Het geheim van de blind-uh-darm*

*Een waarschuwing vooraf: zoals destijds voorgesteld en hieronder beschreven, werd het toch weer niet precies, her en der is daarna nog haastig gesjoemeld. En ook jaren later zijn er nog bijstellingen geweest. 

In 1997 wordt de nieuwe spelling van kracht, de eerste wijziging sinds 1947. Iedere Nederlander zal zich dan moeten bezinnen op het koppelteken, de verbindings-n, de s-tussenklank en het c of k-vraagstuk. De taalunie en het comité van Nederlandse en Vlaamse ministers leverden een zeldzaam ingewikkeld werkstuk af, dat het uiterste zal vragen van de gebruiker van de Nederlandse taal. Daarom een uitputtende alfabetische bespreking van alle veranderingen.

 

Apostrof

Er verandert in de nieuwe spelling bijna niets. ’t Kofschip bijvoorbeeld vaart gewoon door, en ook bij de d- of dt-kwesties blijft alles bij het oude. Ondanks allerlei geruchten en gedelibereer geldt dat ook voor de apostrof (het kommaatje in de lucht in bijvoorbeeld bikini’s, ‘ s ochtends, Trix’ en WK’s). Dat betekent dat de meest gemaakte spelfout in kranten en tijdschriften (tussen een naam en een bezits-s consequent een apostrof zetten: Van Straaten’s levensgevoel, Homme’s hoest, Shell’s woordvoerder), gewoon fout blijft.

 

 

Boekuitgeverijen

Voor uitgeverijen van boeken kunnen vooral de financiële gevolgen van spellingswijzigingen groot zijn, zowel positief als negatief. Voor de school- en woordenboekuitgeverijen valt er flink te verdienen, zie daarvoor Kosten/baten.

Voor andere uitgeverijen ziet het er minder zonnig uit. Uiteraard zijn er voor hen, net als voor ieder ander, kosten gemoeid met de omschakeling zelf. Maar wat te doen met bestaande voorraden en met toekomstige nieuwe drukken van al bestaand zetsel? Moeten bestaande voorraden worden vernietigd? Moet duurbetaald bestaand zetsel bij een toekomstige herdruk opnieuw gemaakt en gecorrigeerd worden? Nu de veranderingen zo marginaal zijn, zullen uitgevers zich wel twee keer bedenken voordat ze daartoe overgaan. En dan is er nog de vraag wie het geestdodende karwei moet gaan klaren om in duizenden pagina’s tekst tussen-ennen te gaan toevoegen of weghalen, of trema’s in koppeltekens te veranderen. Anders dan het omwisselen van c’s en k’s of qu’s en kw’s, is dat niet gemakkelijk te automatiseren.

De kans is daarom groot dat de huidige en de nieuwe spelling tot in lengte van jaren naast elkaar zullen blijven bestaan, ook in recente, veelgelezen boeken. Leerlingen krijgen Nederlandse les uit boeken die in de nieuwe spelling de nieuwe spelling onderwijzen, maar lezen tegelijkertijd literatuur in de oude spelling. Of het doel van de hele operatie, het verminderen van verwarring en onzekerheid, gehaald wordt staat dus ook om deze reden te bezien.

 

Computers

‘De nieuwe spelling gaat pas definitief gelden in 1997, dan heeft iedereen de tijd gehad om zijn computer bij te stellen,’ kondigde staatssecretaris Nuis onlangs aan in het NOS-Journaal. Het is te hopen dat niet al te veel computerbezitters zich daar veel van aantrekken, want hoeveel er ook aan een computer bij te stellen valt, de spelling hoort daar niet bij. In plaats daarvan is het wachten op complete nieuwe woordenlijsten voor spellingscorrectie, die de leveranciers van tekstverwerkers, computerwoordenboeken en vertaalhulpen zullen moeten gaan produceren, en die u vervolgens kunt kopen. Een probleem daarbij is, dat de nieuwe regel voor het trema het lastiger maakt om bij woorden die niet in zo’n woordenlijst zitten automatisch een trema te plaatsen. Tot nu toe hoefde je daarvoor immers alleen maar te letten op combinaties van opeenvolgende klinkers, maar nu komt daarbij het moeilijke onderscheid tussen samenstelling en afleiding. Zie daarvoor Trema en koppelteken.
Het gaat overigens alleen om de spellingscontrole. Aan de algoritmen voor woordafbreking hoeft niets te veranderen. Alle wijzigingsvoorstellen die daarop betrekking hadden, zijn gesneuveld. Dat is bijna jammer te noemen, omdat veel uitgevers nu nog werken met speciaal voor hen gemaakte afbreekprogramma’s die minder goed zijn dan wat tegenwoordig wordt bijgeleverd bij een topklasse tekstverwerker. Maar een verstandige uitgever neemt natuurlijk de gelegenheid te baat om naast zijn spellingscorrector meteen ook zijn afbreekalgoritme te vernieuwen.

 

Dubbelspelling

Cantharel of kantarel, organisatie of organizatie, kwibus of quibus? Van de samenstellers van de in 1954 verschenen Woordenlijst van de Nederlandse taal mocht u in onder meer c/k-, th/t-, qu/kw- iz/seren- of iz/satie-kwesties zelf kiezen, zij het dat men wel bij alle dubbelspellingen een voorkeur voor de een of de ander had uitgesproken. Cantharel, organisatie en kwibus hadden bijvoorbeeld de voorkeur, terwijl de andere vormen het stempeltje ‘toegelaten’ kregen. Die toegelaten spelling wordt nu geschrapt. Dat heeft in Nederland niet zo gek veel gevolgen, maar in Vlaanderen wel. Zowel de Nederlandse als de Belgische overheid besloot indertijd al heel snel dat in het onderwijs en bij de overheid de voorkeurspelling verplicht moest worden.

In Nederland houden ook de meeste gedrukte media zich aan de voorkeurspelling, maar nogal wat Vlaamse kranten schrijven juist de toegelaten vormen: kontrakt, kultuur, sukses, sjiek. De reden laat zich raden: de toegelaten spelling pakt vaak uit als een ‘vernederlandsing’ van Franse leenwoorden. Voor de lezers van de Standaard en de Gazet van Antwerpen zullen woorden als contract, cultuur, succes en chic straks vreemd aandoen.

Maar de keuze voor de ‘voorkeursvariant’ en de ‘toegelaten variant’ is niet altijd goed te snappen. Meestal kreeg de c-variant bijvoorbeeld de voorkeur, maar weer niet bij oktober, kritiek, kopie, insekt, en produkt. Een echt consequente spelling van de bastaardwoorden (ingeburgerde leenwoorden) viel daardoor noch te bereiken met consequent ‘op z’n voorkeurs’ spellen, noch met de toegelaten spelling. De feitelijke opwaardering van de voorkeurspelling tot enige spelling betekent dus níet dat het systeem nu consistent wordt, en de spelling van bastaardwoorden dus voorspelbaar. We houden bilocaal naast lokaal, kwaliteit naast quorum.

Slechts bij 35 woorden wordt er in de nieuwe woordenlijst ‘stuivertje gewisseld’: de in de lijst van 1954 toegelaten spellingen fotokopie, product, insect en kroket (voorkeurspelling is croquet, maar dat gebruikt vrijwel niemand) worden in 1997 de norm. Maar oktober blijft oktober (ondanks octet, octaaf, octopus) en kritiek blijft kritiek (ondanks criticus) omdat we zo gewend zouden zijn aan die spellingsbeelden. Zie verder bij Massale verontwaardiging.
Voor een aantal woorden blijven er overigens wel twee (gelijkwaardige) spellingen bestaan. We houden bijvoorbeeld ceramiek naast keramiek omdat sommigen dat woord met een s-klank aan het begin uitspreken, anderen met een k-klank. Vreemd genoeg lijkt echter de charitas het loodje te gaan leggen. In de nieuwe woordenlijst komt alleen nog caritas (en caritatief) voor. Zegt niemand meer garitas? Dubbelspellingen blijven ook bestaan bij samenstellingen waar de een wel en de ander geen verbindings-s hoort (geluidhinder/ geluidshinder, tijdverschil/tijdsverschil).

 

E(n)

Is het bessejenever of bessenjenever? Over die kwestie is de laatste veertig jaar menige zweetdruppel vergoten. De regel was dat je en moest schrijven als de samenstelling de gedachte opriep aan een noodzakelijk meervoud. Het was een onbruikbaar voorschrift, dat leidde tot dusdanig subtiel gefilosofeer over de vraag of van één bes wel jenever te maken viel, dat kwesties als hoeveel engelen op de punt van een naald kunnen dansen erbij verbleekten. De nieuwe regel is eenvoudiger, belooft de Taalunie in de folder die ze overal verspreidt, maar dat valt tegen. Zo eenvoudig mogelijk weergegeven luidt hij als volgt:
In veel samenstellingen (twee aan elkaar geplakte complete woorden) hoor je tussen de delen een extra uh-klank. Bijvoorbeeld: blind plus darm levert in de uitspraak de samenstelling blind-uh-darm op. Die tussenklank schrijf je in beginsel altijd als en. Maar we schrijven hem als e wanneer: 1. het eerste deel niet een zelfstandig naamwoord is (blindedarm en brekebeen, want blind is een bijvoeglijk naamwoord en breken een werkwoord); 2. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat (ook) een meervoud op s heeft (dus: perenboom omdat peers niet bestaat, maar keuzevak omdat keuzes wel bestaat); 3. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat geen meervoud heeft (rijstepap); 4. de samenstelling tot een van de volgende uitzonderingscategorieën behoort: a. het eerste deel is normaal geen zelfstandig naamwoord, maar functioneert in de samenstelling wel zo en dient ter versterking of als waardetoekenning (luizebaan, hondeweer, klerezooi); b. het eerste lid verwijst naar iets waarvan er maar één bestaat (Koninginnedag, want die dag slaat uitsluitend op onze eigen, unieke koningin; zonneschijn, omdat er maar één Zon is. ); c. een van de delen is niet meer als afzonderlijk woord herkenbaar (papegaai, bolleboos); d. het eerste deel is een dierenaam en het geheel een plante- of schimmelnaam (kattekruid, paddestoel, vliegezwam); e. het geheel is een versteende samenstelling en het eerste deel duidt een lichaamsdeel aan (kakebeen, ruggespraak). En let op: vrouwelijke vormen als studente en agente tellen niet mee, zie Politiek correct?
Hoor je in afleidingen (dat zijn combinaties van een woord en een voor- of achtervoegsel) tussen de delen een extra uh-klank, dan schrijf je die in beginsel eveneens als en. Maar we schrijven e: 1. voor de achtervoegsels –tje, -lijk, -ling en -loos (biggetje, vreselijk, boeteling, haveloos); 2. als voor de achtervoegsels –heid, -schap, -dom en -achtig een woord wordt geplakt dat van zichzelf op een stomme e eindigt (dus secretaressedom en asperge-achtig maar heidendom en meidenachtig); 3. de uh-klank onderdeel is van de achtervoegsels -erig of -erik (hangerig, bangerik).
Zie verder ook Inconsistentie.

 

Frequentie

Of een woord de nieuwe Woordenlijst haalt, hangt af van hoe frequent het voorkomt. De frequentie wordt bepaald aan de hand van een aantal zogeheten taalcorpora (grote tekst- en woordbestanden) van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden. Het INL is de leverancier van het materiaal voor het nieuwe Groene Boekje (zie ook Woordenlijst(en) Nederlandse taal). ‘Frequent’ betekent voor het Instituut: het woord komt minimaal vier keer voor in de corpora én is in minstens twee verschillende tekstbestanden te vinden. Dat laatst voorkomt opname van een woord als aardappelkoekjesmonster als gevolg van een toevallig in de bestanden voorkomende column waarin zo’n fantasiefiguur vier keer genoemd wordt. Toch is er bij het werken met tekstbestanden (het gaat dus niet om gesproken Nederlands) altijd een toevalsfactor in het spel. Weliswaar bevatten de corpora ook gegevens uit bijvoorbeeld de Libelle en de Playboy, maar je kunt nooit zeker weten dat je al het gangbare Nederlands echt te pakken hebt. Bovendien zit er in de corpora nauwelijks Vlaams materiaal. Dat heeft men nu proberen te ondervangen door van de uitgever van de tweedelige Verschueren (de Vlaamse Van Dale) informatie te kopen over welke woorden een toevoeging ‘uitsluitend in Vlaanderen’ hebben gekregen. De lijst die daaruit kwam is voorgelegd aan drie verschillende hoogleraren, en die schijnen flink geschrapt te hebben. Er bleven 1500 woorden over die in het standaardvlaams gebruikelijk zijn. Althans, volgens die professoren. Met frequentiemetingen heeft het niets te maken. Aan het toevoegen van Belgische bronnen aan de corpora wordt overigens hard gewerkt, maar voor het nieuwe Groene Boekje is dat te laat.

Omdat alleen woorden en woordvormen die echt voorkomen in het INL-materiaal in aanmerking komen voor opname in de nieuwe Woordenlijst, geeft die lijst geen oplossingen voor bepaalde lastige gevallen. Mensen vermijden die namelijk bij het schrijven. In de nieuwe Woordenlijst zult u dus het verkleinwoord van chassis (chassietje, chassisje, chassistje?) niet aantreffen. Tot verdriet van de Taaladviescommissie van de Taalunie. Die had het Comité van Ministers van harte aanbevolen om voortaan het verkleiningsachtervoegsel -tje met behulp van een apostrofje aan het woord waar het bij hoort te koppelen: chassis’tje, maar dan ook: papa’tje, bikini’tje. De ministers wilden er niet aan.

Geschiedenis

Begin vorige eeuw werd er voor het eerst een officiële spelling van het Nederlands vastgelegd, de spelling Siegenbeek, die sindsdien slechts twee keer gewijzigd is. In de eerste helft van deze eeuw onderwees men nog de spelling-De Vries en Te Winkel (bloote beenen en mensch), en in 1947 werd de thans geldende spelling bij wet vastgesteld. Maar vanaf het verschijnen van de Woordenlijst van de Nederlandse taal (het Groene Boekje) in 1954 is er wel op vrijwel elk moment een of andere Advies- of Spellingcommissie aan het werk geweest. Dat heeft telkens geleid tot commotie, maar nooit tot een wijziging. Behalve deze keer. Ondertussen zijn nu wel alle ooit gedane eerdere voorstellen helemaal van tafel verdwenen. Zo ook die van de Commissie Pée-Wesselings (ingesteld in 1963, ‘eindvoorstellen’ vrijgegeven in 1969), die onder veel meer het probleem van de tussenklank e(n) wilde oplossen door juist altijd te kiezen voor de e, met een paar uitzonderingen (ogenblik, merendeels). Dat sluit zo op het oog en oor goed aan bij het spraakgebruik, want die tussenklank n hoor je in feite nooit. Maar de mogelijkheid de e als uitgangspunt te nemen in plaats van en, werd verworpen door de Werkgroep ad hoc Spelling, die in 1988 verslag uitbracht. De Werkgroep koos de en als basis, onder andere op grond van de “stellige indruk dat dit alternatief veel minder wijzigingen van de bestaande spelling impliceert”. Wie de ingewikkeldheid van nu opgestelde regel bekijkt, zou zich kunnen afvragen of het niet verstandiger geweest was, eerst na te gaan of die stellige indruk wel juist was.

 

Hoofdletters

In het gebruik van hoofdletters valt er maar één veranderingetje te bespeuren. Het ontzag voor wie doorgeleerd heeft, is gestaag afgenomen. De afkortingen van titulatuur (Mr., Drs. Lic., Prof., Dr. Ir.) hoeven in de toekomst niet langer met een hoofdletter geschreven te worden (wél allemaal met een punt erachter). Een aanpassing die aansluit bij de toch al veranderende praktijk op dit punt.
Lastig blijft het onderscheid tussen woorden waarin (nog) echt een naam gevoeld wordt, en woorden waarin dat niet het geval is. Een schilderij is natuurlijk een echte Rubens, maar is het nu Rubensfiguur of rubensfiguur? Ook verwarrend zijn samenstellingen met feestdagen. Naast Pasen heb je paasbrood, en Hemelvaart valt op hemelvaartsdag, terwijl in afleidingen en samenstellingen van aardrijkskundige namen, en namen van talen, de hoofdletter gehandhaaft blijft: Maasproject, Engelstalig. Ook bínnen aardrijkskundige afleidingen blijft in de toekomst de hoofdletter gehandhaaft (zie Zeeuws-Vlaams).

InconsistentieTot op het laatste moment zit de wordingsgeschiedenis van de spellingswijziging vol inconsistenties en plotselinge, toevallige koerswijzigingen. Als uiteindelijk op 21 maart 1994 het Comité van Ministers met een Spellingbesluit de knoop doorhakt, waarbij een groot deel van de voorgestelde wijzigingen van tafel wordt geveegd, geeft het tevens opdracht aan de Taaladviescommissie om nog wat laatste schaafwerk te doen.
Dat schaafwerk houdt ten aanzien van de tussenklank e(n) twee dingen in. De regel moet een definitieve, nette formulering krijgen, en er moeten nog wat uitzonderingscategorieën worden gecreëerd voor woordtypen die volgens de in het Spellingbesluit vastgestelde regel en als tussenklank krijgen, terwijl de ministers dat toch wel erg raar vinden staan. Het gaat dan om gevallen als klerenzooi, bollenboos, paddenstoel, ruggenspraak.
Die uitzonderingscategorieën komen er (zie daarvoor E(n)). Maar de commissie doet méér. In haar ijver om bovendien te voorkomen dat de weidevogel een weidenvogel wordt, overschrijdt ze met reuzenschreden de grenzen van haar opdracht, en wijzigt de grondregel voor samenstellingen bijna in haar tegendeel. Het Spellingbesluit van 21 maart schrijft en voor in alle samenstellingen waarvan het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud op en kán hebben. Dus ook in gevallen waarin het eerste deel tevens een meervoud op s heeft. De commissie verandert dat in: ‘indien het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat uitsluitend een meervoud heeft op en‘. Dus juist niet in die gevallen waarin het eerste deel mogelijk ook een meervoud op s heeft. Volgens het besluit van 21 maart zou het hoogtenvrees worden omdat het meervoud hoogten bestaat, maar nu wordt het hoogtevrees omdat ook het meervoud hoogtes mogelijk is. Op 24 oktober zetten de ministers desondanks moeiteloos hun handtekening onder deze niet door hen besloten of opgedragen regeling.

 

Jeugd

De groep die het sterkst met de nieuwe spelling geconfronteerd gaat worden is de jeugd, vooral het grut dat nu peuter- en kleuterscholen bevolkt. Vanaf september 1997 moet het taalonderwijs de nieuwe spelling doceren. Interessant is dat in het opinie-onderzoek Speling in de spelling, dat de Taalunie in 1988 liet uitvoeren, vooral de ondervraagde onderwijzers klaagden dat de spelling te lastig was – tot hilariteit en misprijzen van de andere ondervraagde groepen professionele taalgebruikers. De leerkrachten meenden dat het te veel moeite en tijd kost om de regels er bij de leerlingen in te krijgen. Vooral de werkwoordsvervoeging (d of dt, d of dd, t of tt) was de gebeten hond.
Of die onderwijzers nu een punt hadden of niet, één ding staat vast. De huidige wijzigingen komen op geen enkele manier aan hun klachten en bezwaren tegemoet. Aan de werkwoordsvervoeging verandert niets, en de nieuwe regel voor de tussenklank e(n) lijkt ons aan een zevenjarige niet te verkopen (Zie ook U), als de leerkracht hem zelf al onder de knie kan krijgen.

 

Kosten/baten

Wie verdient er aan de hele operatie, en wie betaalt de rekening? Over dat laatste kunnen we kort zijn, de betaler bent u. U betaalt in 1997 de nieuwe schoolboeken Nederlands voor uw kinderen, waar anders tweedehandsjes volstaan hadden. U betaalt uiteindelijk de kosten die uitgevers van boeken en kranten maken om hun produktieproces aan te passen. U betaalt de nieuwe spellingchecker voor uw tekstverwerker en het personeel van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie dat de woordenlijst samenstelt. En u heeft de onderzoekjes, de vergaderingen en de rapporten betaald waaruit de wijzigingen zijn geboren, tot en met de publiciteitscampagne.
Verdienen doen de uitgevers van schoolboeken en woordenboeken, Van Dale voorop, die probeert om nog dit jaar een extra editie van zijn driedelige turf te slijten. Maar de grootste winnaar is zonder twijfel de Sdu, die de opdracht tot het produceren van het nieuwe Groene Boekje gekregen heeft (zie ook: Woordenlijst(en) Nederlandse taal). Dat is een bijzonder lucratieve order: alleen al van de editie 1954 zijn naar schatting meer dan een miljoen exemplaren verkocht. De op eigen gezag uitgebrachte editie 1991 legde het bedrijf met 370.000 verkochte exemplaren, ondanks zijn halfslachtig karakter, ook geen windeieren.
Dat deze vette uitgeverskluif ook deze keer zonder meer aan de Sdu gegund werd, is pikant. Immers, anders dan in 1954 is de voormalige Staatsdrukkerij/-uitgeverij geen overheidsbedrijf meer, maar een commerciële uitgeverij als elke andere. Het had een regering die op Prinsjesdag koningin Beatrix laat pleiten voor meer marktwerking dan ook niet misstaan om een opdracht van deze omvang en status openbaar aan te besteden. Even opmerkelijk is het dat de verzamelde uitgevers nauwelijks tegen de gang van zaken geprotesteerd hebben. Maar zie ook Nieuwe woordenlijst(en).

 

Leidraad

Net als vroeger zal ook de nieuwe editie van het Groene Boekje uit twee delen bestaan: de woordenlijst, met daarin de meest voorkomende basiswoorden en de uitzonderingen, en de leidraad, waarin de spellingsregels worden opgesomd en uitgelegd. In het ideale geval bevat de woordenlijst dus alles wat onregelmatig en onvoorspelbaar is, en vertelt de leidraad hoe u van elk woord dat er niet in staat de spelling kunt berekenen.
Wordt die Leidraad, die dit keer wordt geschreven door de Tilburgse professor Jan Renkema, een helder, overzichtelijk geheel? Daar kunnen we nog niet definitief over oordelen, omdat nog maar één hoofdstuk, getiteld Speciale kwesties, in principe helemaal klaar is. Gemakkelijk wordt het in elk geval niet, naar dat hoofdstuk te oordelen. Alleen al voor het afbreekstreepje zijn zeven regels nodig (van 1 via 2 en 2a tot 6), aangevuld met drie noten met uitzonderingen en een losse slotparagraaf met ‘nog de volgende afspraken’. Regel 2a is een uitzondering op regel twee, waarop weer drie uitzonderingen bestaan. Arme Renkema, die ook maar moet roeien met de riemen die het Comité van Ministers hem via de Taaladviescommissie aanreikt. Maar ook: arme gebruiker, die zich door regels moet ploeteren als ‘Samenstellingen en afleidingen van Griekse of Latijnse herkomst waarvan de delen niet meer als zodanig worden herkend, worden niet afgebroken volgens regel [1] of [2] maar volgens regel [6]’, aangevuld met de voetnoot: ‘Bij woorden waarin het Griekse of Latijnse woorddeel wel als zodanig wordt herkend, blijven de regels [1] en [2] van kracht’. Moet de gebruiker nu concluderen dat hij regel [6] moet toepassen op woorden waarvan hij niet weet dat ze van klassieke herkomst zijn? En hoe moet hij dan weten welke dat zijn?

 

Massale verontwaardiging

Vooral de ginecoloog en de preses lokten begin vorig jaar grote volkswoede uit. Het toen uitgebrachte voorstel van de Spellingcommissie maakte velen zelfs zo blind van boosheid dat ze niet goed meer konden lezen wat er over allerlei mogelijke spellingen geschreven werd. Er ontstonden meteen misverstanden. Men dacht dat er voorgesteld was om voortaan sjampanje te schrijven, terwijl de Commissie (afleidingen van) namen nu juist expliciet niet wilde veranderen, dus ook de spelling champagne niet. Ook de laatste weken kwam de sjampanje weer overal in de kranten op de proppen. Nu was het voorstel voor een gedeeltelijke aanpassing van de spelling van bastaardwoorden inderdaad nogal ingewikkeld. Dat zat hem echter niet zozeer in het werk van de Commissie, alswel in de opdracht die het Comité van Ministers gegeven had. De ministers wilden graag dat in vreemde woorden de ‘vreemde’ spelling zou blijven bestaan, maar dat bastaardwoorden het Nederlandse systeem zouden gaan volgen. Maar wat is ‘vreemd’ en wat is ‘bastaard’? Na veel discussiëren besloot de Commissie om ‘bastaardwoorden’ te definiëren als alle leenwoorden waarin geen ‘uitheemse’ klanken te horen vielen, en die alleen volgens het Nederlandse systeem verbogen of vervoegd werden. (Aan de Engelse leenwoorden waagde men zich helemaal niet, die werden vanwege hun recente entree in het Nederlands allemaal als vreemd bestempeld.) Dat leidde logischerwijze tot ginecoloog, preses en roete. Lastig voor de gemiddelde taalgebruiker was weer om te snappen dat gymnasium niet gimnasium zou worden (vanwege het niet-Nederlandse meervoud gymnasia), en dat je naast roete gewoon rouge zou houden (vanwege de uitheemse zje-klank). Dat neemt niet weg dat het voorstel gezien de opdracht nog zo gek niet was. Maar kennelijk hadden de ministers zich niet gerealiseerd dat een aanpassing van de spelling van bastaardwoorden per definitie een verandering inhield van de spelwijze van een aantal woorden. Ook zij schrokken zich een hoedje van de ginecoloog en gooiden met een grote zwaai het voorstel onmiddellijk het raam uit. Pikant is dat de preses het nu toch gaat halen. Het is met pre een van de 35 woorden waarvan niet de voorkeur- maar de toegelaten spelling de enige officiële gaat worden (omdat prae en praeses de enige twee woorden waren waar ‘pre’ als prae gespeld werd).

 

Nieuwe Woordenlijst(en)

De tijden veranderen, en de woorden met hen. Dat idee overheerst bij het doorkijken van de lijst grondwoorden die nieuw aan het Groene Boekje toegevoegd zullen worden. De officiële Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal komt waarschijnlijk nog dit jaar bij de Sdu uit, en zal ongeveer 110.000 woorden tellen. Het oude boekje bevatte er zo’n 67.000. Daaruit worden er nu ongeveer 14.000 in onbruik geraakte verwijderd. Snelle rekensom: dat betekent 57.000 woorden in de nieuwe Woordenlijst die er niet in de oude stonden. Ze weerspiegelen aardig hoe anders we zijn gaan eten en drinken (chablis, espresso, escargots, gamba, martini), hoeveel er sinds 1954 is uitgevonden (deodorant, playbackshow, magnetron, ecotaks, CT-scan), en dat seks nu mag bestaan (condoom, masturberen, erectie). Nog een paar veranderingen: in de nieuwe Woordenlijst staan alle af.breek.pun.ten aangegeven, en men spreekt van de-woorden en het-woorden. Of die de-woorden nu mannelijk of vrouwelijk zijn, is een zaak waar volgens de directeur van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (prof. Piet van Sterkenburg), nodig eens onderzoek naar gedaan moet worden. Wat er nu over in de nieuwe Woordenlijst komt te staan is nog niet helemaal duidelijk.
De concurrentie zit overigens intussen niet stil. In november of december – als alles goed gaat dus tegelijk met de uitgave van de Sdu – komen de uitgeverijen Van Dale, Wolters en Het Spectrum met een eigen, aparte lijst die naar schatting 150.000 woorden zal bevatten. Welke dat zullen zijn, is nog niet bekend.

 

Onderbouwing

Voorstellen tot wijziging van de spelling vloeien altijd voort uit de wens de spelling eenvoudiger of doelmatiger te maken, en deze keer vormt daarop geen uitzondering. Er was sprake van onzekerheid en verwarring, onder meer over de dubbelspelling. In de bewoordingen van de Taalunie was er zelfs sprake van ‘chaos’. En chaos dient bestreden te worden, dat spreekt vanzelf.

Wat niet vanzelf spreekt is hoe je dat dan moet doen. Hoe je werkelijk een optimale spelling bereikt. Dat hangt immers af van hoe mensen met spelling omgaan. Wat voor strategieën ze echt toepassen, hoe ze in werkelijkheid met woordbeelden en dergelijke omgaan. Dat zijn typisch dingen die je niet kunt uitvinden door mensen ernaar te vragen. Zoals bij zoveel vaardigheden het geval is, van lopen tot praten, weten we wel dát we het kunnen, maar niet hóe we het doen. Daarvoor is gedegen onderzoek nodig, wetenschappelijke onderbouwing.

De laatste spellingcommissie was zich daar ook van bewust, evenals van het feit dat de benodigde wetenschappelijke onderbouwing ontbrak. In haar slotbeschouwing begin 1994 meldde zij met zoveel woorden dat men met te weinig kennis van zaken aan het karwei begonnen was, en stelde zij voor om in zowel Nederland als België één universitaire instelling aan te wijzen die zich zou moeten specialiseren in onderzoek op het gebied van spelling.

Met dat voorstel is niets gedaan, en dat is misschien maar goed ook. Spelling is wel een interessant, maar zeker geen geïsoleerd, eigenstandig terrein. Eerder zou je van spellingsonderzoek een speerpunt binnen de cognitiewetenschappen, met name taalkunde en (perceptie)psychologie moeten maken.

Vreemd genoeg werd toch doorgegaan met het maken van wijzigingsvoorstellen, nu binnen de Taaladviescommissie, waarin deels dezelfde personen zaten die eerder verklaard hadden niet te weten waar ze mee bezig waren. Als doekje voor het bloeden schermt de Taalunie nu met een (voorlopige versie van een) artikel van de taalpsycholoog Gerard Kempen. Jammer genoeg berust dat artikel op een welhaast klassieke denkfout in de psychologie, vooral veel voorkomend bij psychologen die met computers werken.

Er zijn traditionele veronderstellingen over hoe we klankvormen en geschreven vormen van woorden met elkaar in verband brengen. Kempen stelt dat je met behulp van een zogenoemd neuraal netwerk een computersysteem kan bouwen dat die verbanden op een andere manier legt. En omdat dat in een computermodel kan, concludeert hij dat het in ons hoofd zo moet gaan. De fout is dat hij zomaar aanneemt dat een neuraal netwerk, of welk ander model dan ook, een correcte afspiegeling van onze hersenen zou zijn. Het enige dat je werkelijk uit Kempens artikel kunt concluderen is dat er kennelijk vele wegen naar Rome leiden. Maar welke de koninklijke weg is, de weg die onze hersens kiezen, blijft even duister als voorheen. Bijgevolg berusten ook de nu voorliggende spellingswijzigingen uitsluitend op onbewezen en zelfs vaak onbeargumenteerbare vooronderstellingen en indrukken.

 

Politiek correct?

De adviseuse, cabaretière, conservatrice, historica, econome, mentrix en rectrix ontbraken in het oude Groene Boekje, maar dat wordt nu goedgemaakt. En wel op een moment dat allerlei vrouwelijke vormen het aan het afleggen zijn: een beetje historica noemt zich tegenwoordig historicus, en wie wil er nog rectrix worden? De maatschappelijke trend gaat richting één vorm voor mannen en vrouwen: de mannelijke. Zouden de samenstellers van de nieuwe lijst, bewust of onbewust, toch ons spraakgebruik willen beïnvloeden?

Maar zoveel consideratie als er met de vrouwen is in de nieuwe woordenlijst, zo weinig tellen ze mee in de nieuwe regel voor de verbindings-en. Ze moeten zelfs de enige uitzondering gaan vormen op de regel dat de tussenklank alleen als en geschreven mag worden wanneer het woord in kwestie uitsluitend een meervoud op en kent. Vrouwelijke vormen op een stomme e krijgen in het meervoud een s (adviseuses, conservatrices, agentes), maar bij het maken van een samenstelling mag daar geen rekening mee worden gehouden. Zo wordt een uniformrokje voor agentes een agentenuniformrokje (het voorbeeld komt van de Taalunie).

 

Quo vadimus?

Waar moet het van nu af heen? Komen er weer nieuwe spellingcommissies? Gaat de hele geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar zich herhalen? De Taalunie gelooft en belooft van niet. Met deze wijzigingen is het schluss. Nou ja, bijna dan. De Taalunie voorziet een ‘dynamische situatie’, met elke tien jaar een aanpassing van de woordenlijst aan de actualiteit, maar verder niets.

De kans dat de Taalunie gelijk krijgt lijkt ons klein, al was het maar omdat de Taaladviescommissie zelf al niet echt gelukkig is over het resultaat van haar inspanningen, volgens voorzitter professor van der Toorn. De Taaladviescommissie had oorspronkelijk veel verdergaande voorstellen gedaan, waarvan het grootste deel door het Comité van Ministers eenvoudig van tafel is geveegd.

Een voorbeeld daarvan zijn de bastaard’tjes (zie: Frequentie): de verkleinvormen van sommige bastaardwoorden. Van compromis en chassis komen compromisje en chassisje, maar de uitspraak daarvan is compromietje en chassietje. Spelling en uitspraak lopen daar wel erg ver uiteen, maar het voorstel van de Taaladviescommissie om die kloof te dichten, vond in Den Haag en Brussel geen genade, zodat alles voorlopig bij het oude blijft. Het blijft compromisje, het blijft chassisje. Zo liggen er nog meer kwesties waar spellingsverbeteraars zich ongetwijfeld op zullen gaan werpen. En zolang de overheid de spelling bepaalt, betekent dat vroeg of laat een spellingcommissie.

 

Regeldrang

Spellingswijziging lijkt wel een nationale sport in Nederland. Al langer dan een mensenleven hebben dikke wolken kruitdamp het spellingsfront verduisterd, meestal zonder veel effect (zie ook Geschiedenis). Er zijn drie voorname oorzaken aan te wijzen. De oudste, vooral belangrijk tijdens de eerste helft van deze eeuw, is de toenmalige, typisch Nederlandse verwevenheid van de bestudering van het Nederlands met het lager en middelbaar onderwijs. In andere landen waren spelling en spraakkunst meer iets voor universiteiten.

Hier ontfermden onderwijzers zich erover, zodat meer dan elders een vanzelfsprekende koppeling ontstond tussen spelling, taalonderwijs en sociaal-democratische idealen. Beheersing van de taal in woord en geschrift was onder meer een wapen op weg naar emancipatie, en daarbij hoorde een zo goed mogelijk onderwijsbare spelling. Maar over wat dat was, liepen en lopen de meningen flink uiteen.

Vanaf 1947 komt daar volgens een eenvoudig mechaniek een tweede drijvende kracht bij: de spellingwet. Een wet betekent ambtenaren om hem uit te voeren. Die ambtenaren stellen commissies in, die voorstellen doen die weerstand oproepen, zodat er een nieuwe commissies komt, die… en zo voort.

In 1954 komt er nog een factor bij: een psychologische blunder van jewelste. Onder meer ten behoeve van de altijd wat anti-Frans georiënteerde Vlamingen was besloten tot de dubbelspelling, met vooral veel vrijheid bij de keuze tussen c en k (zie Dubbelspelling). Fataal was, dat men onmiddellijk één van beide spelwijzen tot voorkeurspelling verhief, daarmee de andere automatisch als minderwaardig bestempelend. Juist de angst betrapt te worden op het gebruik van een minderwaardige spellingvorm verklaart de bijna hysterische afkeer van de toegelaten spelling in Nederland. Dat stigma verklaart ook het geringe verzet in België tegen de spellingswijziging. Weliswaar moeten ze ‘hun’ geliefde toegelaten vormen als klown en kwerulant opgeven, maar daar staat tegenover dat ze niet langer gebruikers zijn van een door grote broer Nederland als tweederangs beschouwde spelling.

De mate van rust aan het spellingsfront lijkt overigens omgekeerd evenredig met de mate van overheidsbemoeienis. In Engeland doet de overheid niks en gebeurt er nooit wat. Ook Amerika is sinds Noah Websters toonaangevende woordenboeken, twee eeuwen geleden, rimpelloos gebleven. In Duitsland stelt woordenboekmaker Duden de norm, en begint het voor het eerst in lange tijd een beetje te rommelen. Frankrijk, met zijn Academie Française en actieve ministers van Cultuur, kent veel meer taalwoelingen, onder meer over het Franglais en over accenten. En Nederland spant met zijn spellingwet de kroon: altijd herrie, altijd twist.

 

S

“Bij de tussenklank -S verandert er bijna niets”, zegt de Taalunie in de folder ‘De nieuwe spelling komt eraan’. Maar wat er dan wel verandert, staat er niet bij. Vergelijking van de oude en de (voorlopige) nieuwe Leidraad doet vermoeden dat voortaan alleen een ander testje dan vroeger uitmaakt of het nu wel of niet een verbindings-s geschreven wordt. Waar nu naar analogie van dorpsweg ook dorpsstraat geschreven wordt, gebeurt dat straks omdat je bij een samentrekking (dorps- en stadsstraten) een s hoort. Dat laatste criterium is helder en werkt goed. Wij konden tot dusverre geen geval bedenken waarin de nieuwe test een ander resultaat geeft dan de oude.
Wat blijft bestaan is een verschil in taalgevoel tussen mensen. De verbindings-s wordt niet altijd door iedereen gehoord. Het staat u ook in de toekomst vrij om voorbehoedmiddelen danwel voorbehoedsmiddelen te gebruiken.

 

Trema en koppelteken

Trema’s zijn een soort waarschuwingstekens. Ze zeggen ‘hier begint een nieuwe lettergreep, deze klinker hoort niet bij de vorige’. Ze worden dus alleen gebruikt wanneer een woord anders verkeerd gelezen kan worden. Vandaar geërgerd, ruïne, naäpen, eindeëi. Het trema houdt in de nieuwe spelling dezelfde functie, maar het zal voortaan alleen nog gebruikt worden in afleidingen. In samenstellingen (woorden gevormd uit twee of meer losse woorden) neemt het koppelteken het over. Naast geërgerd en ruïne krijgen we daarom na-apen en eende-ei. Alleen samenstellingen die een getal vormen, houden weer wel een trema (tweeëntwintig). Het achtervoegsel -achtig en de voorvoegsels bio-, macro-, micro-, mini-, multi-, en neo- gelden kennelijk als woorden, want daarbij wint het koppelteken het van het trema (zebra-achtig, macro-economie, neo-expressionisme). Overigens wordt bij samenstellingen van wat langere woorden nu meestal ook al een koppelteken geschreven (radio-omroep, auto-ongeluk).

Wanneer de voorlopige Leidraad inderdaad de definitieve wordt dan vervalt per 1997 een voorrecht dat “wetenschappelijk gevormden” in het oude Groene Boekje nog hadden. De democratisering van de spelling is een feit, want in de nieuwe Leidraad is er niets terug te vinden van de tekst “Dit betekent echter geenszins, dat het wetenschappelijk gevormden – die aan het gebruik van het deelteken in bastaardwoorden, bestaande uit elementen ontleend aan talen die het deelteken niet kennen, minder behoefte zullen gevoelen – niet vrij zou staan linguist, reinterpretatie en derg. te spellen”.

 

U

Het vertrouwen dat het Comité van Ministers en de Taaladviescommissie van de Taalunie in u hebben is groot. Om de nieuwe spelling te kunnen toepassen moet u om te beginnen het verschil kennen tussen afleidingen en samenstellingen. Immers: de eerste kunnen een trema krijgen, de tweede een koppelteken. Nu maak je samenstellingen van twee (of meer) losse woorden. Maar ook bij de Taaladviescommissie bestond, zo werd vorige week op een Taalunie-perslunch verteld, onzekerheid over wat een los woord is. Bio en para kennelijk wel, vonden ze (in de nieuwe Woordenlijst zult u bio-energie en para-universitair aantreffen), maar pre niet (preëxistent), terwijl iets toch een hele pre maar geen reuze para kan zijn. U moet verder van alle zelfstandige naamwoorden weten of ze een meervoud op en, s, of allebei hebben. Want alleen in het eerste geval wordt er in samenstellingen een verbindings-en geschreven. Maar of je zowel linden als lindes kunt zeggen, daarover denkt niet iedereen hetzelfde. In het nieuwe Groene Boekje zal daarom worden aangegeven welke woorden twee meervouden kunnen hebben.

Een uitputtende lijst is het niet geworden. Zo ontbreken onder meer: geneugte, karbonade, ode, tombe, kariatide, sage, spermatozoïde, gilde, prelude, rotonde, druïde, pagode, insekticide, catacombe, episode, pesticide, boutade, bolide en marinade. Deels staan die woorden wel in de lijst, maar dan wordt er niet bij aangegeven dat ze een dubbel meervoud hebben. Daarnaast moet u voor de regel over de tussenklank e(n) ook nog feilloos zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, drie typen achtervoegsels, en vrouwelijke en mannelijke vormen uit elkaar kunnen houden. En tot slot moet u er bij nadenken of er misschien sprake is van een versterkend of waardetoekennend eerste deel, van planten of schimmels met een dier in de naam, van een versteende samenstelling met daarin een lichaamsdeel, of van iets waarvan er maar één bestaat (is er echt maar één zon, maan of koningin?).

Dat het misschien allemaal wat veel gevraagd is, moge blijken uit het feit dat ook getrainde beroepsspellers moeite hebben de veranderingen goed te interpreteren. In het hoofdartikel van de Volkskrant van 27 september j.l. worden de nieuwe regels voor de tussenklank e(n) en de verbindings-s geprezen omdat ze soepeler geworden zijn. Soepeler? Van de e(n)-regel kun je dat moeilijk volhouden, en de regels voor de tussen-s zijn in feite helemaal niet veranderd. De Volkskrant verwacht van de nieuwe spelling geen noemenswaardige problemen, ook al omdat niemand wakker zal liggen van de veranderingen rond trema en koppelteken. Toch is een beetje wakker liggen misschien wel nodig, want het hoofdartikel meldt ook nog ten onrechte dat we voortaan ge-emmer zullen schrijven.

 

Verplichting

Een uitvloeisel van de spellingwet is de verplichting voor overheidsdienaren in functie en voor het onderwijs tot het gebruik van de officieel vastgestelde spelling (tot nu toe: de voorkeurspelling). Maar hoe wordt die wet gehandhaafd? Een ambtenaar die weigert zich eraan te houden zou je theoretisch een dienstbevel kunnen geven. Weigeren zo’n bevel op te volgen kan dan grond voor ontslag zijn. Maar in het onderwijs ligt het moeilijker. Wat doe je met een schoolbestuur dat zijn school zo bijzonder acht dat het besluit de nieuwe spelling aan zijn laars te lappen? Navraag bij het Ministerie van OCW leert drie dingen: er is daar geen geval bekend waarin zich zoiets heeft voorgedaan, er is nooit serieus over nagedacht, en het zal in het uiterste geval wel uitdraaien op het hanteren van de subsidiekraan.
Voor alle anderen in Nederland heeft de spellingwet geen formele betekenis. Er is geen verplichting, dus ook geen straf als u het anders wilt doen.

 

Woordenlijst(en) Nederlandse taal

In 1954, zeven jaar na het aannemen van de laatste wijziging in de spellingswet, verscheen als bijlage bij de Staatscourant de Woordenlijst van de Nederlandse taal, die door zijn uiterlijk als roepnaam het Groene Boekje kreeg. De lijst bestond uit ongeveer 67.000 woorden, voorafgegaan door een leidraad waarin de spellingsregels werden behandeld. Er zijn er ongeveer een miljoen van verkocht, maar op dit ogenblik wordt een ander boekje waarschijnlijk het meest gebruikt. In 1990 werd het oude Groene Boekje namelijk niet meer herdrukt, en kwam de Sdu op eigen gezag met een merkwaardig, maar uiterst succesvol produkt op de markt: de Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal (die officieel niet zo mocht heten, want de echte herziene lijst verschijnt op zijn vroegst eind dit jaar).

Daarin stond het complete oude Groene Boekje (met dien verstande dat alle toegelaten spellingen naar een aparte lijst achterin werden verbannen), aangevuld met 30.000 nieuwe trefwoorden. Voor die nieuwe woorden had men een voorschot op een eventuele spellingswijziging genomen. Daarbij ging het ook toen al om de tussenklank e(n). Maar aan de oorspronkelijke woordenlijst wilde de uitgever geen letter veranderen. Gevolg: naast hondeneus en hondekop (stonden er al in) verschenen hondenoog en hondenlul (stonden niet in het oorspronkelijke boekje). Hondenoog is echter volgens de huidige spellingwet illegaal. Pas als de nieuwe Maatregel van Bestuur ingaat, wordt het correct. En dan moet u ook hondenneus en hondenkop schrijven.

Zijn die 30.000 nieuwe trefwoorden (te herkennen aan een eraan voorafgaand wiebertje) dan tenminste allemaal in de nieuwe spelling geschreven? Nee. Door alle clausules op de en-regel zijn sommige weer anders. De lijst uit 1990 geeft bijvoorbeeld hondenbaan en vliegenzwam, die in de nieuwe spelling van 1997 geen tussen-n krijgen. Overigens zullen ook niet alle 30.000 in 1990 toegevoegde woorden het échte nieuwe Groene Boekje halen.

 

XXL

Groene boekjes hebben maar een beperkte waarde: u zult er nooit alles in kunnen vinden wat u zou willen weten . Het oude Groene Boekje was een maatje ‘Small’, het nieuwe komt met zijn 125.000 woorden niet verder dan ‘Medium’. Misschien dat de driedelige Van Dale het predikaat Large verdient, maar het echte, levende Nederlands is Extra Extra Large. Dat echte Nederlands bevat namelijk ook alle afleidingen (dus bijvoorbeeld alle vormen van alle werkwoorden), en kent bovendien een letterlijk oneindig aantal samenstellingen, omdat je er telkens weer nieuwe bij kunt bedenken. Geen woordenlijst of woordenboek dat al het Nederlands kan bevatten. Zo staan de sloffenfetisjist, de godenvervloeker, en de tranenlikker nergens, maar met een beetje fantasie kunt u zich wel iets bij die woorden voorstellen. En er zelf nog tien bijverzinnen. Jammer alleen dat nou net de regel voor de tussenklank e(n) in samenstellingen en afleidingen zo ingewikkeld wordt.

 

Y, ei, au en ou

Ook wat betreft de ij en de ei, en de au en de ou blijft alles bij het oude. Het opinie-onderzoek dat in opdracht van de Taalunie in 1988 werd verricht liet zien dat Nederlanders in het algemeen het onderscheid niet als problematisch maar zelfs als nuttig ervaren en ten aanzien van het gebruik ervan vaak nog logische of betekenisverschillen voelen. Ook zijn er nog dialecten waarin de uitspraak van de varianten verschilt.

 

Zeeuws-Vlaams

Buitenlandse namen, en dan vooral de aardrijkskundige, vormen altijd een bron van verwarring, al was het maar omdat de meeste per definitie uit talen afkomstig zijn die maar weinig op het Nederlands lijken. De variatie in opvattingen over hoe een bepaalde naam hier in Nederland moet worden uitgesproken, en vervolgens weer geschreven, is enorm. Zo zijn er maar liefst 124 verschillende manieren in omloop om de naam Chroestjov te schrijven, en zegt de een ‘peking’ waar de ander per se over ‘beedzjing’ wil praten. Officieel is daarom over de spelling van aardrijkskundige namen maar weinig geregeld, en dat weinige wordt nu gestroomlijnd.
Onveranderd blijft dat in samenstellingen met aardrijkskundige namen een koppelteken tussen de delen staat, waarna een hoofdletter volgt: Nieuw-Zeeland, Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen. Volgens de oude regeling verviel dat koppelteken, en dus ook de daarop volgende hoofdletter, in sommige afleidingen. Dat is nu niet meer zo. Het is dus voortaan simpelweg Nieuw-Zeelands, Oost-Groninger en Zeeuws-Vlaams.

Zo gauw vertalen beter betaalt stort elke werkloze tandartsvrouw van Nederland zich erop

Vertalen is soms met een enorme snelheid duizenden mogelijkheden kunnen verwerken in je hoofd

Als ik de oprijlaan op kom lopen staat Gerrit Komrij net afscheid te nemen van vorige bezoekers. Ik mag even in het prieeltje in de tuin gaan zitten waar Komrijs vriend Charles Hofman een koel Portugees pilsje serveert.

Ik kijk om me heen. Er is uitzonderlijk weinig inlevingsvermogen nodig om te begrijpen dat iemand hier wil wonen, ook al zal Komrij later stijf volhouden dat hij gewoon in Nederland woont.

“Want,” zegt hij dan, “ik zie hier meer Nederlanders dan toen ik om de hoek van de Kinkerstraat woonde en de krant krijg ik net zo snel als een postabonnee in Groningen: de volgende dag. Alsof Portugal aan het andere eind van de wereld ligt. Ik kan morgen in Nederland zijn als ik wil.”

Gerrit Komrij, Pouca da Beira, 8-8-’88. Foto: Liesbeth Koenen

“Het valt me altijd op dat die moderne intellectuelen de nieuwe communicatie- en reistechnieken omhelzen, maar tegelijkertijd ontkennen ze ze ook: Diemen is al ver hoor. Ja, vroeger was het ver, toen deed je er drie dagen met de trekschuit over om in Antwerpen te komen.”

Het piepkleine Portugese dorpje en de villa zijn prachtig, maar ik heb de lange reis niet gemaakt om te zien waar of hoe mooi Komrij woont, ik zit in het prieeltje omdat in theater Carré de nieuwe première van Cats op komst is. Immers, Gerrit Komrij is verantwoordelijk voor de Nederlandse teksten die de poezen al springend, dansend, kopjes gevend, sluipend en kruipend over het toneel moeten zingen.

Het succes dat ze daar het eerste seizoen mee boekten was daverend: geestdriftige recensies en Carré vrijwel iedere avond tot de nok toe gevuld. Tienduizenden kaartjes werden bij voorbaat alweer verkocht voor de tweede serie voorstellingen. En al zal Komrij de laatste zijn om het succes van deze musical bij het grote publiek op conto van zijn vertaling te schrijven (Komrij: “Cats is het werk van een zeer talentvolle groep mensen waar toevallig deze vertaling als een klein radertje inhangt. De tekst is toch ondergeschikt gemaakt aan het kijken, het spektakel, de dynamiek van het geheel.”), onbelangrijk is die toch niet. Omdat Komrij het zo gewild heeft staat Spikkelpikkelmies nu de kakkerlakken een lesje te leren, en niet Jennyanydots, en de avonturen van Growltiger, ‘The Terror of the Thames’, zijn die van Snauwtijger, ‘de Nijdas van de Rijn’ geworden. Met andere woorden: Komrij heeft er Nederlandse katten van gemaakt.

Wie wilde, kon daar overigens al jaren kennis van nemen: Andrew Lloyd Webbers musical Cats is gebaseerd op een klein, in 1939 voor het eerst uitgegeven boekje van T.S. Eliot, Old Possum’s Book of Practical Cats, en in 1985 vertaalde Gerrit Komrij dat bundeltje kattenverzen in Kobus Kruls Parmantige Kattenboek. De Nederlandse gedichten en hun originelen (typische gevallen van ‘light verse’) naast elkaar leggen is een waar genoegen. Komrijs inventiviteit dwingt respect af: alle katten zijn weliswaar vernederlandst, maar ze hebben hun eigen kattenkarakters behouden.

De Nederlandse Dr. Diavolo is net zo duivels als zijn Engelse tegenhanger Mr. Mistoffellees. Kattekwaad uithalen in het Vondelpark is uiteindelijk hetzelfde als kattekwaad uithalen in Victoria Grove. En hoe Komrij ook heeft moeten schuiven en veranderen om rijm en metrum te handhaven, de Nederlandse gedichten vertellen toch allemaal hetzelfde verhaal als de Engelse.

Komrij met kat. Foto: Liesbeth Koenen

Om over de Cats-vertaling en vertalen in het algemeen te praten, verhuizen we van de tuin naar het koele huis. Het bier blijft rijkelijk vloeien intussen en nog nooit eerder heeft het me zo gespeten dat het onmogelijk is iemands stemgeluid op papier vast te leggen: in dat van Komrij klinkt ook ‘live’ de sardonische en bijtende toon door die de lezers van zijn werk wel kennen. Wie Komrijs stem een keer gehoord heeft, vergeet die nooit meer, evenmin als zijn lach: een malicieuze, bijzonder aanstekelijke gniffel.

Waarmee overigens niet gezegd is dat hij niet serieus over vertalen wil praten. Hij heeft er een rijke ervaring in: proza, poëzie, toneelstukken, oud-Grieks, nieuw-Grieks, Latijn, Engels, Frans, Duits, alles heeft hij vertaald. Van Poggio de Florentijn tot Shakespeare, Oscar Wilde en Salvador Dali. Maar erg positief heeft hij zich er nooit over uitgelaten: een vertaler blijft altijd minder dan een schrijver en daarnaast betaalt het schandalig slecht, is kortgezegd zijn steeds terugkerende commentaar.

“Ach,” relativeert hij dat laatste punt nu, “zodra het beter betaalt, stort elke werkeloze tandartsvrouw van Nederland zich erop. Het is een nobel vak, maar voor een schrijver is het natuurlijk het werk dat je op de Place du Tertre verkoopt: het havenlandschapje omdat er brood op de plank moet zijn voor vrouw en kinderen. Het is geen substituut voor literair werk: het is proberen degene die het geschreven heeft zoveel mogelijk recht te doen. Je hebt alleen met de auteur te maken, en niet met collega-vertalers. Of met mensen op de universiteit. Die weten tegenwoordig ineens zoveel van vertalen, het schijnt een leerbaar vak geworden te zijn.”

 Kun je vertalen niet leren dan?

“Als je niet kunt vertalen dan kun je het niet, maar je kan de mensen die het kunnen waarschijnlijk wel leren veelvoorkomende stommiteiten te vermijden. Maar dan nog, als je dat moet leren… Stommiteiten vermijden kun je ook gewoon door argwaan, intuïtie en voorzichtigheid, die allemaal bij vertalen horen. Om nou statistisch veelvoorkomende fouten bij elkaar te zetten en daar een vertaalvak van te maken, een vertaalwetenschap zelfs, dat is onzinnig. Bovendien: iedere goede vertaler die de auteur zoveel mogelijk recht probeert te doen heeft recht op stommiteiten. In elke vertaling hóórt een mooie stommiteit te zitten. Dat is hetzelfde als de Mohammedanen die in ieder Perzisch tapijt één steek laten vallen, omdat alleen Allah volmaakt is. Auteurs laten zelf ook zoveel steken vallen.”

“Een vertaling onder de loep leggen en daar kritiek op hebben is echt het allergemakkelijkste dat er is. Niet alleen omdat er verschillende opvattingen bestaan, maar ook vanwege het reusachtige aantal woorden dat ermee gepaard gaat, het enorm arbeidsintensieve van het werk én het economische feit dat je niet zoals op vertaalinstituten 30 jaar met een werkgroep aan één bladzijde kan werken. Het moet een keer af zijn, want je werkt onder tijdsdruk. Niet zozeer van uitgevers of theatergezelschappen, maar van de eindigheid van je leven. Binnen die tijd en de mogelijkheden die je hebt doe je je uiterste best. En dat is denk ik vooral afhankelijk van talent, maar ook talent laat wel eens een steekje vallen.”

“Het blijft toch altijd nederig werk. Ik vind dat mensen er doorgaans veel te pedant over doen. In Nederland zijn vertalers dikwijls al een beetje gepikeerd wanneer hun naam op de titelpagina niet groter geschreven staat dan die van de auteur. Eigenlijk hoort hun naam kleintjes achterin vermeld te worden in minuscuul corps. Het is een dienst waarvoor je betaald krijgt en geen kunst. Dikwijls zijn het natuurlijk ook gemankeerde schrijvers.”

“Maar ja, het gebeurt wel vaker dat juist de mensen van laten we zeggen ‘de mindere kunsten’ zich het dikst maken: fotografen, ‘designers’, modeontwerpers, die moeten ook met hun neus overal vooraan staan. Begrijp me goed: ik praat hier niet denigrerend over het vak vertalen, ik praat denigrerend over vertalers die menen aan dat vak kapsones te mogen ontlenen. Het is het meest ondankbare, het moeilijkste en misschien ook wel het interessantste werk dat er bestaat.”

Maar toch bent u voor kleine lettertjes, en hoe zit het dan met die slechte betaling?

“Ach, ik druk me wel eens meer overdreven uit en schiet dan door naar het andere uiterste. Zo’n naam moet natuurlijk in normale letters, en je moet er ook normaal voor beloond worden. Kijk, nu staat er hier twee meter vertaling op de boekenplank, ik weet niet hoeveel honderdduizend manuren, en als je daarover gaat nadenken begint al die tijd je toch bitter te spijten. De meeste van die boeken heb ik vertaald in een tijd dat je er nagenoeg niets voor betaald kreeg. Ik herinner me dat ik 800 gulden kreeg voor zo’n vertaling uit het Grieks, en daar was ik dan vijf, zes maanden mee bezig. Ik heb er indertijd grote correspondenties over gevoerd en ruzie over gemaakt. Ik ben heel lang bezig geweest te vechten voor een betere beloning voor vertalers en ik denk dat ik er meer aan gedaan heb dan die hele Vereniging van Letterkundigen die toen met de eer is gaan strijken. Maar goddank ben ik geen lid van die vereniging.”

Vertaalt u graag? Het eerste dat er van u verscheen was een vertaling.

“Maar natuurlijk schreef ik op mijn achtste al mooie gedichten! Toen in 1968 mijn debuut bij de Arbeiderspers zou verschijnen, destijds nog zeer vreemde poëzie, was dat blijkbaar zo briljant dat het ook een bijpassende dichter had, namelijk arm, ondervoed en zo sjofel en schamel dat de uitgever dacht: dat magere scharminkel geven we wat te vertalen. Opdat ik niet helemaal door mijn knieën zou zakken.”

“Die vertaling is toen eerder verschenen dan mijn debuut omdat ze daar helemaal niets in zagen. Nu heb ik school gemaakt, ja, maar ik ben de enige Nederlandse schrijver met een school die toch eenzaam is. Daar staat weer veel tegenover. Je ziet mij hier niet in sombere buien van ontevredenheid vervallen.”

“Ik ben gewoon een schrijver die omdat hij onafhankelijk was en thuis wilde werken vanaf zijn achttiende veel heeft moeten vertalen om in het culturele klimaat van Nederland althans nog een boterham te hebben.”

“Ik doe het steeds minder, en dan het liefst wat kleinere dingen waarvan je eind ook een keer ziet. Als je een hele roman vertaalt mag je al blij zijn wanneer je op pagina veertig niet al over de auteur denkt: nou ken ik je wel maatje, nou heb ik alle trucjes en vervelende dingen wel door. Op tweederde van een boek ben je er vaak kotsmisselijk van en dan moet je het toch nog afmaken.”

“Nee, ik hou meer van kleine maar wel moeilijke dingen die iets legpuzzelachtigs hebben. Maar op een gegeven moment moet je beslissen dat je daar maar een bepaalde tijd van het jaar aan wilt besteden. Ik doe toch altijd ondankbare dingen die geen hond wil hebben. Als vertaler denk je: alsjeblieft geef mij maar een boek dat ook nog eens een herdruk beleeft, waar royalty’s van binnen komen.”

Door Cats brengt uw vertaling van Eliot toch wel wat op?

“Aan de weduwe Eliot ja. Nee, het is natuurlijk heel aardig dat die vertaling die er al was nu voor de musical gebruikt wordt. Zeker wanneer je zoals ik geen best-seller auteur bent, is het een geweldige sensatie geld binnen te zien komen voor iets dat je al gedaan hebt. Al is het maar f 3,75.”

Waarom hebt u indertijd dat boekje vertaald?

“Ja, waarom doe je zoiets? Omdat je katten hebt. Dat boekje ken je, en het is enig, maar je kunt het je nauwelijks in het Nederlands voorstellen. En als jij dat dan doet, dan is het er wel. Een boek vertalen doe je ook omdat het nu eenmaal bestaat en het leuk is het in het Nederlands te hebben. Bovendien is Eliots boekje er zo een waarvan je bang bent dat een ander eraan begint, omdat je denkt dat jij dat alleen maar kan. Maar het blijft een gok of dat lukt of niet.”

Vindt u dat het gelukt is?

“Ik denk dat het het beste is wat ik kan doen. Ik had besloten om de gedichten te vernederlandsen omdat er in Eliots versie zoveel Engelse dingen en toestanden zitten. Je kunt rustig aannemen dat wie daar iets van begrijpt, ook Engels kan lezen. Over sommige van die gedichten ben ik erg tevreden, over Lorrenjopie en Scharrelnelis bijvoorbeeld, die altijd samen op rooftocht zijn en het Vondelpark als uitvalsbasis gebruiken.”

“En zeer tevreden ben ik over Ghiselbert Smit, de residentiekat. Een Haagse dandy en een lekkerbek: ‘de forellen zijn blauwer bij oesterbar Sauer’, ‘voor een sappige lende stapt hij naar Des Indes’. Helaas is die in de musical voor de helft weggevallen.”

“Ze zijn natuurlijk niet allemaal even geslaagd, maar dat kun je ook zeggen van die gedichten van Eliot.”

U bent zelf een kattenliefhebber. Wat is nou van die pakweg tien verschillende katten uw favoriet?

“Ik denk… Van Zonderen. Ja, dat denk ik. De Napoleon van het Kwaad, die ínbraaf lijkt maar voortdurend iets aan het uitbroeden is, en als het kwaad geschied is, is hij weg. Waarom Van Zonderen? Tja, ik dacht dat we het over vertalen zouden hebben, niet over gewetensonderzoek.”

Hoe komt u nu op zo’n naam Van Zonderen?

“Hij heet in het Engels Macavity, cavity is een holte, een niet-aanwezig zijn, en mac is van natuurlijk. Van Zonderen. Dat is toch een prachtige naam? Bovendien heb je één beklemtoonde en drie onbeklemtoonde lettergrepen nodig. Daar zijn er honderden van, daar alleen doe je al dagen over. Ik denk dat ik met ieder van die gedichten wel een paar weken bezig ben geweest, zonder er iets anders naast te doen.”

“Ach, de leukste namen werken dan weer niet, en soms moet je als je al een hele tijd bezig bent alles toch weer veranderen om de een of andere woordspeling te kunnen handhaven. Of je hebt eigenlijk een leukere naam, maar die lijkt dan weer niet op het origineel. Niet dat ik bang ben voor Mr. Eliot, maar het moet toch allemaal passen binnen de grote megafoon die de auteur achter je hersenpan houdt. Hij leest altijd over je schouder mee.”

“Vertalen is soms een soort exacte wetenschap: je moet met een enorme snelheid duizenden mogelijkheden kunnen verwerken in je hoofd. Dingen verwerpen, ze laten hangen in je hoofd, zeven. Snelheid is een essentiële voorwaarde voor vertalen. Hetzelfde geldt trouwens bij het schrijven van gedichten.”

 

Over de aanpassingen die de musical-versie van de gedichten vergde had ik in Nederland al het een en ander gehoord van de producent Hubert Atjak (tevens adjunct-directeur van Carré) en van muzikaal leider Paul Morris. Er zijn alleen kleine dingen veranderd. Omdat er zo snel gezongen wordt bijvoorbeeld is ‘oogst je applaus’ nu ‘krijg je applaus’ geworden aangezien je dat vlugger je mond uit krijgt.

De choreografie van de Nederlandse versie is exact gelijk aan die van de Engelse. Dat betekende dat sommige teksten niet meer synchroon liepen met de acties op het toneel, omdat Komrij uit metrum- of rijmdwang wel eens paar zinnen had omgegooid. Er is dus een lange lijst kleine verschillen tussen de boek- en de musicalteksten, maar er is niets essentieels veranderd.

Morris sprak wel vol bewondering over de samenwerking met Komrij: “Hij is zo slim. Dan zegt hij bijvoorbeeld: geef me vijf minuten. En dan zie je hem nadenken en dan zegt hij: nee, ik ben ieder woord afgegaan, maar daar is niets anders voor. Of: morgenochtend weet ik het. En dat is dan ook zo. Hij is geweldig.”

Komrij zelf is bijzonder te spreken over het feit dat hij voor iedere komma geraadpleegd is (“Zo hoort het natuurlijk ook te zijn, maar pas als het zo gaat, besef je hoezeer dat soort dingen in onbruik geraakt zijn.”) én over het professionalisme waarmee de hele produktie aangepakt is: “Ik heb daar groot respect voor, en het is een geruststellende gedachte dat het land na mijn vertrek toch niet achter me is ingestort.”

Zelf heeft hij de voorstelling – tot zijn spijt – niet kunnen zien, maar hij is wel bij repetities geweest en hij heeft de plaatopname natuurlijk in huis. Dat de musical zo’n succes heeft, maakt hem bijzonder enthousiast, maar: “dan heb je in Nederland alleen weer die absurde situatie ‘dat het op moet houden’. Ik zou zeggen: doorgaan tot ze dood uit de trapeze vallen bij wijze van spreken. Hier had van overheidswege ingegrepen moeten worden, Hare Majesteit had Carré moeten confisqueren! André van Duin kan toch wel eens naar het De la Mar theater? Dat was voor Wim Kan ook goed genoeg.”

Over de adaptaties voor de musical doet hij nogal losjes: een paar dagen zeer genoeglijk klooien over details. En samen zingen. Komrij: “Omdat ik zo van galmen hou, ben ik maar buitenaf gaan wonen.” Sommige musicalteksten zaten echter niet in Old Possum’s Book of Practical Cats, het liedje Memory bijvoorbeeld, de eerste tophit die Komrij ooit vertaalde. Een makkie, naar zijn zeggen: “Het gevalletje telt zes regels. Daar heeft de regisseur er twee van vertaald, Hubert Atjak heeft er twee gedaan, en ik nog eens twee. Dat zijn niemendalletjes.”

 Volgens Paul Morris was het juist heel lastig. ‘Memory’ kan niet ‘herinnering’ worden, dat is te lang en heeft de verkeerde klanken. Van ‘touch me’ kun je niet ‘raak me aan’ maken. U bent in de vertaling vrij ver afgeweken van het origineel. ‘Memory’ is bijvoorbeeld ‘Maanlicht’ geworden.

“Ja, dat moet. Het gaat om klanken. In zo’n tophit moeten een paar sentimentele kreten op de juiste plaats staan. En je kan ‘touch me’ toch moeilijk door ‘knijp me’ vertalen. Dat is dus ‘streel me’ geworden. Vertalen is zo eenvoudig.”

Kunt u met al die verschillende vertaalervaringen achter de rug iets zeggen over hoe vertalen in zijn werk gaat? Weet u wat er gebeurt in uw hoofd?

“Ik denk dat ik het niet meer zou kunnen als ik wist hoe het in zijn werk ging. Ik weet het niet, ik ben absoluut geen theoreticus. Als ik alles bijgehouden had, de problemen vastgelegd dan zou ik er nu vast heel interessante dingen over weten te zeggen. Maar ik vertaal niet om erachter te komen hoe het in zijn werk gaat. Vertalen is voor mij toch vooral een soort eredienst aan de auteur. “

“De ene taal is ook niet gemakkelijker dan de andere. Het hangt helemaal van het boek af. Pas als je weet wat je gaat vertalen, kun je je voorbereiden, er dingen omheen lezen. En ik gebruik bij het vertalen alles wat los en vast zit: woordenboeken, vaak specialistische, rijmwoordenboeken, wat dan ook. En als het oude teksten zijn, kun je leunen op het graafwerk dat anderen, filologen bijvoorbeeld, al gedaan hebben. Ik vertaal liever wat oudere teksten, omdat je dan archeologie kunt bedrijven. Voor een moderne roman zou je op reis moeten, en allerlei mensen raadplegen.”

“De week nadat een vertaling af is kan ik er wel heel veel over zeggen, maar dat zakt weer weg. Ach, je weet dat je liefdes hebt gehad, maar waarom het verkeerd ging dat weet je toch ook niet meer? Alle details van ruzies? Ik vergeet altijd alles meteen weer, ik ben ook absoluut niet gevoelig voor sentimentaliteit over het verleden.”

Nog eens Komrij met eigen kat. Foto: Liesbeth Koenen

Aan het eind van de musical, als alle katten de revue gepasseerd zijn, wordt er eentje uitverkoren om naar de kattehemel te gaan. Terwijl die op een grote autoband de lucht in gevoerd wordt zong de rest oorspronkelijk ‘Hoog hoog hoog langs het Amstelhotel’, maar daar moest het publiek zo om lachen dat het Amstelhotel veranderd is in het Pallashotel.

“Ja, dat Amstelhotel was realisme: je zou als je die kant uit zweefde inderdaad langs het Amstelhotel komen. Realisme kan niet op het toneel, dan zegt het publiek ‘ha, ha, betrapt!’. Het moest dus een fantasienaam worden of een hotel dat heel ver weg ligt.”

“Ik ben hier dagen heerlijk bezig geweest om een mooie hotelnaam te bedenken. Ik ken alle mooie hotels van Europa en net als iedereen heb ik overal het briefpapier en de enveloppen meegenomen. Die heb ik allemaal doorgelopen, en uiteindelijk ben ik toch bij een heel eenvoudige naam blijven steken. Eentje die ik in het begin ook al had, maar het was leuk om me dagenlang met de magie van hotelnamen bezig te houden.”

Er is wel gezegd dat de vertaling te moeilijk zou zijn. En een bijna unanieme klacht in de recensies was dat de teksten zo onverstaanbaar waren.

“Ik weet niet precies waar dat aan ligt. Het zijn geen eenvoudige gedichten, het is literair werk. Ik denk dat ook in de Engelse versie de gemiddelde bezoeker vrijwel alles zal ontgaan. Dat is de moeilijkheidsgraad van de teksten. Maar als ik de plaat hoor, denk ik vaak wel: als je dat nou een fractie van een seconde had vastgehouden, als je dat accent nu net ietsje anders had gelegd, dan was het wél te verstaan geweest. Vooral voor buitenlanders die in een andere taal moeten zingen zijn dat soort subtiliteiten heel moeilijk. Dan is het dus geen kwestie van taal maar een kwestie van het strottehoofd.”

“Maar ik moet er wel op wijzen dat ik 300 opera’s gezien heb, en 300 keer de tekst niet gehoord heb. De laatste zangeres van wie ik woord-voor-woord heb kunnen verstaan wat ze zong, was Barbara Streisand. En die hoop ik nooit meer te horen. Ach, het is toch leuk te weten dat omdat jij dat beslist hebt, de mond van de acteur op een gegeven moment een o-vorm moet aannemen. Bovendien zijn er tekstboekjes, dat schept de ruimte om naar de boekhandel te lopen om het betreffende boekje aan te schaffen en nog eens na te genieten.”

“En over die moeilijke woorden: er wordt me in het algemeen verweten dat ik wel eens een woord gebruik dat niet iedereen kent. Ik begrijp nooit hoe iemand het lef heeft dat te zeggen, dat is toch gênant? Maar de woorden in Cats zijn niet mijn moeilijke woorden, het zijn Mr. Eliots moeilijke woorden. En Eliot is ook niet altijd even leuk.”

“Ik begrijp bijvoorbeeld absoluut niet wat hij nou met die spoorwegkat moest, daar vind ik niks aan. De verleiding om te ver van het origineel af te wijken is dan wel eens groot, maar je mag eigenlijk niet meer mooie vondsten gebruiken dan er in de oorspronkelijke tekst staan. Maar die kunnen wel eens ergens anders terecht komen, je compenseert iets dat verloren moet gaan elders.”

