‘Achter een door iemand in het water gegooide piano moet een wanhoop zitten, een geschiedenis’

Niet lang geleden was Paolo Conte in Nederland alleen iemand voor fijnproevers – nu is hij zó populair, dat Carré al weken voor zijn optreden – vanaf 30 november – vrijwel is uitverkocht. Tot zijn stomme verbazing, vertelde hij in San Remo, waar hij sprak over zijn schitterende teksten (‘de woorden kosten meer tijd dan de muziek’), swing en de noodzaak van begrijpelijkheid ‘op het eerste gehoor’.

Sanremo eind oktober. Alleen de kleur van de blaadjes aan de bomen verraadt dat het geen hartje zomer is. Het is niet warm, het is bloedheet tijdens het festival van de ‘cantautori’ (cantore =zanger, autore = auteur). De cantautore Paolo Conte heeft het festival in geen jaren bezocht. Gevolg: er ligt een hele stapel prijzen op hem te wachten, waaronder een voor de beste elpee van 1987: Aguaplano, een dubbelelpee, in Nederland gesplitst uitgebracht als (ook) Aguaplano en Jimmy, ballando. Om vier uur is de prijsuitreiking, daarvóór zal ik Conte interviewen. Maar dit is Italië.

“Mooi dat je er bent”, stelt men tevreden vast. “Laten we een hapje gaan eten.” We gaan een hapje eten. In een restaurant waar aan elk tafeltje wel iemand zit die Conte gedag komt zeggen. Tegen iedereen is hij even vriendelijk en hartelijk. Hij zal het de hele dag blijven. Paolo Conte, geboren 6 januari 1937. Advocaat. Musicus: zanger, componist, pianist. Groeide op met jazz, literatuur en Hollywood. Schreef eerst alleen voor anderen, bijvoorbeeld de wereldhit Azzuro. Werd bij toeval als zanger ontdekt, maakt nu zo’n vijftien jaar platen. Is overal geweest, is een echte gentleman. Zo staat het in alle interviews en het is allemaal waar.

Paolo Conte in San Remo, oktober 1988. Foto: Liesbeth Koenen

 

In Nederland is hij in razend tempo de intellectuele en quasi-intellectuele milieus (Peter van Stratens Agnes hoorde hem vorige week nog in een decor van witlederen banken en Perrier) ontgroeid.

Twee jaar geleden haalde Carré hem naar Nederland en kreeg niet meer dan een fijnproevershoekje van de zaal vol. In januari van dit jaar was hij er weer, in een uitverkocht theater dit keer, vol stampende en gillende mensen die voor een groot deel door de voorstelling heenkletsten alsof ze thuis voor de tv zaten. Voor Contes nieuwe tournee die 30 november aanstaande begint is al bijna geen kaartje meer te krijgen en waarschijnlijk verkoopt alleen Michael Jackson dit jaar in Nederland meer platen dan hij.

Het rijtje top-40 hits luidt: Gli (spreek uit: ‘lji’, de man heet trouwens ook Contè en niet Contie) Impermeabili, Max, Aguaplano. En ze zijn overal te horen: in winkelcentra, hamburgertenten, als achtergrond bij tv-programma’s, in kroegen en restaurants.

Verklaringen? Conte heeft ze niet. Wordt hij eenvoudig meegevoerd op de almaar groter wordende stroom tagliatelle, tortellini, pizza’s, schoenen, ‘design’ en wijn die uit Italië Nederland binnenkomt? Klinkt het Italiaans naar vakantie? Waarom dan hij wel en bijvoorbeeld Lucio Dalla of Lucio Battisti niet? “Ik heb er nooit mijn best voor gedaan,” zegt Conte, “ik heb het succes niet gezocht, het publiek heeft beslist. Ik voel me vereerd, dat wel, maar ik zou dolgraag begrijpen waarom het in Nederland zo goed gaat.”

Nederland interesseert hem. Hij wil van alles weten: hoeveel mensen er wonen, of oranje de nationale kleur is vanwege de tulpen, wat voor blad Vrij Nederland precies is, welke Italiaanse literatuur hier gelezen wordt, of Nederland zich Europees voelt.

Conte: “Italië niet. Het heeft te veel last van een noord-zuidsplitsing. Milaan, dat is een Europese stad, maar als je kijkt naar Rome of Florence, dat zijn alleen maar mooie vrouwen die in de spiegel kijken, verder niks. Zelf ben ik een volbloed Piemontijn, uit Asti. Wij zijn, of we voelen ons erg afgescheiden van de rest van Italië. Erg gepasseerd. We hebben een beetje een gesloten, timide karakter, niet zo extravert als de andere Italianen.”

“Niemand verstaat ook een woord van ons dialect, terwijl het Romeins bijvoorbeeld overal begrepen wordt. En het Napolitaans is zo’n beetje een tweede Italiaanse taal. Ons dialect maakt dat we een speciale woordenschat hebben: sommige woorden hinderen ons, die willen we niet gebruiken. Bepaalde vormen van het werkwoord, de ‘passato remoto’ (in standaard-Italiaans gebruikt voor dingen die lang geleden gebeurd zijn, in veel dialecten de normale verledentijdsvorm LK) gebruiken we nóóit. Ik heb het wel eens gedaan in een liedje, vanwege het metrum, maar daar voel ik me nog altijd een beetje beschaamd over. Als schrijver. Maar ik voel me niet geroepen om dat dialect te propageren. Dat heb ik nooit gewild. Als mens, als wereldburger voel ik me niet verbonden met één bepaalde realiteit in het bijzonder.”

Er bestaat inderdaad maar een liedje van Conte dat duidelijk “geëngageerd” genoemd kan worden: Naufragio a Milna, Schipbreuk in Milaan, over de ellende en de heimwee van Napolitaanse “gastarbeiders” die in Milaan “gestrand” zijn, temidden van het beton en vaste werktijden, geen zee, geen water, geen zon, geen muziek. In hartverscheurend Napolitaans.

Aan tafel wordt er gesproken over de mogelijkheid een verzamelalbum uit te brengen in Italië, een soort ‘greatest hits’: in Nederland was dat goed voor een platina elpee, maar in Italië moet het anders omdat ze daar zijn liedjes al veel langer kennen. “Wat denk je,” vraagt hij, “zou een ‘live’-album een goed idee zijn? Hoe spreek je dat eigenlijk uit als het om muziek gaat? Laif of liv? Ik zou toch eens Engels moeten leren.”

Later zal hij dat weer terugnemen. Maar dan is het heel veel later. De prijsuitreiking vindt uiteindelijk niet om vier uur maar om kwart voor negen plaats. Waarom weet niemand. Het hindert ook niemand. Men praat, men neemt nog een drankje, men praat nog meer, men lacht, men drinkt en na de prijsuitreiking is het toch echt weer tijd om iets te gaan eten. De bestelling laat anderhalf uur op zich wachten. Het ontlokt Conte de ene cynische opmerking na de andere tegen een niets-begrijpende ober (“La signora en ik genieten echt, maar denkt u dat u toch even in de keuken zou kunnen informeren..”). In de tussentijd biedt hij aan stukjes van de allang gearriveerde pizza’s van anderen met me te delen, “cheek-to-cheek” zoals hij het uitdrukt.

Het licht viel al af. Conte buiten bij het festival van San Remo, oktober ’88. Foto: Liesbeth Koenen

Het is middernacht geweest als we met het eigenlijke interview beginnen en ik hem vraag wat hij toch heeft met dat Engels. Het is in allerlei liedjes te vinden, middenin het Italiaans ineens een kreet, een woord, een zinnetje (“Shoe shiner, come back to my Chinatown” in Lo Zio, “I whisper I love you” in Sotto le stelle del jazz, Hesitation, Midnights knock-out en Sparring partner zijn een paar titels). Conte: “Het Engels fascineert me. Omdat ik het niet spreek heeft het de aantrekkingskracht van het onbekende. En het is de taal van de muziek die ik altijd al lief heb gehad: de Amerikaanse jazz. Eigenlijk is het de taal van alle muziek van deze hele eeuw.

Overigens is dit niet iets dat alleen voor mij geldt: de jongeren in Italië houden van Engelstalige muziek, maar ik geloof dat maar heel weinigen van ons Engels spreken. En toch voelen we die speciale fascinatie. Ik ben ook bang dat liedjes me zouden tegenvallen zodra ik wel goed Engels zou spreken en alle teksten zou begrijpen. Maar zolang die taal mysterieus blijft kan ik me er bij voorstellen wat ik wil. Je hebt een veel eenvoudiger relatie met de muziek op deze manier, begrijp je?”

Toch gebruikt u dat Engels heel geregeld, en u speelt ook met de klanken.

“Ja, soms ben ik moe van het zoeken naar Italiaanse woorden. Als het niet lukt neem ik soms Engelse. Maar ook wel eens Franse of Napolitaanse. Ik zou ook Indianentalen kunnen gebruiken, of Nederlands als dat uitkwam. Het blijft die fascinatie van een taal waar je niets van begrijpt. Aan de andere kant vind ik het in bepaalde gevallen, op een theatraal moment in een liedje ook heel terecht om iets Engels te gebruiken. Waarom niet?”

In uw teksten komt heel dikwijls het woord “lampo” of “fulmine”, bliksem of weerlicht voor. De teksten in hun geheel hebben daar ook iets van weg: het zijn flitsen, prachtige flarden sfeer, die telkens een klein stukje van de wereld, van wat mensen beweegt doen oplichten. Met grove lijnen geschetste scènes van oude mensen die zich nog snel vol taartjes eten, aarzelend beginnende liefdesverhoudingen, geheimzinnige telefoongesprekken, allemaal kunnen ze als een soort pars pro toto dienen voor het leven zelf.

“Om te beginnen hou ik vreselijk veel van het weerlicht in onweersbuien. Misschien is dat iets Hollands in me: de Hollandse schilders hebben het heldere licht dat onweer geeft of dat je na een onweer ziet ook zo schitterend vastgelegd. Als het gaat om het karakter van de teksten dan komt het deels voort uit de noodzaak iets te vertellen in een hele korte tijd. Ik moet drie of vier minuten beheren, meer is het niet, en ik voel me vóór alles musicus. De muziek komt eerst, de tekst moet zich aanpassen. In die drie minuten moet de muziek praten vind ik. Dan hou je heel weinig ruimte over voor je verhaal, dat moet je dan haastig vertellen, als in een bliksemflits.”

“Het schrijven zelf gaat niet snel, en de woorden kosten meer tijd dan de muziek. Die maak ik eerst, ik heb altijd cassettes vol liggen. Dat gaat naar verhouding gemakkelijk. Voor de tekst moet ik wachten tot de muziek me inspireert, tot ik zin heb om te schrijven. En dan komt het probleem dat het Italiaans zo weinig muzikaal is. Dat betekent dat ik heel veel moet schrijven en dan schrappen, schrappen, schrappen voordat ik iets bruikbaars overhoud. Het Italiaans heeft zulke lange woorden, en het accent valt niet op de laatste lettergreep. Daardoor is het niet ritmisch. Het Engels is wat dat betreft heel anders: heel korte woorden, het accent aan het eind, zachte medeklinkers, het is een en al ‘swing’. Het Italiaans heeft geen ‘swing’.”

Uw muziek swingt anders behoorlijk.

“Ik neem dat compliment graag aan, maar het kost me ontzettend veel moeite het zover te krijgen. En ik doe mijn uiterste best om de teksten niet te ontoegankelijk te maken. Dat gebeurt tegenwoordig zo vaak, en ik heb het zelf ook wel eens gedaan, maar ik vind het té gemakkelijk. Wie een beetje fantasie heeft produceert zo kilo’s ontoegankelijke poëzie. Realistisch schrijven is veel moeilijker. Ik wil dat alles wat ik schrijf op het eerste gehoor begrepen wordt. De eerste keer dat je ernaar luistert móet je het begrijpen. En dan blijven er de tweede keer misschien nog wat kleine mysterietjes over, die interessant kunnen zijn, maar alleen omdat het raadsels zijn. Het mag geen assemblage worden van woorden die geen betekenis hebben, maar zo mooi staan. Het verhaal moet altijd duidelijk zijn.”

Max was Max, kalmer dan ooit, zijn helderheid… Schei uit Max,het gemak waarmee jij de dingen doet maakt het er niet eenvoudiger op, Max.. Max, is niet te peilen- laat me eruit, Max ik zie een geheim op me af komen, Max..’* Wat is het verhaal van Max?

“Ja, nou stel je een moeilijke vraag. Max is nou net een liedje waarvan ik ook niet weet wat het wil zeggen. Maar daar is een reden voor. Ik wilde de muziek niet kapot maken met een stem. Dus wilde ik maar weinig woorden gebruiken en de rest allemaal muziek laten. Ik ben begonnen bij die Max, dat vond ik een mooie naam. Ik stelde hem me voor als een grote, brede man. Een vriend, maar iemand die bezig was met iets gevaarlijks, iets mysterieus’. Een vriend om toch een beetje op een afstand te houden dus. Het zou een autocoureur kunnen zijn, of iemand die paardrijdt ofzo. Ik weet het niet.”

“Maar met Max is me iets heel merkwaardigs overkomen. Ik had die tekst in mei geschreven en het nummer opgenomen. In juli gingen we op tournee naar Canada en daar wilde ik meteen kennismaken met de Indianen. Die ken je zo goed van boeken en films, ik wilde ze graag in het echt ontmoeten. Toen werd ik voorgesteld aan een stamhoofd, echt een boom van een vent, twee meter lang. En die heette: Max. Echt waar. Ik verzin het niet. Gek hè? Mooi verhaal hè?”

“Maar goed, alleen als ik weinig plek om te schrijven heb moet het bij een impressie blijven. In liedjes die me een beetje tijd geven wil ik verhalen vertellen.”

Aguaplano (watervliegtuig) is wat langer. Kunt u vertellen waar dat over gaat? U zingt onder andere over de ‘fiume di gennaio’, de ‘januaririvier’. Is dat Rio de Janeiro?

“Ja, het heeft me altijd geïntrigeerd dat Rio de Janeiro ‘januaririvier’ heette, terwijl er nergens een rivier te bekennen is. Dat komt omdat de ontdekker van de baai van Rio de Janeiro dacht dat hij zich in de monding van een rivier bevond. En het was januari, vandaar. Zelf vind ik januari een mooie maand. Maar Aguaplano is een soort onderzoek dat gedaan wordt aan boord van een klein vliegtuigje, dat boven de baai van Rio de Janeiro vliegt. Aan boord zie je dat er op de zee een piano drijft. Je stelt je dan voor dat iemand met een enorme kracht die piano in zee gegooid heeft. Omdat de piano verantwoordelijk is voor een liefdesgeschiedenis die iemand teleurgesteld heeft.”

“En het eindigt dan zo: iemand heeft de piano gezien, heeft bedacht wat er gebeurd kan zijn en laat het dan achter zich. Ik laat in het midden wie die persoon precies is, of het dezelfde is die in het vliegtuigje zit. Dat mag het publiek beslissen. Het verhaal legt uit dat er achter een door iemand in het water gegooide piano wanhoop moet zitten, een geschiedenis.”

Nogmaals Conte. Foto: nogmaals Liesbeth Koenen

Aguaplano, Max en ook Gli Impermeabili (‘De Regenjassen’) zijn grote hits geweest, zijn dat nu de nummers die u zelf ook het geslaagdst vindt?

