd nog meer aan de hand dan gehoor- en gezichtsproblemen. “Bij mensen met de ernstigste verstandelijke beperkingen komt het meest doofblindheid voor,” legt Janssen uit.

Maar erachter komen hoe het zit, kan alleen als het lukt om toegang te krijgen tot de kinderen. En de enige manier om dat van kleins af aan te proberen is via de tastzin. Er is een ‘gevoelsvariant’ van gebarentaal, waarmee je als het ware kunt intappen op hun aangeboren taalvermogen. Soms is dat een kwestie van de handen leggen op die van degene die gebaart, om zo bijvoorbeeld het gebaar voor ‘fietsen’ (een pedaleerbeweging van twee dichte vuisten) ‘mee te voelen’. Vaak ook wordt een gebaar dat anders in de lucht wordt gemaakt, op het lichaam gemaakt. Maar waar voor dove kinderen inmiddels in brede kring geaccepteerd is dat je die het beste direct gebarentaal kunt laten zien, lijkt een dergelijke overeenstemming in de doofblindenwereld nog niet te bestaan. En als ouders liever niet hebben dat hun kind gebarentaal of gevoelsgebaren leert, dan gebeurt het niet op Rafaël. Of het nu is dat ze de zin er niet van inzien of het een akelig gezicht vinden. Wat intussen niet wegneemt dat er op de school met bewonderenswaardige inzet en vaak ook grote ingenieusheid met de kinderen gewerkt wordt. Meestal gaat dat een-op-een, want elk kind is anders, maar het aantal onderwijsuren is natuurlijk hoe dan ook beperkt.

Daar zit ’m msschien wel de kneep. Alles bij elkaar constateert Janssen: “Er is in honderd jaar bijna niets gebeurd.” Ze concludeert dat onder meer uit het prachtig uitgegeven, loodzware boek Blind en doofstom tegelijk, van de Nederlandse psycholoog H.J. Lenderink. Het is uit 1907, en beschrijft doofblinden uit binnen- en buitenland. Lenderink waarschuwt bijvoorbeeld voor het kinderen voor idioot aanzien. Veel ruimte krijgt ook de beroemdste doofblinde aller tijden: de in 1880 geboren Amerikaanse Helen Keller (ze stierf in 1968). Janssen: “Prachtig is het verhaal dat Helen haar ene hand onder stromend water hield, terwijl Anne Sullivan, haar lerares, in de andere w-a-t-e-r spelde. Keller heeft zelf in haar autobiografie beschreven hoe ze toen ineens doorkreeg dat dingen een naam hadden.” Het begin van taal leren. Keller leerde er verscheidene, ging naar de universiteit, en schreef een aantal boeken.

Janssen noemt Gerda Clement ‘de Nederlandse Helen Keller’. Maar Kellers taalvaardigheden gingen nog een stuk verder. Hoe valt dat te verklaren, en waarom blijft het zo’n enorme uitzondering? Janssen zucht: “Wie offert zich nu nog op? Anne Sullivan bleef haar hele leven bij Helen, en was aan een stuk door in haar hand aan het spellen. Daarnaast weet ik niet hoeveel het scheelt dat Keller al anderhalf was voor ze doofblind werd. Dan is de taalontwikkeling al begonnen.”

Taalontwikkeling is de volgende stap voor Janssen, die als het ware staat te popelen zich daarop te gaan richten. Dat er nog zoveel te doen is – ze zegt het keer op keer – lijkt haar alleen maar meer ondernemingslust en energie te geven. Hoop put ze bijvoorbeeld uit de prestaties van Santeri, een Fins jongetje dat in het kleine wereldje van doofblindenonderzoekers (“Ik kom al tientallen jaren precies dezelfde mensen tegen,” zegt Janssen) bij iedereen bekend is. Hij is nu een jaar of zeven, en aan zijn taalgebruik vallen direct de vloeiendheid, het gemak én het plezier op. Janssen: “Het is gek om toe te moeten geven, maar hij is eigenlijk een van de zeer weinige kinderen bij wie alles vanaf het begin gegaan is zoals je het voor iedereen zou willen. Hij heeft ook fantastische ouders, die meteen cursussen gevoelsgebaren zijn gaan doen, en die gevoelsboekjes voor ’m maakten. Hij mag aan alles meedoen, ook het grasmaaien of de heg knippen met zijn vader. Allemaal net als bij andere kinderen.”

Santeri figureert ook veelvuldig in de vier voor de praktijk bedoelde boekjes met cd-rom’s die er sinds een tijdje zijn. “Nu nog alleen in het Engels, maar ze worden vertaald,” zegt Janssen. De bedoeling is dat ze de basis gaan vormen voor een internationale opleiding voor doofblinden-consulenten. Een die gebaseerd is op dezelfde uitgangspunten. “En ze zijn ook weer de inspiratie voor de vier onderzoeken die nu van start gaan op de Rijksuniversiteit Groningen. De promovendi zijn aangenomen,” meldt de kersverse hoogleraar trots.

TAAL VOOR DOVEN, BLINDEN EN DOOFBLINDEN 

Vingerspellen: Kan zichtbaar of voelbaar (in handpalm). Kennis van het Nederlands en van het handalfabet voor nodig.
Handalfabet: Handstand voor elke letter uit het alfabet. Wordt gebruikt om woorden uit de gesproken taal te spellen. Soms maakt een handalfabetletter deel uit van een gebaar (bijvoorbeeld handgespelde L op hoofd voor ‘rijschool’ in de Nederlandse Gebarentaal)
Gebarentaal: ‘Praten’ gebeurt met gezicht, handen, armen, schouders in gebarentalen, die in elke dovengemeenschap onafhankelijk van de spreektaal ontstaan. Zijn volwaardige talen, ook Nederlandse Gebarentaal, maar kennen geen geschreven vorm. Geen kennis van het Nederlands voor nodig. Kan daarom vanaf de geboorte gebruikt worden om dove kinderen taal te leren.
Tactiele gebaren, vierhandengebaren: Variant van gebarentaal voor doofblinden, waarbij de ‘spreker’ de gebaren laat voelen aan de ander. Geen kennis van het Nederlands voor nodig, kan in principe vanaf geboorte gebruikt worden.
Liplezen: gangbare woord voor spraakafzien. Aan de stand en bewegingen van mond, lippen, tong etc proberen te bepalen wat iemand zegt. Lang niet elk woord heeft goed te onderscheiden, eigen ‘mondbewegingen’. Kennis van de spreektaal voor nodig.
Tadoma: ‘Liplezen met je handen’. Sommige doofblinden helpt het om met duim en andere vingers te voelen aan lippen, wangen en keel hoe iemand anders of zijzelf spreken. Kennis van spreektaal voor nodig.
Braille: Tastbaar alfabet: voor alle letters en leestekens een aantal voelbare puntjes Kennis van het Nederlands en kunnen lezen voor nodig.

De supersuperster is het Engels

Woorden van de wereld, het mondiale talenstelsel, door Abram de Swaan, Vertaling Leonoor Broeder, Bert Bakker, 298 p.

De Gids, Woorden van De Swaan, 165ste jaargang, nummer 1, januari 2002, 97 p.

Even een ‘Geknipt voor u’ : “Aanval op VS in meer opzichten Blessing in the sky”. Het stond in grote letters als lezerslokkertje bij een artikel van Amerika-correspondent Marc Chavannes, in de NRC van 29 januari. Vrijwel hetzelfde viel ook in de tekst te lezen.

Het is niet uitvoerbaar, maar wat zou ik graag de resultaten zien van een onderzoekje naar hoeveel NRC-lezers er nou gestruikeld zijn over deze fout, die mij, moet ik bekennen, nogal deed lachen. Voor de zekerheid leg ik de grap toch maar even uit: de zelfs in het Nederlands behoorlijk ingeburgerde uitdrukking een ‘zegen in vermomming’ (blessing in disguise) werd een ‘zegen in de lucht’, wat gezien de context bijna een vondst genoemd kan worden.

Waar het mis is gegaan doet er niet toe, maar dat dit de intellectueelste krant van Nederland haalt, lijkt me een heldere illustratie van het feit dat de kennis die Nederlanders van het Engels hebben vaak bitter tegenvalt. Net als de zelfkennis daarover. Blijkbaar heeft de dienstdoende eindredacteur niet de aanvechting gevoeld eens even na te kijken of die kreet wel klopte. Zo hoor ik in alle lagen van de bevolking, politici en hoogleraren incluis, mensen welgemoed akelig slecht Engels spreken zonder dat ze dat in de gaten lijken te hebben of erg te vinden.

Moet dat dan? Het erg vinden misschien niet, maar het doorhebben heeft een paar praktische kanten. Weten dat je voor de andere kant als een rare knurft klinkt en vaak niet of verkeerd begrepen zult worden is nuttig. Daarnaast ligt er een argument voor de discussie over het Nederlands dat weggeduwd zou worden door het Engels. Zo hard zal dat niet gaan als zelfs de hoogstopgeleide klasse er zo’n moeite mee heeft.

Waarmee ook ik aangeland ben bij het onderwerp dat in de vloed aan publiciteit over het laatste boek van hoogleraar sociologie Abram de Swaan, Woorden van de wereld, het mondiale talenstelsel, het hardnekkigst de kop opsteekt. Overleeft ons arme Nederlands het wel? Dat dat steeds zo de nadruk krijgt doet De Swaan absoluut onrecht, maar grappig genoeg is indirect wel uit zijn betoog op te maken hoe het komt. Dat wil zeggen: als je zijn onderwerpen combineert met wat feiten waaraan hij eigenlijk voorbijgaat.

Zo heeft hij het in zijn boek wel een aantal keren over de inspanning en de tijd die het kost er een nieuwe taal bij te leren, maar toch lijkt het niet tot hem door te dringen hoe gigantisch groot in bijna alle gevallen de kloof blijft tussen je gratis meegekregen moedertaal en later geleerde talen. Ook als je enorm investeert in een vreemde taal. Misschien is De Swaan zelf wel een hoge uitzondering, aangezien hij zijn boeken in het Engels schrijft, waarna ze dan, ook in dit geval, door een ander vertaald worden – wat De Swaan weer het gevoel geeft zijn dubbelganger tegen te komen, schrijft hij in de inleiding.

Maar de boffers in de wereld, en daar zijn er heel veel van, hebben gewoon meer dan een moedertaal. Meertalig opgroeien is een groot cadeau, het geeft je zomaar twee of nog meer keer dat enorm verknochte en die onwaarschijnlijke wendbaarheid die horen bij een moedertaal. Dat dat zo vaak voorkomt en natuurlijk automatisch gevolgen voor het kennisniveau heeft, is een gegeven waar De Swaan ook al nauwelijks enig oog voor heeft. Je kent een taal of je kent hem niet, dat is het onderscheid dat voor hem bestaat, hoe rijk en ingewikkeld in werkelijkheid ook de schakeringen zijn.

Dat komt natuurlijk door zijn blik, die daarom nog niet minder interessant is. De Swaan beschouwt de talen van de wereld van verre. Hij cirkelt als het ware als een satelliet om de aarde en van zijn uitzicht blijven twee dingen bovenal hangen. Ten eerste het wereldomspannende netwerk dat alle ongeveer vijfduizend verschillende talen verbindt. Dit is de truc: in elke taalgemeenschap vind je mensen die ook de taal van een andere gemeenschap kennen. Meestal eentje uit de buurt. En daar wonen dan weer mensen die kunnen praten met degenen die wat verderop zitten. Enzovoort. Dat is de enige reden dat we niet met duizenden volkomen geïsoleerde maatschappijen en maatschappijtjes zitten.

Typisch zo’n gegeven waar je niet gauw vanzelf bij nadenkt, maar dat heel erg waar is en oneindig veel consequenties heeft. Stel u eens even voor wat het zou betekenen voor de wereld als ons taalvermogen niet de flexibiliteit had die het heeft.
Kijk, dat is nou een mooie functie van De Swaans onderzoek: zijn invalshoek brengt je op gedachten. Dat geldt ook voor de kern van het boek, het tweede beeld dat vanzelf beklijft: zijn galactisch model. Bij de atomen was het al zo’n succes, maar de metafoor van sterrenstelsels voor de organisatie van de wereldtalen werkt ook uitstekend, al gaat hij uiteraard ook dit keer niet helemaal op.

Laat ik bovenaan beginnen, of gaat het om ’t stralende middelpunt? Hoe dan ook, de supersuperster is het Engels. Geen taal die voor zo veel aardbewoners aantrekkelijk is, en door zo veel mensen als tweede taal gesproken wordt. Om dat hypercentrale Engels heen bevindt zich zo’n dozijn supercentrale talen, waaronder het Chinees, Arabisch, Frans, Spaans en Swahili, die allemaal zelf weer het middelpunt vormen voor een stel centrale talen. De vierde ‘laag’ tenslotte noemt De Swaan perifere talen, de talen (of dialecten, harde criteria voor dat onderscheid bestaan nog steeds niet) met weinig sprekers en weinig aantrekkingskracht. Je kunt het geheel als een sterren- en planetenstelsel bekijken, maar ook als een soort omgekeerde boom, waarvan het Engels de stam vormt en dan uitwaaiert met zijn takken tot pakweg het Limburgs en de een of andere Papoeataal die twee ver uit elkaar liggende blaadjes zijn. Er zit, met andere woorden, hiërarchie in.

Waar komt die vandaan? Daar heeft De Swaan een indrukwekkende formule voor opgesteld. Op de vorm daarvan ging Hugo Brandt Corstius niet in, in zijn recensie van De Swaans boek (NRC Handelsblad, 25 januari jl.), dus ik ga er helemaal van uit dat die in orde is. Of misschien heeft de wiskundige Brandt Corstius afgezien van rekenwerk omdat hij terecht opmerkt dat de gegevens waarmee je de berekening moet doen er niet zijn.

De Q-waarde, kortweg de communicatiewaarde van een taal hangt af van hoeveel moedertaalsprekers er van die taal zijn, en van de hoeveelheid tweedetaalsprekers. Maar van de meeste talen is dat helemaal niet bekend. Betrouwbare statistieken op dit gebied zijn uitzonderingen, en je kunt je afvragen of ze kunnen bestaan. Weet u het antwoord op de simpele vraag: hoeveel talen spreekt u? Ik niet. Uitsluitend met subtiele kwalificaties en massa’s andere mitsen en maren kan ik daar iets over zeggen. Bij De Swaan lees ik intussen wel dat zo’n tachtig procent van de Nederlandse bevolking min of meer vloeiend Engels spreekt, een cijfer dat mij zwaar overtrokken lijkt.

Maar het gebrek aan cijfers is voor het begrip Q-waarde niet erg, want daar hebben we vanzelf een prima neus voor, die bovendien als een soort self fullfilling profecy werkt. Hoe meer mensen denken: Engels, dat ga ik leren, want daar heb je wat aan, des te waarder dat wordt. We hebben over het algemeen de neiging om ‘omhoog’ te leren: ons vreemde talen eigen te maken die een hogere Q-waarde hebben dan onze eigen. Dat moet ook de reden zijn dat de Engelstaligen, ondanks hun relatief fantastische onderwijs, zelden iets buitenlands spreken. De optelsom van de Q-waarde-neus van miljarden mensen bepaalt hoe het wereldtalenstelsel eruit ziet, is ruw samengevat De Swaans intrigerende stelling, die hij vervolgens gaat toetsen aan onder meer Indonesië, Zuid-Afrika en Europese Unie. Dan komen natuurlijk ook de uitzonderingen, die weer verklaard worden, en dat levert opnieuw denk- en bekvechtmateriaal

Een van de aardige dingen blijft bij alles dat die Q-waarde altijd zowel een persoonlijke als een maatschappelijke zaak is. Zo denk ik dat er op de hele wereld momenteel niemand te vinden is voor wie de Q-waarde van het Nederlands zo hoog is als voor Máxima Zorreguita. Daar staat of valt haar toekomst als voor het volk aanvaardbare kroonprins-eega mee. Tegelijk laten de reacties van datzelfde volk zien hoe laag de Q-waarde van het Nederlands in het algemeen is. Wij denken hier al gauw: wie heeft er nou iets aan om Nederlands ‘erbij’ te leren? Ja, die allochtonen die hier zo graag willen wonen moeten dat allemaal als de bliksem gaan doen, maar een normaal mens weet beter: in de wereld heb je niets aan Nederlands.

Diep onder de indruk van Máxima is men daarom alom, terwijl ze in werkelijkheid natuurlijk gewoon gebroken Nederlands met een flink accent en een afwijkend intonatiepatroon spreekt. Ondanks dat ze er al drie jaar in heeft kunnen oefenen, zich de beste privélessen kan veroorloven en ongetwijfeld uiterst gemotiveerd is. In dat licht bezien is Máxima’s Nederlands bepaald niet uitzonderlijk goed. Het enthousiasme van het volk komt denk ik voort uit een combinatie van haar glimlach en de goede neus die Nederlanders hebben voor de Q-waarde van hun taal.

Of hangt die Q-waarde juist weer samen met de houding van de Nederlanders ten opzichte van hun taal? Is dat niet precies dezelfde self fullfilling profecy als bij de hoge Q-waarden? Ik geloof daar niet zo erg in, maar het is mooi dat De Swaan met zijn visie eens wat nieuwe ammunitie verschaft voor dit soort in wezen doodgediscussieerde onderwerpen. Niet dat de antwoorden zo uit zijn boek geraapt kunnen worden, maar het wordt aantrekkelijk om er weer eens over na te denken.

Dat is een grote verdienste. En dat zie je ook meteen terug in het speciale Gids-nummer van januari dat helemaal aan De Swaans boek gewijd is. Daarin gaat Bram Kempers bijvoorbeeld na hoe bruikbaar het Q-waarde-idee is voor het verleden, voor het Latijn om precies te zijn. En Maarten Asscher zit verbaasd boven een aantekenschriftje vol transcripties uit het spijkerschrift van een Babylonisch Assyrische taal die hij ooit, het is zijn eigen handschrift, toch minstens redelijk gekend moet hebben, maar die inmiddels totaal ontoegankelijk voor hem is geworden. Het zijn kanttekeningen, aanvullingen, tegenwerpingen. Zo blijft René Appel vrezen dat het Nederlands verdrongen zal worden door het Engels doordat dat Engels het Nederlands binnendringt. In zijn slotbeschouwing aan het eind van deze aflevering van De Gids dient de socioloog De Swaan de sociolinguïst Appel netjes van repliek met taalkundige argumenten.

Soms is het jammer dat hij die niet altijd voorhanden heeft. Het is zijn vak niet, en daardoor las ik soms rare dingen. Zo heeft De Swaan kennelijk het idee dat je een vreemde taal alleen kunt leren als je kunt lezen en schrijven, brengt hij speculaties over een oertaal vrolijk als feiten, en zou hij vast geboeid zijn als hij zich eens inlas in wat pidgins en creolentalen zijn, want hij heeft geen flauw benul. Zijn geloof in de komst van computervertalingen is roerend, maar ik voorzie een teleurstelling. Enfin, die dingen heeft hij ook al in de NRC kunnen lezen.

Heb ik nog meer te zeuren? Natuurlijk. Woorden van de wereld bevat te veel herhalingen en opsommingen en vooruitverwijzingen. Het is een wat wonderlijk mengsel geworden van wetenschappelijk proza vol etikettenplakkerij én aangenaam leesvoer, want schrijven kan De Swaan natuurlijk best. In die zin hinkt het boek een beetje op twee gedachten. De Swaan zou het liefst twee publieken tegelijk bedienen, kreeg ik de indruk, en dat kan nou eenmaal niet. Desalniettemin heb ik plezier beleefd aan de one liners die hij rondstrooit door zijn tekst. Dingen als: “Taaltrouw is een extreme vorm van consumententrouw” en “De weg naar het Engels is geplaveid met goede voornemens”, en “Niemand heeft het veto op het voortbestaan van een taal”.

En ook vond ik in dit boek weer heel wat bevestiging voor mijn overtuiging dat er aan taal verdomd weinig te regelen valt. Ook niet als het om Q-waarden gaat. En tegelijk weet ik zeker dat degenen die te vuur en te zwaard hun taal willen beschermen, opstoten in de vaart der volkeren, noem maar op, ook graag uit Woorden van de wereld zullen citeren. Dat pleit voor het boek.

Accu wel, politie niet; balneologie wel, margarine niet

Vreemde Woorden Samenstelling A. Kolsteren en Ewoud Sanders. Uitgever Het Spectrum, 640 p., f 59,90

Vreemd Nederlands, 25000 moeilijke woorden en hun betekenis Samenstelling Jan Meulendijks en Bart Schuil. Uitgever Tirion, 348 p., f 39,50

De droom van één woordenboek waarin alles staat wat tegenwoordig in afzonderlijke boeken te vinden is (jongerentaal, vreemde woorden, eponiemen, etymologieën, katholiek woordgebruik, bargoens), zal wel een droom blijven, maar hij duikt wel weer op bij het verschijnen van twee boeken met vreemde woorden.

Is ‘margarine’ moeilijk Nederlands? Is het een vreemd woord? Zou u het opzoeken in een woordenboek? Dat wil zeggen, in een woordenboek dat Vreemde Woorden of Vreemd Nederlands heet?

Vreemde titels als je er even over nadenkt. Ik weet eigenlijk niet zo goed wat ik van zulke boeken moet vinden.

Als ze al bestaansrecht hebben dan zullen ze dat moeten ontlenen aan het bieden van veel extra’s boven een gewoon verklarend woordenboek Nederlands. Vreemd Nederlands, uit de serie ‘Tien voor Taal’ van puzzelmakers en spelletjesbedenkers Jan Meulendijks en Bart Schuil, doet dat in ieder geval niet.

Van 25.000 uit andere talen overgenomen woorden wordt een synoniem of een korte betekenisomschrijving gegeven. Verder niets, behalve af en toe een aanduiding als (biol.) of (fotogr.) of (spottend) of (W.O.II).

Het boek mikt waarschijnlijk ook op een publiek dat niet gauw meer dan een pocketwoordenboekje Nederlands zal aanschaffen. ‘Enthousiaste reacties’ op een quizonderdeel uit Tien voor Taal waarin ‘de kennis van de wat moeilijker woorden getoetst wordt’ waren volgens de achterflap aanleiding tot het samenstellen van dit woordenboek. Worden de Robert Long-fans geholpen? Wel, ze kunnen waarschijnlijk met Vreemd Nederlands in de hand de Twee-voor-Twaalftechniek toepassen en de vragen voortaan opzoeken.

Maar juist bij ‘vreemd Nederlands’ moet je, buiten een quiz-omgeving, vaak meer weten. Stel, ik heb het gevoel dat ik mijn woordenschat eens moet uitbreiden. Bijvoorbeeld omdat ik naar Tien voor Taal kijk. Moeilijke woorden kennen en gebruiken – zo blijkt ook op de televisie – werkt nu eenmaal statusverhogend. Tegelijkertijd is er niets zo dodelijk in het sociaal verkeer met de hogere standen als die woorden verkéérd gebruiken. Als je normaliter zegt val je door de mand.

Met alleen Vreemd Nederlands om op af te gaan zal ik hoogstwaarschijnlijk normaliter en catalogus zeggen. Ik pas dan namelijk mijn (overigens onbewuste) kennis van het Nederlands toe, en volg het gewone Nederlandse klemtoonpatroon. Maar de ellende met al die leenwoorden is nou juist dat ze niet Nederlands zijn. Tenminste, niet altijd. Sommige zijn wel helemaal vernederlandst en passen op alle mogelijke manieren (uitspraak, klemtoon, uitgangen, vervoegingen) binnen het systeem, maar andere (nog) niet. Een goed woordenboek helpt je erachter te komen hoe dat zit.

In dat opzicht is Vreemd Nederlands bepaald een slecht woordenboek. Het geeft geen aanwijzingen voor de juiste uitspraak, geen accentjes of streepjes die de klemtoon aangeven, niets.

Daar staat tegenover dat het boek, juist doordat er geen andere informatie is toegevoegd, heel toegankelijk oogt. De omschrijvingen zijn over het algemeen correct, zij het niet altijd volledig.

Een ‘label’ bijvoorbeeld is nog wel wat meer dan een ‘naamkaartje’, net zoals een ‘lemming’ niet zomaar een ‘knaagdier’ is en een ‘limerick’ niet gelijk staat aan willekeurig welk ‘grappig versje’. Die toegankelijkheid zal wel verklaren waarom er nu al een tweede druk is van dit boek dat vorig jaar voor het eerst verscheen.

Helpt de keuze uit de Nederlandse woordenschat die Meulendijks en Schuil gemaakt hebben me de mijne te vergroten? Natuurlijk. Dat is per definitie zo. Er zal geen Nederlander bestaan die al die woorden uit zijn hoofd kent.

Zelf had ik bijvoorbeeld nog nooit gehoord van balneologie (leer der geneeskrachtige baden) of rafactie (korting wegens beschadiging van het produkt). Maar zijn ze ook alle 25.000 moeilijk? Dat was tenslotte het criterium.

Over opnamebeleid valt bij ieder woordenboek te twisten, maar in een land waar bijna niemand boter op z’n brood doet lijkt het mij onzin om ‘margarine’ tot de ‘moeilijke woorden’ te rekenen.

En om even in de keuken en bij de m te blijven: macaroni, maggi, maïs, maïzena, mandarijn, marsepein, martini, mayonaise, mineraalwater, mixer en mokka zijn ook nogal ingeburgerd. En zou er met die zes miljoen auto’s, of hoeveel zijn het er op het moment, echt nog iemand in Nederland zijn die geen idee heeft wat accu, all-risk of motor betekent? (Overigens de airbag ontbreekt juist weer.)

Misschien is het Meulendijks en Schuil bij die woorden om de spelling te doen, maar dat is weer een apart onderdeel van hun taalspelletje. Misschien een ideetje: een woordenboek waarin alle woorden met ei/ij’s, au/ou’s, c/k’s en zo nog een paar dingen staan.

Doet het Spectrumwoordenboek Vreemde Woorden het allemaal beter? Het meeste wel. Om te beginnen staat er een helder voorwoord in dat het vreemde van het concept ‘vreemde woorden’ bespreekt. Strikt genomen zou een woordenboek dat zich zo noemt alles moeten bevatten dat niet “puur Hollands” is, stelt historicus, journalist en lexicograaf Ewoud Sanders.

De gebonden Spectrumuitgave is zijn bewerking van een prismapocket die tussen 1956 en 1987 tien drukken beleefde en die was samengesteld door de inmiddels overleden A. Kolsteren. Kolsteren nam het puur-Hollands-criterium (Sanders: “Waar en wanneer sprak men puur Hollands? In Haarlem in de zeventiende eeuw? In Limburg in de middeleeuwen? In de tijd dat jagers in berevellen in de Hollandse oerwouden op everzwijnen jaagden?”) niet al te nauw: moeilijk Middelnederlands, dialectwoorden en bargoens mochten er bijvoorbeeld ook in.

‘Moeilijkheid’ is ook voor Sanders’ opnamebeleid belangrijk. Hij schrapte gemakkelijke vreemde woorden als ‘politie’ en ‘paraplu’ “die toch niemand in een boek als dit zou opzoeken”.

‘Margarine’ bleef het rode potlood bespaard. Misschien wel omdat er een aardig verhaal bij te vertellen valt. Waar het woord vandaan komt: “naam afgeleid van margarinezuur, dat in parelmoerglanzende blaadjes kristalliseert; de oorspr. margarine was eveneens parelmoerglanzend; van Gr. margaron = parel” staat er, en dan volgt een uitvoerige beschrijving van wat het is, en bij wijze van extraatje mogen we ook nog weten dat Nederland sinds 1968 het produkt ‘halvarine’ (met een vetgehalte van ongeveer veertig procent) kent. Het is het type informatie dat ik graag lees, maar dat voor een groot deel eigenlijk in een etymologisch woordenboek thuishoort. Maar zo mooi als in Vreemde Woorden staat het noch in het etymologisch woordenboek van Spectrum, noch in dat van Van Dale. In de verste verte niet zelfs. 

In geschiedenissen van woorden is Sanders goed. Van zijn hand is onder meer het Eponiemenwoordenboek, woorden die teruggaan op historische personen. Ook dat boek bevat veel prettig en leerzaam leesvoer. Van zijn kennis van zaken op dat gebied kan het Spectrum nu meegenieten: bij de eponiemen “zijn vrij veel correcties aangebracht”, staat er fijntjes in het voorwoord.

Overigens, wat precies Sanders’ toevoegingen aan Vreemde Woorden zijn weet ik niet. In ieder geval zit er veel Engels tussen. Logisch. Dat is nu eenmaal de taal waaruit tegenwoordig de meeste vreemde woorden in het Nederlands worden opgenomen. Nieuw is ook het gebruiken van voorbeeldzinnen, wat heel verhelderend kan zijn. Vreemde Woorden biedt ook in andere opzichten meer dan Vreemd Nederlands. Er staat bijvoorbeeld een streepje onder de lettergreep die de klemtoon heeft, en er wordt consequent vermeld uit welke taal een woord komt. Dat laatste kan helpen bij het raden van de goede uitspraak, maar een fonetische weergave had ik in dit boek eigenlijk geen overdreven luxe gevonden.

Ook aan het moeilijkheidscriterium houdt het Spectrum zich zo te zien beter dan Meulendijks en Schuil. Van het hele rijtje keukenzaken met een m hierboven geeft het uitsluitend de mandarijn, en dan nog alleen in de betekenis van ‘hoge ambtenaar’ en ‘bureaucraat’, met wederom een verhaal over het hoe en waarom erbij.

Toch blijft het kennelijk lastig oordelen welke woorden nu wel en niet een plaatsje verdienen. Bij wijze van steekproef vergeleek ik de eerste pagina van de l in Vreemd Nederlands met hetzelfde ‘traject’ in Vreemde Woorden, dat drie in plaats van twee kolommen nodig heeft om bij ‘lamaïsme’ te komen. Meulendijks en Schuil hebben 26 woorden niet die het Spectrum wel heeft, maar andersom ontbreken er in het Spectrum ook weer 21 woorden die wel in Meulendijks en Schuil staan.

Leg je het allemaal naast gewone woordenboeken Nederlands dan zie je weer andere overlappingen en gaten, terwijl natuurlijk in feite al het ‘vreemde Nederlands’ in een goed woordenboek Nederlands thuishoort.

Soms droom ik van een tiendelig of voor mijn part twintigdelig woordenboek waar nou eens alles tegelijk in staat. Om te beginnen de woordenschat van alle bestaande boeken bij elkaar geveegd.

Alles van Kramers, Koenen, Van Dale, Spectrum, en ook het bruikbare materiaal uit die op geen enkele wijze in te dammen stroom gespecialiseerde woordenboekjes. Het kan me niet schelen of een woord ‘vreemd’ is, of teruggaat op een persoon, of een neologisme is, of bargoens, of ‘jongerentaal’, of katholiek, of politiek of god weet wat. Dat kan je er altijd bijvertellen.

En dan wil ik bij alle woorden netjes de uitspraak en de klemtoon terugvinden, en heldere betekenisomschrijvingen zonder dat rare woordenboekenjargon, en ook van alles over hoe je ze gebruikt. Afkortingen en spreekwoorden en uitdrukkingen kunnen er ook in. En er moeten overal synoniemen bij, en etymologieën zoals Sanders die schrijft.

Nou ja, misschien dat mijn droom alleen een nachtmerrie voor een grafisch ontwerper zou zijn.

Uitzoeken of het echt waar is

Wie met eigen ogen bekijkt en leest wat er overgebleven is uit de vroege middeleeuwen, vindt volgens historica Rosamond McKitterick een wereld die heel wat minder afwijkt van de onze dan we denken.

Duister en achterlijk was het hier. Nadat de laatste Romeinen vertrokken waren – met medeneming van hun organisatietalent, de vaardigheid fatsoenlijk sanitair aan te leggen en alle verdere beschaving – viel heel Europa in een diep zwart gat. Pas tegen de renaissance begonnen we daar weer een beetje uit te kruipen. Zo wil het cliché het.

Goed, van dat sanitair klopt wel, maar de rest van het bekende beeld heeft Rosamond McKitterick met haar onderzoek naar de vroege middeleeuwen aardig op z’n kop gezet. Zo goed als niemand kon lezen en schrijven, het was een ongeletterde maatschappij? Niet waar, liet ze zien. Karel de Grote een rouwdouw-veroveraar? Nou, de manier waarop hij de zaken in zijn aldoor uitdijende rijk regelde, was weloverwogen en hoogst effectief. Van enig intellectueel klimaat was geen sprake? Toch werd juist toen de kiem gelegd voor wat nog steeds onze ‘canon’ is.

Schommelstoel

Het zijn maar een paar voorbeelden uit de dikke stapel boeken en artikelen die hoogleraar middeleeuwse geschiedenis McKitterick op haar naam heeft. Ze blijkt een en al vriendelijke voorkomendheid te zijn. En op de een of andere manier passen die middeleeuwen perfect bij haar. Er is de fraaie oude voornaam Rosamond, haar verschijning (tijdloze lichtblauwe jurk, lang wit haar, geen make up), en ook de werkomgeving klopt: het in 1596 gestichte Sidney Sussex College in Cambridge. De gevel van toen staat nog, maar daarachter heeft in de negentiende eeuw de toenmalige leiding helaas flink huisgehouden, vertelt McKitterick onderweg naar haar werkkamer. Bezoek wordt er op de schommelstoel gezet, naast een ook al knusse schouw.

Meteen gaat het over haar liefde voor de middeleeuwen. ‘Ik kan me niet anders herinneren dan dat ik erin geïnteresseerd was,’ zegt ze. ‘De schooljuffrouwen klaagden tegen m’n moeder dat ik teveel wist van de middeleeuwen. Dat ik aldoor historische romans las, in plaats van de dingen te leren die ik moest leren. Als ik bijvoorbeeld de boeken van Rosemary Sutcliff las dacht ik: hoeveel is er nou echt waar? Dat wilde ik uitzoeken.’

Uitzoeken of het echt waar is. Het zou een stevige leidraad in haar carrière worden. Slechts twee dingen zijn daar volgens McKitterick voor nodig: teruggaan naar de oorspronkelijke bronnen, en daarbij je gewone gezonde verstand meenemen. Ze herinnert zich nog precies hoe haar enthousiasme voor die bronnen ontbrandde. Natuurlijk wilde ze na school middeleeuwse geschiedenis gaan studeren. McKitterick: ‘Het was in de universiteitsbibliotheek. Daar stond op een plank een rij boeken… Wacht, ik laat het even zien.’

Uit het aanpalende bibliotheekkamertje haalt ze een groot, gebonden boek. ‘Dit vond ik. Alle documentatie van elk bijzonder Latijns manuscript vanaf het jaar 400. Met steeds een afbeelding op ware grootte. De serie is georganiseerd per land en per bibliotheek. Ik was zeventien en begreep voor het eerst dat er boeken uit die tijd bestonden… Dat je aan het handschrift kon zien van wanneer ze waren. Dat er informatie uit de eerste hand bestond!’

De thrill van rechtstreeks contact met het verleden is nooit overgegaan. Al snel maakte McKitterick ook kennis met charters: handvesten en andere wettelijke documenten. Een goudmijn. ‘Uit de negende eeuw waren er wel zevenduizend ofzo,’ zegt ze. Ze gebruikte ze voor haar boek over vroegmiddeleeuwse geletterdheid, The Carolingians and the Written Word, dat haar naar eigen zeggen beroemd maakte. ‘Je kunt zoveel zien aan die charters. Ze werden gebruikt voor allerlei zaken die verankerd lagen in de gemeenschap. Die voor samenhang zorgen.’ Van verkoopaktes tot wetsteksten bekeek McKitterick, manuscripten in het Latijn en in de omgangstaal, ze bracht van alles bij elkaar. En kon toen niet anders dan concluderen dat het geschreven woord echt niet alleen iets voor een paar hoogopgeleide ingewijden was.

En dat was wel het standaardidee. McKitterick: ‘Ik had er een eerste artikel voor een tijdschrift over gemaakt. Dat kreeg ik terug met de mededeling dat het geen zin had hierover te schrijven, want iedereen wist toch dat alleen geestelijken in de vroege middeleeuwen konden lezen en schrijven. Ik moest dus laten zien dat wat iedereen dacht niet waar was.’ Toen het boek er eenmaal was, ging bijna alle aandacht uit naar het laatste hoofdstuk, waarin McKitterick aannemelijk maakt dat ook veel leken schrijfonderwijs kregen. Dat zint haar niet helemaal, want waarom dat gebeurde begrijp je pas goed als je ook de rest van het boek hebt gelezen: boeken en teksten deden ertoe. Niet alleen in religieuze contexten, maar in het functioneren van de hele maatschappij.

Praktische dingen

‘Het wil niet zeggen dat iedereen die teksten las, maar wel dat ze ervan afwisten, wisten dat het belangrijk was,’ zegt ze. ‘Je kon ermee bewijzen dat je een vrij man was, of dat iets jouw bezit was. Dat was de erfenis van de Romeinse periode. Er was geen radicale breuk. Het ging gewoon door. Zo gaat dat: er wordt overgenomen, aangepast, geselecteerd. Tot het Romeinse erfgoed hoort niet alleen het christelijk geloof, maar ook respect voor de wet. En hoe dingen georganiseerd werden, en de manier waarop mensen aankeken tegen zaken: doe je een transactie, dan wil je dat kunnen bewijzen. Daar horen dus documenten bij. Praktische, totaal voordehandliggende dingen als je ze eenmaal ziet.’

Zo zag McKitterick meer. Heel veel vroegmiddeleeuwse teksten zijn in het Latijn geschreven. ‘Iedereen ging er altijd van uit: dat is moeilijk. Alleen geestelijken leerden het,’ vertelt ze. Maar was het inderdaad zo moeilijk, vroeg McKitterick zich af. Hoe zat dat ten westen van de Rijn? Het Latijn ontwikkelde zich na de tijd van de Romeinen natuurlijk tot de handvol verschillende talen die we nog steeds Romaans noemen – zoals het Frans en het Spaans – maar hoever stond het daarmee? McKitterick kwam op een even simpel als ijzersterk idee om daar inzicht in te krijgen. Ze ging naar het lesmateriaal kijken. ‘Ik wilde weten wat voor grammatica’s ze in de negende eeuw gebruikten. Waren die gericht op het leren van een vreemde taal of niet? Dat was de test.’

Eigen taal

‘Op de Britse eilanden bleken ze inderdaad opgezet voor tweedetaal-verwervers. Maar op het vasteland niet. Daar gebruikten ze nog steeds de Romeinse grammatica’s. Dus kregen ze daar kennelijk onderricht over hun eigen taal. Ze moesten alleen leren hoe die formeel te gebruiken, en goed leren spellen. Bij ons is de schrijftaal ook nog altijd formeler dan de spreektaal. Ik denk dat je het daarmee kunt vergelijken. Maar je ziet in de documenten ook gewoner taalgebruik weerspiegeld. En als bijvoorbeeld een en dezelfde naam in een stuk op drie manieren gespeld wordt, dan merk je dat ze min of meer fonetisch schrijven. Ze zetten de klanken die ze gebruiken om in letters.’ Nog meer ondersteuning voor McKittericks stellingname dat Europa helemaal niet zo ongeletterd was. Veel inwoners hoefden om te leren schrijven geen vreemde taal te leren.

Latijn was ook de taal die Karel de Grote (747-814) sprak en schreef met de dignitarissen in zijn uitgestrekte rijk. Hij vormt het onderwerp van McKittericks laatste boek. Charlemagne: the formation of a European identity verscheen in 2008. ‘Doodeng dat ze me vroegen om een boek over een onderwerp waar al 1200 jaar over geschreven wordt. Door iedereen in Europa. Ik zag er enorm tegenop,’ vertelt McKitterick. Al is het anderzijds ook aantrekkelijk je bezig te houden met iemand over wie iedereen op de lagere school al gehoord heeft. ‘Elke taxichauffeur kent hem. Ik heb maar een keer, in een hotel in Heidelberg, een man ontmoet die me vroeg of ik dan niet wist dat Karel de Grote nooit bestaan had, dat hij een verzinsel was,’ lacht McKitterick.

Ze toog aan werk. ‘Ik had geen zin een samenvatting te maken van wat er in de loop der tijd allemaal over hem gezegd was. In het licht van de dingen die ik eerder gedaan had, ging ik alle bronnen opnieuw lezen. Daarna wilde ik dan terug naar de secundaire literatuur. In de veronderstelling dat die zou kloppen. Maar nee. Keer op keer riep ik: ja maar, dat staat er helemaal niet! Je moet terug naar het bewijs. Want mensen schrijven elkaar over. Hypotheses worden feiten, en zo raak je steeds verder af van de bewijsstukken. Uiteindelijk werd dit project razend spannend.’

Roze taart

Gevraagd naar een voorbeeld van iets dat eerder niet bekend was of anders gezien werd, pakt ze het boek erbij. ‘Kijk, zie je deze kaartjes? Er werd altijd van uitgegaan dat je Karel de Grotes reisroutes kon volgen aan de hand van de charters waarop zijn naam stond. Voor elk jaar zijn daar kaarten van gemaakt. Maar als je berekent hoeveel tijd dat gekost moet hebben, krijgt het op een gegeven moment iets belachelijks. Dat hij veel reisde staat vast, maar ik dacht: wat nu als die charters geproduceerd werden in naam van de koning? Zonder dat hij daar altijd bij hoefde te zijn?’ Met dat idee dook ze weer de bronnen in. En kwam met heel wat logischere routekaarten weer boven.

 

Ineens is het de hoogste tijd voor de lunch geworden. Dus snel trappen af en op, en stille tuinen en een boogjesgallerij door. Ook in de statige hoge zaal waar de staf eet, is de geschiedenis ieder moment voelbaar. De pork roast met worteltjes, de Engelse kazen en de roze taart die er gevaarlijk zoet uitziet, worden genuttigd aan lange tafels onder tientallen oude portretten. Na de koffie in een aparte lounge met leesvoer, kussens en open haarden, praten we nog heel even verder over Karel de Grote, ofwel Charlemagne, in het Engels uitgesproken als ‘Sjarleméén’. McKitterick lacht: ‘Net zoals we van champagne ‘sjempéén’ maken hier.’ Wat was het voor man, denkt ze? ‘Slim, niet per se aardig, maar zeer kundig. Enorm energiek en hardwerkend, én hij wist wat hij wou. De manier waarop hij zijn beheerders overal als zijn agent liet optreden was revolutionair.’ Al sloot veel van de organisatie van zijn rijk wel degelijk gewoon aan bij de Romeinse tijd. Ook daar geen radicale breuk.

En haar volgende boek? Dat moet gaan over een onderwerp dat eigenlijk al als een rode stippellijn door al haar werk loopt. Ze is enorm geïntrigeerd door de vraag hoe kennis en ideeën zich door de tijd en de ruimte verplaatsen. ‘Hoe wisten ze bijvoorbeeld welke boeken ze moesten kopiëren? Wat de moeite waard was? En waren ze zich bewust van wat ze deden?’

Bijna lyrisch

Met dat oog kijkt ze aldoor naar wat ze in de diverse bronnen tegenkomt. Bijna lyrisch vertelt ze over lijstjes genoteerde moeilijke woorden, waarin ze het geboorteproces van alfabetische naslagwerken ziet: ‘Je kunt volgen uit welke boeken mensen die woorden halen. Hoe hun denkproces verloopt, hoe ze tot de notie ‘naslagwerk’ komen.’ Ook de manier waarop nieuwe begrippen worden ingepast in wat al bekend was, heeft McKittericks warme belangstelling. Een mooi voorbeeld van iets dat nog moest evolueren, vindt ze de relatie tussen hemel en aarde en de geografie. ‘Dat de aarde een bol is en een evenaar heeft en dergelijke, weten ze dan allemaal. Dat was al via de Grieken en Romeinen bekend. Maar hoe pas je daar nou het christelijke paradijs in? Wat je ziet is dat ze het gaan aanduiden op de kaart.’

Spontaan vat ze tot slot haar boodschap nog een keer samen: ‘Wat ik echt heel, heel graag duidelijk wil maken, is waarom de vroege middeleeuwen zo belangrijk zijn, terug moeten in het bewustzijn. Dat is vanwege de evolutie en doorgifte van ideeën en kennis. Het begon niet pas bij de renaissance.’ Met een vleug verontwaardiging merkt ze op dat sommigen nog steeds spreken over de dark ages, al durven ze dat niet tegen haar. ‘Terwijl juist toen het idee is gevestigd over wat kennis is, wat je moet denken. Het waren monniken uit de late achtste en de negende eeuw in het Frankische rijk die de klassieke beschaving voor ons bewaard hebben. Een reusachtige nalatenschap. De teksten die indertijd gekopieerd werden, vormen nog altijd het hart van wat onze canon is geworden.’

‘Hadewych zingen gaat je niet in je kouwe kleren zitten’

We hebben het nog nauwelijks kunnen hebben over de laatste cd  waaraan hij heeft meegewerkt, of er wordt een nóg recenter produkt van de hand van dr. Louis Grijp zijn werkkamer binnengebracht. Vers van de pers: een stapeltje exemplaren van Zingen in een kleine taal. De positie van het Nederlands in de muziek.

De titel van dit themanummer van het Volkskundig Bulletin, dat het P.J. Meertens Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde drie keer per jaar uitbrengt, vat in een keer het onderzoeksterrein van Grijp samen.

De smaakvol uitgevoerde illustratie op het omslag laat iets zien van de breedte: tegen een witte achtergrond in rood een muziekbalk met een stukje uit Rozemond die lagh en sliep, een lied uit de bundel Zang-Wortel die in 1653 verscheen. Daaronder, in blauw, nog een muziekbalk. Dat blijkt een fragment uit 1994 van Doe effe normaal, een nummer van de Achterhoekse popgroep Normaal.

Grijp (41) werkt sinds 1990 bij het Meertens Instituut als ‘onderzoeker Nederlandse liedcultuur’, maar hij was al veel langer een trouw bezoeker van het grote pand aan de Keizersgracht. “Dit was echt het Walhalla”, zegt hij, wijzend op de wand kaartenbakken achter zich. “Daarin kun je de geschiedenis van heel veel Nederlandse liederen terugvinden. Met behulp van de doorverwijzingen kun je als het ware de ‘overgrootvader’ van het lied over Reintje de Vos traceren.”

“Ik ben hier erg vaak aan het zoeken geweest. Op een gegeven moment ging het opvallen: die jongen die aldoor in die bakjes kwam kijken.”

Melodieën bij teksten terugvinden is Grijps specialiteit. “Veel is ‘op de wijze van'”, legt hij uit, “want de meeste mensen konden – en kunnen – geen noten lezen.”  Daarom begon hij met de aanleg van wat eerst een ‘voetenbankje’ was, maar inmiddels een volwassen voetenbank: een computerbestand met nu ongeveer 19.000 liederen uit de 16e en de 17e eeuw waarvan de melodie bekend is.

De ‘voeten’ zijn versvoeten, dat wil zeggen: rijm- en lettergrepenschema’s. Past een liedtekst waarvan de bijbehorende muziek niet bekend is op een wél bekend versvoetenschema, dan is het zeer waarschijnlijk dat je met een contrafact te maken hebt: een liedtekst die geschreven is op een bestaande melodie.

Wilde en tamme zangster

In zijn proefschrift uit 1991, Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw. Het mechanisme van de contrafactuur, zet Grijp dat allemaal uiteen. De voetenbank bleek een krachtig hulpinstrument. Voordat Grijp aan zijn onderzoek begon, waren er bijvoorbeeld van het beroemde Groot Liedboeck van Bredero uit 1622 nog 22 melodieën niet bekend. Met behulp van de voetenbank vond hij er alsnog negen terug.

Op die manier kwam ook de wijs van Vondels ‘Rommelpot vant Hanekot’ weer boven water. Overigens is niet alleen de vorm belangrijk: bij een contrafact sluit de inhoud van een liedtekst dikwijls aan bij het lied waarop het gebaseerd is.

“Maar je hebt nog een vorm van terugvinden”, vertelt Grijp. “Bij de tweede soort gaat het om reconstrueren. Van meerstemmige muziek werden vroeger de verschillende stemmen in stemboekjes opgeschreven. Je moet je voorstellen dat de bas en de tenor en de bovenstem ieder een eigen boekje hadden. Ieder had zijn eigen partij voor zijn neus. Daar kan er wel eens een van kwijtraken, en die kun je dan opnieuw maken.”

Gepassioneerd praat hij over Joan Albert Ban. “Je kunt zeggen dat ik helemaal in de ban van Ban ben geraakt”, zegt hij lachend. “Dat was een priester uit de 17e eeuw, die nog voortleeft in de Banstraat hier in Amsterdam. Hij maakte madrigalen, minnezangen, voor drie stemmen. Als daar de bovenstem van weg is, dan is dat een ramp. Het is of je iemands gezicht kwijt bent.”

“Dat was bijvoorbeeld gebeurd met Bans muziek bij het Onderscheyt tussen een wilde en een tamme zangster, een bekende liedtekst van Tesselschade, die beroemde dochter van Roemer Visscher. Vorig jaar was haar vierhonderdste geboortedag, en ter ere daarvan is er van alles georganiseerd. Tesselschade maakte deel uit van de Muiderkring rond P.C. Hooft, en daarom is er onder meer een cd gemaakt Muziek uit de Muiderkring. We hebben daar ook opgetreden.”

“Van de bovenstem van dat bewuste lied was nog één minuut over, omdat Ban die in een brief had overgeschreven. De rest heb ik er toen bijgemaakt, en ik had een extra reden om daar mijn best op te doen: mijn dochter heet Tessel.”

Lustpriëlen

Muziek uit de Muiderkring is er maar één uit de flinke rij cd’s die Grijp bovenop een kast heeft staan. Hij is wat je noemt een ‘toegepast muziekwetenschapper’. Met het steeds deels van samenstelling wisselende ensemble Camerata Trajectina (Italiaans en Latijn voor ‘Utrechts Muziekgezelschap’) ontrukte hij al heel veel oude liederen aan de vergetelheid.

Zijn rol is niet alleen die van de theoreticus, hij speelt zelf ook altijd mee: luit en citer. “Ik vind het prachtig om de wetenschap met muziek te combineren”, zegt hij. “Het zijn ook echt fantastische musici. We proberen zoveel mogelijk spul te doen dat buiten de gewone concertkaders valt. Het soort muziek dat vroeger op schuitjes over de Amstel werd gespeeld en gezongen, en in lustpriëlen, of aan de oever van ’t Spaarne.”

“Alles wat iedereen die voor zijn plezier wilde zingen vroeger zong. Teksten van Hooft, van Cats, van Bredero, van Huygens. Cats maakte bijvoorbeeld liedteksten op Franse melodieën voor Haagse juffers die graag iets zedigs wilden zingen. Maar veel liedjes gingen toch om het versieren van meisjes. En daarnaast had je natuurlijk de geestelijke liederen voor alle gezindten.”

‘Geestelijk’ is niet hetzelfde als saai of braaf. “Als je liederen van de doopsgezinden hoort, schieten de tranen je in de ogen”, vertelt Grijp. “Veel van hen werden om zeep geholpen in naam van God. De doopsgezinden waren de volgelingen van Menno Simonszoon, en in Amerika heb je nog een hoop Mennonieten. Met de Camerata gaan we daar binnenkort ook op tournee, zoals we vaker doen.”

“Er zijn heel veel doopsgezinde liederen, maar de ‘martelaarsliederen’ vormen de kern. En die zijn echt gruwelijk. Die vertellen dan bijvoorbeeld  het verhaal van een simpele jongen, die om zijn geloof door de politie aan zijn handen wordt opgehangen en die wordt volgegoten met een emmer pis.”

Bavianen en slijkgeuzen

“Maar het leuke van liedjes vind ik dat ze zo ongeveer alle gebieden van het maatschappelijk en cultureel leven bestrijken. Wat voor tentoonstelling of jubileum er ook is: er valt altijd wel een liedje bij te vinden. Het eerste Camerata-programma hebben we halverwege de jaren zeventig gemaakt. Dat waren Geuzenliedjes, en dat sloeg enorm in.”

“Het bleek echt een toverformule. In ’81 had je het Hooftjaar, en vanaf dat moment hebben we vrij consequent allerlei jubilea gevolgd: Willem van Oranje in 1984, Constantijn Huygens in ’87, Coornhert in ’90. Dat heeft allemaal tot programma’s en platen of cd’s geleid. Vrij recent is Bavianen en Slijkgeuzen verschenen. Dat is de titel van een boek van de historicus Van Deursen, en ons programma was het muzikale vervolg op zijn werk.”

“Het gaat allemaal over de Remonstranten en de ‘vrije wil’. De Remonstranten werd verweten dat ze heulden met de roomsen, omdat ze niet in volledige predestinatie geloofden: wie goed deed kon nog een beetje aan zijn lot ontsnappen. De liederen gaan onder meer over Van Oldenbarneveldt die geen gratie van Maurits kreeg, en over Hugo de Groot en de boekenkist, en over de Dordtse Synode.”

De laatste Camerata-cd past in elk geval in het seizoen. Cantiones Natalitiae, kerstliederen uit de tijd van Rubens heet hij. Het zijn 27 liedjes, deels in het Nederlands, deels in het Latijn. Succesnummers als ‘Herders hy is gheboren’ en ‘Hoe leyt dit kindeken’ blijken al in de 17e eeuw ontstaan te zijn.

“Mooi dat hij uit is”, zegt Grijp, “ik had hem nog niet gezien. We hebben dat ding opgenomen toen de mussen zo’n beetje van het dak vielen. Overigens is het wel een beetje een a-typisch produkt. Meestal moet ik veel meer onderzoek doen, in dit geval hoefde ik eigenlijk alleen een collega te raadplegen die alles over die liederen weet.”

‘Aardigh Martijntje’

Maar er zijn meer toepassingen van Grijps werk. Hij haalt een loodzwaar boek vol schitterende kleurenreprodukties tevoorschijn: The Hoogsteder Exhibition of Music and Painting in the Golden Age, waar hij aan meewerkte. “Het is een catalogus van kunsthandel Hoogsteder. Van alle schilderijen uit de Gouden Eeuw gaat ongeveer tien procent over muziek. Een getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid gaven die overigens niet. Ik ben nagegaan of wat er wordt afgebeeld wel denkbare of zinvolle combinaties van instrumenten zijn.”

“Dat zijn het allemaal, maar er ontbreken ook gangbare dingen, zoals een gambaconsort, zeg maar het 17e eeuwse equivalent van een strijkkwartet. En wat je ook nooit ziet zijn vier blokfluiten ofzo, ik denk dat schilders het niet interessant vonden een paar keer hetzelfde te schilderen.”

Grijp maakte ook een cd rond de blinde beiaardier Jacob van Eyck. “Dat is een wereldberoemd blokfluitcomponist uit de Gouden Eeuw”, verklaart hij. “Je hebt maar weinig composities alleen voor blokfluit, dus die man wordt nog steeds tot in Japan gespeeld. De oorspronkelijke melodieën zijn bij zijn liedteksten gezocht. ‘Aardigh Martijntje’ zit daar bijvoorbeeld tussen, over het Amsterdamse hoerenleven.”

“Het zijn allemaal teksten over mensen van vlees en bloed. Die speelde men vroeger op het Janskerkhof in Utrecht, waar je toen allemaal iepen en linden had. De Utrechtse jeugd verzamelde zich daar ’s avonds om in de lommer te knuffelen en te doen.”

Grijp vertelt over het verleden of hij er zelf bij geweest is. Ooit, nog als student muziekwetenschap, viel hij voor Valerius’ Nederlandtsche Gedenck-clanck. Zo is het begonnen. “Dat is nu ongeveer het beroemdste liedboek aller tijden, maar toen nog helemaal niet”, zegt hij.

“Wat mij zo aansprak was dat bij alle liederen de begeleiding voor luit en citer wordt gegeven. Kijk maar: niet in een notenschrift, maar in een zogeheten ‘greepschrift’, waarbij de lijntjes de snaren voorstellen. Er staan van die evergreens in als ‘Merck toch hoe sterck’. De Gedenck-clanck was een adaptatie voor de elite van het Geuzenliedboek, dat echt iedere soldaat en matroos kende. Die liedjes gingen over de Tachtigjarige Oorlog, en de boekjes waren voor drie stuivers te koop. Valerius, een rederijker uit Veere, deed alles wat daarin stond wat godvruchtiger en beschaafder over.”

Voor al zijn onderzoek kreeg Grijp in oktober de penning van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis uitgereikt. “Eerst was dat een jaarlijkse penning, nu een  driejaarlijkse, dus ik voel me extra gecoiffeerd”, zegt hij vrolijk.

Cultureel verzet

Maar Grijp houdt zich niet alleen met de geschiedenis bezig, op het Meertens Instituut telt ook het heden. Sinds een tijdje werpt hij zich op het regionale lied. Linken en doorlopende lijnen met het verleden en het Nederlandse lied zijn er wel.

“Ik heb in feite alle uitersten gezien”, zegt Grijp, “van de middeleeuwen tot nu.” Uit die middeleeuwen vond hij ondermeer de muziek terug bij het werk van de mystieke dichteres Hadewych, waarvan totvoorkort niemand wist dat er melodieën bij hoorden. “Dat zingen gaat je niet in de kouwe kleren zitten”, merkt hij op. “Maar wat me aanstaat in het lied is dat het een levende vorm is, die in essentie in al die eeuwen niet veranderd is. Bijna altijd gaat het over de liefde of over God. Het is een waanzinnig constant fenomeen.” 

Nog iets keert telkens terug. Grijp: “In je eigen taal zingen was altijd al een daad van cultureel verzet. De elitemuziek was altijd in een vreemde taal. De grachtengordeldieren van vroeger luisterden de hele Renaissance naar Franse muziek, in de Gouden Eeuw was het Italiaans, toen werd het weer Frans en Duits in de Romantiek, en tegenwoordig is het Engels, zelfs voor de ‘serieuze’ muziek.” 