“Alles bij elkaar ben ik wel tevreden ja. Ik heb hier veel tijd in gestopt. Het duurt nog een héél lang voordat iemand deze vertaling verbetert.”

 

Het is zondag, dus het personeel heeft vrij. De gastheren worden er niet minder gastvrij van: we gaan uit eten en ik moet de mooiste wijn van Portugal proeven. Op de terugweg in de oude Zephir zingt Komrij zuiver en luidkeels Memory. In het Engels.

Komrij voor zijn Zephir. Foto: Liesbeth Koenen

Achtergrondnoot: toen Carré een eeuw bestond, in 1987, kwamen ze daar met een Nederlandse versie van de musical Cats, waarin de kattengedichten van T.S. Eliot gezongen en gespeeld worden. Toevallig bestond daar al een Nederlandse vertaling van, van Gerrit Komrij, en die zou ook gebruikt gaan worden.

Goeie aanleiding om met hem te gaan praten. Dat vond ook K.L. Poll, indertijd baas van het Cultureel Supplement van de NRC, toen ik het hem voorstelde. Alleen moest dan wel een redacteur het gaan doen, niet ik, meende hij, en stal schaamteloos mijn idee.

Niet voor een gat te vangen, stapte ik met mijn voorstel naar Vrij Nederland, maar ai, daar moest indertijd nog wekenlang democratisch overlegd worden over of ik wel helemaal naar Portugal mocht. Toen de ja-stemmen in de meerderheid bleken, was het te laat. Komrij was niet enthousiast geworden van het telefoontje van de NRC-redacteur, en had ook in mij geen zin.

Een jaar later kwam het allemaal helemaal goed. Er ging een nieuwe serie Cats van start, en ik toog alsnog naar Portugal. Bovenstaand gesprek vond plaats op 7 augustus 1988. Na een indrukwekkende hoeveelheid bier. Het ging goed. Toen mocht ik blijven slapen. Gelukkig. Want de reis vanuit Porto per taxi was die ochtend nogal lang geweest. Nog altijd kan ik Terence Trent d’Arby niet horen zonder aan die avond te denken (Sign your name across my heart…).

Het interview is ook verschenen in de twee edities van ‘Het vermogen te verlangen (9 letters), gesprekken over taal en het menselijk brein’.

Intussen leek Cats onuitroeibaar. Op 7 oktober 2006 ging de musical nog weer eens in première. Opnieuw met de teksten van Komrij. Raar, en ook echt erg dat hij er niet meer is.

Levensbericht Hugo Brandt Corstius

Hij was de absolute kampioen onder-pseudoniemen-schrijven. Hugo Brandt Corstius gebruikte in de loop van zijn schrijvende bestaan, dat bijna zestig jaar besloeg, zeker zestig verschillende namen. Sommige maar één keer, andere een poosje, en het langste was hij Battus en Piet Grijs. Algemeen bekend werden verder onder meer de columns van Stoker, Jan Eter en Maaike Helder. Maar ook achter Gerard Balthasar, Cees Stam, Daan Gramman, Peter Malenkov, Jozef Trapjes en Magriet Vermeer ging Hugo Brandt Corstius schuil.

Dat paste goed bij zijn veelzijdigheid. Brandt Corstius was zowel wis- als taalkundige, maar werd het bekendst als spraakmakend columnist en als de uitvinder van het Opperlands, de speelse variant van het Nederlands. Al die verschillende namen gingen ook uitstekend samen met zijn ongehoord hoge productiviteit. Zelf beweerde hij dat elk pseudoniem een stuk van zijn persoonlijkheid vertegenwoordigde.

Maar die berg pseudoniemen sluit even goed aan bij een zekere ongrijpbaarheid die Brandt Corstius kenmerkte, en een levenslange lol in zijn lezers voor de gek houden. In veel van zijn werk speelt hij met waarheden, hele en halve leugens, draaien en omkeren. En hij houdt van mystificaties. Hij schrijft bijvoorbeeld als Dolf Cohen rustig over Stoker – het ene pseudoniem over het andere. En hij geniet intens als iemand zegt: die Maaike Helder in de Volkskrant, die heeft jouw stijl gepikt. Natuurlijk verraadt hij dan niet dat hij zelf Maaike Helder is.

Hugo Brandt Corstius groeide op in een niet-religieus gezin. Zijn vader Jan (J.C.) Brandt Corstius bedacht tijdens de oorlog samen met zijn vriend Jaap van Praag het Humanistisch Verbond, dat in februari 1946 werd opgericht. Jan Brandt Corstius was neerlandicus, en zou later hoogleraar literatuurwetenschap in Utrecht worden. Hugo’s moeder, Wil Molenaar, was opgeleid als onderwijzeres. De twee ontmoetten elkaar bij de NBAS, de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden, een jeugdbeweging waarin jongens en meisjes als gelijkwaardig beschouwd werden. De abstinentie gold drank, sigaretten en vlees, en ook seks voor het huwelijk. Hugo Brandt Corstius rookte nooit en zou zijn leven lang vegetariër blijven.

Hugo was de middelste van drie kinderen. Zijn broer Frank is twee jaar ouder, zus Liesbeth vijf jaar jonger. Hij was bovengemiddeld slim, en bovengemiddeld dwars. Daar lijkt iedereen het over eens te zijn. Ook ‘buitengewoon geestig’ is een terugkerende typering. Was hij een ADHD’er? Hij vermoedt dat later, als die term in zwang komt (‘Altijd Druk, Heel Druk’ is waar de afkorting voor staat, zal hij als Battus vastleggen). Of was het toch Asperger? De naam van het syndroom dat bij de hoogfunctionerende autist hoort, en dat door Brandt Corstius zelf consequent ‘asperge’ wordt genoemd. In 2003 schrijft hij (als Piet Grijs in Vrij Nederland): ‘Ik ben altijd een asperge geweest. Toen mijn moeder begon te persen, begon ik te pesten. In mijn jeugd werd ik eenvoudig een “lastig kind” of “rotjoch” genoemd, en daar heb ik vrede mee.’

Als kind is hij altijd bezig de puzzels in kranten, ook die van de buren, op te lossen en in te sturen. Menigmaal wint hij een prijs(je). En hij leest, liefst de encyclopedie. Maar hij gaat ook in discussie. Over alles. Stotterend en wel, want stotteren heeft hij voor zover anderen zich herinneren altijd gedaan.

Brandt Corstius groeide op in Utrecht, waar zijn vader lang leraar Nederlands was aan het stedelijk gymnasium, waar ook Hugo naar toe zou gaan. In 1949, hij is nog dertien, wordt hij omdat hij zo lastig gevonden wordt een tijd in huis geplaatst bij Dirk Daalder in Bergen. Daalder is een onderwijzer, redacteur van het blad Het Kind en kinderboekenschrijver die zijn ouders kenden via de NBAS.  Ze dachten er goed aan te doen, maar Hugo vindt de verbanning verschrikkelijk, en komt in de weekenden met de allervroegste trein naar huis.

Hij maakt zijn gymnasium β af in Utrecht, en vertrekt in 1953 naar Amsterdam. Daar gaat hij wiskunde studeren. Dat gaat goed, maar hij blonk er onvoldoende in uit, zei hij er later over. Brandt Corstius wordt lid van het ASC, het Amsterdams Studenten Corps, van het dispuut Breero. Vrijdags is hij meestal op NIA te vinden, de sociëteit. Hij is erg actief, gaat in het bestuur van het dispuut en is van 1956 tot 1957 zelfs preses. Hij duikt ook met enthousiasme in het culturele leven, ziet elke film, iedere toneelvoorstelling.

Daarnaast is hij een liefhebber van literatuur. Zo hield hij levenslang van Simon Vestdijk, over wiens boeken hij al recensies schreef toen ze uitkwamen, en wiens complete oeuvre hij in de vroege jaren negentig nog een keer samen met schrijver Maarten ’t Hart boek voor boek besprak in NRC Handelsblad.

Zoals zovelen van zijn generatie begon Brandt Corstius met schrijven voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, dat indertijd nog automatisch werd toegestuurd aan iedereen die lid was van de ASVA, de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam. De kiem voor veel van zijn latere werk is al terug te vinden in wat hij daar als redacteur tussen 1957 en 1959 maakte. Zelfs de speciale blik op taal die veel later tot de term Opperlands (tegenover Nederlands natuurlijk) zou leiden, is al zichtbaar. Een klein tekstje dat als titel ‘Bestedingsbeperkin’ heeft, legt feilloos uit  – het effect tegelijkertijd demonstrerend –  dat we bes d laatst lette va iede woor kunne weglate.

Vanaf 1959 schrijft hij voor Vrij Nederland. Vaak anoniem of onder pseudoniem, voor de rubriek Vrij Blijvend. Dat is een vergaarbak en een speeltuin, ook voor de andere van Propria Cures afkomstige talenten met wie hij de rubriek een tijd wekelijks vult: de latere Vrij Nederland-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse en tekenaar Peter Vos. Ook houdt hij in Vrij Nederland een tijdje zogenaamd het dagboek van Jan de Quay bij, de minister-president op dat moment, en schrijft hij pastiches op bijna alle kranten

In november 1960 haalt Brandt Corstius zijn doctoraal wiskunde. Zijn bijvakken zijn onder meer wijsbegeerte, wat hij volgt bij filosoof en logicus E.W. Beth (1908-1964), en geschiedenis van de wiskunde, gegeven door wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis (1892-1965), wiens beroemde De mechanisering van het wereldbeeld in 1950 verschenen was.

Voornamelijk om niet in dienst te hoeven, gaat hij direct na zijn afstuderen lesgeven aan het Amsterdams Lyceum. Een ultrakorte carrière als wiskundeleraar, die nog geen schooljaar duurt, volgt. Het is geen succes. Dat zeggen zijn leerlingen, onder wie de latere hersenonderzoeker Dick Swaab, en hij zelf ook.

De volgende zomer vertrekt hij naar Berkeley, University of California. Maar onderweg komt hij terecht in een demonstratie in New Orleans. Het is de tijd van de Freedom Rides, de bustochten door het land als protest tegen de segregatie tussen blank en zwart. De rassenwetten van het Zuiden waren weliswaar officieel afgeschaft, maar in de praktijk bestaan ze nog. Brandt Corstius wordt opgepakt en even vastgezet. Voor Vrij Nederland schrijft hij een tamelijk ironisch stuk over zijn korte detentie. Racisme en discriminatie zullen terugkerende onderwerpen blijven in zijn columns. 

In Berkeley geeft hij een paar uur college en volgt ook zelf colleges bij wiskundige en logicus Alfred Tarski (1901-1983). Toevallig is de wiskundige Adriaan van Wijngaarden (1916-1987) in die periode ook daar. Hij stelt voor dat Brandt Corstius bij het Mathematisch Centrum komt werken, waar Van Wijngaarden hoofd van de rekenafdeling was en een van de grondleggers zou worden van het vak informatica in Nederland.

Van 1962 tot 1970 is Brandt Corstius inderdaad in dienst bij dat onderzoeksinstituut, dat tegenwoordig CWI, Centrum Wiskunde & Informatica, heet. Het zijn opwindende tijden. Op zijn zestigste beschrijft hij hoe hij op zijn 25ste verliefd werd en dat tien jaar bleef op de computer: ‘Je weet zeker dat je je hele leven aan haar gaat wijden. Ze is fantastisch. Ze is mooi. Ze is slim. Ze is grillig. Ze is voorspelbaar. Ze is gul. Ze is onvermoeibaar. Ze is vermoeiend. Ze is duur. Ze maakt je in korte tijd veel wijzer. Zonder ophouden denk je aan nieuwe manieren om het met haar te doen. Ze verrast je telkens weer.’ Hij probeert wiskunde toe te passen op taal. Met de computer kan er ineens van alles dat nooit kon, en ook in de taalkunde zindert het van de nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden. Brandt Corstius stort onder meer zich op een automatisch woordafbreekprogramma voor het Nederlands. Nederlandse kranten gebruiken het vele jaren.

‘Taalkunde is een exacte wetenschap’, luidt een van de stellingen bij zijn proefschrift. Hij promoveert in 1970, op Exercises in Computational Linguistics. Het Engels van zijn proefschrift laat hij nakijken door Ina Mulder, die als Ina Rike (en vanaf een gegeven moment als Ina Rilke) een gelauwerd literair vertaalster werd, en met wie hij in 1987 een relatie zou beginnen – in 1989 trouwden ze. Maar eind jaren zestig leerde Brandt Corstius eerst Tatje Smits kennen, die in de jaren zeventig de moeder werd van zijn kinderen.

Onder meer na klachten over te weinig aanwezig zijn – een constante in zijn universitaire loopbaan – maakt Brandt Corstius in 1970 een overstap naar het instituut voor Neerlandistiek. Hij geeft er computertaalkunde. Tegelijk gaat hij Algemene Taalwetenschap studeren. In 1975 haalt hij zijn doctoraal. En eind jaren zeventig gaat hij zelf bij Algemene Taalwetenschap werken, een halve medewerkersbaan. In 1974 is hij daarnaast aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam benoemd tot buitengewoon lector in ‘de automatische informatieverwerking, in het bijzonder de verwerking van de natuurlijke taal’. Die positie verliest hij uiteindelijk ook door gedoe over hoeveel hij bijdraagt.

Over zijn computerliefde schrijft Brandt Corstius in dezelfde Piet Grijscolumn uit 1995: ‘Rond het jaar 1970 taande mijn verliefdheid. Ik denk dat ik de enige hoogleraar informatica was die nooit een computer aanraakte.’ Desalniettemin maakt hij in de jaren zeventig twee nog altijd opmerkelijk actuele overzichten over het samengaan van rekenen en taal, namelijk Algebraïsche Taalkunde en Computer-taalkunde. De liefde zou pas opnieuw bij hem inslaan bij het verschijnen van woordenboeken op een schijfje,  met al hun nieuwe zoekmogelijkheden: ‘Weer word ik dag en nacht in beslag genomen door een weerspannige tegenspeelster. En ze kent nog meer Nederlandse woorden dan ik!’

Maar dat leverde geen wetenschappelijk werk meer op. De wetenschappelijke productie van Brandt Corstius viel na die overzichtswerken in feite droog. Wie ze leest begrijpt daar wel iets van. Brandt Corstius ontkomt niet aan de constatering dat de taalmogelijkheden met een computer heel snel spaak lopen. En wel op de te ongrijpbare betekeniskant van woorden, zinnen en teksten. De semantiek gooit altijd roet in het eten, vatte hij het samen. Hij was er dan ook vast van overtuigd niet meer mee te zullen maken dat een computer in staat zou zijn taal te begrijpen, of om goed te vertalen van de ene in de andere taal. Dat is uitgekomen.

Intussen was en bleef Brandt Corstius buiten de universitaire wereld wel zeer actief. Hij was overal bij. Alles wat spraakmakend was. Alles dat ging over het gezag ondergraven, de autoriteiten niet meer zomaar hun autoriteit laten uitoefenen. Dus ook bij Zo is ’t toevallig ook nog eens een keer, dat van 1963 tot 1966 op de Nederlandse tv te zien was, en onder meer met het item Beeldreligie, satire op het geloof, voor veel ophef en stormen van protesten zorgde. De tekst die het einde vormde van het programma, en die nooit werd uitgezonden, is van de hand van Brandt Corstius. Het is een soort persiflage op een gesprek met Van Hall, burgermeester van Amsterdam in provotijden, met Mies Bouwman in haar interviewprogramma Mies en scène. Mies Bouwman zelf was toen trouwens al jaren weg bij Zo is ‘t… Ook aan het latere satirische tv-programma Hadimassa leverde Brandt Corstius bijdragen.

En natuurlijk was hij vele jaren te horen op vrijdagmiddag bij de vpro, in het door Joop van Tijn gepresenteerde Welingelichte Kringen, tot het radioprogramma stopte in 1997. Bij de dood van Van Tijn, ook in 1997, beschreef Brandt Corstius hoe het er steevast aan toeging met Joop: ‘Hij zat altijd aan mijn rechterkant. In zijn rechterhand hield hij een pen of een stuk papier. Met zijn linkerarm dirigeerde hij mij. We hebben het er nooit over gehad  – het was gewoon zo. Als hij wilde dat ik iets ging zeggen, stak hij zijn elleboog naar me toe. Als hij wilde dat ik het kalmpjes aan deed, gebaarde hij sussend met zijn hand. Als hij wilde dat ik m’n kop hield, legde hij zijn linkerhand op mijn rechterarm. Meestal gehoorzaamde ik.’

In 1981 komt het succesvolste boek van Brandt Corstius uit, zijn Opperlandse taal- en letterkunde. Het boek waarin hij onder het pseudoniem Battus alles verzameld heeft dat valt onder ‘het Nederlands met vakantie’. Het is van een grote inventiviteit en originaliteit, en het publiek waardeert het erg en koopt het boek massaal.

Eind van datzelfde jaar sterft zijn vrouw Tatje, pas 34 jaar oud, aan melanoom, een agressieve huidkanker. Brandt Corstius blijft achter met een zoontje van drie en twee dochters van vijf en zes. Jelle, Merel en Aaf. Dat gezin vertrekt de zomer daarna naar de Amerikaanse staat Minnesota, naar de hoofdstad St. Paul. Brandt Corstius werkt er aan de universiteit. Hij houdt op met zijn vaste columns en denkt dit maal misschien wel voorgoed geëmigreerd te zijn. Maar na een jaar is hij alweer terug.

Het is de eerste keer dat hij de column die hij als Piet Grijs in 1968 in Vrij Nederland begonnen was een tijdje laat schieten. Halverwege de jaren tachtig houdt hij er zelfs een paar jaar mee op, na een grote ruzie met zijn mede-columniste Renate Rubinstein, die onder de naam Tamar ook wekelijks in VN schrijft.

Ruzie, gedoe. Ook dat hoort bij het leven van Brandt Corstius. Al zijn huisraad wordt in 1966 geveild, nadat hij geweigerd heeft een rekening van negentig gulden te betalen aan de psychiater die hij daarna voor eeuwig ‘Van Poolse Havenstad’ zou blijven noemen (Van Dantzig dus). Hij maakt politicus Hans Wiegel op de radio uit voor ‘lul’, er wordt een later geseponeerd onderzoek ingesteld naar majesteitsschennis, en nog meer.

Twee kwesties hebben zich in het collectief geheugen genesteld. Buikhuisen en de PC Hooftprijs. De eerste lijkt in retrospectief samengebald te zijn tot een lange scheldpartij uit de pen van Piet Grijs, met als uitkomst het ontslag van de criminoloog. Het speelde in werkelijkheid over een aantal jaren en Piet Grijs was zeker niet de enige die bezwaar maakte tegen het plan om delinquenten te onderzoeken op sociobiologische kenmerken (in 1978) en een plan uit 1980 om iets soortgelijks bij kinderen in kindertehuizen te doen. Brandt Corstius zou altijd volhouden dat wat als een misdaad gezien wordt in hoge mate cultureel bepaald is (denk aan zaken als geloofsafval en homoseksualiteit) en ook dat Wouter Buikhuisen zijn ontslag aan zichzelf te wijten had.

Het Buikhuisenverhaal valt als exemplarisch te zien voor de kant van de vetes, de openbaar uitgevochten meningsverschillen en de scheldpartijen. Want Brandt Corstius kon geweldig van leer trekken en was niet te beroerd om op de man te spelen. Dat zit ook achter de weigering van het CDA, in de persoon van Elco Brinkman, om hem de PC Hooftprijs te geven. De jury, nota bene onder voorzitterschap van de door Brandt Corstius voor Roomse gluipkop uitgemaakte Cornelis Verhoeven, besluit in februari 1985 dat Brandt Corstius de prijs van 1984 dient te krijgen. Maar dat gaat niet door. Onder andere het feit dat minister Onno Ruding de Eichmann van zijn tijd werd genoemd door Piet Grijs, in diens column van 3 november 1984 in Vrij Nederland maakte dat Brinkman (dan minister van Cultuur) weigert de prijs toe te kennen. Want Brandt Corstius heeft ‘het kwetsen tot instrument gemaakt’.

Over die PC Hooftprijs ontstaat vervolgens een enorme hoeveelheid commotie. Elke krant, elke journalist schrijft erover, en vrijwel iedereen vindt het een schande. Tot in het buitenland aan toe. Het heeft gevolgen. De prijs verdwijnt een paar jaar en keert dan terug als een niet-staatsprijs. Bovendien gaat het prijzengeld van tien naar vijfentwintig duizend gulden. De eerste die wordt uitgereikt is voor Brandt Corstius. Dat gebeurt op 3 juni 1988.

 Alle controverse ten spijt zijn zijn bijdragen vele tientallen jaren zeer gewild. De nalatenschap van Hugo Brandt Corstius puilt uit van de verzoeken, en ook van de herhaalde verzoeken, aanmaningen, vermaningen en aandringende briefjes. Hugo reageert niet. Hij neemt de telefoon niet op. Hij beantwoordt zijn post niet. Dat is normaal. Hij is er zich van bewust. Het is ook pure opzet, bekent hij een keer in een gezamenlijk schrijven aan drie jubilarissen, de schrijver Remco Campert, uitgever Ary Langbroek en redacteur Bert Poll. ‘Ik besteed bijna mijn hele werkdag met het verspreiden van de mythe dat ik het overal veel te druk voor heb.’ meldt hij ze in september 1989.

Adres en telefoonnummer werden zorgvuldig geheim gehouden. In datzelfde jaar 1989 bleek het secretariaat van Algemene Taalwetenschap zijn adres niet te kennen. Dat was nadat hij er ruim een dozijn jaren werkte. En toch houdt hij jaar in jaar uit overal praatjes en lezingen, presenteert boeken, schrijft inleidingen, maakt werk in opdracht. Zoals De Hoofdredacteur, een boekje ter gelegenheid van het afscheid van hoofdredacteur Harry Lockefeer bij de Volkskrant. Hij schrijft ook een lang verhaal voor het jaarverslag voor kinderen dat BSO in 1989 uitbrengt, het softwarebedrijf van de eigenzinnige Eckart Wintzen (1939-2008).

Ook werkt hij voor meer kranten dan welke journalist of columnist dan ook. De Volkskrant en NRC Handelsblad zijn allebei en tegelijkertijd vaste afnemer, heel uitzonderlijk, maar ook voor Het Parool en Trouw schrijft hij met een zekere regelmaat. Aan Vrij Nederland is hij bijna een halve eeuw verbonden, in 2008 verschijnt de laatste aflevering van de column van Piet Grijs, die dan vier decennia gelopen heeft. Het literaire tijdschrift Tirade kan een tijdje op zijn medewerking rekenen, hij doet mee aan het taboedoorbrekende Gandalf, maar voor Hollands Maandblad schrijft hij het langste. Hij blijft er tot hij het echt niet meer kan pagina’s Opperlan(d)s voor maken (in de uitgebreide versie van zijn boek Opperlandse taal- en letterkunde heet Opperlands ineens Opperlans). Want tellen en rekenen met letters en woorden is hetgeen hem levenslang het meeste plezier verschaft.  Zijn laatste andere bijdrage aan Hollands Maandblad heet ‘Mijn korte leventje’ en is inderdaad een mini-autobiografie.

Zelf zei hij met zijn onderwerpen van een glijbaan af te gaan. Via de wiskunde en de taalkunde kwam hij bij de letteren, en beloofde een biografie van Multatuli te gaan schrijven. Daar lijkt hij nooit erg serieus aan gewerkt te hebben. Het meeste was toch kortebaanwerk. Daar lag zijn kracht. En misschien was hij wel te ongeduldig voor langere dingen. Ongeduld was volgens hemzelf het kenmerk dat zijn hele leven kon verklaren.

Was wat Hugo Brandt Corstius schreef typisch voor Nederland en het Nederlands? Pogingen werk vertaald te krijgen hebben in elk geval weinig opgeleverd. Wel leverde hij een tijdlang bijdragen aan het Amerikaanse tijdschrift Word Ways: The Journal of Recreational Linguistics.

In 1996 ging hij met de VUT, en vanaf het jaar daarna zou Brandt Corstius tot het eind van zijn leven ook een deel van de tijd in Parijs wonen. Daar gaf hij aan de Sorbonne nog drie jaar les aan studenten Nederlands. Maar ook Nederlandse universiteiten vroegen hem soms nog. Hij bekleedde in 1998 de Leornardo Leerstoel van de universiteit van Tilburg, en was in 2003 gastschrijver aan de TU Delft.

De laatste jaren van zijn leven ging Brandt Corstius achteruit, al viel dat de meeste mensen lang niet zo op. Wonderlijk, onaangepast gedrag was normaal geweest, misschien wel zijn handelsmerk geworden. In elk geval was hij altijd wars van alles wat formeel is. ‘Vroeger had ik met iedereen ruzie, maar nu kan ik het me niet meer herinneren,’ zei hij, met een opmerkelijke opgewektheid.

Hij leed waarschijnlijk aan wat semantische dementie genoemd wordt. Dat betekende dat hij ook zijn spraak verloor. Tot hij uiteindelijk niets meer kon zeggen. Geen woord. Niet lang daarna is hij gestorven.

Voor dit levensbericht is geput uit de nalatenschap van Hugo Brandt Corstius, die wordt ondergebracht bij de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. En er is gebruik gemaakt van gesprekken die ik voerde voor de biografie waaraan ik werk, en die in 2019 moet verschijnen. Ook heb ik een paar eigen herinneringen verwerkt.

 

VOORNAAMSTE GESCHRIFTEN

Ik sta op mijn hoofd, Amsterdam 1966 (onder pseudoniem Raoul Chapkis)

Exercises in Computational Linguistics, Amsterdam 1970 (proefschrift)

Algebraïsche Taalkunde, Utrecht 1974

De encyclopedie, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Battus)

Computer-taalkunde, Muiderberg 1978

Televisie, psychiaters, computers en andere griezelverhalen, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Piet Grijs)

Opperlandse taal- en letterkunde, Amsterdam 1981 (onder pseudoniem Battus, uitgebreide editie in 2002 met titel Opperlans! Taal- en letterkunde)

Rekenen op taal, Amsterdam 1983 (onder halfpseudoniem Hugo Battus)

 

PRIJZEN (selectie)

Anne Frank-prijs 1966 voor Ik sta op mijn hoofd van Raoul Chapkis

Cestoda-prijs 1978 voor de moeiteloze beoefening van de Nederlandse taal in al haar genres

Multatuli-prijs 1982 voor Opperlands taal- en letterkunde van Battus

Busken-Huet-prijs 1985 voor Rekenen op taal van Hugo Battus

P.C. Hooft-prijs 1987 voor essays voor zijn hele oeuvre

Nootje: De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde geeft elk jaar een jaarboek uit, met daarin onder meer overzichten van het leven van gestorven leden. In mei 2016 verscheen het Jaarboek 2014-2015 waarin bovenstaande Levensbericht staat.

“Als je hier de concentratie niet opbrengt, waar dan wel?”

“Huize NIAS, toch een beetje een rustoord voor vermoeide academici,” zegt iemand die zelf geen fellow wilde worden met lichte spot. “Een geweldige instelling, een verademing,” zegt een van de NIAS-gasten enthousiast. NIAS is de afkorting voor wat voluit The Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences heet.

Onderzoekers kunnen hier een klein jaar rustig werken. Rust en rustiek zijn inderdaad de twee woorden die je onmiddellijk voor de geest komen wanneer je het NIAS in Wassenaar nadert. Vroeger een politie-academie, nu een aantal fraaie villa’s in de bossen, verbonden door paden en bruggetjes. Alles groen, groen, groen.

Bruidsschat

Op initiatief van de Leidse professor Uhlenbeck, zelf hoogleraar linguïstiek en Javaanse taal- en letterkunde, werd het NIAS in 1970 opgericht. Achterliggend idee: onderzoekers uit de alfa- en gamma-wetenschappen de kans geven zich een tijdje helemaal aan onderzoek te wijden. Tien maanden lang geen colleges, geen bestuurlijke rompslomp. Tot 1988 viel het NIAS onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, sindsdien zit het onder de paraplu van de Akademie.

“De Akademie heeft vast nooit een instituut met zo’n mooie bruidsschat verworven”, zegt directeur van de Kaa, doelend op de anderhalve hectare grond die bij het NIAS hoort. In oktober 1991 zal met de bouw van een nieuw gebouw begonnen worden, want er is meer ruimte nodig. Ondermeer voor de zomercursussen voor aio’s en oio’s (assistenten en onderzoekers in opleiding), maar er zullen ook verblijven en werkkamers voor tijdelijke gasten komen.

Wat moet je doen om een jaartje fellow te worden? Prof.dr. Dirk J. van de Kaa, hoogleraar demografie en sinds 1987 directeur van het NIAS, legt het graag uit: “We hebben hier altijd zo’n veertig onderzoekers, van wie ongeveer de helft uit het buitenland komt. Wie hier wil komen kan daar zelf een verzoek voor indienen. Wij willen graag weten wat iemand tot dusver gedaan heeft, en wat hij van plan is op het NIAS te gaan doen. Er worden hier heel wat artikelen en boeken geschreven.”

Een selectie van de produktie van de laatste tijd ligt op tafel. Ook bij de ingang van de hoofdvilla staat een uitstalkast waarin te zien is dat er aan zeer uiteenlopende onderwerpen gewerkt wordt: van de verzorgingsstaat tot de dictatuur van het design, van “human motor controll” tot “Jews in another environment”. Veel publikaties (het NIAS geeft overigens zelf niets uit) zijn in het Engels, en dat is ook de voertaal op het NIAS.

De belangstelling uit het buitenland is groot. Van de Kaa: “Maar een op de vijftien buitenlanders die willen komen wordt gekozen. Ik maak meer mensen ongelukkig dan gelukkig als ik ze terugschrijf. Bij de selectie speelt geld ook een rol. We kunnen niet iedereen een volledig stipendium geven, dus als de instelling waar iemand vandaan komt bij wil dragen is dat mooi. En verder proberen we altijd een aardige groep samen te stellen, met een goede spreiding over de disciplines.”

Maar het NIAS ontvangt niet alleen individuele onderzoekers. Zo’n 25 fellows maken deel uit van een van de drie themagroepen die er elk jaar zijn.

Van de Kaa: “Die zijn wat gerichter bezig. Voorstellen voor thema’s worden beoordeeld door de wetenschapscommissie. Die bestaat uit vijftien mensen: vertegenwoordigers van NWO, van de samenwerkende Nederlandse universiteiten, van de commissie Geesteswetenschappen, van de Sociaal Wetenschappelijke Raad, en van afdeling Letterkunde van de Akademie. Die komen drie of vier keer per jaar bij elkaar, en ieder najaar kiezen ze de themata. Daarna volgt er dan overleg met potentiële fellows.”

“Leidende gedachten zijn telkens: is er voortgezet onderzoek te doen? Mag je verwachten dat een geconcentreerde inspanning tot iets zal leiden, en zal het uitstraling naar de universiteiten en hogescholen hebben, want daar werken we eigenlijk voor. Zo’n themagroep levert meestal een symposium of een workshop op, en daar verschijnt dan weer vaak een bundel van.”

‘Om een idee te geven: het afgelopen jaar waren de thema’s ‘Labourmarket and Institutions’, taalverwerving en ‘Law and psychology’. Dat laatste levert dan bijvoorbeeld een boek met casestudies op. Gevallen waarbij het gaat om de bewijsvoering en de bewijslast op basis waarvan mensen al niet veroordeeld zijn. De hoogleraren Crombag en Wagenaar maakten deel uit van die themagroep.”

Sinds begin september zijn er weer drie nieuwe groepen aan het werk. Onderzoeksthema’s dit jaar: “Orality versus Literacy”, waarbij het ondermeer gaat om de invloed van oraliteit (“vertelcultuur”) op de ontwikkeling van de geletterde cultuur, “The Reception of American Mass Culture in Europe” (hoe heeft de Amerikaanse massacultuur zich in Europa verspreid, en hoe werd daarop gereageerd?) en “Europe on the Move” (hoe zit het met de Europese mobiliteit en infrastructuur?). Onderwerpen waar de negentien individuele onderzoekers van het moment zich mee bezighouden strekken zich uit van milieurecht tot de geschiedenis van de psychoanalyse.

Daarover zullen dus het komende jaar vast wel lezingen te horen zijn op Nederlandse universiteiten, want veel gasten die in hun eentje onderzoek verrichten of uitwerken geven tijdens hun verblijf gastcolleges.

Geen telefoon

Sorteert het nu ook werkelijk effect, de rust van het NIAS? Gezegd moet worden dat men er alles aan doet om het de fellows naar de zin te maken. De lunch in de villa die het Ooievaarsnest heet is voortreffelijk, en blijkt dat bij navraag gemeen te hebben met alle maaltijden. Afleiding en smoezen om niet aan het werk te gaan worden de gasten zoveel mogelijk ontnomen. Zo hoeven ze geen dagen in bibliotheken door te brengen op zoek naar een bepaalde titel: een pendelbusje haalt en brengt alle gewenste boeken uit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het meest opvallende aan de werkkamers is dat een telefoon ontbreekt.

Van de Kaa: “Er komen hier wel mensen die als ze dat horen zeggen ‘oh nee, dat niet, ik kan onmogelijk zonder telefoon’. Als ze er per se een willen kunnen ze die ook wel krijgen, maar meestal zien ze er toch maar vanaf wanneer ik ze uitleg dat het juist onze opzet is de fellows een omgeving te bieden waarin ze ongestoord kunnen doorwerken. In een lege kamer, met alleen papier en een computer en met uitzicht op groen.”

Gevolg van het ontbreken van privételefoons is dat het in de gang van de hoofdvilla waar wel een telefoon staat, een continu komen en gaan van bellers is.

Met de werklust van de fellows zit het volgens van de Kaa wel goed: “Als je hier de concentratie niet opbrengt, waar dan wel? De mensen hebben ook een motivering om het goed te doen, en die is buitengemeen sterk, want ze leggen het zichzelf op.”

Storende factor voor Nederlandse fellows blijkt nogal eens de universiteit waar ze werken, of hun geweten. Van de Kaa: “Het is voor de Nederlanders veel moeilijker om allerlei bestuurlijke dingen niet te hoeven. Ik begrijp dat nooit helemaal en denk dan: laat ze nou eens een keer echt gaan. Maar het is vaak ook wederzijds. Fellows zijn loyaal aan hun vakgroep, of ze hebben studenten die ze niet in de steek willen laten. Toch is het ook voor vakgroepen belangrijk dat hun hoogleraar of hun UHD (Universitair Hoofddocent red.) een boek publiceert. Ik hoop dan ook dat er binnenkort een doorbraak komt: dat of het NIAS, of de universiteiten geld gaan reserveren om fellows ook in hun bestuurlijke taken te laten vervangen.”

Sinterklaas

De buitenlanders hebben andere problemen. Die moeten leren fietsen, ook al omdat de openbaar vervoer verbindingen vanaf het NIAS niet bepaald ideaal zijn. Ze leren ook hoe hard het hier kan regenen, en hun gezin met hen, want dat komt dikwijls mee. En zo kan het gebeuren dat na een poosje hun kinderen de bestelling gaan doen in een restaurant of op Nederlands overschakelen als ze onderling iets uit te praten hebben en liever niet verstaan willen worden door hun vader en moeder. De kans dat de fellows zelf even snel Nederlands leren is op het NIAS niet zo groot. Met Sinterklaas verzorgt the social committee gedichtjes in het Engels.

Sinds de komst van van de Kaa is er wel het een en ander veranderd op het NIAS. Er is al voor een half miljoen geïnvesteerd, ondermeer in computers. Zelfs eenvoudige pc’s waren er een paar jaar geleden nog niet. Nu is iedereen aangesloten op een netwerk, de VAX is bijna operationeel, en met behulp van e-mail (elektronische post) onderhouden de fellows contact met vakgenoten in binnen- en buitenland.

Zoals ze ook zullen blijven doen wanneer ze Wassenaar weer verlaten hebben. “Hier doen mensen contacten voor het leven op,” zegt van de Kaa, “en dat is belangrijk voor Nederland. Je moet dus de goede mensen zien te trekken, en dat lukt je niet zonder goede equipment.”

Hulp om iedereen te leren kennen biedt in elk geval een groot plakkaat met pasfotootjes en namen van de gasten dat op de deur van de bibliotheek hangt. De bibliotheek zelf bevat niet veel meer dan een collectie naslagwerken. En er is een speciaal plankje voor het werk van de fellows-van-het-moment.

“Scientific soul”

Van de Kaa schept duidelijk genoegen in zijn functie. Wanneer een van de fellows tijdens de lunch opmerkt dat hij hier zijn “scientific soul” teruggevonden heeft, straalt hij. En hij mag er graag op wijzen dat de letter A in NIAS er niet voor niets staat: het gaat hier om advanced studies, en er wordt goed werk gedaan. Wel is het zaak van tevoren precies te weten wat je komt doen, en dat is voor de jongeren soms moeilijk, zo wil hij wel toegeven. Wat hij zelf leuk vindt? “Mijn werk dwingt me voorstellen en andere stukken te lezen over terreinen die ik niet ken. Dat is interessant”, zegt hij.

Ondertussen laat hij ook zijn eigen vak, de demografie, niet in de steek. Hij houdt zich bezig met de aio-opleiding, geeft colleges, begeleidt promovendi en schrijft ook zelf nog steeds.

“Met mensen omgaan” noemt hij als een tweede aantrekkelijk aspect van zijn functie. Dat voordeel heeft ook zijn vice-voorzitterschap van NWO: “Dat brengt je in contact met iedereen.” Toch blijft het NIAS zijn hoofdfunctie, ook al houdt hij dat niet in zijn eentje draaiende. Er zijn achttien mensen in vaste dienst.

Onder wie een tuinman. Hij is de enige die met zijn grasmaaimachine de rust en stilte bij een wandelingetje over het terrein verstoort.

Uitzoeken of het echt waar is

Wie met eigen ogen bekijkt en leest wat er overgebleven is uit de vroege middeleeuwen, vindt volgens historica Rosamond McKitterick een wereld die heel wat minder afwijkt van de onze dan we denken.

Duister en achterlijk was het hier. Nadat de laatste Romeinen vertrokken waren – met medeneming van hun organisatietalent, de vaardigheid fatsoenlijk sanitair aan te leggen en alle verdere beschaving – viel heel Europa in een diep zwart gat. Pas tegen de renaissance begonnen we daar weer een beetje uit te kruipen. Zo wil het cliché het.

Goed, van dat sanitair klopt wel, maar de rest van het bekende beeld heeft Rosamond McKitterick met haar onderzoek naar de vroege middeleeuwen aardig op z’n kop gezet. Zo goed als niemand kon lezen en schrijven, het was een ongeletterde maatschappij? Niet waar, liet ze zien. Karel de Grote een rouwdouw-veroveraar? Nou, de manier waarop hij de zaken in zijn aldoor uitdijende rijk regelde, was weloverwogen en hoogst effectief. Van enig intellectueel klimaat was geen sprake? Toch werd juist toen de kiem gelegd voor wat nog steeds onze ‘canon’ is.

Schommelstoel

Het zijn maar een paar voorbeelden uit de dikke stapel boeken en artikelen die hoogleraar middeleeuwse geschiedenis McKitterick op haar naam heeft. Ze blijkt een en al vriendelijke voorkomendheid te zijn. En op de een of andere manier passen die middeleeuwen perfect bij haar. Er is de fraaie oude voornaam Rosamond, haar verschijning (tijdloze lichtblauwe jurk, lang wit haar, geen make up), en ook de werkomgeving klopt: het in 1596 gestichte Sidney Sussex College in Cambridge. De gevel van toen staat nog, maar daarachter heeft in de negentiende eeuw de toenmalige leiding helaas flink huisgehouden, vertelt McKitterick onderweg naar haar werkkamer. Bezoek wordt er op de schommelstoel gezet, naast een ook al knusse schouw.

Meteen gaat het over haar liefde voor de middeleeuwen. ‘Ik kan me niet anders herinneren dan dat ik erin geïnteresseerd was,’ zegt ze. ‘De schooljuffrouwen klaagden tegen m’n moeder dat ik teveel wist van de middeleeuwen. Dat ik aldoor historische romans las, in plaats van de dingen te leren die ik moest leren. Als ik bijvoorbeeld de boeken van Rosemary Sutcliff las dacht ik: hoeveel is er nou echt waar? Dat wilde ik uitzoeken.’

Uitzoeken of het echt waar is. Het zou een stevige leidraad in haar carrière worden. Slechts twee dingen zijn daar volgens McKitterick voor nodig: teruggaan naar de oorspronkelijke bronnen, en daarbij je gewone gezonde verstand meenemen. Ze herinnert zich nog precies hoe haar enthousiasme voor die bronnen ontbrandde. Natuurlijk wilde ze na school middeleeuwse geschiedenis gaan studeren. McKitterick: ‘Het was in de universiteitsbibliotheek. Daar stond op een plank een rij boeken… Wacht, ik laat het even zien.’

Uit het aanpalende bibliotheekkamertje haalt ze een groot, gebonden boek. ‘Dit vond ik. Alle documentatie van elk bijzonder Latijns manuscript vanaf het jaar 400. Met steeds een afbeelding op ware grootte. De serie is georganiseerd per land en per bibliotheek. Ik was zeventien en begreep voor het eerst dat er boeken uit die tijd bestonden… Dat je aan het handschrift kon zien van wanneer ze waren. Dat er informatie uit de eerste hand bestond!’

De thrill van rechtstreeks contact met het verleden is nooit overgegaan. Al snel maakte McKitterick ook kennis met charters: handvesten en andere wettelijke documenten. Een goudmijn. ‘Uit de negende eeuw waren er wel zevenduizend ofzo,’ zegt ze. Ze gebruikte ze voor haar boek over vroegmiddeleeuwse geletterdheid, The Carolingians and the Written Word, dat haar naar eigen zeggen beroemd maakte. ‘Je kunt zoveel zien aan die charters. Ze werden gebruikt voor allerlei zaken die verankerd lagen in de gemeenschap. Die voor samenhang zorgen.’ Van verkoopaktes tot wetsteksten bekeek McKitterick, manuscripten in het Latijn en in de omgangstaal, ze bracht van alles bij elkaar. En kon toen niet anders dan concluderen dat het geschreven woord echt niet alleen iets voor een paar hoogopgeleide ingewijden was.

En dat was wel het standaardidee. McKitterick: ‘Ik had er een eerste artikel voor een tijdschrift over gemaakt. Dat kreeg ik terug met de mededeling dat het geen zin had hierover te schrijven, want iedereen wist toch dat alleen geestelijken in de vroege middeleeuwen konden lezen en schrijven. Ik moest dus laten zien dat wat iedereen dacht niet waar was.’ Toen het boek er eenmaal was, ging bijna alle aandacht uit naar het laatste hoofdstuk, waarin McKitterick aannemelijk maakt dat ook veel leken schrijfonderwijs kregen. Dat zint haar niet helemaal, want waarom dat gebeurde begrijp je pas goed als je ook de rest van het boek hebt gelezen: boeken en teksten deden ertoe. Niet alleen in religieuze contexten, maar in het functioneren van de hele maatschappij.

Praktische dingen

‘Het wil niet zeggen dat iedereen die teksten las, maar wel dat ze ervan afwisten, wisten dat het belangrijk was,’ zegt ze. ‘Je kon ermee bewijzen dat je een vrij man was, of dat iets jouw bezit was. Dat was de erfenis van de Romeinse periode. Er was geen radicale breuk. Het ging gewoon door. Zo gaat dat: er wordt overgenomen, aangepast, geselecteerd. Tot het Romeinse erfgoed hoort niet alleen het christelijk geloof, maar ook respect voor de wet. En hoe dingen georganiseerd werden, en de manier waarop mensen aankeken tegen zaken: doe je een transactie, dan wil je dat kunnen bewijzen. Daar horen dus documenten bij. Praktische, totaal voordehandliggende dingen als je ze eenmaal ziet.’

Zo zag McKitterick meer. Heel veel vroegmiddeleeuwse teksten zijn in het Latijn geschreven. ‘Iedereen ging er altijd van uit: dat is moeilijk. Alleen geestelijken leerden het,’ vertelt ze. Maar was het inderdaad zo moeilijk, vroeg McKitterick zich af. Hoe zat dat ten westen van de Rijn? Het Latijn ontwikkelde zich na de tijd van de Romeinen natuurlijk tot de handvol verschillende talen die we nog steeds Romaans noemen – zoals het Frans en het Spaans – maar hoever stond het daarmee? McKitterick kwam op een even simpel als ijzersterk idee om daar inzicht in te krijgen. Ze ging naar het lesmateriaal kijken. ‘Ik wilde weten wat voor grammatica’s ze in de negende eeuw gebruikten. Waren die gericht op het leren van een vreemde taal of niet? Dat was de test.’

Eigen taal

‘Op de Britse eilanden bleken ze inderdaad opgezet voor tweedetaal-verwervers. Maar op het vasteland niet. Daar gebruikten ze nog steeds de Romeinse grammatica’s. Dus kregen ze daar kennelijk onderricht over hun eigen taal. Ze moesten alleen leren hoe die formeel te gebruiken, en goed leren spellen. Bij ons is de schrijftaal ook nog altijd formeler dan de spreektaal. Ik denk dat je het daarmee kunt vergelijken. Maar je ziet in de documenten ook gewoner taalgebruik weerspiegeld. En als bijvoorbeeld een en dezelfde naam in een stuk op drie manieren gespeld wordt, dan merk je dat ze min of meer fonetisch schrijven. Ze zetten de klanken die ze gebruiken om in letters.’ Nog meer ondersteuning voor McKittericks stellingname dat Europa helemaal niet zo ongeletterd was. Veel inwoners hoefden om te leren schrijven geen vreemde taal te leren.

Latijn was ook de taal die Karel de Grote (747-814) sprak en schreef met de dignitarissen in zijn uitgestrekte rijk. Hij vormt het onderwerp van McKittericks laatste boek. Charlemagne: the formation of a European identity verscheen in 2008. ‘Doodeng dat ze me vroegen om een boek over een onderwerp waar al 1200 jaar over geschreven wordt. Door iedereen in Europa. Ik zag er enorm tegenop,’ vertelt McKitterick. Al is het anderzijds ook aantrekkelijk je bezig te houden met iemand over wie iedereen op de lagere school al gehoord heeft. ‘Elke taxichauffeur kent hem. Ik heb maar een keer, in een hotel in Heidelberg, een man ontmoet die me vroeg of ik dan niet wist dat Karel de Grote nooit bestaan had, dat hij een verzinsel was,’ lacht McKitterick.

Ze toog aan werk. ‘Ik had geen zin een samenvatting te maken van wat er in de loop der tijd allemaal over hem gezegd was. In het licht van de dingen die ik eerder gedaan had, ging ik alle bronnen opnieuw lezen. Daarna wilde ik dan terug naar de secundaire literatuur. In de veronderstelling dat die zou kloppen. Maar nee. Keer op keer riep ik: ja maar, dat staat er helemaal niet! Je moet terug naar het bewijs. Want mensen schrijven elkaar over. Hypotheses worden feiten, en zo raak je steeds verder af van de bewijsstukken. Uiteindelijk werd dit project razend spannend.’

Roze taart

Gevraagd naar een voorbeeld van iets dat eerder niet bekend was of anders gezien werd, pakt ze het boek erbij. ‘Kijk, zie je deze kaartjes? Er werd altijd van uitgegaan dat je Karel de Grotes reisroutes kon volgen aan de hand van de charters waarop zijn naam stond. Voor elk jaar zijn daar kaarten van gemaakt. Maar als je berekent hoeveel tijd dat gekost moet hebben, krijgt het op een gegeven moment iets belachelijks. Dat hij veel reisde staat vast, maar ik dacht: wat nu als die charters geproduceerd werden in naam van de koning? Zonder dat hij daar altijd bij hoefde te zijn?’ Met dat idee dook ze weer de bronnen in. En kwam met heel wat logischere routekaarten weer boven.

 

Ineens is het de hoogste tijd voor de lunch geworden. Dus snel trappen af en op, en stille tuinen en een boogjesgallerij door. Ook in de statige hoge zaal waar de staf eet, is de geschiedenis ieder moment voelbaar. De pork roast met worteltjes, de Engelse kazen en de roze taart die er gevaarlijk zoet uitziet, worden genuttigd aan lange tafels onder tientallen oude portretten. Na de koffie in een aparte lounge met leesvoer, kussens en open haarden, praten we nog heel even verder over Karel de Grote, ofwel Charlemagne, in het Engels uitgesproken als ‘Sjarleméén’. McKitterick lacht: ‘Net zoals we van champagne ‘sjempéén’ maken hier.’ Wat was het voor man, denkt ze? ‘Slim, niet per se aardig, maar zeer kundig. Enorm energiek en hardwerkend, én hij wist wat hij wou. De manier waarop hij zijn beheerders overal als zijn agent liet optreden was revolutionair.’ Al sloot veel van de organisatie van zijn rijk wel degelijk gewoon aan bij de Romeinse tijd. Ook daar geen radicale breuk.

En haar volgende boek? Dat moet gaan over een onderwerp dat eigenlijk al als een rode stippellijn door al haar werk loopt. Ze is enorm geïntrigeerd door de vraag hoe kennis en ideeën zich door de tijd en de ruimte verplaatsen. ‘Hoe wisten ze bijvoorbeeld welke boeken ze moesten kopiëren? Wat de moeite waard was? En waren ze zich bewust van wat ze deden?’

Bijna lyrisch

Met dat oog kijkt ze aldoor naar wat ze in de diverse bronnen tegenkomt. Bijna lyrisch vertelt ze over lijstjes genoteerde moeilijke woorden, waarin ze het geboorteproces van alfabetische naslagwerken ziet: ‘Je kunt volgen uit welke boeken mensen die woorden halen. Hoe hun denkproces verloopt, hoe ze tot de notie ‘naslagwerk’ komen.’ Ook de manier waarop nieuwe begrippen worden ingepast in wat al bekend was, heeft McKittericks warme belangstelling. Een mooi voorbeeld van iets dat nog moest evolueren, vindt ze de relatie tussen hemel en aarde en de geografie. ‘Dat de aarde een bol is en een evenaar heeft en dergelijke, weten ze dan allemaal. Dat was al via de Grieken en Romeinen bekend. Maar hoe pas je daar nou het christelijke paradijs in? Wat je ziet is dat ze het gaan aanduiden op de kaart.’

Spontaan vat ze tot slot haar boodschap nog een keer samen: ‘Wat ik echt heel, heel graag duidelijk wil maken, is waarom de vroege middeleeuwen zo belangrijk zijn, terug moeten in het bewustzijn. Dat is vanwege de evolutie en doorgifte van ideeën en kennis. Het begon niet pas bij de renaissance.’ Met een vleug verontwaardiging merkt ze op dat sommigen nog steeds spreken over de dark ages, al durven ze dat niet tegen haar. ‘Terwijl juist toen het idee is gevestigd over wat kennis is, wat je moet denken. Het waren monniken uit de late achtste en de negende eeuw in het Frankische rijk die de klassieke beschaving voor ons bewaard hebben. Een reusachtige nalatenschap. De teksten die indertijd gekopieerd werden, vormen nog altijd het hart van wat onze canon is geworden.’

Nog twee rijmdagen tot sinterklaas

Er wordt op dit moment weer heel wat afgeworsteld met het Sinterklaasgedichtenprobleem. Hou even op met het wezenloos vullen van vellen, neem deze krant ter hand en volg ze op: de adviezen van twee onverbiddelijke vaklui.

‘Vreselijk,’ roept Pieter Nieuwint, ‘Sinterklaas is leuk, maar het is heel erg dat je enthousiast moet doen over verschrikkelijke gedichten. Je wordt verplicht alles waar je in geloofde te verkwanselen. De gêne van een slecht gedicht, dat kent toch iedereen? Je hart bloedt als je na het struikelend voorlezen van zo’n monstrum een gelukkige glimlach in de richting van de gever stuurt.’

Op zoek naar een antwoord op de vraag hoe het toch komt dat Sinterklaasgedichten van die onmiddellijk herkenbare, echte Sinterklaasgedichten zijn, kom je snel terecht bij de schrijvers van het ‘Het Lyrisch Lab’, een rubriek over de techniek van dichten, rijm en liedjes schrijven in het maandblad Onze Taal: Pieter Nieuwint (anglist, liedjesschrijver, ex-cabaret Ivo de Wijs) en Jaap Bakker (neuroloog, liedjesschrijver, maker van het Nederlands Rijmwoordenboek) maken om de beurt een artikeltje voor de nog steeds lopende serie.

Beiden beginnen spontaan over het bruiloften- en partijenwezen als het Sinterklaasgedichtenprobleem hen wordt voorgelegd. Daar zie je het al: gelegenheidsdichters verwaarlozen het ritme. Bakker: ‘Dat is het grote verschil tussen amateurs en professionals.’

Nieuwint: ‘De mensen kunnen niet tellen. Ik heb vaak op feesten liedjes begeleid op de piano. En dan komt de ceremoniemeester van tevoren vragen of je de melodieën kent.’

’Nou dat is altijd ‘Op een mooie Pinksterdag’ of ‘Over 25 jaar’, dus die liedjes ken ik wel. Maar dan vraag ik: ‘klopt het?’ En dan roepen ze: ‘ja hoor! We kunnen het zo meezingen met de plaat.’ Als je het dan later speelt, klopt er geen bal van.’

’Een regel met 22 lettergrepen uit ‘een mooie Pinksterdag’ heeft er dan ineens zestien, of zeventien. En het enige dat ze hoeven te doen is gewoon tellen. En een beetje op beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen letten.’

Sint Nieuwint

‘Op feesten valt het dan nog mee: een melodie zorgt dat je tot op zekere hoogte binnen een stramien gehouden wordt, ook al gaat iedereen om de twee regels uit de bocht, maar Sinterklaasgedichten zijn veel erger. In een Sinterklaasgedicht houdt de tweede regel op bij het rijmwoord. Dan krijg je van die dingen als: ‘Wat krijgt Gerard dit jaar nu toch eens voor Sinterklaas? Nou misschien speculaas.’

Nieuwint gruwt dan ook van de De Nieuwe Rijmenbundel, een uitgave van Uitgeverij Sintnicolaasrijmenblad in Roosendaal die voor f 4,85 bij de bladenman te koop is. 150 versjes op verschillende thema’s. Nummer 62 onder het kopje Vaak uitstellen:

’t Is niet voor ’n oplossing zorgen,

met steeds uit te stellen tot morgen.

Jij weet het misschien anders uit te leggen

maar… morgen kun je blijven zeggen.

Alleen de afgesproken leuke dingen

hoeft men jou niet af te dwingen,

zoals vanavond ben je zeker attent

voor het ontvangen van sint z’n present.

                        Namens Sint

Nieuwint: ‘Het enige dat hier goed aan is, is de lengte. Mensen gaan vaak maar door, vier, vijf blocnotevellen vol. En dan krijg je wat je ook hebt bij slechte sprekers: iedereen zit inwendig te bidden of er alsjeblieft in het zaaltje ernaast een bom mag ontploffen. Alles, als het maar ophoudt.’

Het gedichtje ‘Vaak uitstellen’ loopt niet soepel, en is gewrongen, maar de slotregels zijn een stokpaardje van Nieuwint en Bakker: ‘attent’ en ‘present’ zijn geen Germaanse, maar Romaanse woorden. En dat is maar niks.

‘Het hart spreekt geen Latijn’ zegt Bakker. ‘Het is te faciel’ zegt Nieuwint. Vreemde uitgangen, zoals bijvoorbeeld  -atie (zie: relatie, presentatie, statie, concentratie, obligatie, medicatie, prestatie, formatie, inspiratie, transpiratie) vinden ze niet leuk om op te rijmen, omdat er veel te veel mogelijkheden zijn.

Nieuwint: ‘Je voelt intuïtief aan: dat is geen kunst. Al die Romaanse talen hebben dat. Het is ook helemaal geen zwakte van het Nederlands dat Dantes Divina Comedia niet rijmend vertaald kan worden, dat is zwakte van het origineel: je hebt 7000 woorden die op -one of –ane eindigen in het Italiaans.’

’Net als in het Frans, daar heb je duizenden mogelijkheden om op -e te rijmen. Waardeloos. Daar is geen beginnen aan. Het is veel mooier als je tegen iemand zegt: ‘maak eens een gedicht dat rijmt op -elf.’ Dan weet je ook direct dat het niet langer zal worden dan vier coupletten, want er zijn maar vier woorden die op -elf eindigen. Ivo de Wijs heeft dat gedaan met het nummer ‘Een moment voor jezelf’.’

Bakker heeft zelfs bewijzen voor de stelling dat woorden van Germaanse oorsprong het in gedichten beter doen dan woorden die uit de Romaanse talen komen. Op basis van bloemlezingen van Gerrit Komrij en Hans Warren heeft hij een bestand van 10.000 rijmwoorden aan het einde van dichtregels opgebouwd en de computer laten tellen hoe vaak ze voorkomen.

Bakker: ‘Je kunt er natuurlijk pas echt iets van zeggen wanneer je de poëzie met proza gaat vergelijken, maar in de gedichten hebben de Germaanse woorden in ieder geval de overhand. En ‘dichterlijke’ woorden blijken hele gewone dingen te zijn, dingen die dicht bij ons staan.’

De top tien geeft hem gelijk: het meest voorkomende woord is, hoe kan het anders, leven (47 maal), op de voet gevolgd door: niet, zijn, licht, gaan, komen, aan, uit, nacht en land.  Pas tientallen woorden verder komt het eerste Romaanse woord: straten.

Bakker: ‘We hebben ook wegen, maar ik denk dat de meeste Nederlanders straten niet meer als een vreemd woord voelen. Dat geldt ook voor uren, wijn en pijn.’

Nog veel verder op de lijst komen tenslotte duidelijk uitheemse zaken als poëzie, avontuur, muziek en centen aan de beurt.

Het is niet eenvoudig amateurs ervan te overtuigen dat rijmen op de bastaarduitgang -atie lelijk is. Nieuwint: ‘Terwijl iedereen bij pittoresk, soldatesk en grotesk meteen uitroept dat het eigenlijk niet echt rijmt. Met die uitgang -esk valt het veel meer op. Maar alle woorden op -iteit bijvoorbeeld zijn feitelijk ook gevallen van rijk rijm.’  

En rijk, dat wil zeggen ‘identiek’ rijm (koper/goedkoper, zon/horizon, want/wand), is verschrikkelijk armoedig, daar zijn Bakker en Nieuwint het roerend over eens. Bij dichten op  -iteit moet je als het ware nog een lettergreep verder terug om het rijk rijm kwijt te raken: sportiviteit en autoriteit rijmen niet ‘echt’, maar pariteit en rariteit zouden het in een sinterklaasgedicht al veel beter doen. Alle woorden op –iteit rijmen natuurlijk wel gewoon op feit, bijt, kwijt, spijt en wijd en zijd.

Knap slap

Het samen laten gaan van een bastaarduitgang met een goed Germaans woord kan een deel van Nieuwints afkeer van het Romaans wegnemen: ‘Natuur en figuur is niet mooi, dan heb je twee keer dat uit het Frans geleende achtervoegsel -uur. Natuur en bestuur gaat al veel beter.’

Er is nog meer lelijks: woorden die prachtig rijmen maar inhoudelijk te veel op elkaar lijken leiden tot wat Bakker in zijn Rijmwoordenboek ‘slap volrijm’ noemt: paren als iemand/niemand, verdwijnen/verschijnen, nodig/overbodig, weifelen/twijfelen, lijken/blijken en huis/thuis zijn bekende Sinterklaasrijmvoorbeelden.

Ook halfrijm (surprise/kiezen, vleugellam/daar ga je dan) is eigenlijk uit den boze, en zondigen tegen de grammatica mag alleen als het leuk is: ‘Nu ga ik stoppen hoor/want ik ben het bijster spoor.’

Echt leuk is volgens Nieuwint een enorme lange aanloop nemen, heel ingewikkeld doen voor één klein grapje, dat bijvoorbeeld een verdwaalde idiomatische uitdrukking kan zijn.

Nieuwint: ‘Ivo de Wijs had in een van de programma’s een keer een lange monoloog waarin hij vertelde dat hij uit Zeeland kwam. Daar beviel het hem helemaal niet, want de mensen waren stug en vervelend en nog een heleboel meer. Dat eindigt er dan mee dat hij zegt: ‘En toen kreeg je ook nog de watersnood, nou dat was de druppel die de emmer over deed lopen’. Dat vind ik net zo leuk als ‘deduizendpoot greep de gelegenheid met beide handen aan’. Het zijn vondsten, net als de zogenaamde Tom Swifties, dingen als ‘een hoop drollen’ en ‘een troep schoonmaaksters’.’

’Maar ik moet misschien nog wel het meeste lachen om redeneringen in de trant van ‘Ik ga verstandig met geld om, jij bent zuinig, hij is een krent’. Die staan ook in de Opperlandse Taal -en Letterkunde van Battus. Het summum is wat mij betreft ‘Ik ben geestig, jij bent leuk, hij is Seth Gaaikema’.’

Je kunt als amateur maar beter niet per se geestig willen zijn, vindt Nieuwint: ‘Er is niets tegen een ernstig gedicht. Een grappig bedoeld vers dat zijn effect mist, verwoest voor minstens een kwartier de stemming op Sinterklaasavond.’

Vorm en inhoud moeten in ieder geval hand in hand gaan. Het rijm mag niet te veel de aandacht op zich vestigen. Nieuwint ergert zich aan ‘mensen die zonodig sneeuwstorm op twintigste eeuwvorm moeten laten rijmen’.

Kus dus

Bakker spreekt van ‘stuntrijm’. Dubbelrijmen vindt hij ‘meestal eerder spectaculair dan fraai. Wel mooi en ingenieus tegelijk is ‘overtuiging/in broek en trui ging’‘.

Voor een liedje over het hedendaagse zoengedrag bedacht hij de regels: ”t Is een allerzonderlingste intermenselijke toestand/bij ’t minste of geringste staan de lippen in de oe-stand’, en die vervullen hem met trots. 

Ook al omdat de zinsmelodie in orde is en de woordaccenten gewoon op hun eigen plaats kunnen blijven. Bakker: ‘De traditie met Sinterklaas is de waarheid te zeggen, elkaar eens vriendelijk op de hak te nemen. Dat rijmen geeft het een element van onvermijdelijkheid. Het verwijt of de spotternij worden verpakt, en daardoor lijkt het net alsof je zegt ‘ik beweer dat nou wel, maar ik kon ook niet anders, want het moest rijmen’. Hoe beter het gedicht loopt, des te sterker is dat effect.’

Nieuwint: ‘Je kunt je negatieve dingen alleen in een acceptabele vorm kwijt, anders eindigt de avond onherroepelijk met gebroken glazen. Als je echt wil uitpakken moet je zorgen dat je boodschap goed verpakt is. Rijm geeft speelsheid en daarmee een zekere afstand tot de mededeling. Stel je maar eens voor dat je iemand een pakje zou geven met daarbij een briefje: ‘Voor Piet. Het zijn wollen handschoenen, want je mept altijd op de kinderen, en misschien krijgen die nu geen blauwe plekken meer.’‘

Een acceptabele vorm. Voor beiden betekent dat eens afwijken van dat eeuwige gepaarde rijm (a/a, b/b, c/c etcetera). Bakker: ‘Je kunt het jezelf veel gemakkelijker maken door bijvoorbeeld als rijmschema eens ‘abcb’ te nemen. Dan hou je meer tijd over om op het ritme te letten. En als je dan je gedicht ook nog uittypt wordt het beter voorgelezen en heeft het meer effect.’

Nieuwint raadt aan ‘de magische vijfvoet’ te gebruiken: regels van niet meer dan tien of elf lettergrepen. ‘Dan krijg je een natuurlijke pauze en kan de luisteraar geestelijk naar adem happen.’

Nog een gouden regel: ‘Baken het onderwerp af. De grote fout, ook op feesten en partijen is dat iedereen altijd alles in een keer wil behandelen. Je moet er iets uitlichten, dat uitvergroten en liefst flink overdrijven. Dat doet het goed, en het voorkomt ruzie.’

Met klem bestrijden beide heren dat het gebruik van een rijmwoordenboek onsportief zou zijn. Bakker: ‘Het gaat toch om de inhoud. Iets is pas leuk in een goed zinsverband. Ook wanneer je een rijmwoordenboek gebruikt hebt, mag je voor een goed couplet alle eer voor jezelf opeisen.’

Nieuwint: ‘Een rijmwoordenboek is inspirerend, het brengt je op ideeën, maar die moet je toch weer zelf verwoorden.’ Bakker wijst op de bruikbaarheid van jargon  (‘Voor vakgenoten kan ik klysma prachtig laten rijmen op aneurisma’) en namen.

Er staan er heel wat in zijn rijmwoordenboek, en hoeveel dichters zou het niet inspireren te zien dat CPN-er rijmt op mensenkenner en Campari op Mata Hari?

Wie denkt er spontaan aan een sirtaki in Nagasaki en een Gitane voor Diane in Toscane? Een verbinding tussen de R.A.F. en een Toepolev ligt niet meteen voor de hand, net zomin als die tussen de KNMI en claustrofobie.

Dat Nederlands rijmt op Protestants moet in heel wat huisgezinnen te gebruiken zijn. En er komen  altijd nieuwe namen bij. Bakker: ‘Nu met Bush rijmt er weer iets op douche.’ 

De laboranten uit het Lyrisch Lab zijn streng in de leer. Nieuwint (‘De enige goede Sinterklaasgedichten komen voor het Nederlands van de Schoolmeester, en voor het Engels van Ogden Nash’) is nog wat strenger dan Bakker (‘Ik wil niet naar doen over Candlelight-gedichten, ik vind het allang mooi dat mensen zich daarmee bezighouden in plaats van voor de tv te zitten’) maar de strengste dichter in Nederland is volgens Nieuwint nog altijd drs. P, die vindt dat tante niet rijmt op klanten.

De vraag is of die ooit wel een Sinterklaasgedicht krijgt: wie zou er een durven maken voor de man die (Nieuwint:) ‘uitsluitend te evenaren valt, nooit te overtreffen’.

Nieuwint en Bakker hebben zelf al in geen jaren Sinterklaas gevierd. Andersom is de druk ook groot: men verwacht van een professional perfectie. ‘Een Sinterklaasgedicht kost een avond,’ zegt Nieuwint. U heeft er nog twee – maar misschien zijn Sinterklaasversjes toch meer iets voor amateurs.

Nederlandse spelling is nu wel ingewikkeld genoeg

De spelling is weer in opspraak sinds het verschijnen van de nieuwe grote Van Dale. Niemand kan de aanpassingen goed uitleggen. Dat is niet zo gek, menen Liesbeth Koenen en Rik Smits. Het Nederlands heeft nog veel geheimen. Laten we die eerst eens ontsluieren, en de spelling voorlopig met rust laten.

 

Een ‘spellingsvereenvoudiging’ noemt de Taalunie het. Maar buiten die Taalunie en dat deel van de pers dat folders en persberichten eenvoudig napraat, zijn we nog niemand tegengekomen die ook zo denkt over de nieuwe regels voor de tussenklank e(n) die in september 1997 in moeten gaan. Wel praat inmiddels iedereen erover.

De reacties variëren van “Ik vind correct spellen heel belangrijk, maar ik merk dat ik me voor die nieuwe spelling totaal afsluit” en “Het is me allemaal duister” tot het meest gehoorde commentaar “Ik blijf het maar gewoon zo doen als ik het altijd gedaan heb”. En niemand, ook geen verslaggever en geen redactie, die correct kan uitleggen wat de nieuwe spelling behelst. Hoe is het mogelijk dat wat bedoeld was als een vereenvoudiging, is uitgelopen op iets dat kennelijk zelfs voor professionele taalgebruikers niet te snappen is?

Vooral nu Van Dale is uitgekomen met een nieuwe editie van zijn driedelige woordenboek, waarin andere regels voor de tussen-e(n) worden gehanteerd dan in het ook zojuist verschenen nieuwe ‘Groene Boekje’, is de chaos bijna compleet. Dat zal hij helemaal zijn als dadelijk ook De Nieuwe Spellinggids van datzelfde Van Dale (in samenwerking met Prisma en Wolters’ Woordenboeken) op de markt is.

Die gids is bedoeld als een directe concurrent van het Groene Boekje (een tientje goedkoper, 20.000 woorden meer), en net als de dikke Van Dale wijkt hij af van het ministersbesluit van oktober 1994, waarin de spellingsveranderingen werden vastgelegd. Wat moet je daar als consument nu toch mee? Het gezaghebbendste woordenboek en de goedkoopste woordenlijst links laten liggen, omdat ze niet volgens de wet spellen?

Nee hoor, want ook het Groene Boekje, de officiële woordenlijst van de Nederlandse taal zelf, spelt niet volgens het door de ministers van Nederland en Vlaanderen ondertekende spellingbesluit. De Taalunie, die het besluit door een adviescommissie liet uitwerken, ontkent dat, maar het is wel degelijk waar. Het GPV-kamerlid Van Middelkoop heeft er begin november vragen over gesteld aan minister en staatssecretaris, en waarschijnlijk moeten ze er in Den Haag erg hard op studeren, want ondanks alle commotie van de laatste tijd is er nog geen antwoord gekomen.

De kwestie is dan ook onwaarschijnlijk ingewikkeld. Toch is hij belangrijk genoeg om je er druk over te maken. Bij die e(n) (kippehok of kippenhok, luizebaan of luizenbaan) gaat het namelijk om samenstellingen, en daar kun je er oneindig veel van bijmaken. Dat gebeurt ook. U doet het zelf, en elke dag kunt u in de krant wel weer een paar woorden tegenkomen die redacteuren al dan niet voor de gelegenheid bedacht hebben.

Immers, u kijkt niet vreemd op als iemand omschreven wordt als een ‘tijdschriftenfanaat’ of een ‘eierkoekenliefhebber’, of als hij spreekt van een ‘kloteklusje’ of ‘bereongezellig’. Die woorden staan niet in een woordenboek, en dat zal ook niemand verwachten. Juist daarom is een heldere, begrijpelijke regel voor het schrijven van de tussenklank e(n) absolute noodzaak. Daarom ook is het van minder belang dat de Van Dale (zo claimen ze) maar in een paar honderd woorden afwijkt van het Groene Boekje dan dat hij andere regels geeft.

Om wat voor verschillen tussen ministersbesluit en Groene Boekje gaat het? Daarvoor moeten we even terug naar het eerste ministersbesluit, dat genomen werd op 21 maart 1994 en dat een adviescommissie van de Taalunie moest uitwerken. Het uiteindelijke, uitgewerkte besluit dateert van 24 oktober 1994. In maart was er een regel aanvaard die in samenstellingen een tussen-n voorschreef wanneer het eerste lid niet van zichzelf al op e(n) eindigde, en de kortste vorm tenminste een meervoud op -en had.

Maar die regel bleek ongewilde effecten te hebben. De notie ‘kortste vorm’ zorgde voor de problemen. Eindigde die op een e, dan kwam er geen n achter, maar dan zou je dus ziekehuis en doveschool krijgen, en dat wilden de ministers niet. Ook viel niet uit te maken of het nou een weidenvogel of een weidevogel moest worden. Ga je ervan uit dat wei de kortste vorm is dan zou je weidenvogel krijgen (de kortste vorm eindigt niet van zichzelf op een -e en er bestaat een meervoud op -en), maar neem je weide als kortste vorm, dan zou dat leiden tot weidevogel.

Enfin, de ministers vroegen de spellingsadviescommissie de regels zo te herformuleren dat die twee typen gevallen werden rechtgezet, maar dat de uitwerking van de regels verder gelijk zou blijven.

