Het geheim van de blind-uh-darm*

*Een waarschuwing vooraf: zoals destijds voorgesteld en hieronder beschreven, werd het toch weer niet precies, her en der is daarna nog haastig gesjoemeld. En ook jaren later zijn er nog bijstellingen geweest. 

In 1997 wordt de nieuwe spelling van kracht, de eerste wijziging sinds 1947. Iedere Nederlander zal zich dan moeten bezinnen op het koppelteken, de verbindings-n, de s-tussenklank en het c of k-vraagstuk. De taalunie en het comité van Nederlandse en Vlaamse ministers leverden een zeldzaam ingewikkeld werkstuk af, dat het uiterste zal vragen van de gebruiker van de Nederlandse taal. Daarom een uitputtende alfabetische bespreking van alle veranderingen.

 

Apostrof

Er verandert in de nieuwe spelling bijna niets. ’t Kofschip bijvoorbeeld vaart gewoon door, en ook bij de d- of dt-kwesties blijft alles bij het oude. Ondanks allerlei geruchten en gedelibereer geldt dat ook voor de apostrof (het kommaatje in de lucht in bijvoorbeeld bikini’s, ‘ s ochtends, Trix’ en WK’s). Dat betekent dat de meest gemaakte spelfout in kranten en tijdschriften (tussen een naam en een bezits-s consequent een apostrof zetten: Van Straaten’s levensgevoel, Homme’s hoest, Shell’s woordvoerder), gewoon fout blijft.

 

 

Boekuitgeverijen

Voor uitgeverijen van boeken kunnen vooral de financiële gevolgen van spellingswijzigingen groot zijn, zowel positief als negatief. Voor de school- en woordenboekuitgeverijen valt er flink te verdienen, zie daarvoor Kosten/baten.

Voor andere uitgeverijen ziet het er minder zonnig uit. Uiteraard zijn er voor hen, net als voor ieder ander, kosten gemoeid met de omschakeling zelf. Maar wat te doen met bestaande voorraden en met toekomstige nieuwe drukken van al bestaand zetsel? Moeten bestaande voorraden worden vernietigd? Moet duurbetaald bestaand zetsel bij een toekomstige herdruk opnieuw gemaakt en gecorrigeerd worden? Nu de veranderingen zo marginaal zijn, zullen uitgevers zich wel twee keer bedenken voordat ze daartoe overgaan. En dan is er nog de vraag wie het geestdodende karwei moet gaan klaren om in duizenden pagina’s tekst tussen-ennen te gaan toevoegen of weghalen, of trema’s in koppeltekens te veranderen. Anders dan het omwisselen van c’s en k’s of qu’s en kw’s, is dat niet gemakkelijk te automatiseren.

De kans is daarom groot dat de huidige en de nieuwe spelling tot in lengte van jaren naast elkaar zullen blijven bestaan, ook in recente, veelgelezen boeken. Leerlingen krijgen Nederlandse les uit boeken die in de nieuwe spelling de nieuwe spelling onderwijzen, maar lezen tegelijkertijd literatuur in de oude spelling. Of het doel van de hele operatie, het verminderen van verwarring en onzekerheid, gehaald wordt staat dus ook om deze reden te bezien.

 

Computers

‘De nieuwe spelling gaat pas definitief gelden in 1997, dan heeft iedereen de tijd gehad om zijn computer bij te stellen,’ kondigde staatssecretaris Nuis onlangs aan in het NOS-Journaal. Het is te hopen dat niet al te veel computerbezitters zich daar veel van aantrekken, want hoeveel er ook aan een computer bij te stellen valt, de spelling hoort daar niet bij. In plaats daarvan is het wachten op complete nieuwe woordenlijsten voor spellingscorrectie, die de leveranciers van tekstverwerkers, computerwoordenboeken en vertaalhulpen zullen moeten gaan produceren, en die u vervolgens kunt kopen. Een probleem daarbij is, dat de nieuwe regel voor het trema het lastiger maakt om bij woorden die niet in zo’n woordenlijst zitten automatisch een trema te plaatsen. Tot nu toe hoefde je daarvoor immers alleen maar te letten op combinaties van opeenvolgende klinkers, maar nu komt daarbij het moeilijke onderscheid tussen samenstelling en afleiding. Zie daarvoor Trema en koppelteken.
Het gaat overigens alleen om de spellingscontrole. Aan de algoritmen voor woordafbreking hoeft niets te veranderen. Alle wijzigingsvoorstellen die daarop betrekking hadden, zijn gesneuveld. Dat is bijna jammer te noemen, omdat veel uitgevers nu nog werken met speciaal voor hen gemaakte afbreekprogramma’s die minder goed zijn dan wat tegenwoordig wordt bijgeleverd bij een topklasse tekstverwerker. Maar een verstandige uitgever neemt natuurlijk de gelegenheid te baat om naast zijn spellingscorrector meteen ook zijn afbreekalgoritme te vernieuwen.

 

Dubbelspelling

Cantharel of kantarel, organisatie of organizatie, kwibus of quibus? Van de samenstellers van de in 1954 verschenen Woordenlijst van de Nederlandse taal mocht u in onder meer c/k-, th/t-, qu/kw- iz/seren- of iz/satie-kwesties zelf kiezen, zij het dat men wel bij alle dubbelspellingen een voorkeur voor de een of de ander had uitgesproken. Cantharel, organisatie en kwibus hadden bijvoorbeeld de voorkeur, terwijl de andere vormen het stempeltje ‘toegelaten’ kregen. Die toegelaten spelling wordt nu geschrapt. Dat heeft in Nederland niet zo gek veel gevolgen, maar in Vlaanderen wel. Zowel de Nederlandse als de Belgische overheid besloot indertijd al heel snel dat in het onderwijs en bij de overheid de voorkeurspelling verplicht moest worden.

In Nederland houden ook de meeste gedrukte media zich aan de voorkeurspelling, maar nogal wat Vlaamse kranten schrijven juist de toegelaten vormen: kontrakt, kultuur, sukses, sjiek. De reden laat zich raden: de toegelaten spelling pakt vaak uit als een ‘vernederlandsing’ van Franse leenwoorden. Voor de lezers van de Standaard en de Gazet van Antwerpen zullen woorden als contract, cultuur, succes en chic straks vreemd aandoen.

Maar de keuze voor de ‘voorkeursvariant’ en de ‘toegelaten variant’ is niet altijd goed te snappen. Meestal kreeg de c-variant bijvoorbeeld de voorkeur, maar weer niet bij oktober, kritiek, kopie, insekt, en produkt. Een echt consequente spelling van de bastaardwoorden (ingeburgerde leenwoorden) viel daardoor noch te bereiken met consequent ‘op z’n voorkeurs’ spellen, noch met de toegelaten spelling. De feitelijke opwaardering van de voorkeurspelling tot enige spelling betekent dus níet dat het systeem nu consistent wordt, en de spelling van bastaardwoorden dus voorspelbaar. We houden bilocaal naast lokaal, kwaliteit naast quorum.

Slechts bij 35 woorden wordt er in de nieuwe woordenlijst ‘stuivertje gewisseld’: de in de lijst van 1954 toegelaten spellingen fotokopie, product, insect en kroket (voorkeurspelling is croquet, maar dat gebruikt vrijwel niemand) worden in 1997 de norm. Maar oktober blijft oktober (ondanks octet, octaaf, octopus) en kritiek blijft kritiek (ondanks criticus) omdat we zo gewend zouden zijn aan die spellingsbeelden. Zie verder bij Massale verontwaardiging.
Voor een aantal woorden blijven er overigens wel twee (gelijkwaardige) spellingen bestaan. We houden bijvoorbeeld ceramiek naast keramiek omdat sommigen dat woord met een s-klank aan het begin uitspreken, anderen met een k-klank. Vreemd genoeg lijkt echter de charitas het loodje te gaan leggen. In de nieuwe woordenlijst komt alleen nog caritas (en caritatief) voor. Zegt niemand meer garitas? Dubbelspellingen blijven ook bestaan bij samenstellingen waar de een wel en de ander geen verbindings-s hoort (geluidhinder/ geluidshinder, tijdverschil/tijdsverschil).

 

E(n)

Is het bessejenever of bessenjenever? Over die kwestie is de laatste veertig jaar menige zweetdruppel vergoten. De regel was dat je en moest schrijven als de samenstelling de gedachte opriep aan een noodzakelijk meervoud. Het was een onbruikbaar voorschrift, dat leidde tot dusdanig subtiel gefilosofeer over de vraag of van één bes wel jenever te maken viel, dat kwesties als hoeveel engelen op de punt van een naald kunnen dansen erbij verbleekten. De nieuwe regel is eenvoudiger, belooft de Taalunie in de folder die ze overal verspreidt, maar dat valt tegen. Zo eenvoudig mogelijk weergegeven luidt hij als volgt:
In veel samenstellingen (twee aan elkaar geplakte complete woorden) hoor je tussen de delen een extra uh-klank. Bijvoorbeeld: blind plus darm levert in de uitspraak de samenstelling blind-uh-darm op. Die tussenklank schrijf je in beginsel altijd als en. Maar we schrijven hem als e wanneer: 1. het eerste deel niet een zelfstandig naamwoord is (blindedarm en brekebeen, want blind is een bijvoeglijk naamwoord en breken een werkwoord); 2. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat (ook) een meervoud op s heeft (dus: perenboom omdat peers niet bestaat, maar keuzevak omdat keuzes wel bestaat); 3. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat geen meervoud heeft (rijstepap); 4. de samenstelling tot een van de volgende uitzonderingscategorieën behoort: a. het eerste deel is normaal geen zelfstandig naamwoord, maar functioneert in de samenstelling wel zo en dient ter versterking of als waardetoekenning (luizebaan, hondeweer, klerezooi); b. het eerste lid verwijst naar iets waarvan er maar één bestaat (Koninginnedag, want die dag slaat uitsluitend op onze eigen, unieke koningin; zonneschijn, omdat er maar één Zon is. ); c. een van de delen is niet meer als afzonderlijk woord herkenbaar (papegaai, bolleboos); d. het eerste deel is een dierenaam en het geheel een plante- of schimmelnaam (kattekruid, paddestoel, vliegezwam); e. het geheel is een versteende samenstelling en het eerste deel duidt een lichaamsdeel aan (kakebeen, ruggespraak). En let op: vrouwelijke vormen als studente en agente tellen niet mee, zie Politiek correct?
Hoor je in afleidingen (dat zijn combinaties van een woord en een voor- of achtervoegsel) tussen de delen een extra uh-klank, dan schrijf je die in beginsel eveneens als en. Maar we schrijven e: 1. voor de achtervoegsels –tje, -lijk, -ling en -loos (biggetje, vreselijk, boeteling, haveloos); 2. als voor de achtervoegsels –heid, -schap, -dom en -achtig een woord wordt geplakt dat van zichzelf op een stomme e eindigt (dus secretaressedom en asperge-achtig maar heidendom en meidenachtig); 3. de uh-klank onderdeel is van de achtervoegsels -erig of -erik (hangerig, bangerik).
Zie verder ook Inconsistentie.

 

Frequentie

Of een woord de nieuwe Woordenlijst haalt, hangt af van hoe frequent het voorkomt. De frequentie wordt bepaald aan de hand van een aantal zogeheten taalcorpora (grote tekst- en woordbestanden) van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden. Het INL is de leverancier van het materiaal voor het nieuwe Groene Boekje (zie ook Woordenlijst(en) Nederlandse taal). ‘Frequent’ betekent voor het Instituut: het woord komt minimaal vier keer voor in de corpora én is in minstens twee verschillende tekstbestanden te vinden. Dat laatst voorkomt opname van een woord als aardappelkoekjesmonster als gevolg van een toevallig in de bestanden voorkomende column waarin zo’n fantasiefiguur vier keer genoemd wordt. Toch is er bij het werken met tekstbestanden (het gaat dus niet om gesproken Nederlands) altijd een toevalsfactor in het spel. Weliswaar bevatten de corpora ook gegevens uit bijvoorbeeld de Libelle en de Playboy, maar je kunt nooit zeker weten dat je al het gangbare Nederlands echt te pakken hebt. Bovendien zit er in de corpora nauwelijks Vlaams materiaal. Dat heeft men nu proberen te ondervangen door van de uitgever van de tweedelige Verschueren (de Vlaamse Van Dale) informatie te kopen over welke woorden een toevoeging ‘uitsluitend in Vlaanderen’ hebben gekregen. De lijst die daaruit kwam is voorgelegd aan drie verschillende hoogleraren, en die schijnen flink geschrapt te hebben. Er bleven 1500 woorden over die in het standaardvlaams gebruikelijk zijn. Althans, volgens die professoren. Met frequentiemetingen heeft het niets te maken. Aan het toevoegen van Belgische bronnen aan de corpora wordt overigens hard gewerkt, maar voor het nieuwe Groene Boekje is dat te laat.

Omdat alleen woorden en woordvormen die echt voorkomen in het INL-materiaal in aanmerking komen voor opname in de nieuwe Woordenlijst, geeft die lijst geen oplossingen voor bepaalde lastige gevallen. Mensen vermijden die namelijk bij het schrijven. In de nieuwe Woordenlijst zult u dus het verkleinwoord van chassis (chassietje, chassisje, chassistje?) niet aantreffen. Tot verdriet van de Taaladviescommissie van de Taalunie. Die had het Comité van Ministers van harte aanbevolen om voortaan het verkleiningsachtervoegsel -tje met behulp van een apostrofje aan het woord waar het bij hoort te koppelen: chassis’tje, maar dan ook: papa’tje, bikini’tje. De ministers wilden er niet aan.

Geschiedenis

Begin vorige eeuw werd er voor het eerst een officiële spelling van het Nederlands vastgelegd, de spelling Siegenbeek, die sindsdien slechts twee keer gewijzigd is. In de eerste helft van deze eeuw onderwees men nog de spelling-De Vries en Te Winkel (bloote beenen en mensch), en in 1947 werd de thans geldende spelling bij wet vastgesteld. Maar vanaf het verschijnen van de Woordenlijst van de Nederlandse taal (het Groene Boekje) in 1954 is er wel op vrijwel elk moment een of andere Advies- of Spellingcommissie aan het werk geweest. Dat heeft telkens geleid tot commotie, maar nooit tot een wijziging. Behalve deze keer. Ondertussen zijn nu wel alle ooit gedane eerdere voorstellen helemaal van tafel verdwenen. Zo ook die van de Commissie Pée-Wesselings (ingesteld in 1963, ‘eindvoorstellen’ vrijgegeven in 1969), die onder veel meer het probleem van de tussenklank e(n) wilde oplossen door juist altijd te kiezen voor de e, met een paar uitzonderingen (ogenblik, merendeels). Dat sluit zo op het oog en oor goed aan bij het spraakgebruik, want die tussenklank n hoor je in feite nooit. Maar de mogelijkheid de e als uitgangspunt te nemen in plaats van en, werd verworpen door de Werkgroep ad hoc Spelling, die in 1988 verslag uitbracht. De Werkgroep koos de en als basis, onder andere op grond van de “stellige indruk dat dit alternatief veel minder wijzigingen van de bestaande spelling impliceert”. Wie de ingewikkeldheid van nu opgestelde regel bekijkt, zou zich kunnen afvragen of het niet verstandiger geweest was, eerst na te gaan of die stellige indruk wel juist was.

 

Hoofdletters

In het gebruik van hoofdletters valt er maar één veranderingetje te bespeuren. Het ontzag voor wie doorgeleerd heeft, is gestaag afgenomen. De afkortingen van titulatuur (Mr., Drs. Lic., Prof., Dr. Ir.) hoeven in de toekomst niet langer met een hoofdletter geschreven te worden (wél allemaal met een punt erachter). Een aanpassing die aansluit bij de toch al veranderende praktijk op dit punt.
Lastig blijft het onderscheid tussen woorden waarin (nog) echt een naam gevoeld wordt, en woorden waarin dat niet het geval is. Een schilderij is natuurlijk een echte Rubens, maar is het nu Rubensfiguur of rubensfiguur? Ook verwarrend zijn samenstellingen met feestdagen. Naast Pasen heb je paasbrood, en Hemelvaart valt op hemelvaartsdag, terwijl in afleidingen en samenstellingen van aardrijkskundige namen, en namen van talen, de hoofdletter gehandhaaft blijft: Maasproject, Engelstalig. Ook bínnen aardrijkskundige afleidingen blijft in de toekomst de hoofdletter gehandhaaft (zie Zeeuws-Vlaams).

InconsistentieTot op het laatste moment zit de wordingsgeschiedenis van de spellingswijziging vol inconsistenties en plotselinge, toevallige koerswijzigingen. Als uiteindelijk op 21 maart 1994 het Comité van Ministers met een Spellingbesluit de knoop doorhakt, waarbij een groot deel van de voorgestelde wijzigingen van tafel wordt geveegd, geeft het tevens opdracht aan de Taaladviescommissie om nog wat laatste schaafwerk te doen.
Dat schaafwerk houdt ten aanzien van de tussenklank e(n) twee dingen in. De regel moet een definitieve, nette formulering krijgen, en er moeten nog wat uitzonderingscategorieën worden gecreëerd voor woordtypen die volgens de in het Spellingbesluit vastgestelde regel en als tussenklank krijgen, terwijl de ministers dat toch wel erg raar vinden staan. Het gaat dan om gevallen als klerenzooi, bollenboos, paddenstoel, ruggenspraak.
Die uitzonderingscategorieën komen er (zie daarvoor E(n)). Maar de commissie doet méér. In haar ijver om bovendien te voorkomen dat de weidevogel een weidenvogel wordt, overschrijdt ze met reuzenschreden de grenzen van haar opdracht, en wijzigt de grondregel voor samenstellingen bijna in haar tegendeel. Het Spellingbesluit van 21 maart schrijft en voor in alle samenstellingen waarvan het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud op en kán hebben. Dus ook in gevallen waarin het eerste deel tevens een meervoud op s heeft. De commissie verandert dat in: ‘indien het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat uitsluitend een meervoud heeft op en‘. Dus juist niet in die gevallen waarin het eerste deel mogelijk ook een meervoud op s heeft. Volgens het besluit van 21 maart zou het hoogtenvrees worden omdat het meervoud hoogten bestaat, maar nu wordt het hoogtevrees omdat ook het meervoud hoogtes mogelijk is. Op 24 oktober zetten de ministers desondanks moeiteloos hun handtekening onder deze niet door hen besloten of opgedragen regeling.

 

Jeugd

De groep die het sterkst met de nieuwe spelling geconfronteerd gaat worden is de jeugd, vooral het grut dat nu peuter- en kleuterscholen bevolkt. Vanaf september 1997 moet het taalonderwijs de nieuwe spelling doceren. Interessant is dat in het opinie-onderzoek Speling in de spelling, dat de Taalunie in 1988 liet uitvoeren, vooral de ondervraagde onderwijzers klaagden dat de spelling te lastig was – tot hilariteit en misprijzen van de andere ondervraagde groepen professionele taalgebruikers. De leerkrachten meenden dat het te veel moeite en tijd kost om de regels er bij de leerlingen in te krijgen. Vooral de werkwoordsvervoeging (d of dt, d of dd, t of tt) was de gebeten hond.
Of die onderwijzers nu een punt hadden of niet, één ding staat vast. De huidige wijzigingen komen op geen enkele manier aan hun klachten en bezwaren tegemoet. Aan de werkwoordsvervoeging verandert niets, en de nieuwe regel voor de tussenklank e(n) lijkt ons aan een zevenjarige niet te verkopen (Zie ook U), als de leerkracht hem zelf al onder de knie kan krijgen.

 

Kosten/baten

Wie verdient er aan de hele operatie, en wie betaalt de rekening? Over dat laatste kunnen we kort zijn, de betaler bent u. U betaalt in 1997 de nieuwe schoolboeken Nederlands voor uw kinderen, waar anders tweedehandsjes volstaan hadden. U betaalt uiteindelijk de kosten die uitgevers van boeken en kranten maken om hun produktieproces aan te passen. U betaalt de nieuwe spellingchecker voor uw tekstverwerker en het personeel van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie dat de woordenlijst samenstelt. En u heeft de onderzoekjes, de vergaderingen en de rapporten betaald waaruit de wijzigingen zijn geboren, tot en met de publiciteitscampagne.
Verdienen doen de uitgevers van schoolboeken en woordenboeken, Van Dale voorop, die probeert om nog dit jaar een extra editie van zijn driedelige turf te slijten. Maar de grootste winnaar is zonder twijfel de Sdu, die de opdracht tot het produceren van het nieuwe Groene Boekje gekregen heeft (zie ook: Woordenlijst(en) Nederlandse taal). Dat is een bijzonder lucratieve order: alleen al van de editie 1954 zijn naar schatting meer dan een miljoen exemplaren verkocht. De op eigen gezag uitgebrachte editie 1991 legde het bedrijf met 370.000 verkochte exemplaren, ondanks zijn halfslachtig karakter, ook geen windeieren.
Dat deze vette uitgeverskluif ook deze keer zonder meer aan de Sdu gegund werd, is pikant. Immers, anders dan in 1954 is de voormalige Staatsdrukkerij/-uitgeverij geen overheidsbedrijf meer, maar een commerciële uitgeverij als elke andere. Het had een regering die op Prinsjesdag koningin Beatrix laat pleiten voor meer marktwerking dan ook niet misstaan om een opdracht van deze omvang en status openbaar aan te besteden. Even opmerkelijk is het dat de verzamelde uitgevers nauwelijks tegen de gang van zaken geprotesteerd hebben. Maar zie ook Nieuwe woordenlijst(en).

 

Leidraad

Net als vroeger zal ook de nieuwe editie van het Groene Boekje uit twee delen bestaan: de woordenlijst, met daarin de meest voorkomende basiswoorden en de uitzonderingen, en de leidraad, waarin de spellingsregels worden opgesomd en uitgelegd. In het ideale geval bevat de woordenlijst dus alles wat onregelmatig en onvoorspelbaar is, en vertelt de leidraad hoe u van elk woord dat er niet in staat de spelling kunt berekenen.
Wordt die Leidraad, die dit keer wordt geschreven door de Tilburgse professor Jan Renkema, een helder, overzichtelijk geheel? Daar kunnen we nog niet definitief over oordelen, omdat nog maar één hoofdstuk, getiteld Speciale kwesties, in principe helemaal klaar is. Gemakkelijk wordt het in elk geval niet, naar dat hoofdstuk te oordelen. Alleen al voor het afbreekstreepje zijn zeven regels nodig (van 1 via 2 en 2a tot 6), aangevuld met drie noten met uitzonderingen en een losse slotparagraaf met ‘nog de volgende afspraken’. Regel 2a is een uitzondering op regel twee, waarop weer drie uitzonderingen bestaan. Arme Renkema, die ook maar moet roeien met de riemen die het Comité van Ministers hem via de Taaladviescommissie aanreikt. Maar ook: arme gebruiker, die zich door regels moet ploeteren als ‘Samenstellingen en afleidingen van Griekse of Latijnse herkomst waarvan de delen niet meer als zodanig worden herkend, worden niet afgebroken volgens regel [1] of [2] maar volgens regel [6]’, aangevuld met de voetnoot: ‘Bij woorden waarin het Griekse of Latijnse woorddeel wel als zodanig wordt herkend, blijven de regels [1] en [2] van kracht’. Moet de gebruiker nu concluderen dat hij regel [6] moet toepassen op woorden waarvan hij niet weet dat ze van klassieke herkomst zijn? En hoe moet hij dan weten welke dat zijn?

 

Massale verontwaardiging

Vooral de ginecoloog en de preses lokten begin vorig jaar grote volkswoede uit. Het toen uitgebrachte voorstel van de Spellingcommissie maakte velen zelfs zo blind van boosheid dat ze niet goed meer konden lezen wat er over allerlei mogelijke spellingen geschreven werd. Er ontstonden meteen misverstanden. Men dacht dat er voorgesteld was om voortaan sjampanje te schrijven, terwijl de Commissie (afleidingen van) namen nu juist expliciet niet wilde veranderen, dus ook de spelling champagne niet. Ook de laatste weken kwam de sjampanje weer overal in de kranten op de proppen. Nu was het voorstel voor een gedeeltelijke aanpassing van de spelling van bastaardwoorden inderdaad nogal ingewikkeld. Dat zat hem echter niet zozeer in het werk van de Commissie, alswel in de opdracht die het Comité van Ministers gegeven had. De ministers wilden graag dat in vreemde woorden de ‘vreemde’ spelling zou blijven bestaan, maar dat bastaardwoorden het Nederlandse systeem zouden gaan volgen. Maar wat is ‘vreemd’ en wat is ‘bastaard’? Na veel discussiëren besloot de Commissie om ‘bastaardwoorden’ te definiëren als alle leenwoorden waarin geen ‘uitheemse’ klanken te horen vielen, en die alleen volgens het Nederlandse systeem verbogen of vervoegd werden. (Aan de Engelse leenwoorden waagde men zich helemaal niet, die werden vanwege hun recente entree in het Nederlands allemaal als vreemd bestempeld.) Dat leidde logischerwijze tot ginecoloog, preses en roete. Lastig voor de gemiddelde taalgebruiker was weer om te snappen dat gymnasium niet gimnasium zou worden (vanwege het niet-Nederlandse meervoud gymnasia), en dat je naast roete gewoon rouge zou houden (vanwege de uitheemse zje-klank). Dat neemt niet weg dat het voorstel gezien de opdracht nog zo gek niet was. Maar kennelijk hadden de ministers zich niet gerealiseerd dat een aanpassing van de spelling van bastaardwoorden per definitie een verandering inhield van de spelwijze van een aantal woorden. Ook zij schrokken zich een hoedje van de ginecoloog en gooiden met een grote zwaai het voorstel onmiddellijk het raam uit. Pikant is dat de preses het nu toch gaat halen. Het is met pre een van de 35 woorden waarvan niet de voorkeur- maar de toegelaten spelling de enige officiële gaat worden (omdat prae en praeses de enige twee woorden waren waar ‘pre’ als prae gespeld werd).

 

Nieuwe Woordenlijst(en)

De tijden veranderen, en de woorden met hen. Dat idee overheerst bij het doorkijken van de lijst grondwoorden die nieuw aan het Groene Boekje toegevoegd zullen worden. De officiële Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal komt waarschijnlijk nog dit jaar bij de Sdu uit, en zal ongeveer 110.000 woorden tellen. Het oude boekje bevatte er zo’n 67.000. Daaruit worden er nu ongeveer 14.000 in onbruik geraakte verwijderd. Snelle rekensom: dat betekent 57.000 woorden in de nieuwe Woordenlijst die er niet in de oude stonden. Ze weerspiegelen aardig hoe anders we zijn gaan eten en drinken (chablis, espresso, escargots, gamba, martini), hoeveel er sinds 1954 is uitgevonden (deodorant, playbackshow, magnetron, ecotaks, CT-scan), en dat seks nu mag bestaan (condoom, masturberen, erectie). Nog een paar veranderingen: in de nieuwe Woordenlijst staan alle af.breek.pun.ten aangegeven, en men spreekt van de-woorden en het-woorden. Of die de-woorden nu mannelijk of vrouwelijk zijn, is een zaak waar volgens de directeur van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (prof. Piet van Sterkenburg), nodig eens onderzoek naar gedaan moet worden. Wat er nu over in de nieuwe Woordenlijst komt te staan is nog niet helemaal duidelijk.
De concurrentie zit overigens intussen niet stil. In november of december – als alles goed gaat dus tegelijk met de uitgave van de Sdu – komen de uitgeverijen Van Dale, Wolters en Het Spectrum met een eigen, aparte lijst die naar schatting 150.000 woorden zal bevatten. Welke dat zullen zijn, is nog niet bekend.

 

Onderbouwing

Voorstellen tot wijziging van de spelling vloeien altijd voort uit de wens de spelling eenvoudiger of doelmatiger te maken, en deze keer vormt daarop geen uitzondering. Er was sprake van onzekerheid en verwarring, onder meer over de dubbelspelling. In de bewoordingen van de Taalunie was er zelfs sprake van ‘chaos’. En chaos dient bestreden te worden, dat spreekt vanzelf.

Wat niet vanzelf spreekt is hoe je dat dan moet doen. Hoe je werkelijk een optimale spelling bereikt. Dat hangt immers af van hoe mensen met spelling omgaan. Wat voor strategieën ze echt toepassen, hoe ze in werkelijkheid met woordbeelden en dergelijke omgaan. Dat zijn typisch dingen die je niet kunt uitvinden door mensen ernaar te vragen. Zoals bij zoveel vaardigheden het geval is, van lopen tot praten, weten we wel dát we het kunnen, maar niet hóe we het doen. Daarvoor is gedegen onderzoek nodig, wetenschappelijke onderbouwing.

De laatste spellingcommissie was zich daar ook van bewust, evenals van het feit dat de benodigde wetenschappelijke onderbouwing ontbrak. In haar slotbeschouwing begin 1994 meldde zij met zoveel woorden dat men met te weinig kennis van zaken aan het karwei begonnen was, en stelde zij voor om in zowel Nederland als België één universitaire instelling aan te wijzen die zich zou moeten specialiseren in onderzoek op het gebied van spelling.

Met dat voorstel is niets gedaan, en dat is misschien maar goed ook. Spelling is wel een interessant, maar zeker geen geïsoleerd, eigenstandig terrein. Eerder zou je van spellingsonderzoek een speerpunt binnen de cognitiewetenschappen, met name taalkunde en (perceptie)psychologie moeten maken.

Vreemd genoeg werd toch doorgegaan met het maken van wijzigingsvoorstellen, nu binnen de Taaladviescommissie, waarin deels dezelfde personen zaten die eerder verklaard hadden niet te weten waar ze mee bezig waren. Als doekje voor het bloeden schermt de Taalunie nu met een (voorlopige versie van een) artikel van de taalpsycholoog Gerard Kempen. Jammer genoeg berust dat artikel op een welhaast klassieke denkfout in de psychologie, vooral veel voorkomend bij psychologen die met computers werken.

Er zijn traditionele veronderstellingen over hoe we klankvormen en geschreven vormen van woorden met elkaar in verband brengen. Kempen stelt dat je met behulp van een zogenoemd neuraal netwerk een computersysteem kan bouwen dat die verbanden op een andere manier legt. En omdat dat in een computermodel kan, concludeert hij dat het in ons hoofd zo moet gaan. De fout is dat hij zomaar aanneemt dat een neuraal netwerk, of welk ander model dan ook, een correcte afspiegeling van onze hersenen zou zijn. Het enige dat je werkelijk uit Kempens artikel kunt concluderen is dat er kennelijk vele wegen naar Rome leiden. Maar welke de koninklijke weg is, de weg die onze hersens kiezen, blijft even duister als voorheen. Bijgevolg berusten ook de nu voorliggende spellingswijzigingen uitsluitend op onbewezen en zelfs vaak onbeargumenteerbare vooronderstellingen en indrukken.

 

Politiek correct?

De adviseuse, cabaretière, conservatrice, historica, econome, mentrix en rectrix ontbraken in het oude Groene Boekje, maar dat wordt nu goedgemaakt. En wel op een moment dat allerlei vrouwelijke vormen het aan het afleggen zijn: een beetje historica noemt zich tegenwoordig historicus, en wie wil er nog rectrix worden? De maatschappelijke trend gaat richting één vorm voor mannen en vrouwen: de mannelijke. Zouden de samenstellers van de nieuwe lijst, bewust of onbewust, toch ons spraakgebruik willen beïnvloeden?

Maar zoveel consideratie als er met de vrouwen is in de nieuwe woordenlijst, zo weinig tellen ze mee in de nieuwe regel voor de verbindings-en. Ze moeten zelfs de enige uitzondering gaan vormen op de regel dat de tussenklank alleen als en geschreven mag worden wanneer het woord in kwestie uitsluitend een meervoud op en kent. Vrouwelijke vormen op een stomme e krijgen in het meervoud een s (adviseuses, conservatrices, agentes), maar bij het maken van een samenstelling mag daar geen rekening mee worden gehouden. Zo wordt een uniformrokje voor agentes een agentenuniformrokje (het voorbeeld komt van de Taalunie).

 

Quo vadimus?

Waar moet het van nu af heen? Komen er weer nieuwe spellingcommissies? Gaat de hele geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar zich herhalen? De Taalunie gelooft en belooft van niet. Met deze wijzigingen is het schluss. Nou ja, bijna dan. De Taalunie voorziet een ‘dynamische situatie’, met elke tien jaar een aanpassing van de woordenlijst aan de actualiteit, maar verder niets.

De kans dat de Taalunie gelijk krijgt lijkt ons klein, al was het maar omdat de Taaladviescommissie zelf al niet echt gelukkig is over het resultaat van haar inspanningen, volgens voorzitter professor van der Toorn. De Taaladviescommissie had oorspronkelijk veel verdergaande voorstellen gedaan, waarvan het grootste deel door het Comité van Ministers eenvoudig van tafel is geveegd.

Een voorbeeld daarvan zijn de bastaard’tjes (zie: Frequentie): de verkleinvormen van sommige bastaardwoorden. Van compromis en chassis komen compromisje en chassisje, maar de uitspraak daarvan is compromietje en chassietje. Spelling en uitspraak lopen daar wel erg ver uiteen, maar het voorstel van de Taaladviescommissie om die kloof te dichten, vond in Den Haag en Brussel geen genade, zodat alles voorlopig bij het oude blijft. Het blijft compromisje, het blijft chassisje. Zo liggen er nog meer kwesties waar spellingsverbeteraars zich ongetwijfeld op zullen gaan werpen. En zolang de overheid de spelling bepaalt, betekent dat vroeg of laat een spellingcommissie.

 

Regeldrang

Spellingswijziging lijkt wel een nationale sport in Nederland. Al langer dan een mensenleven hebben dikke wolken kruitdamp het spellingsfront verduisterd, meestal zonder veel effect (zie ook Geschiedenis). Er zijn drie voorname oorzaken aan te wijzen. De oudste, vooral belangrijk tijdens de eerste helft van deze eeuw, is de toenmalige, typisch Nederlandse verwevenheid van de bestudering van het Nederlands met het lager en middelbaar onderwijs. In andere landen waren spelling en spraakkunst meer iets voor universiteiten.

Hier ontfermden onderwijzers zich erover, zodat meer dan elders een vanzelfsprekende koppeling ontstond tussen spelling, taalonderwijs en sociaal-democratische idealen. Beheersing van de taal in woord en geschrift was onder meer een wapen op weg naar emancipatie, en daarbij hoorde een zo goed mogelijk onderwijsbare spelling. Maar over wat dat was, liepen en lopen de meningen flink uiteen.

Vanaf 1947 komt daar volgens een eenvoudig mechaniek een tweede drijvende kracht bij: de spellingwet. Een wet betekent ambtenaren om hem uit te voeren. Die ambtenaren stellen commissies in, die voorstellen doen die weerstand oproepen, zodat er een nieuwe commissies komt, die… en zo voort.

In 1954 komt er nog een factor bij: een psychologische blunder van jewelste. Onder meer ten behoeve van de altijd wat anti-Frans georiënteerde Vlamingen was besloten tot de dubbelspelling, met vooral veel vrijheid bij de keuze tussen c en k (zie Dubbelspelling). Fataal was, dat men onmiddellijk één van beide spelwijzen tot voorkeurspelling verhief, daarmee de andere automatisch als minderwaardig bestempelend. Juist de angst betrapt te worden op het gebruik van een minderwaardige spellingvorm verklaart de bijna hysterische afkeer van de toegelaten spelling in Nederland. Dat stigma verklaart ook het geringe verzet in België tegen de spellingswijziging. Weliswaar moeten ze ‘hun’ geliefde toegelaten vormen als klown en kwerulant opgeven, maar daar staat tegenover dat ze niet langer gebruikers zijn van een door grote broer Nederland als tweederangs beschouwde spelling.

De mate van rust aan het spellingsfront lijkt overigens omgekeerd evenredig met de mate van overheidsbemoeienis. In Engeland doet de overheid niks en gebeurt er nooit wat. Ook Amerika is sinds Noah Websters toonaangevende woordenboeken, twee eeuwen geleden, rimpelloos gebleven. In Duitsland stelt woordenboekmaker Duden de norm, en begint het voor het eerst in lange tijd een beetje te rommelen. Frankrijk, met zijn Academie Française en actieve ministers van Cultuur, kent veel meer taalwoelingen, onder meer over het Franglais en over accenten. En Nederland spant met zijn spellingwet de kroon: altijd herrie, altijd twist.

 

S

“Bij de tussenklank -S verandert er bijna niets”, zegt de Taalunie in de folder ‘De nieuwe spelling komt eraan’. Maar wat er dan wel verandert, staat er niet bij. Vergelijking van de oude en de (voorlopige) nieuwe Leidraad doet vermoeden dat voortaan alleen een ander testje dan vroeger uitmaakt of het nu wel of niet een verbindings-s geschreven wordt. Waar nu naar analogie van dorpsweg ook dorpsstraat geschreven wordt, gebeurt dat straks omdat je bij een samentrekking (dorps- en stadsstraten) een s hoort. Dat laatste criterium is helder en werkt goed. Wij konden tot dusverre geen geval bedenken waarin de nieuwe test een ander resultaat geeft dan de oude.
Wat blijft bestaan is een verschil in taalgevoel tussen mensen. De verbindings-s wordt niet altijd door iedereen gehoord. Het staat u ook in de toekomst vrij om voorbehoedmiddelen danwel voorbehoedsmiddelen te gebruiken.

 

Trema en koppelteken

Trema’s zijn een soort waarschuwingstekens. Ze zeggen ‘hier begint een nieuwe lettergreep, deze klinker hoort niet bij de vorige’. Ze worden dus alleen gebruikt wanneer een woord anders verkeerd gelezen kan worden. Vandaar geërgerd, ruïne, naäpen, eindeëi. Het trema houdt in de nieuwe spelling dezelfde functie, maar het zal voortaan alleen nog gebruikt worden in afleidingen. In samenstellingen (woorden gevormd uit twee of meer losse woorden) neemt het koppelteken het over. Naast geërgerd en ruïne krijgen we daarom na-apen en eende-ei. Alleen samenstellingen die een getal vormen, houden weer wel een trema (tweeëntwintig). Het achtervoegsel -achtig en de voorvoegsels bio-, macro-, micro-, mini-, multi-, en neo- gelden kennelijk als woorden, want daarbij wint het koppelteken het van het trema (zebra-achtig, macro-economie, neo-expressionisme). Overigens wordt bij samenstellingen van wat langere woorden nu meestal ook al een koppelteken geschreven (radio-omroep, auto-ongeluk).

Wanneer de voorlopige Leidraad inderdaad de definitieve wordt dan vervalt per 1997 een voorrecht dat “wetenschappelijk gevormden” in het oude Groene Boekje nog hadden. De democratisering van de spelling is een feit, want in de nieuwe Leidraad is er niets terug te vinden van de tekst “Dit betekent echter geenszins, dat het wetenschappelijk gevormden – die aan het gebruik van het deelteken in bastaardwoorden, bestaande uit elementen ontleend aan talen die het deelteken niet kennen, minder behoefte zullen gevoelen – niet vrij zou staan linguist, reinterpretatie en derg. te spellen”.

 

U

Het vertrouwen dat het Comité van Ministers en de Taaladviescommissie van de Taalunie in u hebben is groot. Om de nieuwe spelling te kunnen toepassen moet u om te beginnen het verschil kennen tussen afleidingen en samenstellingen. Immers: de eerste kunnen een trema krijgen, de tweede een koppelteken. Nu maak je samenstellingen van twee (of meer) losse woorden. Maar ook bij de Taaladviescommissie bestond, zo werd vorige week op een Taalunie-perslunch verteld, onzekerheid over wat een los woord is. Bio en para kennelijk wel, vonden ze (in de nieuwe Woordenlijst zult u bio-energie en para-universitair aantreffen), maar pre niet (preëxistent), terwijl iets toch een hele pre maar geen reuze para kan zijn. U moet verder van alle zelfstandige naamwoorden weten of ze een meervoud op en, s, of allebei hebben. Want alleen in het eerste geval wordt er in samenstellingen een verbindings-en geschreven. Maar of je zowel linden als lindes kunt zeggen, daarover denkt niet iedereen hetzelfde. In het nieuwe Groene Boekje zal daarom worden aangegeven welke woorden twee meervouden kunnen hebben.

Een uitputtende lijst is het niet geworden. Zo ontbreken onder meer: geneugte, karbonade, ode, tombe, kariatide, sage, spermatozoïde, gilde, prelude, rotonde, druïde, pagode, insekticide, catacombe, episode, pesticide, boutade, bolide en marinade. Deels staan die woorden wel in de lijst, maar dan wordt er niet bij aangegeven dat ze een dubbel meervoud hebben. Daarnaast moet u voor de regel over de tussenklank e(n) ook nog feilloos zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, drie typen achtervoegsels, en vrouwelijke en mannelijke vormen uit elkaar kunnen houden. En tot slot moet u er bij nadenken of er misschien sprake is van een versterkend of waardetoekennend eerste deel, van planten of schimmels met een dier in de naam, van een versteende samenstelling met daarin een lichaamsdeel, of van iets waarvan er maar één bestaat (is er echt maar één zon, maan of koningin?).

Dat het misschien allemaal wat veel gevraagd is, moge blijken uit het feit dat ook getrainde beroepsspellers moeite hebben de veranderingen goed te interpreteren. In het hoofdartikel van de Volkskrant van 27 september j.l. worden de nieuwe regels voor de tussenklank e(n) en de verbindings-s geprezen omdat ze soepeler geworden zijn. Soepeler? Van de e(n)-regel kun je dat moeilijk volhouden, en de regels voor de tussen-s zijn in feite helemaal niet veranderd. De Volkskrant verwacht van de nieuwe spelling geen noemenswaardige problemen, ook al omdat niemand wakker zal liggen van de veranderingen rond trema en koppelteken. Toch is een beetje wakker liggen misschien wel nodig, want het hoofdartikel meldt ook nog ten onrechte dat we voortaan ge-emmer zullen schrijven.

 

Verplichting

Een uitvloeisel van de spellingwet is de verplichting voor overheidsdienaren in functie en voor het onderwijs tot het gebruik van de officieel vastgestelde spelling (tot nu toe: de voorkeurspelling). Maar hoe wordt die wet gehandhaafd? Een ambtenaar die weigert zich eraan te houden zou je theoretisch een dienstbevel kunnen geven. Weigeren zo’n bevel op te volgen kan dan grond voor ontslag zijn. Maar in het onderwijs ligt het moeilijker. Wat doe je met een schoolbestuur dat zijn school zo bijzonder acht dat het besluit de nieuwe spelling aan zijn laars te lappen? Navraag bij het Ministerie van OCW leert drie dingen: er is daar geen geval bekend waarin zich zoiets heeft voorgedaan, er is nooit serieus over nagedacht, en het zal in het uiterste geval wel uitdraaien op het hanteren van de subsidiekraan.
Voor alle anderen in Nederland heeft de spellingwet geen formele betekenis. Er is geen verplichting, dus ook geen straf als u het anders wilt doen.

 

Woordenlijst(en) Nederlandse taal

In 1954, zeven jaar na het aannemen van de laatste wijziging in de spellingswet, verscheen als bijlage bij de Staatscourant de Woordenlijst van de Nederlandse taal, die door zijn uiterlijk als roepnaam het Groene Boekje kreeg. De lijst bestond uit ongeveer 67.000 woorden, voorafgegaan door een leidraad waarin de spellingsregels werden behandeld. Er zijn er ongeveer een miljoen van verkocht, maar op dit ogenblik wordt een ander boekje waarschijnlijk het meest gebruikt. In 1990 werd het oude Groene Boekje namelijk niet meer herdrukt, en kwam de Sdu op eigen gezag met een merkwaardig, maar uiterst succesvol produkt op de markt: de Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal (die officieel niet zo mocht heten, want de echte herziene lijst verschijnt op zijn vroegst eind dit jaar).

Daarin stond het complete oude Groene Boekje (met dien verstande dat alle toegelaten spellingen naar een aparte lijst achterin werden verbannen), aangevuld met 30.000 nieuwe trefwoorden. Voor die nieuwe woorden had men een voorschot op een eventuele spellingswijziging genomen. Daarbij ging het ook toen al om de tussenklank e(n). Maar aan de oorspronkelijke woordenlijst wilde de uitgever geen letter veranderen. Gevolg: naast hondeneus en hondekop (stonden er al in) verschenen hondenoog en hondenlul (stonden niet in het oorspronkelijke boekje). Hondenoog is echter volgens de huidige spellingwet illegaal. Pas als de nieuwe Maatregel van Bestuur ingaat, wordt het correct. En dan moet u ook hondenneus en hondenkop schrijven.

Zijn die 30.000 nieuwe trefwoorden (te herkennen aan een eraan voorafgaand wiebertje) dan tenminste allemaal in de nieuwe spelling geschreven? Nee. Door alle clausules op de en-regel zijn sommige weer anders. De lijst uit 1990 geeft bijvoorbeeld hondenbaan en vliegenzwam, die in de nieuwe spelling van 1997 geen tussen-n krijgen. Overigens zullen ook niet alle 30.000 in 1990 toegevoegde woorden het échte nieuwe Groene Boekje halen.

 

XXL

Groene boekjes hebben maar een beperkte waarde: u zult er nooit alles in kunnen vinden wat u zou willen weten . Het oude Groene Boekje was een maatje ‘Small’, het nieuwe komt met zijn 125.000 woorden niet verder dan ‘Medium’. Misschien dat de driedelige Van Dale het predikaat Large verdient, maar het echte, levende Nederlands is Extra Extra Large. Dat echte Nederlands bevat namelijk ook alle afleidingen (dus bijvoorbeeld alle vormen van alle werkwoorden), en kent bovendien een letterlijk oneindig aantal samenstellingen, omdat je er telkens weer nieuwe bij kunt bedenken. Geen woordenlijst of woordenboek dat al het Nederlands kan bevatten. Zo staan de sloffenfetisjist, de godenvervloeker, en de tranenlikker nergens, maar met een beetje fantasie kunt u zich wel iets bij die woorden voorstellen. En er zelf nog tien bijverzinnen. Jammer alleen dat nou net de regel voor de tussenklank e(n) in samenstellingen en afleidingen zo ingewikkeld wordt.

 

Y, ei, au en ou

Ook wat betreft de ij en de ei, en de au en de ou blijft alles bij het oude. Het opinie-onderzoek dat in opdracht van de Taalunie in 1988 werd verricht liet zien dat Nederlanders in het algemeen het onderscheid niet als problematisch maar zelfs als nuttig ervaren en ten aanzien van het gebruik ervan vaak nog logische of betekenisverschillen voelen. Ook zijn er nog dialecten waarin de uitspraak van de varianten verschilt.

 

Zeeuws-Vlaams

Buitenlandse namen, en dan vooral de aardrijkskundige, vormen altijd een bron van verwarring, al was het maar omdat de meeste per definitie uit talen afkomstig zijn die maar weinig op het Nederlands lijken. De variatie in opvattingen over hoe een bepaalde naam hier in Nederland moet worden uitgesproken, en vervolgens weer geschreven, is enorm. Zo zijn er maar liefst 124 verschillende manieren in omloop om de naam Chroestjov te schrijven, en zegt de een ‘peking’ waar de ander per se over ‘beedzjing’ wil praten. Officieel is daarom over de spelling van aardrijkskundige namen maar weinig geregeld, en dat weinige wordt nu gestroomlijnd.
Onveranderd blijft dat in samenstellingen met aardrijkskundige namen een koppelteken tussen de delen staat, waarna een hoofdletter volgt: Nieuw-Zeeland, Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen. Volgens de oude regeling verviel dat koppelteken, en dus ook de daarop volgende hoofdletter, in sommige afleidingen. Dat is nu niet meer zo. Het is dus voortaan simpelweg Nieuw-Zeelands, Oost-Groninger en Zeeuws-Vlaams.

De kleine wonderen van het menselijk taalvermogen

De dochter van Herm weigert om daken te zeggen. Dat vindt ze een belachelijk woord: het moet dakken zijn, ze weet het zeker. Met haar zeven jaar geeft ze daarmee blijk van een grote dosis kennis van haar moedertaal. Want zeg nou zelf, je hebt toch ook plakken, zakken, bakken, hakken, takken, wrakken, slakken, snelheidsmaniakken en nog veel meer. Waarom zou dan uitgerekend bij dak die a in het meervoud ineens een lange aa moeten worden?

“Dat is een uitzondering op de regel”, luidt het volwassenen-antwoord. Maar hoe komt de kleine Pia aan de regel? Je kunt er donder op zeggen dat nooit iemand tegen haar heeft gezegd: “Luister meisje, als je in het Nederlands een zelfstandig naamwoord tegenkomt dat eindigt op de klank ak onthou dan dat je daar in het meervoud altijd akken van moet maken,” of iets van gelijke strekking. Tegen de tijd dat ze zo’n regeltje voor het eerst een beetje zou kunnen snappen, past ze het al jaren toe. Hoe weet ze dan zo zeker – en terecht – dat er met daken iets raars aan de hand is? En waarom praat ze trouwens niet gewoon braaf haar vader en moeder en alle andere volwassen Nederlanders na? Die zeggen nooit dakken.

Het heeft alles te maken met de manier waarop kinderen zich hun moedertaal eigen maken. Op zijn beurt is dat een van de grote wonderen van de evolutie, een wonder dat nog maar zeer ten dele begrepen wordt. En dat terwijl toch al miljarden kinderen over de hele wereld Pia zijn voorgegaan. Want als mensen in één opzicht gelijk zijn dan is het wel hierin. Jongen, meisje, arm, rijk, gekleurd, blank, het maakt niet uit, als ze zeven zijn hebben kinderen in welke cultuur dan ook het taalsysteem bijna helemaal onder de knie. Hoe kan dat?

Daarachter komen is niet eenvoudig, maar een paar dingen kan iedereen meteen zien. Als je een hondje of een klein katje in huis neemt, dat jarenlang vertroetelt, voedt en toespreekt dan gaat het niet terugpraten, wat je ook probeert. Iedere baby, tenzij die echt grote aangeboren afwijkingen heeft, zal dat wel doen. Taal is iets van mensen, en met het vermogen er een te leren word je geboren. Toch erf je niet zomaar de taal van je ouders. Als Pia na haar geboorte naar Moskou verhuisd was en daar door Russen grootgebracht, dan zat ze nu echt niet in over ‘dakken’ of ‘daken’, want dan sprak ze helemaal geen Nederlands maar Russisch.

Kortom, de invloed van de buitenwereld lijkt zo op het oog van groot belang. Hoe groot eigenlijk? Of anders gezegd: wat is er nu precies aangeboren van dat taalvermogen, en wat is afhankelijk van invloed van buitenaf? Dat is de vraag waar het in heel veel taalkundig en ander onderzoek allemaal om draait. Maar met die vraag in gedachten eens uitgebreid wetenschappelijk verantwoord gaan experimenteren kan niet.

Althans, we zijn daar toch wat anders over gaan denken sinds de Egyptische koning Psammetichus de Eerste in de 7e eeuw voor Christus een geitenhoeder de opdracht gaf twee kinderen op te voeden zonder tegen ze te praten. Psammetichus dacht kennelijk dat kinderen spontaan taal ontwikkelen, want zijn bedoeling was erachter te komen wat de oudste taal ter wereld was. Het is een heel beroemd verhaal geworden doordat de Griekse geschiedschrijver Herodotus het twee eeuwen later opschreef.

Of het allemaal waar gebeurd is blijft natuurlijk de vraag, maar de geschiedenis wil dat de kinderen na twee jaar zoiets als ‘becos’ zeiden. Sommigen herkennen daarin het geluid van geiten, anderen zeggen dat het het gewone gebrabbel waarmee elk kind begint moet zijn geweest. Psammetichus daarentegen liet uitzoeken dat ‘becos’ Phrygisch was voor ‘brood’. De Phrygiërs waren dus ouder dan de Egyptenaren, moest hij concluderen.

Er zijn meer van dergelijke verhalen in omloop, maar de meeste hebben gemeen dat ze volkomen oncontroleerbaar zijn. Een uitzondering, althans tot op zekere hoogte, vormen de twee meisjes Amala (helder-gele bloem) en Kamala (lotus). Anders dan Romulus en Remus die Rome gesticht zouden hebben, en Mowgli van Jungle Book zijn ze geen legendes of romanfiguren. Het zijn de enige wolvenkinderen in de geschiedenis van wie met grote zekerheid gezegd kan worden dat ze daadwerkelijk door wolven zijn opgevoed.

In oktober 1920 werden ze in Bengalen in India letterlijk uit een wolvennest gehaald. Hoe ze daar terechtgekomen waren is nooit duidelijk geworden, maar na aanhoudende verhalen over spoken in het bos werd er onder leiding van de Indiase zendeling J.A.L. Singh een jacht georganiseerd, waarbij de moederwolf werd doodgeschoten maar de meisjes gespaard. Dominee Singh nam ze mee naar zijn weeshuis, waar ze later hun namen kregen. Amala werd ongeveer drie jaar oud geschat toen ze gevonden werd, Kamala vijf of zes.

Ze spraken niet. Sterker nog, ze gedroegen zich eigenlijk in alle opzichten als wolven. Ze renden ongelooflijk snel op armen en benen, wilden uitsluitend rauw, liefst ook nog bedorven vlees eten en joegen op kippen en duiven. Hun gezichten waren strak, emotieloos, nooit verscheen er zelfs maar een klein glimlachje op. Niemand zag ze ooit een gebaar naar elkaar maken. Ze hadden een afkeer van licht en waren alleen ’s nachts actief. Dan huilden ze soms ook, als wolven.

Met zijn tweeën in het wolvengezin hadden de meisjes blijkbaar geen gesproken taal ontwikkeld. De vraag is konden ze het daarna alsnog oppikken? Kinderen van drie of vijf jaar hebben zich onder normale omstandigheden al heel veel taal eigen gemaakt. Je kunt, simpel gezegd, met ze praten. Dominee Singh en zijn vrouw waren er natuurlijk vooral op uit de meisjes ‘menselijk’ te maken, en zo hun zielen te redden. Er werd dus meer aandacht besteed aan pogingen ze iets anders dan rauw vlees te laten eten en ze op twee benen te laten lopen, dan aan hun taalontwikkeling. Toch heeft Singh in het dagboek dat hij bijhield daar wel het een en ander van vastgelegd.

De jongste van de twee, Amala, is de eerste die iets door lijkt te krijgen. In de zomer na hun aankomst bij het weeshuis zijn de meisjes hun ergste ‘wildheid’ kwijt en volgen ze mevrouw Singh altijd de slaapzaal in, in de hoop op iets lekkers. Mevrouw Singh vertelt de weeskinderen daar dagelijks simpele verhaaltjes, vaak aan de hand van de religieuze platen die aan de muur hangen. Ze wijst dingen aan, laat de kinderen benamingen herhalen.

Eerder heeft op ongeveer dezelfde manier geprobeerd Amala en Kamala woorden bij te brengen: telkens als de meisjes iets te eten kregen gaf de domineesvrouw er de naam bij, en bleef die herhalen tot het op was. Diezelfde woorden komen wel eens terug in mevrouw Singhs verhaaltjes voor de weeskinderen. En op een goede dag valt het haar op dat Amala opkijkt naar de platen aan de muur, zodra ze een van woorden hoort voor eten en drinken die mevrouw Singh zo vaak herhaald heeft. Amala lijkt ze te herkennen.

Kamala volgt telkens Amala’s blik, maar kijkt nooit als eerste. Het is ook Amala die kort na hun aankomst zoiets als ‘bhoo bhoo’ zegt wanneer ze naar het water loopt, en die al heel snel daarna datzelfde geluid gaat maken als ze dorst heeft.

Maar Amala sterft binnen een jaar. Kamala moet het verder alleen doen, en inderdaad verandert het dierlijke gebrom, gegrom en gehuil dat ze eerst voortbracht in een soort gemurmel en gebabbel – tegen zichzelf en tegen sommige dieren – dat meer op taal lijkt. Voordat ze zelf een woord zegt lijkt ze er al een heleboel te snappen. Ze knikt ja, schudt nee, wijst naar dingen. Pas na meer dan drie jaar komen de eerste woorden. Onder andere voor ‘ja’ en ‘nee’, en ‘rijst’ en ‘ik’ en ‘eten’. Ook de namen van een aantal kinderen en de woorden ‘ma’ en ‘papa’ (voor mevrouw en dominee Singh) zegt ze dan. Kamala is helemaal gek van dingen die rood zijn. Ook dat woord (‘lal’ in het Bengali) leert ze.

Maar ze zal niet gauw iets uit zichzelf zeggen, ze geeft ook lang niet altijd antwoord. Bovendien heeft ze de neiging om dat wat ze zegt in te korten. Van de meeste woorden blijft maar één lettergreep over als Kamala ze uitspreekt. Soms zegt ze een paar woorden achter elkaar, en ook dan vereenvoudigt ze de uitspraak. ‘Ami jabo’ (ik zal) wordt bijvoorbeeld ‘amjab’.

De eerste keer dat ze drie woorden achter elkaar zegt is als ze een paar (rode!) poppetjes van mevrouw Singh heeft gekregen en een houten doosje om ze in te doen. Uitgelaten rent ze dan op handen en voeten rond, terwijl ze uitroept ‘Bak-poo-voo’, haar weergave van ‘Baksa-pootool-vootara’: doos-pop-erin. Maar meer dan zo’n dertig verschillende woorden schijnt ze nooit gebruikt te hebben. Kamala sterft in september 1929, acht jaar na Amala en negen jaar nadat ze uit het wolvehol was gehaald.

Het verhaal van Kamala doet in een aantal opzichten aan dat van Genie denken. Van Genies taalontwikkeling is alleen veel meer vastgelegd. Haar levensverhaal is nog gruwelijker dan dat van Amala en Kamala. Het speelt in Amerika, in een rustig plaatsje in Californië. Genie werd geboren in 1957. Toen ze twintig maanden oud was, en waarschijnlijk net haar eerste woordjes begon te zeggen, werd ze door haar zwaargestoorde vader opgesloten in een klein slaapkamertje. Daar zat ze, meestal vastgebonden op een potje, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Er viel vrijwel niets te doen, niets te zien, niets te horen. Ze kreeg alleen babyvoedsel, dat wil zeggen: als ze niet vergeten werd.

En niemand sprak tegen haar. De vader kon niet tegen geluid, er was niet eens een radio of tv in huis. Als Genie zelf een geluid maakte, huilde omdat ze pijn had of honger, kwam haar vader om haar met een stok te slaan. Of hij bleef buiten de deur dreigend staan grommen en blaffen als een hond. De enige taal die ze in bijna twaalf jaar tijd hoorde was het gevloek van haar vader als hij boos was.

Toen Genie dertien jaar en zeven maanden oud was vond haar vrijwel blinde en evenzeer geterroriseerde moeder eindelijk de kracht haar echtgenoot te verlaten. Ze nam Genie mee. Niet lang daarna stapte ze de Sociale Dienst van Los Angeles binnen, haar manke, kwijlende dochter aan de hand meevoerend.

Onmiddellijk zag men daar dat er iets ernstig mis was met Genie. Ze belden de politie, de ouders werden gearresteerd en Genie werd naar het ziekenhuis gebracht, in eerste instantie omdat ze zwaar ondervoed was: bij de Sociale Dienst schatte men haar op zes of zeven jaar oud, zo klein was ze gebleven. De vader schoot zich op de dag dat het proces begon door zijn hoofd, de moeder werd vrijgesproken omdat men vond dat ze zelf slachtoffer was geweest.

Genie was niet zindelijk, ze kon haar ledematen niet strekken, ze kon niet kauwen. Net in het ziekenhuis reageerde ze op mensen of het dingen waren. En ze praatte niet. Ze was doodstil. Zelfs bij woeste driftbuien, waarbij ze zichzelf krabde, en snotterde en snikte maakte ze geen enkel geluid.

Maar het verzorgend personeel praatte wel tegen haar. Voor het eerst na al die tijd hoorde ze taal. En ze leek een handjevol woorden te begrijpen. Bijvoorbeeld ‘mama’, ‘konijn’, ‘juwelenkistje’, ‘deur’, ‘gaan’ en wat kleuren. Het enige wat men haar in het begin zelf soms hoorde zeggen was ‘hou-op’ en ‘genoeg’ (‘stopit’ en ‘nomore’), en dat zei ze meestal tegen zichzelf.

Maar het horen van taal had al snel effect, al was Genies taalontwikkeling verre van normaal. Nadat ze uit het ziekenhuis kwam woonde ze jarenlang bij een psychologenechtpaar in huis en werden haar taalvorderingen nauwlettend gevolgd en getest door een taalkundige.

Met bijna elk aspect van Genies taalgebruik was iets mis, en dat bleef ook zo. Zo legde ze geen intonatie in haar stem, die bleef robot-achtig klinken. En ze had grote moeite met de uitspraak van woorden. Net als Kamala kortte ze ze vaak in. Van ‘soep’ maakte ze ‘soe’ bijvoorbeeld, en de naam ‘Steve’ sprak ze uit als ‘Teve’. Of ze stopte er juist een klinker bij, om de uitspraak te vergemakkelijken. ‘Stove’ (kachel, fornuis) werd zoiets als ‘setove’.

Dat lijkt overigens sterk op wat alle kinderen doen in het begin, maar Genie kwam maar niet voorbij die fase. Wel leerde ze heel veel nieuwe woorden. Ze in de goede volgorde zetten was het probleem. Genie bleef in een soort telegramstijl praten. Ook meervouden maken, werkwoordsuitgangen of vraagwoorden gebruiken wilde niet goed lukken. Ze bleef ‘jij’ en ‘ik’ en ‘jouw’ en ‘mijn’ door elkaar halen. Dat laatste kennen veel ouders van hun kinderen, maar alweer: Genie kwam niet door die fase heen.

Net als Kamala sprak ze bovendien zelden of nooit uit zichzelf. Haar antwoorden waren meestal kort, een paar woordjes. ‘Waar was je vandaag?’ vroeg haar pleegmoeder dan bijvoorbeeld. ‘Big gym’ (grote gymzaal) antwoordde Genie dan. Tegen haar zeggen dat ze ‘in zinnen moest praten’ of ‘er een vraag van moest maken’ had geen enkele zin. Ze raakte er van in de war, en begon onbegrijpelijke dingen te zeggen als ‘I where Graham cracker?’ (Ik waar Graham cracker?). Toen de pogingen haar zo expliciet te onderwijzen gestaakt werden, hield Genie ook weer op met woordsalade produceren, en ging ze weer gewoon dingen zeggen als ‘no spit bus’ voor ‘ik heb niet gespuugd in de bus’.

Hoe haar taalgebruik op dit ogenblik is, is niet bekend. Een buitengewoon onverkwikkelijke reeks ruzies en rechtszaken hebben ervoor gezorgd dat Genie nu al vele jaren in een tehuis voor zwakzinnigen zit, waar geen van de mensen die haar de eerste jaren begeleidden haar mogen opzoeken.

 

De wetenschappelijke wereld had grote belangstelling voor Genie toen ze gevonden werd. Dat had ondermeer te maken met een hypothese over het menselijk taalvermogen die net een paar jaar eerder gelanceerd was. Die luidde dat er bij het verwerven van je moedertaal sprake is van een ‘kritieke periode’ of een ‘kritieke leeftijd’: als je het niet leert voor je puberteit, dan is het te laat, en zal het niet meer lukken. Kritieke periodes zijn in de biologie een heel normaal en veelvoorkomend verschijnsel. Je vindt ze bij allerlei soorten dieren.

Een bekend voorbeeld is de ontwikkeling van het gezichtsvermogen. Er zijn heel wat nare experimenten met kippen, katten, apen, duiven en nog veel meer gedaan. In het geval van katten en apen blijkt bijvoorbeeld dat het vermogen om met twee ogen te kijken in de eerste drie maanden ontwikkeld moet worden.

Plak je namelijk bij pasgeboren katjes of apen één oog af in die periode, dan gedragen ze zich daarna voor de rest van hun leven alsof dat ene oog blind is: het doet eenvoudigweg niet mee, terwijl er bij de geboorte niets mis mee was. En het zit hem echt in die eerste drie maanden. Want als je op latere leeftijd een oog dichtplakt, zelfs voor nog veel langere tijd, en je haalt het lapje er weer af, dan blijkt er niets aan de hand te zijn. Het beest kijkt gewoon weer met twee ogen.

Dat valt ook te begrijpen als je weet dat het afplakken in het begin een puur fysiek effect blijkt te hebben: de visuele cortex van de dieren waarbij dat gebeurd is, wijkt totaal af van normaal ontwikkelde cortexen. Kortom: katten en apen – en voor mensen geldt waarschijnlijk hetzelfde – komen ter wereld met het vermogen met twee ogen te kijken, maar dat moet nog wel groeien. Letterlijk. En daarvoor moeten de omstandigheden op het juiste moment meewerken. Het idee was dus dat het met menselijke taal eigenlijk net zo gaat.

Daar zijn ook argumenten voor te vinden. Al is het alleen al de ervaring die heel veel mensen delen: na je puberteit wordt het een stuk lastiger een nieuwe taal te leren. Wat bij je moedertaal nog helemaal automatisch ging, moet je nu ineens voor elkaar zien te krijgen met hard studeren en vervelend stampwerk, en dan nog gebeurt het zelden dat je in een vreemde taal hetzelfde gemak bereikt als in je eerste taal.

Maar er is meer, zoals het herstelvermogen. Iemand die op latere leeftijd taalproblemen krijgt door een hersenbloeding of ander hersenletsel, komt daar meestal niet meer (helemaal) vanaf. Dat taal in je hersenen zit wordt alleen al daardoor bewezen, maar waar precies blijkt in de praktijk van mens tot mens te kunnen verschillen: een beschadiging die van de een een afasiepatiënt maakt, hoeft bij de ander geen taalproblemen op te leveren. Of de afwijking zelf verschilt. Er is nog steeds veel te weinig bekend over het menselijk brein, maar maar er zit kennelijk wat ‘rek’ in, en naarmate je jonger bent legt het meer souplesse aan de dag.

Want als kinderen hersenletsel oplopen – het kan zelfs zijn dat er een hele hersenhelft verwijderd moet worden – dan blijken ze vaak miraculeus goed te herstellen. Ook als ze een tijdje niet meer kunnen praten, leren ze dat later vaak weer helemaal opnieuw. De ‘kritieke periode’, zo lijkt het, is dan nog niet voorbij: hun hersens zijn als het ware nog ontvankelijk voor taal, en in staat het opnieuw ‘vast te leggen’. En de grens ligt ongeveer bij de puberteit: daarna gaat het herstelvermogen razendhard achteruit.

Kamala en Genie lijken de kritieke periode hypothese in ieder geval ten dele te bevestigen. Gewoon, vanzelf en goed een taal leren zat er voor hun niet meer in, hoewel het natuurlijk heel moeilijk is conclusies te trekken op basis van twee meisjes die een in alle opzichten totaal afwijkende ‘opvoeding’ gehad hadden voordat ze met taal in aanraking kwamen. Opvallend is dat ze wel woorden konden leren, het was de grammaticale kant van taal die er niet inging. Netzomin als de sociale overigens. Misschien zijn wel niet alle aspecten van taal afhankelijk van die kritieke periode. Tenslotte gaan we allemaal een levenlang door met nieuwe woorden leren, ook in onze moedertaal.

Duidelijk is wel dat ons taalvermogen een krachtig en robuust iets is. Je krijgt het niet zomaar weg, en het laat zich ook niet gemakkelijk tegenhouden. Het heeft maar een klein zetje nodig te om zich goed te kunnen ontwikkelen. Maar dat zetje moet er waarschijnlijk wel zijn.

Interessant in dat verband is een onderzoek van niet zo lang geleden naar een paar dove kinderen in Amerika. Ze groeiden toevallig in elkaars buurt op, maar hadden ouders die helemaal geen gebaren tegen hen maakten, omdat hen verteld was dat dat slecht voor de ontwikkeling van de kleintjes zou zijn. De kinderen bleken tegen de tijd dat ze een jaar of drie waren helemaal zelf een heel arsenaal aan gebaren ontwikkeld te hebben, waarmee ze elkaar van alles duidelijk konden maken. Alleen een echte grammatica kon de onderzoekster in hun gecommuniceer niet ontdekken.

Gebarentalen, zoals die al sinds mensenheugenis in dovengemeenschappen bestaan, hebben die grammatica wel. Ze hebben in feite alle kenmerken die gesproken talen ook hebben. Ook dat zegt weer iets over de stevigheid van het taalvermogen: het kan blijkbaar ook via een ander kanaal lopen. Zelfs doofblinde kinderen kunnen via voelen perfect een taal leren. En zelf kunnen oefenen is ook geen noodzakelijke voorwaarde. Je kunt je moedertaal ook helemaal passief ondergaan, en hem op die manier evengoed als een ander leren.

Het levende bewijs daarvan vormt de Ierse Christopher Nolan. Hij heeft geen controle over zijn spieren, en zal nooit kunnen praten of gebaren. ‘Ja’ of ‘nee’ zeggen doet hij met zijn ogen. Vele lange jaren zat hij in zichzelf opgesloten en lukte het op geen enkele manier om hem met hulpmiddelen te laten schrijven. Pas toen hij elf was kreeg hij een medicijn dat zijn getril en zijn spasmes zodanig kan bedwingen dat hij een typmachine kan bedienen.

Dat gebeurt heel langzaam, letter voor letter, met behulp van een soort stokje dat aan zijn voorhoofd gemonteerd is, en iemand die zijn hoofd ondertussen vasthoudt. Zoals zijn ouders altijd al wisten bleek Christopher een perfecte kennis van het Engels opgedaan te hebben. En schrijven kan hij ook. Hij maakte eerst een prachtige dichtbundel, en in 1987 verscheen de indrukwekkende autobiografische roman Under the eye of the clock. Inmiddels heeft hij zich ontwikkeld tot een ‘gewone’ schrijver, te oordelen aan The Banyan Tree, een dikke roman in zeer literair, zelfs lastig Engels die in 1999 verscheen.

Slim of sociaal vaardig hoef je voor het leren van taal ook al niet te zijn. De Amerikaanse Laura bijvoorbeeld, is wat in de volksmond achterlijk heet. Ze is nu midden dertig, maar ze tekent nog steeds als een kind van drie. Op intelligentietesten scoort ze buitengewoon laag en vaak kun je absoluut niet volgen waarover ze het heeft. Maar dat ligt niet aan haar kennis van het Engels. Die is namelijk uitstekend. Laura praat in prachtige volzinnen, met correcte vervoegingen en verbuigingen en verwijzingen. Ook ingewikkelde ingebedde constructies, relatieve en passieve zinnen zijn geen probleem. Laura’s grammatica wijkt maar op hele kleine puntjes af van wat normaal is.

Ook snapt ze veel van hoe de wereld in elkaar zit. Als je het haar vraagt vertelt ze je zo dat ‘boeken’ niet ‘gelukkig’ kunnen zijn, dat ‘potloden’ niet kunnen zien en dat ‘fornuizen’ geen ‘appels’ eten. Andere dingen begrijpt ze half. Meestal gebruikt ze getallen en tijdsaanduidingen op de goede plaats in de zin en op het goede moment, alleen de precieze invulling gaat verkeerd. Als je naar haar telefoonnummer vraagt, geeft ze keurig een nummer van de juiste lengte, maar het lijkt niet eens op haar eigen nummer.

Of ze vertelt dat haar ouders twee jaar geleden getrouwd zijn, of dat ze nu 19 is, maar volgend jaar 16 zal worden. Maar wat ze maar niet lijkt te vatten is hoe je een gesprek moet voeren. Ze praat dolgraag, maar ze geeft antwoorden die niet slaan op de rest van het gesprek, of ze begint halverwege haar verhaal ineens over iets totaal anders. Wat ze zegt, is met andere woorden niet coherent.

Laura is een van die mensen die laten zien dat datgene wat we in de wandeling ‘taal’ noemen in feite samengesteld is uit verschillende, in principe tamelijk losstaande vaardigheden.

Nog een sterk geval is Chris, die in Engeland woont. Ook hij heeft een i.q. van ongeveer veertig op heel veel intelligentietesten, alleen op de taaltesten scoort hij hoog. Chris is autistisch en kan absoluut niet voor zichzelf zorgen. Hij is nog niet eens in staat zijn eigen jas dicht te knopen, maar hij heeft een geweldige talenknobbel. Van meer dan twintig talen, uit heel uiteenlopende taalfamilies, heeft hij een behoorlijke kennis. Leg hem een stukje tekst in het Nederlands of het Hindi voor, en hij ratelt het zo op. Een ‘idiot savant’ met een talent voor taal. En net als alle ‘savants’ houdt Chris zich nergens liever mee bezig.

Maar niet alle argumenten komen voort uit spelingen van het lot. Er valt ook veel te leren van al die gevallen waarin alles normaal verloopt. Want de gewone gang van zaken laat zich uitstekend rijmen met het idee je met een compleet taalprogramma geboren wordt, en dat je dat programma bijna onherroepelijk en altijd in de goede volgorde moet doorlopen.

Het gaat meteen van start, en zolang er in de buurt van het kind maar taal gebruikt wordt ontvouwen de talige capaciteiten zich vanzelf in de jaren daarna.

Voor ouders is het misschien wat teleurstellend, maar hun invloed op hun kind is niet zo groot als ze vaak denken. In de literatuur zijn er jarenlang discussies geweest over de rol van wat zelfs het ‘motherese’, het ‘moeders’, heette. Volwassenen praten anders tegen kleine kinderen dan tegen elkaar. Ze spreken langzamer, op een hogere toon, ze gebruiken korte, eenvoudige zinnetjes en ze herhalen veel. Het is een universeel verschijnsel, en zelfs kinderen van vier schijnen hun spraak al aan te passen als ze het tegen een hummeltje van twee hebben.

Begrijpelijk dat de gedachte ontstond dat het horen van die ‘aangepaste taal’ een noodzakelijke voorwaarde was om taal te leren. Maar er is nog nooit enig bewijs voor geleverd. Om te beginnen is het niet zo dat het taalgebruik van de volwassenen parallel loopt met het niveau waarop het kind op dat moment is. Het ‘motherese’ verandert onderweg niet zo veel, terwijl de taal van het kind groeit als kool.

Bovendien zijn er culturen bekend waar eigenlijk niet of nauwelijks tegen kleine kinderen gepraat wordt. In het zuidoosten van Amerika heb je bijvoorbeeld een zwarte arbeidersgemeenschap waar ze kinderen gewoon nog niet als mogelijke gesprekspartners beschouwen. Het gekir boven de wieg van anderen vinden ze maar raar. De kinderen draaien wel gewoon mee in het gezin en horen dus vaak taal. En dat blijkt voldoende: ook die kinderen leren hun moedertaal.

Naar de aard, de inhoud en de opzet van het taalprogramma dat kinderen doorlopen is in de laatste tientallen jaren heel veel onderzoek gedaan. Dat wil overigens bepaald niet zeggen dat het nu geheel in kaart gebracht is. Taal is zo’n ingenieus en ingewikkeld systeem dat er nog steeds niet meer dan fragmenten van beschreven zijn. Ook is er nog geen enkele methode ontwikkeld om met zekerheid aan het brein af te lezen welke taalcapaciteiten er bij de geboorte al in zitten, en wat er daarna groeit en hoe.

Maar in de loop van de evolutie is er in elk geval een link tussen taal en stembanden gelegd. Dat klinkt als een open deur, maar dat is het niet. Het bestaan van gebarentalen bewijst dat de twee niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat die link er is blijkt hieruit: alle kinderen over de hele wereld gaan volautomatisch op dezelfde manier hun stem liggen oefenen in de eerste maanden van hun leven. Het geblaas, gekir, ge-uh, ge-daaah en ge-ammmm is universeel.
Baby’s maken in het begin een standaardsetje geluiden.

Daarin zitten soms ook klanken die in wat hun moedertaal gaat worden niet voorkomen. Die moeten dus ingebakken zitten. En het definitieve bewijs daarvoor vormen dove baby’s: die gaan ook vanzelf in de eerste zes, zeven, maanden op dezelfde manier hun stem uitproberen. Eerst het gepuf en ge-daaah, daarna dezelfde klanken een paar keer achter elkaar: “dadada” en “nenenene” bijvoorbeeld. Dat moet een volautomatisch deel van het taalprogramma zijn.

En hier moet overigens de oorzaak liggen van het feit dat de woorden voor ‘papa’ en ‘mama’, in tegenstelling tot alle andere woorden, in zo ongelooflijk veel talen zo sterk op elkaar lijken.
Na die beginperiode gaan kinderen die kunnen horen door met wat officieel ‘gevarieerd brabbelen’ heet: ze gaan de klanken die ze produceren langzaam maar zeker aanpassen aan de klanken van hun omgeving. Dan komen er dingen uit als “bapetepoepa”. Dove kinderen vallen op dat moment stil.

Maar ‘zelf doen’ of iets begrijpen van wat anderen doen zijn twee dingen. Voordat een kind letterlijk ook maar één woord kan uitbrengen heeft het al een fabelachtige kennis in huis. Als ze kunnen horen, dan hebben baby’s, schijnt het, hun oren zelfs in de baarmoeder al wijd open. Een baby’tje is direct na de geboorte al in staat de stem van zijn moeder te herkennen.

Sterker nog: een pasgeborene hoort ook het verschil tussen dat wat zijn moedertaal gaat worden en andere talen. Hoe je dat meet? Simpel, met een fopspeen waaraan meetapparatuur gemonteerd zit: een oplettend, geconcentreerd kind zuigt daar harder en sneller aan dan een ongeinteresseerde baby. Een al lang bekend feit dat goede diensten bewijst.

Je kunt de zaak zo instellen dat er automatisch gereageerd wordt op het zuigpatroon van het kleintje. Je begint bijvoorbeeld met hem zijn aanstaande moedertaal te laten horen, verliest hij dan interesse dan komt er een vreemde taal voor in de plaats. Verliest hij ook daarvoor interesse dan komt de moedertaal weer terug, en om die te houden moet de baby blijven zuigen. Dat hebben ze ontzettend snel door. En het blijkt dat ze het liefst hun eigen taal horen. Laat je ze namelijk naar twee vreemde talen luisteren dan vertonen ze geen voorkeur voor de een of de ander. Wat ze herkennen is naar alle waarschijnlijkheid het intonatiepatroon.

En het begint werkelijk al voor de geboorte. Baby’tjes reageren in de eerste 24 uur van hun leven al op deze manier, ook als je ze hun moedertaal wat ‘gedempt’ laat horen, zoals het in de baarmoeder geklonken moet hebben.

Oplettendheid is het belangrijkste meetinstrument zolang een kind nog niks kan zeggen. Daarmee is bijvoorbeeld ook aannemelijk gemaakt dat ze tussen de zeven en tien maanden al doorhebben waar ze het eind van een zin of bijzin kunnen verwachten: als je ze laat luisteren naar een verhaaltje waar mechanisch op de verkeerde, ‘onnatuurlijke’ momenten pauzes in zijn ingebracht verliezen ze sneller hun interesse en wenden hun hoofd af.

Wat voor hun taal normale klankcombinaties zijn lijken ze zo tussen zes en negen maanden in de gaten te krijgen. Uit alles blijkt trouwens dat baby’s heel erg gespitst zijn op taal, voorgeprogrammeerd om daar op te letten. Ze vinden het meteen al leuker om naar woorden te luisteren dan naar andere geluiden, of naar stilte.

 Klanken en intonatie zijn maar een klein onderdeeltje van taal. Het zijn wel de dingen waar alle kinderen op de hele wereld mee beginnen. Zo houden ze vaak ‘al hele verhalen’ voordat er ook maar een woord van te verstaan is: dan zijn ze de zinsintonatie aan het oefenen. De eerste ‘echte’ woorden verschijnen meestal rond het eerste levensjaar, maar het kan ook een stuk later zijn. Er is nogal wat variatie in de aanvangstijden binnen het programma. De volgorde van de onderdelen daarentegen is in principe gelijk.

In het begin schiet het niet zo hard op. Zo’n half jaar na het eerste woord, heeft het kind nog steeds maar een handjevol tot zijn beschikking. Meestal een rijtje als: papa, mama, bal, poes, pop, die, op, nog, melk en zo nog een paar. Een woord als ‘melk’ zal niet direct perfect uitgesproken worden. Kinderen blijven hun uitspraak nog een hele tijd vereenvoudigen. En sommige klanken zijn duidelijk moeilijker dan andere. De r en de l bijvoorbeeld kunnen zelfs jaren later nog voor problemen zorgen.

Tenzij het kind Chinees aan het leren is natuurlijk, daar leidt het verschil in uitspraak tussen een ‘l’ en een ’r namelijk nooit tot een betekenisverschil. Vandaar dat veel Chinezen in het Engels geen verschil horen tussen ‘luizen’ en ‘rijst’ (lice en rice), en die twee woorden dus zelf ook door elkaar heen gebruiken. Daar staat weer tegenover dat ze nooit de frustratie hebben van het jongetje dat de ’r’ nog niet kon zeggen en toen hem gevraagd werd of hij ‘fluit’ at boos uitriep “Niet fluit, fluit!”. Overigens bewaren Chinese kinderen wel nog jarenlang het vermogen om die twee klanken te onderscheiden.

Een paar woorden lijkt niet veel, maar toch is het een enorme stap voorwaarts: het kind is nu in staat aan rijtjes willekeurige klanken (immers, in een andere taal heet hetzelfde weer anders) één specifieke betekenis te hechten. Eventjes worstelt hij daar ook mee. Als kinderen zo’n 75 woorden kennen, meestal net voor hun tweede jaar, dan gaan ze een kort poosje overgeneraliseren. Ineens wordt ieder beest een ‘hond’ of alles wat rond is een ‘bal’.

Maar dat ze niet vaker moeite hebben erachter te komen welk woord nou bij welke betekenis hoort is een klein wondertje. Het tempo waarin op een gegeven moment een kindervocabulair aangroeit is gigantisch. Het kan, als ze weer wat ouder zijn, om tientallen woorden per dag gaan. Sommigen denken daarom dat we de concepten voor die woorden al meegekregen hebben bij de geboorte. Dan hoef je er daarna alleen de klanken (of het gebaar als je een gebarentaal leert) bij te leren.

Wat daar van zij, het zou wel een verklaring zijn voor het feit dat blinde en ook doofblinde kinderen zo weinig moeite hebben met woorden leren en concepten begrijpen. Zelfs niet met concepten die met ‘zien’ te maken hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld heel precies het verschil tussen ‘staren’, ‘loeren’, ‘blikken’ en ‘gluren’ uitleggen.

Overigens is die explosie van nieuwe woorden leren een van de dingen die ons scheiden van de apen. De laatste tientallen jaren zijn er veel pogingen gedaan om bijvoorbeeld chimpanzees taal te leren. Nadat gebleken was dat apestrottehoofden niet voldoende klanken van menselijke taal kunnen vormen, ging men over op symbolen, en op gebarentaal.

Een slim idee. Met intensieve training blijk je ze inderdaad nog heel wat woorden te kunnen bijbrengen, wel een paar honderd. Maar nooit komt dat moment dat het ineens met tientallen tegelijk gaat. De kennis die ze wel hebben, gebruiken ze ook niet om eens gezellig te kletsen, maar altijd om iets te krijgen: eten, gekieteld worden. Een ander punt is die training: anders dan kinderen leren apen nooit spontaan taal. Ze hebben niet datzelfde taalprogramma, wat ook blijkt uit het feit dat het met grammatica nooit iets wordt. Apen bouwen geen zinnen.

Kinderen wel. En eigenlijk al vrij snel. De fases die volgen op de zogeheten ‘een-woord-fase’ zijn de twee-woord-fase en de drie-woord-fase. Daarna houdt de wetenschap op met op die manier te tellen. In die laatste twee fases gebeurt er ook al verschrikkelijk veel. Zodra je meer dan een woord hebt sluipt er al grammatica binnen. Nederlandstalige kinderen zeggen ‘boekje lezen’, Engelstalige ‘read bookie’. De plaats van het werkwoord in de zin is in het Engels anders dan in het Nederlands, en elk kind van twee heeft dat al uitgeplust.

De combinatiemogelijkheden zijn natuurlijk niet eindeloos. Naarmate er meer talen beter onderzocht worden, lijkt het er zelfs steeds meer op dat hun bouwprincipes uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. In de taalkunde woedden al jaren twisten en twistjes die hiermee te maken hebben.

Zijn alle talen, als je ze maar op een abstract genoeg niveau bekijkt, eigenlijk hetzelfde? Worden kinderen geboren met een beperkt setje keuzemogelijkeden, en zetten ze dan op basis van wat ze horen het schakelaartje bij wijze van spreken de ene kant uit of de andere? En hangt de keuze voor bijvoorbeeld het werkwoord op de ene plaats in de zin weer samen met andere dingen? Zo ja, hoe? Het is een ware kluwen van argumenten en voorbeelden, en die is nog lang niet ontward.

Wel is duidelijk dat er in taal heel veel verschijnselen zijn waarvan je niet zomaar kunt zeggen ‘dat is Nederlands’, ‘dat is Russisch’, ‘dat is Engels’. De passieve zin bijvoorbeeld is een heel algemeen fenomeen, niet iets dat typisch is voor het Nederlands. Veel regels en beperkingen op regels spelen in heel veel talen precies dezelfde rol. Echt verwonderlijk is het dus misschien ook niet dat kinderen dezelfde ontwikkelingsfases doormaken.

Een heel bekend voorbeeld zijn die passieve zinnen. Geen kind van vier, of het nou Nederlands, Frans, Russisch of nog wat anders aan het leren is, snapt die. Probeer het maar uit: een vierjarige kleuter kent het verschil tussen ‘de kat zit de muis achterna’ en ‘de kat wordt door de muis achternagezeten’ niet. En je kunt het hem ook niet uitleggen. Het taalprogramma is daar nog niet aan toe.

Net zo is het met het gebruik van woorden als ‘zich’ en ‘elkaar’. Een equivalent daarvan vind je voor zover bekend ook overal. Op wie of wat zulke woorden binnen een zin moeten terugslaan is een knap ingewikkeld mechanisme. En kinderen van zes hebben dat nog niet goed door. Ze denken bijvoorbeeld dat ‘De vader van Jan wast hem’ en ‘de vader van Jan wast zich’ hetzelfde betekenen. Alweer: ze erin instrueren helpt niet. Ze zijn er gewoon nog niet rijp voor. Dat moment komt vanzelf. Net als het moment dat ze zoveel taalbeheersing hebben dat ze in staat zijn een ander foutloos de weg te wijzen. Dan zijn ze bijna in hun puberteit.

 “Kinderen zijn papegaaien”, zeggen ouders altijd. Dat is maar zeer ten dele waar. Ja, natuurlijk nemen ze van alles over van hun omgeving, en dan hoor je ze ineens de stoplappen en geliefde uitdrukkingen uitkramen die je zelf altijd gebruikt. Een onverwachte spiegel. Maar dat dat papegaaien dikwijls inderdaad niets anders is dan papegaaien laat de volgende fraaie dialoog tussen moeder en dochter zien:
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: nee, je zegt het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: het bord. mag ik nou de bord?
So much for ouderlijke invloed. Verbeteren kan aan twee kanten tot een flinke portie frustratie leiden. Maar ouders vergeten vaak hoe vertederd ze ook kunnen zijn door de creativiteit die hun kleintje ten toon spreidt bij zijn pogingen het allemaal onder de knie te krijgen.

Dikwijls is het dan zo dat een kind de regel doorheeft, maar de uitzonderingen nog niet. Waarom zou je niet ‘verfmens’ tegen een schilder zeggen, of ‘rooksteen’ tegen een schoorsteen? Dat had net zo goed gekund, want die zelfbedachte woorden zijn wel keurig volgens de regels van het Nederlands gevormd. Woorden als ‘vogelen’ voor (het werkwoord:) ‘vliegen’ of ‘winden’ voor ‘waaien’ zijn zo gek nog niet als je bedenkt dat ‘benen’ kunnen ‘benen’ en dat je ‘planten’ heel goed kunt ‘planten’.

En waarom is ‘slaapte’ nou weer verkeerd, als het wel ‘gaapte’ is? De rij voorbeelden kan eindeloos lang gemaakt worden, maar uiteindelijk zullen ze allemaal ‘sliep’, ‘schilder’ en ‘waaien’ leren zeggen, zonder er ooit nog een seconde bij na te denken. Alle kans dat ook Pia later tegen haar kinderen zegt: “Nee schat, het is niet ‘dakken’, maar ‘daken’. Dat is een uitzondering.”

 

NOOT: Bovenstaand stuk is een paar jaren na verschijning een heel klein beetje geactualiseerd.

NOOT 2: Het verhaal van Amala en Kamala zou beter geverifieerd moeten worden. Er is in ieder geval gefraudeerd met foto’s waar ze op zouden staan. Die waren niet van de meisjes, maar werden later ‘nagespeeld’. Het weeshuis had natuurlijk altijd geld nodig. Jammer. Ik was er ook ingetrapt.

“Oh mijn arme Jacqueline, nu weet ik zelfs jouw naam niet meer”

Hersenletsel kan tot grote taalstoornissen leiden. En bij bijna alle afasiepatiënten lijkt er weer net even iets anders aan de hand te zijn. “Maar ik denk dat je intellectuele capaciteiten in ieder geval van afasie moet scheiden”, zegt Ron Prins.

Een sprookje: Eens leefden een koning en een koningin in een groot paleis. Maar de koning en de koningin waren niet gelukkig. Er waren geen kinderen in huis en in de tuin. Op een dag vonden ze een arm jongetje en meisje voor hun deur. Ze namen hen op als hun eigen kinderen. Toen waren de koning en de koningin gelukkig.

Een afasiepatiënt vertelde het zo na: “Ik zou kunnen zeggen, dat er kinderen zijn geweest, waren, die op het kinderen … geweest is geweest. Maar ze zijn gelukkig voor de kinderen en hopen dus graag weer te zien, dat ze gelukkig en gez- en gelukkig zullen zijn, worden, gelijk zullen worden. Nou ja, zo ongeveer hè, in die geest.”

Niet meer uit je woorden kunnen komen, en niet eventjes, maar waarschijnlijk voor altijd. Het lijkt zo ongeveer het ergste wat iemand kan overkomen. Een beschadiging in de hersenen kan nogal verschillende taalstoornissen teweeg brengen: bijna allemaal worden ze afasie genoemd.

Sommige mensen kunnen helemaal niet meer praten, of kennen nog maar een woord of zin, zoals de man die bij een vechtpartij zwaar gewond was geraakt en daarna alleen nog I want protection kon zeggen. Of de patiënt bij wiens hersenoperatie iets fout was gegaan, waarna hij uitsluitend nog riep Jansen godverdomme sodemieter. (Jansen is de, hier gefingeerde, naam van de chirurg die de operatie uitvoerde.) Anderen raaskallen voortdurend door, in vloeiende zinnen waar geen touw aan vast te knopen is. Alles daartussenin bestaat ook.

Zo zag ik eens een filmpje van een meneer die probleemloos sprak. Er viel pas iets bijzonders aan hem te merken toen de logopediste, die hem allerlei dingen op plaatjes liet benoemen, bij de muziekinstrumenten’ aankwam. Op dat moment werd het ineens allemaal heel moeilijk. De man noemde een trompet bijvoorbeeld een fluit en bij het plaatje van de viool zei hij: “Nou, ik zal maar zeggen dat het een gitaar is, maar dat is het niet”. Woordvindingsmoeilijkheden heet dat, en die heb je in veel soorten en maten.

Soms hebben mensen moeite met het produceren van de juiste klank op de juiste plek in een woord, en dat leidt dan tot token in de teuken voor koken in de keuken of athopeker voor apotheker. En is bij die woorden de bedoeling nog wel te achterhalen, van kluising of kaggeloge weet niemand meer wat het moet betekenen. Kollirollervliegtuig voor helikopter zit daar qua begrijpelijkheid weer tussenin.

Andere patiënten kennen een bepaald woord wel en ze kunnen het ook goed uitspreken, maar het lukt ze dikwijls niet om het op het gewenste moment uit hun geheugen ‘op te diepen’. Vraagt iemand ze bijvoorbeeld om een kopje te benoemen, dan weten ze wel ..om uit drinken, of koffie of schoteltje, maar het woord kopje zelf wil ze niet te binnen schieten.