Tegenwoordig betekent ‘zingen in je eigen taal’ steeds vaker ‘zingen in een regionale taal’. Grijp: “De regionale identiteit en het dialectlied leven enorm. Ik merk dat er veel behoefte is aan artikelen, lezingen. De regionale omroepen spelen er een grote rol in. De algemene ontwikkeling is ook van dialecten naar regiolecten, en die omroepen zijn natuurlijk een ideaal podium voor plaatselijke muziekgroepen.”

“Op het moment ben ik bezig het verschijnsel in kaart te brengen. Daar moet ik flink de provincie voor in. Om met lokale kenners te praten, maar ook om de muziek aan te schaffen. Waarschijnlijk het enige dat je níet in Amsterdam kunt kopen, alleen Normaal en sinds kort Rowwen Hèze dringen wat verder door.”

“Ik begin wel al een beeld te krijgen. In de liedjes zit veel nostalgie. Vaak gaan ze over het dorp en het dialect, en het agrarische gebeuren. Soms ook over het ‘verwerpelijk toerisme’. Je hebt ook wat ik maar de ‘Normaal-achtigen’ noem. Normaal was in 1975 met ‘Oerend hard’ een voortrekker. Zelf heb ik dat nummer pas op mijn veertigste ofzo gehoord, moet ik bekennen, maar ik probeer echt voor alle muziek open te staan.”

“Er is momenteel een soort anti-Randstad, anti-Westerlingen trend. ‘Boerenmuziek’ is een Geuzennaam aan het worden. Wat ik heel leuk vind is dat die regionale groepen zich de internationale stijlen toeëigenen: je hebt plaatselijke hardrock, country, rap. Maar oudere vormen leven ook nog steeds heel sterk.”

“Binnenkort wil ik achter het fenomeen ‘revue’ aan. In plaatsen als Hengelo hebben ze eens per jaar een revue, met conferences over de lokale ontwikkelingen en nog veel meer. Dat schijnt een groot succes te zijn.”

“Ik wil er hier een zoemende bijenkorf van maken”

Verandering één: de naam. Het is niet meer het P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, maar het Meertens Instituut, zoals het in de wandeling altijd al heette. De nieuwe samenvatting van wat ze er doen luidt: Onderzoek en documentatie van Nederlandse taal en cultuur.

Verandering twee: de locatie. Geen oud grachtenpand in hartje Amsterdam meer, maar een oude Coca Colafabriek met volop parkeergelegenheid aan de rand van de stad. Toch is het geen kille, grauwe kantooromgeving geworden. Op alle verdiepingen zijn in het oog springende rode draperieën te vinden, enorme gordijnachtige lappen van telkens een andere stof, in telkens een andere tint. Ze nodigen uit tot aaien, even voelen. In het vergaderkamertje, nu al algemeen aangeduid als de Casa Rosso, zijn er ook stukken langharig, lichtgevend rood tapijt op de wanden aangebracht.

De meningen over de inrichting zijn verdeeld. Ook aan de uiterst moderne lichtsensoren moeten sommigen nog wennen: wie te lang niet beweegt, komt vanzelf in het donker te zitten, en moet dan even opspringen om het licht weer aan te laten gaan.

Verandering drie: er is sinds 1 september weer een directeur, theoretisch taalkundige dr. Hans Bennis. Die heeft de leiding over alle andere veranderingen. Het Meertens Instituut heeft woelige tijden achter de rug. Na problemen trad prof.dr. Jaap van Marle vorig jaar terug als directeur, en begon een commissie onder voorzitterschap van de historicus prof. dr. W. Frijhoff zich te beraden over de toekomst van het instituut, waarbij ook de vraag of die er überhaupt wel was op tafel kwam. Het antwoord daarop luidde: jazeker. Maar er moeten wel heel wat zaken anders. Ondertussen leek het (P.J.) Meertens Instituut de laatste jaren niet uit het nieuws te slaan. 

Standaardbabbel

Dus meteen maar even over Het Bureau, de naam waaronder J.J. Voskuil het instituut opvoert in een serie succesvolle, maar voor wie erin voorkomt vaak weinig vleiende autobiografische romans.

Is de nieuwe directeur het al helemaal zat om daarover te moeten praten? “Nee hoor”, zegt Bennis (47) vrolijk, “Ik ben wel blij met die man. Laat hij maar lekker doorschrijven. Zonder Voskuil haalde het Meertens niet telkens de krant. Veel meer mensen dan vroeger kennen het tegenwoordig. Wie een culturele belangstelling heeft – en dat is overigens toch lang niet iedereen hoor, heb ik gemerkt – heeft ervan gehoord. Dat heeft voordelen, want het geeft je een opening om dingen te vertellen. Ik word alleen soms een beetje moe van de standaardbabbel: dat Voskuil het over een andere tijd heeft, dat het natuurlijk toch een roman is, enzovoort. Als ik de mensen hier hoor vertellen over hem, dan blijkt dat het beeld dat hij van zichzelf geeft in die boeken helemaal niet klopt. In werkelijkheid nam hij het allemaal wel degelijk serieus. Hij was toch het genie van de afdeling Volkskunde, heeft die echt opgebouwd.”

Deel een van de cyclus heeft Bennis inmiddels uit. “Stilistisch vind ik het goed”, zegt hij, “het is alleen allemaal nogal uitgerekt, en daarom wat saai. Het is een soort soap, een Medisch Centrum West uit de jaren zestig. Ik herken natuurlijk wel dingen. Voskuil had inderdaad een afkeer van publiceren. De hele cultuur hier is nog steeds een introverte, een van weinig lawaai maken richting wetenschap. Wat dat betreft moet er een omslag komen, zodat het in plaats van een ‘sorry-een-mens-moet-toch-wat’-houding’ voor iedereen ‘Kijk, ik zit op het Meertens’ wordt. Dat gaat komen. Ik denk dat het niet moeilijk zal zijn veel te veranderen.” 

Reuze trots

Want er zijn mogelijkheden te over volgens Bennis. Om te beginnen alleen al de collecties van het Meertens. “We hebben hier databases, te mooi voor woorden”, zegt hij met onverholen enthousiasme. “Laatst hielden we een open dag. Daar kwamen vier-, vijfhonderd man op af, ik was reuze trots. Die konden bijvoorbeeld met behulp van de Namenbank onderzoek doen naar hun eigen achternaam. En de popliedjes in dialect en de Moppenbank waren ook een groot succes. De hele vertelcultuur zit in een fantastische databank, met bijvoorbeeld verhalen die doktoren van hun patiënten opgetekend hebben.”

En dat is maar een fractie. Vorig jaar verscheen er onder de mooie titel Gouden eieren een inventarisatie van alles wat het instituut in huis heeft. Een greep: 200.000 uit de volksmond opgetekende en van kaarten overgenomen veldnamen, foto’s van koekplanken en gevelstenen, geluidsopnamen van Amerikanen van Nederlandse afkomst, van het Nederlands in Duinkerken, van Laag en Hoog Maastrichts én Maastrichts Algemeen Nederlands, soldatenfolklore, grote hoeveelheden microfiches met krantenknipsels vanaf 1930 over volkskundige zaken, vooral nieuwe tradities, carnavalsonderzoek, bidprentjes, het archief van de Stichting Magie en Tovenarij, het Volksliedarchief met beginregels, refrein en melodieaanduiding van 100.000 Nederlandse liederen, de complete laatste volkstelling uit 1947. Natuurlijk is er een bibliotheek met boeken en tijdschriften, en overal staan nog ladenkasten tjokvol systeemkaartjes. 

Beroemde nageboortes

“Alle bakken moeten het Internet op”, verwoordt Bennis een van de plannen om meer naar buiten te treden. “Als overheidsinstelling zijn we daar ook toe verplicht, vind ik. Het publiek moet toegang hebben tot dat materiaal. Zodat ze straks thuis de geschiedenis van hun familienaam kunnen uitzoeken, en nog veel meer. Er moet alleen een enorme inhaalslag gemaakt worden, want het meeste wat we hebben zit niet in de computer. Daar zal beslist extra geld voor moeten komen. Voor je alleen al Voskuils werk gedigitaliseerd hebt… die vele meters inmiddels beroemde kaartjes met gegevens over de gebruiken rond de nageboortes van paarden en andere volkskundige zaken. Over dat woord volkskunde wordt trouwens nog een beetje gesputterd. Het is uit de ondertitel van het instituut verdwenen, maar sommigen hier zien het als een soort geuzennaam, waar helemaal niet die ouderwetse en in hedendaagse ogen ook ongewenste associaties van ‘volksaard’ enzo aan vastkleven.”

Veel moet op de schop, zoveel is duidelijk. Bennis zegt het met zoveel woorden: “Echt alles moet hier gereorganiseerd. Het is tamelijk ongelooflijk, maar in de 68 jaar dat dit bureau bestaat, is er nog nooit een onderzoeksplan geweest. Inmiddels is de grond omgeploegd, kan er begonnen worden. En nu komt iedereen zijn doos met onvervulde wensen van de afgelopen twintig jaar bij mij omkieperen. Kijk, de structuren die er waren, werken niet meer. Ik gooi dus alles overhoop. Ook de financiële structuur. Die is nu nog hetzelfde als veertig jaar geleden, wat onder meer betekent dat ik moet tekenen voor elk reisje dat iemand naar België wil maken. En er lopen nogal wat samenwerkingsverbanden met Vlamingen.” 

Thema ‘Feest’

“Beslissingen moeten gedecentraliseerd worden. Onderzoek wordt georganiseerd per thema, en die thema’s moeten zo breed mogelijk zijn, over grenzen heen kijken. Daar hoort ook een eigen begroting bij, die dan bij de instituutsleiding ingediend kan worden. Daarna is men zelf verantwoordelijk. Net zoals het hele Meertens een lump sum krijgt om alles van te doen, ben ik van plan dat ook met de thema’s te gaan doen. We hebben bijvoorbeeld bij volkskunde al het thema ‘Feest’. Dat gaat van Kerst tot bruiloften, en daar zitten veel invalshoeken aan vast. Volgens mij zit daar de meerwaarde van het Meertens Instituut: echt goede vakmensen uit verschillende gebieden naar één onderwerp laten kijken. Dus én een goede cultureel antropoloog, én een goede sociolinguïst, én een historicus, én een syntacticus. We hebben gelukkig al veel goede mensen, maar het moeten er nog meer worden.”

Meer onderzoek zo inrichten dat zowel taal als cultuur aan bod komen, was een van de aanbevelingen van de commissie-Frijhoff. Een voorbeeld van dat soort onderzoek, dat ook Bennis voor ogen staat, is een NWO-project in de zeer multi-culturele Utrechtse wijk Lombok, waar het Meertens Instituut inmiddels bij betrokken is. Bennis: “Dat gaat over integratie. We gaan daar de wijk in om met mensen te praten over welke talen ze spreken, en of ze bijvoorbeeld Sinterklaas vieren. Het is een leuke vraagstelling: in hoeverre gaan talige en culturele aanpassing hand in hand? Wat is de correlatie? Je kunt je voorstellen dat als iemand Sinterklaasgedichten schrijft de acculturatie compleet is, dat je zo iemand dan als het ware het stempel ‘Nederlander’ kunt geven.” 

Taalstrijd

Natuurlijk blijven dialecten een belangrijk onderwerp, al zullen ze voortaan vooral gezien worden als onderdeel van de aandachtsgebieden ‘taalstructuur’ en ‘sociale inbedding en ontwikkeling van taalvariëteiten’. “Er is sprake van een dialect-renaissance”, vertelt Bennis. “Je hebt het succes van het zingen in dialect, dat met Normaal begonnen is, en er is cabaret, denk maar aan Herman Finkers in het Twents, en veel klassieke toneelstukken worden met succes in dialecten opgevoerd. Maar daarnaast schijnt zich op allerlei plaatsen een normatieve taalstrijd tussen de generaties dialectsprekers af te spelen. Dialect is weer in opkomst bij de jeugd, maar die zet zich af tegen het dialect zoals dat in allerlei heemkundeverenigingen juist door de ouderen bewaard wordt.”

“Maar de tijd van dialectkaarten waarop dan met allemaal van die v’tjes staat aangegeven waar ze wel en niet ‘ontbijtkoek’ of ‘peperkoek’ zeggen, is toch een beetje voorbij aan het raken. Daar gaat het niet om. Je wilt de verscheidenheid in de cultuur zien te vangen, en de bewegingen die er zijn. Dat is veel interessanter. Langzaam maar zeker moeten we dus het traditionele in kaart brengen afstoten, ook al is het zonde om de geschiedenis kwijt te raken.”

De geschiedenis is een beetje een teer punt. “Waarschijnlijk zullen we ons hier tot het heden moeten gaan beperken”, zegt Bennis. “We hebben gewoon niet genoeg staf voor alles. Maar dat is wel erg. Als wij er hier mee ophouden dan is er niet één instantie in Nederland meer die zich met historische taalkunde bezighoudt. Er is nergens een hoogleraar, en er blijft dus heel veel braak liggen. Ik vind dat een schande. Ik ben dan ook van plan om voortaan bij iedereen die ik spreek het gesprek te eindigen met ‘Overigens ben ik van mening dat de historische taalkunde een fatsoenlijke plek moet krijgen’.” 

Ans en Hans

De kans dat hij dat inderdaad gaat doen, lijkt groot. Bennis is niet bang zijn mening krachtig te verwoorden. En glashelder is hij meestal ook. Een recent voorbeeld valt te lezen in het laatste nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde, dat helemaal gevuld is met besprekingen van de Algemene Nederlandse Spraakkunst, kortweg de ANS, waarvan eind 1997 een ingrijpend herziene editie verscheen.

Hans Bennis’ bijdrage, onder het kopje ANS en Hans op avontuur (voor de te oude en te jonge lezers: Ans en Hans waren ondeugende stripfiguren in het Hitweek-tijdperk), eindigt aldus: ‘Vanuit taalkundig perspectief is dit boek een anachronisme. Het biedt de lezer inhoudsloze categoriseringen, een nutteloos begrippenapparaat, en een chaotische hoeveelheid feiten. Wat mij betreft kan iedere liefhebber van de taalkunde van het Nederlands dit boek gerust in de winkel laten staan.”

Zelf is Bennis zeker zo’n liefhebber. En het is natuurlijk zijn vak. Hij studeerde, na een kandidaats Nederlands, Algemene taalwetenschap in Amsterdam. Vanaf 1982 was hij verbonden aan de universiteit van Leiden, eerst als docent, daarna hoofddocent, en de laatste jaren bovendien als wetenschappelijk directeur van het mede door hem opgezette onderzoeksinstituut Holland Institute of Generative Linguistics, in de wandeling het HIL

Kleine woordjes

Bennis is de man van de kleine woordjes. In taalkundig Nederland werd hij beroemd door zijn onderzoek naar bijvoorbeeld er en het en om en dat. Waar kunnen die wel en niet staan in een zin, waar móeten ze beslist staan, wat is hun functie? Zinsbouw, of syntaxis, is zijn specialisatie, maar hij heeft evengoed colleges gegeven over bijvoorbeeld betekenisleer, klankleer, taalfilosofie, taalverwerving, dyslexie en zelfs spelling.

Een paar jaar geleden zat hij in de commissie die ‘taalkunde als schoolvak’ moest voorbereiden. De plannen op de middelbare school taalkunde te gaan onderwijzen zijn (overigens om ook voor Bennis onduidelijke redenen) in de ijskast verdwenen, en daarmee ook het schoolboek waar Bennis al aan werkte.

Wel op stapel staat De Zin, een boek over de syntaxis van het Nederlands voor studenten, waarvan er ook een interactieve versie op het Internet moet komen. Een groot deel van zijn publicaties tot dusver maakte hij samen met zijn vriend en collega Teun Hoekstra. ‘Bennis en Hoekstra’ is een begrip geworden. Ten tijde van het gesprek is Hoekstra nog maar net overleden, pas 45 jaar oud, na lang ziek geweest te zijn. Bennis spreekt bedroefd en met warmte over hem. “Syntaxis zonder Teun is voor mij eten zonder zout”, zegt hij.

Maar hij verwacht op het Meertens Instituut op een gegeven moment wel weer aan onderzoek toe te komen. “Ik ga natuurlijk naar syntactische variatie kijken”, klinkt het stellig, “naar de mogelijke volgordes met ‘dat’. Het is ook voor een onderzoeker een enige baan. En ik wil er hier een zoemende bijenkorf van maken, waar voortdurend mensen van buiten binnen komen, en andersom. We zijn al bezig een programma te maken dat een ‘minor’ wordt, een keuzevak, voor studenten Nederlands en Culturele studies aan de UvA, met drie colleges cultuur en drie colleges taalvariatie.”

“En het is hier natuurlijk perfect voor wie een sabbatical heeft. Meer samenwerking met de universiteiten lijkt me geen enkel probleem. Al was het alleen al omdat daar tegenwoordig zo bezuinigd wordt dat ik nu al allerlei mensen met mooie plannen op de stoep heb gehad. Ik ben nog nooit zo populair geweest.” 

Brieven aan de Toekomst

Bennis geniet zo te zien oprecht. Dat hij dit werkelijk wilde gaan doen, staat wel vast: hij liet er een hoogleraarschap in Leiden voor schieten. Ondertussen doet hij nu aldoor dingen waarvan hij zijn leven lang niet gedacht had ze ooit te zullen doen: “Ik heb kennis gemaakt met de bisschop van Den Bosch, ik heb op een ouwe schuit gezeten ter ere van het vijftigjarig bestaan van het Zuiderzeemuseum. Ik ben al bij de Heilig Landstichting geweest, en het Openluchtmuseum. Daar werken we mee samen, net als met het instituut voor Volkscultuur. We maken onder meer afspraken over wie wat doet. Zo verzamelen wij eigenlijk geen spullen, maar het Openluchtmuseum natuurlijk wel.”

“Met z’n drieën doen we ook het project ‘Brieven aan de Toekomst’. Dat was die actie eerder dit jaar. Iedereen werd gevraagd op 15 mei een brief te schrijven met wat hij die dag deed, om later een uitvoerig beeld te hebben van het dagelijks leven nu. Er zijn er meer dan 50.000 binnengekomen. Volgend jaar op 15 mei komt er een selectie uit. Daar wordt hier hard aan gewerkt, de brieven worden uitgetikt, en dat schijnt af en toe behoorlijk zwaar te zijn: veel mensen schrijven over ellende en verdriet. Enfin, op de open dag in februari is er voor het eerst iets van te zien.”

Maar jammer genoeg niet van de brieven die de meeste nieuwsgierigheid wekken, want die zitten achter slot en grendel, en blijven dat voorlopig ook. In een speciaal afgesloten deel van de bibliotheek staan twee grote dozen: de brieven waarvan de schrijvers bepaalden dat ze pas over vijftig of honderd jaar opengemaakt en gelezen mogen worden…

Dat onbegrijpelijke Nederlands

Taalkundige Joop van der Horst vindt overal taalveranderingen. Vroeger en nu. 

Een vroegere student vertelt het soms nog met smaak na: stralend hield Joop van der Horst op een dag op college een grote plastic zak omhoog. Superbinten stond erop. Tot genoegen van de historisch taalkundige wisten ze bij Albert Hein niet meer dat die aardappels ongeacht hun maat bintjes heten, omdat de kweker ze vernoemde naar zijn oud-leerling Bintje Jansma. Van der Horst betrapt taalveranderingen graag op heterdaad. En hij heeft er een scherp zintuig voor.

Zo danken we aan hem het begrip Croma-zin. ‘Hou je van vlees, bak je in Croma’ was jarenlang de reclamekreet voor het altijd bruinbakkende goedje. Van der Horst registreerde als eerste de opmars van die nieuwe manier van zeggen, zonder het wel bedoelde en gevoelde ‘als’ en ‘dan’ (‘Als je van vlees houdt, dan…). En onder journalisten zag Van der Horst de gewoonte de kop opsteken om het lidwoord weg te laten bij het omschrijven van personen (‘Historisch taalkundige Joop van der Horst vindt…’ in plaats van ‘De historisch taalkundige Joop van der Horst…’). Alles interesseert hem. Toen zo’n twintig jaar geleden de kerstindustrie booming business werd, maakte hij een hilarisch overzicht met honderden uit reclamefolders geplukte nieuwe woorden met ‘kerst’, van kerstbeer tot kerstzeep.

Maar ondertussen ging hij ook zo ver als maar mogelijk is terug in de tijd. Van der Horst besteedde zo’n kwart eeuw aan het verzamelen van tekstfragmenten waaraan je iets kunt zien van hoe het Nederlands vroeger in elkaar zat. Hoe zeiden we – of beter: schreven we natuurlijk – de dingen in zinsverband een eeuw, drie eeuwen, een millennium geleden. En terwijl hij daar gestaag aan doorwerkte, rijpten ook zijn gedachten over het begrip ‘standaardtaal’, dat pas sinds de Renaissance bestaat. Voor die tijd had niemand in de gaten dat talen veranderen, al deden ze dat wel degelijk, daarna kwamen de steeds strenger wordende taalnormen en regels. Maar inmiddels, concludeerde hij, loopt de standaardtaal op zijn laatste benen. In Nederland, waar het Algemeen Beschaafd Nederlands rap terrein verliest, maar even goed in de rest van Europa.

Niet lang na elkaar verschenen er daardoor twee onalledaagse boeken van zijn hand. Aanleiding om in een café in zijn oude woonplaats Leiden bij koffie, een pilsje en zijn geliefde pijp te praten over zijn werk en zijn eigenzinnige ideeën over taal. In Het einde van de standaardtaal stelt hij bijvoorbeeld dat ‘taal’ vroeger net zoiets was als het woord suiker, water of olie: een stofnaam dus, iets niet-telbaars. En dat die blik op de terugweg is. ‘Natuurlijk kun je taal als een systeem zien, maar het is ook een continuüm, en dan is het een zooitje,’ zegt hij opgewekt. Want taal is ook ongrijpbaar, vloeit alle kanten uit, zowel in tijd als plaats: een keiharde scheidslijn tussen de ene en de volgende taal valt niet te trekken, en wat we nu bijvoorbeeld ‘het Nederlands’ noemen, bevat talloze resten uit het verleden en staat ook al met een been in de toekomst. ‘Elke twintig jaar, elke tien kilometer zie je veranderingen.’

Dat sluit op zichzelf ordening niet uit, zoals te zien valt aan Van der Horsts Geschiedenis van de Nederlandse syntaxis, die duizend jaar bestrijkt en uit twee ruim duizend pagina’s tellende delen bestaat. ‘Het is een telefoonboek,’ zegt hij er direct over. ‘Het begon met dat ik een nieuwe computer kreeg, en moest leren ‘knippen en plakken’. Ik haalde bijvoorbeeld grammaticaal interessante zinnen uit de Egmondse Williram, een stichtelijk boek van rond 1100, en de Wachtendonckse Psalmen – psalmvertalingen uit de tiende eeuw.’ Zijn verzameling Nederlands-van-vroeger dijde zo vlot uit, dat hij op een goed moment ging uitproberen of een systematische aanpak een totaaloverzicht zou kunnen opleveren. Want dat bestond nog niet. Het kon, al bleek er ijzeren discipline en nog meer voor nodig: ‘Elk taalkundig tijdschrift, elke scriptie, keek ik na, en wat ik tegenkwam noteerde ik dezelfde dag nog. Op een gegeven moment dacht ik: ik snap dat Oudnederlands niet. Toen ben ik daar nog een jaar colleges in gaan volgen.’

Hij doet er luchtig over, maar het eindresultaat is een indrukwekkende, goed geordende, uitpuilende gegevensverzameling geworden. Er valt in te lezen dat onze sterke werkwoorden (zitten, lopen, en al die andere die van klinker veranderen in de verleden tijd) een erfenis zijn uit het stokoude Indo-Europees. En dat de dichter Bilderdijk in 1826 al opmerkte dat vrouwelijke naamvalsvormen (de vrouw wier) ‘tot den deftigen stijl behooren, en in het gesprek belachlijk zouden zijn’.

Ook in het Oudnederlands, dat tot ongeveer 1150 loopt, versterkten we de overtreffende trap met aller- (allerirst en allerthickest voor allereerst en allerdikst). En in het Middelnederlands (1150-1500) kwam definitief dat wonderlijke verschil op tussen Nederlandse hoofd- en bijzinnen, die hun verbogen werkwoord per se op verschillende plaatsen willen hebben (de tweede positie tegenover ergens achteraan in de zin, zoals in: ‘Persoonsvormen willen dolgraag op de tweede positie in de zin staan, maar niet als het om bijzinnen gaat.’).Van der Horst lardeert alles bovendien met wat anderen over het onderwerp hebben gezegd – de literatuurlijst is meer dan honderd pagina’s lang.

Maar het zijn ook twee dikke pillen vol raadsels. Want hoe komt het eigenlijk dat wij zo weinig meer begrijpen van het Nederlands uit de elfde, de vijftiende of zelfs de negentiende eeuw? ‘Kennelijk zien we belangrijke dingen over het hoofd,’ zegt Van der Horst, ‘want we weten nog altijd niet wat er gebeurt als er dingen veranderen, of waarom. Neem iets dat karakteristiek is voor het Nederlands: wij grossieren werkelijk in woorden als erop, eraf, hierin, daardoor. Voornaamwoordelijke bijwoorden heten die, en je komt ze ook wel tegen in andere Germaanse talen –Engels, Duits, Scandinavisch – maar veel en veel minder. ‘Therefore’ en ‘damit’ zijn versteende vormen. In al die talen is dit zo rond de twaalfde eeuw ontstaan. Waarom weten we niet. En waarom is het elders lang niet zo succesvol geworden als bij ons? Waarom heeft het Engels nog steeds de vorm ‘is waiting’, en ging het Nederlands daar gelijk mee op tot de zestiende eeuw, maar veranderde ‘is wachtende’ daarna in ‘aan het wachten’? Hoe komt het dat werkwoorden in het Nederlands sinds de Middeleeuwen steeds meer vaste voorzetsels krijgen, iets dat nog steeds doorgaat: ik kies in een restaurant een tournedos, mijn zoon kiest voor een biefstuk. Wat stuurt deze dingen?’

‘Als je de lijnen door de eeuwen heen ziet, kom je bij intrigerende vragen. Eeuwenlang zijn de Germaanse talen steeds verder uit elkaar gegroeid. Het proto-Germaans veranderde langzaam maar zeker in steeds meer talen waarvan de sprekers elkaar niet meer begrepen. Maar op dit moment lijken ze niet meer de divergeren, maar juist te convergeren. Zelfs in hun zinsbouw gaan ze meer op elkaar lijken. Hoe kan dat? Duidelijk is dat er altijd taalinterne factoren een rol spelen. Voor de Germaanse talen zijn bijvoorbeeld de klanken p, t en k een terugkerend thema. Gebeurt er met de een iets, dan komt het hele circus in beweging. Dat groepje is dus iets. Net zoals de s en f samenhangen met de z en v. In het Nederlands is nu die verschuiving gaande, van de stemloze s en f naar de z en de v, die je stembanden wel laten trillen. Je hoort steeds vaker ‘zommige’ en ‘veest’.’

‘Of dat tegen te gaan is? Onderwijs en taalzorg doen wel iets, maar waarschijnlijk hebben ze vooral een remmende invloed op ontwikkelingen die toch gewoon doorgaan. Er bestaat een soort inwendige motivatie voor taalveranderingen. Verschijnselen houden soms ook verband met elkaar: verdwijnen de naamvallen uit een taal, zoals ook met het Nederlands gebeurd is, dan krijg je een woordvolgorde die veel vaster ligt. Volgorde wordt dan belangrijker om te kunnen begrijpen wat er bedoeld wordt. Maar ik denk dat je die interne factoren met externe moet verenigen om veranderingen te snappen.’

Daarover gaat het ook in Het einde van de standaardtaal, waar Van der Horst, verradend dat hij alweer lang in België woont, ‘eigenlijk veel fierder’ op zegt te zijn dan op zijn grote taalgeschiedenis. Hij haalt er in dat boek van alles bij. De jaren 1876 en zo rond 1970 komen steeds terug. Wat er in de wereld gebeurde, alle technische, maatschappelijke, culturele ontwikkelingen, Van der Horst ziet steeds een weerslag op hoe we tegen het idee van een standaardtaal aankijken. Een wisseling van Europse taalcultuur is de ondertitel van zijn boek. ‘De angst voor taalverandering lijkt nu toch wel grondig weg,’ meent hij.

De lijn die hij ziet vanaf het eind van de Renaissance, is ongeveer deze: strakke onderverdelingen, strenge normen en andere hokjes en hekken verdwijnen. ‘In 1876 begint het alfabet al te wankelen,’ zegt hij enthousiast. ‘Toen kreeg je om puur technische redenen het QWERTY-toetsenbord, en was a,b,c,d,e,f et cetera niet langer hét ordeningsmechanisme voor geschreven taal. Door de computer, die vanaf 1970 echt een grote rol gaat spelen, denk ik dat het alfabet helemaal zijn belang verliest. Voor digitaal zoeken heb je het niet nodig. Straks weet niemand meer snel de weg in woordenboeken, in alfabetische lijsten. Maar in 1876 kreeg je ook een standaardtijd in de wereld, in plaats van in elke volgende stad een andere tijd. Ik denk dat we nu op weg zijn naar een wereldtijd, in elk geval voor het internet. De uitvinding van de telefoon, de telegraaf, de grammofoon zijn ook rond 1860, 1870.’

‘En ik ontdek nog steeds almaar nieuwe dingen. Het einde van de Renaissance is vooral ook een einde van de verkaveling, van zelf opgelegde grenzen. Ik verzamel nu informatie over ‘grenzen’. Geografische, maar ook grenzen in een meer metaforische betekenis, zoals Darwin, en anderen, die de grens tussen mens en dier overschrijden, rond 1860. En hoe de Concorde iets dergelijks deed met de geluidsgrens: de eerste proefvlucht was in 1969, de eerste commerciële vlucht in 1971. De jaren rondom 1970 zijn fameus geweest. Wie heeft dat destijds beseft? Ik had dat boek 35 jaar geleden moeten schrijven, maar toen kon ik nog niet overzien wat ik wel al aanvoelde. Ik probeer me te herinneren hoe ik toen was en hoe ik toen tegen de wereld aankeek. Moeilijk om achteraf vast te stellen.’

En alles gaat aldoor hand in hand met de veelbesproken groeiende invloed van de media en de toenemende democratisering. Van der Horst: ‘Nog steeds spreekt maar zo’n tien procent ABN, net als een eeuw geleden, alleen hoor je nu die andere negentig procent ook. Het effect is dat die minderheid van zijn voetstuk valt.’ Dat bevalt niet iedereen. Gaat het hem zelf eigenlijk aan het hart? Hij lacht: ‘In mijn eigen biotoop wel. Maar een student zei laatst: het is een bevrijding uit een Victoriaans keurslijf. Daar zit wat in. Zo’n verbod op ‘de man waarmee ik’, dat ‘de man met wie ik’ zou moeten zijn, is bijvoorbeeld echt onzin. Want we zeggen al duizend jaar waarmee.’

 

JOOP VAN DER HORST
Joop van der Horst (1949) studeerde Nederlands in Leiden, was van 1978 tot 1995 docent historische taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, en is sindsdien hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de universiteit van Leuven. Op de radio, in columns (o.m. Leidsch Dagblad, de Standaard, Onze Taal) en boeken (bijv. Korte geschiedenis van de Nederlandse taal) richt hij zich ook op een algemeen publiek.

Het einde van de standaardtaal; Een wisseling van Europese taalcultuur verscheen bij Meulenhoff, Geschiedenis van de Nederlandse syntaxis bij de Universitaire Pers Leuven.

Zware kost over zelfzuchtige genen

Steven Pinker: Hoe de menselijke geest werkt., vertaald uit het Engels door Han Visserman en Henri da Silva, Contact, 654 blz. 

De mens is een verzameling wonderbaarlijke vermogens. We hebben er een hoofd vol van.

Zoals ons gezichtsvermogen, dat zelf weer uit een aantal kleinere vermogens is opgebouwd: we kunnen bijvoorbeeld kleur zien, en diepte en beweging. Of neem ons taalvermogen, dat onder meer bestaat uit onmiddellijk de goede klanken kunnen vinden bij tienduizenden woorden, en de kunst die telkens op een andere manier zinvol te combineren.

Ook kunnen we liefhebben, ons verbazen, haten, treuren en nog veel meer voelen. We redeneren en reageren aan een stuk door en het speelt zich allemaal af in onze geest. Ik zou niet zo gauw een boeiender vraag weten dan hoe dat werkt. Wat voor samenspel van mechanismen is de geest? Hoe komen we aan die hele machinerie?

Wie niet in godswonderen gelooft, heeft daar maar een antwoord op: wij zijn het product van de evolutie, dus onze geest ook. Steven Pinker behoort tot de vier procent Amerikanen die niet in een hogere macht geloven. In zijn boek How the Mind Works, onlangs vertaald als Hoe de menselijke geest werkt, speelt de evolutie dus een grote rol.

Het andere uitgangspunt: de geest lijkt qua organisatie op het lichaam. Zoals we nieren, longen en een hart hebben die stuk voor stuk toegerust zijn voor een specifieke taak, zo hebben we ook een heel stel gespecialiseerde ‘mentale organen’, zoals die voor ‘zien’ en voor ‘taal’. Samen vormen ze een systeem dat allerlei typen informatie kan verwerken, en dat ook volcontinu doet. De menselijke geest ‘rekent’ zich rot.

In de wetenschap zijn dat zeker geen nieuwe gedachten meer, en ze zijn bovendien vruchtbaar gebleken. Maar de uitkomsten zijn verre van gemeengoed. Een uitstekend idee dus van Pinker om wat we inmiddels weten bij elkaar te zetten in een boek voor een breed publiek.

Hij heeft er ook de juiste achtergrond voor. Pinker is directeur van het Centrum voor Cognitieve Neurowetenschappen van het Massachusetts Institute of Technology in Boston. Zelf is hij psycholoog en in zijn eigen onderzoek heeft hij zich vooral met taalverwerving beziggehouden. In 1994 verscheen zijn eerste ‘publieksboek’: The Language Instinct (vertaald als Het taalinstinct) en dat sloeg aan, vooral in Amerika (zelfs zo dat het voorschot voor How the Mind Works naar verluidt een half miljoen dollar bedroeg).

De grote verdienste ervan was dat het de moderne theoretische taalkunde buiten de kring van taalkundigen wist te brengen. Niet alleen doordat ‘gewone’ lezers het lazen, maar Pinker vond ook gehoor en daardoor aansluiting bij onderzoekers van allerlei andere terreinen. Dat was tot die tijd meestal maar slecht gelukt.

Zelf ziet hij Het taalinstinct en Hoe de menselijke geest werkt als complementair. In het nieuwste boek gaat het daarom nauwelijks over taal. Dat is immers zo’n ‘mentaal orgaan’ dat de evolutie ons opgeleverd heeft, en dus in zekere zin niet meer dan een voorbeeld van het bredere beeld dat hij in Hoe de menselijke geest werkt wil schetsen.

De twee boeken zijn onmiskenbaar van dezelfde hand: Pinker wil cognitie (onze ‘hogere’ geestelijke vermogens) en evolutie samenbrengen. Ondertussen laat hij telkens zien een scherp oog te hebben voor aansprekende voorbeelden en illustraties uit de dagelijkse praktijk, die hij bovendien in niet-academische bewoordingen weet na te vertellen. Zijn teksten staan er vol mee.

Maar er zijn meer overeenkomsten. Beide boeken maken ook duidelijk dat Pinker rampzalig slecht is in een lijn uitzetten en vasthouden. Bovendien kent hij nauwelijks twijfel, wat voor een onderzoeker nogal opmerkelijk is. Pinker poneert veel en graag.

Neem nu die aanname dat onze geest uit losse, maar wel op elkaar inwerkende ‘modulen’ bestaat. Daar zijn enerzijds zeker concrete aanwijzingen voor, terwijl er anderzijds ook grote problemen liggen, bijvoorbeeld met de afbakening: wat moet je nou precies een module noemen, en uit welke modulen zijn die zelf weer opgebouwd?

Om de moeilijke punten fietst Pinker vrolijk heen, en aan onderbouwing doet hij niet veel. Dat kan ook vrij gemakkelijk, want anders dan je na het lezen van de inleiding zou verwachten, is het boek geen overzicht geworden van het onderzoek naar de functie en werking van onze geestelijke vermogens.

Waarom niet is een raadsel, want gegevens zijn er tegenwoordig zat. Als er nou één bloeiend en wereldwijd explosief groeiend onderzoeksterrein bestaat, dan is het wel wat de ‘cognitieve neurowetenschappen’ is gaan heten. Daaronder valt al het onderzoek naar het verband tussen de bouw en werking van onze hersenen en onze cognitieve functies. Dan gaat het niet alleen om zien en taal, maar ook om dingen als: hoe plannen we, hoe richten we onze aandacht ergens op, hoe werkt het geheugen en nog veel meer.

Er wordt driftig gebruik gemaakt van de relatief jonge technieken waarmee je levende, reagerende hersenen kunt bestuderen, en dat levert een complex maar per definitie interessant beeld op. Pinker is nota bene directeur van een instituut voor cognitieve wetenschappen, en waar anders dan in het brein zou zich onze geest moeten bevinden, maar in Hoe de menselijke geest werkt spelen de hersenen maar een miniem rolletje.

In plaats daarvan begint het boek met verhalen over robots, over kunstmatige intelligentie dus. Bepaald geen terrein waarin recentelijk grote doorbraken zijn geweest. De pogingen onze eigen vermogens na te bouwen in een machine hebben in elk geval één ding duidelijk gemaakt: hoe waanzinnig knap we zelf zijn. Het kost ongelooflijk veel moeite een computer bijvoorbeeld iets te laten herkennen, of zich voort te bewegen op oneffen terrein, zoals Pinker ook laat zien. Maar wat hij er nou precies mee wil aantonen, blijft in de lucht hangen.

Gaat het hem erom duidelijk te maken dat er veel meer in ons zit ingebouwd dan we geneigd zijn te denken? Hij heeft het onder meer over een neuraal netwerk, dat getraind is om familierelaties ‘uit te rekenen’.

Maar het systeem moest bijna alles ‘voorgezegd’ krijgen en had maar liefst 150.000 lessen nodig om zelf een paar juiste conclusies van het type ‘Pietje is dus de broer van Marietje’ te trekken. Dat lijkt natuurlijk in de verste verte niet op hoe kinderen familierelaties leren, zegt Pinker. Waarom dan zijn nadruk op computers als hij zelf ook concludeert dat er te veel belang aan wordt gehecht aangezien wat een machine kan uiteindelijk toch helemaal afhangt van wat je erin stopt? En waarom zoveel tekst gewijd aan het raadsel van ons bewustzijn, als hij toch net zomin als wie ook een oplossing heeft?

Ondertussen is het allemaal wel behoorlijk zware kost, en gek genoeg werkt de ‘verlichting’ die Pinker aan probeert te brengen alleen maar averechts.

Ik zou nooit gedacht hebben dat dat mogelijk was, maar het hele boek gaat gebukt onder een teveel aan voorbeelden. Op den duur werd ik ook helemaal dol van de opsommingen, die soms wel erg gewild aandoen. Eén keer is een omschrijving zoals die van verliefdheid met de woorden “aantrekking, verzotheid, hofmakerij, ingetogenheid, overgave, verbondenheid, onvrede, rokkenjagerij, jaloezie, verlating en hartzeer” misschien aardig, maar een boek vol met opeenstapelingen van zulke uitweidingen en telkens nóg een voorbeeld en nóg een voorbeeld beneemt je al gauw het zicht op de kwesties waar het om draait.

Ik moet bekennen dat het me zelden zo veel moeite heeft gekost een boek helemaal uit te lezen. Over de evolutie van onze ‘mentale organen’ heeft Pinker uiteindelijk maar bitter weinig te zeggen, vind ik.

De laatste hoofdstukken bleken nog het aardigst. Daarin worden ons maatschappelijk functioneren en onze relaties consequent door een evolutionaire bril bekeken. Alles wat we doen, is het gevolg van adaptaties, en dan niet aan de wereld van vandaag, maar aan een bestaan als jagers-verzamelaars in een savannelandschap.

Die blik heeft zowel iets verfrissends als iets benauwds. De schakeringen ontbreken. Waarom mannen verkrachters zijn en vrouwen niet is natuurlijk best uit onze ‘zelfzuchtige genen’ te verklaren, maar waarom de ene man wel een bruut is en de ander niet wordt daarmee niet duidelijk. De ene menselijke geest is de ander niet.

Iets anders is dat ik juist die dingen allemaal al wel eens elders gelezen had. Ook in boeken voor een breed publiek, zoals Helen Fischers Anatomy of Love en Robert Wrights The Moral Animal, die weliswaar in de literatuurlijst staan, maar in de tekst nergens genoemd worden.

Met bronnen lijkt Pinker wat merkwaardig om te gaan. Aan de ene kant barst zijn boek van de dikwijls niet ter zake doende academische verwijzingen (‘Jan en Klaas hebben eens gezegd’), maar ik bespeur tegelijk een neiging veel zaken naar zich toe te trekken.

Datzelfde gold voor Het taalinstinct, en je ziet het zelfs in hoe hij daar in zijn nieuwe boek naar terugverwijst, met zinsneden als ‘zoals ik in Het taalinstinct al aantoonde’. Dat hinderde me omdat het daarbij consequent om dingen gaat die door anderen dan hemzelf zijn aangetoond.

Grappig is dat Pinker aldoor de gelijkheid van alle mensen benadrukt. Telkens haalt hij de overeenkomsten tussen culturen naar voren: overal wordt getrouwd, geloofd in god, gestreden om de macht.

Dat is natuurlijk ook zo, maar tegelijk laat zijn boek de beperktheid van die visie zien, omdat het volledig doortrokken is van de Amerikaanse cultuur. De Amerikaanse verhoudingen, omgangsvormen en kwesties bepalen toch het gezichtspunt. Zo voert Pinker denkbeeldige discussies met radicale feministes en zelfs met advocaten. Dat dingen in onze natuur zitten, betekent nog niet dat ze ‘goed’ zijn, houdt hij ons keer op keer voor.

Terecht, maar zijn gehamer op dat soort zaken geeft het boek een bepaalde moralistische bijsmaak, die in Nederland niet goed past.

Ook Pinkers voorbeelden komen natuurlijk vooral uit zijn eigen omgeving. Hier laten de vertalers – die een heidense klus hebben gehad, maar naar mijn smaak iets te formeel zijn in hun woordkeus (‘de idee’, veel verwijzingen met ‘zij’ en ‘haar’) – hun grootste steken vallen.

Uitleg of een Nederlands equivalent ontbreken veel te vaak. ‘Cheese cake’ is wel kwarktaart, maar onze standaardtaart is slagroomtaart. ‘Letters to Ann Landers’ zijn natuurlijk letterlijk vertaald ‘brieven aan Ann Landers’, maar dat zegt hier niets. Daar had ‘Lieve Lita’ of ‘Margriet weet raad’ ofzo moeten staan. Botweg een letterlijke vertaling geven leidt tot meer onbegrijpelijke dingen. Een passage over Mr. Spock is alleen te volgen als u net als ik een Startrekfan bent en precies weet wat er aan het begin van elke aflevering gezegd wordt. Had daar niet een klein voetnootje bij gekund?

Of neem hoofdstuk zeven, dat zo begint: “Kom op mensen, lach eens naar uw broeders en zusters! Allemaal hand in hand, probeer nú elkaar lief te hebben. We beleven nu het ochtendgloren van het Aquariustijdperk: harmonie en wederzijds begrip, sympathie en vertrouwen overal om je heen. Geen onwaarheid meer, geen spot: gouden, levende dromen van visioenen, glasheldere mystieke openbaringen en een echte bevrijding van de geest. Stel u voor: geen bezit meer; ik vraag me af of het u lukt.”

Het gaat nog verder (zoals gezegd: Pinker houdt van veel voorbeelden), maar hebt u ’m door? Het zijn popsongteksten.

De laatste zin bijvoorbeeld is het begin van John Lennons Imagine, en de eerste twee, zo leerde een zoektochtje over het Internet, komen uit het mij volslagen onbekende nummer Get together, onder meer uitgevoerd door de Indigo Girls en de Young Bloods. Dat staat er dus allemaal niet bij, ook niet verderop. Wie het vanzelf snapt, heeft terugvertaald, zo ongeveer het allerlaatste dat de bedoeling van een vertaling kan zijn. Voor zover deze teksten in Nederland bekend zijn, zijn ze dat in hun oorspronkelijke Engelse versie. Ze allebei geven (zoals elders in het boek bij stukjes poëzie wel gebeurt) was hier echt het minste geweest.

Grapjes van Hofstadter

Metamagische Thema’s. Op zoek naar de essentie van geest en patroon door Douglas. R. Hofstadter 839 blz., geïll., Contact 1988, vertaling Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters (Metamagical Themas, 1985), f 99,-  ISBN.: 90 254 6570 6

Wie de Scheldlijn belt wordt uitgescholden dat hij zo gek is de Scheldlijn te bellen. Dat zou Douglas Hofstadter zeker bevallen. Hij is dol op zulke zelfverwijzingen en dubbele bodems.

En wie zijn werk leest moet bijna wel door zijn enthousiasme aangestoken worden. Een paar weken geleden is de vertaling verschenen van zijn Methamagical Themas.

Het is duur, het is dik, maar u moet het kopen. Ook als Gödel, Escher, Bach nog steeds – gedeeltelijk of helemaal – een goed voornemen staat te zijn op uw boekenplank. De Metamagische Thema’s zijn weliswaar voor een groot deel dezelfde als de ‘GEB’ (om met Hofstadter zelf te spreken) -thema’s, maar het boek is anders geaard door zijn herkomst: het is een verzameling van de columns die Hofstadter tweeëneenhalf jaar lang voor de Scientific American schreef, aangevuld met nog wat losse artikelen.

Alle stukken zijn, als gevolg daarvan, in principe afgeronde gehelen en u loopt dus niet het gevaar om de draad kwijt te raken als u het boek een tijdje terzijde legt.

Bovendien: Hofstadter is zo’n veelzijdig man dat u misschien ook niet in alles waar hij het over heeft geinteresseerd bent, al moet ik zeggen dat hij dikwijls zo meeslepend schrijft dat je vanzelf geinteresseerd raakt.

Zelf kan ik geen noot lezen, maar bijvoorbeeld de passage over de muziek van Chopin vond ik uiterst boeiend. Hofstadter weet het te verkopen. Zijn boeken staan ook altijd vol plaatjes met voorbeelden, foto’s, tekeningen die illustreren of verduidelijken. Zo laat hij zien dat geen van de kenmerken van een ‘A’ (de streep links, de streep rechts, het liggende streepje in het midden, de schuinheid, of wat dan ook) een absolute voorwaarde is voor het herkennen van een ‘A’. In de gekste vormen zien we toch meteen die ene letter.

Patroonherkenning. Hofstadter is er een ster in, en als geen ander is hij in staat die patronen bloot te leggen. En of het nu gaat om de nucleaire toestand in de wereld, of de programmeertaal LISP, of de Turingtest, iedere keer komt hij weer terecht bij zelfverwijzing, zelfverstriktheid, recursie, gelaagdheid, dubbele bodems en grapjes.

Voor de liefhebbers: er staat weer een prachtige dialoog van Achilles en de Schildpad in dit boek waarin voortdurend gespeeld wordt met de vorige (GEB)dialogen en de rol van de schrijver. Die converseert als het ware via zijn personages me’t die personages.

VERTALEN

Verwarrend zijn de columns vaker, en dat is natuurlijk ook de bedoeling. Hofstadter knabbelt de hele tijd aan het randje van wat een mens nog bevatten kan. Vervreemdingseffecten zorgen voor botsingen in het hoofd van de lezer. Een mooi voorbeeld van een extra dubbele bodem vond ik zijn opmerking dat de Wet van Hofstadter: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, ook al houd je rekening met de Wet van Hofstadter’, zelfs voor zijn bedenker, Hofstadter zelf dus, opgaat. Ik ben erg gehecht geraakt aan die wet; ook terwijl ik deze recensie zit te schrijven blijkt weer dat hij waar is.

Overigens, als u Hofstadters wet begrijpt, dan begrijpt u meteen wat recursie is: deze wet roept als het ware binnenin zichzelf zichzelf aan.

Metamagische Thema’s (de Engelse titel Metamagical Themes is een anagram van Mathematical Games, de naam van de column van Hofstadters voorganger in de Scientific American, Martin Gardner) begint met een aantal stukken over zelfverwijzing en zelfverstriktheid in taal. Daarbij moet mij wel van het hart dat het hier, anders dan Hofstadter doet voorkomen, niet zozeer over ‘taal’ en ‘zinnen’ gaat, als wel over logisch-filosofisch getinte problemen.

Het begint natuurlijk allemaal weer met de paradox van Epimenides de Kretenzer die zei dat alle Kretenzers leugenaars zijn. Een variatie op dit thema is ‘Deze zin stelt dat hij een paradox van Epimenides is, maar hij liegt’.

Zinnen die op de een of andere manier – er zijn er vele – naar zichzelf verwijzen kunnen ook zo’n merkwaardig effect geven: ‘Om ‘deze zin’ te begrijpen moet je alle aanhalingstekens in ‘hem’ negeren.’ ‘Ik ben niet het onderwerp van deze zin.’ ‘Hoe zou deze zin zijn als hij niet zelfverwijzend was?’ Ook smakelijk zijn: ‘Dit is een zin met ‘uien’, ‘sla’, ‘tomaat’, en ‘een bordje frites erbij’.’ en ‘Dit is een hamburger met klinkers, medeklinkers, komma’s en een punt aan het eind.’

Of wat dacht u van: ‘Als je er niet naar kijkt, is deze zin in het Spaans.’ en: ‘Deze zin die u nu voor u heeft, bracht verleden jaar een maand in het Hongaars door en is pas kortgeleden terugvertaald naar het Nederlands.’

Vertalen. Daar heeft Hofstadter het ook over. Dat in vertaling lezen zorgt voor een extra dimensie. Maar wat een heidense klus moet dat vertalen geweest zijn! Lof, lof, lof, voor degenen die het gedaan hebben.

Alleen al voor de moed eraan te beginnen. Natuurlijk gaat er wel eens het een en ander verloren nu (een dubbelzinnigheid die voortkomt uit het feit dat ‘lies’ zowel ‘ligt’ als ‘liegt’ betekent verdwijnt ongewild), maar er zijn ook zoveel vondsten. Bij die zelfverwijzende zinnen bijvoorbeeld. ‘Do you read me’ (leest/begrijpt u mij?) is ‘Ik ben uitgelezen’ geworden. Daar zit keurig ook een dubbele betekenis in de vertaling, zij het een heel andere dan die in het Engels.

Hofstadter bemoeit zich zelf met alle vertalingen. Met plezier. Sterker nog, toen hij eind vorig jaar even in Nederland verbleef, vertelde hij al die vertalingen ‘the biggest thrill’ van zijn succes te vinden. Op de Chinese vertalers van Gödel, Escher, Bach stuurde hij een Engelstalige vriend die Chinees kent af. Zelf maakt hij de ene vertaling na de andere van een oud Frans versje, voor de lol, en om te proberen het nog mooier te maken.

‘Ik ben een enorme perfectionist’ was zijn verklaring, ook voor het feit dat elk van zijn columns hem zeker vijftig à zestig uur kostte. Enorm sceptisch was hij in november over de mogelijkheid een column over seksistisch taalgebruik te vertalen. Er staat nu ook een noot bij dat hoofdstuk dat de vertalers toch een poging gewaagd hebben, ondanks dat de schrijver voorstelde het stuk wegens onvertaalbaarheid weg te laten.

RACISME

Het seksisme in taalgebruik zit Hofstadter namelijk bijzonder hoog. En wat hem nog veel hoger zit is dat iedereen er best aan de borreltafel over wil kletsen, maar het verder absoluut geen belangrijk onderwerp vindt.

Hij maakt zich hier zowel in zijn boek, als wanneer je hem ernaar vraagt, minstens even boos over, als over de ‘overkill’ aan kernwapens in de wereld, aan welk geëngageerd thema hij ook een paar columns gewijd heeft.

Zijn seksistische ogen zijn hem indertijd geopend door het inmiddels overbekende verhaal van de vader en de zoon die een auto-ongeluk krijgen: vader op slag dood, zoon levensgevaarlijk gewond. In het ziekenhuis trekt de chirurg bleek weg: ‘ik kan die jongen niet opereren, het is mijn zoon.’ Rara hoe kan dat? Inderdaad. De chirurg was natuurlijk zijn moeder.

Hofstadter wil ons ook de ogen openen. Hij doet dat met een goedbedachte en nogal ingenieus in elkaar zittende analogie. Hij geeft een racistische versie van seksisme. Alles wat ‘man’ is heeft hij vervangen door ‘blanke’. Het onderscheid tussen ‘hij’ en ‘zij’ bestaat niet, er zijn alleen ‘blij’s’ (blanke hij’s en zij’s) en ‘zwij’s’ (zwarte hij’s en zij’s). Het stuk is bovendien een parodie op de column van taalpurist William Safire (Hofstadters pseudoniem luidt dan ook William Satire).

Oordeelt u zelf over die onmogelijke vertaling: ‘Er schuilt veel schoonheid in een zin als ‘Alle blanken zijn als gelijken geschapen.’ De voorleiders die de Onafhankelijkheidsverklaring opstelden, hadden gevoel voor de poëzie van de taal.(…) Wat voor kwaad schuilt er in vertrouwde uitdrukkingen als ‘Blanke overboord’, ‘Op de blanke af’, of ‘Als de nood aan de blanke is’? ‘

Zo gaat dat een aantal bladzijden door. En het is schokkend om te lezen, al gaan analogieën zoals ook Hofstadter moet weten, natuurlijk nooit helemaal op. Zelf probeert hij naar zijn zeggen te oefenen in niet-seksistisch taalgebruik, en in niet-seksistische beelden (bij chirurg niet meteen aan een man denken).

Toen ik hem ernaar vroeg noemde hij dat ‘vooral een bijzonder verhelderende ervaring.’ Een werkelijke oplossing biedt het allemaal niet, en die ziet hij ook niet, hoewel hij duidelijk langer – en een stuk verstandiger – over dit punt heeft nagedacht dan de meeste mensen. Immers, je kunt ook niet voortdurend hij/zij zeggen of schrijven, want daar wordt iedereen gek van; en alle ‘hij’s’ door ‘zij’s’ vervangen, of af en toe eens een, leidt verschrikkelijk af van de tekst.

Het Engels heeft nog een andere mogelijkheid, en daar maakt Hofstadter gebruik van: je kunt ‘they’ (zij-meervoud) heel dikwijls op één persoon laten slaan, en het is sekse-neutraal. In het Nederlands gaat dat moeilijker, ook al is het niet helemaal uitgesloten zoals Hofstadter dacht. Hij ondergroef zijn eigen stelling door als voorbeeld te geven: ‘Als je naar de tandarts gaat, en ze boren een gat in je kiezen..’ Hij is blijkbaar toch beter in het Nederlands te vertalen dan hij zelf denkt.

Er vallen nog ontelbare zaken meer over Metamagische Thema’s te zeggen, maar ik laat het tot slot bij nog een paar opmerkingen: als u nog zo’n kubus van Rubik heeft liggen dan wordt het tijd hem af te stoffen. Hofstadter wijdt er tientallen inspirerende pagina’s aan.

En als u moeite heeft u iets voor te stellen bij aantallen of getallen die meer dan drie nullen bevatten, dan is het hoofdstuk ‘Onbenulligheid’ (overigens een schitterende vertaling van ‘Number Numbness’) verplichte maar ook lekkere kost. Het lukt Hofstadter werkelijk om de grootste onbenul een beetje gevoel voor machten van tien bij te brengen. En als u harder op zoek bent naar een perfect recept om anderen te bedriegen dan kunt u ook in dit boek terecht.

Waarom de computer geen vertaler wordt

De computer als vertaler.  J.J. Schoorl. Uitgeverij Boom, Meppel / Amsterdam. Prijs: f 37,50

Deze Gebruiksaanwijzing an de Geyser an te brengen. NL’ stond er op de sticker die ik bij mijn nieuwe geiser kreeg. Braaf heb ik indertijd aan dat verzoek gehoor gegeven, zodat ik nog steeds iedere keer als ik de kraan opendraai met een staaltje ‘Newspeak’ geconfronteerd word. Bij mijn wasmachine zat een boekje dat me onder andere vertelde dat ik de deurafdichting rustig af mag wrijven met een doek. Of mijn tere weefsels med een voorwas behandeld moeten worden hangt af van de vervuilingsgrad.

Dit soort rare taal- en spelfouten (je vindt ze in vrijwel iedere gebruiksaanwijzing) werken ontegenzeggelijk op de lachspieren, maar tegelijkertijd maken ze een nogal onbetrouwbare indruk. Ik bedoel: je vraagt je af of Bauknecht wel echt weet wat wij vrouwen wensen. Foutloze, in duidelijk Nederlands gestelde voorschriften horen daar in ieder geval ook bij.

Maar goede vertalers zijn duur, en gebruiksaanwijzingen nogal saai om te vertalen. Je zou denken dat apparatenfabrikanten geweldig veel baat zouden hebben bij een automatische vertaler. En zij niet alleen: alle internationale bedrijven en organisaties zouden ermee geholpen zijn. Waarom is er dan nog steeds geen fatsoenlijke vertaalmachine op de markt?

Wie dat wil weten doet er verstandig aan het boekje De computer als vertaler van J.J. Schoorl eens te lezen. Daarin worden bijna alle problemen die de makers van vertaalprogramma’s op moeten lossen helder besproken.