“Ik luister eigenlijk nooit meer naar mijn platen als ze af zijn, dat vind ik vervelend. Kijk, ik heb aan geen enkel nummer een hekel, maar Aguaplano is niet een van mijn favorieten. Van Max begreep ik direct toen ik het geschreven had dat het publiek dat mooi zou vinden, dat het een zekere aantrekkingskracht zou hebben. Maar uit een oogpunt van inspiratie… Er zijn andere liedjes, moeilijkere liedjes waar ik meer van hou. Dal Loggione (‘Vanaf het schellinkje’, vanwaaruit een man neerkijkt op zijn vroegere geliefde, nu getrouwd, hij komt alleen om haar te zien, en ‘misschien, misschien wil je dat ik er ben, en wacht je op een flits van waanzin’, maar het licht gaat al uit, ‘En dus leve de muziek’) bijvoorbeeld is zonder meer van een hogere kwaliteit.”

Gli Impermeabili is wel een van mijn favorieten. Dat vind ik bijna het mooiste wat ik gemaakt heb. Het mooiste? Dat moet nog komen, daar wacht ik nog op. Maar “Gli Impermeabili, Dal Loggione, Hesitation en Nessuno mi ama (Niemand houdt van mij), dat is echt mijn muzikale smaak. De woorden in Gli Impermeabili zeggen niet zo heel veel, ik wilde de muziek heel laten, dus weinig zingen. Hoewel, je voelt het wel regenen hè? En ik gebruik het woord ‘impermeabile’ (regenjas en waterdicht of ondoordringbaar) in een dubbele betekenis: het regent lekker, zowel op de regenjassen als op de ‘ondoordringbare’ mensen.”

En Simpati Simpatia? Dat staat op dezelfde elpee als Gli Impermeabili, de eerste die in Nederland verscheen. Ik vind dat een van uw mooiste liedjes.

“Ah, je maakt me gelukkig. Dat is absoluut een van mijn lievelingsnummers. Maar jammer genoeg is niemand dat met me eens, het publiek vraagt er nooit om, terwijl mijn vrouw en ik er zoveel van houden.”

Het enige dat iedereen van u weet, is dat u advocaat bent. Bent u dat eigenlijk nog wel?

“Sinds een jaar, anderhalf jaar ben ik eigenlijk alleen nog musicus. Ik hou wel mijn kantoor aan, uit sentimentele overwegingen: ik heb er jaren voor gestudeerd, ik heb het werk jaren gedaan en met plezier, er is de herinnering aan mijn familie, aan mijn vader en mijn opa die notaris waren, het bordje zit nog op de deur, ik heb er mijn vrouw leren kennen en die vermaakt zich daar nog steeds. Nee, het zou verraad zijn om zomaar dicht te gaan. En er lopen ook nog wat zaken van vroeger. Maar als je me vraagt of ik over een jaar weer gewoon advocaat zou willen zijn dan zeg ik nee. Misschien gespecialiseerd op een bepaald terrein. Of ik ga met pensioen. Ik heb genoeg hobby’s. Nee, niet de muziek. Ik teken en schilder al heel lang, al langer dan ik muziek maak.”

Bent u het muzikantenleven moe?

“Ja, ik vind het wel genoeg zo. Maar dat zeg ik nu omdat al te lang dit leven leef. Ik heb een beetje heimwee naar huis, ik ben teveel weg. En artistiek: het orkest dat ik heb is oké, ze zijn heel goed, maar toch, ik zou verandering van omgeving nodig hebben. Op dit moment kan ik alleen nog maar ‘toevoegen’. Ik heb nu elf muzikanten, ik kan er violen bijdoen, ik kan zus, ik kan zo, ik kan er steeds meer ‘Hollywood’ van maken. Of ik zou het allemaal moeten wegdoen, en weer met een trio op pad gaan, of in mijn eentje, net als in het begin.”

“Ik moet mezelf artistiek een ‘shock’ geven. Er moet iets veranderen. En verder, weet je, het leven van een artiest galoppeert voorbij, het gaat veel te hard.”

Maar u bent pas heel laat een artiestenleven gaan leiden.

“Ja, dat is waar. En ik moet zeggen dat ik mijn lot ook wel accepteer. Stilstaan is uiteindelijk ook niet goed. Je moet het leven ook kunnen leven zonder er al te veel over na te denken. Maar ja, dat is weer een andere filosofie. En het ene moment denk ik er zo over, en een half uur later weer heel anders. Als ik eerlijk ben wil ik vooral gezondheid en vrijheid. En artistieke passie. Persoonlijk succes heb ik nooit gewild. Ik heb er nooit naar verlangd beroemd te zijn. En het bevalt me niet echt nu ik het ben. Het is vermoeiend. In die richting zoek ik verder niets.”

“Ook al heb ik natuurlijk wel de bevrediging dat mijn werk succesvol is. Het bemoedigt en het rechtvaardigt je keuzes: je kunt zeggen, oké, ik heb dat allemaal gedaan, maar ik speelde geen spelletjes, het was wérk. Ik twijfelde altijd of het nou werk of spelen was. Weet je waarom? In een mensenleven heb je niet altijd het geluk te kunnen doen wat je écht leuk vindt. Ik was advocaat van beroep, dat deed ik graag, maar toch nooit met zoveel passie als ik voor de muziek voel. En als je dan musicus wordt, en je houdt daar zoveel van als ik, dan is het net alsof het helemaal geen werk is. Er zijn zoveel momenten geweest dat ik dacht: en hier krijg ik nog voor betaald ook!”

“Maar ik vind dat geld wel plezierig. Ik kom uit de provincie moet je weten, en het mooiste applaus is voor ons toch iets duurzaams, iets substantieels. Het moet je in leven kunnen houden. Niet dat ik hoge eisen heb, maar geld geeft zekerheid. Bovendien, om goed te kunnen werken moet ik musici en apparatuur kunnen betalen.”

“Ik zou graag wat minder tournees doen de komende tijd, en weer eens wat muziek schrijven voor films of theater. Dat heb ik al eerder gedaan, een film met Roberto Benigni bijvoorbeeld, maar het is een slechte periode voor de Italiaanse film: er is geen geld en er zijn geen ideeën. Misschien doe ik ook nog wel liever theater, maakt me niet uit wat: modern, klassiek, een Griekse tragedie.”

U maakt ook gebruik van zo ongeveer alle muziekstijlen die er bestaan.

“Ja, je moet jezelf geen grenzen opleggen. Why? Why?”

Voorlopig bent u nog wel op tournee. Frankrijk, Duitsland en dan Nederland. Komt u graag naar Nederland?

“Ik moet nog steeds het idee dat ik vroeger van Nederland had in overeenstemming brengen met het idee dat ik nu heb, nu ik er een aantal keren geweest ben. De dingen die je als kind geleerd hebt zitten zo in je hersenen gegrift, en ik herinner me heel goed een liedje van toen ik klein was. Dat heette Tuli-tulipani (‘tulpen’), en het gaf een prachtig toverachtig beeld van Nederland met kaas en tulpen en windmolens. Dat vond ik vreselijk mooi.”

“En één keertje heb ik iets van die magie teruggevonden. Ik was in Rotterdam, nu niet direct de mooiste stad van Nederland. Het liep tegen kerstmis, en het was koud. Ik wandelde door een grote winkelstraat, met een speelgoedwinkel, en toen klonk daar ineens zo’n orgeltje, met van die prachtige muziek, échte muziek. Daar stond ik, ik leek wel gek. Ik heb een kwartierlang dat speelgoed staan bekijken, met achter me dat orgeltje dat héél hard die vreselijk mooie muziek speelde. Ik was weer kind geworden.”

Half twee ’s nachts. De volle maan schijnt door de palmbomen. Conte loopt mee, de trappen van het hotel af, en wacht met me op de taxi. Een echte gentiluomo.

 *Vertaling van Max overgenomen uit Paolo Conte, De Teksten, vertalingen van alle 77 Conte-nummers door Frans Roth en Willy Hemelrijk, inleiding Griselda-Edwien Visser, uitgegeven door de International Theater Bookshop, 96 pagina’s, f 17,50, verschijnt half november. Soms iets teveel naar de letter en te weinig naar de geest vertaald, maar geeft alles bij elkaar een uitstekend overzicht van Contes werk. 

NOOT: Dit interview is ook verschenen in de Vlaamse krant De Morgen. In welke vorm en wanneer weet ik niet. Nooit gezien. Beloofde betaling is ook uitgebleven…

De helse herinneringen van nummer 174517, over Primo Levi

Hij was bezeten van scheikunde, techniek en wetenschap, en hij schreef daar ook over. Maar de bekendste boeken van Primo Levi gaan vooral over het concentratiekamp waar hij als verzetsstrijder en jood in belandde. Hij moest blijven vertellen welke verschrikkingen zich daar afgespeeld hadden. Tot er niets meer te vertellen viel?

 

Niet op commandotoon, maar zacht, gedempt klinkt elke ochtend het bevel “Opstaan”, soms in het Duits, meestal in het Pools: Wstawa. Het woord maakt een definitief einde aan de onrustige nachten van de gevangenen van Auschwitz. Het is 1944. Primo Levi is ingedeeld in Block 45 van wat hij zijn leven lang het “Lager” zal noemen. Want dat is het woord dat de Duitsers gebruiken voor de vernietigingskampen. Gevangenen heten er Häftlinge. Primo is sinds februari Häftling 174517, een nummer dat direct na zijn aankomst in zijn arm is getatoeëerd. Hij is 24, een joodse Italiaan uit Turijn. Niet lang daarvoor is hij afgestudeerd als scheikundige, maar dat lijkt hem een eeuwigheid terug.

In het Lager is niets zoals het “buiten”, in de gewone wereld was: wie na drie maanden nog leeft is een oudgediende. Iemand die weet dat je zelf aan een lepel moet zien te komen, die geleerd heeft te slapen bovenop een pakketje met zijn bezittingen: schoenen, muts, etensgamel, en als hij geluk heeft naald en draad om knopen mee aan zijn gore, vette gevangenishemd te zetten. Iemand ook die dat pakketje in het washok tussen zijn knieën klemt wanneer hij zich met het slijmerige, stinkende water dat er uit de kraan komt staat te wassen. Want een moment van onoplettendheid betekent al je spullen kwijt zijn.

De oudgediende is in staat ’s nachts aan het gekletter te horen of de emmer al in de “gevarenzone” is. Doordat ze alleen soep te eten krijgen moeten de Häftlinge van een barak elke nacht minstens tweehonderd liter water zien kwijt te raken: meer dan twintig emmers vol. De laatste gebruiker moet hem gaan legen in de latrine. Gekleed in hemd en onderbroek, op klompsandalen sleept hij zich slaapdronken door de sneeuw, met de walgelijk warme emmer die tegen zijn blote benen botst en die door het klotsen onvermijdelijk onderweg al iets van zijn inhoud verliest.

Maar de nacht brengt meer verschrikkingen: nachtmerries, Levi’s steeds terugkerende droom over zijn thuiskomst bijvoorbeeld. Zijn familie, zijn vrienden zijn er allemaal. Eindelijk, eindelijk kan Primo vertellen over de honger, de luizencontrole, de Kapo die hem op zijn neus geslagen heeft, het krankzinnig harde werken in de nattigheid en de kou, over het gevoel van uitputting dat geen moment ophoudt. De opluchting te praten is immens. Totdat hij ziet dat niemand naar hem luistert. Zijn zus keert zich van hem af en loopt weg, de andere toehoorders doen of hij er niet is en praten met elkaar over andere dingen.

Levi is niet de enige met deze angst. Alberto, zijn beste vriend in het kamp, heeft dezelfde droom, net als heel veel anderen, zoals later zal blijken uit de getuigenissen van overlevenden. De Duitsers dreigen er ook altijd mee: zelfs al zouden sommigen aan de dood weten te ontsnappen, zeggen ze, dan nog zou de buitenwereld nooit geloven dat die perfect geoliede nazi-moordmachine met de gaskamers echt bestaan heeft. Toch is de drang om later te vertellen wat er gebeurd is, de wil te getuigen, een van de belangrijkste dingen die Primo Levi op de been houden. Hij kijkt, observeert en slaat alles wat hij ziet op in zijn geheugen. De manier waarop hij die herinneringen later verwoord heeft (vooral in zijn eerste boek Is dit een mens? dat al in 1947 uitkwam) zouden hem uiteindelijk wereldberoemd maken. Op de een of andere manier lukte het Levi om in het vernietigingskamp een deel van zijn nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit te bewaren.

Nieuwsgierig was hij altijd al geweest. En intelligent. De kleine Primo moet een stil en tamelijk verlegen jongetje geweest zijn, maar wel eentje dat bijzonder oplettend was. Hij had ook altijd goede cijfers. “Vraag het maar aan Primo, Primo weet alles” bleef tot het einde van zijn leven een standaardgrap onder zijn vrienden en familie, wanneer ze ergens geen antwoord op wisten.

Levi groeide op in fascistisch Italië: ongeveer een jaar na zijn geboorte (op 31 juli 1919) kwam Benito Mussolini aan de macht. Levi’s ouders, Cesare Levi en Ester Luzzati, waren beide afkomstig uit joodse families, maar ze deden niet erg veel aan hun geloof. Vader Levi was bijvoorbeeld zo dol op ham, dat hij telkens opnieuw voor de verleiding bezweek er eentje te kopen, ondanks het joodse gebod geen varkensvlees te eten. Primo werd dus niet buitengewoon vroom opgevoed – bij het feit dat hij joods was dacht hij eigenlijk nooit na – en na Auschwitz was het voor hem helemaal onmogelijk geworden om aan te nemen dat er een god bestond.

Italië was dan wel fascistisch, er was een groot verschil met het fascisme in nazi-Duitsland: joden werden er niet vervolgd. Pas in november 1938 – Levi was toen 19 – werden er onder druk van Duitsland rassenwetten van kracht in Italië. Toen werden de joden ineens uitgesloten van allerlei banen, ze mochten geen radio hebben of overlijdensadvertenties plaatsen, en er verschenen overal bordjes “verboden voor honden en joden”. Als schooljongen kon Primo nog een beschermd leventje leiden. Hij kwam uit een kleurrijke, redelijk welgestelde en ontwikkelde familie. Zijn grootvader was dokter, zijn vader een ingenieur met een brede belangstelling. Primo groeide op tussen boeken. Het gezin, (vader, moeder en Levi’s twee jaar jongere zus Anna Maria) woonde aan de Corso Re Umberto, in een bakstenen herenhuis, niet ver van het centrum van Turijn. Afgezien van een paar “onvrijwillige onderbrekingen”, zoals hij het zelf noemde, bleef Levi zijn leven lang in datzelfde huis wonen.

Primo was verlegen, maar ook handig en al vroeg geïnteresseerd in techniek. Op zijn elfde probeerde hij het hart te veroveren van een negenjarig meisje op wie hij dodelijk verliefd was, door haar een klok te geven. Je kon er niet op zien hoe laat het was, maar hij werkte wel en Primo had hem helemaal zelf ontworpen en met een vriendje gebouwd van Meccano-onderdelen. Tot zijn grote teleurstelling keurt het meisje zijn meesterwerk nauwelijks een blik waardig. Jongensverdriet.