Dat ze het woord inderdaad wel kennen, wordt schrijnend geïllustreerd door de man die uitriep “Oh, mijn arme Jacqueline, nu weet ik zelfs jouw naam niet meer”, toen hem gevraagd werd hoe zijn dochter heette.

Dat iemand ‘er net even naast zit’ zoals bij schoteltje voor kopje gebeurt ook op grotere schaal. Mensen zeggen dan mijn moeder in plaats van mijn vrouw of jongen in plaats van meisje. De problemen die dat in het dagelijks spraakgebruik oplevert zijn nauwelijks te overzien. Mensen die ‘het juiste woord’ niet kunnen vinden nemen dikwijls hun toevlucht tot algemene benamingen als ‘ding’ en ‘doen’, of ze vervallen in herhalingen, of laten van alles maar helemaal weg.

Dat leidt dan tot wat in vaktaal ‘empty speech’ heet, ‘leegspraak’, zoals in het volgende antwoord van een patiënt op de vraag ‘Wat doet u meestal overdag?’: “Ja, als ik half twee, dan wil ik wat doen … schoon en alles toch overdag wil een mens …, maar soms een beetje erger als de ander. Dan ben ik zo moe, dat ik zeg begrijp je me, dat je, je wil, maar het gaat niet zo gemakkelijk hoor, heus, dat voel je gauw genoeg. Maar iedere keer, ach, dan wil je wat doen hè, dat je weer eens wat te doen heb, hè … en daarom doe je weer ‘ns effe wat anders weer ‘ns.”

 Zo’n tekst komt er verhoudingsgewijs nog vlot uit. Traditioneel worden de radde praters Wernickes genoemd, naar de Duitse neuroloog die ze als eerste beschreef, maar er zijn ook veel afasiepatiënten die geen zinnen meer kunnen bouwen.

Zij werden halverwege de vorige eeuw door de Franse arts Broca ‘ontdekt’, en sindsdien als Broca’s geclassificeerd. De ‘inhoudswoorden’ waarover het hierboven ging kennen, ze meestal nog wel, maar het gebruiken van ‘functiewoorden’ (dingen als de, op, in, want, dus etcetera) gaat niet meer.

Het gevolg is dat deze patiënten een soort ‘telegramstijl’ spreken. Een voorbeeld waarin een meneer er een minuut over doet het volgende over zijn woonplaats te vertellen (tussen haakjes de aanmoedigingen van degene met wie hij praat) : “… Alphen … aan de Rijn. (Alphen, ja.) En eh … mooi eh … ik … ik … lekker … lopen. (Ja … ja waar? Waar?) eh … Alphen aan de Rijn. (Loopt u de hele stad door?) Nee … fiets of nee’ eh … eh … auto eh … boodschappen doen. (Oh ja.) En eh … eh bellen (ja) en eh … eerst eh … kopje koffie eh … (volgt de naam van zijn vrouw) en eh … beetje praten. (Maar kunt u iets vertellen over Alphen zelf, over de plaats? Hoe ziet ’t er uit?) Bomen. (Ja.) En eh …. ja, ik weet het niet meer.”

In verreweg de meeste gevallen (ongeveer 85 %) wordt afasie veroorzaakt door een cerebrovasculair accident (CVA), in de volksmond beroerte of hersenbloeding geheten. Andere oorzaken zijn schedeltrauma’s, waarbij de hersenen van buitenaf beschadigd raken (door een verkeersongeluk bijvoorbeeld, of door oorlogsverwondingen), tumoren en ontstekingsprocessen. Dikwijls gaat afasie ook nog gepaard met min of meer ernstige verlammingsverschijnselen aan een kant van het lichaam. Als je daarbij bedenkt dat iemand die niet goed praat in het algemeen voor niet-goed-wijs wordt gehouden dan wordt het misschien mogelijk je een vage voorstelling te maken van het isolement waarin een afasiepatiënt moet leven.

Redenen te over voor veel en veelzijdig wetenschappelijk onderzoek zou je denken. Dat valt een beetje tegen. De tijd dat afasiepatiënten trekpleisters op hun tong aangebracht kregen is weliswaar voorbij, maar zelfs een eenduidig internationaal aanvaard classificatiesysteem voor de verschillende soorten afasie bestaat feitelijk nog steeds niet.

Dat laatste is een van de conclusies uit het proefschrift Afasie: classificatie, behandeling en herstelverloop, waarop Ron Prins (cum laude) gepromoveerd is. De voorbeelden uit het stuk hierboven komen allemaal daaruit.

Prins (1945) houdt zich al sinds het begin van de jaren zeventig bezig met afasie en dat betekent dat hij de belangstelling van linguïstische zijde voor het verschijnsel vrijwel vanaf de prille start heeft meegemaakt. Hij is medewerker van de vakgroep Algemene Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam.

Prins: “Voor ik ooit een afasiepatiënt gezien had heb ik eerst anderhalf jaar lang uittreksels van boeken en artikelen gemaakt. Ik was toen de assistent van professor Tervoort. Dat was in de oude tijd toen hoogleraren nog een persoonlijke assistent hadden. Tervoort was net aangenomen voor taalpathologie en in de dovenwereld was hij goed thuis, maar van afasie wist hij ook niet veel. Samen met nog iemand ben ik toen alle literatuur gaan lezen en daarna had ik keurig de verschillende soorten afasie in mijn hoofd zitten. In Het Algemeen Ziekenhuis Zonnestraal in Hilversum, en iets later in het (inmiddels opgeheven) dagbehandelingscentrum Zeeburg, in Amsterdam, zag ik voor de eerste keer afasiepatiënten.”

“Het verbijsterende was dat ik de types die ik door al dat werk netjes uit m’n hoofd had geleerd helemaal niet tegenkwam. Eigenlijk niet een. Dan zat ik daar en dan dacht ik: ‘Zou dat nou een Broca zijn? Maar die moeten in telegramstijl spreken, en deze meneer praat wel langzaam, maar het is toch niet echt telegramstijl.’ Eerst denk je natuurlijk dat alles wat je niet begrijpt aan jou ligt, maar ik heb me van het begin af aan verbaasd over die classificatie en ik ben er altijd op blijven letten.”

“Neem nou Luria bijvoorbeeld, dat was indertijd dé grote man, ik ben nog bij hem in Moskou geweest, als je die leest dan lijkt het net of we alles van de relatie tussen taal en hersenen weten, en vooral van afasie. Dat is helemaal niet waar, maar bij Luria klopt alles. Hij kent alle onderliggende mechanismen en hij weet ook nog hoe je het allemaal moet herstellen door bewust bepaalde hersengebieden in te schakelen. Maar in Rusland blijven ze natuurlijk even hartstikke afatisch als hier. Luria geeft ook geen cijfers, hij suggereert alleen maar, en het beeld dat hij daarmee oproept is zowel wetenschappelijk, als wat de praktijk betreft veel te gunstig. Die man is daarmee toch een beetje een mooiprater.”

“Ik ben ook in Boston geweest, dat is het Mekka van de afasiologie. Daar zit een hele groep neurologen, psychologen, linguïsten en taaltherapeuten. Goodglass en Kaplan zijn de grote namen daar, die hebben in 1972 deze ‘Rode Bijbel’ geschreven: The assesment of aphasia and related disorders. Daarin staan profielen van allerlei typen afasie beschreven. Valt een patiënt binnen zo’n profiel dan is het bijvoorbeeld een Broca. Dat gaat aan de hand van kenmerken, en zo iemand scoort dan pakweg slecht op ‘melodie’ en ‘grammaticale vorm’, maar goed op ‘begrip’.”

“Maar hoe gaat dat daar? Als ze in Boston een patiënt onderzoeken dan neemt eerst de logopediste wat testjes af, dan doet de psycholoog dat nog eens dunnetjes over en de feitelijke indeling doet de neuroloog. Al redenerend stelt die dan dat iemand wel een Broca moet zijn, ondanks dat zijn taalbegrip bijvoorbeeld vrij slecht is en hij niet in telegramstijl spreekt, kortom ondanks het feit dat hij niet binnen het profiel valt. Omdat dokter Goodglass het zegt — die heeft ervoor doorgeleerd dus die zal het dus wel weten — gaat zo iemand dan toch als Broca de dossiers in.”

“Maar als je het zo doet heeft die classificatie weinig waarde: dan moet dokter Goodglass er ook bij komen als ze in pakweg Italië een diagnose stellen. Ondertussen bouwt wel iedereen op elkaars onderzoek voort. Volgens mij zit het daar fundamenteel mis: als je indeling in types niet consequent is, dan kun je niet generaliseren en dus niet vergelijken.”

“Het komt erop neer dat alle handboeken en ook de onderzoeken van meerdere afasie-types uitgaan, en die overlappen elkaar ook wel voor een belangrijk deel, maar als je het goed gaat bestuderen dan blijken ze nooit duidelijk gedefinieerd te zijn. Er worden wel rijtjes kenmerken gegeven, maar welke kenmerken nou karakteristiek zijn, of de kern vormen, wordt er nooit bij verteld. Stel ze zeggen: ‘dat is een Broca, want op begrip doet ie dit en op lezen dat’, dan blijft het onduidelijk of het nou geen Broca meer zou zijn wanneer hij op lezen iets anders zou doen. Wat voor de ene onderzoeker karakteristiek is, blijkt dat nog niet voor de ander te zijn.”

Maar kan onderzoek bij afasiepatiënten niet juist veel duidelijk maken over de relatie tussen taal en hersenen?

“Ja dat hoor je vaak zeggen. Het idee dat je in je hoofd een machine hebt die normaal gesproken veel te hard draait, maar als er nu iets stuk is, dan kun je hem rustig bestuderen. Een van de problemen is dat onze hersenorganisatie individueel verschilt. Net zoals we allemaal ogen, een neus en een mond hebben, maar toch allemaal een ander gezicht. Je kunt wel een grove indicatie geven van de gebieden in de hersenen die met taal te maken hebben, alleen keiharde individuele voorspellingen kun je niet maken.”

“Die hele typologie waar we het net over hadden gaat trouwens terug op negentiende eeuwse ideeën over de organisatie van taal in de hersenen. Men dacht toen dat er in de hersenen bepaalde geheugendepots zaten waarin de woorden waren opgeslagen.”

“Je had er een voor de articulatie (het spreken), een voor de klankvorm (het luisteren), een voor geschreven vormen (het lezen) en dan ook nog een voor te schrijven vormen. Al die centra waren door middel van verschillende banen met elkaar verbonden. Als je dan op een bepaalde plek een beschadiging had, dan kon je dus in theorie precies voorspellen welk soort stoornis dat gaf.”

“En er zijn ook wel gevallen bekend van mensen die bijvoorbeeld wél kunnen schrijven, maar absoluut niets kunnen lezen. Zuivere alexie heet dat. Dat gaf natuurlijk voedsel aan die depot-theorie, en tot op zekere hoogte klopt die ook wel. Maar inmiddels weten we veel meer van taal. Het is veel ingewikkelder dan men dacht en je kunt niet alles beschrijven in termen van statische, ‘woordbeelden’ die in aparte geheugendepots zouden zijn opgeslagen. Vroeger wisten ze bijvoorbeeld nauwelijks dat er ook zoiets als syntaxis is. Onder invloed van de Chomskyaanse ideeën daarover is men in de jaren zeventig nog eens goed naar het een en ander gaan kijken, naar die Broca’s bijvoorbeeld, die zo goed begrijpen maar zo moeilijk spreken.”

“Het idee was dat Broca’s een syntactische stoornis hebben, die functiewoorden laten ze weg omdat ze geen zinnen kunnen bouwen. Maar als afasie inderdaad een taalstoornis is, dan verwacht je niet echt dat mensen alleen moeilijkheden met syntaxis hebben bij het spreken en helemaal niet bij het begrijpen.”

“Dat is dus ook niet zo. In het dagelijks leven kun je ook zonder syntaxis een hele hoop volgen. De context, de situatie en je kennis van de wereld helpen daarbij. Zegt iemand bijvoorbeeld tegen een Broca-patiënt: ‘Heeft u gisteravond nog naar Dallas gekeken?’, en die patiënt doet dat altijd, dan verstaat hij misschien alleen ‘Dallas’, maar dan weet hij al genoeg.”

“Leg je die mensen nou wat moeilijker vragen voor, waarin de woordvolgorde wél essentieel is, dan weten ze het niet meer. ‘De tijger wordt door de leeuw gebeten. Wie heeft er dan pijn?’ is een bekend voorbeeld waarmee het mis gaat. Ook zinnen als: ‘Het meisje is groter dan de jongen’, tegenover ‘De jongen is groter dan het meisje’, en ‘De hond loopt naar de kat toe’ tegenover ‘De kat loopt naar de hond toe’ begrijpen Broca-afatici meestal niet.”

“Eigenlijk zou je afasie dus niet moeten beschrijven met behulp van die verschillende taalcentra, maar eerder in termen van taalkundige niveaus. Daar wordt het wel verschrikkelijk ingewikkeld. Het is ook absoluut niet duidelijk hoe de vaardigheden die aan taalproduktie ten grondslag liggen (spreken en schrijven dus) samenhangen met de vaardigheden die bij receptie (begrijpen en lezen) een rol spelen. Er zijn nauwelijks psycholinguïstische theorieën ontwikkeld over hoe dat nou zit, hoe dat gaat ‘taal in je hoofd’. Want het is ook weer niet zo dat je een syntactisch hokje in je hersenen hebt dat gestoord kan raken, en een fonologisch hokje enzovoort.”

Conclusies over taal en denken vallen dus ook niet eenvoudig te trekken?

“Ik denk dat je intellectuele capaciteiten in ieder geval van afasie moet scheiden. Het is zeker zo dat er zwaar afatische patiënten bestaan die volkomen helder zijn, en op niet-verbale onderdelen van een intelligentietest goed scoren. Aan de andere kant staat ‘taal’ niet los in de hersenen, en als iemand een vrij grote beschadiging heeft opgelopen, gaat soms alles door elkaar lopen. Je kunt daarom niet altijd beoordelen wat er precies aan de hand is, maar er zijn wel autobiografische verslagen van mensen die hersteld zijn. Die vertellen stuk voor stuk dat ze exact wisten wat er gebeurde, zich volkomen bewust waren van de situatie, dat alleen die taal niet meer wou.”

“Of dat voor alle afasiepatiënten opgaat betwijfel ik. Vooral van de Wernickes weet ik het niet. Dat zijn die mensen die zo doorkletsen, ongeremd alsmaar doorpraten, terwijl ze meestal niet in de gaten hebben dat ze onbegrijpelijk zijn. Dan is er toch iets echt niet in orde. En van die mensen die weer beter geworden zijn, ben je toch geneigd te denken dat ze dus wel niet zo’n ernstige afasie gehad zullen hebben.”

Hoe zit het met de kans op herstel?

“Die is het grootst de eerste paar weken tot maanden na een beschadiging. De ‘spontaan-herstelperiode’ heet dat. Er zijn een paar hypotheses die daar een verklaring voor geven: het kan zijn dat het gebied in de hersenen rondom de zone die getroffen is tijdelijk niet genoeg zuurstof krijgt, zonder dat het afsterft. Andere bloedvaten in de buurt kunnen dan voor herstel van dat stukje zorgen. Want in tegenstelling tot onze andere cellen delen hersencellen zich niet, en komen er dus geen nieuwe. Daar kan een verbetering dus nooit vandaan komen.”

 “Sommige mensen denken ook dat de hersenen zo’n grote schok krijgen dat even alles uit evenwicht is. Dat kan dan weer bijtrekken. En er bestaat ook nog een theorie dat de hersenen zich soms ‘reorganiseren’. Zoals een paard dat een been kwijt is een poosje helemaal niets meer kan, maar na verloop van tijd toch weer gaat huppelen. Hetzelfde doel wordt dan via andere wegen bereikt.”

“Is de spontaan-herstelperiode eenmaal voorbij dan komt het vrijwel nooit meer helemaal goed met een afaticus. De bekendste uitzondering op die regel was de actrice Patricia Neal, de vrouw van Roald Dahl. Die had een hele serie CVA’s gehad en was ernstig afatisch. Roald Dahl heeft toen alle vrienden en kennissen ingeschakeld, en die kwamen jarenlang volgens schema wel zes uur op een dag ‘iets met taal doen’. Je weet natuurlijk niet wat er gebeurd was als ze die hulp niet gehad had, maar na een paar jaar was ze weer helemaal beter. Ze was overigens nog vrij jong, en in het algemeen geldt dat hoe jonger je bent hoe meer kans op herstel je hebt.”

U bent niet erg optimistisch over de mogelijkheden van taaltherapieën.

“Nee, misschien komt er ooit nog eens een rationele therapie die gebaseerd is op een analyse van de onderliggende defecten. Die is er nu nog niet. Om te beginnen zou je daarvoor natuurlijk goed gedefinieerde typen moeten hebben. Het kan zijn dat er neurologisch nog het een en ander mogelijk is, en dat we de juiste weg nog niet gevonden hebben.”

“In de praktijk is de behandeling nu meestal weinig systematisch, nogal ad hoc, en echt helpen doen oefeningen maar zelden. Ik wilde dat eerst niet geloven, en ik heb van alles geprobeerd: eerst heb ik mensen meer therapie laten geven, tien in plaats van de gebruikelijke een à twee uur per week bijvoorbeeld. Dat hielp niet.”

“Toen heb ik allerlei methodes getest, en uiteindelijk ook zelf een groot therapieprogramma gemaakt, maar de mensen gaan hooguit een heel klein beetje vooruit. Dat wil zeggen: ze doen dezelfde tests de volgende keer ietsje beter. Stel, de eerste keer kunnen ze 18 van de 40 plaatjes benoemen, dan zijn het er de volgende keer bijvoorbeeld 22. Dat levert misschien statistisch een significant verschilletje op, maar je weet niet hoeveel je daarvan je als ‘hertest-effect’ moet beschouwen, en ook niet of die mensen nou gemakkelijker om de jam kunnen vragen aan de ontbijttafel.”

 “Wel kan het psychologische en sociale effect van de behandeling vrij groot zijn. De mensen vinden het vaak zelf verschrikkelijk belangrijk. Dan zie je ze in hun rolstoel met hun schriftje onder de arm: ze moeten naar les! Die mensen mag je niet in de steek laten. En ik zeg dus ook niet dat alle therapie onzin is.”

 

NASCHRIFT, UPDATE (uit 1997)

Nee, een sluitend classificatiesysteem voor afasiepatiënten is er nog steeds niet. Zijn er wel vorderingen? Ron Prins is in elk geval niet bijster enthousiast over de mogelijkheden die geboden worden door wat tegenwoordig de ‘cognitieve neuropsychologie’ heet. “Via modellen proberen ze aan de hand van individuele gevallen een beeld te krijgen van de functionele architectuur van de hersenen”, zegt hij. “Het idee is dat er aparte hokjes zijn voor deelfuncties, die dan modulen genoemd worden. Ik heb twijfels over de mogelijkheden om afasie te gebruiken om theorieën te testen. Je weet niet wat er nu precies kapot is bij iemand.”

 Je weet ook niet hoe veel afasiepatiënten vanzelf beter worden, noch hoe véél beter ze worden. Maar daar doet Prins nu iets aan. “Ik doe mee aan een groot onderzoek met honderd patiënten in Rotterdam”, vertelt hij. “Een project dat gericht is op spontaan herstel. In de eerste maand al test ik het spontane taalgebruik van mensen, en dan volg ik ze meer dan een jaar. Daaruit moeten we voor het eerst een beeld krijgen van bij hoe veel patiënten nu eigenlijk hoe veel herstel optreedt.”

Maar Prins heeft zich behalve met afasie inmiddels ook beziggehouden met dementie. Over de taalproblemen die dat (voor een sterk groeiende groep mensen) met zich meebrengt, is nog niet veel bekend, maar Prins kan wel het volgende globale overzicht geven: “Het duurt heel lang voordat iemand met dementie echt afwijkend gaat praten, de spontane taal blijft vrij lang intact, maar met testjes merk je al veel eerder dat er iets mis is. “

“Problemen ontstaan er op het niveau van hun woordenschat en met de semantiek. Mensen krijgen woordvindingsmoeilijkheden, en de betekenissen verdwijnen langzaam. Uiteindelijk kan iemand dan helemaal stil vallen. Maar de syntaxis en de fonologie blijven erg lang bewaard. “

“Ik denk dat je dat kunt verklaren uit het feit dat je twee soorten processen hebt: gecontroleerde en automatische. Zinnen bouwen en klanken formuleren zijn automatische processen. Maar over de inhoud van wat je wilt zeggen, heb je veel meer controle. Dat kost energie en denkkracht, en dat lukt op een gegeven moment niet meer. Afasiepatiënten hebben vaak een syntactisch probleem, dementiepatiënten een lexicaal-semantisch, zou je het kunnen samenvatten.”

“Voor elke hippocampus hebben we veertig aanvragen”

Het doet nog het meest denken aan een werkkast. Op de planken staan plastic emmertjes, ieder jaar heeft zijn eigen plank. De opschriften zijn alleen niet ‘groene zeep’ of ‘schoonmaakazijn’, maar Alz. 93jr., 870 gr. en een mannentekentje, of MS, 53 jr., 1310 gr., vrouw.

In de emmertjes deinen halve breinen in de formaline. Ooit behoorden ze toe aan ondermeer Alzheimer- en Multiple Sclerosepatiënten. Nu vormen ze een soort reservekapitaal voor de Nederlandse Hersenbank: bij nieuwe ontwikkelingen kunnen ze alsnog onderzocht worden. De andere helften bevinden zich in stukjes en plakjes elders: deels in de vriezer, deels in blokjes was, en op allerlei plekken in de wereld.

De Hersenbank is een uniek aanleveringsbedrijf voor wetenschappelijk onderzoek. Hersenbanken vind je tegenwoordig op veel plaatsen in de wereld, maar nergens anders wordt er ook materiaal van zogenaamde “snelle obducties” verzameld.

Snel wil zeggen: binnen maximaal vier uur na het overlijden van een donor. Juist bij hersenweefsel is het voor veel onderzoek van belang er vlug gij te zijn: in geen enkel ander orgaan gaat de afbraak zo snel. DNA-onderzoek en veel hersenvochtonderzoek is alleen met  de snelle-obductiemethode mogelijk. Dat andere hersenbanken desalniettemin geen snelle obducties uitvoeren wekt iets minder verbazing wanneer je het relaas van Hersenbankcoördinator dr. Rivka Ravid (44) gehoord hebt.

Verse uitsnijprocedure

De Hersenbank wordt gesteund door de KNAW en is ondergebracht bij het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek, in hetzelfde gebouw, dat met een luchtbrug vastzit aan het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam.

Ravid, zelf neurobioloog, legt uit dat de Hersenbank in 1985 min of meer op verzoek is opgericht. “Er waren vrij veel onderzoekers die aan verouderingsziekten wilden werken. Nederland heeft op dit moment al zo’n 110.000 demente bejaarden, meer dan de helft daarvan lijdt aan de ziekte van Alzheimer.”

“Door de vergrijzing zal dat probleem de komende tijd alleen maar groter worden. Voor Alzheimer bestaat er geen diermodel, het komt alleen maar voor bij mensen. Dat betekent dat je helemaal afhankelijk bent van humaan materiaal, en dat was in Nederland niet te krijgen. Andere hersenbanken volgen een andere werkwijze, niet de verse uitsnijprocedure die nodig was. Met Alzheimer-patiënten is het hier begonnen.

De organisatie is het grootste probleem. Ravid: “De meeste Alzheimer-patiënten verblijven in verpleegtehuizen. We hebben een heel netwerk van vijftig verpleegtehuizen opgebouwd. Alles draait om goede wil en enthousiasme. Het personeel in de verpleegtehuizen moet mee willen werken, en we hebben een 24-uurs oproepdienst opgezet waaraan zeventien analisten, onderzoekers en neuropathologen meedoen, die vrijwillig ook midden in de nacht en in het weekend hierheen komen om obducties te doen.””

Maar ook daarvoor moet er al veel geregeld zijn. De familie moet bijvoorbeeld een toestemmingsformulier getekend hebben. “Ongeveer een keer per maand ga ik naar een voorlichtingsavond, meestal in een verpleegtehuis, en dan vertel ik over het belang van hersenonderzoek”, zegt  Ravid.

“Maar het is nog echt een taboe. Je hoopt dat zo’n vijf à tien procent van de deelnemers uiteindelijk mee zal doen. De emoties zijn groot. Mensen worden al een uur na hun overlijden naar Amsterdam getransporteerd, en komen dan zonder hersenen terug. Het is meer het idee dan iets anders, want je ziet er niets van, maar veel mensen vinden dat eng. Gemiddeld doet een familie er dan ook een half jaar over voor ze daadwerkelijk het codicil invullen. Niemand mag bezwaren hebben, als er binnen de familie geen overeenstemming is dan doen we het niet.”

Langzame obductie

Om op tijd voor een snelle obductie in Amsterdam te kunnen zijn worden donoren alleen in een straal van zeventig kilometer rond de stad gezocht. “Maar,” vertelt Ravid, “ik kan moeilijk nee zeggen. Wanneer er telefoontjes uit Groningen of Limburg komen, dan vind ik het heel erg moeilijk om mensen teleur te stellen. “

“Bij uitzondering doen we wel eens een ter plekke obducties, want de transporten zijn ongeveer duizend gulden. Wat wel kan is een langzame obductie, dat wil zeggen een die binnen maximaal 48 uur plaatsvindt. Veel onderzoek kan ook nog met behulp van op die manier van werken verkregen materiaal gedaan worden. Van de 120 obducties die we het afgelopen jaar hebben gedaan, bestond ongeveer de helft uit snelle obducties.”

Tegenover elke obductie op een ziek brein, hoort eigenlijk één obductie op een gezond brein te staan. Vergelijkingsmateriaal is onontbeerlijk. In de praktijk blijkt het nog  moeilijker om gezonde breinen te vinden dan zieke. Familie van demente bejaarden wil vaak wel precies weten wat er nu met vader of moeder aan de hand was, en degenen die lijden aan Multiple Sclerose of andere ziektes waarvan de Hersenbank materiaal verzamelt, zullen ook dikwijls bereid zijn een codicil te tekenen, in de hoop dat anderen hetzelfde lijden bespaard zal blijven, maar gezonde mensen zullen niet zo snel op die gedachte komen.

“De oplossing op lange termijn daarvoor ben ik in Los Angeles te weten gekomen”, zegt Ravid, nog steeds verheugd,  “wat i k daar zag was net die film Coma, grote zalen met vriezers, allemaal vol met humaan materiaal. Er wordt daar naar heel veel verschillende ziektes onderzoek gedaan, en ze hebben dus ook heel veel controlemateriaal nodig. Daar hebben ze het systeem dat ze bij elke patiënt aan de partner vragen of die ook een codicil wil tekenen. Partners zijn natuurlijk betrokken bij de ziekte, vaak voelen ze het als een morele plicht om op die manier aan het onderzoek bij te dragen.”

Ravid benadrukt het belang van controlehersenen een aantal keren. “Je moet kunnen matchen”, zegt ze.”Je kijkt naar leeftijd, geslacht, omstandigheden, medicijngebruik enzovoort. Heft liefst wil je twee breinen hebben die maar op één ding verschillen: de ziekte die je onderzoekt. Dat is heel moeilijk te vinden. We hebben dus heel veel hersenen nodig. “

Want een verklaring voor het ontstaan van de ziekte van Alzheimer is er nog lang niet: “De ziekte van Alzheimer is honderd jaar geleden al beschreven”, zegt Ravid, “maar met de kernvraag ‘waardoor ontstaat het?’ zijn we nog niet veel verder gekomen.

Een paar dingen zijn wel duidelijk. Ravid: “Alzheimer-patiënten zijn veel hersenmassa kwijtgeraakt. Er zitten grotere ruimten tussen de windingen, de hersenen zijn geatrofieerd. Het kan wel 400 gram schelen. Normale hersenen wegen tussen de 1200 en 1400 gram, die van Alzheimer-patiënten soms maar ongeveer 700 à 800 gram.”

“Je hebt de zogenaamde preseniele Alzheimer, mensen die de ziekte krijgen als ze nog onder de 65 zijn, daarboven heten het seniele dementen. Hun percentage neemt toe met de leeftijd, eerst is het acht tot tien procent, maar bij degene die tachtig jaar of ouder zijn is het al twintig procent. Er is per leeftijdsgroep geen verschil tussen mannen en vrouwen, alleen in ons preseniele materiaal komen meer mannen voor. En aangezien vrouwen ouder worden vind je in de oudste leeftijdsgroep meer vrouwen.”

Plaques en tangles

Ravid haalt een fotoboek tevoorschijn dat de effecten van Alzheimer toont. Ook het hersenplakje dat al klaarlag om de microscoop laat, slecht tien maal vergroot, de seniele plaques en tangles heel duidelijk zien. Het zijn er veel. Plaques zijn een soort littekenweefsel, terwijl tangles opeenstapelingen van eiwit zijn die maken dat een cel op een gegeven moment helemaal vol materiaal komt te zitten. Het gebied is de hippocampus, een stukje van de temporaalkwab waar veel geheugenfuncties zitten.

“Het interneuronale netwerk is kapot”, legt Ravid uit, “de boodschappers werken niet meer effectief. Die kapotte cellen kunnen elkaar niet meer bereiken.” Het ontstaan van plaques en tangles is op zichzelf genomen normaal, het hoort bij het verouderingsproces; het is de hoeveelheid die het probleem vormt. Alzheimer kan dus beschouwd worden als een vorm van versnelde veroudering.

Maar er zijn nog heel veel vragen onbeantwoord. “Waar ligt de grens bijvoorbeeld?”, zegt Ravid. “Met hoeveel plaques en tangles kun je nog gewoon functioneren? Bij hoeveel wordt geheugenverlies echt storend? We weten het niet. Het onderzoek richt zich nu op het st8muleren van neuronen. Onze vraag is of je daarmee het afbraakproces kunt afstoppen. “

”Een sleutel voor de behandeling van Alzheimer ligt in de vraag waarom de neuronen degenereren. Duizenden mensen zijn nu op zoek naar een verklaring daarvoor. We weten bijvoorbeeld ook niet of we met die plaques en tangles naar een oorzaak of een gevolg kijken, al denken we dat het waarschijnlijk de eindfase van een proces  is dat soms wel vijftien jaar kan duren.“

“Overigens is dementie lang niet altijd het gevolg van de ziekte van Alzheimer. Als je hippocampus en delen van de hersenschors kapot zijn, word je dement, maar die hersendelen kunnen ook beschadigd zijn door andere neuro-degeneratieve ziektes of door kleine bloedingen. Dat kun je soms pas na iemands dood constateren.”

“Dat is trouwens een bekende grap onder neurologen: een ‘goede’ neuroloog vraagt geen obductie aan, want dan loopt hij een behoorlijke kans dat er iets heel anders uitkomt dan zijn diagnose. Nog weer een andere vorm van dementie is de ziekte van Pick, en dan heb je nog de Diffuse Lewy Body Disease, afgekort DLBD, dat is een vorm van dementie die vaak gepaard gaat met hallucinaties.”

De ziekte van Pick en DBLD zijn twee van de vele ziektebeelden die de afgelopen jaren gezorgd hebben voor een enorme uitbreiding van de hersenbank. Het Progress Report 1991 laat een indrukwekkend aantal onderzoeken en publikaties zien waaraan de Hersenbank een bijdrage heeft geleverd.

Ravid: “Resultaten worden in de begeleidingscommissie die we hier hebben besproken. Iedereen die materiaal van de Hersenbank ontvangt moet terugrapporteren. We coördineren ook. Wanneer drie groepen met hetzelfde bezig zijn, dan laat ik ze dat weten. We zorgen ervoor dat nieuwe onderzoekers ook een kans krijgen. De hippocampus bijvoorbeeld is het drukste gebied, voor elke hippocampus hebben we veertig aanvragen; dan kijken we wie er al genoeg hebben, die gaan dan tijdelijk van het protocol af.”

Seizoenen

Vaak is het op initiatief van onderzoekers dat er een nieuwe ziekte aan het lijstje wordt toegevoegd. Dat gold bijvoorbeeld voor de ziektes van Parkinson en Huntington. Ravid: “Het blijkt ondermeer dat er veranderingen in de hypothalamus optreden bij Parkinson-patiënten, om precies te zijn in twee gebiedjes: de Nucleus Paraventricularis en de Nucleus Tuberalis Lateralis. De hypothalamus speelt heel vaak een rol.”

“Een ander kerngebied is de suprachiasmatische kern (dezelfde kern die bij homoseksuele mannen groter bleek te zijn en uit meer cellen te bestaan dan gemiddeld, een onderzoeksresultaat van het Herseninstituut waar een aantal jaren geleden veel over te doen was red.). Die degenereert bij Alzheimer-patiënten, en de grootte en het aantal actieve neuronen wisselen met de seizoenen en over de dag. Die cellen zijn gevoelig voor licht. De fluctuacties van de biologisch klok met de seizoenen hebben te maken met sommige vormen van depressiviteit. Sinds kort verzamelen we hersenmateriaal van mensen die depressief waren.

De wetenschappelijke raad en de Vrienden Multiple Sclerose (MS) benaderden de Hersenbank met het verzoek ook MS-hersenen te gaan verzamelen. “Net als bij Alzheimer is er geen goed diermodel voor die ziekte”, let Ravid uit. “Bij een bepaald rattemodel krijg je de ziekte wel weg met steroïden, maar bij mensen werkt dat niet: er zijn verschillen tussen het model en de ziekte bij de mens. Bij MS gaat het om immunologische veranderingen waarbij het afweersysteem zich tegen het eigen lichaam keert. In januari “90 zijn we ermee begonnen, en voor de eerste resultaten heb je wel drie, vier jaar nodig.

“Problemen bij MS-patiënten zitten in de zogeheten witte stof, het binnenste van een stukje hersenweefsel – de zogenaamde grijze stof zit daar weer omheen. Bij MS-patiënten zie je kleine vlekken in de witte stof, een soort plaques, waar de witte stof wordt aangetast. De aanleiding daarvoor is moeilijk te vinden. Het ontwikkelen en uitproberen van medicijnen duurt bij die groep patiënten dan ook heel lang.”

Familieleden van Huntington-patiënten benaderen de Hersenbank soms ook met verzoeken voor een snelle hersenobductie. Ook de ziekte van Huntington is een aandachtgebied voor de Hersenbank.

Ravid: ”Er is wel een Huntingtonbank in Leiden, maar daar bevindt zich alleen materiaal van langzame obducties. Als familie graag een snelle obductie wil dan kunnen we daarvoor zorgen. We doen dat in goed overleg met Neurologie in Leiden. Omdat ze ziekte erfelijk is (het leidt uiteindelijk tot dementie) voelt de familie zich dikwijls erg betrokken.””

Niet lang geleden is er een begin gemaakt met het verzamelen van breinen van ALS-patiënten. “Dat is die nare ziekte van het bewegingsapparaat waar de beroemde Stephen Hawkins waarschijnlijk aan lijdt”, legt Ravid uit. Het treft vaak jonge mensen, en er is geen medicijn voor.”{ Andere aandachtgebieden zullen ongetwijfeld binnenkort volgen.

Plastic zakjes

Een rondgang door de kamertjes en laboratoria die samen met een aantal kasten en vriezers vol materiaal de Hersenbank vormen, laat iets van de techniek zien. In paraffine gegoten wordt één hypothalamus in 2000 coupes gesneden, plakjes van 8 µ (een µ is een miljoenste meter). Daarna kunnen de coupes verschillende “kleuringen” krijgen, die allemaal iets anders goed zichtbaar maken.

Voor de snelle obducties staat er een heel pakketje klaar: zo’n tachtig genummerde en van een code voorziene plastic zakjes, potjes en tinnetjes waarin de verschillende uitgeprepareerde stukjes hersenen van een van de twee hersenhelften terecht zullen komen.

 Die worden op tachtig graden onder nul ingevroren en in de vriezer gezet, of ze worden onmiddellijk naar een van de vele onderzoeksgroepen in Nederland en daarbuiten gestuurd. De andere hersenstructuren gaan in de formaline voor de diagnostiek. Ze zullen misschien ooit uit de “werkkast” gehaald worden om alsnog onderzocht te worden.

De Nederlandse Hersenbank kost 3,5 ton per jaar. De hoeveelheid onderzoekers die met het unieke materiaal van de Hersenbank werkt loopt in de honderden, en je vindt ze over de hele wereld. Maar het enige geld waar echt op gerekend kan worden is jaarlijks ƒ 80.000,- van de Akademie. De rest van de begroting moet komen uit tijdelijke subsidies en donaties. De medewerkers (naast Ravid twee part-time analisten, twee secretaresses en zeventien medewerkers die bij nacht en ontij klaarstaan om obducties uit te voeren) weten na zeven jaar nog steeds niet of ze volgend jaar hun werk weer zullen kunnen doen.

“Dat afhankelijk zijn van de goede wil van mensen wordt wat vervelend”, drukt Ravid zich eufemistisch uit. Goede wil en betrokkenheid is er meer dan genoeg: op de donateurenlijst staat Ravid zelf, evenals prof. Dick Swaab, directeur van het Herseninstituut. Hun honoraria voor lezingen en publikaties en geld voor prijzen schenken ze aan de Hersenbank.

 

Lippen horen, stemmen zien

Onze zintuigen lijken strikt gescheiden te opereren. Maar wie een planetarium bezoekt merkt dat zien, horen en lichaamsgevoel elkaar beïnvloeden. Zelfs op celniveau blijkt samenwerking te bestaan.

Aan het ‘buiksprekereffect’ kan geen mens zich echt onttrekken: je kijkt naar een pop en dat weet je, maar als iemand ogen en lippen van die pop beweegt, en je hoort tegelijk dat er iets gezegd wordt, dan is het verschrikkelijk moeilijk de illusie los te laten dat het de pop is die praat. Wat je ziet en wat je hoort vloeit samen tot één interpretatie, één ‘beeld van de wereld’.

Het is een mooie illustratie van de zintuiglijke verschijnselen waar de Amerikaanse neuropsycholoog en fysioloog prof. Barry Stein zijn onderzoekscarrière aan wijdt. The merging of the senses, het samengaan van de zintuigen, luidt de titel van het rijk geïllustreerde boek dat hij samen met zijn collega M. Alex Meredith schreef, en onder datzelfde hoofdje hield Stein laatst een van de F.C. Donderslezingen over neurowetenschap in Nijmegen.

Na afloop zegt Stein, die verbonden is aan de Virginia Commonwealth University: “In het dagelijks leven heb je het gevoel dat al je zintuigen strikt gescheiden opereren. Kleur bijvoorbeeld kan je alleen maar zien, dat is iets visueels, toonhoogte is weer puur auditief, en kietelen kun je uitsluitend voelen. Het lijken allemaal gescheiden kanalen, maar voor een samenhangend beeld van de wereld moeten die toch ergens in je hersenen samenkomen.”

Zoals bij het kijken naar een buikspreker. Er zijn veel meer voorbeelden. Onder de kop ‘lippen horen en stemmen zien’ werd in 1976 een beroemd geworden experiment beschreven waarbij proefpersonen een gezicht zagen dat ‘ga-ga’ (g als in goal) zei, terwijl ze ondertussen ‘ba-ba’ hoorden. Anders gezegd: ze keken naar keelklanken, terwijl ze luisterden naar klanken die je met je lippen maakt.

Desgevraagd beweerde iedereen iets er tussenin gehoord te hebben, namelijk ‘da-da’, klanken die je met je tong maakt. En met behulp van de huidige technieken die het-brein-in-actie kunnen vastleggen, werd onlangs duidelijk gemaakt dat het zien van lipbewegingen de activiteit in het auditieve deel van de hersenschors verandert.

Stein: “Je hebt van die mensen die zeggen ‘wacht, even m’n bril opzetten, want ik versta je niet’. Vroeger vond ik dat nogal een stomme opmerking, maar waarschijnlijk zit er toch wat in.”

Bergwanden

Niet alleen horen en zien werken samen of op elkaar in. Meestal heeft de visuele informatie wel ‘de overhand’. Hoe sterk het effect is van alleen maar iets zien, weet iedereen die wel eens in een planetarium of bijvoorbeeld in het Omniversum in Den Haag zo’n daarvoor bedoelde film op een speciaal, extra groot doek bekeken heeft. Krijg je bijvoorbeeld het uitzicht te zien vanuit een vliegtuig dat scheert over een bos en langs bergwanden dan ‘voel’ je het ook gebeuren. Zo’n voorstelling levert aantoonbare reacties op van je evenwichtsorgaan en ook van je ingewanden.

Krijg je daarentegen maar heel weinig visuele informatie, dan kan het gebeuren dat een ander zintuig letterlijk je beeld beïnvloedt. Als je iemand in een volkomen donkere kamer naar een streepje licht laat kijken, kan hij prima aangeven hoe recht of hoe schuin dat streepje is, ook zonder dat er een achtergrond zichtbaar is. Dat gaat goed zolang hij stilzit. Maar laat je hem nou een paar rondjes op zijn stoel draaien dan ziet een recht lichtstreepje er daarna ineens schuin uit. Onder invloed van je evenwichtsorgaan kantelt het. Het effect is onontkoombaar, ook als ze je vertellen dat het nog steeds een rechte streep is, zie je een schuine.

Stein, die al zo’n twintig jaar onderzoek doet (“Ik ben 26. Oh, er komt een foto bij? Zeg dan maar dat dr. Stein in de veertig is”), houdt zich in het dagelijks leven meestal niet met mensen bezig. En ook niet met het type ingewikkelde reacties dat hierboven beschreven is. Die te begrijpen is wel het doel, maar de weg erheen voert langs reactiepatronen van dieren en losse hersencellen.

“Ik ben geïnteresseerd in zintuiglijke verwerking”, vertelt Stein. “De meeste mensen die dat zijn, kiezen dan één systeem uit. Ik ben ook begonnen met het visueel systeem. Maar voor het soort gedrag waar ik me mee bezig hield kwam ik daar niet ver mee. Mijn interesse lag bij oriënteer- en aandachtsgedrag: bij welke prikkels draait een dier zijn kop ergens heen, of alleen zijn ogen en oren. Waar blijft hij naar kijken, wat trekt zijn aandacht. Zulke dingen. Je kunt bij dat soort gedrag niet begrijpen hoe het brein de visuele informatie los van de rest codeert. Het leek mij logisch dat de zintuigen samenwerken.”

Lekker hapje

En dat doen ze. Stein en zijn collega’s kwamen tot de nogal spectaculaire ontdekking dat dat zelfs op celniveau gebeurt. Er blijken zenuwcellen (neuronen) te bestaan die speciaal toegerust zijn om informatie uit verschillende zintuigen tegelijk te verwerken. Op bijvoorbeeld alleen geluid of alleen iets zien reageren ze nauwelijks, maar krijgen ze tegelijkertijd zowel een auditieve als een visuele prikkel dan vertonen ze ineens hele grote activiteit.

De eerste aanwijzing daarvoor kwam min of meer toevallig. In het laboratorium werden katten getraind. Die leerden bijvoorbeeld om in een speciale opstelling recht vooruit te kijken. Vanuit verschillende hoeken kregen ze dan iets te zien, of iets te horen of allebei tegelijk. Sommigen kregen een beloning (een lekker hapje) zodra ze iets zagen, anderen alleen als ze iets hoorden, en weer anderen als ze tegelijkertijd zowel iets hoorden als zagen.

Katten zo te conditioneren dat ze inderdaad alleen nog op geluidsprikkels reageren, of juist alleen op visuele prikkels of uitsluitend op een combinatie van die twee, kost een hoop tijd, maar het kan heel goed. De onderzoekers vormden zich zo onder meer een beeld van hoe sterk een prikkel moest zijn om nog opgepikt te worden.

Daarbij werden ze geholpen door een techniek die het mogelijk maakt de activiteit in één enkele cel te meten. De ‘afgetapte’ neuronen lagen in de colliculus superioris (ofwel: het hoogste heuveltje), een uit zeven lagen opgebouwd hersengebiedje in de middenhersenen waarvan al bekend was dat het een grote rol speelde bij dat ‘oriënteer- en aandachtsgedrag’. Van daaruit lopen zenuwbanen naar de neuronen (in de hersenstam en het ruggemerg) die de bewegingen van ogen, oren en kop regelen. Met andere woorden: als een kat een muis voorbij ziet en hoort komen, dan zet zijn colliculus superioris in gang dat hij zijn kop en ogen naar de muis draait en zijn oren spitst.

Stein: “We vonden een cel die ineens niet meer reageerde op een geluidsprikkel toen een van de experimentatoren even voor de opstelling stond. Toen hij wegliep reageerde de cel weer wel. Hij deed het licht uit, en de cel reageerde niet meer. Er kwam alleen een reactie op geluid gecombineerd met een visuele prikkel.” Een nieuwe onderzoekslijn was geboren. Er bleken buiten die ene toevalstreffer nog veel meer ‘meerzintuiglijke’ of multi-sensorische neuronen te zijn.

“Er zijn drie zintuigen die in de colliculus superioris gerepresenteerd zijn”, vertelt Stein, “zien, horen en ‘lichaamsgevoel’. Dat gebeurt op een hele mooie, rechttoe-rechtaan manier. Je kunt er een keurige kaart van tekenen. Ieder stukje van het visuele veld heeft zijn eigen ‘plaats’ in de colliculus. Dus ziet de kat op zoveel graden links iets, dan zijn het altijd dezelfde neuronen, op dezelfde plaats die reageren.”

“Het is bijna alsof het netvlies, zij het een beetje vervormd, op de colliculus gelegd is. Iets soortgelijks geldt voor de auditieve ruimte en het lichaamsgevoel. Ze hebben hun eigen ‘kaart’ in dat stukje hersenweefsel. Maar de kaarten overlappen elkaar ook. En waar je ook ‘prikt’, op welk deel van die kaarten je ook neuronenactiviteit gaat registreren, overal in de diepere lagen van de colliculus superioris vind je veel meer cellen die verschillende zintuigen representeren dan cellen die maar door één zintuig aangedreven worden.”

Kattebrein

Dus de kat reageert op zijn omgeving met hulp van (voor een groot deel multi-sensorische) neuronen die een soort kaarten vormen van zijn gezichtsveld, zijn gehoorveld en zijn lichaamspositie.

“Maar”, zegt Stein, “we zijn natuurlijk helemaal niet speciaal geïnteresseerd in de werking van het kattebrein. Dat is alleen een handig model. Dus gingen we naar ratten kijken. En we vonden hetzelfde: die kaartachtige representatie, en de multi-sensorische neuronen vermengd met gewone uni-sensorische. Daarna volgden hamsters en muizen en nog meer dieren. Je kunt daar eeuwig mee doorgaan, tot en met de poolbeer, maar als je telkens hetzelfde vindt moet je op een gegeven moment toch aannemen dat alle zoogdieren het hebben. De volgende vraag was toen of dit iets is dat pas bij de zoogdieren ontstaan is, of dat het gaat om een evolutionair nog oudere structuur.”

“Dus dachten we: laten we eens kijken naar gewervelde dieren van voor het zoogdierentijdperk. Nou ja, als je daar een ogenblik over nadenkt zie je dat dat een krankzinnig idee is: die beesten zijn al 180 miljoen jaar uitgestorven. Er zat dus weinig anders op dan naar nu levende reptielen te kijken. We kozen de aantrekkelijkste uit: de groene leguaan. En ook die bleek van die ‘topografische kaarten’ te hebben in zijn ‘optisch tectum’, een hersengebiedje dat een reptielen-equivalent is van de colliculus superioris.”

“Vogels hebben het ook, en inmiddels zijn er goede aanwijzingen dat zelfs de rog, zo ongeveer de oudste nog levende diersoort op aarde, zulke kaarten in zijn primitieve brein heeft. Ik denk dan ook dat informatie die via de verschillende zintuigen binnenkomt op deze manier effectief en efficiënt toegang krijgt tot het bewegingsapparaat. Ik bedoel, alle verschillende soorten prikkels kunnen zo hetzelfde type reactie voortbrengen. Of het beest nu iets hoort, ziet of voelt, het keert zich naar de bron waar het vandaan kwam.”

“Ik denk alles bij elkaar dat multi-sensorische integratie de oudste vorm van zintuiglijke verwerking is. Eencelligen doen het ook al. Hoe simpeler het organisme, des te meer integratie zie je. Misschien dat de evolutie juist de kant van scheiding van de zintuigen opgaat. Wij mensen hebben dan nog wel dat directe reageren op verschillende prikkels tegelijk, maar we kunnen ook heel selectief een bepaalde zintuiglijke indruk opdoen. We zien een zonsondergang en ervaren die als uniek. Primitieve organismen kunnen dat niet.”

Gesis

Maar hoe gaat die integratie van informatie uit verschillende zintuigen nu precies in zijn werk? Een serie experimenten maakte duidelijk dat plaats en sterkte van bijvoorbeeld visuele en auditieve signalen van grote invloed zijn. Zijn ze beide heel zwak, dan versterken ze elkaar als het ware. Zo kan het gebeuren dat een kat die getraind is om op visuele prikkels te reageren bij een heel zwak signaal niet naar het voederbakje gaat: hij heeft het niet gezien. Krijgt hij nu naast diezelfde visuele prikkel ook een zwak geluidje te horen, dan lijkt hij het ineens wel te zien, en loopt naar het lekkere hapje. Stein en zijn collega’s hadden dat op celniveau al gemeten, maar het mechanisme is ook terug te zien in gedrag.

“Andersom kan een hard geluid een neuron ‘verblinden'”, legt Stein uit. “Kijk, dit is zo’n cel. Hij reageert telkens heel sterk op een visuele prikkel, maar laat je nu ineens een hard gesis horen, dan houdt hij op met reageren. De visuele reactie wordt onderdrukt door een auditieve reactie.”

Maar ook de plaats waar de signalen vandaan komen heeft invloed op het type reactie. “Het is een simpel concept”, zegt Stein. “Als de verschillende prikkels niet te ver uit elkaar liggen, dan zorgen ze voor een versterkte reactie. Liggen ze wel ver uit elkaar, dan worden de reacties onderdrukt. Intuïtief lijkt dat te kloppen. Wat van dezelfde plek komt heeft waarschijnlijk met elkaar te maken, dus is er die tendens van elkaar versterkende prikkels. Als het gaat om dingen die niets met elkaar te maken hebben dan onderdrukken ze elkaar. Dat zou een mogelijk mechanisme voor selectieve aandacht kunnen zijn: je sluit die invoer af die niets te maken heeft met hetgeen waar je je aandacht op richt.”

En kennelijk hebben de cellen ook een mechanisme dat ervoor zorgt dat informatie toch geïntegreerd verwerkt kan worden, ondanks het feit dat het gehoor sneller werkt dan het gezichtsvermogen. Iets dat op dertig meter van je afstaat hoor je sneller dan dat je het ziet.

Stein: “Op de een of andere manier geeft het zenuwstelsel het nieuws door van de veranderingen in zijn membranen die optreden als een reactie op informatie van buitenaf.” Hoe dat precies zit, waar de membranen op reageren is een van de dingen waar het onderzoek zich binnenkort op zal richten. “We willen met farmacologische middelen kijken of er bepaalde membraankanalen zijn die we kunnen blokkeren of openen. Welke chemische signalen worden er doorgegeven?”

Maar Stein heeft nog veel meer wensen: “Ik wil graag met wat betekenisvollere prikkels gaan werken. Tot dusver gaat het om hele directe simpele reacties. Maar hoe zit het met de verbindingen met andere delen van de hersens?”

“Die colliculus superioris ligt heel strategisch. Signalen gaan het makkelijkste naar beneden, naar de hersenstam, maar er zijn ook verbindingen naar boven, naar een stukje van de hersenschors waar er zoiets als ‘associëren’ gebeurt. Dat noemen we bij gebrek aan beter de associatieve cortex, maar daar zou ik veel meer van willen weten. Wat gebeurt er als je een apegezicht laat zien met een apegeluid erbij? Wat als je dat geluid van veel verder weg laat komen? Wat als je het apegeluid door een kattegeluid vervangt?”

“Het is jammer dat er niet meer laboratoria zijn waar ze dit soort onderzoek doen. Er ligt nog zoveel. Iedere geluidsprikkel bijvoorbeeld, het maakt niet uit waar vandaan of hoe sterk, maakt dat een lichtje er meer uitspringt. Je denkt altijd dat het helderder is als je tegelijk iets hoort. Dat gaat dus niet volgens de regels van de middenhersens, en het wordt niet gebruikt voor dat oriënteergedrag.”

“Enfin, we weten nu iets van het simpelste gedrag, en willen natuurlijk het ingewikkeldste begrijpen. Daar zit voorlopig nog een kloof tussen.”  

The merging of the senses van Barry Stein en M. Alex Meredith kwam in 1993 uit bij The MIT Press en kost (gebonden) f 123,10.

Denken over kinderen, apen en robots

De een kijkt hoe kleine kinderen zich ontwikkelen, de ander bestudeert diergedrag en de derde wil intelligente apparatuur maken. Willem Koops, Liesbeth Sterck en JJ Meyer komen uit heel verschillende vakgebieden en onderzoekstradities, maar houden zich alledrie bezig met denken. Op 31 maart a.s., de jaarlijkse Universiteitsdag van de Universiteit Utrecht, praten ze daarover, elk vanuit hun eigen terrein. Voor Illuster lopen ze alvast warm. Wat vind je voor verschillen tussen volwassen mensen aan de ene kant, en kinderen, beesten en machines aan de andere? Waar liggen de raakvlakken en overeenkomsten tussen de onderzoeksgebieden? Over gezichtsbedrog, inlevingsvermogen en taal als hinderpaal.

Het is gedragsbiologe en apenonderzoekster Liesbeth Sterck die samenvat wat het onderzoek van de andere twee eigenlijk ook laat zien: “We worden steeds minder uniek.”

We: wij mensen, bedoelt ze. In de laatste halve eeuw hebben we door de wetenschap nogal wat prijs moeten geven. Om te beginnen aan de apen. Telkens werd ons weer een illusie ontnomen als bleek dat chimpansees of bonobo’s of orang oetans óók werktuigen gebruikten, of oorlogen voerden, of uitvindingen deden en die dan aan elkaar doorgaven.

Maar het ging nog veel verder. Dingen leren, zo werd duidelijk, kan ook het kleinste wurmpje, de miniemste mijt. Sterck: “Twintig zenuwcellen bij elkaar is al genoeg.” Steeds meer dieren blijken zichzelf in de spiegel te kunnen herkennen, laatst nog de olifanten, en de verrassingen lijken nog niet op te zijn. Onlangs werd onomstotelijk vastgesteld dat gaaien niet alleen onthouden waar ze voedsel verstopt hebben, maar ook wat en wanneer. “Ze hebben echt een flexibel geheugen. Er wordt al gesproken over ‘feathered apes’, gevederde mensapen,” lacht Sterck.

Waar zij mens en dier tegenover elkaar zet, gaat het bij informaticus John-Jules (JJ) Meyer om machines. Ook die kunnen steeds meer dingen waarvan we vroeger aannamen dat ze puur menselijk waren. Niet dat het hem daarom te doen is. “Wij willen gewoon slimme dingen maken,” zegt hij opgeruimd over zijn vak, de artificiële intelligentie. En: “Waar filosofen vaak mooi kunnen zweven, moeten wij iets doen.”

En dat gebeurt. Sinds de begindagen van de AI, in de jaren veertig en vijftig, hebben hooggespannen verwachtingen en tegenvallers elkaar dan wel in flink tempo afgewisseld, bijna ongemerkt is onze wereld wel degelijk vol geraakt met apparatuur die intelligente dingen kan. Meyer: “In de jaren tachtig had je bijvoorbeeld de vermaledijde ‘expert-systemen’. Die vind je nu echt overal. Tegenwoordig noemen we ze alleen ‘kennis-gebaseerde systemen’, of ‘beslissingsondersteuning’. Expert-systemen leken namelijk de pretentie te hebben dat ze bijvoorbeeld dokters of rechters zouden gaan vervangen, en dat was pr-gewijs helemaal fout. In werkelijkheid zijn ze intussen wel een groot succes geworden. Cynici zeggen: AI is wat over tien jaar gewoon informatica is.”

Ontwikkelingspsycholoog Willem Koops op zijn beurt toont graag aan dat volwassenen heel wat minder van kleine kinderen verschillen dan ze meestal denken. Ook daar verliezen we dus een deel van onze uniciteit. Dat kan overigens twee kanten uit gaan: soms blijkt dat kleintjes al opmerkelijk veel snappen en kunnen, en soms wordt juist duidelijk dat volwassenen het op de keper beschouwd niet beter doen dan kinderen. “Dat kinderbreintjes niet toegankelijk zouden zijn is een misverstand,” zegt hij.

En hij is er ook van overtuigd geraakt dat eigenlijk al onze ideeën over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen en de inrichting van het onderwijs berusten op een groot misverstand: dat kinderen de vier of vijf ontwikkelingsfases moeten doorlopen die Jean Piaget in het begin van de twintigste eeuw beschreef. “Wij zijn nog steeds bezig het ongelijk van Piaget te bewijzen,” vat Koops opgewekt zijn wetenschappelijk terrein samen.

Onversneden vertelplezier bindt de drie Utrechtse onderzoekers, die bij wijze van warming up voor hun lezingen op de Universiteitsdag ook aan elkaar graag vast van alles kwijt willen. Eén onderwerp komt vanzelf bij alledrie langs als ze over hun vak praten: hoe bedrieglijkheid de wereld kan zijn in mensenogen. Onze hersenen bedotten ons met groot gemak, en daar steeds alert op blijven is een van de lastiger opgaven voor onderzoekers.

We kunnen onder meer het personifiëren niet laten, en zijn altijd geneigd om in dieren en zelfs in machines trekjes van onszelf te zien.

Zo vertelt Sterck over ‘troostende’ apen: “Frans de Waal heeft indertijd die term ingevoerd. Na een conflict gaan veel apen naar de verliezer toe, raken die aan. Het ziet eruit als troosten. Maar wat blijkt nou, de aap vóelt zich helemaal niet getroost. Althans, als je het gaat meten, zie je dat zijn stress niet minder wordt. De troosters zijn er waarschijnlijk op uit conflicten in de toekomst te voorkomen. Eigenbelang dus.”

En de goedlachse Meyer kan nog steeds niet goed uit over een reportage uit Amerika die hij vorig jaar zag: “Dat ging over bejaarden die een Aibo-robot hadden, dat zijn die robothondjes van Sony. Ik vond het een beetje onthutsend hoe ze daar helemaal aan verknocht waren geraakt. Ze zeiden van die dingen als: hij kent me goed hoor. En ze wilden hem absoluut niet ruilen voor een ander. Nou zijn die robots wel een heel klein beetje adaptief, maar dan nog.”

Het brengt het onwaarschijnlijke succes van de tamagotchi in herinnering, het Japanse elektronische huisdier in de vorm van een minicomputer met een minischermpje, dat voortdurend piepte om eten en aandacht.

“Er moet een soort universele primitieve basis zijn op grond waarvan je affectie kunt oproepen,” zegt Koops, die zich nog levendig herinnert dat zijn dochter zo’n nepbeestje had. “We leggen het er zelf in.” Het verschijnsel gezichtsbedrog speelt in zijn onderzoek een opmerkelijke rol. Hij ontdekte bijvoorbeeld op een partijtje van een van zijn eigen kinderen (“Ik was nooit thuis, maar had wel corvee, ik moest van mijn vrouw de verjaardagen doen.”) dat een klassiek proefje van Piaget niet opging voor de tientallen vierjarigen die hij op limonade trakteerde. Koops: “Wij hebben niet zo’n gereguleerd huishouden, dus ik had een tafel vol glazen in alle soorten en maten. Die had ik vol limonade geschonken. Nou, de kinderen vochten zich kapot om de glazen waar het meeste in zat – objectief het meeste. Dat bleken ze heel goed te weten.”

En dat leek in flagrante tegenspraak met een zeer bekend testje van Piaget, waar Koops nota bene zelf college over gaf: je giet water uit een laag en breed glas in een hoog, smal glas en vraagt een kind waar het meeste in zit. Pas kinderen van zes, zeven jaar geven het goede antwoord en lijken te begrijpen dat de hoeveelheid vloeistof niet verandert.

Koops’ verklaring: “Ik denk dat jongere kinderen gewoon visueel overdonderd worden door dat enorm hoge glas. Maar bij volwassenen gebeurt dat ook. Ik heb een analoge proef gedaan, in Groningen waar je de Martinitoren hebt. Daar zette ik de proefpersonen bovenop, en die keken naar beneden, naar de Grote Markt. Ik had het hele eerste jaar ingehuurd, zo’n 130 studenten, om daar te gaan staan. En daarna bewogen die zich, zichtbaar voor de mensen op de Martinitoren, naar de Ossemarkt. Die is veel kleiner dan de Grote Markt. De proefpersonen dachten daardoor allemaal dat er meer studenten waren. In het licht van die overdonderende visualiteit houden volwassenen dus ook hun logica niet overeind. Dat was alleen nooit uitgeprobeerd.”

Ook aan de andere ontwikkelingsfasen van Piaget schort volgens Koops nog wel het een en ander. Dat de verschillen tussen kinderen en volwassenen zo groot worden geacht, hebben we volgens hem te danken aan Jean Jacques Rousseau, wiens ideeën al twee eeuwen ons denken bepalen. “De fases van Piaget lopen exact parallel met wat Rousseau beschreef zonder ooit een kind gezien te hebben. Rara, denk je dan. Maar we zijn zijn verzonnen indeling als het ware waar gaan maken, bijvoorbeeld met het schoolsysteem waar kinderen pas op hun zesde aan ‘concrete operaties’ toe zijn. Maar ik zeg altijd dat de Middeleeuwers gelijk hadden om kinderen als kleine uitvoeringen van volwassenen te beschouwen. In een niet al te ingewikkelde analfabetische omgeving kunnen ze namelijk heel goed meedraaien: als ze drie zijn hebben ze al een Theory of Mind, wat ze in beginsel tot gesprekspartners maakt.”

Daar heeft Koops een begrip te pakken dat een rol speelt op de onderzoeksterreinen van alledrie. ‘Theory of Mind’ is zoiets als ‘het vermogen je in de denkwereld van een ander te verplaatsen’, en de oorsprong ligt bij het apenonderzoek.

Sterck schetst razendsnel de geschiedenis van haar vak: “Ten tijde van Darwin waren de dier- en de mensstudies nog niet losgekoppeld. Toen kreeg je het behaviorisme, en mocht je alleen kijken naar wat je aan de buitenkant kon zien. Wat er in het dier omging, viel niet te bestuderen, was het idee. Maar eind jaren zeventig ging men denken dat er toch iets van een ‘mind’ moest zijn, omdat je anders veel gedrag niet kunt verklaren. Ze probeerden met plaatjes te testen of een chimp wist wat andere chimps wisten. Daar kwam overigens kritiek op, en de proeven zijn veel strenger geworden, waardoor je nog steeds niet met zekerheid kunt zeggen dat of chimpansees werkelijk een ‘Theory of Mind’ hebben, maar sindsdien is die term er.”

Voor kinderen wordt meestal een variant gebruikt van het volgende testje: je vertelt over een jongetje dat iets lekkers heeft gekregen dat het ergens opbergt, zeg de keukenla. Dan gaat het even weg, en iemand anders verplaatst het lekkers, bijvoorbeeld naar de ijskast. Vraag je een twee- tot driejarige waar het jongetje als het terugkomt het lekkers gaat zoeken dan zegt het altijd: in de ijskast. Pas daarna ontwikkelen kinderen een ‘Theory of Mind’ en beginnen ze te begrijpen wat een ander al dan niet kan weten. Dan wordt hun antwoord: in de keukenla.

Meyer ziet wel raakvlakken tussen het kunnen maken van dat soort gevolgtrekkingen en zijn onderzoek naar wat ‘agenten’ heten. Een soort next generation van de expert-systemen, die zelfstandiger kunnen opereren, helemaal als er een aantal gecombineerd worden.

“Het nieuwste hype-woord is autonomie,” legt Meyer uit. “Laten we machines meer op hun eentje proberen te laten doen, zodat ze bijvoorbeeld in gevaarlijke gebieden bommen kunnen opruimen, is het idee. Bij zogeheten multi-agent-systemen proberen we veel in te bouwen, zelfs zoiets als morele oordelen. We gaan uit van BDI: ‘beliefs’, ‘desires’ en ‘intentions’, overtuigingen, wensen en bedoelingen, en om die makkelijker te programmeren hebben we een speciale BDI- programmeertaal ontwikkeld. Helemaal autonoom mogen die agents natuurlijk niet zijn, je wilt ze kunnen sturen, dus je geeft ze constraints mee, een soort normen en waarden waarbinnen ze autonoom kunnen zijn.”

Een speciale programmeertaal? Zijn zulke instructies zo langzamerhand niet in gewone mensentaal te geven? Daar zijn we nog ver vanaf volgens Meyer. “Natuurlijke taal noemen wij ‘AI hard’: net zo moeilijk als de hele AI,” verzucht hij.

Gek genoeg lijkt ook voor de andere twee taal vooral een hinderpaal. Koops: “Ik heb alleen maar last van taal gehad. Taalontwikkeling interesseert me niet, zeg ik altijd. Dat we infants – niet-sprekenden betekent dat – toeschrijven dat ze onbeschreven blaadjes zijn en geen cognitieve structuur van enigerlei fatsoenlijke aard hebben, kon omdat ze niks terugzeggen. Bij proefjes is het probleem dat je vaak niet weet of ze wel goed begrijpen wat je vraagt.”

Dus weet je dan ook niet wat ze denken. Taal houdt op een aantal manieren verband met het lezingenthema. Het taalvermogen is volgens Sterck een van de fundamentele punten waarop mensapen afwijken van mensen. “Dat alleen al maakt het denken moeilijker toegankelijk bij dieren,” zegt ze. “Waarschijnlijk maakt taal dat je over meer dieper kunt nadenken, en ook dat je beter kunt accumuleren, dingen stapelen. Dat is volgens mij ook een echt verschil: apen geven ook wel dingen aan elkaar door, hebben ‘cultureel gedrag’, maar wij kunnen kennis heel gemakkelijk stapelen.”

Hoewel ze alledrie over denken gaan praten, is Sterck de enige die zich aan een definitie van wat dat is waagt: “Het vermogen te reflecteren, is volgens mij de kern. Dat je kunt bedenken: wat ga ik doen. Of dieren dat kunnen, is lastig te bewijzen. Het kan ook toeval zijn als chimps in Ivoorkust stenen meenemen naar een plek met palmnoten, die ze daarmee open kunnen krijgen, of als orang oetans op Borneo vast kleine blaadjes gaan plukken voordat ze een nest maken waar ze die graag in hebben.”

Koops piekert niet over een sluitende omschrijving, maar ziet het menselijk denken wel als bijzonder: “Het kan altijd weer een stapje achter het eigen denken nemen, een metaniveau verzinnen, en daar dan weer over denken, tot in het oneindige. Dat Droste-effect, je weet wel, die blikjes waarop een verpleegster een blad met een blikje Droste-cacao vasthoudt, waarop een verpleegster staat die…”

Meyer: “Maar dat kan een computer in feite tot op zekere hoogte ook. Niet oneindig, maar dat kunnen wij ook niet. Maar in hoeverre de AI het denken over denken veranderd heeft, daar ben ik nog niet uit.”

Willem Koops (1944) moest van zijn vrouw de kinderpartijtjes doen, en ontdekte dankzij dorstige kleuters en tientallen veelvormige glazen limonade dat de beroemde ontwikkelingsfasen van de grondlegger van zijn vak niet opgingen. Koops is hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht, en decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen. Hij spreekt op de komende Universiteitsdag over de vraag Kunnen kinderen denken?

John-Jules Meyer (1954) had graag een mede door hem geprogrammeerde slimme speelgoedhond in de winkel willen zien, maar werpt zich nu op interessantere non playing characters voor de volgende generatie computergames. Hij is hoogleraar aan het Department of Information & Computing Sciences (ICS) van de Universiteit Utrecht en was tot voor kort wetenschappelijk directeur van de onderzoeksschool SIKS (School voor Informatie- en KennisSystemen). Kunnen machines denken? is de titel van zijn lezing. 

Liesbeth Sterck (1960) zag op Borneo hoe een orang-oetanmannetje drie dagen nadat hij verjaagd was op precies dezelfde plek leek te zitten wachten op het vrouwtje dat hij begeerde. Ze onderzoekt mede met behulp van een Vidi-subsidie of apen alleen in het heden leven of dat ze zich ook gebeurtenissen herinneren, en is universitair hoofddocent bij de vakgroep Gedragsbiologie van de UU. Kunnen dieren denken? heet de lezing die ze op de Universiteitsdag houdt.

De intuïtieve mensenmoraal

Bioloog Marc Hauser bouwt aan een universele moraalgrammatica. Iets doen blijkt overal erger dan iets laten.

Waar gebeurd: op een station is iemand middenop de rails terechtgekomen, net voordat de volgende trein eraan komt. Een man op het perron ziet het, bedenkt zich geen moment, springt naar beneden, trekt de ander razendsnel tussen de rails en gooit zichzelf erbovenop. Trein dendert over beiden heen. Niemand gewond.

Wat vindt u? Mocht die man dat doen? ‘Ja’, zult u zeggen, ‘natuurlijk.’

Of vindt u misschien dat hij het móest doen? Is zo’n reddingsactie niet ieders plicht? Zeer grote kans dat u daar ‘Natuurlijk niet’ op antwoordt. Het lijkt bijna een belachelijke vraag.

Die ‘nogal wiedes’-reactie vindt de Amerikaanse bioloog Marc Hauser (1959) nou net erg interessant. Hij onderzoekt al jaren ons gevoel voor goed en kwaad. Het moralisme zit ons ingebakken, stelt hij. Niet omdat onze ouders, schooljuffen of de dienstdoende geestelijke ons verteld hebben wat we verkeerd moeten vinden, maar omdat de evolutie ons uitgerust heeft met een soort automatische ‘morele-oordelen-generator’.

Eraan ontkomen is onmogelijk: onze hersenen hebben nog voor we ons ervan bewust zijn interpretaties paraat over goed en kwaad. Wat we er vervolgens mee doen, is een andere kwestie. Met wat het ‘morele brein’ ons supersnel voorgerekend heeft, kan de rest van de kennis en kundes in ons hoofd aan de slag. ‘Die oordelen zijn iets anders dan gedrag,’ benadrukt Hauser, die begon als onderzoeker van diergedrag.

grootvader

Er zijn meer ethologen die na een tijd hun diergedragblik op de mens richten: Desmond Morris (‘De naakte aap’) bijvoorbeeld, en Frans de Waal (‘De aap in ons’). Maar ook ethologie-grondlegger en Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. Hauser was afgelopen zondag over voor een bliksembezoek uit Boston om de Tinbergenlezing te houden, die sinds Niko Tinbergens honderdste geboortejaar in 2007 (hij stierf in 1988) jaarlijks georganiseerd wordt, mede door deze krant. Hauser wijdde zijn hele verhaal aan onze morele intuïties, maar liet wel even zijn ‘academische stamboom’ met leermeester-leerling-relaties zien: Tinbergen is minstens drie keer zijn ‘grootvader’ of ‘overgrootvader’, en ook Morris en De Waal zijn ‘familie’.

Toch is er geen etholoog die zich zo verdiept heeft als Hauser in wat traditioneel als de grootste scheidslijn tussen mens en dier gezien wordt: taal. Een uitvloeisel van zijn onderzoek naar dierencommunicatie. ‘Ik ben gewoon met veldwerk begonnen, in Kenia,’ vertelt hij na afloop van de lezing. Daar bestudeerde hij de beroemde meerkatten (dat zijn ondanks hun naam apen), die onder andere verschillende kreten hebben voor ‘gevaar uit de lucht’ en ‘gevaar uit de bosjes’.

In 1996 verzamelde en besprak Hauser ongeveer alles wat er van de communicatie van dieren bekend is in een zeer dik standaardwerk, dat hij The Evolution of Communication doopte. Hij glimt bij een compliment over de breedte en diepte van het boek. Van eekhoorns tot brulkikkers, van vleermuizen en vogels tot chimpansees staan erin, maar ook de mens en diens taalvermogen krijgen alle aandacht.

Chomsky

En daar ligt de inspiratie voor al Hausers ideeën over onze Moral Minds, zoals het boek heet dat hij erover schreef, ‘Gewetensvolle geesten’, zou een vertaling kunnen zijn. Hauser ziet directe parallellen tussen ons taalvermogen en ons ‘moraalvermogen’, en wil die moraal op dezelfde manier te lijf gaan als Noam Chomsky alweer ruim een halve eeuw geleden begon te doen met taal.

Hauser: ‘In het dagelijks leven is zowel taal als moraal een heel breed gebied. Wil je er meer van begrijpen, dan is het verstandig je tot een stukje te beperken. Chomsky heeft zich erg op zinsbouw gericht, en begon grammaticaliteitsoordelen te gebruiken.’ Dat bleek een krachtig instrument. We hebben allemaal intuïties over onze moedertalen, ‘voelen’ bijvoorbeeld of een zin wel of niet loopt. Dat levert een ingang op om achter de bouwprincipes te komen van een taal. Want het ‘rekenwerk’ dat zich afspeelt in onze hersenen bij praten en luisteren gaat ongelooflijk snel, en vrijwel volkomen onbewust.

Iets dergelijks ziet Hauser bij de morele oordelen, die zich vanzelf opdringen. ‘Je hebt geen keus,’ zegt hij, ‘Je kunt er niet van afzien. Net zoals je een zin al geïnterpreteerd hebt voor je het weet, leveren morele dilemma’s meteen een interpretatie op.’

Hoe vreemd het misschien ook klinkt, het leek of je dat bij zijn lezing kon voelen in de afgeladen collegezaal. De intuïtieve reacties gierden als het ware door het Leidse Gorlaeusgebouw bij de dilemma’s die Hauser zijn gehoor voorlegde. Waaronder nog een waargebeurd verhaal: op vakantie komt een buitensporig dikke vrouw klem te zitten in de enige ingang van een grot. In de grot zitten op dat moment 22 andere toeristen, die daar zullen omkomen als de ingang niet snel vrijkomt. De dikke vrouw sterft ook als ze daar blijft zitten. ‘Wat vindt u,’ vroeg Hauser, ‘mag de vrouw opgeblazen worden? Om die 22 anderen te redden? Of moet dat misschien zelfs?’

logica

Dat daar iets wringt, valt direct te merken aan het gemurmel uit de zaal. Iemand opblazen roept intuïtieve afkeer op. ‘Een ander geen kwaad doen’ is volgens Hauser dan ook een van de universele bouwstenen waarmee ons aangeboren moreel instinct werkt. En dat blijft meespelen, ook als de logica zegt dat 22 anderen blijven leven als we die regel overtreden.

Hauser geeft nog een variant op het dilemma: wat nou als die ingang per ongeluk instort bij de pogingen de vrouw te bevrijden en ze komt om? Dat voelt minder erg, vindt de zaal. ‘Maar het resultaat is precies hetzelfde,’ houdt Hauser zijn publiek voor.

Hij gebruikt in zijn lezing de echte verhalen om te illustreren dat de voorbeelden uit zijn grootschalige onderzoek naar onze aangeboren moraal helemaal zo gek niet zijn. Zijn ‘Moralitytest’ is ook in het Nederlands vertaald, en iedereen kan hem op internet doen. Daar komt een lange reeks korte verhaaltjes voorbij, die onderling soms maar op kleine punten verschillen. Varianten van dilemma’s waarbij het steeds draait om een of vijf doden die zullen vallen. Er varen bijvoorbeeld boten over ze heen, of ze worden meegesleurd door een treinlorrie. Zorgen dat er geen vijf mensen maar slechts een persoon doodgaat, kan onder meer door een handel omzetten, of door iemand van een brug te duwen. Aan het end van elk dilemma word je gevraagd je oordeel te geven op een schaal die tussen ‘verboden’ en ‘verplicht’ loopt.

De uitkomsten helpen Hauser een begin te maken met de beschrijving van wat hij de ‘morele grammatica’ noemt. De analogie met de taalkunde zit hem ook in de zoektocht naar universele elementen. En hoe die al dan niet samen kunnen gaan.

Hoe dat ook zij, bewust een persoon kwaad doen als middel om een hoger doel te bereiken, zien we in elk geval liever niet gebeuren. Maar als diegene daardoor niet slechter af is, vinden we het minder erg.

Bovendien maakt wel of geen fysiek contact hebben daarbij verschil: in de verte een handel overhalen waardoor iemand onder de trein komt, maar vijf anderen redt, vinden we acceptabeler dan diegene persoonlijk onder de trein douwen.

Iets doen of juist iets laten is ook een terugkerend element in de aanmaak van onze oordelen. Hauser: ‘We rekenen het iemand zwaarder aan als hij kwaad berokkent door iets te doen dan door iets te laten.’ Dat zat ook in het verhaal op het perron: van iedereen zo’n heldendaad verlangen doen we niet. Zelfs de man die op de rails sprong zelf – een marinier die getraind was in snelle, gevaarlijke acties – vond het zijn plicht niet, en kon niet beloven dat hij het een volgende keer weer zou doen. Met de dikke vrouw liep het overigens goed af: het lukte om haar los te krijgen voor er doden vielen.

abortus

Niet alles is op het oog even verrassend, maar dat de resultaten aldoor hetzelfde zijn, ongeacht taal, ongeacht leeftijd, opleiding of geloofsovertuiging steunt Hauser bij zijn gedachte dat we een aangeboren basispakket hebben. En dat wat je daarna leert daarvoor niet uitmaakt.

Dat denkt hij ook te kunnen zien aan de hand van de Nederlandse euthanasiewet: ‘Die staat een bewuste handeling toe die iemand doodmaakt.’ Maar ook Nederlanders die voor die wet zijn, en er tijdens de test nog eens aan herinnerd worden, blijven bij nieuwe, neutrale dilemma’s dezelfde afkeer van bewust kwaad berokkenen houden als iedereen. ‘Je moet dus geen vragen stellen over ethische maatschappelijke issues als abortus in die Moralitytest,’ zegt hij, ‘want daar heb je al over nagedacht en weet je al wat je ervan vindt.’

Want net als je taal is je moraal wel degelijk ook afhankelijk van je omgeving. Die bepaalt onder andere de invulling van een aantal zaken. Waar je werkwoorden terechtkomen in de zin bijvoorbeeld, en wie je als ‘binnen’ of ‘buiten’ je eigen groep ziet. Dat er werkwoorden zijn, staat voor alle talen vast, net als elke moraal het binnen-of-buiten-de-groep-principe kent. Als je geboren wordt, kun je alle talen van de wereld leren, en Hauser denkt dat dat ook voor alle moralen geldt. Wat weer niet wil zeggen dat alles een taal of alles een moraal kan zijn, benadrukt hij. De wetenschap moet erachter zien te komen wat de bandbreedte is waartussen talen en moralen kunnen liggen.

tweemoralig

‘Tweetaligheid vinden we heel gewoon, maar zou je ook tweemoralig kunnen worden?’ vraagt hij zich af, de analogie weer doortrekkend. Deels wel, denkt hij: ‘Toen ik in Kenia woonde, vond ik het op een gegeven moment heel gewoon om met steekpenningen dingen te regelen. Wat ik na mijn terugkomst niet thuis ook ging doen. Maar de gewoonte in Kenia om vrouwen een lel te verkopen bij het minste of geringste, zou ik nooit kunnen overnemen.’ Zou je dan ook tweemoralig kunnen opgroeien, net zoals je twee moedertalen kunt hebben? ‘We weten er eigenlijk niks van. Maar het zou voor immigranten zo kunnen zijn, ja.’

Hausers onderzoek roept wel meer vragen op, en ook nogal eens verontwaardiging. ‘Ja, het is een onderwerp waar echt iedereen iets van vindt,’ lacht hij. In gelovige kringen is men meestal niet erg blij met hem. ‘Ik heb laten zien dat atheïsten dezelfde morele scores hebben als diepgelovigen,’ zegt Hauser.

Het lijkt hem daarom niet onaannemelijk dat onze aangeboren moraal als bodem onder religies dient, in plaats van dat het geloof die bodem aanbrengt.

Het maakt niet uit om wie het gaat, blijft Hausers boodschap. Zelfs psychopaten vullen de Moralitytest niet anders in. Dat is heel recent onderzoek, dat volgens Hauser ook laat zien dat onze intuïtieve morele oordelen niet op emoties gebaseerd zijn. ‘Van psychopaten weten we dat ze bij allerlei vreselijke dingen heel weinig voelen. Maar ze weten wel wat goed en fout is. Hun scores wijken niet af.’

Komen we dan dalijk terecht bij wetgeving of rechtspraak die gebaseerd is op zijn onderzoek? Hauser haalt kort zijn schouders op: ‘Ja, of je goed en kwaad kunt onderscheiden is in Amerika nu al een criterium voor of je berecht mag worden.’ Dat de slinger in het nurture-nature-debat tegenwoordig erg veel dichter bij de ‘aangeboren’ dan bij de ‘aangeleerd’ kant hangt, is duidelijk. Natuurlijk is ook daar niet iedereen over te spreken. Morele oordelen deel uit laten maken van de biologie, gaat bijvoorbeeld de Groningse hoogleraar taalkunde Jan Koster beslist te ver. Gedrag is iets anders dan ethiek, vindt hij. ‘Maar die intuïtieve morele oordelen zijn ook geen gedrag,’ zegt Hauser. ‘Dat komt pas daarna, en daar kunnen heel veel dingen in meespelen.’

Abstract denken bijvoorbeeld, of het combineren van kennis die op verschillende terreinen ligt, om een paar volgens Hauser uniek menselijke eigenschappen te noemen.

Anders dan sommige ethologen (De Waal bijvoorbeeld), denkt Hauser dat er wat betreft mentale vermogens een gapend gat zit tussen mens en dier. En dat we nog een eind af zijn van inzicht in de oorsprong en evolutie van de dingen waar wij zo goed in zijn. Ook al vind je bepaalde dingen ook bij apen. Die hebben bijvoorbeeld een gevoel voor eerlijkheid. Een stukje komkommer hoeven ze ineens niet meer als een andere aap iets veel lekkerders krijgt.

Maar fundamenten voor ons taalvermogen vinden is Hauser niet gelukt: ‘Dat is toch wel de grote teleurstelling van de laatste tien jaar,’ zegt hij. ‘Ik dacht echt dat het moest kunnen. Dat apen misschien iets hebben wat we aan de buitenkant niet kunnen zien. Maar ik krijg er geen vinger achter.’

Nog een teleurstelling is de opbrengst van alle hersenscantechnieken. ‘Zelfs voor het gebied waar we het meest van weten, het gezichtsvermogen, heeft het niet opgeleverd dat we nu belangrijk veel meer begrijpen van wat zien inhoudt.’

website

Dat betekent intussen helemaal niet dat hij somber is. Hij is laaiend enthousiast over alle mogelijkheden in het verschiet. Om te beginnen is er de uitbreiding naar andere talen en culturen van de Moralitytest: ‘Hij is er nu in het Chinees, en voor het Russisch is net een website on line gegaan. We zijn zelfs bezig een versie te maken voor de Mundurucu-indianen uit het Amazonegebied. Die tellen net als kleine kinderen en apen, ze hebben maar weinig woorden voor aantallen, en zien ook echt het verschil tussen zeven en acht niet. Maar het is lastig de dilemma’s naar hun wereld te vertalen.’

Als ook al die culturen hetzelfde morele instinct vertonen, wordt zijn claim een stuk sterker. Het aldoor in de weer zijn met dilemma’s eist wel zijn tol: ‘Ik vertrouw mijn eigen intuïties niet meer zo erg. En ik zie overal dilemma’s,’ lacht Hauser.

Op het moment probeert hij het type onderzoek dat hij voor de menselijke moraal doet uit te breiden naar andere terreinen, onder meer muziek. En de wereld lijkt eraan toe te zijn. Ronduit lyrisch is Hauser over de belangstelling en medewerking die hij overal ontmoet. ‘Zelfs een grote naam als Damasio, over wie ik ook nog net een kritisch artikel geschreven had, gaf meteen toegang tot zijn onderzoeksgegevens.’ Binnenkort gaat hij zelfs in debat met de Dalai Lama – op diens verzoek. Hauser: ‘Dat lijkt me heel interessant. Het boeddhisme is toch een vrij fatalistisch geloof.’

 

MARC HAUSER

Marc Hauser (1959) studeerde biologie en deed veldwerk als diergedragonderzoeker.
De evolutie van taal, communicatie tussen dieren en conceptuele vaardigheden bij apen en kleine kinderen, zijn een paar van zijn huidige interessegebieden.

Hauser is zeer productief en vervult een waslijst aan functies aan de Harvard University. Hij is onder meer hoogleraar ‘Psychologie, Organische en Evolutionaire Biologie, en Biologische Antropologie’, en leidt het ‘Cognitive Evolution Lab’.

Zijn boek Moral Minds, How nature designed our universal sense of right and wrong is niet in het Nederlands vertaald.

De Nederlandse vertaling van de Moralitytest, de Morele Waarden Test, is te vinden op:
http://moral.wjh.harvard.edu/index.html

Zware kost over zelfzuchtige genen

Steven Pinker: Hoe de menselijke geest werkt., vertaald uit het Engels door Han Visserman en Henri da Silva, Contact, 654 blz. 

De mens is een verzameling wonderbaarlijke vermogens. We hebben er een hoofd vol van.

Zoals ons gezichtsvermogen, dat zelf weer uit een aantal kleinere vermogens is opgebouwd: we kunnen bijvoorbeeld kleur zien, en diepte en beweging. Of neem ons taalvermogen, dat onder meer bestaat uit onmiddellijk de goede klanken kunnen vinden bij tienduizenden woorden, en de kunst die telkens op een andere manier zinvol te combineren.

Ook kunnen we liefhebben, ons verbazen, haten, treuren en nog veel meer voelen. We redeneren en reageren aan een stuk door en het speelt zich allemaal af in onze geest. Ik zou niet zo gauw een boeiender vraag weten dan hoe dat werkt. Wat voor samenspel van mechanismen is de geest? Hoe komen we aan die hele machinerie?

Wie niet in godswonderen gelooft, heeft daar maar een antwoord op: wij zijn het product van de evolutie, dus onze geest ook. Steven Pinker behoort tot de vier procent Amerikanen die niet in een hogere macht geloven. In zijn boek How the Mind Works, onlangs vertaald als Hoe de menselijke geest werkt, speelt de evolutie dus een grote rol.

Het andere uitgangspunt: de geest lijkt qua organisatie op het lichaam. Zoals we nieren, longen en een hart hebben die stuk voor stuk toegerust zijn voor een specifieke taak, zo hebben we ook een heel stel gespecialiseerde ‘mentale organen’, zoals die voor ‘zien’ en voor ‘taal’. Samen vormen ze een systeem dat allerlei typen informatie kan verwerken, en dat ook volcontinu doet. De menselijke geest ‘rekent’ zich rot.

In de wetenschap zijn dat zeker geen nieuwe gedachten meer, en ze zijn bovendien vruchtbaar gebleken. Maar de uitkomsten zijn verre van gemeengoed. Een uitstekend idee dus van Pinker om wat we inmiddels weten bij elkaar te zetten in een boek voor een breed publiek.

Hij heeft er ook de juiste achtergrond voor. Pinker is directeur van het Centrum voor Cognitieve Neurowetenschappen van het Massachusetts Institute of Technology in Boston. Zelf is hij psycholoog en in zijn eigen onderzoek heeft hij zich vooral met taalverwerving beziggehouden. In 1994 verscheen zijn eerste ‘publieksboek’: The Language Instinct (vertaald als Het taalinstinct) en dat sloeg aan, vooral in Amerika (zelfs zo dat het voorschot voor How the Mind Works naar verluidt een half miljoen dollar bedroeg).

De grote verdienste ervan was dat het de moderne theoretische taalkunde buiten de kring van taalkundigen wist te brengen. Niet alleen doordat ‘gewone’ lezers het lazen, maar Pinker vond ook gehoor en daardoor aansluiting bij onderzoekers van allerlei andere terreinen. Dat was tot die tijd meestal maar slecht gelukt.

Zelf ziet hij Het taalinstinct en Hoe de menselijke geest werkt als complementair. In het nieuwste boek gaat het daarom nauwelijks over taal. Dat is immers zo’n ‘mentaal orgaan’ dat de evolutie ons opgeleverd heeft, en dus in zekere zin niet meer dan een voorbeeld van het bredere beeld dat hij in Hoe de menselijke geest werkt wil schetsen.

De twee boeken zijn onmiskenbaar van dezelfde hand: Pinker wil cognitie (onze ‘hogere’ geestelijke vermogens) en evolutie samenbrengen. Ondertussen laat hij telkens zien een scherp oog te hebben voor aansprekende voorbeelden en illustraties uit de dagelijkse praktijk, die hij bovendien in niet-academische bewoordingen weet na te vertellen. Zijn teksten staan er vol mee.

Maar er zijn meer overeenkomsten. Beide boeken maken ook duidelijk dat Pinker rampzalig slecht is in een lijn uitzetten en vasthouden. Bovendien kent hij nauwelijks twijfel, wat voor een onderzoeker nogal opmerkelijk is. Pinker poneert veel en graag.

Neem nu die aanname dat onze geest uit losse, maar wel op elkaar inwerkende ‘modulen’ bestaat. Daar zijn enerzijds zeker concrete aanwijzingen voor, terwijl er anderzijds ook grote problemen liggen, bijvoorbeeld met de afbakening: wat moet je nou precies een module noemen, en uit welke modulen zijn die zelf weer opgebouwd?

Om de moeilijke punten fietst Pinker vrolijk heen, en aan onderbouwing doet hij niet veel. Dat kan ook vrij gemakkelijk, want anders dan je na het lezen van de inleiding zou verwachten, is het boek geen overzicht geworden van het onderzoek naar de functie en werking van onze geestelijke vermogens.

Waarom niet is een raadsel, want gegevens zijn er tegenwoordig zat. Als er nou één bloeiend en wereldwijd explosief groeiend onderzoeksterrein bestaat, dan is het wel wat de ‘cognitieve neurowetenschappen’ is gaan heten. Daaronder valt al het onderzoek naar het verband tussen de bouw en werking van onze hersenen en onze cognitieve functies. Dan gaat het niet alleen om zien en taal, maar ook om dingen als: hoe plannen we, hoe richten we onze aandacht ergens op, hoe werkt het geheugen en nog veel meer.

Er wordt driftig gebruik gemaakt van de relatief jonge technieken waarmee je levende, reagerende hersenen kunt bestuderen, en dat levert een complex maar per definitie interessant beeld op. Pinker is nota bene directeur van een instituut voor cognitieve wetenschappen, en waar anders dan in het brein zou zich onze geest moeten bevinden, maar in Hoe de menselijke geest werkt spelen de hersenen maar een miniem rolletje.

In plaats daarvan begint het boek met verhalen over robots, over kunstmatige intelligentie dus. Bepaald geen terrein waarin recentelijk grote doorbraken zijn geweest. De pogingen onze eigen vermogens na te bouwen in een machine hebben in elk geval één ding duidelijk gemaakt: hoe waanzinnig knap we zelf zijn. Het kost ongelooflijk veel moeite een computer bijvoorbeeld iets te laten herkennen, of zich voort te bewegen op oneffen terrein, zoals Pinker ook laat zien. Maar wat hij er nou precies mee wil aantonen, blijft in de lucht hangen.

Gaat het hem erom duidelijk te maken dat er veel meer in ons zit ingebouwd dan we geneigd zijn te denken? Hij heeft het onder meer over een neuraal netwerk, dat getraind is om familierelaties ‘uit te rekenen’.

Maar het systeem moest bijna alles ‘voorgezegd’ krijgen en had maar liefst 150.000 lessen nodig om zelf een paar juiste conclusies van het type ‘Pietje is dus de broer van Marietje’ te trekken. Dat lijkt natuurlijk in de verste verte niet op hoe kinderen familierelaties leren, zegt Pinker. Waarom dan zijn nadruk op computers als hij zelf ook concludeert dat er te veel belang aan wordt gehecht aangezien wat een machine kan uiteindelijk toch helemaal afhangt van wat je erin stopt? En waarom zoveel tekst gewijd aan het raadsel van ons bewustzijn, als hij toch net zomin als wie ook een oplossing heeft?