Schoorl schept de rijstebrijberg waaruit taal met al zijn aspecten bestaat, netjes lepeltje voor lepeltje weg, echter zonder dat hij ons daarmee uitzicht geeft op een luilekkerland van vertaalmachines. Al die verschillende lepeltjes rijstebrij vormen namelijk weer nieuwe bergen of bergjes die alsnog weggewerkt zullen moeten worden. Alleen al het lezen hierover zal veel mensen hun eetlust ontnemen.

Tekstverwerker

Schoorl begint met duidelijk te maken hoe onterecht de benamingen tekstverwerker en spellingscorrector eigenlijk zijn. Een tekstverwerkingsprogramma kan niet meer dan rijtjes tekens (letters, cijfers, leestekens) en spaties onderscheiden. De volgorde van de tekens binnen die rijtjes, noch de volgorde van de rijtjes zelf ‘betekenen’ iets voor hem. Het verschuiven, verwisselen, invoegen of uitvegen van rijtjes tekens heeft alleen zin voor de gebruiker: hij is degene die ‘tekst verwerkt’, niet het programma.

Zelfs de Engelse naam wordprocessor belooft al teveel: de computer ziet geen enkel verschil tussen wat wij een woord noemen en een willekeurige letterreeks als lbrski.

Zo is er ook geen sprake van dat een met een ‘spellingscorrector’ uitgeruste ‘tekstverwerker’ ook werkelijk zou kunnen spellen. Tik ik bijvoorbeeld Ik wordt betaalt in dan volgt er geen melding dat ik iets verkeerd gedaan heb: ik, wordt en betaalt zijn alledrie bestaande Nederlandse vormen, dus staan ze alledrie in de alfabetische lijst waaruit de spellingscorrector feitelijk bestaat. Uit die lijst valt nooit op te maken dat wordt in dit geval zonder t gespeld hoort te worden, noch dat betaalt hier een voltooid deelwoord is, en dus op een d moet eindigen.

Pas als ik ik wrod betalad of iets dergelijks typ krijg ik een waarschuwing: die woorden kent mijn programma niet. De correctie mag ik vervolgens zelf uitvoeren.

Wat wijsheid

Hoe kun je zo’n dom log systeem nu wat wijsheid bijbrengen over woorden en verbanden tussen woorden onderling, zodat het teksten uit de ene taal om kan gaan zetten in een andere taal?

Daarvoor moet je het al die dingen die wij min of meer vanzelf weten precies vertellen. Zo’n spellingscorrector maakt daar een klein begin mee: die vertelt (althans in principe) welke letterreeksen wel en welke niet in een taal thuishoren. Aan die woorden kan vervolgens van alles toegevoegd worden, bijvoorbeeld wat voor sóórt woord het is.

Voor de vertaling van drukte maakt het alles uit of we met een vorm van het werkwoord drukken te doen hebben, of dat het om een zelfstandig naamwoord gaat. Uit in Hij uit zich moeilijk is iets anders dan uit in Het verhaal is uit, en dat is weer niet hetzelfde uit als in Hij komt uit China.

Vertel je de computer met welke woordsoort hij te maken heeft, dan kan hij ook op zijn ‘buitenlandse’ woordenlijst bij de juiste woordsoort gaan zoeken naar de juiste vertaling. De kans dat Het licht gaat uit er in het Frans als La legere va fini uitkomt wordt daarmee een stuk kleiner. Monikenwerk natuurlijk, om bij alle woorden nog allerlei extra’s toe te voegen.

Je zou dus kunnen proberen of je je computer niet wat algemene regels bij kunt brengen die hem in staat stellen zelf de woordsoort aan de vorm van het woord te herkennen.

Dat kan tot op zekere hoogte: een woord in het Nederlands dat op heid eindigt is bijna geheid een zelfstandig naamwoord (aardigheid, nieuwigheid, woestheid etc.), en een woord op –bare moet een bijvoeglijk naamwoord zijn (openbare, verkoopbare etc.). Het blijkt vrij goed mogelijk om een computer automatisch woorden te laten opdelen in voor- en achtervoegsels en stammen.

Maar daarmee kan hij ze nog niet vertalen. Weliswaar werken veel andere talen ook met voor- en achtervoegsels, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat ze dat ook bij dezelfde woorden doen. En zelfs als ze wel een samenstelling maken met behulp van een voor- of achtervoegsel, dan nog is er nauwelijkse enige voorspelling te doen over hoe dat woord eruit gaat zien.

Wie denkt dat onder- in het Engels under- wordt komt bij undertake voor ondernemen nog wel goed uit, maar zit met undertaker voor ondernemer al helemaal fout: een undertaker is alleen een begrafenisondernemer en ondernemer moet vertaald worden met entrepeneur. Een onderrok is een petticoat, een onderhoud een interview en Engelstaligen noemen hun onderarm forearm.

Het achtervoegsel -baar lijkt ongeveer hetzelfde te doen als able in het Engels, dacht u. Vergeet het maar. Bij eetbaar-eatable klopt het toevallig wel, maar bruikbaar wordt useful, ontelbaar countless en ontplofbaar explosive.

Enfin, zo gaat Schoorl nog een tijdje door. Met -heid, -lijk, uit- en on- is het al niet beter gesteld, en andersom, als je van Engels naar Nederlands wil vertalen gebeurt er natuurlijk precies hetzelfde.

Gewone samenstellingen zijn helemaal een komisch nummer. Stel je computer kan groente en man netjes in het Engels vertalen, dan kun je hem natuurlijk leren om van groenteman vegetableman te maken, alleen, zo’n man heet in Engeland greengrocer, en dat is weer geen groenkruidenier. En speelgoed wordt nooit playgoods, maar altijd toys. Een beroemde grap is ook dustsucker voor stofzuiger (moet zijn vacuum-cleaner of hoover), en de fraaiste die Schoorl geeft vind ik unthroughgroundily voor ondoorgrondelijk.

Maar de fabrikant van stofzuigers of wat dan ook zit natuurlijk niet te wachten op grappen in zijn gebruiksaanwijzingen, evenmin als de leden van het Europese Parlement komische notulen wensen. Al die samenstellingen zullen dus ‘met de hand’ ingevoerd moeten worden, en hetzelfde geldt voor uitdrukkingen: het is puur toeval dat Engelstaligen op het moment dat wij ‘de pijp uitgaan’ ‘de emmer schoppen’, dat moet een vertaalprogramma dus expliciet verteld worden.

Dit alles levert op zichzelf al een niet te overziene hoop moeilijkheden op, terwijl we het nog niet eens gehad hebben over woorden met meer dan een betekenis (bank is de bekendste) en dus vaak meer dan een vertaling.

Hier kan monikenwerk nauwelijks nog enige uitkomst brengen, omdat het probleem van ‘kennis van de wereld’ om de hoek komt kijken. In een zin waarin ouderlingen tijdens de dienst uit de bank vallen, weten wij mensen direct dat het wel om een kerkbank zal gaan. De juiste Engelse vertaling is in dat geval niet bench of iets dergelijks, maar pew.

Je kunt proberen om de computer enige ‘contextkennis’ te geven, door aan een woord als ouderling het kenmerk KERK vast te plakken, bijvoorbeeld.

Grammatica-regels

Treft je programma dat kenmerk in de buurt van bank aan, dan zal het kiezen voor de vertaling die ook KERK als kenmerk meedraagt. In dit geval zou dat pew moeten zijn. Waterdicht is een dergelijke aanpak natuurlijk nooit, ook een ouderling kan op een bankje in het park zitten. En daar komt bij dat het vrijwel ondoenlijk is bij alle woorden alle relevante kenmerken te geven.

Helemaal lastig wordt het een computer het verschil te laten begrijpen tussen Jan ging met zijn autootje naar zolder en Jan ging met zijn autootje naar Delft. In het Russisch bijvoorbeeld moeten die twee metten verschillend vertaald worden, maar er is verdomd veel kennis van de wereld nodig om te weten dat Jan in het eerste zinnetje zijn (speelgoed)autootje onder de arm neemt en de trap oploopt, terwijl de tweede Jan in zijn auto stapt om naar Delft te rijden.

Maar de computer moet niet alleen ‘het juiste woord’ zien te vinden, dat woord moet ook nog op ‘de juiste plaats’ komen te staan. Schoorl geeft een paar mooie voorbeelden van het ‘Stone-Coal English’ (zoals hij het noemt) dat het resultaat is van woord-voor-woord-vertalingen. Van die dingen als This book have many people even twice read in plaats van Many people have read this book even twice voor Dit boek hebben veel mensen zelfs tweemaal gelezen. Hier moeten grammatica-regels uitkomst bieden.

Schoorl boos

Ik weet niet wat voor persoonlijke frustraties Schoorl heeft opgelopen bij theoretisch taalkundigen, maar de hoge toon die hij ineens aanslaat zodra het over grammatica gaat is onbegrijpelijk.

Dat is bijzonder jammer, want de rest van zijn boekje is in een prettige en duidelijke stijl geschreven, en overal worden flinke hoeveelheden voorbeelden van gegeven. Dat houdt plotsklaps op als hij over theoretische grammatica begint. Het lijkt er nog het meeste op dat Schoorl boos is omdat taalkundigen nog niet alle volgorde-regels kennen die voor een goede vertaling onontbeerlijk zijn.

Dat is natuurlijk lastig, maar toch een wat vreemd verwijt. Zeker als vervolgens blijkt dat vrijwel alles wat vertaalprogramma-makers aan grammatica-regels gebruiken rechtstreeks uit de theoretische hoek komt. Schoorl gaat hier trouwens maar heel summier op in, en voortdurend blijkt dat hij onvoldoende thuis is in de theoretische linguistiek.

Die vreemde bozige toon ontsiert ook af en toe het tweede deel van zijn boek. Daarin schetst Schoorl kort een aantal lopende en beginnende vertaalprojecten in binnen- en buitenland.

Hoeveel zijn impressies, gebaseerd op literatuurstudie en korte bezoekjes, waard zijn weet ik niet. Hijzelf is ook nogal sceptisch over de resultaten die hij te zien kreeg. Geen enkel programma is in staat tot een goede vertaling zonder ‘hulp van buitenaf’.

Die hulp kan vooraf, tijdens of na de machinale vertaling geboden worden. In jargon heet dat pre-, inter- en post-editing. Pre-editing kan bestaan uit het simplificeren van de invoertekst (alleen woorden en constructies die het programma kent), bij inter-editing kan de computer tussentijds vragen stellen (bedoel je met bank een geldinstelling?) en bij post-editing verbetert iemand de uiteindelijk vertaling.

Schoorl geeft ruwweg een indicatie van de weg die de verschillende projecten proberen te bewandelen. Ook daar geeft hij weer de nodige uitleg bij, zodat ook mensen die alleen iets over pakweg Eurotra, Systran of Rosetta willen weten veel aan dit boek kunnen hebben.

 Wie kennis heeft genomen van het eerste deel van het boek zal overigens toch het nodige respect hebben voor de vertaalresultaten die sommige projecten weten te boeken. Maar, besluit Schoorl zijn boek: ‘de weg naar echte automatische vertalers is nog zo lang, dat van hieruit niet te zien is of hij eigenlijk niet doodloopt’.

“Intuïtief weten Limburgers wel dat ze een toontaal spreken”

In het Limburgs kan een woord van betekenis veranderen puur en alleen door de toon waarop het wordt uitgesproken. In een hele hoop andere talen trouwens ook. Ze heten toontalen. Ben Hermans verzamelde op een lange speurtocht, die hem over de hele wereld voerde, stukjes van de toontalenpuzzel. Zo bleek het in zijn moedertaal het Maasbrachts net zo te gaan als in het Servo-Kroatisch, dat inmiddels officieel niet meer mag bestaan. Het universele verband tussen toon en klemtoon.

Het Maasbrachts is zijn moedertaal. “Een vrij standaard Limburgs dialect” noemt hij het. Dr. Ben Hermans (1952) is groot geworden met ‘dat zangerige’ waaraan de rest van Nederland het Limburgs meteen herkent. En precies naar dat zangerige begon hij een speurtocht, die elf jaar zou duren en hem ondermeer zou voeren naar Litouwen en de kust van Kroatië. Zijn proefschrift, The composite nature of accent: with case studies of the Limburgian and Serbo-Croatian pitch accent, bevat een technische versie van zijn bevindingen onderweg. Maar Hermans wil het ook graag allemaal uitleggen in gewoon Nederlands.

Dat Nederlands is een van de vele vreemde talen die hij zich eigen maakte. “Op de middelbare school moest ik dat ineens gaan spreken”, vertelt hij. “Dat was moeilijk, maar je zit op dat moment met al je klasgenoten in hetzelfde schuitje. Pas toen ik in Amsterdam Slavische taal- en letterkunde ging studeren, bleek dat ik een gigantische achterstand had. Je merkt dat je je raar uitdrukt, en daardoor raak je in jezelf opgesloten. Dat was echt een probleem in het begin.”

Zo te horen is dat inmiddels al lang opgelost. Hermans pakte de zaak dan ook grondig aan. Hij ging — naast  Slavisch, waar Russisch zijn hoofdvak en Servo-Kroatisch zijn bijvak werden  —  zelfs Nederlands studeren. Na een kandidaats in beide vakken, volgde een doctoraal Algemene Taalwetenschap met als specialisatie fonologie (klankleer). Dat had alles te maken met het feit dat Hermans in het Servo-Kroatisch  iets had aangetroffen dat hij precies zo uit het Maasbrachts kende.

Hermans: “In het Limburgs kun je een verschil in betekenis tussen twee woorden krijgen door een verschil in toon. Alleen maar de toon. ‘Dat zangerige’ heeft daar veel mee te maken, ja. In het Nederlands bestaat het niet, maar in het Maasbrachts heb je bijvoorbeeld het woord eeder. Als je de lange ee daarin op een hoge toon begint uit te spreken en hem daarna omlaag laat gaan, dan betekent het ‘ieder’. Maar spreek je die ee gewoon op een en dezelfde toon uit dan betekent het ‘eerder’. Zo heb je ook bie. Spreek je die ie op één toon uit, dan bedoel je een ‘bij’, zo’n beestje. Maar begin je de ie hoog en laat je de toon daarna zakken, dan heb je het voorzetsel ‘bij’.”

Limburgers die je op het verschijnsel wijst, bezorg je volgens Hermans altijd een aha-erlebnis: “Intuïtief weten ze het wel, dus als je het zegt, roepen ze allemaal ‘verrek ja, inderdaad, dat doen we’.”

Voor wie er niet van kinds af aan mee opgegroeid is, valt het nadoen van die tonen niet echt mee, maar het verschil hóren is niet moeilijk. Op de wereld zijn er waarschijnlijk miljarden mensen die het met de paplepel hebben binnengekregen. Zij spreken van huis uit een toontaal, zoals de gangbare term luidt voor talen die met behulp van toonverschillen betekenisverschillen kunnen uitdrukken.

Het Chinees is het beroemdste, maar ook het Thai, dat uit een heel andere taalfamilie komt, het Vietnamees, de Mexicaanse Indianentalen, en een stel Afrikaanse talen, waaronder het Yoruba, zijn toontalen. Maar niet allemaal op dezelfde manier.       

Hermans: “Het Chinees heeft meer tonen. Daar hebben ze bijvoorbeeld ook nog een lage toon. Het Limburgs lijkt een deelverzameling van de mogelijkheden te hebben. En de Servo-Kroatische kustdialecten hebben precies dezelfde subset: maar twee verschillende tonen, en er is altijd maar één lettergreep waarin toon een rol speelt. Dat is altijd de lettergreep waarop de klemtoon valt. Dat is op zichzelf al bijzonder, maar er bleek in Europa nog een taal met dezelfde eigenschappen: het Litouws. Nou, historisch zijn die drie talen wat betreft die tonen absoluut niet aan elkaar verwant. In het Limburgs is het toonfenomeen in de 14e eeuw ontstaan, in het Litouws ook, en naar men zegt in het Servo-Kroatisch zo’n honderd jaar later, maar er was geen enkel contact tussen die talen onderling.”

Toeval? Voor Hermans was het een intrigerende puzzel. Hij wilde weten wat er achter zat. Hij kreeg de gelegenheid een onderzoeksproject te gaan doen aan de letterenfaculteit van de universiteit van Tilburg, waar hij nog steeds werkt. Hermans: “Als het waar is dat mensen al met een bepaald ‘apparaat’ aan taalkennis ter wereld komen, een soort blauwdruk die ingevuld moet worden, dan verwacht je dat er systeem zit in de verschillen tussen talen.”

”Van die hypothese ben ik uitgegaan. Eigenschappen hangen dan samen: als je dit hebt, heb je ook dat. Het een volgt uit het ander. Op die manier wordt het leerproces voor een kind gigantisch afgekort: als het een ding doorheeft, volgen daar automatisch een aantal andere dingen uit. Het leren wordt daarmee minder complex, en het gaat sneller.”

Keuzeschakelaartjes

Hermans’ uitgangspunt past in een traditie. Naar samenhangende clusters taaleigenschappen is al jarenlang een wereldwijde zoektocht gaande. Doel is erachter te komen welke principes gelden voor alle talen, en waar er sprake is van ‘keuzeschakelaartjes’, of parameters (spreek uit: parámuhters).

Neem bijvoorbeeld het Nederlands en het Italiaans. Wij moeten zeggen ‘hij praat’, terwijl de Italianen kunnen kiezen tussen ‘lui parla’ en alleen ‘parla’ (praat). In het Italiaans (maar ook in het Spaans en het Arabisch bijvoorbeeld) kun je het onderwerp laten vallen als het een persoonlijk voornaamwoord (of pronomen) is. Daarom heet het een pro-drop-taal. De onderwerpspositie mag kennelijk leeg blijven, wat je ook kunt zien bij werkwoorden als ‘lijken’ en ‘regenen’.

In het Nederlands (net als in het Frans, Duits, Engels et cetera) móet je zeggen ‘het lijkt of’, en ‘het regent’: ‘lijkt of’ en ‘regent’ is niks. Dat woordje ‘het’ (en soms ook ‘er’: ‘er lijkt iets te gebeuren’), vult de onderwerpspositie, die in niet-pro-droptalen nu eenmaal niet leeg mag blijven. In het Italiaans zeg je simpelweg ‘sembra’ (lijkt) en ‘piove’ (regent). Maar de pro-drop-parameter voorspelt nog een eigenschap: in een pro-droptaal mag je het onderwerp en het werkwoord omkeren. Italianen kunnen dus ook zeggen ‘parla lui’ (praat hij), en ‘cade la notte’ (valt de nacht). In het Nederlands wordt het dan een vraag, maar in het Italiaans hoeft dat niet.

Uitplussen wat met wat samenhangt is niet zo eenvoudig als het misschien lijkt. Hermans: “Het bleek heel erg complex. Om iets zinnigs te kunnen zeggen over die toonverschijnselen moest ik heel diep die talen in. Als je wilt weten welke stukjes van een puzzel bij elkaar horen, dan moet je overzicht over álle bestaande stukjes hebben. Want ga je ervan uit dat het geen toeval is dat drie talen dezelfde toonverschijnselen hebben, dan moet je op zoek gaan naar andere systematische overeenkomsten waarbinnen dat toonfenomeen past. Ik moest dus Litouws gaan leren om te kunnen kijken welke eigenschappen dat al dan niet gemeen heeft met het Limburgs en de Kroatische kustdialecten. En om te snappen waarom die talen maar een deel van de bestaande toonsystemen gebruiken, moest ik ook nog weten hoe het in de ‘klassieke’ toontalen als het Chinees werkt.”

Hermans zucht. “Ik had natuurlijk nooit aan dat project moeten beginnen”, zegt hij. “Het heeft elf jaar geduurd voor ik door had hoe het allemaal in elkaar zit. Dat kan tegenwoordig helemaal niet meer. Er wordt overal gekeken naar hoeveel je gepubliceerd hebt. Niet naar hoeveel werk daarin is gaan zitten. Prestaties worden afgemeten aan kwantiteit, en ik heb alleen dat ene proefschrift.”

In die elf jaar is er overigens meer veranderd. Het Servo-Kroatisch, dat ook in de titel van het proefschrift te vinden is, bestaat niet meer. Dat is nu Servisch en Kroatisch. Of niet? Hermans: “Dat is een heel delicate kwestie. Als je het mij persoonlijk vraagt dan zeg ik dat het rabiate oorlogszuchtige onzin is. Je kunt het heel goed vergelijken met het Vlaams en het Nederlands. Is dat dezelfde taal? Ik zou  zeggen van wel. Aan een Vlaamse nieuwslezer hoor je wel meteen dat het een Belg is, maar op misschien een enkel vreemd woord na, versta je voor honderd  procent wat er gezegd wordt. Andersom verstaan de Vlamingen ook de Nederlandse nieuwslezer.

“Exact dezelfde situatie heb je met de nieuwslezer uit Zagreb en die uit Belgrado. Er zijn zelfs nog minder woordvolgordeverschillen dan tussen het Nederlands en het Vlaams.”

“Maar net als hier spreken de nieuwslezers de standaardtaal van de elite. Aan de kust, en op het platteland praten de mensen anders. Die verschillen worden nu juist naar voren gehaald, benadrukt, en zo druppelen ze naar boven. Van overheidswege proberen ze dat kunstmatig op te leggen. Dat kun je hiermee vergelijken: het is alsof iedereen in Vlaanderen meer gaat praten zoals iemand in Brugge, en heel Nederland probeert te klinken als een Amsterdammer. En iedereen móet zich daarbij aansluiten. Ik betwijfel of zo’n artificiële toestand werkt, maar misschien is er over twintig jaar inderdaad een groot verschil tussen het Servisch en het Kroatisch.”

Misschien een idee voor de Kroaten: proberen van het hele Kroatisch de toontaal te maken die het aan de kust al is. Het standaard-Kroatisch heeft in elk geval de eigenschap die uiteindelijk cruciaal bleek te zijn voor het type toontaalverschijnselen dat je in het Limburgs, Litouws en de Kroatische kustdialecten vindt.

Hermans: “Het heeft alles te maken met klemtoon. Talen verschillen in wáár binnen een woord de klemtoon kan vallen. Er zijn twee typen. In de ene groep, waar het Frans bijvoorbeeld bij hoort, ligt de klemtoon altijd aan het eind van het woord, wat je ook doet. Maar in de andere talen, waaronder het Nederlands, is er een relatie tussen de structuur van het woord en de klemtoon. Het ligt eraan uit welke stukjes je een woord opbouwt. Maak je van ‘kolónie’ ‘koloniáál of van ‘verlákken’ ‘verlakkeríj’ dan schuift de klemtoon naar achteren. Maar bij een achtervoegsel als ‘achtig’ of ‘aar’ verandert er niets aan de klemtoon: ‘schááp’ wordt ‘scháápachtig’, ‘bóemel’ wordt ‘bóemelaar’.”

Alle drie de toontalen die Hermans onderzocht, horen tot hetzelfde type als het Nederlands als het gaat om klemtoon. Voeg daarbij dat de toonverschillen alleen maar bleken voor te komen in beklemtoonde lettergrepen, en je hebt een verband. Hermans’ conclusie: “Het lijkt erop dat het systeem dat klemtoon laat afhangen van de opbouw van een woord, desastreus is voor toon. Want alle lettergrepen die buiten de klemtoon vallen, zijn ontoegankelijk voor dat toonfenomeen.”

Hermans voorspelde dat bij alle toontalen, of ze nu maar een deel van de mogelijke tonen hebben of niet, de toonverschillen uitsluitend optreden in de lettergreep die de klemtoon heeft. Hij keek er een hele ris toontalen op na, en bleek gelijk te hebben. “Ik denk dat dat dus een universeel verschijnsel is”, zegt hij.

Ook kon er nu een verklaring gezocht worden voor de verschillen tussen de ‘beperkte’ toontalen als het Limburgs en de ‘echte’ zoals het Chinees. Hermans’ puzzel paste: het Chinees en al die andere ‘echte’ toontalen hebben het andere klemtoonsysteem, dat niet afhangt van de woordstructuur. Ook verschillen binnen het Chinees passen in het plaatje.

Want eigenlijk bestaat ‘het Chinees’ niet. In China wordt een heel stel verwante talen of dialecten gesproken. Het Kantonees-Chinees bijvoorbeeld, lijkt meer op het Limburgs dan het Mandarijn- of het Shanghai-Chinees. In Kanton hebben ze niet alle toonverschillen van het Mandarijn- en Shanghai-Chinees, en tegelijk wél hetzelfde type klemtoonsysteem als het Limburgs. Hermans: “Je kunt het ook binnen de talen aan het werk zien. Maak je in het Maasbrachts van ‘íeder’ ‘iederéén’, dan valt het toonfenomeen weg. ‘Eeder’ in ‘eederéin’ klinkt niet als ‘ieder’, maar als ‘eerder’.”

Het Limburgs voerde Hermans over de hele wereld, en gaf hem inzicht in een universeel verschijnsel. Hij zegt het jammer te vinden dat in Nederland niet meer mensen dialecten gebruiken om soortgelijk onderzoek te doen. “Meestal wordt er gekeken naar dialectverlies”, zegt hij. “In welke wijk verdwijnt het ’t eerst, en dan blijkt dat bijvoorbeeld de wijk met dokters en professoren te zijn. Maar er wordt zelden met een analytisch oog gekeken naar wát er nou precies verdwijnt.”

Hermans heeft nu in elk geval voor het nageslacht het ‘toontalige’ van het Limburgs vastgelegd. Mochten er nieuwe toontalen of -dialecten opduiken dan zal blijken of zijn hypotheses standhouden. Wie voortaan een toontaal wil onderzoeken heeft met Hermans’ proefschrift een stevig uitgangspunt in handen. Anders dan Hermans weet hij bij voorbaat al waar te beginnen: gewoon kijken of de toonverschillen inderdaad alleen voorkomen in beklemtoonde lettergrepen, en dan even uitzoeken welk van de twee klemtoonsystemen de taal in kwestie heeft. Opgeloste puzzels zijn zo prettig overzichtelijk.

Noot: Dit interview verscheen in 1994 in NRC Handelsblad. Het staat ook in Het Vermogen te Verlangen (9letters), Gesprekken over taal en het menselijk brein. Online gezet ter ere van Hermans’ pensioen.

Een analfabeet meisje

MOHAMMED BENZAKOUR

Yemma, Stilleven van een Marokkaanse moeder

De Geus, 220 blz., € 18,95

‘Dood zonder sterven’ noemt hij het ergens. De moeder van schrijver en dichter Mohammed Benzakour krijgt na een relatief simpele operatie een beroerte, waarna haar hele rechterkant verlamd raakt en ze niet meer kan praten. Over het jaar in een verpleegtehuis dat volgt heeft Benzakour het boek Yemma (moeder in het Marokkaans) geschreven. In korte hoofdstukjes, soms van maar een alinea, geeft hij een vlijmscherp en knap portret van alle gevechten die hij als zoon levert, en van de moeder die hij eens had, en die ze nu is.

Even liefdevol als genadeloos zijn z’n beschrijvingen. Hij ziet zijn moeder zitten met een afgegleden hoofddoek en noteert:  ‘een dronken smurf in een rolstoel’. Ontredderd veegt hij de plas op van de altijd onberispelijke, propere vrouw  van wie hij in 39 jaar nog ‘geen wuft windje’ bemerkt had. Een ‘brok dood vlees’ is haar rechterhand die ooit, nog in Marokko, Benzakours leven redde door een grote adder boven zijn bedje weg te slaan. Met haar goede hand blijft ze moeder. Die hand streelt soms zijn hoofd of trekt de zoom van zijn jas recht.

Maar met hem praten kan ze niet. Het is nogal schokkend om te lezen hoe die afasie wordt aangepakt. Of beter: niet wordt aangepakt. Op de een of andere manier dringt maar slecht door in de gezondheidszorg dat hersenfuncties de meeste kans hebben te herstellen als je snel veel gaat oefenen en uitproberen. Benzakours moeder moet het voor haar taalproblemen doen met een half uur logopedie per week. In het Nederlands, met woorden lezen en abstracte plaatjes en puzzels.

Maar ze is nu eenmaal de prototypische eerstegeneratie-migrant: haar Nederlands stelt weinig voor, ze kan niet lezen, en kwam nauwelijks ooit de deur uit. Haar hele bestaan leunt op een rotsvast geloof in Allah. En alles wat die voorschrijft. Zo rilt ze van folders van de kiloknaller en heeft ze waarschijnlijk nooit iemand een sigaret zien opsteken. Benzakour beziet haar ‘slaafsheid aan Gods geboden’ met ergernis en vertedering.

En hij probeert het in te zetten, want hij heeft intussen begrepen dat rijtjes, rijmpjes en liedjes en dergelijke die je eindeloos herhaald hebt de spraak soms weer op gang kunnen helpen. Zijn moeder heeft honderdduizenden keren koranverzen opgezegd. Kunnen we daar geen gebruik van maken, vraagt hij aan een afasie-expert, met wie hij een gesprek geregeld heeft.  “Sorry, maar ik ga mij niet verdiepen in de islam”, is haar reactie. Alsof dat de vraag was.

Onwil, onbegrip, ze zitten danig in de weg. Eerder heeft het Benzakour al twee maanden gekost de pictogrammen op het rolstoelblad voor eten, slapen en dergelijke te laten vervangen door foto’s. De abstracte tekeningen zijn domweg te abstract voor zijn moeder, zag hij meteen.

Benzakour vecht voor haar, en botst daarbij soms hard met het systeem. Hij dramt als het moet of maakt ruzie. Ook steelt hij (de wel drinkbare) koffie uit de dokterskamer, en komt ver na bezoektijd zijn moeder de bos bloemen van een optreden brengen – net als vroeger. Hij doet middagdutjes in wat later de rouwkamer blijkt te zijn, en hij neemt zijn moeder maandenlang mee de kelder in, waar hij  haar zelfgemaakte linzensoep, ansjovis in tomaat en niertjes geeft.  Want in de kantine mag dat niet. Maar ze eet tenminste weer met smaak. Het boek is hier en daar ronduit hilarisch. Gelukkig heeft zijn moeder haar lachlust niet helemaal verloren. Hij dolt als het even kan met haar, neemt haar mee naar buiten, plaagt haar, en zij reageert als een meisje: giechelig, vrolijk. 

Intussen is het voor Benzakour, die afwisselend met de rest van de familie hele middagen doorbrengt bij zijn moeder, een afmattend jaar. Het eindigt als ze eindelijk naar een nieuwe, aangepaste flat kan.

Er zijn nogal wat scènes die blijven nadrenzen in je hoofd. De voetenwassing bijvoorbeeld. Op een dag trekt Benzakour zijn moeders schoen en sokje uit, en komt hem een stank tegemoet ‘nog ranziger dan een oude schimmelkaasloods’. Het teiltje smerigheid dat Benzakour met boenen en pulken vervolgens produceert, besluit hij toch maar door de wc te spoelen, in plaats van het achter te laten bij de zusterspost. Beeldend schrijven kan hij.

Aan de ene kant is hij als schrijver natuurlijk vanzelf ver afgedwaald van zijn analfabete moeder, maar nu hoopt hij haar juist weer een stem te geven met zijn boek, zegt hij. Dat lukt. En misschien reikt het nog verder. Want en passant toont hij hoe levendig het leven geleefd wordt achter de voordeuren en onder de hoofddoeken van de eerste generatie migranten, die nu oud en ziek wordt. Benzakour doet dat via zijn yemma’s vermogen om filmisch, met ‘haast proustiaanse details’ te vertellen over alles wat ze in haar leven heeft meegemaakt. Je voelt mee met zijn verdriet niet meer bij die sprankelende herinneringen in haar hoofd te kunnen.

Wat een prachtig verschrikkelijk boek.

Noot: De eindredactie schrapte het laatste zinnetje.

De groene ideeën worden volwassen

Wat heeft dertig jaar generatieve grammatica inmiddels opgeleverd? Om te beginnen veel nieuwe gegevens, nieuwe inzichten én een wereldwijd onderzoeksplan voor de grammatica van alle talen. Daarnaast, als bijverschijnsel, nu al tien jaar lang de GLOW-conferentie.

GLOW staat voor ‘Generative Linguistics in the Old World’, ofwel: generatieve taalkunde in de oude wereld. Wat begon met een klein kringetje taalkundigen rond Chomsky in de ‘nieuwe wereld’ breidde zich steeds verder uit.

Het verwijt uit de beginjaren dat de generatieve taaltheorie alleen op gegevens uit het Engels gebaseerd was gaat dan ook allang niet meer op. Op het GLOW-congres dat vorige maand in Venetië gehouden werd, zei een van de onderzoekers van het eerste uur, Prof. Richard Kayne daarover in de wandelgangen: “Het is eigenlijk een beetje een ironische ontwikkeling. Voor de komst van generatieve grammatica was er een sterke traditie om allerlei buitenissige talen te onderzoeken. Mensen wiens moedertaal het niet was probeerden bijvoorbeeld regels voor allerlei Indianentalen op te stellen. Pas daarna kwam het inzicht dat de kennis die je van je eigen moedertaal hebt enorme diepgang heeft en dikwijls ook heel subtiel is.”

Kennis en kennis blijkt twee. Het is keer op keer een vreemde sensatie om je eigen kennis te observeren en tot de conclusie te komen dat je van alles ‘doet’ zonder dat je het weet. Zo zijn er verhoudingsgewijs bijzonder weinig Nederlanders die zich realiseren dat ze in iedere hoofdzin het hoofdwerkwoord op de tweede plaats zetten. Daarbij moet overigens wel bedacht worden dat ‘de tweede plaats’ niet altijd hetzelfde is als ‘het tweede woord’.

Iedere zin kan in stukjes gehakt worden, of, omgekeerd kun je ook zeggen dat iedere zin uit stukjes opgebouwd wordt. Als men u vraagt in een eenvoudig zinnetje als De kleine Robert smeet de jampot uit het raam de bij elkaar horende woorden aan te geven, dan zult u dat eerder zo doen: De kleine Robert – smeet – de jampot – uit het raam dan zo: De – kleine Robert – smeet de jampot – uit het – raam.

Stukjes bij elkaar horende woorden heten in de taalkunde constituenten en om erachter te komen of iets echt een constituent is, kunt u de volgende vuistregel gebruiken: constituenten mogen meestal alleen in hun geheel naar een andere plaats in de zin, en ze kunnen in hun geheel door iets anders vervangen worden. Zo kan de kleine Robert heel goed veranderd worden in hij, en kunnen we de jampot rustig vooraan de zin zetten: De jampot – smeet – hij – uit het raam. In dat geval krijgt de jampot alleen meer nadruk.

Meteen ziet u hier de regel werken die zegt dat het werkwoord op de tweede plaats hoort, De jampot – hij – smeet – uit het raam is geen goede Nederlandse zin. De enige uitzondering hierop zijn vragen: in Smeet – hij – de jampot – uit het raam? moet het werkwoord op de eerste positie staan.

Die posities spelen een cruciale rol in taalbouwsels. Ze vormen als het ware het skelet van de zin en daarmee bieden ze de mogelijkheid om iets over zinnen in het algemeen te zeggen, zoals daarnet over de plaats van het werkwoord in Nederlandse hoofdzinnen. Een voorbeeld uit een andere taal zou de positie van het onderwerp in Engelse zinnen kunnen zijn: dat komt, in tegenstelling tot het Nederlands, altijd voor het werkwoord. Out of the window – he – threw – the jam-jar wordt het in het Engels, en nooit Out of the window – threw – he – the jam-jar.

Deleren

Het verband tussen verschillende soorten zinnen onderling kan ook aan de hand van posities beschreven worden. Vooral in het begin gebeurde dat in de generatieve taalkunde met alle soorten en maten transformaties.

Het idee van een transformatie is niet moeilijk te begrijpen: men ging ervan uit dat alle zinnen die iets met elkaar te maken hebben, – zoals gewone bevestigende en vraagzinnen, en actieve en passieve zinnen – uit elkaar werden afgeleid. Een bevestigende zin kun je transformeren, dat wil zeggen ombouwen, tot een vragende, en van een actieve zin kun je een passieve maken. De transformatie die de jampot straks voorop zette heet topicalisatie (je zet het ‘topic’ van gesprek vooraan), en werd aldus weergegeven:

Hij – smeet – de jampot – uit het raam

De jampot – hij – smeet – uit het raam

De derde positie (de jampot) wordt leeggehaald en vooraan gezet, maar ondertussen moet nu een andere transformatie ervoor zorgen dat het werkwoord weer op de tweede plaats komt.

Echt problematisch wordt het bij de passief-transformatie. Maken we van Els slaat Kees, Kees wordt door Els geslagen dan hebben we ineens een nieuw woord wordt en een nieuw woord door. Bovendien: door Els mag ook wegblijven: Kees wordt geslagen is ook een goede passieve zin.

Als naar eigen believen dingen ingevoegd of weggestreept mogen worden, dan zijn transformaties niet meer dan ‘een constatering op een andere manier opschrijven’. Dat kan wel inzichtgevend zijn, maar als taaltheorie is zo’n aanpak niet geschikt.

Een goede taaltheorie moet niet alleen achteraf vertellen welke zinnen goed zijn en welke niet, maar hij moet dat ook kunnen voorspellen voor nieuwe zinnen. Pas dan weet je echt hoe dat zinnen-bouwen in zijn werk gaat.

Een eerste vereiste is daarbij in ieder geval dat alle elementen waaruit een zin wordt opgebouwd terug te vinden zijn. Dat betekent dat er geen posities ‘bijgemaakt’ mogen worden door een transformatie en ook dat er geen mogen verdwijnen.

Dat wegstrepen heet in jargon ‘deleren’ en het laatste woord daarover is in 1976 gezegd in een artikel in een taalkundig tijdschrift. Dat artikel heette ‘niet terug te vinden deletie’ en bestond uitsluitend uit een lege pagina.

Met transformaties is men dus inmiddels wat voorzichtiger geworden. De wildgroei en de willekeur zijn uit de theorie gekapt, en daar waar nog wel met transformaties wordt gewerkt, moeten andere onderdelen uit de grammatica er als het ware om ‘vragen’. Zo komt een vraagwoord in het Nederlands (en in nog een heel stel talen meer ook) vooraan de zin te staan, omdat het een soort vlaggetje met zich meedraagt waarop ‘ik ben een vraagwoord’ staat.

Het idee is namelijk dat een zinnetje als Wat eet jij? afgeleid wordt van Jij eet wat. Wat vervult hier de rol van het lijdend voorwerp, en het lijdend voorwerp staat in principe niet op de eerste positie van de zin.

Vanwege de ‘terugvindbaarheid’ gaat men ervan uit dat het in eerste instantie op zijn gewone plek, achter in de zin, staat en daarna naar voren geplaatst wordt. Op de oorspronkelijke plaats blijft dan een ‘spoortje’ achter dat er onder andere voor zorgt dat die plek niet door iets anders wordt ingenomen. Zo kun je verklaren dat Wat eet jij een appel? uitgesloten is. (Behalve als uitroep natuurlijk, met een komma achter wat.) En ook hier moet het werkwoord iedere keer op de tweede plaats gezet worden, zoals u ziet.

Die transformaties moet u niet al te letterlijk nemen overigens. Dat is in de beginjaren nog wel eens gebeurd door enthousiaste psychologen die dachten dat we alles al wisten. Die gingen dan testen of het maken en begrijpen van een zin met veel transformaties meer tijd kostte dan een zin zonder transformaties. Dat bleek natuurlijk niet het geval te zijn.

Ook het beperkte aantal transformaties waar nu nog vanuit wordt gegaan (samengevat onder de futuristisch aandoende naam move alpha) is voornamelijk bedoeld als een in- en overzichtelijk beschrijvingsmodel. Je kunt nooit weten of mensen op precies dezelfde manier zinnen bouwen als het model dat je ervan gemaakt hebt, want nog steeds heeft niemand een luikje in zijn hoofd waardoor we naar binnen kunnen kijken.

Voorlopig zou het al fantastisch zijn als er een compleet model bestond dat alle goede zinnen kan maken.

Zover zijn we natuurlijk nog niet. Na dertig jaar zijn nog lang niet alle relevante taalfeiten beschreven en onderzocht. Wel zijn er sinds het idee van de ‘terugvindbaarheid’ van posities belangrijke stappen in de richting van een echte theorie gezet. Het vergelijken van de grammatica’s van heel verschillende talen speelt daar een grote rol bij.

Kayne zegt daarover het volgende: “Je ziet dat onze kennis geweldig gegroeid is. Dat komt voor een deel omdat er nu veel meer taalkundigen uit veel meer landen zijn. Want aan moedertaalsprekers alleen heb je niet genoeg. Linguïsten kunnen elkaar uitleggen waarnaar ze op zoek zijn, en op een zeker abstractieniveau over de feiten praten. Bovendien is de theorie nu zover dat we een bruikbaar instrumentarium hebben om mee te werken.”

De basis is gelegd. Kayne bespeurt een tendens bij taalkundigen om steeds meer talen tegelijk te bekijken. Doordat er een steeds fijnmaziger netwerk van kennis beschikbaar is, kan dat ook. Via de literatuur en congressen als GLOW kan men elkaar daarbij in de gaten houden.

Gevolg is wel dat Fransen en Italianen in hun lezingen op GLOW ook het Nederlands en het Duits erbij betrekken. Het zou me eigenlijk niet verbazen als meer buitenlanders dan Nederlanders iets interessants kunnen vertellen over de positie van het werkwoord in het Nederlands.

Het onderwerp van het tiende GLOW-congres was overigens ‘de structuur van constituenten’. Dat lijkt bijna een symbolische keus. Het ontstaan van GLOW valt ongeveer samen met de eerste revolutionaire ideeën over constituentstructuren die gemaakt hebben dat de taalkunde eindelijk het predikaat ‘wetenschappelijk’ begint te verdienen.

Dat idee heeft de naam X-bar meegekregen. Het is aantrekkelijk en elegant, en houdt ongeveer het volgende in: alle constituenten worden in principe op dezelfde manier opgebouwd. Ze hebben allemaal een ‘kern’ of een ‘hoofd’ uit een van de vier grote woordcategorieën: namen en zelfstandige naamwoorden (afgekort tot N), werkwoorden (V), bijvoeglijke of bijwoordelijke naamwoorden (A), en voor- of achterzetsels (P).

Rondom die kern kunnen verschillende dingen staan, die samen een constituent vormen. Maar binnen een constituent kan ook weer een nieuwe constituent beginnen. Zo is ‘de man’ een naamwoordelijke constituent (‘man’ is het hoofd), maar ‘de man van de vrouw’ ook.

Binnen de naamwoordelijke constituent valt ook nog een voorzetsel-constituent: ‘van de vrouw’, en daarin zit weer een nieuwe naamwoordelijke constituent, namelijk ‘de vrouw’.

Ook een werkwoordelijke constituent, zoals ‘at’ in ‘Jan at’ kan nog een naamwoordelijke constituent ‘in zich hebben’: ‘at een appel’. Uiteindelijk bouw je zo een zin op. Omdat je binnen constituenten altijd weer nieuwe constituenten beginnen bestaat ‘de langste zin’ ook niet en zijn de variatiemogelijkheden letterlijk eindeloos. Met andere woorden: taal is recursief en dat zit hem hierin.

Zeggingskracht

Daarmee is de kous natuurlijk niet af. Talen verschillen in de manier waarop ze hun constituenten opbouwen. Om een simpel voorbeeld te geven: in de Germaanse talen zoals het Nederlands staan de bijvoeglijke naamwoorden meestal voor een zelfstandig naamwoord (‘een fantastisch huis’), in de Romaanse talen zoals het Italiaans, komen ze er meestal achteraan (‘una casa favolosa’)

In de afgelopen tien jaar is het ook mogelijk geworden om te werken met wat Kayne ‘een nieuw soort bewijs voor een hypothese’ noemt: het blijkt dat er een samenhang tussen verschillende eigenschappen van talen bestaat.

Hebben ze eigenschap A dan kun je er donder op zeggen dat ze eigenschap B, C, en D ook hebben, maar E, F en G juist niet. Die ‘clusters’ eigenschappen maken dat er een theorie met veel meer zeggingskracht ontstaat. Taalkundigen kunnen bij het opstellen van hun hypothesen ‘bewijsmateriaal’ uit andere talen halen, en ook voorspellingen doen.

Een opvallende conclusie na dertig jaar generatieve taalkunde is in ieder geval dat er veel meer komt kijken bij het maken van zinnen dan men ooit gedacht had. Zo langzamerhand is duidelijk dat het complete organisatieschema voor een enkele zin, waarin allerlei hiërarchieën en afhankelijkheden op elkaar inspelen, nauwelijks onderdoet voor het organisatieschema van een middelgroot bedrijf.

“Onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek”

Hij is nummer zeven uit tien kinderen, zijn wetenschappelijke hartstocht is te begrijpen hoe we spreken, en privé kan hij niet zonder muziek. Met prof.dr. W.J.M. Levelt heeft de Akademie een president die het speciaal opneemt voor vrouwen, en die kan vertellen dat we twee keer zo snel denken als we spreken.

“Ik heb slechts nieuws voor je”, sprak hij eerder dit jaar tegen zijn zoon, “ik word je werkgever.” Christiaan Levelt, neurobioloog bij het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut begreep het meteen: “Echt waar, word je president van de Akademie?” riep hij enthousiast uit. Het was echt waar, en sinds 1 mei is het ook een feit: na bijna een kwart eeuw KNAW-lid geweest te zijn zonder in die organisatie ooit maar een bestuursfunctie te bekleden, is prof. Pim Levelt begonnen aan een driejarige termijn als president.

Langer zal het ook niet worden. Levelt: “Ik ben nu 63, en je mag niet ouder zijn dan 65 bij het begin van je ambtsperiode. Daarna heb ik dan nog een jaar op mijn instituut.” Zijn instituut, een onderwerp dat steeds terug zal blijken te keren tijdens het gesprek in de statige bestuurskamer in het Amsterdamse Trippenhuis, waar Levelts laptopje bijna detoneert. Al sinds de oprichting in 1980 is Levelt – van huis uit psycholoog en zelf gespecialiseerd in hoe spreken in zijn werk gaat – directeur van het Max Planck Instituut voor psycholinguïstiek in Nijmegen. Het is van een van de weinige buiten Duitsland gevestigde instituten van de Max Planck Gesellschaft, dat je op zijn beurt weer als een van de Duitse wetenschapsacademies kunt zien. 

Levelts ervaringen bij ‘Max Planck’, zoals hij het in de wandeling noemt, komen hem nu al van pas. “Ik weet wat een instituut is, ik snap dat”, zegt hij bijvoorbeeld. Dat onderdeel van zijn nieuwe functie heeft hij meteen voortvarend ter hand genomen. Nog voor zijn aantreden is hij bij alle veertien Akademie-instituten, inclusief dat waar zijn zoon werkt,  kennis gaan maken.

Vrijer

Levelt: “Je bent op dat moment nog wat vrijer in je gesprek. Ik ben ook overal open ontvangen. Het is me heel goed bevallen.” Hij kijkt erbij of hij er inderdaad plezier aan beleefd heeft, en gaat verder: “Ik kan niet voorkomen dat ik voortdurend die organisaties met elkaar vergelijk. En dat leidt dan tot… gedachten, ideeën. Dit zal denk ik het minst moeilijke deel van mijn functie zijn om greep op te krijgen.”

In het feit dat zijn eigen instituut – waar met behulp van uiteenlopende technieken talloze experimenten gedaan worden die inzicht moeten geven in hoe we taal leren, produceren en verwerken – bij uitstek interdisciplinair is, ziet Levelt ook aanknopingspunten: “Ik heb hier bij de Akademie te maken met die twee clusters: levenswetenschappen en geesteswetenschappen. Daartussen is echt sprake van een cultuurverschil. Ik ken dat, bij het Max Planck Gesellschaft moet ik ook verantwoording afleggen aan zowel de Biologisch-Medizinische sectie als aan de Geisteswissenschaftliche.”

Bij de twee Akademieafdelingen Natuurkunde en Letterkunde is er weinig plaats voor leden die werkzaam zijn op een gebied dat put uit verschillende vakken. Een rechtstreeks gevolg van het coöptatiesysteem. Levelt:  “Op een gegeven moment wordt iemand emeritus, en dan wordt er gezocht naar een nieuw lid op ongeveer hetzelfde terrein. Zo mis je op den duur nieuwe ontwikkelingen. Er is wel wat beleidsruimte bij beide afdelingen voor sectie-overstijgende leden, maar het is weinig, en bij de afdeling Letterkunde is hij gewoon veel te klein.”

Mooi en trendy

“Overigens vind ik interdisciplinariteit niet op zichzelf nastrevenswaardig. Het klinkt gauw mooi en trendy, maar wanneer je de basisdisciplines niet voor de volle honderd procent beheerst dan heb je er nog niks aan. Maar er zijn wel veel vakken zo ontstaan, zoals de biofysica, en natuurlijk de psycholinguïstiek. Soms groeit er een nieuwe wetenschap uit, en soms worden vakken tot elkaar gereduceerd, maar feit is dat belangrijke problemen vaak onoplosbaar blijven wanneer je niet van verschillende disciplines gebruik maakt.”

Zoals de vraag hoe de ‘kennisverwerkende mens’ in elkaar zit. Het zeer breed en sterk groeiende onderzoeksgebied dat de koepelterm ‘cognitiewetenschap’ gekregen heeft, is er zo een waarvoor in de KNAW op dit moment in feite geen ruimte is. “Er is geen sectie, geen adviesraad, helemaal niets”, zegt Levelt. Terwijl het terrein floreert en zo belangrijk is. Levelt loopt er helemaal warm voor: “Hoe doe je kennis op, hoe geef je het door, hoe transformeer je het, kun je er bestanden in een machine van maken? Dat is allemaal hoogst actueel. Het is een heel conglomeraat aan wetenschappen dat in onze kennismaatschappij niet weggedacht kan worden.”

Eenzijdig menu

“Er moeten secties en adviesraden bij komen in die multidisciplinaire hoeken. Ook over informatica wordt gesproken.” Dat zou ook gevolgen hebben voor de ontmoetingsfunctie van de Akademie, waarvan Levelt zegt: “Dat is het enige aspect dat ik al kende. Ik heb het altijd enig gevonden, en nog. Ik heb al die jaren natuurlijk wel een beetje een eenzijdig menu gehad bij de afdeling Letterkunde. Iedereen gaat toch zijn vaste gangetje naar bijeenkomsten en lezingen van zijn eigen afdeling. Ik verheug me erop om voortaan bij de vergaderingen van alletwee de afdelingen en hun besturen te zitten.”

Levelt voorziet niet veel problemen op dit vlak. Rest nog de adviesfunctie van de Akademie. “Dat is nieuw voor me, dat moet ik leren”, zegt hij. “Het betekent leren opereren met gemeenschappelijke belangen. En die liggen altijd wel ergens. Of het nu om de VSNU, of om NWO, of het ministerie of wat dan ook gaat. Soms zijn overeenkomsten makkelijk te vinden, soms concludeer je: daar spelen heel andere overwegingen een rol. En dan is er maar een beperkte coalitie mogelijk. Persoonlijke contacten zijn in elk geval heel belangrijk. Wat dat betreft komt het heel goed uit dat degenen aan het hoofd van de VSNU en NWO en ik elkaar al lang kennen. En ik heb het gevoel dat iedereen zonder geheime agenda’s werkt.”

Verwaarlozing

Ondertussen strooit Levelt overigens al lustig rond met adviezen. In zijn rede, in een hele reeks interviews, en ook nu weer wordt hij bijvoorbeeld niet moe te wijzen op de verwaarlozing van talent in de wetenschappelijke wereld. Zoals oudere onderzoekers die zo bedolven raken onder bureaucratie dat ze aan onderzoeken niet meer toekomen, en vrouwen die afhaken omdat er geen goed beleid gevoerd wordt.

Over die laatste groep maakt hij zich bijzonder druk. Levelt: “Het is treurig gesteld met het vrouwenbestand, en je komt er niet vanaf met zeggen: het is nu eenmaal overal zo. Dat is namelijk niet waar. Je hebt hier nog steeds niet meer dan vijf procent vrouwelijke hoogleraren. In Frankrijk heb je er iets van drie keer zoveel, in Duitsland twee keer. Ik heb wel eens horen zeggen dat dat te maken heeft met de oorlog, toen in Frankrijk en Duitsland de vrouwen de economie veel meer hebben overgenomen dan in Nederland.”

Privémiddelen

Er is zeker iets aan te doen, denkt Levelt. Hij vertelt weer over het Max Planck Instituut, waar op kleine schaal vrouwen als ze dat willen drie jaar kunnen thuisblijven nadat ze een kind hebben gekregen. Hun baan blijft bestaan, en het gevolg is dat ze behouden blijven voor de wetenschap, en vaak ook tijdens die periode bijvoorbeeld een dag in de week wel degelijk doorwerken en zo bijblijven. Maar iets dergelijks overal invoeren gaat niet een-twee-drie. Levelt: “Max Planck heeft privémiddelen. De wettelijke regeling staat het niet toe het zo te doen. Maar zo’n experiment kan wel een voorbeeldfunctie hebben.”

Net zoals de ene vrouw een voorbeeldfunctie voor de andere kan hebben. “Mijn ervaring bij Max Planck is dat vrouwen vaak niet verder gaan als er geen uitdager is”, vertelt Levelt. “Er moet een begeleider zijn die zegt: je bent echt goed, en godverdorie, dóe dat onderzoek nou. Die persoonlijke benadering is belangrijk. Blijkbaar hebben vrouwen niet genoeg gehoord dat ze goed zijn. En er zijn ook echt vrouwelijke hoogleraren nodig als rolmodel voor het jongere niveau.”

Het is bijna een ouderwets gesprek. Blijkbaar veranderen de dingen maar langzaam, ook al ziet Levelt wel enige verbetering, zelfs in het aantal vrouwelijke Akademieleden. En de tijd dat het een hoge uitzondering was dat een vrouw natuurkunde ging studeren, zoals zijn moeder aan het begin van twintigste eeuw deed, is echt voorbij. Levelt is nummer zeven van tien kinderen. “Een goed katholiek gezin, ja”, lacht hij, “dat kun je ook al zien aan de hoeveelheid voorletters die ik heb.”

Dat zijn moeder haar vak nooit beoefend heeft na haar trouwen hoeft geen verbazing te wekken. Levelt: “Maar het was voor mij heel gewoon om mijn moeder als ik iets niet snapte mijn wiskundeboek onder de neus te houden terwijl ze in de soep stond te roeren of iets dergelijks. Dat dat bijzonder is realiseer je je pas later.” Zijn vader was scheikundige, en heel wat kinderen zijn in de wetenschap terechtgekomen. Net zoals er van Levelts eigen drie kinderen nu twee onderzoeker zijn.

Levelt groeide dus niet op met het idee dat wetenschap iets raars of verwegs was. Werd er thuis aan de eettafel met regelmaat over gepraat? Hij lacht: “Ik herinner me vooral lawaai. Het was schreeuwen dus dat we deden.”  We praten toch even door over praten, het onderwerp dat Levelt al heel lang met hartstocht bestudeert. Hij heeft er altijd intrigerende feiten over paraat: dat we twee à drie woorden per seconde uitspreken, maar dat dat in een heftig gesprek wel op kan lopen tot zeven. Dat we zo’n honderd spieren en spiertjes gebruiken als we praten. En nog gaat het te langzaam.

Dat zou je althans op kunnen maken uit recente metingen. Heel veel van wat er in de psycholinguïstiek wordt gedaan, draait om het meten van reactietijden, waarvoor de technieken in de loop van de tijd zeer verfijnd zijn. En inmiddels kun je behalve wannéér desgewenst ook nog zien waar in iemands hoofd er iets gebeurt. Terugkerend element is het benoemen van plaatjes.

Snelle geest

Levelt: “Ik onderzoek hoe snel je een woord produceert. Normaal, als je iemand een plaatje van bijvoorbeeld een boom laat zien, duurt het zo’n zevenhonderd milliseconden voor hij begint dat woord uit te spreken. Dat heb je dus nodig om een woord te vinden en ook de bijbehorende vorm ‘klaar te zetten’. Maar je kunt dat ook storen, lastiger maken. Door bijvoorbeeld tegelijk met het laten zien van die afbeelding het woord ‘boot’ te laten horen, of ‘kast’. Het blijkt dat ‘boom’ zeggen sneller gaat als je ze ‘boot’ laat horen dan als je ze ‘kast’ laat horen. Met andere woorden: de productie wordt beïnvloed door de perceptie. We weten nu kwantitatief hoe dat zit, maar hoe het precies in zijn werk gaat, en hoe perceptie en productie samenhangen is nog een andere vraag.”

Om daar weer iets meer van te snappen wordt er op het instituut ook gekeken naar de ‘monitoring functie’. Levelt legt uit: “Je luistert altijd naar jezelf. En als er iets fout gaat in je overte spraak kun je heel snel stoppen en corrigeren. Maar je hebt ook je interne spraak. Die vertelt je wat er fout zou zijn geweest als je wat er al ‘klaarstond’ gezegd had. Het verschil kun je horen aan het verschil tussen ‘Nu ga je rechts, eh.. links af’ en ‘Nu ga je ..eh, links af’. Ook dat blijk je te kunnen beïnvloeden. Je kunt het externe kanaal uitzetten, door iemands oren te vullen met ruis, zodat hij zichzelf niet meer hoort praten. Dat geeft een ander type correcties dan wanneer je andere soorten dingen laat horen.”

“Nu doen we ook experimenten met interne spraak waarbij we echt naar binnen kijken. We meten hoe snel iemand reageert als we een plaatje laten zien. En het blijkt dat dat ongeveer twee keer zo snel gaat als overte spraak. Hoe snel we ook kunnen praten, onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek. De geest is snel, het vlees is zwak, zou je dat kunnen samenvatten. Daarom lees je ook veel sneller dan je kunt praten. En opgenomen spraak kun je met een factor vier inkrimpen. Ruw gezegd: als je de frequentie hetzelfde laat, en elke vierde periode eruit gooit, dan nog kun je wat je overhoudt prima verstaan.”