Dat is niet gelukt. De adviescommissie liet het begrip ‘kortste vorm’ vallen, en maakte een regel die een tussen-n laat verschijnen bij woorden die uitsluitend een meervoud op -en hebben. Zo kwam het goed met de dovenschool (doves bestaan niet) en de weidevogel (kennelijk gaat men er vanuit dat het meervoud weides bestaat, ook al stond dat tot dusver noch in de Van Dale, noch in het Groene Boekje).

Maar er gebeurde nog meer. Hadden we in maart bijvoorbeeld nog runeschrift, basevolgorde, sekseverschil en krenteweggesneetje, in oktober werd dat runenschrift, basenvolgorde, seksenverschil en krenteweggensneetje omdat in al die gevallen het eerste lid van de samenstelling uitsluitend een meervoud heeft op -en.

Daar hadden de ministers niet om gevraagd, en ze hebben het waarschijnlijk niet geweten toen ze hun handtekening zetten. Wat ze ook niet merkten was dat ze de weg vrijmaakten voor redacteure-overleg, debiteure-administratie, ballonnewedstrijd, tractorefabriek en nog veel meer. De –n moet daar achterwege blijven, want je hebt immers ook redacteurs, debiteurs, ballons en tractors.

Op het allerlaatste moment zagen de makers van het Groene Boekje dit onbedoelde gevolg wel, blijkt. In het proefhoofdstuk 5.1 van de bij de Woordenlijst horende leidraad (waar de regels gegeven worden), dat in oktober in omloop was, ontbreekt nog wat nu regel 1b geworden is. Die zegt dat de tussen-n óók geschreven moet worden bij woorden met zowel een meervoud op -s als een op -en die niet op een toonloze e eindigen. Dat is een eigenmachtig ingevoerde uitzondering, waarover niets in het ministersbesluit te vinden valt.

En er wáren al zo veel uitzonderingscategorieën (voor alle andere moeten we hier verwijzen naar ‘Het abc van de nieuwe spelling’ dat op 7 oktober in het Zaterdagsbijvoegsel van deze krant verscheen).

Het toevoegen van die regel 1b is onjuist, want in strijd met het spellingbesluit, maar niet echt onbegrijpelijk. Dat is de gang van zaken rond luizebaan en hondeweer en klerezooi wel. Het ministersbesluit zondert woorden van dat type (het eerste lid is normaal geen bijvoeglijk naamwoord, maar heeft in bedoelde gevallen een versterkende of waardetoekennende betekenis) nadrukkelijk uit. Die drie woorden staan letterlijk in het besluit.

En wat zegt het nieuwe Groene Boekje, evenals overigens de nieuwe editie van de Schrijfwijzer, die net als de ‘Leidraad’ door Jan Renkema geschreven is? Het wordt luizenbaan en hondenweer. Waarom? Omdat om onbegrijpelijke redenen is toegevoegd dat die versterkende ‘voorvoegsels’ alleen dan geen tussen-n krijgen wanneer de hele samenstelling een bijvoeglijk naamwoord is. Gevolg: reuzeleuke (bijvoeglijk naamwoord) reuzenzwaaien (zelfstandig naamwoord) en berelekkere berenporties. Dat is in regelrechte tegenspraak met ‘de wet’, c.q. het besluit van 24 oktober. En daarover gaan die kamervragen.

Bent u er nog? Dan gaan we nog heel even door. In de Woordenlijst staat gek genoeg weer wel klerezooi en klotefilm, of gaat hier misschien uitzonderingscategorie 5 van regel 1 op (een van de delen is niet (meer) herkenbaar als afzonderlijk woord in de oorspronkelijke betekenis)? Nu ja, wij herkennen in klere en klote heel goed de oorspronkelijke betekenis.

Wat valt er uit dit alles te leren? Bovenal dat we te weinig weten. Het opstellen van een regel voor de tussen e(n) blijkt daardoor telkens weer te leiden tot iets dat niet de bedoeling is (daar krijg je dan dat haastige lapwerk van). Het Nederlands heeft nog veel geheimen, ook voor taalkundigen.

Het gekke is dat de laatste Spellingscommissie dat ook inzag. Men zei indertijd met zo veel woorden niet voldoende kennis in huis te hebben, en dat er onderzoek gedaan zou moeten worden. Maar dat was geen reden de opdracht terug te geven, men kwam toch met voorstellen. Hetzelfde gold voor de adviescommissie.

Ook de redactie van Van Dale riep helaas niet ‘met deze regels is niet te werken, we beginnen er niet aan’. Nee, men besloot de regels wederom te veranderen. En wie deed dat? Een Redactieraad met daarin hoogleraar taalkunde Anneke Neijt die eerst in de spellingscommissie en daarna in de adviescommissie had gezeten, en daar al had laten weten over te weinig kennis te beschikken. Met Riemer Reinsma samen voert ze ook de redactie over De Nieuwe Spellinggids. Soms gelooft een mens zijn eigen ogen niet. Overigens zijn ook de schema’s waar Van Dale mee komt net zo ingewikkeld en even slecht te onthouden als die in het Groene Boekje.

Wat moet er nu gebeuren? Ons inziens twee dingen: het is de allerhoogste tijd dat er serieus onderzoek gestart wordt naar alles wat met spellen en lezen te maken heeft. Op dit moment weten we van hoe de dagelijkse taalgebruiker daarmee omgaat zo goed als niets. Het lijkt ons een mooi interdisciplinair speerpunt voor NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Dat onderzoek (van taalkundigen, psychologen, didactici, neurologen enz.) gaat een hele tijd duren.

Ten tweede moet in elk geval tot dan de spelling met rust gelaten worden. Wij verzoeken daarom onze Staatssecretaris van Cultuur, Nuis, met zijn Vlaamse collega te overleggen over de mogelijkheid de regeling over de tussenklank e(n) alsnog terug te draaien. Echt moeilijk kan dat niet zijn, want hij is nog niet ingevoerd. We beseffen terdege dat dat erg vervelend is voor een aantal uitgeverijen. Maar we denken ook dat de volstrekt onhanteerbare regel die per 1997 dreigt te worden ingevoerd nog veel vervelender is: daar lijden anders straks twintig miljoen Nederlandstaligen nog jaren en jaren onder.

Hugo Brandt Corstius 1935-2014

‘Kwijt’ betekent volgens Piet Grijs: de typische kleur van alle voorwerpen, dingen en zaken die verdwenen zijn. Hugo Brandt Corstius is kwijt.

Niemand die zo scherp kon zijn. Niemand die zo bot kon zijn.

Die twee kwalificaties bleken me ’s nachts spontaan ingevallen te zijn, een paar dagen na de dood van Hugo Brandt Corstius. Ze waren tegenstrijdig en toch klopte het. Precies zoals de wis- en taalkundige columnist het graag zag.

Zijn oog en oor voor taal zijn dus misschien toch een klein beetje besmettelijk, dacht ik hoopvol. Want het gebeurde nadat ik me ondergedompeld had in zijn leven en werk. Twintig boeken bleek ik van Hugo Brandt Corstius te bezitten. De meeste geschreven door Piet Grijs of door Battus, zijn beroemdste en ook  productiefste pseudoniemen. Grijs de typische columnist, de man van de commentaren op letterlijk alles, en de polemieken. Battus de taalafsplitsing wiens blik op het Nederlands ons voorgoed de speelse variant het Opperlands (of Opperlans) heeft opgeleverd.

Ik schafte snel ook nog een paar e-bookversies aan van oude columnverzamelingen (er is opmerkelijk weinig in druk, ik vond alleen Opperlans! uit 2003 en het Opperlans woordenboek uit 2007)  en dook in het universum van HBC.

Waar strikte logica heerst, ook als die uitmondt in onzin. (Maar ja, ‘een onuitroeibaar mankement van de mens is zijn geneigdheid om onzin te bedenken, onzin van anderen te geloven, en onzin aan anderen te vertellen’ las ik in Piet Grijs is gek, een boekje uit 1975.) Waar de schrijver iedere tegenspraak bij voorbaat lijkt te willen afdoen als zinloos. Waar de lezer dikwijls wordt aangesproken, maar vrijwel altijd om hem te vertellen wat ie weet, vindt, niet weet, niet wil.

En waar het werkelijk stikt van de hoogst originele formuleringen en dwarse kijken. Drinkwater is bij HBC  ‘een korte omweg van de Rijn, door buizen, kranen, slokdarmen en nieren.’ Een mier bestaat uit ‘drie billen op een rijtje’ (mieren zijn een terugkerend onderwerp, dat uiteindelijk in het curieuze boekje Mensenarm dierenrijk uit 2010 alle ruimte krijgt). Meuken is ‘vrijen met een driepoot’. In het woord ‘daarom’ ziet hij de ‘voornaamste reden dat de bananen krom zijn, en dat u uw mond moet houden.’ En ‘warenhuis’ heeft als enkelvoud washuis, en als 2de persoon tegenwoordige tijd: bent-huis.

Soms zijn het doordenkertjes, of zie je het niet meteen (zandbak: wat het ene steentje dan tegen het andere vertelt). Heel vaak is de truc een omkering. ‘Etiquette: Op iemands tenen gaan staan alvorens ‘pardon’ te zeggen.’  En er is een totale gefixeerdheid op de letters van woorden. In ‘België’ een helftenwissel zien die ‘giebel’ oplevert. In ‘erover’ een dief van e’s (e-rover dus). En de overeenkomst tussen Agamemnon en Popeye? Namen die zijn opgebouwd uit lettergrepen van drie letters die hetzelfde blijven als je ze omkeert (Aga-mem-non, Pop-eye, palindromische trigrampjes in Opperlands jargon). Je moet het maar zien: dat het woord ‘zijig’ alleen voor mannen gebruikt wordt. Dat je de a in A-bom ook zo kunt opvatten dat de omschrijving ‘iets wat ik ieder geval géén bom is’ klopt. Dat je bij ‘volledig’ en ‘boosaardig’ doorhebt dat die woorden op te delen vallen in tegenovergestelde partjes (vol-ledig, boos-aardig) is al knap. Net als bij ‘lafhartig’. Maar dat je zo’n basaltwoord (bas-alt) ook weet te ontdekken in zulke alledaagsheden als ‘iedereen’ en ‘hoezo’ (ieder-een, hoe-zo), dat is groots.

Geniale gekte blijf ik het vinden. En wat hij verzameld heeft aan Opperlan(d)s is een schat, waarin je steeds weer iets nieuws vindt. Of een parel terugvindt.

Goed, ik ben niet objectief. Ik ben door hem aangestoken. Begin jaren tachtig volgde ik colleges bij HBC. Hij bracht ons, studenten Algemene Taalwetenschap, de beginselen bij van de semantiek, de betekenisleer. En dan vooral dat je er al snel geen bal mee kan. De betekeniskant van taal is akelig ongrijpbaar. Hij liet ons proberen een sluitende omschrijving van een tafel te geven. Lukte niet. En wij dachten vast dat strepen de tijger bepalen, maar ja, als een genetische speling van het lot nou een helemaal effen welpje geboren liet worden, mocht dat dan geen tijger heten?

In die betekenissen was ook zijn wetenschappelijke carrière in feite heel snel gestrand. De wiskundige Brandt Corstius werd in de jaren vijftig een computertaalkundige avant la lettre. Hij schreef een algoritme dat automatisch Nederlandse woorden in lettergrepen kon verdelen voordat er in Nederland ook maar één computer was. Hij moest ervoor naar Amerika om te zien of het werkte. Naar verluidt deed het dat tot op heel aardige hoogte en maakten Nederlandse kranten er lang dankbaar gebruik van.

En toch liep hij ook direct tegen de grenzen aan. Is het een lood-spet of een loods-pet, gaat het bij diplomaatje om een diplomaat-je of een diploma-tje? Dat hangt er maar vanaf. Wat je ook doet, de semantiek gooit roet (in het eten), concludeerde Brandt Corstius. En ook: de dingen die computertaalkundigen zo graag willen (kloppende automatische ontledingen en vertalingen) gaan daarom tijdens mijn leven in de verste verte niet lukken.

Daarvan kunnen we nu vaststellen dat hij gelijk heeft gekregen. Daarachter komen kostte hem slechts een half jaar, beweerde hij tegen computertaalkundige en journaliste Leonoor van der Beek, die de geschiedenis van de computertaalkunde in Nederland in 2010 lezenswaardig, en op tijd, vastlegde in Van rekenmachine tot taalautomaat.

Of  het waar is van die zes maanden valt natuurlijk niet te zeggen, van mystificeren hield HBC ook erg, maar feit is dat hij na zijn proefschrift uit 1970 eigenlijk geen onderzoek meer deed. Zijn beslist fenomenale intelligentie ging daarmee in feite verloren voor de wetenschap, wat ik altijd jammer heb gevonden. En denkelijk was hij tegenwoordig bij gebrek aan ‘output’ ook ontslagen uit de halve medewerkersbaan die hij heel lang hield bij Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Maar zelf beweerde hij geen verschil te zien tussen zijn wetenschappelijk werk en de dingen die hij voor kranten en tijdschriften deed.

Daar zat in zijn geval ook een hoop in. Taal als puzzel bleef het. En de haat-liefde-verhouding met de betekenis bleef ook. Hij maakte de wereld graag wijs dat hij alleen om de vorm gaf. Maar dat was een aantoonbare leugen. Waarom bijvoorbeeld was aiuole een lievelingswoord? Omdat de Italianen aan die rij klinkers met maar één medeklinker een betekenis hebben gehangen. Het betekent bloemperken. En het bestaat. Zijn uitleg van ADHD als ‘Altijd Druk, Heel Druk’ leunt uitsluitend op de betekenis. Enzovoort.

Die taalkant was bijzonder, maar zijn columns gingen echt over alles. Zo denk ik bij het in- dan wel uitruimen van de afwasmachine nog steeds vaak aan een Piet Grijs-verhaal over de onzin van uitruimen. Je kon beter iets eruit pakken als je het nodig had, en als het vies was gewoon weer terug zetten. En dan af toe een wasbeurtje.

Enfin, de redenering was natuurlijk weer van het bekende geen-speld-tussen-te-krijgen kaliber. Maar ik sluit helemaal niet uit dat hij het werkelijk zo deed. Hij wilde zich geen professor noemen en was strikt genomen ook maar kort aangesteld geweest als hoogleraar, maar had wel trekken van een klassieke professor. Zo wist iedereen dat hij zijn truien om de dag binnenstebuiten aanhad. Want zoals hij ze ’s avonds over zijn hoofd had uitgetrokken, trok hij ze de volgende ochtend weer aan. Geen verzinsel, het was echt zo.

En ja, in die columns was Brandt Corstius ook met kennelijk genoegen een pestkop, een uitdager, een drammer. (Drammen: hè toe, kijk nou ook eventjes bij dreinen. Dreinen: ga nu maar weer eens bij drammen kijken.)  De linkse inquisitie, hoorde ik hem dezer dagen noemen, en immoreel. En natuurlijk hebben velen het over de kwestie Buikhuisen, die exemplarisch lijkt te zijn geworden voor de drammer HBC. 

Nou is er net op de plannen van Buikhuisen, onder meer om biologische kenmerken van criminaliteit bij kinderen te gaan onderzoeken, naar mijn smaak nog wel wat af te dingen. Wetenschapsjournalist Hans van Maanen deed dat eerder ook (terug te vinden op hansvanmaanen.org), en ik las afgelopen week zelf nog een stel van de columns uit die periode. Scherp. Zeker. En het zijn er wel erg veel. Maar een hele hoop blijken eigenlijk niet over Buikhuisen, maar over diens wetenschappelijke omgeving te gaan.  

Enfin, van de niet aflatende aanvallen op literatuurcriticus Carel Peeters,  op mede-columnist Renate Rubinstein, op Theo van Gogh (die hij de antisemiet op Zondag noemde) begreep ik eigenlijk veel minder. Ze duurden lang en leken toch vooral om een particuliere grief of hang-up te draaien. Ik ben vergeten wat ie ook weer had tegen de psychiater Van Dantzig, die als Prof. van Poolsehavenstad op blijft duiken in zijn werk. 

Het kan niet plezierig geweest zijn doelwit van zijn felle pen en tong te worden. Al denk ik dat HBC zelf het vaak als een spel zag. Misschien wel omdat hij een ‘asperge’ was, zoals hij het zelf noemde. Of het waar is, weet ik niet, maar Brandt Corstius had over zichzelf de diagnose gesteld dat hij wel eens een slimme autist kon zijn, iemand met Asperger dus. Sommige trekjes, inclusief de verzameldrift, worden daarmee wel begrijpelijker.

De akelige ironie wil dat hij zelf vergat wie zijn vijanden waren. Het is geen geheim dat Hugo Brandt Corstius de laatste periode van zijn leven dementeerde. Hoe dat er voor hem van binnen uitzag is moeilijk te zeggen, maar aan de buitenkant legde hij een grote monterheid aan de dag. “Vroeger had ik met iedereen ruzie,” zei hij met het bruuske bravoure waarmee hij de dingen kon zeggen,  “maar nu niet meer, want ik herinner het me niet meer.”

Zouden de kwesties, oorlogen en schandalen (de geweigerde PC Hooftprijs) zijn wat er uiteindelijk overblijft? Dat zou wel ongehoord zonde zijn van de rest. En dat is een onwaarschijnlijke hoeveelheid. Meer dan vijftig jaar columns als Piet Grijs in Vrij Nederland alleen al moeten miljoenen woorden zijn. Alles even goed? Natuurlijk niet. En laat ik eerlijk zijn, er is ook een hoop dat ik niet goed kan duiden. Vaak denk je: is ie nou serieus? Waar gaat dit over? Meent ie dit? (Hij was een voorstander van het schrijven van ie daar waar we dat ook zo zeggen.)

Maar het werk van HBC prikkelt altijd. Zijn teksten zetten  aan het denken. De mode is nu een andere, maar wie een idee wil krijgen van wat er in Nederland speelde in de decennia waarin Chapkis, Stoker, Eter, Helder, Cohen en bovenal Grijs hun commentaren de wereld in vuurden, ontkomt niet aan die stoet alter ego’s een rol geven.  En die moet ook  alle gesproken columns uit het roemruchte radioprogramma Welingelichte Kringen meenemen.

Ik ben bedroefd dat Hugo Brandt Corstius dood is. Hij leek op niemand, en we zijn hem kwijt.  (De Encyclopedie van Piet Grijs over ‘kwijt’: de typische kleur van alle voorwerpen, dingen en zaken die weg zijn, die verloren zijn, of die verdwenen zijn. Steeds weer blijkt dat kwijte dingen zodra ze gevonden zijn hun oorspronkelijke kleur weer aannemen alsof er niets gebeurd was.)

Noot: Oeps. De Encyclopedie is helemaal niet van Piet Grijs, maar van Battus, zag ik te laat. Ik meld ’t for the record, want het is wel een passende vergissing eigenlijk.

Broddelwerk en volksverlakkerij

Woordenlijst Nederlandse taal, Instituut voor Nederlandse lexicologie in opdracht van de Nederlandse Taalunie (samenstelling) (leidraad door Jan Renkema), 1055 blz., geb., Sdu Uitgevers en Standaard Uitgeverij, 1995.

De Nieuwe Spellinggids van de Nederlandse Taal, prof.dr. Anneke Neijt en dr. Riemer Reinsma (hoofdredactie), 1223 blz., Wolters, Van Dale en Prisma, 1995.

Zo. Dit wordt zonder enige twijfel de zinlooste recensie die u ooit van me zult lezen. Want u hebt allemaal het nieuwe Groene Boekje al in huis, of anders wel de Nieuwe Spellinggids van Van Dale, Wolters’ en Spectrum. Immers, de Sdu en de Standaard uitgeverij laten ons in advertenties weten dat er 400.000 (vier-honderd-duizend!) exemplaren verkocht zijn van wat officieel de ‘Woordenlijst Nederlandse taal’ heet, en Van Dale c.s. wil weliswaar niet vertellen hoeveel van hun gidsen er al weg zijn, maar het boek staat aldoor in de non-fictie toptien, dus dat zal ook wel lekker oplopen.

Die opmerkelijke koopdrift laat zich alleen verklaren uit een diepgeworteld verlangen ‘het goed te doen’. Goed spellen willen we allemaal, maar dat is helemaal niet makkelijk. Ik denk zelfs dat er maar weinig zaken te bedenken zijn waarover zo’n massale onzekerheid heerst. Wie zich onzeker voelt is bang, en wie bang is kijkt niet goed, wil er vanaf, grijpt elke zekerheid aan, of er nou een groen of een rood (de Nieuwe Spellinggids) kaftje om zit.

Nu ja, wat ook de psychologie erachter moge wezen, feit is dat u bedrogen uit zult komen. Want schijnzekerheid is echt het enige dat het Groene Boekje of het Rode, of welke andere op de nieuwe spellingregels gebaseerde woordenlijst dan ook, te bieden heeft. Dat de rode gids in wat hij biedt aan informatie met kop en schouders boven het Groene Boekje uitsteekt, doet daar helaas niets aan toe of af. Die hele nieuwe spelling is namelijk een cocktail van broddelwerk en volksverlakkerij (dat laatste vooral om het eerste te verhelen).

Hoezo? Wel, griezelt u maar even mee. Eerst het broddelwerk. Ik ga u niet weer met de precieze inhoud van alle regels lastigvallen, maar het kan u nauwelijks ontgaan zijn dat de zogeheten tussen-n het grootste probleem vormt in de nieuwe spelling. Dat die kwestie ook met de beste wil van de wereld niet in een paar zinnen uit te leggen valt, is overigens op zichzelf genomen het beste bewijs dat er door de Taalunie slecht werk is geleverd.

Geeft niets, zegt u misschien, ik wil helemaal geen regels leren, ik zoek de woorden wel op in een woordenboek. Helaas, die vlieger gaat niet op.

De twee belangrijkste wijzigingen (de tussen-n en de keus tussen trema of streepje) hebben namelijk betrekking op samenstellingen. En laat het Nederlands nou net in het maken van samenstellingen een ongehoorde souplesse vertonen. Niets is zo gemakkelijk als van twee of nog meer woorden één nieuw woord vormen, al is het maar voor eenmalig gebruik. Wie wel eens met een spellingchecker werkt merkt dat ook: juist samenstellingen kent uw programma vaak niet. Dan moet u dus zelf beslissen wat goed is, en dan is het toch erg praktisch de regels te kennen.

Nou was die tussen-n in de oude spelling ook al een struikelblok, maar in retrospectief lijkt dat niet meer dan een lastig kiezelsteentje. Want wat we hadden was een op zichzelf genomen eenvoudig regeltje: schrijf in samenstellingen waarin je een verbindingsklank e hoort alleen dan een n als je beslist aan een meervoud moet denken. Daarvan kreeg je bramesap (omdat dat al uit één braam komt) naast bramenjam (waar je er meer voor nodig hebt). Doodsimpel. Alleen kun je over het aantal voor jam benodigde bramen twisten.

Maar wat we nu dreigen te krijgen is een ingewikkelde regel vol uitzonderingsclausules en subcategorieën, met daarin nog stééds criteria waarop niet voor iedereen het antwoord hetzelfde hoeft te zijn. Wanneer is een samenstelling bijvoorbeeld ‘versteend’? En wie zal dat bepalen? Wie een beetje gaat bladeren en zoeken in de woordenlijst van het Groene Boekje, ontdekt al gauw dat in die lijst de criteria uit de Leidraad voorin niet consequent worden toegepast.

Hoe dol dat ook klinkt: het Groene Boekje houdt zich niet aan zijn eigen regels. (En dan laat ik maar even buiten beschouwing dat de Leidraad zelf ook weer afwijkt van het uiteindelijke ministersbesluit, waarin het expliciet gaat om regels die ‘luizebaan’ en ‘hondeweer’ zullen opleveren, regels die in de Leidraad weer veranderd zijn, zodat in de woordenlijst nu ‘luizenbaan’ en ‘hondenweer’ staat.)

Ik bedoel: als ‘ruggespraak’ en ‘kinnebak’ ‘versteende samenstellingen zijn waarvan het eerste lid een lichaamsdeel is’ (regel 1b van hoofdstuk 5, uitzondering 4), dan zijn ‘ogeschouw’ ‘handebinder’ en ‘hartekreet’ dat volgens mij ook. Toch zijn die in de woordenlijst opgenomen als ‘ogenschouw’, ‘handenbinder’ en ‘hartenkreet’ (maar het is weer wel ‘hartelap’).

Oh ja, nog een aardigheidje. ‘Ogenschouw’ vindt u in de woordenlijst na het woord ‘inofficieel’. Daar was u zelf vast niet opgekomen, maar de redactie van het Groene Boekje heeft gemeend vaste uitdrukkingen onder het voorzetsel waarmee ze beginnen te moeten opnemen. En ze zijn gewoon ‘doorgealfabetiseerd’, spaties stellen niet mee, dus je krijgt niet na het woord ‘in’ of ‘op’ of ‘met’ het rijtje uitdrukkingen met die voorzetsels.

Daarom staat ‘op z’n jan-boerenfluitjes’ nu pal boven ‘opzoeken’, en vindt u ‘salarissfeer’ (van de bekende uitdrukking ‘in de salarissfeer’) direct onder ‘indertijd’. Als u wilt weten hoe je ‘sintjuttemis’ spelt, dan moet u natuurlijk kijken onder de ’m’ van ‘met sintjuttemis’. Het is dat ik het toevallig tegenkwam daar, anders had ik er tot sintjuttemis naar kunnen blijven zoeken. Een heel fijne service ook aan vergevorderde sprekers van het Nederlands-als-vreemde-taal, die graag de puntjes op hun Nederlandse i’s willen leren zetten. Juist uitdrukkingen met voorzetsels zijn notoir lastig in wat niet je moedertaal is.

Nog zo’n leuk onbeslisbaar criterium is het al dan niet bestaan van twee meervouden (een op -n, een op -s) van woorden waarmee je een samenstelling wilt maken, althans voor die woorden die in het enkelvoud op een e eindigen. Zijn er twee (linden-lindes), dan schrijf je géén tussen-n bij samenstellingen (daarom vinden we straks in het bos lindebomen naast eikenbomen).

Maar juist met die dubbele meervoudsvormen is iets vreemds aan de hand. Daar lijkt een verandering in het Nederlands gaande te zijn: het wordt gemakkelijker om meervouden op een s te maken, zij het dat die vaak wat informeler klinken dan de meervouden op een n (vergelijk hersens-hersenen, keuzes-keuzen, gildes-gilden). Waar dat heen gaat is nog helemaal onduidelijk. En vervelend genoeg ligt dit nu al niet voor iedereen hetzelfde. Hoe onmogelijk dit criterium is, blijkt ook uit de woordenlijst. Ik zou werkelijk niet weten waarom ‘keuzes’ en ‘rotondes’ wel goed zijn, maar ‘gildes’ en ‘pesticides’ niet, toch is dat zo volgens het Groene Boekje.

De bedoeling was natuurlijk om de zaak eenvoudiger te maken. Maar die bedoeling is zo grandioos mislukt dat het feit dat de Taalunie nog durft te spreken van een spellingsvereenvoudiging ronduit komisch aandoet. Als het allemaal niet zo treurig was, zou ook het voortdurend achter elkaar verstoppertje spelen van alle verantwoordelijke personen een vermakelijk schouwspel zijn.

Het bureau van de Taalunie bijvoorbeeld zegt aldoor in contact met de ministers gebleven te zijn, ook over de na het officiële spellingbesluit doorgevoerde veranderingen. So what? Dat zou fraai worden als andere adviesorganen dat met andere wettelijke regelingen ook gingen doen. Als burger weet je zo nooit meer waar je aan toe bent. De Taaladviescommissie van de Taalunie (die de regels uitwerkte) is ook niet gelukkig met de einduitkomst, maar het is allemaal de schuld de ministers die de meeste adviezen van de commissie Geerts niet wilden aanvaarden, zeggen ze. De adviescommissie heeft gewoon gedaan wat de ministers gezegd hadden.

Ook het INL, samensteller van de lijst, beroept zich op de minister. Nadat twee redacteuren van Kramers woordenboeken in de Volkskrant op voorbeeldige wijze hadden uiteengezet tot welke waanzinnige willekeur het maken van een woordenlijst op grond van uitsluitend elektronische tekstbestanden leidt, antwoordde INL-directeur Van Sterkenburg in feite alleen maar dat hij zich braaf aan de opdracht gehouden heeft.

De minister op zijn beurt (in casu overigens staatssecretaris Nuis) doet of zijn neus bloedt. Op kamervragen geeft hij antwoorden die voorbijgaan aan de feitelijke kwestie, en aan vertaalster Anneke Reinders, die in haar eentje een actie tegen de nieuwe spelling is begonnen, laat hij een brief schrijven waarin ze wordt afgescheept met verhalen over enquêtes en adviezen die stuk voor stuk niet gingen over de regels die er nu liggen.

Dat Nuis er weinig voor voelt ergens serieus op in te gaan, is wel begrijpelijk. Alsnog ingrijpen, en zeggen we zien af van de wijzigingen (officieel zouden die pas volgend jaar september in moeten gaan) heeft nogal wat financiële consequenties. Niet in de laatste plaats voor uitgeverijen van woorden- en schoolboeken. Die zijn helemaal niet gelukkig met de wijzigingen.

Ook Van Dale is dat niet. Het is vreselijk jammer dat men zich daar uit commerciële motieven (het aantal verkochte woordenboeken liep erg terug) genoodzaakt heeft gezien mee te gaan doen aan die nieuwe spelling. Zeker toen bleek dat toepassing van de nieuwe regels op het (dikke) Van Dale-bestand onmogelijk was, had men eigenlijk groot alarm moeten slaan. Ik maak me sterk dat de hele zaak was afgeblazen wanneer Van Dale zijn autoriteit gebruikt zou hebben, en domweg gezegd had ‘we doen hier niet aan mee, want de nieuwe regels zijn onwerkbaar’.

In plaats daarvan besloot men een Spellingraad in te stellen, waarvoor trouwens onbegrijpelijk genoeg prof. Anneke Neijt gevraagd werd, die eerst in de Taaladviescommissie mede die onmogelijke regels had opgesteld. Enfin, de raad bedacht een aangepaste versie van de regels. Zo is het onbeslisbare criterium van de dubbele meervouden eruit geknikkerd.

Dat lijkt mooi, maar het lost uiteindelijk niets op. De nieuwe editie van de dikke Van Dale, en ook de rode Spellinggids, geven nog steeds regels voor de tussen-n die voor een normaal mens niet te onthouden zijn. En natuurlijk geven andere regels andere uitkomsten. Dus waren er een paar honderd woorden net iets anders gespeld dan in het Groene Boekje.

Daarover ging het laatste staaltje volksverlakkerij, dat deze week naar buiten kwam. De Taalunie en Van Dale, Wolters en Prisma zouden het eens geworden zijn, volgens de kranten. De spellingseenheid is gered, onder meer omdat Van Dale lijstjes zal uitdelen met woorden die in het Groene Boekje anders gespeld zijn, en omdat men in volgende edities van woordenboeken en spellinggidsen de Groene Boekje-spelling zal opnemen. Ja, dat gaan ze wel doen, maar ze houden ondertussen natuurlijk gewoon vast aan hun eigen regels. Wat krijg je dan? Bij weduwedracht, -fonds, -pensioen en -verbranding wordt voortaan netjes aangegeven dat die woorden zó in het Groene Boekje staan, maar daarnaast blijven dan de samenstellingen die het Groene Boekje niet geeft er allemaal alleen mét een n in staan. Dus: weduwenbeurs, weduwenhaar, weduwenkas, weduwenverzekering. Enzovoort.

De spellingseenheid, belangrijk doel van de hele operatie, is helemaal niet gered. We lijken er zelfs verder vanaf dan ooit. Want wat doen de media? Wel, iedereen doet weer wat anders. Men weet kennelijk niet goed wat er mee aan te vangen, en reageert buitengewoon halfslachtig. Er zijn wel overal nieuwe Groene Boekjes aangeschaft, maar bijvoorbeeld bij zowel de Volkskrant, als Trouw als NRC Handelsblad is men bezig zijn eigen lijstjes uitzonderingen op te stellen, die ongetwijfeld onderling weer zullen verschillen.

De oplossing? En er is er echt maar één: de politiek moet het lef hebben in te zien dat je niet met dit gekluns kunt aankomen wanneer je besluit na vijftig jaar een spellingsverandering in te voeren. Dames en heren in Den Haag: word nou eindelijk eens wakker.

“Is dit de geur van de film?”

Presentatrice Paula Patricio dartelend door groene Hollandse weiden, met achter zich aan een ellenlang rood-wit lint, zoals de politie bij afzettingen gebruikt. Dat lint stond voor ons DNA, het beeld was vrolijk en de uitleg glashelder. Een rondje DNA heette de serie korte televisieprogramma’s die door heel veel mensen gezien werd, een hoge waardering kreeg en nu nog steeds op talloze scholen vertoond wordt. Maar toen bioloog en filmmaker Jan Vink in 1993 met het plan kwam om voor een breed publiek nou eens aantrekkelijk en begrijpelijk uit te leggen hoe het staat met onze kennis van de genetica, moest hij eerst een jaar leuren door Hilversum. Terwijl Vink toch met een aardige buidel subsidiegeld binnenkwam, de omroep hoefde maar een kwart zelf te financieren.

Nu eert het bij de KNAW ondergebrachte Van Walreefonds Vink, onder andere vanwege die serie, met de tweejaarlijkse prijs voor ‘de beste journalistieke prestatie op het gebied van de medische wetenschappen’. Eerder gingen de f 25.000,- naar Ria – Vinger aan de Pols – Bremer, NRC Handelsbladwetenschapsredacteur Wim Köhler en geneticus prof. H. Galjaard. De jury, onder leiding van prof. Paul Schnabel, koos met algemene stemmen zijn werk uit dertien inzendingen van verschillend pluimage. Men vond zijn ‘vertalingen’ van de uitkomsten van medisch onderzoek en medische ontwikkelingen van hoog niveau.

Ambitieus jong ventje

Al meer dan zijn halve leven brengt Vink, die net 50 is, wetenschap in beeld. Onderwijzer was hij toen hij begon. “Maar je mag nooit de onderwijzer uithangen”, zegt hij. “Film moet altijd uitdagen, open eindigen. Het mag voor de kijker niet voorspelbaar zijn.”

Begin jaren zeventig solliciteerde hij bij Teleac dat de series Natuurkunde is overal en Chemie is overal wilde gaan maken. “Daar trof ik een ambitieus jong ventje, een sterrenkundige met een opvallend accent. Hij heette Chriet Titulaer”, grinnikt Vink, “en met hem werken was heel inspirerend.” Vink herinnert zich uit zijn Teleactijd scènes in een zwembad dat met een handje ijzerchloride blauw gekleurd werd, en spectaculaire opnames met een kooi van Faraday waar het hoogspanningslaboratorium van de KEMA de bliksem in liet slaan. Op het moment dat hij even de kooi uitgestapt was, dat wel, maar zo werd het niet in beeld gebracht.

“Alles leek rond, maar het hoofd van het laboratorium wilde het niet doen met mij in de kooi”, zegt hij, “en daarna zat ik met een dilemma, een gewetensconflict omdat ik van mensen die de uitzending gezien hadden te horen kreeg dat ik zo dapper was. Dat was wennen. Nu truc ik alles bij elkaar.”

Lesboeren

Vorig jaar maakte Vink voor Teleac nog Wetenshoppen, dat onverwacht hoog scoorde.”Maar dan continueren ze dat weer niet”, verzucht Vink, die ook vindt dat ze bij Teleac soms te veel op lesboeren zijn gaan lijken. Hij stapte indertijd over naar Horizon, het nu bijna legendarische wetenschapsmagazine van de NOS, waarvan hij zowel presentator als redacteur was. Vele jaren stond hij met één been in Hilversum en een ander in een klaslokaal — eerst van een basisschool, daarna van een HAVO en een pedagogische academie. In de avonduren studeerde hij biologie.

Televisie en films maken leerde Vink in de praktijk, maar in 1986 volgde hij er toch nog een opleiding voor, aan de Media Academie in Hilversum. Een paar jaar daarvoor had hij het onderwijs voorgoed verlaten. Over hoe je iets goeds over wetenschap moet maken heeft hij inmiddels uitgesproken ideeën. “Als het scenario maar goed is”, zegt hij. “Dat is een gouden wet.”

En een goed scenario krijg je maar op een manier: je verschrikkelijk goed inwerken. “Je moet de materie zelf heel goed kennen. Pas dan kan je een leuk programma maken”, legt Vink uit. “Want dan kun je kiezen, en wordt het spannend. Degenen die met mij aan een productie meedoen kennen ook alle ins en outs van de problematiek waar het over gaat. Met een goed scenario wordt de rest dan gewoon vakwerk. Goede teksten, vormgeving, muziek, montage. Ik heb nooit discussies op de set, en ook bij de montage is een halve blik vaak genoeg. Je moet alleen voortdurend kijken: is dit de geur van de film?”

Kill your darlings

Ook moet je bereid zijn je darlings te killen. Vink vond bijvoorbeeld dat hij twee scènes moest vermoorden die hij voor In de familie had opgenomen, een video die hij met zijn eenmansbedrijf Science Productions maakte in opdracht van een vereniging met een onmogelijk lange naam: de ‘Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties betrokken bij erfelijke en/of aangeboren aandoeningen’ (in de wandeling vrolijk afgekort als V.S.O.P.), die hem later zou voordragen voor de Van Walree Prijs. “We hadden uren opgenomen in het Wilhelminapark in Utrecht”, lacht Vink, “met heel veel licht, want het was ’s nachts, speciale politie-ontheffingen en weet ik wat al niet meer. Daar is niets van inde film terechtgekomen. Daar werd de film beter van. De kijker heeft natuurlijk geen boodschap aan het feit dat jij ergens dagenlang aan gewerkt hebt.”

Het moet goed zijn, dat is het enige dat telt. Vink garandeert zijn opdrachtgevers dat hij doorgaat tot ze tevreden zijn. En hij is blij met zijn onafhankelijkheid. “Je werkt harder, maar je bepaalt zelf de kwaliteit van je eindproduct. En het scheelt in gezeur. Met je eigen bedrijf heb je niet te maken met een of andere afdeling die voortdurend roept ‘dat is niet begroot’. Ik kan nu zelf beslissen dat een dure draaidag voor niks is geweest.” Wat niet wegneemt dat de budgetten waarmee hij moet werken zelden of nooit ruim zijn, maar dat kan weer tot creatieve oplossingen leiden. Ongeveer de helft van wat  Vink maakt, biedt hij zelf aan, voor de andere helft komen ze naar hem.

Scheefgetrokken

“De V.S.O.P. wilde een jongerenmagazine over DNA-onderzoek in het dagelijks leven. Ik ben toen in de materie gedoken, heb met artsen, patiënten, onderzoekers gepraat, en ik dacht al snel: dat DNA dat zal wel, dit gaat over dilemma’s. Over de wetenschap die de patiëntenwereld binnenkomt. Dat je denkt: jezus mina, wat zou ik doen in zo’n geval? En daar moet je drama van maken. Het mag niet scheefgetrokken worden door een te grote hoeveelheid informatie. Je moet iets hebben dat discussie oplevert. De V.S.O.P. snapte dat meteen, dat was het leuke.”

Dus liet Vink amateur-acteurs twee casussen uit de praktijk naspelen. Drie broers, wier vader een erfelijke vorm van schildklierkanker krijgt, moeten eerst beslissen of ze zich wel willen laten testen, en daarna met de uitkomsten verder zien te leven. Het ene broertje dat het genetisch defect niet geërfd heeft, blijkt het daar moeilijk mee te krijgen. Hij voelt zich een buitengesloten in gezelschap van de drie andere mannen die het verder zonder schildklier moeten doen.  Nadruk op de psychologisch kant ligt ook bij het meisje dat bang is dat in haar familie een erfelijke vorm van borstkanker voorkomt. “Die film blijkt op allerlei niveaus raak te zijn”, zegt Vink met lichte trots. “Op scholen wordt hij veel gedraaid, maar eerstejaars psychologie en huisartsen in de nascholing krijgen hem ook te zien.”

De prijs is Vink ook speciaal toegekend voor deze video, én voor het laatste dat van hem op de televisie te zien was: een serie discussieprogramma’s over medisch-ethische zaken onder de titel Het souterrain. Dit keer kreeg Vink ongeveer negentig procent van de financiering van te voren rond, en nog was het moeilijk een omroep te vinden. Het werd het IKON uiteindelijk.

Hedy d’Ancona

Met wetenschap op tv lijkt het er in Vinks lange carrière bepaald niet beter op geworden. “Vroeger hadden omroepen nog een boodschap, die wilden allemaal iets”, luidt een deel van zijn verklaring. “Nu wordt er direct afgerekend op de kijkcijfers, en een programma krijgt niet meer een paar seizoenen de kans. En die heb je wel nodig. Programma’s moeten groeien.” Verder blijkt Hedy d’Ancona een onuitwisbare invloed in Hilversum achtergelaten te hebben. 

“Een paar jaar geleden won ik met Govert Schilling de TROS/PWT-scenariowedstrijd”, vertelt Vink. “Daar hoorde bij dat het winnende scenario ook uitgevoerd zou worden. Wel, dat is nooit gebeurd. De TROS dacht namelijk het geld daarvoor van het Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties te krijgen. We zijn daar ook wezen praten, en men vond het ook een heel aardig scenario. Maar toen Hedy d’Ancona dat fonds oprichtte werd ‘cultuur’ zo gedefinieerd dat wetenschap erbuiten viel. Enfin, we hebben daarna nog van alles geprobeerd, van Discovery tot de Wereldomroep, maar zonder budget bleek het een onmogelijke opgave.”

Het Klokhuis

Maar stel nu eens dat het budget géén probleem zou zijn, dat Vink helemaal zelf mocht verzinnen wat hij wilde maken? Hij weet het meteen. Een volwassen versie van een van de dingen waar hij met de meeste liefde aan gewerkt heeft: Het Klokhuis dat nog steeds dagelijks op het derde net wordt uitgezonden, na het Jeugdjournaal. Vink was een van de initiatiefnemers voor dit hogelijk gewaardeerde kinderprogramma, en ook de warmste pleitbezorger om er een stevige portie wetenschap in te stoppen. Hij werkte er jaren aan mee.

“Wetenschap, cultuur en de samenleving in de vorm van sketches, dat hebben we afgesproken toen we begonnen”, zegt Vink, nog steeds enthousiast. “We wilden geen reportages, maar hele kleine documentaires. Dus dan gingen we het hebben over het grondwater in Nederland, maar ja, dat kun je natuurlijk niet zien. Dan lieten we presentator Bas Westerweel  met een aanhangwagen met een kuub zand aan komen rijden bij de Utrechtse heuvelrug. Die bak kieperden we om, en dan wees Bas: ‘Kijk, we staan nu hier, dit is die heuvelrug. Wat nou als het gaat regenen?’ En dan pakte hij een grote gieter, goot die over die hoop zand, enfin, die manier van doen is het handelsmerk van Het Klokhuis geworden.”

En elementen daaruit kwamen ook terug in Een rondje DNA, dat liet zien dat een dergelijke aanpak niet tot kinderachtige televisie hoeft te leiden. Acteurs inzetten en liedjes kan wat Vink betreft ook prima voor volwassenen. “Een magazine dat de actualiteit op afstand volgt, en dat goed gemaakt wordt”, stelt hij zich voor. Dat betekent in elk geval dat het niveau van een reportage, waarbij een cameraploeg eens komt kijken wat er aan de hand is, overstegen moet worden. Het zwaartepunt moet voor Vink altijd bij de voorbereiding liggen. “Alleen dan kun je een invalshoek kiezen en dat maakt het pas leuk. Dat is bij een krantenstuk ook zo.”

“Het is echt onzin dat wetenschapsprogramma’s saai en moeilijk zouden zijn. Dezelfde wetten gelden als voor alle films. Je kunt bijvoorbeeld maar heel weinig communiceren met film. En je moet aldoor zorgen dat het niet saai wórdt. Wat je dikwijls ziet is dat ze wetenschappers over de verkeerde dingen aan het woord laten. Je moet niet pakweg Galjaard laten uitleggen wat een chromosoom is, dat kun je beter zelf doen.”

Pit

“Vaak is het ook aardiger om de aio’s een verhaal te horen vertellen dan hun professor. Bij hen zit de pit, de fascinatie, de fantasie nog. En een zekere onbesuisdheid. Maar de neiging is altijd meteen naar die professor te stappen, die vervolgens het gevoel heeft dat iedereen meeluistert. En dan krijg je die grijze teksten, die enorme zorgvuldigheid van formuleren die wel een tweede natuur lijkt geworden. Dan was het zulk leuk onderzoek, hebben ze zulke mooie dingen gevonden, als ze het dan vertellen denk ik: mijn moeder is allang afgehaakt. Ik zeg niet dat je nooit met een professor moet gaan praten, maar het automatisme zou eruit moeten.”

Misschien komt het droommagazine er nog wel eens. Ook dan zal Vink talenten willen stapelen. Want hoe blij hij ook met de prijs is, er moet hem toch iets van het hart: “Zonder nou meteen in termen van de jaren zeventig te vervallen, film maken is een groepsproces. Ik kan het niet in mijn eentje.”

Vreemde kwibussen en gevaarlijke engerds

De Profs, Vijf fameuze Nederlandse wetenschappers, door Tom Verheul
Uitgeverij Aramith, 109 p., f 27,50

Willem Wagenaar snellend door de gangen in een lange wapperende jurk, Jaap Goudsmit stralend boven een aidsvirusje, Kristofer Schipper die een stokje wierook aansteekt op zijn huisaltaar: rare jongens die wetenschappers moeten de kijkers naar De Profs gedacht hebben. Tom Verheul interviewde vorig jaar voor de VPRO-televisie ‘Vijf fameuze Nederlandse wetenschappers’.

Vier van de vijf gesprekken heb ik gezien, en bovenstaande beelden zijn me sterk bijgebleven. De serie werd overigens prompt bekroond met de prijs voor de beste wetenschappelijke film (de Jaap S. Nieuwenhuis-legpenning) en nu is er een boek van gemaakt dat dezelfde titel meekreeg als de tv-programma’s.

Laat ik het maar meteen zeggen: ik vind het boek beter. Maar nog steeds niet goed genoeg. Verheul portretteerde de vijf heren naar mijn smaak te veel als vreemde kwibussen, types die dingen doen waar wij als gewone mensen geen weet van hebben of zelfs maar zouden kunnen krijgen. Hij laat bovenal de buitenkant van hun vak, positie of persoon zien en vraagt maar zelden door naar de inhoud van hun onderzoek. De inleidingen die anderen dan Tom Verheul voor de boekversie bij elk van de interviews geschreven hebben, kunnen dat maar ten dele goedmaken, al scheelt het genoeg om mij het boek te doen verkiezen.

Wat had ik dan gewild? In twee van de vijf gevallen is daar een eenvoudig antwoord op te geven: lees in Max Pams God dobbelt niet de gesprekken met de taoïsmekenner Rik (=Kristofer bij Verheul) Schipper en de deeltjesversneller Simon van der Meer (tevens Nobelprijswinnaar) nog eens na, dan ziet u het direct. Pams indertijd in Vrij Nederland gepubliceerde verhalen zitten beter in elkaar, lezen prettiger en hebben meer inhoud dan de interviews die Verheul met dezelfde mensen hield. Gaf de televisieserie tenminste nog letterlijk een beeld van Schipper en Van der Meer, op schrift is iedere meerwaarde verdwenen.

Wat heeft Max Pam dat Tom Verheul niet heeft? Een grote dosis nieuwsgierigheid naar en interesse in wetenschappelijk onderzoek, denk ik, en de bereidheid zich daar dan ook in te verdiepen. Maar het allerbelangrijkste is misschien nog wel dat hij beroemde onderzoekers niet met een mengeling van heilig ontzag en een gevoel van ‘aapjes-kijken’ benadert.

Als het goed is, bestaat er een verschil tussen journalistiek en wetenschapsjournalistiek, maar ik ben bang dat Verheul (en nogal wat mensen met hem) dat niet met me eens zou zijn. Onthullend vind ik wat hij in het voorwoord bij De Profs schrijft. In eerste instantie was hij stomverbaasd geweest dat de profs in kwestie zich pertinent wilden beperken tot hun eigen specialisaties en liever geen uitspraken deden over die stukken van hun vakgebied waar ze niet in thuis zijn.

Na een tijdje begint Verheul daar begrip voor te krijgen, en hij vat het zo samen: ‘Ligt de kracht van een wetenschapper in een streng bewaakte beperking, voor de journalist ligt roem in het verschiet als hij zich weet te ontwikkelen tot iemand met een gezaghebbende mening op zoveel mogelijk terreinen; hij heeft zich het recht verworven zijn persoonlijke mening tot opinie te maken.’

Iemand die verbaasd is dat toponderzoekers zich bij hun leest wensen te houden heeft niet begrepen wat wetenschap is. Bij het portretteren van wetenschappers is dat beslist een hinderpaal. En iemand die opinies verwart met kennis van zaken maakt een grove fout. Want het ging hier niet om meningen, het ging uiteindelijk om onderzoeksresultaten.

Vragen naar het abnormale geheugen zoals Verheul bij Wagenaar deed (Wagenaar wilde daar niets over zeggen) is principieel anders dan vragen naar iemands ideeën over pakweg het huwelijk of het Rooms-katholicisme. Een integere wetenschapper weet dat je héél veel van iets af moet weten wil je een verantwoord oordeel kunnen vellen. In veel vakken is het voor één persoon allang niet meer mogelijk om alle ontwikkelingen te volgen. Dat je je daarom niet bevoegd voelt om op dezelfde manier over de specialisaties van je collega’s te praten als over die van jezelf lijkt me niet meer dan normaal.

Ik geloof dan ook niet dat er roem in het verschiet ligt voor de wetenschapsjournalist die op zoveel mogelijk terreinen thuis is. Om de juiste vragen te kunnen stellen, om je niet in de luren te laten leggen (en er wordt in de wetenschap wat gebeunhaasd!) heb je veel voorkennis nodig. Het ontbreken van voorkennis zorgt voor het ‘Viruly-effect’ dat erg veel mensen kennen: de grote vliegheld moet eens gezegd hebben dat hij zo graag kranten en tijdschriften las, want daar kon je zo verschrikkelijk veel van leren. Alleen de stukken over vliegen, die sloeg hij altijd over, want die krioelden van de fouten.

Nu wil ik Verheul niet te hard vallen. Hij heeft natuurlijk twintig keer mooiere, interessantere en betere programma’s gemaakt dan het gros van wat zich keer op keer achter de tv-knop blijkt te bevinden. En het sterft in dit land van het volk dat zich – in nog veel ergere mate dan Verheul voor journalisten propageert – bezondigt aan het hebben van een mening zonder daarbij enige feitenkennis te vertonen.

Het koor van kakelende kippen rondom hersenonderzoeker Dick Swaab is daar het recentste voorbeeld van. Verbijsterend om te zien hoe alle media hun zendtijd en kolommen wijd open zetten voor ‘de mening’ van rijen mensen die geen flauwe notie bleken te hebben van waar de hele ‘affaire’ om draaide. Ik begrijp eerlijk niet hoe iemand daar luid en duidelijk stelling in durft te nemen terwijl hij zelfs niet de moeite heeft genomen om Hans van Maanens interview met Swaab in het Parool, waar de deining mee begon, (goed) te lezen.

Maar misschien begrijp ik het ook wel: het werkt. Bijna niemand heeft het in de gaten. Van Swaab zal nog lang door velen gedacht worden dat hij een griezel is. En daarmee vertegenwoordigt hij de andere kant van het beeld dat in brede kring over wetenschappers bestaat: je hebt maffe genieën (de vijf van Verheul) en je hebt gevaarlijke engerds.

De taak van de wetenschapsjournalist is nou net om daar verandering in te brengen. Daarom ben ik zo streng voor Verheul en vind ik het niet terecht dat hij die penning gekregen heeft omdat hij in staat zou zijn geweest ‘een groot publiek te interesseren in een moeilijk te visualiseren onderwerp: het werk van vijf vooraanstaande wetenschappers.’ De cursivering is van mij. Verheul heeft zich immers nauwelijks gericht op het werk, maar veel meer op de buitenissige mensensoort ‘toponderzoeker’.

Gevolg is dat de inleiding bij het gesprek met Jaap Goudsmit veel spannender is dan het gesprek zelf. Dat die man van hot naar her vliegt en praatjes houdt geloof ik graag, maar ik lees ademloos door als het over het griezelig slimme gedrag van het aidsvirus gaat.

Zo is ook het gekeuvel met de astronoom Oort wel aardig, daar gaat het niet om, maar het krijgt pas reliëf als je je realiseert dat ons heelal de afgelopen zestig jaar op een onwaarschijnlijke manier ‘uitgedijd’ is en dat Oort dat voor een goed deel op zijn geweten heeft: toen hij begon bestond in de ogen van de wetenschap eigenlijk alleen ons eigen Melkwegstelsel en wist niemand veel van de structuur ervan. De oerknal en het idee dat het heelal sindsdien aldoor uitdijt zijn nog maar jonge theorieën.

Nu is lang niet iedere ‘prof’ in staat op een begrijpelijke manier uit te leggen waar hij zich mee bezighoudt. Dat zal Verheul ook wel parten hebben gespeeld. Maar iemand die dat zeker wel kan is de geheugenspecialist Willem Wagenaar. Al jaren en jaren sla ik geen stuk van zijn hand in NRC Handelsblad over.

Toch is ook bij het interview met hem weer de inleiding het helderst en inzichtgevendst. Daarin wordt duidelijk dat de pers  (althans een deel daarvan) ten onrechte over Wagenaar heen viel na zijn getuigenis bij het proces tegen Demjanjuk, de man die tijdens de Tweede Wereldoorlog ‘Ivan de Verschrikkelijke’ geweest zou zijn.

Wagenaar heeft in Israël niets anders beweerd dan dat de identificatieprocedure aantoonbaar onzorgvuldig was geweest en dat mensen de gekste dingen vergeten of verkeerd reconstrueren in hun geheugen. Over de schuldigheid van Demjanjuk (die geïdentificeerd werd op basis van een rijtje foto’s waarop alleen hij aan het van te voren bekende, grove signalement voldeed, en die zei zich allerlei zaken slecht of niet te herinneren) sprak hij met geen woord. Natuurlijk niet. De bewijsvoering was ondeugdelijk, maar daarmee was noch Demjanjuks schuld, noch zijn onschuld bewezen.

Jammer is het dat Verheul in het eigenlijke interview niet doorvraagt naar Wagenaars onderzoek naar zijn eigen geheugen. In de hoop meer te weten te komen over de strategieën waarvan we ons bedienen bij het oproepen van herinneringen hield Wagenaar zes jaar lang schriftjes met gebeurtenissen in zijn eigen leven bij. Het enige onderzoeksresultaat dat de kijkers kregen te horen, was dat het noemen van een dag en een datum niet per definitie voldoende is om de gebeurtenissen van die dag weer naar boven te brengen in het geheugen. Nauwelijks schokkend. Wat voor soort extra aanwijzingen wél werkt werd niet duidelijk, terwijl me dat nu juist zo bloedje interessant lijkt om te weten.

Aanzetten en aanknopingspunten zat dus eigenlijk in De Profs, en het boekje kopen kan ook absoluut geen kwaad (er is toch al zo weinig op dit gebied, de wetenschapsjournalistiek is, zeker op televisie, nog steeds niet aan grote-mensen-schoenen toe), maar daar staan te veel gemiste kansen tegenover.

Nog eentje: neem onze nationale held, Nobelprijswinnaar Simon van der Meer. Die geeft doodleuk en eerlijk toe dat zijn geldverslindende onderzoek een grote gok was, dat hij gewoon geluk heeft gehad, en dat de resultaten van zijn werk geen enkele maatschappelijke toepassing hebben. Het was aardig geweest even door te praten over het ontzag dat in brede kring leeft voor moeilijk te volgen  onderzoek naar elementaire deeltjes. Opent dat ontzag beurzen die voor anderen gesloten blijven? Hoor je daarom ineens niets over die vreselijke ‘maatschappelijke relevantie’? Vragen genoeg voor volgende interviewers.

Nootje: Op mijn knipsel stond stom genoeg geen datum. De publicatieweek is daarom een heel klein beetje een gok.

De opkomst van de derde cultuur

THE THIRD CULTURE Beyond the Scientific Revolution door John Brockman. Uitgever Simon & Schuster, 413 p. Importeur Van Ditmar, f 55,55

De ‘derde cultuur’ is iets waarop C.P. Snow hoopte toen hij in 1959 zijn beroemde uitval schreef op de eigenwaan van de ‘literaire intellectuelen’. In Snows voetspoor interviewde John Brockman drieëntwintig ‘nieuwe intellectuelen’: de echte wetenschappers. Dat het tegenwoordig intellectuele status geeft om zich te verdiepen in de archeologie van de evolutie, kunstmatige intelligentie en deeltjesfysica is mooi, maar Brockman slaagt er in zijn gesprekken met de wetenschappelijke supersterren Stephen Jay Gould, Richard Dawkins of Marvin Minsky niet in om de derde cultuur toegankelijk te maken voor iedereen. Toch beweert hij dat in de eenentwintigste eeuw de literaire cultuur plaats zal maken voor de cultuur van de wetenschap.

Plato en Shakespeare hebben afgedaan. Goed, er is nu nog een soort samenzwering gaande van filosofisch en literair georiënteerde intellectuelen die denken het hele intellectuele landschap te beheersen, maar dat duurt echt niet lang meer.

Het publiek wil namelijk iets anders. De spraakmakende gemeente van dit moment houdt zich bezig met de kwesties die in de harde wetenschap spelen.

Mensen willen lezen en nadenken over vragen als deze: is ons heelal het enige, of zijn er een heleboel? Ontstaan er misschien nieuwe universums in ‘zwarte gaten’? En gelden daar dan dezelfde natuurwetten als hier of juist niet? Zijn ‘bewustzijn’ en ‘taal’ een soort bijprodukten van de evolutie? En op welk niveau speelt die evolutie zich nu eigenlijk af? Waarom bestaat seks? Wordt er ergens op een ander, hoger plan wellicht met dezelfde verbazing naar ons gekeken als wij kijken naar de organisatie van een mierenhoop?

Zulke vragen zijn in zekere zin zo oud als de wereld. Ze komen allemaal neer op varianten van ‘waar komen we vandaan?’ en ‘hoe zitten wij en de wereld in elkaar?’.

Nieuw is volgens de New Yorkse literair agent John Brockman dat het tegenwoordig wetenschappelijk onderzoekers zijn die er het meeste over te zeggen hebben. Dat is het uitgangspunt voor zijn boek The Third Culture, Beyond the Scientific Revolution, waarin hij 23 (vrijwel uitsluitend Amerikaanse) genetici, psychologen, astronomen, ontwikkelingsbiologen, natuurkundigen en nog andere onderzoekers aan het woord laat.

Die ‘third culture’ was iets waar C.P. Snow op hoopte. Snow werd wereldberoemd met zijn in 1959 verschenen boek The Two Cultures, waarin hij beschreef hoe de ‘literary intellectuals’ zichzelf, terwijl er even niemand keek, waren gaan bestempelen als de intellectuelen.

De ‘scientists’ (ook grootheden als Einstein, Bohr, Hubble en Von Neumann) werden buitengesloten. Hun werk, zelfs dat van degenen die zich richtten tot het algemene publiek, haalde domweg de kolommen van de invloedrijke kranten en tijdschriften niet meer.

Snows twee culturen laten zich in het Nederlands redelijk goed vertalen als ‘de alfa’s’ en ‘de bèta’s’. Een ‘derde cultuur’ zou op een goede dag de kloof tussen die twee moeten dichten.

Dat is volgens Brockman niet gelukt. Het loopt anders. Hij ziet de verkoopsuccessen van onderzoekers annex auteurs als Stephen Jay Gould en Richard Dawkins (over evolutie), en Marvin Minsky, Daniel C. Dennett, Steven Pinker en Roger Penrose (over de werking van de geest) als het bewijs dat er een derde cultuur ontstaan is die zich rechtstreeks tot het publiek te richt, dat een grote intellectuele honger naar wetenschappelijk nieuws heeft.

Hoe het gekomen is dat populair-wetenschappelijke boeken en wetenschap in het algemeen inmiddels wél aandacht in de pers krijgen, wordt niet helemaal duidelijk. Brockman komt niet veel verder dan dat wat er in de wetenschap gebeurt allemaal heel belangrijk is, en dat het allemaal zo hard gaat. Wat trouwens ook waar is.

Brockman heeft gesprekken gevoerd met wat hij ‘derde-cultuur-denkers’ noemt. Ze komen deels uit zijn eigen stal, en verder heeft hij zich bij zijn keuze laten leiden door toeval en persoonlijke smaak.

Na een korte introductie over het derde-cultuur-idee volgen in het boek honderden pagina’s interviews met wetenschappers, waaronder alle bestseller-auteurs van hierboven. Ze vertellen telkens in een monoloog waar ze zich mee bezighouden, waarna een aantal van de andere in het boek geïnterviewden commentaar geven op werk, denken en soms de persoonlijkheid van de hoofdpersoon in het betreffende hoofdstuk.

Als opzet klinkt dat heel aardig, maar The Third Culture is nogal een curieus boek geworden.

Als het bedoeld is om meer mensen warm te maken voor de derde cultuur, dan faalt het jammerlijk. Daarvoor is het namelijk te moeilijk. Wie niet al een beetje thuis is in de vakgebieden die aan bod komen, kan onmogelijk volgen waar de geleerden het over hebben.

En juist omdat er zo’n breed scala aan onderwerpen ter sprake komt, is dat een groot bezwaar. Welke naar intellectueel voer hongerende lezer heeft er nu voorkennis over, om er een paar uit te pikken, zowel evolutionaire biologie, als kunstmatige intelligentie, als deeltjesfysica, als taalkunde, als sterrenkunde? Ik zou zo gauw niemand weten.

Geheel onbedoeld laat Brockman met zijn boek haarscherp zien waar de problemen voor die derde cultuur liggen: in de toegankelijkheid. Daar wordt bij lange na niet genoeg aan gedaan, en zolang dat niet verbetert, zal alleen een klein, elitair groepje voldoende begrijpen van de huidige intellectuele discussies.

De wetenschap heeft zeker aan aanzien gewonnen, dat ziet Brockman goed, en dat is ook in Nederland zo. Je kunt dat hier bijvoorbeeld afmeten aan de populariteit van de wetenschapskaternen van de kranten, die allemaal nog geen vijftien jaar bestaan. Bij lezersonderzoeken blijkt er telkens grote waardering voor te zijn.

Maar ik verdenk die lezers vaak van ‘sociaal wenselijke’ antwoorden. Lezen ze al die pagina’s echt? Ze hebben in elk geval het idee dat ze dat móeten doen, en ze zullen liever niet toegeven dat ze veel van die stukken maar half of helemaal niet kunnen volgen. Want dan ben je dom.

Weinig mensen brengen de arrogantie op om het standpunt in te nemen dat volgens mij het enige juiste is: bij een onbegrijpelijk artikel of boek ligt de fout in principe bij de auteur, en niet bij het gebrek aan intelligentie van de lezer.

En er zijn schrikbarend weinig écht goede non-fictie-auteurs. Zelfs degenen die zo goed verkopen, vragen in mijn ogen meestal te veel van hun lezers. Je moet je vrijwel altijd door saaie of onmogelijk ingewikkelde passages heenworstelen.

Ook bij Stephen Goulds veelgeprezen Wonderful Life, bij Penroses The Emperor’s New Mind, Dennetts Consciousness Explained of Pinkers The Language Instinct, om er eens een paar te noemen die ook in het Nederlands verkrijgbaar zijn.

Hevig redigeren en structureren van dergelijke boeken is de enige manier waarop je die derde cultuur bereikbaar kunt maken voor een veel grotere groep mensen.

Helaas is ook Brockman niet goed genoeg. Interviewen is een vak, en ‘decor’, structuur en vertalen zijn de sleutelbegrippen voor een goed weergegeven onderhoud met een wetenschappelijk onderzoeker.

Elke onderzoeker is een specialist, en de interviewer heeft de taak de lezer duidelijk te maken waar in het wetenschappelijk landschap het specialisme in kwestie staat. Dat is het decor waarin het verhaal zich afspeelt. En het verhaal zelf moet logisch in elkaar zitten. Daarvoor zijn de structuur en het vertalen van jargon de middelen.

Brockman beperkt het decor tot het noemen van ’s mans (een keer vrouws) vak en een paar publikaties. De rest van de plaatsbepaling laat hij aan henzelf over, en aan de ‘commentatoren’ die pas ná het eigenlijke interview aan bod komen. Dikwijls snap je pas tien pagina’s verder wat je daarvoor hebt zitten lezen. Daarnaast blijft erg veel jargon (inclusief hele theorieën) helemaal onverklaard.

Gevolg is dat heel veel passages op zijn best kunnen dienen als ‘bluff your way into science’-gidsje.

Wist u bijvoorbeeld dat er naast zwarte ook witte gaten vermoed worden? En dat apen hypernerveus worden van een rode kamer, maar heel kalm van een blauwe? Ze houden trouwens ook helemaal niet van muziek.

Nu ja, zo kan ik wel even doorgaan, maar dat zijn natuurlijk niet de centrale issues. Zo is er de vraag of je machines intelligent kunt maken. Wat daar nu precies de problemen bij zijn, kun je uit de interviews niet opmaken. Wel wordt duidelijk dat er soms absolute haat en nijd heerst tussen onderzoekers onderling. Maar waarom kunstmatige intelligentie-mensen als Minsky en Schank zo’n bloedhekel aan de theoretische taalkunde hebben, blijft duister.

Ik vind overigens dat Brockman voor een boek dat hoort te gaan over ‘human nature and the nature of the universe’ onevenredig veel ruimte heeft gegeven aan artificiële intelligentie, en opvallend weinig aan de cognitieve psychologie en neurowetenschappen, waarin in razend tempo steeds meer bekend wordt over de werking van ons brein.

De psycholoog Steven Pinker vertelt er het meeste over, maar ik heb zijn bijdragen over taal met gemengde gevoelens gelezen. Het is Pinker gelukt om aansluiting te vinden bij wetenschappers uit andere disciplines, wat voor elk vakgebied alleen maar gunstig kan zijn, maar de manier waarop hij zich de resultaten van een kleine veertig jaar taalkundig onderzoek toeëigent, deugt niet helemaal.

Heb ik nu helemaal niets aardigs te zeggen over een boek waar ik toch heel veel uren in heb zitten lezen? Het idee van die derde cultuur spreekt me zeker aan. Niet alleen omdat wetenschap belangrijk is (het bepaalt inderdaad tot op veel grotere hoogte ons dagelijks leven dan de meeste mensen beseffen), maar vooral ook omdat het zo leuk is.

Ik zou soms willen dat ik op de een of andere manier het intense genoegen kon overbrengen dat je kunt beleven aan het lezen van een goed populair-wetenschappelijke boek. Het stomme is: op school vertellen ze niet dat er zoiets bestaat. Ik heb het ook maar toevallig ontdekt.

Vroeger las ik alleen literatuur. Maar wat vinden de meeste mensen het mooiste aan literatuur lezen? Dat ze zich kunnen verliezen, ergens anders verkeren, een andere blik op de wereld krijgen. Goedgeschreven ‘derde-cultuur-boeken’ bieden dat allemaal, met nog een extraatje: meer inzicht in hoe de wereld in elkaar zit. Laten we dus hopen dat er nog veel geschreven zullen worden, ondanks het slechte voorbeeld dat The Third Culture zelf geeft.

 

Stijlverschijnselen

Handboek Verzorgd Nederlands, door M. Klein en M. Visscher, 398 blz., geb., Martinus Nijhoff Uitgevers, 1992.

 

Op de kaft luidt de ondertitel Spellingregels Schrijfadviezen, maar wie het Handboek Verzorgd Nederlands openslaat, ziet dat op de titelpagina de ‘Schrijfadviezen’ ineens in ‘Stijladviezen’ veranderd zijn. Beide termen blijken bij lezing van het boek licht misleidend. Schrijven doe je natuurlijk in een bepaalde stijl, maar zo hebben de samenstellers M. Klein en M. Visscher (respectievelijk hoofddocent moderne taalkunde aan de universiteit van Nijmegen en directeur van een taaladviesbureau) het kennelijk niet bedoeld. Want nergens zijn adviezen te vinden over het opstellen van een tekst of de verschillende stijlen waarin je dat kunt doen. Klein en Visscher beperken zich (op één uitzondering na) tot woorden, stukjes zin en losse zinnen.

Nou valt daar veel over te zeggen, dus op zichzelf is er niks tegen een dergelijke beperking. Het terrein dat Klein en Visscher bestrijken is dat van de schoolmeesters. Je kunt zeggen dat ze een soort sociaal handboek hebben gemaakt: het behandelt precies die kwesties waarover het altijd gaat in discussies over slordig taalgebruik en het toenemend verval der zeden bij de jeugd. Wie impressario schrijft of ik gaf het aan hun of twee keer zoveel dan vroeger afficheert zich in sommige kringen nu eenmaal als ongeletterd en dom. Daar zijn misschien fantastische argumenten tegenin te brengen, maar het is een maatschappelijk gegeven. Wie geen last wil hebben van die sociale druk doet er dus verstandig aan zich goed te informeren op dit gebied.

Kan dat met dit Handboek? Wijst het inderdaad de weg aan ‘iedereen die verzorgd Nederlands moet of wil schrijven’, zoals volgens het voorwoord de bedoeling is? En, de tweede vraag, voegt het iets toe aan wat er al op de markt was? Aan de chique, goedverzorgde uitvoering te zien is moeten we dit handboek liefst gaan beschouwen als een standaardwerk. Ook de prijs (zo’n tachtig gulden) duidt daarop. Misschien wordt het dat ook wel, maar het is maar de vraag of daar genoeg reden voor bestaat.

De inhoud van het boek is in grote lijnen voorspelbaar. Welk type fout loopt het meest in het oog in een geschreven tekst? Juist, de spelfout. Het Handboek Verzorgd Nederlands opent dan ook met een deel spelling. De regels (het is Piets of Renates huis, niet Piet’s of Renate’s), daarnaast veel voorbeelden en nog meer uitzonderingen (geweest – vergelijk verhuisd – zou vanwege wezen eigenlijk als geweesd gespeld moeten worden, naast graven heb je paragrafen, er bestaan wel critici maar geen circi enzovoort). Achterin het boek staat bovendien een lijst met meer dan tweeduizend woorden ‘waarin een spellingmoeilijkheid voorkomt’, van a, a’s, a’tje via vreemd genoeg ondermeer f’s, l’s, r’s, en z’s (effen is dacht ik toch met twee f‘en, en onmiddellijk met twee l‘en) tot zwanezangen. Alles bij elkaar veel te veel om uit je hoofd te leren natuurlijk, en al zou dat je lukken, dan nog is je kennis niet compleet. Het Nederlands telt meer woorden, en wat iemand moeilijk vindt is deels ook maar toevallig.

Wie verzorgd Nederlands wil schrijven kan eenvoudigweg niet zonder een goed woordenboek. En een kapitaal hoeft dat niet te kosten: voor ongeveer twee tientjes is de dikke Prisma Nederlands van André Abeling te koop die ook afbreekpunten geeft, verkleinvormen, vergelijkende trappen, meervouden en verbuigingen. De regels waarop de spelling van het Nederlands gebaseerd is zijn in talloze andere boeken en boekjes te vinden. Bijvoorbeeld in Jan Renkema’s Schrijfwijzer, een boek dat niet ten onrechte al jaren een hit is, en waartegen het Handboek hard zal moeten opboksen in de winkel.