Ondertussen is het allemaal wel behoorlijk zware kost, en gek genoeg werkt de ‘verlichting’ die Pinker aan probeert te brengen alleen maar averechts.

Ik zou nooit gedacht hebben dat dat mogelijk was, maar het hele boek gaat gebukt onder een teveel aan voorbeelden. Op den duur werd ik ook helemaal dol van de opsommingen, die soms wel erg gewild aandoen. Eén keer is een omschrijving zoals die van verliefdheid met de woorden “aantrekking, verzotheid, hofmakerij, ingetogenheid, overgave, verbondenheid, onvrede, rokkenjagerij, jaloezie, verlating en hartzeer” misschien aardig, maar een boek vol met opeenstapelingen van zulke uitweidingen en telkens nóg een voorbeeld en nóg een voorbeeld beneemt je al gauw het zicht op de kwesties waar het om draait.

Ik moet bekennen dat het me zelden zo veel moeite heeft gekost een boek helemaal uit te lezen. Over de evolutie van onze ‘mentale organen’ heeft Pinker uiteindelijk maar bitter weinig te zeggen, vind ik.

De laatste hoofdstukken bleken nog het aardigst. Daarin worden ons maatschappelijk functioneren en onze relaties consequent door een evolutionaire bril bekeken. Alles wat we doen, is het gevolg van adaptaties, en dan niet aan de wereld van vandaag, maar aan een bestaan als jagers-verzamelaars in een savannelandschap.

Die blik heeft zowel iets verfrissends als iets benauwds. De schakeringen ontbreken. Waarom mannen verkrachters zijn en vrouwen niet is natuurlijk best uit onze ‘zelfzuchtige genen’ te verklaren, maar waarom de ene man wel een bruut is en de ander niet wordt daarmee niet duidelijk. De ene menselijke geest is de ander niet.

Iets anders is dat ik juist die dingen allemaal al wel eens elders gelezen had. Ook in boeken voor een breed publiek, zoals Helen Fischers Anatomy of Love en Robert Wrights The Moral Animal, die weliswaar in de literatuurlijst staan, maar in de tekst nergens genoemd worden.

Met bronnen lijkt Pinker wat merkwaardig om te gaan. Aan de ene kant barst zijn boek van de dikwijls niet ter zake doende academische verwijzingen (‘Jan en Klaas hebben eens gezegd’), maar ik bespeur tegelijk een neiging veel zaken naar zich toe te trekken.

Datzelfde gold voor Het taalinstinct, en je ziet het zelfs in hoe hij daar in zijn nieuwe boek naar terugverwijst, met zinsneden als ‘zoals ik in Het taalinstinct al aantoonde’. Dat hinderde me omdat het daarbij consequent om dingen gaat die door anderen dan hemzelf zijn aangetoond.

Grappig is dat Pinker aldoor de gelijkheid van alle mensen benadrukt. Telkens haalt hij de overeenkomsten tussen culturen naar voren: overal wordt getrouwd, geloofd in god, gestreden om de macht.

Dat is natuurlijk ook zo, maar tegelijk laat zijn boek de beperktheid van die visie zien, omdat het volledig doortrokken is van de Amerikaanse cultuur. De Amerikaanse verhoudingen, omgangsvormen en kwesties bepalen toch het gezichtspunt. Zo voert Pinker denkbeeldige discussies met radicale feministes en zelfs met advocaten. Dat dingen in onze natuur zitten, betekent nog niet dat ze ‘goed’ zijn, houdt hij ons keer op keer voor.

Terecht, maar zijn gehamer op dat soort zaken geeft het boek een bepaalde moralistische bijsmaak, die in Nederland niet goed past.

Ook Pinkers voorbeelden komen natuurlijk vooral uit zijn eigen omgeving. Hier laten de vertalers – die een heidense klus hebben gehad, maar naar mijn smaak iets te formeel zijn in hun woordkeus (‘de idee’, veel verwijzingen met ‘zij’ en ‘haar’) – hun grootste steken vallen.

Uitleg of een Nederlands equivalent ontbreken veel te vaak. ‘Cheese cake’ is wel kwarktaart, maar onze standaardtaart is slagroomtaart. ‘Letters to Ann Landers’ zijn natuurlijk letterlijk vertaald ‘brieven aan Ann Landers’, maar dat zegt hier niets. Daar had ‘Lieve Lita’ of ‘Margriet weet raad’ ofzo moeten staan. Botweg een letterlijke vertaling geven leidt tot meer onbegrijpelijke dingen. Een passage over Mr. Spock is alleen te volgen als u net als ik een Startrekfan bent en precies weet wat er aan het begin van elke aflevering gezegd wordt. Had daar niet een klein voetnootje bij gekund?

Of neem hoofdstuk zeven, dat zo begint: “Kom op mensen, lach eens naar uw broeders en zusters! Allemaal hand in hand, probeer nú elkaar lief te hebben. We beleven nu het ochtendgloren van het Aquariustijdperk: harmonie en wederzijds begrip, sympathie en vertrouwen overal om je heen. Geen onwaarheid meer, geen spot: gouden, levende dromen van visioenen, glasheldere mystieke openbaringen en een echte bevrijding van de geest. Stel u voor: geen bezit meer; ik vraag me af of het u lukt.”

Het gaat nog verder (zoals gezegd: Pinker houdt van veel voorbeelden), maar hebt u ’m door? Het zijn popsongteksten.

De laatste zin bijvoorbeeld is het begin van John Lennons Imagine, en de eerste twee, zo leerde een zoektochtje over het Internet, komen uit het mij volslagen onbekende nummer Get together, onder meer uitgevoerd door de Indigo Girls en de Young Bloods. Dat staat er dus allemaal niet bij, ook niet verderop. Wie het vanzelf snapt, heeft terugvertaald, zo ongeveer het allerlaatste dat de bedoeling van een vertaling kan zijn. Voor zover deze teksten in Nederland bekend zijn, zijn ze dat in hun oorspronkelijke Engelse versie. Ze allebei geven (zoals elders in het boek bij stukjes poëzie wel gebeurt) was hier echt het minste geweest.

“Interpreteren wat we zien begint al in het netvlies”

“Twee enorme ogen en een klein rotstaartje”, veel meer is een embryonaal zebravisje niet, vat dr. Arthur Bergen (39) vrolijk samen. Nu staat er nog maar een klein aquariumpje in het laboratorium, maar  binnenkort zullen er flinke scholen van de gestreepte beestjes rondzwemmen bij het IOI, het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut, waar onderzoek wordt gedaan naar de werking van het menselijk oog en oogziektes. De zebravisjes moeten daarbij gaan helpen, en trouwens, goudvissen doen dat al.

Hebben wij dan vissenogen? Bergen en zijn collega dr. Maarten Kamermans (44) kijken elkaar even aan en lachen. “Het antwoord hangt af van aan wie je het vraagt”, zegt Kamermans opgewekt.  “Natuurlijk zijn er verschillen tussen mensen en vissen, maar veel is wel degelijk hetzelfde of vergelijkbaar.” Bergen vult aan: “Als je bedenkt dat het ‘master gene’ voor oogontwikkeling hetzelfde is bij de fruitvlieg als bij de mens…” Kamermans: “In sommige opzichten lijken we meer op vissen dan op bijvoorbeeld muizen, die nachtdieren zijn.” Dat neemt niet weg dat transgene muizen de andere belangrijke proefdieren zijn op het IOI, dat vorig jaar een nieuw gebouw betrok vlak achter het Amsterdams Medisch Centrum.

Het gaat de beide biologen om netvliezen. Dat is hun terrein, al verschilt hun invalshoek. Bergen leidt de groep die onderzoek doet naar erfelijke oogziekten, voormalig KNAW-fellow Kamermans voert  degenen aan die erachter proberen te komen hoe signaaldoorgifte in het netvlies in zijn werk gaat.

Binnenbekleding

Het netvlies, Latijnse term retina. De meesten van ons leerden op school dat het bestaat uit kegeltjes en staafjes, en dan had je ook nog zoiets als de gele vlek. Zo is het ook. De binnenbekleding van de achterwand van de oogbol bestaat uit grote hoeveelheden lichtreceptoren: bij de mens zo’n 120 miljoen staafjes en zes miljoen kegeltjes. Alleen met de kegeltjes kun je kleur zien, en goed details waarnemen. De gele vlek, of macula, is het middelste stukje netvlies, het deel waarmee we focussen en dat uitsluitend uit heel dicht op elkaar gepakte kegeltjes bestaat. De staafjes zijn absoluut noodzakelijk om ook in het duister dingen te kunnen ontwaren.

Maar wie dacht daarmee wel zo’n beetje te weten wat het netvlies doet, heeft het verschrikkelijk mis. Op de tafel in de kamer van Bergen waar we praten liggen twee hele dikke gebonden boeken. “Dat gaat allemaal over het netvlies, het is een wetenschap op zich, ” zegt hij. “Er is ook nog een derde deel.”  Zo veel informatie alleen al over het eerste stukje van wat we zien noemen. Bergen: “Nou, over wat eraan voorafgaat bestaan net zulke dikke pillen. Bijvoorbeeld over het hoornvlies en hoe het licht naar binnen valt door de pupil. Ook dat is een hele wetenschap.”

Bergen en Kamermans wijzen erop dat het oog nogal eens met een camera vergeleken wordt, maar dat is een kortzichtige  visie. Camera’s registreren wel, maar interpreteren kunnen ze niet. En dat is nou net wat het visuele systeem wel doet. Dat zit dan ook behoorlijk ingenieus in elkaar. Het eerste deel is het netvlies dat aan de achterkant van het oog licht en alle informatie via de oogzenuw de hersenen in  stuurt. De zenuwvezels van de twee ogen kruisen elkaar op een punt dat bekend staat als het chiasma (opticum), waar beide zenuwstrengen in tweeën splitsen.

Grauw

De helft van de informatiestroom blijft in de hersenhelft waar hij begon, maar de andere helft maakt de oversteek naar de tegenoverliggende hersenhelft. Dat lijkt een veiligheidsmechanisme. Vandaar gaat het verder, via een vastliggende route, die uitkomt bij de visuele cortex aan de achterkant van het hoofd. Daar bevindt zich zowel een soort verzamelpunt, V1 genoemd, als gespecialiseerde stukjes hersenschors voor bijvoorbeeld kleurverwerking en het verwerken van bewegingen. Gaan die laatste kapot dan wordt de wereld grauw, of verdwijnen en verschijnen bewegende dingen of mensen aldoor in en uit beeld.

Hoe interpreteren nu precies in zijn werk gaat, is nog steeds niet bekend, maar Kamermans benadrukt dat het al begint in het netvlies. Dat is dan ook hersenweefsel – dat dus neuronen bevat. De retina is ons eerste of ons laatste stukje hersenen, het is maar hoe je het bekijkt. “Wij zien kleuren als constant”, legt Kamermans uit, “ook daarin verschillen we van een camera. Wit papier is voor ons altijd wit, ongeacht de kleur van het omgevingslicht. Daar is een correctie voor nodig, en er werd altijd gezegd dat die in het brein moest plaatsvinden. Maar het blijkt dat kleurenconstantheid al in de eerste synaptische laag van het netvlies geregeld wordt.”

Kamermans spreekt met ontzag over het oog: “Bedenk maar eens hoe moeilijk het is een foto goed te belichten. Het oog kan zich echter moeiteloos aanpassen van sterren in een pikdonkere nacht tot een zonovergoten strand; dat loopt van één foton tot een een met twaalf nullen. Ook het selecteren van dat bereik vindt al plaats in die eerste laag.”

Ziekte definiëren

Op tafel ligt een kleurenplaatje van de lagen waaruit het netvlies is opgebouwd. Bergen, die zijn onderzoekswerk samenvat als “ziektes van het netvlies definiëren als moleculen”, wijst aan: “Dit is het retinaal pigment epitheel, dan krijg je de fotoreceptoren, dus de staafjes en de kegeltjes. Die worden overigens constant afgebroken en weer aangemaakt. Het stukje daarna, met onder andere de horizontale en bipolaire cellen, is vooral Maartens terrein. Bij de interactie tussen die lagen zijn honderden tot duizenden moleculen betrokken, en daarbij komen we elkaar vanzelf tegen, of we nou willen of niet.”

Licht omzetten in hele kleine elektrische stroompjes die de oogzenuw ingaan, dat is wat er kort samengevat in het netvlies gebeurt. Daar ligt een heel doorgiftesysteem aan ten grondslag, dat deels afwijkt van wat er al bekend was over zenuwcellen. Kamermans: “We hebben een nieuwe vorm van neurale communicatie gevonden. Meestal verloopt het contact tussen neuronen via de synapsen waardoor een neurotransmitter, een boodschapperstof, wordt doorgegeven die een reactie in de volgende cel uitlokt waarbij de spanning binnen de celmembraan verandert.”

Subtieler

“Wat wij nu hebben ontdekt is een subtielere vorm van communicatie, zonder neurotransmitter,  waarbij alleen de spanning aan de buitenkant van de cel verandert. Dat maakt wel dat er kanaaltjes in het membraan opengaan waardoor er calcium de cel instroomt. Waarschijnlijk gebeurt datzelfde ook elders in de hersenen. Maar het is moeilijk te meten. We hebben het kunnen zien bij een cel met maar één synaps, wat heel bijzonder is, want het zijn er normaal gesproken een heleboel.”

De eiwitten die daarbij een rol spelen zullen nu in de zebravisjes bestudeerd gaan worden. “Het is niet de bedoeling een grote screening te gaan doen”, legt Kamermans nog even uit. “We werken samen met een ander Akademie-instituut, het Hubrechtlaboratorium voor ontwikkelingsbiologie. Ik verwacht dat ze daar al allerlei mutanten hebben waar wij ons voordeel mee kunnen doen. We zijn aan het oefenen. Inmiddels kunnen we in drie minuten een netvliesje van een zebravis prepareren. Dat kunnen we dan nog vier en een half uur levend houden voor onze experimenten.”

Larfjes

Maar de goudvissen,  die Kamermans al eerder voor onderzoek gebruikte, zullen ook nodig blijven, al was het maar omdat zebravisjes voor sommige dingen te klein zijn. Dat er in de afgelopen pakweg tien jaar zoveel bekend geworden is van werking en functie van het netvlies heeft veel met nieuwe technieken in de moleculaire biologie te maken. Het is bijvoorbeeld mogelijk heel selectief dingen uit een cel te halen of er juist in te doen. Zelfs één enkele cel uit een kweek schieten en die dan moleculair biologisch onderzoeken kan. Maar ook de elektrofysiologische activiteit van een heleboel cellen tegelijk. Dat is nu alleen iets waar de techniek bij zebravisjes nog tekort schiet: de netvliezen zijn te klein, er is domweg niet genoeg ruimte. Bij de larfjes is het nog lastiger, en toch zal daar soms mee gewerkt moeten worden.Bergen: “Sommige blinde mutanten leven maar een dag of twaalf, omdat ze hun voer niet zien en dus niet eten.”

Blinde babyvisjes, ach. Kleurenblind blijken vissen ook al te kunnen zijn. In het laboratorium waar we later even rondkijken, en waar opvallend veel onderzoek in complete duisternis moet plaatsvinden, staan goudvissenkommen met uitzicht op lampjes. De vissen zijn makkelijk te conditioneren (“Dat doet iedereen thuis ook met zijn busje voer waar ze meteen op afzwemmen”, zegt Kamermans laconiek), en je kunt ze leren op verschillende kleuren licht  te reageren. Zo kun je dus ook ontdekken of ze kleurenblind zijn. Bergen: “Met de zebravisjes zal het allemaal een beetje anders gaan, want die leven echt in scholen.”

Heel geschikt

In tegenstelling tot de goudvis zijn zebravissen heel geschikt voor genetisch onderzoek.. Nieuwe generaties zijn in een mum van tijd gekweekt en er zijn grote aantallen verschillende mutanten. Niet voor niks worden ze de nieuwe fruitvliegjes genoemd. “Het is de C. elegans van de  gewervelden”, zegt Bergen, refererend aan het kleine wurmpje waarvan vorig jaar de complete genetische code bekend werd. Van het zebravisje is ook al veel vastgelegd. De volledig genetische code zal, zo wordt geschat, in 2004 opgehelderd zijn. Beide onderzoekers haasten zich overigens om nog eens op te merken dat je aan de genetische code alleen niet veel hebt. “Dan begint het pas”, zeggen ze in koor.

Plaats én functie van een gen vaststellen, dan komen er wel mogelijkheden in zicht. Het is de specialiteit van Bergen. In het juninummer van Nature Genetics is net een artikel verschenen over de identificatie van het gen dat betrokken is bij PXE, Pseudoxanthoma elasticum, een relatief zeldzame ziekte, die de elasticiteit van bindweefsel vermindert. Ook die van het netvlies, waarin scheuren ontstaan die uiteindelijk het gezichtsvermogen sterk aantasten. De identificatie is ook van belang voor huidziekten, en voor hart- en vaatziekten, zoals vroegoptredende aderverkalking, waar PXE-patiënten ook vaak aan lijden.

Bergen is heel enthousiast over de vondst, want het blijkt ook nog om een type gen te gaan waar bij het kankeronderzoek veel belangstelling voor bestaat. Het is een van de zogeheten ‘Multi Drug Resistance genen’ die de functie van moleculaire pomp hebben. Ze zijn in staat bepaalde geneesmiddelen uit een cel te pompen, en zouden dus als gevolg kunnen hebben dat cellen resistenter worden voor sommige anti-kankermiddelen. Bergen werkt dan ook al samen met een aantal hart- en vaatonderzoekers, en met kankeronderzoekers.

Nachtblindheid

Vorig jaar identificeerde zijn groep een gen dat een bepaald type Retinitis Pigmentosa tot gevolg kan hebben. En aan die ziekte, door kenners aangeduid als R.P., lijden maar liefst 25.000 mensen in Nederland. “R.P. heeft heel veel vormen, en er zijn tenminste 25 genen bij betrokken, die heel ingewikkeld op verschillende manieren samenwerken”, vertelt Bergen. Bij R.P. gaat het netvlies langzaam maar zeker te gronde. “Het begint met nachtblindheid, dat kan een eerste teken zijn. Daarna wordt iemands gezichtsveld langzaam maar zeker steeds kleiner, alsof hij door een steeds smaller wordende koker kijkt. Bij ongeveer de helft van erfelijke oogziekten in Nederland gaat het om Retinitis Pigmentosa.”

Bergen wil op zoek gaan naar overeenkomstige genen bij de zebravisjes, zogenaamde homologen.  Maar over gentherapie spreekt hij voorzichtige woorden, en dat doet Kamermans ook. Na het eerste enthousiasme is men in onderzoeksland een beetje terughoudender geworden, want de verwachte mooie resultaten bleven uit. Kamermans: “Je grijpt toch in in een complex, teruggekoppeld systeem. Er zijn heel weinig voorbeelden van waar dat goed gaat. Ik kan alleen insuline voor diabetespatiënten bedenken, maar dan nog: daar is de patiënt zelf de voortdurende ‘check’ op of het wel goed gaat.”

Wereld van verschil

Toch zou juist het oog, dat zich zo aan de buitenkant bevindt en bovendien een bijzonder afweersysteem heeft wel een geschikte plaats voor gentherapie kunnen blijken, denkt hij. “En de gevaren van het werken met afgezwakte virussen – vectoren worden ze genoemd – die een gen binnen in de cel moeten brengen, zijn de laatste paar jaar heel veel verminderd. Dat is echt een wereld van verschil,” voegt Bergen toe.

En je moet je eisen misschien ook niet te hoog stellen, vindt hij. “Vier procent van de mensen boven de zestig lijdt aan ouderdoms-maculadegeneratie, waarbij dus de gele vlek steeds slechter functioneert, en patiënten niet meer scherp kunnen zien. Dat heeft allerlei oorzaken, maar je bent er wel genetisch voor gepredisponeerd. We hebben inmiddels een stamboom die uniek is in de wereld, van een familie waarin die leeftijdsgebonden maculadegeneratie heel veel voorkomt. Dat geeft ons een goede kans de genen die erbij betrokken zijn te vinden. Dat hoeft niet meteen tot gentherapie te leiden, maar stel dat je iets zou vinden waardoor je het begin van de ziekte tien jaar zou kunnen uitstellen. Dat maakt voor miljoenen mensen in de wereld verschrikkelijk veel uit.”

Ouders in spe

Genidentificatie betekent wel vaak direct dat je kunt nagaan of twee mensen kans lopen een kind met een bepaalde oogziekte te krijgen. Een op de tweeduizend Nederlandse baby’s komt met een aangeboren visuele handicap ter wereld. Nogal wat van die ziektes treffen alleen jongetjes. Maar vrouwen die zelf kerngezond zijn, kunnen wel draagster van het gen zijn. Bij allerlei genen kan het van belang zijn  beide ouders in spe te onderzoeken. De identificatie van een ziektegen heeft ook als gevolg dat het mogelijk wordt na te gaan of een foetus gezond is, of ziek, of alleen  drager van de ziekte. Allemaal informatie die vergaande consequenties kan hebben:  van besluiten nooit aan kinderen te beginnen tot het afbreken van een zwangerschap. In die opzichten heeft het genetisch onderzoek wel directe toepassingen.

Ziek en gezond hebben natuurlijk alles met elkaar te maken. Het een helpt het ander te begrijpen, en andersom. Kamermans: “Mij gaat het om functie. Hoe werkt het? Daar ligt ook onze expertise. Je hebt die hele cascades van eiwitten, en ik wil weten wat er gebeurt als je die modificeert, daarin ingrijpt. Kijk, we kennen het systeem nu redelijk, en ik wil het op bepaalde, goed gedefinieerde plekken een duwtje geven. Door bijvoorbeeld te verhinderen dat een bepaald gen tot expressie komt.”

De zebravisjes, gemuteerde en gewone, moeten de weg naar de climax helpen bereiden. Het zal nog jaren duren, maar de complete kaart van genetische variatie in relatie tot functie komt eraan.

Door je geheugen-onderdrukkingsgenen stop je niet alles wat je tegenkomt in je geheugen

We zullen op den duur wel wennen aan de gedachte dat wat we meemaken aantoonbare, fysieke sporen nalaat in onze hersens, zegt prof. Eric Kandel. Hoe dat precies gebeurt, is wat hij zocht en vond. Dat ging via Pavlov-reflexen in zeeslakjes, en is nu al aangeland bij muizen met een veel beter geheugen dan normaal.

Hij omschrijft het beestje zelf als een slijmerig hoopje, en ja, dat mensen moeite hebben te geloven dat hun geheugen net zo werkt als dat van het zeeslakje aplysia, dat snapt hij best. Ooit, toch al weer zo’n kleine veertig jaar geleden, kwam prof. Eric Kandel (70) bij dit diertje terecht omdat het de grootste zenuwcellen ter wereld heeft. Die lieten zich dus relatief makkelijk onderzoeken. Zijn geloof dat je toch echt bij het simpelste organisme moet beginnen om iets te kunnen leren over ingewikkelder levensvormen staat nog steeds onwankelbaar overeind.

Kandel is wereldberoemd omdat hij tot het moleculaire niveau doordrong van wat we ‘leren’ noemen. Bij het zeeslakje ontdekte hij de keten van reacties in zenuwcellen waarmee dingen zijn geheugen binnenkomen en daar voor langer of korter vastgelegd worden. Toen het later op precies dezelfde manier bleek te gaan bij fruitvliegjes en bij muizen kon hij er zeker van zijn een heel algemeen mechanisme gevonden te hebben, dat zich vast en zeker ook in mensenhoofden afspeelt.

Aan de lijst prijzen en andere eerbetonen die Kandel al ten deel zijn gevallen komt bijna geen eind. Nu komt daar de Dr. A.H. Heinekenprijs voor Geneeskunde bij, een van de vijf tweejaarlijkse prijzen voor wetenschap en kunst die bekostigd worden uit een fonds van biermagnaat Freddy zelf. Op 29 september krijgt hij de 150.000 dollar (zo’n 375.000 gulden) uitgereikt door prins Claus tijdens een zitting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Kandel is het type man dat zich bewust is van zijn prestige, maar er allang niet meer op hoeft te wijzen. Zijn lach is uitbundig, met gierende uithalen, zijn postuur klein en tenger en de gastvrijheid waarmee hij ontvangt groot. De lunch die meteen gebracht wordt op zijn werkkamer op de Columbia Universiteit in New York is buitengewoon Amerikaans: tuna en turkey sandwiches. Zelf houdt Kandel het op een klein bekertje yoghurt, maar de interviewster heeft moeite hem te overtuigen dat een zo’n tonijnding ruimschoots voldoende is, en de fotograaf mag niet vertrekken zonder een kalkoenboterham en een blikje coke in zijn tas.

Hij noemt zich een “moleculair bioloog die werkt aan het geheugen”, maar zijn achtergrond is veel breder. Hij begon met literatuur en geschiedenis te studeren, daarna volgden een medicijnenstudie en de specialisatie psychiatrie. Daar groeide al snel zijn behoefte meer van het geheugen te begrijpen. Maar de psychoanalyse is nog steeds zijn oude liefde, zegt hij, wat mooi is voor iemand die in Wenen geboren werd. Kandel was negen toen de familie na de Anschluss en net voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak uit Oostenrijk naar Amerika vertrok, en daarmee ontkwam aan de jodenvervolging.

Een gevoel van grote vrijheid is wat hij zich vooral herinnert van de beginperiode in New York. Er zaten allemaal linkshandige kinderen in zijn klas, iets dat in Oostenrijk niet mocht bestaan, en je kon in het nog tamelijke landelijke Brooklyn op straat spelen en rolschaatsen. “Zelfs voordat Hitler kwam heerste er een benauwend burgerlijk klimaat in Wenen”, zegt hij, “wat je echt belemmerde in je spontaniteit.” Meer dan zestig jaar later is de herinnering nog heel levendig, zie je aan zijn gezicht.

Het geheugen is natuurlijk ons gespreksonderwerp. Welke herinneringen bewaart iemand, wat verdwijnt in de mist van het verleden? “Volgens mij”, zegt Kandel “is de vraag vooral wat je nog méér onthoudt, eerder dan wat je onthoudt. Want dat laatste is redelijk te voorspellen. Het zit er bijvoorbeeld wel in dat we ons dit interview zullen herinneren, want dat duurt een tijd en we doen het niet elke dag, maar wat er verder zal blijven hangen van de gebeurtenissen van vandaag…?”

Een andere manier om die vraag te formuleren is: wat zal de andere kant van onze hippocampus bereiken? Van dat zeepaardvormige stukje brein dat binnenin je slaapkwabben zit is nog steeds lang niet alles bekend. Het moet een soort verwerkingsstation zijn. In elk geval is het niet de plaats waar dingen binnenkomen, noch een opslaggebied voor herinneringen. En zeker is dat het onmisbaar is voor de aanmaak van wat expliciete herinneringen genoemd worden: de dingen waarvan je weet dat je ze geleerd of meegemaakt hebt. Vaardigheden zoals fietsen en dansen kun je wel leren zonder hippocampus.

Feiten die op een nogal gruwelijke manier aan het licht gekomen zijn dankzij de wereldberoemde patiënt H.M., die nooit zal weten hoe beroemd en belangrijk hij is. Epilepsieaanvallen beheersten zijn leven voordat in 1953 zijn hippocampus verwijderd werd. De aanvallen zijn weg, maar inmiddels herkent H.M. zichzelf niet meer in de spiegel, omdat hij alleen nog alles weet van vóór de operatie en nu 47 jaar ouder is. Ondertussen is hij wel bedreven geraakt in onder meer het schrijven in spiegelschrift omdat men hem daarmee heeft laten oefenen, maar hij zal bij elke sessie blijven zeggen dat hij zoiets nog niet eerder gedaan heeft.

Dat soort vaardigheden komt in ons impliciete geheugen terecht. En toch, op een dieper niveau, blijken expliciet en impliciet leren niet zoveel van elkaar te verschillen. Zo gaat het altijd om veranderingen in synaptische verbindingen, de contactpunten tussen zenuwcellen. De gedachte dat je daarin het mechanisme achter onthouden zou moeten zoeken was er al veel langer, maar Kandel was de eerste die bewees dat synaptische verbindingen inderdaad veranderd konden worden, plastisch waren. “Het was zelfs verbazingwekkend gemakkelijk dat te doen”, zegt hij, “maar ik was helemaal niet blij met die uitkomst. Want ik had het laten zien in geïsoleerde cellen van een zeeslakje, en ik had geen enkele aanwijzing dat dat ook maar iets met gedrag te maken zou kunnen hebben.”

Zo werd Kandel zeeslakkentrainer. De kieuwreflex van het beestje was het uitgangspunt, en die bleek heel goed te beïnvloeden. Geef je hem kleine elektrische schokjes, dan gaat die kieuw steeds sneller en vollediger naar binnen, aai je hem daarentegen alleen maar zachtjes met een penseeltje dan reageert hij daar al gauw niet meer op. ‘Gevoeligmaking’ en ‘gewenning’ heet dat.

Maar ook echte klassieke conditionering op zijn Pavlovs lukt: het verband leren leggen tussen twee dingen (na de bel volgt eten) en daarom al bij de eerste reageren (kwijlen bij de bel). Bij de aplysia bleek een heel zacht schokje als ‘bel’ te kunnen fungeren, wanneer het gevolgd werd door een sterkere schok. Na een keer of tien trekt het beestje bij het eerste schokje zijn kieuw veel sneller en vollediger in dan het normaal gesproken zou doen als reactie op zo’n klein stroompje.

Bovendien bleek de aplysia ook over een langetermijngeheugen te beschikken. Na vier dagen achtereenvolgende met zo’n sessie van tien schokjes blijven zijn reacties ten minste drie weken lang hetzelfde, niet alleen voor wat betreft het ‘Pavlov-experiment’, maar ook de gevoeligmakings- en gewenningstrainingen worden onthouden.

“Nu is het mooie van de aplysia dat zijn specifieke cellen makkelijk te herkennen zijn”, vertelt Kandel. “Ze zijn zelfs individueel te identificeren. Dat betekende dat we dezelfde cel voor en na de training konden bekijken om te zien of er iets veranderd was. Zo werd het mogelijk voor het eerst iets te zeggen over geheugen op celniveau. Toen we dat in detail hadden uitgewerkt bleek dat de synapsen inderdaad veranderden en dat de duur van die verandering gelijk opging met de duur van de geheugenopslag!”

Het bewijs was geleverd dat synaptische verbindingen inderdaad cruciaal zijn voor geheugen. Die verbindingen kunnen zowel sterker als juist zwakker worden. “Daarna konden we afdalen naar het chemisch niveau,” vertelt Kandel verder. “De volgende stap, je ziet je kinderen groot worden.”

Kandel ontdekte een aantal reactieketens en de proteïnen en genexpressies die daarin de hoofdrol spelen. Voor het kortetermijngeheugen bleek het om een andere ‘chemie’ te gaan dan voor het langetermijngeheugen. Kandel spreekt van een wissel die als het ware omgezet wordt. Heel intrigerend is dat het in gang zetten van het langetermijn-traject deels bestaat uit het uitschakelen van genen die geheugenopslag tegenhouden. “Die heb ik geheugenonderdrukkingsgenen genoemd”, zegt Kandel. “Je stopt niet alles wat je tegenkomt in je geheugen. En dat zit hem in die onderdrukkingsgenen. Heel recent hebben we ontdekt dat als je ze weghaalt in een muis, die zich vervolgens veel meer herinnert. Dat is echt interessant.”

Dat zal niet gauw iemand willen ontkennen, sterker nog, de implicaties van zulk onderzoek zijn nauwelijks te overzien. Het muizenbrein met zijn hippocampus lijkt immers in veel opzichten op het onze. Kunnen we straks geheugenwonderen kweken, leerpillen maken? Memory, from Mind to Molecules heet het prachtig uitgegeven en behoorlijk toegankelijke boek dat Kandel samen met zijn collega Larry Squire schreef. Is het nu inderdaad zover? Snappen we de menselijke geest op moleculair niveau? “Nou”, formuleert Kandel voorzichtig, “je kunt niet echt verwachten dat je die kloof in twintig of dertig jaar dicht. We staan aan het begin van een enorme berg nu, en of we de top zullen halen, of we uiteindelijk alle aspecten van menselijk gedrag biologisch zullen kunnen verklaren, durf ik niet te voorspellen”

Maar de moleculaire biologie heeft de toekomst. Vooral omdat keer op keer blijkt dat de natuur weinig fantasie heeft, of anders gezegd: alles draait op precies dezelfde stofjes, reacties en principes. Eigenlijk zitten we dus net zo in elkaar als gist? “Ja precies! Dat vind ik echt de kracht van de moleculaire biologie”, zegt Kandel enthousiast. “Zelfs de chemie van zenuwcellen, die dus verantwoordelijk zijn voor het geheugen is niet zoveel anders dan die in heel andere cellen. En wat betreft het impliciete en het expliciete geheugen: dat werkt op moleculair niveau in wezen op exact dezelfde manier, het verschil zit hem in de routes die worden afgelegd tussen de zenuwcellen. Waar je uitkomt is van belang.”

Dat alles wat we meemaken en onthouden letterlijk sporen nalaat in onze hersenen is ondertussen voor veel mensen een onbehaaglijke gedachte. “Inderdaad,” roept Kandel uit, “Als je ze vertelt dat het hart een pomp is, vinden ze dat geen punt, maar zodra het om iets mentaals gaat, wat dan ook, raken ze van streek. Want dan denken ze: het is biologisch, dus is het allemaal van tevoren bepaald. Mensen hechten aan hun vrije wil, maar ze realiseren zich te weinig dat ze die tóch wel hebben, althans, met zijn gewone beperkingen. Ik kan bijvoorbeeld niet vliegen, maar wel nu opstaan en weglopen of over een totaal ander onderwerp beginnen. Dat blijft heus zo, hoeveel meer we ook begrijpen van onze hersenen.”

“Bovendien halen mensen biologie en genetica door elkaar. Van genetica begrijpen ze vaak niet dat die uit twee delen bestaat. Je hebt de genen waar je mee geboren wordt, die je hebt meegekregen van je ouders en die in elke cel van het lichaam zitten. Maar in al die cellen wordt altijd maar een deel van de genen geactiveerd. Sommige zijn aan, de meeste uit. En bij alle ‘mentale’ dingen die we doen, zoals hier zitten praten, komt gen-expressie kijken. Voor dingen in je geheugen stoppen is er een hele keten van gen-activeringen nodig. Op den duur zal men daar allemaal wel minder angstig tegen aan kijken.”

En ook Kandels eerste liefde, de psychoanalyse zal eraan moeten geloven. “Het gaat helemaal niet goed met dat vak”, zegt Kandel. “En dat komt omdat het niet wetenschappelijk onderbouwd wordt. De psychiatrie moet meer van de neurobiologie gaan leren. Ik heb daar een paper over geschreven voor het American Journal of Psychiatry, onder de titel ‘Een nieuw intellectueel denkraam voor de psychiatrie’. Ze hadden daar nog nooit zoveel reacties op een stuk gehad. Niet allemaal positief natuurlijk”.

Hij lacht, en gaat dan serieus verder: “Ik vind het aannemelijk dat psychotherapie werkt. Dat gesprekken met iemand die je vertrouwt een verandering in gedrag kunnen bewerkstelligen. Dat er dus langetermijnveranderingen optreden in de hersens. Kijk, praten en medicijnen grijpen aan op hetzelfde systeem. Er is zelfs al een studie geweest naar twee groepen patiënten die leden aan dwanggedachten en dwanghandelingen. Een behandeling met prozac leverde hetzelfde goede resultaat als psychotherapie. De ontwikkeling van therapieën en medicijnen zal veel meer hand in hand gaan in de toekomst. En ik hoop dat de imaging-technieken, waarmee je in levende hersens kunt kijken nog veel krachtiger worden. Zodat ze op den duur tegen mij kunnen zeggen: dat superego van jou is een beetje groot, dat gaan we even bijschaven.” Weer die luide lach.

De psychoanalytici zullen nog meer horen van Eric Kandel. De rol van de amygdala, de amandelvormige kern die in de buurt van de hippocampus zit, bij angst en paniek is zijn nieuwste belangstellingsgebied. “In de amygdala zit een deel van je impliciete geheugen”, zegt Kandel, “en we weten dat het alles te maken heeft met paniekaanvallen en fobieën. Hoe gaat het leren van angst in zijn werk? Dat kun je heel goed met behulp van diermodellen uitzoeken, anders dan andere geestesziekten – hoe zou een schizofrene muis eruitzien? Zonder gekheid, we zijn echt op weg naar een moleculaire ziekteleer van de hersenen.”

NOOT: Het Parool publiceerde dit artikel ook, op 5 oktober 2000, onder de titel ‘Sporen van het geheugen’. Pal daarop bleek Kandel de Nobelprijs voor Geneeskunde gewonnen te hebben. Vervolgens verscheen het interview nog een keer, dit keer in Vlaanderen, in De Standaard, op 16 oktober 2000. De kop luidde toen ‘Een spoor door de hersenen’.

“Onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek”

Hij is nummer zeven uit tien kinderen, zijn wetenschappelijke hartstocht is te begrijpen hoe we spreken, en privé kan hij niet zonder muziek. Met prof.dr. W.J.M. Levelt heeft de Akademie een president die het speciaal opneemt voor vrouwen, en die kan vertellen dat we twee keer zo snel denken als we spreken.

“Ik heb slechts nieuws voor je”, sprak hij eerder dit jaar tegen zijn zoon, “ik word je werkgever.” Christiaan Levelt, neurobioloog bij het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut begreep het meteen: “Echt waar, word je president van de Akademie?” riep hij enthousiast uit. Het was echt waar, en sinds 1 mei is het ook een feit: na bijna een kwart eeuw KNAW-lid geweest te zijn zonder in die organisatie ooit maar een bestuursfunctie te bekleden, is prof. Pim Levelt begonnen aan een driejarige termijn als president.

Langer zal het ook niet worden. Levelt: “Ik ben nu 63, en je mag niet ouder zijn dan 65 bij het begin van je ambtsperiode. Daarna heb ik dan nog een jaar op mijn instituut.” Zijn instituut, een onderwerp dat steeds terug zal blijken te keren tijdens het gesprek in de statige bestuurskamer in het Amsterdamse Trippenhuis, waar Levelts laptopje bijna detoneert. Al sinds de oprichting in 1980 is Levelt – van huis uit psycholoog en zelf gespecialiseerd in hoe spreken in zijn werk gaat – directeur van het Max Planck Instituut voor psycholinguïstiek in Nijmegen. Het is van een van de weinige buiten Duitsland gevestigde instituten van de Max Planck Gesellschaft, dat je op zijn beurt weer als een van de Duitse wetenschapsacademies kunt zien. 

Levelts ervaringen bij ‘Max Planck’, zoals hij het in de wandeling noemt, komen hem nu al van pas. “Ik weet wat een instituut is, ik snap dat”, zegt hij bijvoorbeeld. Dat onderdeel van zijn nieuwe functie heeft hij meteen voortvarend ter hand genomen. Nog voor zijn aantreden is hij bij alle veertien Akademie-instituten, inclusief dat waar zijn zoon werkt,  kennis gaan maken.

Vrijer

Levelt: “Je bent op dat moment nog wat vrijer in je gesprek. Ik ben ook overal open ontvangen. Het is me heel goed bevallen.” Hij kijkt erbij of hij er inderdaad plezier aan beleefd heeft, en gaat verder: “Ik kan niet voorkomen dat ik voortdurend die organisaties met elkaar vergelijk. En dat leidt dan tot… gedachten, ideeën. Dit zal denk ik het minst moeilijke deel van mijn functie zijn om greep op te krijgen.”

In het feit dat zijn eigen instituut – waar met behulp van uiteenlopende technieken talloze experimenten gedaan worden die inzicht moeten geven in hoe we taal leren, produceren en verwerken – bij uitstek interdisciplinair is, ziet Levelt ook aanknopingspunten: “Ik heb hier bij de Akademie te maken met die twee clusters: levenswetenschappen en geesteswetenschappen. Daartussen is echt sprake van een cultuurverschil. Ik ken dat, bij het Max Planck Gesellschaft moet ik ook verantwoording afleggen aan zowel de Biologisch-Medizinische sectie als aan de Geisteswissenschaftliche.”

Bij de twee Akademieafdelingen Natuurkunde en Letterkunde is er weinig plaats voor leden die werkzaam zijn op een gebied dat put uit verschillende vakken. Een rechtstreeks gevolg van het coöptatiesysteem. Levelt:  “Op een gegeven moment wordt iemand emeritus, en dan wordt er gezocht naar een nieuw lid op ongeveer hetzelfde terrein. Zo mis je op den duur nieuwe ontwikkelingen. Er is wel wat beleidsruimte bij beide afdelingen voor sectie-overstijgende leden, maar het is weinig, en bij de afdeling Letterkunde is hij gewoon veel te klein.”

Mooi en trendy

“Overigens vind ik interdisciplinariteit niet op zichzelf nastrevenswaardig. Het klinkt gauw mooi en trendy, maar wanneer je de basisdisciplines niet voor de volle honderd procent beheerst dan heb je er nog niks aan. Maar er zijn wel veel vakken zo ontstaan, zoals de biofysica, en natuurlijk de psycholinguïstiek. Soms groeit er een nieuwe wetenschap uit, en soms worden vakken tot elkaar gereduceerd, maar feit is dat belangrijke problemen vaak onoplosbaar blijven wanneer je niet van verschillende disciplines gebruik maakt.”

Zoals de vraag hoe de ‘kennisverwerkende mens’ in elkaar zit. Het zeer breed en sterk groeiende onderzoeksgebied dat de koepelterm ‘cognitiewetenschap’ gekregen heeft, is er zo een waarvoor in de KNAW op dit moment in feite geen ruimte is. “Er is geen sectie, geen adviesraad, helemaal niets”, zegt Levelt. Terwijl het terrein floreert en zo belangrijk is. Levelt loopt er helemaal warm voor: “Hoe doe je kennis op, hoe geef je het door, hoe transformeer je het, kun je er bestanden in een machine van maken? Dat is allemaal hoogst actueel. Het is een heel conglomeraat aan wetenschappen dat in onze kennismaatschappij niet weggedacht kan worden.”

Eenzijdig menu

“Er moeten secties en adviesraden bij komen in die multidisciplinaire hoeken. Ook over informatica wordt gesproken.” Dat zou ook gevolgen hebben voor de ontmoetingsfunctie van de Akademie, waarvan Levelt zegt: “Dat is het enige aspect dat ik al kende. Ik heb het altijd enig gevonden, en nog. Ik heb al die jaren natuurlijk wel een beetje een eenzijdig menu gehad bij de afdeling Letterkunde. Iedereen gaat toch zijn vaste gangetje naar bijeenkomsten en lezingen van zijn eigen afdeling. Ik verheug me erop om voortaan bij de vergaderingen van alletwee de afdelingen en hun besturen te zitten.”

Levelt voorziet niet veel problemen op dit vlak. Rest nog de adviesfunctie van de Akademie. “Dat is nieuw voor me, dat moet ik leren”, zegt hij. “Het betekent leren opereren met gemeenschappelijke belangen. En die liggen altijd wel ergens. Of het nu om de VSNU, of om NWO, of het ministerie of wat dan ook gaat. Soms zijn overeenkomsten makkelijk te vinden, soms concludeer je: daar spelen heel andere overwegingen een rol. En dan is er maar een beperkte coalitie mogelijk. Persoonlijke contacten zijn in elk geval heel belangrijk. Wat dat betreft komt het heel goed uit dat degenen aan het hoofd van de VSNU en NWO en ik elkaar al lang kennen. En ik heb het gevoel dat iedereen zonder geheime agenda’s werkt.”

Verwaarlozing

Ondertussen strooit Levelt overigens al lustig rond met adviezen. In zijn rede, in een hele reeks interviews, en ook nu weer wordt hij bijvoorbeeld niet moe te wijzen op de verwaarlozing van talent in de wetenschappelijke wereld. Zoals oudere onderzoekers die zo bedolven raken onder bureaucratie dat ze aan onderzoeken niet meer toekomen, en vrouwen die afhaken omdat er geen goed beleid gevoerd wordt.

Over die laatste groep maakt hij zich bijzonder druk. Levelt: “Het is treurig gesteld met het vrouwenbestand, en je komt er niet vanaf met zeggen: het is nu eenmaal overal zo. Dat is namelijk niet waar. Je hebt hier nog steeds niet meer dan vijf procent vrouwelijke hoogleraren. In Frankrijk heb je er iets van drie keer zoveel, in Duitsland twee keer. Ik heb wel eens horen zeggen dat dat te maken heeft met de oorlog, toen in Frankrijk en Duitsland de vrouwen de economie veel meer hebben overgenomen dan in Nederland.”

Privémiddelen

Er is zeker iets aan te doen, denkt Levelt. Hij vertelt weer over het Max Planck Instituut, waar op kleine schaal vrouwen als ze dat willen drie jaar kunnen thuisblijven nadat ze een kind hebben gekregen. Hun baan blijft bestaan, en het gevolg is dat ze behouden blijven voor de wetenschap, en vaak ook tijdens die periode bijvoorbeeld een dag in de week wel degelijk doorwerken en zo bijblijven. Maar iets dergelijks overal invoeren gaat niet een-twee-drie. Levelt: “Max Planck heeft privémiddelen. De wettelijke regeling staat het niet toe het zo te doen. Maar zo’n experiment kan wel een voorbeeldfunctie hebben.”

Net zoals de ene vrouw een voorbeeldfunctie voor de andere kan hebben. “Mijn ervaring bij Max Planck is dat vrouwen vaak niet verder gaan als er geen uitdager is”, vertelt Levelt. “Er moet een begeleider zijn die zegt: je bent echt goed, en godverdorie, dóe dat onderzoek nou. Die persoonlijke benadering is belangrijk. Blijkbaar hebben vrouwen niet genoeg gehoord dat ze goed zijn. En er zijn ook echt vrouwelijke hoogleraren nodig als rolmodel voor het jongere niveau.”

Het is bijna een ouderwets gesprek. Blijkbaar veranderen de dingen maar langzaam, ook al ziet Levelt wel enige verbetering, zelfs in het aantal vrouwelijke Akademieleden. En de tijd dat het een hoge uitzondering was dat een vrouw natuurkunde ging studeren, zoals zijn moeder aan het begin van twintigste eeuw deed, is echt voorbij. Levelt is nummer zeven van tien kinderen. “Een goed katholiek gezin, ja”, lacht hij, “dat kun je ook al zien aan de hoeveelheid voorletters die ik heb.”

Dat zijn moeder haar vak nooit beoefend heeft na haar trouwen hoeft geen verbazing te wekken. Levelt: “Maar het was voor mij heel gewoon om mijn moeder als ik iets niet snapte mijn wiskundeboek onder de neus te houden terwijl ze in de soep stond te roeren of iets dergelijks. Dat dat bijzonder is realiseer je je pas later.” Zijn vader was scheikundige, en heel wat kinderen zijn in de wetenschap terechtgekomen. Net zoals er van Levelts eigen drie kinderen nu twee onderzoeker zijn.

Levelt groeide dus niet op met het idee dat wetenschap iets raars of verwegs was. Werd er thuis aan de eettafel met regelmaat over gepraat? Hij lacht: “Ik herinner me vooral lawaai. Het was schreeuwen dus dat we deden.”  We praten toch even door over praten, het onderwerp dat Levelt al heel lang met hartstocht bestudeert. Hij heeft er altijd intrigerende feiten over paraat: dat we twee à drie woorden per seconde uitspreken, maar dat dat in een heftig gesprek wel op kan lopen tot zeven. Dat we zo’n honderd spieren en spiertjes gebruiken als we praten. En nog gaat het te langzaam.

Dat zou je althans op kunnen maken uit recente metingen. Heel veel van wat er in de psycholinguïstiek wordt gedaan, draait om het meten van reactietijden, waarvoor de technieken in de loop van de tijd zeer verfijnd zijn. En inmiddels kun je behalve wannéér desgewenst ook nog zien waar in iemands hoofd er iets gebeurt. Terugkerend element is het benoemen van plaatjes.

Snelle geest

Levelt: “Ik onderzoek hoe snel je een woord produceert. Normaal, als je iemand een plaatje van bijvoorbeeld een boom laat zien, duurt het zo’n zevenhonderd milliseconden voor hij begint dat woord uit te spreken. Dat heb je dus nodig om een woord te vinden en ook de bijbehorende vorm ‘klaar te zetten’. Maar je kunt dat ook storen, lastiger maken. Door bijvoorbeeld tegelijk met het laten zien van die afbeelding het woord ‘boot’ te laten horen, of ‘kast’. Het blijkt dat ‘boom’ zeggen sneller gaat als je ze ‘boot’ laat horen dan als je ze ‘kast’ laat horen. Met andere woorden: de productie wordt beïnvloed door de perceptie. We weten nu kwantitatief hoe dat zit, maar hoe het precies in zijn werk gaat, en hoe perceptie en productie samenhangen is nog een andere vraag.”

Om daar weer iets meer van te snappen wordt er op het instituut ook gekeken naar de ‘monitoring functie’. Levelt legt uit: “Je luistert altijd naar jezelf. En als er iets fout gaat in je overte spraak kun je heel snel stoppen en corrigeren. Maar je hebt ook je interne spraak. Die vertelt je wat er fout zou zijn geweest als je wat er al ‘klaarstond’ gezegd had. Het verschil kun je horen aan het verschil tussen ‘Nu ga je rechts, eh.. links af’ en ‘Nu ga je ..eh, links af’. Ook dat blijk je te kunnen beïnvloeden. Je kunt het externe kanaal uitzetten, door iemands oren te vullen met ruis, zodat hij zichzelf niet meer hoort praten. Dat geeft een ander type correcties dan wanneer je andere soorten dingen laat horen.”

“Nu doen we ook experimenten met interne spraak waarbij we echt naar binnen kijken. We meten hoe snel iemand reageert als we een plaatje laten zien. En het blijkt dat dat ongeveer twee keer zo snel gaat als overte spraak. Hoe snel we ook kunnen praten, onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek. De geest is snel, het vlees is zwak, zou je dat kunnen samenvatten. Daarom lees je ook veel sneller dan je kunt praten. En opgenomen spraak kun je met een factor vier inkrimpen. Ruw gezegd: als je de frequentie hetzelfde laat, en elke vierde periode eruit gooit, dan nog kun je wat je overhoudt prima verstaan.”

Er zijn nog meer intrigerende projecten. Bijvoorbeeld eentje over het produceren van vaste uitdrukkingen (idioom en vaste woordcombinaties), die misschien wel de helft van onze woordenschat uitmaken, en het onderdeel vormen dat je in een vreemde taal nou nooit goed onder de knie krijgt.

Maar we moeten ook nog over Levelts andere hartstocht praten: muziek. Daarin is hij een amateur, zegt hij, maar wel een die thuis een groot orgel en een kleine concertzaal heeft. Dat zijn vrouw musicus is, is daar natuurlijk ook debet aan. Zelf speelt Levelt vanaf zijn jeugd fluit, en sinds een jaar of vijftien traverso, een barokfluit waar hij lyrisch over is. “Alle klassieke barokmuziek is daarvoor gemaakt, tot Schubert aan toe”, verklaart hij. “En een moderne fluit, zo’n brutaal, luid instrument, naast een klavecimbel, dat kán echt niet in de intieme ambiance van kamermuziek.”

Genieten doet hij overigens ook van de verbanden tussen die muziek en zijn vak. “Het is veel retorica”, zegt hij. “Kenmerkend voor  barokmuziek is dat het allemaal vraag-antwoordspelletjes zijn. Het gaat om de kunst van het overtuigen, en dat is natuurlijk heel oud, gaat nog verder terug dan Aristoteles. Versterkingen, pauzes, ervoor zorgen dat je de emotie oproept bij de ander, maar hem als speler niet zelf hebt,  het zijn overtuigingsmiddelen die je in heel oude geschriften al kunt lezen.”

Wie hem de komende drie jaar tegenkomt is dus gewaarschuwd: Levelt kent zijn klassieken, ook al is hij een HBS’er. Zoals ook blijkt uit wat hij tot slot nog even zegt: “Ik wil als Akademie-president vooral niet de suggestie wekken dat ik  alles weet. Ik moet juist een kennismakelaar zijn: zorgen dat ik de aanwezige kennis aanspreek en organiseer. En er zijn ook veel dingen waar ik niks over vind.”

 

‘Als je temperatuur stijgt, begin je wakker te worden’

Het verband vinden tussen slaap, licht en donker, warmte en kou, ouder worden en cognitieve functies zoals vooruit kunnen denken, is in heel kort bestek het programma waarvoor dr. Eus van Someren van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek een ‘Vernieuwingsimpuls’ kreeg toegekend. De passies van een psycholoog en popster.

“Beesten gaan dood als ze niet slapen”, zegt dr. Eus van Someren, “maar waaraan weten we eigenlijk niet. Hun hele energiehuishouding verandert: ze koelen af, gaan tegen de klippen op eten, steeds meer, uiteindelijk krijgen ze wonden aan hun huid. Het is heel naar.”

\Slaap is een van de twee grote passies in het leven van neuropsycholoog Van Someren (41): “Ik heb niet het gevoel dat ik naar mijn werk ga als ik me met slaap bezighoud”, glimlacht hij. Althans, met mensenslaap, want zelf onderzoek met ratten doen beviel hem maar matig. Inmiddels heeft hij alle gelegenheid zijn hartstocht uit te leven. Slaap en hersenen, en hun effecten op het functioneren in het dagelijks leven van oudere mensen, daarom draait het in het zeer brede onderzoeksprogramma waarvoor hij eerder dit jaar een zogeheten ‘NWO Vernieuwingsimpuls’ (groot: anderhalf miljoen gulden) kreeg toegekend.

Oude mensen
Dat oude mensen vaak slecht slapen is bekend, dat dementerenden hun dag- en nachtritme kwijtraken ook. Slecht slapen is aantoonbaar slecht voor zowel je lichamelijke als je geestelijke gezondheid. Maar over onder meer de achterliggende mechanismen, en de gevolgen voor dingen als concentratie en geheugen, én de mogelijkheden slaappatronen te beïnvloeden, valt nog heel veel te ontdekken. En als dat lukt zou dat het leven van grote groepen van de bevolking aanmerkelijk kunnen verbeteren. Vanwaar Van Someren al dat onderzoek het beste kan coördineren wordt overigens nog bekeken. Voorlopig blijft hij werken bij het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH), het Akademie-instituut van prof. Dick Swaab dat vastgebouwd is aan het Amsterdamse Academisch Medisch Centrum.

Daar praten we, in een kamertje naast het slaaplaboratorium. Waarom slaap? Van Someren: “Omdat het een enorme verandering in het hele functioneren van de hersenen oplevert. Je doet het een derde van de tijd, en we begrijpen er nog maar weinig van.” Slaapt hij zelf soms slecht? Hij moet er een beetje om lachen, want de vraag viel natuurlijk te verwachten. Inderdaad: Van Someren wil nog wel eens wakker liggen.

Rauw, Hees en Teder
Desgevraagd noemt hij zichzelf zowel een ochtend- als een avondmens, wat goed past bij het dubbelleven dat hij leidt. ’s Avonds en ’s nachts is hij regelmatig on the road. Want Eus van Someren is al sinds 1988 gitarist van The Scene, de veel onderscheiden Nederlandstalige rockband van Thé Lau (lijflied: Rauw, Hees en Teder, hits onder meer Iedereen is van de wereld en Helden, dat SIRE vorig jaar gebruikte voor een tv-spotje in de campagne ‘De maatschappij dat ben jij’).

“Er waren tijden dat ik wel tweehonderd optredens per jaar had, maar dat is nu een stuk minder”, vertelt hij. Zijn medebandleden zijn er allang aan gewend dat Van Someren achterin de auto altijd artikelen over neurologie en aanverwante vakliteratuur zit te lezen. Voor hem dé manier om niet te hoeven kiezen tussen zijn twee jongensdromen: op het podium staan en wetenschapper worden.

Van Somerens achtergrond is breed. Voordat hij bij psychologie (specialisatie: psychonomie, in het bijzonder psychofysiologie en neuropsychologie) terechtkwam, studeerde hij een jaar natuurkunde, iets dat hem bijvoorbeeld goed van pas kwam bij de opzet van zijn huidige onderzoek naar het verband tussen temperatuur en slaap.

Alles tegelijk
Hij legt uit: “In de hersenen gebeurt ontzettend veel als het om slaap gaat, en een tijdlang probeerde iedereen aan te tonen dat die of die kern cruciaal voor het initiëren van slaap zou zijn, of dat een bepaald peptide of een andere transmitter het belangrijkste was. Dat is nu over, want het is gebleken dat meerdere kernen meedoen, en dat er een heel netwerk van celgroepen en transmitters aan het werk is. Alles tegelijk dus.”

Twee hersengebiedjes bevatten in elk geval neuronen die speciaal erg belangrijk zijn voor de overgang tussen waken en slapen. Er is de biologische klok, die te vinden is in de zogenoemde Supra Chiasmatische Nucleus, die vlak boven het punt zit waar de twee oogzenuwen elkaar kruisen in de hersenen. De biologische klok reguleert het dag- en nachtritme, en reageert dan ook op licht en donker.

Van Someren: “Die klok lijkt ontregeld bij ouderen, en helemaal bij dementerenden. Dat was al langer duidelijk uit hersenmateriaal dat door Swaab is bestudeerd. Zijn idee is ook het bekende use it or lose it. Vandaar ontstond de gedachte dat je met behulp van licht de klok zou kunnen stimuleren. Om te voorkomen dat hij slechter gaat werken, of zelfs om te zorgen dat de werking zou verbeteren. Die hypothese ben ik op kleine schaal gaan toetsen in een verpleegtehuis. Ik heb gekeken bij dertig mensen. En het bleek dat wie het minste licht kreeg de grootste slaapstoornissen had. Extra licht verbeterde het slaappatroon.”

Vooruit denken
Dat onderzoek gaat nu in een wel representatieve versie nogmaals gedaan worden, waarbij er ook wordt gekeken naar de effecten op de langere termijn: blijft het werken? Is het klinisch relevant? Als de ritmes beter worden, functioneren mensen dan ook beter overdag? Van Someren is vooral geïnteresseerd in cognitieve functies die te maken hebben met de prefrontaalkwab in het voorste deel van de hersenschors. “Die heb je nodig om je aandacht ergens op te vestigen”, zegt hij, “maar ook voor complexere taken, zoals een aantal stappen vooruit denken.”

Naarmate je ouder wordt, word je slechter in die dingen, maar de verschijnselen kennen jonge mensen ook: als je ze langdurig wakkerhoudt, krijgen ze concentratiestoornissen, moeite met woorden vinden en zo meer. Dat intrigeert Van Someren. Wat is het precieze verband met slaap, als je bedenkt dat ouderen minder en minder goed slapen dan jongeren? En dementen helemaal hun dag- en nachtritme verliezen? Het staat bovendien vast dat slaap een rol speelt bij het vastleggen van geheugensporen. Wie in bepaalde slaapfases gestoord wordt, kan slechter onthouden wat hij geleerd heeft. Ook de volgorde van slaapfases blijkt van belang. Bij mensen met een depressie blijkt die vaak verstoord: van een ondiepe slaap gaan ze rechtstreeks naar de REM-slaap, die zijn naam dankt aan de snelle oogbewegingen (Rapid Eye Movements) die we dan allemaal maken.

Vuurfrequentie
Slaap raakt dus aan van alles. Ook aan iemands temperatuur. Van Someren: “Het zijn evolutionair oude dingen. Dat slaap-waakritmes afhangen van licht en donker is begrijpelijk, maar er is ook een warm-koudcyclus.” In een stukje hersenen in de buurt van de hypothalamus, dat in jargon wordt afgekort tot POAH, verandert de vuurfrequentie van de neuronen bij veranderingen in temperatuur. Het is het ‘temperatuur-regelcentrum’, en ook dat gebiedje is van cruciaal belang voor de slaap.

“Net als licht en donker kun je ook de temperatuur vrij eenvoudig van buitenaf manipuleren”, zegt Van Someren. En dat is wat er momenteel in het slaaplaboratorium gebeurt. Proefpersonen krijgen een soort ruimtepak aan, vol meetapparatuur en buisjes met vloeistof die warmer en kouder gemaakt kan worden. Het is een lief kamertje waar de nachten doorgebracht worden, maar is daar slapen met zo’n raar pak aan niet erg moeilijk? Van Someren: “Dat blijkt erg mee te vallen”, en lachend: “We hebben zelfs regelmatig dat mensen hun excuses aanbieden de volgende dag en zeggen: thuis slaap ik nooit zo goed.” Ouderen vinden die mee willen doen aan het onderzoek is overigens heel makkelijk, alleen het vinden van jonge, gezonde proefpersonen blijkt een punt.

Toch moeten de resultaten van die verschillende groepen natuurlijk tegenover elkaar gezet worden. Maar nu is al duidelijk dat het met die temperatuur anders zit dan gedacht. “Iedereen ging er altijd van uit dat de kerntemperatuur, dus hoe warm of koud iemand van binnen is, het belangrijkste was”, legt Van Someren uit. “Het blijkt dat huidtemperatuur een minstens zo grote rol speelt.” Dat temperatuurswisselingen en slaap samenhangen was al eeuwen bekend, en is ook niet zo verrassend: wie erg moe is, krijgt het koud, warmte maakt slaperig. Ook dat handen en voeten optreden als ‘radiatoren’ voor de warmtehuishouding klinkt meteen aannemelijk.

Avondmensen
Maar echt onderzocht is het allemaal niet, het is tot nu toe bij correlaties gebleven. Het slaaplab bij het Herseninstituut is de enige plek ter wereld waar iemands temperatuur tijdens het slapen zo subtiel en precies beïnvloed kan worden. “Toen ik in de thermofysiologie dook, zag ik dat de blik tot dusver erg beperkt was geweest”, zegt Van Someren. “Er is ook een samenhang met de vraag of de radiatoren open of dicht zijn bijvoorbeeld, en met de timing van de biologische klok. Wanneer de temperatuur in je lichaam begint te stijgen als je slaapt, dan begin je langzaam wakker te worden. Jonge mensen kunnen dan nog maar twee, maximaal drie uur doorslapen, maar oude mensen worden na anderhalf uur onherroepelijk wakker.”

“Er zit daarin ook een verschil tussen ochtend- en avondmensen. Avondmensen gaan niet alleen later slapen, maar de hoeveelheid slaap die verschoven wordt, is extremer dan je zou verwachten. Het is niet simpel een kwestie van ‘opschuiven’, het onderlinge verband tussen het temperatuurritme en het slaapritme verschilt tussen ochtend- en avondtypes. Je hebt trouwens ook ziektes waarbij mensen ofwel nooit voor vieren hun bed in komen, ofwel om zeven uur ’s avonds hun ogen al absoluut niet meer open kunnen houden. Dat lijkt erfelijk te zijn, want je hebt hele families die ofwel aan het een ofwel aan het ander lijden.”

‘Tremorhorloge’
Bij het onderzoek gaat Van Someren ook Parkinson-patiënten betrekken. Een aantal jaren geleden ontmoette hij er veel, toen hij werkte aan een soort ‘horloge’ dat de ernst, de frequentie en de duur registreert van de tremor (het beven) die bij het ziektebeeld hoort. “Dat apparaatje helpt bij de diagnose en om de medicatie beter af te stellen”, zegt hij. “Patiënten komen maar eens in de zoveel tijd bij de dokter, en zijn dan nerveus of juist niet, of hebben een goede of slechte dag. Maar als je gegevens hebt over een hele periode kan de arts bijvoorbeeld zien: oh, ’s ochtends moet bij u de dosering omhoog, of het kan wel een tabletje minder.”

Dat tremorhorloge is nog niet echt in productie, al zijn de mogelijkheden het zover te krijgen nog niet uitgeput. Maar Van Someren leerde nog iets anders: “Parkinson-patiënten vinden zelf het feit dat ze ’s nachts slecht slapen en dus overdag vaak slaperig zijn een van de ergste drie gevolgen van hun ziekte. Dat is een beetje een vergeten hoekje. Andere klachten springen meer in het oog. Maar als we iets aan die slaap zouden kunnen bijdragen zou dat heel mooi zijn.”

Dat geldt ook heel sterk voor dementerenden. Als die ’s nachts gaan dwalen verhoogt dat de kans dat ze binnen een jaar in een verpleeghuis of anderszins worden opgenomen met een factor tien. Dat komt deels doordat juist dat aspect van de ziekte zo zwaar is voor hun partners en familie: die komen zelf niet meer aan slaap toe, en dat is naast de toch al lastige taak overdag dikwijls het breekpunt.

Nut
Over het maatschappelijk nut van het interdisciplinaire onderzoek, waarbij onder anderen neuro-anatomen, neurologen, psychiaters, farmacologen en mathematici uit een handvol verschillende landen betrokken zijn, hoeft Van Someren geen twijfels te hebben. En ook buiten de al bestaande samenwerkingsverbanden gebeurt er van alles dat zijn belangstelling heeft. “Ik was net in Uruguay op een heel groot slaaponderzoekerscongres”, vertelt hij op de valreep, “en daar hoorde ik een heel inspirerend verhaal over de moleculaire biologie bij slaap. Van de achterliggende biologie van de processen is nog niet veel bekend. Maar ik vind het zelf altijd allemaal pas interessant worden als er ook een hypothese is.”

Hij verwacht verder dat er binnen afzienbare tijd misschien wat clous voor de functie van slaap zullen komen uit genetisch onderzoek, en hoopt dat de technieken voor beeldvorming zo zullen verbeteren dat bijvoorbeeld reacties in de biologische klok meteen zichtbaar gemaakt kunnen worden. “Dat ding is ongeveer een millimeter groot”, verklaart hij, “en veranderingen zie je nu alleen in grove structuren.” Het komt er vast nog van, maar voorlopig moet Van Someren aio’s gaan werven. “Het is even wennen”, zegt hij met een half weemoedig lachje, “eerst was het er een, dalijk vier. Het wordt een leven van veel meer geregel en gemanege.”

In de toren van Babel zijn vele kamers

Het merendeel van de wereldbevolking kent waarschijnlijk meer dan één taal. Maar hoe leer je je kinderen twee moedertalen? En helpt tweetaligheid tegen alzheimer? Een dik overzichtsboek en een symposium bieden antwoorden op deze en vele andere vragen. 

‘Mijn dochter van acht begint nu steeds vaker in het Duits te antwoorden.’ Niels Schiller vertelt het met een mengeling van vaderlijke trots en enthousiasme voor zijn vakgebied. De hoogleraar psycho- en neurolinguïstiek is even met allebei zijn dochters – de jongste is bijna vier – in zijn geboorteland Duitsland. Maar ook in Nederland, waar hij in 1994 naartoe kwam, praat Schiller altijd Duits tegen ze. Daar is hij heel consequent in. ‘Willen ze dat ik een boekje voorlees? Prima, maar wel een Duits boekje. En als we samen een dvd kijken, is het altijd een Duitse dvd,’ zegt hij aan de telefoon. In heel goed Nederlands, dat desalniettemin in elke zin verraadt wat zijn moedertaal is.

Voor zijn dochters zal het anders zijn. Die hebben straks als het goed gaat twee moedertalen: het Nederlands van hun moeder en van het land waar ze wonen, en het Duits van hun vader. Allebei accentloos en vloeiend. Twee Talen, één BeTalen heet het symposium over tweetalig opgroeien dat komende vrijdag bij het Leiden Institute for Brain and Cognition gehouden wordt, en dat Niels Schiller organiseert. Ook ouders zijn er welkom.

Juist die hebben nogal eens twijfels of het nou wel goed is voor zo’n kind. Is het niet veel te lastig, en zitten die talen elkaar niet verschrikkelijk in de weg?  Politici en anderen die zich met de inrichting van het onderwijs bezighouden, denken dat laatste juist vaak zeker te weten. ‘Soms zie je een kleine vertraging in de taalontwikkeling, of lijken kinderen een tijdje in de war te zijn, maar heus, dat komt goed,’ zegt Schiller. ‘Zolang je maar zorgt voor genoeg kwaliteit en kwantiteit, en consequent bent in je taalaanbod. Daarom praat ik altijd Duits, en ga ik regelmatig alleen met de kinderen naar Duitsland. Want ze weten natuurlijk dat ik ook Nederlands versta, dus de druk om Duits te praten is niet zo hoog.’

Vast staat dat kinderen met gemak twee of zelfs nog meer talen kunnen leren. Zonder het stampen waartoe volwassenen veroordeeld zijn. Hoe dat precies komt, en wanneer hun vermogen om talen als een spons op te nemen verdwijnt, is onderwerp van flink wat debat. Dat er speciale eigenschappen van kinderhersenen bij komen kijken, denkt iedereen. Sommige onderzoeken leggen bij vijf jaar al een grens, andere komen uit op een jaar of zeventien. Bepaalde onderdelen van een taal (de klanken, subtiele grammaticale zaken) lijken gevoeliger voor leeftijd dan andere (woorden leren) voor het bereiken van een native speaker-niveau. Het is waarschijnlijk een luik dat langzaam dicht gaat, maar wel altijd op een kier blijft, want een nieuwe taal leren kun je je leven lang. En hoe meer je er al kent, des te makkelijker gaat de volgende.

Kan er dan niets kwaad? Jawel. Ook uit alle onderzoek dat hoogleraar experimentele psycholinguïstiek Annette de Groot onlangs in een rijk en breed overzichtsboek beschreven heeft, rijst deze stelregel: beter één taal goed leren dan twee maar half. ‘Je taalontwikkeling ondersteunt je denkontwikkeling’, zegt De Groot. Mis gaat het als kinderen zich onder sociale druk gedwongen voelen een overstap te maken van de taal die thuis gesproken wordt naar de taal van de rest van de omgeving.

Perfect tweetalig worden kan gelukkig een hele tijd. In de praktijk betekent dat bijvoorbeeld, dat gebrekkig Nederlands tegen je kind praten een slecht idee is. Ook ‘voorschoolse’ taallessen zijn niet nodig, wanneer een kind vanaf zijn vierde genoeg Nederlands hoort en voorgelezen krijgt en dergelijke. Een Nederlandstalige school en Nederlandstalige vriendjes zijn daarvoor voldoende. Ouders kunnen beter hun eigen moedertaal gebruiken. Dat is ook voor henzelf aangenamer.

 

DE HUIS STAAT NIET IN HEERLEN

Voor buitenlanders die Nederlands willen of moeten leren is het een crime. Ook prinses Máxima zei het al: een van de moeilijkste dingen van het Nederlands zijn de lidwoorden. Wie er even op let, ziet al gauw het probleem. Want hoezo hebben we ‘het huis’ naast ‘de woning’? Waarom zeggen we ‘het paard’ maar ‘de koe’?

Daar komt bij dat welke van de twee het is, gevolgen heeft voor allerlei woorden in de buurt, zelfs als er geen ‘de’ of ‘het’ te bekennen valt: in goed Nederlands praat je bijvoorbeeld over ‘een mooi huis’ en ‘een mooi paard’, tegenover ‘een mooiE woning’ en ‘een mooiE koe’. Terwijl het wel weer ‘het mooiE huis’ en ‘het mooiE paard’ is.

Verwarrend? Het is nog erger: bij ‘het’ hoort ‘dit’ en ‘dat’, maar ‘de’ gaat samen met ‘deze’ en ‘die’: dat/dit huis, dat zicht biedt op deze/die koe, die altijd keihard loeit. En om het helemaal duizelingwekkend te maken, worden alle de-woorden (driekwart van het geheel) ineens het-woorden zodra je ze verkleint: ‘het koetje staat naast een leuk woninkje.’ Ga er maar aanstaan.

Over het leren van ‘de’ en ‘het’ terwijl je tegelijk met een andere taal opgroeit, gaan twee lezingen bij het symposium. Hoogleraar Franse taalkunde Aafke Hulk komt onder meer met cijfers over Marokkaans- en Turks-Nederlandse kinderen. Als die tien zijn, gaat het bij ongeveer de helft van de het-woorden nog verkeerd. Anders dan volwassenen maken ze maar een kant uit fouten: het-woorden worden de-woorden. ‘De leuke meisje’ is bijna exemplarisch voor wat ‘allochtonen-Nederlands’genoemd wordt. Ten onrechte, kinderen van bijvoorbeeld ex-pats doen exact hetzelfde.

Maar Hulk keek ook naar kinderen die alleen Nederlands leren: ‘Die maken dezelfde fouten. En dat duurt zeker tot ze zeven zijn, terwijl Franse kindjes al met drie, vier jaar le en la en un en une goed doen.’ Of het na hun tiende met de tweetaligen alsnog goedkomt, is niet bekend. Het zou best kunnen van wel. Een kleine aanwijzing komt van een Marokkaans-Nederlandse jongere in Rotterdam die tegen een onderzoeker zei: ‘Natuurlijk weet ik best dat ‘t ‘het huis’ is, maar je dacht toch niet dat ik dat hier op straat kon zeggen?’ Groepstaal (met de bijbehorende groepsdruk) kan de feitelijke taalkennis van jongeren flink vertekenen.

Turks en Marokkaans hebben overigens geen of een heel ander lidwoordensysteem. Daar valt dus niet tweetaligs aan te vergelijken. Maar Leonie Cornips van het Meertens Instituut vond iets verrassends in haar geboorteplaats Heerlen. Het Heerlens dialect werkt in dit opzicht net als het Duits (der, die, das, en bijpassende verbuigingen), en dat lijkt het Nederlands leren positief  te beïnvloeden. Want Heerlense kinderen van vier à vijf die alleen maar Nederlands leren, doen niet meer dan tien procent van de het-woorden goed. Nederlands-Heerlens opgroeiende kinderen zitten op dat moment al op dertig procent.

 

SLEUTEL IS HARD ÉN LIEF 

Alzheimer blijft langer weg bij mensen die meer dan een taal gebruiken. Op ingewikkelde reactietestjes waarin ze conflicterende informatie moeten negeren of onderdrukken, scoren meertaligen duidelijk beter. Hun werkgeheugen blijkt in het algemeen meer aan te kunnen dan dat van eentaligen. En ook de controle over andere zaken die de hersenen moeten uitvoeren, is scherper. Het continu moeten onderdrukken van de talen die je op dat moment niet spreekt – want dat is hoe het lijkt te gaan in meertalige hoofden – levert kennelijk serieuze voordelen op.  

Hoe ziet dat er van binnen uit? Daar valt nog lang niet alles over te zeggen. Heel wat delen van de hersenen doen mee. Wel lijken zich wanneer iemand er een taal bij aan het leren is,  in eerste instantie aparte gebiedjes per taal te ontwikkelen in het gebied van Broca, dat cruciaal is voor taal. Maar dat effect is niet meer terug te vinden bij een ongeveer even goede beheersing van de talen in kwestie. En bij wie tweetalig opgroeit, zitten die talen vanaf het begin dwars door elkaar heen. Dat we ze desalniettemin meestal haarscherp uit elkaar kunnen houden, is een staaltje hersenkrachtpatserij.

En er is nog meer. Wat Annette de Groot tijdens haar lange tocht door onderzoeksresultaten ontdekte en  heel intrigerend vindt, is de net iets verschoven blik op de wereld die verschillende talen kunnen bieden. Op soms heel onverwachte manieren. ‘Voorwerpen die helemaal niets met gender, geslacht, te maken hebben, zoals een sleutel, roepen toch meer mannelijke of meer vrouwelijke associaties op, puur afhankelijk van de vraag of de namen van die voorwerpen toevallig mannelijk of vrouwelijk zijn’, vertelt ze. Zo denken Duitsers bij ‘Schlüssel’ (‘der’, mannelijk) aan ‘metaal’, ‘hard’, ‘gekarteld’, maar Spanjaarden bij ‘clave’ (‘la’, vrouwelijk) aan ‘klein’, ‘blinkend’, ‘lief’. Maar hoe zit het dan als je allebei die talen kent? De Groot: ‘Er zijn wel aanwijzingen dat de inhoud van concepten bij tweetaligen naar elkaar toe kan groeien. Maar er zijn ook mensen die tussen twee verschillende denkwerelden lijken te switchen, afhankelijk van de taal die ze op dat moment gebruiken. Wat ik mooi vind, is dat je niet vast zit aan één eenmaal verkregen wereldbeeld.’

Voor het (afgezien van titel overigens Engelstalige!) symposium Twee Talen, één BeTalen op vrijdag 20 mei zie www.libc-presents.nl

Het boek van Annette de Groot, gericht op studenten en collega’s, heet Language And Cognition In Bilinguals And Multilinguals, an introduction. 528 pag., Psychology Press, € 52,99. 

Voor de antwoorden van taalkundigen op 217 praktische vragen over meertalig opvoeden van ouders, zie de vraagbaken op www.ouders.nl

Nootje: clave blijkt niet het gewone woord voor sleutel, het ding, in het Spaans. Mijn schuld. Doordat het zo op het Italiaanse chiave lijkt meende ik het goede woord meteen gevonden te hebben. Dank aan degenen die me er op wezen.

 

MAM, IK LUISTER NAAR GRIEKSE SONGS. DAT MAG’

Een strijdpunt in veel pubergezinnen. Voor alle ouders die niet willen geloven dat hun kind met een IPod op, of YouTube op de achtergrond, erg opschiet met die Franse woordjes, en voor alle scholieren die zeggen dat het juist beter gaat dan: het is onderzocht. En het zit als volgt. Studeren op een vreemde taal gaat inderdaad beter met muziek aan. Zolang die althans instrumentaal is. Wordt er gezongen in een onbekende taal, dan maakt wel of geen achtergrondmuziek niets uit. Maar kun je de woorden wel verstaan dan leidt dat, of je wil of niet, af en gaat het leren juist slechter. 

 

EENTALIGHEID IS MYTHE

Naar alle waarschijnlijkheid kent het merendeel van de wereldbevolking meer dan een taal, helemaal als je ‘passief’ kennen (zelf alleen een streektaal spreken bijvoorbeeld, maar wel een officiële landstaal begrijpen) meerekent. Dat geldt ook al heel lang voor Nederland. Dat wij geneigd zijn ons land vooral als eentalig te beschouwen, komt volgens sociolinguïste Leonie Cornips door de negentiende-eeuwse nadruk op natievorming, waarbij een land liefst samen moest gaan met een volk, en vooral: één taal. Maar er waren ook toen talloze dialecten, er was het Fries, en de elite die Frans sprak. Nu helpt elke buschauffeur alle toeristen in meer of minder steenkolen-Engels, en hebben onderwijs en radio en tv het Standaardnederlands inderdaad  de standaard gemaakt.

 

FRANS SPREKEN? DRINK!

Om je enigszins te kunnen redden in een taal, moet je naar verluidt minimaal 3000 veelgebruikte woorden kennen. Wil je een tekst goed snappen, dan is het genoeg als je 95 procent van de woorden kunt thuisbrengen. En zonder basiskennis van de grammatica lukt dat natuurlijk niet.

Maar dat maakt de vraag ‘hoeveel talen spreek je?’ nog altijd niet simpel te beantwoorden. Dat mondje schoolduits, of dat camping-Spaans, telt dat ook  mee? Op vakantie wel, maar voor onderzoek naar twee- of nog meertaligheid worden eigenlijk steevast proefpersonen gevraagd, die die talen in het dagelijks leven ook echt naast elkaar gebruiken. Dus of de voordelen van meertaligheid ook gelden voor emigranten die hun eerste taal allang niet meer gebruiken, of voor mensen die ooit vlot Frans of Duits spraken,  is niet duidelijk.

Wel lijkt het erop dat je een roestig geworden taal altijd weer kunt afborstelen, ook al heb je hem tijdenlang niet gehoord of gesproken. Met een uitzondering: als kinderen abrupt verstoken raken van hun moedertaal-tot-dan-toe, bijvoorbeeld omdat ze geadopteerd worden door mensen in een ander  land, dan wint de nieuwe moedertaal het, en lijkt de oude voorgoed vergeten te worden. 

Ook vastgesteld: een paar glazen alcohol doen wonderen voor je spreekvaardigheid in een vreemde taal. Je denkt niet alleen dat die vooruit gaat, het is ook zo.

“Als mensen zeiden: je houdt je dus met leren en geheugen bezig, dan dacht ik: verrek ja”

Het kan nog steeds: uitzoeken of de stof met de codenaam Org-2766 echt werkt. Org-2766 is een soort broertje van het middel dat zo’n 25 jaar geleden bekend werd als ‘de leerpil’.

Er is inmiddels eerder meer dan minder reden om het spul eens opnieuw te testen: het aantal mensen dat ervan zou kunnen profiteren, groeit vanwege de vergrijzing met de dag. En volgens emeritus hoogleraar farmacologie David de Wied, die Org-2766 aan het begin van de jaren zeventig samen met Organon-chemicus dr. H.M. Greven ontwikkelde, gaat het om een betrekkelijk eenvoudig uitvoerbaar onderzoek.

Dit zou er moeten gebeuren: “Benader alle huisartsen,” zegt hij,  “en laat die de pil voorschrijven aan iedereen van pakweg boven de vijftig die komt met klachten in trant van ‘dokter, ik vergeet de laatste tijd zoveel’. De helft krijgt de echte stof, de andere helft een neppil, en de huisartsen mogen niet weten welk van de twee ze voorschrijven.”

“Blijf dat een of twee jaar doen, en laat patiënten ondertussen vier keer per jaar terugkomen voor een algemeen lichamelijk onderzoek, en het beantwoorden van een vrij simpel vragenlijstje. Dingen als ‘wat heb je verleden week maandag gedaan?’. Kijk dan wat de resultaten zijn.”

De Wied (1925) krijgt dit jaar de dr. A.H. Heinekenprijs voor de Geneeskunde, maar hij weet nog steeds niet of zijn onderzoek ooit een geneesmiddel zal opleveren. Om daarachter te komen met behulp van grote, ook op andere plaatsen in de wereld uitgevoerde clinical trials kost geld, veel meer dan het kwart miljoen van de prijs.

Dat de firma Organon dat er niet in wilde steken, is een grote teleurstelling voor De Wied. Hij komt daar niet van harte, maar toch eerlijk voor uit, al zegt hij onmiddellijk Organon niets kwalijk te nemen. “Ze waren van mening dat ze er al veel geld in hadden gestopt, en vonden het genoeg. Je kunt daar bezwaar tegen hebben, en dat heb ik ook, zeker als je weet dat het tegenwoordig op zijn minst 500 miljoen dollar kost om een nieuw middel op de markt te brengen. Maar het is niet jouw geld,” zegt hij. “Ik troost me met het feit dat we belangrijke bijdragen hebben geleverd aan het hersenonderzoek in de wereld.”

De verhouding met het bedrijf is in elk geval altijd goed gebleven: De Wied is er tot op de dag van vandaag adviseur.

Oude ratten

En toch is het jammer. “We zien het bij oude ratten zo duidelijk,” zegt De Wied met een mengeling van spijt en enthousiasme in zijn stem, “als ze deze stof een half jaar hebben gehad, is hun leergedrag en ook hun sociale gedrag beter dan bij dieren die de stof niet hebben gehad. De interactie, hun sociale gedrag lijkt meer op dat van jongere ratten. Oude ratten zoeken bijvoorbeeld veel minder contact.”

Dat was ook het opvallendste aan het onderzoek dat Organon wél uitvoerde. De Wied: “Dat Org-2766 is wel op een behoorlijke manier uitgetest bij dementie. Daar had ik bezwaar tegen, omdat zo’n dement brein er waarschijnlijk niet meer echt gevoelig voor is. Veel cellen functioneren dan niet meer.”

“Als het om de hersens gaat, kun je alleen maar proberen zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheden die er nog in zitten. Want na de embryonale fase kun je geen nieuwe zenuwcellen meer maken. Vandaar dat adagium: use it or lose it, als je het niet gebruikt, raak je het kwijt. Ook uit veel andere experimenten is in de loop der jaren gebleken dat Org-2766 de regeneratie van beschadigd zenuwweefsel kan bevorderen. Daarom lijkt het me verstandiger het onderzoek bij die vijftig-plussers met beginnende geheugenproblemen uit te voeren.”

“Overigens had het middel toch bij zo’n 25 procent van de onderzochte demente bejaarden effect. Als er iets te zien was, waren dat niet vaak leer- of geheugeneffecten – dat hebben we nooit beweerd – maar effecten op hun sociale gedrag en hun stemming. Ze werden socialer, gedroegen zich beter  en voelden zich beter.”

Zenuwprikkels

Om wat voor miraculeus goedje gaat het dan? Wel, De Wieds naam, en, zo zegt hij zelf,  die van het hele Rudolf Magnus Instituut voor Farmacologie in Utrecht (waar hij van 1963 tot aan zijn pensionering in 1990 directeur was) zal altijd verbonden blijven aan het begrip neuropeptide, een type boodschapperstof dat in de hersens wordt gemaakt, en waarvan het grote belang in Utrecht ontdekt werd.

Org-2766 is zo’n neuropeptide. Nu draaien hersenen – en wij dus ook – in feite helemaal op chemie en elektriciteit. De vele miljarden zenuwcellen, of neuronen,  staan via hun uitlopers met elkaar in contact. Hormonen, neurotransmitters en neuropeptiden zijn de (chemische) stoffen die bepalen of, hoe en waar (elektrische) zenuwprikkels tussen de neuronen worden doorgegeven. En dat bepaalt weer hoe een organisme – zeg een rat of een mens – reageert, zich gedraagt, zich voelt.

Het is een ingenieus samenspel van (ketens van) reacties. Neuronen kunnen wel of niet vuren, maar ook harder of zachter. Je hebt zenuwbanen waarlangs reacties lopen, ‘circuits’ die bij een bepaalde functie zijn betrokken. En er kunnen nieuwe verbindingen tussen neuronen ontstaan.

De kennis over al dit soort dingen, over wat wat in gang zet en waarom en wanneer, is nog steeds beperkt, maar wel veel groter dan toen De Wied zijn carrière begon.

De term neuropeptide gebruikte hij in 1971 voor het eerst. Kan hij uitleggen wat het is, en wat het verschil is met hormonen en neurotransmitters?

De Wied: “Overal in het lichaam werken hormonen. Bekende zijn de stresshormonen, zoals corticosteroïden, en de geslachtshormonen. De endocriene organen (de bijnierschors bijvoorbeeld, en de geslachtsorganen) vormen die hormonen, maar ze worden tot  hun produktie aangezet door hormonen die gemaakt worden in de hypofyse, het zogeheten hersenaanhangsel. Die hypofysehormonen zijn peptiden.”

“Vroeger leerden wij het altijd zo: hormonen worden in de endocriene organen gevormd, vervolgens worden ze afgegeven aan het bloed, en dus doen ze hun werk ergens anders. Maar inmiddels weten we dat heel veel cellen peptide hormonen maken, en dat ze ook op korte afstand en ter plekke kunnen werken, zelfs heel dichtbij: op het neuron waaraan ze als het ware worden afgeleverd.”

Depressies

“Neurotransmitters zorgen voor de overdracht van de elektrische prikkel van het ene neuron naar het volgende. Het zijn stoffen die gemaakt worden in de zenuwcel. Ze zijn verwant aan aminozuren en worden afgegeven aan de uiteinden van de cel, de synapsen. Daar zitten ze ook allemaal in pakketjes, die via de zogeheten synaptische spleet de ‘sprong’ naar de volgende cel maken.”

“Je hebt verschillende categorieën van die directe prikkeloverdragers. Je hebt er bijvoorbeeld die heel snel een stimulerende of een remmende invloed kunnen uitoefenen. Andere werken wat langzamer. Hele bekende zijn noradrenaline, dopamine en natuurlijk serotonine, dat erg in is omdat men tegenwoordig aanneemt dat het een belangrijke rol speelt bij depressies.”

“Zulke opvattingen zijn nogal onderhevig aan de mode, het is een beetje de waan van de dag. Telkens wordt er gedaan of één neurotransmitter alles doet, maar er zijn er altijd een heleboel tegelijk aan het werk.”

“De neuropeptiden zitten ook in het neuron, en worden ook daar gemaakt. Ze kunnen wel als neurotransmitter werken, maar gewoonlijk ‘moduleren’ ze de prikkeloverdracht alleen. Je zou kunnen zeggen dat ze assisteren bij die overdracht. Ze zitten meestal samen met neurotransmitters in pakketjes. Die pakketjes liggen wat verder van de synaptische spleet, en ze worden alleen afgegeven bij extra inspanning van het brein. Neuropeptiden blijven langer werkzaam dan neurotransmitters.”

“Dat is van belang voor allerlei gedrag dat enige tijd neemt: denk maar aan het zoeken naar water en voer bij honger en dorst, of aan het verdedigen van het territorium, of aan paren. Gedrag dat op een bepaald moment de voorrang moeten krijgen. Neuropeptiden beïnvloeden de gevoeligheid van het neuron voor een neurotransmitter, door die gevoeligheid groter of juist kleiner te maken.”

Morfine-achtig

“Er zijn nu een stuk of vijftig genen bekend die coderen voor verschillende peptiden. Elk neuron dat peptiden vormt, brengt er daar een of twee van tot expressie. Daardoor wordt er een groot eiwit – we noemen dat een voorloper-eiwit – aangemaakt, dat op zich biologisch inactief is. Maar er zit wel allerlei biologische activiteit in verpakt.”

“Neem bijvoorbeeld ACTH, dat is het hormoon dat de bijnierschors aanzet tot de produktie van corticosteroïden. Wij hebben ontdekt dat die verbinding ook van invloed is op het leerproces, en er zitten daarnaast bèta-endorfine in – morfine-achtige stoffen – en verschillende hormonen die invloed hebben op de pigmentstofwisseling. Soms verschillen de voorloper-eiwitten die door hetzelfde gen tot expressie gebracht worden. Dat is afhankelijk van de cel waarin ze worden aangemaakt, maar zeker niet altijd. Voor het voorloper-eiwit van dat ACTH bijvoorbeeld, maakt het niet uit of het in de hypofyse of in een zenuwcel wordt gemaakt. De verdere verwerking is wél altijd afhankelijk van de cel waarin dat gebeurt.”

“Want het hangt vervolgens van de enzymen af wat er uit een voorloper-eiwit ontstaat. Enzymen splitsen eiwitten – daarom vind je ze in wasmiddelen.”

“En wat eruit komt, heeft ook te maken met waar dat eiwitsplitsende proces plaatsvindt, en het milieu waarin dat gebeurt.  De discussie loopt nog steeds over de vraag of de hormonen die in het lichaam allerlei processen beïnvloeden, dezelfde stoffen zijn die in de hersenen als neuropeptiden werkzaam zijn. Daar zijn wel aanwijzingen voor, maar het is ook zo dat neuropeptiden nog verder verwerkt, verder ‘omgezet’ worden Dat wil zeggen: ze worden enzymatisch gesplitst in verbindingen die óf dezelfde invloed hebben op het neuron als het hormoon waaruit ze afkomstig zijn, óf een meer gespecialiseerde. Maar dat is nog niet afdoende bewezen.” 

Toverwoorden

De Wied is nog maar net terug uit Amerika ten tijde van het gesprek, dat we op zijn werkkamer in zijn huis in Bilthoven voeren. Hij sprak er op een conferentie over de kansen op het ontwikkelen van stoffen die de cognitie verbeteren.

‘Cognitie’ en ‘cognitieve vaardigheden’ zijn nu al meer dan een decennium de grote toverwoorden voor zo’n beetje alles wat zich in onze hersenschors afspeelt, waaronder het  leervermogen. Met zijn onderzoek was hij zijn tijd vooruit, maar hij zelf dacht in eerste instantie ook niet in dat soort termen. “Daar was ik ook niet op uit,” benadrukt hij. “Ik had het altijd over de acquisitie en de extinctie van geconditioneerd gedrag, dus het verwerven en weer uitblussen ervan. Voor mij ging het om de hormonale beïnvloeding van het brein, en dat gedrag was niet meer dan een test om de activiteit van dat brein te meten.”