Er zijn nog meer intrigerende projecten. Bijvoorbeeld eentje over het produceren van vaste uitdrukkingen (idioom en vaste woordcombinaties), die misschien wel de helft van onze woordenschat uitmaken, en het onderdeel vormen dat je in een vreemde taal nou nooit goed onder de knie krijgt.

Maar we moeten ook nog over Levelts andere hartstocht praten: muziek. Daarin is hij een amateur, zegt hij, maar wel een die thuis een groot orgel en een kleine concertzaal heeft. Dat zijn vrouw musicus is, is daar natuurlijk ook debet aan. Zelf speelt Levelt vanaf zijn jeugd fluit, en sinds een jaar of vijftien traverso, een barokfluit waar hij lyrisch over is. “Alle klassieke barokmuziek is daarvoor gemaakt, tot Schubert aan toe”, verklaart hij. “En een moderne fluit, zo’n brutaal, luid instrument, naast een klavecimbel, dat kán echt niet in de intieme ambiance van kamermuziek.”

Genieten doet hij overigens ook van de verbanden tussen die muziek en zijn vak. “Het is veel retorica”, zegt hij. “Kenmerkend voor  barokmuziek is dat het allemaal vraag-antwoordspelletjes zijn. Het gaat om de kunst van het overtuigen, en dat is natuurlijk heel oud, gaat nog verder terug dan Aristoteles. Versterkingen, pauzes, ervoor zorgen dat je de emotie oproept bij de ander, maar hem als speler niet zelf hebt,  het zijn overtuigingsmiddelen die je in heel oude geschriften al kunt lezen.”

Wie hem de komende drie jaar tegenkomt is dus gewaarschuwd: Levelt kent zijn klassieken, ook al is hij een HBS’er. Zoals ook blijkt uit wat hij tot slot nog even zegt: “Ik wil als Akademie-president vooral niet de suggestie wekken dat ik  alles weet. Ik moet juist een kennismakelaar zijn: zorgen dat ik de aanwezige kennis aanspreek en organiseer. En er zijn ook veel dingen waar ik niks over vind.”

 

HBC van het Nederlands

Opperlans! Taal- & letterkunde, door Battus, Querido, ZZ pagina’s, 2002.

De pagina’s hebben geen nummers, maar letters, daar begint het al mee. Je kunt Opperlans! Taal- & letterkunde dus van ‘aa’ via ‘ab’, ‘ac’ en zo verder tot en met ‘zz’ lezen, maar dat mag niet van de schrijver. Die wil, zegt hij in zijn voorwoord, dat we een hele eeuw lang gaan surfen door zijn waanzinnige en briljante verzameling taalinzichten en taalflauwekul.

Was ik Hugo Brandt Corstius dan zou ik u nu wijsmaken dat ik toch elk van de 688 een voor een door mij getelde bladzijden van linksboven tot rechtsonder gespeld heb, en dat niets me ontgaan is. Ik zou nog wat berekeningen hebben losgelaten op het materiaal en minstens een nieuwe letterwet ontdekt hebben en dat alles zou ik met grote stelligheid gebracht hebben.

Maar ik ben ’m niet. Battus, Piet Grijs, Talisman, Stoker en nog een handjevol zijn ’m allemaal wel. Dat Battus, van oudsher Brandt Corstius’ taalpseudoniem, als auteur op het omslag van Opperlans! staat is in feite willekeur. Nog meer dan in de eerste editie van eenentwintig jaar geleden komen in dit standaardwerk over ‘het Nederlands met vakantie’ alle zielen die in Brandt Corstius’ borst leven bij elkaar: de taalkundige, de wiskundige, de computerman, de columnist, de fanaticus, de docent, de onderzoeker, de verstoppertje-speler, de uitdager, de leugenaar, de pestkop, de vrouw, het kind.

De mix die zij opleveren lijkt nergens op. Opperlans! is een volstrekt uniek en uiterst origineel werk waar geen greintje gemakzucht in zit. Dat alleen al plaatst het op eenzame hoogte, ver boven de kast vol taalboeken en –boekjes die verschenen is tussen de eerste en de tweede editie.

In die tussentijd is er ook een nieuwe generatie opgegroeid, die, ontdekte ik laatst, deels helemaal nooit van de bestseller Opperlandse taal- en letterkunde gehoord heeft. Voordeel is dan weer dat ze meteen kunnen wennen aan de d-loze nieuwe naam ‘Opperlans’. Volgens de auteur, die ook de bedenker van het begrip is, heeft de d er nooit in gezeten. Hij zit ook niet in ‘Nederlands’, want je hoort hem niet, vandaar dat hele stoeten beroemde schrijvers uit de geschiedenis al ‘Nederlans’ of ‘Neerlans’ schreven, en trouwens, W.F. Hermans stuurde indertijd meteen een briefje waarin hij repte van ‘Opperlanse taal- en letterkunde’. Of wij lezers het soms beter willen weten dan al die grootheden?

Ja, ik wel. Want de mooie parallellie met ‘Nederlands’ is nu minder mooi. En parallellieën, spiegelingen, verwisselingen vormen nou net het hart van het Opperlands. Voor wie het nog niet wist of vergat nog even het uitgangspunt: het Opperlands is, ander dan het gewone Nederlands, puur voor de lol. Kruiswoordpuzzels of cryptogrammen oplossen hoort er niet toe, maar verder kan zo’n beetje elk spelen met woorden en letters tot deze taal gerekend worden. De vorm is dus bijzonder belangrijk.

Naast gloednieuwe zijn er onder de Opperlandse genres ook een aardig aantal oude klassiekers te vinden. Anagrammen bijvoorbeeld: woorden of zinnen die als je de letters herschikt andere, ook mogelijke woorden of zinnen opleveren. Je hebt relatief simpele, als ‘als’ en ‘las’ en ‘sla’ en ‘Sal’, maar Opperlans! biedt ze in alle soorten en maten, keurig gerangschikt, in indrukwekkende hoeveelheden. ‘Beeldroman’ en ‘bordeelman’ zijn anagrammen, maar van diezelfde letters kun je nóg dertien woorden maken.

Na de anagrammen komen de alliteraties, overbekend uit de meeste poëzie, maar in het Opperlands wordt er iets anders mee gedaan. Zo is er een alfabet van ‘alliteratalen’, dat begint met ‘Adriaan articuleert Afrikaans adembenemend’, een zin die meteen duidelijk maakte dat de in het boek steeds terugkerende claim dat betekenis er niet toe doet in het Opperlands een aperte leugen is. Ook kennis van de wereld voegt veel toe, want als je niet weet dat Adriaan van Dis Afrikaans spreekt is de eerste alliterataal veel minder aardig, en wie Hugo Brandt Corstius (laten we hem verder HBC noemen) nooit hoorde spreken zal niet grinniken om de H: ‘Hugo hakkelt Hollands hortend’.

Dan zijn er natuurlijk de palindromen: woorden of zinnen die je twee kanten uit kunt lezen. ‘Parterretrap’ en ‘Mooie zeden in Ede, zei oom’ zijn waarschijnlijk de beroemdste. Die staan er uiteraard in, maar ook hier wordt het echte effect pas bereikt door de overvloed en alle varianten. Voor HBC is het palindroom overigens een vorm van zijn bredere categorie ‘symmys’, tevens de titel van een van zijn boeken, waarvan het materiaal – net als dat uit nog een paar andere bibliofiele werkjes – in dit overzichtswerk veel beter tot zijn recht komt.

Bij het symmetrieënonderdeel is goed te zien dat het Opperlands vaak tot absolute gedrochten van het Nederlands leidt. Wat moet een mens met een medeling als ‘Reik ’n po maar door een rood raam, op ’n kier’, of: ‘“Feit is: opa moet kikkerdrek” kikte oma positief.’? Maar zet honderd van die waanzindingen achter elkaar, en het wordt een merkwaardig, op de lachspieren werkend kunstwerk. Waarin zich overigens ook juweeltjes verscholen houden als ‘Oud duo’, ‘Gadsi, ’t is dag’ en ‘Ai de massamedia!’.

Wederom: zonder betekenis mis je een hoop lol. Maar dat HBC zo hamert op het onbelangrijke daarvan komt door zijn volstrekt particuliere zeer vergaande voorkeur voor rijtjes woorden waar in vormopzicht iets mee is of iets mee gedaan is. Zo veel mogelijk klinkers wil hij zien, en dan ook nog in alle volgordes, wat voor ‘iaeou’ ‘dialectfout’ oplevert, en voor ‘iuoea’ onder meer ‘virtuozenbal’, maar alle andere permutaties hebben ook hun eigen opsomming gekregen. Woorden met medeklinkerstapelingen (‘angstschreeuw’ kent u, maar ‘welgemutstschrijvende’ vast nog niet), woorden waarbij je een letter een, twee, drie plaatsen kunt laten verspringen, waarna je weer een woord hebt. Woorden waar je begin en eind van kunt omwisselen, woorden…

Waanzin is het, en veel te veel. Absoluut gekkenwerk, vooral als je bedenkt dat HBC al fanatiek verzamelde en verzon voordat de computer echt wat kon, en al helemaal voor er cd-rommetjes uitkwamen met woordenboeken. Het getel en gehussel zijn ook voor het grootste deel zijn eigen bedenksels, en het slaat inderdaad helemaal nergens op. HBC zoekt orde en regelmaat daar waar uitsluitend het toeval heerst.

Zelf vind ik dat een geslaagder procédé wanneer er ook betekenis en dubbele bodems aan te pas komen. Een van mijn favorieten is nog altijd de ‘wet van wit en wat’ waarin is vastgelegd hoe klinkerwisselingen in woorden systematisch betekenisverschillen opleveren. Wat waar is bij ‘zit, zat, zet’ en ‘drink, drank, drenk’, trekt hij door naar bijvoorbeeld ‘zin, zan, zen’.

Maar ook de categorie kinderachtig Opperlands kan niet zonder betekenis. Het verhaal van de dokters Ank en Ugs waarin ook Dr. Oplul, Dr. Oogrekje en Ir. Onie figureren blijft nergens zonder.

En we zouden geen ‘basaltwoorden’ bezitten, woorden met een interne tegenstelling (bas-alt). Zoals ‘duffel’ en ‘klapzoen’ en het drievoudige ‘stopgaren’. Als u wel eens cryptogrammen doet, doorziet u ze meteen. Veel van het genoegen dat aan Opperlans! te beleven valt lijkt erg op het oplossen van een geslaagd cryptogram. Dat brengt ook een mengeling teweeg van gestreelde ijdelheid (ha! ik heb ’m door, ben slim genoeg) en oprechte bewondering (goh, wat goed bedacht!).

Want HBC houdt zijn lezer altijd bij de les. In alles wat hij schrijft, in welke hoedanigheid ook, legt hij hetzelfde aplomb aan de dag, dezelfde tegenspraak-heeft-geen-zintoon. En nooit kun je erop vertrouwen dat alles klopt wat hij zegt. Je moet je eigen hersens meenemen en niet te goedgelovig zijn. Niet toevallig beginnen een heleboel stukken in het boek met ‘Ik hou ervan mijn studenten voor de gek te houden’. In werkelijkheid houdt HBC het liefst de hele wereld voor de gek, maar hij wil ook graag betrapt worden, doorzien.

En wat hij beweert, is zelden complete onzin. Alleen verstopt hij dikwijls wat hij echt wil zeggen achter een grap of in een volledig ontsporende glasheldere redenering. Opperlans! bevat stiekem stapels kritiek op woordenboekenmakers, op de Algemene Nederlandse Spraakkunst, op de politiek. Maar HBC geeft er zijn eigen draai aan.

Neem de volgende typerende passage. Aanleiding is het door de nieuwe spelling verdwijnen van de klinkerstapelingen in kraaie-, ooie- en papegaaieëieren. In de vorige editie bestonden ze nog, maar: “Een bende gemene taalkundigen, gesteund door corrupte politici heeft toen een vuile streek uitgehaald. Ze hebben verordonneerd dat eieren voortaan neieren genoemd moesten worden.” Daar moet ik iedere keer dat ik eraan denk hardop om lachen.

Het boek zit ook vol slimme observaties over taal en spelling. Bij de uitleg van ’t kofschip staan massa’s voorbeelden die niet kloppen met ’t kofschip, zijn tien taalkundige regels van het Nederlands zijn allemaal in tegenspraak met zichzelf, ook al geloven taalkundigen er heilig in. Opperlans! geeft bestaande termen en verzonnen taal- en literatuurtermen, HBC doet wat hem belieft, en vertelt zelden wat wat is. Maar vindt hij het verschil tussen verbuigingen en vervoegingen gekunsteld, waar iets voor te zeggen is, dan munt hij de term ‘verboeging’, die hij vervolgens illustreert met een briljant maar onzinnig betoog over meervouden van naamwoorden en van werkwoorden.

Dat zijn de dingen waar ik mateloos van kan genieten, maar een ander smult vast meer van de paragrammen (er zijn te veel typen ‘gram’ om op te noemen) in Het Bureau, of een pagina synoniemen van ‘ja’, of nieuwe betekenisomschrijvingen van oude woorden (iris: schietgat voor als blikken konden doden), of de ook verrukkelijke ‘xenogrammen’, Opperlands met buitenlands erin.

Meer dan in de vorige editie lopen taal- en letterkunde in deze door elkaar, al beweert de schrijver de taalkunde apart te hebben gezet. Het geeft niets, het meeste is ook zo ofwel goed te volgen, of na uitleg nog niet te snappen. Er staat ook meer ‘letterkunde’ van de hand van HBC zelf in, wat niet wil zeggen dat Stip, John O’Mill, Scheepmaker, Matsier of de onovertroffen Piet Burger ontbreken. Afscheid moeten we in dit boek nemen van HBC’s alter ego drs. G. van Buuren. De gravin is toch nog onverwachts gestorven, maar haar bijdragen zijn te herkennen aan de wij-vorm waarin ze geschreven zijn.

Ook nog kritiek? Wel, aan het eind van dit stuk gekomen kan ik u uit ruime ervaring vertellen dat dingen terugvinden in Opperlans! een hels, schier onmogelijk karwei is. Gelukkig hoeft u dat niet. En u hoeft het ook niet van begin tot eind uit te lezen, zoals ik deed. U kunt dit monument voor het Nederlands én voor de geniale en gekke geest van Hugo Brandt Corstius nuttigen zoals de schrijver het bedoeld heeft: een minuscuul hapje hier, zes stevige slokken daar, lekker lang kauwen op zus, en iets anders meteen doorspoelen. Het maakt niet uit, en wat nu niet smaakt doet het misschien morgen of over tien jaar wel. Koop Opperlans!. Dit is het ultieme HBC-boek. Het is ontzagwekkend. 

NOOT: De redactie van Vrij Nederland vond een koopadvies te ver gaan, en maakte van het slot van het stuk dit: “(…) morgen of over tien jaar wel. Opperlans! is daarom het ultieme HBC-boek.”

De vergeefse pretenties van taalpuristen

Onze Taal! Zestig jaar strijd en liefde voor het Nederlands door Jaap de Jong en Peter Burger 223 blz. geïll., SDU 1991, f 29,90 ISBN 90 12 06888 6

‘Een slipje van de sluier’. Een opmerkelijke collectie taalkronkels verzameld door Het Genootschap Onze Taal samenstelling Liesbeth Gijsbers 111 blz., geïll., M & P 1991, f 14,90 ISBN 90 6590 5 13 8

Zelf vind ik Onze Taal! Zestig jaar strijd en liefde voor het Nederlands een nuttig boek. Nu ik het heb gelezen, weet ik eindelijk precies waarom me altijd een zekere wrevel bekruipt wanneer ik een nummer van het maandblad Onze Taal opensla. Mijn akeligste vermoedens bleken waar. De hele opzet van het blad wringt en stinkt. En zijn geschiedenis doet dat in nog sterkere mate.

Maar ik moet op mijn woorden passen. U, lezer van NRC Handelsblad, vormt de grootste groep abonnees (dat zijn er thans zo’n 30.000). Wat zoekt u daar?

Ik denk dat ik het wel weet: steun. In de vorm van normen en vooral ook in de vorm van zielsverwanten. Anderen die zich net zoveel zorgen maken over onze taal. Mensen die ook gruwen en benauwd zijn. De meeste belangstelling voor taal is tot mijn verdriet nog steeds gebaseerd op angst. Op twee angsten zelfs: dat dingen die altijd fout waren of die niet bestonden ineens goed worden, én de nog wijder verspreide vrees dat je zelf niet weet hoe het hoort. Onze Taal is vanaf het eerste uur gegrondvest geweest op exact die angsten. Altijd heeft het blad uitspraken gedaan over wat goed en wat fout Nederlands was.

In 1931 werd het Genootschap Onze Taal opgericht om de strijd aan te binden met zulke volstrekt foute woorden als ‘meemaken’, ‘voltreffer’, ‘ingreep’, ‘minstens’, ‘voorwoord’, ‘stekker’, ‘rauwkost’, ‘benutten’, ‘lustmoord’ en ‘ontoerekeningsvatbaar’.

Die strijd is uitgelopen op een vernietigende nederlaag. Hooguit een enkeling die begin jaren dertig al volwassen was, zal zich herinneren dat deze woorden germanismen genoemd werden en daarom verwerpelijk waren.  Germanismen hebben inmiddels plaatsgemaakt voor anglicismen. En opnieuw vechten veel leden van het genootschap tegen de bierkaai. Die bierkaai is in de praktijk niets anders dan ‘ouder worden’.

BELAZEREN

Bijna iedereen heeft er last van de wereld die hij als kind leerde kennen niet hetzelfde blijft. Heimwee naar die periode waarin niets erop wijst dat het ooit anders zal worden, maakt van sommigen een purist of een ingezondenbrievenschrijver. Voor hen is de veranderende taal exemplarisch voor de veranderende wereld. Niet dat ze het zelf zo zien: zij zien de taal ‘verloederen’.

Des te kwalijker dat het Genootschap Onze Taal er inmiddels toe overgegaan is zijn leden openlijk te belazeren.

Zestig jaar terug was het een clubje dilettanten, die uitsluitend onderling van gedachten wilden wisselen over de taal, zo stelden de oprichters letterlijk. Taalkundigen waren alleen te vinden in de ‘Raad van Deskundigen’ die volgens het genootschap door iedere Nederlander als het gezag erkend kon en moest worden (formulering met cursivering uit 1936) als het ging om de vraag wat goed Nederlands was.

Van het begin af aan waren het de taalkundigen die regelmatig ‘ho’ riepen tegen de germanismenhaat van de leden. Maar de ‘deskundigen’ mochten zich niet bemoeien met de koers van het genootschap.

Dat is nu al een hele tijd anders. Sinds 1952 bestaat de redactie van het blad Onze Taal uit neerlandici.  En die hebben er in de laatste tientallen jaren nog heel wat inzichten bij gekregen. Zoveel dat redacteur Erik van der Spek in 1990 het volgende zei: “Wat levert dit alles ons op? In ieder  geval de constatering dat er geen uiteindelijk houvast is in de discussies over goed en fout taalgebruik.”

Duidelijke taal. Het citaat is gewoon te vinden in het hier besproken boek van Onze Taal-medewerkers Jaap de Jong en Peter Burger. Zij halen ook Liesbeth Gijsbers aan, redacteur en medewerkster bij de Taaladviesdienst waartoe bange en onzekere taalgebruikers zich kunnen wenden. Gijsbers zegt: “De Taaladviesdienst gebruikt de statistische norm wel, maar meestal niet openlijk, omdat veel vragenstellers dat niet accepteren.”

Met ‘de statische norm’ wordt bedoeld: als nu maar genoeg Nederlanders zinnetjes gebruiken als ‘alle leden worden verzocht de stukken te bestuderen’ dan wordt dat vanzelf normaal, dus goed Nederlands. De boodschap van Gijsbers luidt: het volk wil bedrogen worden, dus bedrieg ik het.

Dat is wat er wringt bij dit genootschap. De leek wil normen, duidelijkheid, zekerheid, en de specialist weet dat die niet echt bestaan. In plaats van het volk voor te lichten en inzicht te geven in wat de waarde en kracht van allerlei normen zijn, doen de medewerkers van Onze Taal als dat zo uitkomt graag of ze de waarheid in pacht hebben.

Het is altijd aardig voor een autoriteit aangezien te worden natuurlijk. Maar die autoriteit bestaat er alleen uit dat de redacteuren niet delen in de angsten van de gemiddelde lezer. Dus durven ze te zeggen: doe het maar zo.

‘SLAGROOM’

Want zij weten dat de taal toch zijn eigen gang gaat, dat je hoog of laag kunt springen, maar dat allerlei woorden en manieren van zeggen die nu raar of fout gevonden worden over vijfentwintig jaar net zo gewoon als zijn als ‘slagroom’ (ooit een germanisme!) nu.

Ze weten ook dat niet te voorspellen valt welke dingen het zullen halen en welke niet. En dat waarschuwen of verbieden niet helpt. Hoe vaak is er niet gewezen op het anglicisme ‘controleren’? In een paar jaar tijd is ‘controleren’ in de betekenis van ‘beheersen’ of ‘gaan over’ standaard-nederlands geworden dat dagelijks in het journaal te beluisteren valt (“De Serviërs controleren het gebied rond…”).

Erg? Tja, hoe erg je het ook vindt, het heeft geen enkele zin je er tegen te verzetten, want het is verspilde moeite.

Maar is het uiteindelijk geen goede deal dan? Onze Taal geeft tenslotte een soort therapeutische hulp. Door de kolommen open te stellen voor iedereen die onzeker is of zich ergert, formeert het blad zelfhulpgroepen, een slachtoffervereniging. Niets troost zozeer als de wetenschap dat je niet de enige bent. Wie onzeker is, kan bovendien zijn twijfels inleveren bij de Taaladviesdienst. Die kijkt in een paar woordenboeken en hakt de knoop door. De verantwoordelijkheid bij een ander leggen is vaak buitengewoon rustgevend en heilzaam voor de psyche. En zo zijn alle partijen tevreden.

Natuurlijk moet Onze Taal blijven bestaan voor degenen die er behoefte aan hebben. Het blad heeft echter niet zoveel om op te bogen, en het boek over zijn geschiedenis maakt dat pijnlijk duidelijk. Al die ‘strijd en liefde voor het Nederlands’ hebben niets opgeleverd. Ja, een wonderlijke borstklopperige geschiedenis annex zelfgenoegzame bloemlezing waarin zelfs trots vermeld wordt dat Onze Taal nog steeds een overwegend braaf blad is. 

Braaf én opportunistisch zou ik het noemen. En het is zeker niet wat het ‘Woord vooraf’ meldt: ‘een uniek tijdschrift: het enige in Nederland waarin deskundig maar leesbaar over alle uithoeken van de taal geschreven wordt”.

Ik wou dat er zo’n blad bestond. Wie de geschiedenis doorleest, ziet dat er vrijwel niets veranderd is in zestig jaar.

Alle uithoeken van de taal? Nog steeds gaat het voornamelijk over nieuwe woorden, over spellings- en andere goed-foutkwesties. Nooit is er sprake geweest van echte verbreding of verdieping. De enige verbetering in al die jaren is het toelaten van luchtige onderwerpen geweest, de aandacht voor de speelse kant van taal.

De redactie mag in zijn handen knijpen dat zwaar getalenteerde tekstdichters als Ivo de Wijs, Drs. P., Jaap Bakker (van het Rijmwoordenboek) en Pieter Nieuwint hun beste krachten aan Onze Taal hebben willen geven. Zij zorgden onder meer voor prachtige series over alle geheimen van het rijmen. Gelukkig is daarvan ook iets terug te vinden in Onze Taal! Zestig jaar strijd.

VERGISSINGEN EN FOUTEN

Luchtig zijn ook de malapropismen, verhaspelde woorden en uitdrukkingen. Genoemd naar Mrs. Malaprop, een toneelfiguur uit de achttiende eeuw. Die had niet doorgeleerd maar wilde wel geleerd doen en gooide dientengevolge al pratend van alles door elkaar.

Malapropismen zijn ongemeen populair bij de Onze Taal-lezer. Zakken vol knipsels en uit de mond opgetekende vergissingen en fouten moet de redactie ontvangen hebben. Dat leverde een gemakkelijk te vullen rubriekje op vol met zinnetjes over gulden die ‘defileren’, in plaats van devalueren, over ‘geleislaven’, ‘juriscorrespondentie’ en ‘eucharisma’, over ‘frigidaire vrouwen’, ‘op eigen benen wonen’ en ‘met de rug aangekeken worden’.

Afwijkingen en fouten zijn de basis voor vrijwel alles waarom we moeten lachen. Daarom zijn malapropismen grappig. Als je de fout ziet tenminste.

Maar de meeste grappen verliezen hun kracht als je ze nog eens vertelt. Onze Taal heeft tegelijk met zijn geschiedenis een boekje uitgebracht met maar liefst 700 van die door lezers verzamelde malapropismen. Onder de titel Een slipje van de sluier. Binnen drie bladzijden wordt dat stomvervelend.

Het is een typisch Onze Taal-boekje. Het gaat van begin tot eind over fout taalgebruik, en het staat bol van de pretenties.

Vergissingen en versprekingen zijn smakelijk voer voor psycholinguïsten. Maar die zullen met de rubricering van samenstelster Liesbeth Gijsbers niet erg uit de voeten kunnen. Ja, je hebt vergissingen die een lettergreep langer zijn dan het goede woord, je hebt er ook die een lettergreep korter zijn. en soms is het ‘bijna goed’, of de structuur is anders, maar de betekenis hetzelfde, of andersom. Enzovoort.

Maar wat zegt dat dan over de organisatie van ons mentale woordenboek? Daar is veel meer van bekend dan je uit dit boek zou opmaken.  Maar de redactie van Onze Taal is nooit zo dol geweest op het inzichtelijk maken van theorieën en onderzoeksresultaten uit de taalkunde.

Een slipje van de sluier is dus gewoon het zoveelste semi-wetenschappelijke taalboekje om cadeau te doen aan mensen bij wie je echt niet weet wat je ze anders zou moeten geven.

Seks hebben

Het is allemaal de schuld van Clinton. Of, nou ja, het komt door dat gedoe met die processen. Dat meisje Lewinsky* heeft volgens mij de genadeklap gegeven, en nou komen we er niet meer vanaf: voortaan moeten we het in Nederland over ‘seks hebben’ hebben. Het begon ermee dat ineens elke journalist zich afvroeg of Bill Clinton nou wel of geen seks had gehad in z’n achterkantoortje, maar al snel bleek dit type activiteit een grote vlucht genomen te hebben.

Een politieagent werd veroordeeld omdat hij seks had met een suïcidale vrouw, las ik in de krant, en scholieren gebruiken hun vakantie dikwijls voor het hebben van onveilige seks. En iedere keer als ik het lees of hoor, voel ik weerzin. Ik vind deze leenvertaling uit het Engels, want dat is het, onverteerbaar.

Maar dat vind ik tegelijkertijd grote flauwekul van mezelf. Er is niks tegen leenvertalingen. Tranentrekker (van tearjerker) bijvoorbeeld, is in mijn ogen bepaald een aanwinst. Harde schijf, dubbeldekker, streepjescode en haalbaarheidsonderzoek, allemaal uit het Engels vertaald en zo geleend. Prima woorden. Maar met ‘seks hebben’ wringt er iets. Het past niet helemaal in het Nederlandse systeem.

Aan de losse woorden kan het niet liggen: ‘seks’ is niks nieuws, dat hebben we volgens Van Dales Etymologisch Woordenboek al rond 1950 overgenomen, en ‘hebben’ is een van de frequentste Nederlandse woorden. Toch kun je in het Engels veel meer ‘hebben’ dan in het Nederlands. Weliswaar hebben wij honger, dorst, zin, pijn, angst, en nog zo wat, terwijl de Engelstaligen ‘hongerig’ of ‘in pijn’ zijn.

Maar in het Engels héb je weer lunch, koffie, diner, een snack, nou ja, alle etens- en drinkwaren. En je hebt seks. ‘Have’ is als het ware consumptiever dan ‘hebben’. Het consumptieve ‘hebben’ gebruiken wij in het Nederlands alleen bij een paar woorden als lol en plezier.

Dat sluit dan mooi aan bij ‘seks hebben’, zult u zeggen. Maar er wringt nog iets anders. De criminele contexten waarbinnen we deze zegswijze hebben leren kennen, maken hem niet aantrekkelijker, maar ook de associatie met de verwrongen manier waarop Amerikanen tegen seks aankijken bezorgt me mijn gevoel van afkeer.

Voor Amerikanen is seks al heel snel vies, voos en vunzig. Uit alle Amerikaanse films, series, comedy’s, soaps en talkshows waarmee we in Nederland overvoerd worden, spreekt angst voor seks. Het is een enge, eigenlijk oncontroleerbare drift. Dat leidt tot moeizame verhoudingen tussen de seksen, tot dat rare dating-circuit, auto-achterbankengefoezel, obsessies en stiekem gedoe. En in filmscènes natuurlijk tot het beroemde krankzinnige gedrapeer van, in en met lakens.

Ik ben misschien een beetje bang dat die Amerikaanse blik op seks besmettelijk is. Seks is toch al bezig een verdacht artikel te worden. Het lijkt wel of alles wat je erover in de media tegenkomt, gaat over de een of andere vorm van misbruik, en dat woord misbruik devalueert bovendien in rap tempo. Eén kneep in je billen, of één vrijpartij die achteraf toch niet zo verstandig was, en je bent getekend voor het leven. Dat is zo’n beetje de tendens aan het worden, en het bevalt me niks. Voor je het weet, praat je dat mensen nog aan ook.

Al die dingen kleven voor mij ‘seks hebben’ aan. Maar helaas moet ik deze uitdrukking een grootse toekomst voorspellen. Hij vult namelijk een gat in de taal. Op twee manieren. Seks is van oudsher taboe, en dus zo’n onderwerp waar we twee typen woorden voor hebben: platte en verhullende. De eufemismen kun je onderverdelen in oubolligheden als ‘gemeenschap’ of ‘het doen’, medische/Latijnse termen zoals ‘coïtus’, en woorden met een nogal diffuse, maar wel vriendelijke betekenis (vrijen, naar bed gaan). Allemaal niet erg geschikt voor modern mediagebruik.

Daarnaast lijkt ‘seks hebben’ een uitdrukking te worden met een echte eigen betekenis, een verzamelterm die we nog niet hadden: ofwel het gaat om orale seks (alweer zo’n leenvertaling, geloof ik), of om handmatige bevrediging van de ander, ofwel om echte penetratie. En het kan ook een combinatie uit die drie zijn. Alleen geknuffel, gezoen en geaai vallen er zeker niet onder. Enfin, gelukkig is het alleen een mediawoord. Tenminste, het lijkt mij sterk dat er in de huiskamer tegenwoordig gezegd wordt “Zullen we even lekker seks hebben, schat?” Brr, ik zou er niets van moeten hebben.

*Noot: ‘Dat meisje Lewinsky’? Foei toch. Schaam me met terugwerkende kracht voor die misplaatste laagdunkendheid. Zag de serie ‘The Clinton Affair’. Met afgrijzen gekeken naar wat Monica Lewinsky over zich heen kreeg. Had er toen weinig oog voor, sterker nog: ik deed in feite mee. Bah.

‘Geen grammatica! U spreekt het zo uit het woordenboek!’

Andrew Large: The Artificial Language Movement. Oxford Basil Blackwell, 1985. 239 blz. Prijs: f 85,65

Taal is wat alle mensen gemeenschappelijk hebben, alleen, een gemeenschappelijke taal hebben ze niet. Dat laatste houdt natuurlijk flink wat taalkundigen van de straat, maar voor het overige is het nogal onpraktisch. Allicht dat een aantal problemen uit de wereld zou verdwijnen als alle mensen elkaar konden verstaan.

Nu is een taal afleren bijzonder moeilijk, maar er een bijleren kan vrijwel iedereen.

Wat ligt er dan meer voor de hand dan op alle scholen in de wereld dezelfde buitenlandse taal onderwijzen? Niets, lijkt het, maar de vraag die daar onmiddellijk op volgt is: welke taal zou geschikt zijn als ‘tweede taal’ voor alle mensen? Dat kan geen enkele bestaande taal zijn , want die zou altijd tegelijkertijd de eerste taal van een dus bevoorrechte groep zijn.

De oplossing lijkt simpel: bedenk een nieuwe taal die geen associaties met een bepaald land, een bepaalde cultuur of een bepaalde politiek oproept.

In dat idee zijn de afgelopen eeuwen onnoemelijk veel uren gestoken. Andrew Large geeft in zijn boek The artificial language movement een overzicht van alle inspanningen en ondernemingen op dit gebied in Europa.

Die begonnen zo’n 300 jaar geleden. Het Latijn dat de hele Middeleeuwen als ‘tussentaal’ dienst had gedaan voldeed niet voor bijvoorbeeld ongeschoolde kooplieden die hun waar in andere landen wilden slijten.

Dat, èn het enorme geloof in de mogelijkheden van de wetenschap om letterlijk alles in wetmatigheden vast te leggen was blijkbaar aanleiding genoeg voor een aantal mensen om te proberen een universele taal te ontwerpen. Daarnaast zal ook zeker de romantiek van het idee een rol gespeeld hebben.

Zelf een taal bedenken heeft iets van een ver doorgevoerde kinderfantasie: met vriendjes een geheimtaal en een geheimschrift afspreken zal niet iets specifiek twintigste eeuws zijn. De naïviteit waarmee men verwachtingsvol aan de slag ging heeft overigens in onze ogen wel wat kinderlijks.

Cijfers en karakters

Zo was er het plan van de Engelse schoolmeester Cave Beck om alle woorden een cijfer te geven. Woorden uit verschillende talen met dezelfde betekenis moesten dan hetzelfde nummer krijgen. Die nummers werden min of meer Engels uitgesproken en lezen en schrijven was natuurlijk geen probleem. In de verschillende verbuigingen van de werkwoorden zat een zeker systeem, maar de stammen kregen een willekeurig getal toegewezen.

Beck had dit bedacht omdat het zoveel makkelijker te leren zou zijn dan een ander systeem uit dezelfde tijd, dat van Francis Lodwick uit Londen. Lodwick wist iets van Chinees en werd gegrepen door de mogelijkheden van een schrift dat niet uit letters maar uit karakters bestond. Hij begon met het maken van een lijst tekens die voor begrippen stonden. Gecombineerde tekens leverden dan gecombineerde begrippen op.

Beide heren waren ervan overtuigd dat hun zelf te verzinnen taal snel klaar zou zijn en bovendien eenvoudig te leren voor anderen.

Beck vergat dat mensen over het algemeen heel slecht overweg kunnen met getallen en dat rijtjes leren een bezigheid is waar je ze maar moeilijk toe kunt brengen.

Lodwick ontbrak het aan het inzicht dat concepten en de opeenvolging van verschillende concepten niet universeel zijn. Tot op de dag van vandaag kunnen mensen maar heel moeilijk wennen aan het idee dat je dingen op een andere manier zou kunnen zeggen dan in je eigen (volstrekt toevallige) moedertaal.

Die moedertaal leert iedereen bovendien zo gemakkelijk en gedachteloos dat het lijkt of taal iets heel simpels en zelfs logisch is. Daarom komen Beck, Lodwick en hun tijdgenoten er niet uit. De eindeloze mogelijkheden die taal biedt spelen hen ook parten: niemand krijgt zijn kunsttaal af. Navolgers of leerlingen hebben ze dan ook nauwelijks gehad.

Gezongen of gespeeld

In de achttiende eeuw raakt de ‘movement’ wat in het slop, volgens Large omdat in grote delen van Europa het Frans de voertaal werd. Pas in de vorige eeuw ontstaat er iets dat een ‘beweging’ genoemd kan worden.

De eerste kunsttaal uit die tijd die het bespreken waard is, is het Solresol, bedacht door de Fransman Jean François Sudre. Hij maakte een taal die opgebouwd werd uit noten. Dat had het tot de verbeelding sprekende voordeel dat zinnen in deze taal ook gezongen of gespeeld konden worden.

Het grote nadeel was dat alles met behulp van maar zeven noten gedaan moest worden. Verschillende opeenvolgingen van noten stelden verschillende woorden voor. Maar in gesproken (of in dit geval ook gezongen of gespeelde) taal kun je, als je de woorden niet kent, meestal niet horen waar het ene woord ophoudt en het volgende begint.

In het Solresol betekende do ‘nee’, re ‘en’ en mi ‘of’, maar dore ‘ik’ en doremi ‘dag’. De verwarring die dat binnen de kortste keren geeft is niet moeilijk voor te stellen.

Toch legde het enthousiasme dat Solresol opriep de basis voor de eerste kunsttaal met een echte, over verschillende landen verspreide aanhang: het Volapük van de Duitser Johann Martin Schleyer. Voor het eerst is het doel van een bedachte taal uitsluitend praktisch gericht: Volapük (wereldtaal) moet de wereldvrede bevorderen.

De taal is opgebouwd uit Duitse en Engelse stammen waarin onder andere de voor Chinezen moeilijk uitspreekbare letter r door een l vervangen is. De taal kent geen uitzonderingen in de verbuigingen en vervoegingen van de woorden. Er kwam veel kritiek op de willekeur waarmee Schleyer voor bepaalde vormen gekozen had en het Volapük is voornamelijk als de voorganger van het Esperanto de geschiedenis ingegaan.

Eindeloze ruzies

Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat Ludwig Lazarus Zamenhof een artikel publiceerde over de door hem bedachte ‘Lingvo Internacia’. Hij deed dat onder het pseudoniem Esperanto (‘ik hoop’).

Dat pseudoniem werd al snel de naam van de beroemdste kunsttaal aller tijden, met de meeste aanhang. Het Esperanto is een soort mengeling van alle Romaanse en een deel van de Germaanse talen. Net als in het Volapük zijn de afleidingen regelmatig.

Zamenhof had grootse, wel wat megalomaan aandoende plannen: naast een wereldtaal bedacht hij ook nog een wereldgodsdienst (het Homaranismo) en samen moesten die voor de wereldvrede gaan zorgen.

Hoe moeilijk die te bereiken is bewijst de geschiedenis van het Esperanto wel. Eindeloze ruzies, persoonlijke wraakoefeningen, rissen afsplitsingen en onsmakelijke kinnesinne volgden op Zamenhofs lancering van zijn wereldtaal.

Het is om treurig van te worden, maar echt verbazingwekkend kun je het niet noemen. Allereerst: over gewone ‘natuurlijke’ talen maken mensen al zoveel ruzie, terwijl aan het leeuwendeel van zo’n taal absoluut niet getornd kan worden. Denk alleen maar aan de discussies en emoties over dingen als groter als en groter dan. In een taal waaraan een vaststaand fundament ontbreekt valt er over alles te twisten. Dat moet een van de redenen zijn waarom Esperanto nog steeds geen verplicht schoolvak is.

Een andere reden zit in de opzet van de taal zelf: Esperanto kent zestien regels die vrijwel zonder uitzondering betrekking hebben op de uitspraak van de letters en de verbuigingen van de woorden.

Maar een taal bestaat uit meer dan alleen klanken en achtervoegsels bij woorden. De precieze betekenis van woorden is niet vastgelegd evenmin als de volgorde waarin ze moeten staan.

Om een eenvoudig voorbeeld van het laatste te geven: een Nederlander zet het werkwoord in een bijzin op de laatste, een Engelsman op de tweede plaats, en dan blijven we nog dicht bij huis. Een Algemeen-Beschaafd-Esperanto-spreker aan wie je zou kunnen vragen wat goed is bestaat per definitie niet. Daarom kan er nooit sprake zijn van ‘hèt Esperanto’.

Dit laatste probleem kennen alle afsplitsingen en opvolgers van het Esperanto. Nog maar vijf jaar geleden werd de kunsttaal Glosa geïntroduceerd onder de wervende kreet ‘Geen Grammatica! U Spreekt Het Zo Uit Het Woordenboek!’.

Heeft u wel eens geprobeerd, op vakantie, een conversatie in een vreemde taal te voeren met alleen een woordenboek tot uw beschikking? Glosa was vooral ook bedoeld voor de arme boeren in de Derde Wereld, maar een Swahili-spreker zal niet echt gelukkig zijn met een taal die gebaseerd is op Griekse en Latijnse stammen en stiekem de Engelse woordvolgorde.

Dat is weer een iets ander punt: als echte neutrale wereldtaal voldoen al deze kunsttalen natuurlijk niet omdat ze met het oog de leerbaarheid allemaal gebaseerd zijn op bestaande talen. Voor Europeanen onderling levert dat misschien een neutraal en ‘eerlijk’ woordbeeld op, maar het levert ze een grote voorsprong op sprekers uit andere taalfamilies op. Die laatsten zullen ook absoluut niet zonder duidelijke regels voor betekenis en woordvolgorde kunnen.

Nattigheid

Andrew Large heeft van dit alles geen idee. Hij voelt soms wel wat nattigheid, maar hij geeft nergens in het boek een steekhoudend commentaar.

De modernste taalkunde die hij kent is die van vijftig, zestig jaar geleden. Onbegrijpelijk dat iemand die tijdenlang bezig geweest moet zijn met het uitzoeken van de geschiedenis van een op zichzelf heel interessante beweging er zo weinig over te vertellen heeft.

Daar komt dan nog bij dat de opzet van het hele verhaal erg rommelig is: Large gooit voortdurend de chronologische volgorde en de bespreking van de achterliggende ideeën door elkaar. Dat leidt tot hinderlijke herhalingen en nog veel hinderlijker onduidelijkheden.

De mensen die al die tijd en energie in het bedenken van een wereldtaal hebben gestoken hadden meer verdiend dan een saaie en warrige opsomming van hun activiteiten. Hopelijk levert het honderjarig bestaan van het Esperanto volgend jaar iets leukers op.

Dit is geen klein meisje

Dom. Weer geen poging gedaan vijfenveertigduizend gulden in de wacht te slepen. We zijn al ver na de deadline voor de ECI schrijfwedstrijd, waarmee dit najaar voor de tweede maal ruim een ton aan prijzen te verdienen valt. Dit keer moet het van de boekenclub over ‘De lezer tussen woord en beeld gaan’.

Raar onderwerp dacht ik meteen toen ik het aangekondigd zag in de kranten: de lezer zit toch altijd tussen woord en beeld in? Wat is lezen anders dan de connectie leggen tussen een aantal afgesproken vormpjes, beelden dus, en de woorden in je hoofd?

Niet dat dat onbelangrijk of vanzelfsprekend is. Zelf vind ik het een van de interessantste raadsels in de geschiedenis: hoe is de gedachte onstaan dat datgene wat je hoorde en zei vastgelegd kon worden in beelden? En waarom is dat zo’n vijfeneenhalf duizend jaar geleden pas voor het eerst gebeurd?

Volgens de geleerden is taal op z’n laatst dertigduizend jaar geleden ontstaan, en de meesten schatten dat het nog veel langer daarvoor gebeurde. Vanwaar dat gat? En waarom ontstond schrift alleen op sommige plaatsen? Let wel: onafhankelijk van elkaar, en op verschillende manieren, met verschillende methoden.

Nog steeds kun je grofweg stellen dat er twee benaderingswijzen zijn: of je legt de klank vast (dat kan ook per lettergreep), of de betekenis. Wij doen het eerste, de Chinezen doen met hun karakters het tweede. Soms is het ook een mengelmoesje: dat schijnt bij hiërogliefen het geval te zijn. Die prachtige geschilderde of gebeitelde plaatjes (zelfs de kleuren zijn dikwijls bewaard gebleven) kunnen zowel staan voor een klank als voor een heel woord.

Maar hoe zit dat nu precies met die koppeling tussen beeld en woord? Is daar iets bijzonders mee? Er zijn zoveel wegen waarlangs je een woord kunt bereiken. Alle zintuigen kunnen helpen.

Je kunt bijvoorbeeld zowel ruiken, zien, voelen als proeven dat iets een appel is. En zelfs horen dat iemand een hap neemt kan genoeg zijn om uit te roepen ‘dat is een appel’. Maar ‘appel’ is een misleidend voorbeeld. Bij de meeste woorden is er geen sprake van dat ze alle zintuigen kunnen prikkelen. En ‘zien’ kun je alleen concrete zaken of activiteiten. Je kunt geen ‘ideeën’ zien, of ‘het’, of ‘mogen’.

Althans, niet rechtstreeks. Er zijn maar twee kanalen waarlangs letterlijk alle woorden ons kunnen bereiken: we kunnen ze horen en lezen.

En bij alletwee geldt dat er een omweg nodig is. Trillingen in de lucht of tekentjes op papier of iets anders, moeten gekoppeld worden aan iets dat in ons hoofd zit.

Lezers en luisteraars zijn dus voortdurend aan het decoderen. De behendigheid die daarin bereikt kan worden maakt dat we dat meestal vergeten. Aan de moeite die het ons kostte onze moedertaal te leren bewaren we vrijwel geen herinneringen, en ervaren lezers denken over het algemeen echt niet meer terug aan de tijd dat ze met hun tong uit hun mond woordjes zaten te spellen.

Toch blijkt in de praktijk dat begrijpen wat je leest lastiger te leren is dan begrijpen wat je hoort. Er zijn in dit land honderdduizenden mensen die leesonderwijs op school hebben gehad, maar die daar niet genoeg van opgestoken hebben om er in het dagelijks leven profijt van te hebben. Maar met gesprekken voeren hebben ze natuurlijk geen enkel probleem.

Misschien dat de moeilijkheid hem zit in de overstap maken van spellen naar woordbeelden. Dat hir iets rars aan de hand is ziet iedere getrainde lezer van het Nederlands letterlijk in één oogopslag. Het woordbeeld klopt niet. De afspraak die voor de Nederlandse spellingswijze gemaakt is, wordt geschonden. En as ik nouw wat fooneetiesur gaa spelluh, dan kompt musschien duh herinnurring aan duh laagurruh school weer boovuh.

Het in de loop der jaren opgebouwde en verfijnde automatisme valt op dat moment weg, het moet ineens weer ‘bewust’. Onbekende woorden kunnen datzelfde effect hebben. Het is met lezen – en ook schrijven – als met het leren van een figuur uit de rumba of de cha-cha-cha. Eerst moet je alle afzonderlijke bewegingen langzaam voorgedaan krijgen, je moet stapje voor stapje oefenen, en pas daarna ben je in staat het figuur als een geheel te zien en uit te voeren. De meeste dansschoolleerlingen leren dat met wat horten en stoten wel, maar een enkeling blijft over zijn voeten struikelen en raakt verstrikt wanneer alles in een vloeiende beweging moet gaan. Hij krijgt geen ‘beeld’ van het figuur als geheel.

‘Beeld’? Daar zit ‘m natuurlijk de truc van de ECI-titel. Met het woord ‘beeld’ kun je echt alle kanten op. Lezen is niet alleen een kwestie van beelden omzetten in woorden, een woord kan zelf ook weer nieuwe beelden oproepen. ‘Waterijsje’, ‘hemelbed’, ‘rennen’: de woorden lezen is voldoende om ze te ‘zien’.

En meerdere woorden bij elkaar kunnen één beeld oproepen. Onontkoombaar zelfs. Probeer nu maar eens géén klein meisje is een rood jasje met een rode ballon in haar hand voor u te zien. Andersom kan een beeld ook weer een woord, of een gedicht, of wie weet een complete roman oproepen. Tussen woorden en beelden zijn de gekste wisselwerkingen denkbaar. En vooral in de kunsten is daar flink mee geëxperimenteerd en gespeeld.

Al die abstracte schilderijen waar niks figuratiefs in te ontdekken viel en die dan toch ‘man met hond’ of ‘stilleven’ als titel hadden. En natuurlijk Margritte’s tekening van een pijp waarbij stond dat het geen pijp was. Woorden kunnen zo leuk het verwachtingspatroon doorbreken, of een ander licht werpen op wat je ziet.

Zo herinner ik me nog altijd de pagina vol komma’s (ik geloof van K. Schippers, in ieder geval kwam het uit de jaren zestig) waaronder stond: zoek het donderkopje tussen de komma’s. De oplossing stond een aantal bladzijden verder: een pagina met nog maar een komma.

En tegenwoordig heb je Malsen die voor de achterpagina van de NRC honderden getekende cryptogrammen gemaakt heeft: plaatjes waarin hij bijvoorbeeld gebruikt maakt van de verschillende betekenissen die woorden als ‘stuk’ of ‘stoot’ of ‘middel’ hebben.

Een woord simpelweg vervangen door een beeld kan ook een mooie manier zijn om aandacht te trekken.

De firma Albert Heijn doet dat. Daar wilden ze blijkbaar eens af van de kreet ‘Albert Heijn blijft op de kleintjes letten’. Wekenlang kregen we advertenties te zien waar het woord ‘kleintjes’ vervangen was door een foto van iets eetbaars waar gemakkelijk een verkleinwoord van te maken was: frietjes, tartaartjes, spruitjes. Daarna dachten ze dat we de truc wel doorhadden en gingen ze door met teksten als ‘wij staan (foto van een grote sesambol) van de bolletjes’. Zo’n puzzeltje geeft de lezer het aangename gevoel dat hij niet achterlijk is: hij heeft ‘m door. Enfin, Albert Heijns reclamebureau maakt al jaren slimme advertenties.

Maar de wisselwerking tussen woord en beeld gaat nog verder. Een van onze sterkste leermechanismen is de niet te stuiten neiging om nieuwe informatie te verbinden met de dingen die we al wisten. Ook als het nergens op slaat proberen we zaken in te passen of aan de een of andere kapstok te hangen.

‘Associëren’ is het woord dat we voor die bezigheid gebruiken. En dat doen we heel vaak onbewust. Een heel probleem voor fabrikanten die een nieuw produkt willen uitbrengen. Zo’n produkt moet een naam krijgen die geen verkeerde associaties oproept. Het menselijk reconstructievermogen zit dan al gauw in de weg. Dat reconstructievermogen zorgt dat we ook in lawaaiige omgevingen gesprekken kunnen volgen, en dat onleesbare handschriften met wat moeite nog wel te ontcijferen zijn.

Maar het zorgt er ook voor dat de naam ‘Kingsford’ voor houtskool niet geschikt is. Mensen denken daarbij aan pepermunt, zo is onderzocht. De merknaam ‘Lenco’ (platenspelers) doet ze aan drop denken, en ‘Biv’ (een anti-aanbakmiddel) onder andere aan worstjes. Het kan niet anders of dat moet komen door King-pepermunt, Venco-drop en Bifi-worstjes. Het beeld van het nieuwe woord roept het beeld van het oude woord op, zelfs zonder dat we dat in de gaten hebben. De naam ‘Stender’ (voor alcoholarme Grolsch) schijnt het juist weer erg goed te doen: dat brengt de woorden ‘standing’ en ‘sterk’ in gedachten.

Associëren is een krachtig hulpmiddel. Bouw dat maar eens in een computer in. Enfin, die zou in Italië waarschijnlijk ook niet zeer tegen zijn zin met een beker warme melk in zijn handen komen te staan, zoals mij eens overkwam, omdat hij dacht dat ‘caldo’ vast wel ‘koud’ zou betekenen. ‘Valse vrienden’ heten die nep-ezelsbruggetjes heel terecht (‘manchmal’ betekent niet ‘menigmaal’, ‘invalid’ is niet hetzelfde als ‘invalide’, een ‘pasteur’ is geen ‘pastoor’).

Ik denk eigenlijk niet dat de inzendingen voor de ECI-prijsvraag over al deze woord-beeld-tegenstellingen en -overeenkomsten zullen gaan. Ik schat dat ze gaan over de rijke verbeelding van dichters. Over de evocatieve kracht van Lucebert bijvoorbeeld. Of over het beeld dat de lezer van een romanfiguur had, en dat bij de verfilming geheel geschonden raakte. En dat we dus met z’n allen ‘Eline Vere’ en ‘Mieters’ moeten boycotten.

Of misschien blijken er – wat god verhoede – wel meer types rond te lopen als professor Mieke Bal die in de schilderijen van Rembrandt allerlei vrouwonvriendelijk ontuchtigs ‘leest’. Of misschien heb ik wel helemaal ongelijk, en komt er net als de vorige keer (toen de titel, brrr, gruwel, ‘Gaat het Nederlands teloor?’ moest luiden) onverwachts een prachtig en origineel essay uit.

Dat stuk, geschreven door Jet Wester, met de titel ‘De Tao van taal, of: Chanel no. 5 en het Geval Nederlands’ kan ik van harte aanbevelen bij iedereen die eens iets leuks en interessants over spelling wil lezen. Feitelijk ging dat trouwens ook over woorden en de beelden die je daarvan in je hoofd hebt.

De sterke staaltjes van gebarentaal

Een net geboren baby herkent de intonatiepatronen van de taal van zijn moeder al. In de baarmoeder heeft hij die kennelijk al opgepikt. Onder normale omstandigheden begint het leren van je moedertaal ver voordat je zelf ook maar iets zinnigs kunt zeggen. Hem om je heen horen is genoeg om het ‘programma’ in gang te zetten dat zich vervolgens min of meer vanzelf ontrolt. Vandaar dat kinderen over de hele wereld dezelfde stapjes maken in hun taalontwikkeling, welke taal ze ook aan het leren zijn.

Opzuigvermogen

En allemaal zijn ze ware sponzen: kinderen zuigen de taal van hun omgeving op, en tegen de tijd dat ze op school gaan lezen en schrijven hebben ze alle belangrijke regels onder de knie, en voelen ze zich helemaal thuis in die taal. Maar dan is hun opzuigvermogen voor andere talen wel al flink afgenomen. Het automatische taalleervermogen is een luik dat zich langzaam maar gestaag sluit.Vanaf de puberteit wordt het een kwestie van onderwezen worden en bewust stampen.

Maar wat nou als de omstandigheden niet normaal zijn? Wat als je de taal om je heen helemaal niet kunt horen? Dan is er eigenlijk maar een manier om toch probleemloos een moedertaal te verwerven: je moet een taal aangeboden krijgen die niet afhankelijk is van klanken. Gebarentaal.

Levende bewijs

Het menselijk taalvermogen laat zich namelijk niet makkelijk uitvlakken. De gebarentalen van doven die overal op de wereld ontstaan zijn en nog ontstaan, vormen het levende bewijs dat als één taalkanaal uitvalt een ander het probleemloos kan overnemen. Horen wordt kijken, en de bewegingen van mond, tong, lippen en strottenhoofd die voor spraak nodig zijn, worden bij gebarentalen vervangen door bewegingen van handen, armen, gezichtspieren, schouders, enfin, het hele bovenlichaam.

Voor horenden is het vaak moeilijk te vatten hoe dat kan, en over gebarentalen bestaan nogal wat mythes en misverstanden. Zo denkt bijna iedereen dat er één gebarentaal voor alle doven in de hele wereld is.

Politiek, vrijheid en liefde

Maar net als gesproken talen verschillen ook gebarentalen overal. Ze zijn bovendien niet afgeleid van de taal die in de omgeving gesproken wordt. Engelse doven gebaren daardoor in de Britse Gebarentaal, in de Verenigde Staten heb je de Amerikaanse Gebarentaal en in Nederland de Nederlandse Gebarentaal. Al die gebarentalen zijn, ook weer anders dan vaak gedacht wordt, niet een soort mime, en je kunt er uitstekend mee over abstracte zaken als politiek en vrijheid en liefde praten.

Een extra bron van misverstanden is het bestaan van handalfabetten, waarmee je kunt vingerspellen. Maar een gebaar kun je nooit uitspellen. Gebarentalen hebben namelijk geen geschreven vorm, dus als er al gespeld wordt dan gaat het om woorden uit een gesproken taal. Een uitstekende manier om die woorden te lenen, dat wel, want net als alle andere talen lenen gebarentalen ook. Van elkaar, maar evengoed van gesproken talen. Een letter uit het handalfabet kan bovendien een bepaalde functie vervullen in een gebaar dat meer elementen bevat. Zo is de handalfabetversie van de letter L gespeld op je hoofd in Nederland het gebaar voor ‘rijschool’.

Eigen wetten, zelfde mogelijkheden

Daar ligt weliswaar een duidelijke verbinding met de Nederlandse cultuur, maar met de Nederlandse taal heeft het hooguit indirect te maken. Nederlandse Gebarentaal is echt iets anders dan Nederlands. En het is ook al niet een kwestie van gewoon voor elk Nederlands woord een Nederlands gebaar ‘invullen’. Gebarentalen hebben hun eigen wetten, maar die geven intussen precies dezelfde mogelijkheden als gesproken talen.

Voor horenden is in eerste instantie vaak moeilijk zich voor te stellen waarin het verschil zit met wat ze zelf doen. Gebaren maken we immers allemaal, lichaamstaal aflezen kan iedereen. Je kunt met bijvoorbeeld een vies gezicht of een wegwerpgebaar natuurlijk een krachtig signaal geven, maar intussen blijven je mogelijkheden uiterst beperkt.

Het lijkt ook wel een heel sterk staaltje: als je doof bent dan zou je ineens met behulp van diezelfde handen en armen en je gezicht veel meer kunnen overbrengen dan wat primaire gevoelens en simpele boodschappen? Sterker nog, gezichten trekken, armzwaaien, vingerbewegen en zo zou het praten helemaal kunnen vervangen?

Eén klankje verschil

En toch is het minder gek dan het lijkt dat overal ter wereld doven praten, ouwehoeren, zwaar discussiëren, geinen, filosoferen zónder spraak, in gebarentaal. Wat horenden doen met klanken is niet zo veel anders. Klanken betekenen op zichzelf helemaal niets. Toevallige combinaties hebben toevallige betekenissen, waarbij één klankje verschil veel kan uitmaken: een stap is geen stad, stam, of stal, en ook geen stop, step of stip.