Een antwoord op alle spellingsvragen biedt overigens geen enkel boek. Zo wijden zowel Renkema als Klein en Visscher een hoofdstukje aan de soms lastige spelling van uit het Engels geleende werkwoorden, maar geeft niemand een oplossing voor de verleden tijd van woorden als deleten en faden. Toepassing van de regels die gegeven worden levert de verwarrende vormen deletete en fadede op.

In de Schrijfwijzer waren de meeste kwesties die in het tweede deel van het Handboek behandeld worden al te vinden. ‘Stijlverschijnselen’ heet dat deel, en trouwe lezers van de column van J.L. Heldring in deze krant zullen veel oude bekenden tegenkomen. De Dezer Dagens over taal- en denkfouten staan dan ook in de lijst met geraadpleegde literatuur, die voor het overige nogal willekeurig is en bovendien voor bijna de helft bestaat uit werk van samensteller Klein. Fouten als ‘na van zijn vakantie genoten te hebben nam God tot zich’, het dubbeloppe in ‘weer hervatten’ en ‘in staat zijn iets te kunnen’, het ‘niet nadat’ waar ‘niet dan nadat’ bedoeld wordt, de ‘niet in het minst-en’ die ‘niet het minst-en’ hadden moeten zijn: alle klassieke gevallen zijn van de partij. Daarnaast gaat het onder meer over ‘dat of wat’, ‘hun of hen’, ‘wordt gedaan of gedaan wordt’, ‘hebben of zijn’ en contaminaties (‘opnoteren’, ‘dat kost duur’ en vooral ook veel door elkaar gegooide uitdrukkingen zoals ‘refereren naar’).

Maar keer op keer blijkt dat vaste regels voor lang niet alles te geven zijn. Taalgebruikers hebben toch hun intuïties nodig. Bijvoorbeeld om iets aan te kunnen vangen met een ‘probleemstelling’ als deze: ‘De voltooide tijd vormen we in het Nederlands met behulp van de werkwoorden hebben en zijn. Bij sommige werkwoorden gebruiken we hebben, en is zijn onmogelijk, bij andere is dat net andersom’, en dan volgen er een paar bladzijden voorbeelden en twijfelgevallen. Heel vaak zijn er meer mogelijkheden en moet je zelf kiezen. Bijvoorbeeld tussen ‘een groot aantal mensen kon’ en ‘een groot aantal mensen konden’ of ‘‘jong en oud zat’ en ‘jong en oud zaten’. Het is, zeggen Klein en Visscher terecht, afhankelijk van of je het als enkelvoud of als meervoud ‘voelt’. En wat te denken van een advies als: ‘Bij samentrekkingen op zinsniveau moet men goed letten op het bereik van bijwoordelijke bepalingen.’, waarna weer alleen een paar voorbeelden volgen. Het gaat dan om eerder hints dan om regels.

Ondertussen stellen Klein en Visscher zich, ook in de toon die ze aanslaan, behoorlijk normatief op: veel dingen zijn ronduit ‘fout’ of ‘correct’. Behalve ineens als het gaat om iemand waarmee waarvan de schoolmeesters ooit bepaald hebben dat het iemand met wie moet zijn. Dat nu vinden de samenstellers ‘gewoon onzin’. Omdat ‘er’ en ‘daar’ naar mensen kunnen verwijzen moet ‘waar’ in ‘waarmee’ dat ook mogen. Tja, er zijn wel meer van die schrijftaalregels waarvan niemand meer weet wie ze ooit waarom bedacht heeft, toch is de ‘iemand-met-wie’-regel er ook zo een waarop bij overtreding sociale straf staat.

Maar mijn grootste bezwaren tegen het Handboek hebben alles te maken met het derde deel: het grammaticaal compendium. Het wil er bij mij niet in dat je voor het schrijven van verzorgd Nederlands per se moet weten wat een voorzetselvoorwerpszin en een bepaling van gesteldheid zijn. Zeker, enige basiskennis van ontleden is nodig: je moet bijvoorbeeld foutloos het onderwerp van een zin kunnen vinden, want dat hoort in overeenstemming te zijn met de persoonsvorm, die je dus ook moet kunnen thuisbrengen. ‘Discongrentie’, zoals het in jargon luidt, tussen die twee is een van de meest voorkomende fouten in teksten (‘Maar hoe het precies in elkaar zit, weet alleen de daders’ is niet goed). Ook is het soms nuttig om een lijdend van een meewerkend voorwerp te kunnen onderscheiden, bijvoorbeeld om de goede samentrekkingen te maken. Maar erg veel verder dan dat hoeft het echt niet te gaan.

Dat compendium vormt bovendien de smoes voor ontoegankelijke zinnen als ‘In tweeledige werkwoordelijke groepen met een infinitief ligt de zaak iets anders.’ en ‘Verder gebruiken we welk(e) als het onderdeel uitmaakt van een zelfstandig-naamwoordsgroep die aan het begin van een bijvoeglijke bijzin het antecedent herhaalt.’ Ik denk dat je met een dergelijk taalgebruik heel veel mensen wegjaagt, ook al kunnen ze al die termen elders opzoeken. Waarschijnlijk schrik je er zelfs precies degenen mee af die toch al onzeker waren over hun kennis, en voor wie het Handboek nu juist bedoeld was.

Ik denk dat Klein en Visscher eerlijk menen dat je het zonder al die terminologie niet echt goed uit kunt leggen, maar ze hebben niet gezien dat ze hun doel voorbijschieten. De beperktere aanpak van Renkema, die veel minder formeel schrijft en vaak goede, pakkende voorbeelden heeft gevonden is mij dan veel liever. Renkema speelt ook met zijn stof. Een stukje over het afraden van de lijdende vorm schrijft hij geheel in de lijdende vorm om te demonstreren dat dat zo erg nog niet is. Zo hou je je lezer bij de les. Daarnaast wijdt hij wél een kort maar krachtig hoofdstuk aan de stijl van een tekst, en ook over ‘opbouw’ en ‘leesgemak’ beweert hij veel zinnigs. Nog een voordeel: zijn boek kost de helft van dat van Klein en Visscher. Voor het Handboek spreekt, naast de uitstekende index, weer de lijst van buitenlandse namen die achterin het boek staat. Dat kan goed van pas komen, en Peking heet tenminste gewoon Peking en geen Beijing.

De boodschappers van de wetenschap

De gretigheid waarmee kranten over nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap schrijven is van vrij recente datum. Maar weten journalisten wel genoeg over al die dingen? Piet Hagen schreef een boek over wetenschapsjournalistiek.

WETENSCHAP IN HET NIEUWS, journalistiek schrijven over natuur en techniek, medisch onderzoek en milieu, door Piet Hagen Uitgever wolters-Noordhoff, 284 p., f 42,50

Een bioloog had het boek al gelezen. Hij zei: “Het is een heel aardig boek, maar over biologie staan er wel veel fouten in.” Ik ben geen bioloog, en ik ben ook niet speciaal thuis in de andere onderwer­pen die behandeld worden in Wetenschap in het nieuws, journalistiek schrijven over natuur en techniek, medisch onderzoek en mi­lieu van Piet Hagen, maar ik weet wel wat er niet deugt aan het boek.

Het commentaar van de bioloog was een zuivere illustratie. Ha­gen, vroeger journalist bij Trouw, nu directeur van de Utrechtse School voor de Journalis­tiek (die inmiddels ‘Facul­teit Journalistiek en Commu­nicatie Opleidingen van de Hoge­school Midden Nederland’ heet) schrijft vanuit een misver­stand. Het bijzonder wijdverbreide misverstand ‘dat een goede journalist over alles kan schrijven’.

Veel leed wordt daarmee berokkend. Het doet biolo­gen over de behandeling van een biologisch onderwerp in een boek of in de krant veel te vaak ‘dat klopt niet’ verzuchten. Het maakt dat sociolo­gen in vijf van de tien gevallen naar hun hoofd grijpen bij het lezen van een kranteverslag over een net afgerond sociolo­gisch onder­zoek. En dat artsen journalisten vervloeken wanneer ze weer een angstige pa­tiënt aan de lijn krij­gen die net een medisch stukje in het avondblad gelezen heeft. Het roept met andere woorden een verschijnsel op dat bijna iedereen wel kent: nou net over dat onderwerp waar jij toevallig erg veel van afweet wordt in de pers zoveel onzin beweerd.

Dat is een griezelige gedachte. Niemand weet van alles veel af en iedereen neigt ertoe informatie uit de pers voor waar aan te nemen. Hoeveel misvattingen zou je zo in je leven opdoen? Hagens streven is zulke misvattingen voorkomen. Daar is maar in een woord voor: loffelijk.

De vraag is alleen of dat wel mogelijk is. En wie moet je daarvoor zien te bereiken? In een interview met Iota (de nieuwsbrief van de Stichting voor Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek) zei Hagen zijn boek in de eerste plaats geschreven te hebben voor de gewone journalist: de verslaggever die te maken krijgt met ‘bèta-onderwerpen’ als aids en milieuschandalen. En daarnaast hoopt hij dat mensen die in de wetenschap werken het zullen willen lezen.

Wat zet hij deze beoogde lezers voor? Hagen begint met iets te vertellen over de geschiedenis van de wetenschapsjournalistiek. Die is jong. De eerste generatie wetenschapsjournalisten in Nederland dateert van de jaren zestig. Daarvoor vond je hooguit wel eens een geleerde die zelf een voorlichtend stuk schreef.

Inmiddels heeft de wetenschapsjournalistiek zich een echte plaats verworven in de pers, maar in West-Europa denkt nog steeds 17 procent van de bevolking dat de zon om de aarde draait. Werk aan de winkel dus, want de ontwikkelingen staan natuurlijk niet stil en iedereen loopt alleen maar meer kans in zijn dagelijks leven de gevolgen tegen te komen van wetenschappelijk onderzoek.

De rest van Hagens boek is een wat wonderlijk, maar vaak wel interessant, samenraapsel van praktische gegevens en lessen uit de (soms heel recente) geschiedenis. In buitengewoon kort bestek gaat hij in in op zaken als ‘het experiment’ , ‘paradigma’s’, ‘pseudowetenschap’, ‘wetenschappelijke tijdschriften’, ‘journalistieke genre’s’, ‘jargon’, ‘bronnen’ en een hele reeks zaken die de laatste jaren veel in het nieuws zijn geweest: kanker, aids, (koude) kernfusie, supergeleiding, het ozongat etcetera. Achterin Wetenschap in het nieuws staat nog een appendix met ondermeer een lijst van chemische elementen, tekeningen van de structuur van DNA en de chronologie van casus Buck/Goudsmit.

En tot slot staan er oefeningen in het boek en een ‘Wegwijzer’ met adressen van onderzoeks- en voorlichtingsinstellingen, die incompleet is (waarom bijvoorbeeld wel het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, maar niet het Delta Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek, waar zijn het Hubrecht Laboratorium voor ontwikkelingsbiologie en het ICIN, het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland?).

Telkens komt Hagen terug op het belang van kritische journalistiek. Journalisten moeten volgens hem kritische vragen stellen, kritische besprekingen van proefschriften maken, en in het algemeen niet te snel geloven wat ze verteld wordt.

Gelijk heeft ie. En feitelijk geldt dat natuurlijk voor alle vormen van journalistiek. Maar het kan alleen maar wanneer de journalist erg goed ingevoerd is in de kwestie waarover hij schrijft. Hoe anders kun je gemakkelijk hoofd- en bijzaken scheiden bijvoorbeeld? Specialisatie is trouwens ook al jaren de trend. Zelfs binnen bijvoorbeeld Haagse redacties van kranten worden de departementen  vaak ‘verdeeld’ over de verschillende redactieleden. Het gebied dat Hagen tot onderwerp van zijn boek heeft gemaakt is in vergelijking daarmee absurd breed. En in werkelijkheid is het nog veel breder.

Hagen heeft zich bij de selectie van deelonderwerpen duidelijk laten leiden door de zaken die veel in het nieuws zijn geweest. Het vervelende is nu dat een volgende ‘affaire’ of ‘kwestie’ heel goed over iets totaal anders kan gaan. En dan zullen de journalisten, ook degenen die Hagens boek gelezen hebben, weer dezelfde fouten maken. En zelfs over de in Wetenschap in het nieuws besproken dingen weten ze bij lange na niet genoeg, en als het om biologie gaat alvast de verkeerde dingen. Ik hou bovendien ook een beetje mijn hart vast voor de andere gebieden, want Hagen is zelf een alfa zegt hij.

Is er dan niets aan te doen? Weinig, denk ik. Duizendpoten zijn dun gezaaid. Dat neemt overigens niet weg dat ik denk dat het een journalist, al dan niet in wording, weinig kwaad zal doen dit boek te lezen. Er staan nuttige voorbeelden, vergelijkingen (bijvoorbeeld: de Paroolkop ‘Seropositief bloed helpt aidspatiënt’ tegenover de Trouwkop ‘Aidsdeskundigen staan gereserveerd tegenover injecties besmet bloed’) en waarschuwingen in. ‘Kijk uit met getallen en statistieken!’ is een belangrijke boodschap die er wat mij betreft zelfs nog wat meer ingehamerd had mogen worden.

Maar ik blijf erbij dat je veel meer dan wat fragmentarische basiskennis nodig hebt voor een goedwerkend alarmsysteem in je hoofd. De belletjes moeten alleen op het juiste moment gaan rinkelen.

Ik verwacht daarom meer heil van de tweede doelgroep die Hagen voor ogen had: de wetenschappers. Die zouden veel kunnen leren van de journalistieke aanwijzingen die in het boek staan. Meestal hebben ze geen idee van wat er belangrijk is voor een krant.

En dat is jammer. Als ze meer weten kan dat tot twee dingen leiden: of ze nemen zelf de pen eens ter hand, en doen dat dan minder academisch dan ze gewend zijn. (Oefening baart vaak kunst in deze.) Of ze proberen een journalist te vinden aan wie ze hun verhaal vertellen. Die journalist mag beslist niet onder de indruk zijn van hun geleerdheid en zal door moeten vragen tot hij het echt snapt. En hij doet er verstandig aan zijn eindprodukt nog een keer voor te leggen aan zijn bron.

Echt kritische journalistiek levert dat laatste natuurlijk maar moeilijk op. Daarvoor heb je nu eenmaal die gespecialiseerde journalist nodig die zelf het jargon en de problemen en discussiepunten van een vakgebied kent. En natuurlijk moet die ook nog in staat zijn die zaken netjes te vertalen voor een niet-ingevoerd publiek. Wat dat alles betreft is er trouwens geen enkel verschil tussen de alfa-, bèta-, en gammavakken.

Hagen denkt daar anders over. Onder meer omdat de meeste journalisten alfa’s en gamma’s zijn heeft hij zijn boek beperkt tot de bèta-gebieden. Alsof een historicus vanzelf een goed stuk over psychologie kan schrijven, of een jurist over antropologie. Het lijkt erop dat Hagen de zoveelste alfa is die opkijkt tegen ‘echte wetenschap’. Nogal kortzichtig. Ook wat dat betreft wakkert zijn boek te veel misverstanden nog eens aan.

Dit is echt doodgriezelig

De deur van kamer 114 is dicht. Op zo veel symboliek hadden we niet gerekend. Dat ze er nog niet zijn, is onaannemelijk. Net beneden, terwijl we buiten nog wat fietsen vastzetten, knikten we immers nog naar Folkert Jensma die al in de hal stond van het Volkskrantgebouw aan de Amsterdamse Wibautstraat. Toen we met ons zessen binnenliepen was de hoofdredacteur van NRC Handelsblad alweer verdwenen, zodat we ons door de portier naar boven hebben laten verwijzen. Maar nergens is enig leven te bekennen, zelfs het bezetlichtje brandt niet. Onze advocate klopt aan. En ach, kijk nou. Binnen staat het complete rijkgeschakeerde gezelschap van adjunct-, oud- en gewone hoofdredacteuren, advocaten en nog meer in het gelid, klaar om wat ongemakkelijk handjes te schudden.

‘De fleur van de kranten’ zullen we zo dadelijk genoemd worden, ‘smaakmakers’ hoorden we eerder, en ‘gezichtsbepalend’, maar daartegenover zullen opnieuw dreigementen staan. Ook vandaag zullen we een ‘uitstervend ras’ zijn, al is deze middag de woordkeus gevallen op ‘je diskwalificeren’. Die krantenmannen weten van formuleren.

Het is verwarrend om zo tegenover elkaar te staan, of nu dan te zitten, een brede tafel tussen ons in. Want ook wij zijn krantenmannen en -vrouwen. Wij zijn recensenten, columnisten, interviewers, essayisten, stukjesschrijvers die één ding gemeen hebben: we zijn niet in dienst. Met zijn allen vullen wij een groot deel van de pers – de NRC alleen al wordt voor bijna een derde door freelancers volgeschreven.

We zijn aantrekkelijk voor de kranten, die van onze diensten gebruik kunnen maken zonder meteen en voorgoed aan ons of onze producten vast te zitten. Flexwerkers zijn we, ouderwetse stukloners, fulltime of naast ander werk. Ook voor ons is dat aantrekkelijk. Wij zitten niet vast aan kantooruren of aan onderwerpen die ons geen lor interesseren. Is er ooit gedonder met een opdrachtgever, dan stappen we naar een ander. En bovenal zijn we baas over onszelf en over wat we maken, onze stukken. Altijd. Voor de zekerheden en emolumenten van een betrekking levert een redacteur met zijn zelfstandigheid ook zijn auteursrecht in bij de baas, maar een freelancer verkoopt alleen het recht een artikel één keer te publiceren.

Zo was het, maar nu vijf van de zes landelijke kranten in één hand zijn, en nieuwe media daarnaast weidse vergezichten bieden, staat de basis van onze mooie pluriforme pers ineens te wankelen. Sinds een jaar of drie bestaat het megaconcern PCM, met de Volkskrant, Trouw, NRC Handelsblad, het Algemeen Dagblad en Het Parool als kroonjuwelen. Een prachtbezit, maar voor de toekomst ziet PCM – waarschijnlijk terecht – meer in de elektronische uitgeefmarkt.

Daarin wordt dan ook flink geïnvesteerd. PCM snelt voortvarend over de infobahn met veel geld en oude kranten. Want die laatste blijken goud waard. Al jaren verschijnen er web-edities en cd-roms met materiaal uit de papieren dagbladen. Maar PCM wilde méér met die schatkist aan artikelen: een rijkgevulde commerciële databank. Om al dat elektronisch geweld uit te bouwen en te coördineren zette PCM zelfs een apart bedrijf op, Media Resultant.

In elektronisch opgeslagen teksten kun je fantastisch en razendsnel zoeken. Ook als je héél veel artikelen hebt. En die had PCM, in de vorm van de elektronische archieven van de kranten. Men kocht er nog wat bij, zoals de inhoud van de Groene Amsterdammer, Elle, Quote en ANP-berichten, goot het geheel in een via het internet toegankelijke databank-vorm, en de Nederlandse Persdatabank (www.persdata.nl) met zo’n drie en een half miljoen artikelen was geboren. Iedereen kan zich abonneren, voor prijzen die momenteel uiteenlopen van honderd gulden per maand plus vijf gulden per ingezien artikel, tot bijna een ton per jaar all-in. Vele bibliotheken, omroepen, productiemaatschappijen, verzekeraars, adviesbureaus, bijna alle ministeries en ook het Kabinet der Koningin zijn inmiddels abonnee.

Maar PCM hád helemaal niet de inhoud van alle kranten. Het concern bezat wel de stukken van redacteuren, maar niet de honderdduizenden artikelen van duizenden losse medewerkers. “We waren enorm naïef”, zou Jan Greven, oud-hoofdredacteur van Trouw, nu directeur van PCM landelijke dagbladen daarover later zeggen, “we hebben gewoon helemaal niet gedacht aan de auteursrechten.”

Naïef? Of slecht geïnformeerd en hardleers? In België werd immers al in 1996 Central Station, een commerciële databank van elf uitgevers door de rechter juist vanwege het auteursrecht in de kiem gesmoord. En in 1997 had de Nederlandse rechter bepaald dat de Volkskrant geen cd-roms met stukken van freelancers in de handel mocht brengen zonder dat daarvoor toestemming was gevraagd en een vergoeding overeengekomen. Die uitspraak vermocht op PCM geen indruk te maken, want met Volkskrantmedewerkers Jan Mulder, Huib Stam en Hans Heg die het proces voerden, is tot op de dag van vandaag geen regeling getroffen, en Volkskrant-cd-roms met ook de artikelen van talloze andere freelancers zijn nog steeds verkrijgbaar.

Dat de Nederlandse Persdatabank (NPD) alweer lang geleden achter de ruggen van alle freelancers om on-line is gegaan, past in dat patroon. Het is tevens de grootschaligste schending van het auteursrecht ooit in Nederland gepleegd. In januari van dit jaar werd een aantal van ons op het bestaan van de NPD gewezen door een mede-freelancer.

Dat was vlak nadat alle PCM-freelancers van hun respectieve hoofdredacteuren een lange brief thuisgestuurd hadden gekregen die zich gaandeweg ontpopte tot een door ons te ondertekenen licentieverklaring. De krant wilde drie jaar achter elkaar twee procent van ons jaarhonorarium betalen – een fooi waar een beetje taxichauffeur woedend van zou worden – en dat in ruil voor inlevering van alle elektronische en ook nog flink wat andere rechten op alles wat we ooit voor de krant geschreven hadden, voor eens en voor altijd.

Dat men langs die weg met terugwerkende kracht probeerde alsnog de illegale zaken af te dekken, werd er niet bij verteld. Sterker nog, in de licentietekst werd de NPD weliswaar in het voorbijgaan genoemd, maar als iets dat gepland werd voor de toekomst.

Zo kwamen bij het aanvankelijke verzwijgen de leugens. En toen dat niet voldoende hielp, volgden bedreiging en intimidatie. Weigerachtige freelancers werden in opdracht van PCM zelfs door chef-redacteuren thuis opgebeld met de boodschap: gauw tekenen, of anders… Nieuwe freelancers moeten al een tijd lang (sinds wanneer verschilt van krant tot krant) bijna al hun rechten bij de voordeur inleveren, zonder dat daar iets noemenswaards tegenover staat. Eénmalig publicatierecht? Niks mee te maken. Wij willen voortaan kunnen doen wat we maar willen met je stuk, en anders hoeven we het niet, is de boodschap aan de trillende beginneling. Een knap type dat zich daar tegen verzet.

Het merkwaardigste bij alles is de rol van de hoofdredacteuren, wier eerste verantwoordelijkheid een journalistieke is: het maken van een goede, aantrekkelijke krant. Van die elektronische rechten profiteren vooral de aandeelhouders van PCM, niet de redacties. Toch zetten de hoofdredacteuren zomaar hun relatie met hun freelancers op het spel door klakkeloos het PCM-beleid uit te voeren, NRC Handelsblad, de kwaliteitskrant voor nette mensen bij uitstek, voorop.

En ze gaan ver, heel ver. In kamer 114 vragen we Volkskranthoofdredacteur Pieter Broertjes: Stel, ik heb een mooi stuk voor je, iets bijzonders, en ik bied het jou aan, maar ik wil niet de licentie ondertekenen, wat dan? Broertjes is kort maar duidelijk: hij zou het artikel niet nemen. Dus kijken we Folkert Jensma, naast hem, aan: Oké, de Volkskrant wil het niet, wil de NRC het dan? En ook voor hem blijkt het niet willen afstaan van de hergebruiksrechten reden het artikel te weigeren. Bij de rest zou het precies zo gaan, voegt Greven kil toe; wie weigert ‘hoort niet meer bij de kranten’. We begrijpen dat ook het belangrijkste verhaal de krant niet meer zal halen enkel omdat het daarna niet ook nog eens elektronisch geëxploiteerd kan worden. Door een ander, bovendien. Weg journalistieke onafhankelijkheid, weg eigenstandigheid van de beste kranten van Nederland. En we realiseren ons: dit is echt doodgriezelig.

Griezelig voor iedereen. Want wat als de toekomst inderdaad aan de elektronica is, en de papieren krant in de verdrukking raakt? Als de freelancers dan hun rechten – dat wil voor velen zeggen: hun bedrijfskapitaal – voor een habbekrats verkwanseld hebben, dan wordt freelance schrijven op den duur zelfs onmogelijk. Dan moet u het alsnog doen zonder de stukken van auteurs als Nicolaas Matsier, Rudy Kousbroek, Remco Campert, Hans Ree, Anna Tilroe, Martin Bril, Bernadette de Wit, Maarten van Rossem, Abram de Swaan, Johannes van Dam, Sarah Hart, Rita Kohnstamm, Max Pam, Theodor Holman, Marjan Berk, K. Schippers, Gerard van Westerloo en Ileen Montijn, om maar een paar van de mensen te noemen die zich in de FreeLancers Associatie verzetten tegen het machtsmisbruik door PCM.

Griezelig is het ook voor boekuitgevers. Stukken uit de krant worden later vaak (delen van) een boek. De uitgever van dat boek heeft dan de zogeheten ‘nevenrechten’. Op dit ogenblik zwerven door de NPD al vele boeken en boekhoofdstukken rond, die door hun aanwezigheid die rechten schenden. De Groep Algemene Uitgevers (GAU), de club van boekuitgevers in Nederland, heeft zich daarover bij monde van voorzitter Joost Nijsen dan ook zeer verontrust verklaard.

Zo blijft van het auteursrecht, wet of niet, weinig over. Dus willen we hom of kuit, in kamer 114. Simpele erkenning van het feit dat volgens de auteurswet toestemming nodig is om ons werk elektronisch op te slaan, onder toezegging dat we die toestemming moeiteloos en om niet zullen geven voor opname in het archief van de eigen krant, zoals het altijd geweest is. Maar PCM wil het niet horen. Het is niet geïnteresseerd in een krantenarchief dat ook echt het archief van een krant is en blijft. Het wil per se anderen laten profiteren. In elk geval alle andere kranten binnen het concern, en liefst ook de rest van de wereld. Zonder last van of redelijke betaling aan freelance auteurs. Er valt voor PCM geld te verdienen, realiseren we ons, en daarvoor moeten de rechten van freelancers en boekuitgevers maar wijken, evenals de journalistieke zelfstandigheid van de kranten.

We dalen weer af naar de hal en de zon buiten, en kijken onderweg ineens met andere ogen naar het Volkskantgebouw, ooit burcht van onafhankelijke, kritische journalistiek. Natuurlijk, wij zien heel goed de prachtige mogelijkheden van de nieuwe media, maar wat we niet zien is waarom die niet gewoon op een fatsoenlijke manier en aan de hand van redelijke afspraken tot stand kunnen komen.

Een omkering, een draai en een leugen

PIET GRIJS, Célina Smit, Chapkis, Battus en een keer Tamar. VN-columnist Hugo Brandt Corstius was de absolute koning van de pseudoniemen.

Het schijnt allemaal de schuld te zijn van Jan Eijkelboom. Pas later zou die beroemd en bekroond worden als Dordtse dichter, maar eind jaren vijftig waren Eijkelboom en zijn keukentafel het kloppend hart van een nieuw Vrij Nederland in wording. De braafheid moest eraf, het moest anders, en er moest meer gelachen worden.

Eijkelboom (1926-2008) wist ook wel ongeveer hoe. Voordat hij redacteur werd bij Vrij Nederland, was hij redacteur geweest bij het Amsterdamse studentenblad Propria Cures. Daar zoemde, zinderde, bruiste het in die jaren van het talent. Jan Eijk, zoals z’n mede-PC’ers hem noemden, haalde er de ideeën en de mensen vandaan.

Onder wie Rinus Ferdinandusse (1931), die Eijkelboom nu aanwijst als beginpunt voor het soort Vrij Nederland waarvan hij zelf vanaf 1969 lang hoofdredacteur zou zijn. Propria Cures leverde onder anderen ook die andere, latere hoofdredacteur: Joop van Tijn. En de twee mensen die met hun columns de publieke opinie vanaf de jaren zestig continu voedden en nogal eens bepaalden. Renate Rubinstein, toentertijd getrouwd met ook alweer een PC-redactielid, Aad Nuis, was de ene. Als Tamar werd ze de eerste echte columnist in Nederland. Ze zou tot haar dood in 1990 Tamar blijven.

Hugo Brandt Corstius (1935-2014) was de andere. Het langdurigst schreef hij als Piet Grijs. Meer dan eens ook tegen Tamar. Frontale botsingen, verbeten vetes werden het zelfs.  Maar daar ging van alles aan vooraf.

Brandt Corstius’ entree in Vrij Nederland moet gegeven alle connecties wel doorgestoken kaart geweest zijn. Gnuivend zal Jan Eijkelboom op 22 juni 1959 achter zijn typemachine zijn gaan zitten om te tikken: ‘Zeer geachte heer Brandt Corstius, uit publicaties van uw hand in ‘propria cures’ en Hollands Weekblad is ons gebleken dat uw politieke overtuiging min of meer overeenkomt met die welke door ons wordt aangehangen en dat u daarover op onderhoudende wijze kunt schrijven.’

Hugo was op dat moment 23 en nog student wiskunde. Eijkelboom liet hem beginnen met maar liefst twee stukken over het communistisch jeugdfestival in Wenen. Dat doet Brandt Corstius. Niet eens braaf, want de toon is al licht en hier en daar tongue in cheek. Maar al snel begint Vrij Nederland met Vrij Blijvend, een rubriek die een speeltuin en oefenterrein is.

Het is ook een overduidelijke voorloper van wat latere  VN-lezers als Terzijde leerden kennen. Zelfs het zwartomkaderde onderrubriekje ‘om over na te denken’ met woordspelingen zat er meteen bij.

Drie personen maken de rubriek. Behalve Rinus Ferdinandusse en Hugo Brandt Corstius ook de tekenaar Peter Vos. De allereerste Vrij Blijvend bevat al een Nederlandse leeuw  van zijn hand (een met een spiegeltje die zijn manen kamt), in een wat ruwere versie van hoe hij er talloze zou tekenen voor Terzijde, tientallen jaren lang.  Ook Peter Vos kwam van Propria Cures. Mede daarom lijken het eerste en het tweede plakboek-met-eigen-werk van Hugo Brandt Corstius werkelijk als twee druppels water op elkaar. VN was een voortzetting van PC.

In het begin is er de sfeer van samen iets maken, komen ze wekelijks bij elkaar. Dat duurde een jaar of anderhalf, schat Ferdinandusse nu. Daarna werd het ieder voor zich. Zo bleef het. Afstand tot de columnist Piet Grijs was voor Ferdinandusse dé manier om die columnist de totale vrijheid in wat hij schreef te laten behouden, zegt hij. Al deed hij in 1985 nog wel een poging om de clashende Tamar en Grijs in een gezamenlijke brief tot een wapenstilstand te bewegen. Zonder resultaat.

De bijdragen van Brandt Corstius aan Vrij Blijvend waren vaak anoniem, of onder pseudoniem. Uiteindelijk zou hij de absolute koning van de pseudoniemen worden. Ook al een in zijn PC-tijd opgepikte gewoonte. In 1957, in het nummer waarin Brandt Corstius officieel toetreedt tot de redactie, staat bijvoorbeeld een brief van ene Célina Smit. Zij dringt in duidelijke bewoordingen aan op het wegsturen van twee redacteuren: de latere hoogleraar Nederlandse taalkunde Wim Klooster, en de latere VVD-politicus Frits Bolkestein. Célina is Hugo, en het werkt nog ook. De weinig kopij leverende redactieleden worden fluks de PC-redactie uitgezet.

Het eerste Vrij Blijvend-stukje van Brandt Corstius is meteen onder pseudoniem. Niet uit te spreken: CZEBYCEV. De naam van een Russische wiskundige, naar verluidt. Naar het waarom is het nog gissen. Maar het is een fraaie tekst over de poëzie die schuilt in de aanwijzingen op van gemeentewege verschafte warmwaterinstallaties. Een tekst die exact zo verscheen in Propria Cures, een paar jaar daarvoor.  En die later nogmaals gepubliceerd zou worden. Toen onder de naam Raoul Chapkis, in diens bundel Ik sta op mijn hoofd.

Opmerkelijk, want het pseudoniem Chapkis werd pas begin jaren zestig geboren. Het kwam mee terug uit Amerika. Brandt Corstius had daar een vriendin die Abby Chapkis heette, die hij overigens verliet omdat hij uit de brieven van Renate Rubinstein begreep dat die Aad Nuis ging verlaten. Hij was ook al vertrokken omdat hij Renate niet kon krijgen, zo schrijft hij tenminste in een brief aan haar. Dat is nadat ze kortstondig wat hebben gehad, én nadat Renate daar een eind aan heeft gemaakt.

Kwam alle controverse daarvandaan? Zo simpel zal het niet liggen. Maar Renate bleef in zijn gedachten. In de allerlaatste column van Piet Grijs gaat de laatste alinea over Renate, die in 2008 toch al 18 jaar dood was. Hij onthult hoe hij ooit een Tamar-column schreef, op een typische Hugo Brandt Corstius manier: met een omkering, een draai en een leugen, want hij zegt het door te zeggen dat hij het nooit zal zeggen.

Maar het is zo. Naast zijn Vrij Blijvend-stukjes zit in zijn plakboek ook een Tamar, uit maart 1963.

Zelfs Tamar was dus een van zijn pseudoniemen. Al ver voor Piet Grijs geboren werd. Want dat gebeurde pas na de dood van Raoul Chapkis, in 1967.

Hoe hij aan Piet Grijs kwam? Ook uit een verhouding met een Amerikaanse vrouw. Met de naam Pat Gray. Een zwart model en actrice. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Liesbeth Koenen werkt aan een biografie van Hugo Brandt Corstius

NOOT: In september 2015 was het 75 jaar geleden dat het eerste nummer van Vrij Nederland, toen natuurlijk een illegale verzetskrant, verscheen. Een speciaal feestnummer bevatte 75 portretten van mensen die volgens de redactie Nederland in die 75 jaar hebben vernieuwd. Dit was een van die 75 portretten.

Dit is geen klein meisje

Dom. Weer geen poging gedaan vijfenveertigduizend gulden in de wacht te slepen. We zijn al ver na de deadline voor de ECI schrijfwedstrijd, waarmee dit najaar voor de tweede maal ruim een ton aan prijzen te verdienen valt. Dit keer moet het van de boekenclub over ‘De lezer tussen woord en beeld gaan’.

Raar onderwerp dacht ik meteen toen ik het aangekondigd zag in de kranten: de lezer zit toch altijd tussen woord en beeld in? Wat is lezen anders dan de connectie leggen tussen een aantal afgesproken vormpjes, beelden dus, en de woorden in je hoofd?

Niet dat dat onbelangrijk of vanzelfsprekend is. Zelf vind ik het een van de interessantste raadsels in de geschiedenis: hoe is de gedachte onstaan dat datgene wat je hoorde en zei vastgelegd kon worden in beelden? En waarom is dat zo’n vijfeneenhalf duizend jaar geleden pas voor het eerst gebeurd?

Volgens de geleerden is taal op z’n laatst dertigduizend jaar geleden ontstaan, en de meesten schatten dat het nog veel langer daarvoor gebeurde. Vanwaar dat gat? En waarom ontstond schrift alleen op sommige plaatsen? Let wel: onafhankelijk van elkaar, en op verschillende manieren, met verschillende methoden.

Nog steeds kun je grofweg stellen dat er twee benaderingswijzen zijn: of je legt de klank vast (dat kan ook per lettergreep), of de betekenis. Wij doen het eerste, de Chinezen doen met hun karakters het tweede. Soms is het ook een mengelmoesje: dat schijnt bij hiërogliefen het geval te zijn. Die prachtige geschilderde of gebeitelde plaatjes (zelfs de kleuren zijn dikwijls bewaard gebleven) kunnen zowel staan voor een klank als voor een heel woord.

Maar hoe zit dat nu precies met die koppeling tussen beeld en woord? Is daar iets bijzonders mee? Er zijn zoveel wegen waarlangs je een woord kunt bereiken. Alle zintuigen kunnen helpen.

Je kunt bijvoorbeeld zowel ruiken, zien, voelen als proeven dat iets een appel is. En zelfs horen dat iemand een hap neemt kan genoeg zijn om uit te roepen ‘dat is een appel’. Maar ‘appel’ is een misleidend voorbeeld. Bij de meeste woorden is er geen sprake van dat ze alle zintuigen kunnen prikkelen. En ‘zien’ kun je alleen concrete zaken of activiteiten. Je kunt geen ‘ideeën’ zien, of ‘het’, of ‘mogen’.

Althans, niet rechtstreeks. Er zijn maar twee kanalen waarlangs letterlijk alle woorden ons kunnen bereiken: we kunnen ze horen en lezen.

En bij alletwee geldt dat er een omweg nodig is. Trillingen in de lucht of tekentjes op papier of iets anders, moeten gekoppeld worden aan iets dat in ons hoofd zit.

Lezers en luisteraars zijn dus voortdurend aan het decoderen. De behendigheid die daarin bereikt kan worden maakt dat we dat meestal vergeten. Aan de moeite die het ons kostte onze moedertaal te leren bewaren we vrijwel geen herinneringen, en ervaren lezers denken over het algemeen echt niet meer terug aan de tijd dat ze met hun tong uit hun mond woordjes zaten te spellen.

Toch blijkt in de praktijk dat begrijpen wat je leest lastiger te leren is dan begrijpen wat je hoort. Er zijn in dit land honderdduizenden mensen die leesonderwijs op school hebben gehad, maar die daar niet genoeg van opgestoken hebben om er in het dagelijks leven profijt van te hebben. Maar met gesprekken voeren hebben ze natuurlijk geen enkel probleem.

Misschien dat de moeilijkheid hem zit in de overstap maken van spellen naar woordbeelden. Dat hir iets rars aan de hand is ziet iedere getrainde lezer van het Nederlands letterlijk in één oogopslag. Het woordbeeld klopt niet. De afspraak die voor de Nederlandse spellingswijze gemaakt is, wordt geschonden. En as ik nouw wat fooneetiesur gaa spelluh, dan kompt musschien duh herinnurring aan duh laagurruh school weer boovuh.

Het in de loop der jaren opgebouwde en verfijnde automatisme valt op dat moment weg, het moet ineens weer ‘bewust’. Onbekende woorden kunnen datzelfde effect hebben. Het is met lezen – en ook schrijven – als met het leren van een figuur uit de rumba of de cha-cha-cha. Eerst moet je alle afzonderlijke bewegingen langzaam voorgedaan krijgen, je moet stapje voor stapje oefenen, en pas daarna ben je in staat het figuur als een geheel te zien en uit te voeren. De meeste dansschoolleerlingen leren dat met wat horten en stoten wel, maar een enkeling blijft over zijn voeten struikelen en raakt verstrikt wanneer alles in een vloeiende beweging moet gaan. Hij krijgt geen ‘beeld’ van het figuur als geheel.

‘Beeld’? Daar zit ‘m natuurlijk de truc van de ECI-titel. Met het woord ‘beeld’ kun je echt alle kanten op. Lezen is niet alleen een kwestie van beelden omzetten in woorden, een woord kan zelf ook weer nieuwe beelden oproepen. ‘Waterijsje’, ‘hemelbed’, ‘rennen’: de woorden lezen is voldoende om ze te ‘zien’.

En meerdere woorden bij elkaar kunnen één beeld oproepen. Onontkoombaar zelfs. Probeer nu maar eens géén klein meisje is een rood jasje met een rode ballon in haar hand voor u te zien. Andersom kan een beeld ook weer een woord, of een gedicht, of wie weet een complete roman oproepen. Tussen woorden en beelden zijn de gekste wisselwerkingen denkbaar. En vooral in de kunsten is daar flink mee geëxperimenteerd en gespeeld.

Al die abstracte schilderijen waar niks figuratiefs in te ontdekken viel en die dan toch ‘man met hond’ of ‘stilleven’ als titel hadden. En natuurlijk Margritte’s tekening van een pijp waarbij stond dat het geen pijp was. Woorden kunnen zo leuk het verwachtingspatroon doorbreken, of een ander licht werpen op wat je ziet.

Zo herinner ik me nog altijd de pagina vol komma’s (ik geloof van K. Schippers, in ieder geval kwam het uit de jaren zestig) waaronder stond: zoek het donderkopje tussen de komma’s. De oplossing stond een aantal bladzijden verder: een pagina met nog maar een komma.

En tegenwoordig heb je Malsen die voor de achterpagina van de NRC honderden getekende cryptogrammen gemaakt heeft: plaatjes waarin hij bijvoorbeeld gebruikt maakt van de verschillende betekenissen die woorden als ‘stuk’ of ‘stoot’ of ‘middel’ hebben.

Een woord simpelweg vervangen door een beeld kan ook een mooie manier zijn om aandacht te trekken.

De firma Albert Heijn doet dat. Daar wilden ze blijkbaar eens af van de kreet ‘Albert Heijn blijft op de kleintjes letten’. Wekenlang kregen we advertenties te zien waar het woord ‘kleintjes’ vervangen was door een foto van iets eetbaars waar gemakkelijk een verkleinwoord van te maken was: frietjes, tartaartjes, spruitjes. Daarna dachten ze dat we de truc wel doorhadden en gingen ze door met teksten als ‘wij staan (foto van een grote sesambol) van de bolletjes’. Zo’n puzzeltje geeft de lezer het aangename gevoel dat hij niet achterlijk is: hij heeft ‘m door. Enfin, Albert Heijns reclamebureau maakt al jaren slimme advertenties.

Maar de wisselwerking tussen woord en beeld gaat nog verder. Een van onze sterkste leermechanismen is de niet te stuiten neiging om nieuwe informatie te verbinden met de dingen die we al wisten. Ook als het nergens op slaat proberen we zaken in te passen of aan de een of andere kapstok te hangen.

‘Associëren’ is het woord dat we voor die bezigheid gebruiken. En dat doen we heel vaak onbewust. Een heel probleem voor fabrikanten die een nieuw produkt willen uitbrengen. Zo’n produkt moet een naam krijgen die geen verkeerde associaties oproept. Het menselijk reconstructievermogen zit dan al gauw in de weg. Dat reconstructievermogen zorgt dat we ook in lawaaiige omgevingen gesprekken kunnen volgen, en dat onleesbare handschriften met wat moeite nog wel te ontcijferen zijn.

Maar het zorgt er ook voor dat de naam ‘Kingsford’ voor houtskool niet geschikt is. Mensen denken daarbij aan pepermunt, zo is onderzocht. De merknaam ‘Lenco’ (platenspelers) doet ze aan drop denken, en ‘Biv’ (een anti-aanbakmiddel) onder andere aan worstjes. Het kan niet anders of dat moet komen door King-pepermunt, Venco-drop en Bifi-worstjes. Het beeld van het nieuwe woord roept het beeld van het oude woord op, zelfs zonder dat we dat in de gaten hebben. De naam ‘Stender’ (voor alcoholarme Grolsch) schijnt het juist weer erg goed te doen: dat brengt de woorden ‘standing’ en ‘sterk’ in gedachten.

Associëren is een krachtig hulpmiddel. Bouw dat maar eens in een computer in. Enfin, die zou in Italië waarschijnlijk ook niet zeer tegen zijn zin met een beker warme melk in zijn handen komen te staan, zoals mij eens overkwam, omdat hij dacht dat ‘caldo’ vast wel ‘koud’ zou betekenen. ‘Valse vrienden’ heten die nep-ezelsbruggetjes heel terecht (‘manchmal’ betekent niet ‘menigmaal’, ‘invalid’ is niet hetzelfde als ‘invalide’, een ‘pasteur’ is geen ‘pastoor’).

Ik denk eigenlijk niet dat de inzendingen voor de ECI-prijsvraag over al deze woord-beeld-tegenstellingen en -overeenkomsten zullen gaan. Ik schat dat ze gaan over de rijke verbeelding van dichters. Over de evocatieve kracht van Lucebert bijvoorbeeld. Of over het beeld dat de lezer van een romanfiguur had, en dat bij de verfilming geheel geschonden raakte. En dat we dus met z’n allen ‘Eline Vere’ en ‘Mieters’ moeten boycotten.

Of misschien blijken er – wat god verhoede – wel meer types rond te lopen als professor Mieke Bal die in de schilderijen van Rembrandt allerlei vrouwonvriendelijk ontuchtigs ‘leest’. Of misschien heb ik wel helemaal ongelijk, en komt er net als de vorige keer (toen de titel, brrr, gruwel, ‘Gaat het Nederlands teloor?’ moest luiden) onverwachts een prachtig en origineel essay uit.

Dat stuk, geschreven door Jet Wester, met de titel ‘De Tao van taal, of: Chanel no. 5 en het Geval Nederlands’ kan ik van harte aanbevelen bij iedereen die eens iets leuks en interessants over spelling wil lezen. Feitelijk ging dat trouwens ook over woorden en de beelden die je daarvan in je hoofd hebt.

Verleiden tot schrijven

Leren schrijven gaat spelenderwijs met het programma TiO-Schrijven. Een ‘elfje’ is het leukst en sterke werkwoorden zijn ‘hoog-riskant’.

Hij noemt schrijven het lelijke eendje van het onderwijs. Een stiefkind, van oudsher. Daarom heeft Ad Bok naar eigen schatting tussen de drie- en de vierduizend uren gestoken in… ja, in wat precies? Een ‘rijke leeromgeving’ zegt hij zelf. Het is een computerprogramma waarop je kunt inloggen op het web, en dat niet alleen schrijfopdrachten geeft, maar ook grote hoeveelheden tips, voorbeelden, suggesties, uitleg, waarschuwingen en aanwijzingen. Bedoeld om leerlingen vanaf een jaar of tien tot en met de bovenbouw van het voortgezet onderwijs basisvaardigheden op schrijfgebied bij te brengen.

“Iedereen klaagt over de schriftelijke taalvaardigheid,’ zegt Bok in zijn kantoor-aan-huis in het Brabantse Rosmalen. “Iedereen vindt het ook belangrijk, maar het schrijfonderwijs op school is bijna niets. Een paar tekstjes per jaar moeten ze maken, en dan heb je het vaak al gehad. Leerlingen blijven onzeker, en de leraren zijn teleurgesteld over de opbrengst van hun werk.” Er klinkt begrip door voor alle partijen in de klas. “Ik ben een ouwe onderwijzer, dat ben ik nooit kwijtgeraakt,” verklaart Bok (1942). Hij werkte onder meer als opleider op een Pabo en maakte onderwijsmateriaal, waarvan de leesmethode Tekst verwerken waarschijnlijk het bekendste is. Tien jaar geleden promoveerde hij op een proefschrift met de titel Taalonderwijs in Ontwikkeling, afgekort: TiO. En zo heet ook zijn leren-schrijven-programma.

TiO – Schrijven stoelt op het idee dat er bij het maken van een goede tekst een hele hoop komt kijken. Het wordt onderschat, vindt Bok, het gaat om een complexe vaardigheid, die je moet ontwikkelen. “Over leren praten doe je ook jaren,” zegt hij. Samen met zijn Pabo-studenten besprak Bok allerlei teksten om erachter te komen wat nou saai is, wat boeiend, wat grappig en waar al die dingen ’m in zitten.

Dat heeft een deel opgeleverd van de tips en andere ‘prikkels’, zoals Bok ze noemt, waar het TiO-programma vol mee zit. “Het is zoveel dat ‘ik ben klaar’ niet bestaat,” legt hij uit. “Alles doen zou ongeveer 800 uur kosten.” Daar komt geen leerling aan toe natuurlijk, ook niet als die het strenge voorschrift van meester Bok volgt, en drie jaar achter elkaar telkens minstens veertig nieuwe teksten schrijft.

Zo veel oefenen moet sowieso wel vrucht afwerpen zou je zeggen, dus de echte vraag is of het programma leerlingen daartoe weet te verleiden. Bok benadrukt graag dat ze bij hem geen faalangst hoeven krijgen. Is dat zo?

Een aantal malen stevig grasduinen in het programma en er zelf mee schrijven en oefenen, enthousiasmeert zeker. Om te beginnen ziet het er allemaal niet vreselijk gelikt uit, maar prettig functioneel. Het programma neemt het totale scherm in beslag.Wie inlogt, komt direct bij zijn eigen ‘Jaarboek’ terecht. Teksten die ‘klaar’ verklaard zijn, blijven daar bewaard. Er nog in veranderen of ze weggooien kan niet. “Leerlingen kunnen zo zien dat ze vooruitgaan,” verklaart Bok, “en ze hebben een soort dagboek, dat na afloop ook nog minstens tien jaar blijft staan.”

Het gaat als volgt: je kiest zelf je opdracht, inclusief het soort tekst dat je wil maken. Daarbij word je op allerlei manieren op weg geholpen. Er zijn categorieën: ‘Echt waar…’, ‘Verhalen’, ‘Formuleren’ en ‘Argumenten’. Daarachter zit dan steeds een heel stel keuzemogelijkheden. Bijvoorbeeld ‘Oei!’, dat op zijn beurt weer verdeeld is in ‘Kriebels’, ‘Mijn lijf’, ‘Ziek’ en ‘Ik zag iets ergs’.

Tot de ‘Vaste vormen’ rekent Bok algemeen bekende zoals limericks en haiku’s, maar ook het type humor waar marktkooplui goed in zijn, en het verhaalmotief van de tijdmachine. Onderverdelingen doen soms willekeurig aan, maar erg is dat niet. Er wordt altijd iets verteld of uitgelegd, en daar zit dan een losjes geformuleerde opdracht aan vast. (‘Kun je zelf een verhaal met markthumor verzinnen?’).

Is je ruwe tekst af, dan ga je naar het menu ‘Verbeteren’ en tot slot naar ‘Verzorgen’. Je moet er wel lang genoeg over doen, en ook voldoende hulpknoppen gebruiken, anders wordt de knop waarmee je een onderdeel afsluit niet groen.

Het moet gezegd dat er veel origineels in het programma zit. Zo vind je achter ‘Verbeteren’ het onderdeel ‘Helder’, dat onder meer leidt naar ‘Stofzuigen’. Mooi gevonden term voor de aansporing overbodige woorden en woordjes weg te halen. Maar leerlingen worden ook voortdurend op gedachten gebracht, met zinnetjes als ‘Kijk er eens naar alsof je een mier was’ of ‘Hoe ging dat vroeger?’. Ook over spelling en grammatica doet het programma alleen suggesties. Je tekst even snel elders door een checker halen gaat niet, want te knippen en plakken valt er niks.

En ja, het werkt, volgens René van Gerven, docent Nederlands aan het Rodenborchcollege in Rosmalen, een van de scholen waar TiO – Schrijven sinds kort gebruikt wordt. Van Gerven begint aan de telefoon meteen over het enthousiasme van de brugklassers. “Die hebben al tientallen teksten klaar. Maar ook in Havo 3, niet de makkelijkste klas, hoor ik ‘oh, da’s leuk!’. Ze kijken ook bij elkaar, als ze willen mogen ze samen schrijven. Ik laat ze het liefst zelf hun beste en hun slechtste tekst uitkiezen.”

“Over de humor zeggen sommigen wel het is mijn humor niet, maar dan snappen ze toch hoe je grappen kunt gebruiken. En soms zijn dingen te kinderachtig, of juist te moeilijk. Dan vragen ze: die argumenten, waar vind ik dat dan in mijn tekst? ‘De ramp’, die vinden ze helemaal leuk. Dan moeten ze een ramp beschrijven, in korte, poëtische regels, zónder rijm. En het ‘elfje’ is een groot succes, elf woorden, vijf regels: een, twee, drie, vier en dan weer één woord. De leeromgeving werkt vaak goed, en leerlingen zijn heel trots als hun tekst net iets meer heeft.”

Niet dat het paradijs alom is uitgebroken. Er zijn vaak praktische problemen: te weinig computers, te weinig tijd. En niet alle docenten zijn dol op de coach-rol die ook Bok voor ogen staat. Van Gerven: “Hiermee moet je veel meer begeleiden, rondlopen, overal even kijken. Dat is wennen voor wie zelf veel aan het woord wil zijn.” Natuurlijk is het programma ook nog verre van volmaakt. Van Gerven zou bijvoorbeeld wensen dat je er een vrije opdracht mee kon maken, en hij komt nog geregeld ‘systeemfoutjes’ tegen, die hij doorspeelt aan Bok.

Wie het programma wil belazeren, heeft een makkie: op hulpknopjes drukken zonder iets te lezen bijvoorbeeld, en geen elfje maar stiekem een twaalfje maken. Daar zegt TiO niks van. Sterker nog: het raadt je dan aan te overwegen ‘meer complexe zinnen’ te gebruiken. Hier wreekt zich dat computers geen taal snappen, en dat één man niet aan alles kan denken.

Regels en uitzonderingen bij taalinstructies zijn ook gauw een lastig punt. Kennelijk heeft Bok bijvoorbeeld bedacht dat sterke werkwoorden (die van klinker veranderen) ‘hoog-riskant’ zijn, dus: gemakkelijk fout gaan. Gevolg: elke keer als je ‘weet’ intikt, krijg je te lezen dat het een hoog-riskante vorm is. Dat geeft geheid verwarring, want weliswaar is de verleden tijd van ‘weet’ ‘wist’, maar dat weet elk kind

Wordt al aan gewerkt, reageert Bok, net als aan Van Gervens wensen en allerlei slordigheidjes. Prettig voor de ongeveer veertig scholen die komend schooljaar met TiO gaan beginnen. “Dat die het programma in een tijd van verandermoeheid omarmen, is bijzonder,” vindt Bok. Net als dat er binnenkort een promotieonderzoek start naar de werking van TiO.

Abonnementen op TiO- Schrijven kosten, afhankelijk van schooltype, 10 tot 15 euro per gebruiker per jaar. Er hoort een uitvoerige handleiding – nog in ontwikkeling – bij.

Informatie: Tio@bveo.nl

Verdrinken bij het kanaalzwemmen

Aan Sietse van der Hoeks kritiek op de Nederlandse televisie is maar één ding duidelijk: Sietse van der Hoek is er niet gelukkig mee. Voor het overige blijft elke vraag over zijn cultuurschok onbeantwoord.

WIE KIJKT IS GEK Over het drama dat televisie heet, door Sietse van der Hoek. Uitgever Prometheus, 148 p. f 19,90 

“Het is net of je naast een zwaar verslaafde zapper tv zit te kijken”, dacht ik al gauw, “híj heeft de afstandsbedie­ning in z’n hand, floept van de ene zender naar de andere, en ik heb geen inspraak.”

Het uitlezen van Sietse van der Hoeks Wie kijkt is gek, over het drama dat televisie heet is me niet meegevallen. Zelden heb ik zo’n grote verzameling warrigheden, hapsnapmede­delingen en loshan­gende citaten tussen twee kaftjes gezien. Zap, zap zap: ineens is Germaine Groenier aan het woord, of Cherry Duyns, of Theo Reitsma, dan weer beschrijft Van der Hoek een scène uit een programma, onmiddel­lijk gevolgd door weer wat namen, het ene moment is de toon luchtig, het andere serieus. En alsof het nog niet genoeg een compilatie van fragmenten is, krijgen we tegen het eind van het boek nog eens zeventien pagina’s cita­ten van anderen. Stuk voor stuk over Sietse van der Hoek.

Zouden die vier jaar onafgebroken televi­siekijken voor de Volkskrant Van der Hoek te veel zijn gewor­den? Heeft hij zo zitten kanaalzwemmen dat hij niet meer in staat is de lijn van een verhaal vast te houden? Zelfs de hoofdstukken vertonen nauwe­lijks enige coherentie en lijken op volkomen willekeurige momenten te beginnen en op te houden. De kroeg­conversaties waar het boek mee opent en afsluit verhelde­ren ook al niets. De tendens is daarentegen op elke pagina duidelijk, en bij ieder­een die zijn recensies wel eens las bekend: Sietse is helemaal niet gelukkig met de Nederlandse tv.

Dat wisten we al. Jammer nou toch dat hij niet meer in z’n mars blijkt te hebben. Van der Hoeks onder­werp ligt me name­lijk na aan het hart. Net als de meeste Nederlanders breng ook ik uren per dag voor dat ding door. Net als van der Hoek erger ik me vrijwel dagelijks. Maar we kijken allemaal, en we zijn dus allemaal gek.

Hoe kan dat nou? Over die vraag had ik graag het een en ander gelezen in een boek van een televisierecen­sent. Van der Hoek heeft volgens mij de sleutel voor het antwoord ook wel in han­den, maar hij kan het goede slot niet vinden.

Bijna op het vertederende af blijft hij zich opwinden over de rotzooi die er gemaakt wordt voor televisie, over de liefde­loosheid van programmamakers, over alle onkunde en luiheid. En hij heeft heel dikwijls gelijk. Alleen is zijn verbazing over de wanprodukten zo ongelooflijk naïef.

Verontwaardigd zegt hij ergens over het hebben van een televisie: “Alsof de aanwezig­heid van een brievenbus in ieders voordeur zou inhouden dat iedereen alle kranten, alle weekbladen en tijdschriften, en al het andere drukwerk elke dag thuis bezorgd zou krijgen. Van De Telegraaf tot de Volkskrant, van Privé tot Vrij Nederland, van Schöner Wohnen,Automagazine en alle huis-aan-huis-bladen tot De Gids en de dundrukuitgave van de verzamelde werken van Gerbrand Adriaensz. Bredero.” 

Dat is de vinger op de wonde plek. Zo is het inderdaad precies. Televisie levert het com­plete assortiment van de bladenman thuis aan.

Wat ik niet begrijp is waarom Van der Hoek voor televisie andere maatstaven aanlegt dan voor de geschreven media. Hij zou het toch niet in zijn hersens gehaald hebben om bij zijn wekelijkse bespreking van de opinieweekbladen Elsevier met de Weekend te gaan vergelijken, of de Viva met Vrij Nederland? Waarom doet hij dat dan wel als het om televisie gaat? Waarom zou je Bij nader inzien willen vergelijken met Goede Tijden, Slechte Tijden?

In geen enkele andere sector ge­beurt zoiets. Pulp wordt door de Volkskrant normaal gesproken genegeerd. Geheide bestsellers als van Toon Hermans of Nel Benschop worden niet besproken of anders als merkwaardig fenomeen behandeld. Goedkope vechtfilms worden in drie regels afgedaan en de nieuwe cd van Koos Alberts hoeft ook niet op een uitgebreide bespreking te rekenen.

Toch vallen juist bij al die dingen waar de Volkskrant het niet eens over wil hebben wel de hoogste ‘kijkcijfers’ te verwachten. Degenen die literatuur lezen en verantwoorde films bezoeken, en zelfs degenen die een abonnement op een fatsoen­lijke krant hebben vormen nu eenmaal een absolute minderheid. Een minderheid die dat zelf overigens heel gemakkelijk ver­geet. Als iedereen in je omgeving NRC Handelsblad leest denk je al gauw dat dat normaal en dus de standaard is. Maar de oplagecijfers spreken voor zichzelf. Wat is een kwart miljoen NRC’s op vijftien miljoen Nederlanders?

Zulke sommetjes zou Van der Hoek toch ook moeten kunnen maken, maar dat doet hij niet. Hij behandelt het hele televisieaanbod alsof het om één krant gaat, in plaats van om het complete arsenaal aan periodieken. Ik weet niet wat dat voor rare kort­zichtigheid is. Bij het lezen van August Willemsens nieuwste boek De Val dacht ik ook regelmatig: “man, waar ben je geweest?” Diens geschokt­heid en vooral zijn verbazing over het gebrek aan smaak en de ongelet­terdheid van ‘het gewone volk’ getuigen van een verre­gaande wereldvreemdheid. Bij Willemsen marcheerde het gewone volk zijn leven binnen doordat hij een paar maanden met ze moest doorbrengen in een verpleegtehuis, Sietse van der Hoek moest een paar jaar televisie kijken en kreeg zo zijn culture shock.

Er is wel een verschil: Willemsen kon niet weglopen, die zat met een gebroken heup, maar Van der Hoek had natuurlijk de uitknop van zijn afstandsbediening wat vaker kunnen bedienen. Dat is moeilijk. Ik weet het. En juist dat maakt televisie in de praktijk van alledag weldegelijk tot iets anders dan de geschreven pers: als je de hele dag een schaal met snoepjes in alle vormen en smaken voor je neus hebt staan, is het moeilijk ze niet alle­maal te proe­ven. En natuur­lijk loop je dan het risico misse­lijk te worden.

Stel nou dat we inderdaad alle kranten en bladen die in Neder­land te koop zijn gratis in de bus zouden krijgen. Wat zou u ermee doen? Zelf zou ik veel ongelezen bij het oud papier zetten, maar ik zou ook aller­lei dingen die ik nu nooit onder ogen krijg doorbla­deren, ik zou her en der stukjes lezen en zo andere dingen oppikken dan ik tot dusver doe. Op dezelf­de manier kijk ik televisie.

Dat heeft zijn voors en zijn tegens. Vaak leer ik iets nieuws, of word ik een paar uur prettig beziggehouden zonder dat ik daar zelf ook maar iets aan hoef te doen. Maar vaak ook ver­vloek ik mijn eigen luiheid en vadsigheid.

Sietse van der Hoek draait de zaak om. Die ver­vloekt alleen de luiheid van de programmamakers. Dat lijkt me niet fair. Ik vind dat hij daar pas over zou mogen beginnen wanneer hij zich zou beperken tot het televisiesegment dat voor zijn soort mensen bedoeld is. Pas dan is de serieuze televisiek­ritiek waar hij de hele tijd naar snakt mogelijk. En natuurlijk mag hij dan zeuren en kankeren dat er voor zijn soort mensen niet genoeg gemaakt wordt. En dat datgene wat er wel is nog wel een tikkie beter zou kunnen. Dan kunnen we echt ergens over praten.

Maar zover zal het niet meer komen. Sietse kijkt geen Neder­landse tv mee, de krant heeft hem naar Berlijn gestuurd.

David de Wied (1925-2004)

De eerste woorden in de allereerste Akademie Nieuws waren van hem. ‘Geachte lezer’, begon de KNAW-president in september 1988 zijn aanbiedingsbrief. De toon is formeel, zoals in al zijn geschriften, maar echt formeel was David de Wied niet. Te geestig en te charmant daarvoor. Hij was alleen van de generatie die geen enkele training had gehad in de wetenschappelijk wereld ook voor niet-ingewijden een beetje aantrekkelijk en toegankelijk maken. Maar dat moest wel, vond De Wied.

Niet voor niets kwam er onder zijn bewind, dat liep 1984 van tot 1990, voor het eerst een KNAW-blad dat de buitenwereld inging. Hij was ook degene die, tot vlak voor zijn dood in 2004, bleef aandringen op het leesbaarder maken van de kleine boekjes die de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij al sinds 1972 uitbrengt over biomedische onderwerpen. De Wied zat tientallen jaren in het bestuur van die stichting, net zoals hij heel lang lid was van de Raad van Advies van de Stichting Cursussen Wetenschapscorrespondentie, waar academici leren schrijven over hun vak.

Heel graag had hij zelf de geschiedenis van zijn onderzoek op een voor iedereen begrijpelijke manier opgeschreven. Voor zo’n verhaal was er alle reden. De Wied, farmacoloog van oorsprong, publiceerde al over hersenen, geheugen en stoffen in het brein eindeloos ver voordat dat zo in de mode kwam. Hij durfde de dingen in het begin eigenlijk niet eens bij de naam te noemen. Toen hij in 1996 de Heinekenprijs voor de Medische wetenschap kreeg toegekend, vertelde hij in Akademie Nieuws ‘Als mensen zeiden: je houdt je dus met leren en geheugen bezig, dan dacht ik: verrek ja.’.

Aan De Wied danken we het begrip neuropeptide: in de hersenen aangemaakte eiwitfragmenten die als een bepaald soort boodschapperstof werken, en daarmee hersenfuncties kunnen beïnvloeden. Nu de halve bevolking antidepressiva slikt, is bijna niet meer voor te stellen hoe revolutionair dat idee en dus De Wieds werk was.

Maar dat was wel zo. De ontdekking dat ACTH 4-10 leergedrag beïnvloedde, leidde tot krantenstukken over ‘de leerpil’, zoals het ging heten in de pers, die zich er zeer kritisch over uitliet. Dat soort manipulatie van de hersenen zou makkelijk misbruikt kunnen worden. Maar een broertje van dezelfde stof heeft het onder de codenaam Org-2766 – het werd geproduceerd door Organon, waar De Wied al sinds 1958 mee samenwerkte – uiteindelijk wel gebracht tot het stadium van dierproeven, en een eerste test onder demente bejaarden.

De ratten konden na een half jaar aantoonbaar beter leren, en ze werden ook socialer in hun gedrag, Maar het effect bij de bejaarden was gering. Volgens De Wied waarschijnlijk omdat de hersencellen van dementen al te beschadigd zijn. Hij zag meer in een proef met mensen met beginnende geheugenproblemen. Maar Organon zette het onderzoek niet voort, en ook elders lijkt er niet veel van terecht gekomen te zijn.

Het was, proefde je, een echte teleurstelling in De Wieds leven. Hij had het na zijn 65ste sowieso niet gemakkelijk met het feit dat hij zijn leerstoel en in feite zijn mogelijkheden om onderzoek te doen had moeten opgeven. Hij had dan nog wel een kamertje op het Utrechtse Rudolf Magnus Instituut waar hij zolang directeur was geweest, en bovendien nog allerlei bestuurs- en adviesfuncties, maar hij bleef het duidelijk zeer onrechtvaardig vinden dat je zo werd afgeschreven als je oud was.

Bij datzelfde interview, op zijn zolderstudeerkamer in Bilthoven, vroeg De Wied me heel direct of ik zijn geschiedenis van zijn onderzoek wilde opschrijven. Het spijt me nog steeds een beetje dat ik toen vond dat ik er niet genoeg van afwist en andere dingen moest doen. Maar nadien is er toch veel vastgelegd. De Wied zelf schreef zijn herinneringen aan zijn KNAW-presidentschap op in een klein boekje dat Van toeschouwer tot scheidsrechter heet. Vooral voor wie erbij was en voor historici een aanrader. Over zijn onderzoek hield hij in 2000 voor het Studium Generale in Utrecht een uitvoerig verhaal, dat hij ‘Over van alles en nog wat’ noemde. Het valt op internet na te lezen (hier).

Maar vorig jaar verscheen dan toch een complete biografie van de hand van Rienk Vermij: David de Wied, Toponderzoeker in polderland. Die doet De Wied veel meer recht. Dat hij behoorlijk kon mopperen en brommen en soms mateloos onzeker leek te zijn staat er ook in. Vermij laat in zijn verhaal de karakterbeschrijvingen, het leven, en het werk van De Wied voortdurend hand in hand gaan, en schetst ook de sfeer die De Wied op zijn lab creëerde. Die leverde zeker de traditie op van de bronzen rat, met een bulletje in zijn poot. Heel wat bij De Wied gepromoveerden moeten hem nog ergens hebben staan.

Van toeschouwer tot scheidsrechter is uitgegeven door de KNAW, David de Wied, Toponderzoeker in polderland door uitgeverij Matrijs.

Homerus stelt het eindeloos uit, maar je wéét dat Hektor eraan gaat

Spanning die opgebouwd wordt, het menselijk tekort als verhaalthema. Irene de Jong (1957) praat over Homerus bijna alsof hij een hedendaagse schrijver is. Ze is hoogleraar Oudgrieks aan de Universiteit van Amsterdam, en deze week verschijnt haar commentaar op een boek uit het heldendicht de Ilias, in de groengele Cambridgereeks die alle classici gebruiken. Ze is als eerste Nederlander voor die serie gevraagd. 

Is het een spannend boek?

Boek 22 is de climax. Daar wordt in de hele Ilias naartoe gewerkt: de confrontatie tussen de helden Achilles en Hektor. De Griek en de Trojaan. Het zijn 515 regels.

Homerus beschrijft in de Ilias in 24 boeken vijftig dagen uit de Trojaanse oorlog. In het grootste deel daarvan houdt Achilles zich schuil, hij heeft zich teruggetrokken uit de strijd omdat hij kwaad is. Dat komt de strijd niet ten goede. Dan vraagt zijn vriend en misschien zelfs lover Patroklos of hij in zijn plaats mag gaan, en zijn wapenrusting mag lenen. Achilles vindt dat goed, waarna Patroklos gedood wordt door Hektor. Een dramatisch verhaal. Achilles’ wrok kost hem zijn vriend. 

Diens dood moet hij natuurlijk wreken. Wat doet Homerus dan? Dat is heel bijzonder, die stelt die ontmoeting eindeloos uit. Eerst moet er een nieuwe wapenrusting komen, dan gaan de goden zich ermee bemoeien, en door al die vertraging stijgt de spanning. Maar je wéét dat Hektor eraan gaat. 

En dan?

Homerus geeft Hektor een vrouw en kinderen, en laat hem daarmee praten. Hij is net zo sympathiek als de Grieken. In embryonale vorm vind je bij Homerus verteltechnieken die je ook bij Flaubert of Virginia Woolf tegenkomt. Hektor houdt een monoloog waarin hij het idee om te vluchten verwerpt.

En dan komt het  moment waarop hij Achilles op zich af ziet rennen, in de wapenrusting waarvan wij lezers weten dat die door de goden gemaakt is! Hektor wil standhouden, maar gaat er toch vandoor, en laat zich drie maal rondom Troje jagen. 

Heel menselijk.

De condition humaine is bij Homerus heel belangrijk. Hij heeft oog voor wat de strijd betekent voor mensen, voor hun familie. En dat je als mens maar moet afwachten. De oppergod Zeus heeft twee vaten waaruit hij tapt: een met goede en een met slechte dingen, en iedereen krijgt een mix daarvan. Voor welke dat wordt maakt hij geen onderscheid tussen de Grieken en de Trojanen. Eervol om voor het vaderland te sterven? Nee, dat was iets voor de Romeinen, de Grieken vonden het vreselijk. Maar het kon horen bij je positie, en de beloning die ervoor stond was roem. Dat belooft Homerus, en dat is ook uitgekomen, want die krijgt Hektor natuurlijk door Homerus’ poëzie. 

Kan Homerus nog steeds ontroeren?

Mij wel, wat deels de leeftijd zal zijn. Naarmate ik zelf meer heb meegemaakt resoneert er ook meer in mij. Ik probeer Homerus te lezen als een moderne roman. 

Dinsdag spreekt prof. dr. Irene de Jong over: ‘De eenzaamheid van een held: Hektor bij Homerus’. 17.00 uur. Spui25, Spui 25-27 Amsterdam. Toegang: gratis. Inschrijven via www.spui25.nl.

’s Morgens in NRC Next stond hier ‘Niemand weet wat Zeus voor ons in petto heeft’ boven.

Dwarsverbanden en grondslagen

GOD DOBBELT NIET Interviews door Max Pam, m.m.v. Rob Sijmons. Uitgever: Bert Bakker, 296 p., f 28,90

Wat wetenschappers zoal uitvoeren en uitvinden, is dikwijls maar moeilijk te achterhalen. Immers de dingen die ze er zelf over opschrijven zijn vrijwel zonder uitzondering te specialistisch om voor een groter publiek begrijpelijk te zijn. Onderzoekers die zelf bereid en bovendien in staat zijn hun bevindingen gepopulariseerd op schrift te stellen kom je maar weinig tegen, en op zichzelf behoort dat ook niet tot hun taak. In de praktijk zijn het vaak de wetenschapsjournalisten die interessant wetenschappelijk werk naar buiten moeten brengen.