“Als mensen dan wel eens zeiden: je houdt je dus met leren en geheugen bezig, dan dacht ik: verrek ja. Maar de studie van leren en geheugen was niet mijn primaire doelstelling.”

“Ik kwam er alleen op den duur niet onderuit. Toen ik een keer een aantal gastcolleges zou geven aan het London University College zei mijn gastheer: ‘nou moet je echt eens ophouden met dat acquisitie en extinctie, zeg nou maar gewoon leren en geheugen. Je zal zien, dan zit de zaal vol.’ Dat was ook zo.”

“Maar ik vond het beladen woorden. Ik had ook niet de kennis om goed over die processen na te denken. Dat deden de psychologen toen ook niet. Het was de tijd van het behaviourisme: je stopte er iets in, en dan kwam er iets uit, maar wat er van binnen in de tussentijd gebeurde daar hielden maar weinig mensen zich mee bezig.”

“Wij waren nou juist dáárin geïnteresseerd. We wisten heel goed dat die neuropeptiden invloed hadden op het brein, maar wáár dat dan plaatsvond, en wat er dan precies gebeurde, dát wilden we weten.”

Connecties

Nog steeds is De Wied lichtelijk terughoudend. “Nee, ik kan niet zeggen wat ‘leren’ en ‘geheugen’ zijn,” antwoordt hij desgevraagd, “al weet ik er wat meer van dan vroeger. Maar je reduceert het tot eenvoudige modellen, waarmee onderzoek kan worden gedaan, zoals de ‘lange-termijn potentiatie’, LTP.”

“Dat is een heel mooi model voor geheugen. Het idee is dat geheugen het maken van connecties is tussen de cellen. Als je, in een stukje hersenweefsel, een zenuwcel snel achter elkaar prikkelt, dan zie je wanneer je die cel een volgende keer normaal prikkelt, dat het antwoord van het volgende neuron – dus de cel die ermee verbonden is – groter is geworden.”

“Die respons, dat signaal kun je meten. Verandert de respons dan is er een verandering ontstaan in de samenstelling van de synaps. Synapsen hebben het vermogen te veranderen, ze hebben plasticiteit. De synaps van de cel die je hoogfrequent geprikkeld hebt, reageert daarna gevoeliger, geeft de prikkel gemakkelijker door. Hij heeft ervaring opgedaan.”

“Men neemt aan dat die ‘plastische’ verandering bij leren en geheugen een rol spelen. Er ontstaan contacten die daarvoor slechts zwak of niet aanwezig waren: er is een netwerk ontstaan, een geheugenspoor.”

“Dat is voor ons weer interessant vanwege ons onderzoek met vasopressine, een neuropeptide waarvan we weten dat het een belangrijke rol speelt bij het geheugen.”

“Ratten die door een hormonale afwijking geen vasopressine kunnen maken, hebben last met leren. En het blijkt dat vasopressine ook invloed heeft op die lange-termijn potentiatie: je kunt bij deze dieren wel LTP opwekken, maar het wordt niet vastgehouden, het verdwijnt weer snel. Behandel je zo’n beestje dan met vasopressine, dan zie je dat de LTP normaal wordt. Wij nemen daarom aan dat dit soort peptiden ervoor zorgt dat informatie die eenmaal binnengekomen is, langer blijft ‘rondzingen’, en daardoor meer kans heeft opgeslagen te worden, een geheugenspoor te vormen.”

“Maar daarmee heb ik nog niet veel gezegd over wat het geheugen is. Ik kan alleen opmerken dat het leer- en geheugenproces een complex gebeuren is waaraan het hele organisme meedoet: het autonome zenuwstel – dus hart- en vaatstelsel, ademhaling, maag-darmkanaal, noem maar op. En het sensorische systeem: we kijken, luisteren, voelen, ruiken, proeven. Dat betekent dat grote delen van het brein meedoen aan het vormen van zo’n spoor, en dat er veel factoren betrokken zijn bij wat wij één geheugen noemen. Meer weet ik hier niet van.”

De Wied, onder meer oud-president van de KNAW en in het bezit van toch al gauw een handvol eredoctoraten, heeft al talloze prijzen en andere eerbewijzen ontvangen. Was hij desalniettemin gelukkig te horen dat hij nu ook nog de Heinekenprijs voor Geneeskunde krijgt? “Ja, natuurlijk. Ik vind het een geweldige eer, en heel plezierig,” zegt hij, “niet alleen voor mij, maar voor het hele Rudolf Magnus Instituut.”

Toch is zijn allergrootste voldoening altijd uit twee andere dingen gekomen. De samenwerking met anderen (“Ik heb nu bijna duizend publikaties op mijn naam staan, en daar staan driehonderd verschillende co-auteurs boven. Met een groot aantal daarvan heb ik een relatie opgebouwd die verder gaat dan de buitenkant.”) én de vreugde van iets nieuws ontdekken, de laatste gegevens te kunnen vertellen.

Dat dat nu niet meer kan, vindt hij verschrikkelijk. Niet dat hij zich verveelt – er wordt hem nog genoeg gevraagd – maar het emeritaat noemt hij een straf. “Ik heb nog steeds ideeën,” zegt hij, “maar ik kan er niets meer mee doen, want in mijn vak heb je daar mensen en een lab voor nodig. Daar praten we met collega’s wel over: in Amerika is het veel beter geregeld, misschien dat we de staat hier toch nog een keer gaan aanklagen voor leeftijdsdiscriminatie.”

 

 

Het raadsel van de betekenis

“De muur waar je niet overheen kunt zit bij de vraag wat er in je hoofd gebeurt. Taal is niet een groepje neuronen in je hersenen. Het gaat ondermeer om kennis die op de een of andere manier gerepresenteerd is in je brein. En die daar groeit, wat heel bijzonder, en biologisch gezien interessant is. Die representaties waaien je je aan als je een kind bent. De uiteindelijke decodering daarvan, hoe je die representaties ‘gewaarwordt’, is een mysterie dat niet op te lossen is. Dat is een principieel doodlopende weg.”

Prof.dr. Jan Koster (46), hoogleraar Algemene Taalwetenschap en Taalfiloso­fie aan de universiteit van Groningen, is reso­luut in zijn uitspraken. Maar hij ziet voor de taalkunde voorlopig toch meer weidse vergezichten dan muren opdoemen.

Dat komt doordat de tijd volgens hem rijp is voor samenwerking, zowel tussen de verschillende gebieden van de taalkunde als tussen de taalkunde en andere vakgebieden.

Koster: “Er is inmiddels zoveel theoretische kennis dat niemand er meer omheen kan. Of je nu iets wilt zeggen over taalverwerving, over de gebarentalen van doven, over taalstoornissen zoals afasie, in al die gebieden zie je toepassingen. In kindertaalonderzoek is er momenteel echt een explosie: mensen van allerlei disciplines werken daaraan. Maar er kan nog veel meer.”

“Neem bijvoorbeeld het volgende. Het blijkt dat kinderen een vast patroon doorlopen bij het leren van taal (het maakt niet uit welke taal). En het interessante is dat de stappen’ die ze daarbij zetten soms heel plotseling zijn. Inééns beginnen ze bijvoorbeeld álles na te zeggen wat jij zegt, en ze maken ook alle geluiden na: kreten, boeren, gebrom. Die plotsklapsheid doet denken aan een hormonale stoot. Het kan zijn dat die stappen getriggerd, opgewekt worden door hormonale veranderingen. Daar is niets van bekend, dat zou je dus biomedisch moeten bekijken. Aansluiting zoeken bij de ethologie, de gedragsleer van dieren, zou ook dingen kunnen opleveren. Er zijn karrevrachten interessante onderzoeken te bedenken.”

Dat die desalniettemin nog maar zelden gedaan worden heeft alles te maken met een aantal praktische obstakels. Die zitten ten dele in het vak. Koster: “De ontwikkelingen zijn hard gegaan. En je moet de stof wel kennen, je moet er echt voor gaan zitten, wil je er iets mee kunnen doen. Neem fonologie. Ik ben geen fonoloog, en zelfs als ik me nu een jaar ga inlezen denk ik niet dat ik daarna meteen zinnig onderzoek kan doen.”

“Voor mijn eigen specialisme, de syntaxis, geldt voor relatieve buitenstaanders hetzelfde. Die berg basiskennis is echt een hindernis voor bijvoorbeeld psychologen, terwijl de taalkunde feitelijk een onderdeel is van de cognitieve psychologie. We kunnen een essentiële bijdrage leveren als het gaat om de vraag hoe de hersenen werken.”

“Nog een probleem is onze oorsprong. We komen uit de letterenfaculteit, en dat maakt het doorbreken van facultaire grenzen extra moeilijk. Noch binnen noch buiten letteren worden we goed begrepen. Daar moet wel bij gezegd dat de moderne taalkunde zelf ook schuld treft: we hebben te veel aan gettovorming gedaan. Dat is nu een beetje aan het veranderen, en ook omgekeerd begint bij anderen door te dringen dat er binnen de taalkunde wezenlijke doorbraken hebben plaatsgevonden die zich lenen voor interpretatie in termen van hun wetenschappen.”

Aan de universiteit van Groningen wordt er sinds kort dan ook wel samengewerkt. Binnen het in 1990 van start gegane Centrum voor gedrags-, cognitie,-  en neurowetenschappen, in de wandeling BCN genoemd, werken naast taalkundigen ondermeer neurologen, psychiaters, biologen en biofysici. Uniek voor Europa, zegt Koster.

Hij heeft hoge verwachtingen, bijvoorbeeld van onderzoek dat samen met het Pet-scan Centrum van het Academisch Ziekenhuis in Groningen gedaan wordt.

Koster: “Een pet-scanner is een apparaat waarmee je processen in de hersenen zichtbaar kunt maken. Dat doe je door mensen glucose (druivesuiker) in te spuiten. Die glucose is ‘radioactief gelabeled’, zoals dat heet, en dat zorgt dat je kunt volgen waar het zich in het lichaam bevindt. Je hersenen hebben suiker nodig om te ‘werken’. Een pet-scan laat zien waar in de hersenen op een bepaald moment de grootste activiteit plaatsvindt. Met gerichte tests die gebaseerd zijn op taalkundige inzichten kun je meer te weten komen over de relatie tussen taal en hersenen. Je kunt kijken wat er actief wordt bij taalverwerking bijvoorbeeld.”

“Dat is overigens nog niet zo gemakkelijk, want hoe baken je een taalgebonden taak af van andere taken. Als je tegen iemand zegt: denk aan je moeder, dan zie je ook hersenactiviteit. Maar het is wel duidelijk nu dat ‘taal’ niet op één plek zit. Er zijn grote delen van de hersenen bij betrokken, het is niet strikt gelocaliseerd. Taal zelf bestaat natuurlijk ook uit uiteenlopende dingen. De woorden van een taal zijn iets anders dan de verbindingen tussen de woorden. Je ziet in de hersenen dan ook samenwerking tussen verschillende gebieden.”

Daar ziet Koster ook mogelijkheden voor een theorie over een brandende maar misschien wel principieel onoplosbare vraag: waar komt taal vandaan? De vraag is eigenlijk niet goed geformuleerd vindt Koster: “Taal is niet één ding, maar een heleboel verschillende dingen. Die hebben denk ik ook verschillende oorsprongen. Je kunt een grove indeling in tweeën maken: enerzijds is er ons combinatievermogen, anderzijds ons begripsvermogen.”

“In dat combinatievermogen zie je een paar dingen steeds terugkomen. Een belangrijke verworvenheid van de moderne taalkunde is dat er aannemelijk is gemaakt dat talen onderling niet zo erg verschillen.”

“Ondanks dat je eerste indruk wijst op het tegendeel: het opvallendste aan een taal zijn de woorden, en inderdaad, die verschillen het meest. Daar concentreer je je dus ook op als je een vreemde taal gaat leren. Maar als het gaat om verbanden leggen tussen die woorden, dan is er maar weinig variatie. Er is een beperkt aantal universele bouwprincipes.”

“Dat idee is overigens niet nieuw, maar pas in deze eeuw heeft het concreet gestalte gekregen. Noam Chomsky is begonnen formele technieken uit de logica en de wiskunde toe te passen, en dat heeft voor een grote vooruitgang gezorgd.”

“Vooral de laatste jaren zijn er heel veel nieuwe talen onderzocht en telkens als er een bijkomt zie je universele aspecten. Je wordt nooit teleurgesteld. Alle talen hebben hiërarchisch opgebouwde woordgroepen, zinnen die je kunt weergeven in boomstructuren, overal zie je recursie (patronen die binnen zichzelf herhaald kunnen worden, het Droste-effect) en naamvallen. Allemaal dingen die je niet zomaar kunt zien? Ja en nee, het is kwestie van vertrouwdheid met de inzichten. Het is zeker beroepsdeformatie, maar als ik iemand hoor praten kan ik het tegelijk in boomstructuren voor me zien.”

Van onderzoek naar dat combinatievermogen verwacht Koster nog veel resultaten. Zo zullen een aantal deeltheorieën over de verhoudingen tussen twee verschillende plekken in een structuur waarschijnlijk ooit samengeklapt worden, omdat ze op elkaar lijken. Het kernidee dat daarbij een grote rol speelt is dat van de structuurbehoudendheid:

Zinnen kun je beschouwen als een structuur die uit een aantal vaste posities (hiërarchisch) is opgebouwd. Dat wil niet zeggen dat je bij elke zin daadwerkelijk al die posities gebruikt, maar wanneer je besluit bijvoorbeeld een meewerkend voorwerp of een plaatsbepaling in je zin te stoppen, dan kun je die niet zomaar overal neerzetten. Neem de positie voor het hoofdwerkwoord. In het Nederlands staat dat in een hoofdzin in principe op de tweede plaats. Dat is de basispositie.

Maar je kunt het wel verplaatsen. Van de mededeling Piet eet een appel kun je een ja/nee-vraag maken: Eet Piet een appel? In dat geval is eet verhuisd naar een speciale positie aan het begin van de zin die niet altijd ‘gevuld’ hoeft te zijn.

Ondertussen is de oorspronkelijke positie van het werkwoord wel bewaard gebleven. Kennelijk bevindt zich daar nog een ‘spoor’ van eet, want je kunt er nu geen ander hoofdwerkwoord meer neerzetten: iets als Eet Piet wil een appel? is ongrammaticaal. Iets soortgelijks zie je wanneer je van Piet eet een appel de vraag Wat eet Piet? maakt. Wat is het lijdend voorwerp, en op de vaste positie van het lijdend voorwerp staat weer een ‘spoor’. Je kunt er geen ander lijdend voorwerp meer neerzetten: Wat eet Piet een appel? is onmogelijk.

Structuurbehoudendheid speelt ook nog op andere plaatsen in de grammatica een rol. Men denkt dan ook dat dat de juiste interpretatie van zinnen mogelijk maakt: de basisstructuur is altijd te reconstrueren. Bij de relaties tussen verplaatste zinsdelen en hun ‘sporen’ is de hiërarchie belangrijk: willen we die relatie goed kunnen leggen dan mag er bijvoorbeeld niet te veel afstand bestaan tussen het verplaatste zinsdeel en zijn spoor, en je kunt een zinsdeel ook niet zomaar middenin een ander zinsdeel zetten. Als je een vraag wilt maken van Die aardige mensen eten een appel, dan moet eten om het hele onderwerp die aardige mensen heen. Die eten aardige mensen een appel? of Die aardige eten mensen een appel? is onbegrijpelijk, eten moet naar die allereerste positie. Over de precieze aard en mogelijkheden van die positie is overigens veel discussie gaande.

Maar op het terrein van ons begripsvermogen liggen volgens Koster onoplosbare problemen voor de taalkunde. En dat terwijl ons taalvermogen volgens hem moet zijn voortgekomen uit het bij elkaar komen van die twee systemen: de mogelijkheid structuren te bouwen en de mogelijkheid de wereld onder te verdelen in bijvoorbeeld perceptuele categorieën, hem met andere woorden te ‘begrijpen’. Daartussen is ooit een brug geslagen, denkt hij.

Koster: “De wereld kunnen waarnemen en opdelen in verschillende categorieën vind je natuurlijk ook al bij dieren. Die zien ook het verschil tussen een boom of een ander beest dat ze op hun weg tegenkomen. Daar liggen de wortels. Maar wij zijn dat gaan uitbreiden. Wij kunnen werken met metaforen, beeldspraak dus, en met metonymie: dingen niet rechtstreeks bij hun naam noemen, maar bij iets dat ermee verbonden is. We zeggen neuzen tellen als we mensen tellen bedoelen. Over hoe we die stap ooit gezet hebben kun je natuurlijk alleen speculeren, maar het is opvallend dat de wereld van kinderen in eerste instantie zo concreet is.”

“Ik merk dat aan mijn eigen zoontje van twee. Voor hem bestaan alleen papa, mama, Billy de poes en andere dingen in en om het huis. Door hem realiseer ik me eens te meer hoeveel gewone dingen abstract zijn. Wat ‘geld’ is bijvoorbeeld kun je absoluut niet uitleggen aan een kind. ‘Een middel om andere dingen mee te bereiken’ is net een graadje abstracter dan dingen als beer en pap.”

Verschillende talen delen de wereld in in verschillende categorieën. De vertaling van een woord ‘dekt’ vaak het oorspronkelijke begrip net niet helemaal. Verschillende talen gebruiken ook verschillende metaforen, hebben andere dubbelzinnigheden.

Daar zit volgens Koster een cruciaal probleem voor het automatisch vertalen. De vertaalcomputer hoeven we dus ook nog steeds niet te verwachten. Koster: “De taalkunde heeft in het algemeen veel minder te zeggen over verschillen dan over overeenkomsten. Waarom talen onderling verschillen, of waarom ze niet hetzelfde blijven maar voortdurend veranderen, weten we ook niet precies. Je zou denken: als je zo’n aangeboren universele grammatica hebt, was het dan niet handiger geweest van Onze Lieve Heer om te zorgen dat we allemaal dezelfde, onveranderlijke taal kregen.”

“Maar er is een grote neiging tot differentiatie onder mensen. Men hecht daar erg aan. Taal is een belangrijk middel om een groep te definiëren, als een hondje dat piest en zo zijn territorium afbakent. Iedere generatie probeert zich door nieuwe woorden te onderscheiden. En zo verandert taal. Ik vind bijvoorbeeld dat mijn schoonouders die in 1948 uit Nederland geëmigreerd zijn ouderwets praten: ze zeggen fuif tegen feest, duiten tegen geld en iemand die slim is noemen ze goochem.”

“De taalkunde heeft ook niet veel in te brengen als het gaat om mooi of lelijk. Daar speelt persoonlijke smaak mee. En vaak is het een cultuurkwestie, en ook culturen verschillen. Ik zelf vind het mooi als iemand helder en eenvoudig schrijft, maar ik sprak laatst een Duitser die hier al een tijd woont. Dat Nederlands was wel aardig, vond hij, maar de kranten waren hier zo slecht: al die eenvoudige korte zinnen, dat was zo onintellectueel en infantiliserend. Al die lange lastige Duitse zinnen die wij hier vreselijk vinden zijn dus geen toeval: in de Duitse cultuur vinden ze dat juist mooi.”

“Overeenkomsten kunnen we met behulp van formele technieken uit andere vakken beschrijven, bij de verschillen heb je niet zo’n metataal. Dat is voor de semantiek, de betekenisleer, vaak een onoverkomelijk probleem. Over betekenis zou iedereen dolgraag meer willen weten. Maar de wetenschap is maar op twee terreinen succesvol: bij woorden die niet direct met kennis van de wereld te maken hebben, zoals alle, sommige, en niet, woorden die hoeveelheden aangeven en ontkenningen dus. En bij betekenisverbindingen tussen woorden. Kijk, Jan betekent iets, en lezen betekent iets, maar Jan leest betekent iets anders. Daarover kunnen we wat zeggen, maar dat is natuurlijk maar een heel gering gedeelte van wat ‘the man in the street’ onder betekenis verstaat.”

“Het overgrote deel daarvan lijkt volkomen ontoegankelijk te zijn voor wetenschappelijke studie. Bij huis-tuin-en-keukenwoorden kom je nooit verder dan omschrijvingen: ‘een paard is een dier’, ‘makkelijk is niet moeilijk’. Maar wat die woorden betekenen, wát je zou moeten representeren blijft een raadsel.”

“Dat vind ik jammer, ja. Het gaat om een van de meest wezenlijke elementen van het menselijk bestaan. Alsof je wel weet hoe de voortplanting functioneert, maar er niet achter kunt komen hoe de liefde werkt. En die liefde vind je toch belangrijker.”

Noot: De wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad bestond tien jaar. Reden om dertig onderzoekers uit alle hoeken en gaten van de wetenschap te vragen naar de grenzen van hun vak. Dit interview is een van de verhalen die dat opleverde. Ze kwamen ook terecht in een boek: De mond vol tanden. Dertig vraaggesprekken over wat de wetenschap niet weet. Dat werd nog genomineerd voor de prijs voor het beste populair-wetenschappelijke boek van de laatste twee jaar, de KIJK-Wetenschapsweekprijs (voorloper van de Eurekaprijs). Maar die ging dat jaar naar Gebarentaal, de taal van doven in Nederland, dat ik samen met Tony Bloem, Ruud Janssen en Albert van de Ven maakte. Voelde me dus supergenomineerd ;-).

Fabelachtig, dat geheugen

Nixons medewerker John Dean bleek in 1973 een ideale getuige toen hij voor de Watergate-commissie verscheen. Een man met een fabelachtig geheugen, die precies kon navertellen wat er bij vergaderingen en andere bijeenkomsten gebeurd was. Wie wat had gezegd, en hoe wie daar dan weer op had gereageerd. Complete conversaties kon hij reproduceren. Zijn verhaal was consistent, geloofwaardig.

En toen doken de beruchte tapes op. Nixon bleek in het Witte Huis aldoor een bandrecorder te hebben laten meelopen. Deans weergave van de gebeurtenissen werd naast de opgenomen gesprekken gelegd. Wat kwam daaruit? Dat de werkelijkheid op talloze punten heel anders geweest was dan wat Dean verteld had. Niet alleen had hij zijn eigen bijdragen soms aangedikt, soms geminimaliseerd, hij had ook allerlei bijeenkomsten door elkaar gegooid, bewindslieden dingen laten zeggen die helemaal nooit gezegd waren, personen verwisseld en nog veel meer.

Was Dean dus een uitgekookte leugenaar? Ach, hij zal van sommige dingen best geweten hebben dat hij ze ietsje anders voorstelde, maar bovenal toonden zijn verslagen aan dat hij gewoon een mens was.

Of we willen of niet, we zijn allemaal John Deans. Zelfs degenen onder ons die een extreem goed geheugen hebben, zijn absoluut niet in staat om hun verleden rechttoe-rechtaan, precies-zoals-het-was na te vertellen. Hoeveel raadsels er ook nog zijn over de werking van het geheugen, dat het geen simpele registreermachine is staat vast.

Alle vergelijkingen gaan ook mank: het is geen wastablet waar dingen in ‘gegrift’ worden, geen boek of bibliotheek waar je zaken in kunt opzoeken, geen camera die netjes alles vastlegt, geen harde schijf met een bepaalde opslagruimte. Dat zijn wel de termen waarin we er het liefst over praten. Douwe Draaisma, docent geschiedenis van de psychologie aan de universiteit van Groningen, promoveerde een aantal jaren geleden op de wetenschappelijke blik op het geheugen door de eeuwen heen. Hoe die kijk keurig gelijke tred hield met de ontwikkelingen elders beschreef hij uitvoerig in De Metaforenmachine, de handelseditie van zijn proefschrift.

De techniek schrijdt voort, maar ons geheugen blijft even slecht. We vergeten een hele hoop, en herinneren ons bovendien heel veel fout. De bewijzen daarvoor zijn overweldigend, er is geen geheugenonderzoek dat niet allerlei soorten vertekeningen laat zien. Het geheugen rangschikt, thematiseert, dikt in, verwart, breit losse eindjes aan elkaar die niets met elkaar te maken hebben, laat gigantische gaten vallen en is tegelijkertijd ijzersterk in ons het gevoel geven dat we alles op een rijtje hebben. Rotsvast is ons vertrouwen in de juistheid van wat er in ons hoofd zit. En tegenvoorbeelden helpen niet. Als al eens onomstotelijk komt vast te staan dat iets anders gegaan is dan we ons herinneren zijn we geneigd dat af te doen als een raar incident. Goh, Hans weet zeker dat hij niet op de trouwerij van Grietje was omdat hij dat hele jaar in het buitenland zat? Gek. Je dacht toch echt dat je daar met hem had staan praten. Hij staat ook niet op de foto’s nee, inderdaad. Nou ja, vergissing.

Iedereen heeft stapels dergelijke ervaringen, ziet het bijna dagelijks om zich heen (klassiek echtparengekibbel: “Nee Piet, zo was het niet”, “Jawel Marie, jij wilde toen niet…”), maar er consequenties aan verbinden lukt heel slecht. Dat is niet onbegrijpelijk: het geheugen, en vooral ons autobiografisch geheugen, is onze enige mogelijkheid greep te krijgen, hebben en houden op ons leven, op wat we de werkelijkheid noemen. Wie niet in staat is het verloop van wat hij meemaakt bij te houden functioneert niet. Daarom kunnen degenen die dement zijn of een andere hersenstoornis hebben die het geheugen ernstig aantast vaak alleen in de een of andere instelling wonen. Ons geheugen is onze redding bij bijna alles. Zouden we er in de dagelijkse praktijk voortdurend aan twijfelen dan konden we niet overleven. Ook in de omgang met anderen kúnnen we in feite niet anders dan er van uitgaan dat wat zij beweren zich te herinneren wel ongeveer zal kloppen, bewezen notoire leugenaars even terzijde gelaten.

Toch zijn er tenminste twee terreinen waarvoor het van doorslaggevend belang kan zijn rekening te houden met de feilbaarheid en de listen en lagen van het geheugen: de rechtspraak en de geschiedschrijving. Die soms trouwens ook samen kunnen vallen, zoals in het geval van John Dean en andere betrokkenen bij het Watergate-schandaal. Maar als we het bij de historici houden, waarvan moeten die dan vooral doordrongen zijn als ze gebruik willen maken van geschreven getuigenissen en oral history?

Het lastigste is misschien nog wel dat ze voorbij moeten gaan aan hun eigen intuïties. Dat iemand een overtuigend verhaal heeft, in schrille kleuren en met verve schetst hoe het was, trouwhartig kijkt, benadrukt zich elk detail nog haarscherp voor de geest te kunnen halen, zelf heilig gelooft de waarheid en niets dan de waarheid te vertellen, het zegt op zichzelf allemaal niets. Net als een goede rechter zorgt een goede historicus er daarom voor dat de bewijslast op meer dan een bron berust.

Daarnaast doet hij er verstandig aan er rekening mee te houden dat de factor tijd rare spelletjes speelt. Even wat harde gegevens, die voor een belangrijk deel ook behandeld worden in Douwe Draaisma’s recentste boek, Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt, dat een aantrekkelijk overzicht geeft van veel psychologisch geheugenonderzoek. Dat het belangrijk is getuigenissen snel vast te leggen, blijkt bijvoorbeeld uit een Amerikaans onderzoek van de psychologen Neisser en Harsch, die zo verstandig waren om binnen 24 uur na de explosie van de Challenger, in 1986, aan ruim honderd studenten een vragenlijst voor te leggen over de omstandigheden waaronder ze het nieuws hoorden. Toen ze twee en een half jaar later dezelfde vragen nog eens stelden, had al een kwart van de studenten alle hoofdzaken ‘fout’: met wie ze waren, van wie of hoe ze het hoorden. Niet negen, maar nu negentien van de ondervraagden beweerden bijvoorbeeld dat ze het op de televisie hadden gezien.

Dat doet denken aan een testje dat hoogleraar rechtspsychologie Hans Crombag uitvoerde een jaar na de Bijlmerramp, waarbij hij studenten en collega’s vroeg of ze de filmbeelden van de inslag gezien hadden. Liefst 55 procent had ze gezien, en kon ook details geven over de hoek waaronder het vliegtuig neerstortte en over hoe lang het duurde voor de brand uitbrak. Nadat Crombag had onthuld dat die beelden helemaal niet bestaan, vroeg een collega verbaasd: “Weet je dat echt zeker?”.

De Bijlmerramp is een van onze nationale zogenoemde flashbulb memories, ‘flitslichtherinneringen’. Horen we een schokkend bericht dan is het net of er een opname van het hele tafereel wordt gemaakt waarin ook allerlei niet terzake doende détails worden vastgelegd: wat voor weer het was, wat je aanhad, waar je precies zat, et cetera. Vroeger was de moord op Kennedy het bekendste voorbeeld van een collectieve, internationale lichtflitsherinnering, inmiddels zijn het de aanslagen van 11 september 2001. Ook in het persoonlijk leven doet dit verschijnsel zich natuurlijk voor, maar of iemands herinneringen aan een heel belangrijk moment betrouwbaar zijn, is dus maar zeer de vraag.

En we zijn ook al helemaal niet goed in het ons herinneren van de dingen die langzaam veranderen. Wie kan er vertellen hoe zijn winkelstraat of zijn eigen gezicht er tien jaar geleden uitzag? Daarom kunnen juist oude foto’s of filmopnames van hele dagelijkse dingen zo fascineren en schokken. Wat droegen we een rare kleren, brillen, kapsels, wat zagen de auto’s er anders uit, wat was de conifeer nog klein, enzovoort. Draaisma merkt terecht op dat we zelf meestal net de verkeerde dingen vastleggen. De zoveelste verjaardagstaart is achteraf gezien veel minder interessant dan wat er indertijd aan keukenspullen boven het aanrecht hing. Dergelijke herinneringen opdiepen zonder ‘hulp’ is in de meeste gevallen vrijwel ondoenlijk.

Met ons tijdsbesef is ook veel mis. Dingen die indruk hebben gemaakt, lijken vaak korter geleden. Half Nederland kon zich niet voorstellen dat Ferdi E. alweer vrij kwam, want de ontvoering van Gerrit Jan Heijn lag nog veel te ‘vers in het geheugen’, zoals de uitdrukking dan ook luidt. Intussen gaat de tijd naarmate we zelf ouder worden ook nog eens steeds sneller voor ons gevoel, terwijl onze biologische klokken langzamer gaan lopen, en we naar het lijkt steeds minder herinneringen opdoen. Als je mensen vraagt de belangrijke gebeurtenissen uit hun leven te vertellen, verschijnt er als je die uitzet op een tijdlijn bij iedereen een enorme ‘prop’ tussen ongeveer hun tiende en hun vijfentwintigste. Veel gebeurt dan ‘voor het eerst’, maar hoe en ook óf al die dingen samenhangen is verre van duidelijk. Wat ze met de kwaliteit van herinneringen doen is ook niet bekend.

Dan is er nog de kwestie van hoe we ons iets herinneren. Een datum helpt daar over het algemeen totaal niet bij, ontdekte geheugendeskundige prof. Willem Wagenaar. Die hield eerst vier jaar lang een dagboek bij waarin hij gebeurtenissen aantekende, en een paar jaar later probeerde hij uit welke clues hij nodig had om die weer op te roepen – iets dat overigens uiteindelijk wel met alles lukte, al moest hij soms de hulp inroepen van degenen die ergens bij waren geweest. Dat een datum ons niets zegt is natuurlijk niet zo gek: de werking van ons geheugen dateert van voor de uitvinding van de kalender. Data moeten dus vaak ergens aan vastgeplakt. We weten dat we in dat en dat jaar voor het eerst naar Zuid-Frankrijk gingen, want toen deden we eindexamen, de winter dat onze moeder stierf was een extreem koude, et cetera.

Een historicus op zoek naar het verleden kan proberen zulke ‘ijkpunten’ aan te reiken. Maar dan is weer de vraag: hoeveel mag hij suggereren, want als het geheugen ergens gevoelig voor is dan is het voor suggestie. De Amerikaanse psychologe Elizabeth Loftus stelde zelfs met experimenten vast dat je iemand nogal gemakkelijk herinneringen kunt aanpraten. Zo bleek ze haar proefpersonen te kunnen wijsmaken dat ze als kind eens verdwaald waren in een winkelcentrum. Een dergelijke eenmaal geïmplanteerde herinnering groeide spontaan uit, en bleef als ‘waargebeurd’ aanvoelen ook nadat Loftus onthuld had dat het een verzinsel was. Een doodgriezelige gedachte.

Aanleiding voor Loftus’ onderzoek was het uiterst controversiële onderwerp van de ‘hervonden herinneringen’ aan incest en andere misbruik. Een hele, inmiddels onder vuur liggende therapiestroming richt zich puur daarop. Patiënten komen binnen zonder één herinnering in die richting, en worden gestimuleerd zich voor de geest te halen hoe ze als kind gruwelijk misbruikt zijn. Maar in feite ligt het zo: er is geen enkele aanwijzing om aan te nemen dat we traumatische herinneringen tientallen jaren geheel ‘blokkeren’, waarna ze alsnog bovenkomen, en er is alle aanleiding om te denken dat we in staat zijn fantasiën van anderen en onszelf om te vormen tot wat voelt als authentieke herinneringen.

Nog steeds brengt dit de gemoederen geweldig in beweging, ook in Nederland, waar vorig jaar Han Israëls’ studie Heilige verontwaardiging verscheen. Israëls zette daarin onder meer vraagtekens bij de interviewmethoden in het bekende (en overigens verder erg door hem gerespecteerde) onderzoek van Nel Draijer naar incest en ander seksueel misbruik, en viel het bestaande beeld aan dat voor de jaren tachtig incest nauwelijks ‘gezien’ werd. Velen vielen over hem heen en Israels kon vervolgens fluiten naar zijn nieuwe baan bij het Trimbos instituut.

Tegelijkertijd kent iedereen het fenomeen van de ‘hervonden herinnering’: een geur, een afbeelding, muziek, een voorwerp, er is heel veel dat ons een ‘goh, nooit meer aan gedacht’ kan ontlokken. Waar ligt de grens?

En dan hebben we het nog niet eens gehad over hoe gekleurd herinneringen raken. Terugkijkend, ouder en wijzer geworden, zien de dingen van toen er beslist anders uit. Toegevoegde kennis (‘ze ging toen al vreemd, maar dat wist ik niet’) kan ze achteraf zelfs totaal verpesten. Je hebt het punt van de sociaal-wenselijke antwoorden, en de invloed van iemands persoonlijkheid en toevallige gevoeligheden, ijdelheden en angsten. Eigenlijk is er zo duizelingwekkend veel om rekening mee te houden dat je er hopeloos van zou worden. Wie geschiedenisonderzoek doet, kan dus maar het beste met een flinke portie wantrouwen op zak het verleden in duiken en op zoek gaan naar zo veel mogelijk onafhankelijke bronnen.

 

NOOT: Dit stuk verscheen in een special van Hypothese over geschiedenisonderzoek.

“Het lijkt er toch erg veel op dat onze hersenen voor de primitieve gedeeltes net zo georganiseerd zijn als bij ratten”

“Iedereen kent dat effect: je zet wat mensen bij elkaar in een zaaltje, je doet het licht uit om dia’s te vertonen en in dat halfduister zakt binnen de kortste keren de helft van het publiek weg. Zeker als je ook nog een saaie spreker hebt. Het punt is dat het signaal via je biologische klok ‘wakker blijven, licht!’ verdwenen is.” 

De biologische klok, een klein hersengebiedje dat vlak boven de oogzenuw, aan de onderkant van de hypothalamus zit, is een bijzonder invloedrijk instrument, waarop prof. dr. Ruud Buijs van het NIH, het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek, nog lang niet uitgekeken is.

Het NIH doet al vele jaren onderzoek naar de suprachiasmatische nucleus, of SCN, zoals de klok in jargon heet. Zowel bij mensen als bij dieren. Buijs (48) leidt bij het Akademie-instituut de dierexperimentele onderzoeksgroep, prof. Dick Swaab staat aan het hoofd van het ‘humane’ onderzoek, maar de laatste jaren wordt geprobeerd die twee researchgebieden te integreren.

“Dat klinkt makkelijker dan het is,” zegt Buijs. “Bij dieren kun je op allerlei manieren ingrijpen, bij mensen natuurlijk niet. Bovendien geeft de vraag in hoeverre je dieren en mensen mag en kunt vergelijken me altijd zorgen.”

Maar dat mensen én dieren een biologische klok hebben staat vast, en dat hij belangrijk is ook. Zo bestaat er absoluut een samenhang tussen een niet goed functionerende klok en onder meer de slaapproblemen bij de ziekte van Alzheimer en winterdepressies.

De bioloog Buijs legt uit: “De SCN is een kerntje met een eigen, endogeen ritme van ongeveer vierentwintig uur. Wat je ziet, is dat de activiteit van de cellen in dat gebiedje fluctueert. Overdag zijn er meer cellen actief dan ’s nachts, en ’s nachts zijn er ook andere cellen actief. Dat ritme zit er helemaal vanzelf in.”

“Het is ons jaren geleden al gelukt om de biologische klok uit de hersenen van een rat te verwijderen en dan nog weken in zijn eentje te laten ‘doortikken’. Licht is alleen een signaal, waarmee je de klok kunt synchroniseren. Hoe een dier reageert op licht is overigens afhankelijk van of het om dagdieren of nachtdieren gaat. Je kunt heel duidelijk merken dat ratten nachtdieren zijn. Als we hier is het laboratorium het licht aandoen dan gaan ze slapen.”

De factor tijd

De invloed van de biologische klok reikt echter veel verder dan alleen het bepalen of een dier gaat slapen of niet. Hóe ver precies is nog lang niet duidelijk, maar de groep van Buijs heeft onlangs twee zeer uiteenlopende onderzoeken gedaan die een idee van het belang van de SCN geven.

Ook voor de mens, maar daarvoor moeten we eerst weer terug naar de rat. Buijs: “In de hypothalamus wordt allerlei informatie verzameld. Vanuit het lichaam van de organen, dus het hart en de nieren, enfin de hele santenkraam, maar ook van de hersensystemen die belangrijk zijn voor de verwerking van emoties, zoals de amandelkern en de hippocampus.”

“Binnen de hypothalamus heb je verschillende kernen waar wij onderzoek naar doen. De biologische klok is er daar een van, een andere is de zogeheten PVN, de paraventriculaire kern – de meest namen voor hersengebieden zijn helaas niet spannend. Die PVN blijkt het punt te zijn waarop al die informatie, uit de organen, over de emoties maar ook uit de biologische klok samenkomt. Die wordt daar geïntegreerd, en op basis daarvan kan dan vanuit de PVN de opdracht gegeven worden om stresshormonen aan te maken.”

“De factor tijd speelt daarbij een belangrijke rol. Het blijkt dat het tijdstip van de dag waarop je een rat stress te verduren geeft, uitmaakt voor de hoeveelheid stresshormoon die wordt afgegeven. ’s Nachts is het minder dan overdag.”

Hoe kun je dat allemaal onderzoeken? “Bij het geven van stress willen we het liefst de natuurlijke situatie zo dicht mogelijk benaderen. Daarom plaatsen we ratten eenvoudig in een nieuwe omgeving. En als we ze echt willen pesten, zeg maar, dan zetten we ze in een bak water waar ze niet uit kunnen. Daar zie je ze op reageren: door in het bloed de stresshormoonniveaus te meten, zie je hoe ze stress ervaren op verschillende momenten van de dag.”

“Om te kijken wat er binnenin de hersenen gebeurt, hebben we ook technieken die heel goed werken. Als we willen zien hoe de SCN communiceert met de hersenen kunnen we van buitenaf een zogeheten tracer inspuiten, precies in die PVN. Als je de ratten dan een paar dagen later doodmaakt, kun je zien welke verbindingen er vanuit de SCN met andere gebieden zijn. Dus waar die kern naartoe projecteert.”

Vrouwtjesratten

“Het bleek dat de verbindingen vanuit de biologische klok niet helemaal in, maar rond de PVN eindigden, terwijl we toch zagen dat de tijdfactor invloed had op de hoeveelheid stresshormoon waartoe de PVN opdracht gaf. Een elektrofysioloog hier in onze groep heeft toen kunnen aantonen dat er wél een verbinding bestaat, niet via de cellichamen, maar alleen via de dendrieten, de uitlopers van de cellen.”

“Overigens was het interessant dat wat de stressreactie betreft er een groot verschil zit tussen de mannetjes- en de vrouwtjesratten. De vrouwtjes produceerden in een nieuw kooitje veel meer stresshormoon dan de mannetjes. Wat dat precies betekent, weten we niet, maar het is wel iets om goed in de gaten te houden.”

“Natuurlijk kun je dergelijke technieken niet op mensen toepassen, en omdat we toch willen weten hoe de menselijke hersenen in elkaar zitten moesten we op zoek naar een fatsoenlijke techniek om hetzelfde bij mensen te kunnen onderzoeken. Mensen hebben ook een biologische klok en een PVN, maar of er sprake is van dezelfde verbindingen weet je daarmee nog niet. Toen zijn we gaan kijken of we dezelfde traceertechniek konden toepassen na de dood. Dat lukte.”

“Als je plakjes hersen van een rat die hooguit een paar uur dood is op de goede manier bewerkt – je moet er onder meer zuurstof aan toevoegen –  dan kun je die ook die tracer inspuiten, en zie je in de uren daarna het transport naar andere gebieden.”

Restjes ziel

De volgende stap was dezelfde procedure bij mensenhersenen toepassen. En ook dat bleek te werken. Het is mogelijk in hersenen van mensen die tussen de vier en negen uur dood zijn eenzelfde tracer in de biologische klok te injecteren, die vervolgens de tracer transporteerde naar de PVN. Er liggen met andere woorden dezelfde verbindingen als bij ratten.

“Mijn conclusie is niet dat er leven na de dood is,” zegt Buijs, “maar er is wel transport. Of in die uren de laatste restjes ziel uit je lichaam vertrekken, daar kan ik niets over zeggen. Dat is hoogstens een probleem voor theologen. Gek genoeg lijkt de manier waarop je doodgegaan bent uit de maken voor de kans op succes bij deze procedure. Je hebt grotere aantallen nodig om het echt te kunnen zeggen, maar het gaat vaak goed met mensen die aan Alzheimer leden. Dikwijls kun je het al zien aan de hersenen als ze binnenkomen of het zal lukken of niet.”

“Telkens opnieuw zie je dat er parallellen zijn tussen ratten en mensen. Het lijkt er toch erg veel op dat onze hersenen voor de primitieve gedeeltes net zo georganiseerd zijn als bij ratten. Het zijn ook de delen die evolutionair gezien behoorlijk oud zijn.”

Bij zijn weten is zijn groep de eerste die dit soort reacties in dode mensenhersenen heeft weten te bewerkstelligen, maar bij het tijdschrift Nature dacht een van de referees er anders over. Het artikel over dit onderzoek werd geweigerd. Buijs schouderophalend: “Tja, als ze het belang niet willen of kunnen zien, dan is dat jammer, maar dan houdt het op. We hebben het nu ergens anders aangeboden.”

En het volgende artikel waarin een hoofdrol is weggelegd voor de biologische klok is ook al klaar. Buijs is geïntrigeerd door de samenhang tussen tijd en stress. “Op basis van de literatuur en andere zaken die ik tegenkwam, had ik al lang het idee dat er een relatie is tussen de biologische klok en hypertensie, hoge bloeddruk. Daarvoor wilde ik heel graag de hersenen onderzoeken van mensen die aan hypertensie zijn overleden, meestal gebeurt dat uiteindelijk door een hartinfarct. Maar dat lukte aldoor niet.”

“Nog steeds is het heel moeilijk aan hersenen van overledenen te komen. Bijna niemand heeft een codicil, en de meeste cardiologen voelen er niet veel voor om meteen aan de familie te vragen of ze instemmen met een hersenobductie. Dat is natuurlijk emotioneel ook heel lastig, dat begrijp ik wel. Maar toen kwam er anderhalf jaar geleden een brief van een Russische onderzoeker van het cardiologisch instituut in Moskou, hetzelfde waar Jeltsin geopereerd. Valeri Goncharuk wilde aan de hypothalamus werken, of we daar belangstelling voor hadden. Ja dus.”

Weekendtas

“Hij heeft toen van de Akademie een gastonderzoekersbeurs gekregen, en in juni vorig jaar stond hij op Schiphol, met een weekendtas met zes hypertensieve hersens, en zes controles. Bij de douane mag je zo door, als je dat vertelt. Ik zeg ook wel eens dat ik rattenbloed bij me heb, dat werkt ook uitstekend.”

“Die zomer hebben we hier de analyses gedaan, en er waren schitterende verschillen in de biologische klok tussen de hoge bloeddrukpatiënten en de controles. De hypertensieven bleken veel minder vasopressinecellen te hebben. Vasopressine is een neuropeptide, wat onder andere een rol speelt bij de overdracht van informatie van de biologische klok naar de rest van de hersenen.”

“Maar als je zulke veranderingen in de biologische klok ziet, dan is natuurlijk meteen de vraag of je naar een oorzaak of een gevolg kijkt. Nu krijgen in Nederland alle hoge bloeddrukpatiënten medicijnen, maar in Rusland kunnen de meeste mensen dat niet betalen. Degenen van wie Goncharuk de hersenen meebracht, hadden geen medicijnen gehad. In zijn volgende weekendtas zaten behandelde hersens, dat zullen wel hoge partijtypes geweest zijn, en die bleken ook afwijkende klokken te hebben. Dat doet je vermoeden dat die klok al in een heel vroeg stadium een rol speelt. En medicijnen helpen daar in ieder geval niet voor.”

Nu wil Buijs het andersom doen: van de mens wil hij naar de rat. “Mijn vraag is: als ik ratten op latere leeftijd een hoge bloeddruk geef – dat kan met een farmacon – zie ik dan veranderingen in de SCN? Als dat zo is, is hoge bloeddruk waarschijnlijk een oorzaak van zulke veranderingen.”

“Aan de andere kant proberen we in te grijpen in de vroege ontwikkeling van de rat. Als de moederrat in een bepaalde periode van de zwangerschap stress ondervindt, worden haar kinderen al geboren met een hoge bloeddruk. We willen dan kijken of de SCN veranderd is, en zelfs mogelijk de schuldige is.”

“Kijk, tijd speelt kennelijk een rol in de manier waarop je met emoties omgaat. Misschien wordt er bij hypertensieven een signaal verkeerd overgedragen, waardoor je verkeerd bent ‘ingesteld’ om goed met stress te kunnen omgaan. De meeste hartaanvallen gebeuren vroeg in de ochtend. Tijd is echt een factor. Dus is je biologische klok erbij betrokken.”

“Wat ik denk is dat hoge bloeddrukpatiënten niet in staat zijn goed voorbereid aan de dagelijkse activiteitenperiode te beginnen. Als je wakker wordt, worden er andere opdrachten gegeven dan wanneer je slaapt: voor de aanmaak van hormonen, voor hoe hard je nieren moeten werken, voor het functioneren van van alles in je lichaam.”

Donker en licht

En ook voor hoe hard je hart moet kloppen. “We hebben laatst een pilotje gedaan,” zegt Buijs, “waarvoor we bereidwilligen binnen het instituut gerekruteerd hebben die een dag lang hun hartslag hebben gemeten tijdens rust. Als uitgangspunt hebben we de hartslag na het wakker worden genomen, en die lag rond de vijftig, vijfenvijftig slagen per minuut.”

“In de twaalf uur daarna ging dat flink omhoog, maar ’s nachts duikt het omlaag. Tegen de ochtend is het op zijn laagst. Maar er is ook een verschil tussen donker en licht. Als iemand zijn ogen dichthoudt en daarna weer opendoet, dan gaat de hartslag omhoog. Bij fel licht gaat hij zelfs nog verder omhoog. Licht is een activiteitssignaal voor mensen. Het is dus niet raar dat dat een verhoging van de hartslag geeft.”

“Ik zou willen weten hoe dat zit met mensen met een hoge bloeddruk, nu ik weet dat ze een afwijkende biologische klok hebben. Reageren die meer of minder op licht? Je kunt je voorstellen dat ze niet reageren, en daarom dan slecht zijn voorbereid op activiteit, maar misschien reageren ze ook juist sterker op licht. Ik weet het niet. Het zal lastig zijn mensen te overtuigen van het belang van onderzoek naar het verband tussen hart, vaten en hersens.”

“Maar die verbanden zijn er natuurlijk sowieso. Als je een konijn een geluid laat horen, zie je de doorbloeding in zijn oren toenemen. Zo simpel liggen de dingen vaak.”

Zowel heel snel als heel goed gepantserd zijn gaat niet

De Hollandse schelpen van tante Greetje en die uit Florida van zijn Amerikaanse juf deden het ’m. Hij kon ze niet zien, maar de jonge Geerat Vermeij betaste ze urenlang, vond ze prachtig en wou er alles van weten. Zijn handen maakten hem een groot expert op het gebied van schelpdieren en slakken. Hij voelt dat de evolutie één grote wapenwedloop is. Waarbij overigens keer op keer dezelfde wapens ontstaan uit het niets.

Het gaat allemaal met een wonderlijk gemak. Hij neemt je lichtjes bij de elleboog en loopt zonder enige aarzeling treetjes op en af, stapt trefzeker over kabels heen, en gaat probleemloos op alle typen stoelen zitten. ‘Je hebt wel mensen nodig die je alles laten zien. Of eigenlijk laten voelen, maar ik noem het altijd zien.’ Dat is de sleutel volgens Geerat Vermeij, ‘distinguished Professor of Geology’ aan de universiteit van Californië in Davis, wereldvermaard om zijn kennis van schelp- en schaaldieren – en volledig blind. Al sinds hij een klein jongetje was.

Het onderwerp komt onontkoombaar als eerste aan bod.’Ik heb nooit goed kunnen zien,’ vertelt Vermeij, die dat helemaal niet als een groot gemis ervaart. Waarschijnlijk kreeg zijn moeder tijdens de zwangerschap rode hond, net als prinses Juliana toen haar laatste kind op komst was. ‘Ik lag in hetzelfde ziekenhuis in de kamer naast prinses Marijke, we hadden dezelfde arts’ vertelt de bioloog, die Nederland al verliet voordat de zeer slechtziende Marijke haar naam in Christina veranderde.

Pijn en talloze operaties behoren tot zijn vroegste herinneringen. Maar ook kleuren. Ze maken hem nog altijd enthousiast: ‘Nee, dat vervaagt niet. Ik weet bijvoorbeeld nog dat we verschillende reizen naar het Academisch ziekenhuis in Utrecht maakten en dan moesten stoppen voor een oranje deur. En dat de zon ’s ochtends geel en ’s avonds oranje was.’ Hij was nog geen vier toen zijn ouders het besluit moesten nemen zijn ogen te laten verwijderen. Erger voor hen dan voor hemzelf, vindt Vermeij. ‘De eerste paar weken dat ik helemaal blind was, dacht ik: oh, nou goed, helemaal blind. En ik ging gewoon spelen met alles.’

Het betekende wel dat hij naar een blindeninternaat ver weg moest. ‘Heel goed onderwijs,’ zegt hij, ‘maar ik was er niet erg gelukkig.’ Hij was blij als hij het weekend naar huis mocht, waar hem altijd wel iets bijzonders wachtte op tafel, bij zijn bord. Planten, zaden, eikels. ‘Mijn ouders, mijn broer, en ik ook, we altijd natuurmensen geweest,’ verklaart Vermeij met een glimlach. Voorkomend is het woord dat al snel in je opkomt als je hem hoort en ziet. ‘Ik ben een ouderwetse man,’ zegt hij zelf, en daar lijkt iets in te zitten. Anders dan bij de meeste van zijn mede-babyboomers – aan het eind van de dag dat we elkaar ontmoeten bekent hij dat het zijn 61ste verjaardag is – zijn pop en rock enzo niet aan hem besteed. Bach is het summum.

En nee, dat hij beter kan horen dan anderen gelooft hij niet. Het is eerder dat je meer informatie krijgt uit de andere zintuigen als je niet kunt zien. ‘Je moet alles meemaken als je de wereld in moet, en risico’s nemen,’ zegt hij. ‘Ze lieten mij echt altijd alles voelen, ook stekelige rozen bijvoorbeeld. Mijn ouders en broer lazen me allerlei dingen voor, maar ze schreven ook hele boeken over, en ze tekenden van alles voor mij.In braille.’ Daarin maakt hij ook zelf notities, tot op de dag van vandaag, en heel gedetailleerd als het moet.

Tijdens de eenzame internaatperiode ging Geerat Vermeij af en toe op bezoek bij een vriendin van zijn moeder. En daar is het begonnen. Vermeij: ‘Tante Greetje had schelpen uit Terschelling. Toen was ik zeven of acht. Een paar jaar daarna emigreerden we, en in Amerika had ik een onderwijzers die uit Florida schelpen meebracht. Die lagen in de klas, en tijdens de lessen keek ik daar vaak naar. Ja, het was zoiets als uit het raam kijken. Het was toen dat de vonk oversloeg, want ik was gewend aan de ruwe, kalkachtige schelpen van de Noordzeestranden, en die uit Florida waren helemaal glad. Daar begreep ik niks van, maar ik wilde ze heel graag hebben, want ik vond ze zo mooi.’

Het zou Vermeij op het spoor zetten van zijn idee?n over de evolutie als wapenwedloop. Hij heeft twee middelgrote schelpen bij zich. Een is zo’n gladde, een bruin met witte spikkels, met een kleine, helemaal getande opening. Schoonheid kun je voelen, volgens Vermeij. Sterker nog: ‘Schoonheid is heel belangrijk, vind ik. Wat er mooi aan deze is? Nou, dat gladde. Je denkt eerst ze hebben er verf opgedaan ofzo, maar dat is niet zo. En de hele vorm, dat bolle.’ De tweede is een grote slak, een spiraalvormig huis van veel ruwer voelende kalk. ‘De geometrie vind ik buitengewoon mooi,’ legt Vermeij uit. ‘De vormgeving van de schelp begrijpen we overigens nog niet helemaal.’

Hij doet voor hoe hij schelpen – in jargon heten ze allemaal mollusken, dat wil zeggen: weekdieren – onderzoekt. ‘Eerst bekijk ik de vorm, vooral met mijn wijsvinger, of met mijn nagels. En dan kom ik bij de details. Bijvoorbeeld bij deze slak die Chorus giganteus heet, voel ik hier, bij zijn mondopening, een klein uitsteeksel. Dat noem ik de labrale tand. De slak die hierin gewoond heeft, kon hiermee zijn prooi, mosselen en andere dieren, sneller te pakken krijgen.’

Over de labrale tand is heel vaak heengekeken, letterlijk. Maar hij blijkt ongelooflijk veel voor te komen. En zich ook heel vaak ontwikkelen. Vermeij heeft maar liefst zestig los van elkaar ontstane voorbeelden van labrale tanden gevonden. Ontelbare al dan niet fossiele mollusken zijn door zijn handen gegaan – Privileged Hands, bevoorrechte handen heeft hij zijn zeer leesbare autobiografie gedoopt. ‘Ik ben naar musea geweest en heb ze veel zelf verzameld,’ vertelt hij. Uit zijn autobiografie wordt duidelijk dat zijn veldonderzoek soms knap gevaarlijk is.

Die fossielen zijn heel belangrijk. Vermeij ziet ze als de geschiedenis van het leven, maar waarschuwt wel dat de levensboom vol dode takken zit. Je weet nooit wat je mist, waar je niets van teruggevonden hebt. Dingen ontstaan, sterven weer uit, ontstaan nog eens en nog eens. Overigens een punt waarover al heel lang discussie speelt tussen evolutiebiologen. Is het vreselijk toevallig als er iets ontstaat? Zeker niet, zegt Vermeij: ‘Ik denk dat alles in de evolutie al vaker dan een keer is ontstaan. Taal is het enige voorbeeld dat ik ken waar dat niet voor geldt. Maar dat kan nog komen.’

Als je goed kijkt, zie je dat alles er al een keer geweest is, lijkt Vermeij te zeggen. Details zijn belangrijk, benadrukt hij een paar keer. Je moet ook de juiste indeling hebben. En zo komen we bij Linnaeus, de reden dat Vermeij even in Nederland was. Onder de titel Linnaeus 300, the future of his science werd begin oktober in het Trippenhuis met een groot internationaal congres en een kleine tentoonstelling de driehonderdste geboortedag gevierd van de Zweedse arts en bioloog Carl von Linn?, die met zijn Systema Naturae als eerste een systeem beschreef om de natuur in te delen. Op zijn classificaties wordt tot op de dag van vandaag voortgebouwd. De dubbele benamingen, van soort en ondersoort, zoals in homo sapiens zijn aan Linnaeus te danken.

Soorten worden er nog steeds heel veel ontdekt in de natuur. Ook Vermeij, een keynote speaker op het congres, beschreef er een aantal, een stuk of dertig schat hij. ‘Dat is niet veel.’ Met graagte vermeldt hij dat hij zelf een zeeslakkensoort naar Linnaeus vernoemd te hebben: de Linnerita van het genus Nerita. Gastropoden , ‘buikpotigen’ heten zulke slakken officieel, vanwege de spieren waarmee ze zich voortbewegen. Er zijn waarschijnlijk wel 75.000 soorten.

Dat de evolutie in feite een lange wapenwedloop is, ziet Vermeij eigenlijk overal. In de loop van de tijd – en denk daarbij aan miljoenen jaren .— ziet hij steeds meer gladde schelpen met steeds kleinere mondjes ontstaan. Prooien en roofdieren passen zich steeds aan elkaar en hun omgeving aan. Maar het is lastig. Vermeij: ‘Je kan niet zowel heel snel als heel goed gepantserd zijn. Er moeten steeds economische ‘beslissingen’ genomen worden: hoeveel energie besteed ik aan dit of dat? Wat is het compromis? In de economie heb je exact dezelfde principes als in de evolutionaire wapenwedloop. We leven wel in een economisch vreemde tijd, met die wereldwijde groei die op de lange duur toch niet door kan gaan.’

Die steeds gepantserder schelpen die je in de loop van de evolutie ziet ontstaan, dat doen wij mensen ook met onze echte wapenwedloop, denkt Vermeij. Daar wordt het wel naarder van in de wereld. Hij is niet erg optimistisch, ook al merkt hij op dat de natuur leert dat er ook periodes van lange stilstand zijn. En een spurt in de wapenwedloop treedt vooral op in tijden van tamelijke overvloed, of als het warmer wordt.

Geen wonder dat de wapenwedloop van de evolutie volgens Vermeij terug te zien is in de economie.En dat is geen kwestie van analogie, het heeft alles te maken met de natuur, met hoe de wereld in elkaar zit. In 2004 kwam zijn boek Nature, an economic history uit. ‘De regels van het leven en de regels van de economie zijn hetzelfde,’ zegt hij. Je kunt bijvoorbeeld geen economie opzetten zonder concurrentie. En een monopolie werkt op de lange duur niet, net zomin als in de natuur.

Vermeijs broer Arie en diens vrouw zijn ook naar de lezing gekomen. Na afloop spreken ze met onverholen trots over hun broer en zwager. ‘Je moet het niet onderschatten,’ waarschuwt Arie Vermeij over de blindheid van zijn broer Geerat. ‘Mijn moeder zei tegen me: je moet altijd met twee paar ogen kijken.’ Ze schetsen de enorme collectie fossiele en andere schelpen in Californié, en hoe terugvindbaar die opgeborgen zijn, net zoals alles in Vermeijs huis zeer vaste plaatsen heeft. Als oom Geerat komt moeten alle deuren in huis of wel open ofwel dicht zijn, leerden ze hun kinderen. Zijn ze half-open dan loopt hij er tegenaan. Met ontzag: ‘We hebben het wel zien gebeuren. Dat moet echt pijn doen, maar hij geeft absoluut geen krimp dan.’

‘De CITO-scores zijn nog erfelijker bepaald dan het IQ’

Kersvers KNAW-lid prof. dr. Dorret Boomsma stond aan de wieg van het Nederlands Tweelingregister, waarin de gegevens van tegen de 30.000 twee- en meerlingen zijn opgeslagen. Een ware goudmijn voor onderzoek naar waar we aanleg voor hebben, en wat omgevingsbepaald is. In de kans op angststoornissen en depressiviteit, en op hart- en vaatziekte zit bijvoorbeeld een grote erfelijke component, net als in hoevéél je rookt als je rookt. Intelligentie lijkt ‘aangeborener’ te worden naarmate je ouder wordt, maar of je in god gelooft zit niet in je genen.

Geen tweeling die aan haar aandacht ontsnapt natuurlijk, maar zelf voelt prof. dr. Dorret Boomsma er niet veel voor om mensen zomaar aan te spreken. Haar man (“Die leeft erg mee”) had het laatst wel nog aan een moeder gevraagd: ‘Is die tweeling wel ingeschreven bij het Nederlands Tweelingregister?’. Of ze dat waren vertelt het verhaal niet, maar ze bleken toevallig wel heel in de verte familie te zijn.

Goed, er is dus een verre verwante tweeling, wat nauwelijks anders kan als je bedenkt dat een op de tachtig bevallingen in Nederland een tweeling oplevert, maar Boomsma (43) komt beslist niet uit een familie van tweelingen. Ze is er geen en heeft er geen. Tweelingen zijn gewoon haar werk, en ze zijn geen doel, maar een middel. “Soms zelfs het enige middel”, zegt ze. “Vooral als het gaat om relatief zeldzame ziektes.” Studies met tweelingen waren bijvoorbeeld doorslaggevend voor het onderzoek naar de oorzaken van multiple sclerose en autisme. Voor de gespleten lip is ook de hoop op tweelingen gevestigd.

Boomsma is hoogleraar in de Biologische Psychologie, en voor wie wil weten hoe de verhouding ligt tussen ‘aangeboren’ en ‘aangeleerd’ als het gaat om menselijk gedrag is er geen rijkere bron dan tweelingen. Alleen al het feit dat je ze in twee soorten hebt: de eeneiige en de twee-eiige maakt ze geweldig onderzoeksmateriaal.

Feiten
Immers, de eerste groep heeft exact dezelfde erfelijke eigenschappen, én groeit onder dezelfde omstandigheden op, terwijl de tweede groep eigenlijk ‘gewone’ broertjes en zusjes van elkaar zijn, die toevallig precies even oud zijn. Ook zij worden dus onder gelijke omstandigheden groot. Verschillen tussen de eeneiige en de twee-eiige groep leveren een niet-aflatende stroom ammunitie voor het nature-nurture-debat, dat volgens Boomsma steeds minder aan de hand van ideologieën en steeds meer met behulp van feiten gevoerd wordt. Feiten waarvan zij er inmiddels heel wat heeft aangedragen.

In haar kamer op de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar ze ook afstudeerde en promoveerde (beide cum laude) praat Boomsma graag over haar onderzoek, alleen het verhaal over het nut van tweelingen daarbij heeft ze nu zo vaak moeten vertellen dat ze het nauwelijks meer haar mond uit krijgt, bekent ze wat besmuikt.

Alom geroemd
“De enige andere groep die voor ons soort onderzoek van belang kan zijn, zijn geadopteerde kinderen”, vertelt ze, “maar dat is toch lastiger. Ze zijn moeilijker te vinden en je hebt niet de vergelijkingsmogelijkheden die er met tweelingen vanzelf zijn.” Maar de opbouw van het nu alom geroemde Nederlands Tweelingregister was en is ook geen sinecure. Samen met haar voorganger prof. Orlebeke, begon Boomsma er in 1985 mee. Inmiddels bevat het gegevens van tegen de 30.000 tweelingen, en een paar honderd andere meerlingen, waaronder zelfs twee vijflingen.

“Het moeilijke is een a-selecte groep samenstellen”, legt Boomsma uit. “Wanneer je bijvoorbeeld alleen via advertenties in kranten mensen vraagt zich aan te melden dan krijg je nooit een echte doorsnede van de hele bevolking.” De bevolkingsregisters zouden natuurlijk uitkomst kunnen bieden, maar dat bleek nog niet zo eenvoudig. Boomsma: “Ik geloof dat één enkele uitdraai van de burgerlijke stand in Amsterdam tóen al tienduizend gulden kostte. Zo veel geld hadden we helemaal niet. Toen kwam de gedachte op om zelf een register op te gaan bouwen. Uiteindelijk hebben we overigens wel alle Nederlandse gemeentes aangeschreven met het verzoek ons hun adressen van tweelingen te geven. Zo’n tweehonderdvijftig van de ongeveer zeshonderd hebben dat gedaan. Zo zijn we vooral ook aan oudere tweelingen gekomen. Ik geloof dat we indertijd gevraagd hebben om iedereen tussen de dertien en de twintig. We hebben op dit moment zo’n zeven duizend tweelingen van ouder dan zestien in het bestand.”

Felicitatiedienst
Voor de hele jonge werd iets buitengewoon slims en praktisch verzonnen. “Zoals die dingen altijd gaan, ging het via een toevallige connectie”, vertelt Boomsma. “We zetten al vele jaren de felicitatiedienst in, je weet wel, dan komt er vlak na de geboorte van een kind zo’n hostess met een koffertje met spullen. In het koffertje voor tweelingen zit ook een folder over het register en een inschrijfformulier.”

Ongeveer zestig procent stuurt dat formulier in. Dat betekent: voortaan elke twee jaar lange vragenlijsten invullen. Over gedrag en school en gezondheid en nog veel meer. Verschillende leeftijdsgroepen krijgen deels verschillende vragen. De bereidheid onder tweelingen en hun ouders om mee te doen aan onderzoek is volgens Boomsma relatief hoog. In het nu opgebouwde bestand zijn alle bevolkingsgroepen goed vertegenwoordigd, en dat kinderen vanaf hun geboorte gevolgd worden is uniek in de wereld. Er zijn meer tweelingenregisters, vooral die in Scandinavië zijn goed, zegt Boomsma, maar toegankelijke gegevens uit totaal andere culturen ontbreken vooralsnog jammer genoeg.

IQ
Een hele reeks opmerkelijke uitkomsten hebben de vragenlijsten inmiddels opgeleverd. Dat IQ voor een groot deel erfelijk bepaald is, was al bekend, maar niet dat dat sterker wordt naarmate je ouder wordt. In elk geval in Nederland, waar iedereen behoorlijk wat opleiding volgt. Dat genen pas op latere leeftijd tot expressie komen is overigens niet bijzonder: denk maar aan de puberteit, waarvan de kenmerken pas rond je twaalfde beginnen. Boomsma: “We doen hier IQ-onderzoek van vijf tot vijftig. Bij kinderen van vijf kun je maar dertig procent toeschrijven aan erfelijkheid, bij vijftig is dat opgelopen tot tachtig procent. De invloed van de omgeving neemt dus af. Dat zie je bij meer cognitieve vaardigheden.”

“We hebben net een onderzoek naar CITO-scores afgerond. Dat gaat dus om twaalfjarigen aan het eind van de lagere school. Het blijkt dat die scores nóg erfelijker bepaald zijn dan het IQ. Bij de eeneiige tweelingen kwam het voor tachtig procent overeen, dat is dezelfde overeenkomst die ze hebben in lichaamslengte. Wij vonden dat een heel bijzondere uitslag, maar de krant die we erover inlichtten vond dat kennelijk niet. Enfin, we zijn nu bezig met het voorbereiden van de publicatie.”

De genetica van cognitieve vaardigheden, zoals leren en geheugen, is maar een van de terreinen waarop Boomsma zich beweegt. Het maken van MRI-scans en het meten van hersengolven horen er ook toe. Eeneiige tweelingen blijken vrijwel dezelfde hersenkronkels te hebben, en ook hun EEG-patronen zijn bijna identiek. Boomsma: “We kijken ook naar volume, de verhouding grijze en witte stof, en we hopen binnenkort ook functionele MRI’s te gaan inzetten, waarbij je dus hersenreacties meet.”

Vatbaarheid
Het ontstaan van ‘psychopathologie’, zoals angsten en depressies, maar ook hyperactiviteit (ADHD-achtige stoornissen) en aandachtsproblemen, is een ander onderzoeksgebied. “Wat je niet zou verwachten is dat tot drie jaar de invloed van de ouderlijke opvoeding daarop klein is. Bij driejarigen wint de eigen aanleg het, pas in de fase tussen drie en zeven gaat het ouderlijk milieu een rol spelen. Bij volwassenen is die invloed weer sterk afgenomen. Depressies blijken echt een kwestie van aanleg. Dat betekent dat de impact van wat paps en mams of anderen je hebben aangedaan afhangt van je genetische kwetsbaarheid. Voor veel mensen, zeker ook de naaste familie, is dat een opluchting. Het is natuurlijk een bekend gegeven dat de een de vreselijkste dingen kan meemaken en ze afschudden, terwijl de ander levenslang somber blijft. Dat is dus een kwestie van genetische vatbaarheid. De genen daarvoor proberen we op te sporen.”

Dan is er nog het onderzoek naar de invloed van stress op hart- en vaatziekten, dat ook Boomsma’s dissertatieonderwerp was. Ook de kans op die ziektes bleek weer veel met aanleg te maken te hebben, en Boomsma heeft intussen ook een verband gevonden met angst en depressie. “De kans dat je een hartaandoening overleeft is kleiner als je aan depressies lijdt”, vertelt ze. “Of er een oorzakelijk verband ligt, is niet zeker. Het kan ook altijd zijn dat een derde factor beide dingen beïnvloedt.”

Roken
Misschien heeft het allemaal ook met nicotineverslaving te maken, nog iets dat Boomsma onderzoekt – ze heeft inmiddels meer dan honderdvijftig publicaties op haar naam staan. Het is bekend dat wie depressief is vaak heel veel rookt, een vorm van zelfmedicatie denkt men inmiddels. Of je gaat roken is overigens niet erfelijk bepaald, hoeveel sigaretten degenen die eenmaal begonnen zijn opsteken, blijkt heel erg erfelijk te zijn. Boomsma denkt dat er heel goed sprake kan zijn van een algemene gevoeligheid voor verslavingen: “Bijna alle zware drinkers roken ook”, zegt ze.

Voor een wereld waarin alle risico’s bij je geboorte al voor je uitgespeld zijn is Boomsma intussen absoluut niet bang. Ze ziet eigenlijk alleen maar voordelen. “Mensen willen juist graag weten waar ze aan toe zijn, is mijn ervaring. En het is ook zinvol. Er is bijvoorbeeld een bekende genvariant, als je die hebt moet je zéker niet gaan roken, want dan ben je op je veertigste dood aan longemfyseem. Als je weet dat je aanleg hebt voor alcoholisme kun je besluiten helemaal niet te gaan drinken. Of neem PKU, waarover laatst een discussie liep over de hielprik. Als je baby’tjes daarop test dan kun je ze op tijd op dieet zetten. Dat levert het verschil op tussen een normale ontwikkeling en mentale geretardeerdheid.”

Dus hoopt Boomsma dat tweelingen nog heel veel genidentificaties zullen vergemakkelijken. Het aantal tweelingen stijgt trouwens explosief, maar dat is niet zo gek zegt ze: “Rond 1900 – vanaf die tijd hebben we in Nederland gegevens – was het ongeveer hetzelfde. Tegenwoordig krijgen veel vrouwen pas laat, na hun vier-, vijfendertigste hun eerste kind, en dat vergroot de kans op tweelingen. Maar vroeger gingen vrouwen gewoon door met kinderen krijgen. Na je veertigste de laatste was normaal. Daar zaten dus veel tweelingen tussen. Een tijdje terug waren we weer op hetzelfde niveau van een eeuw eerder. Maar de curve gaat nu wel extra omhoog, en dat heeft te maken met de IVF-technieken en dergelijke.”

Maar de tijd van grote hoeveelheden meer-dan-tweelingen die in de jaren zeventig begon door hormoontoediening is inmiddels over. Zijn de doses hormonen beter uitgewogen? “Ja, dát,” zegt Boomsma, “maar het komt ook door gedeeltelijke abortussen. Niemand heeft het daar erg graag over, maar het gebeurt wel.”

Gigantische klus
Het bijhouden van het Tweelingregister en de hele organisatie eromheen – denk alleen al aan adreswijzigingen – is in de afgelopen vijftien jaar uitgegroeid tot een gigantische klus, die nog steeds helemaal op Boomsma’s afdeling wordt uitgevoerd. Er zijn vrijwilligers (moeders van tweelingen), maar toch verzucht Boomsma: “Eigenlijk moet het een keer door een instantie worden overgenomen.”

Het bestand is echt bijzonder, en levert onverwachte nieuwe gegevens op. “De artsen op de VU waren heel verbaasd”, vertelt Boomsma. “Die onderzoeken natuurlijk altijd hun patiënten, mensen die behandeld worden. Wij vragen naar hele families, en dan blijkt het dat lang niet iedereen die iets heeft naar de dokter gaat. Zware astmapatiënten, veel mensen met angsten en depressie zien nóóit een dokter.”

Couveusekinderen
Ze vindt ook dat het register nog veel vaker gebruikt zou kunnen worden: “Laatst kwam dat onderzoek naar buiten over de ontwikkeling van te vroeg geboren baby’s. Dat was zelfs aanleiding om voortaan kinderen die met vierentwintig of vijfentwintig weken geboren worden niet meer te behandelen, omdat hun vooruitzichten te slecht zijn. Maar wij hebben hier ook die gegevens. Er zitten heel veel couveusekinderen tussen, en we volgen ze allemaal op de voet. We moeten nog veel meer gaan samenwerken.”

We praten ook nog even over haar pasverworven Akademielidmaatschap, waar ze natuurlijk verheugd over is. “Maar het voelt wat onwezenlijk”, zegt ze. “Allerlei mensen zijn daarmee bezig geweest zonder dat je er iets van weet. Zelf heb je er niets mee te maken.” En lachend: “Ik begrijp nu iets van de verzoeken die ik kreeg om een cv in te leveren, waarbij de mensen dan absoluut niet konden zeggen waar het voor was.” Van wat het lidmaatschap zal inhouden heeft ze nog weinig idee, en dat ze nog steeds een van de weinige vrouwen in het gezelschap zal blijken te zijn kan haar niet verbazen. “Ach”, klinkt het laconiek, “het is toch algemeen bekend dat er in Nederland extreem weinig vrouwen op hoogleraars- en andere onderzoeksposities zitten. De Akademie is daar dan een afspiegeling van.”

Het is vrijdagmiddag laat. Boomsma wordt naar de borrel geroepen. Daar komen we pas toe aan het enige onderzoek tot dusver waaruit geen enkele erfelijke aanleg bleek: dat naar religiositeit. Het geloof in God is niet aangeboren, maar het blijkt wel goed te zijn voor je gezondheid en welbevinden. Tot dusver heeft geen enkel kerkgenootschap deze wetenschap opgepikt. Advertenties met ‘Godsdienst, goed voor u’? Nee, dat idee kan haar niet aanspreken.

Zien met je achterhoofd

“Ik ben er van overtuigd dat Vermeer en Mondriaan in feite experimenten met het menselijk brein uitvoerden, zij het met andere middelen dan ik dat doe. Het zijn twee van de mensen die ik het meest bewonder, en ze maakten gebruik van hun onbewuste kennis van het menselijk visueel systeem.”

Het is duidelijk dat Prof. Semir Zeki (53) helemaal warm loopt voor dit onderwerp. Kunst bestuderen aan de hand van harde feitenkennis, van de anatomie van het zien, daar ligt zijn nieuwste passie. Al vijfentwintig jaar onderzoekt Zeki apen- en mensenhersenen.

En met succes. Het was eigenlijk stom toeval dat de man die het gebiedje in onze hersens vond waar kleur verwerkt wordt, in Nederland was aan de vooravond van de Wetenschapsweek die dit keer ‘kleur’ als thema heeft. Afgelopen vrijdag gaf Zeki, die hoogleraar neurobiologie aan de University of London is, in Nijmegen een van de Donderslezingen over neurowetenschap.

Daar ging het vooral over het waarnemen van beweging. Want ook aan het bepalen van het hersengebied dat daarvoor verantwoordelijk is heeft Zeki heel wat bijgedragen.

Het idee van één bepaald stukje hersenweefsel voor één bepaalde, gespecialiseerde functie heeft maar moeizaam ingang gevonden onder neurologen. De Franse arts Paul Broca was in de vorige eeuw de eerste die de wereld van zo’n gebiedje wist te overtuigen. Hij lokaliseerde wat nu het gebied van Broca heet, een stukje hersenschors dat ergens boven je linkeroor zit en dat belangrijk is voor taal.

Niet lang daarna werd de motorische cortex, die het bewegingsapparaat aanstuurt, ontdekt. Sindsdien zijn er honderden gebieden bijgekomen. Naarmate het hersenonderzoek vordert wordt steeds duidelijker dat het een orgaan met talloze, zeer gespecialiseerde functies is.

Het gezichtsvermogen is inmiddels een van de best onderzochte hersenfuncties en het is een ingenieus systeem. Zien kunnen we niet zonder ons achterhoofd. Daar zit de primaire visuele cortex, het stukje hersenschors waar het merendeel van wat je ogen aan informatie opvangen in eerste instantie heengaat. Willen die ogen iets door kunnen geven, dan hebben ze natuurlijk om te beginnen licht nodig. Dat licht valt door een gat (de pupil), en het hoornvlies dat daarvoor zit en de lens die erachter zit bepalen samen hoe het licht terechtkomt op je netvlies, de binnenbekleding van de achterwand van de oogbol die bestaat uit lichtreceptoren: zo’n 120 miljoen staafjes en zes miljoen kegeltjes.

De staafjes zijn kleurenblind. Je hebt ze nodig om in het donker te kunnen zien: ze ontwaren ook zwak licht. Ze zitten overal in het netvlies, behalve in het midden. Aan de uiterste rand zitten zelfs alleen maar staafjes.

Daarom is iedereen kleurenblind in zijn perifere gezichtsveld, iets wat met een simpel testje na te gaan valt: neem een hand vol kleurpotloden, hussel ze achter je rug door elkaar en breng er dan één vanachter je hoofd langzaam je gezichtsveld binnen. Het potlood wordt zichtbaar voordat je kunt zeggen welke kleur het heeft.

Zie je de kleur eenmaal dan ben je kennelijk binnen het bereik van de kegeltjes gekomen, want die heb je daar voor nodig. Alleen met behulp van de kegeltjes kun je scherp zien en goed details waarnemen. Het scherpst zie je met het middelste van je netvlies, de gele vlek, die uitsluitend uit heel dicht op elkaar gepakte kegeltjes bestaat. Met de gele vlek focus je. Wij mensen hebben er maar een per oog, maar veel vogels hebben er twee, zodat ze ook scherp opzij van zich kunnen zien. Bij vogels gaat dikwijls meer dan de helft van hun herseninhoud in hun gezichtsvermogen zitten, bij mensen is het maar zo’n vijf procent.

Kleuren zien begint dus bij de kegeltjes. Ze zijn er in drie soorten: een voor rood, een voor groen en een voor blauw licht. Bij degenen die aan erfelijke kleurenblindheid leiden is er iets mis met die kegeltjes. Meestal gaat het mis bij rood en groen, die er voor een kleurenblinde uitzien als een soort grijsachtig geel. Maar liefst acht procent van de mannen is kleurenblind voor rood en groen, tegenover minder dan een procent van de vrouwen.

Overigens is kleur niet iets dat ‘in de dingen zit’, al zou je zweren van wel. Het is de lengte van de lichtgolven die terugkaatsen van een oppervlak die bepaalt welke kleur het oog ziet. In feite reageren de kegeltjes op lange (rood), middellange (groen) en korte (blauw) lichtgolven. Maar die reacties moeten wel doorgegeven worden.

Aan de achterkant van het oog komen de zenuwuiteinden van alle verschillende cellen samen. Ze vormen een streng die de hersens in gaat. Op die plek kunnen geen lichtreceptoren zitten, en daar bevindt zich dan ook de blinde vlek die iedereen heeft. Dat niemand daar spontaan iets van merkt is een onverklaard verschijnsel.

Zelfs mensen die een extreem grote blinde vlek hebben (bijvoorbeeld door een oogafwijking als glaucoom) hebben daar in het dagelijks leven absoluut geen last van. Overigens gaat alle informatie tegelijk de hersenen in, terwijl het licht toch niet exact op hetzelfde moment alle delen van het netvlies bereikt. Dat netvlies zit razendslim in elkaar. Omdat verschillende delen op verschillende snelheden werken, komt alles precies tegelijkertijd aan bij de uitgang, dat wil zeggen de oogzenuw.

De zenuwvezels van de twee ogen kruisen elkaar in de hersenen, op een punt dat bekend staat als het chiasma (opticum). Wat er op dat kruispunt gebeurt lijkt een soort beveiligingsmechanisme. Beide zenuwstrengen splitsen in tweeën. De helft van de informatiestroom blijft in de hersenhelft waar hij begon, maar de andere helft maakt de oversteek naar de tegenoverliggende hersenhelft.

Vandaar gaat het verder, via een vastliggende route. Maar voordat de informatie bij de visuele cortex aan de achterkant van het hoofd is, moet er aan allebei de kanten nog een station gepasseerd worden. Een stukje weefsel (de vertaling van het jargon luidt de ‘eenzijdige geknikte kern’) dat uit zes laagjes bestaat. Vier met relatief kleine, twee met relatief grote cellen. Hoe de doorgifte en het vervoeren van de informatie vanaf het oog in zijn werk gaat, is nog lang niet echt duidelijk, maar het staat vast dat alleen de laagjes kleine cellen gevoelig zijn voor kleur.

De analyse van details en dingen die niet bewegen begint daar. De grote cellen zijn belangrijk voor het waarnemen van beweging, en van de contouren van grotere gehelen.

Het echte grote schiften en doorsturen van wat het blikveld binnenkomt begint in de primaire visuele cortex, die in de literatuur kortweg V1 genoemd wordt. Er zijn ook nog wat andere gebieden die min of meer in rechtstreekse verbinding staan met de ogen, maar de grote hoop gaat naar V1. Het is echt het buitenste stukje van de hersenschors. Eromheen ligt gebied V2, en nog dieper naar binnen (men nummert lustig door) zijn er ook nog V3, V4 en V5.

V1 en V2 hebben gemeen dat ze een soort topografische kaart van het complete blikveld bevatten (de linkerhelft van je gezichtsveld wordt in de rechter hersenhelft gerepresenteerd, en andersom). Alsof je nog wat extra netvliezen in je achterhoofd hebt: ieder miniem stukje gezichtsveld heeft zijn eigen (minuscule) plekje in V1, en dan nog eens in V2. En die plekjes zitten niet allemaal dwars door elkaar, maar vormen echt een keurige kaart.

Voor orde en netheid verdient het visueel systeem een tien. De visuele cortex bevat bijvoorbeeld een heleboel cellen die gevoelig zijn voor ‘oriëntatie’: ze reageren alleen op een lijntje of streepje dat een bepaalde hoek maakt.

Die cellen zitten niet verspreid, maar bij elkaar, en achtereenvolgende cellen veranderen van voorkeur op een ordelijke manier: iedere volgende cel reageert op een lijntje dat qua oriëntatie net ietsje afwijkt van de vorige.

De graad van specialisatie is heel hoog. ‘Kleur’ gaat van V1 via V2 naar V4. De weg die gevolgd wordt is bekend, maar wat er onderweg precies gebeurt nog niet. In elk geval bestaat V4 voor een goed deel uit cellen die alleen maar op een van drie hoofdkleuren reageren.

En het was Zeki die dat ontdekte. In V4 zit dus zoiets als ons ‘kleurencentrum’. En van een beschadiging daar word je kleurenblind.

Maar corticale kleurenblindheid pakt wel anders uit dan ‘gewone’. Na afloop van de lezing vertelt Zeki over een kunstenaar die hij kent: “Die heeft een beschadiging opgelopen in dat kleurengebied. Het gevolg is dat hij zich niet meer kan voorstellen wat kleur is. Hij kan er niet meer in denken, en dan doet hij heel erg zijn best zich voor te stellen wat rood ook alweer was, of blauw, maar hij kan het niet. Vroeger was hij dol op impressionistische schilderijen, maar hij durft niet meer naar het museum. Alles is nu grijs en grauw.” Is V4 maar in een van de twee hersenhelften kapot, dan ziet de patiënt ineens de helft van de wereld in zwart-wit, terwijl de andere helft gewoon in kleur blijft.

“Dergelijke afwijkingen kwamen natuurlijk vroeger ook al voor, en in de literatuur zijn heel veel aanwijzingen voor een ‘kleurencentrum’ te vinden”, legt Zeki uit, “maar de neurologie hield lang een ‘blinde vlek’ voor die gedachte. Dat is heel interessant om te zien, als je die geschiedenis nagaat.”

Maar aanwijzingen zijn nog niet altijd bewijzen. Hoe weet je nu zeker wat er waar in het brein gebeurt? De afgelopen jaren is het arsenaal aan onderzoeksmogelijkheden op dat gebied spectaculair uitgebreid.

Met behulp van een ingebrachte elektrode kun je nu bijvoorbeeld de reacties van een enkele cel meten. Reageert hij op licht? Op kleur? Op beweging? Op beweging naar links of naar rechts? Naar zich toe of van zich af? Je hebt cellen voor de gekste dingen. Een deel van de door V1 en V2 ‘voorbewerkte’ informatie gaat ook naar andere gedeeltes van het brein. Bij apen is zo geconstateerd dat er in de temporaalkwab (achter de slaap) cellen voorkomen die het sterkst reageren op het zien van handen, en weer andere op gezichten.

Verbindingen tussen verschillende hersengebieden kun je ondermeer aantonen door bepaalde stofjes in te spuiten en dan te volgen waar die heen gaan. Maar het brein in volle werking is de laatste tijd vooral bekeken met behulp van zogenaamde pet-scans, die de verschillen in bloedtoevoer op een bepaald moment laten zien.

Van Zeki is het ‘Mondriaan-experiment’, dat laat zien dat het kleurencentrum in de hersens ergens anders zit dan het centrum dat het zien van beweging verwerkt. Hij liet proefpersonen naar een Mondriaan-achtig geheel aan kleurvlakken kijken, en vergeleek de reacties die dat oproept met de reacties op een bewegend zwart-wit patroon. In beide gevallen wordt er in V1 en V2 hard gewerkt, maar het Mondriaanplaatje doet daarnaast extra bloed naar V4 stromen, terwijl het bewegende patroon in V5 activiteit oproept.

Behalve kleurenblind kun je ook bewegingsblind worden. Zeki vertelt van een patiënte die een beschadigd V5 gebied heeft en voor wie het volgen wat iemand zegt op drukke feestjes heel moeilijk is, omdat ze lippen en monden niet kan zien bewegen.

Ook gebeurt het haar voortdurend dat ze met iemand staat te praten die dan van het ene op het andere moment ineens verdwenen is. Alleen maar omdat hij zich beweegt. V5 is trouwens maar een heel klein gebiedje, 1,8 vierkante centimeter. Het is bij de geboorte al direct helemaal ontwikkeld, iets dat volgens Zeki de populariteit verklaart van bewegende speeltjes die boven baby’s wieg gehangen worden.

Nadat de informatie in V4 of in V5 verwerkt is, worden er vaak weer signalen teruggestuurd naar V1. Zeki vond dat dat laatste niet gebeurt bij bepaalde optische illusies. Bijvoorbeeld bij het kijken naar het plaatje dat elders op deze pagina staat. De meeste mensen die zich op het gele middelpunt concentreren, zien de blauwe cirkels bewegen. Die beweging is er in werkelijkheid niet, het is geen eigenschap van de afbeelding die je daar ziet, maar een eigenschap van het brein. “Is er sprake van echte beweging”, zegt Zeki, “dan worden zowel V5 als V1 actief, is het een illusie, dan blijft het bij V5”.

Hoe al die verschillende gebiedjes zaken heen en weer sturen, wanneer en hoe er wordt teruggekoppeld zijn de grote vragen van het moment. Zeki vat het nog eens samen: “Het is duidelijk dat het gezichtsvermogen modulair is georganiseerd. Je hebt verschillende typen modules die verschillende aspecten van zien verwerken. Zeker is nu dat er een module voor kleur bestaat, een voor beweging, twee voor vorm – namelijk statische en dynamische vorm – en hoogstwaarschijnlijk ook een om diepte mee te zien. Al die modules werken samen, geven je één beeld van de wereld. Hoe de integratie van de bewerkingen in de verschillende modules tot stand komt is de vraag. Daar is nog niet veel over nagedacht. Er bestaan heel veel, anatomisch aantoonbare, connecties tussen de modulen. Het lijkt erop dat al die gebiedjes tegelijkertijd zowel informatie scheiden als informatie kunnen ontvangen. Er is niet zoiets als een ‘eindstation’.”

Van oudsher wordt er in de literatuur gespeculeerd over het onderscheid tussen ‘zien’ en ‘begrijpen’. Zeki moet daar niet veel van hebben. “Het zijn geen dingen die zich geografisch gescheiden afspelen in je hersens”, zegt hij. “Voor mij heeft de vraag wat zien is alles met de vraag wat kennis is te maken. Want op de vraag waar we zien voor nodig hebben is volgens mij maar één antwoord mogelijk: om kennis op te doen over de wereld om ons heen. En dat is helemaal niet gemakkelijk. De wereld staat namelijk niet stil. Wij moeten bijvoorbeeld in staat zijn heel veel informatie te negeren. Als ik mijn hand beweeg dan ziet die er telkens anders uit. Toch zijn de hersens prima in staat die hand voortdurend als een hand te identificeren. Nog een vraag is of je in staat bent kennis te verwerven zonder een bewustzijn. Mij lijkt dat niet waarschijnlijk. Ook dat hoort bij de vraag wat zien is.”

“Daarom ben ik op een gegeven moment ook overgestapt naar het onderzoeken van mensenhersens. Wat we daarover weten is allemaal begonnen met onderzoek naar apen, maar apen kun je niet vragen wat ze zien. Ik hoop dat ik over dat bewustzijn de komende tijd meer te weten kom.”

Van Semir Zeki’s hand verscheen vorig jaar A vision of the brain (Blackwell Scientific Publications), een pittig, soms wat wijdlopig, maar behoorlijk helder boek over de werking van het visueel systeem en de geschiedenis van het onderzoek ernaar. De illustraties zijn van een zeldzaam hoge kwaliteit.

Trucs met moleculen

(In 2002 won Roger Tsien de Dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica. Op 8 2008 oktober werd bekend dat hij een van de drie winaars was van de Nobelprijs voor Scheikunde. Twee Japanners en hij kegen hem voor hun werk met Groene Fluorescerende Proteïne (GFP), het molecuul dat de kwal Aequorea victoria groen laat oplichten. In 2002 vertelde Tsien al wat je daar allemaal mee kunt doen.)

 

De moleculen die de Amerikaanse schei- en natuurkundige Roger Tsien maakt zijn spionnen of saboteurs, die moeten rapporteren wat er in cellen gebeurt. Hij hanteert de verfkwast en andere trucs in de hoop ooit te begrijpen hoe onze hersenen werken.

Tussen kerst en nieuwjaar is hij meestal in het lab te vinden dat hij de rest van het jaar eigenlijk alleen leidt. Weer eens zelf aan het werk, achter een idee aan, iets uitzoeken dat is blijven liggen. “Maar”, lacht prof. Roger Tsien (1952), “dan herinner ik me ook altijd weer hoe moeilijk het is, en ben ik blij met jongere onderzoekers die veel bedrevener zijn dan ik. En die wél weten waar alles ligt.” Afgelopen kerstvakantie heeft hij geprobeerd kleurstoffen te maken die in cellen kunnen oplichten als je er infrarood licht op schijnt.

Tsien, die schei- en natuurkunde studeerde, wuift het een beetje weg: “Het zijn geen serieuze projecten, want ik weet dat ik geen tijd heb het goed te doen. Het zijn restjes die me intrigeerden, en ik hoop altijd dat ik ze over kan doen aan iemand anders als blijkt dat het begint te werken. Of dat lukt? Ze denken dat ik te gek ben, en meestal hebben ze gelijk.”

Met het infrarood kwam hij niet ver. “De bedoeling was om iets te maken waarmee je dieper in mensen kunt kijken”, legt Tsien uit. “Infrarood licht penetreert, anders dan gewoon licht. De cellen bleken de kleurstof wel te absorberen, maar de meeste lichtten niet op. Waarschijnlijk hadden anderen dat ook al eens ontdekt, en er dus niets over gepubliceerd. Je moet de dingen toch zelf uitvinden.”