Op dezelfde manier kan de stand van de hand, of de plaats waar een gebaar wordt gemaakt (bij je mond, op je voorhoofd, voor je lichaam) of de beweging zelf een gebaar een compleet andere betekenis geven. Aan toevallige elementen een betekenis kunnen hechten, is een talent dat alle mensen delen, of ze nou kunnen horen of niet. Daarnaast is inzicht in structuren een cruciaal onderdeel van ons taalvermogen.

In gebarentalen zie je dan ook dezelfde dingen die gesproken talen hun eindeloze mogelijkheden geven: uit twee gebaren kun je een nieuw gebaar samenstellen, volgordeverschillen geven betekenisverschillen, voor meervoud, voor vragen, voor de verleden tijd, voor alles zijn er grammaticale elementen in gebarentaal.

Brabbelen met z’n  handjes

De principes zijn hetzelfde, de ingrediënten ten dele anders. Een gebarentaal leren kan dan ook net als een gesproken taal al in de wieg beginnen. Een baby die gebarentaal ziet, gaat liggen brabbelen met zijn handjes, en maakt zijn eerste gebaartje rond zijn eerste jaar: als ook het eerste gesproken woordje valt. Ook de verdere stappen in de ontwikkeling lopen voor zover we inmiddels weten parallel.

Dat nog niet alles daarover bekend is, heeft veel te maken met het feit dat maar heel langzaam is doorgedrongen dat gebarentalen volwaardige menselijke talen zijn. Het onbegrip van horenden was een van de zaken die daarbij in de weg stonden, en ook hun op zichzelf goede bedoelingen om doven zo goed mogelijk mee te laten draaien in de maatschappij heeft de acceptatie van gebarentalen danig tegengehouden.

Doven moesten leren praten en spraakafzien. Op dovenscholen en –instituten was gebaren om die reden heel lang streng verboden. Wie het toch deed, moest voor straf bijvoorbeeld op zijn handen zitten of kreeg melkpakken om zijn handen heen.

Uitbannen niet gelukt

Maar gebarentaal uitbannen is absoluut niet gelukt. Stiekem of niet, onderling bleven leerlingen altijd gebaren. Een goed alternatief hadden ze eigenlijk ook niet. Niet met elkaar, maar ook in de horende wereld blijven er onoplosbare problemen.

Verstaanbaar leren spreken als je jezelf niet terug kunt horen is iets dat heel veel doven niet goed lukt, hoe hard ze ook hun best doen. En aan iemands lip- en mondbewegingen altijd zien wat hij zegt, is per definitie onmogelijk: zestig tot tachtig procent is een kwestie van gokken. Toch is pas in de jaren negentig van de vorige eeuw bij het dovenonderwijs in Nederland gebarentaal in beginsel het uitgangspunt geworden.

Toch de finesses

De gedachte nu is: gebarentaal is de enige taal die dove kinderen gemakkelijk kunnen leren, en taal is voor hun verdere ontwikkeling onontbeerlijk. Ze blijken er niet eens een perfect voorbeeld voor nodig te hebben. Als horende ouders – en zo’n negentig procent is horend – in hun net-geleerde en dus vaak wat krakkemikkige gebarentaal tegen hun dove kleintjes praten, zorgt het aangeboren taalvermogen ervoor dat de kinderen zich de finesses van die taal toch eigenmaken.

Sterker nog, er komen steeds meer aanwijzingen dat dove peuters en kleuters zelfs zonder voorbeeld zelf een gebarentaal kunnen ontwikkelen op basis van de nogal willekeurige en verder ongestructureerde gebaren die zij en hun ouders noodgedwongen in het dagelijks leven gebruiken.

Die ‘thuisgebaren’ blijken ook door opeenvolgende fases te gaan, en al snel veel van de kenmerken van ‘echte’ talen te gaan bevatten (structuur, hiërarchie). Zet je een groep dove kinderen bij elkaar dan ontwikkelt zich een gebarentaal waaraan niets ontbreekt.

Voor volwassenen ligt het anders. Omdat het vermogen een taal echt in te drinken of er desnoods zelf een te ontwikkelen in de loop van je jeugd alleen maar afneemt, wordt het voor iedereen die op latere leeftijd een gebarentaal gaat leren dus een kwestie van bewust uit je hoofd leren en veel oefenen.

Gezichtsuitdrukkingen cruciaal

Dat is vaak zelfs nog net iets moeilijker. Onder meer door het feit dat gezichtsuitdrukkingen een cruciale, vaak grammaticale rol spelen. Daaraan denken, er goed op letten, is wennen voor wie een gesproken taal als moedertaal heeft. Voor mensen die op latere leeftijd doof worden, is gebarentaal dus veel minder een uitkomst dan voor dove kinderen.

In het onderwijs aan doven blijven overigens ook het Nederlands, en oefenen in spreken, spraakafzien én lezen en schrijven heel belangrijke vakken. Dat de uitleg daarover tegenwoordig gedaan kan worden in de Nederlandse Gebarentaal maakt de gesproken taal minder ‘ongrijpbaar’ voor dove kinderen. Intussen blijft het Nederlands wel tot op zekere hoogte een ‘vreemde taal’.

Verspreiding dovencultuur

En dat is weer belangrijk om te begrijpen dat de veelgehoorde opmerking ‘als je doof bent kun je toch gewoon lezen’ niet zomaar opgaat. Lezen in een andere dan je moedertaal, en dat ook nog zonder de ondersteuning van hoe die taal klinkt, valt iedereen zwaar. Dat is de reden dat het leesniveau van de overgrote meerderheid van de doofgeborenen lager dan gemiddeld ligt. ‘Lezen voor je lol’ zit er voor de meesten niet in.

Intussen zijn de mogelijkheden om gebarentaal vast te leggen de laatste decennia met sprongen vooruitgegaan. Via video, cd-rom’s, internet, kan de dovencultuur veel gemakkelijker verspreid worden dan ooit. En sinds gebarentalen voor vol aangezien worden, is die cultuur (bijvoorbeeld in de vorm van gedichten, toneelstukken, verhalen) in opkomst. Er worden ook meer vertalingen gemaakt, en gesproken voorstellingen en zelfs muziekoptredens worden getolkt.

Kader bij ‘Het gehoor van Nederland’, het openingshoofdstuk van het cahier Oren en Horen van de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij. Hele cahier kan hier nog gedownload worden.

Een brein in flarden

DE MAN MET EEN KOGEL IN ZIJN HOOFD De geschiedenis van een neurologisch geval door A.R. Lurija. Vertaling: Frans Stapert Uitgever Bert Bakker, 161 p., f 24,50

Geen Friday the 13th in welke aflevering dan ook kan er tegenop. Pure horror: een kogel door je hoofd geschoten krijgen en dat na kunnen vertellen. 

Nou ja, na kunnen vertellen… Zasetski deed vijfentwintig jaar over zijn verhaal. Eigenlijk is hij ook meer de schrijver van De man met een kogel in zijn hoofd dan Lurija, de wereldberoemde neuroloog die als auteur vermeld staat op dit net uit het Russisch vertaalde boek. Lurija (in 1979 overleden) was ook de eerste om dat toe te geven overigens. De verbindende teksten, waarin onder andere het een en ander uiteengezet wordt over de werking van de hersenen zijn van zijn hand, maar het grootste deel van het boek bestaat uit dagboekfragmenten van de gekwelde Ljova Zasetski.

Voorjaar 1943. Rusland, de slag bij Smolensk. Zasetski is 23 en commandant van een peloton. ‘Plotseling barstte de Duitse kogelregen los, van alle kanten knetterden de mitrailleurs. De kogels floten me om de oren. Ik zocht dekking. Maar lang kon ik niet blijven liggen: onze voorhoede was al bezig de oever te beklimmen. Onder mitrailleurvuur sprong ik op van het ijs, stormde voorwaarts in westelijke richting, en…’

Zasetski’s wereld werd in duizenden stukken geslagen, zoals Lurija het adequaat uitdrukt. Die stukjes werden nooit meer een eenheid. De gevolgen van een kogel die de hersens doorboort zijn, hoe goed Zasetski ze ook beschrijft, feitelijk niet voor te stellen. 

Zasetski kan niet goed meer zien, dat wil zeggen, hij ziet chaos. Alles beweegt, flikkert, verandert voortdurend voor hem. Het hele idee van een rechterkant is verdwenen. Hij kan van alles maar de helft zien: ‘Wanneer ik naar de linkerhelft van een lepel kijk vraag ik me verbaasd af waarom ik er maar een stukje van zie en niet de hele lepel. Toen dit voor het eerst gebeurde leek de lepel een vreemd stukje ruimte, waar ik zelfs bang voor werd wanneer ik hem in de soep kwijtraakte.’ 

Hij kan ook zijn eigen rechterkant op geen enkel manier meer waarnemen, en hij begrijpt sowieso niet langer hoe zijn lichaam in elkaar zit en werkt: ‘Wanneer ik mijn ogen dan dicht doe weet ik niet eens waar mijn rechterbeen gebleven is. Om de een of andere reden heb ik steeds gedacht (en gevoeld) dat het ergens boven mijn schouder, zelfs boven mijn hoofd zat. (…) ’s Nachts werd ik plotseling wakker en voelde een soort druk in mijn buik. Er zat me daar iets dwars, maar ik hoefde niet te plassen. Ik moest iets anders, maar wat? Ik kon er maar niet achter komen, terwijl de druk in mijn buik steeds groter werd. Plotseling realiseerde ik me dat ik naar de wc moest. Ik piekerde me suf hoe dat ook alweer ging. Ik wist al dat ik een opening had om urine uit het lichaam te lozen, maar hier moest iets anders gebeuren. Mijn buik drukte op een andere opening, maar ik was vergeten waar die voor diende.’

Zasetski’s geheugen is in eerste instantie totaal verdwenen. Hij heeft de rest van zijn leven (het is onduidelijk of hij nu nog steeds leeft, daar wordt nergens iets over vermeld) hoofdpijn en een gonzend hoofd. Als hij wakker wordt in het ziekenhuis weet hij niet wie hij is, hij weet niet wat er gebeurd is en hij snapt ook niets van wat mensen tegen hem zeggen.

Het nare is alleen: hij is niet gek. Hij realiseert zich, voelt dat er iets verschrikkelijk mis met hem is. En langzaam, heel langzaam vindt hij weer iets van de woorden om dat mee uit te drukken terug. Hij prent ze zich keer op keer in, maar het kost hem ongelooflijk veel moeite. Er zijn stukjes en brokjes herinnering bewaard gebleven, flarden komen terug, zoveel is duidelijk, maar iets nieuws onthouden is vrijwel ondoenlijk.  

Formuleren, een gedachte vasthouden, een mededeling begrijpen kosten verschrikkelijk veel tijd, als het al lukt: ‘Het lijkt of er een zwaar slot om mijn hoofd zit. Wanneer ik er met de grootste moeite een woord aan ontfutseld heb duurt het minuten, soms urenlang om een tweede woord te vinden dat ik voor mijn gedachte nodig heb. Tijdens dat zoeken raak ik het eerste woord al snel kwijt en vaak verdwijnt ook de hele oorspronkelijke gedachte plotseling uit mijn hoofd.’

Gevolg van zijn trage begrijpen en spreken (zijn afasie) is dat hij geen normaal gesprek kan volgen of voeren, dat hij niet snapt wat er in een film gezegd wordt, dat hij nooit weet waar een liedje over gaat, waar zijn omgeving om moet lachen. Ook simpel hoofdrekenen lukt niet meer, en schaken en dammen, waar Zasetski voor zijn hersenletsel goed in was, zijn onmogelijk geworden. En alweer: het nare is dat hij zich maar al te goed realiseert wat hij mist. De frustratie en eenzaamheid die dat moet opleveren bezorgen mij koude rillingen.

Losse stukjes 

Maar behalve een tragische kant heeft dit boek ook een razend interessante klinische kant. Net als veel van de verhalen in De man die zijn vrouw voor een hoed aanzag (waarin Oliver Sacks, die ook het voorwoord bij De man met een kogel in zijn hoofd schreef, 24 verschillende gevallen uit zíjn neurologische praktijk beschrijft) laat het iets zien van de compartimenten-opbouw van onze hersenen. Zaken die voor ons gevoel één geheel vormen, blijken in werkelijkheid te bestaan uit losse stukjes die met elkaar in verbinding staan. 

Worden die verbindingen verbroken dan gebeurt het bijvoorbeeld, zoals in het geval van Zasetski, dat je best weet wat een hond of een kat is, maar dat je je daar geen enkel beeld meer bij kunt vormen. ‘Weten’ wat een hond is betekent voor mij weten hoe zo’n beest eruit ziet, weten waar zijn kop, zijn ogen, zijn oortjes zitten. Wat ‘weet’ je van hond als je dat niet meer weet? Zasetski verkeert voortdurend in een toestand waarbij hij de bel heeft horen luiden, maar er nooit achter kan komen waar die verdomde klepel zit. 

Lurija zelf heeft daar overigens ook wel eens last van. Het boek is zonder meer een aanrader, maar als u het leest, sla dan alstublieft de ‘Derde uitweiding’ over grammaticale constructies over. Het is een merkwaardige brij van zinvolle en onzinnige mededelingen, die bovendien het Russisch met ‘taal’ verwarren. 

In zijn eerste ‘uitweiding’ haalt Lurija ook al ‘taal’ en ‘spraak’ door elkaar, en beweert dat we denken in spraak. Van de exacte relatie tussen denken en taal is weinig bekend, en juist Zasetski laat zien dat ze niet een geheel vormen. Zasetski denkt voortdurend (wat dat ook precies wezen moge) maar zoekt zich een ongeluk naar de bijbehorende woorden. 

Talen worden, anders dan Lurija denkt, niet moeilijker of makkelijker, ‘logischer’ of ‘onlogischer’. Wel is het zo dat mensen met een gestoord taalvermogen vaak moeite hebben met dubbele ontkenningen (‘het is niet de gewoonte iets niet te doen) en zinnen met veel ingebedde bijzinnen (‘die vent die daarachter staat te praten met de verpleegster die zo aardig is, liep gisteren..’).  

Ik blijf alleen met een grote vraag zitten. Lurija beweert geen woord aan het dagboek van Zasetski veranderd te hebben. Maar Zasetski is afatisch en kan bovendien zijn eigen teksten nauwelijks teruglezen (schrijven doet hij ‘automatisch’, letter voor letter lukt niet, ook zo’n wonderlijk fenomeen dat je bij veel afasiepatiënten ziet). Nooit produceert hij meer dan enkele zinnen per dag. 

Hoe is het dan mogelijk dat hij zo’n coherent verhaal vertelt? Hoe is het mogelijk dat hij zo perfect formuleert? En dat hij er volgens de inleiding ‘dankzij zijn ongelooflijke doorzettingsvermogen en vasthoudendheid in geslaagd is in twintig jaar tijd drieduizend bladzijden te schrijven, om daar – en dat is het punt waar het om draait – orde in aan te brengen, een bepaalde volgorde, om zo zijn verloren gegane leven weer te hervinden en te reconstrueren, en de fragmenten te herscheppen tot een samenhangend en zinvol geheel’. 

Iemand die niet in staat is zoiets simpels te onthouden als de opdracht even naar beneden te lopen om daar een paar augurken te halen, maar die dat later wel uitgebreid kan navertellen? Iemand die zo’n moeite heeft zelfs maar één gedachte lang genoeg vast te houden om er de bijbehorende woorden bij vinden. Zo iemand ordent en overziet een dagboek van drieduizend pagina’s? 

Het is een groot raadsel, en ik weet eerlijk niet of ik de oplossing ervan bij Lurija of bij Zasetski moet zoeken.

De rijke “low-culture”-collectie van het P.J. Meertens-instituut

Voor de marmeren balie waar je vroeger geld kon halen, staat nu een zitje voor bezoekers. De koperen sponningen van de kassaramen worden allang niet meer gepoetst. Over een jaar of twee verlaat het P.J. Meertens-instituut voor dialectologie, volkskunde en naamkunde het voormalige bankkantoor aan de Keizersgracht inAmsterdam om zijn intrek te nemen in het dan verbouwde Trippenhuis.

Dat is vooral spijtig met het oog op de kelder van de huidige behuizing: de enorme collectie bandopnamen en enquêteformulieren zal nooit meer zo’n schitterende bergplaats vinden als in de tientallen kluisjes en kluizen achter tralies waar ze nu bewaard worden. Ouderwetse, gelige deuren en deurtjes met prachtige Lips-wapens ontsluiten een schat aan gegevens.

Wat voor gegevens? “Oorspronkelijk was het de bedoeling dat we een verdwijnend cultuurgoed zouden verzamelen en vastleggen. En daarbij ging het primair om de cultuur van de gewone man, met een nadruk op het platte land,” vat Prof. Jaap van Marle (38) samen.

“Maar,” benadrukt hij, “dat is nu niet langer de voornaamste drijfveer. Inmiddels is het ook duidelijk geworden dat noties als ‘de cultuur’ of ‘de taal van de gewone man’ heel wat minder eenduidig zijn dan vroeger wel werd gedacht.” Van Marle is historisch taalkundige en sinds 1986 directeur van het Meertens-instituut, dat overigens pas sinds 1979 die naam draagt.

Dat oorspronkelijke idee allerlei “low-culture”-fenomenen voor het nageslacht te bewaren is wat de drie afdelingen van het instituut bindt. Het begon in 1926 met de oprichting van een dialectencommissie. Later ontstonden er commissies en subcommissies voor Volkskunde en Naamkunde en mettertijd is alles samengevoegd tot de driepoot die het Meertens-instituut nu nog is. De naam is een eerbetoon aan de drie jaar geleden overleden Pieter Jacobus Meertens, een christelijk-rode Zeeuw die direct bij de oprichting secretaris van de dialectencommissie werd, en tot zijn pensionering in 1965 directeur was van wat toen nog gewoon het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde heette. 

Paasvuur

Sindsdien is er meer veranderd dan alleen de naam. Van Marle: “Vroeger werd er dikwijls op een tamelijk willekeurige manier materiaal verzameld, een duidelijke probleemstelling ontbrak dan.  Die werkwijze is nu achterhaald. Wat je verzamelt moet gestuurd worden door onderzoek. Je moet weten wat je ermee wilt doen. Aan kluizen vol vragenlijsten alleen heb je niets, er moet een follow-up zijn.”

Van een puur documentatieve instelling is het Meertens-instituut in het laatste decennium daarom omgezwaaid naar een onderzoekscentrum. Men denkt tegenwoordig ook veel minder in termen van “jammer dat dingen verdwijnen”. Dat betekent dat er naast aandacht voor zaken als de rituelen rond het Paasvuur bij de afdeling Volkskunde nu ook  gezocht wordt naar de opkomst van koffie- en tabaksgebruik. En daarmee schrijf je cultuurgeschiedenis.   

Hetzelfde geldt voor de inrichting van huizen. Het Meertens-instituut is bezig op basis van overgebleven boedelbeschrijvingen uit de 17e en de 18e eeuw een databank op te bouwen die een indruk moet geven van allerlei verschuivingen die zich in de loop der tijden hebben voorgedaan. Waren er schilderijen in huis? Was er wel of niet een bijbel? Het antwoord op zulke vragen kan een beeld schetsen van hoe men vroeger leefde. En alweer gaat de belangstelling hierbij uit naar de niet-elite cultuur.  

Geen gedrocht

Prachtig zijn de volksverhalen en -legendes van het platteland. Oudere mensen weten nu nog te vertellen over dwaallichtjes en kinderzieltjes en spoken. En meneer pastoor had indertijd heel  wat meer macht dan tegenwoordig: hij kon de wind laten draaien als hij dat wilde.

Sommig bijgeloof bestaat nog steeds: dat er van zout morsen ruzie komt bijvoorbeeld. Wie mocht denken dat de Nederlanders een nuchter volk zijn en waren kan uit de uitgaven van het Meertens-instituut leren dat hij zich deerlijk vergist.

Een goed voorbeeld is de aflevering Kwade mensen, Toverij in Nederland van het Volkskundig Bulletin, het tijdschrift van de afdeling Volkskunde. Een boek vol over heksenprocessen, toveren en onttoveren, beschuldigingen, roddel en terechtstellingen. Nog aan het eind van de achttiende eeuw maakt in Meppel Derk Hilbrink Wobbigje Smit wijs dat ze in plaats van zwanger betoverd is.

Hilbrink had er ervaring mee: eerder al had hij een vrouw genezen die iets had uitgebraakt dat op een slang leek, een ander had een adder of een slang afgescheiden, en voor 7 gulden en 24 stuivers bezorgt hij Wobbigje kruiden, poeders en olie (te bewaren in een kistje met zand en zout erop) die haar moeten verlossen van het monster dat ze in zich draagt. Hoewel ze veertien dagen voor de bevalling nog een kopje roet heeft moeten “gebruiken”, en de avond ervoor “de buik gestadig met wolle lappen in zoete warme melk gedoopt laeten beleggen, stijf en sterk” bevalt Wobbigje uiteindelijk natuurlijk toch van een “welgeschapen levendige zoon” en niet van een gedrocht.  

Maar niet alleen in Meppel werd er getoverd. Tussen 1522 en 1726 speelden er in het Limburgse Maasland alleen al 292 heksenprocessen die men heeft weten te achterhalen. De heksen waren meestal relatief oude en arme vrouwen die bijna allemaal gewurgd, verbrand of anderszins terechtgesteld werden. Anderen waren bij de tortuur al bezweken.

Martelen was immers een volstrekt legitieme manier om mensen tot bekentenissen aan te zetten. Wie zich niet zover liet krijgen werd vaak verbannen en daarmee een potentieel slachtoffer bij een heksenjacht in de nieuwe woonomgeving. Stukjes geschiedenis die misschien niet fraai maar zeker interessant zijn.

Internationaal

In tegenstelling tot de universiteiten kan het Meertens-instituut dit soort onderzoek grootschalig aanpakken. Het ontbreken van een onderwijstaak geeft de staf die uit  ongeveer twintig vaste medewerkers en een aantal contractanten bestaat, hiervoor de ruimte. Om vergrijzing te voorkomen vult men volgens directeur Van Marle opengevallen plaatsen tegenwoordig het liefst iedere keer tijdelijk op met jonge onderzoekers. 

Een andere nieuwe trend  zijn de pogingen aansluiting te vinden bij internationaal onderzoek. Tekenend hiervoor mag het genoemd worden dat het Meertens-instituut mede-organisator is van het tweejaarlijkse internationale congres voor historische taalkunde dat in 1991 in Amsterdam gehouden wordt. Van Marle is tot president van het congres gekozen dat verder een gemeenschappelijke onderneming van de KNAW en de VU zal worden.

Taalverlies

Illustratief voor de pogingen aansluiting te vinden bij internationale onderzoeksvragen is ook het volgende: de afdeling dialectologie houdt zich bezig met het totale Nederlandse taalgebied, dus bijvoorbeeld ook met het Nederlands van emigranten in Amerika. Dat laatste onderwerp is op het moment zelfs een speciaal aandachtsgebied.

Ruim twintig jaar geleden zijn er in de Verenigde Staten bandopnamen gemaakt van de restanten van het Nederlands en het Fries bij vertegenwoordigers van verschillende generaties emigranten. Ook hier geldt overigens weer dat de kijk op wat interessant is veranderd is: vroeger vond men taalverlies vooral iets treurigs, tegenwoordig zijn taalkundigen geïnteresseerd in hoe taalverlies en taalverandering in hun werk gaan. Wat verandert er precies? De uitspraak, de vorm van de woorden, de grammatica?

Vragenlijsten     

Een hulp bij dialectologisch onderzoek kunnen ook de dialectvragenlijsten zijn. Sinds 1931 worden er enquêteformulieren rondgestuurd. Stapels papier (er staan tegenwoordig wel overal Apple-computers in het Meertens-instituut, maar die raken niet vanzelf gevuld met gegevens) met daarop de vertaling in dialect van reeksen zinnetjes. Ideaal is zo’n schriftelijke weergave niet, maar het is een heel wat snellere manier van gegevens verzamelen dan het uitschrijven van bandopnames. Daar liggen er trouwens ook bijzonder veel van opgeslagen in de kelderkluizen.

Ferdy E.

Maar niet alleen de blik op het materiaal verandert, ook het materiaal zelf is tegenwoordig anders. Door scholing en de radio en de tv is vrijwel niemand meer een monolinguale dialectspreker.

Het standaard-Nederlands laat steeds meer zijn sporen na in dialecten. Mensen zijn daarnaast mobieler dan in vroeger tijden: uit hoe iemand praat valt niet meer automatisch op te maken waar hij woont. Dat kan lastig zijn, want naast hun werk aan alle verschillende projecten moeten de mensen van de afdeling dialectologie soms ook de politie te hulp schieten.

Het meest recente geval waarbij de deskundigheid van het Meertens-instituut gevraagd werd was de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn. Lang voor het gehele Nederlandse publiek het bandje met de stem die vroeg naar de heer Rosa te horen kreeg, was het al naar de Keizersgracht gebracht. “We zaten met die Ferdy E. volledig op het goede spoor”, meldt van Marle, toch een beetje trots, “de Oost-Nederlandse kenmerken en ook het Indonesisch hadden we eruit gehaald, maar daarmee weet je nog niet waar iemand woont. Die kenmerken verdwijnen niet als iemand verhuist.”  

Dialectologie is een van de twee grote afdelingen van het Meertens-instituut. De andere is de afdeling Volkskunde, en daarbinnen vormt het Volksliedarchief een kleine, min of meer zelfstandige eenheid. Hier is onder meer de unieke collectie volksliederen ondergebracht die mede met de hulp van radioluisteraars door Ate Doornbosch is verzameld, een collectie waar andere landen jaloers op zijn.

De verzameling zal de komende jaren in zeven delen gepubliceerd worden. Het eerste deel is er al. Een dergelijke collectie bevat stof tot watertanden voor zowel historici als letterkundig georiënteerde neerlandici en taalkundigen. Momenteel wordt er nog nagedacht over mogelijke ordeningen (op thema in plaats van op melodie) van het materiaal.

En dan is er nog de Naamkunde-poot. Een kleine afdeling die traditioneel sterk historisch gericht is: men heeft zich vooral beziggehouden met de geschiedenis van locale plaatsnamen.

En weer is de gewone man hier de leidraad: hoe gaf hij zijn omgeving naam? Ieder stukje land bijvoorbeeld, kreeg van de boeren een naam toebedeeld aan de hand waarvan het nu mogelijk is van alles te zeggen over vroegere periodes. Bijvoorbeeld over zaken als begroeiing en bebossing. Daarnaast heeft het Meertens-instituut de complete volkstelling uit 1947 in huis op basis waarvan het Nederlands Repertorium van Familienamen wordt uitgegeven: voor veel mensen het beginpunt van een stamboomonderzoek. Overigens staan alle gegevens van het Meertens-instituut in principe open voor het gewone publiek.

Brillen

Tot slot als laatste bewijs dat de verrichtingen van het P.J. Meertens-instituut bijzonder gevarieerd zijn, een flauwe mop uit een verzameling uit 1670: Een brillekraemer riep: “Brillen, brillen, klaer om te leesen etc.” Een boer daer ontrent staende, haelde sijn almenack uyt sijn sack en besocht al de brillen. Als hij swoer dat hij er geen vinden kost daer hij door lesen kost, seyde de brillekraemer: “Maer vrient, ken je oock wel leesen?” De boer: “Neen ick.”  De oude moppen worden nog in 1988 uitgegeven.

‘Eigenlijk zijn we maar stakkers, want van de overlevingskansen van een taal weten we nog niets’

De strijd tussen standaardtalen en dialecten is een hard gevecht, dat al heel wat verliezers heeft opgeleverd. De vraag is of er uiteindelijk één eindoverwinnaar zal overblijven. En welke factoren in het algemeen belangrijk zijn voor de overlevingskansen van een taal.

Het onderzoek daarnaar is nog vrij jong. ‘Eigenlijk zijn we maar arme stakkers, want we weten er nog niets van,’ zegt prof. Frans van Coetsem (71) zelfs opgewekt. Van Coetsem is historisch taalkundige, een Vlaming die lange jaren (‘mijn mooiste jaren’) in Nederland gewerkt heeft, eerst als redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, (dat inmiddels eindelijk bijna af is), later als hoogleraar aan de universiteit van Leiden. Een kleine 25 jaar geleden vertrok hij naar Amerika, om hoogleraar te worden aan de Cornell University in Ithaka.

Hij is nooit meer teruggeweest in Nederland, maar gisterochtend opende hij een colloquium van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen dat als titel Dialect en standaardtaal draagt. Tot en met donderdag houden binnen‑ en buitenlanders daar lezingen over tamelijk specialistische onderwerpen als: de historische ontwikkeling van dialect en standaardtaal in de DDR, de geslachtsmarkeringen in de Nederlanden rond 1600, de gang van zaken in een taalcontactgebied in noordelijk Noorwegen, en de interactie tussen dialect en standaardtaal in Oostenrijk.

Aan Van Coetsem, die sinds drie jaar met emeritaat is, maar onverminderd actief, de taak om een overkoepelende inleiding te geven. Dat deed hij dan ook: de koepel waarbinnen zijn verhaal  zich afspeelt is zelfs nog ruimer dan het onderwerp van het colloquium, en strekt zich uit tot alle talen.

Maar dat is gemakkelijk te verklaren. Op mijn vraag wat het verschil is tussen een dialect en een standaardtaal zegt hij resoluut: ‘Niets. Er ís geen verschil.’  Wat voor dialecten onderling geldt, geldt evenzogoed voor dialecten en standaardtalen, en in principe ook voor standaardtalen onderling vindt hij: ze beïnvloeden elkaar, nemen dingen van elkaar over, en soms legt eentje het af tegen een ander. Sterft een dialect uit dan heet dat ‘standaardisering’, wint de ene standaardtaal het van een andere dan noemt Van Coetsem dat (‘alleen omdat je soms toch het verschil moet aangeven’) ‘internationalisering’.

Gaat dat allemaal niet erg hard? De begrippen dialect en standaardtaal bestaan toch niet voor niets? ‘Zeker,’ zegt van Coetsem, ‘er is verschil in de positie die ze innemen. Dialecten functioneren dikwijls als keukentafel, zeg ik altijd. Het is een soort familiale taal, die niet onder alle omstandigheden gebruikt wordt. Soms heeft een dialect een lagere status omdat het geidentificeerd wordt met een sociaal lagere klasse, dan heet het een sociolect.’

‘Sociaal‑politieke en geografische factoren  bepalen vaak of je iets een dialect noemt. Daarnaast heb je ook nog allerlei taalvariëteiten, bijvoorbeeld in het accent: er bestaat zoiets als een Limburgs accent, naast een aantal Limburgse dialecten. Dat zijn variëteiten binnen een land, maar er bestaan ook verschillen tussen landen: je hebt Brits‑Engels en Amerikaans‑Engels, en voor het Engels geldt bij uitstek dat je ook nog variëteiten hebt in het taalgebruik van al die mensen voor wie het Engels niet de moedertaal is. Dat zijn er inmiddels waarschijnlijk meer dan de moedertaalsprekers. ‘

‘En dat leidt dan, zag ik bij mijn aankomst, tot bordjes op Schiphol waarop staat ‘Mind your step’. Heel begrijpelijk Engels, maar een Engelstalige zou altijd ‘Watch your step’ zeggen. Er is zoveel mogelijk, en uit taalkundig oogpunt maakt dat allemaal niet uit, al die variëteiten nemen alleen een andere positie in.’

Soort beschaafd Vlaams

Duidelijk is inmiddels wel dat het bestaan van een schrift en onderwijs in een taal, plus het gebruik ervan in de media de positie van een taal aanzienlijk versterken. Vandaar dat Van Coetsem zich wel een scenario kan voorstellen waarin het Engels het uiteindelijk van alle andere talen gaat winnen.

Dat zou dan min of meer op de manier gaan zoals hij in zijn eigen gezin in Amerika heeft zien gebeuren nadat hij uit Leiden vertrok: hij en zijn vrouw spreken nog altijd een soort beschaafd Vlaams, zoals zijn vrouw het uitdrukt, voor de kinderen is Engels de normale voertaal, al spreken ze met hun ouders nog wel Nederlands, maar de kleinkinderen kunnen alleen ‘opa’ en ‘oma’ zeggen (mevrouw Van Coetsem: ‘Dan zegt mijn kleinzoon ‘oma, don’t speak that language, I don’t understand you.’).

Van Coetsem: ‘Iets dergelijks zou ook hier kunnen gebeuren. Dat je functieverlies krijgt. Eerst maak je Engels verplicht in het onderwijs op de universiteiten, dan wordt het langzamerhand de voertaal in bijvoorbeeld het zakenleven, en uiteindelijk is het Nederlands alleen nog een keukentafeltaal. Wat er nu met het Engels gebeurt is natuurlijk nieuw. Nog nooit heb je een dergelijke mondiale expansie van een taal gehad. Ook de tv zorgt ervoor dat het Engels van iedereen is. Passieve kennis van een taal kan het begin zijn van het invoeren van die taal. Maar begrijp me wel, ik durf er geen enkele voorspelling over te doen.’

‘Bij taal is de gevoelsfactor ook heel belangrijk, en dat maakt voorspellen onmogelijk. Vroeger had je Charivarius die stukjes in de Groene Amsterdammer schreef, dat zult u zich wel niet meer kunnen herinneren, maar die behandelde taal altijd of het iets rationeels was. Dat werkte dus niet.’

Van Coetsem zegt zelf altijd nogal emotioneel over taal geweest te zijn. Zijn eigen ervaringen met het fenomeen ‘taalcontact’ zijn bijzonder rijk: als kind leerde hij het Vlaamse dialect van Geraardsbergen, van zijn elfde tot zijn 22ste hoorde hij tijdens zijn opleiding alleen Frans, en daarna werd hij een aanhanger van de Groot‑Nederlandse gedachte (Vlaanderen moest bij Nederland getrokken worden), juist omdat een standaardtaal in Vlaanderen ontbrak.

De meeste van zijn medestanders uit die tijd lieten zich toen de oorlog aanbrak verleiden tot de Groot‑Duitse gedachte, zodat Van Coetsem zichzelf nu een soort ‘fossiel’ noemt: de laatste aanhanger van de Groot‑Nederlandse gedachte. ‘Ach, misschien is het wel heel naief,’ zegt hij, ‘we waren vroeger echt veel naiever dan de jonge mensen van nu. Ik vind Nederland nu eenmaal het mooiste land dat er bestaat, en ik heb het Nederlands blijven spreken gecultiveerd.’

Zelfs de wetenschap was toen hij begon een stuk naiever, zegt hij. Alle ontwikkelingen heeft hij meegemaakt: de opkomst van de structuralisten, de generatieve taalkunde van Chomsky, de formalisering van de fonologie. Grote winst van al die jaren vindt hij ‘dat we nu eens verplicht werden om alles te formuleren. We waren zo vaag in onze beweringen. Nu werk ik met regels.’

Anderzijds ziet hij toch ook wel hoop voor het Nederlands: er is ook zoiets als de ‘stabiliteitsfactor’: wanneer een taal dingen uit een andere taal overneemt, zoals het Nederlands nu veel woorden uit het Engels opneemt, dan zorgt die taal voor voldoende aanpassing. Het is niet eenvoudig voor de ene taal om de andere te overwoekeren, omdat geleende woorden toch weer verbogen, vervoegd en uitgesproken worden zoals gewoon is in de taal waarin ze terecht gekomen zijn.

‘Als je kijkt naar taalcontact, dan kun je heel veel verschillende dingen waarnemen,’ zegt Van Coetsem, ‘maar zolang er geen synthese bestaat waarin alle factoren verwerkt zijn kun je niets met zekerheid stellen. Zolang blijft taalkunde toch vooral een nobel spel.’ 

Het colloquium duurt tot en met donderdag en wordt georganiseerd door dr. J.A. van Leuvensteijn van de Vrije Universiteit van Amsterdam en wordt gehouden in het gebouw van de KNAW, Kloveniersburgwal 29 in Amsterdam (020‑222902)

Noot: Frans van Coetsem is op 11 februari 2002 overleden. Toen was hij 82.

 

Twee keer achteraan in het midden

De vieste lebberde voluit met zo’n grote brede tong het kogelvrije glas voor mijn neus af. Hoewel, die ander die er snot aan smeerde vond ik misschien nog wel smeriger. De griezeligste was in ieder geval die vent die razend en tierend probeerde om, dwars door datzelfde glas, met zijn vingers mijn ogen uit te steken. Omdat de film waar hij naartoe wilde uitverkocht was.

Maar, eerlijk is eerlijk, dat waren uitzonderingen. Je had er nog wel eens een die in het schuiflaatje voor het geld spuugde, maar in een ‘kleine typologie van de bioscoopklant’ zouden die toch onder het hoofdje “restgroep” komen.

De bioscoop waar ik werkte was zeven zalen en een kassa groot. Die kassa heette terecht het hok. Rechts was daar voor wie binnenkwam (dat waren op straffe van ontslag alleen kassapersoneel en bedrijfsleiding) de kogelvrije glaswand, links het schot waarachter de dagomzet geteld werd, met daarboven voor iedere zaal twee rijtjes verstelbare klokken: de bovenste voor de aanvang van het voorprogramma en daaronder die met de aanvang van de hoofdfilm. Die klokken verzetten, zoals we braaf iedere speelweek deden, alsmede op zondag (twee matinees in plaats van een) en dus weer op maandag, was totaal verspilde moeite: bijna niemand keek ernaar, en wie dat wel deed zag er heel andere tijden op dan wij zelf. Stoere jongetjes met teveel haar in hun nek joelden soms eerlijk dat ze geen klok konden kijken. Onveranderlijk hadden ze wel een supersonisch turbo digitaal horloge om.

Sinds mensenheugenis was er niets meer veranderd aan het hok. Rechts, voor het glas, was een lange doorlopende plank gemonteerd. Op gelijke afstanden van elkaar hingen daar drie geldladen onder, er zaten drie schuiflaatjes in, en er waren drie microfoons op geschroefd. Erachter stonden drie hoge stoelen. Alle goede dingen in drieën. Zou je denken.

Maar de beits van de plank was allang uitgebeten en aan de onderkant van de geldlade haalde je altijd je kousen open (vergoeding uitgesloten). De schuiflaatjes schoven ofwel zo stroef dat je een lamme arm kreeg van het duwen, of ze liepen dermate soepel dat het wisselgeld volautomatisch in de portemonnee van de klanten vloog. Het middelste microfoontje heb ik nooit horen werken.

En dan die stoelen.. smerig okergeel met gaten en vlekken, (in al die jaren waren er wel eens wat dames doorgelekt natuurlijk), niet te tillen zo zwaar, en wie er een uurtje op gezeten had, was hard toe aan een wandelingetje (twee stappen) naar de memokast. Het aanstrepen van stijl- en spelfouten in de stroom briefjes vol orders, opdrachten en pesterijen (“Geachte dames kassieres, vanaf heden zijn de telefoons ingaande lijnen geworden”) die Het Hoofdkantoor bedacht, was een kinderachtig genoegen dat weinigen zich lieten ontzeggen.

De zuinigheid die datzelfde Hoofdkantoor dicteerde ging overigens verder dan de kassa. De Directie had in het bedrijf een stroman gezet die zich als tegenprestatie unit manager mocht noemen. Bereikbaar was de stroman nooit. “Nee”, legde hij ons uit, “ik neem geen pieper mee. Er zijn er al een stel kapot, en we moeten zuinig zijn op die ene die het nog doet.” Zo kon hij ook goede redenen aanvoeren voor het feit dat in een van de buffetten de cola in de flesjes bevroor, maanden achtereen: “Laten maken? Weet je wel wat dat kost!! Alleen de voorrijkosten al.”

Sparen op de elektriciteitsrekening deed hij liever door de lichten op de trap uit te doen. Struikelend bereikten we de wc of de koffiemachine ook wel. Deze Zeeuws meisje adept koesterde ook een “versterfschaar”, die hij zelf in het bedrijf had ingebracht. Het kleinood was afkomstig uit de nalatenschap van een familielid, dat nota bene het onfatsoen gehad had zich dood thuis aan te laten treffen terwijl onze unit manager net op welverdiende vakantie was. Met smaak, en vooral ook vaak, vertelde hij over de stank waarvoor men hem teruggeroepen had. 

Toch leverde wat aan de andere kant van de kogelvrije ruit verscheen meestal meer weerzin op. Het publiek dat deze bioscoop bezocht mag een aardige doorsnede van de Amsterdamse burgerij genoemd worden. In het dagelijks leven ongetwijfeld zeer uiteenlopende mensen, maar eenmaal binnen de bioscoopdeuren merkwaardigerwijs plotseling een kudde antropomorfe schapen. Een kudde waarvan het gedrag bepaald werd door twee, vaak samenhangende waanideeën. Het eerste is dat ieder schaap een onvervreemdbaar recht heeft op een gang van zaken die hem of haar persoonlijk goed uitkomt. En ten tweede vertoont de juffrouw achter de kassa veel trekjes van een wolvin, je natuurlijke vijand. Zij is dus de schuldige van alles dat anders verloopt dan ideaal zou zijn.

En ideaal is maar een ding: een gratis kaartje, achteraan in het midden, waarvoor je niet in de rij hoeft te staan. Ideaal bestaat niet, en wat mensen aan de andere kant van het loket zich nooit realiseren is hoe stereotiep hun reacties zijn. Ik heb wel eens gezworen dat ik de eerstvolgende die bij het horen van de prijs voor zijn kaartje verwachtingsvol-jolig “of je een emmer leeggooit” tegen me riep persoonlijk een emmer water over zijn hoofd zou gooien. En wilt u alstublieft nooit meer denken dat u een leuk grapje maakt wanneer u de plaatsen vooraan in de zaal “nekloge” noemt? Trouwens, als u op zaterdagavond tegen half tien een kwartier in de rij heeft gestaan, dan heeft het geen zin naar plaatsen achter in de zaal te vragen. Ook niet als de hele rij voor u dat wel doet.

Rinus Ferdinandusse verbood onlangs op tv een stelletje professoren om de term “cognitieve dissonantie” te gebruiken. Maar welk ander mechanisme kan het hardnekkige voortbestaan van een fenomeen als de vier-uur-klant zo mooi beschrijven? Zes middagen per week riep ik ze op afstand al toe: “U heeft gekeken bij zondag. Door de week is er maar een middagvoorstelling. en die is al afgelopen. U kunt nu NIET naar de film. Vanavond pas weer.” Verwilderde en ongelovige blikken. Teruglopen, nog eens op het bord met het programma en de tijden kijken, en voor de zekerheid “toch nog maar even vragen”. Dol werden we ervan. Mensen lezen niet, of ze blijven steken bij het eerste hen welgevallige woord. “Reductie” bijvoorbeeld. “Voor 65-plussers en studenten” stond daar dan onder. En: “Alleen de matinee.” Zelfs een groot papier met in koeieletters UITVERKOCHT erop, zo opgehangen dat het de klanten het zicht op de caissière vrijwel benam, had net zo goed in spijkerschrift geschreven kunnen zijn. Immers, het plan was: vanavond gaan we naar die film. En daar kon NIET van afgeweken.

Maar voor we uitverkocht waren, waarschuwden we altijd keurig. “Het wordt wel de eerste rij hoor”, zeiden we dan. Negen van de tien keer kregen we terug: “Is dat vooraan of achteraan?”. De reactie “Wat dacht u zelf?” werd nooit gewaardeerd. En dan de laatkomers. “Is de film al begonnen?” “Ja, hij is tien minuten bezig.” “Oh, de reclame. Nee, ik bedoel de film zelf.” “Ik ook.” “Dus de hoofdfilm is al bezig?” “Ja, ik gaf gewoon antwoord op uw vraag.” “Maar er is toch altijd eerst reclame?” “Ach natuurlijk, hè, wat dom van me. Gelukkig weet u het beter dan ik.”

Ach, communicatie. Het blijft moeilijk. Anders dan steeds meer makers van Sterspots en bioscoopreclames schijnen te denken, is er geen sprake van dat heel Nederland tegenwoordig Engels spreekt. Niet alleen worden de filmtitels consequent verhaspeld (de variaties op iets als Beverly Hills Cop alleen al), of domweg niet begrepen (bij een Engelstalige film over het meisje Angel vraagt een behoorlijk percentage naar het steekorgaan van bijen en wespen), maar zelfs de aanduiding “English spoken” zorgde zeker eens per maand voor de bezorgde vraag “Issie erg eng? Ik zag daar iets staan van Engelse spoken?”.

Daar kun je naderhand nog eens hartelijk om lachen, maar echt ergerlijk zijn de toeristen die juist weer geen woord Nederlands spreken. Zelfs geen poging in het werk hebben gesteld iets eenvoudigs als “Dag” of “Bedankt” te leren. Duitse hippies die stoned alleen maar “Kino drei” roepen en je niet-begrijpend aanstaren wanneer jij hun dan ook maar gewoon in je moerstaal antwoordt.

Of die vreselijke Amerikanen die nog wat decibels luider dan normaal bij voorbaat al in een soort debieltjes-Engels tegen je beginnen over een “discount”. Want daar hebben ze allemaal recht op. Vinden ze. Drie van de tien vragen trouwens of de film waar ze heengaan Engels ondertiteld is, en dat je in de bioscoop niet met een creditcard of dollars kunt betalen is natuurlijk ronduit “absurd”. Een Engelsman, die om te beginnen vraagt of je wel Engels spreekt en vervolgens aan zijn vragen netjes “please” toevoegt, is onder dergelijke omstandigheden een ware verademing. 

Het onbegrip is grenzeloos. Je zou er zelf nooit opkomen. Een collegaatje kreeg op haar mededeling dat de film uitverkocht was te horen: “Hoe kan dat nou? Ik zie daar nog een rol kaartjes liggen!” Zelf had ik een keer een meneer aan de lijn die argeloos vroeg: “Mevrouw, ik zie hier in de krant staan ‘dag. om twee uur, zeven uur en half tien’, maar nu wil ik u vragen: welke dag?”

Ja, die bellers. De helft weet eigenlijk niet eens waarvoor ze bellen. Vragen als “Wat draait er zoal in de stad?” en “Ik wil naar de bioscoop tegenover u, maar daar nemen ze niet op. Kan ik niet even bij u kaartjes bestellen?” zijn ook heel gewoon. En maar “overleggen”, of ze Kees Schilperoort zelf aan de lijn hebben!

De mensen zijn slecht. Alleen al het feit dat er altijd wel een legertje Jansens en de Vriezen opdraaft als de voorstelling uitverkocht is. Ze hebben kaartjes besteld. Het is een schande. Ze willen de bedrijfsleiding spreken. Ze komen hier nooit meer terug. Maar ze hebben desgevraagd altijd gebeld op een moment dat de zaal al vol was, of de telefoon niet opgenomen werd.

Ze zijn nog slechter. Op een goede dag had De Directie weer een flitsende actie verzonnen: ieder vijftigste kaartje zou gratis verstrekt worden. Door middel van kranteadvertenties en plakkaten in de hal werd het publiek daarvan in kennis gesteld. Maar zoals gezegd: het publiek leest nooit iets. Wij caissières zagen in die periode dus ieder vijftigste gezicht blij verrast kijken wanneer we het hele toneelstukje van “JA! U bent de gelukkige die etc.” opvoerden. Nu voelden we, allen academicae in spe, wel wat voor een experiment, en dus besloten we op een kwade maar gedenkwaardige avond om onze Readers Digest act achterwege te laten. We zeiden nu eens helemaal niets. Iedere vijftigste klant kreeg gewoon zonder uitleg teveel geld terug. Dat bleek de manier om de rij snel weg te werken: nog nooit werd het wisselgeld zo haastig uit onze bakjes gegraaid. Gnuivend stond onze geachte clientèle dan even later de veronderstelde buit te tellen.

Het was een drukke avond. De tweede voorstelling was zelfs helemaal uitverkocht. Dat was alvast goed voor ruim 1700 man, dat wil zeggen 34 onverwachte vrijkaartjes. Van die 34 (in werkelijkheid, met de eerste voorstelling erbij, dus nog meer) was er welgeteld een die zei: “U geeft teveel terug hoor”. Wist u, hooggeëerd publiek, dat iedere ontbrekende stuiver door de caissières zelf uit hun eigen zak betaald moet worden? Ik heb wel eens f 20.000,– binnengehaald op een middag. Het tientje dat ik tekort kwam kon me ook toen natuurlijk niet kwijtgescholden worden.

Het mag trouwens wel een godswonder heten dat het niet meer was, gezien de gevechten voor mijn kassa waarbij voortdurend vijf mensen tegelijk hun geld in het laatje gooiden. U zult dat misschien niet willen geloven, maar mensen zijn bereid hun leven te wagen voor een kaartje voor Rambo, Rocky, of Ciske de Rat. Benauwd gesteun van degenen die geplet worden, scheldpartijen tussen klanten (“sodemieter op klerelijer, ik was eerst”), het geluid van rake klappen, de kreten van pijn, ik heb geleerd het allemaal te negeren. Maar ik heb er nooit aan kunnen wennen.

Net zomin als aan wat ik maar samen zal vatten als de onbeleefdheid. Bij de vier of vijf klanten per dag die spontaan hun bestelling begonnen met “goeiemiddag” of “goedenavond” steeg er dikwijls een hoeraatje op in de kassa. Dit tot verbijstering van de klant in kwestie. Hele hordes mensen zeggen überhaupt niets. Ze smijten een briefje van vijfentwintig in het laatje en denken blijkbaar echt dat de caissière dan wel kan raden hoeveel kaartjes voor welke film ze daarvoor willen hebben. Wacht die caissière rustig tot klantlief zijn wensen expliciet maakt, dan wordt hij boos. Trekt ze met een vrolijk gezicht het schuiflaatje naar zich toe en zegt ze “Nou, dankjewel, dat is nog eens aardig” (zulke dingen ga je doen op den duur) dan wordt hij nog veel bozer. Leer mij de Amsterdamse gein kennen.

Waren er ook leuke dingen? Ja. Er waren ook leuke dingen. Er was het meneertje met het borstelhaar en de rouwranden die familie bij de KLM had. Hij ging de halve wereld af en bracht ons dan zijn fotoalbums met zelfgeschreven commentaar. Hij was ontroerend. En een keer kwam er een jongen die jaren in Stockholm gewoond had. Hij bracht ons bloemen. En soms, heel soms, kwam er een echt mens, die het begreep en met ons mee grinnikte. Voor het overige putten wij kracht uit een immer toepasselijke opmerking van een van de bedrijfsleiders. “Ach”, placht hij te zeggen, “je moet maar zo denken: die mensen hebben een veel rottiger privéleven dan jij en ik.”

“Taal is geen logica”

Hoe wordt er gepraat in Nederland en Vlaanderen? Mensen uit 267 plaatsen en plaatsjes vertelden het aan onderzoekers en hun hulpinterviewers. Sjef Barbiers van het Meertens Instituut leidde de zaak. Deel een van een atlas die de rijkdom aan variatie in zinsbouw van de Nederlandse dialecten laat zien, is klaar. ‘Dat kunnen we niet zeggen nie’.

Eigenlijk wijkt dr. Sjef Barbiers in alles af van de klassieke dialectoloog. Om te beginnen spreekt hij zelf geen enkel dialect. “Ik ken dus dat speciale gevoel niet”, zegt hij.

Ook houdt hij zich niet bezig met vragen als waar spreken ze huis uit als hoes, huus, of hois? Of in welke delen van Nederland en Vlaanderen heet een vaatdoek een (variant op) schotelslet? En loopt er een duidelijk grens tussen de gebieden waar ze stekskes en waar ze zwiemele zeggen tegen lucifers?

Toch heeft Barbiers (45) het volgens de Europese wetenschapsorganisatie ESF in zich een wereldleider te worden op het gebied van dialectonderzoek. De komende vijf jaar mag hij daarom aan onderzoek één en een kwart miljoen euro uitgeven, het bedrag dat verbonden is aan de European Young Investigators Award die hij eerder dit jaar won. Dat gaat naar een tot voor kort wat stiefmoederlijk behandeld onderdeel van het dialectonderzoek: de vraag in hoeverre dialecten onderling verschillen in de manier waarop ze zinnen bouwen.

Dat is namelijk Barbiers’ vak: syntaxis. De afgelopen vier jaar gaf hij leiding aan het maken van een overzicht van de zinsbouwvariatie in Nederlandse dialecten. Deel een van de  atlas waar dat allemaal in staat, is vrijwel klaar, net als de website-versie. Het prijzengeld is bedoeld voor een Europees vervolg .

Champions League

Op zijn kamer op het Meertens Instituut, het KNAW-instituut voor onderzoek en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur, vertelt Barbiers met een mengeling van trots en lacherigheid over het winnen van de prijs.

“Het was net de Champions League”, zegt hij. “Want het is een open competitie, waarbij eerst zestien landen geld in een pot stoppen, en dan kunnen ze allemaal aanvragen indienen – met het risico dat alleen projecten uit andere landen winnen. Het gaat getrapt, dus er vallen er steeds meer af. De eerste selectie was bij NWO, die stuurde er dertien door. De strijd ging vervolgens tussen130 aanvragen, een aantal dat op Europees niveau gehalveerd werd, en zo verder. Op een gegeven  moment was het zover dat ik naar Brussel moest om mijn project in dertig minuten te verdedigen. Heel spannend.”

Hij werd dus een van de 25 winnaars. “Ik vind het vooral een grote opsteker dat de concurrentie met de harde bèta’s gelukt is”, zegt hij. “Bijna alles is daarheen gegaan. Uiteindelijk kwamen er twee winnaars uit de sociale wetenschappen, en alleen mijn aanvraag kwam uit de geesteswetenschappen.”

Zo veel systeem

Barbiers heeft Nederlands gestudeerd, en vanaf zijn tweede jaar deed hij eigenlijk niets anders dan theoretische taalkunde. “Er ging een wereld voor me open”, vertelt hij. “Ik dacht: ik spreek deze taal nou zo’n twintig jaar, en het is me nooit opgevallen dat er zo veel systeem achter zit. De eerste keer dat je bijvoorbeeld ziet hoe het ongeveer werkt met de mogelijkheden om ‘hem’ en ‘zichzelf’ te gebruiken. En wat er juist niet kan.”

Systeem zit er in alle talen, inclusief de dialecten, die puur taalkundig bekeken niet anders zijn dan standaardtalen. Een veel herhaalde definitie blijft: een taal is een dialect met een leger en een vloot.

Maar de systematiek springt niet meteen in het oog. En traditionele zinsontleding geeft maar een heel beperkt beeld van de bouwmechanismen van taal. “Van je woordenschat ben je je tamelijk bewust”, zegt Barbiers, “van je grammatica niet.”

Toen dialectologen in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw serieus werk maakten van het verzamelen van allerlei gegevens, had eigenlijk bijna niemand zelfs maar door dat zinsbouw een interessant onderzoeksonderwerp was. Meestal bleef het terrein dus beperkt tot klanken en woorden.

Maar onder meer door de atlas, beter bekend als het SAND-project (waarbij SAND staat voor ‘Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten’, het Meertens Instituut werkte eraan samen met de universiteiten van Gent, Antwerpen, Leiden en Amsterdam, en met de Fryske Akademy) is de inhaalslag van de syntaxis in volle gang.

Barbiers legt uit dat dat niet zo gek is. “Inmiddels hebben we een onderzoekstraditie van zo’n vijftig jaar”, zegt hij, refererend aan het moment waarop de Amerikaanse taalonderzoeker Noam Chomsky zijn inzichten begon te publiceren.

“Als het om syntaxis gaat, wordt het vrij snel knap ingewikkeld. Je werkt met formaliseringen en het kost moeite die te volgen. Al denk ik zelf trouwens dat dingen pas echt leuk zijn als je er moeite voor moet doen. In de atlas gebruiken we wel de resultaten uit de theoretische taalkunde, maar we hebben geprobeerd de algemene inleidingen in de verschijnselen ook toegankelijk te maken voor wie niet in syntaxis gespecialiseerd is.”

Bespottelijk

Soms is het wel wennen waar syntaxis over gaat. Barbiers lacht: “Ik herinner me dat ik het bespottelijk vond toen ik hoorde dat iemand een heel proefschrift had geschreven over alleen maar het woordje ‘er’. Die iemand was Hans Bennis, de huidige baas van het Meertens Instituut. Maar toen ik het gelezen had, begreep ik dat er nog veel meer over te zeggen viel.”

“Het gaat om vragen als: in wat voor zinnen móet er ‘er’ staan, wanneer kán het, in welke omgeving wel, in welke niet. Dat is gecompliceerd, het is ook een van de dingen die tweede-taalleerders bijna niet onder de knie krijgen.” Zelf zou hij later in zijn proefschrift een heel hoofdstuk aan alleen maar het woordje ‘pas’ wijden.

Bij de dialecten gaat het vaak ook om op het oog kleine dingetjes. Neem de verdubbelingen: dubbele ontkenningen (dat kunnen we niet zeggen nie), dubbele voegwoorden (‘of dat’), dubbele vraagwoorden (‘wie denk je wie ik gezien heb’), dubbele onderwerpen (het typisch Vlaamse ‘’k ik’, dat anders dan vaak gedacht zeker geen stotteren is), de Nederlandse dialecten zitten er vol mee.

Barbiers: “Dat is onverwacht als je ervan uitgaat dat de functie van zinsbouw is om de betekenis van losse woorden te combineren tot een complexe betekenis. Maar die verdubbelingen dragen niets bij aan de betekenis. Daarmee vormen ze een unieke manier om naar ‘pure syntaxis’ te kijken. Het laat zien dat zinsbouwprincipes ingewikkelder zijn dan ze op het eerste gezicht misschien lijken. Kennelijk zijn die verdubbelingen die geen betekenis toevoegen soms toch nodig.”