Levi houdt het lang moeilijk met meisjes. Als hij al in de twintig is heeft hij voor het eerst een vrouw in zijn armen: Giulia, een oud-studiegenootje, en een collega van het farmaceutisch laboratorium in Milaan waar hij in 1942 is gaan werken. Giulia is verloofd. En bang voor onweer: die angst drijft haar in Primo’s armen. Hij verlangt hevig naar haar, maar durft dat niet echt te laten merken. Primo Levi’s rol is die van goede vriend en luisteraar. Van kind af aan “kleeft me het biechtvaderschap aan” zegt hij zelf. Ondertussen is hij er in die fase van zijn leven van overtuigd dat zijn onvermogen vrouwen te benaderen nooit meer over zal gaan.

Zijn grootste avonturen voor zijn deportatie naar Auschwitz, beleeft hij op wandeltochten in de Piemontese bergen, met zijn vriend Sandro Delmastro. Sandro is een taaie, die met zijn blote handen klimt en dagen zonder eten kan als het moet. Primo leert voor het eerst ontberingen kennen, en raakt een beetje gehard. Hij is Sandro, (die zelf in 1944 door de fascisten met een nekschot vermoord werd), daar altijd dankbaar voor gebleven.

Avontuur vond hij ook in de scheikunde. Levi hield echt van het mengen, scheiden en experimenteren met stoffen. Nog voor hij chemie ging studeren voerde hij al volstrekt onverantwoorde proefjes uit, onder andere in een tot laboratorium omgebouwde slaapkamer van de ouders van een vriend. Resultaat: ontploffingen, die gelukkig geen blijvende gevolgen hadden. Levi bouwde ondertussen een zeer persoonlijke relatie op met de stoffen waarmee hij werkte.

In zijn boek Het periodiek systeem (verschenen in 1975) is daar veel van terug te vinden. Alle hoofdstukken in dat boek hebben een chemisch element als titel: van Argon tot Koolstof. Hij vertelt over die stoffen (“Tin was een vriend”) en hun eigenschappen (“Natrium is kneedbaar als was”), of over de manier waarop hij ermee in aanraking kwam en verbindt ze vernuftig met gebeurtenissen of personen die belangrijk waren in zijn leven. Hij was in staat de wereld door een soort chemie-bril te bekijken, en hij vond het zelf zo’n mooi vak dat hij niet kon nalaten er anderen over te vertellen. Zonder dat er onbegrijpelijke technische termen gebruikt worden, spreekt uit veel van Primo Levi’s verhalen de lol die hij in wetenschap had.

In 1941 studeert Levi summa cum laude (met de hoogste lof) af. “Van het joodse ras” staat er op zijn bul. Werk vinden was voor een jood lastig geworden. Na even een half-legaal baantje bij een asbestmijn bij Turijn gehad te hebben, verhuist Levi met een club vrienden naar Milaan. De tijd van grote veranderingen breekt aan. In 1942 jaar sterft zijn vader aan kanker. In 1943, als de Duitsers het noorden van Italië bezetten, (het zuiden staat inmiddels aan de kant van de geallieerden), besluit Levi het verzet in te gaan. Hij en zijn vrienden trekken – onervaren als ze zijn – de bergen in om als partizaan te vechten tegen het fascisme.

Maar veel kans daarvoor krijgt hij niet. Binnen een paar maanden wordt zijn groep verraden. Levi wordt op 13 december 1943 opgepakt en naar Fossoli gebracht (een overgangskamp, zoiets als Westerbork in Nederland). Om redenen die hij zelf nooit helemaal begrepen heeft (vage nooit eerder gevoelde trots?) vertelt hij daar tijdens de verhoren dat hij joods is. In februari 1944 volgt dan de deportatie naar Auschwitz. Levi’s moeder is inmiddels ondergedoken op het platteland, zijn zuster is koerierster voor de partizanen. Allemaal overleven ze de oorlog.

Waarom overleeft Levi het vernietigingskamp Auschwitz, en zoveel anderen niet? Wat is het verschil tussen De verdronkenen en de geredden, zoals Levi ze in de titel van zijn laatste boek aanduidt. “De besten zijn allemaal dood” zegt hij daarin. De “geredden” zijn degenen die zich aanpasten: de egoïsten, de collaborateurs, de spionnen. Die daarnaast ook nog een forse portie geluk hadden, want in het kamp kon je nergens op rekenen.

Levi had in de hel die het Lager was een paar dingen mee: hij was jong, slim en vindingrijk, hij had scheikunde gestudeerd en kende meer talen dan alleen Italiaans. Dat laatste was van levensbelang in de Toren van Babel die de vernietigingskampen waren. Het kleine beetje Duits dat hij sprak liet hij door een medegevangene bijspijkeren, tegen betaling van halve broodrantsoenen. Toen hij veel later, als directeur van een verffabriek eens onderhandelde met Duitsers, vroegen die, verbaasd over de plat- en ruwheid van zijn taalgebruik, waar hij Duits geleerd had. “In het Lager” was het pijnlijke antwoord.

Zijn studie zorgde ervoor dat Levi na een paar maanden ingedeeld werd bij het chemie-commando: Kommando 98. Eerst hield dat nog steeds sjouwen en graven en ander uitputtend werk in, maar in de winter van ’44-’45 kwam hij in het laboratorium van de Buna-fabriek (een dochteronderneming van IG-Farben) terecht. Dat betekende: warmte en veel dingen om te stelen. Die werden dan in het kamp weer omgezet in eten.

Alles wat Primo “organiseerde” (de kampterm voor de levendige handel) deelde hij met zijn vriend Alberto, die op zijn beurt hetzelfde deed. Zo aten ze samen het halve bord stijfgeworden soep op waar nog een lepel in stak, dat ze geruild hadden tegen een stel pipetten die Levi uit het laboratorium had meegenomen. Zo’n half leeggegeten bord kon in het Lager alleen komen van iemand die doodziek was. Vlak daarop kreeg Primo roodvonk en moest naar de ziekenbarak. Alberto niet, die had als kind roodvonk gehad. Vandaar dat Levi zonder hem achterbleef toen de Russen en dus de bevrijding vlakbij waren, en de Duitsers in de nacht van 17 op 18 januari 1945 alle “gezonde” Häftlinge meenamen op een dodenmars. De altijd optimistische en ongebroken Alberto die Primo erdoor gesleept had, kwam niet terug.

De bevrijding betekende niet dat de overlevenden meteen op een comfortabele trein naar huis werden gezet. Europa was een chaos. Primo Levi maakte een zes maanden durende zwerftocht door Polen, de Oekraïne, Wit-Rusland, Roemenië, Hongarije en Oostenrijk voordat hij thuis was. Die absurde reis waarin onbekommerd geluk en verschrikkelijke kwellingen elkaar in een moordend tempo afwisselden, heeft hij zeventien jaar daarna beschreven in Het Respijt. Thuis is iedereen er nog en gelukkig luisteren ze als hij dagen en dagen aan een stuk door vertelt.

De eerste maanden daarna zijn een verschrikking voor Levi. Hij heeft een oninteressant baantje bij een vernisfabriek aangenomen, maar door zijn hoofd spoken de schuldgevoelens, de beelden uit het kamp, “de naam en het gezicht van de vrouw die met mij naar de onderwereld was gegaan en niet was teruggekeerd”. Hij schrijft koortsachtig en zonder vooropgezet plan aan Is dit een mens. Dan ontmoet hij Lucia Morpurgo. Binnen een paar uur weet hij dat zij het is, voor de rest van zijn leven, en zo is het ook gegaan. Ze trouwen in 1947 en krijgen later een dochter, Lisa, en een zoon: Renzo.

In 1947 verschijnt ook zijn boek. Het wordt gunstig besproken, maar niemand koopt het. De laatste 500 exemplaren van de eerste druk zijn begin jaren zestig verloren gegaan bij de grote overstroming in Florence. Levi moet dus zijn brood op een andere manier zien te verdienen. Hij wordt scheikundig onderzoeker bij een kleine vernisfabriek bij Turijn. Daar blijft hij (uiteindelijk als directeur) tot 1975 werken. Pas dan wordt schrijver zijn hoofdberoep. Op dat moment is er al heel wat van hem verschenen, autobiografisch werk, dat inmiddels wel succes heeft in binnen- en buitenland, maar ook verzonnen verhalen. Een soort “fantastische vertellingen” waarin techniek en wetenschap vaak een rol spelen. Voor hemzelf zat er duidelijk verschil tussen zijn herinneringen en het meer literaire werk, zijn eerste bundel vertellingen verscheen onder het pseudoniem Damiano Malabaila.

Het afscheid van zijn loopbaan als chemicus noemde hij “een meer pure, minder besmette bevrijding” dan die uit het Lager. Toch bracht het hem niet helemaal wat hij gehoopt had. Vooral in de jaren tachtig stokte zijn produktie. Hij was vaak somber, had “de indruk de reservoirs te hebben uitgeput”. Het Lager bleef hetgeen dat hem het meest intrigeerde. De ideeën die hij naar aanleiding van zijn herinneringen aan Auschwitz in de loop der jaren ontwikkelde over de menselijke psyche, legde hij uiteindelijk vast in de bundel essays De verdronkenen en de geredden. Zijn naam is er definitief mee gevestigd.

De 11e april 1987 is een stralende lentedag, een van de eerste van dat jaar. Aan de Corso Umberto Re, in het huis waar zijn lievelingsstoel staat op dezelfde plek waar hij ruim 67 jaar eerder geboren werd, wordt Primo Levi dood aangetroffen op de bodem van de liftschacht. Is hij van de derde verdieping naar beneden gesprongen? Veel vrienden en familie denken van wel, ook al had niemand het verwacht. Was het een opwelling? Een langgekoesterd plan? Kon hij niet meer tegen de ziekte van zijn moeder die al heel lang verlamd in bed lag? Waren het toch de oorlogsherinneringen, of het feit dat het schrijven niet meer goed wilde lukken? In de documentaire van Netty Rosenfeld over Levi, die in maart door de VPRO werd uitgezonden, zegt Primo’s nicht Giulia dat hij waarschijnlijk niets meer te zeggen had. Hij had alles al opgeschreven. Op zijn graf staat: Primo Levi, 174517, 1919-1987.

‘Kort geleden was tango nog een vies woord, nu is het mode’

Astor Piazzolla, de in Nederland zeer populaire bandoneonspeler-componist bandleider, treedt volgende week vrijdag en zaterdag in Carré op met de voyante Italiaanse zangeres Milva. Liesbeth Koenen zag hun spektakelprogramma El Tango in Florence en sprak met de twee vermaarde musici.

“Milva is de vleesgeworden tango-muziek”, zegt Astor Piazzolla beslist. “Haar gezicht, haar haar, hoe ze loopt en zingt. Ze heeft temperament, ze is sensueel, dramatisch.” Al ruim twee en een half jaar zijn ze regelmatig te zien met het programma El Tango: Piazzolla met zijn nu tien jaar bestaande quintet, en Milva, de ‘panter uit Goro’ (het Italiaanse vissersplaatsje waar ze geboren is).

Vorige week in Florence, volgende week voor het eerst in Nederland, in Carré, dat daarmee zijn honderdjarig bestaan begint te vieren. Alle muziek is van Piazzolla, Milva is degene die zich met hart, ziel en een fabelachtige stem op de Franse, Italiaanse en Spaanse teksten werpt.

De show is een belevenis, het Florentijnse publiek juicht “Bravo!!” en “Brava!!” en ze hebben absoluut gelijk. El Tango is een perfect lopend en klinkend “spettacolo”.

De kleuren op het toneel zijn die van de tango: rood en zwart. “Het gevoel van de tango is zwart”, legt Piazzolla de volgende dag uit, “mijn instrument, de bandoneon, is zwart, en we zijn in het zwart gekleed.” Tussen hen door beweegt zich, in een fonkelende zwarte jurk, Milva met haar gigantische bos rood haar, op blote voeten. “De mensen zoeken daar allerlei sociologische redenen achter, maar in het theater in Parijs, waar we de show voor het eerst deden, kon ik gewoon geen hakken aan, en toen hebben we het later maar zo gelaten”, zegt ze daar zelf over.

Je zou het niet direct zeggen, maar ze is 47 en heeft al een lange carrière achter de rug. Ze werd populair met een liedje op het songfestival in Sanremo,in 1961 en zette sindsdien reeksen opera’s (waaronder de Dreigroschenoper van Brecht), films en televisieprogramma’s op haar naam. In Italië, maar ook in Duitsland en Frankrijk is ze razend beroemd. In Nederland daarentegen is Piazzolla (66) veel bekender.

Piazzolla is iemand die met overduidelijk genoegen over zijn leven en zijn werk praat. “Ik ben een en al Italiaans bloed. Ik voel me Italiaans. Mijn grootouders kwamen allemaal uit Italië, en er werd bij ons thuis in Argentinië Italiaans gesproken. Argentinië is eigenlijk een treurig en gewelddadig land. Als je alleen naar onze muziek luistert en niet naar onze gezichten kijkt dan merk je dat ook.”

”Maar wij hebben zo verschrikkelijk veel plezier in ons werk. We vormen al tien jaar een coöperatie, dus ik ben niet de grote meneer die al het geld binnenhaalt: alles wordt gedeeld. De groepsleden, de beste muzikanten van Argentinië, zouden ook alles voor me doen. Onze samenwerking is buitengewoon gelukkig en dat is niet gewoon in de tango-muziek. Ik moet ook zeggen dat de mensen buiten Argentinië meer van ons houden dan die daarbinnen.”

“Vooral in Nederland, een van de meest ‘avant-garde-landen’ ter wereld. Daar accepteerden ze ons meteen, vier vijf jaar geleden. Door de Vijf Tango’s van Hans van Manen werden we ook populair bij het balletpubliek. Ik vond zijn balletten zelf erg goed.“

“Maar instrumentale muziek is maar een ding, met Milva laat ik nu een ander deel van mezelf zien. Ik schrijf heel graag liederen en binnenkort wil ik wat dingen voor haar maken waar meer theater en toneelspel inzit. We doen dit programma nu al een hele tijd, en je moet uitkijken dat je geen bankbediende wordt die voortdurend hetzelfde doet. Dat lijkt me het vreselijkste wat me zou kunnen overkomen.”

“We zijn met El Tango in Argentinië geweest. Dat was zoets als ijsjes verkopen in Alaska. Ik denk dat het zo zit: mensen die van muziek houden, houden van mijn muziek, maar de mensen in Argentinië die van tango houden, houden niet van mijn muziek. De wortels van mijn muziek zijn voor honderd procent ‘tango’, maar daar bovenop zit 99 procent ‘muziek’. Dus wat gebeurde er? Argentinië stond op zijn kop en werd boos omdat Astor Piazzolla een Italiaanse zangeres meebracht, die niet in Argentinië geboren is en dus de tango nooit kan ’voelen’. Vooral de tangozangeressen waren woedend, ook al omdat ik nooit met ze wilde spelen. Ik heb een hekel aan de manier waarop ze zingen. Maar de mensen die van muziek houden waren weg van Milva, en een van de belangrijkste journalisten in Buenos Aires schreef: Buenos Aires verdient deze show niet. Ik was dus heel tevreden.”