Kwal
Het zou een volgend stapje geweest zijn in Tsiens loopbaan waarin kleurgevende moleculen een hoofdrol spelen. Zijn werk met de zogeheten Groene Fluorescerende Proteïne (GFP), een molecuul dat verantwoordelijk bleek te zijn voor het in het donker groen oplichten van de kwal Aequorea victoria, is het bekendste. Hij wist zelfs, uitgaande van het GPF (“liefst beginnen we niet bij nul, maar maken we gebruik van de natuur, of van wat anderen al gemaakt hebben”) nieuwe kleuren te maken: moleculen die geel of blauw oplichten als je er met een lampje op schijnt. Maar het grondwerk daarvoor is door anderen gelegd, benadrukt hij. “Ik ben wel de regisseur van een uitvoering van dat toneelstuk, maar ik heb het niet zelf geschreven”, geeft hij zijn eerste analogie ten beste.

Hij heeft er ook een voor de functie van de moleculen die in zijn laboratorium gemaakt worden. “Het zijn spionnen en soms ook saboteurs”, zegt hij. “Je stuurt ze erop uit om te kijken wat er gebeurt in een cel, of je laat ze daar iets doen. Dat onze moleculen zo populair zijn komt deels doordat ze de cellen niet kapotmaken. Wat wij hier onderzoeken is de doorgifte van signalen in cellen, net zoals duizenden andere onderzoekers doen.”

Vernietigen
“Dat moleculen bouwen gebeurt op veel minder plaatsen, maar we maken ze niet zomaar, het een moet het ander helpen. Dus zijn ze gericht op begrijpen en volgen hoe biologische signalen gevormd worden in de cel, waar ze zijn, wanneer ze plaatsvinden. Tegenwoordig zijn er ook meer genetische mogelijkheden, zodat je algemene vragen over proteïnen kunt stellen: waar worden ze geboren, waar gaan ze dood, waar gaan ze heen, met wie praten ze. We kunnen nu ook heel snel proteïnen vernietigen, zodat je kunt kijken hoe de rest van de gemeenschap zonder ze verder gaat, hoe er gereageerd wordt.”

“Overigens doen we hier wel veel metingen, maar dat is niet zo bijzonder. Wij proberen het gereedschap te maken waarmee iedereen dat kan. Dan geven we een paar, hopelijk fatsoenlijke voorbeelden, en dan gaan we weer wat nieuws uitvinden. Een beetje zoals Thomas Edison de film uitvond, twee primitieve verhaaltjes vastlegde, en toen weer naar iets anders ging. Hij was zelf geen Spielberg, maar zonder hem hadden we geen Spielberg.”

Dronkeman
Tsien lijkt het allemaal tamelijk pragmatisch te beschouwen. Hij is zich bewust van de beperkingen die de wereld en tijd waarin hij toevallig leeft opleggen. “Het is als de dronkeman die onder de lantaarnpaal met zijn sleutels in de weer is: je werkt daar waar het licht is. En dat is niet per se de plek die je het meest interesseert, waar het echte mysterie zit.”

Voor hemzelf zit dat in de werking van onze hersenen, en dat is ook waar hij zijn onderzoek begon. Met smaak en een klein vleugje heimwee vertelt hij over de tijd van zijn dissertatieonderzoek dat hij in Engeland deed, in Cambridge, waar hij uiteindelijk ruim negen jaar zou blijven. “Je hebt daar een veel grotere vrijheid dan hier zou kunnen”, zegt hij. “Ik was al in drie projecten min of meer vastgelopen, en de tijd drong. Toen ben ik toch met een vierde begonnen, en mijn promotor vond dat allemaal prima.”

Tsien was op de gedachte gekomen kleurstoffen te maken die gevoelig zijn voor calcium. “Dat heb ik echt zelf bedacht, en daarvan weet ik niet of iemand anders er op gekomen was”, zegt hij. Daar is uiteindelijk een heel succesvolle reeks uitgekomen, waar veel onderzoekers gebruik van hebben gemaakt. Het verband met zijn interesse in de menselijke hersenen zit hierin: calcium is een van de twee universele signalen binnenin hersencellen (de andere heeft met elektriciteit te maken).

Straaltje
Tsien legt uit: “Iedere keer dat een van je neuronen praat met een ander neuron doet hij dat omdat er een klein straaltje calcium in de cel wordt toegelaten, en dat calcium zet het vrijgeven van neurotransmitters in gang, die in feite de boodschap overbrengen. En hoeveel neurotransmitters je ook hebt, ze gebruiken allemaal calcium. Calcium is ook van groot belang voor herinneringen. We denken nu dat het de switch is die herinneringen zowel kan versterken als verzwakken. Inmiddels hebben we trouwens de kleurstoffen niet meer nodig, we kennen nu het gedrag van calcium, en we hebben nog meer trucs: we kunnen het calciumniveau zelfs op elk moment dat wij dat willen omhoog brengen.”

Uiteindelijk wil Tsien antwoord op de grote vragen: “Hoe vinden we uit waar in mijn hersenen straks de herinnering aan jouw gezicht zit? Of aan een muziekdeuntje? Dat je ook kunt reproduceren. Hoe doe je dat? Of hoe zit het met Engels tegenover het Nederlands? De vraag is: kun je een technologie ontwerpen waar je iets mee kunt? Een begin kunt maken. Je hebt een truc nodig, en het zal een moleculaire truc moeten zijn. Je kunt mensen niet openmaken en dan al hun neuronen in de gaten houden. En de nieuwe scantechnieken, zoals MRI, zijn toch vrij grof. Maar stel je bijvoorbeeld voor dat je alle net aangemaakte synapsen, dus de verbindingen tussen hersencellen, zou kunnen laten zien?. Er zijn al mensen die net-nieuwe neuronen kunnen laten oplichten.”

Verfkwast
“Enigszins analoog daaraan is iets dat wij ontwikkeld hebben. In geïsoleerde cellen kunnen we het verschil tussen jonge en oude proteïnen zien. ook al zijn ze moleculair precies hetzelfde, wij kunnen vertellen of ze vier of acht uur oud zijn. Dat doen we met een verfkwast. Daarmee verven we alle exemplaren tot een bepaald moment groen, en dan halen we de kwast weg. De proteïnen die daarna gemaakt worden krijgen dus geen kleur, tot we met een rode verfkwast langskomen. We hebben gezorgd dat de rode verf niet pakt op de groene, dus worden dan alleen de nieuwe proteïnen rood. Het is een beetje gevaarlijk om over ideeën voor de toekomst te praten, maar misschien kunnen we voor nieuwe synapsen net zo iets ontwerpen.”

Tsien vindt zichzelf wel loslippig genoeg geweest. Tijd voor de rondleiding. In 1989 betrok hij het toen gloednieuwe laboratorium, hier aan de universiteit van Californië in San Diego. Het is ook echt van hem: bij elke deur hangt een bordje ‘Tsien Lab’ en dat staat ook op de witte jassen waarvan er een rek klaarhangt. Vijftien mensen werken er inmiddels, maar er zijn ook allerlei samenwerkingsverbanden met labs even verderop. De financiering komt van de Howard Hughes Medical Institute Foundation, ooit door de superrijke excentriekeling Hughes opgericht. “Dat was voor hij gek werd”, lacht Tsien. “Het is een van de grootste stichtingen in het land. Er zijn drie à vierhonderd van die laboratoria als deze.” Het geld is niet gegarandeerd, nadat je voor zo’n functie gevraagd bent moet je elke vijf jaar verantwoording afleggen aan het bestuur.

Zeepkist
Op de vraag of hij nog iets ter sprake wil brengen reageert hij enthousiast. “Ja. Voor de zeepkist heb ik altijd een praatje klaar. Het helpt wel niet, maar ik geloof er toch in, je weet maar nooit of iemand het oppikt”, zegt hij. Dit is wat hem hoog zit: “ Die technologie die wij hier ontwikkelen voor medicijnen, zou je ook kunnen gebruiken om te kijken welke stoffen in het milieu giftig zijn. We maken ons nu zorgen over alles als het gaat om verontreiniging, maar dat komt doordat we niet weten wat wel en wat niet slecht is. De middelen om daarachter te komen, ook bijvoorbeeld hoe het zit met mengsels – in de grond zitten soms wel honderd scheikundige verbindingen die op elkaar kunnen inwerken – zijn dichterbij dan men zich realiseert.”

“Er is alleen geen sociaal mechanisme dat ervoor kan zorgen dat die technologie er inderdaad komt. Je kunt er namelijk geen geld mee verdienen, en er is geen bedrijf dat wil weten dat wat ze er gebruiken misschien wel giftig is. De overheid weet niet hoe dit aan te pakken, die houdt zich vooral bezig met bijwerkingen van stoffen. En in onze maatschappij, die nu eenmaal een kapitalistische is, gebeurt het dan niet.”

“Neem de hormoonontregelaars die in het milieu terecht zijn gekomen, en die bijvoorbeeld dieren ‘vrouwelijker’ maken. Het zou niet moeilijk en ook goedkoop zijn iets te maken dat die ontregelaars kan opsporen. Maar niemand wil hier van weten. Sterker nog, degenen die wel probeerden er geld mee te verdienen kregen rechtszaken aan hun broek. Wat je nodig hebt is een nieuwe ‘sociale uitvinding’. Banken en joint ventures enzo zijn dat ook. Zelf ben ik daar helemaal niet goed in, maar er moeten ook mensen bestaan die juist daar een talent voor hebben.” Tsien blijft hopen dat zo iemand een keer een interview met hem leest.

“De hersenen praten voornamelijk met zichzelf”

Het ding kan sneller reageren dan wij zelf. Het lijkt nog het meest op een uit de klauwen gegroeide helm van zo’n anderhalve meter hoog, het heet een MEG-apparaat, en het maakt nu tweeduizend afbeeldingen per seconde van de hersenen. “Dat zou je op kunnen voeren tot achttienduizend, maar dat heeft geen zin, want zo snel werken onze hersenen niet,” zegt dr. Bob van Dijk (42), directeur van het MEG-centrum, een nog jong KNAW-instituut dat gevestigd is op de benedenverdieping van de polikliniek van het VU-ziekenhuis in Amsterdam.

Kijken wat er binnenin een hoofd gebeurt. De mogelijkheden daarvoor zijn de laatste decennia explosief gegroeid. Levende hersens kun je op allerlei manieren aan het werk zien tegenwoordig, en elke techniek heeft zijn eigen voor- en nadelen. Cruciale punten zijn hoe precies je de plaats kunt bepalen waar activiteit te zien is, of je de reactietijd exact kunt meten, en ook of het voor patiënten of proefpersonen een ingrijpende procedure is. De MEG is op dit moment de supertop van de technologie, en scoort uitstekend op alle punten. 

Geen magneet

De afkorting staat voor MagnetoEncefaloGrafie, waarin de Griekse woorden voor ‘magnetisme’, ‘hersenen’ en ‘schrijven’ zijn terug te vinden. “Magnetisme klinkt gauw een beetje eng”, zegt Van Dijk, “maar er komt geen magneet aan te pas. Juist niet. Alle magneten moeten heel ver uit de buurt blijven. Het apparaat meet namelijk het natuurlijke magnetisme. Dat is maar héél weinig. Wat je hersenen produceren is ongeveer een miljardste van het gewone aardmagnetische veld. En het mooie is dat we hiermee heel precies weten wat we meten. Neuronen, de zenuwcellen in de hersenen, geven signalen aan elkaar met behulp van elektrische stroompjes, die via de synapsen worden doorgegeven. Magnetisme en elektrische stroomdichtheid zijn heel direct aan elkaar gerelateerd, het gaat om een soort bijproduct van elektrische stromen. Dat wordt dus gemeten en die waarden worden omgezet in afbeeldingen.”

Wat die in elk geval laten zien, is dat er hard gewerkt wordt. Van Dijk: “Dat is misschien nog wel het opvallendste: spontaan is er erg veel actie. De hersenen praten voornamelijk met zichzelf, en heel weinig met buiten. Wanneer je een reactie oproept, bijvoorbeeld door iemand een testje te laten doen, dan gaat de activiteit hooguit een paar procent omhoog of omlaag.”

Hard signaal

Waar dat gebeurt, is tot op een paar millimeter nauwkeurig te zien. In de met vloeibaar helium gevulde ‘helm’ wordt op maar liefst 180 verschillende punten het signaal gemeten. Het gaat daarbij om 151 verschillende plekjes op de schedel. Een proefpersoon hoeft alleen maar zijn hoofd in de helm te steken. Soms moet hij liggen, soms zitten, maar hij krijgt niets ingespoten, wordt niet bestraald of wat dan ook.

Met andere technieken gebeurt dat vaak wel. Pet-scans bijvoorbeeld kunnen iets beter lokaliseren waar activiteit toeneemt, maar het wanneer is veel moeilijker te meten, en je krijgt er altijd een licht radioactieve stof voor geïnjecteerd. Net als bij zogeheten fMRI’s zijn veranderingen in de bloedstroom de basis voor de afbeeldingen. “We weten niet precies wat zulke veranderingen zeggen”, vertelt Van Dijk. “Bij de MEG is alles altijd interpreteerbaar. Het is gewoon een hard signaal. Je hebt ook geen referentie nodig om te kunnen beginnen met meten, en je hoeft geen grote hoeveelheden plaatjes te ‘middelen’ voor een beeld.”

Zonder schedel

Als het nodig is, kunnen MEG-gegevens ook gecombineerd worden met andere technieken, bijvoorbeeld ook met de al veel langer bestaande EEG’s (ElektroEncefaloGrammen, hetzelfde als ECG’s, maar dan niet voor het hart), die de elektrische hersenactiviteit op verschillende punten aan de buitenkant van de schedel meten en weergeven in lijntjespatronen. De MEG mag je volgens Van Dijk zien als een soort super-EEG. “Met een MEG is het of je een EEG maakt van de hersenen zelf, zonder dat er een schedel tussenzit,” vergelijkt hij de twee. Maar er zijn niet alleen maar voordelen.

Om te beginnen is de apparatuur duur. Vier en een half miljoen heeft het apparaat gekost. Daarvan zijn er, inclusief een subsidie van NWO, twee en een half door de KNAW betaald, en die is ook eigenaar. Daarnaast doen er drie academische ziekenhuizen mee: dat uit Utrecht, en in Amsterdam het AMC en het VU-ziekenhuis, waar het centrum ook gevestigd is. Betaling vooraf heeft gebruiksrechten achteraf gegeven. Een half uur in de MEG kost vijfhonderd gulden. De deelnemende partijen hebben voor heel wat uren vooruitgefinancierd.

Kluisdeur

In de loop van 1997 is het apparaat geïnstalleerd, maar de hele zaak werkend krijgen was niet eenvoudig. Het is bijzonder lastig om alle storing buiten te houden, zeker in een ziekenhuisomgeving vol elektronische apparatuur. De deur naar het kamertje waarin de MEG staat, lijkt sprekend op een enorme kluisdeur. “Er zijn zeven verschillende metalen lagen in verwerkt”, vertelt Van Dijk. Alles moet goed geïsoleerd zijn, en ook de mensen die het kamertje betreden moeten zich ontdaan hebben van sieraden en andere mogelijke stoorzenders. In eerste instantie ging het aldoor niet goed, naar later bleek omdat de bijna vuistdikke strengen kabels, die vanuit de machine naar een kamer een eind verderop lopen, precies zo lang waren dat de ‘piepers’ die in het ziekenhuis gebruikt worden interfereerden met het signaal uit de MEG. “Voordat je daarachter komt, dat duurt wel even”, verzucht Van Dijk.

De hoeveelheid rekenwerk die verricht moet worden, is indrukwekkend. De kabels eindigen in een meer dan manshoge constellatie van 180 verschillende computers, voor elk meetpunt in de helm één. Van Dijk: “De gegevensstroom komt binnen op zeven graden, hier aan de onderkant. Aan de bovenkant komt er lucht van vijftig graden uit. Pas na die voorbewerking, waarbij het merendeel van de data wordt weggegooid, kun je in een gewone computer aan het werk met de relevante gegevens.”

Hi-tech geknutsel

En nog steeds wordt er heel wat hi-tech geknutseld. Hoewel hun aantal op het moment snel groeit, zijn er maar weinig soortgelijke apparaten. Veel moet dus nog uitgevonden worden. Zoals manieren om de hersenen informatie van buiten te laten verwerken zónder dat er ergens een magneet tussen zit. Luidsprekertjes gebruiken, is uitgesloten. Dat wordt opgelost met een stethoscoop. Ook een monitor mag het kamertje niet in. Tot voor kort werd er daarom met een simpel laag-resolutie LCD-scherm gewerkt, en nu is er een ingenieus systeem met spiegels. “Pas over een jaar of tien kan iedere dokter er zonder meer mee aan de slag”, zegt Van Dijk, “dan hoef je niet langer te weten hoe het werkt.”

Hijzelf moet dat nog wel. Een van de aantrekkelijke kanten van zijn baan vindt hij dat alle aspecten van de fysica aan bod komen, er komt zelfs een kleine beetje quantummechanica bij kijken. Van Dijk is natuurkundige, eentje die liever zijn kennis inzet in de echte wereld, dan dat hij zelfverzonnen problemen oplost, zo besloot hij ooit. Hij promoveerde op een natuurkundige beschrijving van kleuren zien. Dat we dat kunnen, zit voor een groot gedeelte in de kegeltjes in ons netvlies, en veel minder in onze hersenschors dan wel gedacht werd. Van Dijk: “Er is een geneesmiddel tegen tuberculose dat een tijdelijke stoornis in het kleurzien geeft. Ik kon laten zien dat dat allemaal om effecten op het netvlies ging, en dat het dus geen probleem met de oogzenuw was, of een corticaal probleem.”

Heel visueel

Maar over zien en die cortex vertelt Van Dijk ook graag en enthousiast. Het is één van de terreinen waarop het MEG-apparaat voor onderzoek ingezet wordt. “Mensen zijn heel visueel”, zegt Van Dijk. “Ongeveer de helft van de cortex is betrokken bij het verwerken van visuele informatie. Wat we onder andere volgen met de MEG, dat is onderzoek vanuit het AMC,  is de ontwikkeling: hoe bij kinderen vanaf een jaar of vier de relatie tussen waarnemen en de activiteit in de hersenen verandert. Het duurt heel lang, wel ongeveer tot je vijfentwintigste, voordat de visuele schors helemaal uitontwikkeld is. Pas heel langzaam kom je uiteindelijk bij de kenmerkende responsies uit. Je hersenen moeten heel veel ingewikkelde berekeningen leren maken. Wanneer je bijvoorbeeld met je hoofd in de richting van een raam gaat, dan wordt, om te voorkomen dat je je stoot, de beweging een aantal keren uitgerekend.”

Onderzoek wordt er ook gedaan naar de ziekte van Alzheimer, die op dit moment nog steeds pas met zekerheid kan worden vastgesteld na iemands overlijden. Van Dijk: “De VU heeft een project over dementie. Ze kijken hier naar drie aspecten. Naar de spontane hersenactiviteit, waarvan we door EEG’s al wisten dat die anders is dan bij gezonde mensen. Je ziet dat verschillende gebieden wat meer in isolatie gaan opereren, dat er minder spreiding van activiteit is. Met de MEG kun je dat verifiëren en nauwkeuriger meten. Daarnaast wordt er gekeken naar de taalbenoemingsfunctie. Mensen krijgen plaatjes te zien en moeten zeggen wat daarop staat. Vaak kunnen ze niet op het goede woord komen. Als je ze vergelijkt met controles, dan zit er veel meer spreiding in de responstijd. De hersenen reageren soms te laat. Dat kun je zien. Daarnaast wordt het korte-termijngeheugen getest. Patiënten krijgen vijftig niet al te frequente woorden te lezen, en daarna krijgen ze paren woorden, en dan moeten ze zeggen of ze het linker- of het rechterwoord al eerder gezien hebben. Die taak voeren ze slechter uit dan controles, maar op de MEG zien we geen verschil.”  

Wie het MEG-apparaat wil huren, kan een voorstel indienen. Projecten worden in eerste instantie bekeken door Van Dijk, en vervolgens beoordeeld door een wetenschapscommissie. Van Dijk begeleidt de meeste research persoonlijk. “Dat betekent dat ik me telkens heel snel in een bepaald gebied moet inwerken”, zegt hij, “en dat is erg leuk. Het is ook echt nodig, omdat de meeste onderzoekers nog niet weten wat er nu precies wel en niet kan met de MEG.”

Spikes

Op het ogenblik gaat maar tien procent van de MEG-uren naar klinische toepassingen. Voorkomen dat essentiële hersengebieden bij een operatie verloren gaan, is een belangrijke functie. Van Dijk: “Een op de drie epilepsiepatiënten is niet met geneesmiddelen te behandelen. Dat kan grote gevolgen hebben. Sommige mensen hebben zo veel toevallen dat ze alleen nog maar in bed kunnen liggen. Een symptoom van epilepsie is afwijkende elektriciteit in de hersenen. Plotseling zie je zogeheten spikes, een hele scherpe activiteit. Het is heel ongezond voor de hersenen, dus als het kan, wordt er geopereerd. In Nederland hebben die operaties een slagingspercentage van tachtig à negentig procent. Het Academisch Ziekenhuis in Utrecht is echt hét centrum voor die chirurgie.”

“Voor een operatie zijn er twee voorwaarden. De epilepsie moet focaal zijn, dat wil zeggen: vanuit een bepaald punt beginnen. En dat moet een stukje zijn dat je kunt missen. Gek genoeg kun je het grootste deel van je cortex missen, maar je wilt natuurlijk niet dat je iemands taalgebied aantast. Waar dat precies zit – dat is niet bij iedereen op exact dezelfde plek – kun je van tevoren vaststellen. Onder andere met een MEG. Ook bij tumoroperaties is het heel belangrijk dat je een ‘atlas’ van iemands cortex hebt. Welke gebieden zitten ernaast? Dat je weet: hier moet het even langzaam en voorzichtig, want hier zitten de vingers, zegt de MEG. Je kunt daardoor ook radicaler snijden.”

Het MEG-centrum is in eerste instantie voor drie jaar ingesteld. Daarna wordt er geëvalueerd. Wil het apparaat rendabel worden, dan zouden er eigenlijk meer klinische toepassingen moeten komen. Van Dijk: “Het zou goed zijn als we nog een ziektebeeld hadden waarvoor we iets kunnen betekenen. Als er niet meer komt dan loop je ook kans dat de fabriek failliet gaat. Ik zie wel mogelijkheden in de psychiatrie. Er wordt allerlei onderzoek gedaan naar aandachtsstoornissen. Ik denk dat de MEG voor een duidelijker diagnostiek kan zorgen.”

Het grootste probleem blijft volgens Van Dijk dat we niet weten hoe de hersenen werken. Het is verreweg het meest complexe orgaan dat we hebben. Op de valreep vertelt hij wat hem het meest verbaasd heeft in de anderhalf jaar dat het MEG-centrum nu open is: “Mensen verschillen onderling zo weinig. Als je om je heen kijkt, lijkt gedrag zo diffuus, maar bij iedereen zie je exact 110 milliseconde nadat iemand een woord leest een heel specifieke reactie. Het gaat allemaal zo getimed!”

“Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in te delen”

Op enkele scholen wordt geexperimenteerd met filosofie als eindexamenvak. Het blijkt een populair vak te zijn bij leerlingen. Wat wordt hun precies onderwezen, en vanwaar de geestdrift?

Kunt u zeggen welke van de volgende uitspraken met behulp van waarneming te controleren zijn?

-Ik ken mijn vriendin door en door

-God is dood

-Mijn moeder houdt van mij

-Alles heeft een oorzaak

-Maria is thuis

-Ik ben vrij

En kloppen de volgende redeneringen?

Alle luizen zijn vegetariërs

Alle muizen hebben luizen

->Sommige muizen zijn vegetariërs

Ik geloof dat de Gaulle gek is

Ik ben de Gaulle

->Ik geloof dat ik gek ben

Als u het antwoord schuldig moet blijven heeft u op school vast geen filosofie gehad. Die kans is overigens nogal groot, want op vrijwel geen enkele school maakt of maakte filosofie deel uit van het vakkenpakket.

Waarom eigenlijk niet? In alle landen om ons heen is het een doodnormaal en gerespecteerd schoolvak. En in Amerika krijgen kinderen soms op de lagere school al filosofielessen waarin ze discussiëren over de vraag of ze nog dezelfde zijn als tien jaar geleden, en moeten vertellen hoe het mogelijk is dat ze van dieren houden maar ze ook opeten.

Nederland heeft meer dominees dan filosofen voortgebracht, en misschien daarmee meer godsdienst- dan filosofie-onderwijs. Dat zou in ieder geval een verklaring kunnen zijn voor het feit dat er met de ontzuiling meer ruimte en belangstelling voor filosofie als middelbare-school-vak is gekomen. Behalve op heel streng christelijke scholen (en dat zijn er niet zo veel meer) blijkt het niet goed mogelijk leerlingen in de hogere klassen nog echte katechese te verkopen. Vaak krijgen ze daarvoor in de plaats dan filosofie.

Ook tamelijk nieuwe vakken als ‘Levensbeschouwelijke vorming’, ‘Kennis van het geestelijk leven’ en ‘Maatschappijleer’ zitten propvol filosofische onderwerpen en worden niet zelden door een filosoof gegeven. Toch is het de vraag of de filosofie geen beter lot verdient dan zo’n versplintering over allerlei andere vakken.

Veel filosofen vinden dat het op school eigenlijk juist een centrale plaats zou moeten krijgen, en voor zover er feiten zijn geven die hen gelijk: op de vier dagscholen in Nederland waar leerlingen filosofie als eindexamenvak kunnen kiezen doet maar liefst twintig à veertig procent dat.

Enquête

Het gaat hier om een experiment dat inmiddels aan zijn dertiende jaar bezig is. Op basis van de leerlingenaantallen alleen al verdient deze proef de kwalificatie “geslaagd”, en het lijkt dan ook de hoogste tijd de experimenteerfase maar eens af te sluiten.

Niemand schijnt daar echt tegen te zijn, ook de bevoegde instanties op het ministerie niet, maar er is één groot probleem: het mag allemaal geen extra geld kosten. Ook nu moeten de scholen die meedoen aan het experiment zelf ruimte maken binnen het rooster, en dat gaat per definitie ten koste van de uren van andere vakken.

Waarschijnlijk krijgt filosofie binnenkort wel een officiële status, maar mogen de scholen zelf weten of ze er een deel van hun tijd en geld in willen steken. Omdat de leerlingenaantallen nog steeds teruglopen en een nieuw eindexamenvak veel moeizaam geknoei met roosters betekent, verwacht niemand dat scholen straks enthousiast en masse filosofie gaan onderwijzen.

Worden de pubers van Nederland daarmee tekort gedaan? Zijn kinderen van vijftien of zestien of zeventien trouwens niet wat jong voor zo’n vak? Wat vinden degenen die filosofie kiezen er leuk aan, en wat juist niet? Dat zijn vragen die zijzelf, hun leraren en hun ouders kunnen beantwoorden.

Twee enthousiaste propagandistes van filosofie als serieus examenvak (Karin Daalderop en Ida Jongsma) hielden onlangs een kleine enquête om de meningen eens te peilen.

Daalderop en Jongsma zijn filosofen, en geven beiden les op een middelbare school. De enquête legden ze voor aan leerlingen, hun ouders en leraren van de school waar Jongsma les geeft: het Montessori Lyceum in Amsterdam. Die school heeft de grootste filosofiepopulatie van het land: vorig jaar deden vier van de zeven klassen eindexamen filosofie, bij elkaar 92 kandidaten. Dat aantal groeit ieder jaar, komende zomer zullen 105 Montessori-leerlingen meedoen aan het centraal schriftelijk. En zo te zien met behoorlijk wat plezier.

Vrijwel iedereen die de vragenlijst ingevuld heeft zegt veel te leren en de stof belangrijk en interessant te vinden. De droom van iedere docent zou je haast zeggen. Daar komt nog bij dat ook de ouders en de leraren die andere vakken geven het bijna allemaal even prachtig vinden.

Wie het lesprogramma ziet kan daar wel inkomen. Filosofieboeken voor de middelbare school bestaan niet of nauwelijks, dat betekent dat het materiaal door de leraren zelf wordt samengesteld.

Op het Montessori Lyceum heeft dat geleid tot een aantrekkelijk ogende stapel ‘readers’: stukken tekst in alle soorten en maten, van Plato tot Marx, van Dessaur tot Darwin, alles verluchtigd met plaatjes, cartoons en opgaven zoals die aan het begin van dit stuk. Aan de hand hiervan worden de landelijk verplichte onderwerpen behandeld. Alle kinderen moeten bijvoorbeeld iets van ethiek, iets van sociale filosofie, maar ook iets van kennistheorie en wetenschapsfilosofie weten. Verder moeten ze in de loop van drie jaar een enorme lijst termen leren thuisbrengen (syllogisme, positivisme, premisse, marxisme noem maar op).

Veeleisend

Wordt er in de vierde nog veel ruimte gegeven aan het zelf bedenken van antwoorden op vragen als “Waarom zijn er mensen?”, “Hebben alle mensen hetzelfde doel in hun leven?” en “Hoe weet je dat iets waar is?”, in de hoogste twee klassen worden leerlingen verondersteld de antwoorden van ánderen te begrijpen en te overzien. De bedoeling is dat er tegen die tijd een vruchtbare voedingsbodem gelegd is, te weten: verwondering, al volgens Plato “het begin van de wijsbegeerte”. Wie geleerd heeft zich te verbazen over alledaagse dingen is een eind op streek.

Geen geringe opgave al met al. Filosofie blijkt dan ook als een weliswaar leuk en nuttig maar ook moeilijk vak gezien te worden. Opmerkingen als “Je moet er wel veel voor doen” en “Het is veeleisend en vraagt concentratie” zijn dan ook in grote getale op de enquêteformulieren terug te vinden. Daarnaast zeggen ze bijna allemaal dat ze “anders zijn gaan denken”: “Alles is veel gecompliceerder geworden” schrijft een meisje uit de vijfde, “Filosofie nuanceert mijn gedachten en traint mijn hersenen” vindt een ander.

Maar de lessen leveren ook aanhangers op. Een meisje van zestien schrijft bijvoorbeeld: “Sartre heeft mij doen beseffen dat ik de verantwoordelijkheid draag voor alles wat ik doe en zeg en die verantwoordelijkheid probeer ik en durf ik nu dan ook te aanschouwen en te dragen. Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in de delen.”

Dat existentialisme is trouwens ook op andere scholen een succesnummer. “Dat komt”, zegt Jongsma, “omdat ze op een leeftijd zijn waarop er van alles met ze gebeurt. Eigenlijk beginnen ze net. Dat betekent aan de ene kant dat je ze nog alles kunt wijs maken natuurlijk, (maar dat geldt voor alle vakken), aan de andere kant is het nou net zo leuk omdat ze voor het eerst de rijpheid hebben om zich van alles af te vragen. Het existentialisme met zijn nadruk op het individu past daar goed bij. En ze komen het ook weer tegen bij Frans.”

Dat het pubers zijn is wel vaker te merken. Jongsma: “Soms beginnen ze te roepen: wanneer gaan we het nu eens over échte dingen hebben? En als ik dan vraag wat ze daarmee bedoelen dan zeggen ze: over GEVOEL. Alsof er een echte oplossing is voor het leven en of ik het antwoord dan maar even wil geven! Maar dat is nou net filosofie: ze mogen er zelf achterkomen dat die oplossing er niet is”.

Een zekere hang naar alomvattende theorieën valt ook te bespeuren bij de onderwerpen waarover de leerlingen in de zesde een scriptie schrijven. Ze mogen dan helemaal zelf een filosoof, een stroming of een thema kiezen, de juf verbiedt alleen Kant en Hegel, “omdat ze zich daar per definitie aan vertillen”. Dingen die tijdens de les niet behandeld zijn kunnen nu een kans krijgen: “Reïncarnatie en Karma”, “Steiner en Kunst”, “Dromen, de stem van de natuur”, “Boeddhisme” en “Capra en het Keerpunt” zijn enkele van de titels die dat dan oplevert. Maar ook “De Stijl”, “Socrates”, “Black Power”,”Descartes” en “Schizofrenie” mogen.

Argumentatieleer

Over wat je kinderen van pakweg vijftien tot twintig op dit gebied moet en kunt bijbrengen verschillen de meningen overigens nogal. Juist omdat er geen schooltraditie voor filosofie is hebben leraren nogal wat vrijheid bij hun interpretatie van het vak. Lang niet alles is verplicht, het is een breed vak en leraren kunnen over het algemeen hun stokpaardjes vrijelijk berijden.

Die laatste mogelijkheid heeft bijvoorbeeld een kleine schoolstrijd tussen Amsterdam en het noorden van het land tot gevolg. Op het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden en het Praedinius Gymnasium in Groningen moeten ze niet veel hebben van de humanistische inslag van het Montessori Lyceum. Wetenschapsfilosofie, logica en argumentatieleer vormen daar de hoofdmoot.

Spruit in Groningen laat zijn leerlingen bijvoorbeeld zelf een empirisch onderzoekje opzetten (“Is het zo dat mensen die roken meestal ook drinken?”), en in plaats van het werkstuk dat de Amsterdamse kinderen moeten maken bestaat het schoolonderzoek in Groningen uit het toepassen van de netgeleerde argumentatieleer op een tekst.

Bij de behandeling van de geschiedenis van de filosofie ligt de nadruk op de periode van Copernicus tot Newton. Volgens Spruit is filosofie moeilijk, “maar het is het enige vak waar je iets aan hebt op de universiteit. Soms is het abstractieniveau van de kinderen nog niet ver genoeg ontwikkeld om de leerstof ‘voorstelbaar’ te maken. Dat geeft niet echt. Omdat ik alle lesmateriaal zelf heb gemaakt kan ik er ook mee ‘spelen'”.

Een voordeel van “werken met eigen werk” is dat je er volledig achter kunt staan en niet voortdurend allerlei voorbehouden hoeft te maken en dingen hoeft te verbeteren in het boek van een ander.

Pieron in Leeuwarden heeft zo langzamerhand een zee aan mogelijkheden voor zijn leerlingen geschapen: ze kunnen allerlei deelgebieden kiezen waar materiaal over bestaat. Zo hebben de leerlingen hier de mogelijkheid om zich in computers en Artificiële Intelligentie te verdiepen. Wetenschapsfilosofie moet volgens Pieron de harde kern van zijn vak zijn: “Daar hebben ze iets aan voor later”.

De meest zinvolle discussies kunnen zich volgens hem afspelen rondom de zogenaamde Nature/Nurture vraag (is iets aangeboren of aangeleerd?). Hij vertelt zijn leerlingen daar eerlijk bij dat hij als aanhanger van Skinner het meest in Nurture ziet. Dit in de hoop al te veel beïnvloeding te voorkomen.

Iets anders gaat het toe in de vierde en laatste dagschool waar leerlingen eindexamen kunnen doen in filosofie: de Christelijke Scholengemeenschap Oude Hoven in Gorinchem. Uiteraard krijgt “het bijbelse gezichtspunt” hier meer aandacht. Docent van der Kam zal hier in ieder geval niet geconfronteerd worden met een klas vol mensen die het Scheppingsverhaal niet kennen, iets dat Jongsma wel overkwam (“Ze vinden dat allemaal een onzin-verhaal, belachelijk gewoon. Dat we op zondag rusten omdat dat in de bijbel staat begrijpen ze ook absoluut niet”).

Van der Kam ziet het overigens als zijn taak zo objectief mogelijk les te geven. Soms zorgt hij zo voor eye-openers, bijvoorbeeld door zijn leerlingen erop te wijzen dat het idee van een onsterfelijke ziel in de bijbel nauwelijks voorkomt, en afkomstig is van Plato.

Uitslovers

Echt moeilijk lijken alleen die leraren het te hebben die filosofie moeten geven op scholen waar het geen eindexamenvak is. Binnen de kortste keren vallen ze, als ze niet uitkijken, in de maatschappijleer-klasse: lekker gratuit discussiëren en vliegtuigjes gooien. In het bijzonder de vier-HAVO klassen lijken niet vol lieverdjes te zitten.

Hier laat zich ook het duidelijkst het gebrek aan traditie voelen: de kloof tussen de universiteit waar de leraar vandaan komt en de HAVO-leerling blijkt stukken moeilijker te overbruggen dan die met het VWO. Bestaande teksten zijn gauw te moeilijk en bovendien moet de leraar nogal eens vechten tegen de tendens dat iemand die bijvoorbeeld een filosofieboek uit de bibliotheek haalt minstens een halve zonderling is en ieder geval een uitslover.

Betsy van Oortmarssen (ze werkt op de Stedelijke Scholengemeenschap in Leeuwarden) probeert grip op de klas te krijgen door op z’n jan-boerenfluitjes abstractere kwesties aan de orde te brengen. Ze begint bijvoorbeeld heel laag bij de gronds wat ethische problemen aan de orde te stellen: Een rolletje drop stelen bij de MIRO, (“die zit hier om de hoek, en dat gebeurt natuurlijk aan de lopende band”), mag dat? En is dat iets anders dan net zo’n rolletje stelen bij de kruidenier?

Vandaar moet dan de stap naar algemenere vragen over goed en kwaad gezet worden. Socrates behandelt ze door te proberen hem in deze tijd te plaatsen: “Stel je voor dat die man nou door onze straten stapt. Hoe zou dat zijn? Wat zou hij zeggen?”

Ook bij Daalderop klinkt soms nogal wat cynisme door over de mogelijkheden in haar vier-HAVO-klas. Ze geeft daar Levensbeschouwelijke vorming, “Maar”, zegt ze, “de leerlingen zijn niet in beschouwingen geïnteresseerd en niet in vorming, ze willen alleen maar leven “.

Er moet nog altijd een stok die hard kan slaan achter de schooldeur staan. Misschien moest filosofie maar eens een echt vak worden. Dan kunnen er ook fatsoenlijke lesprogramma’s voor allerlei schooltypes gemaakt worden, en dan kan de versnippering over andere vakken verdwijnen. Ook al leren kinderen soms alleen maar een beetje goochelen met termen, ze hebben in ieder geval de kans om minder zwart-wit te gaan denken.

Kom niet aan mijn voorhoofdskwabben

DE VERGISSING VAN DESCARTES, Gevoel, verstand en het menselijk brein door Antonio R. Damasio. Vertaling L. Teixeira de Mattos. Uitgever Wereldbibliotheek, 319 p., f 49,50

Om het verband tussen gevoel en verstand aan te tonen, richt het onderzoek zich vaak op mensen met een hersenbeschadiging. Het beschadigde deel heeft soms niet alleen denkfuncties weggenomen, maar ook bepaalde gevoelens. Antonio Damasio geeft in zijn boek ‘De vergissing van Descartes’ (dat lichaam en geest niets met elkaar te maken hebben) een aantal saillante gevallen van verdwenen gevoelens.

Heerlijk toch, die Descartes. Al sinds jaar en dag is hij met z’n ‘Ik denk, dus ik ben’ het lievelingetje van schrijvers, onderzoekers en journalisten. Zo’n lekker kort statement, waar je toch eindeloos op kan variëren. Net nog zette HP/De Tijd ‘Ik eis, dus ik ben’ op z’n omslag, maar volgens de in Amerika werkzame neuroloog Antonio Damasio is het nog weer anders.

Wat hij met De vergissing van Descartes bedoelt, verklapt hij overigens pas zo’n twintig pagina’s voor het einde van zijn boek met die titel: het is niet ‘ik denk, dus ik ben’, concludeert hij, maar het ligt eerder andersom. Want in den beginne was het lichaam, en veel later kwamen pas de geest en het woord.

Een flauw woordspelletje voor onder filosofen? Niet helemaal. Om te beginnen is het natuurlijk domweg een evolutionair feit: hersenloze wezens waren er het eerst.

En omdat we daaruit voortgekomen zijn, zijn lichaam en geest veel meer verweven dan we – mede onder invloed van Descartes’ dualistische ideeën – geneigd zijn te denken.

Gevoelens zijn in feite altijd gewaarwordingen van het lichaam, claimt Damasio. En het onderscheid tussen gevoel en verstand is kunstmatig. De veelgehoorde overtuiging dat emoties het redelijke denken meestal in de weg zitten, klopt niet. Sterker nog, zonder gevoel kunnen we niet verstandig zijn.

Is dat waar? Kan Damasio dat bewijzen? Wel, de aanwijzingen komen van een bepaalde categorie neurologische patiënten. Hersenbeschadigingen zijn nou eenmaal nog steeds de belangrijkste kijkgaatjes op ons brein.

Het eerste deel van het boek is opgehangen aan het bizarre levensverhaal van Phineas Gage, in 1848 de zeer capabele voorman van een ploeg arbeiders die in Amerika aan een spoorlijn werkt. Gage is 25 als hij een noodlottig foutje maakt waardoor het kruit dat een rots moet opblazen voortijdig in zijn gezicht ontploft.

De ijzeren aanstampstaaf die Gage speciaal heeft laten maken, doorboort daarbij met grote kracht zijn linker kaak en vliegt er via zijn voorste hersenen weer uit. Tot ieders stomme verbazing blijft Gage bij bewustzijn, is hij binnen een paar minuten weer op de been, en kan hij gewoon praten. Nog meer wonderbaarlijk geluk zorgt dat Gage de uiteraard op zijn ongeluk volgende infectie overleeft.

De ijzeren staaf en Gages schedel zijn voor het nageslacht bewaard gebleven. Pas onlangs is met een computermodel uitgerekend welk deel van zijn hersenen hij – naast het zicht in zijn linkeroog – de rest van zijn leven moest missen.

Dat is interessant om te weten, omdat Phineas Gage een totaal andere man werd. Ogenschijnlijk functioneerde hij volstrekt normaal: geen verlammingsverschijnselen, geen verlies in lichaamskracht, geen spraak- of geheugenstoornissen. Maar zijn gedrag was ineens dat van een lastig, vervelend mannetje.

Waar zijn omgeving altijd hoog op had gegeven van zijn rustige gewoonten, zijn evenwichtige geest, zijn schranderheid, intelligente vakmanschap, en zijn doorzettingsvermogen, was hij nu ongedurig, schold en vloekte, leek geen moer meer om andere mensen te geven, en verdroeg geen tegenwerking of advies.

Wel raakte hij onevenredig sterk gehecht aan dieren en dingen (onder andere aan die staaf), en ontwikkelde een verzamelwoede. Ook begon hij grootse toekomstplannen te maken, die hij even gemakkelijk weer liet varen. Of hij beet zich helemaal vast in iets, om dan toch voordat het af was weer naar iets anders over te stappen. Hij was wispelturig en onzeker, en hem tot de orde roepen had geen enkele zin.

Voortaan werd Phineas Gage uit elke baan ontslagen, zelfs als circusattractie in het Barnum’s Museum in New York hield hij het niet erg lang vol. Veel over zijn verdere leven is er niet bekend. Toen hij 38 was, stierf hij na een epileptische aanval.

Kennelijk heeft een mens zijn voorhoofdskwabben nodig voor sociaal gedrag, voor vooruit plannen en voor inlevingsvermogen in een ander, en gevoel in het algemeen, concludeert Damasio ook aan de hand van contemporaine Phineas Gages, zoals zijn patiënt ‘Elliot’.

Diens geval is wat minder spectaculair: een (overigens succesvol verwijderde) tumor beroofde hem van zijn vermogen een doeltreffend plan te maken, en van de mogelijkheid te leren van zijn fouten. Zelf zit hij daar niet mee. Anders dan Gage slaat Elliot geen obscene en godslasterlijke taal uit, maar is beleefd, innemend en ingetogen. Hij zit vol ironische grapjes. Maar bij alles is hij even koel en afstandelijk. Ook praten over zijn eigen lot raakt hem niet, terwijl hem nogal wat naars is overkomen, en hij dat ook heel goed weet.

Elliot raakt net als Gage indertijd telkens zijn baan kwijt, omdat hij zijn tijd niet meer goed kan indelen, en bijvoorbeeld in een klein onderdeel van zijn taak blijft steken, en het geheel uit het oog verliest.

Ondertussen lijkt hij helemaal normaal, en hij scoort ook normaal op ongeveer elke denkbare psychologische test. Elliot had al heel wat vruchteloze therapiesessies achter de rug voor hij bij Damasio kwam. Die bezorgde hem in elk geval een ziekte-uitkering, door uit te leggen dat Elliot zich niet aanstelde, maar werkelijk niet in staat was werk naar behoren uit te voeren. Dat dat hoort bij dat type hersenletsel.

Damasio gaat ervan uit dat de veranderingen in de vermogens en het gedrag van patiënten met letsel in een bepaald deel van de voorhoofdskwabben niet toevallig samengaan. Het gebrek aan besluitvaardigheid – waarbij het bedenken en beredeneren van mogelijkheden en keuzes geheel intact is, maar de juiste knoop doorhakken niet meer wil lukken – hangt volgens hem direct samen met de ‘emotionele verarming’ bij deze mensen.

Er is nog een type patiënt waar iets soortgelijks gebeurt, alleen slokt bij die mensen de rest van hun ziekteverschijnselen meestal alle aandacht op. Damasio beschrijft lijders aan anosognosie, ‘ziekteonwetendheid’. Een beschadiging in een bepaald gebied in de rechter hersenhelft, van waaruit bewegingen gestuurd worden, leidt zowel tot verlamming, als tot de ontkenning daarvan.

Anosognosiepatiënten beweren dat er niets met ze aan de hand is. En net als de Gage-achtige gevallen hebben ze verstoorde emoties, vertonen sociaal onaangepast gedrag, en zeggen ook zelf niets te voelen.

De Amerikaanse rechter William Douglas werd er beroemd van. Hoewel hij in een rolstoel zat, deed hij de verhalen over zijn verlamming af als sprookjes. In eerste instantie schreef men zijn houding toe aan zijn humor en wilskracht, maar het eindigde allemaal zeer pijnlijk, omdat Douglas koppig weigerde zijn werk op te geven. En zelfs nadat hij daartoe gedwongen was, bleef hij doen alsof er niets aan de hand was.

Rara. Verschillende verschijnselen koppelen is één ding, een neurologische beschrijving van de gang van zaken in ons brein geven nog een andere. Dat is wel wat Damasio in de volgende gedeeltes van zijn boek probeert.

De op zich boeiende gevalsbeschrijvingen aan het begin zijn al niet echt eenvoudig – nog veel meer plaatjes had daarbij kunnen helpen – maar verderop is Damasio’s verhaal dikwijls in de verste verte niet meer geschikt voor het lekenpubliek voor wie De vergissing van Descartes wel bedoeld is. Dat is verschrikkelijk jammer, want het gaat over zulke interessante zaken.

Goed, dit zijn een paar dingen die ik eruit haalde. Connecties is natuurlijk hét sleutelwoord voor de werking van onze hersenen, waar de uitlopers van de zenuwcellen bij elkaar honderdduizenden kilometers lang zijn. Je hebt neurale circuits en circuitjes voor van alles en nog wat. Deels zijn die aangeboren, deels ontwikkelingen die zich.

Dat zowel nature als nurture een belangrijk aandeel heeft in wie en wat we worden en zijn, legt Damasio heel aardig uit aan de hand van de neurale ontwikkeling van het brein.

Voorstellingen is het tweede sleutelwoord. Dat is waaruit onze kennis bestaat, dat is waarmee we denken. Voorstellingen (let op, met dat woord worden niet alleen beelden bedoeld) zijn gebaseerd op neurale representaties, die ofwel worden gevormd met behulp van informatie die via de zintuigen binnenkomt, of die worden aangestuurd door wat Damasio ‘disposities’ noemt.

Dat zijn aangeboren, of in de loop van je leven gevormde neurale vuurpatronen, die het mogelijk maken voorstellingen opnieuw te reconstrueren. Immers, we slaan geen complete afbeeldingen of films of geluidsbanden of wat dan ook op.

In die disposities zit onze ervaring zou je kunnen zeggen, inclusief alle ‘ervaring’ die we van de evolutie automatisch bij onze geboorte meekrijgen. Die dispositionele representaties ziet hij ook als ‘samenkomstpunten’ voor allerlei in het brein binnenkomende of al opgeslagen informatie.

Aan de basis van ons gevoelsleven ligt onze ‘lichaamstoestand’, je ‘algehele bevinden’, zeg maar. Damasio heeft het over een ‘somatisch stempel’, zoiets als een continu seintje dat zegt ‘ik voel me oké/ik voel me niet oké’.

Dat kan bestaan doordat lichaam en geest nu eenmaal fysiek verbonden zijn, en continu boodschappen uitwisselen. Emoties komen voort uit een combinatie van je lichaamsgevoel en gedachten. Emoties op hun beurt helpen je verstandige beslissingen te nemen.

Je leest als het ware aan je algehele gevoel af of iets een goed plan is, of niet. Wie alleen met de zuivere rede werkt, loopt kans tot in het oneindige te blijven wikken en wegen.

Die lichaamstoestand is overigens meestal een achtergrondgevoel, en hij wordt aan een stuk door ‘bijgewerkt’. Die anosognosiepatiënten kunnen dat bijwerken niet meer, zegt Damasio.

En hij maakt onder meer daaruit op dat je (al dan niet bewuste) kennis nodig hebt over hoe je eraan toe bent, om op een goede manier beslissingen te kunnen nemen, en je in het sociaal verkeer te handhaven.

Het interessantste van Damasio’s betoog zit hem misschien wel in het feit dat hij een paar aanwijzingen lijkt te hebben dat wat wij ‘het zelf’ noemen, en ‘de rede’, en ook ‘de vrije wil’, afhangt van een heel specifiek deel van de hersenen.

Omdat hij aldoor het lichaam als uitgangspunt neemt, beweert hij het probleem van de ‘homunculus’ (het kleine mannetje in je hoofd waar je toch altijd weer bij uitkomt zodra je zaken als het bewustzijn probeert te verklaren) opgelost te hebben. Maar je kan ook zeggen dat hij hem gelokaliseerd heeft: hij zit ergens achter je voorhoofd.

Tegen twee dingen bleef ik uiteindelijk aanlopen bij dit boek. Ten eerste kon ik me op den duur niet meer aan de indruk onttrekken dat Damasio veel moeilijke woorden nodig heeft voor wat vaak toch echt niet zulke diepgravende inzichten zijn.

Zo hadden mijn medepubers en ik op ons zestiende al uitgeknobbeld dat echt altruïsme niet bestaat, omdat we haarscherp zagen dat lief zijn voor anderen zeer zeker tot voordeel voor jezelf kan strekken. Ook wisten we toen volgens mij al best dat lichaam en geest zwaar samenhangen (al dat blozen, de hartkloppingen, die vlinders en die pijn in je maag), en dat het onzin is te denken dat je je gevoel kunt uitschakelen.

Dat je voor acceptabel sociaal gedrag een gevoel van betrokkenheid en inlevingsvermogen in anderen nodig hebt, is ook niet direct schokkend te noemen. Maar Damasio brengt die dingen of het spiksplinternieuwe ontdekkingen zijn, en door zijn academische stijl zou je dat als lezer nog bijna gaan denken ook.

Ten tweede kan al het jargon en ingewikkelde geformuleer toch niet verhullen dat Damasio over veel dingen knap vaag is. Hij is vaag over wat emoties zijn en wat het verschil met gevoel is, hij is vaag over wat die predisposities inhouden, hij is vaag over wat hij met een zelf bedoelt, en een ik, en een vrije wil.

De laboratoriumtesten die hij aan het slot beschrijft, en die net als leugendetectoren gebaseerd zijn op het meten van reacties aan de hand van de huidspanning, zijn me ook te vaag als het erom gaat uit te maken wat ze nou precies bewijzen.

Anderzijds snijdt Damasio veel behartigenswaardigs aan. Descartes’ strikte scheiding tussen lichaam en geest zit diep verankerd in ons denken, in onze cultuur en dus bijvoorbeeld ook in onze dokters. De geneeskunde werkt met een onvolledige theorie van de mens, stelt hij, en hij heeft gelijk.

De vergissing van Descartes is alles bij elkaar een bijzonder onevenwichtig boek. Damasio beweert dat hij het als een gesprek met een vriend heeft opgezet, maar die vriend komt nergens aan het woord. Het is een monoloog, die soms begeesterd is, maar dan ineens vol gezochte onzinuitwijdingen zit en even later weer gebukt gaat onder grote hoeveelheden onuitgelegd jargon: waar zit het ‘subfornicaal orgaan’, wat is het ‘putamen’, wat doet de ‘associatieschors’, wat betekent ‘ventromediaal’?

En in een boek voor een breed publiek kan je echt niet aankomen met botweg een literatuurverwijzing, zonder in je tekst te melden wat er in die literatuur te vinden is. Damasio doet dat herhaaldelijk.

Dat is allemaal nog tot daaraan toe, Damasio heeft waarschijnlijk reuze zijn best gedaan begrijpelijk te zijn. Maar wat bezielt toch al die uitgevers? Er verschijnen steeds meer van die veel te lastige boeken geschreven door onderzoekers. En uitgevers liegen de lezer botweg voor in hun flapteksten die telkens toegankelijkheid en begrijpelijkheid beloven. Het zal wel een combinatie van luiheid en krenterigheid zijn. Een boek goed (laten) redigeren kost veel moeite en tijd, en dus geld.

En toch is het kortzichtig niet te investeren. Naar mijn idee had je van Damasio met een aantal hele fikse ingrepen een wereldseller kunnen maken. Wie worstelt er nou niet met verstand en gevoel? Bovendien zal het publiek zoals het nu gaat op er den duur niet meer intrappen. En dan kopen ze ook de echt goede boeken niet meer.

Corine de Ruiter: ‘Psychopaten zijn echt heel anders’

“Ik heb het ook hoor”, zegt Corine de Ruiter, Nederlands eerste hoogleraar forensische psychologie, “toen ze bij mij van de week m’n auto hadden opengebroken, alleen maar omdat er kleren voor de stomerij in lagen, dan denk ik net als de meeste mensen: wie zoiets doet moest maar eens een half jaartje op water en brood. Maar je moet het natuurlijk rationeel bekijken.”

Rationeel. Het is een begrip dat deze middag in de Utrechtse Dr. Henri van der Hoevenkliniek, waar zo’n 120 TBS-gestelden zitten, steeds terugkomt, net als ‘empirisch onderzoek’. Dat wijst bijvoorbeeld uit dat gevangenisstraffen helemaal niet helpen. Sterker nog: juist degenen die een relatief korte straf van een paar maanden tot een half jaar hebben moeten uitzitten, vormen daarna de groep met de meeste kans om met justitie in aanraking te komen. De Ruiter (41) legt het uit: “Dan zijn ze hun baan kwijt, hun huis, hun vriendin en in de bajes ontmoeten ze nog meer gajes. Dat is dus niet de weg. Begeleiden, resocialiseren, dat werkt beter. En in plaats van gevangenisstraf zou je ze bijvoorbeeld vaker elektronisch huisarrest kunnen geven.”

Vier dagen per week is De Ruiter hoofd van de afdeling onderzoek van de Van der Hoevenkliniek, de vijfde dag is voor haar bijzonder hoogleraarschap aan de Universiteit van Amsterdam. Veel, heel veel in ons strafstelsel is volgens De Ruiter ‘voor verbetering vatbaar’, zoals de titel van haar oratie vorig jaar luidde. Hartstochtelijk pleit ze voor meer inbreng van gedragswetenschappers, en voor een aparte specialisatie forensische psychologie. Een vak dat, anders dan sommigen blijken te denken, helemaal niets te maken heeft met het verwerken van fileleed en treinvertragingen of andere problemen van forensen. Het gaat om het raakvlak van psychologie en het recht. Om daderprofiel-analyses bijvoorbeeld, die moeten helpen bij de opsporing van zware-delictplegers, en om risicotaxaties, die een inschatting moeten geven van de kans dat iemand die al vastzit opnieuw misdaden zal begaan.

De Ruiter schetst iets van de geschiedenis: “Het begon rond 1970, in Amerika, met een paar heel ervaren rechercheurs van de FBI, die naar moord- en zedenzaken keken. Ze hielden diepte-interviews met daders en kwamen toen voor het eerst met daderprofielen. Het was een tamelijk rudimentair onderzoek, maar ze maakten bijvoorbeeld onderscheid tussen ‘georganiseerde’ en ‘ongeorganiseerde’ moordenaars. De eerste groep plant het helemaal, werkt bijvoorbeeld ook het slachtoffer weg, terwijl het andere type juist impulsief is, niet van plan was te gaan moorden, en daarom vaak wel allerlei sporen achterlaat. Daar werd toen overigens wel erg veel aan opgehangen, tot en met in welk type auto wie reed, geloof ik, maar het was wel het begin. Voor het eerst was er toen ook de neiging om de gedragswetenschappen meer bij de opsporing te betrekken.”

Daarna heeft het vak zich verder ontwikkeld en is bijvoorbeeld gebleken dat door de bank genomen onder meer het type dader, het soort slachtoffer en de crime scene samenhangen. “De impulsieve groep pleegt dikwijls delicten vanuit gestoorde relaties”, vertelt De Ruiter. “Het zit niet lekker met hun partner, ze hebben zwakke sociale vaardigheden, zijn van die loser-types.”

Allemaal elementen voor het opstellen van een daderprofiel. De Ruiter is ervan overtuigd dat die, mits gebaseerd op zorgvuldig onderzoek, echt nuttig zijn voor de politie, al geeft ze onmiddellijk toe dat het woord ‘daderprofiel’ niet zo’n beste klank heeft sinds de Gerrit-Jan Heijn-zaak. De politie dacht toen te maken te hebben met een ‘dadergroep’ die alleen lagere school had, terwijl het in werkelijkheid uiteindelijk bleek te gaan om één enkele ingenieur, Ferdy E.

Honderd procent zekerheid is er nooit, ook niet bij het voorspellen of iemand opnieuw in de fout zal gaan, maar daarom kun je nog wel verfijnde risicoanalyses maken. En dat moet veel meer gebeuren, vindt De Ruiter die zich onder meer hevig verbaast over het gebrek aan structureel onderzoek naar de effecten van wat nu TBS heet, en vroeger TBR (Ter Beschikkingstelling van de Regering). In Nederland bestaat een dergelijke strafoplegging, die daders terug in de maatschappij moet brengen zonder dat ze daarvoor nog gevaar opleveren, al sinds 1928.

“Dat is heel lang”, zegt De Ruiter, “en Nederland is ook uniek. Alleen in Duitsland heb je wel iets dergelijks, maar bij ons ligt de nadruk erg op resocialisatie. We hebben in het hele land ook maar één zogeheten ‘long-stay’-afdeling, waar mensen zitten van wie je verwacht dat ze er waarschijnlijk nooit meer uitkomen. Gemiddeld verblijven TBS’ers tussen de vijf en acht jaar in een TBS-kliniek. Hier zijn de cijfers overigens iets gunstiger: gemiddeld zitten ze zo’n vier jaar intramuraal, dus echt opgesloten, binnen de muren, en dan nog een jaar wat we ‘transmuraal’ noemen: dat patiënten op proefverlof gaan, of werken buiten de kliniek.”

Er zijn meer cijfers en termijnen bekend: ter beschikking gestelden vormen zo’n zeven procent van alle gedetineerden in Nederland, en een vijfde pleegt binnen acht jaar nadat ze vrijgekomen zijn opnieuw een ernstig gewelds- of zedendelict. Dat laatste is overigens al twintig jaar zo, alleen is de aandacht in de media voor recidivisten behoorlijk gegroeid in die tijd. Eigenlijk zou je verwachten dat dat ook vanzelf tot meer en beter onderzoek had geleid, maar dat is nauwelijks het geval.

De Ruiter: “Wat mij vooral erg opvalt, is dat het zo toevallig lijkt of iemand TBS krijgt. De ene persoon met die en die achtergrond en problematiek komt in de gevangenis, de ander komt hier terecht. Maar er is sinds 1928 dan ook nooit systematisch onderzoek gedaan, bijvoorbeeld naar de effecten, of naar de verschillen met lang-gestraften. Het ministerie stimuleert dat nog steeds niet. Het onderzoeksprogramma dat we hier een tijd terug begonnen zijn, wordt betaald door de instelling zelf.”

De toevalsfactor zit hem onder meer in het arrondissement waar een verdachte wordt berecht. In het vooronderzoek kan de rechter-commissaris al dan niet besluiten een zogeheten rapportage pro justitia door gedragsdeskundigen te laten opmaken. De ene rechter-commissaris doet dat veel vaker dan de ander, en zonder zo’n rapportage kan iemand nooit tot TBS veroordeeld worden. Maar ja, er bestaat helemaal geen richtlijn voor in welke gevallen een rapportage nodig is, al wordt daar nu wel aan gewerkt.

De rapportages zelf blijken bovendien onderling zowel kwalitatief, inhoudelijk als in de vorm enorm uiteen te lopen. Ook daar bestaan namelijk geen richtlijnen voor. De Ruiter formuleerde in 2000 een aantal aanbevelingen voor het stellen van forensische diagnoses, maar verplicht gesteld zijn die niet, al gaat het om zaken waarvan je geneigd bent te zeggen: nogal wiedes. Zo beveelt ze aan om de rapporterende psycholoog vooral uit verschillende bronnen te laten putten voor zijn informatie, en in elk geval nooit zijn diagnose alleen te bepalen op grond van wat De Ruiter ‘zelfrapportage’ noemt. Dat dat niet ongebruikelijk is stemt tot nadenken. Het gaat hier immers om moordenaars, verkrachters en andere zware delictenplegers.

Hebben die eenmaal TBS gekregen dan kan er nog steeds veel misgaan. “De Inspectie van Geestelijke Gezondheidszorg heeft net alles doorgelicht”, vertelt De Ruiter. “Ze stelden vragen als: is er een behandelplan, en als het er is wordt het dan ook uitgevoerd? Hoe is de kwaliteit van het personeel? Enfin, ik geloof dat maar drie van de twaalf TBS-instellingen een goed of een voldoende kregen.”

Het is alles bij elkaar bepaald ontluisterend, en je zou dus verwachten dat De Ruiters ideeën en haar onderzoek met groot enthousiasme worden begroet. Dat blijkt lang niet altijd het geval. “Voor een wetenschapper is dit geen gemakkelijke wereld”, laat ze zich ontvallen. Gegroeide praktijken omver krijgen is altijd lastig, en er botsen allerlei culturen. Neem het recht. De Ruiter noemt het een dogmatische wetenschap: “Juristen lezen naar de letter, en zeggen dan: hier zit een inconsistentie of deze redenering deugt niet.”

“Laatst had had ik het nog. Ik was opgetreden als getuige-deskundige in een strafzaak, en zat daarna in de zaal. Dan komt de officier van justitie met een verhaal dat de verdachte de ene keer iets anders heeft gezegd dan de andere, en dat het dus niet kan kloppen. Je kunt moeilijk opspringen, maar eigenlijk had ik hem wel toe willen roepen: mensen vertellen nooit woordelijk hetzelfde! Als ze dat wel doen hebben ze het waarschijnlijk uit hun hoofd geleerd. Maar in de strafrechtopleiding zit geen verplicht vak psychologie.”

Bij de TBS-instellingen heerst juist vaak de jaren zeventig mentaliteit van veel begrip en praten, en angst het individu onrecht aan te doen. “Maar ik zie de zin niet goed van met psychopaten eindeloos over hun jeugd doorgaan”, zegt De Ruiter. Juist naar psychopathie doet ze veel onderzoek. Onder psychopaten is de groep te vinden die vooralsnog onbehandelbaar lijkt. Er is een checklist die de verschillende typen uit elkaar haalt. Wie bijvoorbeeld afwijkende seksuele voorkeuren heeft (met kinderen, gewelddadige seks), en daarnaast hoog scoort op kenmerken als kil en emotieloos zijn, manipulatief gedrag vertonen en geen inlevingsvermogen hebben, zal zeer waarschijnlijk opnieuw een zwaar misdrijf plegen.

“Er zijn inmiddels onderzoeksresultaten van hersenscans”, vertelt De Ruiter, “en dat is fascinerend. Laat je een psychopaat gruwelijke plaatjes zien dan licht alleen zijn visuele hersenschors op, terwijl er bij andere delinquenten ook heel veel activiteit optreedt in hun limbisch systeem, waar de emoties zitten. Ook andere lichamelijke responsen, zoals de oogknipperreflex en de huidgeleidingsrespons zijn afwijkend bij psychopaten. Het is moeilijk te begrijpen dat ze echt heel anders zijn, maar je merkt het ook als je met ze praat: zo kil, en spijt zegt ze eigenlijk niks.”

De Ruiter pleit voor onderzoek waarbij aangeborenheid geen taboe onderwerp is. Ze is ook voor medicatie, omdat dat vaak de patiënten rustiger en aanspreekbaarder maakt. “Er zijn types bij die kunnen werkelijk geen moment stilzitten, hebben een onvoorstelbare hoeveelheid energie”, zegt ze. “En medicatie kan ook helpen bij de preventie van crimineel gedrag, iets waaraan nog veel te weinig wordt gedaan. Er zijn aanwijzingen dat Ritalin geven aan ADHD-kinderen inderdaad bij een aantal voorkomt dat ze crimineel worden, en vergeet niet dat er in de justitiële jeugdinstellingen nog veel meer mensen zitten dan in de TBS-klinieken.”

Er moet meer gediscussieerd worden over welke risico’s de samenleving wil nemen, en tegen welke kosten, vindt ze: “Nu is het vaak van dat kortetermijndenken. Die rapporteurs worden bijvoorbeeld heel slecht betaald voor wat ze allemaal geacht worden te doen, maar daar wil men dan niet meer voor uittrekken. Terwijl goede rapportages juist geld zouden besparen, omdat ze als het goed is zouden leiden tot een betere rechtsgang, een beter behandelbeleid, en uiteindelijk dus tot minder recidives.”

Corine de Ruiter (1960) studeerde klinische psychologie in Utrecht, waar ze in 1986 cum laude afstudeerde. Drie jaar later promoveerde ze in Amsterdam op de oorzaken van paniekaanvallen en agorafobie. Ook haar vervolgonderzoek als KNAW-fellow ging daarover, maar sinds 1995 is ze verbonden aan de Dr. Henri van der Hoevenkliniek in Utrecht, een forensisch psychiatrisch instituut, in de volksmond TBS-instelling geheten. Risicotaxatie van gewelddadig gedrag en forensische diagnostiek noemt ze de belangrijkste terreinen waarop ze zich nu beweegt. In 1999 werd ze voor een dag in de week aan de Universiteit van Amsterdam benoemd tot bijzonder hoogleraar Forensische Psychologie. Ze is een harstochtelijk pleitbezorgster van meer en beter wetenschappelijk onderzoek op het raakvlak tussen psychologie en recht. Daar lijkt ook alle reden voor.

“De ogen zijn een onderdeel van de hersenen, we passen ons aan als er iets mis is”

“De enige full time ogendokter in de tent ben ik”, zegt dr. A.J. Otto (62), algemeen directeur van het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut, het IOI.

Als om dat te demonstreren ontvangt hij in witte doktersjas, en het eerste dat in zijn kamertje in het Academisch Medisch Centrum in het oog springt, is zo’n letterkaart met steeds kleiner wordende lettertjes waarmee je je zicht kunt testen. Alleen valt er niets anders op te lezen dan ‘IOI’ en ‘OTTO’.

Het IOI bevindt zich in wat eens een parkeerplaats had moeten worden. Daar bleken toen technische bezwaren tegen te zijn, en nu is de kamer van Otto zo ongeveer de enige in het AMC waar de ramen open kunnen. De rest van het instituut is voor een willekeurige bezoeker een doolhof van gangen waarachter zich kantoortjes, werkplaatsen, laboratoria en andere werkruimtes bevinden. Volgens Otto werken er in totaal 102 mensen en zijn er 48 formatieplaatsen. “Allemaal specialisten, van immunologen tot fysici en biologen”, vertelt hij.

Het instituut bestaat sinds 1972, in het begin was het gehuisvest in het Wilhelmina Gasthuis. “Het idee erachter was heel logisch”, vindt Otto. “De minister zei: elk academisch ziekenhuis heeft een groot aantal opdrachten: naast de patiëntenzorg ook nog onderwijs, specialisten opleiden en onderzoek. De middelen zijn beperkt, en dan vormen de onderzoeksfaciliteiten altijd de sluitpost. Zowel financieel als in de tijd. Kijk, de poli’s zitten vol, die gaan toch voor. Voor het klinisch gebonden én voor het fundamenteel onderzoek heb je apparatuur en specialisten nodig. Daarom ontstond het plan die te concentreren. Er kwamen extra fondsen van het ministerie om interuniversitair fundamenteel onderzoek te doen.” 

Nóg accuter

“Uiteindelijk is dat alleen met de cardiologen en met oogheelkunde van de grond gekomen. We doen basic research naar het zien en het oog ten behoeve van de oogheelkundige universiteitsklinieken. En we breiden nog steeds uit. Alle Nederlandse universiteiten doen mee, alleen die van Nijmegen officieel nog niet. Dit jaar hopen we ook met de zeven Belgische universiteiten te gaan samenwerken. Er is nu al regelmatig contact. Met die participatie hopen we nieuwe wetenschappelijk personeel-plaatsen te creëren, ook al wordt ons ruimteprobleem dan nóg acuter.”

Er zijn ook andere contacten met het buitenland. Otto vertelt van een in Amsterdam opgeleide Arabier die nu onderzoek doet in Egypte en vanuit het IOI begeleid wordt. Verder zijn er projecten in Thailand (onderzoek naar eventueel Vitamine A-gebrek bij kinderen) en Sierra Leone waar gekeken wordt naar de resultaten van een therapie tegen rivierblindheid en naar immunologische factoren. 

Albino’s 

Het onderzoek in Amsterdam wordt voor een groot deel gestuurd door vragen vanuit de kliniek. “Dat is de kleuring van je werk”, zegt Otto nuchter. “Maar het blijft fundamenteel onderzoek. Bijvoorbeeld naar de vraag hoe het netvlies en de hersenen op kleur en beweging en dergelijke coderen, op welke manier de zenuwbanen naar de hersenschors lopen, en hoe de cellen daar geschakeld zijn. “

“Bij albino’s is er iets verkeerd met die banen, en daarover komt dan de vraag uit de kliniek. Daarnaast doen we ook veel onderzoek naar inwendige oogontstekingen, uveitis. Dat is geen gewone infectie, maar een aangeboren eigenschap. Die proberen we te analyseren en te overrulen met therapieën.”

“Onze oftalmologische morfologen houden zich ook met basisvragen bezig. Die willen weten hoe het anatomisch zit, bijvoorbeeld welke zenuwcellen waarmee verbonden zijn. Dat gaat dan met behulp van ‘tracertechnieken’, speciale kleurmethoden van weefselcoupes en de electronenmicroscoop, waarmee je ook naar de verbindingen tussen de zenuwcellen, de synapsen kunt kijken. “

“En dan is er de lens, een stukje glashelder weefsel in je oog dat zeventig, tachtig jaar helder blijft. Wat voor vezels zijn dat, hoe veroudert de ooglens, wat verandert er? Er zijn zoveel vragen, en we hebben hier ook de mensen en de apparatuur om antwoorden te vinden. Ik geloof dat er drie microscopen van twee ton staan. Dan zegt bijvoorbeeld iemand ‘gut, ik heb zo’n raar kristal gevonden in de lens van dat kindje, kunnen jullie daar eens naar kijken?’. In het biochemisch laboratorium onderzoeken ze bijvoorbeeld de samenstelling van tranen. Ondermeer wat de consequenties van medicijngebruik of vitaminegebrek daarvoor zijn.”

De afdeling oftalmogenetica van het IOI heeft ook de beschikking over een databestand met erfelijke gegevens. Otto: “Op het gebied van de oftalmogenetica zetten we steeds kleine stapjes. Indertijd is er op verzoek van oogartsen begonnen met het kijken naar erfelijke familiare oogaandoeningen. Gewoon nog volgens de oude Mendel-wetten. Komen er bijvoorbeeld kwaadaardige oogtumoren in de familie voor? Hoe erft het over? Is dat een geslachtsgebonden afwijking of niet? Dat soort vragen. Nu hebben we een bestand met eigenlijk alle families in Nederland waar iets speelt. In de rest van de wereld is men daar jaloers op. Inmiddels is het vaak één klein stukje eiwit dat je van alles kan zeggen: het is een DNA-laboratorium geworden.”

Maatschappelijk blind

Te zien aan de borden met foto’s die overal in het IOI hangen kan er met je ogen heel wat mis gaan. Otto vertelt over retinitis pigmentosa: “Als je dat hebt gaat je netvlies in de loop van je leven te gronde. Er is dan iets verkeerd met de stofwisseling van het netvlies. Het gaat vaak om jonge mensen die moeilijk in het donker kunnen zien, hun gezichtsveld raakt steeds beperkter, de koker wordt steeds smaller, maar daarbinnen zien ze wel scherp.”

“Het is soms voor anderen moeilijk te begrijpen dat die mensen op een gegeven moment maatschappelijk blind worden, maar wel de hele avond tv kunnen kijken. Wat ze dan doen is meer met hun ogen en hun hoofd gaan bewegen. De ogen zijn een onderdeel van de hersenen, we passen ons aan als er iets mis is. Adaptatie hoort bij zien.”

“Maar de hersenen redden wel altijd eerst zichzelf: wanneer er iets gebeurt, als je flauwvalt, of in shock raakt, of wat dan ook, dan zorgen de hersenvaten eerst dat ze zelf zuurstof krijgen. “

“Het oog is als het ware een uitstulping van de hersenen, en het netvlies wordt dan ook gevoed door de hersenvaten. De overige oogvaten worden niet zo in de watten gelegd en met egards behandeld als de hersenvaten. De vaatvliesvaten voeden de gele vlek, de macula lutea, het deel van het oog dat zorgt dat je scherp kunt zien. Dat bevat uitsluitend de bekende kegeltjes.”

“Wanneer die vaatvliesvaten de gele vlek niet goed voeden, verlies je het vermogen scherp te zien, maar je kunt dan bijvoorbeeld wel nog uitstekend fietsen, omdat je genoeg overzicht over de omgeving hebt. Het gaat dan om ‘slijtage’ van de bloedvaten, en hersenweefsel speelt bij slechtgevoede delen op safe: het maakt littekenweefsel. Helende littekens kunnen geen kwaad, het stofwisselt niet, maar functioneert ook niet. Wij proberen er achter te komen welke membranen in de gele vlek er precies aangaan, en soms sturen we met een laserbehandeling het littekens maken bij. We proberen de mensen maatschappelijk valide te houden.”

Het IOI heeft ook een hoornvliesbank in huis. Die is eigenlijk voortgekomen uit het onderzoek. Otto: “Hoornvliezen zijn ander materiaal dan bijvoorbeeld harten en nieren. Die zijn doorbloed, maar hoornvliezen zijn een niet-gevasculariseerd gebied.”

“Ze transplanteren had altijd al een goede kans van slagen, maar er was een tijdsprobleem. Wanneer een specialist bijvoorbeeld eerst nog naar de familie van een donor moet, en pas de volgende dag kan opereren, dan kost dat tijd. Net als het onderzoeken of de donor geen aids had, en of de eigenschappen van zijn bloed genoeg overeenkomen met die van de ontvanger. Operatiekamers zijn ook niet meer zomaar op afroep beschikbaar. Om de benodigde overbruggingstijd te krijgen is er een nieuwe preserveringsmethode ontwikkeld.”

Iedere huisvrouw

“Vroeger deden we met hoornvliezen wat ze ook met harten en nieren doen: de stofwisseling op een laag pitje zetten en de boel op ongeveer vijf graden houden. Maar dan sterven er ieder uur kwetsbare celletjes, en dat verkleint de helderheidskans.”

“Inmiddels is duidelijk geworden dat de overlevingskansen voor een hoornvlies het beste zijn wanneer je ze bewaart in hetzelfde soort water als er in je oog zit, en niet koud, maar op 32 graden. Dan heb je organisatorisch langer de tijd.”

“Enfin, het ontdekken van dat procédé heeft uiteindelijk een hoornvliesbank opgeleverd. De preservering gebeurt hier: het oog komt binnen, het hoornvlies wordt eraf gehaald, en dan wordt er bijvoorbeeld gekeken hoe vitaal het is. In Denemarken werkt men nu helemaal zo, dus het wordt elders overgenomen. En Eurotransplant betaalt het bij ons aangestelde personeel voor dat werk. Overigens zijn hoornvliestransplantaties bij mensen heel gemakkelijk te doen, dat kun je iedere huisvrouw leren. Bij ratjes is het bijvoorbeellveel lastiger.”

“We doen ook onderzoek aan de samenstellende dlen van de oogkas. Bij ons is dat echt een apart orgaan: ook als je je ogen dicht hebt bijvoorbeeld weet je waar ze zitten, naar welke kant ze ‘kijken’. Voor dat soort zaken zijn uitgebreide zenuwschakelingen nodig die we bekijken.”

“Apen zijn de enige dieren met ogen die op de onze lijken, ook met net zulke oogkassen. Daarom werken we hier ook met gedragsgetrainde apen. Die laten we naar een televisiescherm kijken, waar bijvoorbeeld beweging of verschil in lichtintensiteit waargenomen kan worden. Ondertussen meten we de stroompjes elektriciteit, die we afnemen van het hoofd met elektroden. Zo krijgen we een beeld van waar de potentialen naartoe gaan.”  

Een rondgang door het instituut voert onder andere langs hokken met ratten en konijnen. In een ander kamertje zit een onderzoeker met een dode of bewusteloze rat voor zich op het snijtafeltje. “We zijn heel voorzichtig met proefdieren”, benadrukt Otto. “We zullen bij een konijn bijvoorbeeld nooit in alletwee de ogen iets inspuiten ofzo. We maken ze niet blind.” Ook voor de apen schijnt goed gezorgd te worden. Zo goed dat “deze trouwste onderzoeksmedewerkers” (Otto) slechts door twee mensen bezocht mogen worden, en zeker niet door de verslaggeefster of de fotograaf.

Een analfabeet meisje

MOHAMMED BENZAKOUR

Yemma, Stilleven van een Marokkaanse moeder

De Geus, 220 blz., € 18,95

‘Dood zonder sterven’ noemt hij het ergens. De moeder van schrijver en dichter Mohammed Benzakour krijgt na een relatief simpele operatie een beroerte, waarna haar hele rechterkant verlamd raakt en ze niet meer kan praten. Over het jaar in een verpleegtehuis dat volgt heeft Benzakour het boek Yemma (moeder in het Marokkaans) geschreven. In korte hoofdstukjes, soms van maar een alinea, geeft hij een vlijmscherp en knap portret van alle gevechten die hij als zoon levert, en van de moeder die hij eens had, en die ze nu is.

Even liefdevol als genadeloos zijn z’n beschrijvingen. Hij ziet zijn moeder zitten met een afgegleden hoofddoek en noteert:  ‘een dronken smurf in een rolstoel’. Ontredderd veegt hij de plas op van de altijd onberispelijke, propere vrouw  van wie hij in 39 jaar nog ‘geen wuft windje’ bemerkt had. Een ‘brok dood vlees’ is haar rechterhand die ooit, nog in Marokko, Benzakours leven redde door een grote adder boven zijn bedje weg te slaan. Met haar goede hand blijft ze moeder. Die hand streelt soms zijn hoofd of trekt de zoom van zijn jas recht.

Maar met hem praten kan ze niet. Het is nogal schokkend om te lezen hoe die afasie wordt aangepakt. Of beter: niet wordt aangepakt. Op de een of andere manier dringt maar slecht door in de gezondheidszorg dat hersenfuncties de meeste kans hebben te herstellen als je snel veel gaat oefenen en uitproberen. Benzakours moeder moet het voor haar taalproblemen doen met een half uur logopedie per week. In het Nederlands, met woorden lezen en abstracte plaatjes en puzzels.

Maar ze is nu eenmaal de prototypische eerstegeneratie-migrant: haar Nederlands stelt weinig voor, ze kan niet lezen, en kwam nauwelijks ooit de deur uit. Haar hele bestaan leunt op een rotsvast geloof in Allah. En alles wat die voorschrijft. Zo rilt ze van folders van de kiloknaller en heeft ze waarschijnlijk nooit iemand een sigaret zien opsteken. Benzakour beziet haar ‘slaafsheid aan Gods geboden’ met ergernis en vertedering.

En hij probeert het in te zetten, want hij heeft intussen begrepen dat rijtjes, rijmpjes en liedjes en dergelijke die je eindeloos herhaald hebt de spraak soms weer op gang kunnen helpen. Zijn moeder heeft honderdduizenden keren koranverzen opgezegd. Kunnen we daar geen gebruik van maken, vraagt hij aan een afasie-expert, met wie hij een gesprek geregeld heeft.  “Sorry, maar ik ga mij niet verdiepen in de islam”, is haar reactie. Alsof dat de vraag was.

Onwil, onbegrip, ze zitten danig in de weg. Eerder heeft het Benzakour al twee maanden gekost de pictogrammen op het rolstoelblad voor eten, slapen en dergelijke te laten vervangen door foto’s. De abstracte tekeningen zijn domweg te abstract voor zijn moeder, zag hij meteen.

Benzakour vecht voor haar, en botst daarbij soms hard met het systeem. Hij dramt als het moet of maakt ruzie. Ook steelt hij (de wel drinkbare) koffie uit de dokterskamer, en komt ver na bezoektijd zijn moeder de bos bloemen van een optreden brengen – net als vroeger. Hij doet middagdutjes in wat later de rouwkamer blijkt te zijn, en hij neemt zijn moeder maandenlang mee de kelder in, waar hij  haar zelfgemaakte linzensoep, ansjovis in tomaat en niertjes geeft.  Want in de kantine mag dat niet. Maar ze eet tenminste weer met smaak. Het boek is hier en daar ronduit hilarisch. Gelukkig heeft zijn moeder haar lachlust niet helemaal verloren. Hij dolt als het even kan met haar, neemt haar mee naar buiten, plaagt haar, en zij reageert als een meisje: giechelig, vrolijk. 

Intussen is het voor Benzakour, die afwisselend met de rest van de familie hele middagen doorbrengt bij zijn moeder, een afmattend jaar. Het eindigt als ze eindelijk naar een nieuwe, aangepaste flat kan.

Er zijn nogal wat scènes die blijven nadrenzen in je hoofd. De voetenwassing bijvoorbeeld. Op een dag trekt Benzakour zijn moeders schoen en sokje uit, en komt hem een stank tegemoet ‘nog ranziger dan een oude schimmelkaasloods’. Het teiltje smerigheid dat Benzakour met boenen en pulken vervolgens produceert, besluit hij toch maar door de wc te spoelen, in plaats van het achter te laten bij de zusterspost. Beeldend schrijven kan hij.

Aan de ene kant is hij als schrijver natuurlijk vanzelf ver afgedwaald van zijn analfabete moeder, maar nu hoopt hij haar juist weer een stem te geven met zijn boek, zegt hij. Dat lukt. En misschien reikt het nog verder. Want en passant toont hij hoe levendig het leven geleefd wordt achter de voordeuren en onder de hoofddoeken van de eerste generatie migranten, die nu oud en ziek wordt. Benzakour doet dat via zijn yemma’s vermogen om filmisch, met ‘haast proustiaanse details’ te vertellen over alles wat ze in haar leven heeft meegemaakt. Je voelt mee met zijn verdriet niet meer bij die sprankelende herinneringen in haar hoofd te kunnen.

Wat een prachtig verschrikkelijk boek.

Noot: De eindredactie schrapte het laatste zinnetje.

“We zíjn onze hersenen”

Op de kamer van professor Dick Swaab hangen foto’s van de vroegere behuizing van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH). Swaab, ook toen al directeur van het NIH: “Als ik wel eens denk dat het hier een rotzooi is, dan kijk ik naar die plaatjes.”

Het is dus tot zijn genoegen dat zijn instituut zo’n drieëneenhalf jaar geleden verhuisd is naar wat tegenwoordig Amsterdam Zuidoost heet: een luchtbrug en allerlei kabels vormen nu een rechtstreekse verbinding met het Academisch Medisch Centrum (AMC). Dat is prettig met het oog op faciliteiten en contacten, en ook voor de ongeveer twintig studenten die er altijd wel bezig zijn een hoofd- of bijvak neurobiologie te volgen.       

Naast de studenten lopen er noch zo’n zeventig à tachtig mensen rond op de twee verdiepingen die het instituut telt, waaronder geregeld buitenlandse gasten en stagiaires. De medewerkers zijn verdeeld over zes werkgroepen en een aantal service-afdelingen die ervoor zorgen dat het instituut “self-supporting” is.

Swaab: “Dat is een groot voordeel. Elektronica is heel belangrijk voor het onderzoek dat we hier doen. Alles wordt hier in huis gemaakt: apparaten, computerprogramma’s. Dat moet ook wel, want vaak gaat het omdingen die helemaal niet te koop zijn. Het wordt dus ook allemaal geïnstalleerd door de mensen hier, het zijn hun ‘baby’s’ geworden en dat betekent dat een klacht hier niet op de prikker belandt,waarna je dan drie maanden niets hoort. Wat dat betreft is het maar goed dat we niet afhankelijk zijn van het gecentraliseerde AMC.” 

Ratten

Behalve mensen, werken en wonen er op het instituut voor Hersenonderzoek ook heel wat ratten. Hersenonderzoek zonder ratten is immers ondenkbaar. Met de beestjes wordt voorzichtig omgesprongen. Om te zorgen dat ze niet te veel afgeleid worden door plotselinge geluiden (deuren die opengaan of dichtvallen) klinkt er continu muziek in de gang met de deuren die naar de  ‘leeropstellingen’ en andere ruimtes met ratten voeren. Willekeurige bezoekers mogen er niet zomaar binnen, vanwege het besmettingsgevaar. Niet voor de mensen, maar voor de dieren. De complete levensloop van iedere rat die de laboratoria binnengaat wordt op een computer bijgehouden. 

Naast een grote vrieskist die hersenweefsel op een temperatuur van -80 graden Celsius houdt, vallen in de overige ruimtes vooral de grote aantallen computeropstellingen op. De tijd dat men het alleen van hersens-op-sterk-water moest hebben lijkt voorgoed voorbij. Maar het instituut heeft nog steeds een schitterende collectie glazen potten en potjes met een fascinerende inhoud: hersenen in (en van) alle soorten en maten, foetussen, een ontroerend mooi babyhoofdje, zelfs een stel hersens compleet met bijbehorende ruggegraat. In de bijna tachtig jaar van zijn bestaan heeft het instituut ook een grote verzameling geprepareerd hersenweefsel opgebouwd. Een stukje olifantenhersenen? Swaab trekt het zo uit de kast. 

Zien denken

Tegenwoordig wordt er veel meer met ‘vers’ hersenweefsel (dat wil zeggen: niet geprepareerd of op sterk water gezet, maar hooguit ingevroren, of inderdaad van iemand die nog maar net overleden is) gewerkt, en er zijn meer mogelijkheden om levende hersens te onderzoeken. Swaab: “Je kunt mensen nu echt zien denken. Wanneer je iemand vraagt om zich alleen maar voor te stellen dat hij zich beweegt, dan zie je activiteit in de hersenschors, op dezelfde plek waar ook bij echte bewegingactiviteit waar te nemen is.”

“Of je kunt proberen erachter te komen wat het effect van een bepaald geneesmiddel is. Hoe we over die dingen iets te weten komen? Je kunt kijken naar de doorbloeding. Waar harder gewerkt wordt is de doorbloeding groter. Of je maakt het metabolisme van de zenuwcellen zichtbaar, door bijvoorbeeld een stof in te spuiten die op glucose lijkt. De zenuwcellen reageren daarop alsof het gewoon glucose is, maar met gammacamera’s kun je dan zien wat er gebeurt.”             

Hersenonderzoek. “We zijn onze hersenen,” zegt Swaab, “het is de essentie van onszelf. De rest van ons dient alleen als voeding voor die hersenen.” Het onderzoek van het Herseninstituut richt zich vooral op twee periodes: enerzijds op de ontwikkeling van de hersenen, anderzijds op de aftakeling. Anders gezegd: op het begin en op het eind. Swaab: “Dan gebeurt er het meeste, en dan kan er dus ook het meeste misgaan.”  

DES-kinderen

Dr. C.U. Ariëns Kappers, de eerste directeur van het in 1909 geopende instituut – hij zou er maar liefst tot 1946 blijven – wilde al weten in welk stadium van de ontwikkeling er iets mis was gegaan bij kinderen met een achterstand of een afwijking. ‘Vergelijkende anatomie van het zenuwstelsel’ was zijn terrein. De ontwikkeling van de hersenen bestuderen lijkt het instituut nog altijd essentieel voor het verkrijgen van inzicht in wat ‘normaal’ en wat ‘pathologisch’ is bij het functioneren van het zenuwstelsel.

Swaab: “Zo langzamerhand is overal wel bekend dat hersenen in de eerste twee, drie maanden van de zwangerschap heel kwetsbaar zijn. Invloeden van buitenaf zoals alcohol, stress of straling kunnen dan voor een verandering in de hersenstructuur zorgen die leidt tot direct zichtbare afwijkingen. Kinderen meteen open ruggetje, mongolen, daarvan weet je dat er in de vroegste ontwikkeling iets fout is gegaan. Maar de laatste tijd beginnen we beter te begrijpen dat er ook nog een andere belangrijke periodes zijn. Een dokter die bij een geboorte roept dat het een kerngezonde baby is, kan dat eigenlijk niet zeggen. De hersenontwikkeling gaat nog jaren door, en ook in het tweede deel van een zwangerschap kan er veel mis gaan. Alleen zijn dat meestal geen dingen die je direct kunt zien.

Dat is het terrein van de ‘functionele teratologie’, een nieuw terrein. Je moet daarbij denken aan zaken als de problemen met kinderen die het op school niet zo best doen, die hyperactief zijn. Dat kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van medicijngebruik tijdens de zwangerschap. De DES-kinderen zijn daar ook het slachtoffer van. Behalve dat een tamelijk klein percentage baarmoederhalskanker krijgt, blijkt 25 procent van die kinderen voortplantingsstoornissen te hebben. En het aantal homoseksuelen en lesbiennes onder hen is veel hoger dan normaal. Dat zijn dus echt permanente gevolgen.” 

Homoseksualiteit

Zijn zaken als homoseksualiteit of transseksualiteit dan in de hersenen terug te vinden? Swaab: “Daar zijn nu aanwijzingen voor. Er is een gebiedje in de hypothalamus dat tussen het tweede en het vierde levensjaar verschillend wordt voor jongens en meisjes. Dat is ook de tijd dat kinderen zich bewust worden van zichzelf en van hun geslacht..Bij alle mannen, ook homoseksuele mannen dus, is dat gebiedje twee keer zo groot als bij vrouwen. Alleen bij transseksuelen niet. Die vertellen ook altijd dat ze zich al vanaf hun derde ‘anders’ voelen, en toen al het idee hadden dat hun lichaam het verkeerde is. En dan is er nog een ander gebiedje in de hypothalamus dat anders is bij homoseksuele mannen.”

“Er zijn verschillende stromingen als het gaat om geslachtsverschillen en hersenontwikkeling. Het feminisme zegt dat er geen verschillen kunnen bestaan tussen mannenhersens en vrouwenhersens. Anderen stellen dat als die verschillen er wèl zijn, dat ze dan ontstaan onder invloed van de maatschappij. Op basis van onderzoek bij ratten beweren weer anderen dat er halverwege de zwangerschap een verschil zou kunnen optreden. Ons onderzoek laat zien dat dat het verschil tussen mannen en vrouwen tussen het tweede en vierde jaar begint, een periode waarin ook de omgeving een rol kan spelen.”

Hersenontwikkeling is dus ook gevoelig voor invloed van buiten ná de geboorte. De droomslaap lijkt belangrijk te zijn. Swaab: “Als we de droomslaap bij ratten onderdrukken met medicijnen, krijgen ze kleinere hersenen, ze worden hyperactief, hebben leerstoornissen en een afwijkend seksueel gedrag. En ze slapen heel onrustig.”       