Voorspellingen

Nodig binnen het systeem, waarop dialecten een extra licht kunnen werpen. Zo zegt Barbiers het onderwerp waarop hij afstudeerde (hij probeerde te verklaren waarom een zin als ‘over boeken gesproken, ik heb een leuk gelezen’ niet goed klinkt, terwijl ‘over films gesproken, ik heb een leuke gezien’ dat wel doet) beter te begrijpen nu hij gezien heeft hoe het in dialecten ‘werkt’. Hij legt uit: “Als je nauw verwante dialecten onderzoekt, hou je vanzelf een groot deel van de eigenschappen constant. Net als bij experimenten in andere wetenschappen. Je kunt dan zien welke eigenschappen meeveranderen als je één eigenschap verandert.”

“En op die manier kun je ook voorspellingen doen. Net zo goed als voorspeld kan worden dat er een atoom met een bepaald nummer moet zijn voordat iemand het ooit gezien of aangetoond heeft. Een goed voorbeeld zijn die zinnen waarin het vraagwoord verdubbeld wordt, ‘wat denk je wie…’ en dergelijke. Dat die bestaan is iets dat de theorie voorspelde.”

Het feit dat alle Nederlandse dialecten, en trouwens ook de meeste andere talen, dubbele ontkenningen gebruiken doet hem vermoeden dat het een artefact is dat je in het Standaardnederlands bijvoorbeeld niet ‘nooit niet’ mag zeggen. Barbiers: “Je kunt het ook bijna afdwingen. Als je iemand een zin laat afmaken als: ‘Ik ga niet opzij, voor jou niet, en voor niemand…’ dan komt daar bijna altijd nog een ‘niet’ achteraan dan. Het is de normatieve taalkunde die zegt dat dubbele ontkenningen niet logisch zijn, maar taal is geen logica.”

Muurvast

Zoals wel vaker blijkt uit de verzamelde gegevens. Barbiers: “In het Nederlands bestaat een tamelijk wilde zinsbouw, maar de plaats van het werkwoord in bijzinnen ligt muurvast. We hebben het dialect van 267 plaatsen en plaatsjes onderzocht, en in alle 267 is ‘dat Jan leest het boek’ onmogelijk, terwijl het in het Engels prima is.”

Barbiers’ kamer ligt bezaaid met kaarten van het hele Nederlandstalige gebied. De grote doen denken aan de ouderwetse schoolkaarten waarmee je geografische kennis getest werd, alleen zouden scholieren hier wel een heel harde dobber aan hebben: 267 stippen en stipjes zonder plaatsnaam is een hoop.

Maar Gronsveld, Merckegem, Rijckholt, Sint-Truiden, Vaals, voor Barbiers zijn het vertrouwde klanken geworden, en hij weet inmiddels meestal ook precies waar die plaatsjes liggen. “Dat aantal van 267 is ingegeven door praktische overwegingen, zoals geld”, vertelt hij.

Het is in elk geval zeker voldoende om patronen zichtbaar te maken. Neem de kaart waarin verwerkt is welk wederkerend voornaamwoord mensen gebruiken, met andere woorden, wat ze antwoordden op de vraag hoe ze in hun dialect ‘Eduard kent zichzelf goed’ zouden vertalen. Het oosten zegt ook ‘zichzelf’, maar in Friesland en omstreken is het ‘hemzelf’, terwijl in het midden van het taalgebied, in Brabant, Zeeland en Utrecht ‘z’n eigen’ de gebruikelijke vorm is. De berg data overziend is het volgens Barbiers vooral opmerkelijk dat er zoveel syntactische variatie is, nog bestaat. “De informanten waren van de generatie 55 tot 70”,  vertelt hij.  “Veel van begin twintigste eeuw blijkt nog hetzelfde te zijn.”

Hoort u dit?

De organisatie van een groot project als SAND is een enorme klus. Methoden en technieken luisteren bij dit soort onderzoek nauw. Barbiers legt uit: “We hebben consequent gewerkt met hulpinterviewers die zelf dialectsprekers waren. Die kregen dan een ochtend instructies en spraken voorbeeldzinnen in. Niet de onderzoeker, maar zij zeiden voor en stelden de vragen tijdens de interviews. Als je mensen in het Standaardnederlands aanspreekt, is de kans groot dat ze hun eigen taalgebruik aanpassen.”

Nog een truc was om niet te vragen of iets goed of fout was in een bepaald dialect. “We zeiden: komt dit voor? Hoort u dit? Soms krijg je dan trouwens ook antwoorden als: nee, hier zeggen we dat niet, maar een dorp verder hoor je het voortdurend. Bij weer andere dingen konden mensen op een schaal van een tot vijf aangeven hoe normaal iets was.”

Natuurlijk is alles ook digitaal verwerkt. En dat geeft indrukwekkende mogelijkheden waar veel onderzoekers, maar waarschijnlijk ook veel dialectliefhebbers hun vingers bij af zullen likken. De digitale SAND komt binnenkort online (www.meertens.knaw.nl/sand/zoeken), maar Barbiers laat vast het een en ander zien.

Zoeken kan uiteraard op allerlei manieren. Zo kun je bijvoorbeeld met de code C+PRON vragen om alle zinnen met een voegwoord gevolgd door een voornaamwoord. Dan kom je er onder meer achter dat ze in Kerkrade zeggen: ‘Wentver slecht leve, levever niet gelukkig’ (als we slecht leven, leven we niet gelukkig).

Maar zo’n zin is niet alleen uitgeschreven en van taalkundige ‘labels’ voorzien, je kunt ook de context in beeld krijgen (werd er gevraagd om een vertaling, zei iemand het na?) én het oorspronkelijke geluidsfragment horen.

Nog meer kaarten

Dat laatste is uiteraard uitgesloten op papier. “We zeiden vier jaar geleden meteen dat er een digitale versie moest komen”, zegt Barbiers, “maar er was ook de wens er een boek van te maken. Deel een dat nu klaar is, bevat 146 kaarten. Het is een Engels/Nederlands boek, met inleidingen en zo’n 140 pagina’s toelichtingen bij de kaarten. De database heeft de mogelijkheid zelf kaarten te maken, die dan weer toegevoegd worden. Het is een onderzoeksinstrument dat in de loop van de tijd groeit.”

Straks komen nog veel meer kaarten uit de rest van Europa bij, als de SAND voor Europa gemaakt wordt. “Die komt alleen een digitale versie van, met de gegevens van verschillende onderzoeksgroepen”, zegt Barbiers. “Het leuke is ook dat het dikwijls een continuüm is, een dialect houdt niet per se op bij de grens. Het kan gebeuren dat Noord-Limburgers Brabanders tien kilometer verderop niet begrijpen, maar tot ver in Duitsland alles verstaan. Het uiteindelijke doel van dit werk is het inzicht in het taalsysteem vergroten, en daarmee geef je tegelijk een empirische basis aan de intuïties die maken dat je zegt: ‘oh, die komt daarvandaan, dat hoor ik zó’.”

 

Nog twee rijmdagen tot sinterklaas

Er wordt op dit moment weer heel wat afgeworsteld met het Sinterklaasgedichtenprobleem. Hou even op met het wezenloos vullen van vellen, neem deze krant ter hand en volg ze op: de adviezen van twee onverbiddelijke vaklui.

‘Vreselijk,’ roept Pieter Nieuwint, ‘Sinterklaas is leuk, maar het is heel erg dat je enthousiast moet doen over verschrikkelijke gedichten. Je wordt verplicht alles waar je in geloofde te verkwanselen. De gêne van een slecht gedicht, dat kent toch iedereen? Je hart bloedt als je na het struikelend voorlezen van zo’n monstrum een gelukkige glimlach in de richting van de gever stuurt.’

Op zoek naar een antwoord op de vraag hoe het toch komt dat Sinterklaasgedichten van die onmiddellijk herkenbare, echte Sinterklaasgedichten zijn, kom je snel terecht bij de schrijvers van het ‘Het Lyrisch Lab’, een rubriek over de techniek van dichten, rijm en liedjes schrijven in het maandblad Onze Taal: Pieter Nieuwint (anglist, liedjesschrijver, ex-cabaret Ivo de Wijs) en Jaap Bakker (neuroloog, liedjesschrijver, maker van het Nederlands Rijmwoordenboek) maken om de beurt een artikeltje voor de nog steeds lopende serie.

Beiden beginnen spontaan over het bruiloften- en partijenwezen als het Sinterklaasgedichtenprobleem hen wordt voorgelegd. Daar zie je het al: gelegenheidsdichters verwaarlozen het ritme. Bakker: ‘Dat is het grote verschil tussen amateurs en professionals.’

Nieuwint: ‘De mensen kunnen niet tellen. Ik heb vaak op feesten liedjes begeleid op de piano. En dan komt de ceremoniemeester van tevoren vragen of je de melodieën kent.’

’Nou dat is altijd ‘Op een mooie Pinksterdag’ of ‘Over 25 jaar’, dus die liedjes ken ik wel. Maar dan vraag ik: ‘klopt het?’ En dan roepen ze: ‘ja hoor! We kunnen het zo meezingen met de plaat.’ Als je het dan later speelt, klopt er geen bal van.’

’Een regel met 22 lettergrepen uit ‘een mooie Pinksterdag’ heeft er dan ineens zestien, of zeventien. En het enige dat ze hoeven te doen is gewoon tellen. En een beetje op beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen letten.’

Sint Nieuwint

‘Op feesten valt het dan nog mee: een melodie zorgt dat je tot op zekere hoogte binnen een stramien gehouden wordt, ook al gaat iedereen om de twee regels uit de bocht, maar Sinterklaasgedichten zijn veel erger. In een Sinterklaasgedicht houdt de tweede regel op bij het rijmwoord. Dan krijg je van die dingen als: ‘Wat krijgt Gerard dit jaar nu toch eens voor Sinterklaas? Nou misschien speculaas.’

Nieuwint gruwt dan ook van de De Nieuwe Rijmenbundel, een uitgave van Uitgeverij Sintnicolaasrijmenblad in Roosendaal die voor f 4,85 bij de bladenman te koop is. 150 versjes op verschillende thema’s. Nummer 62 onder het kopje Vaak uitstellen:

’t Is niet voor ’n oplossing zorgen,

met steeds uit te stellen tot morgen.

Jij weet het misschien anders uit te leggen

maar… morgen kun je blijven zeggen.

Alleen de afgesproken leuke dingen

hoeft men jou niet af te dwingen,

zoals vanavond ben je zeker attent

voor het ontvangen van sint z’n present.

                        Namens Sint

Nieuwint: ‘Het enige dat hier goed aan is, is de lengte. Mensen gaan vaak maar door, vier, vijf blocnotevellen vol. En dan krijg je wat je ook hebt bij slechte sprekers: iedereen zit inwendig te bidden of er alsjeblieft in het zaaltje ernaast een bom mag ontploffen. Alles, als het maar ophoudt.’

Het gedichtje ‘Vaak uitstellen’ loopt niet soepel, en is gewrongen, maar de slotregels zijn een stokpaardje van Nieuwint en Bakker: ‘attent’ en ‘present’ zijn geen Germaanse, maar Romaanse woorden. En dat is maar niks.

‘Het hart spreekt geen Latijn’ zegt Bakker. ‘Het is te faciel’ zegt Nieuwint. Vreemde uitgangen, zoals bijvoorbeeld  -atie (zie: relatie, presentatie, statie, concentratie, obligatie, medicatie, prestatie, formatie, inspiratie, transpiratie) vinden ze niet leuk om op te rijmen, omdat er veel te veel mogelijkheden zijn.

Nieuwint: ‘Je voelt intuïtief aan: dat is geen kunst. Al die Romaanse talen hebben dat. Het is ook helemaal geen zwakte van het Nederlands dat Dantes Divina Comedia niet rijmend vertaald kan worden, dat is zwakte van het origineel: je hebt 7000 woorden die op -one of –ane eindigen in het Italiaans.’

’Net als in het Frans, daar heb je duizenden mogelijkheden om op -e te rijmen. Waardeloos. Daar is geen beginnen aan. Het is veel mooier als je tegen iemand zegt: ‘maak eens een gedicht dat rijmt op -elf.’ Dan weet je ook direct dat het niet langer zal worden dan vier coupletten, want er zijn maar vier woorden die op -elf eindigen. Ivo de Wijs heeft dat gedaan met het nummer ‘Een moment voor jezelf’.’

Bakker heeft zelfs bewijzen voor de stelling dat woorden van Germaanse oorsprong het in gedichten beter doen dan woorden die uit de Romaanse talen komen. Op basis van bloemlezingen van Gerrit Komrij en Hans Warren heeft hij een bestand van 10.000 rijmwoorden aan het einde van dichtregels opgebouwd en de computer laten tellen hoe vaak ze voorkomen.

Bakker: ‘Je kunt er natuurlijk pas echt iets van zeggen wanneer je de poëzie met proza gaat vergelijken, maar in de gedichten hebben de Germaanse woorden in ieder geval de overhand. En ‘dichterlijke’ woorden blijken hele gewone dingen te zijn, dingen die dicht bij ons staan.’

De top tien geeft hem gelijk: het meest voorkomende woord is, hoe kan het anders, leven (47 maal), op de voet gevolgd door: niet, zijn, licht, gaan, komen, aan, uit, nacht en land.  Pas tientallen woorden verder komt het eerste Romaanse woord: straten.

Bakker: ‘We hebben ook wegen, maar ik denk dat de meeste Nederlanders straten niet meer als een vreemd woord voelen. Dat geldt ook voor uren, wijn en pijn.’

Nog veel verder op de lijst komen tenslotte duidelijk uitheemse zaken als poëzie, avontuur, muziek en centen aan de beurt.

Het is niet eenvoudig amateurs ervan te overtuigen dat rijmen op de bastaarduitgang -atie lelijk is. Nieuwint: ‘Terwijl iedereen bij pittoresk, soldatesk en grotesk meteen uitroept dat het eigenlijk niet echt rijmt. Met die uitgang -esk valt het veel meer op. Maar alle woorden op -iteit bijvoorbeeld zijn feitelijk ook gevallen van rijk rijm.’  

En rijk, dat wil zeggen ‘identiek’ rijm (koper/goedkoper, zon/horizon, want/wand), is verschrikkelijk armoedig, daar zijn Bakker en Nieuwint het roerend over eens. Bij dichten op  -iteit moet je als het ware nog een lettergreep verder terug om het rijk rijm kwijt te raken: sportiviteit en autoriteit rijmen niet ‘echt’, maar pariteit en rariteit zouden het in een sinterklaasgedicht al veel beter doen. Alle woorden op –iteit rijmen natuurlijk wel gewoon op feit, bijt, kwijt, spijt en wijd en zijd.

Knap slap

Het samen laten gaan van een bastaarduitgang met een goed Germaans woord kan een deel van Nieuwints afkeer van het Romaans wegnemen: ‘Natuur en figuur is niet mooi, dan heb je twee keer dat uit het Frans geleende achtervoegsel -uur. Natuur en bestuur gaat al veel beter.’

Er is nog meer lelijks: woorden die prachtig rijmen maar inhoudelijk te veel op elkaar lijken leiden tot wat Bakker in zijn Rijmwoordenboek ‘slap volrijm’ noemt: paren als iemand/niemand, verdwijnen/verschijnen, nodig/overbodig, weifelen/twijfelen, lijken/blijken en huis/thuis zijn bekende Sinterklaasrijmvoorbeelden.

Ook halfrijm (surprise/kiezen, vleugellam/daar ga je dan) is eigenlijk uit den boze, en zondigen tegen de grammatica mag alleen als het leuk is: ‘Nu ga ik stoppen hoor/want ik ben het bijster spoor.’

Echt leuk is volgens Nieuwint een enorme lange aanloop nemen, heel ingewikkeld doen voor één klein grapje, dat bijvoorbeeld een verdwaalde idiomatische uitdrukking kan zijn.

Nieuwint: ‘Ivo de Wijs had in een van de programma’s een keer een lange monoloog waarin hij vertelde dat hij uit Zeeland kwam. Daar beviel het hem helemaal niet, want de mensen waren stug en vervelend en nog een heleboel meer. Dat eindigt er dan mee dat hij zegt: ‘En toen kreeg je ook nog de watersnood, nou dat was de druppel die de emmer over deed lopen’. Dat vind ik net zo leuk als ‘deduizendpoot greep de gelegenheid met beide handen aan’. Het zijn vondsten, net als de zogenaamde Tom Swifties, dingen als ‘een hoop drollen’ en ‘een troep schoonmaaksters’.’

’Maar ik moet misschien nog wel het meeste lachen om redeneringen in de trant van ‘Ik ga verstandig met geld om, jij bent zuinig, hij is een krent’. Die staan ook in de Opperlandse Taal -en Letterkunde van Battus. Het summum is wat mij betreft ‘Ik ben geestig, jij bent leuk, hij is Seth Gaaikema’.’

Je kunt als amateur maar beter niet per se geestig willen zijn, vindt Nieuwint: ‘Er is niets tegen een ernstig gedicht. Een grappig bedoeld vers dat zijn effect mist, verwoest voor minstens een kwartier de stemming op Sinterklaasavond.’

Vorm en inhoud moeten in ieder geval hand in hand gaan. Het rijm mag niet te veel de aandacht op zich vestigen. Nieuwint ergert zich aan ‘mensen die zonodig sneeuwstorm op twintigste eeuwvorm moeten laten rijmen’.

Kus dus

Bakker spreekt van ‘stuntrijm’. Dubbelrijmen vindt hij ‘meestal eerder spectaculair dan fraai. Wel mooi en ingenieus tegelijk is ‘overtuiging/in broek en trui ging’‘.

Voor een liedje over het hedendaagse zoengedrag bedacht hij de regels: ”t Is een allerzonderlingste intermenselijke toestand/bij ’t minste of geringste staan de lippen in de oe-stand’, en die vervullen hem met trots. 

Ook al omdat de zinsmelodie in orde is en de woordaccenten gewoon op hun eigen plaats kunnen blijven. Bakker: ‘De traditie met Sinterklaas is de waarheid te zeggen, elkaar eens vriendelijk op de hak te nemen. Dat rijmen geeft het een element van onvermijdelijkheid. Het verwijt of de spotternij worden verpakt, en daardoor lijkt het net alsof je zegt ‘ik beweer dat nou wel, maar ik kon ook niet anders, want het moest rijmen’. Hoe beter het gedicht loopt, des te sterker is dat effect.’

Nieuwint: ‘Je kunt je negatieve dingen alleen in een acceptabele vorm kwijt, anders eindigt de avond onherroepelijk met gebroken glazen. Als je echt wil uitpakken moet je zorgen dat je boodschap goed verpakt is. Rijm geeft speelsheid en daarmee een zekere afstand tot de mededeling. Stel je maar eens voor dat je iemand een pakje zou geven met daarbij een briefje: ‘Voor Piet. Het zijn wollen handschoenen, want je mept altijd op de kinderen, en misschien krijgen die nu geen blauwe plekken meer.’‘

Een acceptabele vorm. Voor beiden betekent dat eens afwijken van dat eeuwige gepaarde rijm (a/a, b/b, c/c etcetera). Bakker: ‘Je kunt het jezelf veel gemakkelijker maken door bijvoorbeeld als rijmschema eens ‘abcb’ te nemen. Dan hou je meer tijd over om op het ritme te letten. En als je dan je gedicht ook nog uittypt wordt het beter voorgelezen en heeft het meer effect.’

Nieuwint raadt aan ‘de magische vijfvoet’ te gebruiken: regels van niet meer dan tien of elf lettergrepen. ‘Dan krijg je een natuurlijke pauze en kan de luisteraar geestelijk naar adem happen.’

Nog een gouden regel: ‘Baken het onderwerp af. De grote fout, ook op feesten en partijen is dat iedereen altijd alles in een keer wil behandelen. Je moet er iets uitlichten, dat uitvergroten en liefst flink overdrijven. Dat doet het goed, en het voorkomt ruzie.’

Met klem bestrijden beide heren dat het gebruik van een rijmwoordenboek onsportief zou zijn. Bakker: ‘Het gaat toch om de inhoud. Iets is pas leuk in een goed zinsverband. Ook wanneer je een rijmwoordenboek gebruikt hebt, mag je voor een goed couplet alle eer voor jezelf opeisen.’

Nieuwint: ‘Een rijmwoordenboek is inspirerend, het brengt je op ideeën, maar die moet je toch weer zelf verwoorden.’ Bakker wijst op de bruikbaarheid van jargon  (‘Voor vakgenoten kan ik klysma prachtig laten rijmen op aneurisma’) en namen.

Er staan er heel wat in zijn rijmwoordenboek, en hoeveel dichters zou het niet inspireren te zien dat CPN-er rijmt op mensenkenner en Campari op Mata Hari?

Wie denkt er spontaan aan een sirtaki in Nagasaki en een Gitane voor Diane in Toscane? Een verbinding tussen de R.A.F. en een Toepolev ligt niet meteen voor de hand, net zomin als die tussen de KNMI en claustrofobie.

Dat Nederlands rijmt op Protestants moet in heel wat huisgezinnen te gebruiken zijn. En er komen  altijd nieuwe namen bij. Bakker: ‘Nu met Bush rijmt er weer iets op douche.’ 

De laboranten uit het Lyrisch Lab zijn streng in de leer. Nieuwint (‘De enige goede Sinterklaasgedichten komen voor het Nederlands van de Schoolmeester, en voor het Engels van Ogden Nash’) is nog wat strenger dan Bakker (‘Ik wil niet naar doen over Candlelight-gedichten, ik vind het allang mooi dat mensen zich daarmee bezighouden in plaats van voor de tv te zitten’) maar de strengste dichter in Nederland is volgens Nieuwint nog altijd drs. P, die vindt dat tante niet rijmt op klanten.

De vraag is of die ooit wel een Sinterklaasgedicht krijgt: wie zou er een durven maken voor de man die (Nieuwint:) ‘uitsluitend te evenaren valt, nooit te overtreffen’.

Nieuwint en Bakker hebben zelf al in geen jaren Sinterklaas gevierd. Andersom is de druk ook groot: men verwacht van een professional perfectie. ‘Een Sinterklaasgedicht kost een avond,’ zegt Nieuwint. U heeft er nog twee – maar misschien zijn Sinterklaasversjes toch meer iets voor amateurs.

Moderne taalkunde in oude spijkerbroek

Deze week was Noam Chomsky (82) in Nederland. Vandaag besluit hij zijn kleine Europese tournee in Brussel. Liesbeth koenen sprak hem over de kracht en de zwakte van woorden. 

Nog altijd die trui en die spijkerbroek. En die lichte verlegenheid, zodra het even niet gaat over de twee terreinen die hem wereldberoemd, en verafgood en gehaat maakten: de taalkunde en de wereldpolitiek, vooral de rol van zijn eigen land de Verenigde Staten daarin.

Noam Chomsky is inmiddels 82, zijn bewegingen worden minder soepel, maar hij werkt stug door. Misschien nog wel stugger sinds hij ruim twee jaar geleden de vrouw verloor met wie hij zestig jaar zijn leven deelde. ‘Carol houdt van zwemmen’, vertelt hij op een gegeven moment enthousiast in een anekdote over zijn vrouw, die ooit in Taragona een half congres aanstak met haar dagelijkse duik in zee, in november – hij praat nog over haar in de tegenwoordige tijd.

Deze week was de oervader van de moderne taalkunde voor het eerst sinds 1989 een paar dagen in Nederland. Hij leek de aantrekkingskracht van een popster te hebben. Kaartjes voor zijn lezingen waren allemaal binnen een paar uur weg. Afgelopen zondag besprak hij de toestand in de wereld, in de Amsterdamse Westerkerk voor 900 aanwezigen en een onbekend aantal anderen die meekeken via een wat stotterende videoverbinding. Volgeboekte bijeenkomsten in Leiden en Utrecht de dagen daarna. Telkens gaan commentaar en oneliners rond op Twitter (favoriet: ‘als we niet geloven in vrijheid van meningsuiting voor mensen die we verachten dan geloven we er helemaal niet in’), en zelfs tweets van meisjes die hem willen kussen of met hem trouwen.

Afmattend, zeker voor iemand die er al een week Engeland op heeft zitten, en wiens stem problemen geeft. Chomsky wordt dan ook liefdevol maar ferm afgeschermd, zelfs als hij zelf denkt best tijd te hebben voor een afspraak. Voor het geplande gesprek biedt uiteindelijk de trein van Leiden naar Utrecht uitkomst. En hoewel die er zeven minuten te lang over doet, blijft Chomsky zwaar onder de indruk van ons openbaar vervoer en het feit dat treinen in Nederland harder kunnen dan auto’s: ‘Als je van Boston naar New York wil, kun je maar beter de auto nemen.’

Bij Boston is zijn werkplek-sinds-1955 te vinden, het befaamde Massachusetts Institute of Technology (MIT). Daar kregen de gedachten vorm dat we allemaal een aangeboren taalvermogen hebben, en dat er zoiets als een ‘universele grammatica’ ten grondslag ligt aan elke taal. Vanuit MIT groeide een wereldwijd vertakt onderzoeksprogramma dat het hoe, wat en waarom probeert te begrijpen van de ingenieuze manieren waarop we moeiteloos klanken, woorden en zinnen weten te combineren.

Hoe gek het ook lijkt, Chomsky’s aanpak bracht overstelpende hoeveelheden nieuwe feiten over taal aan het licht. We blijken veel knapper te zijn dan we doorhebben. Maar taal is dus ook vele malen complexer dan ons gevoel zegt. Er valt veel over te bakkeleien, en dat gebeurt al vanaf het begin, met meer of minder felheid. Feit blijft dat niemand echt om Chomsky heen kan, al is het maar om zich tegen af te zetten.

Dat ligt ietsje anders in het tweede domein van zijn dubbelleven: zijn analyses van macht, inclusief de rol van de media. Tegenwerpingen beperken zich daar vaak tot Chomsky zelf afdoen als een soort gek, of tot compleet negeren. Anders dan in andere landen kom je hem in Amerika zelden tegen in de grote kranten, of op televisiezenders als NBC of CNN.

Woorden spelen een hoofdrol in allebei zijn werkzame levens, maar voor hem blijven het gescheiden werelden. Voor Chomsky zijn er dingen waar de taalkunde, of de wetenschap in het algemeen, iets over kan zeggen – en veel zaken die te moeilijk zijn. En verder heb je natuurlijk altijd gewoon je gezond verstand. Toch heeft hij het goedgevonden vooral over woorden te praten, inclusief het effect dat ze kunnen hebben. Met de waarschuwing ‘ik weet niet of ik er iets over te vertellen heb’.

Eerst maar even over woorden in het algemeen. Hun aard, hun functie. Denkt hij nog steeds dat woorden niets benoemen en nergens naar verwijzen? Dat alleen mensen benoemen en verwijzen? En dat ze woorden gebruiken voor hun perspectief op de wereld? ‘Ja, daar komt het op neer. Het is een handeling.’ Ons begrip van de wereld, onze concepten zitten volgens Chomsky goeddeels in ons ingebakken. En ze precies definiëren is te gecompliceerd.

‘Alleen technische termen kun je goed definiëren’, zegt hij. ‘Bij alles daarbuiten loop je aan tegen dingen die je onmogelijk geleerd kunt hebben. Neem een rivier. Hoe weet je met welke rivier je te maken hebt? Alles kan veranderen. Het water dat langsstroomt is aldoor ander water, en ook als dat ineens voor negentig procent uit gif zou bestaan door een fabriek ofzo: het blijft dezelfde rivier. Verleg je de loop, zoals Stalin met de Wolga wilde doen, het zou toch de Wolga zijn gebleven. Zelfs als hij droog staat is het nog dezelfde rivier. Grote veranderingen hoeven niet uit te maken. Maar een relatief kleine verandering kan het wel tot iets anders maken: als het water bevriest en de mensen gaan erover naar Amsterdam forensen dan heb je een autoweg. Hoe kan het dat elk kind dat snapt? En het is hetzelfde met vrijwel ieder woord als je zorgvuldig gaat kijken. In alle talen.’ 

Maar hoe zit het dan met de Nederlanders en al hun woorden die met water te maken hebben, de eskimo’s en hun talloze soorten sneeuw? Chomsky: ‘De eskimosneeuw is een mythe. Er zit waarschijnlijk wel iets in dat woorden onze perceptie beïnvloeden, maar maar heel weinig. Het punt is dat iedereen het zo kan leren, met alle nuances en ingewikkeldheden. Hier is vrij veel onderzoek naar gedaan, en sommige dingen stemmen wel tot nadenken. Bekend is het verband tussen het onderscheiden van verschillende kleuren en de woorden ervoor. In de jaren vijftig deed Eric Lenneberg, die als eerste de biologie van taal probeerde te onderzoeken, daar al experimenten mee. Zijn proefpersonen waren secretaresses en studenten van MIT. De secretaresses, die allemaal lippenstift gebruikten, bleken in het gebied van rood-roze uiterst fijne onderscheidingen te kunnen maken. De studenten, stuk voor stuk mannen, konden dat niet. Het is nooit gepubliceerd.’ Lachend: ‘En inmiddels dragen de secretaresses geen lipstick meer, en zijn alle studenten vrouwen.’

Intussen blijkt keer op keer dat we extreem gevoelig zijn voor welke woorden er gebruikt worden. Zo doet schelden wel degelijk echt pijn, valt te zien op hersenscans. En lezen we eerst over slimme mensen, dan scoren we daarna beter op een intelligentietest. Horen we over bejaarden, dan lopen we vervolgens langzamer dan anders weg. Zonder dat we het doorhebben. Wat zegt dat? Chomsky, afhoudend: ‘Waarom de omstandigheden waar we ons in bevinden een impact hebben, weten we niet. Het gebeurt onbewust, en het is waarschijnlijk ook niet bewust te maken. Het is een veelvoorkomende aanname dat alles wat er in ons hoofd gebeurt toegankelijk is voor het bewustzijn. Maar het meeste denken gaat onbewust. Je kunt je veel verschijnselen wel bewust worden, zoals die ondefinieerbaarheid van woorden, of dat ik nu kan besluiten dit flesje water op te pakken, maar daarmee weet je nog niets over de principes erachter. Introspectie helpt niet.’

‘Dit punt leidt de laatste tijd tot misverstanden. Dat je in de hersenen al voordat je bewust een besluit neemt een signaal kunt aflezen, betekent helemaal niet dat er geen vrije wil is, zoals er nu beweerd wordt. Het denkwerk zelf is niet toegankelijk voor je bewustzijn. Is het klaar, dan komt het je bewustzijn binnen. Met je grammatica gaat het precies zo.’

Ook over ‘framing’, het vooral in de politiek bewust bepaalde termen wel of niet gebruiken om een bepaald beeld post te doen vatten, valt volgens Chomsky door de wetenschap weinig te zeggen. Hier komt alleen gezond verstand bij kijken. Neem het woord terrorisme. ‘De war on terror is al door Reagan uitgeroepen. Indertijd ben ik gaan kijken hoe terrorisme omschreven werd in officiële stukken. Ze zijn toen enorm bezig geweest een definitie te maken waardoor wat de Verenigde Staten zelf deden er niet onder viel. Dat lukte niet. Het komt neer op: als wij het doen is het geen terrorisme.’

Of bekijk de manier waarop indertijd over Vietnam en nu over Irak gesproken en geschreven wordt in Amerika, zegt hij. ‘Het is exact hetzelfde. Vrijwel nooit wordt het een inval genoemd, en hooguit is het een vergissing geweest.’  Als je dingen maar vaak genoeg zegt, gaan mensen het vanzelf geloven, zei hij ook zondag in de Westerkerk. ‘Het wordt dan achtergrondgeluid, en wat normaal is valt niet op.’

Maar dat ontslaat niemand van de plicht zelf te blijven nadenken. Een eigen perspectief en eigen woorden in te zetten. Al sinds de jaren zestig hamert Chomsky erop dat het de taak is  van de intellectueel om de wereld en de machthebbers kritisch te volgen. En ja, dat blijft. ‘Kijk wat er in Frankrijk met de Roma gebeurt. Ze worden verdreven en de ellende ingejaagd. Stel je voor dat ze dat met Joden deden. Iedereen zou woest zijn dat dat gebeurde, juist met holocaustslachtoffers. Maar de Roma zijn ook holocaustslachtoffers. En niemand protesteert.’

Het zijn dit soort dingen die luisteren naar Chomsky vaak helemaal niet zo eenvoudig maken. Zijn boodschap maakt soms knap ongemakkelijk. 

Vanavond debatteert Chomsky nog in Brussel (over ‘Rede tegen macht’, Theatre National), en dan is zijn mini-Europatour afgelopen. Via www.chomsky.nl valt de lezing van zondag terug te zien, en ook na te lezen. Bij de links onder meer een naar een BBC-interview van afgelopen week met Jeremy Paxman.

—————————————————————— 

Noam Chomsky is in 1928 geboren in Philadelphia, als zoon van twee Joodse immigranten. Op zijn tiende schreef hij zijn eerste artikel, over de Spaanse burgeroorlog.

In 1957 verscheen bij de Nederlandse uitgeverij Mouton Syntactic Structures, het startpunt van de Chomskyaanse revolutie in de taalkunde, met in z’n kielzog de andere cognitiewetenschappen.

De Amerikaanse inval in Vietnam, die naar zijn zeggen door de Amerikanen nog steeds nooit zo genoemd wordt, maakte hem voorgoed politiek actief, jaren voor de massale protesten.

Op de vraag hoeveel boeken hij geschreven heeft, is ‘meer dan honderd’ al vele jaren zijn antwoord.

Chomsky’s populariteit en het belang van zijn werk worden meestal geïllustreerd met twee beweringen: hij is de meest geciteerde man op aarde, en The New York Times heeft hem ‘de belangrijkste intellectueel die nog leeft’ genoemd. In de top tien van de Arts and Humanities Citation Index die gegevens bevatte uit 1980 tot 1993, was Chomsky inderdaad de enige levende auteur (nummer 8, na Plato en Freud, en voor Hegel en Cicero). Het New York Times-citaat klopt, maar is onvolledig. Het ging vooraf door ‘misschien wel’ en werd gevolgd door de vraag hoe hij dan toch zulke verschrikkelijke dingen over Amerika kon zeggen.

Naar hedendaagse maatstaven scoort Chomsky stevig: zijn naam is goed voor tegen de 3,5 miljoen hits op Google, en Twitter produceert een continue stroom tweets met zijn naam, tientallen per uur, in handenvol talen uit alle windrichtingen.

Het doffe geluid van kokende pap

ETYMOLOGISCH WOORDENBOEK De herkomst van onze woorden, door dr. P.A.F. van Veen i.s.m. Nicoline van der Sijs Uitgever: Van Dale Lexicografie, 896 p., f 125,–

Op een perspresentatie hoorde ik eens een journalist aan een oude rot in het woordenboekenvak vragen: “Meneer Drewes, je leest wel eens dingen als ‘zij oriënteren zich op het Westen’, maar dat is toch fout? ‘Oriënteren’ betekent toch eigenlijk ‘je op het oosten richten’?”  Arme Drewes, hij kon blijven vertellen dat hij niet beslist hoe een woord gebruikt wordt en dat woorden nu eenmaal vaak veranderen van betekenis zonder dat welke instantie dan ook daar iets over te zeggen heeft.

‘Eigenlijk’ is het sleutelwoord in de vraag hierboven. Diep geworteld is het geloof dat veel woorden ‘eigenlijk’ iets anders betekenen. Hoezo eigenlijk? Woordbetekenissen zijn glibberige dingen. Uitputtende omschrijvingen van de betekenis van een woord zijn nauwelijks te maken. Woordenboekomschrijvingen appelleren aan het gezond verstand, waar dat ook uit mag bestaan, en meestal is dat genoeg. Voor ons. Een woordenboek in een computer stoppen leert dat het niet alles is, want die computer weet daarna in de verste verte niet wat alle woorden betekenen. 

We weten akelig weinig van de semantiek van woorden en draaien als we proberen betekenissen te geven binnen de kortste keren in cirkeltjes rond: ‘vaak’ is ‘dikwijls’ en ‘dikwijls’ is ‘vaak’. 

Op zichzelf een armoedige methode als je bedenkt dat perfecte synonymie, volledige inwisselbaarheid van een woord met een ander, niet bestaat. ‘Dikwijls’ en ‘vaak’ komen in de buurt, alleen heeft ‘dikwijls’ een wat officiëlere smaak dan ‘vaak’.

Woorden hebben wat we voor het gemak maar ‘een gevoelswaarde’ noemen, en die maakt deel uit van de betekenis. Het ‘gevoel’ dat een woord oproept kan uit allerlei dingen opgebouwd zijn.

In grote lijnen liggen de gevoelswaarden voor alle sprekers van een taal gelijk: ‘klote!’ roepen is grover dan ‘grutjes!’, een ‘kostuum’ is sjieker dan een ‘pak’, zij het dat je alleen nog in een ‘business-suit’ echt carrière kan maken. Die ‘grootste gemene deler’ waar vrijwel elke spreker zich in kan vinden, (‘gedogen’ doen alleen politici, ‘dulden’ of ‘toestaan’ is voor de burger, een ‘fobie’ is ziekelijk, ‘angst’ gewoon menselijk) kan verschuiven: 25 jaar geleden riepen Nederlanders heel wat minder frequent ‘klote!’ (laat staan dat iemand het op zou schrijven) en had een ‘kostuum’ nog niet die zalvende herenmodezaakverkopers-klank; business-suits bestonden hooguit in Engelssprekende landen.

Hoe mensen tegen een woord aankijken heeft ook met hun eigen ervaringen en achtergrond te maken: hele volkstammen zullen nog steeds ‘klote’ niet in de mond nemen omdat een dergelijk uitroep van afkeer en ergernis veel te grof was toen zij Nederlands leerden. Anderzijds kan het woord ‘kostuum’ weer een extra glans hebben omdat iemand jarenlang lekker gemaakt is met de belofte dat hij een echt kostuum zou krijgen zodra hij groot was.

In de betekenisschakeringen die iemand in een woord voelt, sluipt allicht een persoonlijk of toevallig element. Zo’n toevallig element kan ook de etymologie van een woord zijn.

Wel eens gehoord hebben dat ‘gozer’ komt van het Hebreeuwse woord voor schoonzoon of bruidegom geeft dat woord net een ander tintje, net als gelezen hebben dat ‘charisma’ uiteindelijk verwant is met ‘gaarne’. Daarbij moet wel in de gaten gehouden worden dat bij het bezigen of beluisteren van een woord zelden of nooit alle betekenisaspecten tegelijkertijd door iemands hoofd spelen. Ik maak me sterk dat de man die ik in de eerste alinea aanhaalde ook wel eens gedachteloos “Dan zou ik me eerst even moeten oriënteren” zegt, zonder dat hij van plan is zich op het oosten te gaan richten.

Etymologie komt alleen af en toe werkelijk aan de oppervlakte: als we aan iemand willen uitleggen wat een woord betekent bijvoorbeeld, of als we zelf proberen te raden waar een woord voor staat (doe-het-zelf-etymologie), of wanneer we onze eruditie willen tonen natuurlijk.
Erudieten in spe en andere geïnteresseerden kunnen voor hun etymologische kennis sinds kort terecht in een nieuw, dik en nogal duur boek: het Etymologisch woordenboek van Van Dale,geschreven door dr. P.A.F. van Veen in samenwerking met drs. Nicoline van de Sijs. ‘De herkomst van onze woorden’ is de ondertitel.

En daar zit een probleem. Over de herkomst van woorden komen raadplegers van dit werk uit ‘Van Dale’s Handbibliotheek’ meestal niet meer te weten dan dat ze geleend zijn uit een andere taal, of dat ze honderden jaren geleden ook al bestonden. Natuurlijk, over de uiteindelijke herkomst van woorden weet niemand iets, maar het is mij met dit Etymologisch woordenboek in de hand ook niet gelukt veel inzicht te krijgen in hoe ze zich vanaf het moment dat we ze kennen ontwikkeld hebben.

Van Veen haalt zelf de definitie van ‘etymologie’ uit de grote Van Dale aan: “de tak der taalwetenschap die de oorsprong en geschiedenis der woorden opspoort, woordafleidkunde.”

Hij houdt zich er zelden aan. Zo’n 28.000 woorden behandelt hij. Tussen haken krijgen die eerst een korte betekenis mee, dan volgen de vroegst bekende vormen (met de aanduiding ‘middelnederlands’, of zeventiende eeuw’, of iets dergelijks, soms ook een precies jaartal) plus de vormen uit die tijd van andere Germaanse talen.  Is het geen Germaans woord dan wordt er aangegeven uit welke taal het overgenomen is. Wanneer dat gebeurd is staat er vrijwel nergens bij.

Heeft die taal het ook weer ergens anders vandaan (het meeste Frans, en ook heel veel Engels, is terug te voeren op Latijn), dan wordt dat ook vermeld. Af en toe volgt er dan nog wat extra informatie (lodderein is een verbastering van ‘l’eau de la reine’, het water van de koningin), en regelmatig staat er een doorverwijzing naar andere woorden (zie, vergelijk) of  alleen maar ‘etymologie onbekend’ of ‘etymologie onzeker’.

Overigens, voor de puristen onder u: achterin het boek staan door de computer gegenereerde, naar taal opgestelde lijsten met leenwoorden. Een goed idee, want het is leuk om te bekijken hoe de verdeling ligt, en om te zien uit hoeveel verschillende talen er woorden het Nederlands binnengekomen zijn.

Een nogal globale rekensom leerde mij dat van de 28.000 woorden er maar zo’n 10.000 niet geleend zijn, of blijkbaar te lang geleden om dat nog te achterhalen.

Topscoorders zijn trouwens het Frans en het Latijn, maar dat al niemand verbazen. Het zegt ook weer niet alles, want de keus van die 28.000 heeft me dikwijls verbaasd. De Dikke van Dale is uitgangspunt geweest, zegt het ‘Ter inleiding’. De Dikke van Dale staat vol woorden die in onbruik zijn geraakt. In Van Veens etymologisch woordenboek wordt meestal niet duidelijk of een woord nog gangbaar is of niet, en er staan ontstellend veel woorden in waar ik nog nooit van gehoord had.

Ik noem u van de allereerste pagina: aagjesappel, aalgeer, aalkub, aalkwab, aalmootje, aalwaardig, aam, aamt, aanboeten. (Alleen de eerste drie vormen met ‘aal’ hebben iets met paling te maken.)

Die eerste pagina riep bij mij direct de vraag op of ik met een opzoekboek of met een leesboek te maken had, maar er valt zo weinig te lezen dat het wel het eerste zal zijn. Liever had ik de hedendaagse Van Dale als uitgangspunt gezien.

Liever ook was ik wat enthousiaster. Het verschijnen van een dik etymologisch woordenboek, bedoeld voor leken, is tenslotte een gebeurtenis. Voor de leek was er alleen een Prisma-woordenboekje, een door F. de Tollenaere gemaakt en bijgewerkt uittreksel uit het grote etymologische woordenboek van Jan de Vries.

Dat boekje biedt absoluut waar voor zijn geld, maar bevat natuurlijk niet zoveel woorden. De 28.000 van Van Veen zijn een record, maar alles is relatief, ter vergelijking: de eendelige hedendaagse Van Dale heeft ongeveer drie keer zoveel ingangen. Het probleem bij een etymologisch woordenboek is dat de omschrijvingen nogal lang zijn.

Dat zal wel de reden zijn dat Van Veen het meestal houdt op vormen maar de geschiedenis, of mooie verhalen over een mogelijke afkomst (achter ‘yankee’ staat nu alleen ‘etymologie onzeker’ en wordt niet vermeld dat sommigen aannemen dat het uit de Nederlandse namen ‘Jan’ en ‘Kees’ gevormd is)achterwege laat. Zelf denk ik dat de leek het liever andersom gezien had.

Uren heb ik gebladerd, gelezen en gezocht in Van Veens boek. En natuurlijk is er met een beetje speuren allerlei aardigs en interessants in te vinden. ‘Bombast’ was oorspronkelijk een stof voor schoudervullingen en dergelijke, en heeft zich daaruit ontwikkeld tot ‘gezwollen stijl’. Gevallen van volksetymologie zijn ook altijd leuk: ‘hangmat’ dat de Nederlandse versie werd van het Spaanse ‘hamaca’.

Maar wat is volksetymologie en wat niet?’Pierewaaien’ komt van het Russische ‘pirovatî’ (feesten, fuiven. Dat riekt naar volksetymologie, maar Van Veen rept er niet over.

Veel etymologie is natuurlijk niet meer dan raden. Het ene verhaal kan net zo goed waar zijn als het andere. Zo hoorde ik laatst iemand zich afvragen of ‘speculaas’ misschien iets te maken zou hebben met het Latijnse woord voor ‘spiegel’: ‘speculum’, vanwege de speculaasplanken die een de spiegelbeeldvorm van een speculaaspop hebben. Wie weet. Van Veen zegt: ‘Vermoedelijk is de oorspr. betekenis die van ‘fantasiegoed’.’ Dat kan ook.

Het teleurgestelde gevoel dat me steeds meer bekroop bij het bekijken van het boek heeft veel te maken met het feit dat Van Veens werk vaak meer vragen oproept dan beantwoordt. Neem een woord als ‘stierlijk’, daarachter staat: [in hoge mate] van stier (mannelijk rund). Dat is alles. Maar dan weet ik nog niks.

Of neem ‘hoi’. Daarachter lees ik uitsluitend ‘spontaan gevormd’. Spontaan gevormd? Hoezo? Op die manier word je niet veel wijzer. Achter ‘kriebelen’ staat dat het een nevenvorm van ‘kribbelen’ is, dat weer een nevenvorm van ‘krabbelen’ is. Maar het moet toch echt eerst kriebelen wil je gaan krabbelen. Bovendien betekent ‘krabbelen’ ook zoiets als ‘haastig en slordig schrijven’.

Die betekenis komt in het etymologisch woordenboek niet voor. Zo wordt voor ‘secreet’ alleen ‘geheim’ gegeven, terwijl ik graag zou weten of, en zo ja wat, dat te maken heeft met het gebruik van ‘secreet’ als scheldwoord (dan betekent het zoiets als ‘kreng’).

Echt bezwaar maak ik tegen de willekeur waarmee Van Veen allerlei woorden ‘klanknabootsend’ noemt (hij gebruikt hiervoor overigens de Nederlandse term, en niet ‘onomatopee’, terwijl er verder nogal veel niet-algemeen bekende woorden gebruikt worden als ‘anlaut’, ‘iteratief’ en  ‘pars pro toto’, waarvoor een verklarend woordenlijstje op zijn plaats geweest zou zijn).

Dat ‘sissen’ en ‘loeien’ klanknabootsingen zijn heeft iedereen op school geleerd, en dat klinkt ook aannemelijk. Bij ‘sissen’ zet Van Veen het er wel bij, bij ‘loeien’ niet. Als de rek uit het elastiek van uw onderbroek is, hoort u dan de hele dag iets als ‘lubber, lubber’? ‘Lubberen’ is klanknabootsend gevormd zegt Van Veen, evenals ‘flater’ (voor blunder). Dat laatste zou ik me nog kunnen voorstellen als ‘flater’ iets te maken heeft met het Latijnse ‘flatus’ (wind), maar daar lees ik niets over. Zo kan ik in die sector nog wel even doorgaan: ‘poepen’ is klanknabootsend, ‘schijten’ en ‘scheet’ niet. 

‘Roddelen’ is onomatopeïsch,’lispelen’ niet. Kunt u hier nog brood van bakken? Dan volgt nu het sterkste verhaal. De etymologie van trut, dat volgens Van Veen behalve ‘kut’ ook ‘weke brij’ betekent. Trut is ‘klanknabootsend voor het doffe geluid van kokende pap’. Wie dat bedacht heeft verdient een prijs, maar Van Veen vermeldt nergens wie wat bedacht heeft.

Enfin, wie wil weten welke woorden echt oergermaans zijn en welke we hebben overgenomen van andere talen kan bij Van Veen zijn hart ophalen. Wie wil weten hoe en waarom woorden overgenomen zijn zal daar in de meeste gevallen zelf naar moeten raden.

Over zin en onzin van Frits Staal

Frits Staal, Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap, Meulenhoff Informatief Amsterdam, 413 pag. f 45,-, gebonden: f 59,50

Filosofie is een vreemd vak. Iedereen filosofeert wel eens op een achternamiddag over ‘het leven zelf’, of over de bedoeling van ons bestaan. Misschien dat de emoties onder en over filosofen zo torenhoog kunnen oplopen, omdat het soms wel lijkt of alles tot de filosofie gerekend kan worden. De afbakening van het vak is een oud strijdpunt. Onlangs is Frits Staals Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap in een klap tot een klassieker op dit gebied verklaard en in gebonden versie bijgezet naast onder andere Plato’s Politeia.

Het wordt tijd de Opperlandse en Nijmeegs-androgyne stofwolken die onmiddellijk op het boek neerdwarrelden van de kaft te vegen en eens te kijken wat zich daarachter bevindt.

Iemand die een autobiografie schrijft, schrijft een samenvattende terugblik op zijn leven tot dan toe. Hoogte- of dieptepunten kunnen extra worden belicht, en saaie, onproductieve periodes komen alleen zijdelings ter sprake. Een simpel en doeltreffend recept, dat de lezer een meer of minder gekleurd beeld van de autobiograaf in kwestie moet geven.

Wie de intellectuele autobiografie van Frits Staal (naast filosoof ook sanskritist) gelezen heeft en uitgaat van bovenstaand recept kan slechts concluderen met een uiterst onevenwichtige man te doen te hebben. Stof genoeg, dat wel. Maar wat moet je met iemand die het ene moment in zes talen tegelijk het tijdsbegrip in verschillende culturen bespreekt en het volgende aan de borreltafel plaatsneemt om in glashelder Nederlands ‘het woord als middel’ met je door te nemen, waarna hij in vloeiend Sanskriet overgaat op ‘de oorsprong van taal’, onderwijl nog even de Chomskyaanse taalkunde en de verschillen tussen oosters en westers denken aanstippend?

Zo iemand lijkt op het eerste gezicht misschien een hardwerkende en geleerde man. Toch moet hem luiheid verweten worden. Staal heeft namelijk helemaal geen autobiografie geschreven, hij heeft een inleiding geschreven bij een aantal (twaalf om precies te zijn) van de artikelen en lezingen die hij de afgelopen dertig jaar geproduceerd heeft. Dat noemt hij een autobiografie. Op zichzelf is daar niets op tegen, maar als je het zo wil doen moet je wel voldoende materiaal hebben liggen dat geschikt is voor ‘een breder publiek’. Want voor hen is volgens de inleiding het boek bedoeld.

Nu is het onomstotelijk waar dat Frits Staal een heleboel te vertellen heeft dat voor een breder publiek interessant is, en hij heeft ook regelmatig voor niet-vakgenoten gesproken. Die lezingen (waarvan in deze bundel opgenomen een Brandende Kwestie en een verhaal voor het Amsterdams Studenten Corps) laten zien dat hij wonderwel in staat is een lekenpubliek zijn ideeën duidelijk te maken. Dat maakt het extra jammer dat de lezer bij veel van de andere essays gedwongen wordt zich door bergen citaten en bladzijden vol met tientallen begrippen uit het Sanskriet heen te worstelen.

Dat sommige van die begrippen zich niet gemakkelijk laten vertalen, en onvertaald voor een beetje ‘couleur locale’ kunnen zorgen spreekt voor zich, maar als ik in hoofdstuk vijf (‘Sanskriet taalfilosofie’) op vijf achtereenvolgende bladzijden meer dan vijftig verschillende Sanskriet-woorden tegenkom duizelt het me alleen nog maar. Het boek is een samenraapsel van gelegenheidsstukken die lang niet allemaal bij deze gelegenheid passen. Als Staal de moeite had genomen sommige van zijn essays te herschrijven, dan had er op dit moment een echte klassieker in de winkel gelegen.

Desondanks is het boek wel de moeite van het lezen waard. Juist omdat het zo breed van opzet is zullen veel mensen er een intrigerend of inspirerend stuk in kunnen vinden. Frits Staal beschikt natuurlijk over een zeldzame combinatie van kennis. Iemand die zowel in de oosterse als in de westerse filosofie thuis is kan veel vertellen. Het eerste essay in het boek bijvoorbeeld is een interessant exposé over hoe men in het oosten en in het westen in de loop der eeuwen met het begrip ‘tijd’ heeft geworsteld.

Het westerse, christelijke denken heeft een rechtlijnig tijdbegrip. Dat wil zeggen: de tijd begint bij de schepping en zal ophouden bij de Apocalyps.Toch zijn God en het leven na de dood eeuwig. Een probleem dat niet rationeel is op te lossen, uiteindelijk moet je erin geloven.

Het oosterse, Indische tijdbegrip bevat eigenlijk net zo’n inconsistentie, alleen begint men daar aan de andere kant: tijd wordt in de eerste plaats als cyclisch gezien, alleen is iedere nieuwe cyclus korter en bovendien slechter van kwaliteit dan de vorige. Op die manier zou de tijd uiteindelijk ‘op moeten raken’. Toch is het voor zowel de Hindoes en de Boedhisten als de Taoisten mogelijk eeuwige verlossing te verkrijgen. Je zou dus kunnen concluderen dat het oosten en het westen in laatste instantie eenzelfde, irrationeel, tijdbegrip hebben.

Veel van zijn faam heeft Staal te danken aan wat hoofdstuk drie van dit boek geworden is: het essay ‘Zinvolle en zinloze filosofie’. Dat komt er kortweg gezegd op neer dat dikdoenerige filosofische verhandelingen over bijvoorbeeld ‘het Alles’ of ‘het Niets’ nooit iets kunnen betekenen. Dat kan waarschijnlijk niet vaak genoeg gezegd worden, maar waar het vak filosofie zich dan wel mee moet bezighouden is ook voor Staal een probleem: andere disciplines (taalkunde, logica) blijken met succes stukken van het vakgebied geconfisqueerd te hebben. Staal stelt ze zijn vakgenoten ten voorbeeld, maar maakt niet duidelijk wat er dan voor de filosofen overblijft.

Een telkens terugkerend onderwerp in het boek is het misverstand dat het Oosten een mystiek werelddeel vol irrationele dromers zou zijn. Staal wijst erop dat India en omstreken een rijke, rationele, wetenschappelijke traditie op bijvoorbeeld het gebied van grammatica en logica hebben. Sterker nog: die vakken vervullen in het oosten de rol die de wiskunde in het westen speelt, die van meest pure en “echte” wetenschap.

De al meer dan 2000 jaar oude grammatica van het Sanskriet van Panini, en de studies die daarvan gemaakt zijn, kunnen een goed beeld geven van die oosterse wetenschap. Staal maakt iets duidelijk van de ingenieusheid van deze beschrijving van een taal die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Hij probeert bovendien het verband aan te geven tussen het werk van Panini en dat van de taalonderzoekers uit de school van Chomsky.

Die link is zeker te leggen, maar helaas dateert alles wat Staal over Chomskyaanse taalkunde schrijft van twintig jaar geleden. Binnen de taalkunde verwachtte men toendertijd veel van de zogenaamde ‘generatieve semantiek’. Men hoopte en dacht dat het mogelijk was taal te beschrijven als een een-op-een relatie tussen syntactische vorm en betekenis.

Dat uitgangspunt bleek veel te simpel. De verwachtingen die men had kwamen domweg niet uit. In het vierde essay van zijn boek (ironisch genoeg ‘Nieuwe inzichten in de taal’ geheten) wekt Staal dezelfde verwachtingen opnieuw. Een dergelijk stuk opnemen zonder een opmerking over het feit dat de inhoud zwaar verouderd is, is natuurlijk uit den boze.

Interessanter zijn Staals eigen ideeën over taal die in het laatste deel van het boek ter sprake komen. Hij begint met een bespreking van westerse en oosterse gedachten over de oorsprong van taal. In het westen is men door het verhaal dat Adam de dieren een naam gaf nooit veel verder gekomen dan het idee dat taal het geven van namen is.

Maar in India bekeek men taal vanuit een ritueel perspectief. Rituelen zitten vol handelingen, teksten en mantra’s waar niemand direkt een betekenis aan kan verbinden. Dat vraagt om ontleding. De inzichten die het bestuderen van mantra’s en dergelijke oplevert kunnen vervolgens op gewone taal toegepast worden. Dat is volgens Staal wat Panini deed.

Het belangrijkste verschijnsel dat ontdekt werd is dat van de recursiviteit. Zowel talen als rituelen zijn recursief, dat wil zeggen: ze bevatten regels die zichzelf kunnen aanroepen. In taal kun je dat bijvoorbeeld zien in bijzinnen: in een bijzin kun je een nieuwe bijzin beginnen waarin je weer een nieuwe bijzin kunt beginnen et cetera. Klassiek zijn voorbeelden als “Dat is de vrouw die de buurman die gisteren het huis dat te koop stond gekocht heeft haat”. Staal heeft zelf een uitgebreide studie gemaakt van een Vedisch ritueel (de Agnicayana) dat al meer dan 3000 jaar oud is en nog steeds opgevoerd wordt.

Zijn idee is dat rituelen inderdaad geen enkele betekenis hebben buiten zichzelf. Het zijn ingewikkelde handelingen en mantra’s die recursieve patronen vertonen en die heel precies uitgevoerd moeten worden. Voor de onderliggende structuren van taal geldt iets dergelijks: ook daar gaat het om ingewikkelde patronen waar men zich strikt aan houdt, maar die op zichzelf genomen volkomen zinloos zijn.

Omdat rituelen en taal zulke fundamentele overeenkomsten vertonen, en omdat dieren wel rituelen maar geen taal kennen, gelooft Staal dat taal voortgekomen is uit rituelen. Nu lijkt die conclusie mij iets te gemakkelijk getrokken, recursiviteit komt bijvoorbeeld ook in de wiskunde en de muziek voor. Het zit blijkbaar op de een of andere manier in ons ingebakken. Maar daarmee is nog niet gezegd dat een van de menselijke bezigheden die recursiviteit bevatten ten grondslag zou liggen aan de andere. Dat lijkt te veel op de redenering dat de mens van de apen afstamt.