Eén manier om dat te doen is te gaan praten met ‘mensen die hun sporen in de wetenschap verdiend hebben’. Dat laatste is in ieder geval wat Max Pam (regelmatig in samenwerking met Rob Sijmons) de afgelopen tien jaar veel gedaan heeft. Een deel van de interviews die hij met onderzoekers uit alle hoeken (alfa, bèta, gamma, binnen- en buitenland) maakte is nu gebundeld onder de titel God dobbelt niet. Zelf merkt hij in de inleiding of dat de belangstelling bij kranten en weekbladen voor vooral de bètavakken tien jaar terug veel te wensen overliet. Inmiddels is daar behoorlijk wat verandering in gekomen (‘Bijna elk zichzelf respecterend dagblad heeft tegenwoordig wel een wetenschapssupplement’) en dat is zeker mede te danken aan het werk van mensen als Pam en Sijmons.

Alle interviews in het boek zijn oorspronkelijk verschenen in NRC Handelsblad en Vrij Nederland, maar ze krijgen of een rijtje gezet toch iets extra’s mee, ook voor wie zich sommige van de verhalen nog herinnert. Er blijken ineens allerlei dwarsverbanden gelegd te kunnen worden. Het meest in het oog springende voorbeeld daarvan is wel een klacht uit 1979 van de natuurkundige Gerard ’t Hooft dat hij niet genoeg met zijn onderzoek kan opschieten omdat hij nog zo’n vijf jaar moet wachten of de experimentele resultaten van een grote deeltjesversneller. Dit gesprek volgt in het boek of dat met Simon van der Meer, die in 1984 de Nobelprijs won voor zijn uitvinding van de zogenaamde ‘stochastische koeling’, een procédé dat de grote deeltjesversneller mogelijk maakte.

Af en toe vermakelijk, maar ook wel schrijnend is het rijtje gesprekken over Freud. Eerst Jeanne Lampl-de Groot die nog bij de grote meester in analyse is geweest en absoluut geen twijfel over de juistheid van de leer kent. Dan volgt Jeffrey Masson die als directeur van de Sigmund Freud Archives in New York voor een schandaal zorgde door tot dusver onbekende brieven uit een kastje te vissen dat in de kamer van Anna Freud stond. Het was een door dezelfde Anna Freud weggecensureerd deel van de correspondentie tussen Freud en Wilhelm Fliess.

Al met al gaat het om een bijzonder onverkwikkelijke geschiedenis die nare doorkijkjes biedt of hoe het in de wetenschap toe kan gaan: Aan het eind van de vorige eeuw had Freud na het behandelen van een aantal vrouwen die als kind door hun vader misbruikt waren een theorie opgesteld waarin hij het ontstaan van neurosen in verband bracht met incest en verkrachting. Dat onderwerp was toen blijkbaar nog meer taboe dan nu want er volgde geen enkele reactie van zijn collega’s. Dat zulke praktijken in de beste families voorkomen was niet acceptabel.

Masson beweert nu dat Freud onder invloed van Fliess deze theorie heeft opgegeven om het respect van zijn vakgenoten terug te winnen. Freud bedacht later namelijk de elegante (welhaast Freudiaanse) oplossing dat de dames hem voorgelogen hadden: ze waren in werkelijkheid helemaal niet verkracht, maar hadden daar heimelijke fantasieën over. En daarmee was de weg vrij voor het idee van het Oedipuscomplex. Een verandering van inzicht die verregaande consequenties voor zijn verdere leer heeft gehad.

Uit de brieven die Masson gevonden heeft, blijkt dat de kwade genius bij het aanpassen van wat als de ‘verleidingstheorie’ bekend staat Fliess is geweest, iemand die sowieso al een zwarte bladzijde in de psycho-analyse-geschiedenis vertegenwoordigt: hij geloofde bijvoorbeeld dat er een verband bestond tussen de neus en het vrouwelijk geslachtsorgaan. Freud hechtte veel waarde aan zijn denkbeelden en liet Fliess een keer een stukje bot halen uit de neus van een van zijn patiëntes. Fliess voerde de operatie echter dermate knullig uit dat de dame in kwestie (Emma Eckstein) er uiteindelijk aan overleed.

Maar ook Freud zelf is inmiddels een taboe: wat Masson gevonden heeft mag niet waar zijn. Collega’s (zelfs zijn eigen psychiater) roepen trillend van woede dat het allemaal leugens zijn, of dat Masson toch minstens het fatsoen had moeten hebben die brieven voor zich te houden. En trouwens, hij is eigenlijk toch alleen maar een grote rokkenjager. Vooral dat laatste is een nogal onheus en onwetenschappelijk argument in de strijd om het beeld van Freud ongeschonden te houden. Masson is intussen wel zijn baan kwijt.

Na dit tamelijk stuitende verhaal volgt nog de visie van een antropoloog of Freuds werk: H. Thoden van Velzen praat over de toepassingsmogelijkheden van Freudiaanse ideeën in andere culturen. Maar je kijkt na het voorafgaande toch iets sceptischer tegen de mogelijkheid van Oedipuscomplexen in Afrika aan.

Gelukkig is het niet overal gekonkel. Pam is erin geslaagd zijn boek ook of andere wijze leerzaam te maken, onder meer door een aantal wetenschappers wat vooroordelen en al te hoog gespannen verwachtingen weg te laten nemen. J.J. Klant weet bijvoorbeeld perfect duidelijk te maken dat economie geen exacte wetenschap is en de Spaanse neurofysioloog José Delgado, (hij verwierf beroemdheid met het elektronisch besturen van de agressie van stieren) stelt ons gerust over de mogelijkheden om met elektroden of operaties menselijk gedrag te veranderen. Alleen wat al in ons hoofd zit kan eventueel aangesproken worden, en dan nog slechts tijdelijk. Tip van Delgado: als je vrolijk kijkt ga je je vanzelf ook vrolijker voelen.

Het is opvallend dat vooral degenen die onder letterenfaculteiten vallen over het wetenschappelijk karakter van hun vak inzitten. Gomperts en Stuiveling bijvoorbeeld lijken geen van beiden te geloven in wetenschappelijke literatuurstudie. Stuiveling komt daarbij naar voren als een steile, teleurgestelde en ondanks zijn rode afkomst bijna calvinistische man, terwijl het in Gomperts behoorlijk blijkt te stormen; die trekt geweldig van leer, tegen studenten Nederlands die niet kunnen lezen of schrijven, tegen K.L. Poll (‘een pretentieuze, holle criticus’) en Hofland (‘vergeleken bij Poll natuurlijk een wonder van intelligentie, maar toch iemand die aan het eind van zijn stukje, dat slechts uit een grote aanloop heeft bestaan, net doet of hij een gigantische sprong heeft genomen’) en en passant krijgt ook Maarten ’t Hart nog een veeg uit de pan (‘Hij heeft alle bladzijden geteld die hij van Vestdijk heeft gelezen. Dat is vervelend, zo’n hijgende hond die de krant komt brengen en aldoor geprezen wil worden’). Geen gemakkelijke man maar wel een boeiend interview.

Ook de filosofen hebben het moeilijk met de plaats en de inhoud van hun vak. Volgens Else Barth is het probleem van in ieder geval de Nederlandse filosofen dat ze niet in filosofische problemen, maar alleen in andere filosofen geïnteresseerd zijn. Dat leidt dan tot studies over de oude Marx, de jonge Marx, de dikke en de dunne Marx. Misschien is dat uiteindelijk ook de reden dat Frits Staal zich liever geen filosoof noemt. Hij en Barth hebben een afkeer van holistisch ‘wezensdenken’ (de mens is zus of zo) gemeen. Barth waarschuwt feministes zelfs expliciet niet met heelheidsprofeten weg te lopen, geen overbodige opmerking.

Een steeds terugkerend onderwerp in het boek dat dicht bij de filosofie ligt is de religie. Kan een goede wetenschapper gelovig zijn? Staal is degene die het hardste tegen het christendom fulmineert. Volgens hem leiden zeer intelligente mensen die tevens diep religieus zijn aan een vorm van schizofrenie.

Ondertussen barst het van de gelovigen in wetenschapsland. Zo is daar de filosoof van Peursen die zoals een goed Christen betaamd keurig om de hete brij heenkletst als Pam hem vraagt of dat hele idee van een persoonlijke god die alles of aarde bijhoudt niet wat kinderachtig is. Sem Dresden, ook al een filosoof, heeft alleen een hang naar mystiek. Hij praat dan ook over zijn vak of precies de manier waar Staal zo’n hekel aan heeft. En uitgerekend deze man, die onder andere van zichzelf zegt dat zijn sterkste kant de irriterende werking is die er van hem uitgaat, dat wil zeggen, hij hoopt dat die ook prikkelend kan zijn, deze man nu mag Deetman gaan adviseren over wat er met de Letterenfaculteiten gaat gebeuren.

Van een ander kaliber is het interview met Casimir dat draait om gloeilampen en de aard van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Einsteins stelling ‘Der Herrgott würfelt nicht’, waarmee hij zeggen wilde dat uiteindelijk voor ieder verschijnsel een oorzaak aanwijsbaar móet zijn, zet Casimir helder tegenover Bohrs visie dat er altijd een fundamentele onderzekerheid zal blijven. En ook ná het lezen van dit boek vol vooraanstaande wetenschappers blijft het een open vraag of God niet dobbelt.

 

Naschriftje:

Dit stuk is ietsje langer dan wat er in VN verscheen. De passage vanaf ‘Het was een door dezelfde Anna’ tot en met ‘de dame in kwestie (Emma Eckstein) er uiteindelijk aan overleed.’ werd door de eindredactie teruggebracht tot één zin. Deze: ‘Met behulp van deze brieven lanceerde Masson een aanval op Freud die hij beschuldigde van het tegen beter weten in verlaten van de verleidingstheorie.’ Ik herinner me geprotesteerd te hebben, vooral tegen het opvoeren van de verleidingstheorie zonder enige uitleg.

Schrijven tot en met de dood

Geheim Dagboek 2001, Hans Warren, Uitg. Bert Bakker, 2002, 352 blz..

Het mag niet, het kan niet waar zijn dat je geliefde langzaam doodgaat. Dus ontken je het. Vertel je hem dat ie zich niet zo moet aanstellen, word je woedend als hij opziet tegen een tochtje, tegen een bezoek aan een tentoonstelling. Je zegt dat hij het doet om jou te pesten als hij valt en niet meer overeind kan komen, je scheldt hem helemaal verrot als hij in slaap valt overdag, of elke keer zijn bed uit moet ’s nachts, of in zijn broek poept. Hij vindt het zo koud? Onzin, de verwarming gaat níet aan.

Dat niet-willen-zien moet uiteindelijk de oorzaak zijn van de enorme agressie die Hans Warren in het laatste jaar van zijn leven oproept bij zijn bijna veertig jaar jongere vriend Mario Molegraaf. Lees je Warrens laatste dagboek (met voorrang uitgegeven) dan is je eerste reactie: mijn god, wat een sadist is die Mario. Hoe kan hij die arme oude man zo terroriseren?

Maar zo simpel is het niet. Het echte leven is veel interessanter. Ik moet bekennen dat ik wekenlang met Geheim Dagboek 2001 in mijn hoofd rondgelopen heb, het bleef maar ‘nabij’, zoals een boek dat heel soms kan doen.

Indertijd heb ik geboeid achter elkaar de eerste tien of twaalf delen van de serie gelezen, die als alles is uitgegeven zo’n zestig jaar zal bestrijken. Net als veel anderen had ik het toen wel even gezien. Maar het leverde zat basiskennis op over deze homoseksuele Zeeuwse dichter en recensent, die jaren getrouwd was met Mabel, drie kinderen kreeg, maar voor wie de jacht op mooie jongens en de jacht op mooie kunst en antiek de kern van zijn bestaan gingen vormen. En die ver in de vijftig nog een grote liefde vond in de toen zeventienjarige Mario.

Voor mij ging dat laatste dagboek daarom over een ‘bekende’. Hoe het is als je eerst het eind leest is voor mij niet te beoordelen, maar gewoon bij het begin beginnen kan ik warm aanbevelen. Overigens niet omdat Hans Warren nou zo’n warme, sympathieke persoonlijkheid was, eerder een wat ijdele, egocentrische man die dolgraag meer erkenning voor zijn poëzie had gehad. In het laatste dagboekdeel is het niet anders, en valt bijvoorbeeld nog steeds zijn mensenweerzin op, en het feit dat hij geen enkel contact met zijn kinderen had. Toen ik hem een paar jaar geleden een keertje ontmoette intrigeerde het me dan ook zeer dat hij uiterst beminnelijk in de omgang bleek te zijn.

Bij die gelegenheid schrok ik van de rare dikke buik die hij had. Die is hem op 19 december 2000, hij was net tachtig, fataal geworden. Maar een paar dagen daarvoor stond hij nog te koken, al wist hij achteraf niet meer hoe hij het gedaan had. Zijn laatste aantekeningen, onder meer daarover, zijn van 16 december. En nog steeds is dan zijn vermogen om te genieten niet aangetast.

Dat is een van de opmerkelijkste en ook ontroerendste dingen in het dagboek. Warren raakt op, lichamelijk en geestelijk. Hij kan nauwelijks zijn stoel uitkomen, is vaak incontinent, valt kwijlend in slaap, gaat rare spelfouten maken, snapt niet hoe de telefoon werkt, en walgt daar zelf allemaal erg van.

Bovendien is hij voortdurend bang, voor het verval, en voor Mario, die niet alleen telkens rabiaat tegen hem uitvalt maar ook dreigt hem in een verpleeghuis te stoppen. Maar spreekt Mario dan weer een lief woord, of kopen ze een kunstwerk, of kan Warren even naar zijn favoriete muziek luisteren (omdat Mario de deur uit is) dan is hij weer helemaal gelukkig.

Dat hangen aan het leven maar tegelijk ook dood willen, van binnenuit beschreven, ik vond het hartverscheurend.

Maar dat vond ik uiteindelijk ook de positie van Mario, die wanhopig wordt bij de almaar afnemende krachten van zijn ‘Hasje’, en die probeert hem er toch bij te houden, die hem meesleept naar buiten. En hoezeer Warren daar ook steeds tegen opziet, is hij weer thuis dan blijkt hij bijna iedere keer toch genoegen beleefd te hebben aan bijvoorbeeld een tentoonstelling. En dan kan hij daar ineens ook een prachtig, geheel coherent verslag van maken, wat je eigenlijk al niet meer verwacht.

Het is ook Mario die het dagboekschrijven overneemt als Warren naar het ziekenhuis gaat. Tot en met zijn dood. Dat je aan het slot ook een kijkje in zijn zieleleven krijgt maakt het menselijk tekort, het drama tussen die twee mannen nog zichtbaarder. En hoe het voor Mario Molegraaf geweest moet zijn de uitgave van juist dit dagboek klaar te maken, daar je kun alleen maar naar raden.

Een wetenschapsman in het diepst van zijn gedachten

BEELD VAN BINNEN door François Jacob
Vertaling: Marianne Kaas
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 353 p., f 49,-

Iedereen die even voor een diepgaand rondje introspectie gaat zitten zal een ander, eigen ‘beeld van binnen’ aantreffen.

Dat beeld is altijd een wat bizar samenraapsel: van flarden herinnering en haarscherpe plaatjes, van merkwaardige stemmingen die gekleurd met later gehoorde verhalen zorgen voor wat we onze jeugdherinneringen noemen, en van de gebeurtenissen, ontwikkelingen, toevalligheden en causale verbanden waarvan we denken dat ze ons verdere leven uitmaken.

Iedereen wil (delen van) zijn beeld van binnen wel eens delen met de buitenwereld. Sommigen willen ook wildvreemden een beeld geven en schrijven een autobiografie. Autobiografen zijn vrijwel altijd óf van zichzelf al schrijver, óf ze zijn, al is het maar in kleine kring, beroemd. Omdat ze aan DNA-onderzoek doen en de Nobelprijs voor medicijnen en fysiologie hebben gewonnen bijvoorbeeld.

Zoals de Fransman François Jacob wiens Beeld van binnen onlangs uit het Frans vertaald is. Bij het lezen van dat boek viel het me ineens op dat het er blijkbaar niet zoveel toe doet wat iemand later als hij groot is wordt, want jeugdherinneringen lijken heel vaak op elkaar.

Ook Jacobs boek bevat weer een eindeloos zachte moeder, een grootvader die op zeer bijzondere wijze het zijne bijdraagt aan de opvoeding, dat ene foute vriendje dat beestjes martelt, de eerste onbegrepen maar oh zo spannende spelletjes met de andere sekse, de typisch kinderlijke dwangneuroses en gedachten, de met een gouden glans omgeven herinneringen aan een eerste treinreis en de discriminerende pesterijen van schoolgenootjes. De kleine François was alleen niet dik, dun of roodharig, maar jood. Voor het verdere verloop van het verhaal heeft dat gezien Jacobs geboortejaar (1920) natuurlijk consequenties.

Gotische kathedraal
Het uitbreken van de oorlog betekent een breuk in Jacobs leven, – hij besluit het land te verlaten en de oversteek naar Londen te maken – maar ook een breuk in zijn schrijfstijl. De verhalen over zijn belevenissen in Afrika, waar hij bij de ‘Vrije Fransen’ verplicht werd als dokter dienst te doen (na nauwelijks twee jaar medicijnenstudie!), hebben niet die uitgesponnen literairderigheid van het begin van het boek.

Ze zijn ook interessant omdat ze een kant van de oorlog laten zien waar je niet vaak iets over leest. Scènes in Londen, waar hij voor het eerst ‘De Generaal’ hoort spreken, die hem en een vriend doet besluiten zich aan te sluiten. Met die eigenlijk nog piepjonge de Gaulle (Jacob noemt hem voor zichzelf vanwege zijn uiterlijk en klankassociaties met zijn naam ‘de gotische kathedraal’) heeft hij ook een gesprekje op de boot van Engeland naar Dakar. Later is er Rabat, de woestijn, de Sikhs. Jacob beleeft geschiedenis, en hij weet het op te schrijven.

De oorlog is verder, als zo vaak, vooral veel wachten en rondhangen, afgewisseld met ondraaglijk enerverende zaken: levensgevaarlijke tochten, boezemvrienden die in je armen sterven en meer van die dingen die voor een buitenstaander wel nooit echt te begrijpen of na te voelen zullen zijn.
Dolgelukkig is Jacob als hij bij de inval in Normandië zijn geliefde Frankrijk na vier jaar terugziet. Een week duurt de vreugde, dan raakt hij zwaar gewond en moet alle feesten rond de bevrijding missen omdat hij plat in een ziekenhuis ligt. 

Zijn verwondingen maken het hem voorgoed onmogelijk om chirurg te worden, zoals hij van plan was geweest. Via veel toevalligheden en een studie microbiologie komt hij uiteindelijk op het Institut Pasteur in Parijs terecht. En waar hij bij binnenkomst zelfs niet het flauwste benul had van waar zijn collega’s het over hadden wordt hij in tamelijk korte tijd een onderzoeker waar men niet omheen kan.

De periode van intensief onderzoek betekent de tweede breuk in het verhaal. Jacob is inmiddels de vrouw van zijn leven tegengekomen, maar alleen hun kennismaking wordt vrij uitvoerig beschreven. Vriendschappen en allerlei heftige intermenselijke gevoelens (ook voor zijn vader en moeder) vormen tot dan toe een belangrijk ingrediënt in Jacobs relaas, maar van Lise krijgen we, naast dat ze in het algemeen zo geweldig is, eigenlijk alleen een paar keer te horen ‘dat ze hem niet begrijpt’, dat wil zeggen dat ze zijn werk niet precies kan volgen. Daarnaast worden er vier bloedjes van kinderen geboren waar Jacob ’s avonds als ze slapen vertederd naar kijkt. Over het gezinsleven vrijwel geen woord.

Dat kan natuurlijk opzet zijn, maar gezien de manier waarop Jacob met hart en ziel aan de wetenschap verslingerd raakt, zou het ook wel eens kunnen zijn dat er maar weinig tijd voor Lise en de kinderen overblijft. In ieder geval houdt op dit punt in het boek de gedachten- en gevoelensstroom die náást de gebeurtenissen liep op. De lezer wordt nu ondergedompeld in een badje van onderzoeksdetails en experimentbeschrijvingen.

DNA
Op een aantal plaatsen las ik dat Jacob zo fantastisch al dat biochemisch onderzoek uitlegt. DNA voor leken verklaard. Wel, zo mooi is het niet. Mij is het in ieder geval niet gelukt om alle ontwikkelingen die hij beschrijft op de voet te volgen, een klein schemaatje of tekeningetje hier en daar had wonderen kunnen doen. Net als een verklarend woordenlijstje. Maar gelukkig is het niet echt verschrikkelijk om sommige finesses te missen. De grote lijn is er wel uit te vissen, en wat Jacob heel goed doet is de lol van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek overbrengen. En ook hier beleeft hij geschiedenis. Crick en Watson bijvoorbeeld (de ‘uitvinders’ van het DNA) zijn voor hem geen namen, maar collega’s.

Jacob vertelt ook heel veel over de dagelijkse onderzoekspraktijk die lang niet altijd gelijk staat aan ‘hypothese opstellen, toetsen, bevindingen weergeven’. Jacob zit met een duf hoofd in de bioscoop als hij ineens het grote verband ziet tussen een hele reeks op het oog onsamenhangende experimenten waar hij zich de jaren daarvoor mee heeft beziggehouden.

De opwinding daarna, de gesprekken met collega’s die er eerst niet echt aan willen, de vreugde als door weer nieuwe experimenten duidelijk wordt dat hij het goed gezien heeft: het is allemaal even aanstekelijk. En spannender dan een detective of thriller omdat het over echte dingen gaat.

De laatste breuk in het boek zit op de laatste pagina. Jacob houdt midden in een zin op, aldus: ‘Toen ik het park uitliep, kreeg ik plotseling een idee voor een experiment over de celdeling. Een vrij simpel experiment. We hoefden alleen maar…’

Op zichzelf genomen een mooi energiek en origineel eind, ware het niet dat het pas 1960 is. Terwijl ik net de smaak te pakken had gekregen. In 1965 kreeg Jacob (samen met twee collega’s die in het boek geregeld ter sprake komen) zijn Nobelprijs. Waarvoor dan precies? Hoe ging dat dan? Wat vond hij ervan? En nu? Wat doet hij nu? Ik wil méér weten.

Alle stijl- en verhaalbreuken maken Beeld van binnen een ietwat onevenwichtig boek. Daar staat een groot schrijftalent tegenover, en met zijn lofzang op wetenschap, en zijn diepe wantrouwen tegen politiek en alle nationalisme, fanatisme en religie heeft Jacob mijn hart gestolen. Als meer mensen hun energie en creativiteit in de grote ontdekkingsreis die wetenschap heet zouden stoppen, dan zou er niet zo veel gevochten worden.

Tot slot een compliment voor de vertaalster. Het moet een heidens karwei geweest zijn om alleen al die klankassociatiespelletjes van Jacob in aannemelijk Nederlands om te zetten.

Een koningin met een gekleurde bril

HET MIJNENVELD over journalistiek en moraal onder redactie van Jacqueline Wesselius. Uitgever Nijgh & Van Ditmar, 311 p., f 49,90

Censuur van het nieuws lijkt iets uit een voorbije tijd – maar Martha Gellhorn mocht over Vietnam niet schrijven wat ze zag, en ook Nederlandse kranten wachten soms liever de telex af van een ‘officieel’ persbureau dan dat ze hun eigen journalisten wensen te geloven. Jacqueline Wesselius stelde een boek samen dat verontrustend duidelijk maakt dat het nieuws afhankelijk isvan rare dingen.

De hoofdredactrice van Weekend, Hummie van der Tonnekreek, zou het als vrouw beslist niet plezierig vinden te weten dat wij een minister-president zouden hebben die een vreselijke hoerenloper is. Daarom zou zo’n bericht wat haar betreft zeker in de openbaarheid moeten komen. Ze vertelt dat in een interview in Het mijnenveld, over journalistiek en moraal, een bundel artikelen en vraaggesprekken die journaliste Jacqueline Wesselius samenstelde. Ik heb nieuws voor Van der Tonnekreek. Onze nu demissionaire minister-president staat erom bekend dat hij voor belangrijke optredens altijd even naar de hoeren gaat. Althans, dat verhaal gaat werkelijk, maar het kan natuurlijk ook vuige roddel wezen.

Doet het er iets toe of het waar is of niet? Van der Tonnekreek vertelt ook dat het haar worst zal wezen of haar melkboer vreemdgaat, als hij zijn werk maar goed doet. Het lijkt me dat voor Lubbers hetzelfde mag gelden.

Potentiële seksschandalen

Maar wat nou als iemands seks- of liefdesleven wel invloed heeft op zijn functioneren? Moet het dan in de krant? Daar betreed je meteen het mijnenveld uit de goedgekozen titel van Wesselius’ boek. De kabinetten Lubbers waren goed voor heel wat potentiële seksschandalen, maar het is er niet één keer een geworden. Zo zou de val van Elske ter Veld te wijten zijn geweest aan het stuklopen van de verhouding tussen haar en Thijs Wöltgens, en liet de CDA-fractie Brokx naar verluidt vallen omdat hij het had aangelegd met een wel erg linkse journaliste. Wallage intussen, had naar het schijnt als staatssecretaris van onderwijs al een geheime relatie met de journaliste die bij het ANP over onderwijs gaat.

Nadat ik die verhalen gehoord had (en wel “uit betrouwbare bron” zoals dat zo mooi heet) las ik in de Volkskrant een voorzichtige suggestie over Ter Veld en Wöltgens, en in het universiteitsblad Folia werden een paar regels aan Wallage en vriendin gewijd. In de rest van de pers kwam ik er nooit iets over tegen.

Is dat terecht? Ik vind dat werkelijk een dilemma. In principe gaan al die intermenselijke relaties in de politiek niemand ene moer aan, maar in deze gevallen raakt het wel degelijk het functioneren en de positie van volksvertegenwoordigers. Mr.B.J. Asscher, tot vorig jaar president van de rechtbank in Amsterdam, en ‘mediarechter’ bij uitstek, zegt in Het mijnenveld dat niet de rechter of de wetgever bepaalt welke berichten te veel tot iemands privésfeer behoren, maar de cultuur. Seks ligt in onze cultuur niet zo moeilijk als in de Engelse of Amerikaanse. Misschien dat daar de reden ligt voor het uitblijven van schandalen in de Nederlandse pers?

Schokkende doorkijkjes

Het fenomeen van de zelfcensuur is maar een van de vele onderwerpen die in Het mijnenveld aan bod komen. Het speelt nogal eens een rol. Ik denk dat het boek tamelijk schokkende doorkijkjes bevat voor de gemiddelde krantelezer. Wat die voor zijn neus krijgt is afhankelijk van de raarste dingen.

Wesselius, die zelf een groot aantal bijdragen aan het boek leverde, haalt bij voorbeeld Martha Gelhorn aan, die opnieuw misselijk van zichzelf werd toen ze na jaren met een van haar stukken over Vietnam werd geconfronteerd. Vanwege het succes van de Amerikaanse propagandamachine kon ze indertijd niet met de rauwe waarheid komen over wat de Vietnamezen werkelijk werd aangedaan.

Zalvende zinnen

In de hoop dan toch in elk geval geloofd te worden maakte ze ‘afgezwakte verslagen’, vol zalvende zinnen die ze al verschrikkelijk vond toen ze ze opschreef. Ze was toch te vroeg: het is haar na die eerste keer nooit meer gelukt Vietnam binnen te komen. Haar conclusie: “Persvrijheid is een illusie waar we mee leven. Ja, je mag schrijven wat je wilt, maar wat je schrijft gepubliceerd krijgen, dat is wat anders.”

Geloofd worden is vaker een punt. Trouw bijvoorbeeld gelooft zijn eigen mensen niet. Toen de muur in Berlijn viel, wilde men dat bericht pas opnemen nadat een persbureau ermee kwam. Dat ‘de eigen man’ ter plaatse het meldde was niet voldoende.

De Canadese journaliste Michele Landsberg schrijft in Het mijnenveld dat ze in 1963 de directeur van de Children’s Aid Society interviewde, die haar vertelde dat het overweldigende probleem waar ze mee zaten al die kleine meisjes waren die door hun vader misbruikt werden.

Vierkant uitgelachen

De man had details, cijfers en verhalen uit de praktijk. Toen Landsberg met dat verhaal aankwam bij de conservatieve krant waarvoor ze werkte, lachte de hoofdredactie haar vierkant uit. Ze werd niet geloofd en het artikel werd nooit gepubliceerd.

Het duurde nog tot de jaren tachtig voordat de berichtgeving over incest begon. Landsberg vraagt zich nog altijd af “van hoeveel duizenden kinderen het leven aan gruzelementen is gegaan in die twintig jaar”. Dat het zo lang duurde wijt ze aan het mannenbolwerk dat de pers is.

Oude koek, dat is nu anders? Nog in 1988, toen Jenninger, voorzitter van de Bondsdag, de Kristallnacht in een toespraak herdacht, geloofde de wereldpers collectief iets dat absoluut niet waar was. De tot dan toe brandschone alom gewaardeerde Duitser moest een dag later aftreden omdat hij het Hitlerregime verheerlijkt zou hebben.

Lambiek Berends analyseert in een stuk in Het mijnenveld wat er gebeurde. Hij was er indertijd voor verantwoordelijk dat Het Parool als enige krant een kritisch geluid liet horen over de gang van zaken. Want Jenninger sprak in feite geen onvertogen woord.

Hij had de pech dat een lid van de Groenenfractie zijn toespraak had uitgekozen om een protest tegen iets totaal anders te laten horen. Jenninger was nog nauwelijks begonnen of Jutta Oesterle stond op en vertrok onder het roepen van de woorden ‘dat is toch allemaal gelogen’.

Vreemd schapengedrag

Dat ging over een asielzoekerskwestie, en Oesterle had haar plan voor deze eenvrouwsactie de vorige dag in een persbericht aangekondigd. Maar liefst vijftig Bondsdagleden volgden haar in de loop van Jenningers rede. Een ongekend vreemd schapengedrag, want achteraf kon niemand precies uitleggen wat er nu zo fout was aan wat Jenninger zei.

Interessant is ook de rol van de foto van Ida Ehre, een van de weinige jodinnen die de nazi-terreur in Duitsland hebben overleefd. Ehre sloeg haar handen voor haar gezicht tijdens de koorzang die voorafging aan Jenningers rede. Jenninger zat op dat moment nota bene naast haar, maar de foto van de aangslagen Ehre verscheen overal als bewijs voor de ontzetting die Jenningers woorden teweegbrachten.

Gebrek aan kritische zin en dom achter de meute aanlopen is op zich al erg. Dat de wereldpers vervolgens niet massaal de hand in eigen boezem heeft gestoken en de zaak heeft rechtgezet, dat is pas een echt schandaal.

Zelfgenoegzaamheid groot

Journalisten houden zelf graag het beeld in stand van de krant als onpartijdige, immer goed geïnformeerde brenger van de feiten. De zelfgenoegzaamheid is groot, en liever dan een fout ruiterlijk toegeven zal men die over het algemeen vergoelijken. Smoezen te over: van de tijdsdruk tot de overweging dat men het altijd nog beter doet dan de concurrent. ‘De Koningin der aarde’ controleert de machthebbers, vindt ze, maar Het mijnenveld laat zien dat ze zelf bepaald niet onfeilbaar is.

Het moge duidelijk zijn: in Het mijnenveld staat veel dat de moeite van het lezen waard is. Ook al weet iedereen stiekem wel dat je niet alles moet geloven wat er in de krant staat, vooral de praktijkverhalen in deze bundel maken dat je daar weer eens diep over na gaat denken.

Tegelijk wordt duidelijk dat het beroep van journalist niet altijd zonder gevaar is. Neem bij voorbeeld de lastercampagne die Günter Wallraff over zich heen kreeg nadat hij een tijdje undercover bij Bild gewerkt had. Hij wordt in het boek uitgebreid geïnterviewd.

Modderig denken

Ook zijn er mensen die het journalistenbestaan weten te combineren met staaltjes modderig denken waar je koud van wordt. Het sprekendste voorbeeld daarvan in de bundel is mevrouw Van der Tonnekreek die het onder andere presteert in de ene zin te zeggen dat ze met haar blad Weekend hoopt iets goeds te doen voor de mensheid (homoseksualiteit gewoner maken bijvoorbeeld), maar een zin later meldt geen enkel doel te willen dienen.

Geestig vind ik dat dit boek zelf ook weer zo prachtig laat zien waarover het gaat. De samenstelster heeft net als iedereen een ‘gekleurde bril’ op. Die is onder meer feministisch, wat je duidelijk terug kunt lezen. En omdat Wesselius lang in Frankrijk woonde is een onevenredig groot deel van de bundel aan de Franse pers gewijd.

Zelf had ik graag wat meer Nederlandse gevallen willen zien. En er mag nog eens een ander boek komen over de macht van de mediamagnaten en de moraal bij de televisiejournalistiek. Maar iedereen die in de schrijvende pers geïnteresseerd is doet er verstandig aan eens een paar uurtjes in Het mijnenveld door te brengen.

Penelope was niet zo’n doetje

‘Vertel mij muze’, van de man die twee en een half duizend jaar geleden gedichten schreef waar men nog steeds niet over uitgepraat is. Homerus heette hij en miljoenen mensen herinneren zich de openingswoorden van de Odyssee waar de vorige zin mee begint.

Hoeveel generaties scholieren zullen zich inmiddels gebogen hebben over de wrok van Achilles tijdens de Trojaanse oorlog of de omzwervingen van Odysseus in de jaren daarna? In de westerse literatuur zijn de Ilias en de Odyssee de klassiekers bij uitstek. En volgens classici valt er nog steeds iets nieuws in te lezen. Twee weken geleden vertelden ze elkaar daarover in de Agnietenkapel op een aan de Universiteit van Amsterdam georganiseerd congres.

Helmboswuivend

In mijn eigen herinnering betekent ‘Homerus lezen’ feitelijk met een klein groepje mensen her en der eens een passage vertalen, meestal op achternamiddagen in een verder volstrekt uitgestorven school. Daarbij leken de verhalen en de sfeer erom heen me vaak spannender dan het herkennen van een onregelmatige werkwoordsvorm, al zal ik nooit meer vergeten dat Hektor altijd als helmboswuivend en Hera als blank-ellebogig ten tonele gevoerd werd.

Het taalgebruik van Homerus had iets unieks en de verhalen als geheel zaten vol dieptragische gebeurtenissen en echt menselijke gevoelens.

Dat laatste blijkt nog meer het geval te zijn dan mij op de middelbare school werd bijgebracht. Sinds kort bekijkt een aantal onderzoekers de Ilias en de Odyssee puur als vertellingen. Hoe wordt het verhaal gebracht en wat vertelt dat over de ideeën en de gevoelens van de erin optredende helden en andere figuren?

Moderne romananalyse toegepast op Homerus. Daarmee wordt met een lange traditie van alleen naar de tekst kijken (de vorm en de betekenis van de woorden, de versmaat et cetera) gebroken. Dat wil zeggen: met gebruikmaking van in de loop der eeuwen opgedane kennis van de tekst wordt er gekeken naar grotere verbanden.

Veel mensen kunnen dan iets van hun gading bij Homerus vinden: zo is het voor antropologen interessant te weten dat een man indertijd nog gewoon mocht huilen en schijnen ze bij Homostudies bezig te zijn met het bestuderen van de relatie tussen Achilles en Patroklos. Het klassieke beeld dat we van sommige figuren hebben blijkt niet altijd te kloppen.

Door een aantal passages over Penelope, de vrouw van Odysseus die bijna twintig jaar op zijn terugkeer wacht, naast elkaar te leggen zien we bijvoorbeeld dat die minder een braaf doetje is dan altijd werd aangenomen. Tijdens de lange jaren dat Odysseus in Troje vecht en met zijn moeizame terugtocht bezig is belagen tientallen ‘vrijers’ zijn vrouw in de hoop tegelijk met Penelope ook Odysseus’ bezittingen te kunnen trouwen.

Penelope echter houdt de boot af en huilt nog iedere nacht om haar verdwenen echtgenoot die Zeuszijdank aan het eind van het verhaal weer opduikt. Hij herstelt hardhandig de orde in huis, en ze leefden nog lang en gelukkig. Een pakkend plot voor een B-film.

Dat Homerus toch iets subtieler en realistischer te werk ging blijkt onder andere uit een droom die Penelope aan Odysseus vertelt, nog voordat ze weet met haar eigen man te doen te hebben: op een nacht zijn de vrijers haar verschenen als ganzen die afgeslacht werden door een adelaar. Die adelaar (Odysseus) vertelt haar vervolgens dat dat nu snel in het echt zal gebeuren.

De gedachte daaraan maakt Penelope vreemd genoeg diep ongelukkig en doet haar tranen met tuiten huilen. Bij commentatoren was het tot voor kort niet opgekomen deze passage te interpreteren als een bewijs dat Penelope wel degelijk gevoelens koestert voor haar vrijers en misschien toch in tweestrijd verkeert over wat ze moet doen. Tenslotte kan ze niet weten dat Odysseus alsnog thuis zal komen, en het inzicht dat de vrijers haar iets doen geeft haar een veel menselijker rol in het verhaal.

Ruzie

Om met dit soort ogen naar de Ilias en de Odyssee te kunnen kijken was het blijkbaar eerst nodig de strijd over de herkomst van de twee gedichten te beslechten. Weliswaar ontbreekt een eenduidige eindoverwinnaar nog steeds, maar de deskundigen lijken zich erbij neer te hebben gelegd dat een exacte plaats- en tijdsbepaling van de verhalen nu eenmaal niet tot de mogelijkheden behoort.

Sinds de jaren dertig gaat men ervan uit dat de Homerische poëzie voortkomt uit een mondeling overgeleverde zangcultuur. De vele herhalingen en vaste formules waar de gedichten vol mee zitten kunnen zo verklaard worden; in culturen waarin een verteltraditie nog volop te vinden is (Afrika, Finland, Rusland) hebben verhalen vaak diezelfde kenmerken.

Of degene die de Ilias opgeschreven heeft dezelfde is geweest die de Odyssee heeft vastgelegd (anders gezegd: of Homerus bestaan heeft) is nog altijd niet duidelijk, al weet men wel vrijwel zeker dat sommige stukken tekst later toegevoegd zijn.

Maar aangezien de absolute waarheid hieromtrent toch nooit aan het licht kan komen is het ook maar de vraag of het wel zo’n interessante kwestie is. Tenslotte kan ook niemand bewijzen dat het door Schliemann uit de heuvel van Hissarlik opgegraven Troje echt de plek is waar het verhaal van de Ilias zich afgespeeld heeft, maar voor de toevallige toerist gaat de scene waarin het lijk van de held Hektor om de stadsmuren gesleept werd wel leven als hij onder die hoop stenen staat.

Een aanwijzing voor het idee dat we in ieder geval met niet meer dan een dichter per gedicht te maken hebben is te vinden in juist die herhalingen.

Die laten iets zien van de vertelkunst van een echte vakman. Een voorbeeld is het verhaal van de ruzie tussen Achilles en Agamemnon waar de hele Ilias om draait. Homerus (laten we hem zo maar blijven noemen) opent het gedicht met een verslag van die ruzie. Ietsje verderop doet Achilles het verhaal nog eens over in een gesprek met zijn moeder Thetis. Op het eerste gezicht lijken de twee passages identiek te zijn en dus niet veel meer dan een rustpunt voor de dichter of verteller. Wie beter kijkt ontdekt echter dat Achilles’ versie van de gebeurtenissen veel emotioneler is, en dat hij er duidelijk sterker bij betrokken is dan de algemene verteller.

Interessant is ook de verhaaltechnische rol van de goden in de Ilias. Ze treden bijvoorbeeld op als ‘vertragers’ van het verhaal, door op allerlei momenten in te grijpen. Dat heeft tot gevolg dat de climax van de gebeurtenissen (het tweegevecht tussen de Trojaan Hektor en de Griek Achilles) keurig aan het einde van de vertelling komt te liggen.

Daarnaast dienen ze als een soort spiegel voor de mensen: bij een goddelijke vergadering of een goddelijk gevecht gaat het net een beetje anders toe dan in soortgelijke passages bij mensen. Gezeten op de Olympus overzien ze het strijdtoneel en geven zo hun ‘point of view’ van wat er gebeurt.

Inmiddels lukt het Homerus al millennia lang mee te gaan met zijn tijd. Deels omdat sommige dingen uit zijn verhalen zich een vaste plaats in de hedendaagse wereld hebben veroverd (denk aan sirenes, een Homerisch gelach, een Achillespees, een Nestor en een mentor, zelfs Ajax komt er vandaan), deels ook omdat zelfs een twintigste-eeuwse kijk er nog actualiteiten in kan zien, en menselijke driften van alle tijden zijn.

Noot: Beginnersonhandigheid denk ik, maar het is echt heel merkwaardig dat er niet één onderzoekersnaam in dit stuk voorkomt. Ik was er eigenlijk van overtuigd dat in elk geval die van Irene de Jong erin stond. Zij was de drijvende kracht achter dat classicicongres. Haar interviewde ik ruim 25 jaar later nog eens. Staat hier.

Kleuren horen

Kan een kanarie geel zijn? Het is bijna een mop, zoiets als ‘Is de paus katholiek?’

Maar wat nou als je het antwoord op die vraag echt schuldig moet blijven? Niet omdat je geen kleuren kunt zien, want dat kun je prima. Houden ze je een tomaat voor dan zeg je meteen: die is rood. Maar het uit je hoofd zeggen, dat gaat niet. En het goede kleurenpotlood vinden om een plaatje van een wortel in te kleuren lukt ook al niet. Terwijl je precies weet hoe kanariepietjes, tomaten en wortelen eruit zien en waar ze goed voor zijn. Alles is dus gewoon, alleen ‘kleur’ maakt voor jou geen deel uit van de betekenis die een woord heeft.

Moeilijk te snappen, maar het overkwam een Amerikaanse vrouw van 52. Sinds ze een hersenbloeding heeft gehad, weet ze domweg niet meer welke kleur de dingen (en planten en dieren) horen te hebben.

Ze is de allereerste persoon ter wereld bij wie dit is vastgesteld. Wat je noemt een aanwijzing dat onze kennis van concepten bestaat uit elementen die op verschillende plaatsen in onze hersens zijn opgeslagen. En dat gaat zwaar tegen je intuïtie in: dat een citroen geel is, hoort gevoelsmatig echt tot de kern van dat woord.

Zodra ik zoiets lees gaat mijn hart een tikje sneller kloppen en waait mijn geest allerlei kanten uit. Ik moest in dit geval direct denken aan een vrij veel voorkomend, maar nog onverklaard verschijnsel dat ‘synesthesie’ heet. Zo noem je het als iemands zintuigen als het ware door elkaar lopen.

Er bestaan bijvoorbeeld mensen die vormen proeven, en dus dingen zeggen als: ‘Bah, er zitten niet genoeg punten op de saus’. De sensatie schijnt heel sterk te zijn, alsof ze die punten echt aanraken, al weten ze dat dat onzin is. Voor anderen heeft wat ze horen een geur, maar wat het meeste voorkomt zijn kleurassociaties. Dat het woord ‘maandag’ rood is, de naam ‘Frederik’ beslist geel, of een stem groen.

Per persoon liggen de kleuren vast, maar onderling verschillen synestheten (zouden ze zo heten?) in wat ze waarbij zien, al roept de letter ‘o’ opvallend vaak de kleur wit op en is voor velen de letter ‘u’ geel of bruin. Het zijn overigens niet de geringsten die dit aan den lijve ondervinden. Zo hoorde de schrijver Nabokov ook kleuren in woorden, en had naar verluidt voor sir Isaac Newton elke muzieknoot een kleur.

Klinkt dit alles u kleurrijk maar wel wat bizar in de oren? Mij ook, maar er is een gerede kans dat u iemand kent die kleuren hoort. De meesten houden daar echter stijf hun mond over dicht. Bang voor gestoord aangezien te worden.

Hoe dan ook, in zekere zin is dat kleuren horen het omgekeerde van wat de onfortuinlijke Amerikaanse gebeurde. Voor degenen die kleuren-synesthesie hebben, maakt ‘kleur’ ook deel uit van de betekenis van woorden waar voor een normaal mens ‘kleur’ helemaal niet bij hoort. Is dat misschien ook een aanwijzing dat ‘kleur’ zijn eigen hersenlocatie heeft? En dat je hem daar kunt ‘ophalen’ om aan een concept vast te plakken?

Ik weet nooit of ik iets kan overbrengen van de opwinding die dit soort onderwerpen in mij teweeg brengt. Nou ja, in elk geval heeft u er nu in tamelijk gewone bewoordingen over kunnen lezen. Zelf moest ik weer even wat teleurstelling wegslikken. Dat zit zo. Het onderzoek naar die mevrouw die niet meer weet dat kanaries meestal knalgeel zijn, staat in het gloednieuwe nummer van Nature Neuroscience, een van de ‘kopbladen’ van het beroemde Britse tijdschrift Nature.

Van beide krijg ik per e-mail uitgebreide overzichten. Die worden gemaakt door journalisten met een talent voor samenvatten en een neus voor goede koppen. En dan haal je, enthousiast gemaakt, zo’n artikel van het internet, en dan is het steevast geschreven in het bekende, ondoordringbare jargon. Met de even bekende verwijzingen (zie Jansen en Klaassen 1993 en 2000) die nieuwsgierig maken, maar waarvan je nog niet eens een tweezins-samenvatting krijgt.

Wat ontzettend jammer toch. Zou een verbod op literatuurverwijzingen-sec niet een idee zijn? Dat zou meteen een eind maken aan dat eindeloze namen noemen uitsluitend ten behoeve van de citatie-indexen. En waarom zou boven het echte artikel ook niet gewoon mogen staan: Kan een kanarie geel zijn?

De ONS

Hij wilde-n-’t self met alle geweld hebbe, zo’n boek, maar ’t bestond niet. Dus ging-ie ’t make. En nou ’t ’r is, heeft-ie d’r niks an, want hij is t’r nie meer.

Ach, wat een tragiek. Jelle de Vries had in 1999 net het manuscript van Onze Nederlandse spreektaal (kort af als ONS) ingeleverd, toen hij zomaar ineens in zijn slaap overleed. Meer dan tien jaar had hij besteed aan proberen zo goed mogelijk op te schrijven hoe wij echt praten.
Wat een fantastisch oor moet de man gehad hebben. De Vries z’n boek (heus, zo zeggen we dat), zojuist alsnog uitgekomen bij de Sdu, werkt als een grote spiegel. Of, nou ja, ik weet even niet wat het auditieve equivalent van een spiegel is, maar wie in de ONS bladert en leest, hoort ineens zichzelf praten.

Er is namelijk heel veel dat we anders zeggen dan schrijven. Niet omdat we slordig zijn, of een accent hebben, of eigenlijk dialect spreken ofzo, maar omdat het Standaardnederlands nou eenmaal zo gesproken wordt: ‘Lieverd, ik ken die hele mensen niet’, ‘D’r staat wat in de krant dat je MOET lezen’, ‘Ev’oplette!’, ‘Dat slaat nerges op, jonges’, ‘Ik zat naast iemand die vond er niks an’, ‘Hier zitten d’r nog, van die vlekken’, ‘Wie z’n lipstick is dit?’, ‘Daar gaat ze nou met al d’r vele geld’, ‘Nee, ken ik niet’, ‘Kpas wel op’, ‘Záchjes!’ ‘Hijp-t’r kijk op’.

Het ziet er misschien raar uit, maar doe even uw ogen dicht, zeg het hardop voor uzelf, en het klinkt allemaal bekend, vertrouwd zelfs. Het is ook niet een kwestie van plat praten, het zijn voorbeelden uit de gewone, dagelijkse spreekpraktijk.

De Vries heeft er daar dus heel veel van verzameld, en zijn 563 pagina’s tellende ONS (natuurlijk een grapje op de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst) is een taalschat die barst van de juweeltjes. Nou was Jelle de Vries geen taalkundige, al had hij wel een MO Engels, maar onder meer een liedjesschrijver en programmamaker voor de VARA. Hij was de man achter Klatergoud, dat als ik het goed begrepen heb eerst een radioprogramma was, maar dat ik me zelf van de televisie herinner. Met Tonny Huurdeman in een prominente hoofdrol. Geen idee hoe het zou zijn om dat nu terug te zien, maar toen vond ik het geweldig. Het was grappig, vol woordspelingen en zo gewaagd dat veel van mijn klasgenootjes – het was rond 1970 en ik woonde nog in het diepe Roomse zuiden – er niet naar mochten kijken.

Het is natuurlijk het type werk waarbij een grote gevoeligheid voor en interesse in normaal, alledaags spraakgebruik geweldig van pas komt, maar een overzichtswerk waarin De Vries zijn eigen observaties eens kon toetsen was er inderdaad niet. Dat dan zelf maar gaan samenstellen, daar alleen al aan beginnen, is uiterst moedig. Talent voor taalkunde had hij absoluut. Toegang tot alle literatuur niet, want een aantal spreektaaldingen uit het Nederlands, is wel degelijk uitvoerig onderzocht en beschreven. Maar ik zou een kniesoor zijn als ik daarover doorzeurde.

De Vries was ook eigenwijs genoeg om waar het hem uitkwam zijn eigen onderscheidingen en terminologie te verzinnen. Het resultaat is niet overal even aantrekkelijk, maar als ik voortaan televisie kijk of radio luister zal ik vaak ‘bastaardtaal!’ denken. Dat woord gebruikt De Vries voor spreektaal waarin schrijftaal doorklinkt. De omroep is ervan vergeven. Dat gaat niet alleen om het schenden van de Nederlandse klankwetten (‘uitzending’ móet echt uitgesproken als ‘uitsending’, maar de Margrieten Branddzzma denken van niet), maar ook om woordkeus en zinsconstructies.

Zo houdt De Vries er glashard aan vast dat ‘Als het aan de kat lag, kocht ze Whiskas’ ongrammaticale bastaardtaal is. Zet dat inderdaad maar naast ‘Als ’t aan de kat lag kocht-ie rosbief’. Het gebruik van ‘hen’ (in plaats van ‘hun’) noemt hij krachtig taalverkrachting. En wie de vorige zin zo voorleest als hij er staat bezondigt zich ook aan een ongrammaticaliteit: dat ‘hij’ moet in gesproken Nederlands beslist ‘ie’ worden.

Heel Hilversum en ook Aalsmeer zou de ONS eens moeten lezen, dat zou ons van veel aanstellerij afhelpen. Maar ook iedereen die dat half miljoen buitenlanders waar van de week over bericht werd wat Nederlands probeert bij te brengen, kan ontzettend veel plezier hebben van het werk dat Jelle de Vries heeft verricht.

Hoe hoort het eigenlijk?

Kees Sorgdrager, De bolhoed van Piet de Jong, Uitg. Balans, 176 blz.

Eerst de kritiek, dan hebben we dat maar gehad: stom van die oubollig aandoende titel. Wie wil er nou iets weten over De bolhoed van Piet de Jong? Een boekje herinneringen van een parlementair verslaggever-in-bijna-ruste dat zo heet, riekt naar tuttigheid, flauwe nostalgie en een overmaat aan ‘opa vertelt’.

Maar wie oud genoeg is om zich Kees Sorgdrager te herinneren (“Is dat die man met dat lieve gezicht en die mooie stem?” vroeg een vroege dertiger me. Ja, die is het), kan voorspellen dat in diens verhalen humor en zachte ironie de toon bepalen. Wie tot afgelopen juni wel eens op zondagochtend om tien uur radio een had aanstaan, weet het trouwens ook. Het was een goede greep van de redactie van het VPRO-radioprogramma OVT om Sorgdrager, die maar liefst twintig jaar bij Den Haag Vandaag zat, en daarna bij de radio onder meer voor Met het oog op morgen ging werken, te vragen gesproken columns voor ze te maken.

Die columns zijn de basis voor het boekje, en de meeste zijn in 2001 en de eerste helft van dit jaar uitgesproken. Omdat OVT over geschiedenis gaat, moesten Sorgdragers bijdragen dat liefst ook doen. Maar juist in die periode was er wel erg veel dat het hart van een rechtgeaarde parlementair verslaggever flink wat slagen sneller deed kloppen. Die zeer recente historie sijpelt dan ook aldoor door de nu verzamelde columns heen.

Zo is bijvoorbeeld het bijwonen van de Leefbaar Nederland-vergadering waar Fortuyn lijsttrekker werd voor Sorgdrager aanleiding herinneringen op te halen aan de later in het CDA opgegane Christelijk Historische Unie, die óók oranje als partijkleur had. CHU-leden staken bij stemmingen oranje vlaggetjes omhoog. Er zijn meer beelden die voor je geestesoog blijven zweven: Joop den Uyl die zich op een vliegveld in New York geweldig staat op te winden bij de KLM-balie over een gemiste aansluiting, terwijl Relus ter Beek naast hem bijna zijn lachen niet kan houden. Ruud Lubbers die in hemdsmouwen de trap afkomt om te kijken wie er ’s avonds aangebeld had bij het Torentje om hem nog even iets te vragen.

Maar de rode draad die alle namen, gezichten en gebeurtenissen uit het Haagse verleden verbindt, zijn Sorgdragers opmerkingen over de collega’s van nu. Hoe luchtig ook de toon is, hoezeer het uitstekend geschreven boekje ook als heerlijke bedlectuur kan dienen, het is wel degelijk ook Sorgdragers ‘journalistieke testament’ geworden. Een soort ‘Hoe hoort het eigenlijk in de Haagse journalistiek’. En dat is voor Sorgdrager niet zoals het nu gaat: met te weinig afstand en gewoon feiten, en met veel te veel opinie, onzinopwinding en waan van de dag. Het is een wel vaker gehoorde klacht, maar Sorgdrager heeft extra recht van spreken, en houdt journalisten telkens de spiegel van hoe het ook kan voor. Onbedoeld illustratief in dit verband is het begrip dat hij van meet af aan heeft voor het succes van Pim Fortuyn. Een kwestie van wél goed gevolgd hebben wat er leefde.

Voor Sorgdrager is goede journalistiek ook een vertrouwensrelatie opbouwen met degenen van wie je het moet hebben. Daarover bieden de columns een paar concrete kijkjes in de journalistieke keuken. Onder het kopje ‘De wandelgangen’ beschrijft Sorgdrager de slimme deal die hij maakte met CDA-kamerlid Mateman, die een afwijkend standpunt had over de kruisraketten, daar weliswaar kort iets over gezegd had in een radioprogramma, maar geen woordvoerder over dat onderwerp was. Een regulier interview kon dus niet. De onderling overeengekomen oplossing: Sorgdrager kwam met draaiende camera langs, Mateman sputterde netjes, en kon zijn fractie later uitleggen dat hij niet onsportief had willen wegvluchten.

Mooi is ook het verhaal over VVD’er Theo Joekes die Sorgdrager opbelde na een slapeloze nacht die gevolgd was op een interview met Ischa Meijer. Pas bij het nagesprek had Joekes verteld wat hij echt van toenmalig VVD-leider Ed Nijpels vond. Daarmee was het on-the-record gesprek voor Ischa gereduceerd tot flauwe kost, die hij niet wilde publiceren. Maar Joekes vertrouwde er niet helemaal op. Toen Sorgdrager vervolgens Ischa belde, bleek die ook een beroerde nacht gehad te hebben: ‘Zulk prachtig materiaal, en ik kan er niks mee doen’. Er verscheen nooit een letter over in de krant.

Mij stemt het treurig dat Kees Sorgdrager in de Haagse journalistiek totaal geen school gemaakt heeft. Zijn eigen voorbeeld was de legendarische Bob Spaak, over wie hij schrijft: “Ik voelde me thuis bij zijn toon, de toon van het understatement, wars van poeha, maar sprekend voor de goede verstaander, afstand nemend en toch betrokken.” Een beter zelfportret had hij niet kunnen schetsen.

Triomf van de wil

Dames en heren,

Vandaag zou ik dolgraag in een hemel geloven. Want was die er, dan zou Christy daar nu zingen en springen, hollen en huppelen. Eindelijk. Hij zou zijn armen wijd uitspreiden en iedereen omhelzen, stevig vastpakken, of juist heel zachtjes aaien. En hij zou praten, praten, praten. Allemaal voor de allereerste keer.

Stel u voor dat hij ons een verslag zou kunnen sturen van hoe dat voelt. In zijn eigen, fantastische Christopher-Nolan-woordkeus. Een soort vervolg op zijn eerste boek Dam-burst of Dreams, en op Under the eye of the clock, waarin hij die hele krankzinnige kindertijd van ’m beschreef. Maar ach nee, het is onzin te denken dat de bevrijding uit zijn verlamde, spastische lichaam door de dood te vergelijken zou zijn met het eind van de eenzame opsluiting in zijn hoofd, dat maakte dat hij die boeken kon schrijven.

Toen ik, vele jaren geleden alweer – zijn naamgenoot de regisseur bestond nog helemaal niet – voor het eerst over Christopher Nolan hoorde, dacht ik: een sadistischer marteling is nauwelijks te verzinnen. Stop een bereslim ventje vanaf zijn geboorte in een lichaam dat op geen enkele manier naar hem wil luisteren. Zodat hij niet kan praten, ook niet kan gebaren, zelfs niks kan aanwijzen. Een ventje dat maar moet hopen dat hij met zijn ogen duidelijk kan maken dat er daarbinnen een gewoon jongetje leeft, dat dingen wil, of juist niet wil.

Ja, Christy’s ogen spraken, soms boekdelen. Zijn moeder kon ze lezen, maar ook zij vroeg verbaasd en ontroerd ‘Is dit nu hoe je denkt, is dit hoe je in elkaar zit?’ toen eindelijk dat nauwe, moeilijk begaanbare weggetje uit zijn hoofd naar buiten gevonden was – het medicijn dat hem, toen hij bijna twaalf was, een heel klein beetje spiercontrole gaf. Net genoeg om voortaan l-e-t-t-e-r v-o-o-r l-e-t-t-e-r te kunnen typen met de aan zijn hoofd vastgemaakte ‘eenhoorn’, als zijn kin tenminste ondersteund werd. Pas toen bleek ook dat hij inderdaad had leren lezen, dat hij niet voor niets naar school was gegaan.

Oh, wat ging het moeilijk in het begin, en wat was het hard werken. Maar wat was hij gelukkig. En wat bleek er veel in zijn hoofd te zitten. Al die gedichten, die hij al vanaf zijn derde had gemaakt, uit zijn hoofd geleerd en veilig opgeborgen. In die zomer van 1977 kwamen ze er allemaal uit. En bleek ook zijn fabelachtige talent voor taal.

Niet alleen kende hij zijn moedertaal tot in de puntjes (wat opmerkelijk genoemd mag worden voor iemand die er helemaal nooit in heeft kunnen oefenen), hij kon er ook nog eens weergaloos mee spelen. Vanaf het allereerste begin stikte Christophers werk van de alliteraties, assonanties, associaties, wat al niet. Een feest van klanken en veel, heel veel zelfverzonnen woorden maakte hij ervan, zijn leven lang.

Ja, ik weet het, sommigen vonden het overdaad. Ze werden moe van zoveel vormexperimenten en –experimentjes. Daar stonden dan weer anderen tegenover die hem vergeleken met zijn wereldberoemde landgenoten Joyce en Yeats, en Dylan Thomas.
Zelf kon ik bij hem vorm en vent nooit los van elkaar zien. Ik proefde het genoegen dat hij beleefde aan het bouwen van zijn zinnen, en ik meende dat te begrijpen. En altijd realiseerde ik me welke ongehoorde wilskracht er nodig was geweest voor het op papier krijgen van elke zin.
Alleen al daarom vond ik zijn roman The Banyan Tree, over het Ierse plattelandsleven in de vorige eeuw, een triomf. Twaalf jaar werk en dit keer niets autobiografisch. Dit boek moest op zichzelf staan, vond Christopher, die geen foto op het omslag liet zetten en ook geen enkele andere verwijzing naar zijn onwillige lijf.

Of het dat deed, kan ik niet zeggen. Stiekem zag ik wel degelijk overeenkomsten tussen Christophers leven, en dat van Minnie O’Brien, de hoofdpersoon. Na de dood van haar man en het vertrek van haar drie kinderen leeft Minnie helemaal in haar eigen gedachtenwereld. Ze droomt en verlangt. Maar ze klaagt niet, is niet bitter en neemt het leven consequent zoals het komt. Inderdaad, net als Christopher. Ik had dan ook ongelijk toen zijn leven me een grote martelgang leek.

Het boek had minder succes dan de twee daarvoor, en dat is niet helemaal onbegrijpelijk. Oppervlakkig gezien heeft het veel van een streekroman, alleen is het taalgebruik niet bijpassend. Maar niet alleen bij de verhaallijn en karakterbeschrijving moest ik aldoor aan de schrijver denken. Ik las alles met een grote portie verbazing. Op bijna elke bladzijde stonden namelijk beschrijvingen van dingen die Christopher volgens mij helemaal niet kon weten. Hoe het voelt om melk te karnen, door velden te struinen, te hooien, kasten te bouwen, te koken, bekaf van fysieke arbeid te zijn, het ging maar door. Zijn die dingen soms ingebouwd? Was het Christophers verbeeldingskracht, of eenvoudigweg de macht van taal?

Daarover nadenken hield me nog meer op dan het verdomd lastige Engels, vol ‘Nolanismen’. Is het nu na zijn dood niet hoog tijd dat al Christophers werk in het Nederlands beschikbaar komt?

 

NOOT: Dit is geschreven voor een speciaal nummer van De Gids dat ‘Grafredes voor bewonderde of gehate, werkelijke of fictieve, dode of levende schrijvers, denkers, politici, wetenschappers, romanpersonages of andere figuren, uit de pen van meer dan dertig hedendaagse Nederlandse en Vlaamse auteurs’ bevatte. Nolan was bij verschijning overigens nog niet dood, intussen wel: hij stierf op 20 februari 2009. Achteraf vroeg ik me af of ik het verzoek van De Gids wel helemaal goed begrepen had.

Kwesties van smaak

de Volkskrant Stijlboek, onder redactie van Han van Gessel e.a. 200 blz., Sdu Uitgeverij 1992, f 19,90 ISBN 90 12 065844

De eerste ingezonden brief was er een paar weken geleden al. L. Fermont uit Almelo trof in de Volkskrantrubriek “Dag in Dag uit’ de zinsnede leidde gisteren schipbreuk aan. “Ik heb het Volkskrant Stijlboek meteen besteld’, schreef hij en je hoorde hem gniffelen. De Volkskrant, sportief, plaatste zijn briefje. Toch vielen er gemengde gevoelens te beluisteren toen de redactie vorige week tijdens een kleine feestelijke bijeenkomst zijn Stijlboek aan de openbaarheid prijsgaf.

“Het was iets van ons, onze voorsprong op de concurrent, we koesterden het als een geheim, maar het lekte uit”, sprak hoofdredacteur Lockefeer wat spijtig, en vervolgens overhandigde hij het eerste exemplaar aan J. Heldring, die sinds jaar en dag voor de concurrent verslag doet van zijn speurtochten naar taalfouten. “We snijden onszelf in de vingers met die top-50 van spelfouten die erin staat, want de volgende keer heeft natuurlijk iedereen die meedoet aan onze dictee-wedstrijd op televisie die uit zijn hoofd geleerd”, verzuchtte even later Han van Gessel. Hij vormde met vijf andere Volkskrantredacteuren de redactie van het boek, waaraan de afgelopen zeven jaar gewerkt is.

Naast spijt was er ook trots. Trots de eerste krant met zo’n boek in Nederland te zijn (NRC Handelsblad is nog in de fase van onderzoek naar de noodzaak en mogelijkheid van zo’n boek), trots op het feit dat al 3500 Volkskrantlezers het boek besteld hadden: “zomaar, ze hebben het nog niet eens in kunnen kijken!”.

Wat krijgen die lezers binnenkort in huis? Wel, het Stijlboek is een curieus allegaartje geworden. Het aantrekkelijkste aspect zit ‘m denk ik voor het publiek in het-kijkje-in-de-keuken dat nu aan iedereen gegund wordt.

De andere zaken die in het alfabetisch opgezette boek aan bod komen voegen eigenlijk bitter weinig toe aan wat er al op de markt was (‘Het groene boekje’, Renkema’s Schrijfwijzer, De Taalhulp van Inez van Eijk). De meeste ruimte gaat op aan de schrijfwijze van woorden, namen, afkorting (c of k, wel of geen streepje, punt of hoofdletter, etcetera). Daar zit niet veel schokkends of verrassends tussen. Zoals gangbaar houdt de Volkskrant zich aan de voorkeurspelling van “het groene boekje’, ook als die  inconsequent is (produktie naast inductie), behalve bij een paar woorden, zoals mafia (officieel met twee f-en) en fotokopie (officieel met een c). In deze krant gebeurt hetzelfde.

Veel interessanter zijn andere normen, en smaakkwesties. Ze zijn wel heel serieus bij die krant, dacht ik bij het lezen. En er mag ook zoveel niet. Woorden als erg en heel en fantastisch kunnen maar beter geschrapt worden; de hoofdstad, de weergoden, de zwarte piet zijn verderfelijke clichés, en er staan ook twee pagina’s vreselijke uitdrukkingen in het stijlboek, waaronder zulke in mijn ogen onschuldige als de zaak is rond, niet minder dan en starten. Humor leidt meestal tot samengeknepen tenen vindt men, ‘ik’ schrijven in een recensie mag niet, evenmin als naar de Volkskrant verwijzen met de woorden deze krant.

Tja. U kunt aan dit stuk al zien dat ik het zeker niet met alles eens ben, en deze krant ook niet. Voor al die normen geldt: het hangt er maar vanaf. Een goed cliché op zijn tijd kan precies het gewenste effect hebben, net als een grap. Natuurlijk, je moet er mee uitkijken, maar dat moet je met alles wat je in de krant zet.

Lockefeer zei in zijn toespraak dat het niet de bedoeling is van de krant een eenheidsworst te maken, maar dat gevaar zit er wel degelijk in met zo’n lange lijst verboden.

En het valt sowieso te hopen dat de Volkskrantjournalisten (of anderen, voor wie de Volkskrant als voorbeeld wil dienen) zich niet aan de letter van de wet gaan houden. Die schrijft bijvoorbeeld voor om zinnen als Hij hoopte niet dat de Russen zouden komen te veranderen in Hij hoopte dat de Russen niet zouden komen. Alweer: of het verstandig is dat te doen hangt er maar van af. Vergelijk Hij zag niet dat de auto er aankwam maar met Hij zag dat de auto er niet aankwam.

Jammer genoeg staat in het stijlboek ook weer het eeuwige misverstand over de lijdende vorm. Die moet je proberen te vermijden vindt de Volkskrant, en dat is onzin. Afwisseling is de truc, u zou gek worden van een krant met alleen maar zinnen in de actieve vorm.

Ook flauwekul is het om aan te bevelen bij de-woorden in het woordenboek op te zoeken of ze mannelijk of vrouwelijk zijn. Ik geloof niet dat ik in de Volkskrant ooit een zinsnede ben tegengekomen als “Hij pakte zijn pochet en stopte haar in zijn borstzakje’, of “Zij liep naar de kast en deed haar open’. 

De belangrijkste stelregel in de journalistiek “Altijd en overal geldt dat niets altijd en overal geldt’ ontbreekt dus in het stijlboek van de Volkskrant, maar dat neemt niet weg dat degenen die journalistieke aspiraties hebben er zeker het een en ander uit kunnen oppikken. Lemma’s als interview, lead en koppen nieuwsartikelen bevatten wat kneepjes van het vak. Lees je het boek van a tot z dan is ook je algemene ontwikkeling weer aardig op peil. Stukjes over sociale zekerheid, de ozonlaag, de bevoegdheden van een staatssecretaris en de islam zijn allemaal leesbaar en informatief. Alleen de teksten die met de rechtspraak te maken hebben blijven erg in jargon steken.

Door al die smaakkwesties zal het stijlboek niet lang vers blijven: wat nu nog niet gevoeld wordt als een cliché bijvoorbeeld, kan dat volgend jaar al wel zijn. Een reeks telkens bijgewerkte stijlboeken zal over twintig jaar een mooi beeld van sommige veranderingen geven, denk ik. Er staan nu al rake observaties in, zoals dat het woord zwarten wel geaccepteerd is, maar witten (in plaats van ‘blanken’) niet, en dat homofiel een EO-achtige bijklank heeft gekregen.

David in het wilde westen

Het zijn beloftevolle tijden voor de freelancende schrijver en vertaler. Nooit eerder is er zo’n schreeuwende vraag geweest naar wat ze maken. Want naast de tastbare wereld van inkt en papier ligt nu de pasgeschapen virtuele wereld voor ze open. Het digitale landschap is op het ogenblik nog behoorlijk woest en ledig. Het moet dus hoognodig getemd en gevuld.

 Voor de vulling heb je inhoud nodig, in het jargon content geheten. De internetsurfer bijvoorbeeld, moet redenen hebben om een site te bezoeken. Voor pure reclame komt ie niet langs, maar een bijtende column of een inzichtgevende reportage kunnen hem wél lokken naar een pagina waar ook geadverteerd wordt. De ondernemer die zaken gaat doen met een nieuw bedrijf wil graag per e-mail een snel en compleet overzicht van wat er de laatste jaren over dat bedrijf geschreven is. Een internetboekhandel biedt meer dan een gewone boekenwinkel als er bij elk boek een rijtje recensies uit kranten en bladen staat.

Nog lang niet alle digitale mogelijkheden zijn verzonnen, maar ook op dit moment is eerder in druk verschenen materiaal dus al enorm gewild. En freelancers zijn verantwoordelijk voor een groot deel daarvan: de meeste kranten worden voor een vijfde à een kwart gevuld met bijdragen van mensen die niet in dienst zijn, en bij opiniebladen is dat zelfs de helft.

Omdat Nederland zo klein is, kwam het zelden voor dat een ander medium een artikel wilde overnemen, wat het freelancerschap een hachelijke onderneming maakte. Want de reguliere pers betaalt over het algemeen zulke lage honoraria dat zelfs zaken als een arbeidsongeschiksheidverzekering en iets van een oudedagsvoorziening buiten het financiële bereik van heel veel freelancers liggen.

Je zou zeggen: de digitale hergebruiksmogelijkheden betekenen automatisch een grote stap vooruit voor de positie van freelancers. Want anders dan redacteuren in dienst hebben ze zelf de zeggenschap over hun werk, en ze zullen er dus met die groeiende vraag gemakkelijk een redelijke betaling voor krijgen.

Wie dat denkt, vergeet dat de nieuwe wereld niet alleen ledig maar ook woest is. Het Wilde Westen is er niks bij. Talloze uitgevers in heel veel landen zagen er geen been in het werk van freelancers in commerciële databanken te stoppen, op websites en cd-roms te zetten, jarenlang door te verkopen en nog veel meer. Zonder de eigenaars van dat werk dat te vertellen, dus zonder hun  toestemming. Van een overeengekomen vergoeding was uiteraard al helemaal geen sprake.

Maar zulke grootschalige diefstallen komen vanzelf een keer uit, en verantwoording afleggen moet gelukkig nog steeds in de echte wereld, waar je rechtbanken met rechters hebt. Het is opvallend dat de uitgevers nadat ze betrapt zijn het inderdaad vrijwel allemaal op rechtszaken laten aankomen. Een erg verstandige strategie is dat niet gebleken, want zowel in Nederland als daarbuiten worden ze keer op keer veroordeeld. Bovendien duurt het allemaal eindeloos, iets dat het ontwikkelen en uitbouwen van digitale plannen nogal in de weg staat.