De grootte van de hersenen zegt werkelijk iets over iemands capaciteiten. Toch zit het met die grootte een beetje anders dan lang is aangenomen. Het idee dat er in de loop van ons leven miljarden hersencellen afsterven blijkt onjuist. Swaab neemt aan dat dat idee ontstaan is doordat hersenen van oude mensen minder wegen dan hersenen van bijvoorbeeld twintigers of dertigers.

“Maar”, zegt hij, “er verdwijnen geen cellen, de cellen blijven intact, ze worden alleen kleiner. En ze verliezen hun ‘boodschappers’. Daardoor lijkt het of ze verdwenen zijn. Het aardige is nu dat de hersenen zich wel verdedigen, ze zoeken compensatie tegen de veroudering. En pas wanneer die compensatie tekortschiet krijgt iemand de ziekte van Alzheimer, wat in de wandeling dementie genoemd wordt.”      

Hersenbank

Daarmee zijn we bij de andere onderzoekslijn van het instituut gekomen: die naar de ‘aftakeling’ van de hersenen. Van groot belang daarbij is de Hersenbank die sinds drie jaar bij het instituut hoort. De ziekte van Alzheimer kan vooralsnog uitsluitend geconstateerd worden nadat iemand overleden is. Om precies te zijn: uitsluitend binnen vier uur daarna.

De meeste Alzheimerpatiënten (overigens blijkt maar zo’n vijftig procent van de ‘dementen’ werkelijk aan de ziekte geleden te hebben) gaan niet dood in een Academisch ziekenhuis. Demente bejaarden zitten in dit land in verpleegtehuizen. Daarmee heeft het Instituut voor Hersenonderzoek dan ook contact gezocht. Er is gepraat met de leiding en aan familie wordt het belang van het onderzoek uitgelegd. Dat belang is duidelijk voor wie rekening houdt met de vergrijzing van onze bevolking. Van de mensen boven de 80 lijdt twintig procent aan de ziekte van Alzheimer.     

De contacten met de verpleegtehuizen hebben ervoor gezorgd dat de artsen in de tehuizen en een aantal medewerkers van het Herseninstituut geregeld hun nachtrust onderbreken om snel een obductie op een zojuist overledene te plegen. Iedere obductie levert zo’n zeventig tot tachtig verschillende stukjes hersenweefsel op, die verspreid worden over dertig onderzoeksgroepen in binnen- en buitenland. Inmiddels wordt de Hersenbank ook gebruikt bij het onderzoek naar ander ziektes, zoals Multipele Sclerose en de ziekte van Parkinson. “Het breidt zich vanzelf uit,” zegt Swaab.

Swaab omschrijft de ziekte van Alzheimer als “een versnelde vervroegde veroudering”. Wie eraan leed, blijkt een teveel aan plaques en tangles te hebben. Door de hele hersenen heen. Plaques zijn een soort littekentjes van verloren gegane cellen en vezels waarvoor in de plaats gliacellen (een soort bindweefsel zou je kunnen zeggen) gekomen zijn. Tangles vind je in de hersencellen zelf.

Die tangles veranderen de eiwitten die te maken hebben met het transport dat door de celvezels gedaan wordt. Omdat de eiwitten veranderen stapelen ze zich op en verstoren daarmee het transport. Normaal gesproken kunnen die vezels nog uitgroeien en daarmee voor compensatie zorgen, maar bij Alzheimerpatiënten ontbreekt die uitgroei. Daarnaast is er veel meer DNA-schade te bespeuren dan gewoonlijk.

Swaab: “Iedere cel die werkt raakt beschadigd, als je werkt dan slijt je ook. Als dat gebeurt op het niveau van DNA dan schieten de cellen tekort in het reguleren van hun eigen metabolisme, meestal herstellen ze namelijk zelf de schade. Bij Alzheimerpatiënten ontbreken de enzymen die daarvoor zorgen. Er ontstaan mutaties in het DNA waardoor boodschappen niet meer begrepen en doorgegeven kunnen worden. Met alle gevolgen vandien.”

“Toch is het met die zenuwcellen een kwestie van ‘use it or lose it’: als je zenuwcellen activeert dan herstellen ze beter. En als je ze actief houdt, dan degenereren ze niet zo snel. Prikkels van buiten zijn goed voor een mens. Een rat die vaak een nieuwe kooi krijgt, heeft ook hersenen die tien procent groter zijn dan die van een soortgenootje dat steeds in hetzelfde kooitje moet zitten. Dat cellen zich kunnen herstellen, dat vezels nog kunnen groeien geeft hoop dat we ooit iets aan de ziekte van Alzheimer kunnen doen.”

Naschrift: Swaab is opmerkelijk consistent in zijn boodschap. In 1988 was het woord brein voor onze hersenen nog niet zo ingeburgerd, anders had er boven dit stuk vast al Wij zijn ons brein gestaan, de titel van zijn megahit.  

Overigens luidde bovenstaand artikel (in pas het tweede nummer van Akademie Nieuws) de rel om het homokwabje in. Ik herinner me dat ik het volstrekt voordehandliggend vond dat je homoseksualiteit in de hersenen terug kunt vinden. Dus dat was ook gewoon in het artikel terecht gekomen. Ik had totaal niet in de gaten dat ik wereldnieuws bracht. Mijn collega Hans van Maanen, toen chef wetenschap bij Het Parool, wel. Dus hij ging ook met Swaab praten, en opende er op een zaterdag groot mee. Dezelfde avond opende ook het achtuurjournaal met dit nieuws.

De heisa en rellen en bedreigingen die daar op volgden, waren buiten iedere proportie. Swaab kreeg de vreselijkste telefoontjes en brieven, en vond schreeuwende actievoerders in zijn voortuin, die met leuzen als ‘Dick snij in je eigen pik’ lieten horen nergens iets van begrepen te hebben.

Daar voelde ik me als indirecte aanstichtster knap ongemakkelijk onder. Maar van de felle discussies begreep ik echt weinig. Het leek mij dat de discussie met iedereen die anti-homo was hiermee wel beslecht was: het is geen verzinsel of aanwensel of keuze of wat dan ook, het zit in je hersenen. Klaar. Maar ‘aangeboren’ was eind jaren tachtig nog een heel verkeerd woord. Want er waren juist veel homo’s boos. Als wel vaker: op de boodschapper.

“Het zit niet in de genen”

Alle media zijn erop gesprongen, maar nu het complete verhaal achter de Science-publicatie over het ontstaan van Alzheimer. Dr. Fred van Leeuwen over streepjescodes, Radio-gaga van Queen, en het topje van de ijsberg.

Vier jaar lang heeft dr. Fred van Leeuwen stijf zijn mond dicht moeten houden, en nu golft de publiciteit in volle heftigheid over hem heen.

De neurobioloog die al sinds 1974 bij het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH) van de KNAW werkt, lijkt er een tikje beduusd van, maar de trots overheerst toch voorlopig. Niet zo gek. Het gebeurt niet vaak dat Nederlands onderzoek de cover haalt van Science, waarschijnlijk het prestigieuste wetenschappelijk tijdschrift ter wereld. Een groep onderzoekers onder Van Leeuwens leiding kreeg dat vorige maand voor elkaar.

En het ging ook nog over een onderwerp waarvan iedereen kan zien dat het belangrijk is: het ontstaan van de ziekte van Alzheimer, de belangrijkste veroorzaker van dementie.

Alle media sprongen er dus op, voor Van Leeuwen (48) een soort snelcursus ‘onderzoek uitleggen aan leken’. “Toen ik in de TROS-nieuwsshow zei dat je het erfelijk materiaal van mensen kunt zien als een streepjescode die bestaat uit drie miljard streepjes, en dat er iets fout ging bij het aflezen konden ze zich er iets bij voorstellen,” vertelt hij.

De krantenkoppen spraken onder meer van DNA dat een leesbril nodig heeft, over vertaalfouten en over boodschappers die de schuld kregen. “‘Vertaalfout’, zoals de NRC schreef, is niet goed,” zegt Van Leeuwen, “Trouw had ‘klein leesfoutje met grote gevolgen’. ‘Leesfout’ drukt inderdaad het beste uit waar het om gaat.”

Koffie en borrels

Waar gaat het om? Om dat te begrijpen moeten we allereerst terug in de geschiedenis. Naar het begin van de jaren zestig, Amerika, Vermont, het plaatsje Brattleboro. Van Leeuwen: “In 1961 ontdekte een gepensioneerde wetenschapper daar wat we nu de Brattleboro-rat noemen. Het is een rattenstam met een genetische afwijking, die tot gevolg heeft dat de hersenen van die ratjes geen vasopressine kunnen maken.”

En dat heeft vergaande consequenties. Vasopressine is een neuropeptide, een soort hormoon, dat onder meer zorgt dat water in het lichaam niet rechtstreeks van de nieren doorstroomt naar de blaas.

Bij de Brattleboro-ratten gebeurt dat wel. Daarom drinken ze aan een stuk door, en elke dag plassen ze maar liefst zeventig procent van hun lichaamsgewicht uit.

Overigens maken ook mensenhersens vasopressine aan, zoals iedereen na een paar koppen koffie of een paar borrels kan constateren: cafeïne en alcohol remmen de werking van vasopressine, met als gevolg een snellere doorstroming dan anders.

Hoewel het gen dat verantwoordelijk is voor de vasopressineaanmaak defect is bij Brattleboro-ratten, trof Van Leeuwen in de jaren tachtig toch hele kleine beetjes van het bewuste stofje in hun hersenen aan.

De hoeveelheid bleek te groeien naarmate de ratten ouder waren, al werd het nooit zoveel dat hun waterhuishouding er zichtbaar beter door ging functioneren.

“Dat was heel opmerkelijk,” zegt Van Leeuwen, “bij hun geboorte is er geen spoor van te vinden, maar tijdens hun leven blijken die ratten alsnog in staat vasopressine te maken.”

Hoe kon dat? “Eerst dachten we dat het het gevolg was van spontane veranderingen (mutaties) in het DNA. Maar die ontstaan hoofdzakelijk bij het delen van cellen, en hersencellen (of neuronen) kunnen nu eenmaal niet delen.”

Bouwstenen

Wat hersencellen wel kunnen, en ook aldoor doen, is grote hoeveelheden eiwitten produceren. Dat is van immens belang voor het goed functioneren van zenuwcellen. Neuropeptiden als vasopressine zijn kleine eiwitten.

Voor het maken van een eiwit moeten er instructies gegeven worden aan de celonderdelen waar het in elkaar gezet wordt. Die ‘assemblage’ vindt plaats op de ribosomen, waarvan er in elke cel een hele hoop zitten. De instructies voor de volgorde van de  bouwstenen (de aminozuren) die samen het eiwit gaan vormen, ontvangen die ribosomen van het zogeheten ‘boodschapper-RNA’, dat zelf wordt afgelezen van het DNA.

Dat boodschapper-RNA moet de juiste ‘tekst’ bevatten, die uit slechts vier verschillende letters is opgebouwd: A, C, G  en U. Die letters zijn in werkelijkheid de afkorting van vier verschillende zogeheten ‘basen’ (bepaalde organische verbindingen) die als ketens (de ‘tekst’) in het DNA liggen, en samen de genetische code vormen.

Het boodschapper-RNA geeft dus de juiste lettercombinaties door aan de ribosomen, die op basis daarvan hun eiwitten maken.

Het vervolgonderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met Peter Burbach van het Rudolf Magnus-instituut in Utrecht. Van Leeuwen: “Wat er bij die Brattleboro-ratten gebeurde was wel een mutatie, maar dan in het RNA.. De resultaten konden we alleen maar verklaren door een ‘leesfout’ van het boodschapper-RNA. Een fout die zorgde dat weer goed kwam. Puur toeval.”

Radio-gaga

Verkeerd afgelezen instructies leidden dus per ongeluk tot correcte instructies, waardoor er toch vasopressine gemaakt kon worden.

Men ging op zoek naar waar de fout precies zat, welke letters werden verkeerd afgelezen? “Het bleek hem te zitten in het GAGAG-motief,” vertelt Van Leeuwen, “uit een stukje code dat oorspronkelijk die repeterende volgorde had, viel geregeld een ‘GA’ weg. Met als gevolg dus die toevallige correctie. Toen zijn we verder gaan denken.”

“Als via deze weg op zichzelf correct erfelijk materiaal veranderd kan worden, dan kan dat natuurlijk ook fout uitpakken. Een verandering ten kwade, in plaats van ten goede. Maar dat GAGAG-motief  – we hebben hier vaak gedacht aan dat liedje van Queen, All you hear is Radio-gaga – zit ook in andere genen.”

De brainwave kwam tijdens een middag praten met Peter Burbach. Zouden RNA-mutaties misschien ook voorkomen in genen die betrokken zijn bij de ziekte van Alzheimer?

De oorzaak van Alzheimer is grotendeels een raadsel. Dat oplossen zou kunnen helpen een medicijn te ontwikkelen, en daar komt steeds meer behoefte aan. Nu al zijn er waarschijnlijk twintig miljoen mensen op de wereld die er aan lijden, waarvan 130.000 in Nederland, en meestal lijdt hun hele omgeving mee.

En naarmate er meer en oudere bejaarden komen, komen er ook meer demente bejaarden. Voorzichtige schatting van de kosten op dit moment voor Nederland: dertien miljard gulden per jaar.

Verschrompelen

Nu wordt er natuurlijk al heel veel jaar intensief onderzoek naar Alzheimer gedaan, en dat heeft een aantal interessante gegevens  opgeleverd.

Maar nog steeds kan Alzheimer alleen na iemands dood met zekerheid vastgesteld worden: pas dan kun je in de hersenen (vooral in frontale hersenschors waarmee je ‘plant’, en in de hippocampus die van cruciaal belang is voor het geheugen) de karakteristieke plaques en tangles zien.

Dat zijn eiwitophopingen in de hersencellen, die het functioneren van die cellen bemoeilijken. De meeste gaan niet dood, maar ze ‘verschrompelen’, worden inactief en verliezen hun verbindingen met andere cellen.

Des te meer een ramp omdat er in de hersenen, anders dan elders, nooit nieuwe cellen aangemaakt kunnen worden. Neuronen kunnen immers niet delen.

Alzheimerpatiënten worden door die aangetaste hersencellen soms totaal andere mensen. Niet alleen vergeten ze de vreemdste dingen (ze kennen vaak hun kinderen niet meer, maar kunnen zich ook niet meer aankleden), ze krijgen dikwijls ook een heel ander karakter. De ernst van de dementie kan erg verschillen, en er is aangetoond dat die samenhangt met de hoeveelheid tangles.

Van Leeuwen: “De afgelopen tijd is het meeste Alzheimer-onderzoek gericht geweest op de erfelijke vormen. Dat is overigens maar bij tien procent van de gevallen zo, zo’n zeventig procent zijn wat we, nogal verwarrend ‘sporadische gevallen’ noemen. Maar in die families kun je rond je dertigste al kans lopen te dementeren.”

“Men zoekt de oorzaak van Alzheimer in mutaties van het DNA, van de genen. Tien jaar geleden is uitgezocht dat in de plaques een eiwit voorkomt dat afgekort β-APP heet.”

“De Baptisten, zoals we ze dus noemen, geloven heilig dat daar het hele probleem zit: ze stellen dat eiwit centraal, denken dat het toxisch is en dat daardoor de plaques en tangles ontstaan, waarna de hersencellen doodgaan.”

“Er zijn in sommige families ook mutaties voor gevonden, maar men is in die jaren niet zoveel verder gekomen. En er zijn een paar problemen: dat eiwit vind je soms ook bij niet-dementen, en soms was iemand wel dement, maar wordt er geen β-APP aangetroffen, bovendien gaan de neuronen meestal niet dood. Naast de Baptisten heb je trouwens ook nog de Tauïsten, voor wie de sleutel ligt in een eiwit dat τ, de Griekse letter ‘tau’ heet.”

Meteen raak

“Wij zijn gaan kijken naar dat β-APP, en nog een eiwit waarvan we wisten dat het geassocieerd was met Alzheimer: ubiquitine. In alle twee bleek het GAGAG-motief voor te komen.”

“Maar zouden die soms ook diezelfde leesfout opleveren? Daar kom je achter met behulp van antilichamen. Hoe dat gaat? Nou, je laat een firma het ‘verkeerde’, dus door de mutatie voorspelde, eiwit maken, dat spuit je in in konijnen, en die maken dan antilichamen. Die kun je eruit halen, en dan heb je een serum dat je op de dunne coupes van Alzheimer-patiënten kunt druppelen. Dan kun je zo zien of de plaques en tangles dat verkeerde eiwit bevatten. Nou, het was meteen raak.”

De afwijkende eiwitten zaten er. En toen kwamen het grote zwijgen en de noeste arbeid. Van Leeuwen: “We concludeerden: het moet een leesfout zijn. Want het DNA van de twee genen die coderen voor die eiwitten is goed. Dus moet er in de tussenliggende stap iets verkeerd zijn gegaan. Maar om de boodschap ‘het zit niet in de genen’ met overtuiging te kunnen brengen, moesten we heel zorgvuldig tewerk gaan.”

“Vier jaar lang zijn we bezig geweest. Duizenden coupes heb ik drie keer bekeken, om helemaal zeker te zijn. We hebben ook  een hele grote groep onderzocht. Meestal kijk je naar vier, vijf patiënten, wij hebben de hersenen van uiteindelijk veertig mensen bekeken: Alzheimer-patiënten die in een vroeg stadium en anderen die in een laat stadium van de ziekte waren, niet-demente bejaarde ‘controles’, en een aantal Downsyndroom-patiënten, van wie bekend is dat ze veertig jaar eerder Alzheimer ontwikkelen.”

“Bij allemaal hadden de afwijkende eiwitten zich opgehoopt in de zenuwcellen van de hippocampus en een aantal andere hersengebieden. Een score van honderd procent! Alleen bij jonge hersenen, en in één van Downpatiënten vonden we ze niet, maar die patiënt was volgens de verpleeghuisarts ook niet dement geweest.”

Behalve bij het Herseninstituut is het onderzoek uitgevoerd aan de universiteiten van Nijmegen, in samenwerking met Gerard Martens, en in Rotterdam samen met Frank Grosveld. “Dat had als voordeel dat er korte lijnen waren, waardoor er veel interactie was,” zegt Van Leeuwen. “Maar het was ook met het oog op belangen die op de langere termijn spelen. En er gaat een boel geld om in die wereld, de belangen zijn echt groot. Je moet dus uitkijken.”

“Soms ben je je gegevens al kwijt als je ze ter beoordeling opstuurt. En je kunt bepaalde dingen wel patenteren, maar vaak gaat het om een idee dat iedereen met de snelle technieken van tegenwoordig kan uitvoeren.”

Andersom

De eerste contacten met de industrie zijn inmiddels gelegd, maar ondertussen loopt ook het onderzoek verder naar de beantwoording van een belangrijke vraag. Wanneer je consequent verkeerde eiwitten vindt, juist in de afwijkingen van de hersenen waarvan je zeker weet dat ze alles met Alzheimer te maken hebt, dan ben je geneigd te denken: hier ligt een causaal verband.

Het boodschapper-RNA heeft leesfouten gemaakt, met als gevolg die plaques en tangles, met als gevolg daar weer van Alzheimer. Maar het kan natuurlijk ook andersom zijn: dat de leesfouten een gevolg zijn van Alzheimer, niet de oorzaak. V

an Leeuwen: “We gaan dat hele proces nu nabootsen in transgene muizen, waarin een menselijk gen is aangebracht. Ze zijn al geboren. En daarnaast kun je ook ‘in vitro’ experimenteren, met behulp van een cellijn waarin het afwijkende gen is aangebracht. Dat gebeurt in Nijmegen.”

Maar Van Leeuwen is optimistisch over de uitkomst. Bijvoorbeeld omdat de ‘GA-deletie’ ook in de hersenen van niet-demente bejaarden voorkomt. Daar zou ook een eerste toepassing kunnen liggen: de foute eiwitten zouden heel goed een vroege ‘markeerder’ kunnen blijken te zijn. “Al kun je er maar mee vaststellen dat iemand géén Alzheimer aan het ontwikkelen is,” zegt Van Leeuwen. Maar weten wat er fout gaat is natuurlijk de eerste stap richting ‘voorkomen dat het fout gaat’.

Nog meer aanwijzingen in de goede richting komen van andere patiëntengroepen: die met Multiple Sclerose en Parkinson. Allebei ziektes die wel het zenuwstelsel aantasten, maar waar je meestal niet van dementeert. Er werd geen afwijkend β-APP of ubiquitine aangetroffen.

Proofreading

Dat sluit overigens niet uit dat MS of Parkinson zou kunnen samenhangen met leesfouten in andere boodschapper-RNA’s. Er zijn immers heel veel meer genen dan β-APP en ubiquitine.

Dat op die manier überhaupt genen ineens ‘fout’ tot expressie kunnen komen, is buitengewoon interessant. Misschien wel het interessantste resultaat van al Van Leeuwens onderzoek. “Het mechanisme waardoor dat GA eruitvalt kennen we niet,” zegt hij, “maar daar willen we wel naar gaan kijken. We weten inmiddels dat naarmate de code vaker en sneller wordt afgelezen, het aantal fouten toeneemt.”

“Voor het DNA  heb je wat we ‘proofreading’ noemen, een soort kwaliteitscontrole die ook in de loop van een leven afneemt. Misschien is er ook een dergelijk mechanisme bij het RNA. En het lijkt erop dat het RNA zich een beetje verslikt in die repeterende patronen.”

En daar wordt nu ook al verder naar gezocht. Het GAGAG-motief kan zo ongeveer overal zitten. Het is inmiddels ook aangetroffen in een gen dat betrokken is bij het onderdrukken van kanker (een tumorsurpressorgen). En ubiquitine bevat naast GAGAG- ook CTCT-motieven, weer zo’n zichzelf herhalend patroon. “Daar zie je dezelfde fout: soms valt er een CT uit,” vertelt Van Leeuwen.

“Dat ubiquitine is een heel interessant molecuul,” gaat hij verder. “Het heeft te maken met het opruimen van afvalproducten. In het begin blijft dat wel goed gaan, maar als de cel te veel opgevuld raakt met verkeerde eiwitten dan gaat hij waarschijnlijk minder functioneren.”

“En dat klopt met het ziekteverloop tijdens Alzheimer: dat duurt vijf à tien jaar. Enfin, er is ongelooflijk veel te onderzoeken, zelfs zoveel dat we het niet allemaal zelf kunnen behappen. Alhoewel er in samenwerking met anderen veel valt uit te voeren. Die motieven zouden inderdaad wel eens het topje van de ijsberg kunnen zijn.”

Grapjes van Hofstadter

Metamagische Thema’s. Op zoek naar de essentie van geest en patroon door Douglas. R. Hofstadter 839 blz., geïll., Contact 1988, vertaling Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters (Metamagical Themas, 1985), f 99,-  ISBN.: 90 254 6570 6

Wie de Scheldlijn belt wordt uitgescholden dat hij zo gek is de Scheldlijn te bellen. Dat zou Douglas Hofstadter zeker bevallen. Hij is dol op zulke zelfverwijzingen en dubbele bodems.

En wie zijn werk leest moet bijna wel door zijn enthousiasme aangestoken worden. Een paar weken geleden is de vertaling verschenen van zijn Methamagical Themas.

Het is duur, het is dik, maar u moet het kopen. Ook als Gödel, Escher, Bach nog steeds – gedeeltelijk of helemaal – een goed voornemen staat te zijn op uw boekenplank. De Metamagische Thema’s zijn weliswaar voor een groot deel dezelfde als de ‘GEB’ (om met Hofstadter zelf te spreken) -thema’s, maar het boek is anders geaard door zijn herkomst: het is een verzameling van de columns die Hofstadter tweeëneenhalf jaar lang voor de Scientific American schreef, aangevuld met nog wat losse artikelen.

Alle stukken zijn, als gevolg daarvan, in principe afgeronde gehelen en u loopt dus niet het gevaar om de draad kwijt te raken als u het boek een tijdje terzijde legt.

Bovendien: Hofstadter is zo’n veelzijdig man dat u misschien ook niet in alles waar hij het over heeft geinteresseerd bent, al moet ik zeggen dat hij dikwijls zo meeslepend schrijft dat je vanzelf geinteresseerd raakt.

Zelf kan ik geen noot lezen, maar bijvoorbeeld de passage over de muziek van Chopin vond ik uiterst boeiend. Hofstadter weet het te verkopen. Zijn boeken staan ook altijd vol plaatjes met voorbeelden, foto’s, tekeningen die illustreren of verduidelijken. Zo laat hij zien dat geen van de kenmerken van een ‘A’ (de streep links, de streep rechts, het liggende streepje in het midden, de schuinheid, of wat dan ook) een absolute voorwaarde is voor het herkennen van een ‘A’. In de gekste vormen zien we toch meteen die ene letter.

Patroonherkenning. Hofstadter is er een ster in, en als geen ander is hij in staat die patronen bloot te leggen. En of het nu gaat om de nucleaire toestand in de wereld, of de programmeertaal LISP, of de Turingtest, iedere keer komt hij weer terecht bij zelfverwijzing, zelfverstriktheid, recursie, gelaagdheid, dubbele bodems en grapjes.

Voor de liefhebbers: er staat weer een prachtige dialoog van Achilles en de Schildpad in dit boek waarin voortdurend gespeeld wordt met de vorige (GEB)dialogen en de rol van de schrijver. Die converseert als het ware via zijn personages me’t die personages.

VERTALEN

Verwarrend zijn de columns vaker, en dat is natuurlijk ook de bedoeling. Hofstadter knabbelt de hele tijd aan het randje van wat een mens nog bevatten kan. Vervreemdingseffecten zorgen voor botsingen in het hoofd van de lezer. Een mooi voorbeeld van een extra dubbele bodem vond ik zijn opmerking dat de Wet van Hofstadter: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, ook al houd je rekening met de Wet van Hofstadter’, zelfs voor zijn bedenker, Hofstadter zelf dus, opgaat. Ik ben erg gehecht geraakt aan die wet; ook terwijl ik deze recensie zit te schrijven blijkt weer dat hij waar is.

Overigens, als u Hofstadters wet begrijpt, dan begrijpt u meteen wat recursie is: deze wet roept als het ware binnenin zichzelf zichzelf aan.

Metamagische Thema’s (de Engelse titel Metamagical Themes is een anagram van Mathematical Games, de naam van de column van Hofstadters voorganger in de Scientific American, Martin Gardner) begint met een aantal stukken over zelfverwijzing en zelfverstriktheid in taal. Daarbij moet mij wel van het hart dat het hier, anders dan Hofstadter doet voorkomen, niet zozeer over ‘taal’ en ‘zinnen’ gaat, als wel over logisch-filosofisch getinte problemen.

Het begint natuurlijk allemaal weer met de paradox van Epimenides de Kretenzer die zei dat alle Kretenzers leugenaars zijn. Een variatie op dit thema is ‘Deze zin stelt dat hij een paradox van Epimenides is, maar hij liegt’.

Zinnen die op de een of andere manier – er zijn er vele – naar zichzelf verwijzen kunnen ook zo’n merkwaardig effect geven: ‘Om ‘deze zin’ te begrijpen moet je alle aanhalingstekens in ‘hem’ negeren.’ ‘Ik ben niet het onderwerp van deze zin.’ ‘Hoe zou deze zin zijn als hij niet zelfverwijzend was?’ Ook smakelijk zijn: ‘Dit is een zin met ‘uien’, ‘sla’, ‘tomaat’, en ‘een bordje frites erbij’.’ en ‘Dit is een hamburger met klinkers, medeklinkers, komma’s en een punt aan het eind.’

Of wat dacht u van: ‘Als je er niet naar kijkt, is deze zin in het Spaans.’ en: ‘Deze zin die u nu voor u heeft, bracht verleden jaar een maand in het Hongaars door en is pas kortgeleden terugvertaald naar het Nederlands.’

Vertalen. Daar heeft Hofstadter het ook over. Dat in vertaling lezen zorgt voor een extra dimensie. Maar wat een heidense klus moet dat vertalen geweest zijn! Lof, lof, lof, voor degenen die het gedaan hebben.

Alleen al voor de moed eraan te beginnen. Natuurlijk gaat er wel eens het een en ander verloren nu (een dubbelzinnigheid die voortkomt uit het feit dat ‘lies’ zowel ‘ligt’ als ‘liegt’ betekent verdwijnt ongewild), maar er zijn ook zoveel vondsten. Bij die zelfverwijzende zinnen bijvoorbeeld. ‘Do you read me’ (leest/begrijpt u mij?) is ‘Ik ben uitgelezen’ geworden. Daar zit keurig ook een dubbele betekenis in de vertaling, zij het een heel andere dan die in het Engels.

Hofstadter bemoeit zich zelf met alle vertalingen. Met plezier. Sterker nog, toen hij eind vorig jaar even in Nederland verbleef, vertelde hij al die vertalingen ‘the biggest thrill’ van zijn succes te vinden. Op de Chinese vertalers van Gödel, Escher, Bach stuurde hij een Engelstalige vriend die Chinees kent af. Zelf maakt hij de ene vertaling na de andere van een oud Frans versje, voor de lol, en om te proberen het nog mooier te maken.

‘Ik ben een enorme perfectionist’ was zijn verklaring, ook voor het feit dat elk van zijn columns hem zeker vijftig à zestig uur kostte. Enorm sceptisch was hij in november over de mogelijkheid een column over seksistisch taalgebruik te vertalen. Er staat nu ook een noot bij dat hoofdstuk dat de vertalers toch een poging gewaagd hebben, ondanks dat de schrijver voorstelde het stuk wegens onvertaalbaarheid weg te laten.

RACISME

Het seksisme in taalgebruik zit Hofstadter namelijk bijzonder hoog. En wat hem nog veel hoger zit is dat iedereen er best aan de borreltafel over wil kletsen, maar het verder absoluut geen belangrijk onderwerp vindt.

Hij maakt zich hier zowel in zijn boek, als wanneer je hem ernaar vraagt, minstens even boos over, als over de ‘overkill’ aan kernwapens in de wereld, aan welk geëngageerd thema hij ook een paar columns gewijd heeft.

Zijn seksistische ogen zijn hem indertijd geopend door het inmiddels overbekende verhaal van de vader en de zoon die een auto-ongeluk krijgen: vader op slag dood, zoon levensgevaarlijk gewond. In het ziekenhuis trekt de chirurg bleek weg: ‘ik kan die jongen niet opereren, het is mijn zoon.’ Rara hoe kan dat? Inderdaad. De chirurg was natuurlijk zijn moeder.

Hofstadter wil ons ook de ogen openen. Hij doet dat met een goedbedachte en nogal ingenieus in elkaar zittende analogie. Hij geeft een racistische versie van seksisme. Alles wat ‘man’ is heeft hij vervangen door ‘blanke’. Het onderscheid tussen ‘hij’ en ‘zij’ bestaat niet, er zijn alleen ‘blij’s’ (blanke hij’s en zij’s) en ‘zwij’s’ (zwarte hij’s en zij’s). Het stuk is bovendien een parodie op de column van taalpurist William Safire (Hofstadters pseudoniem luidt dan ook William Satire).

Oordeelt u zelf over die onmogelijke vertaling: ‘Er schuilt veel schoonheid in een zin als ‘Alle blanken zijn als gelijken geschapen.’ De voorleiders die de Onafhankelijkheidsverklaring opstelden, hadden gevoel voor de poëzie van de taal.(…) Wat voor kwaad schuilt er in vertrouwde uitdrukkingen als ‘Blanke overboord’, ‘Op de blanke af’, of ‘Als de nood aan de blanke is’? ‘

Zo gaat dat een aantal bladzijden door. En het is schokkend om te lezen, al gaan analogieën zoals ook Hofstadter moet weten, natuurlijk nooit helemaal op. Zelf probeert hij naar zijn zeggen te oefenen in niet-seksistisch taalgebruik, en in niet-seksistische beelden (bij chirurg niet meteen aan een man denken).

Toen ik hem ernaar vroeg noemde hij dat ‘vooral een bijzonder verhelderende ervaring.’ Een werkelijke oplossing biedt het allemaal niet, en die ziet hij ook niet, hoewel hij duidelijk langer – en een stuk verstandiger – over dit punt heeft nagedacht dan de meeste mensen. Immers, je kunt ook niet voortdurend hij/zij zeggen of schrijven, want daar wordt iedereen gek van; en alle ‘hij’s’ door ‘zij’s’ vervangen, of af en toe eens een, leidt verschrikkelijk af van de tekst.

Het Engels heeft nog een andere mogelijkheid, en daar maakt Hofstadter gebruik van: je kunt ‘they’ (zij-meervoud) heel dikwijls op één persoon laten slaan, en het is sekse-neutraal. In het Nederlands gaat dat moeilijker, ook al is het niet helemaal uitgesloten zoals Hofstadter dacht. Hij ondergroef zijn eigen stelling door als voorbeeld te geven: ‘Als je naar de tandarts gaat, en ze boren een gat in je kiezen..’ Hij is blijkbaar toch beter in het Nederlands te vertalen dan hij zelf denkt.

Er vallen nog ontelbare zaken meer over Metamagische Thema’s te zeggen, maar ik laat het tot slot bij nog een paar opmerkingen: als u nog zo’n kubus van Rubik heeft liggen dan wordt het tijd hem af te stoffen. Hofstadter wijdt er tientallen inspirerende pagina’s aan.

En als u moeite heeft u iets voor te stellen bij aantallen of getallen die meer dan drie nullen bevatten, dan is het hoofdstuk ‘Onbenulligheid’ (overigens een schitterende vertaling van ‘Number Numbness’) verplichte maar ook lekkere kost. Het lukt Hofstadter werkelijk om de grootste onbenul een beetje gevoel voor machten van tien bij te brengen. En als u harder op zoek bent naar een perfect recept om anderen te bedriegen dan kunt u ook in dit boek terecht.

Kameleon op hete kolen

Een paar meisjes zijn teruggekomen. Gisteravond hebben ze de vuurloop niet aangedurfd, maar vanochtend werden ze met spijt wakker. Tegen elven grijpen ze hun tweede kans: ze lopen in wandeltempo over een pad gloeiende houtskooltjes van een meter of vijf. Met hun hoofd omhoog en onder het snel uitspreken van de woorden “koel mos”. Het kan niet, maar toch voelen ze niets van de hitte die zo overduidelijk van het pad afstraalt.

Een kleine twintig mensen, inclusief de verslaggeefster, houden deze avond bij de vuurloop volmaakt gave voetzolen, ook al zegt hun verstand dat dat niet klopt.

De wandeling is de finale van een avond cursus van Emile Ratelband, deze keer bedoeld voor de verkoopstaf van een bedrijf dat ondermeer vlooiebandjes maakt. Neuro Linguistisch Programmeren is het onderwerp en uitgangspunt bij Ratelbands optreden dat ruim vier uur duurt en toch niet gaat vervelen. De vuurloop is, zo zegt hij zelf, niet meer dan een metafoor, een manier om cursisten duidelijk te maken dat ze meer kunnen dan ze denken.

Neuro Linguistisch Programmeren (NLP zeggen ingewijden) wordt verkocht als een wondermiddel, een modern panacee, en het verkoopt goed. Boekwinkels richten er speciale hoekjes voor in en vooral in de psychotherapie en het bedrijfsleven is het een groot succes. Het komt uit Amerika, en kan nog het best omschreven worden als een samenraapsel, of wie weet een synthese van al langer bekende inzichten en technieken uit de psychologie.

Maar er zijn een paar opvallende verschillen. Zo leert NLP dat je niet alleen van je eigen ervaringen kunt leren, maar dat die van een ander ook al voldoende zijn. Iets dat iemand anders al eens gedaan heeft, wat het ook is, dat kun jij ook, is de boodschap. Hoe? Door die ander te modelleren, als model te nemen.

Ratelband heeft – naast de vuurloop waarbij hijzelf als model voor de cursisten optreedt door te vertellen wat hij doet en dan als eerste over de kooltjes te wandelen – een paar tot de verbeelding sprekende voorbeelden. Wie iets wil veranderen in zijn leven moet eerst weten wat hij nu echt wil. Een relatie die na dertig jaar nog fris en interessant zal zijn bijvoorbeeld? Zoek dan een stel dat dat heeft, en vraag ze uit. Hoe gaan ze met elkaar om? Wat zijn hun overtuigingen? Iedereen kent ook wel het voorbeeld van de man van negentig die nog steeds genietend van zijn borreltje en sigaretje op een bankje zit: als hij dat kan, kunt u dat ook. Topverkoper bij uw bedrijf worden? Meer geld verdienen? Een betere gezondheid krijgen? Alles is mogelijk, wanneer die ene hindernis genomen is: de overtuiging dat u het niet kunt en dat u het niet zelf in de hand hebt.

Geheel tegen de heersende trend in gaan NLP-ers ervan uit dat iedereen met volkomen gelijke kansen geboren wordt. Mensen hebben geen aangeboren talenten, maar krijgen door wat ze meemaken overtuigingen dat ze iets wel of niet goed kunnen. Een tekentalent dat je in een hele familie terugziet is geen gave, maar komt voort uit het onbewuste modelleren dat we allemaal ook zonder NLP doen. Ook intelligentie is niet erfelijk bepaald.

Ratelbands verhaal roept weerstand op. Ook in de zaal in Ugchelen die hij toespreekt. Zijn standaard antwoord is: je hoeft het niet te geloven, je moet het gewoon proberen. Dat geldt ook voor het spiegelen, dat naar zijn zeggen hét middel is om iets te verkopen. Dondert niet wat: een produkt, jezelf, je ideeën. Om iets aan iemand te verkopen moet je rapport (op z’n Frans uitgesproken) maken. Dat doe je in eerste instantie met je lichaam en je stem. Je neemt precies dezelfde houding aan als degene die je wilt bereiken, kopieert zijn of haar gebaren en je gaat op dezelfde manier ademen.

Dit is dikwijls al genoeg. In de Playboy van november vorig jaar stond onder de kop “De grote versierder” een curieus verslag te lezen van Ratelbands vermogen bloedmooie meisjes binnen een paar minuten aan zijn tafeltje te krijgen. Met een paar verslaggevers trok hij het Amsterdamse nachtleven in. In iedere nieuwe kroeg mochten de heren van Playboy zeggen met wie er contact gelegd moest worden. Ratelband ging dan op een afstandje het meisje in kwestie exact zitten kopiëren en tot verbijstering van de twee journalisten werkte het vrijwel elke keer. Desgevraagd bleken de meisjes meestal niets bijzonders gemerkt te hebben. Met een beetje oefenen kun je zover komen dat het altijd lukt, zegt Ratelband, en je hoeft er geen mooie jongen voor te zijn.

Heb je de goede bewegingen, houding en ademhaling te pakken, dan wordt het tijd de toon van je stem en je manier van spreken aan te passen. Zit je tegenover een stotteraar dan moet je ook een beetje gaan stotteren. Commentaar uit de zaal: “Ja zeg, ik ben niet achterlijk! Zo’n man denkt dan toch dat ik hem voor de gek hou. Die verkoop ik nooit meer een vlooieband.” Ratelband opnieuw: “Probeer het nou maar eens een keer, je hoeft het niet te geloven.”

Het achterliggende idee van het spiegelen is dat ieder mens nu eenmaal toch het meest van zichzelf houdt. Jammer genoeg wil niemand ingaan op Ratelbands vraag “of er misschien iemand in de zaal is die van een ander zegt: die mot ik niet’. Nu zet hij twee vrouwen die elkaar nog nooit eerder gezien hadden tegenover elkaar, en laat ze “rapport’ maken. Na de lichaamshouding en het stemgebruik komt de inhoud aan bod: met een beetje doorvragen zijn er snel overeenkomsten in belangstelling (vakantie, zon, zee, kinderen) gevonden. Het rapport is gemaakt, en ja hoor, aan het eind van de sessie voelen de twee zich vriendelijk gestemd tegenover elkaar.

Om helemaal goed op de behoeften van anderen te kunnen inspelen is het daarnaast nodig om VAK te worden. VAK staat voor Visueel, Audio en Kinesthetisch: zien, horen en voelen dus.

Je hebt mensen die vooral visueel zijn (het type dat druk praat, veel gesticuleert en wegkijkt), anderen zijn meer audio gericht (de luisteraar die zelf bedachtzaam formuleert), en weer anderen ‘kino’ (“van die mensen die je altijd willen aanraken’). Die types botsen in de omgang, (dat tegenoverstelde karakters elkaar aantrekken is volgens Ratelband een fabeltje, ook partners zoeken toch altijd gelijkenissen), maar iedereen heeft van alledrie wel wat.

Het is dus zaak je ‘audio-kant’ boven te halen bij een audiotype, je kinokant bij een kino-gesprekspartner en zo verder. Ratelband illustreert dit punt door vier tophits te draaien. Met een grote bril op zingt hij mee met een visueel gericht liedje met een hoog tempo (Take a look at me now), voor de ‘audio-plaat’ (Beautiful noise ) heeft hij plastic oren, en het gevoelige kino-nummer (Your touch) krijgt begeleiding van een paar rubberen handen. De grootste hit (What a feeling) verenigt alle drie die elementen, die heeft de meeste mensen, namelijk alle types, aangesproken. De one-man-show is nu compleet.

Maar er moet nog meer duidelijk gemaakt worden. Dat je gedrag bepaald wordt door je stemming bijvoorbeeld, en dat je die stemming heel goed zelf kunt sturen. Ratelband laat de zaal een eenvoudig gedachtenexperimentje uitvoeren: met de ogen dicht moet iedereen zich zijn lievelingsappel voorstellen. Met alles erop en eraan: kleur, geur, stevigheid, smaak.

Zoals te verwachten krijgt iedereen verschrikkelijke trek in een appeltje, en loopt het water ze in de mond. Toch is die trek heel eenvoudig om te zetten in afkeer: door het appeltje in gedachten te laten verschrompelen tot een bruin, rimpelig, rot exemplaar waar een wormpje uitkomt. Het punt is duidelijk: je eigen stemming sturen kan ook bij heel andere dingen. En daarbij zijn iemands eigen ervaringen een goudmijn.

Is het zo’n dag dat niks wil lukken, dat alles een onmogelijke opgave lijkt? Denk dan aan een gelegenheid waarbij alles gladjes verliep. Probeer de stemming, de gedachten, de gevoelens van toen op te roepen, en begin vanuit die nieuwe stemming opnieuw.

“U wist het allemaal al hè?” zegt Ratelband aan het eind van de avond. Dat schrijft ook 65 procent van de tachtig procent die naar Ratelbands eigen zeggen de enquête terugstuurt die hij elke cursist zes weken na een seminar toezendt. “Alleen, nu weet u dat u zelf de keuze kunt maken.”

Zijn seminar is inderdaad een wonderlijk mengsel van show, clichés, Aha-erlebnisse en zeer vergaande claims: de hele wereld met al zijn mogelijkheden ligt voor iedereen open. Tenminste, voor wie er aan wil. Ratelband opent de avond met de vraag of de zaal met hem mee wil spelen. Gewoon, een avond lang. En het lukt hem om de meesten mee te krijgen. De boodschap is ook zo ongemeen aantrekkelijk. En Ratelbands eigen overtuigingen en enthousiasme werken aanstekelijk.

De vuurloop is wat dat betreft een soort vuurproef voor wat hij weet te bereiken in één avond tijd. Bovendien is hij zelf een soort levend bewijs van de effecten van NLP.

Eerder, thuis in zijn villa die uitsluitend als ‘kapitaal’ betiteld kan worden, heeft hij zijn levensverhaal verteld. Een klassieker van de eerste orde. Geheel aan lager wal geraakt in Amerika waar hij met het hele gezin naartoe getrokken was om de Amerikanen de geneugten van het oerhollandse poffertje bij te brengen (Ratelband komt uit een bakkersfamilie), kocht hij zo’n beetje van zijn laatste geld het boek Unlimited Power van Anthony Robbins. Een man die het vak van Neuro Linguistisch Programmeren van de grondleggers zelf (de psychotherapeuten Richard Bandler en John Grinder) geleerd had. Ratelband las het boek in één nacht uit en sindsdien is alles anders. Hij ging in de handel en werd binnen de kortste keren miljonair. Zelfs met de poffertjes is het uiteindelijk goed gekomen.

Eenmaal succesvol wilde hij de rest van de wereld ook kond doen van de kracht van NLP. Een half jaar lang modelleerde hij Anthony Robbins (“Tony”) bij al diens groepstrainingen en persoonlijke sessies. Sindsdien geeft hij zelf cursussen en seminars voor bedrijven in binnen- en buitenland (overigens altijd met een “niet-goed-geld-terug’ garantie), maar hij helpt ook mensen die kanker hebben en heroïneverslaafden.

Toch Johan Maasbach, de gebedsgenezer? “Ik heb hem alleen nog maar een hand gegeven”, zei een jongen aan het begin van de avond, “maar hij straalt wel wat uit, vind je niet?” Ratelband moet niets hebben van een religieuze benadering.

Maar over de wetenschappelijke bewijsvoering, en de benaming van NLP is hij duidelijk: met bevindingen uit de neurologie, de linguïstiek of het programmeren van computers heeft het allemaal niet veel te maken. ‘Neuro’ slaat op het feit dat alles zich in het brein afspeelt, ‘linguïstisch’ is het woord dat duidelijk moet maken dat lichaamstaal en hoe je dingen voor jezelf noemt (iets is nooit een mislukking maar altijd een resultaat waarop je verder kunt bouwen bijvoorbeeld) belangrijk zijn, en ‘programmeren’ heeft te maken met de nieuwe ‘instructies’ die je jezelf kunt geven.

Meer is het niet. Ratelband zal het ook een zorg zijn, het is de praktijk die telt. En wie weet wél hoe de menselijke psyche in elkaar zit of hoe geest en lichaam samenhangen?

Dat pragmatische is ook typisch Amerikaans. Maar juist omdat het allemaal daar vandaan komt, krijgt NLP in Nederland vaak die geëxalteerde Amerikaanse toon mee, die veel mensen tegen de borst stuit. Het boek van Robbins (een bestseller) heet in het Nederlands Je ongekende vermogens. Het hele NLP-hoekje in de boekwinkel ligt vol met titels waar grote groepen mensen automatisch met afkeer aan voorbij lopen: Hoe haal je wat in je hoofd, de nieuwe denktechniek NLP, Veranderen kan …. leuk zijn, Je moet maar durven, Neurolinguïstische programmering in het sollicitatiegesprek en bij outplacement, Change your mind enzovoort.

Ook de teksten in die boeken hebben vaak dat hijgerige, eufore. En hetzelfde geldt voor de folders en mailings van al die andere NLP-trainingsinstituten, die zich inmiddels op deze markt hebben begeven. Daar staat dan weer een boek als Neuro-Linguistisch Programmeren in Nederland (van J. Hollander, L. Derks en A. Meijer, twee klinische en een sociaal psycholoog) tegenover, dat wat kalmer van toon is en waarin ondermeer een psychotherapeut, een projectmanager, een fysiotherapeut en een dierenarts vertellen hoeveel plezier van NLP ze hebben bij hun werk.

Maar of iedereen in staat is de kameleon te worden die Ratelband zelf zo overduidelijk is? Zoals iemand aan het eind van het seminar zei: “Al hebben maar twee mensen vanavond een andere draai aan hun leven kunnen geven.”

‘Ober, de biefstuk klinkt vals’

Joseph S. heeft nooit echt zijn draai kunnen vinden in het leven. De belangrijkste reden daarvoor lag merkwaardig genoeg in zijn fenomenale geheugen. De Rus die aan het begin van deze eeuw geboren werd, ont­hield letter­lijk alles.

Elke geheugentest doorstond hij glans­rijk. Willekeurige lijsten met woor­den, let­ters of cijfers, krankzinnig ingewikkelde wortelverge­lijkingen die niets bete­kenden, stukken tekst in vreemde talen, Joseph bekeek ze even of hoorde ze aan, en herhaalde het dan foutloos. Indien gewenst zelfs van achteren naar voren. En dat niet alleen vlak na de test, maar ook vijfentwintig jaar later nog.

Hemzelf was het nooit opgevallen dat er iets bijzonders aan de hand was. Toen Josephs bureauchef hem vroeg waarom hij niet net als zijn collega-journalisten aantekeningen maakte als hij een lijst opdrachten en adressen kreeg, was hij verbaasd. Onthield dan niet iedereen alles wat er tegen hem gezegd werd?

Joseph liet zich naar het plaatselijke psychologisch laboratorium sturen, waar hij A.R. Lurija trof, de man die later de beroemdste neuropsycholoog van de Sovjet-Unie zou worden en die tientallen jaren contact met S. hield.

Lurija had al gauw door dat S. niet eenvoudigweg het beeld van een bepaalde reeks cijfers of letters in zich opnam om dat dan weer te reproduceren. Nee, voor S. was de wereld een totaal andere dan voor normale mensen. Alles wat hij hoorde riep meteen licht‑ en kleursensaties op. Ook proefde of rook hij soms de dingen die hij hoorde. “Wat heeft u een brokkelige, gele stem”, zei hij dan bijvoorbeeld. Geluiden konden er uitzien als ‘lijnen’ of ‘spatten’. Duidelijke grenzen tussen gezicht, gehoor, gevoel en smaak bestonden voor S. niet. Zijn zintuigen liepen als het ware door elkaar, een verschijnsel dat synesthesie heet.

De hele dag door werd S. bijna overspoeld door zintuigelijke sensaties. Dat kon bijzonder hinderlijk zijn. Zo kon hij onmogelijk lezen onder het eten, omdat de smaak van het eten de betekenis van wat hij las in de weg zat. Als Lurija hem snel een verhaal voorlas dan raakte hij in de war.

Anderzijds hielpen al die gewaarwordingen hem juist om de dingen te onthouden. Joseph had de gewoonte de opgeroepen beelden ergens ‘neer te zetten’. Hij stelde alles op in een denkbeeldige ruimte waar hij dan later weer doorheen kon ‘wandelen’. Vaak verzon hij daar een heel verhaal bij. Zo herinnerde hij zich dan een bijvoorbeeld een rijtje lettergrepen. Als hij toch wel eens iets vergat, dan kwam dat meestal door een onhandige opstelling: een beeld van iets lichts tegen een lichte muur bijvoorbeeld, maakte dat hij dat over het hoofd zag als hij terugging in zijn herinnering.

Joseph S. eindigde nogal ongelukkig als geheugenkunstenaar. De kracht van de beelden, geuren, kleuren en smaken die elke belevenis in hem wakker maakte, was zo groot, dat de werkelijkheid dikwijls naar de achtergrond gedrongen werd. Hij hield daardoor het gevoel dat alles maar ‘tijdelijk’ was.

Hoeveel mensen er synesthetisch zijn is niet bekend, maar de meesten worden er niet zo ongelukkig van als S. Wie het is houdt er meestal wel stijf zijn mond over dicht: de buitenwereld denkt al gauw dat je gek bent of onder de verdovende middelen zit.

Het was dan ook door toeval dat de Amerikaanse neuroloog Cytowic erachter kwam dat zijn vriend Michael vormen proefde. De twee waren in de keuken, waar Michael kip klaar stond te maken. Toen hij een hapje nam hoorde Cytowic hem ineens zeggen: “Hè get, er zitten nog niet genoeg punten op”. Michael schrok er zelf van: anders liet hij nooit iemand merken dat elke smaak bij hem een bepaalde vorm opriep. Hij kon die vorm als het ware aanraken met zijn handen, ook al wist hij heel goed dat er in werkelijkheid niets was om aan te raken. Maar in zijn jeugd had hij al geleerd dat anderen hem niet begrepen als hij zei: “Met die ronde smaak kan ik die kip onmogelijk aan m’n gasten voorzetten.”

Cytowic raakte geïntrigeerd en besloot een studie van het verschijnsel synesthesie te gaan maken. Michael werd zijn proefpersoon, letterlijk: Cytowic liet hem een hele reeks smaken van zoet naar zuur proeven, een heleboel keer, en telkens in een andere volgorde. Iedere keer opnieuw ervoer Michael bij dezelfde smaak dezelfde vorm. Zoet was rond, zuur puntig, maar een smaak kon ook ‘glad en zacht als marmer’ aanvoelen. De sensatie was soms overweldigend: Michael voelde dan een soort golf door zijn armen naar zijn handen gaan, maar bij andere smaken voelde hij alleen een lichte prikkeling in zijn vingertoppen.

Beeldspraak, denkt een normaal mens al snel, maar dat is het niet. Cytowic liet ook proefpersonen die niet synesthetisch waren aangeven welke vormen ze met welke smaken associeerden. Anders dan Michael kwamen die met een nogal willekeurige verdeling. Andersom begreep Michael niets van beeldspraak als ‘dat is een scherpe kaas’. Dat vormen proeven kon hij ook niet bewust oproepen of uitschakelen: het gebeurde, telkens weer, of hij nou wilde of niet. Iets dat alle synestheten vertellen: ze kunnen er niets aan doen, het overkomt ze.

Er zijn verschillende soorten synesthesie. Meestal gaat het om beelden die opgeroepen worden doordat iemand iets hoort, proeft of voelt. Zeldzamer is het dat iemand iets ziet of hoort dat een gevoel teweegbrengt. Het horen van kleuren komt het meest voor, en het zijn soms niet de geringsten die dit verschijnsel aan den lijve ondervinden. Vladimir Nabokov, schrijver van de wereldhit Lolita, bijvoorbeeld hoorde kleuren, net als zijn moeder (soms lijkt synesthesie erfelijk te zijn).

En het schijnt dat de grondlegger van de klassieke natuurkunde, sir Isaac Newton, bij elke muzieknoot een kleur hoorde. De Russische componist Alexander Skrjabin ervoer weer kleuren bij bepaalde muzieksleutels. Hij ontwierp daarom een kleurenklavier: als je daar op speelde werd er bij bepaalde akkoorden een bepaalde kleur geprojecteerd op een scherm. Het was de voorloper van het nog altijd populaire lichtorgel.

Nogal wat kunstenaars zijn op zoek geweest naar parallellen tussen bijvoorbeeld kleuren en klanken. Franse symbolistische dichters als Rimbaud en Baudelaire speelden er ook mee, maar die waren zelf naar alle waarschijnlijkheid niet synesthetisch.

En al waren ze het wel geweest: de ene synestheet is meestal de andere niet. Waar voor de een de muzieknoot A altijd rood is, of het cijfer drie steeds weer groen, is voor een ander de A juist blauw, of de drie geel. Hun leven lang. Wel schijnt een opvallend hoog percentage bij de O wit te zien, bij de U geel/bruin en bij de I wit/grijs. Vaak werkt het als geheugensteun. Iemand die kleuren hoort kan zich bijvoorbeeld afvragen ‘hoe die vrouw met die groene stem ook weer heette’.

Het is lastig het je voor te stellen, maar voor alle synestheten gaat het om levensechte, bijzonder sterke sensaties. Dat bracht Cytowic op een gedachte. Hij was op zoek naar een verklaring voor het verschijnsel. Want hoewel er al meer dan honderd jaar gevallen van synesthesie beschreven worden, is er over de oorzaak nooit veel idee geweest. Van die sterke gevoelssensaties, dacht Cytowic, die zitten meestal in het limbische deel van je hersenen, waar waarschijnlijk ook je herinneringen opgeslagen worden. Dat limbische brein is evolutionair gezien relatief oud, ouder dan de zogenaamde temporale cortex waar meestal van die nieuwe ‘abstracte’ vaardigheden als ‘redeneren’ en ‘taal’ gelocaliseerd worden.

Cytowic had het idee dat het limbische deel van de hersenen als het ware ‘opgevoerd’ wordt bij een synesthetische ervaring, terwijl de cortex juist even op een laag pitje wordt gezet. Dat idee had hij ondermeer omdat er iets dergelijks gebeurt als je de drug LSD slikt, en onder invloed van LSD worden mensen vaak ineens synesthetisch. Maar ook Michaels normale dagelijkse gebruik van cafeïne, nicotine en alcohol wees in die richting. Michael begon de dag met koffie en sigaretten: dat stimuleert de cortex. ’s Avonds na een paar stevige borrels, die de cortex juist minder actief maken, waren zijn synesthische ervaringen veel intenser dan ’s ochtends.

De ultieme test was een PET-scan. Daarop kun je, door de bloedstroom te volgen, precies zien in welk deel van het brein op een bepaald moment het hardste ‘gewerkt’ wordt. Michaels PET-scan verbijsterde Cytowic: tijdens een synesthetische ervaring was er zo weinig bloed te bespeuren in zijn cortex dat hij eigenlijk zwaar gehandicapt zou moeten zijn. De synesthesie speelde zich inderdaad helemaal af in dat oude, limbische brein. Cytowic’s conclusie: mensen als Michael hebben iets bewaard dat bij de rest van ons tijdens de evolutie verdwenen is. Ze zijn dus een soort levende fossielen.

Toch is dat zeker niet het hele verhaal. Cytowic baseert zich maar op één scan van iemand met een zeldzame vorm van synesthesie. In Londen wordt er onder leiding van Simon Baron-Cohen al jaren onderzoek gedaan naar de meest frequente vorm van synesthesie: het zien van kleuren als je iets hoort, voelt of ruikt. Daar werd onder anderen de schilderes Elizabeth Stewart-Jones getest. Alle woorden hebben voor haar een kleur, maar welke lijkt volkomen willekeurig te zijn. Want woorden die qua betekenis dicht bij elkaar liggen (man, mannelijk, masculien) hebben toch allemaal een andere kleur, maar ook woorden die bijna hetzelfde klinken maar iets heel anders betekenen (bijvoorbeeld moon, moan en mean) hebben verschillende kleuren. 

Maar de relatie tussen taal en kleur blijkt soms wel een neurologische basis te hebben. Ook in Engeland kwam de PET-scan eraan te pas, en ditmaal bij meerdere mensen. Wat bleek? Bij het horen van woorden werd er niet alleen een belangrijk ‘taaldeel’ van de hersenen van de synesthetische proefpersonen actief, maar er stroomde ook bloed naar het stukje brein dat verantwoordelijk is voor ‘kleuren zien’. Er ligt bij hen dus een neurologische verbinding, of misschien moet je zeggen: er ontbreekt een barrière. Bij een controlegroepje ‘gewone’ proefpersonen werd alleen het ‘taaldeel’ actief toen ze woorden hoorden.

Zien doen we met onze visuele cortex, een stukje hersenschors dat zich aan de achterkant van ons hoofd bevindt, en niet in het dieper gelegen limbisch systeem. Misschien dus dat er bij verschillende soorten synesthesie sprake is van verschillende verschijnselen. Voorlopig blijft het raadselachtig, en kunnen de neurologen vooruit. In Nederland schijnt jammer genoeg nog niemand zich erop geworpen te hebben.

Literatuur:

A.R. Luria, Een teveel aan geheugen, Uitgeverij Bert Bakker 1990

Richard E. Cytowic, The man who tasted shapes, G.P. Putnam’s Sons, New York 1993

Autistisch kind

Lydia Rood: Het boek Job 119 blz., Prometheus 1994, f 19,90

Kaat is Jobs vriendin. Ze is geen hulpverleenster, geen familie, maar gewoon een oudere vriendin. Vrienden zijn een schaars goed wanneer je, zoals Job, autistisch bent. Aan Kaat laat Job soms meer blijken van zijn gevoelens dan aan anderen. Toen hij zestien was vroeg hij haar een keer “Is het een dom ding dat ik een hekel heb aan weggaan bij jou?”.

Job vraagt zulke dingen ook omdat hij wil weten of zijn gedrag wel aanvaardbaar is. Al zijn leven lang probeert hij de sociale codes van de wereld waarin hij leeft te kraken. Daarom straalt hij ook van genoegen als Kaat hem tijdens een museumbezoekje op zijn vragen verzekert dat zijn moeder en zijn vader inderdaad zullen huilen, wanneer hij nu van die galerij de diepte in springt, en dus dood zal zijn. Hij heeft de koppeling dood-verdriet-huilen goed gelegd, hij heeft het gesnapt.

Job heeft een zus. Dat is de schrijfster en journaliste Lydia Rood. Ze heeft zes jaar gewerkt aan een juweel van een boekje over haar broer. Het boek Job heet het.

Het is een portret dat Job zo graag gemaakt wilde zien, dat hij op een gegeven moment uit zichzelf vroeg of het er nog van zou komen. En zoals alle autisten vraagt hij bijna nooit spontaan iets.

Het is een van de dingen waaraan je kunt merken dat hij erkenning zoekt, dat hij er bij wil horen. Over autisten zegt hij dat het soms lijkt of ze er niet bijhoren. “Hoor jij erbij?”, vraagt z’n zus. “Ja”, zegt Job. “Maar ik vind het niet erg dat ik erbij hoor.”

Rood heeft voor het boek met Jobs hele omgeving en met hemzelf gepraat. Dat dat laatste kan is vrij bijzonder, veel autisten praten niet. Ook met Job wordt het nooit gezellig gebabbel, maar hij heeft geleerd om grapjes te maken. En grapjes zijn een afwijking van de orde en regelmaat die voor elke autist essentieel zijn. Job is, zoals dat heet, geen ‘zwaar geval’.

Maar hij houdt niet van vragen met een w, zoals hij zelf zegt. Op het wie, wat en waarom van de wereld, en dan vooral van gevoelens, krijgt hij maar moeizaam vat. Via een omweg – ze legt hem bij voorbeeld multiple-choicevragen voor – weet Rood hem desalniettemin heel veel te ontlokken. Bij voorbeeld dat hij liever geen autist zou zijn.

Behalve van Job is het boek vanzelf ook een portret van zijn familie geworden. Opvallend is hoe verschillend de gezinsleden op hem reageren.

De ouders zagen de eerste dag al er iets mis was. “Iets met zijn blik.” Rood citeert uit het ‘babyboek’ dat Jobs moeder bijhield, en dat iets van haar geworstel om dit zoontje te begrijpen laat zien. “Toch vind ik je een vreemd kindje”, schrijft ze in 1961 als Job een jaar oud is. Maar op de lastige vraag wat ze zou nemen, wanneer ze mocht kiezen tussen wel of niet een autistisch kind hebben antwoordt ze simpelweg dat de Job zou kiezen. Ook uit de ‘Gedachten over Job’ die zijn vader in 1985 opschreef voor de mensen die met hem moesten gaan werken, blijkt een grote liefde voor en betrokkenheid bij zijn zoon.

Van die betrokkenheid zie je weinig terug bij Jobs jongere broertjes, de tweeling Tijl en Niels. Dat gaat van beide zijden mis. Hoewel het geen eeneiïge tweeling is kan Job de jongens niet uit elkaar houden. “Tijl of Niels, waar is mama?” loste hij dat op. Andersom vinden Tijl en Niels dat Job dan maar in zijn ‘glazen zuil’ moet blijven zitten.

De oudste, Hein, is wel een echte grote broer, die vroeger kattekwaad met Job uithaalde, en ook Menke zocht in Job een maatje. Lydia zelf is het prototype van de oudere zus die broerlief zowel wil opvoeden als beschermen. Dat alles wordt haarscherp, en zonder veel omhaal van woorden getekend.

Roods goed geschreven boekje zet aan het denken. Wat je bij voorbeeld bijblijft is de machteloosheid van familie tegenover instellingen, die hun ‘pupillen’ toch altijd weer te gemakkelijk onwil toedichten, daar waar er sprake is van onmacht. Job maakt dingen kapot als hij zich gefrustreerd of teleurgesteld voelt, vaak dingen waar hij erg aan gehecht is.

Hij straft dus zichzelf, en moet daar bovenop dan nog regelmatig de straf van anderen verdragen. Die grenst soms aan puur sadisme: in de kou om drie uur ’s nachts rondjes in de tuin moeten lopen, afgespoten worden met de brandslang, en dan weer rondjes lopen, en weer onder de brandslang. Of hij mag niet meer in de werkplaats werken, terwijl hij zo goed is in dingen met zijn handen maken.

Kanarie

Toch heeft hij maar één keer iets echt ergs gedaan. Iets waarover nooit meer gesproken is, en dat Rood met moeite in het boek vertelt. Job zat tijdelijk in een open afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, in afwachting van het gereedkomen van een speciale leefgemeenschap voor autisten. In die leefgemeenschap woont hij nu nog, naar volle tevredenheid, maar in dat psychiatrisch ziekenhuis was hij doodongelukkig. Daar knipte hij op een dag de pootjes van een levende kanarie.

Job werd overgeplaatst naar een gesloten afdeling, waar hij nog minder op zijn plaats was. Zijn vader: “Toen was hij dubbel opgesloten: in zichzelf en in dat paviljoen.”

Rood is geen autoriteit op het gebied van autisme, schrijft ze, toch heb ik door Het boek Job meer van deze ongrijpbare afwijking begrepen dan ooit tevoren. Rood beschikt over de twee dingen die nu eenmaal de beste verslaggeving opleveren: uitstekende journalistieke vaardigheden én een grote kennis van het onderwerp waar ze over schrijft. En nergens zoekt ze sensatie, nergens wordt het sentimenteel. Dat is knap.

Het gevolg was dat Job en zijn gewone menselijke verlangens, zoals gewaardeerd te worden en ‘het goed te doen’, nog tijden door mijn hoofd bleven spelen. Roods portret van haar broer gaat ook over het menselijk tekort. Mede daarom verdient dit boekje het om, net als dat andere boek Job, in alle talen van de wereld vertaald te worden.

Een brein in flarden

DE MAN MET EEN KOGEL IN ZIJN HOOFD De geschiedenis van een neurologisch geval door A.R. Lurija. Vertaling: Frans Stapert Uitgever Bert Bakker, 161 p., f 24,50

Geen Friday the 13th in welke aflevering dan ook kan er tegenop. Pure horror: een kogel door je hoofd geschoten krijgen en dat na kunnen vertellen. 

Nou ja, na kunnen vertellen… Zasetski deed vijfentwintig jaar over zijn verhaal. Eigenlijk is hij ook meer de schrijver van De man met een kogel in zijn hoofd dan Lurija, de wereldberoemde neuroloog die als auteur vermeld staat op dit net uit het Russisch vertaalde boek. Lurija (in 1979 overleden) was ook de eerste om dat toe te geven overigens. De verbindende teksten, waarin onder andere het een en ander uiteengezet wordt over de werking van de hersenen zijn van zijn hand, maar het grootste deel van het boek bestaat uit dagboekfragmenten van de gekwelde Ljova Zasetski.

Voorjaar 1943. Rusland, de slag bij Smolensk. Zasetski is 23 en commandant van een peloton. ‘Plotseling barstte de Duitse kogelregen los, van alle kanten knetterden de mitrailleurs. De kogels floten me om de oren. Ik zocht dekking. Maar lang kon ik niet blijven liggen: onze voorhoede was al bezig de oever te beklimmen. Onder mitrailleurvuur sprong ik op van het ijs, stormde voorwaarts in westelijke richting, en…’

Zasetski’s wereld werd in duizenden stukken geslagen, zoals Lurija het adequaat uitdrukt. Die stukjes werden nooit meer een eenheid. De gevolgen van een kogel die de hersens doorboort zijn, hoe goed Zasetski ze ook beschrijft, feitelijk niet voor te stellen. 

Zasetski kan niet goed meer zien, dat wil zeggen, hij ziet chaos. Alles beweegt, flikkert, verandert voortdurend voor hem. Het hele idee van een rechterkant is verdwenen. Hij kan van alles maar de helft zien: ‘Wanneer ik naar de linkerhelft van een lepel kijk vraag ik me verbaasd af waarom ik er maar een stukje van zie en niet de hele lepel. Toen dit voor het eerst gebeurde leek de lepel een vreemd stukje ruimte, waar ik zelfs bang voor werd wanneer ik hem in de soep kwijtraakte.’ 

Hij kan ook zijn eigen rechterkant op geen enkel manier meer waarnemen, en hij begrijpt sowieso niet langer hoe zijn lichaam in elkaar zit en werkt: ‘Wanneer ik mijn ogen dan dicht doe weet ik niet eens waar mijn rechterbeen gebleven is. Om de een of andere reden heb ik steeds gedacht (en gevoeld) dat het ergens boven mijn schouder, zelfs boven mijn hoofd zat. (…) ’s Nachts werd ik plotseling wakker en voelde een soort druk in mijn buik. Er zat me daar iets dwars, maar ik hoefde niet te plassen. Ik moest iets anders, maar wat? Ik kon er maar niet achter komen, terwijl de druk in mijn buik steeds groter werd. Plotseling realiseerde ik me dat ik naar de wc moest. Ik piekerde me suf hoe dat ook alweer ging. Ik wist al dat ik een opening had om urine uit het lichaam te lozen, maar hier moest iets anders gebeuren. Mijn buik drukte op een andere opening, maar ik was vergeten waar die voor diende.’

Zasetski’s geheugen is in eerste instantie totaal verdwenen. Hij heeft de rest van zijn leven (het is onduidelijk of hij nu nog steeds leeft, daar wordt nergens iets over vermeld) hoofdpijn en een gonzend hoofd. Als hij wakker wordt in het ziekenhuis weet hij niet wie hij is, hij weet niet wat er gebeurd is en hij snapt ook niets van wat mensen tegen hem zeggen.

Het nare is alleen: hij is niet gek. Hij realiseert zich, voelt dat er iets verschrikkelijk mis met hem is. En langzaam, heel langzaam vindt hij weer iets van de woorden om dat mee uit te drukken terug. Hij prent ze zich keer op keer in, maar het kost hem ongelooflijk veel moeite. Er zijn stukjes en brokjes herinnering bewaard gebleven, flarden komen terug, zoveel is duidelijk, maar iets nieuws onthouden is vrijwel ondoenlijk.  

Formuleren, een gedachte vasthouden, een mededeling begrijpen kosten verschrikkelijk veel tijd, als het al lukt: ‘Het lijkt of er een zwaar slot om mijn hoofd zit. Wanneer ik er met de grootste moeite een woord aan ontfutseld heb duurt het minuten, soms urenlang om een tweede woord te vinden dat ik voor mijn gedachte nodig heb. Tijdens dat zoeken raak ik het eerste woord al snel kwijt en vaak verdwijnt ook de hele oorspronkelijke gedachte plotseling uit mijn hoofd.’

Gevolg van zijn trage begrijpen en spreken (zijn afasie) is dat hij geen normaal gesprek kan volgen of voeren, dat hij niet snapt wat er in een film gezegd wordt, dat hij nooit weet waar een liedje over gaat, waar zijn omgeving om moet lachen. Ook simpel hoofdrekenen lukt niet meer, en schaken en dammen, waar Zasetski voor zijn hersenletsel goed in was, zijn onmogelijk geworden. En alweer: het nare is dat hij zich maar al te goed realiseert wat hij mist. De frustratie en eenzaamheid die dat moet opleveren bezorgen mij koude rillingen.

Losse stukjes 

Maar behalve een tragische kant heeft dit boek ook een razend interessante klinische kant. Net als veel van de verhalen in De man die zijn vrouw voor een hoed aanzag (waarin Oliver Sacks, die ook het voorwoord bij De man met een kogel in zijn hoofd schreef, 24 verschillende gevallen uit zíjn neurologische praktijk beschrijft) laat het iets zien van de compartimenten-opbouw van onze hersenen. Zaken die voor ons gevoel één geheel vormen, blijken in werkelijkheid te bestaan uit losse stukjes die met elkaar in verbinding staan. 

Worden die verbindingen verbroken dan gebeurt het bijvoorbeeld, zoals in het geval van Zasetski, dat je best weet wat een hond of een kat is, maar dat je je daar geen enkel beeld meer bij kunt vormen. ‘Weten’ wat een hond is betekent voor mij weten hoe zo’n beest eruit ziet, weten waar zijn kop, zijn ogen, zijn oortjes zitten. Wat ‘weet’ je van hond als je dat niet meer weet? Zasetski verkeert voortdurend in een toestand waarbij hij de bel heeft horen luiden, maar er nooit achter kan komen waar die verdomde klepel zit. 

Lurija zelf heeft daar overigens ook wel eens last van. Het boek is zonder meer een aanrader, maar als u het leest, sla dan alstublieft de ‘Derde uitweiding’ over grammaticale constructies over. Het is een merkwaardige brij van zinvolle en onzinnige mededelingen, die bovendien het Russisch met ‘taal’ verwarren. 

In zijn eerste ‘uitweiding’ haalt Lurija ook al ‘taal’ en ‘spraak’ door elkaar, en beweert dat we denken in spraak. Van de exacte relatie tussen denken en taal is weinig bekend, en juist Zasetski laat zien dat ze niet een geheel vormen. Zasetski denkt voortdurend (wat dat ook precies wezen moge) maar zoekt zich een ongeluk naar de bijbehorende woorden. 

Talen worden, anders dan Lurija denkt, niet moeilijker of makkelijker, ‘logischer’ of ‘onlogischer’. Wel is het zo dat mensen met een gestoord taalvermogen vaak moeite hebben met dubbele ontkenningen (‘het is niet de gewoonte iets niet te doen) en zinnen met veel ingebedde bijzinnen (‘die vent die daarachter staat te praten met de verpleegster die zo aardig is, liep gisteren..’).  

Ik blijf alleen met een grote vraag zitten. Lurija beweert geen woord aan het dagboek van Zasetski veranderd te hebben. Maar Zasetski is afatisch en kan bovendien zijn eigen teksten nauwelijks teruglezen (schrijven doet hij ‘automatisch’, letter voor letter lukt niet, ook zo’n wonderlijk fenomeen dat je bij veel afasiepatiënten ziet). Nooit produceert hij meer dan enkele zinnen per dag. 

Hoe is het dan mogelijk dat hij zo’n coherent verhaal vertelt? Hoe is het mogelijk dat hij zo perfect formuleert? En dat hij er volgens de inleiding ‘dankzij zijn ongelooflijke doorzettingsvermogen en vasthoudendheid in geslaagd is in twintig jaar tijd drieduizend bladzijden te schrijven, om daar – en dat is het punt waar het om draait – orde in aan te brengen, een bepaalde volgorde, om zo zijn verloren gegane leven weer te hervinden en te reconstrueren, en de fragmenten te herscheppen tot een samenhangend en zinvol geheel’. 

Iemand die niet in staat is zoiets simpels te onthouden als de opdracht even naar beneden te lopen om daar een paar augurken te halen, maar die dat later wel uitgebreid kan navertellen? Iemand die zo’n moeite heeft zelfs maar één gedachte lang genoeg vast te houden om er de bijbehorende woorden bij vinden. Zo iemand ordent en overziet een dagboek van drieduizend pagina’s? 

Het is een groot raadsel, en ik weet eerlijk niet of ik de oplossing ervan bij Lurija of bij Zasetski moet zoeken.

David de Wied (1925-2004)

De eerste woorden in de allereerste Akademie Nieuws waren van hem. ‘Geachte lezer’, begon de KNAW-president in september 1988 zijn aanbiedingsbrief. De toon is formeel, zoals in al zijn geschriften, maar echt formeel was David de Wied niet. Te geestig en te charmant daarvoor. Hij was alleen van de generatie die geen enkele training had gehad in de wetenschappelijk wereld ook voor niet-ingewijden een beetje aantrekkelijk en toegankelijk maken. Maar dat moest wel, vond De Wied.

Niet voor niets kwam er onder zijn bewind, dat liep 1984 van tot 1990, voor het eerst een KNAW-blad dat de buitenwereld inging. Hij was ook degene die, tot vlak voor zijn dood in 2004, bleef aandringen op het leesbaarder maken van de kleine boekjes die de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij al sinds 1972 uitbrengt over biomedische onderwerpen. De Wied zat tientallen jaren in het bestuur van die stichting, net zoals hij heel lang lid was van de Raad van Advies van de Stichting Cursussen Wetenschapscorrespondentie, waar academici leren schrijven over hun vak.

Heel graag had hij zelf de geschiedenis van zijn onderzoek op een voor iedereen begrijpelijke manier opgeschreven. Voor zo’n verhaal was er alle reden. De Wied, farmacoloog van oorsprong, publiceerde al over hersenen, geheugen en stoffen in het brein eindeloos ver voordat dat zo in de mode kwam. Hij durfde de dingen in het begin eigenlijk niet eens bij de naam te noemen. Toen hij in 1996 de Heinekenprijs voor de Medische wetenschap kreeg toegekend, vertelde hij in Akademie Nieuws ‘Als mensen zeiden: je houdt je dus met leren en geheugen bezig, dan dacht ik: verrek ja.’.

Aan De Wied danken we het begrip neuropeptide: in de hersenen aangemaakte eiwitfragmenten die als een bepaald soort boodschapperstof werken, en daarmee hersenfuncties kunnen beïnvloeden. Nu de halve bevolking antidepressiva slikt, is bijna niet meer voor te stellen hoe revolutionair dat idee en dus De Wieds werk was.

Maar dat was wel zo. De ontdekking dat ACTH 4-10 leergedrag beïnvloedde, leidde tot krantenstukken over ‘de leerpil’, zoals het ging heten in de pers, die zich er zeer kritisch over uitliet. Dat soort manipulatie van de hersenen zou makkelijk misbruikt kunnen worden. Maar een broertje van dezelfde stof heeft het onder de codenaam Org-2766 – het werd geproduceerd door Organon, waar De Wied al sinds 1958 mee samenwerkte – uiteindelijk wel gebracht tot het stadium van dierproeven, en een eerste test onder demente bejaarden.

De ratten konden na een half jaar aantoonbaar beter leren, en ze werden ook socialer in hun gedrag, Maar het effect bij de bejaarden was gering. Volgens De Wied waarschijnlijk omdat de hersencellen van dementen al te beschadigd zijn. Hij zag meer in een proef met mensen met beginnende geheugenproblemen. Maar Organon zette het onderzoek niet voort, en ook elders lijkt er niet veel van terecht gekomen te zijn.

Het was, proefde je, een echte teleurstelling in De Wieds leven. Hij had het na zijn 65ste sowieso niet gemakkelijk met het feit dat hij zijn leerstoel en in feite zijn mogelijkheden om onderzoek te doen had moeten opgeven. Hij had dan nog wel een kamertje op het Utrechtse Rudolf Magnus Instituut waar hij zolang directeur was geweest, en bovendien nog allerlei bestuurs- en adviesfuncties, maar hij bleef het duidelijk zeer onrechtvaardig vinden dat je zo werd afgeschreven als je oud was.

Bij datzelfde interview, op zijn zolderstudeerkamer in Bilthoven, vroeg De Wied me heel direct of ik zijn geschiedenis van zijn onderzoek wilde opschrijven. Het spijt me nog steeds een beetje dat ik toen vond dat ik er niet genoeg van afwist en andere dingen moest doen. Maar nadien is er toch veel vastgelegd. De Wied zelf schreef zijn herinneringen aan zijn KNAW-presidentschap op in een klein boekje dat Van toeschouwer tot scheidsrechter heet. Vooral voor wie erbij was en voor historici een aanrader. Over zijn onderzoek hield hij in 2000 voor het Studium Generale in Utrecht een uitvoerig verhaal, dat hij ‘Over van alles en nog wat’ noemde. Het valt op internet na te lezen (hier).

Maar vorig jaar verscheen dan toch een complete biografie van de hand van Rienk Vermij: David de Wied, Toponderzoeker in polderland. Die doet De Wied veel meer recht. Dat hij behoorlijk kon mopperen en brommen en soms mateloos onzeker leek te zijn staat er ook in. Vermij laat in zijn verhaal de karakterbeschrijvingen, het leven, en het werk van De Wied voortdurend hand in hand gaan, en schetst ook de sfeer die De Wied op zijn lab creëerde. Die leverde zeker de traditie op van de bronzen rat, met een bulletje in zijn poot. Heel wat bij De Wied gepromoveerden moeten hem nog ergens hebben staan.

Van toeschouwer tot scheidsrechter is uitgegeven door de KNAW, David de Wied, Toponderzoeker in polderland door uitgeverij Matrijs.

Wie niet horen kan moet maar zien

Ben‑je‑liever‑doof‑of‑blind is een geliefd denkspelletje bij kinderen. Vroeger koos ik na “aan één oor doof, aan één oog blind”, wat natuurlijk niet telde, uiteindelijk toch maar voor doof.

Want dan kon je tenminste een beetje zelfstandig blijven: lezen, schrijven, gewoon rondlopen, en praten kan ook nog steeds. Wist ik veel dat perfect liplezen principieel onmogelijk is (doe maar eens het rijtje wat‑vat‑fat‑wit‑vit‑fit‑fut‑vut‑vod voor de spiegel). En ik wist al helemaal niet dat ik in dat geval een vreemde taal zou moeten leren, een taal die maar weinig mensen kennen: gebarentaal, in mijn geval Nederlandse gebarentaal, de moedertaal van de doven in dit land.

Doof‑ en blindheid worden dikwijls in een adem genoemd, maar eigenlijk zijn ze helemaal niet te vergelijken. Het is maar de vraag of in het land der doven éénoor koning zou zijn. Hij zou zich om te kunnen regeren in ieder geval toch van de taal van zijn onderdanen moeten bedienen.

Aan zijn vermogen een taal te verstaan zou hij niets hebben. Sterker nog: hij zou nooit leren praten, want hij zou als kind automatisch gebarentaal geleerd hebben. Voor doven is het maar gelukkig dat ons taalvermogen niet in onze spraakorganen en onze oren zit, maar kennelijk in ons hoofd.

Is het auditieve kanaal afgesloten dan staat het visuele kanaal nog steeds wijd open (Wie niet horen kan, moet maar zien is de prachtige titel van een boekje over gebarentaal). Kun je niet horen én niet zien, dan blijkt het zelfs mogelijk om taal te voelen: doofblinden praten door tekens op de handen van een ander te maken en ze luisteren door diezelfde tekens op hun eigen handen te voelen.

Zet een stel mensen bij elkaar en ze vinden of maken een gemeenschappelijke taal. Dat is wonderlijker dan het op het eerste gezicht misschien lijkt. Ons taalvermogen zit blijkbaar zo in elkaar dat er, indien noodzakelijk, een nieuwe taal mee gecreëerd kan worden.

Dat gebeurde bijvoorbeeld veelvuldig in het koloniale tijdperk op plantages en dergelijke. Voor die plantages werden er van alle kanten slaven aangevoerd. Slaven die dus ook allemaal verschillende talen spraken.

Gek genoeg was het nooit zo dat één taal het dan won van de andere en de voertaal werd. Nee, op de plantages ontstonden nieuwe talen (in taalkundejargon heten ze creolentalen, en er wordt geschat dat het er tussen de 100 en de 150 zijn). In Suriname bijvoorbeeld het Sranan Tongo, dat inmiddels ook in Nederland door een flinke groep mensen gesproken wordt.

En soms ontstaan er gebarentalen. De Indianen van de “Great Planes” bijvoorbeeld leidden allemaal een zelfde soort leven waarbij ze elkaar op ponyjacht of bij de handel tegenkwamen.

Maar verschillende stammen spraken ook compleet verschillende talen: op de Great Planes ontstond een gezamenlijke Indianen‑gebarentaal, die er naar het schijnt nog steeds is en inmiddels ook gebaren voor zaken als auto’s en telefoons heeft. In Nederland bestaan er nog steeds Trappistenkloosters waar de oudere broeders zich de gebarentaal herinneren die gebruikt werd in de eeuwen dat toetreden tot orde betekende dat je maar een dag per jaar mocht praten.

Bij de Indianen en de Trappisten gaat het om een soort hulptaal die bij gelegenheid ingezet wordt (de Trappisten mochten ook alleen over het hoogstnoodzakelijke gebaren).

Nooit zijn dergelijke gebarentalen iemands moedertaal. De dovengemeenschappen op de wereld hadden wat dat betreft een lastiger taak: ze moesten een complete taal, waarin ze alles konden zeggen, ontwikkelen. Niemand die weet hoe ze het gedaan hebben, maar feit is dat waar doven bij elkaar leven er een gemeenschappelijke gebarentaal is.

Let wel: overal een andere, zoals je ook overal verschillende gesproken talen hebt. Maar het is altijd een taal waarin grappen gemaakt worden, gescholden wordt, waarin gebaarders over de liefde en democratie kunnen gebaren, en over de toekomst en het verleden, kabouters en eenhoornen. Het is, kortom, altijd een taal als elke andere taal. En gebarentalen overleven ook wanneer het gebruik ervan verboden wordt, zoals in veel doveninstituten lange jaren het geval is geweest.

Dat kwam deels doordat men tot zo’n dertig jaar geleden overal aannam dat gebarentalen geen ‘echte’ talen waren. Een geloof dat nog steeds niet uitgeroeid is, zelfs niet onder doven: die is vaak jarenlang voorgehouden dat gebarentaal een minderwaardig en rudimentair communicatiemiddel is. De kortzichtigheid van horenden heeft veel kwaad gedaan.

Of eigenlijk is het natuurlijk een algemeen menselijk trekje: we zijn nu eenmaal geneigd te denken dat anderen net zo in elkaar zitten als wij en ongeveer dezelfde dingen denken en doen. En waar gebruiken horenden gebaren voor? Om wat ze zeggen een beetje kracht bij te zetten, of om naar concrete dingen te wijzen.

Vandaar dus de gedachte dat je in gebarentaal niet over abstracte zaken kunt praten. Maar het zit hem niet in de toevallige taal, het zit hem in ons: wíj kunnen het over abstracte of zelfs onmogelijke dingen hebben, of dat nu met behulp van een gebaar, een gesproken woord, of geschreven tekst is. En we verschillen daarin echt van de apen.

Een van de mooie dingen van de ontdekking dat gebarentalen gewone talen zijn die een ongewoon kanaal gebruiken, was dat eindelijk de mogelijkheid ontstond met zekerheid iets over het taalvermogen van apen te zeggen. Want leren spreken konden die sowieso niet, daar hebben ze nu eenmaal het strottehoofd niet voor. Het idee eens te kijken hoever je met gebarentaal kon komen was zondermeer briljant. Het heeft beroemde apen opgeleverd (Koko en Washoe bijvoorbeeld) die inderdaad in staat bleken een aantal gebaren te onthouden en te gebruiken.

Maar taal leerden ze niet. Dat wil zeggen: ze gingen elkaar nooit sterke verhalen vertellen, of hun onderzoekers vragen hoe die erop gekomen waren ze in een laboratorium te zetten, noch informeerden ze bij moederaap wat oma eigenlijk voor type geweest was.

Waarom dat niet gebeurde weten we natuurlijk niet precies. Wat apen in ieder geval duidelijk níet onder de knie krijgen, zijn de bouwprincipes die ons een levenlang in staat stellen steeds maar weer nieuwe dingen te zeggen en te begrijpen.

Het hoogste dat een aap in dit opzicht heeft weten te bereiken is het combineren van twee gebaren om daar iets anders mee aan te duiden (zoiets is maar een paar keer geregistreerd en het standaardvoorbeeld is dat van de aap die ‘water’ en ‘vogel’ gebaarde toen hij de een of andere eend zag).

Overigens geen geringe prestatie, apen zijn echt slim. Maar hadden ze werkelijk net zo’n taalvermogen en wij, dan zouden ze natuurlijk allang gebarentalen ontwikkeld hebben, net als de doven.

Als je doof bent is je grootste pech misschien wel niet dat je niet kunt horen. Je grootste pech is dat er niet méér mensen doof zijn. Eén op de 155 kan zelfs al genoeg zijn om een complete gemeenschap gebarentaal te laten leren. Vanzelf.

Dat cijfer komt van Nora Ellen Groce, die een onderzoek heeft gedaan naar doofheid en gebarentaal op een Amerikaans eiland: Martha’s Vineyard. Martha’s Vineyard werd in de 17e eeuw bevolkt door een groepje Engelse kolonisten. Die brachten een recessief gen voor doofheid mee. Ze vormden zo’n gesloten gemeenschap dat binnen een paar generaties iedereen familie was van iedereen, en de inteelt zorgde voor een abnormaal groot aantal doven, gemiddeld een op de 155 dus, maar een op de tien is ook wel voorgekomen.

Tot het begin van deze eeuw kende in een paar plaatsjes op het eiland iedereen gebarentaal. Groce zocht de hele geschiedenis uit en ging praten met de mensen die zich de tijd dat alle horenden tweetalig waren nog herinnerden. Ze heeft het allemaal beschreven in een boek dat Everyone Here Spoke Sign Language heet, en dat zeer de moeite waard is.

Omdat er zoveel doven waren, werd doof zijn normaal. Omdat iedereen gebarentaal kende konden doven aan alles meedoen. Je vond ze in alle beroepen en niemand dacht er, zo uit de verhalen te lezen, erg bij na dat ze niet konden horen.

Horenden onderling gebruikten hun kennis ook. Buurvrouwen op boerderijen die een flink eind uit elkaar lagen, luidden als ze elkaar iets wilden vertellen een klok, dan pakten ze hun verrekijkers en wisselden vervolgens in gebarentaal de laatste roddels uit. De voordelen van gebarentaal in de klas en de kerk laten zich ook raden. In drukke, lawaaierige omgevingen en over grotere afstanden is gebarentaal veel praktischer dan gesproken taal.

Als er meer doven waren dan zou gebarentaal vast en zeker een verplicht vak op school worden. Ook nu is dat idee volgens mij het overwegen waard. Hoe knap sommige doven ook zijn in liplezen, hoe verstaanbaar enkelen ook leren spreken: een dove zal zich nooit zo thuis kunnen voelen in een gesproken taal als een horende.

Iedere dove leeft daardoor in meerdere of mindere mate in een isolement. Terwijl de horenden prima gebarentaal kunnen leren, en daarmee dat gruwelijke isolement doorbreken. Voor wie horend geboren wordt is het ook een soort oudedagsverzekering. Stel dat je op een gegeven moment doof wordt, dan is dat in een gemeenschap waar iedereen, inclusief jijzelf, gebarentaal kent, werkelijk minder erg dan blind worden.

Taalstrijd bij doven

Doofgeboren kinderen kunnen met een implantaat toch gesproken taal leren verstaan. Gebarentaal zit daarbij niet in de weg, zegt taalkundige Giezen.

‘Het is een geweldige uitvinding, echt waar, maar het worden nooit horende kinderen.’ Taalkundige Marcel Giezen (1983) zegt het een paar keer. De hoorprotheses die tegenwoordig bij zo’n negentig procent van de doofgeboren kinderen worden ingebouwd in hun oor zijn een onverwacht succes gebleken.

‘Ik heb een keer gesproken met een van de pioniers. Niemand had ooit gedacht dat je met een paar elektroden zoveel kon bereiken,’ vertelt Giezen. ‘Als je een simulatie hoort, dus hoe ze denken dat het klinkt voor mensen met een CI, dan vraag je je af hoe ze daar in hemelsnaam taal van kunnen maken. Dat kost ook tijd en inspanning. Niet iedereen komt even ver, maar menselijke hersenen zijn wel tot ongelooflijk veel in staat.’   

Gisteren promoveerde Giezen aan de Universiteit van Amsterdam op de taalvaardigheden van vijftien kinderen rond de zes jaar met een CI. Doel: kijken of hun kennis van gebaren hun kennis van gesproken Nederlands in de weg zit. Reden:  de heersende opinie is de laatste jaren dat gebarentaal gebruiken slecht is voor de spraakontwikkeling. Giezen: ‘Dat dachten ze in de negentiende eeuw ook. Onderzoek van de laatste tijd lijkt daarnaar terug te gaan, maar bij het meeste daarvan zijn nogal wat vraagtekens te zetten.’

Giezen besloot iets nieuws te doen: niet een groep die wel gebaren had geleerd vergelijken met een groep tegen wie alleen gesproken wordt, maar onderzoeken hoe gesproken taal en gebarentaal zich verhouden bij kinderen die met gebaren worden grootgebracht. 

Hij testte onder andere hoe goed ze waren in klanken uit elkaar houden, bijvoorbeeld de a en de aa (man tegenover maan) en de f en de s (fier en sier). In klanken herkennen waren alle CI-kinderen als verwacht slechter en onzekerder dan de horende controlegroep. Daarna keek hij hoe goed ze gebaren die een klein beetje verschilden uit elkaar konden houden, en zette dat naast de scores voor gesproken taal. Uitkomst: gebarenkennis heeft geen negatief effect op de kennis van gesproken Nederlands. ‘Het lijkt er eerder op dat hun taalvaardigheid in zowel gesproken als gebarentaal zich samen ontwikkelen.’