“Vergeet niet dat tango tot heel kort geleden eigenlijk een vies woord was, geassocieerd met de onderwereld, drugs, alcohol, bordelen. Dat hield pas op nadat ik begonnen was op universiteiten en daarbuiten concerten te geven.“

”Mijn halve leven heb ik in clubs gespeeld, en ik haat die traditionele tango-wereld. Toen ik mijn eerste vrouw trouwde kreeg ik ook grote problemen: mijn ex-schoonfamilie begon te gillen toen ze hoorde dat ik tango speelde en in varieté-restaurants optrad. Op universiteiten bijvoorbeeld was het toen nog verboden tango te spelen. Nu is het erg in de mode.“

“Ik vraag me weleens af: wat gebeurt er toch? Ik denk dat de mensen iets anders, iets nieuws, een nieuwe opwinding nodig hebben. Op de radio is 99 procent van de muziek Engels of Amerikaans of een imitatie daarvan.“

”Tegenwoordig dansen mensen met twintig of veertig meter tussenruimte! Dan de tango! Die is als een liefdesdaad, een rituele dans die vlak tegen elkaar aan uitgevoerd wordt. Ik denk dat het Nederlandse publiek het ook geweldig zal vinden. Milva moet je zien. Ze is een dame. Wij vijven zijn heren. We kunnen het goed met elkaar vinden, zolang we respect voor haar hebben, en zij voor ons. Zij doet haar werk, wij het onze, dan gaat alles goed.”

Buiten het toneel blijkt Milva niet zozeer de vleesgeworden tango te zijn, als wel de vleesgeworden incarnatie van het begrip ‘diva’, met alle clichés die daarbij horen.

Slechts een kwartier te laat maakt de punctuele zangeres haar entree in de lounge van het bijzonder luxe hotel: met een enorme vos over haar schouder, en een goed donkere zonnebril op, komt ze aanstappen. Schouders opgetrokken, hoofd in de nek. Het contrast met de gezellige en in-tevreden baas Piazzolla die bij de ingang van zijn veel eenvoudiger hotel al stond te wenken is compleet.

“Foto’s?” zegt Milva “Niemand heeft tegen mij iets gezegd over foto’s! De ochtend na een voorstelling doe ik nooit make-up op.” Ter illustratie licht ze heel eventjes haar zonnebril op: de grote wimpers van gisteren ontbreken. Dat  zij de interviewster een glimp een glimp laat opvangen, is wonderbaarlijk  voor iemand die zich in zeven jaar huwelijk niet één keer zonder make-up aan haar man had vertoond, zodra ze uit de badkamer kwam moest hij het licht uitdoen. Uiteindelijk worden een paar plaatjes met zonnebril goedgunstig toegestaan.

Mijn vragen vallen vervolgens helemaal verkeerd. Als ik me verontschuldig voor het feit dat ik deels naar de bekende weg moet vragen, omdat ze in Nederland nog niet zo bekend is, begint ze ijzig over haar ‘absoluut sensationele triomf’ van vorig jaar in Amsterdam, met de opera La vera storia (op het Holland Festival).

Ook El Tango, dat weet ze zeker, zal bij het Amsterdamse publiek zonder enige twijfel een gigantisch succes worden, zoals overigens alles wat ze doet of gedaan heeft.

Pas na een minuut of tien ontdooit ze enigszins, plukt niet langer aan haar vingers en begint spontaan over mijn Toscaanse accent en vertelt over het vermoeiende leven dat ze leidt. “Sinds september heb ik vrijwel iedere dag gewerkt, ook met Kerstmis en Nieuwjaar. Tussendoor ben ik heel af en toe thuis in Milaan geweest. Daar woon ik met mijn dochter Martina. Die is 23 en studeert aan de universiteit. We hebben een fantastische relatie. Haar vader was degene die me voordat we gescheiden waren, stimuleerde om andere dingen te gaan doen dan alleen lichte liedjes zingen. Hij had enorm veel vertrouwen in mijn mogelijkheden, en ik heb ook een bijzondere stem. Ik kan bijvoorbeeld ook opera zingen, en zonder microfoon werken.”

” In 1965 ben ik begonnen met liederen van Brecht. Mensen die iets met hun muziek te vertellen hebben, die interessant zijn, daar werk ik mee. Het liefst doe ik iedere keer iets nieuws. Met Piazzolla werken nu, bevalt me goed, anders deed ik het niet. Met mijn lichaam en mijn zingen probeer ik me in te voegen in het quintet. We hebben voornamelijk een muzikale band. Buiten de voorstellingen ga ik niet met ze uit of zo, ik leid een heel ander leven. “

Die indruk maakt ze zeker. Dat zulke verschillende mensen op het toneel zo’n schitterend stel kunnen vormen is een wonder, maar wel een feit.

Astor Piazzolla en zijn quintet geven onafhankelijk van Milva drie concerten: vanavond in de Doelen in Rotterdam, morgen in De Harmonie in Leeuwarden en maandag in de Schouwburg in Leiden. Aanvang 20.15 uur.

194 gezichten op Florence

Florence is een onmogelijke stad. Tussen pakweg april en oktober is het eigenlijk helemaal geen stad, maar een groot bijzonder populair openluchtmuseum van de Renaissance. In het complete centro storico is niet één huis of gebouw te vinden dat er niet al eeuwenlang staat, en in vrijwel iedere straat en op ieder plein is er een kerk, een palazzo of iets anders fraais dat een collectie schilderijen, fresco’s of beeldhouwwerken bevat. Teveel mensen weten dat. Wie echt een idee wil krijgen van het Florence waarin Dante, Michelangelo, Galilei en da Vinci leefden raad ik dan ook aan in de winter zijn koffer te pakken en niet te vergeten Florence, a Travellers’ Companion mee te nemen.

Reisgidsen vertellen de toerist waar hij heen moet en wie wat wanneer heeft ontworpen of gemaakt. De Travellers’ Companion serie (eerder verschenen delen over Petersburg, Moskou, Napels en Edinburgh) blaast die wetenswaardigheden een beetje leven in. Het zijn verzamelingen van gevarieerde korte stukjes tekst uit alle tijden over de steden in kwestie. Het net verschenen boek over Florence wordt ingeleid door de historicus en estheet Harold Acton die al bijna zijn hele leven in Toscane woont. Hij vertelt in het kort de geschiedenis van de stad, van de stichting door de Romeinen in 59 voor Christus, via de heerschappij van de’ Medici tot aan de laatste grote overstroming van de Arno in 1966. Samen met Edward Chaney koos hij een kleine tweehonderd fragmenten over Florence uit.

De heren hebben daarbij eigenlijk nauwelijks gebruik gemaakt van puur literaire bronnen. De stad blijkt enorme hoeveelheden authentieke annalen, reisbrieven, dagboeken en memoires voortgebracht te hebben. Over het algemeen zullen die in hun geheel snel te droog en te veel een opsomming zijn in hedendaagse ogen, maar deze kleine stukjes, per onderwerp en min of meer chronologisch gerangschikt, zijn vrijwel zonder uitzondering leuk en informatief. Voorwaarde is wel dat de lezer Florence goed kent of zich inderdaad in de stad zelf bevindt. Het boek zou waarschijnlijk te dik en te onbetaalbaar zijn geworden als er van alle besproken plaatsen en dingen een foto, schilderij of tekening in had gestaan. Nu moeten we het met her en der een getekend plaatje doen, en soms is dat jammer.

Bijvoorbeeld bij de uitvoerige beschrijving, onder andere door de maker zelf, van de Paradijspoort, een van de ingangen van het Baptisterium dat voor de dom staat. Ghiberti werkte 28 jaar aan de bronzen bijbelscènes in reliëf die deze deur bedekken. Ze zijn geweldig fraai, maar helaas alleen van een afstandje te bekijken. Toch krijgen ze een iets ander aanzicht voor wie de verhalen gelezen heeft over de wedstrijd die vooraf ging aan het toekennen van de opdracht aan Ghiberti. Een fragment vol roddel en achterklap van iemand die vond dat concurrent Bruneleschi had moeten winnen is heel levendig en overtuigend geschreven.

De meeste stukjes munten niet uit door hun fantastische stijl, maar ontlenen hun kracht aan het feit dat ze tonelen of gebeurtenissen die voorbij zijn beschrijven, terwijl de entourage waarin een en ander plaatsvond nog dagelijks te bezichtigen is; het plein voor de Santa Croce kerk waar gevechten met stieren en herten en leeuwen werden gehouden en waar men uitbundig carnaval vierde, de dom (Santa Maria del Fiore) waar Lorenzo de’ Medici bijna vermoord werd tijdens de Hoogmis, en het gebouw van de Misericordia waarheen anonieme, volledig in het zwart gehulde vrijwilligers zich spoedden zodra de klokken van de ernaast gelegen Campanile van Giotto op de afgesproken manier luidden om aan te geven dat er een ongeluk gebeurd was.

Vaak is het alleen aan kerken voorbehouden om tot in lengte van jaren hun oorspronkelijke functie te behouden. In het Bargello wordt niet langer vergaderd door de gemeenteraad, en ook worden er geen mensen meer verhoord. Tegenwoordig mag iedereen op de prachtige binnenplaats de monumentale trap naar de beeldhouwwerken van onder andere Donatello bestijgen. En in het Palazzo Pitti huizen allang geen prinsen meer maar een stuk of vier musea.

Ook het Ospedale degli Innocenti, het vondelingentehuis, staat tegenwoordig leeg en is voor publiek toegankelijk. Het is moeilijk je voor te stellen dat het in de zestiende eeuw bevolkt werd door meer dan 1300 “monden die gevuld moesten worden”. Pas na 1577 hoefden de kinderen er niet meer dood te gaan van de honger, omdat men toen voor het eerst hoorde dat koeiemelk even voedzaam was als melk van de min. Aan de uitvoering van het gebouw klopt overigens van alles niet omdat de architect, Bruneleschi, (dezelfde die de gigantische domkoepel ontworpen heeft) op reis was toen zijn model nagebouwd werd. Het Ospedale werd door het Florentijnse Wolgilde opgezet en onderhouden en heeft ervoor gezorgd dat nog steeds veel mensen in de stad de achternaam Innocenti of degli Innocenti dragen.

Onmenselijke proporties
Sommige dingen veranderen ook niet. Zoals de jonge intellectuelen van Florence, die Dylan Thomas al in 1947 beschrijft als mensen die bij hun moeder wonen en op scooters rijden. Hij is trouwens een van de weinigen in het boek met een flinke afkeer van Florence, dat hij een gruelling museum noemt waar hij helemaal ziek wordt van de vini en de contadini en de bambini. Het is vermakelijk om af en toe zo’n tekst tegen te komen tussen alle loftuitingen.

Zo beklaagt een achttiende eeuwse bezoeker van de stad zich over de omvang van de dom. Wie ervoor staat kan onmogelijk een complete indruk van de kolos krijgen, de proporties zijn onmenselijk vindt hij. Dat was ongetwijfeld ook de bedoeling van de makers, maar hij heeft wel gelijk als hij zegt dat het inderdaad gigantische gebouw alleen vanaf de heuvels buiten de stad goed te zien is. Dat de protestantse Mark Twain vindt dat Titiaans (uiteraard naakte) Venus van Urbino niet door de beugel kan (I saw young girls stealing furtive glances at her; I saw young men gaze long and absorbedly at her; I saw aged, infirm men hang upon her charms with a pathetic interest) is niet echt verbazingwekkend, maar levert wel amusante lectuur op.

Mooi, rijk en aantrekkelijk als Florence schijnbaar altijd geweest is bleef het natuurlijk toch niet gespaard voor natuur- en andere rampen. Zeer regelmatig trad de Arno buiten haar oevers en zette grote delen van de stad onder water, de laatste keer nog maar twintig jaar geleden. De pestepidemie van 1348 halveerde de bevolking letterlijk. In het boek is een passage uit Boccaccio’s Decamerone hierover opgenomen. Hij vertelt over de angstaanjagende en verbazingwekkende kracht van de ziekte die naar het leek zelfs via de kleren van een overleden pestlijder overgebracht kon worden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Duitsers drie van de vier bruggen over de Arno opgeblazen. Alleen de Ponte Vecchio waar sinds mensenheugenis de juweliers hun winkeltjes hebben, bleef gespaard. Een ooggetuigeverslag van een van de evacués die zich in het Palazzo Pitti bevonden is hartverscheurend.

Alles bij elkaar is deze Travelers’ Companion een inspirerend boek dat veel beroemde plaatsen en namen een context geeft. Daarnaast is het een rare vergaarbak van curiosa die soms heel nieuwsgierig maken. Zelf had ik bijvoorbeeld nog nooit van het fenomeen Cicisbeo gehoord. De cicisbeo wordt door een achttiende eeuwse Engelse graaf beschreven als een ‘huwelijks-aanhangsel’. Binnen een week nadat ze getrouwd zijn kiezen dames een heer uit die deze functie gaat vervullen. Vanaf dat moment gaat mevrouw alleen nog met haar cicisbeo uit. Hij is degene die haar ’s ochtends van een kopje chocola voorziet, haar pantoffels aanreikt, met haar op visite gaat en voortdurend als een soort huisslaafje op de achtergrond aanwezig is. Alleen tijdens de maaltijden is hij er niet: dan komt meneer thuis van zijn eervolle werk ..als cicisbeo. Van jaloezie is bij dit alles nooit sprake. Voorwaar, een fascinerend verhaal.

Natuurlijk is er nog veel meer over Florence te zeggen dan in dit boek gebeurt. De binnenkant van de verschillende musea bijvoorbeeld komt maar heel af en toe aan bod en verslagen uit deze eeuw, vooral van de laatste decennia, ontbreken bijna volledig. Juist in deze jaren is Florence volledig volgestroomd met de toeristen voor wie het boek bedoeld is. Door dit boek zullen het er alleen maar meer kunnen worden. Misschien dat het gemeentebestuur van de Europese Culturele Hoofdstad van het jaar dan eindelijk eens kan besluiten de musea ook na twee uur ’s middags te openen. Dat spreidt de bezoekers tenminste een beetje. En het zou prettig zijn als ze dan tegelijk de niet-ontspiegelde glasplaten voor de schilderijen in het Uffizi-museum zouden weghalen.

Het raadsel van het ik-betaal-niet-syndroom

Handboek Italië, Gids voor de jaren negentig, door William Ward. Vertaling Arnan Oberski, Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 430 p., 1993

 

In mijn album zit een foto van twee Italiaanse jongens – ze waren indertijd rond de dertig – die in een Florentijns café tegelijkertijd hun moeder staan te bellen. Om te zeggen dat ze niet thuis komen lunchen. Toen het gebeurde dacht ik: dit cliché over Italië moet vastgelegd. De twee hadden ook geen enkel bezwaar tegen die foto. Alle Italianen die ik ken kunnen uren praten, lachen en klagen over de gewoontes en gebruiken in hun land.

Dat is William Ward ook opgevallen. Zeker dat zogeheten mammismo (“de moedercultus, maar dan alleen voor zover moeder alles voor haar zoon doet”) is een geliefd onderwerp van gesprek merkt hij op in zijn Handboek Italië, Gids voor de jaren negentig. Ward is een Engelse journalist die sinds 1979 in Italië woont, en hij heeft een werkelijk voorbeeldig boek over dat land geschreven.

Eigenlijk komt het er op neer dat hij zelf het soort naslagwerk heeft gemaakt dat hij graag in handen gehad zou hebben toen hij naar Italië vertrok. Toch is het niet alleen een handig opzoekboek geworden. Je kunt gewoon bij hoofdstuk I ‘La Società: de samenleving’ beginnen en zonder je een moment te vervelen doorlezen tot en met het laatste hoofdstuk over ‘lichaam en geest’. Tussendoor kom je dan als grote onderwerpen nog het land, de staat, de politiek, het systeem, de economie, en vrije tijd, kunst en media tegen. Het register achterin en de paragraafindeling voorin maken het boek voor alle doeleinden geschikt.