Ook de oplossing die uitgevers daarvoor verzonnen hebben, heeft niet het door hen verlangde effect. Op dit moment lopen er nog allerlei zaken, maar de laatste paar jaar is men vast overgegaan op een andere tactiek. Uitgevers hebben zich ontwikkeld tot koppelinkoopbazen. Dat gaat zo. De individuele freelancer krijgt te horen: ‘jij wil je stukken in de krant of ons blad? Dat kan, maar we willen ze alleen hebben als je daarbij meteen al je rechten inlevert.’

Er wordt niet gevraagd: ‘Kunnen we iets afspreken over plaatsing op onze website? En moet je horen, we zouden graag ons complete archief in een databank aanbieden, dus wil je daar je toestemming voor geven? Wij stellen er dan deze vergoeding tegenover. Ook is er een andere grote databank, en die wil de hele inhoud van onze titel kopen. Kun je akkoord gaat met de volgende regeling?’  Nee, veel uitgevers eisen eenvoudigweg de totale vrije hand, en niet even, maar voor de hele duur van het auteursrecht. Vervolgens zien ze nog wel wat ze allemaal met de spullen gaan doen.

Het is alles of niets dus, en dat ‘alles’ gaat zelfs zo ver dat de exploitatiemogelijkheden die nog uitgevonden moeten worden er ook onder vallen. Ter compensatie krijgt de freelancer een schandelijk schijntje geboden (twee, of een half procent van zijn honorarium) en soms zelfs helemaal geen cent.

Daarbij moet bedacht worden dat in die woeste, ledige wereld niet Adam en Eva rondstappen, maar David en Goliath. Laten we even de Nederlandse krantenmarkt nemen. Op De Telegraaf na zijn alle landelijke dagbladen in handen van één uitgever, PCM. Dat betekent dat je als freelancer al snel in je dooie eentje komt te staan tegenover zowel de Volkskrant, als het Algemeen Dagblad, als Trouw, als NRC Handelsblad als Het Parool. De uitwijkmogelijkheden voor iemand die niet akkoord wil gaan met het uit handen geven van al zijn rechten zijn daarmee erg beperkt.

Geen wonder dus dat een deel van de duizenden freelancers die voor een van die vijf kranten werken zich genoodzaakt voelt om dat op onbillijke voorwaarden te doen. En juist degenen die financieel het zwakst staan, zeggen het vaakst tandenknarsend toch maar ja. Daar knappen de onderlinge verhoudingen niet echt van op. Maar dat doen ze ook niet met de rest, de meerderheid, die heeft geweigerd die alles-inleveren-voorwaarden te tekenen.

Want de uitgeverstactiek werkt uiteindelijk niet. Simpelweg omdat ze absoluut niet zonder freelancers kunnen en ook nooit zullen kunnen. Zelfs wanneer eindelijk de honoraria naar een redelijk niveau gebracht zouden worden, blijven freelancers spotgoedkope leveranciers. Die freelancers weten dat ook. Een deel heeft zich mede daarom verzameld in de FreeLancers Associatie, om met zijn allen een David te kunnen vormen die de Goliaths te lijf gaat. Want één freelancer kun je vaak nog wel vervangen, een handvol misschien ook, maar de mogelijkheden voor de uitgevers houden al heel gauw op.

Daar stonden we dan, begin vorig jaar, in een raar soort wederzijdse houdgreep. Het heeft een tijd geduurd, maar die lijkt nu langzaamaan te worden doorbroken. Een aantal uitgevers, de een schoorvoetender dan de ander, toont zich bereid te praten. Of, nog beter, te luisteren. En gelijk hebben ze, want je kunt op vele, meestal niet vrolijkmakende manieren naar de toestand kijken, een zakelijke blik heeft ondertussen maar één onontkoombare uitkomst: uitgevers zijn uiteindelijk ook meer gebaat bij het sluiten van overeenkomsten waarbij iedereen van harte zijn best doet dan bij onwillig makende wurgcontracten.

En het mooie is: zodra dat gebeurd is kunnen we, uitgevers én freelancers, ons gezamenlijk in plaats van ieder apart sterk gaan maken voor het auteursrecht in de digitale wereld. De uitgevers bestrijden nu ook al de piraterij van andere partijen, en net als de freelancers vaak met succes.

Ook kunnen we dan samen een antwoord geven aan de stemmen die her en der opgaan om het auteursrecht in de digitale wereld maar af te schaffen. Degenen die dat roepen begrijpen niet dat het daar in dat geval eeuwig woest en ledig zal blijven. Want als er tegenover geleverd werk geen redelijke beloning staat dan moeten we allemaal ander werk gaan zoeken. Terwijl er voor zowel uitgevers als freelancers letterlijk nog ongekende mogelijkheden liggen om met het ontginnen van de woeste digitale aarde ons ondernemerschap veilig te stellen en lucratiever te maken dan het nu is.

Nootje: ik dit schreef als voorzitter van die net opgerichte FreeLancers Associatie. Het VvL-bulletin was het blad van (toen) de Vereniging voor Schrijvers en Vertalers, vroeger Vereniging van Letterkundigen geheten, tegenwoordig Auteursbond.

De wereld volgens Margreet Hirs

Misschien had ik wel een overdosis moslimdiscussie te pakken, een allergische reactie ofzo – hoe dan ook, ik was even akelig ziek. En toen dat overging in afwisselend dromerig waken en droomrijk slapen, had ik toevallig een bijpassend medicijn in huis: het droomland waarheen Margreet Hirs me met elk boek meeneemt. Haar nieuwe Haventijd lag net naast m’n bed toen ik er ook overdag in belandde.

Immense vertrouwdheid is een van die dingen die dromen vaak bieden. Je bevindt je op locaties waarvan je zeker weet: dit ken ik, hier hoor ik, dit is thuis, zelfs als dat niet waar is. Hirs bezorgt me keer op keer dat gevoel doordat ze Italië en de Italianen door en door kent en tot in haar poriën aanvoelt. Het land is het schijnbaar terloopse decor dat al haar werk een ongekende hoeveelheid sfeer geeft. Ik maak me sterk dat het zelfs geen moer uitmaakt of je Italië kent of niet, lees erover bij Hirs en je begrijpt alles.

Maar haar boeken zijn geen simpele liefdesverklaring aan Italië. Dat is hooguit een extraatje. Romeins theater, Bittere honing, Rood en groen en ook Haventijd gaan over volharding tegen de klippen op, verregaande laksheid en kortzichtige ambitie, eenzaam afzien voor de goede zaak, loyaliteit, ongecompliceerde lust, schofterig egocentrisme, het menselijk gezicht van de zelfkant, de geuren, kleuren en smaken, en de butsen en builen van het echte leven. Ook de recente actualiteit (dit keer onder meer de antiglobalisten en een verdwaalde islamitische zelfmoordterrorist) is iedere keer slim verweven in de verhalen. Hirs heeft mensenkennis en haar wereldbeeld is dientengevolge verre van vrolijkmakend, maar toch word ik van al haar boeken vrolijk.

Margreet Hirs, pasen 2008. foto: Liesbeth Koenen

Dat komt doordat ze stiekem inderdaad een beetje een droomwereld schept, met behulp van magisch-realistische elementen, en andere kleine wondertjes. Op zich wonderlijk dat ik daarvoor val, want ik hou niet zo erg van schrijvers als Márquez, Allende en Lampo, noch van sprookjes voor volwassenen (The Lord of the Rings). Maar bij Hirs is een pratend zwijntje, een kakkerlakje als huisdier, een magische ring, een weemoedig weeklagende oude stad zowel ontroerend als geloofwaardig. Ook het satanisch genoegen waarmee ze bad guys tussen de bedrijven door akelig aan hun end laat komen en good guys (en dolls) wat geluk gunt, doet mij glimlachen en grinniken.

Datzelfde effect had indertijd het lezen van het oorspronkelijk Mexicaanse, trouwens ook als ‘magisch-realistisch’ gecategoriseerde, en al even zinnenprikkelende boek Rode rozen en tortilla’s. Margreet Hirs is de Laura Esquivel van de Lage Landen. Maar ja, haar werk staat te boek als ‘literaire thrillers’, en het wordt uitgegeven door een thrilleruitgever. En inderdaad, er zitten altijd thrillerelementen in, maar het heeft nooit iets van een whodunnit. Gevolg is wel dat als je ernaar vraagt in de ene prestigieuze hoofdstedelijke boekhandel ze Hirs’ nieuwe boek niet eens besteld hebben, en in de andere zeggen ze ‘we verkopen heel weinig van haar’. Tja, als je haar werk niet ruimhartig inslaat en uitstalt… Dat zal wel te maken hebben met het feit dat recensenten slecht uit de voeten kunnen met boeken die eigenlijk buiten de geijkte standaardindelingen vallen. Maar u weet nu wat u met de boekenbonnen van de Sint moet doen: haal Hirs in huis.

Roep maar wat

Benijdenswaardig was het: die zekerheid, dat geweldige gemak waarmee de vergaandste conclusies getrokken werden. Ik heb laatst mijn ogen uitgekeken bij Noorderlicht, het wetenschapsprogramma van de VPRO. Heeft u het gezien? Het ging over het ontstaan van taal, althans, dat zeiden ze.

Er was een mevrouw die als jongmaatje op een opgravingsplaats in Israël het rottigste karweitje had gekregen. Ze moest in een diepe, stinkende put graven. Maar de wraak van deze paleo-antropologe-in-wording was zoet: ze vond prompt een zeer gave Neanderthaler. En die Neanderthaler had een botje in z’n keel. Een botje dat u en ik ook hebben, en dat we gebruiken als we bepaalde spraakklanken maken.

De Neanderthaler kon dus praten, concludeerde de inmiddels allang afgestudeerde dame en de commentaarstem zei het haar na. En er was nog een vondst daar uit de buurt. Een brokje steen, wel 230.000 jaar oud. Het was bewerkt, en het leek het meest op een vrouwenfiguurtje. Ah!, wist iedereen op het scherm: het was een symbool. En wie om kan gaan met symbolen beschikt over taal, dus konden de oermensen die het gemaakt hadden praten.

Er was ook een meneer. Een psycholoog die enorm oude stenen pijltjes liet zien, die vastgebonden moesten worden aan stokjes. Dat was gereedschap maken, dat moest je bedenken, plannen, en daarvoor, zo wist hij, had je taal nodig. Toen kwam de mevrouw weer in beeld en die wist ineens dat taal wel meer dan een miljoen jaar oud is. Zalige zekerheid. Ik zei het al: ik was jaloers.

Maar ja, weet u wat zo vervelend is? Al die vondsten zeggen helemaal niets. Papegaaien hebben ook een keel die spraakklanken kan maken, en toch hebben ze geen taal. En symbolen? Tja. Duiven bijvoorbeeld gaan daar ook ontzettend goed mee om. Je kunt ze zo symbolen leren voor rode, blauwe en groene lichtjes. Even oefenen en het gaat vlekkeloos: bij een rood lichtje drukken ze met hun snaveltjes een toets in met daarop het woord rood, blauw licht brengt ze naar de toets waarop blauw staat, en bij groen gaat het ook goed.

Gereedschap plannen dan? Wel, het is al meer dan dertig jaar bekend dat mensapen dat uitstekend kunnen. Die gaan bijvoorbeeld eerst een goede tak zoeken, ontdoen die vervolgens van alle blaadjes, om hem daarna als hengel in een termietenheuvel te gebruiken. Maar erbij praten doen ze niet.

Ook buiten de journalistiek hebben velen niet zo’n trek om een goed verhaal kapot te checken. Iets dat zeker geldt voor de ergste zwammer in het programma. Dat was meneer Terrence Deacon. Wat hij zei over communicerende diersoorten en rituelen viel integraal in de categorie ‘roep maar wat’. Ik kende deze neuroloog al van een fabelachtig verhaal over taal dat ik u niet wil onthouden. U dacht misschien dat uw taalvermogen in u verankerd zat. Is niet zo. U heeft alleen maar grote hersens. En taal, ja, die is al in de wereld, en dat enorme brein hoort dat, pikt het op, en gaat het dan ook gebruiken. Als apen een grotere hersenpan hadden konden ze het ook.

Het staat allemaal in een heel dik boek. En nee, natuurlijk heeft Deacon daarvoor niet lang en oplettend in al bestaande boeken over taal gegrasduind. Dat zou niet goed zijn voor het verhaal. Wie weet had ie anders gelezen over kinderen met maar één hersenhelft. Die gaan toch praten, terwijl ze het met minder moeten doen dan een aap. Of misschien had hij wel in een inleidend taalwerkje gelezen over de vele dovengemeenschappen in de wereld, die allemaal een complete taal ontwikkeld hebben, terwijl ze de taal in hun omgeving toch heus niet konden horen.

Dove kinderen die je geen voorbeeld geeft, doen dat nog steeds: die gaan spontaan zinnen gebaren, en niet eens met een willekeurige gebarenvolgorde. Net zoals kinderen die een beperkte contacttaal – een pidgin – hoorden de elementen daaruit inzetten om er volwaardige zinnen mee te gaan maken. Daarom hebben we nou talloze creolentalen, waarover eindeloze literatuur bestaat. Maar ja, daar kun je je natuurlijk allemaal niet mee bezighouden als je een theorie wilt opstellen over de aard en het ontstaan van taal.
Net zo goed als de VPRO er niet is om dingen tegen te werpen wanneer al die geleerden-in-andere-dingen-dan-taal toch zo’n lekker simpel taalverhaal hebben. Zeg nou zelf, dat zou zonde zijn.

Waarom leggen vogels een ei?

VAN FUNCTIES, FRACTALS EN FOBIEËN Vernuftige en verrassende vragen over wetenschap
PWT-Wetenschapslijn, Samenstelling en redactie: Andrea Hijmans en Harry vanden Tweel
Uitgever: A.W. Bruna, 155 p., f 17,50

Wat kan wetenschap toch ontluisterend zijn. Of het nou om zombies, het monster van Loch Ness of God zelf gaat: een bewijs dat ze bestaan is nog steeds niet geleverd. Een tijdmachine bouwen, exact tijd en plaats van aardbevingen voorspellen, een computer waartegen je gewoon kunt praten, voorlopig zijn het wensdromen. Maar juist omdat het dat zijn, zijn de verwachtingen vaak hoog gespannen.

Ten aanzien van wetenschap wordt dikwijls dezelfde houding aangenomen als ten aanzien van de dokter. Die weet meer dan de leek, en dus denkt de leek al gauw dat de dokter gelijk ook een wonderdokter is. Nu is er in dat heildenken de laatste tijd wel verandering gekomen. Dat dokters lang niet alles weten en je vaak niet beter kunnen maken, dringt in steeds bredere kring door en verklaart overigens ook het succes van allerlei ‘heel-jezelf’ boeken die nu al jaren achtereen in elke non-fictie toptien van deze boekenbijlage te vinden zijn.

Het besef dat ‘deskundigen’ niet voor alles een oplossing weten kan dus ook leiden tot wantrouwen. Vrijwel de gehele wetenschappelijke wereld kampt met hetzelfde probleem als de medische stand. De consument van wetenschap lijdt te vaak óf aan overmatig vertrouwen óf aan blind wantrouwen. Een manier om daar iets aan te doen is die consument kennis voeren en hem zo een tikje weerbaarder maken.

Dat is niet eenvoudig, dat wil zeggen: er is nog heel wat werk te verzetten. Het rare is dat mensen altijd beweren erg in wetenschap geinteresseerd te zijn, – bij lezersonderzoeken van de Volkskrant en de NRC komen de wetenschapsbijlagen telkens als het populairst uit de bus – maar hun basiskennis is over het algemeen bedroevend. In Amerika worden er regelmatig onderzoekjes naar gedaan.

Naar aanleiding van een van die onderzoeken opende het wetenschapsprogramma Concept van de NCRV vorig televisieseizoen een van zijn afleveringen met wat straatinterviews ergens in Nederland. Verbijsterend om naar te kijken. Voorbijgangers in alle soorten en maten werd gevraagd of de aarde nou om de zon draaide, of dat het andersom was. De een na de ander bleek het niet te weten. Dit jaar is het 357 jaar geleden dat Galilei veroordeeld werd tot een levenslange gevangenisstraf omdat hij de copernicaanse leer aanhing, die onder andere vertelt dat de aarde om de zon draait. In al die eeuwen heeft de wetenschapsvoorlichting maar weinig bereikt, lijkt het.

Galilei

Eigenlijk is het jammer dat wetenschapsvoorlichting en -journalistiek pas in de mode zijn gekomen nadat er sprake was van verregaande specialisatie. In de tijd van Galilei moet het allemaal nog knap overzichtelijk geweest zijn. Die tijd is voorgoed voorbij, en dat maakt de taak van een instelling als PWT, de enkele jaren geleden door de overheid ingestelde Stichting voor Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek, niet lichter.

Toch schijnt men er daar niet treurig van te worden, getuige in ieder geval de uiterst opgewekte toon van Van Functies, Fractals, en Fobieën, vernuftige en verrassende vragen over wetenchap. Dat boek, samengesteld door Andrea Hijmans en Harry vanden Tweel heeft de volgende achtergrond: een van de activiteiten van PWT is de exploitatie van een ‘wetenschapslijn'(06-8212144). Die kun je voor twintig cent per minuut bellen om vragen op het gebied van wetenschap en techniek te stellen.

In het eerste jaar na de openstelling van de lijn kwamen er 7000 vragen binnen. De medewerkers zoeken antwoorden op in de naslagwerken en krantenknipsels die ze tot hun beschikking hebben, of informeren bij een specialist als ze er niet uitkomen. Een aantal van die vragen zijn met hun antwoorden nu terechtgekomen in een aardig ogend boekje.

Typerend is dat in de inleiding vermeld wordt dat vooral oudere bellers moeite hebben met genuanceerde antwoorden. Anderzijds bekennen de samenstellers dat ook zij heel wat mitsen, maren en tenzijen die de wetenschap nu eenmaal eigen zijn, geofferd hebben aan de leesbaarheid. Wat er in het boekje staat moet dus maar worden aangemerkt als voorlopig of waarschijnlijk waar.

Dat neemt niet weg dat er heel wat uit op te steken valt. Er zijn twaalf min of meer thematische hoofdstukjes in te vinden, beginnend bij ‘Het hoofd op hol’, waarin onder andere de vraag wat de functie van huilen is beantwoord wordt, via ‘In vliegende vaart… (‘Hoe vliegt een vliegtuig?’, ‘Bestaan er werkelijk vliegende vissen?’)  tot ‘(On)wetmatigheden van Moeder Natuur’, waar te lezen valt waarom de zee zout is en wat fractals zijn.

Alzheimer

Aardig vind ik de hoeveelheid naieve maar daarom nog wel fundamentele vragen, zoals die waarom de lucht blauw is (dat heeft alles met lichtgolven te maken) en waarom vogels een ei leggen (een embryo in het lichaam grootbrengen zou betekenen dat vogels te zwaar worden om nog te vliegen).

Niet alle antwoorden zijn even informatief. Na het lezen van anderhalve pagina onder het kopje ‘hoe ontstaat geheugenverlies?’ weet ik nog niet veel meer dan dát het ontstaat, bijvoorbeeld door de ziekte van Alzheimer, en dat je er soms met trainen iets tegen kunt doen. Hoe dat komt, en hoe het toegaat in ons brein is natuurlijk ook niet bekend, maar dat had er dan ook best mogen staan.

Sommige lezers zullen waarschijnlijk struikelen over het vlotte en soms wel erg melige toontje van de schrijvers (‘Pijn is au, dat weten wij allen uit eigen ervaring.’). Hun pogingen om aan te sluiten bij de belevingswereld van de gemiddelde Nederlander leiden geregeld tot te veel omhaal van woorden en te lange anekdotes die toch een beetje in de lucht blijven hangen. Maar altijd nog honderd keer liever dat dan grijs en compact proza dat bij voorbaat iedere interesse voor wetenschap wegneemt.

Het boek bevat veel illustraties (soms wat oubollige) en foto’s, en gelukkig ook een register. Aardig is dat een van de samenstellers taalkundige is en er dientengevolge nu eens niet voortdurend onzin over taal beweerd wordt. En ook wie wil weten of het waar is dat vrouwen die lang in elkaars gezelschap verkeren synchroon gaan menstrueren, of wat geheugenmetaal zich kan herinneren, kan in Van Functies, Fractals en Fobieën uitstekend terecht. Het is kortom, ondanks zijn beperkte omvang, een breed en leerzaam boekje.

Egyptische dromen

Zo’n 7000 hiërogliefen werden er tegen het begin van onze jaartelling in Egypte gebruikt. Egyptologe Marieke van der Kuijl (1983) leerde ze lezen, net als de driehonderd tekens waarmee het schrift 5000 jaar geleden begon. In de geschriften staan de oudst bekende teksten over dromen.

Waar droomden de oude Egyptenaren van?

‘Erg veel dromen zijn er niet overgeleverd, en de meeste zijn in een literaire vorm gegoten. Dan gaat het vaak om dromen van koningen, die mooier gemaakt worden. Maar er zijn ook droomboeken bewaard gebleven, waarin dromen worden uitgelegd. Onder meer een uit een arbeidersdorp bij Luxor, uit de tijd van Ramses de Grote, die in de dertiende eeuw v. Chr. de tempels van Aboe Simbel liet bouwen. Qenherkhopsef, de schrijver van het dorp – schrijver was toen een beroep – tekende bijvoorbeeld op dat als je droomt dat je graan afmeet, dat betekent dat je vrouw zwanger wordt, of dat je veel bezittingen krijgt. En als iemand zichzelf op het dak van een huis ziet, zal hij iets terugvinden dat hij kwijt is. Iemand die zichzelf in de spiegel ziet, kan een echtscheiding verwachten.’

Dromen waren voorspellingen?

‘Zo werden ze vaak geduid, ja. Frappant is een droom uit 159 v. Chr. van de priester Hor, die voorspelde dat Egypte in twee delen uiteen zou vallen, wat toen ook gebeurde. Dat is uitgebreid gedocumenteerd. Maar in het algemeen zag men dromen als een schemerzone tussen slaap en dood. De Egyptenaren maakten onderscheid tussen ‘slechte dromen’ en nachtmerries. Slechte dromen waren niet per se angstaanjagend, maar hadden een slechte boodschap, bijvoorbeeld dat een echtpaar dat graag kinderen wilde ze niet zou krijgen. Tegen enge nachtmerries bestonden bezweringen en rituelen. Knoflook voor de deur hangen, of een extra godenoffertje brengen.’

De lezing gaat ook over Freud?

‘Een Egyptische droom speelde een sleutelrol in zijn theorieën. Freud heeft zelf ook nog over het oude Egypte geschreven, maar dat wordt in de Egyptologie niet serieus genomen. Hij zag parallellen tussen Mozes en de farao Achnaton uit 1300 v. Chr. Dergelijke discussies zijn al oud. Doorgaans wordt wel aangenomen dat de Bijbelse Exodus plaatsvond onder Ramses de Grote.’

‘Freuds interesse begon toen zijn vader hem als zesjarige een plaatje liet zien van een Egyptisch dodenritueel. Een mummie op een baar, met daaromheen vier als goden verklede priesters. Hij droomde vervolgens van zijn moeder op een bed met vier mensen eromheen, en was ervan overtuigd dat ze vermoord werd. Het was zo angstig, dat hij nauwelijks gerustgesteld kon worden. Later analyseerde hij die droom: dat hij zo bang was, moest wel betekenen dat hij een seksueel verlangen naar zijn moeder had. Wat hij het Oedipuscomplex ging noemen.’

Hoe universeel zijn de Egyptische dromen?

‘Ik denk toch dat het erg cultureel bepaald is. Wie droomt er nu nog van graan afmeten?’

Zaterdag 28 november spreekt Marieke van der Kuijl MA over ‘Dromen en Droomduiding in het oude Egypte’. 14.15 uur. Museum Meermanno, Prinsessegracht 30 in Den Haag. Toegang € 8,- plus museumkaartje. www.huisvanhorus.nl

‘Droomhiërogliefen’ zette NRC Next ’s ochtends boven dit artikel. 

Een satiricus die satireprofessor wordt, dat is satire

‘Ik mag dat klinkende getal wel noemen, lijkt me: al ruim een halve eeuw bedrijf ik satire. Vanaf school tot nu,’ zegt Wim de Bie (1939), en bedoeld of niet, er klinkt zelfspot in door. Satire was dan ook nooit het woord dat hij en Kees van Kooten gebruikten voor hun befaamde  televisiewerk. Veel te deftig en heilig. Toch bekleedde De Bie net drie maanden de Leonardo-wisselleerstoel van de Tilburg School of Humanities om een masterclass Satire te geven. 

Is satire te onderwijzen?

Je kunt laten zien dat het met herschrijven beter wordt. Ik heb niet de illusie dat ik in twaalf donderdagmiddagen volwaardige satirici kan kweken, maar ik kon de studenten wel op het spoor zetten: dit kan eruit, dat is te wollig, hier zit geen grap in. De studenten hebben met groot enthousiasme geschreven, maar als een ding duidelijk is geworden dan is het dat er heel veel tijd voor nodig is. Een blog naar buiten brengen is niet gelukt.

Van heel veel klassiekers lezen is het ook niet gekomen, maar we hebben bijvoorbeeld wel direct Candide van Voltaire besproken. Ik heb The Great Dictator gedraaid, en ik moet ze echt nog wijzen op Het Proces van Kafka. Maar ik heb ze ook de oudejaarsconference bijgebracht. Wim Kan in 1973 voor het eerst op tv. Dan gaat het over de koningin, toen nog Juliana, en dan hoor je de zaal eerst schrikken en oooohhhh zeggen, en dan pas lachen.

Lachen is veranderd?

Ja, de studenten hebben het een en ander achter elkaar gezet. Dat geschrokken zijn komt eigenlijk niet meer voor. En er wordt ook niet meer zo uitbundig gelachen. Zo’n zaal waar minutenlang een niet te stuiten lach in golven doorheen ging. Hoewel ik meer een Kan-fan ben, moet ik zeggen dat Toon Hermans daar groots in was.

Kan was weer meesterlijk in intimiteit met de zaal. Door zacht te praten, en zogenaamd ruzie te krijgen met iemand uit het publiek die er helemaal niet is. Tegenwoordig schreeuwen ze tegen de zaal.

Valt er iets te zeggen over wat grappig is?

Lachen is een eigenaardige lichamelijke reactie. Ik kan niet uitleggen waarom ik ‘s ochtends onbedaarlijk in de lach schiet om Gummbah in de Volkskrant. Door het onverwachte?  Voor Kees en mij was maatgevend of we samen moesten lachen. Dat kon om een klein zinnetje of voor mijn part een nekverdraaiing zijn. Het viel niet te voorspellen.

Satire is een komisch commentaar op de werkelijkheid. Zo simpel én zo ingewikkeld is het.  

Wordt het eigenlijk een satirische slotlezing?

Ik vrees dat ik het toch niet zal kunnen laten. Een satiricus die professor in de satire wordt, is eigenlijk al satire. Maar goed, het gaat over toekomstscenario’s voor 2048. Hoewel het ook nog helemaal niet vaststaat: zolang er nog een nacht tussen zit kan alles nog veranderen. Zo was het altijd al.

Donderdag 31 mei spreekt Wim de Bie over ‘Satire is satire is satire’. 16.00 uur. Dantegebouw (zaal DZ1)  Tilburg University, Warandelaan 2 Tilburg. Toegang: gratis.  

Slinkend hart

Mag ik u hartelijk danken? U heeft van mij een poëziekenner gemaakt. Dat is mooi meegenomen als je altijd gedacht hebt van gedichten hooguit te hooi en te gras kennis te hebben genomen.

Met weinig inspanning toch scoren, het is een genoegen dat je niet vaak genoeg kunt smaken. Hoe dan ook, mijn hart zwol van trots toen ik van de week de uitslag van een enquête onder Cultureel-Supplementlezers in handen kreeg. U mocht zeggen wat u nou het mooiste Nederlandstalige gedicht vond, en van de top honderd die daaruit kwam, kende ik er zeker 97.

Schat ik tenminste, want elke hulp bij het tellen ontbreekt, en ook is er vals gespeeld. De uitslag is meteen in boekvorm verschenen, onder de voordehandliggende titel Het mooiste gedicht, De favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen. Het bevat natuurlijk honderd gedichten, denk je dan. Maar wat staat er achterin in de verantwoording? Dat het uitverkoren werk van de enige poëet op aarde wiens verzamelde gedichten ik al een heleboel keer van a tot z gelezen heb, niet is opgenomen. Gerard Reve laat zich nooit bloemlezen, ook niet voor deze gelegenheid.

Drie van zijn gedichten had u erbij willen zien, alleen Rutger Kopland met vier en topscoorders M. Nijhoff en J.C. Bloem met zeven doen het beter. Of misschien wel niet. Want of Reves poëzie wellicht de top drie uitmaakte, wordt listig verzwegen (net als — schande — het geboortejaar van alle gedichten). Enfin, de rest van dit stukje zou zo heen kunnen gaan aan cijfermateriaal, maar ik ben Battus niet.

En of het ironische versje De dichter van onze kersverse eerste Dichter des Vaderlands wel echt op nummer honderd staat, is van minder belang dan vraag of dat nu inderdaad het enige gedicht van Gerrit Komrij is dat u mooi genoeg vindt om in deze hoge regionen mee te doen.
Ik vrees dat het vooral toevallig een erg bekend gedicht is.

Dat gezwollen hart van mij begon al snel weer te slinken toen ik de favorieten nog eens goed bekeek. Het Wilhelmus? Ook nog ergens halverwege die top honderd? U maakt een grapje! Hermans Gorters Mei? De eerste regel zult u bedoelen. En op school hebben ze u gewoon ooit dat opmerkelijke maar volmaakt onbegrijpelijke krinklende-winklende-waterding-gedicht van Gezelle laten lezen, en dat is blijven hangen. Ook houdt u de fragmenten boven overlijdensadvertenties bij (test: van wie is Weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven en wie schreef Zeven maal om de aarde te gaan?).

Wat er uit de enquete kwam, is een prachtige Bluff your way into Dutch poetry, waar desalniettemin veel uit te leren valt. Dit zijn de gedichten die we doorvertellen, waar we elkaar op wijzen, in het onderwijs of elders. Die ons raken. Dit is de canon.

Voor de tallozen die zelf dichten of willen dichten ligt er nu ongeëvenaard materiaal voor de cursus ‘hoe word ik ook onsterfelijk?’. Ik vat vast het een en ander samen. Regel een: rijmen helpt, metrum moet. Verreweg de meeste ‘mooiste gedichten’ zijn klassiek in dat opzicht. Veel experimenteler dan Van Ostaijens Marc groet ’s morgens de dingen wordt het niet.

Regel twee: schrijf over clichés. Dood en liefde, familie en natuur, die doen het het best. Stop er liefst een paar bij elkaar in een gedicht (de dood van een tuinman, de liefde voor een stervende vader). En geen ellenlange verhalen, pak wat details, of een enkel beeld, en laat het vaak allemaal uitdraaien op verlangen of weemoedigheid (desnoods over net geplante sla).
Maar maak het weer niet te hoogdravend graag: Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten en Groots en meeslepend wil ik leven haalden alletwee de top honderd niet.

En misschien het allerbeste advies: zoek er een componist bij. Niets draagt zo bij aan het verspreiden van een gedicht als een melodie. Er zit er in die hele top honderd maar een waarvan ik alle woorden zonder haperen van begin tot eind kan weergeven. Zingend, wel te verstaan, opzeggen gaat niet. Ik vind het dus geen gedicht. Het is een liedje, maar het gaat wel over familie (vader-dochter), liefde (van vader voor dochter, van dochter voor engerds), natuur (eendjes, hondjes) en weemoedigheid. Juist: Annie M.G.’s Op een mooie Pinksterdag.

Manipuleren mag

Wist u dat onze kroonprins al jaren vecht tegen een krokettenverslaving? Alle snackbarhouders in Leiden, waar de prins geschiedenis studeert, hebben onlangs in het diepste geheim bezoek gehad van een employé van het koninklijk huis.

Willem-Alexander is zo verslingerd aan de oerhollandse lekkernij (de kalfskroket is zijn grote favoriet), dat hij vaak ’s nachts zijn huis aan het Rapenburg uitsluipt, op zoek naar een krokettenbakker die nog open is.

Vindt hij er een, dan bestelt hij direct een dozijn kroketten, die hij achter elkaar naar binnen propt. In het ontlopen van zijn bodyguards is Alex, zoals onze toekomstige koning voor vrienden heet, een expert geworden. Een onhoudbare toestand. Daarom heeft onze vorstin opdracht gegeven om alle krokettenverkopers in Leiden en omgeving persoonlijk te benaderen. Hen is gevraagd de prins nooit meer een kroket te verkopen en dit “geheim van Huis Ten Bosch” goed te bewaren. In ruil daarvoor kreeg iedereen f 5000,- zwijggeld uitbetaald. Dat geld moet ook de misgelopen inkomsten goedmaken.

Exclusief voor O wil snackbarhouder J.R. toch vertellen over Willem-Alexanders junkiegedrag. “Ik hou erg veel van ons koningshuis, maar het Nederlandse volk heeft er recht op te weten dat de kroonprins verslaafd is”, zegt R. terwijl hij een portie bitterballen in het vet gooit.

De rest mag u zelf verzinnen. Net als de details over de liefdesrelatie tussen Ruud Lubbers en Hanja Maij-Weggen. En het ware verhaal achter het dreigend failliet van Freddy Heineken. Of bedenk zelf een roddelartikel dat u meer aanspreekt.

De methode is simpel: roer verzinsels en feiten door elkaar. De onderlinge verhouding tussen die twee ingrediënten en de vorm waarin het mengsel gegoten wordt bepalen de geloofwaardigheid van het eindprodukt.

En met dat recept valt grof geld te verdienen. De Story en de Privé zijn het levende bewijs, en ik begrijp dat heel goed. Waarschijnlijk ben ik belachelijk naief, maar ik kan me telkens opnieuw verbazen over ‘de macht van het woord’, om het maar even ruim te definiëren.

Ik vind het namelijk zo moeilijk me eraan te onttrekken. Als ik hoor dat Nancy Reagan het deed met Frank Sinatra, dan maak ik me daar automatisch een voorstelling van, of ik het nou geloof of niet. Al weet ik nog zo goed dat ‘de bladen’ draaien en liegen, toch lees ik bij de sigarenboer iedere week de koppen over liefdesbaby’s, huwelijksdrama’s, geknakte carrières en ander leed.

Ik bewonder Wim Kaasmaker die in het eerste nummer van het fantasievolste blad van Nederland (Peter Mullers De Nieuwe Amsterdammer) zelfs een bericht over winderige oma’s die het Rijksmuseum niet meer in mogen nog een schijn van waarheid wist te geven. Ondanks alle woordspelingen met ‘wind’ die er in het stuk staan.

Het zal allemaal wel met conventies te maken hebben. Ongeschreven regels, waarop een groot deel van de wereld draait.

Een van die regels is dat je er normaal gesproken van uitgaat dat je gesprekspartner niet staat te liegen. In de taalwetenschap staat dat uitgangspunt bekend als een van de samenwerkingsprincipes van Grice. Maar die principes (de andere zijn kort samengevat dat je niet nodeloos veel, of duister of over irrelevante dingen praat, en dat je ervan uitgaat dat degene die je tegenover je hebt dat ook niet doet) bedacht Grice in de jaren zeventig voor gesprekken. Bij woorden op papier wordt het een tikje anders, maar blijkbaar hebben we wel de neiging die principes over te dragen op geschreven teksten, – ze als criterium te gebruiken.

Schrijver en lezer zijn toch op de een of andere manier gesprekspartners. Dat hoor en lees je terug in de oordelen van (al dan niet professionele) lezers. “Die brief is wel goed Frans, alleen die uitweiding over de geschiedenis van onze stichting doet er in dit geval niet toe. Dat hoort er niet in thuis.”  “Meneer van der Heijden, u heeft een meesterwerk geschreven, maar u heeft er teveel woorden voor nodig. Met honderd bladzijden minder had u f 50.000 kunnen verdienen, nu gaat de AKO-prijs aan uw neus voorbij.”  “Aardig stukje dat je gemaakt had voor ons partijblad, ik kon alleen de passage over de noodzaak de kinderbijslag af te schaffen niet volgen.” “Heb je al die artikelen over het enige echte Troje gelezen? Wat een onwaarschijnlijke flauwekul.”

Andersom werkt het natuurlijk ook. Lof gaat naar degene die helder, overtuigend en to the point schrijft. Ik geloof dat slechts een hoogst enkeling er een speciale voorliefde voor duister proza of ‘hermetische’ poëzie op nahoudt. Al verwachten we moeilijk te doorgronden taalgebruik natuurlijk eerder in een roman of dichtbundel dan in het hoofdartikel van de Volkskrant.

De plaats of het decor waarbinnen een tekst te vinden is, speelt een grote rol bij het leveren van een oordeel. Zelfs al voordat je begint te lezen (of te luisteren, maar dat gebeurt weer in iets andere decors) neem je een aantal decorstukken snel in je op. Wat is dit voor tekst? Waar komt hij vandaan, waar staat hij, wie is er aan het woord? Het antwoord op die vragen kleurt de bril waarmee je leest.

Ervaren lezers hebben voor alles een verwachtingspatroon: voor hoofdartikelen, voor officiële brieven, voor recensies, voor novelles, voor de wijkkrant, voor autobiografieën, voor sprookjes, voor elk genre dat ze kennen.

Binnen het genre blijven de samenwerkingsprincipes overigens nog steeds belangrijke criteria. Een science fiction verhaal moet wel intern consistent zijn, in een autobiografie mag niet te veel gelogen worden, een novelle hoort niet wijdlopig te zijn.

Toch ligt hier de goudmijn voor de manipulator. In die verwachtingspatronen. Schokkend vond ik het om een tijdje terug te lezen dat de nieuwste trend bij bedrijven het aanmelden van nepvacatures is. Stel je voor: sta je als werkeloze op het arbeidsbureau (dat zich overigens krankzinnig genoeg nu alweer jaren Jobcentre noemt) in de bakken banen te bladeren, loop je het risico dat de prachtbaan die je ziet helemaal niet bestaat. Dan krijg je op je sollicitatie een briefje thuis “dat er intern een oplossing gevonden is”.

Dat allemaal omdat het bedrijf zo nodig de arbeidsmarkt wilde aftasten. Een ordinair geval van liegen, in een context waar je dat niet verwacht.

En om nog even terug te komen op de samenwerkingsprincipes bij het spreken: dat geldt ook voor beweren dat je een bom bij je hebt in het vliegtuig, terwijl daar geen sprake van is. Ieder jaar opnieuw duiken er berichten op in de kranten over vliegtuigen die vanwege zo’n gek terug naar huis moesten.

Het nieuwste misbruik dat er van ‘de macht van het woord’ gemaakt wordt is bijten of steken met een naald onder het uitroepen van de kreet “ik heb aids”. Nogal een gore truc. Want een besmetting is tenslotte niet helemaal onwaarschijnlijk wanneer je een junkie bent. Voor de agenten die dit overkomt moet het een nachtmerrie wezen.

Ook ‘de bekende hoogleraar’ (his words, not mine) tekstwetenschap Teun van Dijk probeert zijn woorden geloofwaardigheid te geven door gebruik te maken van de omgeving waarin hij zich bevindt: de Wetenschap.

Al jarenlang stuurt hij met jargon doorspekte maar verder totaal ongefundeerde beschuldigingen de wereld in (het komt er geloof ik altijd op neer dat iedereen een racist is), en altijd weer zijn er mensen die hem geloven, al was het alleen al “omdat zo’n man natuurlijk toch niet voor niks professor is”. In de kwestie Komrij (die volgens Van Dijk de werkelijke auteur is van De ondergang van Nederland, een boek dat waarschuwt voor een moslim-machtsovername) is de tekstprofessor geheel door het dolle heen geraakt. Toen bekend werd dat er daadwerkelijk een proces zou komen naar aanleiding van Komrijs aanklacht tegen Van Dijk wegens smaad, liet de hoogleraar weten dat hij nog steeds geen enkel overtuigend argument had gehoord waarom Komrij niet onder de naam Rasoel had geschreven.

Daarmee zette hij een stap die in ieder geval voor sommigen net iets te ver buiten de verwachtingspatronen ligt. Een dergelijke omkering van de bewijslast is ook werkelijk te dwaas voor woorden.

Van Dijk werd prompt uitgefoeterd en -gelachen in het taalprogramma van NOS-radio en in Jan Blokkers column in de Volkskrant. Toch hadden de kranten allemaal zonder verder commentaar (had nou eens even wat collega’s uit de taalwetenschap geraadpleegd, jongens, dan had je kunnen horen hoezeer deze man de risé van het complete vakgebied is, en dat er bosjes taalwetenschappers rondlopen die zich doodergeren aan de slechte naam die die Van Dijk hun vak bezorgt) de reactie van de professor in een berichtje gezet.

Toch leidt het manipuleren van feit en fictie in de juiste context niet tot misbruik en leugens, of de Privé, maar juist tot veel onvergetelijk fraais. Ook de literator is nu eenmaal een manipulator. Pas geleden verschenen er vrijwel tegelijk twee boeken die ik zeer de moeite waard vind, en die allebei met de werkelijkheid spelen: Apenliefde van Theodor Holman en Het zwaard van de kreeft van Margreet Jansen en Henk Pröpper. Ze berusten beide op de realiteit. Ze zijn schrijnend, ellendig en om te lachen (Holman het vaakst), maar ook helder, to the point en geloofwaardig.

Apenliefde lijkt het echtst: het is een verzameling korte stukjes in de ik-vorm die leven en liefdes van een gescheiden vader beschrijven. Herkenbaar en geloofwaardig op elke bladzijde. Nu heeft Holman werkelijk een dot van een dochter van acht, en ook een ex en een moeder, en andere personages uit Apenliefde bestaan ook echt. Toch houdt hij bij hoog en bij laag vol dat geen van de dingen die hij beschrijft ook daadwerkelijk zo gebeurd is. Hij heeft erbij verzonnen, samengeklapt, verdraaid en verfraaid.

Het zwaard van de kreeft wordt gepresenteerd als een novelle, in de hij- en de zij-vorm, maar het beschrijft in werkelijkheid de liefde tussen de twee auteurs. Die mondt uit in een definitieve scheiding omdat zij doodgaat aan kanker. Waar gebeurd ja, en nee, geen eng of sentimenteel boek om te lezen. Natuurlijk is er ook in dit geval uitgedund en vergroot en verkleind, maar Pröpper zegt dat de Janna en Rik in het boek vrijwel compleet de Margreet en de Henk uit de werkelijkheid zijn. Sommige manipulatoren van de realiteit verdienen een enorm lezerspubliek.

Man met de stem

“Het half zes journaal. Met Henny Stoel.” Misschien is het u niet opgevallen, maar die aankondiging ontbrak gisteren. Jan Roelands, de man wiens stem u daar en zoveel andere keren kon horen, is in de nacht van 15 september op 58-jarige leeftijd onverwacht overleden.

Voor de meeste Nederlanders was hij vooral die stem, de stem van “Onder het genot van een boompje” en “Gaat er wel eens een dag voorbij zonder Verkade?”, maar ook de stem van talloze documentaires en andere programma’s bij bijna alle omroepen, inclusief de Wereldomroep. Veel mensen zal het Indisch ABC bijgebleven zijn, dat hij eind jaren zestig samen met Hans Jacobs maakte over de politionele acties.

Meestal bleef hij zelf buiten beeld, maar iedereen herkende hem zodra hij iets zei. Met smaak kon hij het verhaal vertellen hoe hij in een stationsrestauratie bezwaar maakte tegen al dat plastic waarin ineens elk broodje kaas apart verpakt was, waarop de kassier zonder zelfs maar op te kijken zei: “Ach meneer, als u ’s avonds ongevraagd bij mij de huiskamer binnenkomt zeg ik toch ook niet ‘kan dat nou niet anders?’.”

Warm en melodieus was zijn stem, al wilde hij dat niet horen. “Ik ben geen stem, ik zit er zelf aan vast” zei hij vorig jaar in een interview in deze krant. ‘Insprekert’ was het ergste scheldwoord dat hij kende. En terecht, want liefst maakte hij zijn teksten zelf en op zijn minst schreef hij ze “naar zijn eigen bek” om.

Een vakman, ook als coach van het stemgebruik van anderen: generaties studenten van de filmacademie, en Bert Haanstra, en de laatste twaalf jaar ook alle medewerkers van zijn geliefde eigen radioprogramma Wat een taal/voorheen De Taalshow. Bij dat programma lag zijn hart. Dolgraag had hij nog een taalprogramma voor televisie gemaakt. Het is er niet meer van gekomen.

Brief aan de hoofdredacteuren van kranten en opiniebladen in Nederland

(Verschenen in broodschrijverij-special Hollands Maandblad)

Zeer geachte heren,

Al een hele tijd begrijp ik niets van u. En nu ik mijn eerste decennium als broodschrijver bijna volgemaakt heb, wil ik u de vraag maar eens voorleggen. Waarom toch neemt u telkens weer nieuwe redacteuren aan? Het lijkt wel of u maar niet kunnen onthouden dat wij broodschrijvers bestaan, terwijl we toch de eenvoudigste oplossing vormen voor bijna al uw dagelijkse problemen.

Neem de relatie die u met ons heeft. Datgene waar nu in de advocatuur voor het eerst voorzichtig over gesproken wordt, doen wij al sinds het begin der tijden: we werken uitsluitend op no cure no pay-basis. Als een redacteur ziek wordt, in een persoonlijke crisis verkeert, ruzie met zijn chef krijgt, of om welke andere reden dan ook zijn werk een poosje niet doet, dan blijft hij gewoon evenveel kosten, want zijn salaris loopt natuurlijk door. Ook zijn pensioenrechten, kerstgratificatie en vakantiegeld blijven op uw begroting drukken.

Bij een broodschrijver heb je daar allemaal geen last van. Die is ziek en gaat op vakantie in zijn eigen tijd, en wat hij voor z’n ouwe dag regelt mag hij helemaal zelf weten. Het is echt doodsimpel: schrijf ik niets, dan hoef je me geen cent te betalen. Het is zelfs nog mooier: schrijf ik wel iets, maar bevalt dat toevallig niet, dan kost het ook niks. Een geweigerd stuk is een gratis stuk.

Daar komt nog bij dat wij freelancers nooit een uurloon krijgen. We vallen in dezelfde categorie als scholieren die ’s zomers bollen pellen, en illegalen die thuis of in naaiateliers bloesjes stikken: we krijgen stukloon. Ook als er drie dagen writer’s block voorafgaan aan de eerste geslaagde alinea, en wanneer we voor het juiste resultaat een week in de bibliotheek of op een conferentie moeten zitten. En echt, heren, dat loon kan u de kop niet kosten. De broodschrijver is bijna altijd goedkoper dan de werkster. Zelfs voor van die verworvenheden als indexering of inflatiecorrectie of hoe dat allemaal moge heten, hoeft u niet bang te zijn: het is geen usance daar veel aan te doen, heb ik ontdekt.

Laat me dat illustreren met wat feiten uit mijn eigen administratie, want ik heb wel eens de indruk dat u niet zo veel zicht heeft op de individuele freelancer. In de lente van 1986 maakte ik voor de allereerste keer een lang interview met een taalkundige voor de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad. Dat bleek goed te zijn voor een bedrag van f 750,-. Sindsdien – nu een kleine tien jaar – ontvang ik afwisselend f 750,- en f 800,- voor  dergelijke stukken. Alleen in september 1994 was het bedrag ineens gezakt tot f 700,-, maar dat was een vergissing. Na een opmerking daarover van mijn kant werd die met een nabetaling van f 50,- rechtgezet.

Voor een korte boekbespreking in het non-fictie boekenkatern van NRC Handelsblad op zaterdag werd in 1987, toen het katern net bestond,  f 225,- betaald, sinds 1992 is dat f 250,-.  En het kan nog goedkoper. In 1988 liet Rinus Ferdinandusse, hoofdredacteur van Vrij Nederland, me al in een brief weten dat hij niet kon of wilde “meedoen met de NRC-race”, een krant waarvan sommige delen “geldzak in de hand”, naar zijn zeggen hard ronselden onder zijn medewerkers.

Daar heeft hij zich aan gehouden. Voor de boekenbijlage van Vrij Nederland schreef ik in 1994 een recensie van zeven boeken. Ik kreeg er f 1250,- voor, nog geen f 180,- per boek. En ik weet niet wat ze er nu voor betalen, maar eind jaren tachtig leverde een ‘kortje’ in de rubriek ‘Wvttk’ van diezelfde boekenbijlage f 75,- op, en de geruststellende mededeling dat “het ging om boeken die je toch voor je plezier las, en die je bovendien mocht houden”. Tot een paar jaar terug vulden de medewerkers het boekengedeelte van het dubbeldikke kerstnummer van VN helemaal voor niets met de bekende de-beste-boeken-van-het-jaar-stukjes, maar tegenwoordig krijgen we een mooie boekenbon.

Maar er zitten voor u nog veel meer aantrekkelijke financiële kanten aan het werken met losse medewerkers. We schaffen bijvoorbeeld onze eigen apparatuur aan: computers, printers, faxen, opnameapparaatjes, tot aan het koffiezetapparaat aan toe. Hetzelfde geldt voor vakliteratuur. Kantoor hebben we natuurlijk aan huis, dus voor zaken als huur, verwarming, verzekeringen of schoonmaak hoeft u ook geen geld uit te trekken. En waar redacteuren ook nog eens zonder daarvoor te hoeven betalen de krant of het blad waar ze voor werken thuisgestuurd krijgen, zijn wij broodschrijvers allemaal gegarandeerd abonnee, want ook een freelancer wil nu eenmaal graag meteen zien of en hoe zijn stukken hun publiek bereiken.

Een leuk extraatje kunnen de onbetaalbare tips van een broodschrijver zijn. U weet misschien niet altijd dat die binnenkomen, maar dat gaat ongeveer alsvolgt. De broodschrijver, die bijna altijd gespecialiseerd is op een bepaald terrein en dus zo zijn eigen contacten onderhoudt, is iets ter ore gekomen: er arriveert een bigshot, de drukproeven van een schokkend boek zijn binnenkort klaar, bij die-en-die organisatie proberen ze stil te houden dat de directie vechtend door de gang rolt, nu ja, noem maar op. Ook kan het simpelweg gaan om een nieuw onderwerp of een mooie invalshoek voor een oud thema.

De broodschrijver die iets gehoord of bedacht heeft, belt met de redactie. En de dienstdoende redacteur kan dan een paar dingen doen (naast natuurlijk meteen beslissen dat hij er niets in ziet, en ophangen). Mijn eigen ervaring – en ik heb het ook van anderen gehoord – wijst uit dat wanneer de beller een beginneling is, de redacteur ofwel enthousiast zegt: “Dat is een uitstekend idee. Ik ga dat een van mijn eigen mensen hier laten doen.”,  of hij bromt: “Ga het maar proberen. Maak het niet te lang, dan zien we wel of we het mee zullen nemen.” Gaat de freelancer in kwestie al wat langer mee dan mag hij het werk bijna altijd zelf gaan uitvoeren. Vindt de redacteur het artikel dat eruit komt leuk genoeg, dan plaatst hij het, en anders niet.

 Andersom kan de redacteur iets interessants horen, een heldere inval hebben, een boek binnenkrijgen, en denken: daar moet een stuk over komen, en dat lijkt me typisch iets voor freelancer x of y. In feite, heren hoofdredacteuren, ligt hier de grootste goudmijn voor u.

Ik weet wel dat er onder u nog steeds zijn die vinden dat je voor alles een redacteur in huis moet hebben, maar daarmee doet u zichzelf en uw lezers te kort. U kunt onmogelijk voor alles de meest geschikte persoon in dienst hebben, want het arsenaal aan onderwerpen dat een krant of blad tegenwoordig moet zien te behappen, is adembenemend.

En kijk, dat er wel eens iets misgaat, calculeert iedereen in, maar uw streven is toch neem ik aan het zogeheten Viruly-effect bij de lezer zo vaak mogelijk te voorkomen. (U weet, Viruly was onze nationale vliegheld, en van hem kwam de beroemdgeworden uitspraak dat hij bijzonder graag kranten en tijdschriften las, omdat hij er zoveel van leerde, maar dat hij wel altijd alles wat over vliegen en vliegtuigen ging integraal oversloeg, want dáár stonden zo veel fouten in.) Met een uitgebreid netwerk van losse medewerkers is het mogelijk bij veel meer onderwerpen iemand in te zetten met net zo veel kennis over zijn of haar gebied als Viruly over vliegen had.

Daarom, ik vraag het u opnieuw, waarom neemt u nog redacteuren aan? Er zijn bossen drukbezochte schrijfcursussen en -opleidingen voor mensen met iedere denkbare achtergrond. Die mensen moet u hebben, want er zitten er zat tussen die inderdaad leren schrijven en graag geregeld een stuk zullen leveren. En die stukken zijn dan ook nog maatwerk.

 Nou ja, een ding staat in de weg, dat begrijp ik wel. Dat is de akelige geldzucht van de moderne westerse mens. Broodschrijvers zijn geen haar beter dan anderen. Ze blijken dikwijls na een tijdje niet meer bereid om al te vaak voor gemiddeld zo’n tientje bruto per uur te werken. Ik hoor nog wel eens klachten van redacteuren over medewerkers die geen tijd hebben voor een kranteartikel, omdat ze met een lucratiever klusje bezig zijn.

Maar daar heb ik wel een oplossing voor. Hij ligt voor de hand: gooi een handvol luie redacteuren eruit (dan bent u daar ook meteen vanaf), en verdrie- of viervoudig de honoraria voor freelancers. Iedereen blij: wij broodschrijvers omdat we dan met voor u te schrijven inderdaad ons brood kunnen verdienen, en u omdat u in dat geval altijd nog goedkoper uit bent dan nu, terwijl uw krant of blad over meer onderwerpen fatsoenlijk bericht.

            Met vriendelijke groet,

            Liesbeth Koenen

Leessensatie

Zes was ik, misschien net zeven, en ziek. Lekker kinderziek, niks ernstigs. Ik wist het niet, maar ik stond op het punt mijn eerste overweldigende leeservaring te beleven. Dat had ik te danken aan mijn vader, die, heel lief, een nieuw deeltje uit de fantastische Wipneus en Pim-serie voor me had gekocht.

Heette het Wipneus en Pim en de watermannetjes? Er kwam in elk geval een bolvormig amfibievoertuig in voor, dat geweldig tot mijn verbeelding sprak. Reuze spannend was het verhaal. Ik smulde, en zo gebeurde het. Voor het eerst in mijn leven las ik een boek in één ruk uit. Stomverbaasd was ik erachter te komen dat dat kon. Wat voelde ik me trots, maar ook leeg en onthand daarna. Ik had gedacht dagen onder de pannen te zijn.

Want zo was het tot dan toe geweest. Dat leren lezen was me nog vies tegengevallen. Geen idee waarom. Hoe andere kinderen het deden was me een raadsel, zelf speelde ik maandenlang alleen maar vals en dat benauwde me zeer.

De leesles bestond namelijk, althans in mijn herinnering, uitsluitend uit het uitentreuren aanwijzen van plaatjes die in een vaste volgorde boven het schoolbord hingen, en het voorzeggen van het woord dat daar dan onder stond. Nu weet ik alleen nog dat het met ‘maan, zaag’’ begon, maar toen kende ik al gauw alle combinaties uit mijn hoofd. Ik kon dus braaf meedoen als ik een beurt kreeg, maar was me er sterk van bewust dat dat geen lezen was. Pas in de kerstvakantie bleek ik ineens op eigen houtje woorden te kunnen ontcijferen. Een waar wonder.

Misschien kwam het wel doordat leren schrijven ook al een hel was. Ten eerste moest dat met het martelwerktuig de kroontjespen. De halve klas zat daar met hun onwennige, gespannen klauwtjes altijd zo hard op te drukken dat het pennetje binnen de kortste keren gespleten raakte. Netjes schrijven was dan sowieso uitgesloten. Nieuwe pennetjes werden bijna nooit verstrekt.

Maar het knoeien was nog erger. Nog ruik ik de vlekkenverwijderaar – inmiddels een verboden stof schat ik – die niet alleen de inkt maar ook de lijntjes in het schrift uitwiste en toch nog een gore bruine vlek achterliet. Op een kwaad moment had ik zoveel geknoeid dat ik, tot grote verontwaardiging van mijn ouders, een stuiver mee naar school moest nemen voor een nieuw schrift.

Het werd speciaal bij mij zo’n zootje omdat mijn hand alles wat ik net had geschreven (nou ja, het was toen nog meer tekenen) even zo hard weer uitveegde. Ik hoor tot de pakweg tien procent van de mensheid die linkshandig is. Dat gevlek voorkomen is supereenvoudig, maar de non die ik in de eerste klas trof, gaf me de oplossing niet. Nou was het een absoluut kreng, maar waarschijnlijk wist ze het ook echt niet, want nog steeds gaat het vaak fout.

Mede-linkshandigen van alle leeftijden zie ik zich al schrijvend letterlijk in bochten en hoeken wringen, alleen maar omdat ze vroeger nooit verteld is dat ze gewoon hun blaadje schuin moeten leggen. Ouders, onderwijzers, heel alstublieft, onthou voor eens en altijd: linkshandigheid is helemaal niet erg, en die kinderen zijn heus niet gehandicapt, ze moeten alleen hun schrift of blocnote altijd een tikje naar rechts geven. Meer niet. Gelooft u het niet, ga dan maar eens Het Linkshandig Universum binnen (te vinden op www.riksmits.org), kijk onder ‘Schrijven’, en zie in een oogopslag het verschil tussen links en rechts.

Kennelijk heb ik de blaadjestruc ooit zelf ontdekt, en ook verder is het met dat lezen en schrijven wel goed gekomen. Een mirakel vind ik het nog steeds. Via Wipneus en Pim voltrok het leeswonder zich voor het eerst in alle hevigheid, en gezien de oplage van vier miljoen van die boekjes ben ik vast niet de enige voor wie dat opgaat. Vorige week is hun schepper, een Maastrichtse broeder die onder het pseudoniem B.G. Van Wijckmade schreef, overleden, en werd er soms nogal flauw gedaan over die twee intens brave en vast erg katholieke kabouters.
Volwassenen die zich ergeren aan de suikerzoetheid, oppervlakkigheid en incorrectheid van kinderboeken vergeten geloof ik dat ze vroeger ook rotzooi lazen. Wie niet? De niet te overtreffen sensatie die lezen kan geven leer je nou juist daarmee.

Hard huilen

Net een paar doldwaze uurtjes gehad. Mijn nieuwe grammaticacontrole losgelaten op teksten die ik schreef toen ik nog helemaal uit het blote hoofd moest bepalen of mijn zinsbouw en woordkeus wel deugden.

In de vorige versie van mijn tekstverwerker zat wel al een spellingchecker, ook goed voor menige glimlach (voor ‘Alzheimer’ zag hij liever ‘Alchemie’ en ‘visverwerking’ leek hem beter dan ‘zinsverwerking’), maar nu ik Word 97 gebruik, heb ik er een echte dijenkletser bij gekregen.
Dat wil zeggen: hard lachen wanneer het woord ‘beroemde’ iedere keer de tekst ‘Wederkerend voornaamwoord: Beroemde wordt altijd wederkerend gebruikt’ op je scherm doet verschijnen, is verstandiger dan hard huilen. Beroemde wederkerend gebruikt? Ik begrijp niet eens wat daar staat.

Heeft u moeite met ‘als’ en ‘dan’ uit elkaar houden? Laat ik u troosten, ik verzeker u dat u het beter kunt dan Word 97. Het zou immers niet in u opkomen om van ‘iemand gaf als beschrijving…’ ‘iemand zag dan beschrijving…’ te willen maken. Word 97 wil zelfs ‘Nederlands als moedertaal’ veranderen in ‘Nederlands dan moedertaal’.

Geestig is ook de ongelooflijke verwarring over hoofdletters, iets dat maar zijdelings met grammatica te maken heeft, maar a la. Schrijf je na een dubbele punt een hoofdletter, bijvoorbeeld omdat er citaat begint, dan krijg je te lezen: ‘Gebruik van hoofdletters: Na een dubbele punt schrijft men doorgaans geen hoofdletter.’ Ziet u de interne inconsistentie van deze mededeling? Het wordt nog leuker, want schrijf je na een dubbele punt wél een kleine letter, dan krijg je als commentaar: ‘Gebruik van hoofdletters: Begin de zin met een hoofdletter.’

Maar ja, van waar een zin begint, heeft Word 97 geen flauw benul. Kennelijk heeft de maker van de grammaticacontrole gedacht: da’s simpel, na elke punt. Wat bijvoorbeeld betekent dat ‘prof. dr. van Veenendaal’ ‘prof. Dr. Van Veenendaal’ moet worden. Daarnaast dient dus ook de dubbele punt als markeerder voor het einde van een zin, en (je moet er maar opkomen) het haakje sluiten.

Toch haalt dat het allemaal nog niet bij de absolute abracadabra die telkens onder het kopje ‘Overeenkomst in getal of geslacht’ gebracht wordt. Daar zou het dus echt om grammatica moeten gaan. En dan lees je over de zinsnede ‘die paar straten’ dat ‘die’ en ‘paar’ niet overeenkomen in persoon en/of getal. Breng daar maar eens wat tegen in. Een vraag die begint met de woorden ‘welke gebieden’ levert dezelfde opmerking op: ‘welke’ en ‘gebieden’ komen niet overeen in persoon en/of getal. Oh nee?
Mooi is ook: ‘Als ‘duiven’ het onderwerp is van ‘gaan’, komen onderwerp en persoonsvorm niet overeen in persoon en/of getal.’ Mijn controleur stelt daarom ‘de duiven gaat’ voor. En schrijf je ‘…vertelt hij wat hem het meest verbaasd heeft’ dan luidt het commentaar: ‘als vertelt afhangt van heeft dient dit woord te eindigen op -d’. Voorwaar een indrukwekkend staaltje inzicht in de zinsstructuur.

Een feest is tenslotte het toetje van elke spelling- en grammaticacontrole. Aan het eind verschijnt er een venstertje met ‘Statistiek leesbaarheid’. Het staat vol mooie getalletjes. Hoe lang je zinnen gemiddeld waren bijvoorbeeld (denk nog even aan de moeite die Word 97 heeft te bepalen waar een zin ophoudt) en je woorden. Bovendien wordt hier een heus cijfer uitgedeeld. Voor moeilijkheidheidgraad van je tekst. Dit stukje valt in de categorie ‘tamelijk moeilijk’. Mijn excuses. Als u het daarentegen best te doen vond, bedenk dan dat die waardering uitsluitend gebaseerd is op het aantal woorden per zin en het aantal lettergrepen per woord.

Dat is dan meteen ook het enige dat tenminste nog íets zegt, al is het belang van dat soort lengtes voor de toegankelijkheid van teksten erg relatief. Voor het overige is de ‘grammaticacontrole’ volmaakt waardeloos. Doodordinaire volksverlakkerij. Niet één keer ben ik gewezen op iets dat inderdaad fout was, en andersom passeren ongrammaticale zinnen waarin bijvoorbeeld staat het werkwoord op de verkeerde plaats moeiteloos.

Zou je de Reclame Code Commissie ook handleidingen kunnen laten beoordelen? Want dat Word over mijn schouder kan meelezen en ‘achter de schermen’ mijn tekst controleren, onder meer op eventuele grammaticale fouten, zoals staat in het boekje dat ik erbij kreeg, is niet eens meer misleidend, het is een aperte leugen.

Stom, stom

Blikvernauwing, dat moet het zijn. Soms heb ik het als ik lees. Een beetje een particuliere afwijking, geloof ik. Een komische column of een ironisch commentaar heeft op mij een bizar effect. Ik lees dat grappige stukje, en grinnik mee tot het uit is. Maar dan kan ik niet zomaar ophouden.
Mijn ‘leesblik’ blijft meestal nog even op ‘grappig bedoeld’ staan, en de eerste paar zinnen van het artikel waar ik direct daarna aan begin, bekijk ik in de verwachting dat ik erom zal kunnen lachen. Wat natuurlijk zelden het geval is, en dan zet ik de knop dus gauw weer om naar ‘neutraal lezen’. Ik begrijp zelf eerlijk gezegd niet veel van dit verschijnsel, en om die reden leg ik het wel eens voor aan iemand, maar dat levert altijd niet-begrijpende blikken op. Beter uitleggen kan ik het jammer genoeg niet, en ach, er heeft verder niemand last van.
Soms heb ik het ook als ik praat. Dat is al vervelender. Tenminste, als de vernauwing een negatieve blik oplevert. Een simpel voorbeeld, waarvan ik wel zeker weet dat het anderen ook overkomt. Een vriendin is nou al drie keer achter elkaar veel later dan afgesproken komen opdagen. Ineens zie je het glashelder: dat mens komt ook ALTIJD te laat.
Je spreekt haar daar dus eens duchtig op aan, vaart lekker uit. Maar er komt weerwerk: twee van de drie keer was er aantoonbaar sprake van overmacht, en trouwens, jijzelf bent toen en toen ook te laat gekomen, weet je nog wel? Ja, dat weet je nog wel, en ineens begrijp je niet meer hoe je blik zich zo heeft kunnen versmallen. Je denkt: wat zit ik ook te zeuren, en hop, je kijk op de zaken en daarmee de gespreksstof en conversatietoon staan weer in de normaal-stand.
Helaas, ook schrijvend lijd ik wel eens aan blikvernauwing. Zo heb ik eens een keer in een naschrift bij een ingezonden brief gezet dat de schrijver zijn kritiek maar voor zich moest houden als hij zelf geen oplossing kon geven voor het probleem waar het over ging. De precieze kwestie ben ik vergeten, en de bewoordingen waren netter, maar ik begrijp tot op de dag van vandaag – meer dan tien jaar later – niet wat me bezield heeft dat op te schrijven. Ik vínd helemaal niet dat je iemand pas mag aanvallen op wat hij beweert als je exact kunt uitleggen hoe het dan wel zit. Dat zou een mooie boel worden. Nou ja, kennelijk voelde ik me in het nauw gedreven. Beschamend blijft het.
Maar nog niet zo gênant als de fout die ik in de vorige aflevering van deze rubriek maakte. Toen ging het onder andere over het abominabele Engels van veel internationaal opererende politici, multinational-directeuren en hoogleraren. Dat Engels is vaak gruwelijk, maar mijn pedante vermaning maar eens te beginnen met voortaan een s altijd als een s uit te spreken, zal daar geen verbetering in brengen. Dat moet namelijk helemaal niet altijd. Wel bij bijvoorbeeld ‘research’ en ‘loose’, waar Nederlandse monden er al gauw een z van maken, maar probeer de s maar eens als s te laten klinken in woorden als ‘resume’, ‘intrusion’ of ‘feasibility’. No way. Alsof ik dat niet wist!
Dagen heb ik me het hoofd gebroken over hoe ik nou zo achterlijk geweest kon zijn. Het enige dat ik kon bedenken: blikvernauwing. De wel degelijk aanwezige alarmbelletjes bij het schrijven genegeerd. Verblind geraakt door ergernis over iemand die ik net daarvoor stapels s’en ten onrechte als z’en had horen uitspreken, en half in de war met een andere regel, die ik ook gaf, en die wél waar is: een d aan het eind van een Engels woord moet, anders dan in het Nederlands, echt als een d worden uitgesproken. Stom, stom, stom.
Ik had mijn vergissing al ingezien, maar er verscheen ook een ingezonden brief in de krant waarin een en ander me fijntjes onder de neus gewreven werd. Ai! En maar goed dat dat gebeurde. De heilige angst voor dergelijke brieven heeft van mij al lang een ander mens gemaakt: het is een zeer werkzaam bestrijdingsmiddel tegen mijn natuurlijke luiheid, mijn ingebakken gebrek aan lust om voor alle zekerheid iets tóch nog even na te kijken. Maar om de angst erin te houden, moet er inderdaad een terechtwijzing komen als ik hem verdien. En natuurlijk gaat dat niet alleen voor mij op. Ingezonden-brieven-schrijver-met-groot-gelijk, u bent de nachtmerrie van elke gewetensvolle journalist, maar wie corrigeert ons nou anders? Blijft u vooral schrijven.

SPELLING

De Groene spelling  samengesteld en ingeleid door Hans Bennis, Anneke Neijt en Ariane van Santen 213 blz., Bert Bakker 1991, f 29,90 ISBN 90 351 0945 7

Het is het onderwerp waar iedereen verstand van heeft: ‘Roep op een saai verjaardagsfeestje dat je de werkwoordsspelling wilt herzien, en binnen enkele minuten ontspint zich een felle discussie met hartstochtelijke voor- en tegenstanders,”  schrijven samenstellers Hans Bennis, Anneke Neijt en Ariane van Santen geheel naar waarheid in de inleiding van De groene spelling.

Die onlangs verschenen bundel biedt meer dan je op grond van de wat soft aandoende titel misschien zou denken. Naar aanleiding van het verschijnen –  in 1989 – van een rapport van de Taalunie dat een aantal spellingswijzigingen besprak (nog niet voorstelde, al reageerde iedereen als gebruikelijk of dat wel zo was) organiseerde de vakgroep Nederlands van de universiteit van Leiden een lezingencyclus over spelling.

Die is nu te boek gesteld. Er is een bont gezelschap aan het woord geweest, en dat heeft heel wat opgeleverd.

Een helder en bijzonder inzichtelijk verhaal over de verschillende schriftsystemen in de wereld bijvoorbeeld, en een goed overzicht van alles wat zich in Nederland op spellingsgebied heeft afgespeeld: de eerste wettelijke regelingen, de geschiedenis en de tekortkomingen van ‘Het Groene Boekje’ (officieel de Woordenlijst van de Nederlandse taal die in 1954 uitkwam), de voorstellen die er sindsdien gedaan zijn, en achterin in de bijlage stukjes tekst waarin je kunt zien wat voor woordbeeld die voorstellen zouden opleveren. Ook is er een uitstekende verklarende woordenlijst toegevoegd.

Zoals altijd bij een bundeling zijn niet alle stukken even goed of interessant, maar je kunt er heel wat basiskennis en dus ammunitie voor saaie feestjes mee opdoen.

Het boekje laat zien dat de kwestie wel-of-geen-spellingswijziging geen eenvoudige is. Met wie moet je rekening houden? Met de komende generaties, of met degenen die al hebben leren spellen? Met de uitgevers misschien die hun fondsen zouden moeten aanpassen?

De auteurs zijn het onderling ook lang niet altijd eens. Sommigen vinden bijvoorbeeld het naast elkaar bestaan van een ‘voorkeurspelling’ (vakantie, produktie, deductie) en een ‘toegelaten spelling’ (vacantie, productie, deduktie) een vloek, anderen zijn minder rigide en zien niet wat daar zo erg aan is.

De origineelste gedachte komt zondermeer van Vincent van Heuven. Die stelt voor om kinderen zoveel mogelijk te laten schrijven wat ze horen. Ze hoeven al die lastige d’s en t’s en c’s en k’s en dergelijke niet te leren omdat tegenwoordig bijna alle teksten die niet voor de eigen vriendenkring bedoeld zijn met behulp van tekstverwerkers gemaakt worden. En die hebben allemaal spellingcheckers die het lastige werk overnemen.