Giezen waarschuwt wel dat zijn onderzoek maar een klein radertje is in het geheel. Je mag er niet alles uit concluderen. Maar als het gaat om de vraag of je kinderen nou beter wel of niet gebarentaal kunt aanbieden is hij duidelijk: ‘Ik zou aanbevelen van wel. Want waarom niet? Natuurlijk, het is lastig voor horende ouders, en negentig procent van de dove kinderen hééft horende ouders. Die moeten gebarentaal leren. Maar zonder gebarentaal heeft een kind met CI geen enkele back-up, niets om op terug te vallen. Of ze het blijven gebruiken, blijkt later vanzelf.’

Speech and Sign Percepton in Deaf Children with Cochlear Implants heet het proefschrift van Marcel Giezen.

————————————-

Feiten en aantallen

Op het ogenblik wordt ongeveer 1 op de 2000 kinderen doofgeboren, of doof voor het taal geleerd heeft. Per jaar vinden er in Nederland zo’n 350 CI-operaties plaats. Over de hele wereld zijn er inmiddels meer dan 150.000 gehoorprotheses ingebracht. In veel landen worden nu standaard twee CI’s (voor elk oor een) vergoed, in Nederland (nog) niet. Er zijn grote individuele verschillen in hoe goed iemand met een CI geluiden en spraak leert begrijpen. De beste resultaten vind je bij heel jonge kinderen en bij zogeheten ‘plotsdoven’, die al taal geleerd hadden.

—————————————————— 

Elektroden om te horen

Geluid is niets anders dan trillende lucht. Het zijn dan ook trilhaartjes in het slakkenhuis – meer dan 10.000 per normaal, goedhorend oor – die geluid via de gehoorzenuw doorgeven aan de hersenen. Daar volgt dan het interpretatiewerk: komt er een optrekkende auto binnen, of een drummende achterbuurjongen of praat er iemand?  

Hapert het doorgeefsysteem van het binnenoor sterk, en arriveert het geluid daardoor niet of nauwelijks in de hersenschors, dan kan daar in heel veel gevallen iets aan gedaan worden door een setje elektroden in het slakkenhuis (de cochlea) te plaatsen: een Cochleair Implantaat, kortweg CI. Het zijn in de praktijk dan vier tot acht elektroden die de functie van de trilhaartjes moeten overnemen, en het geluid naar de gehoorzenuw voeren.

Het aanzetten, instellen en afregelen van het implantaat gebeurt van buitenaf. Dat is de softwarekant, die geluid ook speciaal voor spraakherkenning ‘voorbewerkt’. De buitenapparatuur wordt vaak met een magneetje achter op het hoofd ‘geplakt’. Als die niet gebruikt wordt – in bed, in bad, als de batterijen leeg zijn – doet de hardware binnenin ook niets.

CI’s zijn nog steeds in ontwikkeling. Software en onderdelen worden continu verbeterd. Maar inmiddels zijn er ook experimenten met implantaten voor degenen bij wie de gehoorzenuw niet intact is: verderop, in feite rechtstreeks in de hersenen. De eerste resultaten zijn bemoedigend.  

Er zitten risico’s vast aan de operatie. Er is bijvoorbeeld een klein gevaar voor een (gedeeltelijke) verlamming van het gezicht, of een hersenvliesontsteking. En de kans dat wie nog wel wat hoort dat restgehoor verliest neemt weliswaar af, maar is nog steeds groot.

 ———————————–

Weerstand tegen CI’s ebt langzaam maar zeker weg

Wat fantastisch dat doven met behulp van een slim apparaat van hun handicap verlost konden worden,  en voortaan van muziek en vogelgezang zouden genieten, gewoon gesprekken zouden voeren.  Het enthousiasme was massaal toen begin jaren negentig duidelijk werd dat CI’s op grote schaal gebruikt konden gaan worden.

Maar tot verbazing van bijna iedereen stond de dovenwereld bepaald niet en masse te juichen. Vooral degenen voor wie een gebarentaal de voertaal is, reageerden met ongerustheid, en waren vaak fel tegen. Toch was de reden niet onbegrijpelijk: ze voelden zich bedreigd in hun identiteit. Want als dadelijk alle kinderen zo’n CI kregen, dan zou hun moedertaal kunnen uitsterven, en daarmee ook hun eigen cultuur. Doofheid is geen ziekte, stellen veel doven, en het hoeft dus ook niet genezen te worden. Onbegrip is meestal hun deel.

De discussie werd ook nog vertroebeld door gebrek aan kennis. Bij ouders, maar ook bij betrokken KNO-artsen en audiologen was de enorme invloed van leeftijd niet goed bekend. Je kunt letterlijk niet vroeg genoeg beginnen met je een taal eigen te maken. De kans op succes neemt ook in de eerste paar jaar al heel hard af. Ouders die zeiden dat hun kind later als het groot was zelf maar moest beslissen of het een CI wilde om te leren praten, zaten er dus naast.

Bij dat alles kwam dat de opkomst van de CI’s  precies viel aan het eind van een geslaagde dovenemancipatiegolf. Gebarentalen zijn in de geschiedenis zelden opgemerkt en nooit voor vol aangezien, en vanaf 1880 werden ze in alle dovenonderwijs zelfs verboden en actief onderdrukt. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw begon de taalwetenschap te ontdekken dat ze in niets onderdeden voor gesproken talen, en dat gebarentalen de enige talen zijn waarmee de taalontwikkeling van dove kinderen probleemloos op gang komt. Begin jaren negentig was dat nou net eindelijk zover doorgedrongen dat tweetalig onderwijs  (in de gesproken en de gebarentaal van de omgeving) de norm ging worden.

De weerstand tegen CI’s is langzaam maar zeker goeddeels weggeëbd. Dove ouders willen nu meestal hun dove kinderen in de gelegenheid stellen ook die andere, horende wereld van binnenuit te leren kennen. Maar de taalstrijd is nog niet voorbij.

“In de wetenschap is er sprake van een officiële belazercultuur”

Hij ontvangt in de Perzische rozentuin, een aangename ommuring met groen en water en Perzische tegeltjes. Het is een prachtige ochtend, maar zelf heeft drs. Pek van Andel natuurlijk weer niet de rust te gaan zitten.

De lof zingend van het NIAS beent hij heen en weer. De rozentuin is de nieuwste aanwinst van het ‘Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences’, zoals de naam van het Akademie-instituut in Wassenaar voluit luidt. Het is een geschenk van een tevreden ex-fellow. Van Andel noemt het NIAS, waar onderzoekers een tijdje ongestoord kunnen werken, al dan niet als lid van een onderzoeksgroep, “een godsgeschenk”, en “een plaats waar je in je persoonlijke gekte wordt gestimuleerd.”

Hij wordt dit jaar vijftig, maar op zijn tachtigste is hij waarschijnlijk nog even jongensachtig als nu. Van Andel is niet zo gemakkelijk te plaatsen. De drs voor zijn naam komen van een doctoraal medicijnen, vrije studierichting. Op het aanvraagformulier voor het NIAS vulde hij bij ‘past positions’ in: onderzoeker/experimentator/uitvinder/docent bij de Afdeling Experimentele Chirurgie aan de universiteit van Groningen.

Op het moment zit hij in de WW. “Ik mag officieel alleen na vijven en in het weekend iets doen hier”, meldt hij stralend, “maar de dame die me dat vertelde zei er gelukkig niet bij of ze vijf uur ’s ochtends of ’s middags bedoelde.” 

Champagnekurk

Werkloos of niet, Van Andel bruist altijd van de ideeën. Zo vond hij een eenvoudig en goedkoop kunsthoornvlies uit, dat vanwege zijn vorm de naam ‘champagnekurk’ kreeg, en dat in India inmiddels standaard wordt gebruikt. In 1992 kreeg hij er de Wubbo Ockels prijs voor. Over zijn plan de Betuwelijn aan te leggen als een ‘afgezonken spoorlijn’ in de Waal is waarschijnlijk het laatste woord nog niet gezegd. Net als over allerlei andere zaken, schreef hij er een aantal artikelen over voor NRC Handelsblad.

Van Andel was ook de drijvende kracht achter het plan om met de tegenwoordig beschikbare Magnetic resonance imaging of MRI-techniek voor het eerst in de geschiedenis een duidelijke afbeelding te maken van de menselijke coïtus.

Dat plan is inmiddels uitgevoerd, en het al vele eeuwen gangbare beeld in de medische wetenschap blijkt niet te kloppen. Afbeeldingen uit hedendaagse leerboeken lijken opvallend veel op de beroemde tekening ‘de copulatie’ die Leonardo da Vinci in 1505 maakte: een geërecteerde penis in een vagina wordt steeds in een schuine hoek getekend.

In werkelijkheid blijkt het mannelijk lid tijdens een coïtus in de zogeheten ‘zendelingenhouding’ (vrouw op haar rug, man erbovenop liggend) bijna parallel te liggen aan de ruggegraat van de vrouw. Het artikel dat Van Andel samen met anderen over die MRI-bevindingen schreef, ging ten tijde van het interview al vele maanden van wetenschappelijk tijdschrift naar wetenschappelijk tijdschrift.

‘Niets voor ons’, luidde tot dusver telkens de reactie. Van Andel zelf heeft daar wel plezier in. Zelfs als het puur klinisch wordt aangepakt is seks kennelijk nog een controversieel onderwerp.

Opmerkingsgave

Hij mag dan graag controversieel wezen, het is moeilijk niet aangestoken te worden door zijn enthousiasme. Van Andels grote missie is een onderwerp dat perfect bij hem past: serendipiteit, een begrip dat hij zelf het liefst omschrijft als ‘de kunst een ongezochte vondst te doen’.

Van Andel zit op het NIAS om over dat fenomeen een boek te schrijven voor de Cambridge University Press. Het zal tegelijk zijn proefschrift zijn. “Het woord serendipity is in 1754 bedacht door de Engelsman Horace Walpole”, vertelt hij. “Hij baseerde het op een sprookje over de prinsen van Serendip, die door hun opmerkingsgave en slimme redeneringen van alles ontdekten.”

Al vele jaren verzamelt Van Andel gevallen van serendipiteit. Het is een verschijnsel dat je overal tegenkomt: in de wetenschap, de techniek, de kunst, maar ook in het dagelijks leven. We zijn omringd door zaken die als toevallige vondst begonnen: van de gele plakbriefjes die zo’n succes zijn, tot nylon. Zonder serendipiteit geen stethoscopen, penicilline of röntgenfoto’s. Picasso zou nooit een ‘blauwe periode’ gehad hebben als hij niet van de nood (hij had alleen nog maar blauwe verf in huis én geen geld) een deugd gemaakt had.

Van Andel: “Je moet er een oog voor hebben. Serendipiteit heeft iets van een paardesprong: je doet een stapje opzij van het standaardpatroon.”

Toch zitten er ook in serendipiteit zelf weer patronen. Van Andel heeft er nu achttien ontdekt, die elkaar overigens ook kunnen overlappen. ‘Geslaagde fouten’ en ‘analogieën’ zijn voorbeelden van die patronen. Op zijn NIAS-werkkamer staat een lange rij ordners, naast boeken met titels als Creativiteit, Groote strijders tegen ziekte en dood en Liegen met en zonder opzet. “Ik kwam hier met een hele eend vol”, vertelt hij, “fiets op het dak, en allemaal dozen met voorbeelden. Ik heb ze niet geteld, maar het moeten er tussen de twee- en drieduizend zijn. Ik ben een maand bezig geweest met archiveren.”

Nu ligt er een eerste concepttekst voor het boek. De opzet van het NIAS werkt. Van Andel: “Het geheim is dat je de routine van mensen doorknipt. Het is een soort krijgslist: je geeft mensen de illusie dat ze vrij zijn, maar je fokt elkaar wel op. Je geeft een rondje aan de bar als er zoveel bladzijden afzijn bijvoorbeeld. Het is hier een jeugdherberg voor volwassenen. Met alle bijbehorende relaties, maar daar gaat men zeer discreet mee om.”

Geheel in stijl kwam Van Andel het NIAS “via een achterdeur” binnen. “Ik weet dat je het toeval soms een handje moet helpen”, lacht hij. Normaal gesproken wordt een aanvraag pas na minstens een jaar gehonoreerd, maar Van Andel bedacht dat er misschien wel eens iemand uitviel. “Dat bleek het geval”, zegt hij, “dus toen kon ik heel snel terecht.”

Zijn boek moet iets krijgen van een moppentrommel, ook al gaat het zeker niet om zomaar anekdotes. Wie een aantal serendipiteitsgevallen leest krijgt automatisch een andere blik op hoe bijvoorbeeld de wetenschap werkt, en op wat creativiteit nou eigenlijk is. 

Van Andel: “Het kan mij niet zoveel schelen of ik een geval van serendipiteit tegenkom in een sprookje, een apocrief verhaal of een goed gedocumenteerd wetenschappelijk verslag. Het gaat me om het mechanisme.” Uit al die bronnen komen de verhalen. Er is het sprookje van de Chinese prinses die een kopje hete thee dronk, toen er uit de boom een zijderups viel. Nog altijd worden zijderupsen op sommige plaatsen in heet water gelegd, om het afwikkelen van de zijdedraad te vergemakkelijken.

Er is het wellicht apocriefe verhaal van Laurens Janszoon Coster die in de vijftiende eeuw voor zijn kleinkinderen letters uitsneedt uit hout. Toen die in het zand vielen en daar een afdruk achterlieten bedacht hij het idee van de boekdrukkunst. Een medewerker stal zijn spullen en bracht ze naar Gutenberg, die vervolgens met succes de uitvinding claimde. En Antoni van Leeuwenhoek werd het zat om alleen insekten en blaadjes onder de microscoop te bekijken. Hij nam een druppel water en zag dat die vol ‘dierkens’ zat. De bacteriologie was geboren.

Worgman

Van Andel is zeer gelukkig dat hij nu de gelegenheid krijgt in alle rust (“ze leggen je hier echt in de watten”) zijn boek te schrijven, maar de neiging in de rest van de wetenschappelijke wereld om originaliteit te marginaliseren, maakt hem bedroefd.

“Ik was laatst op een bijeenkomst waar Borgman, de voorzitter van NWO, een verhaal hield dat aio’s en oio’s vooral geen zijpaden mogen bewandelen bij hun onderzoek”, vertelt hij. “Ik ben opgestaan en ik heb gezegd ‘Meneer Borgman het kost me moeite u geen meneer Worgman te noemen.’ Onderzoek gaat namelijk vrijwel nooit ‘volgens het boekje’. Ik heb Casimir wel eens horen zeggen dat als je terugkijkt op vier jaar onderzoek, en het is precies zo gegaan als je gepland had, dat je onderzoek dan niet gewaagd genoeg was.”

“In de wetenschap is er sprake van een officiële belazercultuur van twee kanten. Het is geen complot ofzo, maar als je gewoon eerlijk bent en zegt ‘ik zie wel wat ik vind’, dan krijg je niets gefinancierd. Dus doen mensen aanvragen op basis van resultaten die ze grotendeels al in de la hebben liggen. Het ‘witte’ geld dat ze daarmee binnenkrijgen gebruiken ze dan ook om ander ‘zwart’ onderzoek te doen naar iets dat ze werkelijk interesseert. Komt daar iets uit, dan kan dat op dezelfde manier weer nieuw ‘wit’ geld opleveren.”

“Het is een schijnstructuur. En originaliteit wordt zo weggepoetst. Ook uit de wetenschapsverslagen. Daarom wil ik een warm pleidooi houden om mensen hun troetelzondes te laten doen. Juist de maverick, de solist aan de zijlijn, mag niet uit de boot vallen. Daarom zou ik ook zo graag zien dat de Akademie haar gezag zou doen gelden om mensen die onbetaald wetenschappelijk werk doen te steunen.”

Noot: Vrijwel nooit is er van hogerhand ingegrepen in mijn KNAW-interviews. Dit is de uitzondering die die regel bevestigt. De MRI-seks ging het bestuur te ver. De passage daarover haalde Akademie Nieuws nooit. Achteraf gezien geweldig jammer. De Akademie had de primeur kunnen hebben van wat een klassiek onderzoeksresultaat is gebleken. Van Andel kreeg er de Ig-Nobelprijs voor zelfs. Hier een klein filmpje, ook met de MRI-beelden. http://www.youtube.com/watch?v=OVAdCKaU3vY 

Hierboven, meld ik voor de zekerheid, dus de ongecensureerde versie van het interview. Het is inmiddels zo lang geleden dat hopelijk niemand er meer aanstoot aan zal nemen.

Laten we haar de Venus van Milo noemen

(Naar aanleiding van nieuwe tentoonstelling in Beeldengalerij Het Depot: http://www.hetdepot.nl/nl/home)

Met woorden kan alles. Of nou ja, oneindig veel. Charmeren en sjoemelen, kwetsen en kwellen, ontroeren en ontzetten. Taal is de uitweg die uit onze hoofden rechtstreeks voert naar de binnenkant van anderen. Sinds we kunnen schrijven mag daar bovendien gerust de halve wereld of een heel millennium tussen zitten. Woorden bewaren onze kennis en kundes. En taal stuurt de blik, draait dingen desgewenst diametraal om.

Neem Alison Lapper. Het softenonbabytijdperk was net voorbij toen ze in 1965 zonder armen en zonder onderbenen geboren werd. Een toevallig genetisch foutje, waardoor ze er net zo uitzag als de tienduizenden baby’s wier moeders pillen met thalidomide hadden ingenomen tegen zwangerschapsmisselijkheid. De Britse werd onmiddellijk weggehaald bij haar moeder, en groeide op in een tehuis samen met honderden gehandicapte kinderen in alle soorten en maten.

Ze kreeg er nepledematen aangemeten. Goedbedoeld, maar onbruikbaar, vond ze. Lapper leerde leven zonder. Ze leerde nog veel meer, en werd kunstenaar. Ze werkt onder meer met foto’s, en schildert door de kwast in haar mond te nemen.

Zomergast Adriaan van Dis liet afgelopen seizoen een fragment zien uit een van de documentaires over Alison Lapper. Krachtig en uitgesproken is ze, trots en boos tegelijk. Het ging over een doorslaggevend moment in haar leven: iemand vertelde haar dat ze er net zo uitzag als de Venus van Milo.

Alison had nog nooit gehoord van de beroemdste torso aller tijden. Maar zodra ze er afbeeldingen van zag, raakte ze in een staat van grote opwinding. Dat was zij! De gelijkenis was verbluffend. Maar niemand noemde de Venus van Milo gehandicapt. Of een freak. De Venus werd aanbeden, bewonderd, met lust bekeken.

Ze besefte: dat kan dus ook met mij. En precies dat inzicht, dat je als een variant op what’s in a name zou kunnen opvatten, maakte dat het daadwerkelijk gebeurde. Alison Lapper droeg voortaan met kracht uit dat ze als aantrekkelijk gezien wenste te worden. Ze beeldde zichzelf af. Sprak erover. En morrelde zo aan de betekenis van woorden als ‘schoonheid’ en ‘mismaakt’.

Uiteindelijk werd ze letterlijk een eigentijdse Venus van Milo. In 2005 en 2006 stond haar beeltenis bovenop een van de vier zuilen op Trafalgar Square in Londen. Een beeld van ruim drieëneenhalve meter hoog. De naakte en ook nog hoogzwangere Alison Lapper was  door de Britse beeldhouwer Marc Quinn vervaardigd uit Carrara-marmer – het mooiste en meest vlekkeloze ter wereld, waaruit Michelangelo zijn David ooit beitelde.

Hoe je iets noemt en wat je er nog meer bijvertelt, het kan alles veranderen. Nee, niet per se voor iedereen of in één keer. Er kwam natuurlijk heisa van Alison en haar grote mond. Ook over het beeld was men verdeeld: is het kunst, is het kitsch? Is het emancipatie of een horrorshow? Daar dus ook weer: hoe noem je het?

Een naam geeft houvast. De wereld om ons heen benoemen is een diepgevoelde, typisch menselijke onuitroeibare behoefte. Slimme apen kun je soms honderden begrippen bijbrengen (in gebaren- of symbolentaal, hun strottenhoofd kan geen taalklanken produceren), en die zetten ze dan met graagte en verve in om te krijgen wat ze hebben willen. Iets lekkers te eten. Gekieteld worden.

Maar geen aap doet wat alle kleine kinderen wel doen: wijzen, en vragen, en gretig leren hoe de dingen heten. Ook als er niks te halen valt. Kinderen steken voordat ze naar school gaan om te leren lezen en schrijven  jaar in jaar uit, elke dag, tussen de vijf en tien nieuwe woorden op.  Zonder dwang, zonder stampwerk.

Het zit in onze natuur. De wereldvermaarde Helen Keller, die doof en blind werd als peuter,  beschreef in haar autobiografie het moment dat ze doorkreeg dat de dingen een naam hebben als het moment dat haar leven begon. Ze was bijna zeven, en een volhardende gouvernante doorbrak haar eenzame duisternis door telkens opnieuw in haar hand te spellen. Bij alles wat ze deden. Eerst begreep Helen er niets van, maar  op een mooie dag bij de pomp daagde het haar dat er verband was tussen de aanrakingen van de juf in haar ene hand en het koele spul dat over haar andere hand liep.

Ze was niet meer te houden. De hele weg naar huis moest en zou ze voelen hoe alle dingen heetten.

In het begin moeten anderen het ons laten horen – of, als een of meer zintuigen het laten afweten, het ons laten zien of voelen. Maar dat we al snel meer kunnen dan na-apen is de bodem onder ongelooflijk veel creativiteit. Is er ergens geen naam voor, of kennen we hem niet, dan maken we hem zelf. Verzinnen hem. Bouwen hem uit elementen die we wel kennen, of aan de hand van associaties of analogieën. Bij kinderen vinden we wat er dan uitkomt schattig (verfmens voor schilder, winden voor waaien), bij volwassenen noemen we het poëzie of een andere vorm van kunst.

Dan komt het spel erin. En vaak een vorm van welles-nietes. Je monteert een fietswiel op een krukje en zegt dat het kunst is. Of je neemt een urinoir, signeert het, noemt het ‘Fontein’ en stuurt het in voor een tentoonstelling. Dat maakte Marcel Duchamps een eeuw geleden wereldberoemd. En uiteraard tegelijk wereldverguisd.

De ongekende macht van het woord kende en gebruikte Duchamps zijn kunstenaarsleven lang (hij stierf op zijn eenentachtigste  in het revolutiejaar 1968). Toen hij in het kubisme beweging wilde brengen – letterlijk – maakte hij het schilderij Naakt dat de trap afdaalt (Nu descendant un escalier). De suggestie van bloot zit vooral in de kleur van de blokjes en stukjes waaruit het is opgebouwd. Het is de titel die betekenis geeft. En dus aanstoot. Of hij die maar wilde aanpassen. Dat weigerde Duchamps. Het werk was daarom niet in 1912, maar pas in 1913 voor het eerst te zien.

Alleen vanwege de woorden die erbij zouden komen te hangen. Een wonderlijk vroegtijdig nipplegate. Niet heel veel later zong Margritte zijn eigen liedje van schijn en werkelijkheid, door onder een onmiskenbare pijp te schrijven dat het geen pijp was. En dat was natuurlijk waar.

Duchamps niet zo erg naakte naakt inspireerde beeldend kunstenaar Gerhard Lentink, die in zijn werk soms nog weer een stap verder gaat. Hij verstopt de taal op ingenieuze manieren. Je ziet het wel, maar als er niet meer bij wordt verteld, weet je niet wat je ziet. Lentink gebruikt bijvoorbeeld de dubbele betekenis van ‘klinkers’, en laat letters door de lucht vliegen, in plaats van stenen. Daarmee wijst hij even op het verschijnsel homonymie, waar we uitzonderlijk goed mee uit de voeten kunnen.

Zo goed dat we meestal helemaal niet merken dat een woord meer betekenissen heeft (in deze laatste zin kunnen bijvoorbeeld goed, niet, merken en meer ook iets anders zijn). Dat klinkers ook nog taal zijn, maakt het extra dubbelzinnig.    

Maar Gerhard Lentink haalt de woorden ook graag uit elkaar en  gebruikt ze om iets nieuws mee in elkaar te zetten. Zijn Walters Huis bijvoorbeeld (te zien in een ziekenhuis in Dordrecht) heeft houten muren die helemaal zijn opgebouwd uit de tekst van Liberté, een liefdesgedicht van Paul Éluard. En daar begint ook de frustratie.  

Want kun je eenmaal lezen, dan wil je, moet je en zal je ook. Alles wat er langs komt, neem je in je op. Reden dat het zo slim is van de fabrikanten van kleding, damestassen en sportschoenen om hun naam erop te zetten. Groter of kleiner, bijna iedereen wil weten wat er staat. Hoe automatisch dat gaat, merk je als het op geen enkele manier lukt. Opschriften en straatnaambordjes in verre landen kunnen je ineens analfabeet maken. Als je pakweg het Chinese of Arabische schriftsysteem niet kent, dan heb je ook geen enkel aanknopingspunt meer.  

Er is dus ook taal die je niet kent. Je weet vaak niet eens: staat er werkelijk iets? Je vermoedt het. En dat irriteert en intrigeert tegelijk. De enorme rok van Lentinks beeld Sappho wil je ook zo graag lezen.

Maar de Griekse letters geven hun geheim niet vanzelf prijs. Hier biedt alleen uitleg uitkomst: Sappho’s rok is gemaakt van de woorden van een van de fragmenten die overgeleverd zijn van de beroemde dichteres van het eiland Lesbos. Aan wier woonplaats de wereld dan weer het woord lesbisch te danken heeft. Als je dat allemaal weet, al die context erbij hebt, dan zie je een ander beeld. Ook als je de tekst nog steeds niet kunt lezen. Maar dat kan dan weer elders, in vertaling.

Want dat is nog een ander indrukwekkend kunstje van het menselijk taalvermogen: dat we van de ene taal naar de andere kunnen. Ook dat helpt het aantal benoemmogelijkheden onnoemelijk groot te houden.

NOOT: Hier een pdf van het blad. Stuk begint op pagina 8. Met afbeeldingen van alles waar het over gaat.

“Wij als arrogante oogartsen zeggen natuurlijk dat de oogzenuw de dikste hersenzenuw is die we hebben”

“Wilt u koffie? Ik heb denk ik de beste koffie van de Akademie.” In een hoek van de kamer van prof.dr. P.T.V.M. de Jong, sinds ruim een jaar directeur van het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut van de KNAW, staat een apparaat dat even later met veel kabaal twee koppen verse koffie produceert.

De ontvangst is dus hartelijk, ondanks dat De Jong (53) niet echt stond te springen om een gesprek. Het is ook bij hoge uitzondering dat hij toestemming heeft gegeven voor het maken van een portret (“Ik heb een keer tegen iemand die bleef aandringen gezegd dat ik misvormd was.”).

Waarom houdt hij niet van interviews? “Dan moet ik diplomatiek zijn, dat is niet mijn sterkste kant. En er liggen altijd zoveel gevoeligheden,” verzucht hij. Maar van enige weerzin blijkt niets zodra hij vertelt over zijn vak.

En over hoeveel daarin nog te doen is. “Naarmate je verder komt, realiseer je je steeds hoe weinig we nog weten,” zegt De Jong. “Ik schaam me soms voor mezelf en voor mijn patiënten. Van de belangrijkste oorzaken van slechtziendheid weten we nauwelijks iets.”

“Neem staar. Dat is goed te opereren, maar elk jaar komen er in de wereld vier tot zes miljoen blinden bij, doordat ze niet geopereerd worden.”

“Zelfs in Nederland gebeurt dat nog. In Rotterdam, waar ik hiervoor werkte, is een groot epidemiologisch onderzoek gedaan naar oogziekten. Maar liefst zeven procent van de blinden uit de onderzochte bevolkingsgroep was blind geworden door staar. Staar is sowieso de belangrijkste oorzaak van slechtziendheid. De ziekte was al voor onze jaartelling bekend, maar het mechanisme dat erachter zit, kennen we niet.”

“Slijtage of degeneratie van de gele vlek is in onze westerse wereld een nog belangrijker oorzaak van slechtziendheid. Met je gele vlek, je macula, kun je details zien zoals bij lezen en gezichten herkennen.”

“‘Er zijn twee vormen van ouderdomsdegeneratie van de gele vlek, een ‘droge’ en een ‘natte’ vorm. Bij die laatste kun je in een paar weken blind worden. Maar waar die degeneratie vandaan komt, hoe dat in zijn werk gaat, weten we niet.”

Stereoboeken

“Of neem het visueel systeem als geheel. Kijken doe je niet alleen met je ogen. Vanuit je ogen lopen grote zenuwstrengen de hersenen in die uitkomen bij de visuele schors, en die zit aan de achterkant van je hoofd.”

“Eerst was het idee dat de beelden nadat ze daar verwerkt zijn, weer naar andere delen van de hersenen gaan, maar zo ligt het niet helemaal. Wat precies het beeld bepaalt, weten we niet. Op welk moment onderdelen van de informatie tot bewustwording leiden, wordt bij onze afdeling visuele systeemanalyse onderzocht.”

“Zo is daar ook gebleken dat al op het niveau van het netvlies bepaalde informatie geselecteerd wordt voor doorzending naar de hersenen. De mechanismen waarmee we kijken zijn nog lang niet duidelijk. Een goed voorbeeld zijn die ‘stereoboeken’ die zo in de mode zijn. Soms kan het een minuut duren voordat je het stereo-effect ziet. Ineens springt het er dan uit. Hoe dat werkt weten we niet.”

“Er zijn zoveel manieren waarop je gezichtsvermogen aangetast kan zijn. Je hebt mensen die ‘kokerzien’, die alleen in het midden van hun gezichtsveld nog goed kunnen zien. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij wie lijdt aan retinitis pigmentosa. Bij die ziekte degenereert je netvlies langzaam maar zeker.”

“En bij degeneratie van de gele vlek zie je juist in het midden niet goed, maar daarbuiten weer wel. Iedere keer blijkt dat dingen ingewikkelder zijn dan we dachten. Zo heb ik vroeger geleerd dat er vier soorten retinitis pigmentosa waren, en daarop heb ik ook altijd mijn diagnoses gesteld.”

“Maar door de bevindingen uit de moleculaire biologie zullen we de tekstboeken moeten herschrijven. Van de genetica valt nog heel veel te verwachten. Op dit ogenblik zijn er al negentien genen met soms zo’n dertig à veertig mutaties per lokalisatie gevonden die verantwoordelijk kunnen zijn voor retinitis pigmentosa. Over een tijdje hebben we misschien wel vijftig verschillende soorten, in plaats van die vier van vroeger.”

Onbewust zien

Aan al deze zaken, en aan nog veel meer, wordt gewerkt op het IOI. De Jong zet het op een rijtje: “Visuele systeemanalyse, dus hoe zien in zijn werk gaat, is één groep. Binnenkort krijgen we de beschikking over een nieuw apparaat dat KNAW gaat kopen: een neuromag. ‘Mag’ staat voor magnetometer. Het is een heel gevoelig apparaat. Je krijgt een soort helm met vloeibaar stikstof om je hoofd, en dan kun je nog preciezer dan we al konden de activiteit in de hersenen registreren met behulp van een magneetveld.”

“Daarmee kun je bijvoorbeeld experimenteel onderzoek doen naar het proces van visuele bewustwording. Er zijn mensen die na een hersenbloeding in sommige delen van het gezichtsveld niets meer zien, maar als je ze bepaalde proefjes laat doen, blijkt daaruit dat ze in die delen tóch iets kunnen waarnemen. Ze zijn het zich alleen niet bewust, of kunnen het beeld niet interpreteren.”

“Als je nu met behulp van die neuromag exact kunt bepalen wáár in de hersenen activiteit optreedt wanneer je zo iemand bepaalde opdrachten geeft, dan kunnen we meer gaan begrijpen van wat ‘bewust zien’ is. Dat onderzoek gebeurt met participanten in de Onderzoekschool Neurowetenschappen, onder meer met de beide universiteiten in Amsterdam, met de academische ziekenhuizen in Utrecht en Nijmegen en met twee epilepsiecentra.”

“Dan is er de afdeling oogheelkundige immunologie. Die concentreert zich op oogontstekingen. Oogontstekingen zijn vaak moeilijk te behandelen, omdat het oog een beetje vreemd is uitgerust. Ontstekingsstoffen komen er niet gemakkelijk in, en richten dus niet gemakkelijk schade aan, maar daar staat tegenover dat genezingsprocessen moeilijker op gang komen dan in andere delen van het lichaam.”

“Onstekingsmediatoren spelen ook een belangrijke rol bij sommige vormen van glaucoom, dat is hoge oogdruk. Er is hier een in de wereld unieke proefopstelling ontwikkeld om die interacties te bestuderen.”

De afdeling oftalmomorfologie bestrijkt het hele spectrum van de bouw van het normale oog tot de genexpressie binnen een enkel kegeltje in het netvlies. Daar valt nog steeds veel aan te ontdekken. Er is net een mooie publikatie uitgekomen met nieuwe bevindingen over het zenuwverloop in normale hoornvliezen, wat je honderden jaren na Boerhaaves microscoop niet meer zou verwachten. Veel van dat onderzoek is mogelijk doordat we intensief samenwerken met de Hoornvliesbank binnen onze muren.”

De diepte in

“En tenslotte is er de afdeling oftalmogenetica, samen met visuele systeemanalyse de oudste in het IOI, die kijkt naar de erfelijke kanten van het oog. Daar wordt in een samenspel van klinisch geneticus, moleculair bioloog en oogarts de genetische basis onderzocht van erfelijke oogziekten. We verwachten dat het lokaliseren van genen en het bestuderen van de eiwitten die daarvan afgeleid worden, niet alleen tot meer inzicht zal leiden, maar op termijn ook tot de ontwikkeling van betere behandelingen.”

“Daarbij maken we dankbaar gebruik van de indertijd door Delleman gestarte databank van erfelijke oogaandoeningen. Zo laat het zich nu aanzien dat retinitis pigmentosa en ouderdomsmaculadegeneratie voor een deel een gemeenschappelijke basis hebben.”

“Interdisciplinair onderzoek breidt zich steeds meer uit binnen het hele IOI. Onlangs hebben we met alle vier de afdelingen gesproken over netvliesonderzoek. Dat werd een heel stimulerende discussie omdat vanuit de verschillende disciplines heel eigen ideeën werden aangedragen. De reorganisatie van de topstructuur van het IOI, die overigens net goedgekeurd is door het KNAW-bestuur, heeft ook als een van de uitgangspunten: interdisciplinair met het onderzoek meer de diepte in.”

“Ook hebben we inmiddels een paar maal gesproken met Swaab en Buijs van het NIH (het Herseninstituut) over intensivering van de contacten. Onze nieuwbouw komt naast hen te liggen. Binnenkort wordt daarmee begonnen, onder meer omdat het AMC de ruimte waar we nu zitten nodig heeft.”

“Ik zie zeker mogelijkheden voor samenwerking met het Herseninstituut. Wij als arrogante oogartsen zeggen natuurlijk om te beginnen dat het oog zo belangrijk is, wat ook blijkt uit het feit dat de oogzenuw de dikste hersenzenuw is die we hebben.”

“Concreter: de macula is ook gevormd uit zenuwweefsel. En bij het NIH hebben ze technieken om degeneratie van zenuwweefsel, onder meer van Alzheimerpatiënten, te bestuderen. Over de schutting kijken is goed. Zo vallen puzzels soms ineens in elkaar.”

Dagelijkse problemen

Er komen eigenlijk alleen maar vragen bij, lijkt de boodschap van De Jong. Hij komt een paar keer terug op de lastige definitie van ‘fundamenteel onderzoek’. “De KNAW wil graag dat de instituten zich meer op fundamenteel onderzoek richten. Wat dat inhoudt, is een discussie waar ik me niet echt in wil mengen, maar mijn idee is dat er vanuit de dagelijkse problemen al zo veel fundamentele vragen te stellen zijn. Bovendien brengt het interuniversitaire karakter van het instituut een stuk dienstverlening naar de participerende instituten met zich mee, en vanuit beide invalshoeken is het onderzoek volgens bepaalde mensen per definitie al niet meer fundamenteel.”

“Ook is het belangrijk op de verschillende universiteiten onderzoeksprojecten te houden. Er zijn goede netwerken. Dat werkt allemaal stimulerend, net als de samenwerking met België. We hebben contacten met Vlamingen en Walen, dus de voertaal op vergaderingen is Engels. Dat gaat heel goed. De Belgen zullen meer projecten in gaan dienen, en er is nu ook subsidie van Onderwijs en Wetenschappen om de banden met omringende landen te versterken. Er komen regelmatig mensen hierheen. We wisselen gegevens uit.”

De Jong is optimistisch over alle mogelijkheden, ook al is de reorganisatie hem soms niet licht gevallen. “In het bedrijfsleven doet een interimmanager dat vaak, maar ik blijf hier”, legt hij uit.

“Gelukkig was ik het eens met de meeste ideeën van de commissie die het voorwerk gedaan had, en ik zat al tien jaar in wetenschappelijke raad van het IOI. Er zal nog gewerkt moeten worden aan de deregulatie die de Akademie wil. Zonder formatie-uitbreiding en met budgetten die al jarenlang bevroren zijn is er natuurlijk een grens aan de mogelijkheden Ik hoop dat we niet al te veel met bureaucratie overstelpt zullen worden.”

Tegen elkaar uitgespeeld

Tot slot moet hem nog één ding van het hart: “Ik vind dat onderzoekers vaak tegen elkaar uitgespeeld worden. Het systeem van produktiemeting van onderzoekers is niet goed. De produktie wordt in sommige evaluatiesystemen alleen bepaald aan de hand van de eerste auteur, of het eerste instituut die voor een publikatie verantwoordelijk zijn. Je krijgt steeds meer input-outputvergelijkingen, en multidisciplinair onderzoek wordt nu afgestraft.”

“Het meetsysteem hoort aan iedereen recht te doen. Ik heb aan de KNAW gevraagd een gremium te vormen dat zich daarover kan buigen. Ik hoop echt dat hier iets aan verandert, vooral voor iedereen die prettig samenwerkt in goed multidisciplinair onderzoek.”

“Je weet dat de koningin Beatrix heet, maar hoe je die informatie ophaalt?”

Vruchtbare kruisbestuivingen tussen de psychologie en de biologie? Prof. dr. Peter Hagoort, een van de sprekers op de themamiddag die de KNAW eind november aan dat onderwerp wijdde, heeft er geen enkele moeite mee nog een stap verder te gaan. Leg je de Nijmeegse hoogleraar neuropsychologie de stelling voor dat álle psychologie in feite biologie is, dan zegt hij beslist: “Ja, natuurlijk vind ik dat.”

Ach, voor iemand die laatst – nota bene in het publieksblad Psychologie – het einde der psychologie-tijden aankondigde, hoeft dat misschien niet zo veel verbazing te wekken. Hagoort (45) is ervan overtuigd dat de psychologie na het succes in deze nog net lopende eeuw, tijdens de volgende helemaal op zal gaan in het brede, boeiende en bloeiende terrein dat onder de naam ‘cognitieve neurowetenschappen’ bekend begint te worden.

Menselijke geest

Onderzoek naar hoe de menselijke geest werkt, dat is misschien nog de kortste omschrijving van dat relatief jonge vak. Zien, geheugen, het plannen en uitvoeren van bewegingen, aandacht, emoties, en ook taal – Hagoorts eigen onderzoeksterrein – spelen zich allemaal af in onze hersenen. En die maken deel uit van de biologische wereld, dus in die zin is psychologie ook biologie.

Dat we die hersenen ook aan het werk kunnen zien, is pas heel recent. Vroeger kon je hooguit na iemands dood kijken of er ergens beschadigingen zaten, die je dan in verband zou kunnen brengen met problemen die iemand tijdens zijn leven had. Op die manier werd in de vorige eeuw bijvoorbeeld ontdekt dat onze belangrijkste taalfuncties meestal in een paar hersengebiedjes ergens boven ons linker oor zitten.

Grove methode

Maar vergeleken bij de subtiele dingen die je nu kunt meten, is sectie achteraf een erg grove methode, die navenante resultaten geeft. De cognitieve neurowetenschappen zijn een rechtstreeks gevolg van een reeks nieuwe technieken en apparaten. De elektriciteit en het magnetisme in de hersenen zijn nu voor iedereen zichtbaar te maken, net als de hersengebieden waar op een bepaald moment extra bloed of zuurstof naartoe stroomt. Het brein-in-actie bekijken, heeft ook al een eigen naam: cognitive neuroimaging.

“Een vertaling daarvoor? Mhm…” zegt Hagoort. “‘De verbeelding aan de macht’, vind ik wel mooi. Zo heb ik mijn lezing voor de KNAW ook genoemd.” We praten in zijn kamer op het Max Planck Instituut voor Psycholinguistiek, dat vlakbij de universiteit van Nijmegen ligt. Hagoort wijst uit het raam. “De bedoeling is dat ik straks naar de overkant verhuis”, zegt hij.

Daar moet het F.C. Donders Centre for cognitive neuroimaging komen, en Hagoort is de beoogd directeur. Een mooie volgende stap voor iemand die al vele jaren de F.C. Donders-lezingen organiseert. Vijf keer per jaar houdt een neurowetenschapper – en die kan overal vandaan komen – voor een steevast goedgevulde zaal een verhaal over zijn onderzoek. Donders, die 110 jaar geleden overleed, was een van hun voorlopers. De Nederlander introduceerde onder meer technieken om oogbewegingen en reactiesnelheden bij mentale processen te meten.

Supergevoelig

Maar van de gigantisch grote en tegelijk supergevoelige meetapparatuur die in het naar hem genoemde Centrum moet komen te staan, heeft hij vast nooit kunnen dromen. Hagoort legt uit: “De afgelopen jaren zijn er dertien zogenaamde ‘Verkenningsrapporten’ over allerlei onderzoeksgebieden uitgebracht aan de regering. Maar er was er maar één waarvan Den Haag zei: daar moet een onderzoeksinstituut voor worden opgezet. Dat was voor dat neuro-imaging.”

“De achterliggende gedachte is dat we technieken gaan combineren. Zodat je bijvoorbeeld zowel de exacte locatie als de snelheid van een reactie in je hersenen kunt nagaan. Nu is het nog steeds telkens een van die twee, maar we willen dat verschillende apparaten tegelijkertijd hetzelfde gaan registreren. Om dat te kunnen doen  moet je alles bij elkaar hebben, in één gebouw. Communicatie en expertise-uitwisseling gaan trouwens ook het beste in een gezamenlijke koffiekamer. De subsidieaanvraag voor de apparatuur ligt nu bij NWO, verder is het rond.”

Krap

Lachend gaat hij verder: “En dan moet ik nog even dertig mensen van zeer diverse pluimage zien te vinden. Ik ben daar al mee bezig, en er zullen er zeker ook uit het buitenland moeten komen. Er worden op dit moment over de hele wereld zo veel centra opgericht dat de markt voor fysici die met MRI-apparatuur om kunnen gaan zelfs ronduit krap is.  Maar willen we in Nederland op dit terrein mee blijven tellen dan moeten er meer faciliteiten komen.”

Het Centrum is ook echt bedoeld voor iedereen in het land. “Het moet een open instituut worden”, verklaart Hagoort, “waar iedereen met een goed plan terecht kan. De onderzoeksstaf moet samenwerkingen met anderen kunnen aangaan.”

En er zijn nog veel goede plannen mogelijk. Want volgens Hagoort weten we nog bijna niks, is alleen een heel, heel klein topje van de ijsberg bekend, en ligt vrijwel alles nog onder water. “Godallemachtig complex”, noemt hij de werking van de hersenen. En naarmate er preciezere technieken komen, blijkt het nog weer ingewikkelder te zijn. Hagoort: “Bij elk soort taak zie je nu dat er een heleboel verschillende gebieden geactiveerd worden. Het zijn samenwerkende netwerken. Het idee van één-plaats-één-functie moet nu echt definitief overboord.”

Talenknobbel

Geen “moderne frenologie”, zoals Hagoort het noemt, meer. De frenologen uit de achttiende en negentiende eeuw bedachten voor ons onder meer een talenknobbel en een wiskundeknobbel, maar in werkelijkheid hebben we die niet. De hersens laten zich niet netjes in stukjes en kwabjes verdelen, waarbij elk klein gebiedje één duidelijk omschreven functie vervult, en dat is het dan. Ook al speelt ‘plaats’ wel degelijk een belangrijke rol, er is meer. Tijd bijvoorbeeld.

Tijd blijkt een terugkerend thema in het gesprek. Ooit promoveerde Hagoort op het belang van tijd bij de taalproblemen die je kunt krijgen na een hersenbeschadiging. Hij kwam erachter dat een grote groep afasiepatiënten woorden 100 milliseconden later dan normaal ophalen uit het werkgeheugen. Dat staat zo’n woord in zijn context plaatsen, dus begrijpen wat er nou gezegd wordt, danig in de weg. Taal is razendsnel rekenen, en een vertraging ergens in het systeem kan desastreus zijn, ook al is iemands woordenschat nog helemaal intact.

Rekenfout

Een taalfout en een rekenfout lijken overigens een zelfde reactie in de hersenen teweeg te kunnen brengen. Althans, een zin met een vreemde betekenis (‘De vrouw zet de bloemen in een pater’) geeft een zelfde, met behulp van elektroden gemeten hersengolfje, als een sommetje met een foute uitkomst. Na 400 milliseconden slaan als het ware de metertjes ineens uit, en wel dezelfde kant uit.

“Het gaat om hele subtiele aspecten”, zegt Hagoort daarover, “en het is onbekend wat je nou eigenlijk oppikt. Is zo’n reactie direct of indirect? Zit het echt in het taalsysteem, of gaat het om iets gemeenschappelijks?”

De factor tijd is waarschijnlijk ook van cruciaal belang voor ons vermogen zaken als één geheel waar te nemen. Dat spreekt niet vanzelf namelijk. Hagoort: “Ik kan dit kopje hier bekijken, en het is één kopje. Maar het linkerdeel van mijn gezichtsveld gaat via mijn netvlies naar mijn rechter hersenhelft, en het rechter naar de linkerkant. Hoe wordt dat nou één geheel? Dat heet het bindingsprobleem, en Wolf  Singer van het Max Planck Instituut in Frankfort  heeft bedacht dat de oplossing waarschijnlijk zit in het gelijktijdig vuren van neuronen.”

Kleur

Dus als de zenuwcellen op verschillende plekken in de hersenen tegelijk actief worden, dan nemen we dingen ook als één, bij elkaar horend iets waar. Hagoort geeft ook het zien van kleur en beweging als voorbeeld. Die functies zitten op verschillende plaatsen in de visuele hersenschors, en elk apart kan door een beschadiging uitgeschakeld worden, maar normaal gesproken zien we  iemand of iets in kleur bewegen. Kwestie van synchroon vurende cellen dus.

Van onderzoek naar het samenspel tussen ruimte en tijd, ofwel “de spatio-temporele dynamiek”, zoals Hagoort het noemt, is nog veel te verwachten, voor allerlei cognitieve functies. Vandaar dus ook dat verlangen om verschillende meettechnieken tegelijk in te zetten, zodat zowel tijd als plaats zo goed mogelijk kunnen worden vastgelegd.

 Van buitenaf naar binnen kijken, het is de enige manier, want bij jezelf naar binnen kijken levert meestal maar weinig op. We praten over hoe veel dingen onbewust gaan. Het merendeel van wat er in de hersenen gebeurt. “Neem taal”, zegt Hagoort, “je weet wel dat de koningin Beatrix heet, maar hoe je die informatie ophaalt? Hoe we een gedachte vormen en die dan omzetten in zinnen? Daar hebben we zelf absoluut geen toegang toe.”

Illusies

En datgene waar we wel toegang toe hebben, kan ons bedriegen. Zo zijn er nogal wat optische illusies. Hagoort neemt even pen en papier, en tekent een bekende: twee exact even grote rondjes, de een omgeven door veel kleinere cirkeltjes, de ander door veel grotere. Dat die twee middelste rondjes even groot zijn, geloven je ogen niet.

Maar je handen weten beter. Hagoort: “Op een gegeven moment kwam iemand op de gedachte die tekening om te zetten in staven en staafjes, die je vast kunt pakken dus. Daar zijn we heel erg goed in. Als je je hand uitsteekt, heb je voor het oppakken al bepaald wat de goede afstand tussen je duim en andere vingers is. Dat is een onbewust systeem. En dat rekent het traject en de nodige ‘greep’ in beide gevallen goed uit, of die middelste staaf nou door kleine of door grote staven omgeven is.”

Herfstdepressieweer

Buiten is het inmiddels donker. Het blijft echt herfstdepressieweer, en we hebben het nog even over de relatie psychologie-biologie. Of eigenlijk: psychiatrie-biologie. Op de discussie over ‘pillen of praten’ die al een aantal jaren loopt, heeft Hagoort een simpel commentaar: “Wat mensen nog wel eens vergeten, is dat stofjes als Prozac en therapeutische gesprekken alle twee aangrijpen op hetzelfde systeem: onze hersenen.”

Maar zal de beschikbaarheid van allerlei pillen niet tot een andere wereld leiden? Hagoort lacht: “Dat je geen zuurpruimen en bromberen meer overhoudt, bedoel je? De keuzemogelijkheden worden natuurlijk groter, en elk individu moet maar zelf bepalen wat hij wil. Het gebruik van middelen die uitgevonden zijn, hou je niet tegen. Wat kan, gebeurt ook. Ik zie ook wel eens met verbazing aan hoe ver mensen gaan in hun verlangen naar een kind of naar geluk. Ondertussen heb ik toch sterk de indruk dat de hoeveelheid onbehagen en ongeluk een constante is. Want hoe gelukkig je bent, staat altijd in relatie tot je omgeving.”

Het gevoel van de moerstaal

Sportcommentaar in de eigen taal roept meer emoties op dan in een vreemde taal — dan maakt het minder uit wie er wint. Dat de taal het gemoed zo beïnvloedt, is ook interessant voor de reclamewereld. 

Hamburgerbakker McDonald’s wil ons in de lopende reclamecampagne verleiden met de kreet I’m lovin’it. Volgens  psycholoog en marketingonderzoeker Bart de Langhe doet het bedrijf daar niet verstandig aan. ‘Ik hou ervan’ zou in Nederland meer effect hebben. Want, stelde hij vast, de emotionele impact van onze moedertaal ligt hoger dan die van het Engels.

Dat geldt voor vrouwen nog wat sterker dan voor mannen, en er zit een intrigerende keerzijde aan die medaille: het kan een fikse vertekening opleveren in de uitkomsten van enquêtes en dergelijke. Want vraag je mensen om op een oplopende schaal aan te geven wat ze vinden, dan scoren ze als daar Engelse woorden (love it, hate it) bij gebruikt worden ‘extremer’, dus meer aan de uiteinden van de schaal, dan wanneer hun hetzelfde gevraagd wordt in hun moedertaal.     

De Langhe (1982) voerde zijn onderzoek naar deze en nog meer verschijnselen uit bij de afdeling Marketing Management van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Onlangs promoveerde hij cum laude met een proefschrift getiteld Contingencies, Learning Numerical and Emotional Associations in an Uncertain World, waarin de associaties die mensen (leren) leggen een hoofdrol spelen.

De twee succesvolle Belgische tennissters Kim Clijsters en Justine Henin zetten de Vlaming De Langhe op het spoor. Vijf jaar geleden kwam hij in Nederland wonen, en niet lang daarna zag hij een wedstrijd tussen de Vlaamse Clijsters en de Waalse Henin. ‘Eerst keek ik op Canvas, met Vlaams commentaar dus,’ vertelt hij, ‘en was ik heel erg voor Clijsters en tegen Henin. Maar toen ik daarna dezelfde wedstrijd met Nederlands commentaar zag, maakte het me niet meer zo uit wie zou winnen.’

Djiezus kraist

Het effect van je moedertaal, zelfs als die erg veel overeenkomsten heeft met de vreemde taal die ertegenover staat. Vlaams horen activeerde De Langhes Vlaamse identiteit, concludeerde hij,  maar kennelijk ook ‘hoe emotioneel je de dingen gaat waarnemen’. Juist met het oog op marketing iets dat het verdiende nader onderzocht te worden. De Langhe: ‘Zo’n tien jaar geleden had veertig procent van de Nederlandstalige reclame-uitingen al Engelse elementen, en op internet komt het Engels nog veel meer naar voren.’

Maar wisten we niet allang dat er meer emoties aan onze moedertaal kleven? Schelden of vloeken gaat bijvoorbeeld vaak makkelijker in een vreemde taal. ‘Shit’ klinkt minder heftig dan ‘kut’, net zoals de uitroep ‘Djiezus Kraist!’ ons niet zo godslasterlijk lijkt als ‘Jezus Christus’.

‘Ja, dat voel je inderdaad intuïtief aan,’ erkent De Langhe, ‘maar ik wilde weten of ook gewone, gematigder woorden intenser aanvoelen in je moedertaal. Dat blijkt zo te zijn. En het is geen kwestie van de andere taal minder goed begrijpen. Om daar zeker van te zijn legden we proefpersonen woorden voor die vrijwel hetzelfde zijn, zoals mother, house en depression. Die vinden Nederlandstaligen toch significant minder emotioneel dan moeder, huis en depressie.’

Door meerdere talen te onderzoeken sloot De Langhe ook uit dat die emotionaliteit op de een of andere manier in de taal zelf zit: of het nu om het ‘kille’ Nederlands of het ‘romantische’ Frans gaat, je moedertaal roept altijd het meeste gevoel op. Een kwestie van associaties, denkt De Langhe. ‘Niet alleen hoor je woorden in je moedertaal vaker, maar het is de taal van thuis, van je ouders, je vrienden.’ Dat de vrouwen in zijn onderzoek woorden uit hun moedertaal nog ‘emotioneler’ beleefden dan mannen wijt hij niet aan iets taligs, maar aan hun sterkere waarneming van emoties in het algemeen.

Gekleurd bolletje

De tegenkant is dat we vreemde woorden dus juist minder emotioneel beleven. Dat kan volgens De Langhe bijvoorbeeld verklaren waarom de Hispanics in de Verenigde Staten zich veel meer zorgen maken om terrorisme dan hun Engelstalige landgenoten. Ze zijn niet werkelijk banger, maar ze hebben het op een Engelstalige schaal aangegeven. Dat effect blijkt heel eenvoudig uit te schakelen. Tot De Langhes verbazing verdween het totaal door een visueel element aan de antwoordschaal toe te voegen: ‘Een klein bolletje dat van wit naar diep rood loopt, is al genoeg.’ Zelfs als de Engelse woorden erbij blijven staan. Dat is zinvolle informatie.

Want  het mag voor marketingdoeleinden dan volgens De Langhe wel aan te raden zijn om geen buitenlands te gebruiken, dat heeft natuurlijk financiële consequenties, en het is vaak praktisch niet haalbaar, zeker op internet. De Langhe: ‘McDonald’s gebruikt I’m lovin’ it  in grote delen van Europa. Dat is makkelijker en goedkoper dan voor elk land een equivalent in de eigen taal maken.’

De Langhe ziet overigens wel één uitzondering: bij het aan te prijzen product kan een vreemde taal soms juist de gewenste associaties en emoties oproepen, zoals Italiaans dat doet voor olijfolie. En hij maakt nog een voorbehoud: ‘Het is mogelijk dat de emotionaliteit van het Engels toeneemt, doordat we het meer en meer gebruiken. Als ik zie hoeveel Nederlandstaligen bijvoorbeeld op Facebook in het Engels schrijven…’

Bij wijze van illustratie had de krant hier een verslagje van een Vlaamse en van een Nederlandse journalist bij gezet.

Hersenspinsels en herinneringen

Elizabeth Loftus en Katherine Ketcham: Graven in het geheugen. De mythe van de verdrongen herinnering (The myth of repressed memory, 1994) vertaling: Nicky de Swaan 350 blz., Uitgeverij L.J. Veen 1995, f 49,90

Douwe Draaisma: De metaforenmachine, een geschiedenis van het geheugen 271 blz., geïll., Historische Uitgeverij 1995, f 49,50

In ons hoofd zit een grote breimachine, die er een eigen wil op nahoudt. De voornaamste bezigheid van dit apparaat is het aan elkaar breien van oude en nieuwe lapjes en draden. Doel: een samenhangend breisel vol fraaie patronen. Dat ideaal wordt nooit bereikt, maar er wordt dag en nacht aan gewerkt. In de praktijk noemen we dat gigantische nooit voltooide breiwerk ons geheugen.

Alle materiaal dat het geheugen binnenkomt, dus alles wat we zien, horen, ruiken, proeven, voelen of anderszins meemaken, moet een plaatsje krijgen. De breimachine wikt en beschikt: dit lijkt een beetje op dat, dus breien we het er daar in, iets anders heeft weer wat weg van een eerder gemaakt patroon en wordt zo lang opgerekt en vervormd tot het datzelfde patroon laat zien. De breimachine kan besluiten informatie weg te gooien, en ook worden er vaak hele stukken uitgehaald en elders weer ingebreid. Er vallen steken die op een andere plek weer worden opgehaald.

Zo verdwijnen en verschijnen er voortdurend patronen. Ons geheugen heeft met andere woorden maar ten dele met de werkelijkheid of de waarheid te maken: het is een hersenspinsel.

Gek genoeg kwam deze metafoor níet bij me op tijdens het lezen van De metaforenmachine, een geschiedenis van het geheugen, een met schitterende illustraties uitgegeven boek van de hand van Douwe Draaisma, docent ‘grondslagen en geschiedenis van de psychologie’ aan de universiteit van Groningen. Nee, het beeld van de breimachine werd opgeroepen door het werk van de Amerikaanse hoogleraar Elizabeth Loftus (voor wie er iets van gezien heeft: de vrouw in het groepje geheugenonderzoekers in Wim Kayzers lange VPRO-documentaire ‘Vertrouwd en o zo vreemd’), van wie net Graven in het geheugen. De mythe van de verdrongen herinnering verschenen is.

Draaisma’s boek gaat over hoe er in de afgelopen millennia tegen de werking van het geheugen aangekeken is, Loftus maakt duidelijk hoe weinig we er na al die tijd nog steeds van afweten, en vooral hoe onbetrouwbaar datgene dat we dénken te weten is.

Draaisma’s boodschap is helder: vanaf Plato tot nu wordt het geheugen door de wetenschap beschreven in termen van de op dat moment beschikbare technieken of apparaten. Nieuwe uitvindingen inspireren tot nieuwe metaforen, en van de meeste vind je sporen terug in de manier waarop we over het geheugen praten.

Eerst waren er bijvoorbeeld de wastabletten waar dingen in ‘gegrift’ werden, toen kreeg je onder meer boeken en bibliotheken waarin zaken konden worden ‘bewaard’ en weer ‘opgezocht’, nog later kwam er echt spectaculaire apparatuur waarmee je geluid en beeld kon ‘vastleggen’ en weer ‘afspelen’ of ‘oproepen’, en nu zijn computers de voornaamste leverancier van vergelijkingen die moeten helpen greep te krijgen op wat er in onze hersens gaande is.

Fosfor

Andere metaforen zijn inmiddels vergeten. Zo vertelt Draaisma dat de ontdekking van de wonderbaarlijke stof fosfor, die zomaar licht gaf in het donker, leidde tot een vergelijking met het vermogen van het brein om lichtindrukken op te nemen en te bewaren.

Dat zou in ons niet gauw meer opkomen. Alle metaforen zijn filters, zegt Draaisma terecht. Enerzijds brengen ze op ideeën en sturen ze het denken: de uitvinding van de fotografie leverde experimenten op die moesten bepalen of er bij geoefende blindschakers zoiets als een ‘fotografisch geheugen’ voor schaakbordopstellingen bestond (dat bleek niet het geval).

Maar anderzijds herbergen metaforen gevaren in zich. Eigenschappen van ‘het echte ding’ kunnen uit het zicht verdwijnen, terwijl daarnaast het risico bestaat dat eigenschappen van hetgeen waarmee het vergeleken wordt, er ten onrechte aan worden toegeschreven.

We zijn bijvoorbeeld erg geneigd te denken dat we voor ons geestesoog ‘de film van ons leven kunnen terugspoelen’. Dat dat zeer zeker niet het geval is, maakt Loftus met haar onderzoek nog duidelijker dan het al was.

Maar Draaisma laat het op dat vlak nogal afweten. Hij vertelt uitvoerig over de metaforen en bijna nog uitvoeriger over de uitvinding van allerlei technieken, maar een gedegen ‘evaluatie’ van de waarde van de gebruikte vergelijkingen ontbreekt bijna overal. Als, om een willekeurig voorbeeld te nemen, meneer Gall begin vorige eeuw zes vormen van geheugen onderscheidt, hoe verhoudt zich dat tot wat we nu weten?

Misschien had meer aandacht voor het geheugen zelf voor voldoende afwisseling kunnen zorgen, want nu is het boek naar mijn smaak te veel een opsomming geworden.

Daar komt nog bij dat De Metaforenmachine een bewerking van Draaisma’s proefschrift is. In de verantwoording achteraf zegt hij alles drastisch herzien te hebben, maar zijn tekst draagt vele dissertatie-sporen. Onderzoekers vallen vaak uit de lucht, citaten blijven onvertaald, en de hoeveelheid jargon en andere moeilijke woorden is overweldigend.

Zinnen als ‘Over het fysisch substraat van geheugensporen waren door de voorsocraten al hypothesen gevormd’ zijn zo talrijk, dat het lezen van het boek een karwei bleek. Termen als ‘apraxie’, ‘anterograde amnesie’, ‘discriminerende responsen’ en ‘retentie’ dienen toch minstens uitgelegd te worden.

Het stelde me teleur, omdat ik Draaisma’s boekbesprekingen in de Volkskrant altijd met plezier lees. Misschien moeten mensen niet zélf hun proefschrift herschrijven.

Ongeloof

Loftus heeft waarschijnlijk de hulp van een journalist ingeroepen. Dat staat nergens, maar haar co-auteur Katherine Ketcham komt niet voor in de literatuurlijst, en Graven in het geheugen is in de ik-vorm geschreven. Het is in elk geval een heel leesbaar boek geworden.

Alleen de vertaling moest blijkbaar weer eens in haast gemaakt worden. In zinnen als ‘Recent onderzoek […] indiceert dat het geheugen geen breed, gegeneraliseerd vermogen is dat gebruik maakt van een centraal gelokaliseerd pakhuis vol beelden en ervaringen, maar een netwerk van talrijke, separate activiteiten […]’ lees je het Engels te veel terug. Vervang de cursieve woorden door respectievelijk wijst erop, algemeen, gelegen, en gescheiden en je hebt ineens een Nederlandse zin. Enfin, het verhaal blijft zeer de moeite waard.

Dat is opvallend voor een boek dat in feite uit frustratie geschreven is. Net als de Nederlandse Willem Wagenaar (met wie ze bij Kayzer ook in gesprek was) treedt Loftus geregeld als getuige-deskundige in rechtszaken op. Hun steeds terugkerende boodschap dat het geheugen slecht te vertrouwen valt, wordt vaak niet gewaardeerd, en zelfs domweg niet geloofd.

Het geheugen wil namelijk zelf niet weten dat het niet deugt. Toch heeft iedereen dat vaak gemerkt. Wie kent niet het gevoel van ongeloof dat je overvalt wanneer iets waar je diep van overtuigd was (‘we waren daar met Piet’) toch echt niet waar blijkt te zijn (Piet was op dat moment heel ergens anders, en kan dat bewijzen)?

Het schokkendste dat Loftus te vertellen heeft, zijn de resultaten van een experiment waarbij geprobeerd werd proefpersonen een licht traumatische herinnering (bijvoorbeeld dat ze als kind een keer verdwaalden in een winkelcentrum) aan te praten. Een familielid haalde die verzonnen herinnering samen met een paar waargebeurde dingen op, en de proefpersonen geloofden het niet alleen stuk voor stuk, na een paar weken ‘herinnerden’ ze zich er allerlei nieuwe details bij.

Zelfs nadat ze verteld was dat dat verdwalen nooit had plaatsgevonden, bleef het als een heel reële herinnering aanvoelen. Het geheugen breit er vrolijk op los. Dat zet ernstig aan het denken.

Als we zeggen ‘daar staat me vaag iets van bij’, of ‘dat doet ergens een belletje rinkelen’, is dat dan echt zo, of horen we dan het koortsachtig getik van de naalden van de grote breimachine? En hoe kom je daar in vredesnaam ooit achter?

Directe aanleiding voor Graven in het geheugen was de controverse die in Amerika ontstaan is over een aantal incest- en satanische sektenzaken. Vanaf eind jaren tachtig was er een ware hausse te zien van vrouwen die zich na vaak tientallen jaren plotseling herinnerden als kind seksueel misbruikt te zijn. In diezelfde periode kwam een aantal ‘bestseller-zelfhulpboeken’ op de markt.

Loftus bespreekt die boeken, en vertelt aan de hand van verslagen van vrouwen die het meemaakten hoe het tijdens therapiesessies toe kan gaan. Dat is verbijsterend. De boeken geven lange lijsten klachten en kenmerken van misbruikte personen. Een wetenschappelijke fundering daarvoor ontbreekt, en de lijsten zijn zo opgesteld dat vrijwel iedereen er iets van zichzelf in kan herkennen (wie heeft er niet wel eens ‘moeite met motivatie’  of voelt zich ‘anders dan andere mensen’?).

Therapeuten blijken er geen been in te zien hun patiënten (meestal toch al labiel) te suggereren dat ze als kind misbruikt zijn. Ze worden aangemoedigd zich zulk misbruik voor te stellen. Een doodenge praktijk voor wie zich realiseert hoe manipuleerbaar het geheugen is.

Tegengas

Seksueel misbruik is natuurlijk een heel gevoelig onderwerp, en Loftus is zich daar terdege van bewust. Heel voorzichtig probeert ze wat tegengas te geven. Ze vertelt over de muur van onbegrip en ongeloof, en de mythes waar ze in de getuigenbank tegenaan loopt (‘het was of ik praatte met een dominee’).

Er bestaat geen greintje bewijs dat welke traumatische gebeurtenis dan ook totaal verdrongen kan worden, om dat ineens op te duiken. Sommige vrouwen hebben inmiddels hun verhalen over misbruik herroepen (en hun therapeut aangeklaagd), maar de aangerichte schade voor de beschuldigde herstel je niet zomaar.

Loftus vertelt hartverscheurende verhalen, bijvoorbeeld over de politieman Paul Ingram, die niet kon geloven dat zijn dochter logen, en daarom verschrikkelijk zijn best deed zijn eigen ‘verdrongen herinneringen’ aan het misbruik naar boven te halen. Met veel proberen kwamen er inderdaad ‘beelden’, die steeds gruwelijker werden. De man zit nu voor jaren in de gevangenis.

Ook Loftus heeft de waarheid niet in pacht natuurlijk. Haar boek is alleen een zeer overtuigend pleidooi voor wat meer voorzichtigheid, wat minder goedgelovigheid. Dat is knap werk.

Mysteries rond de hersenpan

William H. Calvin en George A. Ojemann: Conversations with Neil’s Brain, The Neural Nature of Thought and Language 344 blz., geïll., geb., Addison-Wesley 1994, f 55,70

Wie een hoog IQ heeft, heeft ook meer grijze cellen dan gemiddeld. Dat kun je zien op een zogeheten MRI-scan, een van de nog tamelijk nieuwe typen afbeeldingen die je van levende hersenen kunt maken.

De benaming ‘grijze cellen’ dateert uit de tijd dat alleen dode hersenen bekeken konden worden. De hersenschors, het gekronkelde en geplooide dunne laagje hersenweefsel dat de buitenkant van de hersenen vormt (oppervlakte als je de plooien gladstrijkt ongeveer vier velletjes A4) ziet er voor een opererende neurochirurg eerder roodbruin uit.

Het zijn maar een paar van de dingen die je kunt leren uit Conversations with Neil’s Brain, The Neural Nature of Thought and Language. In dat rijk met zwart-wit tekeningen geïllustreerde boek bieden neurobioloog (en veelschrijver) William Calvin en neurochirurg George Ojemann een kijkje onder het steriele operatielaken. Aan de hand van het geval Neil proberen ze in begrijpelijke taal een totaaloverzicht te geven van wat er inmiddels bekend is over onze hersenfuncties.

Daartoe converseren ze overigens niet zozeer met Neils brein, als wel met hemzelf. Neil heeft als gevolg van een auto-ongeluk zo vaak zulke hevige epilepsieaanvallen dat zijn dagelijks leven er zwaar door beïnvloed wordt. Hij hoort bovendien tot degenen (zo’n vijfentwintig procent) bij wie medicijnen niet helpen. Dus wil neurochirurg Ojemann proberen het stukje hersenweefsel van waaruit Neils aanvallen beginnen weg te snijden.

Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat Neil verlamd, sprakeloos of anderszins erger gehandicapt dan hij was uit de operatie komt. Dus wordt hij eerst op allerlei manieren getest, onder meer door een soort kijkoperatie waarbij er een luikje in zijn schedel gemaakt wordt.

De chirurg dient Neils zo blootgekomen hersenschors elektrische schokjes toe om erachter te komen waar bijvoorbeeld de bewegingen van zijn hand en been precies geregeld worden: elektrische stimulatie van de motorische cortex geeft Neil het absurde gevoel dat ‘iemand’ zijn hand of iets anders beweegt. Een beetje stroom op weer andere plekjes (in de linker hersenhelft, rond de zogenaamde ‘groeve van Sylvius’ die ergens boven je oor loopt) maken dat hij niet meer op een woord kan komen, of zelfs helemaal geen woord meer uit kan brengen.

Soms kan hij nog wel het Engelse woord bij een plaatje geven, maar niet meer het Spaanse, terwijl Spaans zijn tweede taal is.

Bij de uiteindelijke operatie, waarbij een deel van de temporaalkwab (achter de slaap) verwijderd wordt, heeft Ojemann dus een soort kaart met plaatsen waar hij uit de buurt moet blijven.

Die kaart is in grote trekken voor iedereen gelijk, maar op het millimeterniveau waarop een neurochirurg werkt zijn de individuele verschillen in feite groot. Als Neil ontwaakt lijkt het allemaal goed afgelopen te zijn, maar alleen de toekomst zal leren of het ook echt geholpen heeft.

Neil is de ideale patiënt. Opgewekt draagt hij zijn lot, hij stort zich op literatuur over hersenfuncties, ondergaat gewillig elke test, en hij stelt zijn artsen voortdurend de goede vragen.

Neil bestaat dan ook niet echt. Hij is ontsproten aan het brein van de schrijvers, die al hun ervaringen en kennis van zaken samen laten komen in een concreet geval.

Die truc werkt behoorlijk goed. Conversations with Neil’s Brain is heel leesbaar en heel leerzaam tegelijk. Okee, soms ligt het er wel erg dik bovenop. Bij de zoveelste vrolijke conversatie in het knusse koffiehoekjes waar het alweer zo heerlijk naar cappuccino ruikt, begint het wat tuttige toontje wel eens irritant te worden, maar er staat veel tegenover.

De auteurs blijken in staat via die zogenaamde gesprekken een beeld te geven van een heel scala aan hersenonderzoek. Het gaat van bewustzijn tot slaap en dromen, van het visueel systeem tot de werking en bouw van hersencellen. Technieken worden netjes uitgelegd, en er komen reeksen ziekten en afwijkingen (Parkinson, autisme, dyslexie, Alzheimer) ter sprake, en heel veel neurologische gevallen.

Ook al hoeft alleen Neils linker hersenhelft onder het mes, de functies van de rechter hersenhelft komen even goed aan bod. Hersenbeschadigingen daar kunnen weer tot heel andere dingen leiden. Bijvoorbeeld tot de neiging om voortaan alles letterlijk te nemen, niet meer gevoelig te zijn voor bijbetekenissen, ironie, grapjes.

Weer iets anders gebeurde met de Amerikaanse president Woodrow Wilson, die een hersenbloeding kreeg tijdens de conferentie over het Verdrag van Versailles, na de Eerste Wereldoorlog. Zijn persoonlijkheid veranderde op slag: van een verzoener werd hij een wraakzuchtige man.

Calvin en Ojemann suggereren dat de wereldgeschiedenis er wel eens anders uit had kunnen zien, als Wilson zichzelf was gebleven, en het Verdrag van Versailles minder streng voor Duitsland had uitgepakt.

Voor Wilson (en zijn medewerkers) was het drama met die hersenbloeding overigens niet voorbij. Een paar weken later kreeg hij er nog een, toen in de linker hersenhelft, en raakte hij halfzijdig verlamt, iets dat hij zelf ten enenmale ontkende. Er was niets mis met hem, vond hij. Zijn vrouw en dokters namen het Witte Huisroer daarna min of meer over. Gebrek aan inzicht in de eigen ziekte komt trouwens vaker voor.

Zo zijn er tientallen verhalen in het boek te vinden. En passant komen de auteurs ook nog met plausibele ideeën over wat Paulus op weg naar Damascus overkwam (een epileptische aanval vanuit zijn temporaalkwab) en wat de reden is dat Jeanne d’Arcs hart niet wilde branden (ze had waarschijnlijk hersentuberculose, wat kan leiden tot een soort kalklaagje om het hart).

En er worden wat misverstanden weggezet. Zoals het idee dat alle herinneringen in hun geheel ergens liggen opgeslagen, en dat je alleen het juiste plekje hoeft te prikkelen om alles weer opnieuw te beleven.

In werkelijkheid gebeurt het maar heel zelden dat iemand zo’n ‘totaalbeleving’ heeft en het wil ook niet zeggen dat de herinnering daar zit.

Ojemann vertelt van iemand die bij elektrische stimulatie van een bepaald stukje hersenschors muziek van Led Zeppelin hoorde. Soms hetzelfde liedje, soms een ander nummer van dezelfde lp. Maar nadat dat stukje weefsel bij een operatie verwijderd was kende de patiënt de plaat nog steeds, en hij herinnerde zich ook nog wat er destijds in de operatiekamer gebeurd was, inclusief de sensatie Led Zeppelin te horen.

Er staat kortom heel veel aardigs en ook heel veel wonderlijks in Conversations with Neil’s Brain. Maar tegelijkertijd laat het boek feilloos de beperkingen van de neurologie zien. Die komt op de keper beschouwd niet zo heel veel verder dan het nogal grof localiseren van functies: als je hier in de buurt iets stuk maakt dan krijg je daar en daar waarschijnlijk problemen mee, ook al is dat nooit zeker.

Maar wat zegt nou bijvoorbeeld het feit dat een hoog IQ samengaat met meer grijze cellen? Begrijpen we nu beter wat intelligentie is? In de verste verte niet. Of neem de persoonlijkheid van Wilson. Weten we nu waar iemands karakter zit? Dat lijkt me niet. De plekjes hersenschors die bij elektrische stimulatie woordvindingsmoeilijkheden opleveren zijn niet per se dezelfde die bij een hersenbeschadiging (zoals een bloeding) tot dezelfde problemen leiden. Dus wat weten we dan? Ik weet het werkelijk niet.

De ondertitel van het boek die ‘de neurale aard van denken en taal’ belooft bloot te leggen, wordt dan ook niet waargemaakt.

Van denken weet nog altijd niemand wat het is, en als het om taal gaat maken Calvin en Ojemann zelfs een paar stevige uitglijders. Zo laten ze diverse keren merken niet te begrijpen dat de toevallige schriftvorm die voor een taal gebruikt wordt niets over die taal zegt. Schrijven dat het Engels ‘een fonetische taal’ is, zoals ze doen, is ronduit belachelijk. Iedere gesproken taal is per definitie op klanken gebaseerd.

Ook bij andere onderwerpen, zoals de discussie over wat apen niet en mensen wel kunnen op taalgebied, blijkt dat ze in dat onderwerp niet voldoende thuis zijn.

Soms ook trekken ze ineens conclusies die ik niet kan volgen, of lijken ze zomaar wat te roepen. Bijvoorbeeld dat ‘muziek neurologisch gezien op taal lijkt’. Wat ze daarmee bedoelen leggen ze niet uit.

Over mensen die wel in staat zijn een gezicht als een gezicht of een auto als een auto te herkennen, maar niet een bepaald gezicht (hun eigen moeder) of een specifieke auto, concluderen ze dat eigennamen voor zulke patiënten een probleem vormen, maar gewone zelfstandige naamwoorden niet. Maken ze daarmee van het herkenningsprobleem een taalprobleem, of is dit een ongelukkig gekozen analogie?

Gelukkig roept het boek verhoudingsgewijs zelden zulke vragen en bedenkingen op. Het bevat een onwaarschijnlijke hoeveelheid materiaal die nu voor iedereen toegankelijk is. Daarvoor verdienen de auteurs een grote schouderklop. Ook voor de uitvoering van het boek heb ik alleen maar lof. De plaatjes zijn simpel en duidelijk.

Zo is er onder meer het slimmigheidje om met behulp van een spiegel telkens zowel de buiten- als de binnenkant van een hersenhelft te laten zien. Aan de noten met literatuurverwijzingen heb je echt iets, en natuurlijk zit er een register in het boek.

Voorproefje

Helemaal geen tijd deze week om de week te becommentariëren. Het manuscript van Hoe mijn vader zijn woorden terugvond moet namelijk af. Bij wijze van voorproefje daarom wat flarden daaruit. Ik denk wel dat ze min of meer voor zichzelf spreken, maar kijk voor wat meer achtergrond vooral ook even op de site van uitgeverij Nieuw Amsterdam (link bij ‘op komst’).

****************

– “Kan ie praten?” vraag ik als blijkt dat hij in elk geval nog leeft.

– “Nee.”

Dreun. “Ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen, maar je vader heeft vanmiddag een herseninfarct gehad,” heeft Treesje, zijn vriendin, me daarnet opmerkelijk kalm verteld. Het is het soort telefoontje waar je stiekem altijd op bedacht bent. Nu vluchten niet meer kan, overvalt me een fatalistische berusting. En tegelijk is alles in mijn hoofd op tilt geslagen, rinkelt iedere alarmbel op zijn hardst. Want niet kunnen praten = afasie. En afasie is het griezeligste, gruwelijkste dat ik me voor kan stellen.

(….)

Ik aai zijn rug, zijn hand, vraag hem me te knijpen. Zijn rechterhand krijgt hij nauwelijks dicht. Hij gebaart naar de linker: ja, het verschil is groot. Intussen maakt hij geen enkel geluid. Niets. Geen kreun, geen mhm, geen huhuh. Wel trekt hij telkens allebei zijn benen onder zich, en gaat dan in zijn vertrouwde kleermakerszit zitten. Zijn rechterbeen lijkt in elk geval niet zwaar aangetast.

(….)

Ja, mijn vader schrijft. Maar wat? Iets dat lijkt op ‘mond’, maar dat bedoelt hij niet. ‘Mono’ verschijnt er daarna op het leitje en ‘momo’. Bedoel je ‘mama’? Nee. Hij blijft het proberen: mamor, mamoek. Licht verbaasd kijkt hij naar wat hij produceert. Het blijft een raadsel wat hij wil zeggen.

(….)

En bovenal heb ik geen flauw benul wat ik moet doen. Wat zeg je tegen een afaticus? Waar begin je als je hem weer wil leren praten? Hoe pak je dat in vredesnaam aan? Machteloos en hulpeloos voel ik me. Ook het internet biedt geen uitkomst. Ik vind alleen algemeenheden en vaagheden. Dat de communicatie met afasiepatiënten moeilijk is, en dat het ook voor de familie altijd een hele schok blijkt. U meent het.

(….)

Ik laat hem woorden nazeggen. Hij luistert, kijkt, spant zich geweldig in, maar bakt er weinig van. Tot hij ineens opgewonden, woest begint te gebaren tussen zijn mond en de mijne. Ik begrijp het. Ik heb toevallig hetzelfde woord twee keer achter elkaar gezegd, en de tweede keer kon hij het ‘meezeggen’. Is dat de truc? We proberen snel of het echt werkt. En ja, ineens gaat het! Het voelt als een doorbraak. Wa-ter, lo-pen, pra-ten, drin-ken, Lies-beth, Trees-je, Marc. Ik spreek heel overdreven en langzaam, en hij klinkt alsof hij doof is, maar alles komt eruit. Hij is waanzinnig blij, ik ook.

(…..)

Dat is waar ik bang voor ben. Dat ie het niet opbrengt. Dat ie het zal laten zitten. Alleen maar gaat zitten wachten tot het ‘weer goed komt’. En het komt zeker niet vanzelf goed. Zijn enige kans is oefenen, oefenen, proberen, proberen, en nog eens en nog eens. Maar zelfs in ‘dankjewel’ nazeggen, gewoon zo’n woord dat handig is om te kunnen inzetten, heeft hij geen zin. Dat je ergens moet beginnen, het lijkt hem niks te zeggen.

(….)

Ik zal vandaag niet rusten tot ik gehoord heb dat het oké is als mijn vader minder bètablokkers gaat slikken. Via de assistente komt aan het eind van de middag het verlossende woord: hij mag de helft (!) van zijn dosering van vier pilletjes laten staan. Natuurlijk doet hij dat diezelfde dinsdag prompt.

Het effect is verbluffend. Een vrolijk lachende vader met weer kleur op zijn wangen doet me open als ik ’s woensdags naar een zonnig Zeeland gereden ben. “Thee?” vraagt hij, en gaat die zetten. Hij voert me mee naar de tuin waar nu grote bakken violen staan. “Koos,” legt hij uit. Zo heet Treesjes tuinman.

(…)

“Uit – mun – tend!” beweert mijn vader de volgende middag aan de telefoon, wanneer ik informeer hoe het vandaag met hem gaat. Er klinkt spot in door. Dat zijn gevoel voor humor het infarct heeft overleefd, is inmiddels wel duidelijk.

(….)

Nog maar net een jaar geleden blijkt er een wet ingegaan te zijn die zich inderdaad niets aantrekt van hoe je eraan toe bent. Zonder aanzien des persoons neemt ie je je recht om te rijden af – iets dat je trouwens zelf moet gaan melden aan het CBR, het rijbewijzenbureau. “On – recht – vaardig!” briest mijn vader als ik het hem vertel.

(….)

Zijn uitdrukkingsmogelijkheden zijn vooralsnog erg basaal, maar hij begint er wel mee naar buiten te treden..Tot mijn verbazing hoor ik dat hij een kort briefje geschreven heeft aan zijn buren in Oegstgeest, om ze te bedanken voor het doorsturen van de post enzo.

(….)

Ik durf niet met zoveel woorden tegen mijn vader te zeggen dat hij echte vooruitgang waarschijnlijk al heel binnenkort wel kan vergeten. Ik kan hem toch zijn motivatie om zijn best te doen niet afpakken?

Mensen kijken

Oliver Sacks: An Anthropologist on Mars 319 blz., geb., geïll., Picador 1995,  f 39,95

Nederlandse vertaling: Een antropoloog op Mars, vert. Han Visserman, Meulenhoff  f 45,-

Temple Grandin heeft in haar slaapkamer een ‘squeeze machine’, een apparaat in de vorm van een soort trog met een zachte, dikke bekleding waar ze dagelijks in gaat liggen. Met behulp van een compressor en een bedieningspaneel kan ze zichzelf harder of zachter, gelijkmatig of pulserend laten ‘knijpen’. “Sommige mensen noemen het mijn knuffelapparaat”, zegt ze.

Grandin is een struise Amerikaanse van ergens in de veertig, een succesvolle zakenvrouw met een bedrijf dat dierenbehuizingen ontwerpt. Ze is ook autistisch.

Vanaf dat ze vijf was en zich bij de omhelzingen van een geliefde maar volumineuze tante overweldigd voelde door een mengeling van genot en panische angst, droomde ze van het toverapparaat waar ze nu ontspanning in vindt.

Het is een aangepaste versie van een kooi waarmee kalveren in bedwang worden gehouden als ze een behandeling moeten ondergaan. Grandin heeft iets met dieren, en vooral met koeien kan ze het ongewoon goed vinden. Ze begrijpt hoe koeien zich voelen, maar van mensen snapt ze, ondanks haar onmiskenbare intelligentie, bitter weinig.

“Ik voel me vaak een antropoloog op Mars”, zegt ze daarover tegen de neuroloog Oliver Sacks, die een weekend met haar doorbrengt en uit die uitspraak de titel voor zijn nieuwste boek haalde.

An Anthropologist on Mars is het laatste hoofdstuk van het gelijknamige boek, dat net als Awakenings en The man who mistook his wife for a hat – Sacks’ succesvolste werken tot dusver  – beschrijvingen bevat van mensen met een uitzonderlijke neurologische afwijking.

Bijzonder is Grandin zeker. Op haar derde kon ze nog absoluut niet praten, maar inmiddels heeft ze geleerd zich te handhaven in het maatschappelijk leven. Haar methode: als een antropoloog eindeloos observeren en de videobanden in haar hoofd van wat ze gezien heeft (zo ervaart ze dat zelf) terugspoelen, en nog eens, en nog eens.

Alleen een sociaal en seksueel leven zit er voor haar niet in. Netzomin als genieten van landschappen of een zonsondergang. Intellectueel begrijpt ze die dingen wel, maar ze voelt ze niet. Grandin mist dus gevoelens die iedereen normaal vindt, maar daar staat bijvoorbeeld een fabelachtig vermogen tegenover om constructies, zoals die dierenbehuizingen, helemaal in haar hoofd uit te denken. In gedachten kan ze ze van alle kanten bekijken, ze draaien, ze van bovenaf ‘zien’, wat ze maar wil. Zo ontwerpt ze. Geen wonder dat ze vindt dat de wereld wel eens wat meer oog zou mogen hebben voor de bijdragen van autisten. Ze verdienen hun eigen plaats, waar ze rustig hun gang zouden moeten kunnen gaan, betoogt ze tegen Sacks.

Bijzonder talent

Grandin is een ‘hoog-functionerende’ autist, maar die hebben heel wat gemeen met de laag-functionerende. Bijvoorbeeld vaak een heel bijzonder talent. Sacks geeft ook een uitvoerige beschrijving van Stephen Wiltshire, een Britse jongen met een verbaal IQ van 52, maar met een bijna ongeloofwaardig vermogen zaken (vooral huizen, gebouwen en straten) na één keertje zien uit zijn hoofd na te tekenen.

Van Wiltshire is een boek met pentekeningen van een aantal Europese steden uitgegeven, waaronder Amsterdam. Een paar jaar geleden was hij te gast in het programma Karel. Een wandelingetje door Utrecht ‘s middags bleek toen voldoende om hem een paar uur later in razend tempo de Dom en nog veel meer, volstrekt herkenbaar en tot in de gekste details kloppend uit zijn hoofd te laten natekenen.

Feilloos is zijn geheugen overigens niet. Sacks laat een paar voorbeelden zien van dingen die niet helemaal juist zijn, en andere die in de loop van de tijd veranderen. Maar Wiltshire houdt altijd de ‘stijl’ vast. Dat kan de stijl van een bepaald huis zijn, maar ook de stijl van iemand anders. Een gezicht van Matisse blijft een typisch Matisse-gezicht, ook al tekent hij het zes keer anders.

Hoe kan dat? Sacks schetst in zijn boek opnieuw met een brede kwast de schrille kleuren en fijne nuances van de wonderen van de menselijke geest.

Wie The man who mistook etc gelezen heeft, zal door dit boek overigens niet erg verrast zijn. Niet alleen worden er in An anthropologist on Mars opnieuw autisten besproken, er zit ook weer een verhaal in over iemand die door een hersenbeschadiging geen nieuwe bewuste herinneringen kan aanmaken (The last hippie, een fan van de popgroep de Grateful Dead, die is blijven steken in 1970), en de beschrijving van een ‘Touretter’, iemand met tics, die dwangmatig bewegingen en geluiden maakt en allerlei dingen roept (vaak taboewoorden).

Dit keer gaat het om een chirurg die tijdens operaties verandert in een volkomen ticloze persoon die zijn eigen gedrag perfect in de hand heeft. Het mooie van die ‘reprises’ is dat ze laten zien dat geen twee gevallen ooit hetzelfde zijn. Minder geslaagd vind ik dat Sacks zich niet lijkt te ontwikkelen. Hij past, onaardig gezegd, hetzelfde trucje keer op keer toe.

Sacks is een meester in het ‘freaks’ een menselijk gezicht geven. Het mededogen, optimisme en enthousiasme waarmee hij zijn patiënten en anderen neerzet, voorkomt een aapjes-kijken-gevoel bij de lezer. Maar hij blijft naar mijn smaak te veel steken in ‘mensen kijken’.

Sacks stelt zich vooral op als een verslaggever, een ooggetuige, en veel minder als een onderzoeker. Voor een neuroloog lijkt hij wel heel weinig geïnteresseerd in neurologie.

Hij zegt zelf altijd een romanticus te zijn, die wil aansluiten bij de traditie van zijn Russische collega Luria, die uitvoerig gevalsbeschrijvingen maakte (bijvoorbeeld van de man met Een teveel aan geheugen), maar sinds Luria hebben we heel wat bijgeleerd over de werking van de hersenen.

Kunst

Sacks mag vooral graag uitweiden over allerlei oude literatuur, en het is natuurlijk lovenswaardig dat hij deels vergeten grootheden uit de mottenballen haalt (ook al kent hij aan alles en iedereen eenzelfde mate van ‘autoriteit’ toe, of het nu gaat om vakgenoten of om Freud of Proust of Augustinus of  Arthur Conan Doyle), maar dat hoeft toch het volgen van nieuwe ontwikkelingen niet in de weg te staan.

Hij zal er ook heus wel kennis van nemen, maar het kan hem kennelijk niet echt boeien. Sacks vertelt bijvoorbeeld dat Grandin in haar pogingen greep te krijgen op wat autisme nu is, zich verdiept heeft in de nieuwste onderzoeken en technieken, en dat ze geconcludeerd heeft dat daar vooralsnog geen eensluidend antwoord uitkomt.

En dat is het dan. Over wat er wél uitkomt geen woord. Wat valt er bijvoorbeeld te zien op pet-scans (afbeeldingen van ‘het brein in werking’) van autisten?

En neem het verhaal over ‘Virgil’, iemand die als klein kind blind was geworden en die door een operatie zijn gezichtsvermogen terugkrijgt, maar helemaal niet blijkt te kunnen ‘zien’. Nergens noemt Sacks het fenomeen van de ‘kritieke periode’ waarin je zenuwstelsel en het bijbehorende gezichtsvermogen zich moeten ontwikkelingen, terwijl er Nobelprijzen zijn verdiend met het onderzoek naar katjes die in de eerste tijd van hun leven geblinddoekt werden en daardoor blind bléven.

Tekenend is in dit verband ook dat de illustraties in het boek vrijwel allemaal kunst betreffen. Naast Wiltshires tekeningen de schilderijen van een schilder die op een kwade dag zijn vermogen kleuren te zien verloor, en doeken van een naar Amerika geëmigreerde Italiaan die in feite nog steeds leeft in het schitterende Toscaanse dorpje van zijn jeugd. (Wat er nu precies mis met hem is, wordt overigens niet duidelijk.)

Maar nergens in het boek staat een plaatje van de hersenen, terwijl Sacks van tijd tot tijd kwistig met frontaalkwabben en occipitaalgebieden rondstrooit. Waar zitten die?

Sowieso wordt er in sommige passages ineens allerlei jargon gebruikt. Dat stoort, en maakte mede dat ik ondanks de vaak meeslepende en verbijsterende verhalen, het boek met een onbevredigd gevoel dichtdeed.

Deze week is het overigens verschenen in een helaas niet al te soepele vertaling van Han Visserman. Van Grandins ‘squeeze machine’ maakt hij bijvoorbeeld een ‘klemtoestel’, en het Engels valt iets te gemakkelijk in de Nederlandse formuleringen terug te lezen.

Serendipiteit is wat alfa’s, gamma’s en bèta’s bindt

De wereld het mooie laten zien, én het belang, van ongezochte vondsten in kunst, cultuur en wetenschap is al tientallen jaren de missie van oogheelkundige Pek van Andel (1944). Hij  zorgde eigenhandig dat het woord ‘serendipiteit’ – de term gaat terug op een oud sprookje – in het woordenboek kwam te staan. Van Andels MRI-scan van een copulerend stel was goed voor een IgNobelprijs. 