De tekst is ingedeeld in twee kolommen. De smalle in de marge leert je snel iets over een scala aan zaken: welke chiquere badplaatsen hun rioolpijpen op een afstand houden, wie wie kust in Italië en wanneer, welke sociale voorzieningen er zijn en hoe de bijbehorende instellingen heten, wat de nationale feestdagen zijn, welke tarieven in de seksindustrie gelden, dat je bij een openluchtconcert veel herrie kunt verwachten, en dat je in een noodgeval er verstandig aan doet zelf voor ambulance te spelen door een witte vlag uit je raampje te hangen en luid toeterend naar het ziekenhuis te rijden.

De brede kolom geeft achtergronden. Verhalen over hoe Italianen hun huis inrichten (vaste vloerbedekking vinden ze vies) en wat je voor commentaar kunt verwachten wanneer ze bij jou op bezoek komen (ze zullen je het hemd van het lijf vragen over je huis). De nog altijd zeer centrale rol van de familie komt natuurlijk aan bod. En hoe er tegen seks wordt aangekeken (de invloed van de kerk neemt flink af, maar toch slikt maar acht procent van de vrouwen de pil, tegenover 35 procent in Nederland), en tegen de dood (daar praat je niet over).

Dan zijn er de geschiedenis van de Italiaanse staat, de problemen met de buitenlandse politiek (die botst met de Italiaanse cultuur van veel mooie woorden en vrijwel niets doen), de eet- en drinkgewoonten in het land (drinken doe je feitelijk alleen bij het eten), de verbijsterend slecht geregelde gezondheidszorg (in Italië wordt daar evenveel aan uitgegeven als in Nederland, maar in een ziekenhuis loop je goede kans zelfs niets te eten te krijgen omdat de keuken geplunderd is en de maaltijden verkocht), en natuurlijk alle vormen van misdaad, van de mafia tot het terrorisme van links.

Ward geeft dingen een context en doet dat in een prettige schrijfstijl, met precies de goede hoeveelheden betrokkenheid en distantie. Net als zoveel anderen, inclusief de Italianen zelf, moet hij wel van Italië houden terwijl hij het tegelijkertijd op gezette tijden verfoeit. Wat Ward doet is de clichés over Italië, die nu eenmaal inderdaad echt allemaal waar zijn, onderbouwen. Ondermeer met veel cijfers: van de jaaromzet van een rijtje modeontwerpers tot het percentage Italianen dat een bankrekening heeft (59, tegenover Nederland 93).

In dit verband moet trouwens de Nederlandse vertaling geroemd worden. Die is sowieso prima, maar de Nederlandse versie heeft ook nog wat extraatjes gekregen: veel vergelijkingen met de toestand in Nederland én veel vers cijfermateriaal. De Engelse versie is al uitgekomen in 1990, maar in de staatjes staan vaak gegevens van daarna.

Maar na het verschijnen van dit Handboek is er natuurlijk wel wat meer gebeurd in Italië dan het bijwerken van de statistieken. Het ‘sistema’ kraakt in al zijn voegen. Het lijkt er werkelijk op dat politici en misdaad iets van hun ijzeren greep op de samenleving beginnen te verliezen. Begrijp je dat beter na het lezen van Wards handboek? Eerlijk gezegd: nee. Juist omdat het alle standaardideeën nog eens bevestigt, blijft Italië een raadsel.

Wat ik vooral niet begrijp – en ook nooit begrepen heb – is hoe het land überhaupt kan functioneren. Het ‘e io non pago’ (en ik betaal niet)-syndroom viert er hoogtij, de staat wordt door vrijwel niemand gezien als een behartiger van de belangen van de burgers, miljoenen mensen verschijnen bijna nooit op hun werk maar houden er in plaats daarvan een ander baantje op na, en de bureaucratie is zo verschrikkelijk (reken er op dat het twee jaar duurt voor je een kentekenbewijs hebt) dat je zou verwachten dat elk initiatief in de kiem gesmoord wordt. En dan zwijg ik nog over alle afpersing en corruptie.

En ondanks alle gekanker leeft iedereen voor het oog gewoon door, zonder de indruk te maken erg ongelukkig of straatarm te zijn. Hoe dat kan is niet goed te vatten. En waarom het nu dan toch is gaan wankelen valt vanzelfsprekend niet direct op te maken uit het Handboek van Ward. Wat dat wel laat zien is hoe overweldigend de problemen zijn, en hoe moeilijk het zal wezen om het ‘sistema’ zo te reorganiseren dat de vicieuze cirkels doorbroken worden en er een andere mentaliteit kan ontstaan.

Verder is het boek gewoon perfect voor iedereen die ook maar iets meer van het dagelijks leven in Italië wil weten, of je er nu zelf wilt gaan wonen of niet. Het staat vol met dingen die je nergens anders bij elkaar kunt vinden: hoe heten al die partijen en vakbonden, wat heb je er voor kranten en tijdschriften, en wat is hun signatuur, welke topindustrieel hoort ook alweer bij welk bedrijf, wie zijn de beroemdste filmregisseurs, enfin, er komt bijna geen eind aan.

En overal staat de Italiaanse term bij. Daar waar ik het kon nagaan kloppen Wards gegevens, en ook deel ik veel van zijn ervaringen (de stopcontacten zijn inderdaad net zo gevaarlijk als ze eruit zien, en het dragen van een autogordel of een valhelm op de Vespa vinden Italianen werkelijk stiekem een afgang). Waarschijnlijk ligt het dus aan mijn blik dat ik Italianen nooit anders dan supersentimenteel met hun huisdieren heb zien omgaan, terwijl Ward zegt dat ze ze meestal slecht behandelen.

Een maatschappij van wederzijdse bewondering

ITALIAN LABYRINTH, An authentic and revealing portrait of Italy in the 1980s, door John Haycraft Uitgever: Penguin, 314 p., f 22,95

‘Jezus was vast een Italiaan, want hij woonde tot zijn dertigste bij zijn ouders, hij geloofde dat zijn moeder maagd was en zijn moeder dacht van hem dat hij God was.’ Het Italiaanse familieleven in een mop samengevat.

Het is een klein gangetje uit het Italian Labyrinth waar John Haycraft zijn lezers in een ruim driehonderd pagina’s tellend boek doorheen voert. Hij kent de weg en is daardoor een prettige reisleider.

In 1983 heeft Haycraft, tijdens een jaloersmakende tocht samen met zijn vrouw alle uithoeken van Italië bekeken. Niet dat hij het land nooit eerder bezocht had: in zijn voorwoord zegt hij Italië al bijna een halve eeuw te kennen. Het boek beperkt zich echter tot een portret van de situatie op dit moment: de jaren tachtig, maar die waren er natuurlijk nooit gekomen zonder hun voorgeschiedenis. Die komt dus ook regelmatig aan bod.

Haycraft probeert de Italiaanse laars van top tot teen tot leven te brengen. Aangenaam koutend neemt hij ons mee van Trento en Turijn in het noorden (vol ‘gastarbeiders’ uit het zuiden), via Rome en Napels naar Palermo op Sicilië. Daarbij laat hij de obligate toeristenpraatjes achterwege, vaak ook verlaat hij de grote beroemde steden en trekt de bergen of de heuvels in naar de stadjes en dorpen die daar liggen.

En overal laat hij ons kennis maken met plaatselijke notabelen of voorbijgangers en winkeliers, die sprekend opgevoerd worden. Een levendig reisverslag gelardeerd met feiten en anekdotes is het resultaat.

Dwars door de reis heen lopen de verschillende onderwerpen die het portret bevat: het boek telt tien hoofdstukken met titels als the land, the economy, the family en the church. Het laatste hoofdstuk is de conclusie. Haycraft stelt daarin dat de Italianen erg aan de goede dingen des levens hechten, het zijn ‘pleasure people’, maar ze zullen dat niet overdrijven: drinken doen Italianen bijvoorbeeld uitsluitend tijdens het eten, om de smakelijkheid van het voedsel te verhogen.

In dit verband is het verhaal van een Engelse leraar in Palermo illustratief. Die nodigde op een dag zijn studenten op een echt Engels feestje met wijn en pinda’s. Binnen een half uur was vrijwel iedereen vertrokken omdat er niets te eten was, in allerijl gehaalde sandwiches kwamen te laat: het feest was al voorbij.

Een ander centraal begrip uit de Italiaanse cultuur, concludeert Haycraft verder, is de bella figura, in het Nederlands uitstekend te vertalen met ‘een goed figuur slaan’. Voor Italianen is dat zo belangrijk dat Haycraft zelfs over een ‘maatschappij van wederzijdse bewonderings’ spreekt: complimenten over mooie kleren, mooie auto’s en goed eten zijn van levensbelang.

Hemzelf was het op Sicilië een keer overkomen dat de man aan wie hij zijn goedkope oude horloge liet zien, meteen vroeg of Haycraft al getrouwd was toen hij dat horloge kocht. Op Haycrafts ‘Nee’ riep de Siciliaan verbaasd uit: ’En met dat horloge heb je je vrouw gekregen!’

Daarmee zijn we weer middenin de Italiaanse familie terecht gekomen, bij uitstek een ‘cliché van buitenlanders’ klaagt een dame uit het noorden van het land tegen Haycraft. ‘Net als de pizza! Het is gewoon een van die dingen die altijd met Italië geassocieerd worden.’ ‘Ja’, antwoordt Haycraft, ‘maar net als de pizza bestaat het wel’. Voor hem zijn de maffia en de camorra ook gewoon ‘broader families’. Alle families, zegt hij, vormen economische eenheden, waarbinnen iedereen op de overige leden kan rekenen en terugvallen als dat nodig is.

Zekerheid, vertrouwen en warmte vindt men daar, net als in de kerk, die in Italië overigens ook voor niet-gelovigen een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven blijft.

Belasting ontduiken

Een verklaring voor die gerichtheid op de familiekring is volgens Haycraft te vinden in het feit dat het land Italië nog maar zo jong is (ruim een eeuw). Tot voor kort was er ook niets anders dat zekerheid kon bieden: vreemde overheersers wisselden elkaar in flink tempo af.

Het verleden leeft nog hevig: mensen vertellen over zaken die honderden jaren geleden gebeurden alsof ze er zelf bij zijn geweest (over het geld dat de Venetiërs drie eeuwen terug aan de kerk schonken omdat ze de pest hadden overleefd bijvoorbeeld!). De gemiddelde Italiaan ziet de overheid nog steeds als zijn natuurlijke vijand, die hem alleen maar geld kan kosten. De bereidheid de belasting te ontduiken is nog veel groter dan in andere Europese landen.

Maar de bureaucratie met zijn af en toe volstrekt absurde regels is er ook nog stukken erger. Een simpele echtscheidingsprocedure duurt al snel zeven jaar. Het idee dat een officiële instantie er zou zijn om het publiek te dienen is in Italië een belachelijke gedachte.

Verder schijnt het echt zo te zijn dat vrijwel elke overheidsdienaar ook nog ergens anders een baantje heeft. Op ieder kantoor is er één fanatico die het werk van iedereen doet. Een wonderlijke constructie.

Je vraagt je met Haycraft af hoe dit land zich sinds het einde van de oorlog zo snel en goed heeft weten te ontwikkelen. Hij houdt het op de hechte organisatie en de loyaliteit van alle families en clans. En bijvoorbeeld op de grote hoeveelheden geld die in het arme zuiden (in Italië ‘mezzogiorno’, middag, geheten) gepompt zijn. Veel daarvan is natuurlijk in maffia-broekzakken terecht gekomen, maar alleen al het aanleggen van de autostrada naar het zuiden heeft enorme economische betekenis gehad.

Haycraft is al met al ook heel positief over de ontwikkeling van Italië in de afgelopen jaren (‘economie trekt aan’, ‘inflatie omlaag’, ‘productie gestegen’, ‘Rode Brigades opgerold’) en daarin doet hij naar mijn smaak af en toe iets te Lubberiaans aan. Hij beschrijft in zijn boek een heel stel bezoeken aan bedrijven (Olivetti, Fiat, Buitoni), maar daar praat hij telkens alleen met de directeur of de P.R.-man.

Dat wordt af en toe hinderlijk, maar ach, dan komt er gelukkig weer gauw een mooie anekdote die alles goedmaakt.

Natuurlijk kijkt Haycraft met echt Britse ogen tegen alles aan. In de inleiding van zijn boek waarschuwt hij daar zelf ook voor. Begrijpelijkerwijs barst zijn relaas van de vergelijkingen met de gang van zaken, de cijfers en de prijzen in Engeland. Een Nederlandse blik had ongetwijfeld iets anders te zien gegeven.

Haycrafts enorme verbazing over de manier waarop Italianen met kinderen omgaan (ze zijn er vriendelijk tegen, en laten ze in hun ‘kinderlijke waarde’) kan ik bijvoorbeeld niet delen, en ik blijf toch altijd wat huiverig voor uitspraken over de Italiaan. Kindermishandeling, om maar eens iets te noemen, komt ook in Italië vast wel voor. Al moet ik toegeven: veel van wat Haycraft beschrijft komt me verdomd bekend voor, en helemaal toevallig zal dat niet zijn.

Zelf wilde ik na het lezen van dit boek allerlei plekken dolgraag eens gaan bekijken. Ik denk dan ook dat Italian Labyrinth een rijke en originele reisgids kan zijn voor de toerist die meer dan alleen zon en zee zoekt op zijn vakantie.

Voedsel en macht hebben veel met elkaar te maken

Macht moet je etaleren, ook aan tafel. Dat deden dus de pausen – en hun keuken en tafelmanieren werden een voorbeeld, zegt Peter Rietbergen (1950) van de Radboud Universiteit Nijmegen. De hoogleraar cultuurgeschiedenis schreef Bij de Paus aan Tafel. Culinaire Cultuur in Rome en Europa tijdens de Renaissance en de Barok aan de hand van twee pauselijke kookboeken, uit 1470 en 1570.

Wat stond er in die kookboeken?

Niet alleen wat er gegeten werd, met welke ingrediënten, maar ook hoe je het opdient en in welke sfeer je het beste eet. Er was voor het eerst meer op de markt dan in de middeleeuwen – uit het Verre Oosten, en uit Amerika. Gerechten werden anders, gevarieerder, en, als je macht wilde tonen, ook bewerkelijker. Bijvoorbeeld een gevulde kwartel die in reebout ging, waarmee een wild zwijn werd gevuld.

Maar eigenlijk gingen die boeken ook over hoe je moet leven. Je moest je beheersen, en niet met zijn allen tegelijk graaien in de schotels en dan met je vette vingers rondzwaaien. Lepels en vorken kwamen later, maar er werd rondgegaan met water, en servetten werden belangrijk. Eten werd een ritueel waarmee je liet zien beschaafd te zijn. Tafelmanieren zijn nog steeds een onderscheidend criterium in de maatschappij.

Waarom speciaal de paus?

De paus was uniek: Christus’ plaatsvervanger, hoofd van de wereldkerk, en tot 1870 ook nog koning van een derde van wat nu Italië is. Aan zijn hof kwam heel Europa, om te zien hoe macht eruit zag, en hoe het hoorde. Tafelcultuur was een centraal element in diplomatie. In elke religie stond voedsel centraal in de relatie tussen de bovennatuur en de mensen. Voedsel en macht hingen fundamenteel samen. Dat toont de eucharistie in de katholieke kerk, het avondmaal in de protestante. Maar bovendien moest ieder vorst zorgen dat zijn onderdanen geen honger leden, anders verloor hij zijn macht.

De banketten waren dus machtsvertoon?