Mij lijkt dat een behoorlijk kortzichtig idee. Zo wijdverbreid is de tekstverwerker-met-spellingchecker nu ook weer niet en juist voor het checken van de d’s en t’s in werkwoordsvormen is enig begrip van wat er staat nodig, en daar is nog steeds geen enkele machine echt goed in.

Bovendien gaat het idee om kinderen fonetisch te laten spellen maar volgens andere regels te laten lezen, lijnrecht in tegen een gegeven dat bij onderzoekjes steeds naar voren komt: mensen wennen vooral aan woordbeelden. Dat verklaart waarom ook de meest ervaren spellers regelmatig ‘gebeurd’ schrijven als het ‘gebeurt’ moet zijn, of omgekeerd. Ze kennen die woordbeelden, dus ziet de foute variant er niet ‘gek’ uit.

Vaste woordbeelden zijn ook belangrijk voor al diegenen die grote moeite met lezen en schrijven hebben: dyslectici. Ook daaraan is een hoofdstuk uit De groene spelling gewijd. Om met hen rekening te houden bij een spellingswijziging was eerlijk gezegd niet direct bij me opgekomen, maar het lijkt me een nuttig idee.

Nuttig, en vaak ook nog aardig, wat kun je meer verlangen van een boek? Dat de informatie degenen die het aanbelangt ook bereikt. Dus: vanaf heden is het journalisten en andere krantenkolommenvullers pas weer toegestaan meningen  over spelling ten beste te geven nadat ze dit boekje gelezen hebben.

Noot: Of de publicatiedatum klopt, kan ik niet met zekerheid zeggen. Vergeten er een op het knipsel te zetten…

De inhoud van Ali B.

Sterk staaltje heb ik nog eens aan den lijve meegemaakt. Tijdens een uitzending waar ook ik (voor iets anders) in zat, liet Sonja Barend, hevig verontwaardigd, een stukje Hans Janmaat zien, en kondigde ze vervolgens aan een aanklacht tegen hem te zullen indienen.

Trots, met krachtdadige blik en licht verbeten trek langs de mond stond ze het applaus voor dit geweldige initiatief te incasseren.

Ik weet echt niet meer precies wat Janmaat gezegd had, het zal niet smaakvol geweest zijn, maar ik herinner me wel haarscherp het afgrijzen dat ik voelde temidden van het klapvee.

En de verbazing en de schrik die daarna alleen maar groeiden. Want mijn spontane pogingen iets op te brengen over de gevaren van een verbod op onwelgevallige meningen werden onmiddellijk keihard afgestopt.

Altijd gedacht dat mijn eeuwige wrevel over Sonja Barend zat in dat hypercorrecte waar elke uitzending van doordesemd was, maar afgelopen zaterdag, toen ze voor het eerst in tien jaar weer een programma deed vanuit De Rode Hoed, wist ik ineens dat de kern hem in iets anders zat: Sonja Barend wist altijd alles al. Dat was het punt. Voordat de uitzending begon, had ze besloten hoe het zat en welk moreel oordeel daarbij hoorde, en dat kwam áltijd uit.

Nu, aan het slot van haar carrière, die ze wil bezegelen met een serie programma’s over vijftig jaar televisie, is ze nog altijd een discussieleidster die een discussieprogramma leidt waarin discussie helemaal niet de bedoeling is.

Want het is toch ronduit maf als je Paul de Leeuw uitnodigt om een oordeel uit te spreken over de invloed van Paul de Leeuw op de verruwing van de omgangsvormen in ’t land? Viel best mee, was zijn verrassende conclusie.

Ook Henk Kamp was gekomen, om nog eens verontwaardigd te wezen over Jan Mulder die een tijd terug ‘ach man, sodemieter toch op’ tegen hem had geroepen. En ja, daar kwam in het gesprek alweer Ali B. langs, die laatst bij Pauw en Witteman je en jij heeft gezegd tegen de minister-president.

Is dat allemaal dan niet erg? Nou, eerst even dit: er werd geen halve seconde ingegaan op wat Mulder en B. te zeggen hadden gehad. Waar het over ging. Mulders woede betrof het Nederlandse asielbeleid. Dat velen dat beschamend en woedendmakend vinden, mag dat niet eens genoemd?

En Ali B was de eerste die ik Balkenende rechtstreeks aan heb horen spreken over het totale gebrek aan protesten van regeringszijde tegen de Israëlische (cluster)bombardementen op Libanon. Hij had het ook heel direct over het schoothondengedrag van Nederland tegenover Amerika, en de in zijn ogen kwalijke steun aan de oorlogen in Afghanistan en Irak.

Wou de minister-president ingaan op wat de troetelallochtoon te melden had over wat er leeft bij allochtonen? Nee, Balkenende kwam niet verder dan fel zeggen dat ie net nog in het Holocaustmuseum geweest was. Als je dat gezien had, nou dan hield je je kop wel, was de strekking van zijn reactie. Daarmee was de kous weer af.

Het was demagogisch, het was smakeloos, en ook dom en gevaarlijk. Gedrag een minister-president onwaardig. Maar alle aandacht ging daarna naar de tutoyerende rapper. Ik ben zelf best voor een beetje vormelijkheid, maar dit vind ik toch echt een geval van zoekgeraakte verhoudingen.

Overigens, even tot slot, ik heb wel een theorietje over waarom Ali B. JP durfde te tutoyeren. Ik weet dat hij al zijn leven lang in Nederland woont, maar het Nederlands heeft ie niet van huis uit meegekregen. Het heeft daarom voor hem een paar trekjes van een vreemde taal gehouden. Ik doel niet op de typische Marokkanentongval (dat is ook groepsgedrag, sociale code, mode) maar op de onmogelijkheid de gevoelswaarde die woorden hebben altijd exact aan te voelen. Het is een heel algemeen verschijnsel, dat een andere dan je moedertaal tot in alle hoekjes en gaatjes beheersen zo’n ellendig lastig karwei maakt. Neem even vloeken, daaraan is het makkelijk te zien. Djiezus kraaist klinkt in Nederlandse oren minder godslasterlijk dan Jezus Christus. Ook als je weet dat het hetzelfde betekent. Ik denk dat Ali B wist dat ie brutaal was, maar dat ie toch niet zo brutaal is als zijn gejij tegenover Balkenende klonk. Hij zat er met zijn inschatting over wat kon en niet kon net een fractie naast, en de crux daarvan zat ’m in zijn kennis van het Nederlands.

Menselijke proporties

En toen was ik zomaar ineens nog maar één handdruk verwijderd van Osama Bin Laden. Een wat onwerkelijke gedachte. Het komt doordat ik vorige week even praatte met Robert Fisk, de enige westerse journalist die drie keer sprak met de man wiens naam zo’n symbool geworden is, dat je er eigenlijk geen pratend mens meer achter vermoedt.

Ik geloof dat ik daar meteen de reden mee te pakken heb dat ik al jaren elk stuk van Fisk dat ik tegenkom lees. Hij brengt het wereldnieuws voor mij terug tot menselijke proporties.

Dat hij Bin Laden zo vaak interviewde (voor het laatst in ‘96), is ook geen stunt ofzo, maar eerder een logisch uitvloeisel van het feit dat hij al dertig jaar in het Midden-Oosten zit, en zijn lezers (in eerste instantie zijn dat tegenwoordig die van de Britse krant The Independent) week in week uit vertelt wat hij daar ziet, hoort en denkt.

Tjonge, wat is dat inzichtgevend. Fisk schrijft allerlei soorten artikelen. Interviews, reportages, achtergronden, bespiegelingen. Alles uit de eerste hand. In Bagdad, Beiroet of Bethlehem, hij gaat zelf kijken, zelf op onderzoek uit, zelf praten met alle partijen. En doet daar dan in glasheldere woorden verslag van.

Dat is bijzonderder dan wij geneigd zijn te denken. Krijgen we niet elke dag een stortvloed aan berichten uit het Midden-Oosten?

Zeker, maar heel veel daarvan is wat Fisk ‘hoteljournalistiek’ gedoopt heeft. Bij een bijeenkomst in Amsterdam van de Dick Scherpenzeelstichting (denktank en discussieplatform voor de verslaggeving in de Nederlandse media over niet-westerse landen en Noord-Zuidverhoudingen) schetste hij hoe het tegenwoordig in Bagdad gaat.

Vrijwel alle journalisten zitten in de hermetisch afgesloten ‘Groene Zone’. Daar bevinden zich, onder meer in de oude paleizen van Saddam, de nieuwe Irakese regering, de Amerikaanse ‘officials’, de ambassades én dus de journalisten. Letterlijk achter ijzeren muren. Hun verslagen zijn gebaseerd op telefoongesprekken met militairen buiten de Groene Zone. Melden die dat bij een aanval 41 opstandelingen zijn gedood, dan horen wij diezelfde mededeling ’s avonds in het journaal als nieuwsfeit.

Dat zijn collega’s de straat niet op durven, begrijpt Fisk, die zelf soms te bang is om te kunnen schrijven, maar dat ze ons dat niet vertellen, dat neemt hij ze kwalijk. Want 41 opstandelingen gedood? Zouden daar heus geen ‘gewone’ burgers en kinderen tussen zitten?

Overigens ziet Fisk het moment naderen dat elke vorm van rechtstreekse verslaggeving uit Irak onmogelijk wordt. Hijzelf komt ook niet meer verder dan in een oud, onopvallend barrel racen naar een zelfmoordaanslag, snel een foto nemen van een brandende baby, een interview van dertig seconden houden met een getuige, en dan als de sodemieter weer wegwezen.

Buiten de Groene Zone heerst in heel Irak alleen nog maar chaos, zegt hij. Het is over, de oorlog is verloren. De Amerikanen hebben geen keus, ze moeten weg, maar ze hebben geen keus, ze kunnen niet weg. Dat is volgens Fisk, een vriendelijke, onopvallende man in een blauw vestje, de stand.

Van Robert Fisk lezen of naar hem luisteren word je niet opgewekt, nee. Maar zijn kennis, ervaringen en zijn grote verteltalent – hij bleek ook een fantastische spreker te zijn – helpen beslist om meer te begrijpen van alle onbegrijpelijks waar de kranten mee volstaan.
Fisk was ook in Nederland vanwege de (naar verluidt goede) Nederlandse vertaling van The Great War for Civilisation, the Conquest of the Middle East (De grote beschavingsoorlog, de verovering van het Midden-Oosten, uitgegeven door Ambo Anthos, te koop voor 39,95). Een enorme pil, die ook een eeuw geschiedenis beschrijft. Ik ga lezen hoe het allemaal gekomen is, want ik ben er diep van overtuigd dat het verleden de sleutels voor de toekomst bevat.

Tip van Fisk voor wie de journalistiek in wil: ga vooral niet naar een school voor de journalistiek, ga geschiedenis studeren.

De oudste koran

Hij spreekt een handvol exotische talen en onderzocht ‘de grammatica van het Arabische schrift’. Taalkundige en IT’er Thomas Milo (1950) stuitte onderweg op onbekende kanten van de geschiedenis van het Midden-Oosten. De lange zoektocht naar meer kennis die hij met Trouw-journalist en arabist Eildert Mulder maakte, mondde onlangs uit in hun boek De omstreden bronnen van de islam

Is de geschiedenis van de islam niet allang bekend?

Laat ik vooropstellen dat wij als wetenschapsjournalisten een polemiek in de islamwetenschap beschrijven. Van de beginperiode van de islam blijkt haast niets wetenschappelijk vast te staan. Pas de laatste tijd doorbreken een aantal islamologen, archeologen en anderen het taboe om die gewoon te onderzoeken, zonder vooropgezette ideeën vooraf. We zitten nota bene nog steeds te wachten op een wetenschappelijke, analytische editie van de Koran.

Ik vind de angst van veel islamologen om moslims daarmee voor het hoofd te stoten betuttelend. Inmiddels begint de islam in dezelfde traditie onderzocht te worden waarin dat sinds de negentiende eeuw al met het christendom gebeurt. De oudste teksten zijn anderhalf à twee eeuwen jonger dan de gezaghebbende teksten van de Koran en de biografieën van de profeet. 

Maakt de ouderdom van die Koranteksten veel uit dan?

Op stukjes opnieuw gebruikt perkament laten de oorspronkelijke teksten soms verschillen zien met de officiële Koran. Belangrijk is het schrift. In het Arabisch schrijf je de klinkers niet, en voor 28 medeklinkers zijn er maar vijftien letters. Maar pas in de tiende eeuw werd voor de Koran een ondubbelzinnige spelling ingevoerd, onder meer met punten bij de letters die duidelijk maken om welke het gaat.

De oudste Koranteksten, waarvan het standaardverhaal is dat ze in 23 jaar aan zijn profeet Mohammed geopenbaard zijn, hebben dus veel interpretatie nodig. En die dateert van minstens anderhalve eeuw later. Taalhistorische analyse laat bovendien invloed uit het Aramees zien. Dat kan heel andere vertalingen geven. 

En zo werden de maagden die in de hemel zouden wachten hoogstwaarschijnlijk druiven?

Ja, die inmiddels bekende andere interpretatie door Christoph Luxenberg van dat Koranvers hebben Eildert en ik in 2002 uitgelegd in Trouw. Het mooie is: later dook er in Egypte een Syrisch-christelijke paradijsvoorstelling uit de negende eeuw op, die het idee van de druiven als beloning ondersteunt.

Er is ook een intrigerende theorie aan de hand van teksten in de rotskoepel in Jeruzalem dat Mohammed Jezus zou zijn. In de hele Koran komt MHMD, dat ook een werkwoord kan zijn, maar vier keer voor. Eèn keer ondubbelzinnig als persoonsnaam. Allah spreekt vooral tegen een ‘jij’. 

Ook munten vertellen een verhaal?

Munten zijn de oudste vorm van huis-aan-huisdrukwerk. Ze geven een beeld dat de gangbare opvatting over de verspreiding van de islam vierkant tegenspreekt. Net zoals de vorm van moskeeën in Spanje, Noord-Afrika en Oman keihard bewijst dat de gebedsrichting in het begin niet naar Mekka was. 

Zaterdag spreekt Thomas Milo in een duolezing met drs. Eildert Mulder over ‘De omstreden bronnen van de islam’. 17.00 uur, Museum Geelvinck Hinlopen Huis, Keizersgracht 633, Amsterdam. Toegang: € 12,50, studenten € 7,50.

NRC Next kopte ’s ochtends ‘Druiven, geen maagden’. 

SCHRIJFHULP

De Schrijfhulp door Inez van Eijk, 187 blz., Uitgeverij Contact 1989, f 22,90 ISBN 90 254 6600 1

Het is linke soep om De Schrijfhulp van Inez van Eijk te recenseren, want elke recensent maakt automatisch deel uit van Van Eijks doelgroep: “mensen die regelmatig een of ander stuk op papier moeten zien te krijgen […] en die bovenal de ambitie hebben daar ook iets leesbaars van te maken.” Ik voel mij terwijl ik dit schrijf dan ook betrapt en bekeken.

En dat is een goed teken: Van Eijk heeft blijkbaar zinnige dingen te melden over haar onderwerp. Wat ze te zeggen heeft over ‘de inleiding’, ‘het begin’ van een stuk, ‘de lezer en de leesbaarheid’, ‘het woord en de zin’, ‘de alinea’, ‘de structuur’, ‘de interpunctie en de typografie’ en ‘het einde’ (om meteen maar even alle hoofdstuktitels te geven), gaat allemaal aan de hand van citaten.

Van Eijk gelooft, zo zegt ze zelf, in ‘het goede voorbeeld geven’. Dat goede voorbeeld kunnen we dus, gelet op Van Eijks citatenkeuze, heel dikwijls in NRC Handelsblad vinden, maar ook wel in Vrij Nederland en Trouw, of in een goed boek. Het mag duidelijk zijn: Van Eijk wil ons niet bijbrengen hoe we schreeuwende sensatiekoppen of smeuiige kletsverhalen voor de landelijke boulevardpers moeten maken.

Haar eigen proza is beschaafd en prettig, en vol leraarstrucjes die je bij de les houden. Wat er beweerd wordt is  vrijwel allemaal waar en verstandig. Van Eijk geeft op een slimme manier inzicht in de foefjes die journalisten en schrijvers gebruiken om hun lezerspubliek lekker te maken of wakker te houden.

Dat zijn er heel veel, van beginnen met een pittig citaat tot de lezer op het verkeerde been zetten. Maar ook het effect van eufemismen, jargon en vaagheden komt aan de orde. Zelfs de standaardverhalen (een alinea moet je opbouwen, komma’s mogen niet willekeurig door de zin gestrooid, een artikel hoort een duidelijke afsluiting krijgen) worden goed en helder verteld.

Bovendien is Van Eijk realistisch. Ze weet dat er geen vaste regels te geven zijn voor waar je een komma moet zetten, ze weet dat de ‘leesbaarheidsformules’ van Flesch (hoe korter de zinnen en de woorden, hoe leesbaarder een tekst) zelden echt waarde hebben, en ze zegt dat ook. Daarmee zet ze en passant nog wat volksgeloven recht.

Maar doet goed voorbeeld ook echt goed volgen? Met andere woorden, kun je leren schrijven door de Schrijfhulp te lezen? 

Nee natuurlijk. Oefenen en commentaar krijgen is het enige dat echt werkt, en dan nog zullen veel mensen het nooit leren.

Maar het boekje heet niet voor niks alleen een ‘hulp’. Wie echt zijn best wil doen een leesbaar stuk te schrijven kan bij Van Eijk, beter dan in welk ander boek ook dat ik ken, vinden waarop je dan allemaal moet letten. Daar zit één naar kantje aan: wie op zijn eigen teksten leert te letten, gaat dat automatisch ook op die van anderen doen.

Dat levert enerzijds meer oog op voor de knappe alinea’s zoals Van Eijk ze geeft, maar het opent ook de ogen voor het broddel- en haastwerk waar zelfs een kwaliteitskrant mee vol kan staan. Zelf geloof ik zeker in de didactische werking van stuitende voorbeelden. Dat Van Eijk er daar zo weinig van heeft willen geven is het enige punt van kritiek dat ik op dit boekje heb.

Post en wraak

Van de week kondigde de PTT Post weer eens een verslechtering van de dienstverlening aan. Voortaan loopt u een veel grotere kans dan voorheen dat de postbode pas om drie of vier uur ’s middags uw brievenbus vult.

Ik kan u verzekeren dat dat prima zal lukken, toevallig heeft men in mijn eigen buurt al een grote ervaring opgedaan met deze werkmethode. Maar u zult het helemaal niet erg vinden, wist een woordvoerder, want de meesten van u zijn toch niet thuis overdag.

Die PTT toch, altijd een goed verhaal klaar. Weet u nog dat het versturen van een kaartje ineens net zo duur werd als het versturen van een brief? Dat was veel gemakkelijker en overzichtelijker voor ons. Ook verschrikkelijk handig waren wat later velletjes van tien postzegels voor het buitenland. Het kostte ineens wel een kwart meer om iets over de grens te sturen, maar daar sprak de PTT wijselijk zo weinig mogelijk over. Sinds begin dit jaar is er voor dat buitenland trouwens ook nog een ondoorzichtig systeem met ‘priorityzegels’ bij gekomen. Enfin, bestudeert u vooral een keer de folder ‘Tarieven en kwaliteit’.

Eisen aan uw brievenbus en het formaat van uw pakjes en brieven, het verdwijnen van talloze postagentschappen en postkantoren, het opheffen van de lichting van tien uur ’s avonds, nu ja, er komt geen end aan de manieren waarop de PTT de service weet te verminderen. Hoe lang is het inmiddels geleden dat er twee postbestellingen per dag waren? Ik word prompt overvallen door een oma-vertelt-gevoel als ik daarover begin.

Toch durf ik te voorspellen dat de grote ommekeer binnen tien jaar daar zal zijn. Het aantal ‘poststukken’ zoals het geloof ik in PTT-jargon heet, zal dramatisch afnemen. Want u gaat massaal aan de e-mail. Ik zal u uitleggen waarom. Dat wil zeggen: degenen onder u die de elektronische post nog niet zelf ontdekt hebben.

Samen met onder meer de pil en de contactlens behoort e-mail tot de grote zegeningen van deze eeuw. Het is doodeenvoudig, spotgoedkoop en er kan veel meer dan de klassieke post ooit zal bieden. Neem een vervelend karweitje als iemands adres overtypen als je zijn post wilt beantwoorden. Dat hoeft niet meer als diegene je een e-mailtje heeft gestuurd. Een druk op de ‘antwoord-knop’ en hup, het staat er al, geheid foutloos.

Die knop doet nog iets: hij geeft je vanzelf een kopie van wat de ander je schreef. Voor de duidelijkheid wordt de tekst in de kantlijn overal gemarkeerd met het tekentje >. Je kunt dan rechtstreeks reageren op iemands woorden. De gedeeltes waar je niets op terug te zeggen hebt, zijn in een oogwenk te verwijderen. E-mail heeft natuurlijk ook alle voordelen van de tekstverwerker: doorstrepen, uitgummen, tipexen, dat hoeft allemaal niet. Net zomin als een envelop pakken, een postzegel plakken, naar de brievenbus lopen. Als de brief klaar is, stuur je hem vanuit je stoel meteen weg. En het mooie is: zodra e-mail verstuurd is, is het ook bezorgd bij de geadresseerde. En het maakt niet uit waar ter wereld die woont.

In een paar seconden je post in Amerika, Australië of Afrika. De PTT doet daar al gauw tien dagen over. Anders dan bij telefoneren, spelen tijdsverschillen geen rol. Kijken of er iets in je elektronische postbus zit, doe je als het jou uitkomt. Ideaal. Het is dus nog mooier dan vroeger, toen een ’s ochtends gepost briefkaartje ’s middags aankwam. Met e-mail kun je elkaar dag en nacht direct antwoorden.

Ondertussen herleeft er een oude traditie. Ik schrijf tegenwoordig weer met vrienden en bekenden. Maar ook voor het zakelijk verkeer is e-mail bijzonder handig. Ook al omdat je alles wat er maar in een computer kan mee kunt sturen met je e-mailbericht: plaatjes, programma’s, teksten. Kwestie van de ‘aanhechtknop’ aanklikken. En er kan nog meer. Iets dat je binnen hebt gekregen, kun je meteen doorsturen naar een ander. En hetzelfde briefje kan bovendien in honderd- of voor mijn part duizendvoud rondgestuurd worden.

Bijkomend voordeel voor wie het leuk vindt, is dat er automatisch een wonderlijk dagboek op je harde schijf groeit. Als je zoals ik zowel voor de lol als voor het werk e-mailt, dan krijg je vanzelf een chronologisch geordend archief van zaken- en privéleven. Je kunt er nog op trefwoord in zoeken ook. Mocht u nog twijfelen over de aanschaf van een computer en een Internetaansluiting: bedenk dat het uw wraak op de PTT kan zijn.

Van patat krijg je pukkels

KLEINE ENCYCLOPEDIE VAN MISVATTINGEN door Hans van Maanen Uitgever Boom, 176 p., f 24,50

Mijn wereldbeeld is geschokt. Tanden poetsen helpt niet tegen gaatjes, de kans dat de zon in het oosten opkomt is op een willekeurige dag in het jaar nog geen half procent en stieren staan volmaakt onverschillig tegenover de kleur rood, want ze zijn kleurenblind.

Misvattingen. Het kan niet anders of u vindt er ook een paar van uw gading in de Kleine encyclopedie van misvattingen die Hans van Maanen, wetenschapsredacteur bij Het Parool, onlangs geschreven heeft. In de zaterdagse Spectrumbijlage hebben Paroollezers vorig jaar al een deel van van Maanens collectie kunnen bekijken. Die lezers kennen waarschijnlijk ook zijn prettige en duidelijke schrijfstijl.

Van Maanen is van huis uit socioloog, maar in de krant en ook in dit boekje bemoeit hij zich overal mee. De kleine encyclopedie bevat hoofdstukken over allerlei schoolvakken (taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie), en daarnaast ook nog over lichamelijke ontwikkeling, gezondheid, kunst, godsdienst, wetenschap (waarmee het Engelse ‘science’, dus de bèta‑wetenschap bedoeld blijkt te worden) en algemene ontwikkeling. En dat alles wordt nog eens vooraf gegaan door een geestige inleiding waarin van Maanen zich met behulp van nog meer misvattingen (‘Onze kennis is deugdelijk’, ‘Dit is een origineel boek’) keurig indekt tegen kritiek.

Zij het niet tegen alle mogelijke kritiek. De directe inspiratie voor deze encyclopedie van misvattingen was The dictionary of misinformation uit 1975 van Tom Burnam, een boek dat ik alleen al koester vanwege de vier pagina’s die er aan ‘language’ gewijd worden. Het is mij een raadsel waarom van Maanen zich voor zijn hoofdstukje ‘taal’ niet door Burnam heeft laten inspireren. Had hij dat wel gedaan dan had hij kunnen vertellen dat er verschil is tussen ‘taal’ en ‘communicatie’, en dat het een mythe is te denken dat grammatica van bovenaf kan worden opgelegd, om even twee willekeurige wijdverbreide waanideeën uit Burnams verzameling te pikken.

In plaats daarvan komt van Maanen met flauwe en zelfs aanvechtbare misvattingen over woorden en uitdrukkingen aan. Een brandbrief was oorspronkelijk een brief waarin met brandstichting wordt gedreigd. Prachtig zo’n etymologietje, maar ‘brandbrief’ betekent nu toch echt al jarenlang zoiets als ‘geschreven noodkreet’. Dat ‘ombudsman’ in het Zweeds een sekseneutraal woord is kan wel wezen, maar feit blijft dat in het Nederlands een ombudsman per se een man moet zijn. Volksetymologie heet dat. Die heeft ons het woord ‘ombudsvrouw’ opgeleverd. En als nou nog maar een tijdje de kreet ‘éminence grise’ gebruikt wordt voor ‘nestor’ dan gaat het dat vanzelf voor iedereen betekenen.

Van Maanen denkt ook weer dat taal logisch in elkaar zit. En dat analogieën opgaan: omdat we geen ‘stentrix’ en ‘nestrix’ hebben, kan ook het woord ‘mentrix’ niet bestaan (stentor, nestor en mentor zijn alledrie mannelijke persoonsnamen die tot een begrip uitgegroeid zijn). Maar de mentrix bestaat, ik ken mensen die het zijn, zo simpel is dat.

In het hoofdstukje ‘taal’ zijn overigens alleen die woorden opgenomen die toevallig niet onder een van de andere onderwerpen gerangschikt konden worden, zo blijkt verderop. Dat ‘olympiade’ van oorsprong niet hetzelfde betekende als ‘Olympische Spelen’ staat in het hoofstuk ‘lichamelijke ontwikkeling’, dat ‘digitaal’ niet altijd ‘binair’ hoeft te zijn vinden we onder ‘rekenen’ en dat ‘Beaufort’ niet op z’n Frans uitgesproken dient te worden (de ontwerper van de schaal voor de windkracht was een Brit) valt in het hoofdstuk ‘wetenschap’ te lezen.

Enfin, de inleiding meldt ook dat ‘Dit boek heeft de waarheid in pacht’ een misvatting is. En er blijft naast taal nog genoeg interessants over. Veel geruststellende zaken, die het leven kunnen veraangenamen.

Zo is het onzin te denken dat je van patat pukkels krijgt (pubers krijgen die pukkels niet omdat ze ongezond eten, maar omdat hun hormoonhuishouding verandert), dat je warm inpakken een koutje kan voorkomen, dat niet ontbijten ongezond is en dat vrijen zonder condoom tegenwoordig zelfmoord is (met een willekeurige vreemde een nacht doorbrengen levert een kans van een op een half miljoen op om met het aidsvirus besmet te raken, ongeveer net zo’n kans als u heeft om met een verkeersvliegtuig neer te storten).

Troostrijk zal voor velen ook de gedachte zijn dat margarine en roomboter precies evenveel calorieën opleveren en dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat bier na wijn venijn schenkt.

Ontluisterend is het boekje ook. Doodjammer dat het verhaal over de geboortegolf in New York precies negen maanden na een stroomstoring nergens op stoelt. En wat zonde dat Galilei direct na zijn veroordeling helemaal niet ‘Eppur si muove’ (en toch beweegt hij = de aarde) gemompeld heeft (dat zou hij niet overleefd hebben). Het rotsvaste kindergeloof dat de stippen van een lieveheersbeestje vertellen hoe oud hij is slaat natuurlijk ook nergens op.

En middeleeuwse kuisheidsgordels bleken allemaal vervalsingen. Het is dus uiterst onwaarschijnlijk dat de kruisridders met behulp van dergelijke apparaten hun echtgenotes voor hele lange periodes tot huwelijkse trouw dwongen, ook al vanwege de onfrisse boel die het na een maand toch zeker zou worden en vanwege het infectiegevaar dat feitelijk na een week al in hoge mate aanwezig is, zoals van Maanen fijntjes opmerkt.

De kleine encyclopedie van misvattingen is een goed voorbeeld van vermakelijke en tegelijk leerzame (meestal: wetenschaps)journalistiek. Natuurlijk, sommige misvattingen zijn een beetje flauw (het ‘verkeerde’ woordgebruik van hierboven, maar ook het feit dat Van Gogh niet zijn hele oor, maar slechts een stukje ervan afsneed), maar ik denk dat er geen een Nederlander is die niet tenminste een paar verkeerde denkbeelden uit van Maanens collectie aanhangt. Iedereen heeft gaten en gaatjes in zijn kennis, dit boekje kan wat leemtes opvullen.

En daarnaast is het ook nog buitengewoon plezierig om te lezen. Het staat vol anekdotes die het op verjaardagsfeestjes en dergelijke uitstekend doen: de doden werden vroeger met belletjes aan hun vingers begraven, opdat ze gehoord zouden worden wanneer ze schijndood bleken te zijn geweest. De vroedvrouwen van de Thonga in Afrika kwellen en pijnigen een barende vrouw nog eens extra, zodat die gemarteld het bos invlucht. Dat soort verhalen. Waar nodig of aardig zijn tekeningen, kaartjes, tabellen of foto’s opgenomen. Wie meer wil weten krijgt dikwijls een literatuurverwijzing van van Maanen mee. Dit boekje lijkt me een ideaal cadeautje.

Zelf doen!

Niks vrijheid voor Cohen en Kok. Arme Amsterdamse burgemeester en arme premier. Muurvast zaten ze met hun toespraken voor de natie, want het Nationaal Comité 4 en 5 mei had hun onderwerp al van tevoren voor ze vastgesteld. Denken aan de doden en feesten vanwege de bevrijding moest dit jaar onder de kreet ‘Vrijheid is leven zonder angst’.
Tja, wie dat stelt, beweert dat vrijheid helemaal niet bestaat. Want leven zonder angst, dat is nou echt voor niemand weggelegd. Een onzinleus dus. Geen wonder dat Cohen en Kok hoorbaar worstelden met dit ‘thema’, want dat betreft het hier.

Wie het bedacht heeft? De website van het comité (www.4en5mei.nl) geeft daar geen enkel uitsluitsel over, maar je kan er wel goed zien dat het een reuze moderne organisatie is. Ze hebben ‘kerntaken’ en trouwens ook speldjes en petten en T-shirts en stickers, alles met logo. En de thema’s tot en met 2005 staan al vast. Volgend jaar gaat het over ‘vrijheid en communicatie’, jawel, en die rare stelling van nu valt blijkbaar onder ‘sociale aspecten van vrijheid’.

Zonder nou flauw te willen doen: als je doel is om “het draagvlak onder de Nederlandse bevolking” voor 4 en 5 mei in stand te houden, is dit dan de manier? Een comité dat, nog steeds volgens de eigen doelstelling, “richting” geeft en “invulling” aan hoe wij met z’n allen oorlog en vrede moeten gedenken?

De bemoeizucht staat me tegen, maar ik betwijfel bovendien of je met speeches indruk kunt maken, snaren kunt raken als de inhoud opgelegd pandoer is. Volgens mij zijn er in wezen maar twee manieren om overtuigend iets over te brengen. En het lastige is: als het om de Tweede Wereldoorlog gaat is één kanaal al bijna afgesloten.

Wat we horen van iemand die we kennen en vertrouwen en die er zelf bij was, vinden we automatisch geloofwaardig. Het brengt de dingen als het ware binnen handbereik, zelfs onvoorstelbare zaken kun je bijna aanraken wanneer ze iemand zijn overkomen die jou nabij staat. Maar wie nu kind is, wordt per definitie niet meer grootgebracht door ouders met oorlogsverhalen uit de eerste hand. Zelfs de grootouders voor wie de oorlog geen verhaal is, maar beleefde werkelijkheid en dus in zekere zin ‘normaal’, zijn hard aan het uitsterven.

Dat levert een probleem op, want vrijwel iedereen meent dat op de juiste manier vertellen over de oorlog kan helpen voorkomen dat iets dergelijks nog eens gebeurt. In het dagelijks leven nemen nu de tweedehandsverhalen al erg toe, maar alhoewel ook ik mij nogal geroepen voel om de generatie na mij zoveel mogelijk door te geven van wat mij toevallig met de paplepel werd ingegoten, zal dat nooit kunnen tippen aan de rechtstreekse verslaggeving van mijn ouders.

Het zal binnenkort helemaal moeten komen van de andere manier die er is om mensen te overtuigen. De methode die vreemden ten dienste staat. Die zit een stuk subtieler in elkaar. Vreemden hebben namelijk niet het krediet dat familie en vrienden bezitten. Rauwe emotie, heilige verontwaardiging of onvoorwaardelijk enthousiasme accepteren we alleen grif van degenen die we al vertrouwden.

Alle anderen moeten gewoon met een goed verhaal komen, en daarbij is dit het cruciale punt: dat de toehoorder of lezer genoeg ruimte gelaten wordt. Die moet zélf de conclusie trekken dat het om iets belangrijks gaat, of iets waars, of goeds. De doorgewinterde redenaar, essayist, politicus of andere opinieleider kleedt zijn zaakje dus altijd zo in dat de gevolgtrekkingen weliswaar onontkoombaar zijn, maar zich toch niet al te opzichtig opdringen.

Het lijkt wel alsof met grote passie roepen dat iets HEEL BELANGRIJK is, bij de toehoorder de afstand oproept die de boodschapper kennelijk zelf niet op kan brengen. In de meeste mensen zit ingebouwd dat ze missionarissen van elk slag in eerste instantie wantrouwen. ‘Zeker aandelen’, denken we stiekem, zelfs als we wel beter weten. Het maakt de kleuter in ons wakker die bij alles zegt: ‘Zelf doen!’. Zelf wikken en beslissen. Zelf uitmaken of het de moeite waard is.

Om die reden werken GROTE WOORDEN zo gauw averechts. En daarom zijn vooraf bepaalde dikke thema’s die “richting” en “invulling” aan 4 en 5 mei moeten geven funest. Zolang de Cohennen en de Kokken verplicht zijn zich daaraan te houden kunnen ze niet eens overtuigen.

Schande!

Jammer. Dat ik nu in mijn eentje in een hoekje van de krant schande ga roepen, is bij lange na niet genoeg. Hoe veel journalisten en politici heb je eigenlijk nodig voor een schandaal? Moeilijk te zeggen, maar zolang die twee smaakmakende, elkaar voortdurend voedende groepen het er niet uitvoerig over hebben, kom je nergens. Zonder mediaophef geen schandaal.
Maar mijn verontwaardiging en droefenis komen juist voort uit het feit dat journalisten en politici kennelijk niets zien in een ongemeen belangrijke zaak. Want dat hebben ze net nog eens genadeloos duidelijk gemaakt. Een totale, schier eindeloos lange kabinetsformatie is het woord niet één keer gevallen. Sinds een week zijn ze officieel in bedrijf: de Minister van Onderwijs, de Staatssecretaris van Onderwijs en de Staatssecretaris van Cultuur. Met z’n drieën bestieren ze het Ministerie van OC&W. Van W? Waar is de W? Wie doet wetenschap? En waarom weet ik dat zelfs nú nog niet? Hoe is het mogelijk dat niemand ernaar vroeg?
Ik ben bang dat ik weet hoe het komt, maar eigenlijk wil ik het niet weten. Ik denk namelijk dat de publieke-agendabepalers een akelig getrouwe afspiegeling van de Nederlandse bevolking vormen. Het woord ‘wetenschap’ roept ook bij u vrijwel altijd één van drie reacties op: een gaap, een moeilijke frons of een angstige blik. Waar het ooit mis gegaan is, weet ik niet precies, maar aan ‘wetenschap’ kleven momenteel bijna alleen akelige associaties: saai, lastig, of men vindt het maar eng wat er allemaal in achterafkamertjes bedacht en in laboratoria gebrouwen wordt.
Dus als er een voorstelrondje met alle ministers te zien is op tv, dan levert dat weliswaar nóg meer geleuter met en over chauffeurs op, maar geen uitsluitsel over in wiens portefeuille wetenschap terecht is gekomen. Onze nieuwe Minister van Onderwijs, begreep ik, zal gaan over onderwijszaken. En daar kwam weer het rijtje au fond volstrekt marginale punten waarover politiek en pers zich maar druk blijven maken: de grootte van de klassen, de boeken en computers daarin, de studiefinanciering en de ov-jaarkaart.
Marginaal, omdat het allemaal niets toevoegt aan de essentie van elke opleiding. De kern van alle onderwijs is proberen over te brengen wat we weten over drie dingen: hoe de werkelijkheid in elkaar zit, hoe dat zo gekomen is en hoe je haar kunt manipuleren. Of het nou gaat om rekenen, taal en aardrijkskunde, of om metaalbewerken, de verpleging, of astronomie, het fundament is steeds kennis. En kennis moet kunnen groeien.
Ho! Oeps, nou was ik bijna gaan zitten zeuren over hoe alles om u heen er niet geweest was zonder wetenschap, en ik wou al gaan vertellen dat welvarende landen dat alleen kunnen blijven als ze een substantieel deel van hun rijkdom stoppen in kennisvermeerdering, en als ik niet uit had gekeken was ik ook nog begonnen over de principiële onmogelijkheid om van tevoren te weten waar de kennisdoorbraken zullen zitten. Maar ik doe het niet, want het heeft geen zin. U gelooft het namelijk allemaal wel, of niet.
En toch is er voor het woord wetenschap zeker een weg terug. Naar een prettige bijklank, en naar de volgende kabinetsformatie. Hart voor de wetenschap vind je op dit moment vooral binnen de wetenschap zelf. En daar moeten ze hun mond veel meer gaan roeren. Sterker nog: er moet hoognodig oproer komen. Heren en enkele dame, niet meer u steeds verder laten terugduwen in uw eigen hoekje en aan onderling gebakkelei uw krachten spenderen, maar een keihard, gezamenlijk offensief beginnen! Als u nou eindelijk eens – in niet-academische bewoordingen graag – ontstellende stampei gaat maken over de idiote, inmiddels vrijwel voltooide uitholling van het wetenschappelijk bestel, dan komt de pers vanzelf luisteren, en dan is er ineens wél een schandaal, en moet de politiek de koers omgooien.
En als de journalisten langskomen, toon ze dan meteen die waanzinnige passie waarvan ik toevallig weet dat die in velen van u leeft, dat hartstochtelijke verlangen naar begrijpen hoe de wereld in elkaar zit, en de immense voldoening als je er weer iets meer van snapt dan eerst. Geef gerust toe dat wetenschap soms ook stomvervelend, moeilijk en gevaarlijk kan zijn, maar vertel waarom u het toch doet. Geloof me, uw enthousiasme is besmettelijk.

Oorlogsgevoel

“Ik krijg helemaal een oorlogsgevoel”, zei een naoorlogse mevrouw vrijdag verlekkerd bij de lege melkschappen. Bijval was haar deel. 

Het was natuurlijk krankzinnig, om niet te zeggen gênant, dat iemand in die verder overvolle winkel een verband met de oorlog legde, maar ook had het iets knus. Ineens was er reden om in de anonieme supermarkt het stuurse stilzwijgen te doorbreken, ging er een golfje saamhorigheid langs de uitstalplanken. Eigenlijk wil iedereen dat dolgraag, zag ik weer eens.

Praten is onze natuurlijke habitat, die Dirk van den Broeck en de Aldi ons afpakken.
Enfin, ondertussen was dat nationale gehamster dat de ijskasten tot de nok toe gevuld moet hebben wel een indrukwekkend staaltje macht van de media. Een betere zaak waardig, zou je zeggen.

Laat ik er een noemen. Het Nyumbani-project. Het wat? Excuses. Ik weet het, woorden uit talen waar we niets van weten geven geen houvast. Er zijn geen elementen zoals voor- of achtervoegsels die je kunt herkennen, er is zelfs niets waaruit je zou kunnen opmaken om wat voor soort woord het gaat. Een naam? Een werkwoord? Onthouden wordt daar ook erg lastig van, zelfs al voorziet iemand zo’n in onze oren willekeurige klankenreeks meteen van een betekenis.

Want als ik u vertel dat ‘nyumbani’ Kiswahili is voor ‘mijn huis’ helpt dat maar weinig vrees ik. Ouderwets stampwerk (nyumbani-nyumbani-nyumbani) is het enige, waarbij we dan noodgedwongen, maar gelukkig wel helemaal automatisch de Nederlandse uitspraak- en klemtoonregels gebruiken. Op je moedertaal kun je altijd terugvallen, en daarom ligt ook bij u de nadruk op ba als u het woord nyumbani leest. Op de voorlaatste lettergreep dus, dat is normaal in het Nederlands en dientengevolge de reden dat zo veel mensen normaliter in plaats van normaliter zeggen.

Nee, aan de naam is niet veel aandacht besteed, die was er gewoon vanzelf, maar rond het Nyumbani-project zoemt zachtjes zo’n zelfde saamhorig ‘oorlogsgevoel’. Het verschijnsel is bekend: iemand komt met een plan, en mensen eromheen reageren met ‘ja, moeten we doen’, waarna een aanstekelijk heen en weer gegooi met ideeën volgt. Dit keer maakte ik het mee op het internet, maar het werkt hetzelfde.

Nu is het lastige punt alleen dat het hier allemaal gaat om de uitgekauwste liefdadigheid van de laatste eeuwen: geld voor zielige negertjes in Afrika. Om precies te zijn voor weesjes in Nairobi, die stuk voor stuk hun ouders aan aids hebben verloren, zelf ook besmet zijn met Hiv, en zonder een Nyumbani geheten weeshuis op straat of gewoon niet meer zouden leven.
Iet Rubio, een Nederlandse fotografe die in Kenia woont, had het met eigen ogen gezien, trok het zich aan en riep de hulp in van ook fotograferende of schrijvende collega’s met wie ze dagelijks dingen uitwisselt in een e-mailgroep. Enthousiasme en veel goede wil waren het gevolg, maar hoe vertel je de wereld dat ze moeten kijken op een website (www.deining.org) en storten op een rekening (96.84.97.845 van de Stichting Weeskinderen Kenia, onder vermelding van ‘Project Nyumbani’)? Een persbericht waarin ook het flitsende e-karakter van de actie werd benadrukt leek in elk geval een mogelijkheid.

Dus maar eens informeren bij het ANP, het persbureau dat grootleverancier van nieuwsberichten is. Geen krant zonder ANP-berichten. Hoe komt het ANP aan zijn nieuws? Wel, onder meer uit persberichten, maar als je ze er eentje stuurt, weet je nooit of het ANP er ook een bericht van maakt.

Daar hebben ze nu een oplossing voor. Ik weet niet hoe lang al, maar ik schrok er hevig van. Voor 535 gulden, exclusief BTW, kan nu iedereen kopen dat zijn persbericht gegarandeerd arriveert bij 360 redacties en organisaties. En wel zo: “Uw bericht komt niet binnen op een overbelaste fax of boordevolle e-mail inbox, maar rechtstreeks op de nieuwsmonitor van de ontvangers terecht tussen alle ANP berichtgeving. U lift mee op het kwaliteitsnetwerk van het ANP.” Op deze ‘service’ kunt u ook een abonnement nemen. Heineken, Fiat en de Bovag gingen u bijvoorbeeld al voor.

Dat het hard gaat met de commercialisering van het nieuws wist ik, maar niet dat nieuws en reclame nu al standaard als gezamenlijk pakketje de redacties bereikten. Hierbij welt ineens een heel ander oorlogsgevoel bij me op: angst voor wat ons nog te wachten staat.

Verhaarders

Op elke eindredactie zit er wel een: een verhaarder. Zo iemand die wekelijks uren in het Groene Boekje bladert. Doel: kijken of er in de tekst die hij moet corrigeren misschien woorden staan die ‘vrouwelijk’ zijn. Schrijft een auteur bijvoorbeeld over ‘de werkelijkheid en hoe we hem manipuleren’ dan weet de eindredacteur: dat is fout, ‘werkelijkheid’ is vrouwelijk, dus manipuleren wij ‘haar’. En zo komt het dan in de krant.

Want de eindredactie heeft nu eenmaal letterlijk het laatste woord. Is er dus weer eens een ‘hem’ van me verhaard, dan zie ik dat pas als het te laat is, en de ‘haren’ in honderdduizenden de wereld in zijn gegaan. U mag het geneuzel en zwaar overdreven vinden – in mijn betere momenten denk ik er ook zo over – maar een dergelijke verbetering maakt me iedere keer weer écht boos. Zeg ik er vervolgens iets van dan wordt het meestal ruzie.

De verhaarders menen namelijk eerlijk dat ze zoiets als een spelfout verbeterd hebben, terwijl ik volhoud dat het gaat om een ingrijpen in de stijl, in de toon van het artikel dat ik geschreven heb. Waarom ik gelijk heb, zal ik u uitleggen. Dat gelijk is overigens niet absoluut, maar deels regionaal.

Wie boven de rivieren opgroeit, weet aan het eind van zijn kindertijd weliswaar van vele duizenden woorden of er ‘de’ of ‘het’ voor moet, maar hij kan de de-woorden niet opsplitsen in mannelijk en vrouwelijk . Waarom niet? Omdat het verschil er gewoon niet is. Dat is in de loop van vele eeuwen langzaam maar zeker verdwenen. Iets dat hand in hand ging met het afslijten van het naamvalssysteem dat inmiddels alleen nog voortleeft in bepaalde woorden en uitdrukkingen (uitentreuren, te zijner tijd, in der minne, ’s avonds).

Als standaardtaalsprekers het onderscheid mannelijk-vrouwelijk niet kennen, dan maakt dat per definitie geen deel uit van de standaardtaal. En net als overal elders bepaalt ook hier de bevolkingsgroep met de meeste economische en culturele macht de norm.

Het standaardnederlands is daarom het Nederlands van de bovenste maatschappelijke lagen in de randstad. En die zeggen zowel over een stoel als over kast: ‘hij staat daar niet goed, kun je hem niet aan de andere kant van de kamer zetten?’ Weet u welk van de twee ‘eigenlijk’ vrouwelijk is? Dan komt u waarschijnlijk van beneden de rivieren, waar het voor veel mensen anders ligt.

In dialecten vind je ook wél nog vaak verbogen lidwoorden. Als ze het daar over een kast hebben, dan is de opmerking ‘ach, ze staat weer open, ik doe haar wel even dicht’ dus helemaal niet gek. In de ondertiteling op de Vlaamse tv zie je dat soort dingen nogal eens voorbijkomen.

Maar in de rest van de Nederlandssprekende wereld valt het op. ‘Haar’ en ‘zij’ klinken, zodra het niet gaat om vrouwen (of voor de dierenwereld: vrouwtjes), deftig en ouderwets. Naar echte schrijftaal. En dat klopt precies. Juist in de schrijftaal is het verschil nog heel lang min of meer kunstmatig in stand gehouden. Colijns voorgelezen toespraken zaten nog vol verbuigingen, maar van Kok zouden we het absurd vinden als hij sprak over ‘den helen dag’.

Er zijn wel nog wat restjes. Zo is het nog steeds gewoonte om bijvoorbeeld naar ‘regering’ en ‘commissie’ met ‘haar’ te verwijzen. Op papier althans. Welke woorden uit die klasse vrouwelijk zijn, is – anders dan het de-het-onderscheid – iets dat je bewust moet leren. Iets dus waarmee je kunt laten zien dat je een fatsoenlijke opleiding genoten hebt, dat je niet van de straat bent. Ook al zal wie veel ‘haart’ en ‘zijt’, daar meestal niet bij nadenken.

Maar dat het allemaal niet echt deel uitmaakt van het Nederlands valt af te lezen aan een ander verschijnsel. In navolging van het haar- en zij-gebruik bij woorden als ‘regering’ en ‘commissie’ lees je ook vaak dingen als ‘het kabinet heeft haar standpunt bepaald’ en ‘het comité zal haar werkzaamheden voortzetten’. Daarmee wordt ‘haar’ en ‘zij’ puur aan de betekenis van woorden gekoppeld.

Mijn bezwaar tegen verharende redacteuren is dus dat ze mijn tekst ouderwetser maken, en gekunsteld. Hun geblader in het Groene Boekje is veelzeggend. Grappig en ook tekenend is dat ze het ondertussen bij datzelfde Groene Boekje ook niet meer weten. In de nieuwe versie staat achter een hele hoop woorden (stoel en tafel bijvoorbeeld) geen geslachtsaanduiding meer.

Theo

Het griezeligst is misschien nog wel dat ik me verdacht maak bij velen alleen al door over hem te schrijven. Zo erg is het. Dus laat ik meteen maar even zeggen: ik ben geen vriendjes met Theo van Gogh, en ook ben ik geen antisemiet. Ik geloof overigens geen halve seconde dat hij dat wel is, maar dat doet er hier niet eens toe.

Kijk, dit is het punt. Wij denken in het vrijdenkendste land ter wereld te wonen. Waar de vrijheid van meningsuiting gekoesterd wordt door de complete journalistiek, die zichzelf graag als de Koningin der Aarde ziet. Hier kun je tenminste gewoon zeggen wat je denkt, word je niet in het cachot gegooid als je iets onwelgevalligs zegt.

De theorie is ijzersterk, en ook erg aantrekkelijk en geruststellend. En toch is het in de dagelijkse praktijk ondertussen zo dat er in de hele Nederlandse pers geen plaats is voor Theo van Gogh. Dat is geen collectieve afspraak, geen van hoger- of desnoods lagerhand genomen besluit, het is hoe de wereld werkt. Juist daarom word ik er zo bang van.

Van Gogh is volmaakt oneerbiedig tegenover alles wat tot de gevestigde orde hoort. De politiek, de monarchie, de rechtspraak, tv-beroemdheden, gevreesde journalisten, gelauwerde schrijvers, ze krijgen er allemaal keihard van langs. In zijn geheel eigen, wat gedragen tongue-in-cheekstijl. Hij is gepassioneerd over dingen, heeft absoluut schrijftalent, gevoel voor humor, zelfspot en een polemische aanpak. Wat hij schrijft is vaak een pijnlijke waarheid.

Is dat niet een schets van de ideale columnist? Hoe komt het dan dat ik zijn columns alleen op zijn website (www.theovangogh.nl) en in niet of nauwelijks besproken boeken (het laatste: De gezonde roker) kan lezen?

Omdat Van Gogh uithaalt, beledigt, provoceert, en zo ook zijn hoofdredacteuren uitprobeert, tart. En dan komt er herrie, en dan moet ie weer weg. Want herrie, confrontaties, daar houden we niet zo van in dit land van sussen en consensussen. Waar las ik toch laatst dat onze poldercultuur van eindeloos overleggen en vergaderen stevig bijdraagt aan onze krankzinnig hoge WAO-cijfers? Omdat conflicten die niet aangegaan worden doorzieken, en daar worden mensen ziek van.

Van Gogh zoekt conflicten juist op, gaat expres vol overdrijving frontaal in de aanval. En natuurlijk schiet hij daarbij van tijd tot tijd totaal mis of door, en ook ik vind hem soms reuze flauw, ronduit goor in zijn vergelijkingen en puberaal. Nou en? Er zit tenminste leven in. Aan columnisten hóór je je regelmatig te ergeren. Gezapigheid en braafheid is er toch al veel te veel in de media, en échte discussies zijn er veel te weinig.

Maar zelfs de klassieke rol van nar mag Van Gogh niet spelen, want het geestige maar nogal scherpe toespraakje voor de koningin dat hij, nota bene op verzoek, geschreven had ter gelegenheid van de opening van de nieuwe vleugel van het museum van zijn achteroom Vincent, mocht uiteindelijk niet uitgesproken worden.

Het past allemaal bij de steeds maar doorgroeiende tenen van steeds meer mensen. Er is angstwekkend veel waar je in Nederland niks van mag zeggen. Actiegroepen, belangenorganisaties en privé-personen staan bij het minste of geringste in de rij voor de rechter.Want oh oh oh, er is misschien wel iemand beledigd. En ze hebben het tij mee. Kijk maar naar het Openbaar Ministerie dat tegenwoordig helemaal uit zichzelf tot in het absurde achter beledigers aangaat, terwijl ze daar toch waarachtig wel andere dingen te doen hebben.

Zien al die natuurlijk goedbedoelende aanklagers niet dat hun klacht een zwaktebod is? Van de week nog: homo’s die de paus voor de rechter willen hebben.. Kom nou toch jongens!, denk ik als ik dat zie. Laat nou eens zien dat je echt geëmancipeerd bent, en maak je gewoon vrolijk om de praatjes van die oude man in zijn jurk.

In een echt vrij land kan iedere minder- en meerderheid zijn zegje doen, zonder angst voor maatregelen van bovenaf. De media doen er niet aan zelfcensuur, maar geven de ruimte aan spetterende debatten. Zo’n land is een illusie, Utopia, maar kunnen we niet ten minste proberen zo dicht mogelijk in de buurt te komen?

Dus terug naar Theo van Gogh. Welke krant, welk blad haalt die man weer binnen?

Schrijftaal

Op een kwade nacht in de zomer na mijn eindexamen zag ik een scheerlijn over het hoofd en ging genadeloos op mijn bek. Verbrijzelde voortand. Zo kwam het dat het Italiaanse talenwonder Pio, die ik net ontmoet had, een vriend voor het leven werd. Bij de tandarts in Macon, waarheen hij me dagen achtereen in zijn oranje fiatje 500 vervoerde, bleek ie ook al volmaakt Frans te spreken.

Maar indrukwekkender was natuurlijk zijn Nederlands. Dat had hij niet geleerd door hier te gaan wonen, maar door zich erin te laten onderwijzen aan de universiteit van Cagliari (spreek uit: Káljarie) door een Vlaamse, die dat trouwens deed aan de hand van fragmenten uit De familie Doorsnee.

Annie Schmidts hoorspelserie was op dat moment al tientallen jaren afgelopen, maar door Pio’s roerende vertolking ken ik nu toch een stuk van een liedje dat begint met ‘Achter de kinderwagen’. Pio zelf was toen overigens al van talen overgestapt naar muziek, en bezig met zijn dirigentenopleiding.

Studie niet afgemaakt dus, en Nederlands was sowieso maar een bijvak naast Engels en Duits, en toch is het als we elkaar zien nog steeds slechts een kwestie van even flink borstelen, en hup, de roest is weg, en we voeren weer hele gesprekken in het Nederlands. Intense interesse is de basis: pakweg de helft van ons gepraat gaat over hoe zeg je dit in het zus en hé, kijk, dat is verwant met zo. Ik heb zelfs meegemaakt dat hij na een weekje hier logeren tussen neus en lippen door ineens voortdurend grappen in en over het Nederlands begon te maken.

Dat is een kenmerk van echte kennis en waar talent. Spelen met een vreemde taal is ontstellend lastig, want het is helaas maar zeer zelden dat je eigen taal daar juist bij helpt. (Goed, terzijde een voorbeeldje van moedertaalhulp: in een wat melige opwelling vroeg ik eens aan de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky toen die net een ‘eyes exam’ achter de rug had of hij geslaagd was. Vrijwel onmiddellijk lichtten zijn ogen op en sprak hij triomfantelijk: ja, ik had een tien! Had ‘examen’ ook in het Nederlands ‘onderzoek’ als tweede betekenis gehad dan was dat vast nooit in me opgekomen.)

Er ligt hier een onverwachte parallel met schrijven. Losjesweg kleine woordspelingen rondstrooien gaat een auteur zelden makkelijk af. Het lijkt wel of wat er moeilijk is aan het leren beheersen van een andere dan je moedertaal, ook moeilijk is als je probeert iets meer te schrijven dan alleen standaardbriefjes met standaardtekst. Juist dingen als je woordkeus en zinsbouw afwisselen (dat moet op papier veel harder dan in het gesproken dagelijks leven), een opvallende wending geven, een dubbele bodem leggen, geestig zijn, kosten tijd en denkwerk.

Vertoont leren schrijven trekjes van een nieuwe taal leren? Toen ik ooit de Amsterdamse cursus wetenschapscorrespondentie volgde dacht ik wel aldoor: pfoeh, dat is veel te veel, dat kan ik nooit allemaal onthouden, laat staan tegelijk toepassen. Precies het gevoel dat je overvalt bij taallessen. Braaf volhouden en oefenen leidden ook daar ertoe dat de stukjes op een gegeven moment op hun plaats vielen.

Maar het summum van moeilijk moet dan wel aantrekkelijk schrijven in een vreemde taal zijn. Ik denk dat dat waar is. Zelfs een vrij eenvoudig Engels mailtje naar Amerika kost me minstens twee keer zoveel tijd als eentje in het Nederlands.

Hoe lang William Shetter over zijn Nederlandstalige berichten aan mij doet, weet ik niet, maar ze lezen als een trein en meestal kun je helemaal nergens aan merken dat Engels zijn moedertaal is. Shetter begon in de jaren vijftig al Nederlands te leren, gewoon voor de lol. Hoewel hij hier nooit gewoond heeft, is zijn beheersing absoluut verbluffend. Een ongelooflijk staaltje maakte in een paar jaar geleden mee, toen mijn taalinterviews in een boek uitkwamen. Shetter bleek dat besteld te hebben, las de meer dan 300 pagina’s stuk voor stuk door en stuurde mij vervolgens vellen vol correcties. En op een of twee na, waar hij zelf ook twijfels bij had, waren die allemaal volledig terecht.

Nu is de man wel taalkundige, maar ik verzeker u dat dat weinig voorspelt over iemands talentalent. Schrijftalent heeft hij ook al. Zijn gevarieerde en instructieve taalcolumns vindt u op http://home.bluemarble.net/~langmin/.

Rijm fijn

Vreemde tijden. De volwassenen zijn tegenwoordig bang voor Sinterklaas. Nog helemaal niet zo lang geleden zaten de kinderen altijd in angst. Want die enge Zwarte Pieten praatten maar raar, en hadden zo’n harde roe, en je wist maar nooit of je niet meemoest in de zak, naar Spanje.

Typisch kindergegriezel, dat is uitgestorven. Maar nu die kleintjes van toen opgegroeid zijn, zelf allang kinderen hebben, lijden ze aan grote-mensenangst voor de Sint. En dat ze bang zijn verdoezelen ze, zoals grote mensen dat doen, met smoesjes. Ze zoeken ontsnappingsclausules. “Sinterklaas is voor de kleintjes”, zeggen ze, en trekken daar een stoer gezicht bij. “Wij zelf doen er niet meer aan, we geven mekaar wel wat onder de kerstboom.”

Kletspraat. Sinterklaas is juist voor de groten. Het is ons nationale jaarlijkse zuiveringsritueel en het is bijzonder slecht voor de geestelijke gezondheid van gans ons volk dat het om zeep wordt geholpen.

Want wanneer anders dan op vijf december kunnen wij elkaar zonder probleem, zo keurig aanvaard fijntjes de waarheid vertellen? Even die onderhuidse ergernis die toch vaak opspeelt gevaarloos ter sprake brengen? Bewondering en waardering op zo’n manier uitspreken dat het niet meteen klef of wel erg heavy wordt? Iemand eens lekker plagen met zijn gekke gewoontes?

Kijk, witte aanplakbaarden en zwarte schmink zijn alleen versierselen. Ook pepernoten en chocoladeletters dienen als aankleding. De kern van het Sinterklaasfeest, of beter: het hart, zit in de surprises en de versjes. Die zijn een fantastisch sociaal smeermiddel, en als dat verdwijnt – en er komt bovendien alleen maar zo’n domme, uitsluitend ‘hohoho’ uitstotende Santa voor in de plaats – dan wordt het zaakje stroever. Ik wil niet overdrijven, maar ik geloof eerlijk dat het langzaam verdwijnen van de oude Sinterklaastradities het zelfreinigend vermogen van onze samenleving aantast.

Dat is veel erger dan een keer per jaar even met de billen bloot te moeten. Want ik denk dat daar de angst ligt: oef, oef, dalijk zeggen ze iets naars van me! En ook het zelf de confrontatie met iemand anders zoeken wordt maar eng gevonden. Dat is sowieso kortzichtig, want de Sinterklaas-manier is verstandiger dan de recht-voor-zijn-raapmethode, waar het tenslotte vaak toch op uitdraait als dingen onuitgesproken blijven sudderen.

Ach, iedereen weet wel dat verpakken effectiever is dan iemand plompverloren de naakte waarheid voor de voeten te gooien. En juist Sinterklaasversjes zijn geweldig verpakkingsmateriaal. Dat heeft een duidelijke reden. Rijm maakt dat de vormkant van taal onevenredig veel aandacht trekt. Diep van binnen weten we namelijk allemaal dat het er niets toe doet welke klanken we voor welk begrip gebruiken. Uiteindelijk is dat alleen maar stom toeval. Zo behandelen we wat we horen ook: we pikken de bedoeling er direct uit, en vijf seconden later kunnen we ons de exacte bewoordingen ook met de beste wil van de wereld al niet meer herinneren.

Maar wie rijmt, zegt als het ware ‘sliep-uit’ tegen die arbitraire omhulsels van begrippen. Het is spelen met een basisprincipe van alle talen. Hé, wacht ’s, zeggen onze taalintuïties daarom als we rijm horen of lezen: dit is ineens geen toeval meer. En dan gaan we erop zitten letten. Dat leidt af van de inhoud, en dus kun je die inhoud veel pittiger dan anders maken.

Het mooie is: we zijn allemaal zo taalgevoelig dat er voor dat afleideffect maar weinig nodig is. Daarom doet het er ook niet toe als een Sinterklaasrijmpje typisch ‘sinterklaasrijm’ is. Laat ‘fijn’ fijn rijmen op ‘rijm’. Laat ook ritme en metrum lekker mank lopen. Doe er maar een stoplap met ‘denken’ en ‘schenken’ in. Gebruik gerust twintig regels achter elkaar die op ‘eren’ of ‘atie’ eindigen. Geeft allemaal helemaal niks. De werkzame bestanddelen zitten er toch in.

Daarom, lezers, hou nu meteen op met lezen. Stel een daad, doe iets voor uw land, en ga vanavond Sinterklaasgedichten schrijven. Giet uw liefde voor uw geliefde in een versje, leef uw frustratie voor uw baas of ondergeschikte uit in rijmwoorden, kastijd uw kind met een streng gedicht, gun uw oude moeder een rijmende persoonlijke noot.

Enfin, u ziet maar. Maar verlos uzelf in elk geval vandaag nog van de angst voor Sint en Piet, want geloof u mij: ze verdienen het niet.

De waarheid liegen

Uiteindelijk is dit de truc: een goed interview liegt de waarheid. En de journalist die goede interviews schrijft, heeft daar – naast wat talent natuurlijk – twee dingen voor nodig: voldoende voorkennis en voldoende fatsoen.
U moet er niet van schrikken, maar als er in een paginagroot interview tien zinnen te lezen staan die exact zo gezegd zijn, dan is het veel. Daar zijn goede, praktische redenen voor. Wij praten met een snelheid van twee tot zeven woorden per seconde. Gemiddeld komen we uit op zo’n 180 woorden per minuut. Stel, een interview duurt een uur. Zestig keer 180 levert al meer dan tienduizend woorden op. Maar wat u een heel lang kranteninterview vindt, is drieduizend, heel misschien drie en een half duizend woorden lang. Meer tekst past er beslist niet op een pagina waar ook nog een foto, een kop en tussenkopjes op moeten staan.
Over het algemeen ziet u kortere interviews, en ik verzeker u dat die vaak gebaseerd zijn op gesprekken van langer dan een uur. Anders gezegd: het is heel gebruikelijk dat een journalist twintig duizend gesproken woorden terugbrengt tot tweeduizend op schrift. Tot tien procent dus, en eigenlijk is dat ook niet waar, want het zaakje moet bovendien geïntroduceerd. Vertellen wie er waar en waarom aan het woord gelaten wordt, kost zo een paar honderd woorden.
Een interviewer is dus een samenballer. Nu is er altijd wel ballast die direct overboord kan. Gepraat zit vol herhalingen, wijdlopigheden, valse starts, niet-afgemaakte zinnen en andere dingen die geen mens wil teruglezen. Maar dat allemaal schrappen, levert in de verste verte nog niet het gewenste resultaat. Voor elk interview moet bijvoorbeeld echte spreektaal omgezet in schrijftaal die líjkt op spreektaal. Dat is met tamelijk simpele middelen te doen, maar veel belangrijker is dat de journalist moet kiezen. Het is vrijwel nooit mogelijk om alle onderwerpen waarover gesproken is ook in de schriftelijke weergave op te nemen, dus er moeten dingen uit. Daarnaast moet besloten worden welke van de dan resterende zaken veel ruimte verdienen, welke iets er tussenin en wat met een enkel zinnetje afgedaan kan worden. Hoe doe je dat? Waar haal je je selectiecriteria vandaan?
Wel, een fikse portie voorkennis is dan bijzonder handig. Wie goed is ingevoerd in een onderwerp, op de hoogte is van wat er in een bepaalde wereld speelt, en wie al bij voorbaat van alles wist van de geïnterviewde kan veel makkelijker beoordelen wat belangrijk is en wat niet. En dus de dingen samenvatten met begrip, en met oog voor de echte bijzonderheden. Voor het verloop van het gesprek heeft voorkennis natuurlijk ook gevolgen, al was het maar dat je je niet gauw iets op de mouw zult laten spelden.
Maar het is ook een kwestie van fatsoen. Ten aanzien van de ondervraagde, bij wie je toch moeilijk kunt aankomen – al schijnt dat heus te gebeuren – met vragen als ‘Ik had weinig tijd, kunt u even uw boek voor me samenvatten?’. Maar zeker ook ten aanzien van de latere lezers, wie niet maar iets wijsgemaakt mag worden. De journalist moet altijd beide partijen bedienen. Hij is de tussenpersoon die het publiek een helder, eerlijk en juist beeld dient te geven van de persoon en de bedoelingen van de geïnterviewde, en van waar die ‘staat’.
Dat houdt bijvoorbeeld in dat van de drie god-alle-jezussen die in het gesprek gevallen zijn, er maar één op papier mag terecht mag komen, omdat anders het scheve beeld ontstaat van iemand die aldoor vloekt. En soms betekent het juist dingen erbij verzinnen die helemaal niet gezegd zijn. Extra uitleg: het uitschrijven van een afkorting, een bijzinnetje over een persoon die genoemd wordt, een omschrijving van een begrip, de samenvatting van een theorie.
Mag dat dan, iemand dingen in de mond leggen? Ik vind dat het moet. Dat wil zeggen: zolang het bijdraagt aan de soepelheid en de duidelijkheid van het verhaal. Een tijdens het gesprek gedane suggestie (‘U bedoelt…’) mag dus best binnenin een citaat terechtkomen. Wat niet mag, is als het antwoord op de vraag ‘Dus u vindt X een zak?’ ‘Ja’ luidt, opschrijven: ‘Ik vind X een zak’. Voor gevoelig liggende zaken is de formule: ‘Op de vraag of hij X een zak vindt, antwoordt hij: “Ja.”.’
Tot zover mijn bijdrage aan de discussie over citeren naar aanleiding van het geval Huibregtsen versus Van Wissen/de Volkskrant.

Beleefd mailen

Ruim vijfduizend mailtjes bleken er van de week in mijn elektronische in- en uitpostbussen te zitten, terwijl ik lang niet alles bewaard heb. Volgens mij mag ik dus wel zeggen dat ik enige e-mailervaring bezit, al heb ik die pas in de laatste drie, vier jaar opgedaan. Heb ik nou ook recht van spreken over hoe het hoort?

Daar heb ik namelijk erg uitgesproken ideeën over, merk ik. Toch wel minstens een keer per week komt er een mailtje binnen waarvan ik denk: nee, zo moet het niet. Wie bepaalt eigenlijk wat nette nieuwe omgangsvormen zijn wanneer er een middel voor onderling contact bij verzonnen wordt?

Nou ja, e-mailen is maar in een aantal opzichten iets nieuws natuurlijk. Brieven schrijven doen we al duizenden jaren, e-mail biedt alleen wat extra gemak. Dat wil zeggen: als je de mogelijkheden goed inzet, en er bij na wilt denken dat het gemak dat jou dient niet per se ook dat van degene aan wie je schrijft hoeft te zijn. Beleefdheid komt meestal neer op rekening houden met de ander, en bij e-mailen is het niet anders.

Neem het gebruik van de reply-knop, een verrukkelijke vinding. Je krijgt een bericht van iemand binnen, en het aanklikken van die knop geeft je meteen drie dingen. Het adres van de afzender wordt automatisch het adres waaraan je jouw antwoord wilt sturen, er staat direct een kopie van de tekst die je binnenkreeg op je scherm, en vóór het onderwerp dat de afzender opgaf, zijn de letters ‘re’ (van reply, of als u wilt, van ‘reactie’) verschenen.

Eerst dat laatste. Op een envelop zet je meestal niet het onderwerp van je brief, maar wie een e-mailbericht binnenhaalt, ziet voordat hij het openmaakt twee dingen: wie de afzender is, en wat het ‘subject’ is. Als de schrijver daar tenminste iets voor ingevuld heeft. Ik moet bekennen dat ik ook niet altijd een kop verzin bij mijn briefje (het heeft veel weg van koppen maken), maar met het oog op dingen terugvinden, is het wel zo praktisch.

Als je dat onderwerp tenminste niet tien mailtjes lang laat staan, want de kans dat het na het telkens met behulp van de reply-knop uitwisselen van een aantal briefjes nog steeds over hetzelfde gaat, is niet groot. Gelukkig kun je daar als ontvanger iets aan doen: voor je je mailtje wegstuurt eerst het oude onderwerp weghalen en een nieuw invullen.

Maar dingen weghalen, is kennelijk voor veel mailers moeilijk. Het aantal keren dat ik mijn eigen woorden integraal teruggestuurd krijg, is verbijsterend hoog. Het ergste vind ik dit: ik stuur iemand een lange lap tekst. Er komt antwoord. Ik maak het open, en zie de complete kopie van mijn eigen brief. Met m’n muis moet ik daar dan alinea voor alinea doorheen lopen. Helemaal aan het end staat eens een keer de reactie. Het is me wel eens overkomen dat er alleen ‘okee’ onder stond.

Dat is om meerdere redenen ergerlijk: het is erg onoverzichtelijk, het bezorgt mij werk, maar het is ook netvervuiling en computervulling. Eindeloos dezelfde gegevens heen en weer blijven sturen levert onnodig dataverkeer op, en die tekst die ik zelf stuurde, die had ik al, want wie een mailtje verzendt, houdt vanzelf een kopie.

Dat werken met kopieën zorgt geloof ik nogal eens voor verwarring. Iemand vertelde me laatst bang te zijn het oorspronkelijke bericht kwijt te raken, als hij na op de reply-knop gedrukt te hebben mijn tekst verwijderde. Maar binnengekomen post raak je alleen kwijt door hem in de prullenbak te gooien.