De zin van Staals boek is dat hij een aanzet geeft tot een andere manier van denken over onopgeloste vragen als: hoe komen wij mensen toch aan taal, en wat is taal voor iets? Het blijft alleen jammer dat je daarbij zoveel verouderde onzin op de koop toe moet nemen.

Liesbeth Koenen is geboren in 1958. Ze studeerde Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en werkt nu als free-lance journaliste.

Nootje: De redactie, d.w.z. K.L. Poll, zette er ‘De ideeën van Frits Staal’ boven. Weet nog hoe verontwaardigd ik was over zoveel flauwe slaapverwekkendheid.

Kameleon op hete kolen

Een paar meisjes zijn teruggekomen. Gisteravond hebben ze de vuurloop niet aangedurfd, maar vanochtend werden ze met spijt wakker. Tegen elven grijpen ze hun tweede kans: ze lopen in wandeltempo over een pad gloeiende houtskooltjes van een meter of vijf. Met hun hoofd omhoog en onder het snel uitspreken van de woorden “koel mos”. Het kan niet, maar toch voelen ze niets van de hitte die zo overduidelijk van het pad afstraalt.

Een kleine twintig mensen, inclusief de verslaggeefster, houden deze avond bij de vuurloop volmaakt gave voetzolen, ook al zegt hun verstand dat dat niet klopt.

De wandeling is de finale van een avond cursus van Emile Ratelband, deze keer bedoeld voor de verkoopstaf van een bedrijf dat ondermeer vlooiebandjes maakt. Neuro Linguistisch Programmeren is het onderwerp en uitgangspunt bij Ratelbands optreden dat ruim vier uur duurt en toch niet gaat vervelen. De vuurloop is, zo zegt hij zelf, niet meer dan een metafoor, een manier om cursisten duidelijk te maken dat ze meer kunnen dan ze denken.

Neuro Linguistisch Programmeren (NLP zeggen ingewijden) wordt verkocht als een wondermiddel, een modern panacee, en het verkoopt goed. Boekwinkels richten er speciale hoekjes voor in en vooral in de psychotherapie en het bedrijfsleven is het een groot succes. Het komt uit Amerika, en kan nog het best omschreven worden als een samenraapsel, of wie weet een synthese van al langer bekende inzichten en technieken uit de psychologie.

Maar er zijn een paar opvallende verschillen. Zo leert NLP dat je niet alleen van je eigen ervaringen kunt leren, maar dat die van een ander ook al voldoende zijn. Iets dat iemand anders al eens gedaan heeft, wat het ook is, dat kun jij ook, is de boodschap. Hoe? Door die ander te modelleren, als model te nemen.

Ratelband heeft – naast de vuurloop waarbij hijzelf als model voor de cursisten optreedt door te vertellen wat hij doet en dan als eerste over de kooltjes te wandelen – een paar tot de verbeelding sprekende voorbeelden. Wie iets wil veranderen in zijn leven moet eerst weten wat hij nu echt wil. Een relatie die na dertig jaar nog fris en interessant zal zijn bijvoorbeeld? Zoek dan een stel dat dat heeft, en vraag ze uit. Hoe gaan ze met elkaar om? Wat zijn hun overtuigingen? Iedereen kent ook wel het voorbeeld van de man van negentig die nog steeds genietend van zijn borreltje en sigaretje op een bankje zit: als hij dat kan, kunt u dat ook. Topverkoper bij uw bedrijf worden? Meer geld verdienen? Een betere gezondheid krijgen? Alles is mogelijk, wanneer die ene hindernis genomen is: de overtuiging dat u het niet kunt en dat u het niet zelf in de hand hebt.

Geheel tegen de heersende trend in gaan NLP-ers ervan uit dat iedereen met volkomen gelijke kansen geboren wordt. Mensen hebben geen aangeboren talenten, maar krijgen door wat ze meemaken overtuigingen dat ze iets wel of niet goed kunnen. Een tekentalent dat je in een hele familie terugziet is geen gave, maar komt voort uit het onbewuste modelleren dat we allemaal ook zonder NLP doen. Ook intelligentie is niet erfelijk bepaald.

Ratelbands verhaal roept weerstand op. Ook in de zaal in Ugchelen die hij toespreekt. Zijn standaard antwoord is: je hoeft het niet te geloven, je moet het gewoon proberen. Dat geldt ook voor het spiegelen, dat naar zijn zeggen hét middel is om iets te verkopen. Dondert niet wat: een produkt, jezelf, je ideeën. Om iets aan iemand te verkopen moet je rapport (op z’n Frans uitgesproken) maken. Dat doe je in eerste instantie met je lichaam en je stem. Je neemt precies dezelfde houding aan als degene die je wilt bereiken, kopieert zijn of haar gebaren en je gaat op dezelfde manier ademen.

Dit is dikwijls al genoeg. In de Playboy van november vorig jaar stond onder de kop “De grote versierder” een curieus verslag te lezen van Ratelbands vermogen bloedmooie meisjes binnen een paar minuten aan zijn tafeltje te krijgen. Met een paar verslaggevers trok hij het Amsterdamse nachtleven in. In iedere nieuwe kroeg mochten de heren van Playboy zeggen met wie er contact gelegd moest worden. Ratelband ging dan op een afstandje het meisje in kwestie exact zitten kopiëren en tot verbijstering van de twee journalisten werkte het vrijwel elke keer. Desgevraagd bleken de meisjes meestal niets bijzonders gemerkt te hebben. Met een beetje oefenen kun je zover komen dat het altijd lukt, zegt Ratelband, en je hoeft er geen mooie jongen voor te zijn.

Heb je de goede bewegingen, houding en ademhaling te pakken, dan wordt het tijd de toon van je stem en je manier van spreken aan te passen. Zit je tegenover een stotteraar dan moet je ook een beetje gaan stotteren. Commentaar uit de zaal: “Ja zeg, ik ben niet achterlijk! Zo’n man denkt dan toch dat ik hem voor de gek hou. Die verkoop ik nooit meer een vlooieband.” Ratelband opnieuw: “Probeer het nou maar eens een keer, je hoeft het niet te geloven.”

Het achterliggende idee van het spiegelen is dat ieder mens nu eenmaal toch het meest van zichzelf houdt. Jammer genoeg wil niemand ingaan op Ratelbands vraag “of er misschien iemand in de zaal is die van een ander zegt: die mot ik niet’. Nu zet hij twee vrouwen die elkaar nog nooit eerder gezien hadden tegenover elkaar, en laat ze “rapport’ maken. Na de lichaamshouding en het stemgebruik komt de inhoud aan bod: met een beetje doorvragen zijn er snel overeenkomsten in belangstelling (vakantie, zon, zee, kinderen) gevonden. Het rapport is gemaakt, en ja hoor, aan het eind van de sessie voelen de twee zich vriendelijk gestemd tegenover elkaar.

Om helemaal goed op de behoeften van anderen te kunnen inspelen is het daarnaast nodig om VAK te worden. VAK staat voor Visueel, Audio en Kinesthetisch: zien, horen en voelen dus.

Je hebt mensen die vooral visueel zijn (het type dat druk praat, veel gesticuleert en wegkijkt), anderen zijn meer audio gericht (de luisteraar die zelf bedachtzaam formuleert), en weer anderen ‘kino’ (“van die mensen die je altijd willen aanraken’). Die types botsen in de omgang, (dat tegenoverstelde karakters elkaar aantrekken is volgens Ratelband een fabeltje, ook partners zoeken toch altijd gelijkenissen), maar iedereen heeft van alledrie wel wat.

Het is dus zaak je ‘audio-kant’ boven te halen bij een audiotype, je kinokant bij een kino-gesprekspartner en zo verder. Ratelband illustreert dit punt door vier tophits te draaien. Met een grote bril op zingt hij mee met een visueel gericht liedje met een hoog tempo (Take a look at me now), voor de ‘audio-plaat’ (Beautiful noise ) heeft hij plastic oren, en het gevoelige kino-nummer (Your touch) krijgt begeleiding van een paar rubberen handen. De grootste hit (What a feeling) verenigt alle drie die elementen, die heeft de meeste mensen, namelijk alle types, aangesproken. De one-man-show is nu compleet.

Maar er moet nog meer duidelijk gemaakt worden. Dat je gedrag bepaald wordt door je stemming bijvoorbeeld, en dat je die stemming heel goed zelf kunt sturen. Ratelband laat de zaal een eenvoudig gedachtenexperimentje uitvoeren: met de ogen dicht moet iedereen zich zijn lievelingsappel voorstellen. Met alles erop en eraan: kleur, geur, stevigheid, smaak.

Zoals te verwachten krijgt iedereen verschrikkelijke trek in een appeltje, en loopt het water ze in de mond. Toch is die trek heel eenvoudig om te zetten in afkeer: door het appeltje in gedachten te laten verschrompelen tot een bruin, rimpelig, rot exemplaar waar een wormpje uitkomt. Het punt is duidelijk: je eigen stemming sturen kan ook bij heel andere dingen. En daarbij zijn iemands eigen ervaringen een goudmijn.

Is het zo’n dag dat niks wil lukken, dat alles een onmogelijke opgave lijkt? Denk dan aan een gelegenheid waarbij alles gladjes verliep. Probeer de stemming, de gedachten, de gevoelens van toen op te roepen, en begin vanuit die nieuwe stemming opnieuw.

“U wist het allemaal al hè?” zegt Ratelband aan het eind van de avond. Dat schrijft ook 65 procent van de tachtig procent die naar Ratelbands eigen zeggen de enquête terugstuurt die hij elke cursist zes weken na een seminar toezendt. “Alleen, nu weet u dat u zelf de keuze kunt maken.”

Zijn seminar is inderdaad een wonderlijk mengsel van show, clichés, Aha-erlebnisse en zeer vergaande claims: de hele wereld met al zijn mogelijkheden ligt voor iedereen open. Tenminste, voor wie er aan wil. Ratelband opent de avond met de vraag of de zaal met hem mee wil spelen. Gewoon, een avond lang. En het lukt hem om de meesten mee te krijgen. De boodschap is ook zo ongemeen aantrekkelijk. En Ratelbands eigen overtuigingen en enthousiasme werken aanstekelijk.

De vuurloop is wat dat betreft een soort vuurproef voor wat hij weet te bereiken in één avond tijd. Bovendien is hij zelf een soort levend bewijs van de effecten van NLP.

Eerder, thuis in zijn villa die uitsluitend als ‘kapitaal’ betiteld kan worden, heeft hij zijn levensverhaal verteld. Een klassieker van de eerste orde. Geheel aan lager wal geraakt in Amerika waar hij met het hele gezin naartoe getrokken was om de Amerikanen de geneugten van het oerhollandse poffertje bij te brengen (Ratelband komt uit een bakkersfamilie), kocht hij zo’n beetje van zijn laatste geld het boek Unlimited Power van Anthony Robbins. Een man die het vak van Neuro Linguistisch Programmeren van de grondleggers zelf (de psychotherapeuten Richard Bandler en John Grinder) geleerd had. Ratelband las het boek in één nacht uit en sindsdien is alles anders. Hij ging in de handel en werd binnen de kortste keren miljonair. Zelfs met de poffertjes is het uiteindelijk goed gekomen.

Eenmaal succesvol wilde hij de rest van de wereld ook kond doen van de kracht van NLP. Een half jaar lang modelleerde hij Anthony Robbins (“Tony”) bij al diens groepstrainingen en persoonlijke sessies. Sindsdien geeft hij zelf cursussen en seminars voor bedrijven in binnen- en buitenland (overigens altijd met een “niet-goed-geld-terug’ garantie), maar hij helpt ook mensen die kanker hebben en heroïneverslaafden.

Toch Johan Maasbach, de gebedsgenezer? “Ik heb hem alleen nog maar een hand gegeven”, zei een jongen aan het begin van de avond, “maar hij straalt wel wat uit, vind je niet?” Ratelband moet niets hebben van een religieuze benadering.

Maar over de wetenschappelijke bewijsvoering, en de benaming van NLP is hij duidelijk: met bevindingen uit de neurologie, de linguïstiek of het programmeren van computers heeft het allemaal niet veel te maken. ‘Neuro’ slaat op het feit dat alles zich in het brein afspeelt, ‘linguïstisch’ is het woord dat duidelijk moet maken dat lichaamstaal en hoe je dingen voor jezelf noemt (iets is nooit een mislukking maar altijd een resultaat waarop je verder kunt bouwen bijvoorbeeld) belangrijk zijn, en ‘programmeren’ heeft te maken met de nieuwe ‘instructies’ die je jezelf kunt geven.

Meer is het niet. Ratelband zal het ook een zorg zijn, het is de praktijk die telt. En wie weet wél hoe de menselijke psyche in elkaar zit of hoe geest en lichaam samenhangen?

Dat pragmatische is ook typisch Amerikaans. Maar juist omdat het allemaal daar vandaan komt, krijgt NLP in Nederland vaak die geëxalteerde Amerikaanse toon mee, die veel mensen tegen de borst stuit. Het boek van Robbins (een bestseller) heet in het Nederlands Je ongekende vermogens. Het hele NLP-hoekje in de boekwinkel ligt vol met titels waar grote groepen mensen automatisch met afkeer aan voorbij lopen: Hoe haal je wat in je hoofd, de nieuwe denktechniek NLP, Veranderen kan …. leuk zijn, Je moet maar durven, Neurolinguïstische programmering in het sollicitatiegesprek en bij outplacement, Change your mind enzovoort.

Ook de teksten in die boeken hebben vaak dat hijgerige, eufore. En hetzelfde geldt voor de folders en mailings van al die andere NLP-trainingsinstituten, die zich inmiddels op deze markt hebben begeven. Daar staat dan weer een boek als Neuro-Linguistisch Programmeren in Nederland (van J. Hollander, L. Derks en A. Meijer, twee klinische en een sociaal psycholoog) tegenover, dat wat kalmer van toon is en waarin ondermeer een psychotherapeut, een projectmanager, een fysiotherapeut en een dierenarts vertellen hoeveel plezier van NLP ze hebben bij hun werk.

Maar of iedereen in staat is de kameleon te worden die Ratelband zelf zo overduidelijk is? Zoals iemand aan het eind van het seminar zei: “Al hebben maar twee mensen vanavond een andere draai aan hun leven kunnen geven.”

“Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in te delen”

Op enkele scholen wordt geexperimenteerd met filosofie als eindexamenvak. Het blijkt een populair vak te zijn bij leerlingen. Wat wordt hun precies onderwezen, en vanwaar de geestdrift?

Kunt u zeggen welke van de volgende uitspraken met behulp van waarneming te controleren zijn?

-Ik ken mijn vriendin door en door

-God is dood

-Mijn moeder houdt van mij

-Alles heeft een oorzaak

-Maria is thuis

-Ik ben vrij

En kloppen de volgende redeneringen?

Alle luizen zijn vegetariërs

Alle muizen hebben luizen

->Sommige muizen zijn vegetariërs

Ik geloof dat de Gaulle gek is

Ik ben de Gaulle

->Ik geloof dat ik gek ben

Als u het antwoord schuldig moet blijven heeft u op school vast geen filosofie gehad. Die kans is overigens nogal groot, want op vrijwel geen enkele school maakt of maakte filosofie deel uit van het vakkenpakket.

Waarom eigenlijk niet? In alle landen om ons heen is het een doodnormaal en gerespecteerd schoolvak. En in Amerika krijgen kinderen soms op de lagere school al filosofielessen waarin ze discussiëren over de vraag of ze nog dezelfde zijn als tien jaar geleden, en moeten vertellen hoe het mogelijk is dat ze van dieren houden maar ze ook opeten.

Nederland heeft meer dominees dan filosofen voortgebracht, en misschien daarmee meer godsdienst- dan filosofie-onderwijs. Dat zou in ieder geval een verklaring kunnen zijn voor het feit dat er met de ontzuiling meer ruimte en belangstelling voor filosofie als middelbare-school-vak is gekomen. Behalve op heel streng christelijke scholen (en dat zijn er niet zo veel meer) blijkt het niet goed mogelijk leerlingen in de hogere klassen nog echte katechese te verkopen. Vaak krijgen ze daarvoor in de plaats dan filosofie.

Ook tamelijk nieuwe vakken als ‘Levensbeschouwelijke vorming’, ‘Kennis van het geestelijk leven’ en ‘Maatschappijleer’ zitten propvol filosofische onderwerpen en worden niet zelden door een filosoof gegeven. Toch is het de vraag of de filosofie geen beter lot verdient dan zo’n versplintering over allerlei andere vakken.

Veel filosofen vinden dat het op school eigenlijk juist een centrale plaats zou moeten krijgen, en voor zover er feiten zijn geven die hen gelijk: op de vier dagscholen in Nederland waar leerlingen filosofie als eindexamenvak kunnen kiezen doet maar liefst twintig à veertig procent dat.

Enquête

Het gaat hier om een experiment dat inmiddels aan zijn dertiende jaar bezig is. Op basis van de leerlingenaantallen alleen al verdient deze proef de kwalificatie “geslaagd”, en het lijkt dan ook de hoogste tijd de experimenteerfase maar eens af te sluiten.

Niemand schijnt daar echt tegen te zijn, ook de bevoegde instanties op het ministerie niet, maar er is één groot probleem: het mag allemaal geen extra geld kosten. Ook nu moeten de scholen die meedoen aan het experiment zelf ruimte maken binnen het rooster, en dat gaat per definitie ten koste van de uren van andere vakken.

Waarschijnlijk krijgt filosofie binnenkort wel een officiële status, maar mogen de scholen zelf weten of ze er een deel van hun tijd en geld in willen steken. Omdat de leerlingenaantallen nog steeds teruglopen en een nieuw eindexamenvak veel moeizaam geknoei met roosters betekent, verwacht niemand dat scholen straks enthousiast en masse filosofie gaan onderwijzen.

Worden de pubers van Nederland daarmee tekort gedaan? Zijn kinderen van vijftien of zestien of zeventien trouwens niet wat jong voor zo’n vak? Wat vinden degenen die filosofie kiezen er leuk aan, en wat juist niet? Dat zijn vragen die zijzelf, hun leraren en hun ouders kunnen beantwoorden.

Twee enthousiaste propagandistes van filosofie als serieus examenvak (Karin Daalderop en Ida Jongsma) hielden onlangs een kleine enquête om de meningen eens te peilen.

Daalderop en Jongsma zijn filosofen, en geven beiden les op een middelbare school. De enquête legden ze voor aan leerlingen, hun ouders en leraren van de school waar Jongsma les geeft: het Montessori Lyceum in Amsterdam. Die school heeft de grootste filosofiepopulatie van het land: vorig jaar deden vier van de zeven klassen eindexamen filosofie, bij elkaar 92 kandidaten. Dat aantal groeit ieder jaar, komende zomer zullen 105 Montessori-leerlingen meedoen aan het centraal schriftelijk. En zo te zien met behoorlijk wat plezier.

Vrijwel iedereen die de vragenlijst ingevuld heeft zegt veel te leren en de stof belangrijk en interessant te vinden. De droom van iedere docent zou je haast zeggen. Daar komt nog bij dat ook de ouders en de leraren die andere vakken geven het bijna allemaal even prachtig vinden.

Wie het lesprogramma ziet kan daar wel inkomen. Filosofieboeken voor de middelbare school bestaan niet of nauwelijks, dat betekent dat het materiaal door de leraren zelf wordt samengesteld.

Op het Montessori Lyceum heeft dat geleid tot een aantrekkelijk ogende stapel ‘readers’: stukken tekst in alle soorten en maten, van Plato tot Marx, van Dessaur tot Darwin, alles verluchtigd met plaatjes, cartoons en opgaven zoals die aan het begin van dit stuk. Aan de hand hiervan worden de landelijk verplichte onderwerpen behandeld. Alle kinderen moeten bijvoorbeeld iets van ethiek, iets van sociale filosofie, maar ook iets van kennistheorie en wetenschapsfilosofie weten. Verder moeten ze in de loop van drie jaar een enorme lijst termen leren thuisbrengen (syllogisme, positivisme, premisse, marxisme noem maar op).

Veeleisend

Wordt er in de vierde nog veel ruimte gegeven aan het zelf bedenken van antwoorden op vragen als “Waarom zijn er mensen?”, “Hebben alle mensen hetzelfde doel in hun leven?” en “Hoe weet je dat iets waar is?”, in de hoogste twee klassen worden leerlingen verondersteld de antwoorden van ánderen te begrijpen en te overzien. De bedoeling is dat er tegen die tijd een vruchtbare voedingsbodem gelegd is, te weten: verwondering, al volgens Plato “het begin van de wijsbegeerte”. Wie geleerd heeft zich te verbazen over alledaagse dingen is een eind op streek.

Geen geringe opgave al met al. Filosofie blijkt dan ook als een weliswaar leuk en nuttig maar ook moeilijk vak gezien te worden. Opmerkingen als “Je moet er wel veel voor doen” en “Het is veeleisend en vraagt concentratie” zijn dan ook in grote getale op de enquêteformulieren terug te vinden. Daarnaast zeggen ze bijna allemaal dat ze “anders zijn gaan denken”: “Alles is veel gecompliceerder geworden” schrijft een meisje uit de vijfde, “Filosofie nuanceert mijn gedachten en traint mijn hersenen” vindt een ander.

Maar de lessen leveren ook aanhangers op. Een meisje van zestien schrijft bijvoorbeeld: “Sartre heeft mij doen beseffen dat ik de verantwoordelijkheid draag voor alles wat ik doe en zeg en die verantwoordelijkheid probeer ik en durf ik nu dan ook te aanschouwen en te dragen. Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in de delen.”

Dat existentialisme is trouwens ook op andere scholen een succesnummer. “Dat komt”, zegt Jongsma, “omdat ze op een leeftijd zijn waarop er van alles met ze gebeurt. Eigenlijk beginnen ze net. Dat betekent aan de ene kant dat je ze nog alles kunt wijs maken natuurlijk, (maar dat geldt voor alle vakken), aan de andere kant is het nou net zo leuk omdat ze voor het eerst de rijpheid hebben om zich van alles af te vragen. Het existentialisme met zijn nadruk op het individu past daar goed bij. En ze komen het ook weer tegen bij Frans.”

Dat het pubers zijn is wel vaker te merken. Jongsma: “Soms beginnen ze te roepen: wanneer gaan we het nu eens over échte dingen hebben? En als ik dan vraag wat ze daarmee bedoelen dan zeggen ze: over GEVOEL. Alsof er een echte oplossing is voor het leven en of ik het antwoord dan maar even wil geven! Maar dat is nou net filosofie: ze mogen er zelf achterkomen dat die oplossing er niet is”.

Een zekere hang naar alomvattende theorieën valt ook te bespeuren bij de onderwerpen waarover de leerlingen in de zesde een scriptie schrijven. Ze mogen dan helemaal zelf een filosoof, een stroming of een thema kiezen, de juf verbiedt alleen Kant en Hegel, “omdat ze zich daar per definitie aan vertillen”. Dingen die tijdens de les niet behandeld zijn kunnen nu een kans krijgen: “Reïncarnatie en Karma”, “Steiner en Kunst”, “Dromen, de stem van de natuur”, “Boeddhisme” en “Capra en het Keerpunt” zijn enkele van de titels die dat dan oplevert. Maar ook “De Stijl”, “Socrates”, “Black Power”,”Descartes” en “Schizofrenie” mogen.

Argumentatieleer

Over wat je kinderen van pakweg vijftien tot twintig op dit gebied moet en kunt bijbrengen verschillen de meningen overigens nogal. Juist omdat er geen schooltraditie voor filosofie is hebben leraren nogal wat vrijheid bij hun interpretatie van het vak. Lang niet alles is verplicht, het is een breed vak en leraren kunnen over het algemeen hun stokpaardjes vrijelijk berijden.

Die laatste mogelijkheid heeft bijvoorbeeld een kleine schoolstrijd tussen Amsterdam en het noorden van het land tot gevolg. Op het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden en het Praedinius Gymnasium in Groningen moeten ze niet veel hebben van de humanistische inslag van het Montessori Lyceum. Wetenschapsfilosofie, logica en argumentatieleer vormen daar de hoofdmoot.

Spruit in Groningen laat zijn leerlingen bijvoorbeeld zelf een empirisch onderzoekje opzetten (“Is het zo dat mensen die roken meestal ook drinken?”), en in plaats van het werkstuk dat de Amsterdamse kinderen moeten maken bestaat het schoolonderzoek in Groningen uit het toepassen van de netgeleerde argumentatieleer op een tekst.

Bij de behandeling van de geschiedenis van de filosofie ligt de nadruk op de periode van Copernicus tot Newton. Volgens Spruit is filosofie moeilijk, “maar het is het enige vak waar je iets aan hebt op de universiteit. Soms is het abstractieniveau van de kinderen nog niet ver genoeg ontwikkeld om de leerstof ‘voorstelbaar’ te maken. Dat geeft niet echt. Omdat ik alle lesmateriaal zelf heb gemaakt kan ik er ook mee ‘spelen'”.

Een voordeel van “werken met eigen werk” is dat je er volledig achter kunt staan en niet voortdurend allerlei voorbehouden hoeft te maken en dingen hoeft te verbeteren in het boek van een ander.

Pieron in Leeuwarden heeft zo langzamerhand een zee aan mogelijkheden voor zijn leerlingen geschapen: ze kunnen allerlei deelgebieden kiezen waar materiaal over bestaat. Zo hebben de leerlingen hier de mogelijkheid om zich in computers en Artificiële Intelligentie te verdiepen. Wetenschapsfilosofie moet volgens Pieron de harde kern van zijn vak zijn: “Daar hebben ze iets aan voor later”.

De meest zinvolle discussies kunnen zich volgens hem afspelen rondom de zogenaamde Nature/Nurture vraag (is iets aangeboren of aangeleerd?). Hij vertelt zijn leerlingen daar eerlijk bij dat hij als aanhanger van Skinner het meest in Nurture ziet. Dit in de hoop al te veel beïnvloeding te voorkomen.

Iets anders gaat het toe in de vierde en laatste dagschool waar leerlingen eindexamen kunnen doen in filosofie: de Christelijke Scholengemeenschap Oude Hoven in Gorinchem. Uiteraard krijgt “het bijbelse gezichtspunt” hier meer aandacht. Docent van der Kam zal hier in ieder geval niet geconfronteerd worden met een klas vol mensen die het Scheppingsverhaal niet kennen, iets dat Jongsma wel overkwam (“Ze vinden dat allemaal een onzin-verhaal, belachelijk gewoon. Dat we op zondag rusten omdat dat in de bijbel staat begrijpen ze ook absoluut niet”).

Van der Kam ziet het overigens als zijn taak zo objectief mogelijk les te geven. Soms zorgt hij zo voor eye-openers, bijvoorbeeld door zijn leerlingen erop te wijzen dat het idee van een onsterfelijke ziel in de bijbel nauwelijks voorkomt, en afkomstig is van Plato.

Uitslovers

Echt moeilijk lijken alleen die leraren het te hebben die filosofie moeten geven op scholen waar het geen eindexamenvak is. Binnen de kortste keren vallen ze, als ze niet uitkijken, in de maatschappijleer-klasse: lekker gratuit discussiëren en vliegtuigjes gooien. In het bijzonder de vier-HAVO klassen lijken niet vol lieverdjes te zitten.

Hier laat zich ook het duidelijkst het gebrek aan traditie voelen: de kloof tussen de universiteit waar de leraar vandaan komt en de HAVO-leerling blijkt stukken moeilijker te overbruggen dan die met het VWO. Bestaande teksten zijn gauw te moeilijk en bovendien moet de leraar nogal eens vechten tegen de tendens dat iemand die bijvoorbeeld een filosofieboek uit de bibliotheek haalt minstens een halve zonderling is en ieder geval een uitslover.

Betsy van Oortmarssen (ze werkt op de Stedelijke Scholengemeenschap in Leeuwarden) probeert grip op de klas te krijgen door op z’n jan-boerenfluitjes abstractere kwesties aan de orde te brengen. Ze begint bijvoorbeeld heel laag bij de gronds wat ethische problemen aan de orde te stellen: Een rolletje drop stelen bij de MIRO, (“die zit hier om de hoek, en dat gebeurt natuurlijk aan de lopende band”), mag dat? En is dat iets anders dan net zo’n rolletje stelen bij de kruidenier?

Vandaar moet dan de stap naar algemenere vragen over goed en kwaad gezet worden. Socrates behandelt ze door te proberen hem in deze tijd te plaatsen: “Stel je voor dat die man nou door onze straten stapt. Hoe zou dat zijn? Wat zou hij zeggen?”

Ook bij Daalderop klinkt soms nogal wat cynisme door over de mogelijkheden in haar vier-HAVO-klas. Ze geeft daar Levensbeschouwelijke vorming, “Maar”, zegt ze, “de leerlingen zijn niet in beschouwingen geïnteresseerd en niet in vorming, ze willen alleen maar leven “.

Er moet nog altijd een stok die hard kan slaan achter de schooldeur staan. Misschien moest filosofie maar eens een echt vak worden. Dan kunnen er ook fatsoenlijke lesprogramma’s voor allerlei schooltypes gemaakt worden, en dan kan de versnippering over andere vakken verdwijnen. Ook al leren kinderen soms alleen maar een beetje goochelen met termen, ze hebben in ieder geval de kans om minder zwart-wit te gaan denken.

Tot het einde bezig met z’n ‘syntaksis’

Deze week werd bekend dat taalkundige P.C. Paardekooper op 1 mei is overleden, 92 jaar oud. Generaties schoolkinderen leerden ontleden volgens ‘het systeem Paardekooper’: met streepjes en kriebeltjes en andere tekens onder de zinsdelen. Taalactivist Paardekooper streed ook voor ‘groter als’ en ‘wetenschappelik’.

Hij was charmant, dol op koekjes, en verrukkelijk dwars. Begin 1987 was prof. dr. P.C. Paardekooper net met pensioen, en weer terug in Nederland. Indertijd reden voor een portret in deze krant. Met smaak trok hij daarin van leer tegen België, ‘het land van de dialect-heidenen’ waar je dat  ‘afgrijselijk smerige dialect van Antwerpen’ had en hij zestien jaar lang als ‘ABN-zendeling’ had gewerkt.

En de Nederlanders deugden evenmin. Dat waren ‘moedertaalmasochisten’, die in Kortrijk Frans probeerden te praten, en die met hun voorkeur voor Engelse leenwoorden leden aan ‘anglomanie’.

Eigenlijk hoogst merkwaardige opvattingen voor een taalkundige – die beschrijven de taal, en onthouden zich van oordelen. En toch was Paardekooper met hart en ziel taalkundige. Zijn afkeer van alles wat niet-ABN was, kun je gerust onwetenschappelijk noemen, maar voor de meeste van zijn taalopvattingen vond de taalpoliticus die in hem huisde wel degelijk goede, taalkundige gronden.

Neem die spelling. In 1963, inmiddels een halve eeuw geleden,  was hij de oprichter van de Vereniging voor Wetenschappelike Spelling, die  dus ‘wetenschappelik’ wil schrijven, en ‘hont’. Eén klank, één letter was een simpeler systeem. En we schrijven immers ook ‘huis’, niet ‘huiz’, redeneerde hij.

Zo verdedigde hij ook ‘enigste’, want dat had gevoelsmatig heus een sterkere betekenis dan ‘enige’, dat de schoolmeesters voorschrijven. Hij schreef ’ie’ voor ‘hij’ als je ‘ie’ zegt. En begreep niet wat er tegen ‘Jan z’n jas’ zou zijn. Want dat zegt iedereen. En echt overal droeg hij uit dat het ‘groter als’ moest zijn, niet ‘groter dan’. Dat was een opgelegd verzinsel, en Cats en Vondel en Huygens gebruikten ook ‘als’.

Toch was vooral de Nederlandse zinsbouw uiteindelijk zijn grote liefde. En dat in een tijd dat nog vrijwel niemand daar erg in geïnteresseerd was. Zijn verrassende inzichten en haarscherpe analyses worden nog steeds door iedereen geroemd. Zonder enige twijfel is Paardekooper de breedst gewaardeerde taalkundige die het Nederlands taalgebied ooit gehad heeft. Taalonderzoekers uit alle hoeken kijken altijd eerst even ‘wat Paardekooper ervan zegt’.

Zijn aanpak was nieuw. Hij keek naar zinnen op een manier die nu standaard is: wat kan er wel, wat kan er niet? Dat gaat met uitproberen, wegstrepen, invullen, aanvullen, omkeren.

Zo schreef hij in 1956 al een artikel over ‘een schat van een kind’.  Althans, over die manier van zeggen, de constructie – die je bijvoorbeeld ook bij ‘een boom van een vent’ ziet. Hoe kun je weten of het wel echt een constructie is? Daarvoor ga je puzzelen. Kun je er iets tussen zetten? Dan krijg je bijvoorbeeld ‘Heb je dat niet altijd een schat gevonden van een kind?’ En dat is niet goed. Wat kun je ervoor zetten, of erachter? Kun je een woord vervangen? Prima is ‘kijk zo’n schat van een kind toch ’s’, maar fout: ‘kijk die schat van een kind toch ‘s’. Op die manier pluste hij talloze verschijnselen uit, en bracht patronen van het Nederlands in kaart. 

Daarbij ontwikkelde hij zijn eigen terminologie. Ook daarin liep hij soms voorop. Degenen die op de middelbare school, of op een leraren- of vertalersopleiding leerden ontleden volgens ‘de methode Paardekooper’ kennen vast de categorieën bwbn en vzaz nog: bijwoord/bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel/achterzetsel. Die dingen bij elkaar nemen is nu allang normaal, bwbn en vzaz staan wereldwijd bekend als A en P.

Niet dat dat laatste direct aan Paardekooper te danken is. Er ontstond de afgelopen week enige discussie op internet over of Paardekooper nou school gemaakt heeft of niet. Dus buiten de invloed die hij letterlijk op scholen had, vooral in het zuiden van ons taalgebied overigens.

Er is geen ‘Paardekooperiaanse taalkunde’ ontstaan, maar syntacticus Hans Broekhuis hield een hartstochtelijk pleidooi op Neder-L, het elektronisch tijdschrift voor neerlandistiek,  voor oog voor Paardekoopers impact: ‘feit is dat Paardekoopers werk en vooral zijn Beknopte ABN-syntaksis een verregaande, maar vaak verborgen invloed heeft gehad op de beoefening van de taalwetenschap’, schreef hij onder meer. En Broekhuis heeft recht van spreken. Hij werkt al bijna twintig jaar aan een groot overzicht van de Nederlandse syntaxis. Vaak gebaseerd op het soort testen dat Paardekooper gebruikte, en ingedeeld volgens diens ‘Beknopte’.

En hoewel de laatste editie van die Beknopte ABN syntaksis (let ook op de spelling van syntaxis) niet minder dan 974 pagina’s telde, in onooglijk kleine lettertjes, laat het werk van Broekhuis zien dat die titel correct is. Er is net weer een deel van diens Syntax of Dutch uit.  Uitsluitend over bijvoeglijke naamwoorden en constructies, en het telt toch 635 bladzijden. Ook dat was bijzonder van Paardekooper: hij zag hoe weinig we nog weten.

Uit de overlijdensadvertentie bleek dat Paardekooper in België gestorven is, thuis, na een ziekbed van twee maanden. In het land waar hij een lange haat-liefdeverhouding mee had. Er zijn geen Belgen heette het boekje met zes radiolezingen dat in de jaren zestig enorm veel stof deed opwaaien.

In 1987 vertelde Paardekooper daarover: “Dat ging er natuurlijk over dat je alleen Vlamingen en Walen hebt en dat die twee stukken niet met elkaar kunnen praten. Door een reeks toevallen is dat toen een rel geworden en kreeg ik spreekverboden opgelegd door het Belgische ministerie van Justitie. Twee keer ben ik met vliegende vaandels en slaande trom in een auto met 120 kilometer per uur België uitgezet. Dat was allemaal flauwekul, maar het gaf toch ook het nodige plezier.”

Vervolgens maakte men hem in 1970 toch hoogleraar in Kortrijk, tot zijn kennelijke genoegen. Overigens is Paardekooper na zijn pensionering nog tientallen jaren actief geweest, onder meer op de universiteit van Leiden. Ook de activist bleef. Zo beijverde hij zich voor het behoud van het Zuid-Afrikaans. De annonce in de krant meldde: ‘Tot het einde toe is hij met zijn geliefde syntaksis bezig geweest.’ Zoals hij in 1987 zei: ‘Een taalbeschrijving komt nooit af.’

 

Mannen zeggen anders ‘mhm’ dan vrouwen

Vrouwentaal, feiten en verzinsels door Dédé Brouwer 118 blz., Aramith 1991, f 19,90 ISBN 90 68340875

Het gewicht van de directrice. Taal over, tegen en door vrouwen door Agnes Verbiest, 134 blz., Contact 1991, f 17,90 ISBN 90 25469086

Het is een heel wonderlijk gegeven: tussen ongeveer hun vijfde en vijftiende jaar praten jongens en meisjes bijzonder weinig met elkaar. Ze trekken in die periode vooral met hun seksegenootjes op.

Ondertussen staat hun ontwikkeling natuurlijk bepaald niet stil, alleen gaan jongens-onder-elkaar een andere kant op dan meisjes-onder-elkaar. Het verschil zit hem vooral in de dingen die ze doen en de manier waarop ze met elkaar omgaan.

Iedereen kent het clichébeeld van aan de ene kant herrieschoppende, overactieve jongetjes die elkaar aan een stuk door lopen af te troeven bij hun wilde spelletjes, en aan de andere kant bedaarde meisjes die samen in een hoekje heel serieus zitten te spelen of alleen maar te kletsen.

Laat de uitzonderingen even buiten beschouwing en je ziet duidelijk twee verschillende culturen. Gevolg: wanneer de twee geslachten elkaar in hun puberteit weer interessant gaan vinden krijg je een heuse culture clash. Een razend interessant onderzoeksterrein voor sociobiologen of antropologen zou je zeggen, maar in de praktijk is het vaak de vrouwentaal-tak van de sociolinguïstiek die zich ermee bezig blijkt te houden.

Taal is dan de invalshoek en dat leidt al gauw tot een soort omkering van zaken. Twee boekjes die onlangs vlak na elkaar verschenen,  Vrouwentaal van Dédé Brouwer en Het gewicht van directrice door Agnes Verbiest, laten dat weer zien. Beide auteurs hebben het woordenboek uitgespit op woorden met ‘man’ en woorden met ‘vrouw’ erin. En ja hoor, wat komt daaruit: er zijn verschillen. Je hebt wel ‘manloos’, maar niet ‘vrouwloos’ bijvoorbeeld, en wel ‘vrouwenlichaam’ maar niet ‘mannenlichaam’.

Een en ander wordt breeduit en op hoge toon uitgemeten. Zie-je-wel-zie-je-wel lees ik voortdurend tussen de regels door. Brouwers klinkt bozer en rancuneuzer dan Verbiest, die over alles een jolig sausje heeft gegoten, maar de schrijfsters zijn duidelijk alle twee van mening dat ze iets bewijzen.

Maar wat bewijzen ze nou? Dat mannen en vrouwen in de maatschappij niet dezelfde plaats innemen mag zo langzamerhand toch wel een open deur heten, en dat je de verschillen terugvindt in de woordenschat is op zijn zachtst gezegd nogal wiedes. Het zou ook ronduit dom zijn te verwachten dat je de heersende verhoudingen  niet in de voorbeeldzinnen van woordenboeken tegenkomt.

Zo is inderdaad — Brouwer merkt het zelf op — in de Dikke Van Dale ‘de meid is aan de afwas’ een druk later ‘zij is aan de afwas’ geworden, en nog een druk verder ‘hij heeft de afwas weer laten staan’. Een volgende druk zal ongetwijfeld opnieuw de maatschappelijke ontwikkelingen volgen.

UITSTERVEN

Andere woorden maken geen andere wereld, het is juist omgekeerd: verandert er iets in de wereld, dan komt daar altijd een woord voor. Sterft iets uit, dan sterft het woord ook uit of het krijgt een andere betekenis. Dat gebeurt vanzelf, of je er nou voor bent of juist tegen. Taal laat zich slecht sturen. En het woordenboek hobbelt automatisch altijd achter de feiten aan.

Brouwer en Verbiest weten dat natuurlijk eigenlijk allemaal best. Ze zijn ook geen van tweeën fervent voorstander van het invoeren van de timmervrouw en de dokteres, al was het alleen al, zoals Brouwer terecht opmerkt, omdat je vaak niet weet welk achtervoegsel je moet kiezen: ‘hoofdes’ (zoals in voogdes), ‘hoofdin’ (zoals in waardin)? En: ‘‘Precies het feit dat er over vervrouwelijking wordt geredetwist en bewuste keuzen moeten worden gemaakt, wijst erop dat dit niet meer als vanzelfsprekend tot ons taalgevoel behoort.”

Zulke taalveranderingen maken weinig kans in het taalgebruik door te dringen: het eeuwen geleden bedachte onderscheid tussen ‘hun’ en ‘hen’ doet nog altijd bedacht aan, en vereist bij bijna iedereen nadenken of opzoeken voor ze het kunnen gebruiken.

Beide schrijfsters vermelden nog een ander nadeel van exclusief vrouwelijke termen: ze leveren dikwijls een ‘lagere gevoelswaarde’ op. Secretaris-secretaresse is daar een bekend voorbeeld van, maar volgens Verbiest legt een directrice ook minder gewicht in de schaal dan een directeur (vandaar de titel van haar boek).

Dit punt bewijst alleen maar eens te meer dat het geen enkele zin heeft je met benamingen bezig te houden: zolang de maatschappij mannen en vrouwen verschillend bekijkt zal ze ze verschillend benoemen.

Wat Brouwer en Verbiest met hun verongelijkte boosheid over woorden denken te bereiken is dan ook een raadsel, net zoals het nergens duidelijk wordt op wie ze nu toch zo boos zijn. Wie is toch die opperseksist die het allemaal bedacht heeft? Let wel: in een maatschappij die voor iets meer dan de helft uit vrouwen bestaat. Een interessant punt waar consequent aan voorbij wordt gegaan.

Benamingen zijn maar één gebiedje dat in het vrouwentaalonderzoek telkens terugkomt. In welke opzichten vrouwen anders praten dan mannen is een ander. Vroeger, ook in deze eeuw nog, zijn daar al mooie seksistische dingen over gezegd.

In beide boekjes wordt de taalkundige Jacques Van Ginneken aangehaald. De vrouwtjes zijn babbelziek, kuis (ze gebruiken geen krachttermen) en gevoelig (ze zeggen ‘honnig’ en ‘vreselijk mooi’) volgens Van Ginneken in 1915. En leeghoofdjes natuurlijk: ze kennen minder woorden, kunnen geen moeilijke zinnen bouwen en logica of het vermogen onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken ontbreekt. Ik moet daar vooral van grinniken.

Maar nog steeds komt uit opgenomen en vervolgens uitgeschreven gesprekken naar voren dat mannen zich stelliger uitdrukken, en dat vrouwen meer verkleinwoordjes gebruiken, minder aan het woord zijn dan mannen, (dus) minder interrumperen, en meer vragen stellen. Ook moedigen ze degene met wie ze praten vaker aan met uitingen als ‘mhm’ en ‘ja’ en dergelijke.

Dat vrouwen er een rudimentaire grammatica op nahouden mag een idee zijn dat alleen nog op de lachspieren werkt, maar hoe zit het met die andere dingen? Wat zeggen die nou precies?

Anders dan in het geval van de grammatica hebben ze met taal niet zoveel te maken. Het gaat veeleer om gedrag. Is dat aangeboren? Of aangeleerd in die jaren tussen je vijfde en je vijftiende als je aldoor met seksegenootjes praat? Of is dat tijdelijke ‘terugtrekken’ ook weer aangeboren? Volgens mij zitten de crux en de interessante vragen hier, niet in de taal zelf.

Mannen en vrouwen (in één taalgemeenschap tenminste) spreken wel degelijk dezelfde taal. De systemen die ze gebruiken zijn exact gelijk: mannen kunnen ook heus wel verkleinen en vragen stellen, en ‘mhm’ zeggen tijdens een gesprek. (Wat dat laatste betreft: het schijnt zo te zijn dat mannen werkelijk willen instemmen met wat iemand zegt als ze instemmend hummen, terwijl vrouwen niet meer hoeven te bedoelen dan ‘ja, ik luister nog, ga door’.) Mannen hebben dus een andere houding. Ze praten ook met andere doelen voor ogen: ze willen scoren, winnen, terwijl vrouwen het graag gezellig houden en liever overleggen om het uiteindelijk eens te worden.

Karikaturaal? Ja, dat vind ik ook, en ik ken ook heel wat mensen die niet direct voldoen aan dit beeld. Maar in een karikatuur herken je ook het origineel, en er zal dus zeker iets inzitten.

Dat de verschillen altijd en overal opgaan is natuurlijk ook nooit vast te stellen. Onderzoek naar gesprekken is lastig. Als iets niet op een bandje staat, betekent dat nog niet dat het ook echt niet voorkomt. Je kunt niet alle soorten gesprekken met alle soorten gezelschappen opnemen. Vloekt en scheldt u nog lekker tegen uw partner als er een bandje meeloopt? En wie weet hoeveel lieve verkleinwoordjes mannen in bed fluisteren. Veel van de gegevens tot dusver komen bovendien uit Amerika, uit een andere cultuur dus.

ZONDER MEER WAAR

Problemen waar Verbiest in haar opgewekte stijltje vrolijk overheen fietst. De lezer krijgt alles als zondermeer waar voorgeschoteld. Verbiest laat trouwens op de tweede bladzijde van haar boek al zien totaal geen kaas van taalkunde gegeten te hebben. Daar meldt ze namelijk dat alle onderzoek naar taal tot dusver altijd door, over en voor mannen was. Haar groteske conclusie verdient het geciteerd te worden: ‘‘Dat weten we dus allemaal al min of meer.” Wat doet iemand die er zo weinig benul van heeft op dit terrein vraag je je af.

Toen ik verderop nog las dat de grammatica de vorm ‘loodgieter’ voor een loodgieter voorschrijft heb ik maar eens hartelijk gelachen.

Brouwer heeft gelukkig wel een wetenschappelijk geweten dat af en toe een woordje meespreekt. Na de ellenlange uitweiding over het woordenboek waar de onverzoenlijkheid vanaf spat, verandert haar boek ineens totaal van toon en inhoud. Op de laatste tientallen bladzijden volgt een keurige, van kanttekeningen voorziene samenvatting van het vrouwentaalonderzoek tot dusver.

Alles op een rijtje: de vrouwelijke neiging ‘netter’ te praten dan mannen (dat wil zeggen: ze gaan met hun uitspraak dichter tegen de standaardtaal aanzitten), het rare feit dat mannen makkelijk hoger en vrouwen makkelijk lager zouden kunnen spreken dan ze doen, de onderzoekjes waaruit blijkt dat vrouwen negatiever tegen ruwe taal aankijken dan mannen.

Bij alles vertelt Brouwer waar en hoe het onderzoek gedaan is, hoeveel mensen eraan meededen et cetera. Zo kun je de conclusies tenminste naar waarde schatten. Aardig is dat ze ook Je begrijpt me gewoon niet, de tophit van Deborah Tannen, in een paar bladzijden navertelt. Dat scheelt honderden pagina’s op elkaar lijkende anekdotes en uit de literatuur geplukte dialogen.

Als het onderwerp u interesseert dan kunt u het beste het laatste deel van Brouwers Vrouwentaal lezen. Verbiest en Tannen kunt u gevoeglijk laten zitten.

Wie niet horen kan moet maar zien

Ben‑je‑liever‑doof‑of‑blind is een geliefd denkspelletje bij kinderen. Vroeger koos ik na “aan één oor doof, aan één oog blind”, wat natuurlijk niet telde, uiteindelijk toch maar voor doof.

Want dan kon je tenminste een beetje zelfstandig blijven: lezen, schrijven, gewoon rondlopen, en praten kan ook nog steeds. Wist ik veel dat perfect liplezen principieel onmogelijk is (doe maar eens het rijtje wat‑vat‑fat‑wit‑vit‑fit‑fut‑vut‑vod voor de spiegel). En ik wist al helemaal niet dat ik in dat geval een vreemde taal zou moeten leren, een taal die maar weinig mensen kennen: gebarentaal, in mijn geval Nederlandse gebarentaal, de moedertaal van de doven in dit land.

Doof‑ en blindheid worden dikwijls in een adem genoemd, maar eigenlijk zijn ze helemaal niet te vergelijken. Het is maar de vraag of in het land der doven éénoor koning zou zijn. Hij zou zich om te kunnen regeren in ieder geval toch van de taal van zijn onderdanen moeten bedienen.

Aan zijn vermogen een taal te verstaan zou hij niets hebben. Sterker nog: hij zou nooit leren praten, want hij zou als kind automatisch gebarentaal geleerd hebben. Voor doven is het maar gelukkig dat ons taalvermogen niet in onze spraakorganen en onze oren zit, maar kennelijk in ons hoofd.

Is het auditieve kanaal afgesloten dan staat het visuele kanaal nog steeds wijd open (Wie niet horen kan, moet maar zien is de prachtige titel van een boekje over gebarentaal). Kun je niet horen én niet zien, dan blijkt het zelfs mogelijk om taal te voelen: doofblinden praten door tekens op de handen van een ander te maken en ze luisteren door diezelfde tekens op hun eigen handen te voelen.

Zet een stel mensen bij elkaar en ze vinden of maken een gemeenschappelijke taal. Dat is wonderlijker dan het op het eerste gezicht misschien lijkt. Ons taalvermogen zit blijkbaar zo in elkaar dat er, indien noodzakelijk, een nieuwe taal mee gecreëerd kan worden.

Dat gebeurde bijvoorbeeld veelvuldig in het koloniale tijdperk op plantages en dergelijke. Voor die plantages werden er van alle kanten slaven aangevoerd. Slaven die dus ook allemaal verschillende talen spraken.

Gek genoeg was het nooit zo dat één taal het dan won van de andere en de voertaal werd. Nee, op de plantages ontstonden nieuwe talen (in taalkundejargon heten ze creolentalen, en er wordt geschat dat het er tussen de 100 en de 150 zijn). In Suriname bijvoorbeeld het Sranan Tongo, dat inmiddels ook in Nederland door een flinke groep mensen gesproken wordt.

En soms ontstaan er gebarentalen. De Indianen van de “Great Planes” bijvoorbeeld leidden allemaal een zelfde soort leven waarbij ze elkaar op ponyjacht of bij de handel tegenkwamen.

Maar verschillende stammen spraken ook compleet verschillende talen: op de Great Planes ontstond een gezamenlijke Indianen‑gebarentaal, die er naar het schijnt nog steeds is en inmiddels ook gebaren voor zaken als auto’s en telefoons heeft. In Nederland bestaan er nog steeds Trappistenkloosters waar de oudere broeders zich de gebarentaal herinneren die gebruikt werd in de eeuwen dat toetreden tot orde betekende dat je maar een dag per jaar mocht praten.

Bij de Indianen en de Trappisten gaat het om een soort hulptaal die bij gelegenheid ingezet wordt (de Trappisten mochten ook alleen over het hoogstnoodzakelijke gebaren).

Nooit zijn dergelijke gebarentalen iemands moedertaal. De dovengemeenschappen op de wereld hadden wat dat betreft een lastiger taak: ze moesten een complete taal, waarin ze alles konden zeggen, ontwikkelen. Niemand die weet hoe ze het gedaan hebben, maar feit is dat waar doven bij elkaar leven er een gemeenschappelijke gebarentaal is.

Let wel: overal een andere, zoals je ook overal verschillende gesproken talen hebt. Maar het is altijd een taal waarin grappen gemaakt worden, gescholden wordt, waarin gebaarders over de liefde en democratie kunnen gebaren, en over de toekomst en het verleden, kabouters en eenhoornen. Het is, kortom, altijd een taal als elke andere taal. En gebarentalen overleven ook wanneer het gebruik ervan verboden wordt, zoals in veel doveninstituten lange jaren het geval is geweest.

Dat kwam deels doordat men tot zo’n dertig jaar geleden overal aannam dat gebarentalen geen ‘echte’ talen waren. Een geloof dat nog steeds niet uitgeroeid is, zelfs niet onder doven: die is vaak jarenlang voorgehouden dat gebarentaal een minderwaardig en rudimentair communicatiemiddel is. De kortzichtigheid van horenden heeft veel kwaad gedaan.

Of eigenlijk is het natuurlijk een algemeen menselijk trekje: we zijn nu eenmaal geneigd te denken dat anderen net zo in elkaar zitten als wij en ongeveer dezelfde dingen denken en doen. En waar gebruiken horenden gebaren voor? Om wat ze zeggen een beetje kracht bij te zetten, of om naar concrete dingen te wijzen.

Vandaar dus de gedachte dat je in gebarentaal niet over abstracte zaken kunt praten. Maar het zit hem niet in de toevallige taal, het zit hem in ons: wíj kunnen het over abstracte of zelfs onmogelijke dingen hebben, of dat nu met behulp van een gebaar, een gesproken woord, of geschreven tekst is. En we verschillen daarin echt van de apen.

Een van de mooie dingen van de ontdekking dat gebarentalen gewone talen zijn die een ongewoon kanaal gebruiken, was dat eindelijk de mogelijkheid ontstond met zekerheid iets over het taalvermogen van apen te zeggen. Want leren spreken konden die sowieso niet, daar hebben ze nu eenmaal het strottehoofd niet voor. Het idee eens te kijken hoever je met gebarentaal kon komen was zondermeer briljant. Het heeft beroemde apen opgeleverd (Koko en Washoe bijvoorbeeld) die inderdaad in staat bleken een aantal gebaren te onthouden en te gebruiken.

Maar taal leerden ze niet. Dat wil zeggen: ze gingen elkaar nooit sterke verhalen vertellen, of hun onderzoekers vragen hoe die erop gekomen waren ze in een laboratorium te zetten, noch informeerden ze bij moederaap wat oma eigenlijk voor type geweest was.

Waarom dat niet gebeurde weten we natuurlijk niet precies. Wat apen in ieder geval duidelijk níet onder de knie krijgen, zijn de bouwprincipes die ons een levenlang in staat stellen steeds maar weer nieuwe dingen te zeggen en te begrijpen.

Het hoogste dat een aap in dit opzicht heeft weten te bereiken is het combineren van twee gebaren om daar iets anders mee aan te duiden (zoiets is maar een paar keer geregistreerd en het standaardvoorbeeld is dat van de aap die ‘water’ en ‘vogel’ gebaarde toen hij de een of andere eend zag).

Overigens geen geringe prestatie, apen zijn echt slim. Maar hadden ze werkelijk net zo’n taalvermogen en wij, dan zouden ze natuurlijk allang gebarentalen ontwikkeld hebben, net als de doven.

Als je doof bent is je grootste pech misschien wel niet dat je niet kunt horen. Je grootste pech is dat er niet méér mensen doof zijn. Eén op de 155 kan zelfs al genoeg zijn om een complete gemeenschap gebarentaal te laten leren. Vanzelf.

Dat cijfer komt van Nora Ellen Groce, die een onderzoek heeft gedaan naar doofheid en gebarentaal op een Amerikaans eiland: Martha’s Vineyard. Martha’s Vineyard werd in de 17e eeuw bevolkt door een groepje Engelse kolonisten. Die brachten een recessief gen voor doofheid mee. Ze vormden zo’n gesloten gemeenschap dat binnen een paar generaties iedereen familie was van iedereen, en de inteelt zorgde voor een abnormaal groot aantal doven, gemiddeld een op de 155 dus, maar een op de tien is ook wel voorgekomen.

Tot het begin van deze eeuw kende in een paar plaatsjes op het eiland iedereen gebarentaal. Groce zocht de hele geschiedenis uit en ging praten met de mensen die zich de tijd dat alle horenden tweetalig waren nog herinnerden. Ze heeft het allemaal beschreven in een boek dat Everyone Here Spoke Sign Language heet, en dat zeer de moeite waard is.

Omdat er zoveel doven waren, werd doof zijn normaal. Omdat iedereen gebarentaal kende konden doven aan alles meedoen. Je vond ze in alle beroepen en niemand dacht er, zo uit de verhalen te lezen, erg bij na dat ze niet konden horen.

Horenden onderling gebruikten hun kennis ook. Buurvrouwen op boerderijen die een flink eind uit elkaar lagen, luidden als ze elkaar iets wilden vertellen een klok, dan pakten ze hun verrekijkers en wisselden vervolgens in gebarentaal de laatste roddels uit. De voordelen van gebarentaal in de klas en de kerk laten zich ook raden. In drukke, lawaaierige omgevingen en over grotere afstanden is gebarentaal veel praktischer dan gesproken taal.

Als er meer doven waren dan zou gebarentaal vast en zeker een verplicht vak op school worden. Ook nu is dat idee volgens mij het overwegen waard. Hoe knap sommige doven ook zijn in liplezen, hoe verstaanbaar enkelen ook leren spreken: een dove zal zich nooit zo thuis kunnen voelen in een gesproken taal als een horende.

Iedere dove leeft daardoor in meerdere of mindere mate in een isolement. Terwijl de horenden prima gebarentaal kunnen leren, en daarmee dat gruwelijke isolement doorbreken. Voor wie horend geboren wordt is het ook een soort oudedagsverzekering. Stel dat je op een gegeven moment doof wordt, dan is dat in een gemeenschap waar iedereen, inclusief jijzelf, gebarentaal kent, werkelijk minder erg dan blind worden.

In de toren van Babel zijn vele kamers

Het merendeel van de wereldbevolking kent waarschijnlijk meer dan één taal. Maar hoe leer je je kinderen twee moedertalen? En helpt tweetaligheid tegen alzheimer? Een dik overzichtsboek en een symposium bieden antwoorden op deze en vele andere vragen. 