Ja, dikwijls werden honderden toeschouwers uitgenodigd. Die zagen de paus of de kardinaal-staatssecretaris dineren met de machthebbers van de wereld, en beseften hoe machtig de paus-koning was. Soms maakte een hofschrijver een verslag van zo’n banket. In druk, met illustraties, zag een nog groter publiek dan hoe de machtigen leefden. En de twee pauselijke kookboeken leerden Europa wat en hoe je at, in drie of vier gangen. Een gang kon bestaan uit 20 of 30 verschillende gerechten, een heel banket dus uit wel 140 gerechten.

Was wat ze aten lekker?

Naar onze smaak was veel erg zwaar, en de combinatie van vis en vlees of van zoet en hartig in één gerecht was veel gewoner. Regelmatig maak ik voor mijn gasten tonijn in kleine stukjes, met gedroogde pruimen en zure kersen, en in olie gesmoorde gesnipperde ui. Daarbij gegiste witte wijn, wat agresto heette – witte wijnazijn kan ook – en peper en kaneel, en eventueel wat gember en saffraan. Dat gaat in de oven, en is heel lekker.

Zondag 9 september spreekt prof. dr. Peter Rietbergen over ‘Voedsel en religie’. 14.00 uur. Museum Boerhaave, Lange St. Agnietenstraat 10 Leiden. Toegang: museumkaartje.

NRC Next publiceerde een ingekorte versie van dit interview op woensdag 5 september, onder de mooie kop ‘Niet enkel liefde, maar ook macht gaat door de maag’

Romantisch Italië, gezien door de ogen van een banketbakker

Hij joeg op het gouden licht van Italië en zonder Claude Lorrain (ongeveer 1600-1682) zouden onze parken er waarschijnlijk heel anders uitzien. Het Teylers Museum, waar kunst en wetenschap nooit uiteen zijn gegaan, bezit veel werk van de landschapsschilder. Nu loopt er een succesvolle tentoonstelling, mede samengesteld door kunsthistoricus Michiel Plomp (1958). Hij is hoofdconservator kunstverzamelingen van het net voor de UNESCO Werelderfgoedlijst voorgedragen museum.   

Eerlijk gezegd kende ik Claude Lorrain niet.

Dat komt omdat we in Nederland oogkleppen op hebben als het om de zeventiende eeuw gaat. Dan denken we aan onze eigen Gouden Eeuw, met de Hollandse meesters. Bij landschappen zien we Ruysdael en Van Goyen voor ons. Maar in Rome was er een groep die geïdealiseerde arcadische landschappen schilderde. Dat was een aparte tak van sport, en Claude Lorrain is het opperhoofd, de uitvinder van dat genre.

Tot aan het impressionisme was dat de norm, die bijvoorbeeld werd nagevolgd door veel bekendere namen als Turner en Constable. Maar Claude Lorrain was eeuwenlang een groot voorbeeld voor schilders in heel veel landen. Het mooie is dat hij het begin van zijn kunst van Nederlanders leerde. Dat is nogal onderbelicht gebleven. 

Wat voor Nederlanders waren dat?

Er was een groep die in Rome zat, en het Italiaanse landschap als onderwerp had. Mensen als Van Poelenburch en Breenbergh, die niet echt in het Nederlandse plaatje pasten. Lorrain, van oorsprong een banketbakker die uit Lotharingen kwam, ging naar Rome, en werd opgenomen in de groep. Er zijn prenten van de inwijdingsrituelen, waar veel drank aan te pas kwam, en waaraan hij lekker meedeed.

Ze noemden hem Orizzonte, omdat hij steeds naar de horizon tuurde op zoek naar manieren om het gouden licht vast te leggen. Hij schilderde wilder en hartstochtelijker dan de anderen, soms bijna impressionistisch, in zijn pogingen dat licht te vangen. De Hollanders beïnvloedden zijn onderwerpskeuze: niet de bijbel en mythologie, maar wasvrouwen en prostituees, het echte leven. En hij leerde van de Hollanders buiten schilderen, naar de natuur. Maar ook hoe je op papier lichtcontrasten kunt maken. 

Hoe moet dat dan?

Eigenlijk is het heel simpel. Witgelaten papier met donkerbruine wassingen van penseel en bruine inkt geeft subliem het effect van Italiaans zonlicht. De Hollanders hadden dat al begrepen.  Zijn werk lijkt overigens nog mooier en warmer te worden in de loop van de tijd. Dat is wel gek. Een voorvoorganger van mij heeft in de achttiende eeuw een beetje gekliederd aan een van die tekeningen, met een soort grijze inkt. Dat doet vermoeden dat ze oorspronkelijk niet zó bruin waren als nu.

Maar hij had zelfs invloed op de werkelijkheid.

Ja, in de loop van achttiende eeuw werd hij in Engeland zo enorm populair, dat toen mede onder zijn invloed heel veel idyllische, zogenaamd natuurlijke landschapsparken zijn aangelegd. Daar zijn veel van onze parken weer van afgekeken.

Zondag 8 januari spreekt dr. Michiel Plomp over ‘Leermeesters uit alle windrichtingen. De wording van kunstenaar Claude Lorrain’. 13.00 uur. Teylers Museum, Spaarne 16
Haarlem. Toegang: museumkaartje plus € 3,-.

‘Hollandse hartsttocht’ kopt NRC Next ’s ochtends boven dit interview.

De wereld volgens Margreet Hirs

Misschien had ik wel een overdosis moslimdiscussie te pakken, een allergische reactie ofzo – hoe dan ook, ik was even akelig ziek. En toen dat overging in afwisselend dromerig waken en droomrijk slapen, had ik toevallig een bijpassend medicijn in huis: het droomland waarheen Margreet Hirs me met elk boek meeneemt. Haar nieuwe Haventijd lag net naast m’n bed toen ik er ook overdag in belandde.

Immense vertrouwdheid is een van die dingen die dromen vaak bieden. Je bevindt je op locaties waarvan je zeker weet: dit ken ik, hier hoor ik, dit is thuis, zelfs als dat niet waar is. Hirs bezorgt me keer op keer dat gevoel doordat ze Italië en de Italianen door en door kent en tot in haar poriën aanvoelt. Het land is het schijnbaar terloopse decor dat al haar werk een ongekende hoeveelheid sfeer geeft. Ik maak me sterk dat het zelfs geen moer uitmaakt of je Italië kent of niet, lees erover bij Hirs en je begrijpt alles.

Maar haar boeken zijn geen simpele liefdesverklaring aan Italië. Dat is hooguit een extraatje. Romeins theater, Bittere honing, Rood en groen en ook Haventijd gaan over volharding tegen de klippen op, verregaande laksheid en kortzichtige ambitie, eenzaam afzien voor de goede zaak, loyaliteit, ongecompliceerde lust, schofterig egocentrisme, het menselijk gezicht van de zelfkant, de geuren, kleuren en smaken, en de butsen en builen van het echte leven. Ook de recente actualiteit (dit keer onder meer de antiglobalisten en een verdwaalde islamitische zelfmoordterrorist) is iedere keer slim verweven in de verhalen. Hirs heeft mensenkennis en haar wereldbeeld is dientengevolge verre van vrolijkmakend, maar toch word ik van al haar boeken vrolijk.

Margreet Hirs, pasen 2008. foto: Liesbeth Koenen

Dat komt doordat ze stiekem inderdaad een beetje een droomwereld schept, met behulp van magisch-realistische elementen, en andere kleine wondertjes. Op zich wonderlijk dat ik daarvoor val, want ik hou niet zo erg van schrijvers als Márquez, Allende en Lampo, noch van sprookjes voor volwassenen (The Lord of the Rings). Maar bij Hirs is een pratend zwijntje, een kakkerlakje als huisdier, een magische ring, een weemoedig weeklagende oude stad zowel ontroerend als geloofwaardig. Ook het satanisch genoegen waarmee ze bad guys tussen de bedrijven door akelig aan hun end laat komen en good guys (en dolls) wat geluk gunt, doet mij glimlachen en grinniken.

Datzelfde effect had indertijd het lezen van het oorspronkelijk Mexicaanse, trouwens ook als ‘magisch-realistisch’ gecategoriseerde, en al even zinnenprikkelende boek Rode rozen en tortilla’s. Margreet Hirs is de Laura Esquivel van de Lage Landen. Maar ja, haar werk staat te boek als ‘literaire thrillers’, en het wordt uitgegeven door een thrilleruitgever. En inderdaad, er zitten altijd thrillerelementen in, maar het heeft nooit iets van een whodunnit. Gevolg is wel dat als je ernaar vraagt in de ene prestigieuze hoofdstedelijke boekhandel ze Hirs’ nieuwe boek niet eens besteld hebben, en in de andere zeggen ze ‘we verkopen heel weinig van haar’. Tja, als je haar werk niet ruimhartig inslaat en uitstalt… Dat zal wel te maken hebben met het feit dat recensenten slecht uit de voeten kunnen met boeken die eigenlijk buiten de geijkte standaardindelingen vallen. Maar u weet nu wat u met de boekenbonnen van de Sint moet doen: haal Hirs in huis.

Etrusken waren de eerste leverkijkers

De wat mysterieuze Etrusken, die vanaf de elfde eeuw voor Christus Toscane en omgeving bevolkten, hadden een eigen taal en ook eigen gebruiken. Het terrein van etruskoloog Bouke van der Meer (1945). Hij is oud-universitair hoofddocent Klassieke Archeologie. Vorig jaar verscheen zijn boek over Etruskische rituelen, Etrusco Ritu.  

Kunnen we Etruskisch lezen?

Jazeker, maar de bewaarde teksten zijn beperkt in hun onderwerpen: erg vaak opschriften en grafteksten. De langste tekst die we kennen, 1300 woorden, staat op een mummiewindsel uit Egypte. Het is een soort religieuze kalender. Ik heb wel hoop dat in Egypte ooit nog meer op zal duiken. We zitten nu met heel veel hapax legomena, woorden die maar een keer voorkomen. Daar de betekenis van bepalen is erg lastig, nieuwe teksten waarin ze voorkomen kunnen dan uitsluitsel geven. 

Maar dingen te weten komen over rituelen lukt wel?

Je kunt archeologische vondsten combineren met teksten, ook met latere verhalen. Bij het graf van een vrouw is bijvoorbeeld een prachtig huismodel gevonden, met aan alle vier de kanten als een soort stripverhaal afbeeldingen van rites de passage. Onder meer van het huwelijk, waarbij de vrouw wordt overgedragen.

Van de 3000 bewaard gebleven Etruskische spiegels heeft de helft afbeeldingen.  Zo is er een met een voorspellende baby met grijs haar. Daarover zijn literaire Romeinse teksten van veel later. En er is de beroemde bronzen  lever van Piacenza. Die is onderverdeeld in heel veel vakjes, met namen van goden. Het schouwen van de levers van schapen en runderen kwam van de Etrusken. Zo werden de goden geraadpleegd. Net als door middel van donder en bliksem. Daar zagen schouwers gunstige en ongunstige voortekenen in.

En rond begrafenissen zijn er ook opmerkelijke rituelen. Zo zijn er schokkende plaatjes van seksscènes. Het ziet er echt naar uit dat men na begrafenissen van bil ging met elkaar, om het zo maar eens uit te drukken. 

Een heel bekend motief, erotiek en de dood.

Rituelen gaan vaak over dezelfde zaken. Al veranderen ze ook in de loop van de tijd. Of oude en nieuwe gebruiken gaan samen. In de katholieke mis zitten nog steeds heidense gebruiken, zoals de wierook, het belletje, om het altaar lopen, de priesterkledij. Dat staat allemaal niet in het evangelie. Sommige rituelen zijn ook heel lang doorgegaan. 

Zoals?

Bij Arezzo was er tot 1428 een bron waarin Toscaanse vrouwen hun zieke kinderen dompelden. In ijskoud water. De bron van Apollo heette hij. Het was een cultus die nog uit Etruskische tijden kwam. In 1428 is hij kapotgeslagen.

En de hamer die het symbool was van de Etruskische doodsdemon, leefde voort in het zilveren hamertje waarmee ze de paus beklopten om vast te stellen of hij wel echt dood was. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw deden ze dat. Daarna gebruikten ze het alleen nog om het pauselijk zegel stuk te slaan na zijn dood. 

Morgen spreekt dr. L. Bouke van der Meer over ‘Etruskische rituelen’. 20.00 uur. Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28 Leiden. Toegang: € 5,-.

‘Helderziende baby’s en orgies na de begrafenis’ stond er ’s morgens in NRC Next boven dit stuk

Bruidsreportage bij het wrak van de veerboot

GIGLIO – Terwijl de gekapseisde Costa Concordia steeds verder in beeld komt staan de passagiers van de veerboot te drommen met hun telefoons en fototoestellen in de lucht. Ze komen even met eigen ogen zien wat je eigenlijk maar half kunt geloven.

De Costa Concordia, gezien vanaf de veerboot naar Giglio. foto: Liesbeth Koenen

Het gigantische schip, dat al sinds 13 januari op z’n zij in de haven ligt, is echt veel te groot voor het kleine eilandje Giglio (spreek uit Dzjieljo). Een krankzinnig gezicht, dat associaties oproept met filmsets en maquettes en de verhalen in Gulliver’s Travels. De behoefte het vast te leggen is onbedwingbaar, al gaat het schaaleffect onherroepelijk verloren op foto en film.

‘Ze komen zelfs op bruiloftsreportage. Dan laten ze zichzelf fotograferen met op de achtergrond dat wrak.’ De potige Stefano vertelt er hoofdschuddend en wat gegeneerd lachend over. Hij verdient zijn geld in het onofficiële haventje van Campese, het kleinste van de drie plaatsjes op Giglio.

Ooit was er mijnbouw, en waren er overal tegen de steile wanden wijngaarden, maar nu is  toerisme dé inkomstenbron van Giglio, dat maar een kleine 25 vierkante kilometer groot is. In de winter wonen er nog geen 1500 mensen, die op die koude januarinacht de 4220 overlevenden van de schipbreuk opvingen. Uiteindelijk bleken 32 mensen de stommiteit van kapitein Schettino niet overleefd te hebben. Hij voer niet alleen te dicht langs de kust, vervolgens verliet hij ook nog eens het zinkende schip. Het hem toegevoegde ‘Gaat u aan boord, verdomme!’ (Vada a bordo, cazzo!) is nu een succesvolle T-shirtkreet en een ringtone. Schettino wacht in de gevangenis op zijn proces.

Volgens burgemeester Sergio Ortelli is het wrak een ramp voor het toerisme. Dat is de vraag. Giglio is er ook wereldberoemd van geworden. Maar alleen deze zomer valt het 290 meter lange gevaarte nog  te zien. Want tegelijk met het echte toeristenseizoen is eindelijk de operatie begonnen die het schip vlot moet trekken. Deze week gaat er een mast aan. De kosten zullen 230 miljoen euro bedragen. In februari wordt de Costa Concordia dan afgevoerd en vervolgens ontmanteld.

De gemeente heeft intussen wel net een nieuwe belasting ingevoerd: voor dagjesmensen.

Dagjesmensen varen langs de Costa Concordia, mei 2012. Foto: Liesbeth Koenen

Eskimosneeuw

Vergelijken is leuk. Neem de Turken. Die hebben een en hetzelfde werkwoord, içmek, voor ‘roken’, ‘drinken’ en ‘soep eten’. Of kijk naar het Italiaans. Daarin heb je aan de ene kant ‘zien’, vedere, maar alles wat er via je andere zintuigen binnenkomt – dus ‘horen’, ‘voelen’, ‘ruiken’ en ‘proeven’ – kun je uitdrukken met sentire. En wat wij Nederlanders met ‘leren’ afkunnen, moet per se in tweeën gesplitst in bijvoorbeeld het Frans, Duits en Engels (apprendre/enseigner, lernen/lehren, learn/teach).