En het is zo mooi, die reply-knop. Ten eerste kun je precies datgene laten staan waarop je een antwoord wilt schrijven. Zo kun je punt voor punt door iemands brief heenlopen, en die ziet meteen wat van hem en wat van jou is. Want voor de stukjes van de tekst waarop je reageert, staat vanzelf het >tekentje. Komt het met het verwijderen van niet-relevante tekst zo uit dat die haakjes verdwenen zijn, dan kun je nieuwe intikken.

Maar ook als je niet zo exact wilt reageren op iemands woorden, dan is het buitengewoon handig de kopie van het bericht waarop je antwoordt op je scherm te hebben: je kunt controleren of je niks vergeet. Alleen, ik vind het beleefd om voor het versturen nog even de muis te nemen, de tekst van het oude bericht te markeren, en hop, het zaakje te deleren.

Lef en schwung

“Vet cool!” had een ongetwijfeld jonge bezoeker in het gastenboek geschreven. Had hij uitgezocht waar zijn naam vandaan kwam? Een wonderlijke dialectuitdrukking proberen thuis te brengen voor de dialectwedstrijd? Moppen getapt uit de moppenbank? Of gewoon een Turkse pizza en poffertjes gegeten in de Nederlandse multicultikeuken?

Ter ere van de wetenschapsweek was het gisteren onder andere bij het Meertens Instituut in Amsterdam open dag. Ze verzamelen en onderzoeken daar van alles dat met dagelijkse cultuur en met taalvariëteiten te maken heeft. U kent het waarschijnlijk als Het Bureau, en dat het zo veel enthousiasme weet te ontlokken aan een kind stemt mij hoopvol.

De bedoeling van de wetenschapsweek is om iedereen buiten de onderzoekswereld te laten zien wat daarbinnen gebeurt. Maar ik vrees ondertussen dat het tekenend is dat Voskuils boekenreeks het instituut meer bekendheid heeft gegeven dan honderd open dagen en honderd stukjes in de krant daarover ooit voor elkaar zouden hebben gekregen.

Ga nou eens kijken hoe de kunstmafia het doet, riep Rob van Hattum laatst de Nederlandse wetenschap toe, die naar zijn zeggen uit een stelletje grijze muizen bestaat die zich niet durven te presenteren. Van Hattum is eindredacteur van Noorderlicht, het wetenschapsprogramma van de VPRO-televisie, en voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wetenschapsjournalisten die laatst vijftien jaar bestond en dat samen met de ook jubilerende onderzoeksorganisatie NWO vierde. Zijn smakelijke tirade (“introverte briljante sufkoppen”, “…€infiltreer, chanteer desnoods…€ maar doe wat!”) stond op 30 september in het wetenschapskatern van deze krant afgedrukt.

Het grappige is dat bij dezelfde gelegenheid diezelfde Van Hattum op zijn kop kreeg van Martinus Veltman, vorig jaar samen met Gerard ’t Hooft winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde. Hij kreeg toen uiteraard de complete Nederlandse pers over zich heen, maar dat was hem slecht bevallen. De verslaggeving was prut, vond Veltman, die het geestig samenvatte als: “Iedereen weet nu dat ’t Hooft en ik die prijs gekregen hebben voor het hebben van onenigheid.” Ook Van Hattums Noorderlicht had nou net het geschil tussen de twee eruit gepikt.

Wiens schuld is het nu? Waarom haken zo veel mensen meteen bij het woord ‘wetenschap’ al af? Hoe komt het dat de onderzoeksbudgetten in Nederland belachelijk laag zijn? Waar ligt de verklaring voor het wonderlijke feit dat de overstap van een literaire auteur naar een andere uitgever overal artikelen en commentaren oplevert, terwijl er bij het vertrek van een ijzersterke onderzoeker naar het buitenland nog niet het kleinste berichtje afkan? Het laatste heeft voor de Nederlandse cultuur heel wat meer gevolgen.

Ik denk dat Van Hattum en Veltman alletwee groot gelijk hebben. De gemiddelde Nederlandse onderzoeker moet hoognodig eens wat lef en schwung aan de dag gaan leggen. En dat wil niet zeggen dat ze hun resultaten moeten opblazen of versimpelen. Ze hoeven maar twee dingen te leren.

Het belangrijkste is dat ze zich aanwennen om in gewone, liefst aanstekelijke woorden te vertellen wat ze doen, en geloof me: dat kan altijd, bij elk type onderzoek. Kwestie van flink oefenen op de buurvrouw en het kleine neefje. Daarnaast moeten ze hun blik verruimen. Het barst van de onderzoekers die helemaal weggekropen zijn in hun kleine, eigen hoekje, waar ze sinds jaar en dag hun werk doen. Ze weten zelf niet meer waar dat hoekje zich bevindt. Maar het brede verband is nu eenmaal waar de buitenwereld, terecht, in geïnteresseerd is.

Journalisten moeten ook bijleren. Er is de veel te grote categorie die eens met lef en schwung moet gaan schrijven. Want tjongejonge, wat zijn stukken over wetenschap nog vaak taai en saai. Maar de oplossing daarvoor zit hem niet in makkelijke sensatieberichtgeving over ‘herrie in de tent’.

Wie een aantrekkelijk, toegankelijk stuk wil maken over wetenschappelijk onderzoek moet zelf heel goed begrepen hebben waar het over gaat. Dat vreet tijd. Dus alleen extra investeringen van zowel verslaggevers als onderzoekers kunnen maken dat we voortaan niet langer een hype als Het Bureau nodig hebben om op ruime schaal een blik in de onderzoekswereld te kunnen werpen. Trouwens, in het echt doen de meeste onderzoekers, anders dan Voskuil, niet met gêne en een voor-spek-en-bonen-gevoel hun werk.

Allergisch

Allergieën zijn rare dingen. Tijdenlang kun je iets toegediend krijgen en er gebeurt niets. En dan van de ene op de andere dag begint het te kriebelen, en dat wordt erger, totdat op een kwaad moment de kleinste dosis al uitslag, bulten en verschrikkelijke jeuk veroorzaakt.

Ik vrees dat ik dat niks-meer-verdragen-stadium inmiddels bijna bereikt heb voor de woorden emoties en emotioneel. Als ik ze hoor, slaan mijn oren meteen dicht, en mijn lichaam zet zich schrap. Het voelt alsof er ergens achter mijn borstbeen een benauwd stemmetje ‘nee! nee! niet doen!’ piept.

Dat ligt niet aan die woorden zelf. Die kunnen er ook niets aan doen dat ze voortdurend de geilheid van half journalistiek Nederland moeten bevredigen, noch dat de rest van de bevolking het al even lekker vindt, en dientengevolge vaak nog voordat de scoringsdriftige verslaggever ernaar vraagt begint te roepen over ‘de emoties’ die ‘kwamen’ of liever nog ‘loskwamen’, en over dat het zo ‘emotioneel werd’.

Zo schrikbarend vaak hoorde ik de laatste jaren in dat soort mededelingen een onecht, voos element, dat die valsheid voor mij een onderdeel van de betekenis van de woorden in kwestie is geworden. Een akelige parasiet die meelift en die zich niet eenvoudig laat verdelgen.

Want je mag er alleen maar naar kijken, liefst in close-up, maar aankomen niet. Emoties zijn heilig, zullen en moeten serieus genomen. Gezichten worden in de ernstig-stand getrokken. Ik kan het niet helpen, maar bij de journalisten zie ik er steeds zelfvoldaanheid doorheen schemeren (‘zeg er maar eens wat van’), en wie zijn verhaal mag doen zie ik vaak denken ‘nou hoor ik er ook bij’. En ook daar krijg ik ontzettend de kriebels van.

Bij andere taalverschijnselen verkeren mijn reacties in een minder ernstige fase. De mode van de wegvallende tussen-s’en werkt voornamelijk op mijn lachspieren. Zo hoorde ik gisteren Tineke Netelenbos over een ‘rijkdienst’ in plaats van een ‘rijksdienst’ praten. Ik zweer het u, vraag de band van Buitenhof maar op. Ik denk dat het een door ambtenaren verzonnen manier is om nepchic te doen. Op universiteiten doen ze ‘onderzoekvoorstellen’ en de NS verkoopt al vele jaren ‘vervoerbewijzen’. Onuitspreekbare woorden waar ik van ga giechelen.

Misschien kunt u in deze dingen met me meevoelen, ik weet het niet. Maar voor mijn afkeer van het woord ‘communicatie’ heb ik tamelijk particuliere motieven. Ja, het is natuurlijk ook zo’n flutwoord dat van alles moet verhullen. Als partijen elkaar het liefst het kot uit slaan zegt men in polder-Nederland dat de communicatie verbeterd moet, en maakt bijvoorbeeld een overheidsinstantie een giga-misstap dan beloven ze voortaan krachtiger te zullen ‘communiceren’ dat ze heus alleen goede bedoelingen hebben.

rgerniswekkend inderdaad, maar mijn allergie is elders begonnen. Bij de altijd als waarheid als een koe gebrachte gedachte dat taal en communicatie hetzelfde zijn. Een van de grote, diepgewortelde mythen over taal. Nog onuitroeibaarder dan de overtuiging dat eskimo’s honderden woorden voor sneeuw hebben (nee, dat is een klein begonnen verzinsel dat grappig genoeg geleden heeft onder een sterk sneeuwbaleffect: decennialang groeide het aantal woorden in elke volgende publicatie zomaar aan).

Het gaat namelijk twee kanten uit niet op. Lang niet alle communicatie is taal. Zoals Jan Koster, hoogleraar taalkunde in Groningen, het zo treffend zegt: de verrichtingen van de PTT en het seksuele leven van de mier zijn ook communicatie. En als we het even tot mensen willen beperken dan horen de glimlach, uw haardracht of type horloge, en het behangetje van de buurvrouw er ook bij. Allemaal dingen die iets communiceren zonder dat er ook maar het kleinste beetje taal aan te pas komt.

Maar, en dit onderdeel van de mythe is het hardnekkigst, ook lang niet alle taal is communicatie. Wie een kruiswoordraadsel of een cryptogram zit op te lossen communiceert helemaal niets, maar gebruikt onmiskenbaar taal. Dat geldt ook voor de geheime-dagboekschrijver en verder voor iedereen door wiens hoofd flarden zinnen of hele monologen gaan als hij gewoon op de bank zit.

Wat is taal dan wel? Nou, deze omschrijving dekt de lading in elk geval beter: een middel om je gedachten uit te drukken, ook tegen jezelf, ook als je niet hardop praat.

Steeds los ser

We hebben een plaktaal, maar als we hem opschrijven is de lijm steeds vaker zoek. Overal kom ik spaties tegen die me in de war brengen.

Ik stap in Amsterdam in lijn een en lees op een groot bord: ‘Deze tram is voorzien van video bewaking’. Onwillekeurig denk ik: ‘Wat is het nou jongens, video of bewaking?’
Oog en oor botsen hier. Ik hoor dat ‘videobewaking’ één woord is, maar zie dat niet terug. Mijn slager verkoopt ‘Peper Paté’ in plaats van ‘Peperpaté’. Een winkel verder kun je ‘verse vlies pinda’s’ aanschaffen en ‘heerlijke haring salade’.

Maar laat ik nou niet de indruk wekken dat alleen de middenstand gaten laat vallen waar ze niet horen. Alleen in de reguliere pers is het verschijnsel niet vaak aan te treffen, daarbuiten is het echt schering en inslag. In reclamefoldertjes, op het internet, en ook heel veel in persoonlijke post. De laatste tijd kwam ik ‘taarten gevecht’ tegen, en ‘maatschappij kritisch’ en ‘Engels talig’ en ‘virus scanner’. Bij de recente oogst ook ‘registratie procedure’ en ‘computer programma’.

De meeste spelfouten kunnen me niet zo gek veel schelen. De onuitroeibare onnodige apostrof-voor-een-s (salade’s) bijvoorbeeld zet me niet op het verkeerde been, evenmin als een erdoor geglipte ‘ik vindt’. Maar wat als twee woorden geschreven wordt, lees ik nou eenmaal ook als twee woorden.

Daar zit ook precies de oplossing. Het is eigenlijk gek dat hier nogal wat verwarring over bestaat, want het is heel eenvoudig. Spellers hoeven maar een ding te doen: even hardop zeggen wat ze willen gaan schrijven.

De truc van onze taal is namelijk dat er altijd maar één hoofdaccent te beluisteren valt in een woord, dus ook in woorden die samengesteld zijn uit twee of nog meer andere woorden. Zo heb je ‘salón’ en ‘táfel’, en dat wordt samen ‘salóntafel’, wat weer gemakkelijk is uit te breiden met ‘kléédje’ tot ‘salóntafelkleedje’, waar desgewenst ook iets als ‘salóntafelkleedjesklopper’ van te maken valt. En probeer maar, dat klinkt echt anders dan de losse woorden ‘salon’, ‘tafel’, ‘kleedjes’ en ‘klopper’. Op dezelfde manier wordt ‘véél’ en ‘gehóórd’ ‘veelgehóórd’, ‘búiten’ en ‘verblíjf’ ‘búitenverblijf’, en levert ‘kanárie’ en ‘géle’ ‘kanáriegele’ op.

Voor het beste resultaat is het verstandig het (vermoede) woord een beetje overdreven, als het ware met gevoel voor theater uit te spreken. En als het laatste deel maar uit een lettergreep bestaat, biedt bij twijfel een verbuiging of een meervoud uitkomst. Maak dus van ‘grasgroen’ ‘grásgroene’ en van ‘printerknop’ ‘prínterknoppen’.

Ik zie een paar oorzaken voor die foute spaties. Er is een categorie mensen bij wie ze waarschijnlijk vallen toe te schrijven aan te vaak Engels lezen. Ik zag het altijd al veel bij wetenschappers, maar steeds meer mensen moeten voor hun werk Engels lezen en schrijven, of brengen veel tijd door op het goeddeels Engelstalige internet.

Het Engels heeft andere conventies en spelt bijvoorbeeld ‘nail polish’ en ‘computer game’, waar het bij ons toch echt ‘nagellak’ en ‘computerspelletje’ moet zijn. Om het nog moeilijker te maken worden andere Engelse samenstellingen weer wel aan elkaar of met een streepje ertussen geschreven (je hebt ‘night train’ naast ‘nightwork’ en ‘night-time work’). Een Nederlander raakt daar al gauw de kluts van kwijt. En slecht voorbeeld doet in dit geval kennelijk ook slecht volgen.

Verder maken de spellingmeesters het ons van oudsher moeilijk door bepaalde betekenisverschillen met een spellingsverschil te honoreren. Naast ‘te veel’ bestaat ‘teveel’ (‘te veel zout in de pap’ tegenover ‘een teveel aan zout in de pap’), maar ze klinken hetzelfde. Soms lijken de meesters de één-hoofdaccentregel zelf niet te kennen. Hoe anders valt te verklaren dat we geacht worden om ‘onderméér’ als twee woorden te schrijven? We zeggen niet ‘ónder méér’.

Tot slot is er het algemene probleem met spelling: juist vanwege de sociale druk – goed spellen moet – slaat de onzekerheid gauw toe. Wie aarzelt en bang is het fout te doen, doet het nu eenmaal sneller verkeerd, omdat angst het geheugen vertroebelt. En dat verschijnsel is sinds de laatste spellingsherziening alleen maar sterker geworden. Juist omdat daar zulke doldwaze inconsistenties in zitten en je zulke ingewikkelde redeneringen moet kunnen volgen, denken veel meer mensen dan eerst dat álle spellingsregels ze boven de pet gaan.

Gauw, gauw

Soms zijn dingen zo gênant dat je moeite hebt ze door te vertellen. Goed. Even slikken; hier komt ie. Deze week zag ik in HP/de Tijd en in Vrij Nederland een paginagrote kleurenadvertentie van de NPS. De trotse kop: Taal en literatuur bij de NPS.

Daaronder staat wat ze ermee bedoelen: er volgt een complete opsomming van de NPS-programma’s over die twee prachtonderwerpen. U wilt dat ook niet missen? Wel, vanavond is er op de tv het jaarlijks dictee, eind januari komt er een keer Nederlandse poëzie en half mei al is er weer iets: dan zenden ze de uitreiking van de Librisprijs uit. Bovendien hebben ze, op Radio 5, een wekelijks boekenprogramma, met daarin een half uur het programma ‘Wat een taal’ dat al weer heel wat jaar geleden naar dat station verbannen werd.

Dat het intens treurig gesteld is met taal en literatuur op radio en televisie blijkt in feite eens te meer uit zo’n advertentie. Met een dermate armzalig rijtje opscheppen, het is toch ronduit schrijnend dat iemand dat bedenkt?

Het is akelig met die NPS, maar de omroepen zijn stuk voor stuk even fantasieloos. Ik zal u vertellen hoe het gaat. Voor literatuuritems weet ik het niet uit de eerste hand – ik zie of hoor alleen zelden iets geïnspireerds – maar voor taalonderwerpen word ik nogal eens opgebeld. Dat gebeurt inmiddels een jaar of tien, en redacties hebben in dat hele decennium precies twee onderwerpen weten te verzinnen. U kunt de evergreens raden: het populaire duo Spelling en Verloedering.

Zelfs als het telefoontje in eerste instantie over iets anders lijkt te gaan, draait het er meestal toch op uit dat ik moet komen praten over de schriftelijke weergave van het Nederlands, of over de teloorgang van onze geliefde moedertaal. Of het nou gaat om dat dictee ieder jaar, of om de steeds maar aanzwellende stroom Engelse leenwoorden, of om het verschijnen van een of ander woordenboek, bij alles ziet elke redactie alleen diezelfde invalshoeken. Ach, wat missen ze toch veel daarmee.

Weet u, in het afgelopen jaar heb ik voor het eerst nogal wat keren nee gezegd als er weer zo’n verzoek binnenkwam. Dat is niet om flauw te doen, al vindt de andere kant dat geloof ik wel al gauw. Maar ik begin me een grijsgedraaide plaat die blijft hangen te voelen (zou die uitdrukking uit het pre-cd-tijdperk blijven hangen?). Het krijgt op den duur iets belachelijks om jezelf alwéér te horen zeggen dat taal en spelling maar zeer ten dele met elkaar te maken hebben, en dat niet goed kunnen spellen dus niet betekent dat je je taal niet beheerst. En ik merk dat ik begin te raffelen bij mijn prevelementje over de onverbiddelijkheid waarmee iedereen zijn Nederlandse grammatica loslaat op al die Engelse woorden.

Nee, ik zeg niet dat ze het daar allemaal nooit meer over moeten hebben. Ik snap zelfs dat juist die onderwerpen perfect passen in de slappe emotieverslaggeving die nergens meer weg te slaan is. Maar ik heb zelf een beetje mijn bekomst van de matheid en beperktheid van programmaredacteuren. En dit jaar struikelde ik ook nog over een beangstigend gebrek aan journalistieke principes.

Mijn welgemeende complimenten aan de firma Van Dale, die zijn pappenheimers kent en vóór verschijning van de nieuwe editie van hun Dikke geen recensie-exemplaren gaf, maar wel een pakketje leuke voorbeelden en cijfers. Mijn weigering alleen op basis daarvan een oordeel te geven, maakte bij de redactie van onder meer Middageditie geen enkele indruk. Gauw, gauw ging voor goed. Het boek moest en zou besproken op de dag dat het uitkwam, en zo geschiedde, door mensen die er op zijn best een uurtje in hadden kunnen bladeren. Dat ging trouwens in de pers al net zo. Zelfs deze krant plaatste prominent de inhoud van het Van Dalepersbericht op de voorpagina.

Maar ik geef de hoop niet op. Het gaat komen. In de volgende eeuw wordt wat in deze ontdekt is gemeengoed. Dan gaat er bijvoorbeeld eens gediscussieerd worden over de onuitroeibaarheid van het Nederlands, en over de inventiviteit van het taalsysteem dat we delen. Ik weet het zeker. Er komen programmamakers die, gegrepen door de ontzagwekkende kanten van menselijke taal, uitzendingen gaan maken waaraan verwondering en echt-willen-weten ten grondslag liggen.

Familierepertoire

Ik was zeker niet ouder dan vier. Mijn moeder zat op het voeteneind van het bed waarin ik geboren ben, en ze beeldde het voor me uit. De vuist van haar ene hand plaatste ze met kracht in haar, halfopen, andere hand. “Kijk, dit is de kom van je heup, en daarin draait dan zo het gewricht,” deed ze voor. Op Dolle Dinsdag werd haar broer door die kom geschoten – en door zijn hand, omdat hij die toevallig in zijn zak hield. Mijn oom was 24, ging een hele tijd bijna dood, en heeft daarna nooit meer goed kunnen lopen.

Waarschijnlijk werd op diezelfde dag mijn moeders lievelingsbroer, achttien op dat moment, gefusilleerd. In het verzet gezeten, opgepakt. Pas vier jaar later gevonden.

De ultrakorte versie van twee oorlogsverhalen die horen bij mijn vroegste jeugdherinneringen. Er waren er meer, ik hoorde ze vaak, en ze hebben allemaal gemeen dat ik ze enerzijds absoluut fascinerend vond (dat gat in die hand, die jonggestorven held), en anderzijds volkomen gewoon. Ze raakten in de loop van de tijd zelfs sleets, gingen een ‘ja-ja-dat-weten-we-nou-wel’-gevoel oproepen, en stiekeme ‘daar-gaan-we-weer’-verzuchtingen.

Mooi vind ik dat niet van mezelf, maar het is een feit. Het heeft erg lang geduurd voordat ik me realiseerde om wat voor gruwelijke en ingrijpende dingen het eigenlijk ging, en dan nog bleef het besef vermengd met dat gevoel van volstrekte vertrouwdheid, normaalheid.

Dat is beschamend, maar ik sta er niet alleen in, begreep ik van de week toen ik Hoe ik mijn moeder vermoordde van Theodor Holman las. In dat net verschenen boek (naar de film van Theo van Gogh, waarin Holman en zijn moeder zelf de hoofdrollen speelden) vormen de oorlogsherinneringen van Holmans moeder en hoe hij daar beurtelings geïrriteerd en hongerig naar meer op reageert, een van de rode draden. De verhalen (over Indië en het Jappenkamp) zijn totaal anders dan die van mijn eigen moeder, en Holman gedraagt zich ook helemaal niet zoals ik me tegenover mijn moeder gedroeg, maar toch was het volkomen bekend terrein voor me.

Waarschijnlijk kán een kind de familieverhalen die het hoort helemaal niet zien voor wat ze zijn, is het net als met je moedertaal: je zuigt het allemaal op, het wordt een deel van jezelf, en zelf, ja, ach, zelf ben je immers altijd ‘gewoon’. Daar komt bij – of misschien is het hetzelfde mechanisme aan het werk – dat je tegenover je dichtstbijzijnde familie nooit beleefd bent. Ja, je drukt je misschien wel beleefd uit, maar zeker in gedachten ben je genadeloos over ouders, broers, zussen. Ook daarover gaat het mooie en licht gewaagde boek van Holman.

Ondertussen zijn familieverhalen ijzeren repertoire. Ook voor lezers. Maar het maken van dit stukje roept wel een oud dilemma op, een dat ik niet eerder zo sterk aan den lijve ondervond. Ik merk dat ik met schroom schrijf over mijn familiehistorie. Niet zozeer vanwege mijn eigen minder fraaie rol, maar vooral omdat ik me ervan bewust ben dat ik me, al is het maar een paar alinea’s lang, geschiedenissen toe-eigen die ook het leven van tientallen anderen, vaak heftig, beïnvloed hebben. Bijna per definitie zullen in hun ogen mijn samenvatting, mijn omvorming, mijn blik, de verkeerde zijn.

Het is natuurlijk een bekende discussie. Waarover mag een schrijver schrijven? Is de familie van jeugdbeschrijvers als pakweg Wolkers, ’t Hart en Van Dis wel zo gelukkig met die bestsellers? Hebben balende ex-Bureaugenoten van Voskuil niet gewoon gelijk?

Eigenlijk vrees ik van wel. Ik vind het namelijk ook geen aanlokkelijk idee: dingen van mezelf verwerkt tot openbaar verhaal teruglezen, met alle vervormingen vandien. Maar het is een moeilijk te weerstane verleiding. Ik begrijp erg goed dat het eigen leven populaire grondstof is voor veel auteurs. Want ik moet u bekennen: het is lekker om in de wereld rond te lopen met een extra paar meekijkende ogen, met een mannetje in je hoofd dat op de gekste momenten commentaren geeft als ‘mhm, dat is bruikbaar’ en ‘zeg, hoe zou je dat eens mooi onder woorden brengen?’. Het is een van de grote aantrekkelijkheden van schrijven-als-vak, welk schrijven ook.

Hoe het gevaar te bezweren dat je eigen exhibitionisme er niet toe leidt dat ook de piemel van allerlei anderen voorbij komt flitsen? Ik weet het waarachtig niet.

Onverdacht

Elsbeth Etty moet haar mond houden over bijstandsmoeders, want ze is zelf geen moeder. Het stond zaterdag met zoveel woorden in een ingezonden brief in deze krant. Dat is natuurlijk onzin, maar ook zit er iets in.

Wie mag wat zeggen? Wanneer en waarmee krijg je de algemene opinie mee? Het klinkt akelig onrechtvaardig, maar de boodschapper is daarvoor heel vaak belangrijker dan de argumenten die hij gebruikt. En je onttrekken aan dat ijzersterke mechanisme is opvallend lastig. Zo komt het erg goed uit dat staatssecretaris Verstand zelf een werkende moeder van drie kinderen is. Daardoor staat ze ontegenzeggelijk sterker met haar voorstel bijstandsmoeder te verplichten om te gaan solliciteren.

Toch is die ‘je moet er geweest zijn om erover mee te kunnen praten’-gedachte niet waar ’m de crux zit. Want als rokers zeggen dat rokers gezelliger mensen zijn, dan worden ze al gauw weggehoond. Ja, ja, smoesjes, goedpraterij. Maar schrijft Maarten ’t Hart, die nooit gerookt heeft, eerst dat hij een aperte hekel aan rook heeft en vervolgens: “Zoveel is wel zeker: rokers zijn over het algemeen aardiger, socialer, hartelijker dan niet-rokers” (hij doet dat in De gevaren van joggen, een werkelijk erg geestige verzameling columns), dan klinkt dat al een stuk overtuigender.

Het is ingewikkeld. Neem dit. Het is een feit dat ik u meer kan vertellen dan welke journalist-in-dienst-van-een-krant ook over nut en noodzaak voor u allen van het werk dat de FLA (dat is de FreeLancers Associatie) doet. Toch zult u, zodra u hoort dat ik een van de FLA-bestuursleden ben, een krantenartikel van een vaste journalist dat het belang van die FLA benadrukt eerder willen geloven dan eentje van mij. De reden achter mijn kennis van zaken maakt me tegelijk een boodschapper die met argwaan bekeken wordt.

Onverdachtheid is het sleutelwoord. En niet alleen van de persoon die iets te berde brengt, er zijn ook altijd opvattingen die van zichzelf al verdacht zijn, wie ze ook uit. Mij viel het bijvoorbeeld op dat bij de schier eindeloze reacties op de plannen van Verstand helemaal niemand ronduit zei: “Het idee dat wij met z’n allen verplicht zouden zijn alleenstaande vrouwen die toevallig kinderen hebben met kinderen en al te onderhouden, was altijd al belachelijk. Waarom zouden we? Waar halen ze dat recht eigenlijk vandaan?” Toch zijn er absoluut bosjes mensen die er zo over denken. Die hebben hun verdachte mening – de communis opinio is immers dat bijstandsmoeders zielig zijn – binnenskamers gehouden.

Maar een onverdacht iemand kan wel degelijk veel indruk maken met een erg verdachte opinie. Een sterk geval zag ik laatst in een nu eens niet volvet item dat het programma Netwerk had met kinderboekenmaker Ted van Lieshout .

Over alles wat met seks en kinderen te maken heeft, wordt in mijn ogen tegenwoordig ongelooflijk paniekerig gedaan. Ieder onderscheid lijkt te verdwijnen, nog even, en een keer een potloodventer zien, betekent dat je leven in gruzelementen ligt. Dat is gevaarlijk. Net als het botweg negeren of ontkennen dat ook prille pubers al kunnen barsten van de seksuele gevoelens.

Als ik zulke dingen zeg, heb ik niks extra’s om mijn woorden kracht bij te zetten. Laat staan dat een pedofiel die hetzelfde beweert geloofd wordt. Maar nu zat daar op de televisie een veelgelauwerde schrijver en tekenaar vriendelijk en weloverwogen te vertellen over de relatie die hij zelf op zijn twaalfde had met een man. En vooral over het plezier dat hij eraan beleefd had. Het kleine boekje dat hij erover maakte heet Zeer kleine liefde. Van Lieshout las eruit voor.

Het feit dat hij twaalf was, maakte dat het om iets anders ging dan wanneer hij zes geweest zou zijn, legde hij uit. En hij waarschuwde voor het gevaar dat volwassenen kinderen juist een trauma aanpraten door verschrikt te roepen dat er iets heel, heel vreselijks is gebeurd.

Hoe hij het allemaal letterlijk zei, weet ik niet meer, maar hij bracht het innemend en zonder enige sensatiezucht. Ik bewonderde hem ook om z’n durf. Want het kan twee kanten uit werken: Van Lieshouts verdachte meningen kunnen als het ware afwrijven, en hem een deel van zijn onverdachtheid ontnemen. Laat dat alsjeblieft niet gebeuren…

Het gejojo met de zelfstandigen

Ik ben niet zielig. Ik mag dan met niemand een arbeidscontract hebben, maar dat vind ik alleen maar heerlijk en ik kan uitstekend voor mezelf zorgen, dank u. In Den Haag denken ze daar jammer genoeg heel anders over.

Dat zit zo. Ik ben freelance journalist. De belastingdienst noemt mij een ‘zelfstandige met winst uit eigen onderneming’. Dat heb ik gemeen met talloze winkeliers, met fotografen, vormgevers, tuinarchitecten, vertalers, allerlei soorten schrijvers, musici, beeldend kunstenaars en nog een hele hoop andere vrije beroepers.

Zeer onlangs kreeg ik, net als een kwart miljoen anderen, een brief van diezelfde belastingdienst waarin stond dat ik in het ziekenfonds moet. Niet mag, maar moet. Op 1 januari al. Omdat ik in de jaren 1995, ‘96 en ‘97 gemiddeld niet meer dan 41.200 gulden belastbaar inkomen had.

Is dat erg? Ja, en niet alleen voor mij. Tienduizenden kleine ondernemers levert dit uitsluitend ellende op. Die hebben net als ik al sinds jaar en dag een prima particuliere verzekering waarover ze geen enkele klacht hebben. En nu moeten we allemaal ineens veel meer gaan betalen. De verschillen zijn voor heel veel mensen echt ingrijpend. Een premieverhoging van meer dan honderd procent heb je zo te pakken, en wie net rond dat grensbedrag zit, verliest al snel tien procent van zijn besteedbaar inkomen.

En dat allemaal omdat de regering zo graag onze positie wil verbeteren. Tenminste, dat zeggen ze. En ze hebben de pr kennelijk goed in de klauwen. ‘VERMEEND ONTZIET ZELFSTANDIGEN’ zette de Telegraaf afgelopen zaterdag op de voorpagina, en ook elders waren soortgelijke berichtjes in dezelfde toonzetting te lezen. Soms geloof je werkelijk niet wat je leest.

Natuurlijk waren er vorige week, nadat die blauwe enveloppen volslagen onverwachts op de mat waren gevallen, meteen stapels protesten binnengekomen bij de Tweede Kamer. Belasting-staatssecretaris Vermeend beloofde vervolgens prompt een minieme verzachting: hij wou dan wel van die drie jaren inkomen alleen de twee waarin je het best verdiend hebt meetellen. Fijn. Alles weer gesust.

Nou, mooi niet. Alsof dat iets verandert aan het krankzinnige feit dat het nog steeds gaat om je inkomsten van jaren geleden, die in geen enkele verhouding hoeven te staan tot wat er nu binnenkomt. En ook het allerergste blijft gehandhaafd: het gigantische risico dat je telkens van verzekering zult moeten wisselen.

Want het gaat hier niet, zoals eerder met onder anderen de bejaarden gebeurde, om het eenmalig overhevelen van een flinke groep naar of uit het ziekenfonds. Voortaan wordt elk jaar opnieuw besloten waar je in moet. Dat gejojo is vreselijk gedoe (iedere keer weer een verzekering uitzoeken), maar dat is niet het enige. Loop je bijvoorbeeld iets naars op terwijl je in het ziekenfonds zit, dan kun je daarna nooit meer op dezelfde voorwaarden als eerst terug naar je particuliere verzekering.

En wat dacht u van dit? Grote groepen zelfstandigen moeten nu elk jaar gaan afwegen: zal ik investeren in nieuwe apparatuur, zal ik nog iets voor mijn ouwe dag opzijzetten via de for of een koopsompolis? Of toch maar niet? Want als ik dat doe, gaat mijn belastbaar inkomen omlaag en moet ik dalijk het voor mij veel duurdere ziekenfonds in. Dat is toch een waanzinnige toestand.

Begrijpen die ministers en ook andere vaste-salarismensen eigenlijk wel wat ondernemen is? Moet ik echt uitleggen dat grote inkomensschommelingen onder zelfstandigen heel gewoon zijn? En dan nog iets: was dit niet het kabinet dat zo graag marktwerking zag, en keuzemogelijkheden, en klantgerichtheid enzo?

Eigenlijk kan ik niet geloven dat zo’n onfatsoenlijke maatregel daadwerkelijk ingevoerd gaat worden, en dat ook nog eens op zo’n onfatsoenlijke termijn. Want de tijd die je krijgt om een bezwaarschrift in te dienen, eindigt precies op het moment dat de nieuwe wet in moet gaan. Dus wat moeten we nu? Toch maar naar een ziekenfonds, en onze rechten op de lopende verzekering alvast weggooien? Of de gok nemen op een gunstige beslissing? Dat gaat vanzelf leiden tot zelfstandigen die ongewild onverzekerd rondlopen. En het is onze eigen minister van Volksgezondheid die daarmee de volksgezondheid in gevaar brengt – het is immers haar wet.

Regering, toe, laat ons nou nog een klein beetje vertrouwen in u! Stel om te beginnen deze wet onmiddellijk uit, kijk daarna eerst goed naar de gevolgen, en besluit dan dat u alleen bereikt wat u zegt te willen bereiken als u toetreding tot het ziekenfonds een recht maakt in plaats van een plicht. Dan verbetert u inderdaad de positie van een deel van de zelfstandigen, terwijl u tegelijk voorkomt dat u anderen zielig maakt.

De man die zelfs in zijn eigen stotteren nog taalinteresse zag

Onzin, en er zit toch wat in. Zo is het vaak bij HBC.

Klapzoen en duffel. Je had er de verbluffend originele blik van Hugo Brandt Corstius voor nodig om daar de innerlijke tegenstrijdigheid in te zien. Klap en zoen. Duf en fel. In stopgaren zit zelfs een drietraps basalt-woord, zoals hij het noemde (bas en alt, stop en ga en ren). Hij verzamelde ze. Zoals hij alle taalgekkigheid verzamelde. Of zelf verzon.

Naast het ABC bestaat er ook zoiets als het HBC van het Nederlands, concludeerde ik toen in 2002 de tweede, ultieme editie uitkwam van zijn boek over het Opperlands — ook al een woord dat hij bedacht, voor de speelse tegenhanger van het Nederlands. Dat heette dan wel ineens Opperlans (zonder d), maar met een lettertje meer of minder of anders wist Brandt Corstius altijd raad. Zelfs toen de heerlijke klinkerstapelingen in kraaie-, ooie- en papegaaieëieren hem ontstolen waren, omdat tussen de twee Opperlandsedities de tussen-n ingevoerd was, gaf hij er nog een HBC-draai aan en vertelde over gemene taalkundigen, die gesteund door corrupte politici een vuile streek hadden uitgehaald door te verordonneren dat eieren voortaan neieren genoemd moesten worden.

Battus, maar ook drs. G. van Buuren, een gravin die uitsluitend de wij-vorm bezigde en Talisman (lees: taal is man) waren de taal-alter-ego’s van Brandt Corstius.  Maar zijn taalkant was breder. Wie bijvoorbeeld wil begrijpen waarom de vertaalcomputer nog altijd niet bestaat, leze zijn boek over computertaalkunde — uit 1978.  Het is me helaas nooit gelukt hem het geheime envelopje te ontfutselen met de verzameling speciale zinnen die naar zijn zeggen nog heel lang onvertaalbaar voor een machine zouden blijken.   

Als dat envelopje al bestond, natuurlijk. Want van mystificeren had Brandt Corstius een handje. Daaraan was dan wel weer te danken dat hij zich in 1988 tegen iedere gewoonte in toch uitvoerig liet interviewen voor het wetenschapskatern van deze krant. Door een alter ego. Nou ja, nadat W.F. Hermans schreef over de heel gewone, alledaagse interviewtjes met taalkundigen die Hugo tegenwoordig in een oude Bibeb-jurk afnam onder de naam Liesbeth Koenen, zei hij eindelijk ja op mijn herhaaldelijke verzoeken. We hadden het over de ‘wet van wit en wat’, waarin is vastgelegd hoe klinkerwisselingen steeds dezelfde betekenisverschillen kunnen opleveren. Wat waar is bij ‘zit, zat, zet’ en ‘drink, drank, drenk’, trok hij rustig door naar ‘zin, zan, zen’. Onzin, en toch zit er wat in, zoals vaak bij het HBC.

Het ging ook over zijn stotteren, dat voor hem helemaal samenhing met zijn taalinteresse, en over de vermeende viesheid van het woord neuken. “Een woord kán niet vies zijn,” beweerde hij toen met zijn typerende geen-tegenspraak-duldende stelligheid. Waarvan je toch nooit zeker wist of hij het nou meende.

Afgelopen zaterdag kreeg ik hem nog aan het lachen met memoreren dat zijn aartsvijand Hermans mij ooit nog voor hem had aangezien. Hoe het verder moet met het Nederlands zonder de HBC-blik weet ik even niet.

Verhuizing beroemd onderzoeksinstituut is ook einde

Verhuizen is soms een vorm van moord. Voor een opmerkelijk maar zelden opgemerkt onderzoeksinstituut van de Akademie van Wetenschappen is er naar mijn stellige overtuiging een zachte dood ophanden. Nou heb ik er net vijf maanden gewerkt en gewoond, dus objectief ben ik niet, maar ik weet nu wel exact wat dat Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences — kortweg NIAS — is en doet.  

In de Wassenaarse bossen, vlakbij de duinen en de zee, werken sinds 1971 elk jaar zo’n vijftig wetenschappers vijf of tien maanden lang ongestoord aan hun onderzoek. Het gaat er over geschiedenis, het  recht, sociologie, taal, economie, filosofie, muziek, literatuur, psychologie. Henk Wesseling begon er aan zijn Afrikageschiedenis Verdeel en Heers, Jonathan Israel legde er de laatste hand aan Radical Enlightment, Frits van Oostrom kon daar twee bekroonde boeken over onze middeleeuwse literatuur afmaken. Van Peter Burke tot Willem Wagenaar, van Arnold Heertje tot Louise Fresco, allemaal verbleven ze op het NIAS. Ook voor een schrijver en een journalist is er plaats. David Mitchell deed onderzoek voor zijn Deshima-roman The Thousand Autumns of Jacob de Zoet en David van Reybrouck werkte aan zijn later met prijzen overladen Congo.  

Afgelopen september trof ik er een Keniaans-Amerikaanse die alle ontwikkelingen in Kenia uitlegt aan de hand van de plaatselijke taxibusjes. Een Argentijnse Amerikaan transcribeert onophoudelijk oude Portugese immigrantenbrieven, een Weense analyseert road movies uit alle windstreken, en een Nederlandse antropologe volgt vol overgave het verschijnsel André Rieu. Er was een themagroep voor hersenonderzoek en ik herinner me gretige gesprekken bij de dagelijkse lunch over taal en muziek, en de onzin van aangeboren-of-aangeleerd.

En iedereen is er uiteindelijk om te schrijven. Artikelen, boeken. De wolk van nieuwe energie die voortkomt uit het even weg zijn van het gewone leven en gedoe, is bijna tastbaar. Gesprekken gaan over de ideeën die weer stromen, de nieuwe dwarsverbanden. Het NIAS is een plek waar de geest vrij kan waaien en waar jaar in jaar uit waardevolle netwerken ontstaan die vervolgens uitwaaieren over de hele wereld. Dat is ook exact de gedachte erachter. 

Dergelijke instituten heb je overal, in Uppsala, München, Parijs en Boedapest. Het beroemdste is denkelijk Princeton, waar ex-KNAW-president Robbert Dijkgraaf tegenwoordig de baas is. En ook dat ligt afgelegen, ver van alles.

Maar nu is bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen het idee gegroeid om alle geesteswetenschappeninstituten in één groot Humanities Centre onder te brengen. Maar liefst vier zouden er ook fysiek moeten verhuizen naar het net leeggekomen Tropeninstituut in Amsterdam. Het Instituut voor Oorlogsdocumentatie, het NIOD, protesteerde er al luidkeels tegen. Maar de gevolgen voor het NIAS zullen nog veel groter zijn.

Alles zou veranderen. Nu is het kalm, klein, overzichtelijk. De kok, die zelf de warme lunch serveert, weet na de eerste keer al dat je niet van paprika houdt.  De staf is al even zorgzaam. Je kunt dag en nacht terecht in je werkkamer. Het NIAS heeft een eigen ritme, eigen rituelen. Je hebt er beukennootjes die maar blijven knisperen onder je hakken. De oprijlaan wordt in de herfst van goud. Er zijn herten als je geluk hebt, en roodbruine eekhoorntjes. Is dat belangrijk? Gek genoeg wel.

In Amsterdam geen bij elkaar gelegen oude villa’s en een congresgebouw in het stille groen. Naast het bureau van de Akademie op de Kloveniersburgwal zouden twaalf appartementen moeten komen. Tegenover de dertig op het terrein in Wassenaar, waar vaak ook bezoekers verblijven die voor een meerdaagse workshop komen. De avondlijke roep van de uilen vervangen door het gebrul van bachelorpartygangers. En dan zwijg ik nog over de niet verhuisbare blauwe Perzische rozentuin, geschenk van een oud-fellow, waar deze hele winter dappere rozen bleven bloeien.

Natuurlijk was de verhuizing het gesprek van alledag. Hoe lastig de verkoop zou zijn van de Wassenaarse panden. Hoe heerlijk het sommigen juist zou lijken in de Amsterdamse binnenstad te wonen. Maar bij alle voors en tegens ziet bijna iedereen dit gevaar: eenmaal verhuisd zou er gemakkelijk steeds iets meer van het NIAS afgeknabbeld kunnen worden. Een simpel doelwit voor bezuinigingen, en die zijn of komen er altijd. Tot je hooguit een paar speciale fellowships over hebt, liefst gesponsord door anderen. Eeuwig zonde.

Letterlijk honderden ex-fellows hebben al geprotesteerd bij de Akademie. Ook ik blijf hopen dat ze daar alsnog afzien van het NIAS op weg naar het einde sturen.

Liesbeth Koenen verbleef tot vorige maand met een beurs van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten op het NIAS

Noot: Wegens gebrek aan ruimte was wat in de krant verscheen een vrij sterk ingekorte versie van bovenstaande tekst.

 

De Perzische rozentuin op het NIAS

De Perzische rozentuin op het NIAS

Pruillip

‘Pling’ zei het alarmbelletje in mijn hoofd, toen ik in de Volkskrant las dat álle landelijke kranten ons de afgelopen tijd geadviseerd hebben om ja te zeggen bij het referendum.

Allemaal, zonder uitzondering. ‘Pling’: net als alle grote politieke partijen. Doodgegooid zijn we na de nee-uitslag met commentaren en discussies over de kennelijke ‘kloof tussen politiek en burger’, maar dat was al oud nieuws. Hoogste tijd, plingde mijn belletje, voor een diepgaand onderzoek naar de kloof tussen journalistiek en burger. En naar het verband tussen beide kloven. Want net als bij de politieke partijen verschilt het gat van krant tot krant. Zo stemde zowel de meerderheid van de PvdA-kiezers als die van de Volkskrantlezers (tuurlijk: vaak dezelfden) tegen het advies in tegen. Eigenlijk zeiden uitsluitend CDA-stemmers met de MP ja. Bij het Algemeen Dagblad en de Telegraaf was het het ergst: zij waren voor de Europese grondwet, maar ongeveer tweederde van hun achterban bleek tegen. Van de mensen die helemaal geen krant lezen, zei zelfs driekwart nee. Alleen Trouw- en NRC-lezers stemden op het nippertje voor.

Bij al die cijfers zie ik meteen een berg vragen voor me, maar een paar volstrekt voor de handliggende luiden natuurlijk: zit de journalistiek wellicht te dicht bovenop het politieke establishment? Schurken de kranten niet te hard tegen de macht aan? Lopen de abonnees soms daarom zo gestaag weg?

Die vragen stelde de Volkskrant niet, ze trok alleen een nuffige pruillip. Ze hadden wél goed bericht over het referendum, protesteerde de hoofdredacteur. De krant trof geen enkele blaam, concludeerde wat verderop de ombudsman.

Even terzijde, maar misschien ook wel juist to the point: wat is dat toch met die ombudsmannen? Piet Hagen in de NRC komt met zijn ‘De krant achteraf’ ook maandelijks tot de ontdekking dat de NRC de fantastischste krant op aarde is, en de NRC-hoofdredactie schiet steevast in de blijf-van-me-lijf-stand bij het beantwoorden van lezersvragen. Alleen de wekelijkse ‘Persweeën’ van Paul Arnoldussen in Het Parool – léés die krant! – gaan altijd echt ergens over en geven inzicht.

Dat gezegd zijnde had de Volkskrant-ombudsman wel een interessant detail uitgezocht: waar de redactie het ja-kamp steunde, lag dat bij de columnisten merkwaardig anders: de columnisten in dienst van de krant waren stuk voor stuk ja-zeggers, het twijfel- en nee-kamp werd bevolkt door losse medewerkers. Nog meer voer voor onderzoek van buitenaf en introspectie binnen de krant zelf.

Laat ik daarvoor vast wat leesvoer aandragen, twee krakend verse aanraders om de discussie een lekkere zwengel te geven. ‘Het nieuws ligt op straat’ is de kop boven een kort maar krachtig stuk van Gelderlanderjournalist Marc de Koninck, te vinden in De Journalist van 3 juni. Weg met al het institutionele, geagendeerde persberichten-overschrijfnieuws, zegt hij kort samengevat.

Iets soortgelijks, toegespitst op de wereld van de wetenschap, is ook akelig vaak de boodschap die Hans van Maanen uitdraagt in een hoekje van de Volkskrant. Week in week uit wast hij in zijn rubriek ‘Twijfel’ goedgelovige journalisten de oren, maar die blijven maar doof. Dus hadden we laatst weer overal een geinig berichtje over het aantal minuten dat mannen doen over klaarkomen als ze ’m erin hebben gestopt. Waar komt zoiets nou ineens vandaan? Lees nog even bij die ex-Paroolman (www.vanmaanen.org) welke commerciële partijen erachter zitten.

Medicijnen tegen geloof

Wie een opperwezen wil aanbidden, gaat wat mij betreft z’n gang maar, zolang ie maar twee dingen laat: fatsoen confisqueren als iets waarvoor je gelovig moet zijn, en het geloof een domein binnentrekken waar het niks te bieden heeft – hooguit voor spraakverwarring en tijdverspilling zorgt.

Over beide word ik in mijn slechte momenten werkelijk razend, en afgelopen week kwamen er sterke staaltjes langs. Onder de bizarre titel Geloof? effe checke! (laat ’m effe tot u doordringen) bracht de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht de resultaten van een onderzoek dat op katholieke middelbare scholen was gehouden in de bovenbouw. Wat vinden die jongens en meisjes tussen de vijftien en achttien heel belangrijk? Rechtvaardig zijn (89 procent) en een goed mens zijn (86 procent). De drie minst populaire levensdoelen: ‘leven begeleid door God’, ‘vertrouwen in God hebben’ en ‘geloof hebben’. Wat concludeert de onderzoekster die ik op de radio hoorde: de jeugd van tegenwoordig heeft een hele andere taal, daarom zeggen ze niet meer ‘heb uw naaste lief’, maar dat bedoelen ze wel, en dús zijn ze eigenlijk hartstikke gelovig. Ja, doei zeg!

En dan was er natuurlijk onze minister van onderwijs en wetenschap, die in een interview met de Volkskrant duidelijk maakte het zeer wezenlijke verschil tussen geloof en wetenschap niet te zien, en die mede daarom meent dat een debat tussen onderzoekers en gelovigen zinvol zou zijn. Ze werd onmiddellijk teruggefloten, maar dat zal haar niet afbrengen van haar dwaalgedachten.

Wat wel? In mijn optimistischer momenten denk ik dat er één remedie is tegen het platte idee dat de hele wereld de schuld van God is: kennis. Het ging Van der Hoeven natuurlijk om de evolutie, en in alles wat ze erover zei, proefde je vooral klokken en klepels.

Maar stel nou dat ze zich alsnog goed zou willen informeren, welk overzichtelijk stapeltje toegankelijke boeken over de evolutie zou iemand haar dan eens moeten geven? Daarop past maar een, dieptreurig antwoord: ze zou naar het buitenland moeten uitwijken, want hier is er gewoon niks (nee, kom me niet met die filosoof Bas Haring, want de enormiteiten over evolutie die ik in zijn Volkskrantcolumns lees, ontnemen mij elk vertrouwen in zijn Kaas-en-evolutie-boek).

En gold dat nou nog alleen voor het onderwerp evolutie, allez, maar het landschap Nederlandstalige boeken waaruit je als gewone, geïnteresseerde burger op een aangename manier kennis en inzichten uit de wetenschap kunt opdoen, biedt een dorre aanblik. Hoe kan dat in een zo hoogontwikkeld en zo hoogopgeleid land?

Toevallig discussieer ik daar deze week over, in de Balie in Amsterdam, waar de Vereniging van Wetenschapsjournalisten regelmatig een wetenschapscafé organiseert, samen met het universiteitsblad Folia. “Waarom verschijnen er zo weinig boeken van Nederlandse wetenschapsjournalisten?” luidt de vraag. Het belangrijkste antwoord daarop is: tijd. En tijd is geld. Wie in dienst is van een krant of blad heeft geen tijd, wie freelancet geen geld.

Het is dus geen toeval dat twee van de drie auteurs die dit jaar genomineerd zijn voor de Intermediair/Eurekaprijs (‘voor het beste Nederlandse non-fictieboek op het terrein van kennis en wetenschap’) aan een universiteit werken, en de derde (Nicoline van der Sijs) naar verluidt een waar monnikenbestaan leidt, inclusief de gelofte van armoe. En academia is ook al geen garantie voor kwaliteit, want met die van het enige boek dat ik las, was het droef gesteld (zie de Onze-Taalrecensie van Mineke Schippers Trouw nooit een vrouw met grote voeten in het archief).

Veel zinvoller dan het organiseren van discussies met gelovigen, lijkt het mij daarom als Van der Hoevens departement auteurs zou gaan ondersteunen die de ammunitie kunnen leveren voor op feiten gebaseerde, en vaak wel degelijk broodnodige debatten.

Minister van alchemie

Wist ik niet: Newton, de man die zich realiseerde dat er zoiets als zwaartekracht moet bestaan, wou wat hij bedacht allemaal voor zichzelf houden. Publiceren? Ben je belazerd, dan ligt het op straat! Dat was ongeveer z’n motto. Briljant als hij was, dit was een bijzonder stom trekje. Daardoor kon hij bijvoorbeeld zijn collega-onderzoeker Leibniz veertig jaar lang van plagiaat betichten. Want misschien had Leibniz wel dat halfgeheime manuscript van hem gezien en…

Het gevolg is dat middelbare scholieren nu al eeuwenlang bij de wiskundeles leren op zijn Leibniz’ te rekenen. Hij ontwikkelde hem ietsje later dan (maar wel helemaal los van) Newton, maar zijn methode voor wat we nu kennen als integraal- en differentiaalrekenen was meteen beschikbaar.

Ik las dit van de week, aan het eind van een nacht die ik besteedde aan bijlezen over het wonderlijke goedje RNA. Vroeger was dat altijd een ondergeschoven kindje, niet meer dan een boodschappenjongen van ons erfelijk materiaal, het DNA, en dát was waar de halve wetenschappelijke wereld op joeg. Toen de buit binnen was (alle DNA-code op een rijtje), viel die nogal tegen, want wat stond er nou eigenlijk in die code? Wel, RNA blijkt onmisbaar om daarachter te komen. Ook is het onze redder als er vreemde indringers ons lichaam in komen, want dan slaat het alarm en marcheren vervolgens de afweertroepen binnen. En in de verte klinkt toekomstmuziek die belooft dat de strijd tegen veroudering gewonnen kan worden, maar ook daarbij kom je niet om RNA heen.

Heerlijk en verschrikkelijk was die nacht. De allang overschreden deadline voor het interview over RNA schoof almaar nog verder door, en wat ik las over het spul was verdomd lastig. Maar ik had ook het gevoel dat er een wereld voor me op een kiertje ging. Om het hoekje zag ik weidse vergezichten, en het genoegen dat dat geeft zal ik wel nooit goed kunnen uitleggen aan wie het niet kent.

Tegenwoordige onderzoekers willen hun kennis wel delen. Het in onze ogen bizarre gedrag van Newton (sowieso een arrogante, onmogelijke vent) heeft bijgedragen aan wat nu de normale gang van zaken is: als je iets bedacht of gevonden hebt in de wetenschap stuur je je verhaal op naar een tijdschrift dat over jouw vak gaat. Vakgenoten kijken vervolgens of het de moeite waard is, en vinden ze van wel, dan wordt je artikel gepubliceerd en weet voortaan iedereen het. Niet waterdicht, maar een hele verbetering in vergelijking tot de zeventiende eeuw.

Maar in de 21ste eeuw gaat het nog een stap verder. Volgens de Volkskrant van afgelopen zaterdag gaat minister Van der Hoeven van Onderwijs en Wetenschap in de wet vastleggen dat universiteiten en andere instellingen waar ze onderzoek doen voortaan ook niet-vakgenoten moeten vertellen wat ze allemaal vinden en bedenken. Uitstekend idee. Ik gun iedereen heerlijke nachten waarin ze wél inzicht krijgen, maar niet zo verschrikkelijk hoeven te zoeken naar iets begrijpelijks als ik laatst.

Jammer alleen dat Van der Hoeven niets anders te bieden heeft bij deze ware revolutie dan het ein-de-lijk opheffen van de geldvretende, rapportenschuivende en ook verder niet-functionerende Stichting Weten voor wetenschaps- en techniekcommunicatie. Waar de wetenschappers zomaar de kundigheid, de tijd en het geld vandaan moeten halen om hun werk duidelijk en aantrekkelijk aan gewone mensen uit te leggen, daarover zwijgt zij in alle talen. Moet de wetenschap dus toch weer, net als voor Newton, aan de alchemie, op zoek naar de Steen der Wijzen, om zelf het benodigde goud te maken.

Kommaatjes

Het is een pietepeuterig, miniem kwestietje, maar het moment lijkt me gepast. Vorige week was er weer het tv-dictee. Nu dat niet meer alleen gesponsord blijkt te worden door woordenboeken- en pennenmakers, maar ook door een grote gloeilampenfabriek in het zuiden des lands – het werd gepresenteerd door Philips Freriks zei de aftiteling – wou ik het maar eens geheel onafhankelijk over de meest voorkomende spelfout in het land hebben.

U komt hem iedere dag tegen, welke krant u ook leest. In bladen en folders, in opschriften en advertenties, echt overal staan kommaatjes waar ze niet horen. Kommaatjes in de lucht, wel te verstaan, ofwel apostrofs, zoals ze officieel heten. Cliché’s, armelui’s (eten), abonnee’s, opoe’s, salade’s, cadeau’s, shampoo’s, Jan’s, Marie’s, Komrij’s, Reve’s, je ziet het voortdurend, en het is allemaal fout. Een groot deel van Nederland is kennelijk nogal in de war over het kommaatje.

Is dat erg? Welnee, ontelbare zaken zijn onnoemelijk veel erger natuurlijk. Het is wel verbazingwekkend. Ik begrijp niet zo goed waarom zo veel mensen, inclusief zo veel broodschrijvers, het regeltje niet snappen. Want je kunt over de Nederlandse spelling op sommige punten terecht klagen, maar de gedachte achter de apostrof-voor-een-s is glashelder.

Een apostrof schrijf je namelijk simpelweg om te voorkomen dat een woord verkeerd uitgesproken of gelezen wordt. Dus na een enkele a, o, u of i. Want spel je bikinis dan zou je kunnen denken dat het woord eindigt op wat we tegen een uitholling in een muur zeggen, en paraplus doet al gauw paramin vermoeden. Iets soortgelijks geldt voor loempias (heb je ook loempivest?) en intros (invara?).

Niet moeilijk, snapt iedereen. En dat gaat ook vrijwel altijd goed. Maar naar analogie van papaja’s, jojo’s, tutu’s en ski’s (en misschien ook baby’s, na leenwoorden op y komt ook een apostrof) denken veel spellers dat er achter élke klinker een kommaatje voor de s hoort. Dat analoge denken is mooi, en helpt ons bij van alles, ook in de spelling, maar hier nou juist niet.

De grootste verwarring komt geloof ik voort uit de e, onze meest frequente letter die maar liefst drie klanken kan weergeven (zie beresterk). Binnenin woorden is niet altijd automatisch duidelijk welke het moet zijn, maar aan het eind is er geen probleem. Een lange ee wordt ofwel als inderdaad een lange ee geschreven (mee, dictee, prostituee), of een accent geeft uitsluitsel (café, logé, prostitué). Voor het verschil tussen en hebben we twee accenten (ik weet verder trouwens niets op è). Een enkele losse e aan het eind van een woord is altijd een toonloze uh (stage, hutje, egoïsme). Daarvan heb je er een heleboel, en ik ken maar één uitzondering: de muzieknoot re. Twee re’s moet je dus aldus schrijven, maar verder hoeft er na een e echt geen apostrof voor de s. En tweeklanken (ei, ij, ie, oe, ui) of het Franse eau ga je ook niet anders uitspreken als er een s achter komt.

Door alles heen speelt, vooral bij namen, soms een ander punt. Zo’n ’s aan het eind van een woord kan twee bronnen hebben: het is ofwel een meervouds-s, of een bezits-s. Bij die laatste doen velen graag de Engelse spelling na. Als het John’s is dan ook Jan’s, vinden ze. Maar Jan’s is echt nooit goed. Dat bedrijven al sinds mensenheugenis toch een apostrofje gebruiken om hun merknamen beter uit te laten komen (Heineken’s bier) is begrijpelijk, maar heus een spelfout.

En nu ik toch over een futiliteit bezig ben, ik heb nog een kleinere. In veel tekstverwerkers en opmaakprogramma’s kun je tegenwoordig de kommaatjes zo mooi twee kanten uit laten krullen. Een aanhalingsteken-openen wordt dan een op zijn kop gezette komma, en sluiten gaat met een gewone: ‘zo’.

Maar ja, er is niet altijd sprake van openen en sluiten. Het programma zelf weet natuurlijk van niets, dat reageert alleen maar op of er wel of niet een spatie aan de apostrof voorafgaat. Na een spatie volgt consequent een kommaatje op z’n kop, dus ook bij ’t, en ’m, en ’s avonds, en ’s-Heerenberg. Zelfs in koppen boven stukken zie ik dat vergeten is er even een gewone apostrof van te maken. Is dat erg? Ach, het heeft hetzelfde nadeel als alle verkeerde of verkeerd geplaatste leestekens: het leidt af. Jammer, want leestekens zijn er voor ons leesgemak.

Taalschandaal

Halleluja, wat een hoop taalflauwekul kregen we vorige week over ons heen. Eerst was er die koddige vooraankondiging dat de troonrede sprankelender dan ooit zou worden. Op de redactie van het tv-programma Goedemorgen Nederland gingen de harten daar meteen verwachtingsvol van kloppen. Ze belden me op, want ik had vast wel ideeën over hoe mooi het nieuwe taalgebruik zou worden, en zou ik die dan de ochtend van Prinsjesdag met het Nederlandse volk willen delen?

Ik probeerde uit te leggen dat ik geen helderziende was, en dientengevolge hooguit de ochtend ná de derde dinsdag iets over het veranderde spreken van Hare Majesteit kon komen vertellen, maar dat mocht niet, want het programma doet alleen aan ‘vooruitblikken’. Dat dat bij Goedemorgen Nederland hetzelfde betekent als ‘koffiedik kijken’ was taalschandaaltje één.
Enfin, ik nestelde me natuurlijk knus voor de buis zodra de Gouden Koets en de hoedjes voorbij begonnen te trekken. Had ik kunnen voorspellen wat ik vervolgens uit de mond van onze vorstin hoorde?

Nauwelijks. Dat het sprankelend zou worden, had ik niet verwacht. Mijn hoop was gevestigd op een begrijpelijker, beleidsjargon-armer verhaal dan gebruikelijk. Wel vorstelijk uitgesproken uiteraard, met dat unieke koninklijke accent dat ook prinses Laurentien zo snel zo knap onder de knie heeft gekregen (even tussendoor: dat gaat Máxima nooit lukken – het is te subtiel, en veel subtiliteiten en gevoelswaarden van woorden en uitdrukkingen ontgaan vreemdetaalleerders, daarom spreekt de aanstaande koningin zo’n buitengewoon charmant mengelmoesje van heel chic en heel onchic Nederlands).

Die uitspraak was er, maar toen Beatrix uitgesproken was, zei ik nogal onparlementair tegen mijn televisiescherm: ‘Maar je hebt helemaal niks gezegd! Schande!’ Onder ‘sprankelender’ verstaan Balkenende c.s. blijkbaar ‘vaag, vaag, vaag’. Taalschandaaltje twee. Gevolg: ik had eerlijk geen idee wat me verteld was.

Net als zestig procent van de bevolking, viel daarna overal te horen en te lezen op gezag van een of ander adviesbureautje, dat, hé dat kwam goed uit, dezelfde week ook Laurentien had gestrikt voor een speech over begrijpelijk Nederlands.

Nu is dat laatste iets waar geen zinnig mens tegen kan zijn. Vraag is: hoe bepaal je wat voor wie wanneer begrijpelijk is? Nou, dat wist het bureau precies. Er zijn vijf niveaus van begrijpelijkheid, en de overheid ‘communiceert’ meestal op het vijfde, onbegrijpelijkste. Die niveaus waren hun vinding, en ze zijn gebaseerd op zaken als al dan niet lange woorden of lijdende zinnen opschrijven.

Heel lang geleden heb ik al geleerd argwanend te zijn over dingen als ‘leesbaarheidsindexen’ (dankjewel Bert Meuffels). Bij taalgebruik komt veel te veel kijken dat zich niet laat vangen in cijfers of formules, die daarom slechts schijnwetenschappelijkheid bieden. Lange woorden bijvoorbeeld, hoeven niet moeilijk te zijn, en lijdende zinnen al helemaal niet (geloof me, u wordt gek van een tekst met alleen actieve zinnen).

Ik kan niet uitsluiten dat ze bij dat bureau tóch een werkende toverformule hebben bedacht – helaas vroeg niemand naar hun systeem, en is er op hun website geen letter over te vinden – maar aanwijzingen daarvoor zijn er niet.

Want van de voorbeelden waar ze mee kwamen, kwam ik niet onder de indruk. Zo had de koningin niet mogen zeggen dat het de regering ‘niet onberoerd liet’ dat het vertrouwen in de overheid zo gedaald is. Tja. Ik denk dat heel wat mensen die die uitdrukking niet kenden, toch op hun klompen hebben aangevoeld dat Den Haag zegt dat het nu zó erg is dat helemaal negeren niet meer gaat.

En wat ook weinig vertrouwen inboezemde, was het taalgebruik van het bureau zelf. De Volkskrant neemt bepaald wel eens lekkerder leesbare artikelen op dan het hunne, en de man die in het journaal over ‘begrijpelijk Nederlands’ mocht vertellen deed dat in zulke rapportentaal (“inefficiënte overheidscommunicatie”) dat ie er voor op z’n kop kreeg van de verslaggeefster.

Maar uitzenden deed het journaal het wel. En dat een zo belangrijk onderwerp zomaar op grond van niks dagenlang in alle media geconfisqueerd kan worden door een bureautje op zoek naar publiciteit, is nog het grootste taalschandaal.

Sirih spugen naar een overspelige badende Belanda

Weinig schrijvers grepen Michiel Leezenberg vroeger al zo bij de strot als Louis Couperus. Nog steeds vindt hij De stille kracht uit 1900 een prachtig boek, maar nu ziet hij er ook de veranderlijkheid van de Nederlandse stereotypen over de islam in weerspiegeld. Leezenberg (1964) is universitair hoofddocent wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam en onder meer betrokken bij het masterprogramma ‘Islam in de moderne wereld’. 

Wat voor boek is De stille kracht?

Het wordt vaak het eerste echte antikoloniale boek genoemd. Multatuli’s Max Havelaar verzette zich wel tegen de knevelarij van de Indonesische bevolking, maar niet tegen het Nederlandse bewind.Ik zie in Couperus’ boek geen politieke roman, ook al speelde bij hem op de achtergrond wel de ‘Ethische politiek’ van 1900. Die hield in dat Nederland niet meer alleen zelf winst mocht behalen, maar ook de Indonesiërs economisch moest geven wat hen toekwam.

Maar voor mij draait De stille kracht  uiteindelijk vooral om seks. Het gaat over de botsing tussen de nuchtere, rationele Hollandse regent Otto van Oudijck en de passieve, mysterieuze lokale Indonesische bevolking, die een stille afkeer van de westerling heeft en zich lijdzaam verzet. Het mannelijke tegenover het vrouwelijke. 

Dat brengt automatisch de beroemde naaktscène in bad met Pleuni Touw in herinnering.

Ja, in de tv-verfilming van Walter van der Kamp in de jaren zeventig. Pleuni Touw speelde de vrouw van Van Oudijck, die allerlei slippertjes heeft. Onder anderen met de half Indische, half Nederlandse Addy DeLuce, die als halfbloed de starre verhoudingen tussen oost en west ondermijnt. In de badkamerscène wordt Leonie uit het niets bespuugd met sirih, fijngekauwde betelpeper: het zinnebeeld van de roddels over haar en van het antikoloniale verzet. 

Wat is precies het verband met de islam?

Voor mij is relevant dat Nederland al veel langer ervaring heeft met moslims. Honderd jaar geleden waren we nog het grootste moslimland ter wereld. Dat is iedereen vergeten. Mijn lezing maakt deel uit van een tweedaagse conferentie over de islam en moslims in de Nederlandse kunst en cultuur. Literatuur raakt zo gedateerd omdat het in zijn eigen tijd past. Bij Couperus lees je terug hoe veranderlijk onze stereotypen over de islam zijn.

Toch komt het woord moslim of islam niet voor in het boek.

Het is inderdaad meer een mystieke vorm van religie bij Couperus. En hij stelt de oosterling heel sensueel voor. Losser, vrijblijvender. De inlander is een bedreiging voor de moraliteit, vooral van de Nederlandse vrouwen. Mannen mogen wél de koffer in met inlandse vrouwen.  Terwijl het stereotype van de islam nu vooral is: een mannelijke, wetsgerichte, actieve, zelfs gewelddadige godsdienst, die repressief is voor seks. De hoofddoeken die Nederlandse mannen vertellen ‘afblijven!’ zijn juist een symbool van verboden seksualiteit. Maar nog altijd zit er een asymmetrie in tussen wat mannen en vrouwen mogen en horen te doen. 

Morgenspreekt dr. Michiel Leezenberg over ‘Islam, ethiek en seksualiteit in Louis Couperus’ De stille kracht. 10.30 u. Trippenhuis KNAW, Kloveniersburgwal 29 Amsterdam. Toegang: gratis.

VERWARRENDE REGELTJES

Plain English. A user’s guide door Philip Davies Roberts, 191 blz., Penguin 1987, f 17,50 ISBNNR.: 0-14-008407-x

De second floor in Amerika ligt een verdieping hoger dan de second floor in Engeland. Who en whom slaan altijd alleen op mensen, whose kan ook op dingen slaan. Een interlude is geen interval, en pas als je het streepje uit re-creation haalt betekent het recreatie. Zo’n streepje heet trouwens een hyphen in het Engels.

Niets nieuws, zegt u? Dat is dan goed nieuws. U kunt zich de aanschaf van Philip Davies Roberts’ Plain English, a user’s guide besparen.

Aan de andere kant: voor het geld hoeft u het nauwelijks te laten, en de kans dat er andere dingen in staan die u nog niet wist is tamelijk groot. Deze gebruikersgids is namelijk een Engelse variant op het genre handige-hulpjes-bij-het-schrijven, dat in Nederland vertegenwoordigd wordt door Jan Renkema’s Schrijfwijzer en Inez van Eijks’ Taalhulp. Vrijwel iedereen die regelmatig iets moet schrijven slaat die boeken wel eens op. Om te kijken hoe het ook alweer zat met hen en hun, en kopieen, reeel en financien bijvoorbeeld.

Het Engels kent weer andere verwarrende regeltjes en veelvoorkomende fouten. Het verschil tussen should en would, tussen their en they’re, advice en advise zijn een paar voorbeelden die Roberts bespreekt.

Het grootste deel van het boek bestaat uit een woordenlijst waarin allerlei soorten misverstanden worden rechtgezet: lightyears slaat op een grote afstand, niet op een lange duur, bij join together of link together kan together weg, na one or more, one of the most en one of those moeten werkwoorden de meervoudsvorm krijgen en “Alright is alwrong” (moet all right zijn). Vooral in dit deel kan Roberts het niet nalaten regelmatig zijn persoonlijke smaakstempel ergens op te drukken. Achter in terms of lezen we: “Avoid: ususally unnecessary”, en op input volgt: “an overused vogue word (…) Use ‘feed in’ or something similar”.

Hinderlijk kan ik dat niet vinden: van een boekje als dit mag je verwachten dat het flink normatief is. Roberts’ voorbeelden zijn in ieder geval duidelijk en niemand dwingt u het altijd met hem eens te zijn.

Dan zijn er ook nog die lastig te onthouden verschillen in spelling en woordkeus tussen het Brits- en het Amerikaans-Engels. Aan de andere kant van het Kanaal betaal je met een cheque, maar steek je de oceaan over dan wordt het een check. Waar een Engelsman een fortnight bij u komt logeren, spreekt de Amerikaan gewoon van two weeks. Britten spellen likeable, colour, centre, Amerikanen likable, color, center. Het zijn weetjes, meer niet, maar wie ze kent en goed gebruikt kan op waardering rekenen.

Dat geldt ook voor een juist gebruik van leestekens, afkortingen, en de aanhef en ondertekening van zakelijke of persoonlijke brieven. De conventies daarvoor verschillen vaak net een klein beetje van wat we in Nederland gewend zijn, en ze komen allemaal aan bod in ‘Plain English’.

Dat is met zijn 191 bladzijden natuurlijk niet compleet (dat na the police, the government, the committee en dergelijke het werkwoord zowel een enkel- als een meervoudsuitgang kan krijgen, heb ik bijvoorbeeld nergens kunnen vinden), maar het kan veel fouten en foutjes eenvoudig voorkomen. Wie daar behoefte aan heeft kan ook nog wat traditionele grammatica doorlezen, of een grammaticale term in het lijstje achterin opzoeken.

Een boekje om eerst een keertje door te lezen, waarna het als naslagwerk op de plank naast het Engelse woordenboek mag.