‘Mijn dochter van acht begint nu steeds vaker in het Duits te antwoorden.’ Niels Schiller vertelt het met een mengeling van vaderlijke trots en enthousiasme voor zijn vakgebied. De hoogleraar psycho- en neurolinguïstiek is even met allebei zijn dochters – de jongste is bijna vier – in zijn geboorteland Duitsland. Maar ook in Nederland, waar hij in 1994 naartoe kwam, praat Schiller altijd Duits tegen ze. Daar is hij heel consequent in. ‘Willen ze dat ik een boekje voorlees? Prima, maar wel een Duits boekje. En als we samen een dvd kijken, is het altijd een Duitse dvd,’ zegt hij aan de telefoon. In heel goed Nederlands, dat desalniettemin in elke zin verraadt wat zijn moedertaal is.

Voor zijn dochters zal het anders zijn. Die hebben straks als het goed gaat twee moedertalen: het Nederlands van hun moeder en van het land waar ze wonen, en het Duits van hun vader. Allebei accentloos en vloeiend. Twee Talen, één BeTalen heet het symposium over tweetalig opgroeien dat komende vrijdag bij het Leiden Institute for Brain and Cognition gehouden wordt, en dat Niels Schiller organiseert. Ook ouders zijn er welkom.

Juist die hebben nogal eens twijfels of het nou wel goed is voor zo’n kind. Is het niet veel te lastig, en zitten die talen elkaar niet verschrikkelijk in de weg?  Politici en anderen die zich met de inrichting van het onderwijs bezighouden, denken dat laatste juist vaak zeker te weten. ‘Soms zie je een kleine vertraging in de taalontwikkeling, of lijken kinderen een tijdje in de war te zijn, maar heus, dat komt goed,’ zegt Schiller. ‘Zolang je maar zorgt voor genoeg kwaliteit en kwantiteit, en consequent bent in je taalaanbod. Daarom praat ik altijd Duits, en ga ik regelmatig alleen met de kinderen naar Duitsland. Want ze weten natuurlijk dat ik ook Nederlands versta, dus de druk om Duits te praten is niet zo hoog.’

Vast staat dat kinderen met gemak twee of zelfs nog meer talen kunnen leren. Zonder het stampen waartoe volwassenen veroordeeld zijn. Hoe dat precies komt, en wanneer hun vermogen om talen als een spons op te nemen verdwijnt, is onderwerp van flink wat debat. Dat er speciale eigenschappen van kinderhersenen bij komen kijken, denkt iedereen. Sommige onderzoeken leggen bij vijf jaar al een grens, andere komen uit op een jaar of zeventien. Bepaalde onderdelen van een taal (de klanken, subtiele grammaticale zaken) lijken gevoeliger voor leeftijd dan andere (woorden leren) voor het bereiken van een native speaker-niveau. Het is waarschijnlijk een luik dat langzaam dicht gaat, maar wel altijd op een kier blijft, want een nieuwe taal leren kun je je leven lang. En hoe meer je er al kent, des te makkelijker gaat de volgende.

Kan er dan niets kwaad? Jawel. Ook uit alle onderzoek dat hoogleraar experimentele psycholinguïstiek Annette de Groot onlangs in een rijk en breed overzichtsboek beschreven heeft, rijst deze stelregel: beter één taal goed leren dan twee maar half. ‘Je taalontwikkeling ondersteunt je denkontwikkeling’, zegt De Groot. Mis gaat het als kinderen zich onder sociale druk gedwongen voelen een overstap te maken van de taal die thuis gesproken wordt naar de taal van de rest van de omgeving.

Perfect tweetalig worden kan gelukkig een hele tijd. In de praktijk betekent dat bijvoorbeeld, dat gebrekkig Nederlands tegen je kind praten een slecht idee is. Ook ‘voorschoolse’ taallessen zijn niet nodig, wanneer een kind vanaf zijn vierde genoeg Nederlands hoort en voorgelezen krijgt en dergelijke. Een Nederlandstalige school en Nederlandstalige vriendjes zijn daarvoor voldoende. Ouders kunnen beter hun eigen moedertaal gebruiken. Dat is ook voor henzelf aangenamer.

 

DE HUIS STAAT NIET IN HEERLEN

Voor buitenlanders die Nederlands willen of moeten leren is het een crime. Ook prinses Máxima zei het al: een van de moeilijkste dingen van het Nederlands zijn de lidwoorden. Wie er even op let, ziet al gauw het probleem. Want hoezo hebben we ‘het huis’ naast ‘de woning’? Waarom zeggen we ‘het paard’ maar ‘de koe’?

Daar komt bij dat welke van de twee het is, gevolgen heeft voor allerlei woorden in de buurt, zelfs als er geen ‘de’ of ‘het’ te bekennen valt: in goed Nederlands praat je bijvoorbeeld over ‘een mooi huis’ en ‘een mooi paard’, tegenover ‘een mooiE woning’ en ‘een mooiE koe’. Terwijl het wel weer ‘het mooiE huis’ en ‘het mooiE paard’ is.

Verwarrend? Het is nog erger: bij ‘het’ hoort ‘dit’ en ‘dat’, maar ‘de’ gaat samen met ‘deze’ en ‘die’: dat/dit huis, dat zicht biedt op deze/die koe, die altijd keihard loeit. En om het helemaal duizelingwekkend te maken, worden alle de-woorden (driekwart van het geheel) ineens het-woorden zodra je ze verkleint: ‘het koetje staat naast een leuk woninkje.’ Ga er maar aanstaan.

Over het leren van ‘de’ en ‘het’ terwijl je tegelijk met een andere taal opgroeit, gaan twee lezingen bij het symposium. Hoogleraar Franse taalkunde Aafke Hulk komt onder meer met cijfers over Marokkaans- en Turks-Nederlandse kinderen. Als die tien zijn, gaat het bij ongeveer de helft van de het-woorden nog verkeerd. Anders dan volwassenen maken ze maar een kant uit fouten: het-woorden worden de-woorden. ‘De leuke meisje’ is bijna exemplarisch voor wat ‘allochtonen-Nederlands’genoemd wordt. Ten onrechte, kinderen van bijvoorbeeld ex-pats doen exact hetzelfde.

Maar Hulk keek ook naar kinderen die alleen Nederlands leren: ‘Die maken dezelfde fouten. En dat duurt zeker tot ze zeven zijn, terwijl Franse kindjes al met drie, vier jaar le en la en un en une goed doen.’ Of het na hun tiende met de tweetaligen alsnog goedkomt, is niet bekend. Het zou best kunnen van wel. Een kleine aanwijzing komt van een Marokkaans-Nederlandse jongere in Rotterdam die tegen een onderzoeker zei: ‘Natuurlijk weet ik best dat ‘t ‘het huis’ is, maar je dacht toch niet dat ik dat hier op straat kon zeggen?’ Groepstaal (met de bijbehorende groepsdruk) kan de feitelijke taalkennis van jongeren flink vertekenen.

Turks en Marokkaans hebben overigens geen of een heel ander lidwoordensysteem. Daar valt dus niet tweetaligs aan te vergelijken. Maar Leonie Cornips van het Meertens Instituut vond iets verrassends in haar geboorteplaats Heerlen. Het Heerlens dialect werkt in dit opzicht net als het Duits (der, die, das, en bijpassende verbuigingen), en dat lijkt het Nederlands leren positief  te beïnvloeden. Want Heerlense kinderen van vier à vijf die alleen maar Nederlands leren, doen niet meer dan tien procent van de het-woorden goed. Nederlands-Heerlens opgroeiende kinderen zitten op dat moment al op dertig procent.

 

SLEUTEL IS HARD ÉN LIEF 

Alzheimer blijft langer weg bij mensen die meer dan een taal gebruiken. Op ingewikkelde reactietestjes waarin ze conflicterende informatie moeten negeren of onderdrukken, scoren meertaligen duidelijk beter. Hun werkgeheugen blijkt in het algemeen meer aan te kunnen dan dat van eentaligen. En ook de controle over andere zaken die de hersenen moeten uitvoeren, is scherper. Het continu moeten onderdrukken van de talen die je op dat moment niet spreekt – want dat is hoe het lijkt te gaan in meertalige hoofden – levert kennelijk serieuze voordelen op.  

Hoe ziet dat er van binnen uit? Daar valt nog lang niet alles over te zeggen. Heel wat delen van de hersenen doen mee. Wel lijken zich wanneer iemand er een taal bij aan het leren is,  in eerste instantie aparte gebiedjes per taal te ontwikkelen in het gebied van Broca, dat cruciaal is voor taal. Maar dat effect is niet meer terug te vinden bij een ongeveer even goede beheersing van de talen in kwestie. En bij wie tweetalig opgroeit, zitten die talen vanaf het begin dwars door elkaar heen. Dat we ze desalniettemin meestal haarscherp uit elkaar kunnen houden, is een staaltje hersenkrachtpatserij.

En er is nog meer. Wat Annette de Groot tijdens haar lange tocht door onderzoeksresultaten ontdekte en  heel intrigerend vindt, is de net iets verschoven blik op de wereld die verschillende talen kunnen bieden. Op soms heel onverwachte manieren. ‘Voorwerpen die helemaal niets met gender, geslacht, te maken hebben, zoals een sleutel, roepen toch meer mannelijke of meer vrouwelijke associaties op, puur afhankelijk van de vraag of de namen van die voorwerpen toevallig mannelijk of vrouwelijk zijn’, vertelt ze. Zo denken Duitsers bij ‘Schlüssel’ (‘der’, mannelijk) aan ‘metaal’, ‘hard’, ‘gekarteld’, maar Spanjaarden bij ‘clave’ (‘la’, vrouwelijk) aan ‘klein’, ‘blinkend’, ‘lief’. Maar hoe zit het dan als je allebei die talen kent? De Groot: ‘Er zijn wel aanwijzingen dat de inhoud van concepten bij tweetaligen naar elkaar toe kan groeien. Maar er zijn ook mensen die tussen twee verschillende denkwerelden lijken te switchen, afhankelijk van de taal die ze op dat moment gebruiken. Wat ik mooi vind, is dat je niet vast zit aan één eenmaal verkregen wereldbeeld.’

Voor het (afgezien van titel overigens Engelstalige!) symposium Twee Talen, één BeTalen op vrijdag 20 mei zie www.libc-presents.nl

Het boek van Annette de Groot, gericht op studenten en collega’s, heet Language And Cognition In Bilinguals And Multilinguals, an introduction. 528 pag., Psychology Press, € 52,99. 

Voor de antwoorden van taalkundigen op 217 praktische vragen over meertalig opvoeden van ouders, zie de vraagbaken op www.ouders.nl

Nootje: clave blijkt niet het gewone woord voor sleutel, het ding, in het Spaans. Mijn schuld. Doordat het zo op het Italiaanse chiave lijkt meende ik het goede woord meteen gevonden te hebben. Dank aan degenen die me er op wezen.

 

MAM, IK LUISTER NAAR GRIEKSE SONGS. DAT MAG’

Een strijdpunt in veel pubergezinnen. Voor alle ouders die niet willen geloven dat hun kind met een IPod op, of YouTube op de achtergrond, erg opschiet met die Franse woordjes, en voor alle scholieren die zeggen dat het juist beter gaat dan: het is onderzocht. En het zit als volgt. Studeren op een vreemde taal gaat inderdaad beter met muziek aan. Zolang die althans instrumentaal is. Wordt er gezongen in een onbekende taal, dan maakt wel of geen achtergrondmuziek niets uit. Maar kun je de woorden wel verstaan dan leidt dat, of je wil of niet, af en gaat het leren juist slechter. 

 

EENTALIGHEID IS MYTHE

Naar alle waarschijnlijkheid kent het merendeel van de wereldbevolking meer dan een taal, helemaal als je ‘passief’ kennen (zelf alleen een streektaal spreken bijvoorbeeld, maar wel een officiële landstaal begrijpen) meerekent. Dat geldt ook al heel lang voor Nederland. Dat wij geneigd zijn ons land vooral als eentalig te beschouwen, komt volgens sociolinguïste Leonie Cornips door de negentiende-eeuwse nadruk op natievorming, waarbij een land liefst samen moest gaan met een volk, en vooral: één taal. Maar er waren ook toen talloze dialecten, er was het Fries, en de elite die Frans sprak. Nu helpt elke buschauffeur alle toeristen in meer of minder steenkolen-Engels, en hebben onderwijs en radio en tv het Standaardnederlands inderdaad  de standaard gemaakt.

 

FRANS SPREKEN? DRINK!

Om je enigszins te kunnen redden in een taal, moet je naar verluidt minimaal 3000 veelgebruikte woorden kennen. Wil je een tekst goed snappen, dan is het genoeg als je 95 procent van de woorden kunt thuisbrengen. En zonder basiskennis van de grammatica lukt dat natuurlijk niet.

Maar dat maakt de vraag ‘hoeveel talen spreek je?’ nog altijd niet simpel te beantwoorden. Dat mondje schoolduits, of dat camping-Spaans, telt dat ook  mee? Op vakantie wel, maar voor onderzoek naar twee- of nog meertaligheid worden eigenlijk steevast proefpersonen gevraagd, die die talen in het dagelijks leven ook echt naast elkaar gebruiken. Dus of de voordelen van meertaligheid ook gelden voor emigranten die hun eerste taal allang niet meer gebruiken, of voor mensen die ooit vlot Frans of Duits spraken,  is niet duidelijk.

Wel lijkt het erop dat je een roestig geworden taal altijd weer kunt afborstelen, ook al heb je hem tijdenlang niet gehoord of gesproken. Met een uitzondering: als kinderen abrupt verstoken raken van hun moedertaal-tot-dan-toe, bijvoorbeeld omdat ze geadopteerd worden door mensen in een ander  land, dan wint de nieuwe moedertaal het, en lijkt de oude voorgoed vergeten te worden. 

Ook vastgesteld: een paar glazen alcohol doen wonderen voor je spreekvaardigheid in een vreemde taal. Je denkt niet alleen dat die vooruit gaat, het is ook zo.

Luister naar de doven

Stemmen zien, reis naar de wereld van de doven door Oliver Sacks 200 blz., Meulenhoff 1989, vert. Jos den Bekker (Seeing voices, a journey into the world of the deaf, 1989) f 32,50 ISBN 90 290 9510 5

Zieltjes redden en gebarentaal gaan al eeuwen hand in hand. Precies 200 jaar geleden stierf Abbé de L’Epée, een Parijse geestelijke die gezien had dat de doven in zijn stad communiceerden door gebaren te maken. Bewegende handen en gezichtsuitdrukkingen bleken de toegangsweg tot de hoofden en harten van degenen die nooit hadden leren spreken en bidden.

De L’Epée ontwierp een compleet gebaarsysteem voor het Frans en gebruikte dat om de dove leerlingen van zijn in 1755 gestichte school te onderwijzen en stichten. Hij dacht namelijk dat de onder Parijse doven gehanteerde gebarentaal universeel was, maar geen grammatica had en zijn signes méthodiques losten dat laatste probleem op. Zijn aanpak werd een groot succes en zelfs een exportartikel.

De Nederlandse predikant H.D. Guyot volgde tien maanden lang de lessen van onder anderen Abbé Roche-Ambroise Sicard, die De L’Epées opvolger zou worden. In 1790 stichtte Guyot in Groningen het eerste Instituut voor Doofstommen in Nederland. In het Stadsarchief van Groningen bevinden zich nog steeds Guyots aantekeningen uit Parijs.

GOD

God blijkt voortdurend de inspiratiebron om de leerlingen allerlei begrippen en woorden en de Franse grammatica bij te brengen: Dieu est bon, juste, vrai, immurable, invisible, independant en nog heel veel meer; de zinnetjes Mathieu aime Dieu en Sicard aime Dieu worden als uitgangspunt gebruikt om keurig stapje voor stapje, ook via nevenschikking en samentrekking, tot de lijdende vorm (Dieu est aimé par Mathieu et Sicard) te komen.

Guyots aantekeningen (half in het Nederlands, half in het Frans) en ook zijn latere geschriften en het Nederlandse onderwijsmateriaal geven een roerend beeld van zijn behoefte doven volwaardige dus vrome mensen te laten worden. Nog altijd is de EO de enige omroep in Nederland die met een zekere regelmaat een gebarentolk in een hoekje van het scherm projecteert (de dame die de troonrede in september tolkte werkt normaal voor de EO).

In de gebarentaal die de Groningse doven gebruiken op wat nu het Koninklijk Instituut voor Doven ‘H.D. Guyot’ heet, zijn nog altijd Franse sporen te vinden, maar De L’Epées wens om doven van hun goddeloosheid af te helpen heeft nog veel verderstrekkende gevolgen gehad.

De dove Laurent Clerc, een leerling van een leerling van Sicard, vertrok in 1816 naar de Verenigde Staten, waar hij samen met Thomas Gallaudet een dovenschool oprichtte, de eerste van het land. De inheemse gebarentalen daar vermengden zich al snel met het geïmporteerde Franse gebaarsysteem, zodat ook in American Sign Language (ASL) het werk van De L’Epée terug te vinden is.

Over de geschiedenis van vooral de Amerikaanse doven (Nederland laat hij buiten beschouwing) handelt het eerste deel van Stemmen zien, het nieuwste boek van de zijn vak zo vlot populariserende neuroloog Oliver Sacks. Bewogen en gedreven vertelt hij van de dramatische gevolgen die de algehele invoering van het ‘oralisme’ ruim honderd jaar geleden gehad heeft.

DOVENONDERWIJZER

Op een congres van dovenonderwijzers waar uitsluitend de horenden onder het gezelschap stemrecht hadden, werd besloten dat doven absoluut moesten leren praten, wilden ze mee kunnen in de maatschappij.

Het gebruik van gebaren werd vanaf dat moment consequent onderdrukt en dove onderwijzers (zo goed voor het zelfbeeld en de identificatiemogelijkheden van hun dove leerlingen) moesten het veld ruimen voor horende.

Spreken en spraakafzien (‘liplezen’) werd tot enkele tientallen jaren geleden overal het devies. Maar gebarentalen bleken onuitroeibaar: als de meester of de juf er niet bij was bleven dove kinderen zich uitdrukken in gebaren.

Zelden of nooit en dan nog alleen met de grootst mogelijke inspanning bereikten zij het taalontwikkelingsniveau in spreken, lezen en spraakafzien van horenden.

Waarom niet? Dat doet Sacks uit de doeken in het tweede, grootste en meest geslaagde deel van zijn boek. Taalontwikkeling is nu eenmaal aan leeftijd gebonden. Andersom is de ontwikkeling van een kind ook gebonden aan taal. Het heeft informatie nodig.

Als het doof is en niet met gebaren ‘aangesproken’ wordt krijgt het die niet, en loopt daarmee al snel allerlei achterstanden op. Die inhalen, zonder het gehoor als inputkanaal te kunnen gebruiken, is verschrikkelijk lastig.

Pas de laatste tijd is het besef gekomen dat gebarentaal hét communicatiemiddel voor dove kinderen moet zijn. Gebarentaal is namelijk niet hetzelfde als primitief wat dingen in de lucht tekenen.

Gebarentalen zijn net als gesproken talen: er zijn er heel veel, je kunt er in principe alles in zeggen en ze hebben een complete grammatica. Gebarentalen gebruiken alleen een ander medium. En ze laten weer eens te meer zien dat taal iets typisch menselijks is dat in iedereen zit ingebakken, of we nu kunnen horen of niet. 

Maar in je eentje taal leren lukt niet. Sacks haalt de bekende gruwelverhalen aan over wolven- en kolenhokkinderen die later niet goed in staat bleken zich de grammatica van een taal echt eigen te maken.

Pas sinds heel kort is vrijwel algemeen geaccepteerd dat gebarentalen ook een grammatica hebben. En dus net zo goed iemands moedertaal kunnen zijn als welke andere natuurlijke taal dan ook. Het feit dat zelfs het aanbieden van een wat gebrekkige gebarentaal aan dove kinderen (omdat de ouders bijvoorbeeld pas laat gebarentaal hebben geleerd en die niet zo perfect beheersen als hun moedertaal) leidt tot de ontwikkeling van een grammaticaal correcte gebarentaal noemt Sacks “het zoveelste bewijs voor de aangeboren grammaticale vermogens van een kind”.

Het goed leren beheersen van een moedertaal, en dat gaat vanzelf als je jong bent, is het beste uitgangspunt voor het leren van een tweede of derde taal. Dove kinderen die grootgeworden zijn met gebarentaal blijken meestal heel redelijk in staat te leren lezen en schrijven in de gesproken taal van hun omgeving, overigens ook zonder dat ze jaren van hun leven besteden aan oefenen met spreken en spraakafzien. 

Aan gebarentaal zitten heel veel onverwacht interessante kanten. Sacks slaagt er uitstekend in die naar voren te brengen. Hij legt linken met de moderne taalkunde, spreekt over de werking van de hersenen (het lijkt erop dat gebarentaal op een andere plaats ‘opgeslagen’ wordt dan gesproken taal) en verdient daarmee de aandacht en waardering van een groot publiek. Een publiek dat veel breder is dan de dovengemeenschappen en hun directe omgeving alleen.

Hopelijk kan Sacks boek ook eindelijk en voorgoed de misverstanden van De L’Epée, die nog altijd een rijk leven leiden, uit de wereld helpen: er bestaat niet één universele gebarentaal, en alle gebarentalen hebben een heuse complete grammatica waarin, net als in gesproken talen, universele elementen zitten.

Dat men dat niet inzag heeft de emancipatie van de doven ernstig in de weg gestaan. En nog altijd worden er op scholen meestal gebaarsystemen (dus voor elk element uit een gesproken taal een gebaar) in plaats van natuurlijke gebarentalen in het onderwijs gebruikt. Sacks houdt niet op erop te hameren dat dat onzin is, en pleit voor het officieel invoeren van gebarentaal in de les.

EMANCIPATIE

Misschien dat de tijd er rijp voor is. Met de emancipatie van doven in Amerika gaat het in ieder geval goed. Sacks besteedt het laatste deel van zijn boek aan de opstand in Washington aan de Gallaudet University vorig jaar maart.

De school die de Fransman Clerc en de Amerikaan Gallaudet in de vorige eeuw opzetten is inmiddels de enige dovenuniversiteit ter wereld. Vorig jaar kregen ze een nieuwe President: een horende dame die geen gebarentaal kende.

De studenten namen dat niet. Ze bezetten hun universiteit, hielden protestmarsen en waren niet van de voorpagina van de krant weg te slaan. Geen talkshow of een van de studentenleiders zat erin. Het was indrukwekkend. Door een krankzinnig toeval was ik die dagen in Washington. Net als Sacks ben ik gaan kijken.

De doodse stilte tijdens toe’spraken’ afgewisseld met het bijna angstaanjagend gegil dat mensen die zichzelf niet kunnen horen voortbrengen, vond ik onvergetelijk. En het werkte. Het publiek was op de hand van de studenten: op een bord vroegen ze langsrijdende automobilisten te toeteren als ze het eens waren met hun eis voor een dove President en een ‘board’ met een dove meerderheid.

Dat bord leverde een voor horenden oorverdovend kabaal op. De eisen van de studenten waren binnen een week ingewilligd (zij het dan dat de nieuwe President pas op zijn twintigste doof geworden is en dus Engels als moedertaal heeft). Hier werd dovengeschiedenis geschreven.

Sacks legt er veel nadruk op dat doven niet ziek zijn. Een gedachte waar hij zelf pas sinds kort van genezen is. Doven vormen een gemeenschap met een eigen taal en cultuur is zijn boodschap. Jammer dat hij zich in zijn enthousiasme af en toe te sterk mee laat slepen. Hij heeft nu eenmaal die onuitroeibare neiging geëxalteerd te gaan doen (ook in zijn andere boeken).

Doven zijn eigenlijk mooiere, betere, krachtiger mensen dan horenden, is zo’n beetje de tendens. Daarmee ontkracht Sacks zijn betoog naar mijn smaak. Gelukkig staat daar weer tegenover dat hij nog altijd meeslepend schrijft. En ik denk dat zijn betrokkenheid oprecht is. Daarom volg je hem als lezer toch met plezier op zijn ‘reis naar de wereld van de doven’.

Woestkwaad achter de babyloopwagen

Woordenboek van het Surinaams-Nederlands
door J. van Donselaar
482 blz., Coutinho 1989, f 59,50
ISBN 90 6283 745 X geb.

De Europese kampioenschappen voetbal hebben vorig jaar behalve een titel en een volksfeest ook nog een nieuw woord opgeleverd: bobo.

Ruud Gullit bezigde die term met zoveel overtuiging en enthousiame dat de sportverslaggeving in Nederland onmiddellijk niet meer zonder kon, terwijl het ook in andere bevolkingslagen al gauw bleek te barsten van de bobo’s.

‘Bobo’ is de afkorting van de onplezierige mensensoort ‘bondsbons’. Dat dacht ik tenminste, en u waarschijnlijk ook. Maar sinds ik J. van Donselaars Woordenboek van het Surinaams-Nederlands gelezen heb, hebben de bobo’s er een betekenisdimensie bijgekregen: in het Surinaams-Nederlands (en het zal niemand ontgaan zijn dat Gullit van Surinaamse afkomst is) is ‘bobo’ een aanduiding voor ‘sufferd, slome’. Als scheldwoord moet het Gullit al prettig in het gehoor gelegen hebben.

Voetbal is een inspirerende sport. Gullits beroemdste voorganger heeft het Surinaams-Nederlands met een prachtig begrip verrijkt: bij het spelen van bingo spreekt men niet van ‘veertien’ maar van ‘Johan Cruijff’ (voor de jonge lezers: veertien was jarenlang het rugnummer van Cruijff).

Grappig, of zoals ze in Suriname zeggen: ‘schuin’. Net als de gewoonte om tegen een roodharige ‘brand 21’ te roepen, naar de rode vlammen van de grote brand in Paramaribo, in 1821.

Voor alle duidelijkheid: Surinaams-Nederlands is geen aparte taal. Het valt nog het beste te vergelijken met zoiets als het Vlaams-Nederlands. Ook dat kenmerkt zich door een makkelijk thuis te brengen accent, een woordgebruik dat licht afwijkt van het standaardnederlands, (onder andere omdat er woorden gebruikt worden die de standaardnederlander ouderwets of plechtig voorkomen) en door zinswendingen die net een tikje anders zijn.

Over uitspraak en grammatica gaat van Donselaars boek niet, het is een woordenboek. Mooi uitgegeven in zo’n band die vanzelf open blijft liggen zonder dat je daarvoor de rug hoeft te breken en met een vuilafstotend kaftje. Zo’n 6600 woorden staan erin, woorden die volgens van Donselaar gebruikt worden in Suriname wanneer Surinamers Nederlands spreken. Nederlands is nog steeds officieel de eerste taal in Suriname, maar voor veel mensen is het een tweede of zelfs derde taal.

Echt verwonderlijk is het daarom niet dat er in het Surinaams-Nederlands nogal wat woorden zitten die direct of indirect (namelijk in vertaling: ‘buik hebben’ voor ‘zwanger zijn’) uit het Sranan Tongo komen, de moedertaal van de meeste Creolen. Ook zit er nogal wat Engels in zowel het Sranan als het Surinaams-Nederlands, zodat het Nederlands in Suriname soms op een onontwarbare kluwen lijkt.

Af en toe is van Donselaars collectie woorden dan ookaanvechtbaar. In hoeverre wijkt het Surinaams-Nederlands af van het gewone Nederlands (en dat is het criterium voor opname in het woordenboek) wanneer het gaat om het gebruiken van ‘anyhow’ of ‘by the way’ of ‘bodyguard’? Hebben het Nederlands en het Surinaams-Nederlands onafhankelijk van elkaar dezelfde woorden geleend?

Van Donselaar bracht, schrijft hij zelf, ruim vier jaar in Suriname door voor botanisch onderzoek. Die belangstelling moet er de oorzaak van zijn dat een ontstellende hoeveelheid ruimte in het boek is gaan zitten in benamingen voor alles wat groeit en bloeit in Suriname.

Nu moet gezegd dat daar de prachtigste dingen fladderen, kruipen en floreren: koffiemamavlinders, mickeymouseplanten, palmkoningkevers, oorbelbloemen, toddejakkies, zwampzuurzakken, pankoekoewiwiri’s, papajaboontjesdieven, patatteluizen, en ga maar door, op iedere bladzij kom je de Surinaamse natuur tegen.

Of het daarbij ook altijd om Surinaams-Nederlands gaat is de vraag: mijn moeder heeft ook ieder jaar een bloeiende amaryllis op de vensterbank staan, en voor heel veel planten en dieren bestaat er helemaal geen Nederlandse naam.

Dat laatste kan zelfs door een botanische onbenul gemakkelijk opgemaakt worden uit de lijsten die achterin het woordenboek staan van wetenschappelijke namen voor planten en dieren, met daarachter de Surinaams-Nederlandse vertaling en, indien aanwezig, de Nederlandse.
Het woordenboek telt nog een extra lijst: Nederlandse woorden met daarachter hun Surinaams-Nederlandse vertaling.

Op zichzelf genomen kun je die natuurlijk ook eigenhandig destilleren uit het eigenlijke woordenboekgedeelte dat het Surinaams-Nederlands als ‘ingang’ heeft, maar het is aardig om op een rijtje te zien staan wat er zoal anders is.

Een ‘wandelwagentje’ wordt een ‘babyloopwagen’, een ‘washandje’ een ‘badlapje’ en de plant die wij ‘kerstster’ noemen heet in Suriname’biefstuk’. Mooi is ook ‘woestkwaad’ voor ‘woedend’ en ‘praatwater’ voor ‘alcohol’.

In het lijstje achterin ontbreekt een deel van de uitdrukkingen en uiteraard zijn daar ook de begrippen die alleen in Suriname bestaan of bestonden niet terug te vinden. ‘Je mond loopt teveel’ is de uitdrukking voor ‘je praat teveel’ en een geweldig geslaagd feest wordt ‘een feest als een feest genoemd’.

Aan ons niet zo roemruchte verleden dankt het Surinaams-Nederlands de inmiddels verdwenen mensensoorten ‘zoutwaterneger’ (uit Afrika over zee aangevoerde negerslaven), ‘creolenmama’ (oude plantageslavinnen die overdag de slavenkinderen verzorgden) en ‘dresneger’ (slaven die in het plantageziekenhuis zieke slaven verzorgden).

Een bron van woorden zijn de wintigodsdienst en de familie: een jongere broer of zus heet in het Surinaams-Nederlands altijd ‘broertje’ of ‘zusje’, opa en oma worden ‘ouma’ en ‘oupa’ genoemd.

Opvallend is het aantal van een (merk)naam afgeleide soortnamen: jenever heet in Suriname ‘bols’, sigarettevloeitjes hebben allemaal de naam ‘job’ en een luxe slipper met goud en kraaltjes wordt ‘delilah’ genoemd, naar de film ‘Samson and Delilah’ waarin zulke slippers gedragen werden.

Een eeuwigdurende bron van creativiteit in iedere taal en elk dialect is verder de geslachtsdaad en wat daar zoal bijkomt. Het mannelijk lid draagt in Suriname namen als ‘derde been’, ‘middenvoet’ en ‘tussenbeen’, het vrouwelijke equivalent wordt wel ‘centenbak’ genoemd en de daad zelve duiden de heren aan met ‘persen’, ‘beren’ of ‘prikken’.

Enfin, een en ander kan natuurlijk leiden tot een ‘lekke pijp'(gonorrhoe).
 

Erasmus wilde al jong overtuigen én amuseren

Een self made man was Erasmus. Al 476 jaar dood, maar het onderzoek naar de in de hele wereld bekende humanist is springlevend. Hans Trapman (1944) houdt zich al tientallen jaren met het werk van Desiderius Erasmus bezig. Hij is net met emeritaat, maar was bijzonder hoogleraar cultuurgeschiedenis. Natuurlijk aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. 

Erasmus’ geboortejaar is een beetje in nevelen gehuld?

Het is heel grappig. Het gaat om onderzoek op de millimeter: of hij in 1466 of 67 of 69 is geboren. Van 1468 is soms ook sprake. Heel lang is 1469 aangehouden, en alle grote herdenkingen waren daar ook op gebaseerd. Maar in een artikel van 50 bladzijden heeft een Amerikaanse onderzoeker, Harry Vredeveld,  aannemelijk gemaakt dat het geboortejaar 1466 was, en dat Erasmus het zelf gemanipuleerd heeft naar 1469.   

Waarom zou hij dat willen?

Hij wilde graag de indruk wekken dat hij nog jong en onbezonnen was toen hij het klooster in ging. Zijn vader was hoogstwaarschijnlijk priester en niet getrouwd met zijn moeder. Niet heel ongebruikelijk, maar Erasmus zat er kennelijk wel mee. Hij woonde als kind in Gouda, maar noemde zichzelf ‘van Rotterdam’.

De hele stad Rotterdam stelde trouwens weinig voor toen, 5000 inwoners. Omdat Erasmus zich zo noemde werd de stad bekend in heel Europa. Misschien dat zijn moeder daar haar zwangerschap uitgezeten heeft, en hij daar dus wel geboren is. Over die geboorteplaats is veel te doen geweest. In de zeventiende eeuw was er al een Goudse geleerde die kwam met het argument dat Jezus van Nazareth ook niet in Nazareth maar in Betlehem geboren was. Dus hij kon best in Gouda geboren zijn. 

Hoe ging het verder?

Hij verloor zijn ouders jong, en werd door zijn Goudse voogden naar een klooster gestuurd. Erasmus had zelf graag een universitaire studie gevolgd, weten we. Maar eigenlijk had hij het redelijk naar zijn zin in het begin. Later is hij zich tegen het kloosterleven gaan verzetten. Hij vond het een gevangenis. En daarom doet hij dus waarschijnlijk later in zijn werk of hij als zeventienjarige nog niet zo veel begreep. Het is aannemelijker dat hij ongeveer 20 was toen hij intrad. Ze hadden daar veel goede boeken die voor humanisten interessant waren. 

Wat hield het eigenlijk in als je humanist was toen?

Daarbij moet je niet denken aan de a-religieuze humanisten van nu, of de omroep Human, maar aan beoefenaren van de humaniora, de alfawetenschappen. Ze zetten zich af tegen de middeleeuwse theologen. Voor de humanisten begint de grote decadentie na het jaar 500. Het begrip de ‘duistere middeleeuwen’ komt van hen. Het Latijn werd slechter en primitiever vond men. De humanisten wilden zuiver Latijn, ook in de theologie. Erasmus heeft heel veel geschreven over hoe goed onderwijs eruit ziet, en over hoe je moest schrijven. Dat je moest overtuigen én amuseren. Heel modern, ja.

Donderdag 8 november spreekt prof. dr. Hans Trapman over ‘De jonge Erasmus’ (eerste van vier colleges). 19.30 uur Zaal 011 Lipsiusgebouw (1175) Cleveringaplaats 1 Leiden. Toegang: gratis.

‘Erasmus vond ook al dat je de lezer moest amuseren’ zette NRC Next ’s ochtends boven dit stuk.

‘Ik ben er reuze op uit voor netjes aangezien te worden’

Dooddoeners en stoplappen door Inez van Eijk, 271 blz., Prisma 1987, f 19,90 ISBN 90 247 1753 9 

Etiquette: hoe gedraag ik me en blijf ik toch mezelf door Inez van Eijk, 339 blz., heruitgave Prisma 1987, f 17,50 ISBN 90 274 1812 8


Ik zeg maar zo, ik zeg maar niks, daar begon het mee. Een bundel clichés die volgens verzamelaarster Inez van Eijk ‘verschrikkelijk’ waren, maar stapels reacties en aanvullingen opriepen. Al snel kon er aldus een tweede boekje uitgegeven worden dat de titel Zo lust ik er nog wel een meekreeg.

Nog eens uitgebreid zijn die bundels nu samengevoegd in Dooddoeners en stoplappen. Tweehonderdzeventig pagina’s waarbij de rillingen je regelmatig over het lijf lopen, maar die je maar heel moeilijk weg kunt leggen.

Want je kent al die kreten en pseudo-antwoorden, al was het alleen al omdat je ze zelf ook gebruikt. Een willekeurige greep om u een idee te geven: ‘Opgeruimd staat netjes’, ‘Doe je dat thuis ook?, ‘Beter laat dan nooit’, ‘Je bent niet elke dag jarig’, ‘Het is maar een aardigheidje’, ‘Altijd mooi meegenomen’, ‘Ajuparaplu’, ‘Ik wil niks zeggen, maar…’, ‘Hè, hè, ik zit’, ‘Noem maar op’, ‘En meer van die dingen’.

“Hoe kan een cliché fantastisch zijn?” vraagt Battus zich in zijn voorwoord af. “Door honderden clichés naast elkaar te zetten”, geeft hij onmiddellijk als antwoord.

Inez van Eijk (47) denkt daar zelf net zo over: “De aantrekkingskracht zit hem in het feit dat je het allemaal bij elkaar ziet.” zegt ze. “Dat heeft een waanzinnig effect want het houdt maar niet op. Je legt ook iets vast: de generaties die al deze uitdrukkingen gebruiken zullen uitsterven, maar dit ligt er dan nog.”

De collectie gemeenplaatsen staat een beetje aan de zijlijn van wat zo langzamerhand een heel oeuvre genoemd kan worden. Van Eijk is waarschijnlijk het bekendst door haar serie ‘hulpen’: De Taalhulp die inmiddels aan zijn tiende druk bezig is, De Brievenhulp (vierde druk) en de pas verschenen Spreekhulp. Een Schrijfhulp is alweer onderweg.

De boekjes hebben met elkaar gemeen dat ze vlot geschreven zijn, ruim in de voorbeelden zitten en duidelijk in een behoefte voorzien. Dat betekent overigens nog niet dat de schrijfster ervan kan leven (“Ik doe er extra dingen van, op reis gaan bijvoorbeeld”). Ze werkt sinds een paar jaar bij de Robeco-groep, waar ze verantwoordelijk is voor het bedrijfsblad Safe, en incidenteel spellingscursussen geeft. Haar achtergrond ligt in het onderwijs: ze heeft zo’n twintig jaar Nederlands gegeven, op verschillende scholen,

Naast dit alles is van Eijk ook nog de schrijfster van Had ik dat maar gezegd (een boekje vol tips over nee-zeggen, lastige gesprekken voeren, solliciteren en andere zaken waarbij een zekere assertiviteit handig is) en Etiquette: hoe gedraag ik me en blijf ik toch mezelf.

Een argeloze lezer komt allicht op de gedachte dat zij de normen van de jaren tachtig vaststelt. Maar zo mogen we het niet helemaal zien. Van Eijk: “Normen zijn een gevaarlijk onderwerp. Ik doe daar liever geen woeste uitspraken over, maar het is natuurlijk onmogelijk om in je eentje normen vast te stellen, of ze op te leggen aan een ander. Ik denk ook dat mijn boekjes alleen gekocht worden door mensen die graag zeker willen weten dat ze iets goed doen. Dat toegeven is al een hele stap, dus ik bereik sowieso alleen een beperkte groep. Maar wie er behoefte aan heeft ergens een norm te zoeken, wil ik best een leidraad geven.”

Maar hoe weet jij dan hoe het moet? Waar haal je zelf die leidraad vandaan?

“Uit mijn omgeving. Ik geloof dat ik een redelijk goede waarnemer ben, een oplettend mens. Dat etiquetteboekje bijvoorbeeld, dat heb ik op verzoek van de uitgever gemaakt. Mijn hart ligt eigenlijk meer bij mijn andere werk, maar het was toch heel aardig om te doen, alleen al omdat ik er zelf verbaasd over stond dat ik van de meeste dingen wel een idee had.”

“Natuurlijk heb ik er nog wel het een en ander voor geraadpleegd, maar Amy Groskamp-Ten Have las ik als kind al. Ze had toen een rubriek in Margriet of Libelle, en op de een of andere manier fascineerde me dat.”

“Ik onthield dat ook allemaal vanzelf, dus heel veel wist ik al. Van die dingen als een rij zittende mensen passeren, in de schouwburg bijvoorbeeld. Die mensen hoor je nooit de rug toe te keren, maar bijna iedereen doet dat toch. Ik niet, en dan zie ik iedereen kijken, en dan denk ik altijd dat ze allemaal denken: die weet helemaal niet hoe het hoort.”

“Maar mijn etiquetteboek is heel verdraagzaam. Allerlei waanzinnige voorschriften uit Groskamp-Ten Have, zoals dat je niet mag transpireren, vooral als vrouw niet, heb ik er natuurlijk uitgelaten. De boodschap die ik erin gelegd heb is zoiets als: dan heb je maar niet zes dezelfde borden, of een verschrikkelijk gekleed mantelpak, als je er maar voor zorgt dat het allemaal een beetje aardig is. Als je gasten ontvangt dan moet je het ze vooral naar de zin maken. Bordjes doen er niet zo gek veel toe.”

De ideeën over wat netjes is, zijn tegenwoordig heel wat minder strikt dan toen Groskamp-Ten Have haar Hoe hoort het eigenlijk? schreef. Normen zijn dus deels gebonden aan de tijd, maar waaraan nog meer?

“Aan de kringen waarin je verkeert natuurlijk, het milieu. Ik denk dat er vast nog wel mensen zijn die het beleefder vinden een cadeautje niet uit te pakken. Als kind ging mijn hart daar al sneller van kloppen, als ik het zag. Het zal toch niet waar zijn dat ze niet kijken?, dacht ik dan. Ik schrijf in een van mijn boekjes dat je juist uitgebreid moet kijken.”

“Verder hangt het vaak van de omstandigheden af. De normen voor wie je tutoyeert bijvoorbeeld zijn erg veranderd, deels onder invloed van het Engels denk ik. Ik vind het lastiger geworden. Wij tweeën tutoyeren elkaar zonder dat we daar iets over afgesproken hebben. Ik zou het ook heel raar vinden als het anders was, maar ik weet niet hoe dat precies in zijn werk gaat. Tegen de mevrouw in de boekwinkel waar ik altijd kom zeg ik soms ‘u’, soms ‘jij’.”

“Dat jij-zeggen kan aardig bedoeld zijn, maar in een winkel waar ik voor het eerst ben zeg ik in principe altijd ‘u’, al is de juffrouw nog zo jong, en ik verwacht ook dat zij ‘u’ zegt tegen mij. Bij mijn dokter wordt het van beide kanten vaak iets ertussenin. En voor brieven heb ik weer andere normen. Laatst ontdekte ik dat ik er kwaad van word als iemand die ik nog nooit gezien heb me in een brief tutoyeert.”

Maar is het niet erg arrogant om te denken dat jouw normen ook voor anderen moeten gelden?

“Nou, laat ik eerst duidelijk maken dat ik mijn eigen normen niet in een boekje zou durven neerleggen. Dat zou er heel anders uitzien dan wat er nu ligt. Het zou soms strenger zijn, maar ook minder goed te volgen, en mijn eigen toevallige ervaringen en mijn vooroordelen zouden een grotere rol spelen. Op taalgebied heb ik zelf bijvoorbeeld vrij ruime opvattingen. Ik val niet zo over germanismen, om maar eens iets te noemen. Spelfouten vind ik naar verhouding weer heel erg, vooral wanneer er een zekere pedanterie uit een tekst spreekt.”

“En slordigheid en overtolligheid storen me bijzonder. ‘Best wel’, ‘dan zeg ik van’ en al die andere dingen die Jan Kuitenbrouwer zo aardig heeft vastgelegd. Ik registreer ook iedere ‘precies’ of ‘absoluut’ die ik zelf gebruik. Maar hoe het nu komt dat de een daar wel oog en oor voor heeft, en de ander niet weet ik ook niet.”

”Neem nu dat interview met Gretta Duisenberg in de Haagse Post, waar al zoveel over te doen is geweest. Ik heb zitten gieren toen ik het las, maar ik ging tegelijk ook door de grond van plaatsvervangende schaamte. Ik ben er van overtuigd dat ze dat niet begrijpt, dat ze niet kan vatten waar ik het over heb, zeker toen ik daarna ook nog las dat ze die journalist op haar verjaardag had uitgenodigd… Zij heeft dat oog duidelijk niet, en ziet dus ook niet hoe smakeloos bijvoorbeeld al die opsommingen van beroemdheden die ze geeft zijn, of die opmerkingen over het meubilair van de vorige mevrouw Duisenberg.”

“Dat ik er niet zo’n moeite mee heb om tegen anderen te zeggen ‘doe het nou maar zo’ komt voor een deel omdat ik zo lang in het onderwijs heb gezeten. Maar ik ontleen die brutaliteit ook aan het feit dat ik veel nagedacht heb over de plaats die ik in de wereld inneem. Ik heb een heleboel dingen zelf moeten ontdekken, en dat is al heel vroeg begonnen. Ik ben enig kind, en omdat het oorlog was ben ik de eerste jaren van mijn leven heel weinig met andere kinderen omgegaan.”

“Toen ik naar de lagere school ging wist ik bijvoorbeeld niet of je tegen kinderen in de klas nou ‘u’ of ‘jij’ moest zeggen. Ik had geen idee. Diefje-met-verlos, Tanneke Toverheks, het zei me niets. Ik stond dus overal buiten in het begin, en moest me leren aanpassen door te kijken, te observeren.”

“Ik heb het trouwens nooit helemaal te pakken gekregen. Vooral de toon van het pesten, dat nabauwen, dat vond ik verschrikkelijk. Van alletwee mijn ouders heb ik een grote taalbewustheid meegekregen. Ik praatte heel keurig. Daar werd ik natuurlijk mee geplaagd, maar het kwam niet in mijn hoofd op er iets aan te veranderen. Zelf ben ik er reuze op uit om voor netjes aangezien te worden. Ik wil niet dat anderen last van me hebben, ik wil geen barricades voor ze opwerpen.”

Zo simpel ligt het volgens mij niet. Door jouw houding ga ik bijvoorbeeld niet eens heerlijk breeduit onderuit gezakt op m’n stoel hangen. Die barricade werp je dan toch op.

“Ja, dat is zo. En eerlijk gezegd komt die barricade me ook wel goed uit. Jij gaat nu ook niet met je benen op mijn tafel zitten, en dwingt me dus niet tot allerlei maatregelen waar ik helemaal geen zin in heb. Ik bepaal daarmee zelf de ruimte waarbinnen een ander mag manoeuvreren, al is die ruimte wel rekbaar. Als de ander namelijk laat merken dat hij zich realiseert dat iets hinderlijk voor mij kan zijn, dan ben ik minder geneigd me te ergeren. Het komt er op neer dat als iemand nou maar aankondigt ‘ik ga op je tenen staan’ dan vind ik het niet zo erg. Merkwaardig hoe dat werkt.”

‘Ta ta ta… popi’

Baby Language, door M. Messenger Davies, E. Lloyd & A. Scheffler, 1987, uitgever Unwin Hyman,  f 29,60,  140 blz, ISBNNR.: 0-04-649041-8 

“Oh, dee dah, dee dah, dee da. Baba baba” is een citaat van Elinor, 13 maanden oud. Ze is een van de voorbeeld-baby’s uit het boek Baby Language. Aan echt praten is ze op haar leeftijd nog niet toe, maar ze heeft wel al bijzonder veel geleerd. De fase dat ze alleen kon huilen om uiting te geven aan haar wensen en verlangens is allang voorbij. Wat ze nu doet heet brabbelen en dat is de rechtstreekse voorloper van spreken.

Alle kinderen over de hele wereld hebben de eerste acht maanden van hun leven hetzelfde geluidsrepertoire tot hun beschikking. Eindeloos oefenen ze met “tatata”, “baba” enzovoort. Ze kunnen niet alle klanken die er maar bestaan maken, zoals vaak gedacht wordt, maar ze beginnen wel altijd en overal met dezelfde klinkers en medeklinkers. Pas na een poosje passen baby’s hun geluid aan aan de taal die om hen heen gesproken wordt. Dat begint met jargon, een soort nepwoorden, zoals ajo of popi die wel de juiste klank, maar in ieder geval voor de baby geen enkele betekenis hebben.

Merkwaardig is dat ze daarbij sommige klankonderscheidingen tijdelijk weer afleren. Brabbelt een kleintje in de wieg nog vrolijk allerlei len en r-en, als het echt gaat praten duurt het soms tot zijn vierde jaar voor het netjes lamp of regen kan zeggen. Dat betekent niet dat het geen verschil hoort tussen lamp en ramp. Kinderen begrijpen een hoop dingen veel eerder dan ze ze kunnen zeggen.

Dat geldt niet alleen voor hun taalkennis. De schrijvers van Baby Language hebben “taal” opgevat als “communicatie”. Dat geeft ze de mogelijkheid om over de meest uiteenlopende onderzoeken te vertellen. Ze doen dat overigens op een heel aardige manier. Hun boek is bedoeld voor ouders en die worden met veel begrip benaderd. Er worden allerlei tips en adviezen gegeven die gebaseerd zijn op wat er zoal over baby’s bekend is. De hoofdlijn van het boek lijkt te zijn dat die kleintjes voorgeprogrammeerd zijn voor van alles en nog wat; wanneer ouders daar iets van afweten dan kunnen ze hun kinderen beter volgen en begeleiden. Beide partijen kunnen daar hun voordeel mee doen.

Liplezen

Baby’s snappen dus meer dan je zou denken. Een van hun sterkste staaltjes vond ik dat ze met vier of vijf maanden al een beetje kunnen liplezen. Om te beginnen raken ze goed in de war wanneer ze hun moeder zien praten maar het bijbehorende geluid van een andere kant komt. Menselijke stemmen horen uit monden te komen, maar baby’s weten bovendien dat de a moet samengaan met een wijd-open mond. Dat onderscheidingsvermogen helpt ze natuurlijk enorm tegen de tijd dat ze zelf gaan praten.

Verschillende geluiden en klanken uit elkaar houden kunnen ze vrijwel onmiddellijk. Automatisch reageren pasgeborenen sterk op stemmen. Al heel snel negeren ze normale steeds terugkerende geluiden in huis, zoals het rondlopen van hun ouders. Maar horen ze daarentegen de voordeur opengaan en de voetstappen van iemand die ze niet kennen dan draaien ze snel hun hoofd in de richting van het nieuwe geluid. Het subtiele verschil tussen bijvoorbeeld een p en een b schijnen ze al na een paar weken te kunnen maken, dus lang voor ze weten wat pad en bad betekenen. Voor later is dit een onmisbaar onderscheidingsvermogen. Je moet concluderen dat baby’tjes behoorlijk goed toegerust ter wereld komen.

De schrijvers gaan ook kort in op de problemen van niet perfect uitgeruste kinderen. Blinde baby’s kunnen niet “afkijken” hoe de a gevormd wordt, en dove baby’s beginnen nooit vanzelf aan de “jargon-fase”. Die vallen na een gewone brabbelperiode soms zelfs helemaal stil. Dat de taalontwikkeling bij kinderen die zoiets essentieels als “zicht” of “gehoor” missen niet volgens schema verloopt ligt voor de hand. Dat dove kinderen uiteindelijk meer problemen hebben dan blinde ook.

Het laatste hoofdstuk van het boek is helemaal gewijd aan taalontwikkelingsstoornissen. Het geeft onder andere wat vuistregels voor dingen waar ouders op kunnen letten. Na alle andere hoofdstukken spreken die bijna vanzelf: reageert een kind niet “normaal”, dan wordt het tijd een dokter in te schakelen. De schrijvers waarschuwen er wel telkens voor om het begrip “normaal” niet al te stringent op te vatten: de individuele verschillen tussen kinderen zijn groot. Waar de een al voor zijn tweede in echte zinnen praat heeft de ander daar een stuk langer voor nodig. Alle aangegeven periodes zijn niet meer dan grove indicaties. Na het gebrabbel en de onzinwoorden komen als alles goed gaat de echte woorden. Eerst in hun eentje (“mama”, “die”, “nog”), later in combinaties van twee. Tijdens de “een-woord-fase” leren kinderen allerlei zaken te “labelen” en ze maken driftig gebruik van hun verworven kennis. Nu ze bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar een banaan (vaak in het begin nog “nana” of iets dergelijks genoemd) hebben ze de mogelijkheid hun omgeving duidelijk maken wat ze precies bedoelen als ze hun handje naar de fruitschaal uitstrekken. Een woord geeft meteen al de mogelijkheid om iets te vragen, te beschrijven of te becommentarieren.

Met twee woorden kun je nog veel meer. Kinderen van een jaar of anderhalf zijn dikwijls zelfs al in staat handig gebruik te maken van allerlei woordvolgorderegels. “Waars potje?”, “Potje zitten” en “Jantje potje” zijn gewone tweewoord-uitingen die aan duidelijkheid meestal niets te wensen overlaten. “Waars” is een samentrekking van “waar is”, maar voor kleine kinderen lijkt dat nog een woord. Het leren leggen van de juiste woordgrenzen in de doorlopende klankenreeks die gepraat nu eenmaal oplevert, is maar een van de miraculeuze vermogens die kinderen snel ontwikkelen.

Ze krijgen steeds meer grip op de grammatica van hun moedertaal. Alle kinderen worden zich bewust van regels en hebben moeite met uitzonderingen. Soms praten ze eerst een tijdje simpelweg hun ouders na door “liep” en “sliep” te zeggen, maar gaan ze op een gegeven moment experimenteren met “loopte” en “slaapte”. Imitatie kan dat laatste niet zijn, de kleine doet niets anders dan het consequent toepassen van de regels van het Nederlands.

Baby Language is een voorlichtend boek dat de meeste dingen maar kort aanstipt. Daardoor wordt het soms iets te oppervlakkig. Er valt naar mijn idee nog wel meer over taalontwikkeling te vertellen dat de gemiddelde ouder zal interesseren. Nu gaat het vooral over praktische zaken: hoe waarom en wanneer kun je een kind tweetalig opvoeden bijvoorbeeld. Wat kun je als ouder verwachten? Daarnaast onderstrepen de schrijvers in ieder hoofdstuk het belang van veel praten en optrekken met je kind. Wat je zegt, of hoe je praat is minder belangrijk: een baby heeft gewoon veel en uiteenlopende stimulansen nodig. En als je elkaar een beetje begrijpt kun je een hoop plezier hebben, is de boodschap.

De vele foto’s van druk spelende, ruziënde, lachende en drinkende kinderen maken dit sympathieke boek extra aantrekkelijk. Het zijn bijna allemaal illustraties in de meest letterlijke zin van het woord. Twee dingen vind ik jammer. Het eerste is dat het boek in het Engels geschreven is. Een Nederlandse versie zou hier niet alleen een veel grotere markt kunnen bestrijken, maar juist omdat het boek voor een groot deel over taal gaat zouden Nederlandse voorbeelden veel meer aanspreken.

Iets anders is het punt waarop het verhaal ophoudt: bij tweejarigen die in de twee-woord-fase zijn. De razendsnelle ontwikkeling die daarop volgt is minstens even fascinerend. Een vierjarige spreekt in perfect grammaticale volzinnen (al zijn passief-constructies nog een struikelblok op die leeftijd). Dat de schrijvers daar maar weinig over vertellen kan hen niet echt verweten worden. Een vervolg waarin opnieuw uiteenlopend onderzoek op een begrijpelijke manier aan ouders gepresenteerd wordt kan voorlopig nog niet verschijnen, om de doodeenvoudige reden dat er verhoudingsgewijs erg weinig bekend is over de verdere taalontwikkeling van kinderen. Vooral omdat het allemaal zo snel gaat is dat ook niet eenvoudig te onderzoeken. Een boek als Baby Language maakt extra nieuwsgierig naar de resultaten van wetenschappers die zich wel met dit onderwerp bezighouden.

Wij kunnen toch wel wat kruimels liefde gebruiken?

Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, twaalfde, herziene druk, door Prof. Dr. G. Geerts en Dr. H. Heestermans, in samenwerking met anderen, Uitgever Van Dale Lexicografie, 3897 p., 1992.

 

De verpakking is prachtig: een fraaie stevige doos, met een uitsparing bovenaan, waardoor de drie delen er nu eens gemakkelijk uit te trekken zijn. De nieuwe – twaalfde – druk van de Grote Van Dale voelt goed, ligt lekker in de hand en leest door het voor de gelegenheid ontworpen lettertje Lexicon veel prettiger dan vorige edities. De kaft is uitgevoerd in taupe: “donkergrijs als een mollevel, met een vleugje bruin” zegt de creatieve definitie. Zelf zie ik er ook iets paarsigs (“naar het paars zwemend”) in, maar dat kan aan mij liggen. Smaakvol is het allemaal zeker.

Natuurlijk wil het oog ook wat, helemaal bij een boek dat zo’n beetje uitgegroeid is tot een statussymbool. Maar maakt Nederlands meest prestigieuze woordenboek het ook inhoudelijk waar? Het antwoord is tja (“uiting van berusting, aarzeling, min of meer weifelende toegeving of instemming enz.”), want volmondig ja kan ik er niet op zeggen. Ik ga u niet wijsmaken dat ik de nieuwe van Dale van a tot z gelezen heb, dat zijn een kleine vierduizend pagina’s. Woordenboeken zijn gebruiksvoorwerpen en ik heb de drie delen (samen ongeveer vijf kilo) nu een paar weken in gebruik. Voor deze recensie heb ik bovendien stevig geprikt: op willekeurige plaatsen heb ik de boeken opengedaan en gekeken wat ik aantrof.

De eerste algemene gedachte die zich bij bladeren en prikken aandient is: jeetje, wat véél. En dat is natuurlijk al vele edities lang de grote kracht van dit boek: er staat verschrikkelijk veel in, en geen mens weet dat allemaal uit zijn hoofd. Van Dale zegt zelf dat we voor die f 285,- ongeveer 240.000 woorden krijgen, waarvan er 12.000 nieuw zijn. Nu moet je ze daar niet zomaar op hun woord geloven: de recensenten van de NRC en de Volkskrant toonden al aan dat er ook woorden geschrapt zijn, al beweert de redactie van niet. Maar dat neemt niet weg dat je er als gebruiker niet zo snel naastgrijpt.

Zeker niet wanneer je de Van Dale alleen pakt om te kijken hoe je een woord spelt. Volgens de – behoorlijk leesbare – inl