Geen twee talen delen de wereld in exact dezelfde partjes in, lijkt het, en dat heeft vaak een grote aantrekkingskracht. Volgens mij doordat we er zo graag een verborgen boodschap in zien. Want hoe je de dingen zegt in een bepaalde taal, zegt dat niet tegelijk alles over de volksaard en het wereldbeeld van de groep in kwestie?

Wel, eigenlijk geloof ik daar geen barst van. Onze perceptie van het leven en de wereld hangt veel minder af van de inhoud van onze woordenschat dan we geneigd zijn te denken. Drinken en roken hetzelfde in Turkije? Kan zijn. Maar reken maar dat iedereen daar het verschil kent tussen zijn slokdarm en zijn luchtpijp, en probleemloos een fles van de nationale drank raki kan onderscheiden van een pakje Maltepe-sigaretten.

En Italianen hoef je heus niet uit te leggen dat je rozegeur niet vast kunt pakken, of dat er aan geluid geen smaak zit. Net zo goed als wij best kunnen vatten dat je voor ‘zelf iets leren’ altijd een ander woord gebruikt dan voor ‘iets leren aan een ander’.

Mijn stelling is: het is soms lastig, en wennen, maar wat ze in een andere taal doen is nooit onbegrijpelijk. En waarom zo veel mensen het in hun hart liever anders zien, is me een raadsel. Ze hebben u vast ook wel eens verteld dat de Eskimo’s tientallen of zelfs honderden woorden voor sneeuw hebben. Als een kind in een iglo opgroeit, omringd door ijs en sneeuw, dan leert het onderscheidingen zien die voor een gewoon mens niet zijn weggelegd.

Klaarblijkelijk is die gedachte zo bekoorlijk dat dit ongeveer het bekendste taalverhaal ter wereld is. Maar het is je reinste flauwekul. De Amerikaanse antropologe Laura Martin ging de gangen van de eskimosneeuw na, en het bleek een hilarische zwaan-kleef-aan-geschiedenis.

Begonnen in 1911, met een artikel waarin niet meer dan vier termen werden genoemd, in 1940 gevolgd door een stuk dat op grond van niets beweerde dat er minstens zeven waren, waarna er bij elk volgend artikel in hoog tempo zomaar meer sneeuwtermen uit de lucht kwamen vallen. Martins speurtocht is voorlopig geëindigd bij de topscore van vierhonderd! En na die vier beginwoorden werd er natuurlijk nooit meer ergens een Eskimowoordenlijst gegeven.

Saillant detail is dat de eerste uit-z’n-duimzuiger de amateur-taalkundige Benjamin Lee Whorf was, wiens naam voortleeft in de Sapir-Whorf-hypothese. Die stelt, jawel, dat taal bepaalt hoe we denken, en dat bij elke taal een andere manier van denken hoort, omdat talen allemaal verschillende onderscheidingen maken.

Dat doen ze, maar zelfs als je van het woordniveau afwijkt, gaat het nog steeds om concepten die te begrijpen zijn, en die je dus kunt leren gebruiken. Als wij Spaans of Italiaans gaan studeren, of Frans willen leren schrijven, dan blijken we ons ineens veel vaker rekenschap te moeten geven van de sekse van degenen over wie we het hebben. Dat heeft namelijk nogal eens invloed op de vorm van onze zinnen. Simpel voorbeeld: wie zijn de ‘wij’ in ‘wij zijn vrij’?

Alleen mannen, alleen vrouwen, of een gemengd gezelschap? In het eerste en laatste geval zeg je in Italië ‘siamo liberi’, anders ‘siamo libere’. Het is inderdaad wennen, maar heus, dat kan.

Net zoals een Chinees in staat is de gewoonte op te doen om bij elke zin na te denken over het moment waarop die zich afspeelt of -speelde. Dat hoeft niet in het Chinees, maar in onze contreien zit er altijd automatisch een tijd besloten in de werkwoordsvorm. Gelukkig is ‘tijd’ een concept dat ook elke Chinees uitstekend snapt.

De dingen die aan de oppervlakte kunnen en moeten komen, verschillen van taal tot taal, maar alleen wat bij elk mens aanwezig is, al is het maar in de diepte, kan daadwerkelijk ergens opduiken.

Alleen op de wereld

Venetië is een dorp. Als er hier een bootchauffeur doodgaat, hangen pleinen en andere strategische punten de volgende dag vol met kleine plakkaatjes. Er zit een fotootje van de overledene op; 41 jaar oud is de vaporistá aan zijn dierbaren (vrouw Maria en zoon Gianni) ontvallen. Zij hebben de droeve plicht ons mede te delen dat hun geliefde man en vader in het harnas gestorven is en nodigen ons uit voor de begrafenis.

Vooral als ik ’s avonds zo’n oproep tegenkom (die van een net gepensioneerde opa was ook zo naar) zou ik bijna gaan. De stad is op dat moment namelijk helemaal voor mij alleen. Aan het begin van de lente versperren alleen overdag honderden Italiaanse schoolkinderen met even zovele gondeliershoedjes je overal de weg.

Die van een jaar of veertien, vijftien vinden het leven zo spannend dat ze daar voortdurend gillend, gierend, stoeiend en springend van moeten getuigen. Ze zien eruit of ze voor het eerst een dagje uit zijn. Buiten de schoolbanken blijkt het leven heel andere mogelijkheden te bieden: veel verstolen glimlachjes, snel weer rechtgezet door een stomp, tussen de twee in de klas waarvan iedereen allang weet dat ze elkaar eigenlijk zo leuk vinden. Hier, bij het beklimmen van een bruggetje of in de rij voor een museum mogen ze het zichzelf toegeven.

Maar aan het eind van de middag gaan de musea dicht en vertrekken ze. Venetië is een dagjesdorp, dat daar op overtuigende wijze zijn prijzen aan aangepast heeft. Zittend een minuscuul slokje espressokoffie drinken, levert direct een ijzige ober met een ‘scontrino’ van omgerekend ruim zeven gulden op.

Niet voor niets spreken Italianen nooit over ‘koffie drinken’ maar over ‘koffie nemen’: staande aan de bar, voor de helft van het geld wel te verstaan. Met hun aperitieven (kleine flesjes voorgemixte Campari-soda, geserveerd met een schilletje citroen) doen ze precies hetzelfde, en in Venetië lijkt het zelfs wel of ze ook zo eten.

Tegen negenen begint in ieder restaurant het dienstdoend personeel stoelen op tafels te zetten. Zitten de paar volhouders die graag ook nog een toetje en koffie nemen eenmaal ingeklemd, dan wordt het tijd om het meubilair van buiten binnen te halen. De enige plaats om dat op te stapelen is voor de ingang. Uiterlijk half tien is iedereen door een zijdeur afgevoerd.

Hier in een ristorante, trattoria of (op z’n Venetiaans) locanda werken is heel onplezierig: pas als iedereen al naar bed is mag jij naar huis. Venetianen hebben grote hoeveelheden slaap nodig, dat was me meteen al opgevallen: iedere avond doet mijn hotelbaas met een slaperig hoofd de deur voor me open, en iedere ochtend moet hij het licht nog aandoen en broodjes voor het ontbijt bij de bakker halen als ik tegen half negen weer beneden kom.

Wie langer dan dat ene dagje blijft kan van dat slaapgedrag ook genieten: zelden heb ik ergens zo’n absolute stilte gehoord als ’s nachts in Venetië. De bochten van de stegen en straatjes zijn zo kort dat zelfs een fietser ze niet kan maken. Nergens hoor je dus verkeerslawaai, en alle luiken van winkels en huizen zijn gesloten. Het alleen-op-de-wereld-gevoel in zo ongeveer de drukstbezochte plaats van Italië. Merkwaardig.

Alleen op het lege San Marcoplein (geen duif te zien) voetbalt om middernacht nog wat Venetiaanse jeugd. Ze schoppen tegen de wand van de Campanile, die recht tegenover de Basiliek en het Dogenpaleis staat. Opgeschoten jongeren op het dorpsplein. Het galmt prachtig.

Heimwee

Bericht op mijn antwoordapparaat: “Hai, ik sta hier in het hartje van Florence…” Steek, auw. Hetzelfde gevoel als wanneer ik een plaatje of een stukje film zie van de dom, de Ponte Vecchio, het Uffizi museum, nou ja, al die toeristenclichés. Mij raken ze vol.

Ik noem het heimwee, maar dat klopt geloof ik niet helemaal. Heimwee heb je naar je huis, je gewone bestaan, naar kunnen doen wat je altijd doet, las ik net in de Volkskrant die het vakantieseizoen vierde met een stuk over de heimwee van kinderen op kamp. Dat sommigen daar hun leven lang niet overheen groeien, begrijp ik absoluut niet. Iets missen dat je op elk gewenst moment kunt terugkrijgen, lijkt mij overbodig, zo niet onzinnig. Mijn Florentijnse huis en bestaan bestáán niet meer. Ik kan er niet naar terug, en daarom heb ik heimwee.

Geen stad ter wereld voelt zo exclusief ‘van mij’ als Florence. Nog steeds, terwijl ik er maar een half jaartje woonde en dat nu bovendien godbetert al 23 jaar geleden is. Het zal wel komen doordat ik hem helemaal op mijn eentje veroverd heb. Vanuit het niets. Toen ik er op een natte en koude ochtend in januari arriveerde, had ik er nog nooit zelfs maar een paar uur op doorreis doorgebracht. Mijn Italiaans bestond uit stronzo (klootzak) en ho mal di testa (ik heb hoofdpijn). Van Michelangelo had ik gehoord, net als van Da Vinci, en dat was het wel.

Ik kwam om de taal te leren en avonturen te beleven. Toen ik weer ging, was dat goed gelukt, maar ik had er ook een ‘hometown’ (ik kan er geen Nederlands woord voor bedenken) bij. Een stad waar ik werkelijk de weg kende, en al doende had leren kijken naar en genieten van mooie dingen.

Gebouwen, beelden, schilderijen, ik had er eerder nooit een ruk aan gevonden, maar in Florence deed ik mijn geheel eigen versie van het syndroom van Stendhal op: ik werd niet gek omdat ik zoveel fraais niet kon verwerken, het fraais hielp me om niet gek te worden in mijn eentje, op een kamertje waar ik zelfs geen tv of telefoon had. Mijn bezoeken aan een verder uitgestorven Uffizi, het met mijn neus telkens bovenop de bronzen Perseus van Cellini staan (gewoon buiten op straat!), de beelden die Michelangelo maar half uit het marmer bevrijd had, en de tientallen andere dingen die iedereen ooit in zijn leven zou moeten zien, ze hebben me daar gered en voorgoed veranderd.

Zeven jaar geleden is het nu dat ik er voor het laatst was. Elk jaar neem ik me vast voor: ik ga weer. Ik zal ook weer gaan, maar ik ben bang, bang dat Florence niet meer zo van mij is. Bang dat die tot het plafond met drankflessen en vaten volgestapelde bar op de Via Ghibellina helemaal niet meer bestaat, dat de stilte op het plein voor de Santa Croce omgezet is in herrie, dat zich in dat hele onbestaanbare stadscentrum inmiddels nooit meer een authentieke Florentijn vertoont. Dat ik echt alleen nog maar een toerist tussen de toeristen kan zijn.

Opblaasbaar Italiaans

De taal, de stad, de geuren, kleuren en smaken. In mijn hoofd zijn ze innig verbonden, en zelfs na een kwart eeuw blijk ik er nog steeds naar believen in en uit te kunnen stappen. Florence is voor mij een bad.

Het Italiaans smaakt in de ochtend naar menthol met chloor. Smerig blijft het, dat ondrinkbare kraanwater, maar op het moment dat ik het al tandenpoetsend herken, het weer weet, word ik er ongemeen vrolijk van.

Houtvuur, iets dat op geroosterd brood lijkt, door de stad zwerven dezelfde geuren, en de bistecca alla fiorentina is nog altijd de smaakvolste biefstuk ter wereld. Oké, als gevreesd is de schitterende oude bar vol flessen en fusten verdwenen, maar verder lijkt alles er nog te zijn. En elke stap, elke hap geeft mijn Italiaans een opkikker.

Ik leerde het indertijd allemaal in het Istituto Michelangelo, verreweg de mooiste school die ik ooit bezocht heb, in hartje Florence aan de Via Ghibellina. Niets, helemaal niets was er veranderd. In de hoge, altijd koele gang naar de entree stond zelfs A. gewoon te praten met een student toen ik aan kwam lopen.

Was ik verbaasd, was hij verbaasd? Nauwelijks. Binnen een kwartier hadden we in een van de smalle straatjes achter de school op een mini-terras een aperitivo in de hand, en zetten we het gesprek dat dit keer een kleine negen jaar had stilgelegen voort.

Dat mensen nooit ene moer veranderen, weet ik nou wel, al wordt dat met de jaren een geruststellender gedachte. Maar wat ik nog steeds niet goed kan geloven en begrijpen is dat dat Italiaans zich voorgoed in mijn hersens genesteld heeft. Normaal gesproken houdt het winterslaap, is er alleen een kleine harde kern over die zich ergens teruggetrokken in een uithoekje van mijn geest bevindt. Oproepbaar voor noodgevallen, en beperkt inzetbaar in Italiaanse restaurants.

Maar laat mij langs de Arno wandelen en de Toscaanse glooiingen en bomen op de oever aan de overkant zien, en mijn Italiaans begint voorzichtig weer te stromen. Gooi er nog een heuse papagallo (‘papegaai’ noemen de Italianen de jongens die toeristenmeisjes proberen te versieren) bovenop (‘Ciao, da dove sei, where you from?’) en ik antwoord het jochie vloeiend, vlot en lachend dat ik meende nu echt te oud te zijn voor dat gedoe. ‘Ma sei veramente carina’ (maar je bent echt leuk) sprak hij bedremmeld, waarop ik hem hartelijk dankte.

In minder dan twee dagen vult mijn hele hoofd zich weer met Italiaans. Het is mijn opblaastaal. Ik ga er weer in denken, net als 25 jaar geleden, toen ik in Florence woonde. Maar ik kan er ook weer echt in praten. Het gevoel voor de bal keer razendsnel terug. Ik proef wanneer er een conjunctief moet komen, en ineens herinner ik me ook de bijbehorende vormen. Woordenschat, uitdrukkingen, alles is weer wakker geschud.

Een zeer lange lunch, die de Italianen pranzo noemen, sluit mijn sentimental journey af. Het Nederlandse omroepsysteem, mijn privé-theorieën over het menselijk geheugen, ik zweer dat ik ze begrijpelijk weet te behandelen – met dank aan de chianti ook.
Daarna, in de trein terug hoor ik A. nog de godganse nacht tegen me doorpraten. ’s Ochtends is de leegloop weer begonnen. Tot de volgende keer. Alla prossima.

 

Italiaans leren? www.michelangelo-edu.it

Tragedie op een askist

Heel veel oude, klassieke literatuur bestaat niet meer. Soms zijn er wel nog verwijzingen of tekstfragmenten over, maar archeoloog en classicus Ruurd Halbertsma (1958) heeft nog een bron aangeboord: afbeeldingen. Hij is conservator bij het Rijksmuseum van Oudheden en bijzonder hoogleraar museumarcheologie in Leiden.

Welke afbeeldingen zijn ‘stille getuigen’?

In 1826 kocht een Nederlandse kolonel in Livorno veel Etruskische kunst en bracht die met een marinetransportschip naar Leiden, de basis van de museumcollectie. Er zaten tientallen askisten bij. Stenen kistjes van ongeveer een halve meter hoog. Op het deksel zie je de overledene liggen, en aan de voorkant zit een reliëf. Veel bloedige, dreigende verhalen worden daar afgebeeld. Vaak zijn het verhalen uit de Griekse mythologie. Je ziet bijvoorbeeld een reus die stenen gooit naar een schip. Dan weet je: dat is Polyphemos, de cycloop waaraan Odysseus wist te ontsnappen.

En er zijn ook scènes uit verdwenen Griekse tragedies?

Van de 63 tragedies van Euripides bijvoorbeeld zijn er 19 bewaard. Soms heb je een hit met zo’n verloren theaterstuk. Zo is er een askistreliëf van een man in een lijkgewaad bij het bed van een jonge, glimlachende vrouw, die hem uitnodigt. Vreemd.

Tot je denkt aan Protesilaos, de eerste gedode Griek in de Trojaanse oorlog. Hij was net getrouwd en wordt neergemaaid. Zijn jonge vrouw is en zak en as, en de goden laten hem nog drie uur bij haar zijn. Vandaar de lijkwade. Zij maakt na zijn vertrek een eind aan haar leven. Een echte Griekse tragedie. Euripides schreef er een met de titel Protesilaos.

Hoe weet je wat wat is?

Reconstrueren is altijd de core business van archeologie. Neem een afbeelding van twee mannen met zwaarden in de hand, die een derde naakte man bedreigen. Wat kan dat zijn? Naakte mannen dan weet je: sport. En er is het verhaal van Paris. Die is te vondeling gelegd, omdat zijn moeder te horen had gekregen dat ze verwoestend vuur zou baren. Als achttienjarige jongeman wint hij een sportwedstrijd vóór de zonen van de koning. Die zijn beledigd en trekken hun zwaard. Dat zie je op de afbeelding.

Maar dan komt Afrodite uit de lucht aanzetten, en zegt: dit is jullie broer. Hij wordt opgenomen in de familie. Daarover ging Alexandros van Euripides, weten we.

Dit is overigens dezelfde Paris van de gouden appel, die voor de mooiste godin is. Hij moet beslissen wie dat is: Hera, Athena of Afrodite. Hera belooft roem, Athena succes in de strijd, maar Afrodite belooft Paris de mooiste vrouw. Dat is Helena. Die krijgt hij uiteindelijk ook, maar er was één probleem: ze was al getrouwd. Dat levert de Trojaanse oorlog op.

Is het niet gek, Griekse tragedies op Etruskische askisten?

Ja, dat is zeer raadselachtig. Van de Etrusken is nog steeds weinig bekend. We kennen hun taal niet. Ze gebruiken het Griekse schrift, maar we weten niet wat er staat.

Donderdag 7 maart spreekt prof. dr. Ruurd Halbertsma over ‘Stille getuigen – verdwenen theaterstukken in het Rijksmuseum van Oudheden’. 15.00 uur. Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28 Leiden. Toegang: museumkaartje.

NRC Next zette ’s ochtends ‘Stille getuigen’ boven een ingekorte versie van dit stukje.

Een wát?

Johnny Kraaijkamp – de enige echte ouwe – leerde mij het woord revérence. Het moet de zomer van 1967 geweest zijn. Ik droeg mijn appelgroene mini-jurkje met de oranje en witte lengtestrepen. Het was warm in de grote tent van Circus Toni Boltini. De mevrouw die ons naar onze plaatsen was voorgegaan, had intens smerige blote voeten gehad, en ook van de olifanten was ik nog een beetje onder de indruk, toen Kraaijkamp opkwam en vroeg welk kind bij hem in de piste wilde komen. In een nog altijd onverklaard moment van grote moed stak ik mijn vinger op.

En ik ging – ook al zette mijn kleine broertje het direct op een brullen, bang dat de olifanten onverhoeds opnieuw de arena zouden betreden. Kraaijkamp droeg me meteen op een revérence voor het hooggeëerd publiek te maken. ‘Een wát?’, vroeg ik. ‘Een revérence’, zei hij, en hij deed het voor. Ik herhaalde het rare woord in de dikke microfoon, en deed een knullige poging net als hij met gekruiste enkels een buiginkje te maken. Daarna zongen wij hand in hand dat wij zo blij, zo blij waren dat onze neuzen van voren en niet opzij zaten.

Bij veel van de revérences die ik sindsdien ben tegengekomen, heb ik eventjes aan Johnny Kraaijkamp gedacht. Maar het is natuurlijk maar heel zelden dat je een nieuw woord leert onder omstandigheden waarvan je je later alle niet ter zake doende details herinnert. Van hooguit een handje vol kan ik me spontaan tijd en plaats herinneren, wat inhoudt dat mijn kennismaking met tienduizenden woorden volledig in de mist verdwenen is.

Nou leg je natuurlijk de stevigste basis voor je moedertaal in een periode van je leven waar je later sowieso niets meer van afweet, maar ook de herkomst van mijn buitenlandse woordenschat is me eigenlijk een raadsel.

Weet u meer dan dat u wel eens rijtjes stampte? Mij staan een paar beginbladzijden van leerboeken voor ogen. Een groengekleurd Engels, waaruit ik ‘verlaten’ en ‘schort’ (abandon en apron) oppikte, een Latijns dat ambulare, wandelen, tot mijn verbazing in verband bracht met ‘ambulance’, en ooit leerde ik om te imponeren expres het belachelijk lange, maar toch lekkere woord apomnèmoneumata (Grieks voor ‘memoires’) uit mijn hoofd.

Ook van nog weer later staat me verdacht weinig bij. Mijn vriend Andrea moet me toen ik begin twintig was gebruik en betekenis van honderden Italiaanse woorden en uitdrukkingen hebben uitgelegd, en ik weet alleen nog dat we na een bezoekje aan een buurtbioscoop in een buitenwijk van Florence liepen en dat hij vroeg: ‘Gaat je een pizza?’ (Ti va una pizza?), wat een volstrekt gangbare manier bleek te zijn om te informeren of iemand ergens trek in heeft.

Daar zit een verschijnsel dat ik graag zou begrijpen. Ik was op dat moment al maanden in Italië, studeerde ontzettend braaf op mijn lessen Italiaans, praatte niets anders en had die uitdrukking met ‘gaan’ ongetwijfeld al eindeloos voorbij horen komen. Niet geregistreerd dus.

Ik kom er maar niet achter wat nou bepaalt of er een extra bandje in je hoofd meeloopt als je luistert of leest – avonturen als met Johnny Kraaijkamp even daargelaten. En het overkomt geloof ik iedereen: vlak nadat je op een dag een begrip voor het eerst opmerkt of opzoekt, kom je het strijk en zet nóg een paar keer tegen. En toch had je er voor die tijd nog nooit van gehoord. Dat moet haast wel betekenen dat je dat woord eerder gewoon genegeerd hebt. Je hebt er als het ware ‘omheen geïnterpreteerd’.

Op zichzelf is dat een mooie efficiencymaatregel. Iets ongeveer snappen is meestal wel genoeg. We zetten de letterlijke woorden die we horen of lezen ook altijd verbluffend snel om in zoiets ongrijpbaars als ‘de bedoeling’. Helemaal perfect, woord-voor-woord herhalen wat iemand net zei en zelfs wat je zelf zei, is iets waar we heel slecht in zijn, al bedriegen we onszelf graag door die vage bedoeling als uitgangspunt te nemen voor een ‘reconstructie’.

En ook zo merkwaardig: wie zet het registratiemechanisme weer af? Want een nieuw woord in je vocabulaire valt je niet de rest van je verdere leven telkens op. Dat gebeurt alleen vlak na de (bewuste) kennismaking. Is het daarna een kwestie van langzaam outfaden? Of gaat de knop radicaal om?

Meer dan mooi

Goed, komende week is het afscheid van Ingrid en ook dat van Niek. Nee, u kent ze niet, ik vertel het omdat ik tegen iemand zei: ik heb twee afscheiden.

Maar dat kan niet. Dat wist ik meteen. Maf hoor. ‘Een afscheid’ is uitstekend, normaal Nederlands, maar twee, drie of veel afscheiden is raar, fout. En ik heb niet het flauwste idee waarom.

Dit was dus weer een van die mooie momenten: je merkt dat je iets weet waarvan je niet wist dat je het wist. En je weet ook niet hoe je het aan de weet bent gekomen.

Het is het eeuwige raadsel en grote wonder van een taal door en door kennen. Ik weet ook dat u het met me eens bent: twee afscheiden, dat klopt niet.

En twee afscheids ook al niet. Ja, tenzij je er nog wat achteraan breit. Bij een afscheid horen natuurlijk afcheidsspeeches, afscheidscadeaus, afscheidsborrels of zelfs hele afscheidstournees. Maar dat is valsspelen, daar is die s de lijm tussen twee woorden.

Hij blijft trouwens plakken bij ‘scheids’, de geliefde afkorting van scheidsrechter. Als de scheids een keer af is, hebben we dan wel een afscheids? Sorry, flauw.

Dan liever nog iets waar ik me laatst over verbaasde. Je hebt: in bed, in huis, op school, op kantoor, op kamp, met vakantie, op stap, aan tafel. Maar weer niet: in badkamer, op wc, op stoel, in schuur, in fabriek. Daar moet iets als ‘de’ bij.

Bent u met me eens toch? Maar waarom? Wat is precies het verschil?

Tot slot moet ik nog even terugkomen op vorige week, toen het ging over ons picobello, dat zuiver Italiaans klinkt. Maar de Italianen kennen het niet. En niemand had er een geloofwaardig verhaal over.

Tot nu. Ik hoop vurig dat er woordgeschiedenisverklaarders, ook wel etymologen genoemd, meelezen.

Een lezer besprak picobello herhaaldelijk met Italiaanse vrienden. En die kwamen met een in mijn oren aannemelijke, briljant bedachte verklaring.

Italianen zeggen niet alleen dat iets mooi is (bello), ze zeggen ook graag ‘meer dan mooi’: più che bello. Ongeveer uitgesproken als pjoekèbello, nadruk op pjoe. Dan is het geen gigastap naar picobello. Een meer dan mooie verbastering.

Picobello

Prima is niet prima. Rotto is niet rot, maar kapot. Capotto is niet kapot, en ook geen kapotje, maar jas.

Si, dit gaat over het Italiaans. Sinds me duidelijk is geworden hoe volstrekt onorigineel ik ben, durf ik u daar met een geruster hart mee lastig te vallen. Mijn eigen warme voorliefde voor de taal van de zuidelijke laarsbewoners deel ik namelijk met onverwacht veel anderen.

Welke talen willen mensen het liefst leren, denkt u? Wereldwijd? Inderdaad. Dat zijn Engels, Spaans en Chinees (om precies te zijn: Mandarijn). Niet gek. Honderden miljoenen sprekers, en hun handel en wandel zijn al snel aantrekkelijk voor anderen.

Maar daarna komt dus het Italiaans.

Ik was er weer tijdelijk in ondergedompeld, en dan komt er veel boven. Bijvoorbeeld al die valse vrienden. Capello een kapel? Nee. Haar (die dingen op je hoofd). Daarop zet je dan weer een cappello, met dubbel p, een hoed. Morbido betekent zacht, beslist niet morbide.

Een casino is in Italië alleen een gokhuis als je het laatste stukje nadruk geeft, op z’n Frans: casiNO. Spreek je het gewoon uit zoals wij, dan is het een chaos, herrie, een zootje, en ook een bordeel.

Helemaal in de knel kom je als je valse vrienden ook uit andere talen dan het Nederlands kunnen komen. Bij caldo is onze associatie gauw cold, koud. Maar ja, caldo betekent warm. Zo herinner ik me het gegriezel van een vriendin met trek in een glas koude melk, die ‘Si’ had geantwoord op de vraag: ‘Caldo?’

Bij fattoria denk je aan factory, maar het is een boerderij, geen fabriek. Fabriek is dan weer makkelijk: fabbrica. Een libreria is geen hele bibliotheek – dat is biblioteca – maar slechts een boekenkast of een winkel vol boekenkasten: een boekwinkel. Je parenti (lijkt op parents) zijn niet je ouders, maar al je familieleden.

Oh, en ‘picobello’ bestaat in het Italiaans niet. Jammer, want dat kent elke Nederlander. Het is een verzinsel voor ‘piekfijn’, al klopt dat niet erg. Pico bestaat niet, picco wel, en dat betekent inderdaad piek. Bello, vroeger een geliefde hondennaam, is mooi. Het succes van dit bedenksel is ongekend. We hebben het zelfs aan de Duitsers weten door te geven.

Prima betekent trouwens eerste en eerder en vroeger. Prima toch?

Onzeker

Bij ons is het nu echt bijna verdwenen. Of nou ja, zij het dat bijvoorbeeld ‘zij het’ en ook ‘hetzij’ nog steeds gebruikt worden. En op Prinsjesdag klinkt er elk jaar na de troonrede een luid ‘Leve de Koning!’. Die koning zelf sprak toen hij koning werd de woorden: ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’.

Maar mijn spellingchecker kent ‘helpe’ al niet meer. En veel Nederlanders weten het ook niet goed thuis te brengen, volgens mij. Alleen dat kan verklaren dat de wens ‘het ga je goed’ heel vaak een bewering wordt: ‘het gaat je goed’. Toch echt net wat anders.

Zij, leve, helpe, ga, het heet de ‘aanvoegende wijs’, leerden we vroeger op school. ‘Conjunctief’ in het Latijn. Dat heb ik eerlijk gezegd nooit goed kunnen vatten. Aanvoegen? Wat moet dat wezen?

Scrabble zou voor ons een ander spel zijn zonder, maar feit is dat ze in andere talen vaak doller op de aanvoegende wijs zijn dan wij. De Italianen smijten er werkelijk mee. Ik piekerde er net een poosje over, onder de Toscaanse zon (intragisch voor me inderdaad). Geen drie zinnen ver kom je zonder ‘aanvoegen’.

Toen ik voor het eerst hoorde dat er zelfs na elke ‘ik denk dat’ een ‘congiuntivo’ moet komen, was ik ronduit verontwaardigd. Ik dacht: dat kán toch niet? Ze houden me voor de gek!

Maar het was heus waar. En het draait uiteindelijk om onzekerheid. De aanvoegende wijs is voor alles wat (nog) niet zo is, wat (nog) niet vaststaat. Bij die Nederlandse ouderwetse en formele manieren van zeggen is dat uiteindelijk ook het geval. Ook in een wens zit natuurlijk iets van onzekerheid.

Wel jammer dat die onzekere vormen mij akelig onzeker maken of ik wel de goede vorm gebruik. Gestapelde twijfel. En ik twijfel toch al zo.

Want hoe ver kun je komen in een vreemde taal? Als ik commentaar hoor op het Nederlands van iemand die een andere moedertaal heeft, denk ik dat altijd. ‘Al zó lang in Nederland, en dan nog…’

Ja. Maar ook ik, met al m’n jaren training, met m’n hevige extra interesse en bergen voorkennis, klink in Italië ook nog steeds bij elk woord als una straniera, een vreemdelinge.