Serendipiteit speelt een rol in alle wetenschappen?

Ze zeggen altijd dat alfa’s, bèta’s en gamma’s geen gemeenschappelijk vocabulaire hebben, maar dit is een gelukkig uitzondering. Al zie je het het meest in empirische vakken zoals de biochemie.

Het standaardvoorbeeld is de ontdekking van penicilline door Alexander Fleming. Die zag dat een van zijn kweken met de steenpuistbacterie gedeeltelijk schoon was. Daar zat een schimmel, penicillium notatum. Fleming heeft het zelf nog eens nagespeeld. Die  zwart-wit film is te zien in het museum dat in het St. Mary’s Hospital aan hem gewijd is. Maar hij was wel degelijk op zoek naar een antibioticum. Dus het was pseudo-serendipiteit: een gezochte vondst langs ongezochte weg. 

Wat is wel een goed voorbeeld?

Wel echte serendipiteit is de ontdekking van röntgenstraling. Röntgen vroeg zich af of hij niet hallucineerde. Hij hield een portemonnee onder wat hij zelf x-stralen noemde, en zag toen behalve de munten ineens ook de botjes van zijn duim. Toen heeft hij zijn vrouw gevraagd haar hand te laten vastleggen op de gevoelige plaat. Dat is de beroemde röntgenfoto geworden met alle handbotjes en ook haar trouwring

In het dagelijks leven zijn er ook ongezochte vondsten?

Ik heb al menig haring verdiend door de haringboer te vertellen wat hij nou eigenlijk verkocht. Dat is een rake misser. De maatjesharing moet ontstaan zijn doordat iemand vergat het gelletje, dat is de alvleesklier, bij het kaken eruit te halen. En dat produceert een enzym dat de haring voorverteert, doet ‘rijpen’. Dat maakt hem zo lekker.

En de fiets. Baron Drais had een houten fiets, zonder trappers en ketting. Een loopfiets. Hij merkte  dat je door het stuur in evenwicht kunt komen en blijven, als hij afwisselend zijn linker- en zijn rechtervoet afzette. De clou van de fiets is dat. Rond 1820 is daar veel over geschreven. Het mooie vind ik dat elk kind en elke asielzoeker dat werkingsmechanisme opnieuw moet ontdekken, alleen weten we nu dat het kan.

Kan iedereen leren ongezochte vondsten te doen?

Vroeger dacht ik van niet, en noemde ik het een gave. Maar talent is een beter woord. Dat kun je activeren en ontwikkelen, een zetje de goede kant uit geven. Maar er is meer nodig: ruimte en tijd. Een verrassende waarneming doen is een ding, zo’n bermbloem ook plukken en cultiveren moet kunnen. Ik ijver er allang voor om daar rekening mee te houden. Bijvoorbeeld bij NWO, dat het meeste onderzoeksgeld beheert. Ze doen het wel al een tijd bij het reumafonds: een vast percentage van het onderzoeksgeld gaat naar serendipiteuze zaken.

Vanavond spreekt drs. Pek van Andel over ‘Serendipiteit, de ongezochte vondst’. 20:00 uur. Aula universiteit, Minderbroedersberg 4-6 Maastricht. Toegang: gratis.

NRC Next zette ’s ochtends boven dit interview: ‘Wat delen de haring, de fiets en de penicilline?’

Bevrijd van sprakeloosheid

“Een mevrouw in het Erasmus MC kon de eerste keer dat ik haar zag echt geen woord zeggen. Ze was heel ziek, en ook verlamd aan een kant. Op dat moment was ze niet testbaar. Maar toen ik haar zes weken later weer opzocht, liep ze achter een rollator en was ze weer begonnen te praten.  Een vrouw van in de tachtig, je verwacht dat eigenlijk niet meer.” 

Neuropsychologe Hanane El Hachioui (1982) praat er met warmte over. Ze onderzocht jarenlang mensen die na een beroerte taalproblemen hadden. Dikwijls testte ze ook óf ze die hadden: “Ik heb vaak gehad dat ik tijdens het eerste kennismakingsgesprekje dacht: die heeft volgens mij geen afasie.  Maar dan vielen ze toch door de mand met de test. Dan konden ze dingen niet nazeggen.”

Zo’n duizend testsessies zijn er gedaan, en maar liefst vijfhonderd deed El Hachioui er zelf.

Onlangs promoveerde ze op afasiepatiënten en hun vooruitzichten. Een van de opmerkelijkste resultaten is haar conclusie dat vier op de vijf na een jaar nauwelijks of nog maar weinig taalproblemen heeft. “Logopedisten en ook anderen die hier iets van afweten zijn daar heel verbaasd over, die vinden het heel veel,”  vertelt El Hachioui opgewekt.

Ze heeft ook een verklaring: “Voor mijn onderzoek heb ik direct in de eerste week echt iedereen gescreend. Dus ook de mensen die er niet zo ernstig aan toe waren. Of die heel snel herstelden. Als je er op tijd bij bent, binnen een paar uur, dan kun je bij een infarct nog een stolseloplossend middel geven. Niet iedereen komt in revalidatieklinieken terecht. Ik zocht ze ook thuis op. Het beeld dat logopedisten hebben wordt ook bepaald door met wie zij werken natuurlijk.”

En tot dusver konden logopedisten en klinisch linguïsten hooguit hun ervaring en intuïtie gebruiken om te voorspellen wie weer min of meer probleemloos gaat praten en voor wie dat niet meer weggelegd is.

Ook op dat gebied biedt het proefschrift van El Hachioui nieuwe inzichten en nieuwe mogelijkheden. Met een overzichtelijke test, die je aan het bed kunt uitvoeren, ook als iemand nog maar net in het ziekenhuis is.

De belangrijkste voorspeller voor hoe het verder zal gaan, blijkt te zijn hoe goed iemand met klanken overweg  kan.  De fonologische verwerking. Ze krijgen dan bijvoorbeeld de vraag of ze monopolie kunnen nazeggen. Ze moeten de enthousiaste beroepsgoochelaar voorlezen. En weten of  straat hetzelfde is als staart. En met welke klank boek begint: g, k of b?  Wie dat goed afgaat heeft de beste kansen dat het weer (bijna) in orde komt met de taalproblemen.

Bestond er echt nog niet zoiets? Wel, er was een test in ontwikkeling, die El Hachioui verder ‘gevalideerd’ heeft. Wat houdt dat in? “Nou, je test onder meer de test. Ik had bijvoorbeeld een keer dat de controlegroep, dus de mensen met wie niets aan de hand was, vijf van de zes items fout had.  Dan heb je een onbruikbare opdracht, en moet er een andere komen.  Er zitten meer lastige kanten aan. Zo moet je mensen van alle leeftijden en alle opleidingsniveaus hebben, zodat je uiteindelijk een gemiddelde groep hebt.”

Maar dat is gelukt, en nu is er daarom voortaan ScreeLing (waarin de woorden screening en linguïstiek terug te vinden zijn), een taaltest die door iedereen ingezet kan worden. El Hachioui: “ScreeLing duurt ongeveer een half uur, maar als dat nog te zwaar is voor een patiënt, dan kan het ook in drieën. Bijvoorbeeld ’s ochtends alleen de semantiek, dus de betekenisvragen, ’s middags de fonologie – de vragen op klankniveau, en desnoods de volgende dag pas de zinsbouwvragen.”

Mensen zover krijgen dat ze meededen en daarna ook de vervolgonderzoeken wilden ondergaan, bleek niet moeilijk. “Zelden heb ik van iemand puur ‘nee’ gehoord, en als er patiënten uitvielen was dat vaak omdat ze ziek waren, of inmiddels overleden.” zegt El Hachioui, “Ik herinner me wel nog goed een hele jonge man. Die wilde helemaal niks meer. Dus ook niet meedoen.” Na een beroerte krijgen bovengemiddeld veel mensen een depressie. “Maar gelukkig wordt daar wel op gelet, en is het te behandelen,” vertelt ze.

Wat het werk voor haar proefschrift er niet eenvoudiger op maakte, was dat El Hachioui een breed opgezet onderzoek wilde. Daarbij hoorde ook het testen van andere hersenfuncties, zoals het geheugen. Dus moest ze op zoek naar daarvoor beschikbare taken die niet afhangen van taal. Want daar hebben mensen nou net problemen mee. El Hachioui: ”Vaak hebben ze bovendien verlammingsverschijnselen, en dan kunnen ze ook niet goed tekenen. Veel testjes vragen juist dat. Maar daar mag het dus ook weer niet van afhangen.“

Ook die testbatterij is samengesteld. En daaruit kwam een resultaat waar ze zelf van opkeek: “Bij de metingen na een jaar bleek dat de cognitieve functies nog steeds vooruitgingen. Misschien doen ze dat dus nog wel langer. Dat had ik niet verwacht.” Want op het gebied van de taalproblemen is er op dat moment weinig echte vooruitgang meer te meten. Daar wordt de meeste winst geboekt in de eerste drie maanden.

Ze waarschuwt wel voor de uitkomst ‘niet of nauwelijks meer taalproblemen’: “Zelfs als de afasie niet meer meetbaar is, wil dat niet zeggen dat iemand nergens meer last van heeft. Dat hebben ze dan wel bij bijvoorbeeld een verjaardag met een heel gezelschap, of als ze moe zijn. Dan merk ik het weer, zeggen ze dan.”

Hanane El Hachioui

Hanane El Hachioui (1982) werkte tot deze week een deel van de tijd als onderzoekster aan het Erasmus MC, maar is intussen ook al begonnen als neuropsychologe in het Rijndam revalidatiecentrum in Rotterdam.  

Haar proefschrift heet Aphasia after stroke: the SPEAK study.

———————————————

WAT IS AFASIE?

Afasie: taalproblemen die iemand oploopt door een beschadiging in de hersenen.  Meestal na een beroerte, een CVA,  wat staat voor ‘cerebrovasculair accident’: een ongeluk met de bloedvaten in de hersenen. Die vaten kunnen ofwel verstopt raken (herseninfarct, tachtig procent van de CVA’s) of ze gaan kapot (hersenbloeding, de andere twintig procent).  

In Nederland krijgen elk jaar ongeveer 9600 mensen afasie.  

Uit het onderzoek van Hanane El Hachioui komt dat tachtig procent na een jaar weinig tot bijna geen taalproblemen meer heeft.

 ——————————————–

VOORSPELMODEL 

Voor het onderzoek van Hanane El Hachioui werden afasiepatiënten die voor het eerst een CVA hadden gehad zes maal getest:

  • in de eerste week
  • na twee weken
  • na zes weken
  • na drie maanden
  • na zes maanden
  • na een jaar

Ze kregen verschillende soorten taaltests (betekenis begrijpen, met klanken werken of juist zinsstructuren), maar ook tests voor andere cognitieve functies, zoals het geheugen.

Daarnaast werd de  Barthel Index gebruikt. Dat zijn tien vragen over zaken als eten, traplopen, aankleden, wassen en naar de wc gaan, en of iemand daar hulp bij nodig heeft.  

Doel: erachter komen of en hoe je het uiteindelijke herstel van iemands afasie kunt voorspellen.

Uitkomst:  hoe iemand klanken verwerkt, is de sterkste voorspeller voor de genezingskansen. Dat is al in de eerste week zo. Ook van invloed zijn de score op de Barthel Index, en iemands opleidingsniveau en leeftijd: hoe hoger opgeleid en hoe jonger een patiënt is, des te beter de vooruitzichten. Daarnaast is een hersenbloeding gunstiger dan een herseninfarct. Stop al die elementen in een formule en wat daaruit komt voorspelt voor ongeveer zestig procent hoe het zal gaan.  

Hoofd op hol

Kwam ik maar van Vulcan. Die oortjes hoef ik niet, maar een mindmeld kunnen uitvoeren, wat zou ik daar niet voor over hebben. In een van de Startrekfilms laat Mr. Spock, de oer-Vulcaniër, zijn eigen geest zelfs even samensmelten met die van een walvis. Zijn planeetgenoot Mr. Tuvok, uit de serie Startrek Voyager, heeft inmiddels rondgedwaald in de koppen van zo ongeveer elke soort uit het hele universum.

Zelf zou ik aan mensenhoofden ruimschoots voldoende hebben. En dat verlangen groeit alleen maar, terwijl ik nota bene bijna elke week wel weer wat bijleer over hoe mensenhersenen werken – hersenonderzoek is nou eenmaal erg populair en er komen daarom aldoor persberichten en verslagen langs die erover gaan. Maar naarmate er meer apparaten verzonnen worden waarmee je in levende, reagerende hersenen kunt kijken, en er meer testjes en proeven gedaan worden, word ik almaar ongeduriger.

Want wat zie je nou eigenlijk? Je laat iemand iets doen, of iets zien, of ergens aan denken, en hop, op de plaatjes licht er een stukje hersenschors op, pakweg ergens boven z’n linkeroor, of achter z’n voorhoofd. Of je krijgt een piekje of een dalletje in de golfpatronen waarmee hersenreacties ook al kunnen worden vastgelegd. Je meet bloedstromen, magnetische activiteit, of elektriciteit, de metertjes slaan uit of niet, of een beetje, maar wat wéét je dan?

Niet hoe het is om degene te zijn die je loopt te bestuderen. Van kleins af aan houden ze ons voor dat het goed is om je te verplaatsen in een ander, maar doe het maar eens!

Nou ja, in het dagelijks leven ga ik er voor het gemak maar van uit dat iemand anders wel ongeveer hetzelfde in elkaar zal zitten als ik. En tot op grote hoogte is dat ook zo. Regelmatig sta ik bijvoorbeeld tegenover een persoon die precies even zeker weet als ik wat er toen en toen gebeurd is, of wie waar wat zei, alleen komt die dan wel met totaal andere gebeurtenissen, namen, plaatsen en data aan’

En het vervelende is dat ik me ervan bewust ben dat mijn het-absoluut-honderd-procent-zeker-weten helemaal niks betekent. Ons geheugen is namelijk van nature volstrekt onbetrouwbaar. Zo voelt het niet, en eigenlijk geloof ik het stiekem ook niet, maar de bewijzen zijn helaas overweldigend.

Wie eerlijk is, moet toegeven dat ie het zelf ook wel eens heeft gemerkt. Van die dingen als dat jij zou zweren dat die reis eerst naar Canada ging en daarna pas naar Amerika, of dat Pietje met Marietje en zeker niet met Sofietje op dat feestje kwam aanzeilen. Het staat in je geheugen gegrift, je ziet het nog helemaal voor je. Maar aan de hand van een agenda of foto’s kan keihard vastgesteld worden dat je je echt vergist. Rara.

Dit is wat mij betreft het verontrustendste dat al dat onderzoek naar hoe onze hersens werken tot dusver heeft opgeleverd. Wat wij herinneringen noemen, zijn in feite dikwijls bedenksels die we ook nog zonder het te merken bedacht hebben. De grote breimachine in ons hoofd breit allerlei lapjes en patronen die niet bij elkaar horen toch aan elkaar, laat gaten vallen, haalt gevallen steken op de verkeerde plaats weer op, en staat nooit stil.

Het blijkt zelfs kinderlijk eenvoudig om mensen herinneringen aan te praten. Dat doe je zo. Laat je door een familielid, zonder dat je dat weet, een mengsel van ware en onware verhalen vertellen, en een paar weken later geloof je niet alleen oprecht dat je bijvoorbeeld ooit als kleuter verdwaalde in een groot warenhuis, je hebt er zelfs heuse nare herinneringen aan. En dat blijft zo, ook als ze je daarna vertellen dat je belazerd bent. Doodeng.

Maar hier levert een mindmeld natuurlijk niets op. Want dit voelt bij iedereen hetzelfde: we geloven van ganser harte onze eigen hersens, of ze ons voorliegen of niet. Anders wordt het pas bij hersenen die beschadigd zijn (door een hersenbloeding, of een ongeluk) of die altijd al een afwijking hadden.

Wat je dan allemaal tegenkomt! Een ouderwetse kermisexploitant zou er bij staan te kwijlen, want het is een absolute freakshow. Met een mindmeld-apparaat ernaast zou er goud geld te verdienen vallen voor zo’n ‘komt dat zien’ roepende man. Want wat bijvoorbeeld als je die herinneringen-breiende machine niet meer hebt. Als die stil is gezet?

Dan word je iemand die vastzit in zijn verleden. Er bestaan mensen die al vele tientallen jaren geen nieuwe herinneringen meer kunnen maken omdat hun hippocampus (een hersengebiedje ergens middenin in je hoofd) stuk is. Die zien zichzelf in de spiegel, en elke dag opnieuw schrikken ze zich rot van die ouwe kop. Hun leven tot het moment van die beschadiging herinneren ze zich prima, maar daar houdt het op. Dokters en verplegers – buiten een inrichting wonen zit er dan niet meer in – hebben zichzelf al duizenden keren aan hen voorgesteld, maar het lukt ze niet dat te onthouden.

En toch kunnen zulke patiënten nog bijleren. Als je ze laat oefenen met behendigheidsspelletjes of met ondersteboven de krant lezen, dan worden ze er steengoed in, maar iedere keer dat ze het doen dénken ze dat het voor het eerst is. Leg je ze een aantal malen dezelfde raadselzin voor zoals ‘De noten waren onaangenaam omdat de naad knapte’, dan zullen ze na de eerste keer altijd spontaan meteen de oplossing weten (pas als je aan een doedelzak denkt, wordt die zin begrijpelijk), maar tegelijk houden ze vol er nooit eerder van gehoord te hebben.

Hoe voelt dat? Hoe sta je in de wereld als je dat hebt? Of neem de mensen met blindsight, ‘blindzicht’. Die zweren dat ze geen barst zien, en alles wijst daar ook op, maar vraag je ze te gokken of ze een kruis of een cirkel, of rood of groen zien, dan scoren ze ver boven kansniveau. Dan heb je de ‘gezichtenblinden’: die zijn niet in staat gezichten te onthouden of te herkennen. Kleren gaan wel, baarden en lang haar helpen, en stemmen zijn geen probleem, maar ze lopen letterlijk hun eigen moeder voorbij op straat. Dolgraag zou ik weten wat je in dat geval ziet als je een gezicht ziet.

Ook zou ik, eventjes althans, willen ervaren hoe het is wanneer je geen bewegingen kunt waarnemen. Stilstaande dingen en mensen: geen probleem, maar als iemand zich beweegt, verschijnt en verdwijnt hij aldoor in en uit beeld. Ik kan me domweg niet voorstellen hoe dat is. Smaken voelen (‘de saus is nog niet puntig genoeg’) of kleuren horen (‘die vrouw met die groene stem’) lijkt me ook fantastisch. En heus, het bestaat.

Nog dwazer zijn degenen die aan een kant van hun lichaam verlamd zijn, maar stug volhouden dat er absoluut niets met ze aan de hand is. De ene smoes na de andere verzinnen ze. Ze zitten in een rolstoel, ja, god ach, maar natuurlijk kunnen ze wel lopen. En die lamme arm die daar ligt? Die is helemaal niet van hem, joh, die is van de dokter!

Erg akelig moet het zijn om in je naaste familie alleen nog maar bedriegers te zien. Dat gebeurt als de verbinding verbroken wordt tussen het deel van je hersenen waar je mee kijkt, en het stukje dat alles te maken heeft met honger, angst, lust en andere heftige gevoelens. Je ziet iemand die sprekend lijkt op je vader of je moeder, maar het gevoel dat dat hoort op te roepen is er niet meer. Je hersens concluderen: dit is een bedrieger. Er is zelfs een man bekend die dat van zijn hond dacht. Maar spreekt zo iemand aan de telefoon met diezelfde familie, dan heb je een goede kans dat er niets aan de hand is. De verbinding tussen luisteren en gevoel is in dat geval wel intact.

Het allermoeilijkst na te voelen zijn echte persoonlijkheidsveranderingen. Er zijn hersenbeschadigingen die maken dat je ineens de hele dag alleen maar flauwe grappen maakt. Gaat er een ander stukje kapot, dan snap je juist geen enkele grap meer. Of je gaat je plotseling heel bot en ruw gedragen in de omgang. Of je verliest je bij alles wat je doet in details, omdat je absoluut niet meer in staat bent dingen in hun geheel te overzien. Zelfs schijnt een bepaalde beschadiging ertoe te kunnen leiden dat je ineens vreselijk in God gaat geloven, en voortaan alleen nog bloedserieus, uiterst devoot in het leven staat.

Het zit dus zo. Je kan kijken waar er iets stuk is, of waar de hersens juist actief worden. En zo langzamerhand is ook overduidelijk dat er nooit twee gevallen hetzelfde zijn, en dat de verschillende typen zenuwcellen en de ontelbare boodschapperstoffen cruciale rollen spelen, net als de vraag hoe evolutionair oud en nieuw spul verbonden zijn. Er wordt heftig bijgeleerd. De laatste berichten over de herstelmogelijkheden van ons brein zijn hoopgevender dan ooit. En dat is allemaal uiterst boeiend, maar toch blijf ik in mijn eigen hoofd dikwijls een rariteitenkabinet zien als ik er aan denk. Daarom spijt het me zo dat mindmelds natuurlijk science fiction blijven.

BIJBEHOREND KADER:
Iemand die met grote overtuiging vertelt wat hij gezien of meegemaakt heeft, wordt over het algemeen geloofd. Diegene gelooft het bovendien zelf ook. Maar dat betekent niet dat het werkelijk zo gebeurd is. Ons geheugen gooit dingen namelijk door elkaar, verzint er zaken bij en laat weer andere dingen helemaal weg.

Dat is al talloze malen vastgesteld, maar onze hersens willen het niet weten. Dus wanneer geheugendeskundigen, zoals de Nederlandse professor Willem Wagenaar en de Amerikaanse professor Elizabeth Loftus, bij een rechtszitting verklaren dat we vaak het gezicht van de een aanzien voor dat van een ander, of dat verdrongen herinneringen aan seksueel misbruik evengoed verzonnen of aangepraat kunnen zijn, dan krijgen ze woedende reacties, vol ongeloof.

En zegt iemand dat hij zich iets niet of niet goed herinnert, zoals vorig jaar bij de Bijlmerenquête een paar keer gebeurde, dan laadt hij (of zij) al gauw de verdenking op zich te liegen. Terwijl het heel waarschijnlijk is dat ze gewoon naar waarheid antwoorden, zei de hoogleraar rechtspsychologie Hans Crombag toen prompt. Hij had enig recht van spreken, als degene die een jaar na de Bijlmerramp studenten en collega’s de vraag voorlegde of ze de filmbeelden van de inslag gezien hadden. Liefst 55 procent had ze gezien, en kon ook details geven over de hoek waaronder het vliegtuig neerstortte en over hoe lang het duurde voor de brand uitbrak. Nadat Crombag had onthuld dat die beelden helemaal niet bestaan, vroeg een collega verbaasd: “Weet je dat echt zeker?”.

Er zijn in de wereld veel landen, waaronder de Verenigde Staten, waar je doordat iemand zegt iets gezien te hebben in de dodencel kunt belanden. Zouden we binnenkort eens de grootheid van geest kunnen opbrengen om de waarheid over het menselijk geheugen tot ons door te laten dringen? En zou het dan niet onmiddellijk verboden moeten worden om ooit nog iemand te veroordelen zonder dat er glasharde, onafhankelijke, niet op getuigenverklaringen berustende bewijzen voor zijn misdaad bestaan?

Ritme, rijm en rammanas

Het was geen grap, hij zei het volstrekt ingenu: “O? Oh ja, dat is dat blad dat niks voorstelt.” Geen domme man toch.

En verstandig dus maar dat O de dubbelzinnige slogan ‘het blad dat nergens op lijkt’ voorlopig heeft laten vallen. Want over het algemeen onthouden we wel de boodschap van wat ons meegedeeld wordt, maar de precieze vorm blijft niet bewaard. Bij een misinterpretatie is het daarom ook echt mis. Iets navertellen, betekent reconstrueren op basis van de betekenis: als het goed is heeft u wat hier boven staat best begrepen, maar er is geen sprake van dat u het woordelijk kunt herhalen.

Lastig is dat soms wel. Hoe vaak zegt of hoort u niet zeggen: “God, hoe zeidie dat nou precies? Hij drukte het zo prachtig uit. Het was zoiets als …, maar dat was het niet.”

Wonderlijk hoe het geheugen werkt: je proeft een bepaald woord als het ware, maar het lukt niet die smaak aan een vorm te koppelen. Toch is koppeling het toverwoord als het gaat om herinneren. De dingen die geen link met iets anders hebben zijn het lastigst te onthouden.

Bij de Postbank weten ze dat ook. Daar worden ze tegenwoordig beroerd van de stapels aanvragen voor nieuwe giromaatpassen van stomkoppen zoals ik die hun pincode vergeten zijn. Daarom hebben ze een folder met ezelsbruggetjes gemaakt. Van ganserharte wordt de giromaatpasgebruiker daarin aanbevolen in zijn pincode een datum, jaartal, huisnummer, confectiemaat of iets anders vertrouwds te zien. Lukt dat niet, dan kun je altijd nog proberen er een sommetje van te maken, of geheimtaal: 1 = a, 2 = b etcetera.

Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik dat foldertje voor mijn zomervakantie (net een nieuw pasje gekregen) uitvoerig bestudeerd had. Maar van mijn pincode viel niks te maken.

Twee weken in de zon bleken dan ook ruimschoots voldoende om hem totaal te vergeten. Althans, ik wist nog dat hij met een zes begon, en dat er nog een zes in zat, en een een. Op het postkantoor maakte ik de rij wachtenden achter me gevaarlijk ongeduldig, maar tot een reconstructie waar ook de apparatuur in geloofde is het niet meer gekomen. Machines willen helaas precisie, gelukkig zijn mensen vaak wel bereid te begrijpen wat je bedoelt.

Want ook woorden en uitdrukkingen worden nogal eens half of net verkeerd onthouden. Toch is er dan altijd die link: iets lijkt op een ander woord of een andere uitdrukking. Dat lijken op kan zowel in de vorm (meestal), als in de betekenis en de vorm samen zitten. Het maandblad Onze Taal schijnt overspoeld te worden met door lezers opgevangen malapropismen: “Marokkanen vieren Rammanas” en “De eenden zijn gestorven aan bolsjewisme” zijn typisch voorbeelden van “vormfouten”, bij “Zij willen met een schone lijst beginnen” speelt ook de betekenis mee.

Een heel fraai vorm‑betekenis‑malapropisme bracht de Veronica‑omroepster een tijdje terug: die meldde dat veel patiënten probaat van een behandeling hadden. Over Veronica gesproken: werkelijk gezegd schijnt ook deze te zijn: “Als ik nu maar niet wéér de pinup‑code van mijn giromaatpasje vergeet.”

Van fouten kun je leren. Bijvoorbeeld dat associatie een belangrijke rol speelt bij onthouden. Zij het dat te veel associatie ook weer niet goed is. Over onthouden en vergeten en repoduceren zijn in de loop van de tijd al heel wat aardige experimenten gedaan.

Ik las daar onder meer over in Human Memory, theory and practice van Alan Baddeley, een interessant boek dat dit jaar is uitgekomen (bij Lawrence Erlbaum Associates). Beginpunt voor allerlei onderzoek is de beroemde ‘vergeet‑curve’ van Hermann Ebbinghaus.

Die bestaat al meer dan een eeuw. Ebbinghaus leerde lijstjes van dertien willekeurige lettergrepen uit zijn hoofd. Zodra hij die twee keer achter elkaar goed kon opzeggen liet hij ze rusten. Om vervolgens zijn kennis met verschillende tussenpozen (beginnend bij na twintig minuten en eindigend bij na 31 dagen) te testen.

Altijd was hij een deel vergeten. Hoeveel hing, zoals je kunt verwachten, samen met hoe lang geleden hij de rijtjes uit het hoofd geleerd had. Hoeveel hij nog wél wist berekende hij aan de hand van de tijd die het om kostte om zijn geheugen weer op te frissen.

Het aardige van Ebbinghaus’ onderzoek is dat het laat zien dat kennis in de eerste paar uur dramatisch daalt, maar dat het verschil tussen wat je na 24 uur of na een maand nog weet gering is.

Iets dergelijks schijnt ook het geval te zijn met vreemde talen die we geleerd hebben, maar vervolgens niet meer gebruiken. In de eerste twee jaar zakt er razendsnel zo’n zestig procent van onze woordenkennis weg, maar de dan overgebleven veertig procent herinneren we ons tientallen jaren daarna nog steeds. Naar analogie van permafrost (de eeuwig bevroren stukken grond in arctische gebieden) wordt dat permastore (‘eeuwige opslag’) genoemd.

Of die permastore altijd veertig procent bedraagt waag ik trouwens te betwijfelen. Dat cijfer kwam uit een onderzoek dat over Spaans en Engels ging: beide talen met nogal wat dezelfde (namelijk Latijnse) stammen. Zelfs zonder ooit de andere taal geleerd te hebben moet je dan heel wat woorden kunnen raden volgens mij.

Iets wat absoluut niet lukt tussen pakweg Nederlands en Turks. Zelf heb ik een paar jaar terug een nogal intensieve cursus Turks gedaan. Vergeten sensatie uit mijn schooljaren: die eerste paar honderd woorden van al die vreemde talen die ik moest leren.

Niet te doen! Je kon wel aan de gang blijven, ze wilden er gewoonweg niet in. De rijtjes Turks maakten me in eerste instantie net zo wanhopig. Alleen wist ik inmiddels dat het op den duur toch wel zou lukken. Bekende truc: opschrijven. En nog eens opschrijven, die rare woorden. Dat helpt om je een beeld te vormen, en beelden helpen.

Dat is met experimentjes ook aangetoond: als je mensen expliciet de opdracht geeft zich bij een rijtje woorden een duidelijke voorstelling te maken (bijvoorbeeld bij ‘recht’ een blinddoek, bij ‘kracht’ een sterke man, etcetera), dan zijn ze beter in staat dat rijtje te reproduceren dan wanneer ze geen koppeling met een bepaald beeld hebben gemaakt.

Iemand die daar ijzersterk en onnavolgbaar in was, is beroemd geworden door de Russiche neuroloog Lurija: S., de man met Een teveel aan geheugen. Een Nederlandse vertaling van Lurija’s beschrijving van dit ‘neuropsychologische geval’ verscheen pas dit jaar (bij Bert Bakker).

Een verbijsterend boekje om te lezen. S. was in staat om willekeurig welke reeksen getallen of woorden dan ook te onthouden. En niet even, maar ook twintig jaar lang (Lurija volgde hem dertig jaar). S. vertelde ook hoe hij dat deed. Reeksen lettergrepen, of een tekst in een vreemde taal riepen in hem een overweldigende rij beelden en andere associaties op. Met die beelden en associaties zette hij als het ware een ‘weg’ in zijn geheugen uit, die hij dan later weer kon ‘bewandelen’: van beeld naar beeld.

Niet te begrijpen voor een gewoon mens, maar uiterst intrigerend. Te benijden was S. trouwens niet: alle woorden, ook als hij ze helemaal niet hoefde te onthouden, wierpen direct grote hoeveelheden beelden en andere sensaties op, waardoor hun betekenis vaak bedolven werd. Niet onbegrijpelijk dat iemand die alles direct vóór zich zag, de grootste moeite had om het overdrachtelijk gebruik van woorden te snappen.

Normale mensen kunnen in mindere mate ook last hebben van interferentie: dat het een het ander in de weg zit in je hoofd. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer je mensen een rijtje adjectieven uit hun hoofd laat leren, en je geeft ze daarna nóg een rijtje, vol met synoniemen van de woorden uit de eerste reeks. Die eerste reeks goed oplepelen gaat iemand in dat geval veel slechter af dan wanneer je hem in de tussentijd niets laat doen, of een rijtje onzinlettergrepen laat leren.

Twee dingen zijn natuurlijk sinds mensenheugenis dé grote hulpen bij uitstek als het gaat om het letterlijk reproduceren van teksten: ritme en rijm. En met ‘rijm’ bedoel ik dan ook maar even dingen als stafrijm (beter bekend onder de naam allitteratie) en klinkerrijm (assonantie). Homerus staat er al vol mee.

Hoewel letterlijke letterlijkheid toch echt een probleem voor het menselijk brein blijft: dertig jaar geleden werden de traditionele ‘bards’ in Joegoslavië onderzocht, directe afstammelingen van de Homerische traditie. Ze waren ervan overtuigd dat ze hun verhalende gedichten woordelijk van buiten kenden. En toch bleken ze in de praktijk telkens kleine variaties aan te brengen, die weliswaar vorm en inhoud niet werkelijk aantastten, maar die toch bewezen dat ze hun verhaal telkens opnieuw construeerden.

Alleen met kleine stukjes gaat het goed. Ritme en rijm sámen blijven het beste hangen. Kleine kinderen weten dat ook al: die zijn dol op rijmpjes die zich in een lekker dreinend ritme laten opzeggen (“Líesbeth Kóenen hóudt van zóenen” was qua ritme én rijm perfect).

Daarnaast vind je in onze cultuur eigenlijk alleen nog in de reclame overblijfselen van de orale traditie. “Met melk meer mans” is een prachtcombinatie van staf‑ en klinkerrijm, “Chief Whip op ieders lip” brengt klinker‑ en gewoon rijm samen. De voorbeelden liggen voor het oprapen.

Wedden dat u zich nog steeds kunt herinneren “Bij wie ook weer?”. Het zijn dikwijls de verschrikkelijkste kreten, maar ze zitten geramd in ons geheugen. Woordspelingen in reclames zijn gevaarlijker, maar daar had ik het straks al over gehad.

‘Ik heb nog nooit zo lekker gevloekt als sinds ik er lezingen over geef’

Het begon tijdens een vakantie. Het was niet dat hij met een hamer op zijn duim sloeg bij het haringen de grond in timmeren. Nee, taalkundige Norbert Corver las een boek van neuro-onderzoeker Antonio Damasio toen hij zich begon af te vragen hoe wij vloeken. “Damasio schrijft over het op elkaar inwerken van emoties en de hogere denkfuncties,” zegt hij. “Een gangbare opvatting onder taalonderzoekers is dat taal het middel is om onze gedachten mee uit te drukken. Maar hoe zit het met het uitdrukken van emoties? Daar was weinig van bekend. In elk geval bij mij.”

“Nou is mijn achtergrond ontleden. Het was wel gauw duidelijk dat er niet zoiets bestaat als een ‘frustratieachtervoegsel’. En ook betekent boos zijn niet dat je de werkwoordverplaatsing maar laat zitten. Toch vroeg ik me af of voor vloeken dezelfde grammatica opgaat als bij ‘Jan slaat Piet’ en ‘Jan eet een appel’. Ik vergelijk het een beetje met gezichtsuitdrukkingen. De psycholoog Paul Ekman werd beroemd met zijn onderzoek daarnaar. De spieren in ons gezicht kunnen we ook gebruiken voor de expressie van gevoelens, en voor een groot deel doet iedereen dat op dezelfde manier: walging, vreugde, verbazing. Het is dus een bepaalde universele vertaalslag van een interne toestand. Vloeken is ook de vertaling van een toestand binnenin. Hoe werkt dat? Maakt dat ook gebruik van een systeem dat we al hebben? Van onze gewone grammatica?”

Verdoeme

Corver ging die vraag te lijf met het woord ‘godverdomme’ als zijn ingang. Waarom? Corver: “Het is een van de meest gebruikte vloeken. En het wordt als een eenheid gevoeld, maar je weet dat het historisch gezien wel een zin was. Welke zin precies, daar zijn ze trouwens nog niet uit. Of het ‘God verdoem mij’ was, of alleen ‘God verdoeme’, dus zonder wie of wat erbij, maar dat het eenzelfde werkwoordsvorm is als ‘men neme’. Vergelijk het maar met het Engels: daar hebben ze ook goddamm-it naast alleen goddamn. Maar dat er structuur in zat is  duidelijk.”

“Wat je ermee uitdrukt kan wel nogal verschillen. Het is niet maar één emotie. ‘Godverdomme’ zeg je bij boosheid, verbazing, frustratie en zelfs bij plezier. Al moet ik daar wel bij opmerken dat niet iedereen het positief kan gebruiken, dat is maar voor een deel van de Nederlanders het geval, maar voor mij is ‘Godverdomme, wat een lekker pilsje’ prima.”

Dat laatste punt is ten dele cultureel bepaald. Corver, aan wie je goed kunt horen dat hij in Brabant opgroeide, heeft een katholieke achtergrond. Onder protestanten rust er veel meer een taboe op ‘Gods naam ijdel gebruiken’. “Maar ik moet wel zeggen,” lacht Corver, ‘dat ik nog nooit zo lekker gevloekt heb als sinds ik lezingen geef over dit onderwerp.”

Pijn

Iedereen kent vloeken, het is deel van je taalkennis. En vloeken is typisch menselijk. Hoewel? Is dat wel zo? Is het niet net zoiets als kreten van pijn bijvoorbeeld? Die hebben dieren ook.  En vloeken werkt werkelijk pijnstillend, dat is op hersenscans te zien. Corver: “Daar moet nog meer van uitgezocht worden. Je komt ook aanwijzingen tegen dat de rechter hersenhelft bij vloeken een belangrijke rol speelt. We weten dat je links nodig hebt voor de structuurkant, voor het bouwen en ontrafelen van stukjes taal. Maar de rechterkant heeft ook taalfuncties, bijvoorbeeld beeldspraak begrijpen gebeurt rechts.”

Corver beperkte zich tot de grammaticakant: “Er speelt nog iets grammaticaals hier. Is ‘godverdomme’ iets dat als een geheel in je hoofd zit? Daar is discussie over. Sommigen denken dat het inmiddels als een woord, één brok opgeslagen zit, ook al heeft het die historie met ‘verdoem’. Maar ook kan het zijn dat er toch nog een regelsysteem aan het werk is.”

Hoe kun je dat onderzoeken? Corver: “Ik ben naar zoveel mogelijk taalonderdelen gaan kijken. En er is zeker grammatica aan het werk.  Om te beginnen kun je stukjes weglaten. Je hebt naast godverdomme ook godver, verdomme en goddomme. Die kunnen allemaal zelfstandig voorkomen. Maar je kunt de onderdeeltjes ook door andere elementen vervangen. Je kunt er pot- of snotverdomme van maken. En ‘domme’ kun je vervangen door ‘dikkie’, ‘dorie’, ‘shit’, ‘kut’ en nog meer. Dus dan krijg je van potverdikkie en godverdorie tot snotverkut. En dat gaat niet alleen op bij godverdomme. Ook bij een vloek als ‘non de ju’, die vooral beneden de rivieren populair is, kun je dingen vervangen: non de pie, non de sakker, non de knetter, non de kanon. Non de ju of dju komt overigens van het Franse nom de dieu, naam van god.  Maar dat weten de gebruikers meestal niet.”

TWEE koNIJnen AAN het SPIT

Corver keek ook naar klemtoon. De samengestelde vloeken blijken meer het patroon van een woordgroep dan van een woord te volgen — in losse woorden leg je de klemtoon soms anders dan in stukjes zin.  “Je kunt dat ook prachtig zien als je er rijmpjes van maakt. Dan krijg je bijvoorbeeld: GODver GLOEIende NON de SHIT, TWEE koNIJnen AAN het SPIT. ”

En het feit dat je een vloek steeds kunt uitbreiden maakt het helemaal echte taal.  “Als je begint met ‘Jan en Piet’ kun je er aldoor meer bij zetten: ‘ Jan en Piet en Klaas’, en dan weer ‘Jan en Piet en Klaas en Henk’. In principe kun je daar eeuwig mee doorgaan. Dat is de recursiviteit in taal. Met die vloeken geldt het ook: je kunt door blijven bouwen met de losse onderdelen, die ik de ‘vloekatomen’ noem. En je kunt de een voor de ander vervangen. Die bouwprincipes zie je bijvoorbeeld aan het werk in een mooie lange vloek als godversakkerdenondeju.”

Het is, concludeert Corver, een creatief proces. Creatief in de zin van alle taal: dat je steeds weer nieuwe dingen kunt maken. Kortom,  ‘godverdomme’ heeft gewoon grammatica. En het emotionele, het gevoelsmatige wordt versterkt door herhalingen en verdubbelingen.

Corver: “Godverdegodverdegodver bijvoorbeeld doet denken aan andere herhalingen, zoals in sapperdeflap van Pipo de clown vroeger, en hieperdepiep, en het plopperdeplop van kabouter Plop. Die kunnen allemaal ook nog langer worden: hieperdepieperdepieperdepiep. Dat herhalen en uitbreiden verhoogt de emotionele zeggingskracht.” Godsgloeiendegod! Zo is het maar net.

CV’tje

Norbert Corver (1963) is hoogleraar Nederlandse taalkunde en verbonden aan de opleiding Nederlands van de Universiteit Utrecht. Zinsbouw is zijn specialiteit, en hoe structuur te verbinden valt met de gevoelskant van taal intrigeert hem.  Eerder deed hij onder meer onderzoek naar tussenwerpsels (dingen als oei, tja, nounou, kut)  en naar de woorden  ‘heel/hele’ en ‘erg(e)’, die als versterkers werken. Zijn artikel over Nederlands vloeken heet ‘Recursing in Dutch’ en is verschenen in het tijdschrift Natural Language & Linguistic Theory.

Iemand vergeven met wie je een band hebt, is lastiger dan je denkt

Je ex vergeven valt vaak aan te bevelen, volgens sociaal psycholoog Esther Kluwer (1968). Ze is senior docent en onderzoeker bij Sociale en Organisatiepsychologie aan de Universiteit Utrecht.

 

Wat gebeurt er als je een ander iets vergeeft?

Dat heeft een positief effect op je eigen welbevinden. We zetten het in ons onderzoek onder meer tegenover wraak. De bredere achtergrond is het grote belang van hechte relaties. Daarvoor doen we over het algemeen enorm ons best. Het blijkt ook echt slecht voor je te zijn als je ze niet hebt.

Is dat niet  een beetje een open deur?

Waar ik toch telkens van opkijk, is de heftigheid van de gevolgen en van de gevoelens. Intieme relaties hebben ook allerlei lichamelijke effecten, bijvoorbeeld voor je hart en  je bloedvaten. Patiënten die leden aan hartfalen zijn in een Amerikaans onderzoek vier jaar gevolgd. Van degenen met een gelukkig huwelijk leefde daarna nog driekwart, tegenover maar de helft van de patiënten met een ongelukkig huwelijk.  

Word je buitengesloten, zelfs bij een simpel spelletje bal overgooien, dan reageren dezelfde hersengebieden als bij fysieke pijn. Analyses van al die schietpartijen op scholen laten zien dat het in grote meerderheid gaat om daders die werden buitengesloten en gepest, en die meestal daarbovenop net een acute afwijzing hebben gehad.

Wie vergeven we wel en niet?

Hoe sterker de band die je met iemand hebt, des te meer ben je geneigd diegene te vergeven. Dat lijkt logisch, maar dat is het misschien toch niet: als nou je partner of een kennis je verjaardag vergeet, van wie vind je dat het ergst? Vergeef je iemand met wie je een sterke band hebt niet, dan verlaagt dat je welzijn. Een niet-vergeven kwestie blijft storen.

Vaak ook bij exen. Veel ex-partners hebben samen kinderen, en dan kun je je afvragen: is je ex wel je ex? Want je blijft elkaar op de ouderavonden en verjaardagen tegenkomen. Mensen met veel wraakgevoelens tegenover hun ex rapporteren zelf dat het met hun kinderen niet zo goed gaat. Dus ook voor de kinderen is vergeven goed. 

Begrijpelijk, maar doe het maar eens.

Nou, je kunt het wel bevorderen. Vergeving blijkt omhoog te gaan als je mensen laat nadenken over wat de kwetsuur ze heeft opgeleverd. Benefit finding heet dat. Dus hoe erg de breuk ook was, het heeft je misschien nieuwe contacten gebracht, of sterker gemaakt, enzovoort.

De aandacht op die manier verleggen, bevordert de vergevingsgezindheid. In de crisisfase wordt dat nog niks, maar in de transitiefase en de herstelfase die daarna komen, kun je beginnen met je perspectief een beetje aan te passen. Dat is nodig. Je moet enig begrip hebben voor hoe de ander het ziet om te kunnen vergeven. Het is jammer dat relatietherapie nog steeds zo’n taboe is, bij mannen nog meer dan bij vrouwen. Het helpt namelijk heel goed, maar natuurlijk niet als partners niet of pas veel te laat komen.

Woensdag 11 april spreekt dr. Esther Kluwer over ‘(On)bestendige relaties’. 13.00 uur.Boothzaal, Universiteitsbibliotheek, Heidelberglaan 3, Uithof Utrecht. Toegang en broodjes gratis.

‘Doe het dan maar voor de kinderen: je ex vergeven’ kopte NRC Next ’s ochtends.

 

Trauma’s, verdringing, hechting — allemaal geërfd van Freud

Freud werd deze maand bij het overlijden van psychoanalyticus Louis Tas overal ongeveer doodverklaard. Ten onrechte, vindt de socioloog Paul Schnabel. De Weense psychiater was zeer bepalend voor de blik die we tegenwoordig op onszelf hebben. Schnabel (1948) is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en Universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Freud is niet dood?

In Nederland lijkt hij misschien bijna dood, maar in Latijns-Amerika kun je zo’n beetje op elke straathoek in psychoanalyse. Ook in Frankrijk is de psychoanalyse nog altijd heel populair. Bij ons is de Angelsaksische invloed erg groot geworden: de cognitieve en gedragstherapeutische benaderingen. Maar ook toen het nog vergoed werd, waren er hier nooit meer dan zo’n honderd mensen in psychoanalyse. Het vereist veel tijd en uithoudingsvermogen. Vijf tot acht jaar ben je vier, vijf keer per week bezig. Lang terug heb ik het zelf gedaan. Daar heb ik veel aan gehad.

Er is toch geen wetenschappelijk bewijs voor Freuds aanpak?

Maar hij heeft het denken van mensen over zichzelf helemaal veranderd. Het idee van het onbewuste komt van hem, wat een soort gelaagdheid in het beleven geeft. Dat liefhebben en haten dicht bij elkaar liggen, dat je geen baas bent over je innerlijk leven. Hij wees als eerste op de invloed van je jeugd, dat je trauma’s kunt oplopen, op de rol van seksualiteit. Dat heeft Freud naar boven gehaald, hij heeft onze manier van kijken geseksualiseerd. En dat in het Wenen van 1900. Geen wonder dat zijn vrouw het maar niks vond.

Hij begon overigens als puur empirische wetenschapper, met het onder de microscoop leggen van hersenpreparaten. De tegenwoordige wetenschappelijke vereisten van hypothesen die weerlegd moeten kunnen worden, de Popperiaanse aanpak, bestond nog niet.  Hij heeft echt lang gezocht naar een behandelingsmethode, en jarenlang heel hard, zonder erkenning in stilte gewerkt. Eerst probeerde hij het met hypnose, wat niet goed werkte. Daarna werd hij de eerste die luisteren naar wat de mensen vertelden serieus nam. Al was hij wel een absolutistisch denker. 

Nog meer dat niet meer weg te denken valt?

Afweermechanismen en verdringing zijn Freudiaanse termen. En sublimatie – het omzetten van lagere driften, zoals seksualiteit, in ander gedrag, bijvoorbeeld heel hard werken. Je hebt het begrip overdracht: dat in nieuwe relaties conflicten uit je leven als het ware herleven. Door Freud nemen we nu algemeen aan dat in dromen verlangens en angsten  tot uitdrukking kunnen komen. En de hechtingstheorie: dat kinderen zich veilig moeten kunnen hechten aan hun verzorgers. De theorievorming in de kinderpsychiatrie steunt nog sterk op Freud. 

En de Freudiaanse verspreking?

(Lachend:) Die bestaat. Van de week noemde staatssecretaris Paul de Krom de ‘Wet werken naar vermogen’ die hij wil invoeren, tegen mij de ‘Wet werken aan vermogen’. Voor een VVD’er een klassieke wens! En we danken er Wim Koks ‘exhibitionistische zelfverrijking’ aan. Hij bedoelde waarschijnlijk iets als ‘exorbitant’, maar gaf onbewust ook het vertoon dat erbij komt kijken een naam. 

Vanavond spreekt prof. dr. Paul Schnabel over ‘Sigmund Freud’. 20.00 uur. Aula van het Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht. Toegang: gratis.

Alle kinderen zijn talenwonders

Talenwonders kennen tientallen talen. En elke volgende gaat makkelijker, zeggen ze. Waarin hem die talenknobbel zit of waaruit die bestaat, is niet echt duidelijk. Er is in de hele wereld maar één geval bekend van iemand die een heel laag IQ heeft, maar een enorm talent voor talen, de Britse Christopher Taylor. Zijn jas dichtknopen gaat hem boven de pet, maar hij kan even gemakkelijk met Grieks en Turks overweg als met Hindi en Nederlands. Hij heeft al veel met taalkundigen samengewerkt, maar dat heeft nog geen geheel nieuw licht op de zaak geworpen.

Wel is glashelder dat er aanzienlijke verschillen in taaltalent zijn tussen kinderen en volwassenen. Kinderen zuigen talen nog op als een spons. Met twee, drie, zelfs vier tegelijk. Dat feit begint een beetje door te dringen. Het aantal kinderen onder de twaalf dat les krijgt in een vreemde taal, groeit zowel in Nederland als in Vlaanderen. Bij de Duitstalige gemeenschap in België krijgen zelfs driejarigen al les in een tweede taal.

Maar pas op. Een taal goed leren doen kinderen pas als ze hem vaak genoeg horen en kunnen gebruiken, én als ze er de zin van inzien. Motivatie is een van de voorwaarden voor succes. Daarvoor kan dan weer belangrijk zijn in hoeverre een taal in aanzien staat in de omgeving van een kind.

Zitten die talen elkaar niet in de weg dan? Heel veel ouders zijn daar bang voor, maar dat is nergens voor nodig. Eigenlijk zijn alle kinderen talenwonders. Misschien duurt het ietsje langer, en het lijkt soms een poosje of een kind dingen door elkaar haalt, maar dat gaat allemaal vanzelf over.

Tegelijk is ook duidelijk dat het geen zin heeft kinderen een meertalige opvoeding te geven als je er daarna weer mee ophoudt. Ze hebben dan wel een sponsbrein voor talen, maar even snel druipt zo’n taal er weer uit weg als hij niet vaak genoeg meer langskomt. Ze kunnen na een paar maanden al alles kwijt zijn.

Voor volwassenen ligt het anders. Dat sponsvermogen neemt langzaam af met de jaren. Begin je op je zevende met een nieuwe taal dan leer je hem al niet meer zo perfect en tot in alle finesses als gebeurt wanneer je er van de wieg af mee opgroeit. Vanaf zo ongeveer je zeventiende ben je in dit opzicht volwassen. Dat wil zeggen dat je veroordeeld bent tot stampwerk, wil je een nieuwe taal goed leren. Accentloos wordt het dan bijna nooit meer. Maar wat je je eigen maakt, blijft meestal wel bewaard, al is van tijd tot tijd oppoetsen en de roest wegborstelen aan te bevelen.

Tweetaligheid is niet per definitie een blijvende toestand. Emigranten die helemaal overstappen naar de taal van het nieuwe land, raken soms hun moedertaal langzaam maar zeker weer kwijt. Dan lijkt hoe ze praten deels op kindertaal: ze zeggen weer dingen als ‘slaapte’ voor sliep en ‘vraagde’ voor vroeg. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Oorsuizen ontstaat meer in de hersenen dan in de oren

Twee miljoen Nederlanders hebben het: een voortdurende piep, een brom, of gesuis in hun oren of hun hoofd. Tinnitus. Kris Boyen (1986) onderzocht de hersenen van tinnituspatiënten. Ze is audiologisch wetenschapper en werkt inmiddels als postdoc op de KNO-afdeling van het Universitair Medisch Centrum Groningen.

Wat is tinnitus precies?

Oorsuizen is de bekendste naam. Je hoort continu geluid, zonder dat er geluid van buitenaf is. Je hoort het alleen zelf en je kunt het niet afzetten.  Als het langer duurt dan vijf minuten heet het al tinnitus, en heb je het dag in dag uit dan is het chronische tinnitus. Het levert bijvoorbeeld problemen op met in slaap vallen, of een boek lezen. Een kerstfeestje of verjaardagsvisite wordt met angst tegemoet gezien. In vier op de tien gevallen gaat ernstige tinnitus ook nog samen met overgevoeligheid voor geluid, hyperacusis.

Het komt heel veel voor, maar de meesten kunnen het goed aan. Naar schatting 40.000 Nederlanders hebben er heel veel last van. Die kunnen depressief worden, hun werk kwijtraken. Er zijn zelfs gevallen bekend van mensen die een einde aan hun leven hebben gemaakt, omdat ze het niet meer verdroegen.   

Hoe komt het?

Door te veel hard geluid, maar ook stress en emotie lijken een rol te spelen. Het is nog niet duidelijk. Je treft het bijvoorbeeld bij mensen uit de industrie, en ik ken ook een dirigent. Voor mijn promotieonderzoek heb ik hersenscans van slechthorende patiënten met tinnitus vergeleken met scans van andere slechthorenden. Tinnitus gaat bijna altijd samen met gehoorverlies.

Geluid gaat eerst naar de hersenstam, om dan via de thalamus de auditieve hersenschors te bereiken, waar het geïnterpreteerd wordt. De thalamus is een knooppunt voor alle typen informatie die binnenkomt. Bij de hersenstam is er geen verschil te zien tussen de onderzochte groepen, maar bij de tinnituspatiënten is de samenwerking van de hersenstam met de hersenschors minder sterk. Dus we denken dat er iets mis is met de thalamus die daartussen zit.

We hebben daarnaast naar de grijze massa gekeken, waar ook informatie verwerkt wordt, en ook daar zijn er verschillen. We weten alleen niet wat door wat komt. 

Maar het zit dus niet in de oren?

Nee, heel lang is gedacht dat het de beschadiging van de trilhaartjes in je slakkenhuis was. Maar het doorknippen van de connectie tussen dat slakkenhuis en de hersenschors bleek niet te helpen. Soms werd de tinnitus zelfs harder. 

Is er iets aan te doen?

Nog niet. We zijn ook pas net aan het ontdekken hoe het komt. Misschien dat we net als bij Parkinsonpatiënten ooit iets kunnen met elektrodes diep in de hersenen. Nu moeten mensen het doen met trucjes als zeegeluiden afspelen bij het inslapen.

Je kunt wel proberen het te voorkomen. Niet naar die grote feesten gaan bijvoorbeeld, of in elk geval niet bij de boxen staan. Ik waarschuw mijn jongere broers. Die MP3-spelers zijn ook echt gevaarlijk. 

Woensdag 17 april spreekt dr. Kris Boyen over ‘Hersenonderzoek bij tinnitus’. 19.30 uur Wijkzorgcentrum Greunshiem, Tjotterstraat 16 Leeuwarden. Toegang: gratis. Ringleiding, schrijftolk en tolk gebarentaal aanwezig.

De ongezochte vondst

Serendipiteit is wel eens omschreven als het zoeken naar een naald in een hooiberg en eruit rollen met een boerenmeid. In Groningen staan vanaf maandag dertig ‘per ongelukjes’ uitgestald.

Vóór het moment dat we elkaar volgens de afspraak zullen zien heeft hij al vijf keer opgebeld. Om nog even iets te zeggen, om nog snel een anekdote te vertellen of een citaat voor te lezen. Pek van Andel (43) heeft een troetelzonde: de ongezochte vondst in wetenschap, techniek en kunst.

Voor zover hij zelf kan nagaan bezit hij de grootste collectie van dergelijke vondsten ter wereld: ruim duizend stuks. Al bijna allemaal op alfabet zitten ze in dozen en kasten (“kitsch en kunst, parels en keien door elkaar” zegt hij) en Van Andel kan zich niets mooiers wensen dan eens door een sponsor vrijgesteld te worden om zijn verzameling tot een boek om te vormen. “Ik moet er na al die jaren eens vanaf”, vindt hij.

Of dat laatste hem zal lukken valt overigens te betwijfelen. In bijna alles ziet hij de een of andere vorm van serendipiteit, het woord dat hij in Nederland geïntroduceerd heeft (tot in de Van Dale aan toe) voor ‘de kunst een ongezochte vondst te doen’. In huize Van Andel heet het in de wandeling S en ook zijn kinderen (vijf en acht) kunnen keurig uitleggen wat het betekent.

Feitelijk is serendipiteit de vertaling van het Engelse begrip serendipity dat weer is afgeleid van een oude oosterse vertelling: het verhaal van de drie prinsen van Serendip (een vroegere benaming voor Ceylon). Zoals dat gaat in sprookjes trekken die prinsen de wijde wereld in.

Onderweg zorgen hun open oog en oor en hun slimme redeneringen ervoor dat ze de ene ongezochte ‘vondst’ na de andere doen: een halfblinde kameel is hen voorgegaan (het gras is maar aan een kant van de weg begraasd), het lam dat ze eten is door een teef gevoed  (het smaakt zo zout) en de wijn komt van op een kerkhof gerijpte druiven (ze worden bij de eerste slok al melancholiek), zijn zo een paar van hun conclusies.

Toevalstreffers

Met die prinselijke avonturen zitten we meteen in het hart van de betekenis van serendipiteit volgens Van Andel: de kunst iets ongezochts te vinden is ten eerste afhankelijk van het vermogen  iets onverwachts of vreemds op te merken (slechts één begraasde berm, te zout lamsvlees), en ten tweede van de slimheid of de creativiteit om dat onverwachte te gebruiken en te plaatsen in een context. 

Aan die gave dankt de wereld zulke uiteenlopende zaken als de telefoon, penicilline, Picasso’s blauwe periode en kennis over de territoriumdrift van stekelbaarsjes.

Al die vondsten zijn terug te vinden op de tentoonstelling over serendipiteit die aanstaande maandag in het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen geopend wordt ter gelegenheid van het 375-jarig bestaan van de universiteit. Uit Van Andels collectie worden dertig voorbeelden getoond die hij samen met de Groningse kunstenaar Bert Andreae uitzocht. Andreae maakte bij alle verhalen naar eigen inzicht een illustratie, van simpele afbeeldingen van het verhaalde tot ingenieuze puzzels met luikjes en dingen waar de bezoeker aan mag zitten. Het resultaat is gevarieerd en aantrekkelijk.

Maar is Van Andels verzameling nu ook meer dan een lange lijst anekdotes over toevalstreffers? “Ja”, zegt hij met klem. Het woord ‘toeval’ wil hij overigens maar liever buiten de definitie van serendipiteit houden.  “Per ongelukjes”, of eigenlijk natuurlijk “per gelukjes” bevallen hem als term beter.

Want: “Zuiver toeval bestaat niet. ‘Op het gebied van de waarneming helpt het toeval alleen voorbereide geesten’ zei Pasteur. Dat is niet voor niets het meest geciteerde citaat uit de geneeskunde.’”

De rol van serendipiteit in de wetenschap moet niet overschat worden, vindt hij. Het speelt een bijrol, maar soms wel een van doorslaggevende betekenis. Toch zullen niet veel onderzoekers dat willen toegeven.

Van Andel: “De cultuur is anders. In onderzoeksverslagen en wetenschappelijke artikelen wordt nooit een beschrijving gegeven van hoe alles werkelijk verlopen is. Men geeft een hypothese, vertelt over de proef en de uitkomst, maar zelden wordt vermeld hoe men op het idee gekomen is. Al die logische, rationele verhalen zijn funest voor jonge onderzoekers: die denken dat het écht zo gaat, terwijl het hooguit ten dele waar is.”

Geniale blunder

“In de werkelijkheid”, vervolgt Van Andel, “gaan geniale hypotheses dikwijls samen met geniale blunders. Maar er bestaat een grote gêne om dat toe te geven.”

De ‘geniale blunder’ is maar een van de ongeveer twintig patronen die van Andel in de loop der jaren is gaan zien in “het serendipiteitsbos”, zoals hij het zelf noemt. Een voorbeeld: de zoektocht van William Perkings naar synthetische kinine in de vorige eeuw leverde geen kinine, maar wel de eerste kunstmatige kleurstof (prachtig purper) op, en daarmee de geboorte van de organische chemie waaraan we onder andere de aspirine danken.

Ook een voorspellende droom schijnt nogal eens voor te komen, en een onderbreking van het werk kan wonderen verrichten: terug van vakantie vond Fleming een kweek met een stafylokokkenkolonie  die duidelijk in ontbinding was geraakt na besmetting met een schimmel. Zonder enige twijfel was hij niet de eerste bacterioloog die iets dergelijks zag: het was zijn serendipiteit, zijn gave iets met deze ongeplande waarneming te doen, die uiteindelijk leidde tot de uitvinding van penicilline.

Illustratief voor het effect van een werkonderbreking is ook het verhaal van Han van Meegeren die al jaren op zoek was naar een verfsoort die niet in alcohol oplost. Dit alles om de critici die geen oog voor zijn talent hebben een hak te zetten. Dat hem dat uiteindelijk lukt (met de Emmausgangers bijvoorbeeld) is te wijten aan een lekke band die hij onderweg naar de bakker krijgt: van ellende gaat hij de kroeg in. 

Tot zijn stomme verbazing blijken bij thuiskomst de geverfde paneeltjes die hij in de oven gelegd had niet zwartgeblakerd te zijn, maar netjes wit gebleven. De verf lost niet meer op in alcohol: tot dusver had hij zijn panelen altijd te vroeg uit de oven gehaald.

Zelfs de eerste bevruchting onder de microscoop schijnt geboren te zijn uit een werkonderbreking: iemand liet de proef aan het eind van de dag staan, en de volgende morgen bleek dat zaad- en eicel gewoon meer tijd nodig hadden om elkaar te vinden dan verwacht.

Dit verhaal echter, zegt Van Andel haastig, moet nog geverifieerd. Het kan best apokrief zijn, net als dat van Newton die een appel zag vallen en de zwaartekracht ‘uitvond’, en dat van Galilei die kijkend naar een schommelende kroonluchter in de kerk bedacht dat je slingers voor klokken zou kunnen gebruiken.

Galilei is, met een waarschuwing niet alles te geloven, wel terug te vinden op de tentoonstelling. Van Andels verzameling is niet puristisch en bevat voorbeelden van serendiptiteit uit alle ‘levensgebieden’: sprookjes (die vertellen van de uitvinding van geroosterd vlees, van koffie en thee), wetenschap, techniek, kunst, en het dagelijks leven (de ontdekking van de ijsco).

Want aprokrief of niet, volgens van Andel kunnen ze allemaal een functie vervullen: mensen overtuigen dat ze achter een fascinatie aan moeten gaan, dat ze zich moeten laten afleiden door iets merkwaardigs in plaats van ervoor weg te lopen. Ook al komen er bij gratie van de gedachte dat wetenschap stuurbaar zou zijn, steeds meer bureauheersers.

Geautomatiseerde hersens

Op mijn wasmachine zit een knopje ‘handwas’. Klinkt als een ingebakken tegenstrijdigheid, maar sinds ik dat apparaat heb, zie ik voor het eerst regelmatig de bodem van mijn wasmand. Mijn gasfornuis kan ook de afwas doen (heus), en schenkt mij daardoor dagelijks een leeg aanrecht. Mijn tandenborstel is elektrisch, mijn radio zoekt zelf de zenders op, mijn vriezer is mijn voorraadkast, mijn koffie wordt gezet door een machine, sneetjes brood krijgen met mijn rooster vanzelf iedere gewenste bruinte, en mijn slagroomkloppertje heeft het allang afgelegd tegen een mixer.

Toen ik op mijn negentiende het huis uit ging, had ik niet één van die dingen. Mijn huishouden is steeds verder geautomatiseerd geraakt, en niemand die er iets bijzonders in ziet. Ook zelf ben ik meestal razendsnel over de eerste kick heen bij weer een nieuw apparaat, ondanks dat ik nota bene nog levendige herinneringen heb aan de gevaarlijk stomende zinken wasketel waarin mijn moeder de zware lakens met een wit-uitgeslagen houten tang heen en weer roerde, aan het groene ‘oog’ waaraan je kon zien hoe de radio langzaam opwarmde, aan het voorzichtig ‘opschenken’ van de koffie, aan hoge stapels toast die afgekrabd moest worden omdat ie weer eens te laat met de hand was omgekeerd, en aan de hele middagen en lamme armen die het maken van een eenvoudige cake kostte. Allemaal vervlogen inspanningen, je vraagt je af waar we in vredesnaam alle veroverde tijdwinst gelaten hebben.

Maar ik heb nóg een staaltje automatisering in huis, dat ook een hoop tijd en ergernis kan schelen, en waaraan het een stuk lastiger wennen is. Het gaat dan ook om de automatisering van mijn hersens, en die zijn traag in snappen dat ze geautomatiseerd kunnen worden. Maar dat is precies wat je met het internet kan doen.

Hoe? Simpel voorbeeld. Ik zit naar een film te kijken, met een acteur die ik absoluut vaker gezien heb, maar waar ook weer, als wie of wat ook weer? Vroeger bleef ik me dat een filmlang afvragen, iets dat vreselijk afleidt. Nu wip ik even naar mijn computer, tik de filmnaam in de zoekmachine, plus de naam die de acteur in die film heeft. Et voilá, daar is zijn echte naam. Nog heel even verder zoeken en ik heb alle films waarin ie nog meer heeft gespeeld, ik zie foto’s, enfin, binnen de kortste keren weet ik waar ik hem van kende.

Dat dat kan, vind ik revolutionair. Kijk, het internet als bron van kennis die je nog niet had (en als handige corrector) is al zo fantastisch, maar dat je kennis die je wel hebt maar onmogelijk meer op kunt diepen tóch terug kunt halen, is een soort wonder.

Ik heb dat nu al heel wat keren beleefd, en de voldoening is groot, maar ik ben ook nog aan het leren hoe de knoppen van dit magische apparaat het handigst te bedienen zijn. Welke zoektermen gebruik je waarvoor? Wat werkt, wat niet?

Wat ik intussen graag zou willen weten: dat dit kan, wat zegt dat eigenlijk over kennis, en over onze hersenen?

Romeinse stamtafel

Tegen het verval van de retorica, door Tacitus, vertaling Vincent Hunink, met een inleiding van Piet Gerbrandy, Groningen, Historische Uitgeverij 2003, 115 blz.; gebonden

Een hekel aan geraniums, door Bas van Kerkhof, Uitgegeven door de Afasie Vereniging Nederland (www.afasie.nl), 32 blz.

 

Je reinste borrelpraat. Als we Tacitus mogen geloven waren de oude Romeinen daar zeer bedreven in. In zijn net door Vincent Hunink vertaalde Dialogus de oratoribus (letterlijk: ‘Dialoog over de redenaars’) voert de beroemde geschiedschrijver een clubje hooggeplaatste en geletterde heren op dat klaagt dat het een aard heeft.

Waarover? Nou, over dat het vroeger beter was, natuurlijk. Toen konden politici nog echt een debat voeren, en advocaten een pleidooi houden. Tegenwoordig is het allemaal show, toneelspel, en wil iedereen snel scoren. Bovendien maken openbare sprekers taalfouten. En dan de jeugd. Geen wonder dat alles hard achteruit holt met die opvoeding van tegenwoordig, en dat onderwijs. Ouders kan het niks schelen dat hun kinderen zich lamlendig gedragen, en alleen geïnteresseerd zijn in vermaak, in acteurs en paardenraces. Er wordt niet meer ingegrepen als kinderen een grote mond hebben. En de leraren? Die weten zelf nergens iets van. Lezen, geschiedenis, concrete feitenkennis, nergens wordt in het onderwijs genoeg aandacht aan besteed.

Het heeft iets zeer vermakelijks om zulke door-en-door vertrouwde geluiden op te vangen uit een ver verleden. Tacitus’ tekst is bijna tweeduizend jaar oud, en de menselijke soort is sindsdien kennelijk niet meer veranderd, ook al denkt we zo vaak juist van wel. Je kunt je afvragen waar ons gesomber over het verval der zeden toch vandaan komt. Dat het niet terecht is, wisten sommigen in Tacitus’ tijd ook al. Hij laat een van deelnemers aan het gesprek zeggen: “Maar helaas denken de mensen altijd het slechte, waardoor ze het oude ophemelen en het heden minachten.” Het is dezelfde spreker die ook bekent soms zijn lachen niet te kunnen houden als hij die veelgeprezen ‘ouden’ leest, en bij anderen moeite heeft niet in slaap te vallen. Vroeger staat ook voor saai en ouderwets, en dat is evengoed ‘van alle tijden’.

De context waarin het herengesprek plaatsvindt, wordt uitvoerig uitgelegd in het voorwoord van classicus Piet Gerbrandy bij de heel leesbare vertaling, die als titel Tegen het verval van de retorica heeft meegekregen. Het is ongeveer net zo lang als de tekst van Tacitus zelf, en helpt je, samen met de lange namenlijst met uitleg achterin, om de mensen, gewoonten en gebeurtenissen die langskomen te plaatsen. Het kost dus allemaal een beetje meer inspanning dan een willekeurige vertaling lezen van een hedendaagse schrijver, maar alleen al de uiterst aantrekkelijke uitvoering van het boekje maakt veel goed.

Bovendien bevat de dialoog meer universele thema’s dan geweeklaag over tempo doeloe. Zoals aan elke stamtafel zijn er allerlei ‘onderstromen’ die meelopen met de gesprekken. Bij Tacitus gaat het ook over de voor- en nadelen van een democratie of een dictatuur, over de gevaren die openbare sprekers lopen, over welk klimaat goed is voor het debat, en over de kansen op een kalm leven en roem voor dichters en debaters. Een mooie, eloquente uitwisseling, alles bij elkaar.

Groter tegenstelling met een ander, flinterdun boekje dat ik ook voor deze aflevering ‘Over Boeken’ las, is bijna niet denkbaar. Voor de journalist Bas van Kerkhof is gewoon meedoen aan dialogen en debatten onmogelijk sinds hij op zijn 46ste een zwaar herseninfarct kreeg. “Het duurde een seconde en toen was er geen woord meer uit te krijgen”, schrijft hij in aan het begin van Een hekel aan geraniums, en: “Mijn spraakcentrum is weg, de taal is weg, de stijl is vernietigd. Dit is mijn verhaal.”

Zijn verhaal is kort (zo’n 1700 woorden, terwijl hij er in vroeger jaren alleen al voor Panorama “wel 80.000 of 100.000” geschreven heeft) maar zeer krachtig. En hartverscheurend. Afasie (de verzamelnaam voor alle taalproblemen na een hersenbeschadiging) pakt bij iedereen anders uit, maar Van Kerkhof krijgt het wel heel zwaar te verduren. Het duurt drie volle maanden voordat hij in staat is een enkel woord te zeggen (het werd ‘tafel’), en in de afgelopen vijf jaar heeft hij er telkens weer een woord hier of daar bij veroverd. Letterlijk zwetend op de eenvoudigste klankaaneenschakelingen. Het is ‘kerk’, niet ‘kruk’, niet ‘krek’. De volzinnen die hij vroeger schreef, koestert hij. Ze zijn er nog, ze staan op papier, kunnen bewaard worden voor zijn kinderen, maar hij zal ze zo nooit meer kunnen maken.

Zonder taal voelt Van Kerkhof zich verschrikkelijk naakt, alsof hij niet bestaat. Na een aantal maanden valt hij in een diepe, diepe depressie. Maar hij houdt niet van geraniums, en krabbelt er weer uit. Het boekje is een langgerekte dappere wanhoopskreet, die je als lezer een heel klein beetje na laat voelen hoe het moet zijn om opgesloten te zitten in je hoofd. Geen uitgang te vinden. Van Kerkhof heeft met onnoemelijk hard werken nu weer een paar minipaadjes naar buiten geforceerd. Iets dat nooit gelukt was zonder de steun van zijn vrouw en zijn logopediste. Zij redden zijn leven, schrijft hij zelfs. Aangrijpend leesvoer voor familie en behandelaars van afasiepatiënten.

Wie een tweede taal laat leert vertoont tweetalige hersenen

Als je twee talen vloeiend spreekt, hebben die dan elk hun eigen plek in je hoofd? Onderzoek van Joy Hirsch en een aantal andere neurowetenschappers in New York, dat deze week gepubliceerd is in Nature, lijkt het begin van een antwoord op die vraag te geven: het ligt eraan wanneer je die tweede taal geleerd hebt. Wie tweetalig opgevoed wordt, houdt daar deels een andere ‘organisatie’ van de hersenschors aan over dan degenen die als ‘vroeg-volwassene’ een nieuwe taal leren.

Uit de klinische literatuur waren wel gevallen bekend van mensen die na een hersenbeschadiging hun moedertaal niet meer spraken en overschakelden op een tweede taal, of die na een operatie problemen kregen met een of meer van de talen die ze kenden. Elektrische stimulatie van de hersenschors (vaak door neurochirurgen gebruikt om te bepalen waar er vooral níet gesneden mag worden) liet ook iets soortgelijks zien: daarmee blijk je soms een van de talen die iemand spreekt te kunnen ‘uitschakelen’.

Over hoe en waar taal in de hersenen zit, is nog veel onduidelijk, maar de onderzoekers hebben zich beperkt tot de twee gebieden in de linker hersenhelft waarvan al sinds de vorige eeuw vaststaat dat ze belangrijk zijn voor taal: het gebied van Broca (in de voorhoofdskwab) en dat van Wernicke (wat verder naar achteren, in de slaapkwab).

Zes ‘vroeg-tweetaligen’ en zes ‘laat-tweetaligen’ moesten in stilte in beide talen een gebeurtenis beschrijven. Tijdens die opdrachten werden met behulp van magnetische velden afbeeldingen, zogeheten fMRI-scans, gemaakt.

Bij iedereen lichtte zowel het gebied van Broca als dat van Wernicke telkens op, maar de bij de laat-tweetaligen was er in het gebied van Broca een duidelijke anatomische scheiding te zien tussen de twee talen. Tussen de eerste en de tweede taal werd bij alle zes een afstand gemeten, variërend van 4,5 tot 9 millimeter. Bij de vroeg-tweetaligen was die afstand er niet, en het gebied van Wernicke liet bij beide groepen nauwelijks of geen verschil tussen de talen zien.

Resultaten die vooral nieuwe vragen oproepen. Bijvoorbeeld: wat gebeurt er precies in ‘Broca’, en wat in ‘Wernicke’? Wat zegt dit over de ‘kritieke periode’ voor taal, ons tot in de puberteit aldoor afnemende vermogen een taal tot in de puntjes te leren beheersen? Hoe zit het met mensen die meer dan twee talen goed beheersen? Kun je ook zes gescheiden gebiedjes hebben? En hoe goed moet je kennis van een taal zijn voordat je een duidelijk afgebakend stukje hersenschors hebt ontwikkeld?

Natuurlijk is taal aangeboren!

Klets zoveel je wil tegen je konijn en je kat, spreek de tuinkikker en de huismuis dagelijks toe, hou nooit je mond tegen je hond, het maakt niet uit: ze gaan nooit terugpraten. Maar de eerste de beste baby komt na ongeveer een jaar geheid met een eerste woordje – en dan twee, drie, honderd. Dat gebeurt zelfs als je totaal niet reageert op de geluiden die uit het kindermondje komen. In culturen waar iedereen vindt dat een baby nog niks kan zeggen en dat je dus ook niks tégen de baby hoeft te zeggen, leren kinderen even goed hun moedertaal als elders.

De manier waarop dat gaat, is ook overal ongeveer hetzelfde. De fases in ultrakort bestek zijn: eerst gebrabbel, dan de eerste losse woordjes (die, bal), dan gaan peuters twee woorden combineren (sok uit, poes stout), daarna drie (papa boekje lezen), en dan kan niemand het meer bijhouden. Alle kinderen, in alle talen, maken als ze ongeveer drie zijn een woordexplosie door. Allemaal denken ze ook tot hun vijfde of zelfs zesde dat ‘de man wordt door de hond gebeten’ hetzelfde betekent als ‘man bijt hond’. Taal groeit volgens zijn eigen regels en in zijn eigen tempo. Het ene kind gaat wat sneller dan het andere, maar als ze er nog niet aan toe zijn kun je proberen ze te iets te leren zoveel je wil, een kleintje aapt je dan hooguit braaf na, zonder begrip. Fameus is deze dialoog tussen moeder en kind:

Kind: mag ik de bord? Moeder: het bord. Kind: mag ik de bord? Moeder: nee, je zegt het bord. Kind: mag ik de bord? Moeder: het bord. Kind: het bord, mag ik nou de bord?

Het is een kwestie van moeder natuur haar werk laten doen.

Hoe sterk het aangeboren taalvermogen is, zie je heel goed aan degenen die niet kunnen horen wat anderen zeggen. Overal ter wereld zijn onder doven gebarentalen ontstaan, die los staan van de gesproken talen in de buurt. Het zijn gewone, complete talen, waarin je moppen kunt tappen, over verleden jaar kunt filosoferen of een sprookje vertellen. Ze ontstaan ook nog steeds, en het blijken dan de kinderen te zijn die uit de contacttaal waarmee het begint een echte complete taal weten te smeden.

Naar alle waarschijnlijkheid hebben kinderen op ongeveer dezelfde manier ook de hand gehad in het ontstaan van talen zoals het Sranantongo en het Papiaments. Er zijn veel van die zogeheten creolentalen, met een bittere ontstaansgeschiedenis. De slavenhandel dwong mensen met uiteenlopende moedertalen bij elkaar. Dan ontstonden er contacttalen, met beperkte mogelijkheden. Het waren de volgende generaties die er veel meer van maakten. Kinderen pikken taalelementen op en kunnen die dan op andere manieren gaan gebruiken, zodat er een taal ontstaat met een volwaardige grammatica en woordenschat.

Dat valt allemaal toch echt alleen te verklaren als taal aangeboren is. 

(Maar lees ook ‘Natuurlijk is taal aangeleerd’: http://www.liesbethkoenen.nl/archief/natuurlijk-is-taal-aangeleerd/)

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Dyslectici minder goed in het verwerken van snelbewegende beelden

Het begon net te lukken: de woorden ‘leesblindheid’ en ‘woordblindheid’ worden steeds vaker vervangen door de term ‘dyslexie’ (Grieks voor ‘niet kunnen lezen’).

Daar werd ook op aangedrongen, omdat nog nooit iemand had kunnen aantonen dat er iets mis was met het gezichtsvermogen van de vijf à tien procent van de bevolking die ondanks een normale intelligentie en ontwikkeling toch problemen hebben met (leren) lezen.

Dat is nu wél, althans een klein beetje, gebeurd. In Nature van 4 juli wordt een neurologisch onderzoek beschreven van G. F. Eden en vijf co-auteurs dat aangeeft dat dyslectici minder goed zijn dan anderen in het verwerken van snelbewegende beelden, dat wil zeggen: van willekeurig wisselende puntjespatronen op een scherm. ‘Blind’ blijft weliswaar een veel te sterk woord (in het dagelijks leven merkt niemand er iets van), maar er lijkt bij dyslectici wel degelijk een kleine afwijking te bestaan in hun visuele systeem.

Zes dyslectische mannen werden vergeleken met acht probleemloze lezers, die in alle andere opzichten (IQ, leeftijd, sociaal-economische klasse) vergelijkbaar waren met de dyslectici.

Het onderzoek bouwde voort op een aantal dingen die al bekend waren. Zo zijn er veel meer dyslectische mannen dan vrouwen, en is er meestal een aantoonbaar probleem met het decoderen van klanken. Dyslectici hebben bijvoorbeeld van kleins af aan meer tijd nodig om te bepalen of twee klanken rijmen, en ook degenen die in de loop van hun leven heel behoorlijk hebben leren lezen, blijven haperen als ze een nieuw (onzin)woord moeten voorlezen. Bij dergelijke taken blijkt een kleiner deel van de taalgebieden in de linker hersenhelft actief dan bij niet-dyslectici.

Daarnaast was ook bekend dat beweging in een bepaald gebiedje (V5 genoemd) in het achterhoofd verwerkt wordt. Is je V5 kapot, dan kun je geen beweging waarnemen, en verdwijnt iemand die (bewegend) met je staat te praten aldoor ‘uit beeld’.

Met behulp van een zogeheten fMRI-scan, een relatief eenvoudige en goedkope methode om een goed beeld van activiteit in de hersenen vast te leggen, is bij de zes dyslectische mannen uit het onderzoek vastgesteld dat hun V5-gebiedje bij het zien van bewegende puntjes veel minder actief was dan dat van de controlegroep. Ook op de weg naar V5 toe zijn er afwijkingen te zien.

Wat betekent dit nu? Hoe hangen al die dingen samen? Dat is niet zomaar duidelijk. Chris en Utah Frith van het Instituut voor Neurologie in Londen suggereren in een ander artikel in dezelfde aflevering van Nature dat tijd, of beter nog timing,  misschien het cruciale punt is. Zowel het snel decoderen van klanken als het decoderen van snelle bewegingen lukt dyslectici niet zo goed als niet-dyslectici.

Misschien ook, stellen ze, levert dit onderzoek ooit de mogelijkheid al heel vroeg vast te stellen dat iemand leesproblemen zal krijgen, omdat het hersengebiedje in kwestie al volgroeit is bij de geboorte. Je zou zelfs bij een baby al op een scan kunnen zien of de activiteit in en naar V5 afwijkt.

Maar voordat daar iets definitiefs over te zeggen valt, zal er nog veel meer onderzoek (bijvoorbeeld ook bij vrouwen en kinderen) gedaan moeten worden.

Heimelijke toorn

Gek is dat. Vroeger waren cryptogrammen moeilijk. Toen ik jong was werd er met eerbied gesproken over een buurman die ze oploste: zo iemand hoorde tot een speciale, extreem intelligente mensensoort. Tegenwoordig zitten er in de lulligste radioprogramma’s telefoonspelletjes waarbij de luisteraars een prijs kunnen verdienen met de goede oplossing van een cryptogram.

Ook in televisiequizzes zie ik ze voorbij komen, en echt, al die kandidaten zijn er vaak verdomd knap in. Niet alleen in cryptogrammen trouwens. Het valt me al een tijdje op dat ik nauwelijks de televisie meer kan aanzetten of er is het een of andere taalspelletje bezig. Lingo, Boggle, Scrabble, Rad van Fortuin, De Puzzelkampioen, Jackpot, Tien voor Taal, echt alle gezindten (hoe heette die quiz van de EO nou ook alweer, ze waren nota bene een van de eersten) doen eraan mee. Je moet je soms – ok, net iets te vaak – door een verschrikkelijke spelleider heenbijten, maar dat is de moeite waard, want al die spelletjes samen zijn bijzonder inzichtgevend.

Op de televisie loopt namelijk volgens mij een groot, lang psycholinguistisch experiment over woorden. En de kijkers thuis vormen daarbij een soort controlegroep: omdat zij mee moeten kunnen doen, moeten de spelletjes gebruik maken van een type kennis dat we allemaal gemeen hebben.

En met woordkennis is dat het geval. We kennen natuurlijk niet allemaal dezelfde woorden, maar we delen wel de manier waarop ze in ons geheugen zitten. In die taalspelletjes wordt voortdurend het bewijs geleverd dat de structuur van ons mentale woordenboek stukken praktischer is dan die van gewone dictionaires in boekvorm.

Die zijn alleen met behulp van een nogal onnatuurlijk criterium te raadplegen: het alfabet. Terwijl wij in ons hoofd op alle mogelijke manieren kunnen zoeken. Op categorie, op klank, op betekenis, op pure vorm, op associatie. We hebben een netwerk waar voorlopig geen computerjongen of -meisje van durft te dromen.

De programmabedenkers zullen het niet zo in de gaten hebben, maar dat netwerk met al zijn toegangen is hun basismateriaal. En het aardige is dat ze, in hun verlangen de kijkers steeds weer iets nieuws te bieden, voor het oog van de wereld de grenzen en mogelijkheden van dat woordenweb aan het aftasten zijn.

Zelfs zijn ze in staat er nieuwe draadjes bij te spinnen, of bestaande connecties te verstevigen. Want de bouwprincipes voor ons mentale woordenboek mogen dan voor iedereen gelijk zijn, het bouwen zelf gaat als het goed is een leven lang door, en er zijn verschillende onderdelen die je speciaal kunt trainen.

Door puzzelen bijvoorbeeld. Een tijdverdrijf waarbij het al gauw om gecompliceerde zoekactiviteiten gaat. Wie regelmatig alleen maar een eenvoudige kruiswoordpuzzel invult, raakt al getraind in het zoeken op betekenissen en categorieën, gecombineerd met het zoeken op vorm en klank.

En dat alles met fabelachtige snelheid. Als ik u de betekenisomschrijving tijdsaanduiding geef, u vertel dat het een woord van drie letters moet zijn, waarvan de derde een u is, dan weet u zelfs zonder zo’n overzichtelijk kruiswoorddiagrammetje onmiddellijk dat de oplossing uur is. Alle kans dat u het een flauwe, doodgemakkelijke opgave vindt. Toch heeft u uit misschien wel honderdduizend woorden (de O-lezer is niet van de straat) op basis van een paar aanwijzingen zonder merkbare moeite het goede gevonden.

Behalve met eenvoudige synoniemen (woord van zes letters voor maar is echter, gaan is lopen, kamer is vertrek etcetera) wordt er in puzzels veel met categorieën (of hyperoniemen) gewerkt: opgaven als vogel of beroep. Het aantal mogelijke goede antwoorden is dan heel groot, maar toch zijn we ook in dat geval in staat snel de weg te vinden, dikwijls met behulp van een paar al bekende letters en omdat we weten hoe lang het gezochte woord is.

Blijkbaar is al die kennis op de een of andere manier beschikbaar. Woorden zitten dus in groepjes in ons hoofd: groepjes planten, dieren, maar ook categorieën als “dingen die je kunt lezen”, “manieren waarop je je kunt voortbewegen”, “zoete eetwaren”, “kunstvormen”, bij elk van die omschrijvingen kan iedereen spontaan een rijtje woorden opzeggen.

Dat mag banaal klinken, maar het is werkelijk een grote prestatie, zeker als je ook nog bedenkt dat zo’n categorie vrijwel altijd een subcategorie van weer een of meer andere categorieën is, en tegelijkertijd zelf vaak ook weer een of meer subcategorieën bevat. Een manier om je voort te bewegen is bijvoorbeeld “rijden”, en daarbinnen vallen weer “autorijden”, “paardrijden”, “fietsen”. En ook die zijn weer op te splitsen: een vorm van fietsen is “wielrennen”. En om het helemaal ingewikkeld te maken zitten nogal wat woorden in verschillende (sub)categorieën: wielrennen bijvoorbeeld hoort zowel bij “rijden” als bij “sporten”.

En toch kan een minimale aanwijzing al genoeg zijn om precies bij de goede knoop in het woordenweb terecht te komen. Een bijzonder sterk geval zag ik een tijdje terug in Hans van der Togts Rad van Fortuin. De opgave was beroep. Een kandidaat zag alleen maar t….-……t… en riep onmiddellijk uit: treinconducteur.

Knap werk al hielp dat streepje een beetje mee, en had de meneer het geluk dat de eerste letter bekend was. Proefjes in het laboratorium hebben namelijk duidelijk gemaakt dat zodra we de beginklank van een woord horen, alle woorden die met die klank beginnen eventjes “geactiveerd” worden. Iemand hoort een “k”, en prompt wordt elk woord dat met een k begint een flits van een seconde wakker gemaakt, klaar gezet. Naarmate een woord verder uitgesproken wordt (het gaat echt om miliseconden), vallen er kandidaten af: bij “kap” zijn “kantoor” en “karren” alweer afgevallen, maar “kapitaal” en “kapitein” staan nog klaar.

En het gaat werkelijk om de beginklank. Daar kom je bijvoorbeeld achter door proefpersonen een plaatje te laten zien, en ze dan te vragen dat plaatje zo snel mogelijk te benoemen. Toon je een tafel, en laat je ze tegelijkertijd het woord “takel” horen dan zeggen ze sneller “tafel” dan wanneer je ze het woord “wafel” laat horen, dat toch ook erg op “tafel” lijkt. Enfin, wie wel eens een puzzel invult weet dat het hebben van de beginletter het halve werk is.

Het spelletje Lingo maakt gebruik van dat activeringsprincipe. Wie daar aan meedoet krijgt maar weinig aanwijzingen. Er moet zomaar in het wilde weg geraden worden naar een woord van vijf letters waarvan in eerste instantie alleen de eerste gegeven wordt.

Dus je ziet bijvoorbeeld alleen “s”, en dan zeg je “strak” of “sterk” of “sloop”. Stel dat het goede antwoord “stier” is en je hebt “sterk” gezegd, dan wordt aangegeven welke letters goed zijn en op de goede plaats staan (de “s” en de “t” in dit geval) en welke letters wel in het gezochte woord voorkomen, maar ergens anders thuishoren (hier: de “r” en de “e”). Het tempo waarin spelers het goede woord te pakken krijgen is vaak fenomenaal. En alleen maar met de vorm als “ingang”.

Echt iets nieuws op taalspelletjesgebied zit in Jackpot. Daar wordt “geassocieerd”. En ook dat doen we blijkbaar op dezelfde manier. Bij de woorden “rood”, “vuur” en “ladder”, denken de meeste mensen aan brandweer, en bij “bedekking”, “huis”, “rood” aan dakpan.

Dit spelletje laat pas goed zien hoe ingenieus verknoopt dat woordennetwerk in elkaar zit. Spelers krijgen maximaal acht “associaties” om bij het goede woord te komen. En drie blijkt vaak al genoeg te zijn. “Gras, “glad”, “gif” leidt tot adder, “lotus”, “vuurwerk”, “eten” tot Chinees. En dat is voor iedereen te volgen. Eigenschappen (“rood”), uitdrukkingen (bij blaar bijvoorbeeld “billen”), synoniemen (bij adder “slang”): de associaties lopen langs vele wegen.

Ook cryptogrammen moeten vaak aan de hand van associaties opgelost worden. Maar het leuke van cryptogrammen is dat je ook nieuwe verbanden moet leggen. Verbindingen in het web die er nog niet waren. Het cryptogram is in zekere zin inderdaad het ultieme en ook lastigste taalspelletje.

Zo’n beetje alle organisatieprincipes van het mentale woordenboek kunnen een rol spelen, maar je weet bij een opgave niet van tevoren welke van die principes je nodig hebt. Goede antwoorden kunnen bereikt worden via categorieën of synoniemen (een hele mooie vind ik altijd de oplossing gier voor “vogelmest”, waar “vogel” een categorie is en “mest” een synoniem van de omschrijving), via uitdrukkingen of andere betekenisassociaties (tuinen is het antwoord op “erin lopen is het werk van hoveniers”) en ook via de vorm die daarvoor vaak losgemaakt wordt van de betekenis.

Net als bij kruiswoordpuzzels kom je daarbij soms oude bekenden tegen. Nogal wat woorden eindigen in het Nederlands op “teren” of “eren”. In de opgaven van Jan Meulendijks zie je daarom vaak de omschrijving “zwart maken” (verteren is “niet hier zwart maken”) of “prijzen” (“artikelen juist prijzen” is goederen). Het feit dat aan een vorm meer betekenissen kunnen vastzitten is ook heel bruikbaar. Een “gezonder beroep” is bijvoorbeeld fitter, en “opnieuw op de been” weerstaan.

Wie niet ziet hoe cryptogrammen “werken”, maar dat toch wil weten, moet beslist het boekje Cryptogrammatica van puzzelwoordenboekenmaker Dr. Verschuyl (in het dagelijks leven professor Verkuyl geheten) lezen. Daarin worden alle typen opgaven en antwoorden op een rijtje gezet. En weten hoe het werkt, helpt echt.

Mijn ervaring is dat je kunt leren cryptogrammen op te lossen, en te zien aan al die televisiespelletjes waar ze tegenwoordig in zitten weet de halve Nederlandse bevolking inmiddels ook hoe het moet. Zouden we toch slimmer worden van televisie?

NOOT 1: De ingenieuze kop bij dit stuk (een cryptogram van cryptogram) is bedacht door de onvolprezen David van ’t Reve, de enige redacteur die ik ooit meemaakte die letterlijk voor een te veranderen komma nog even overlegde met de auteur.

NOOT 2: Ik stuurde dit artikel in voor de prijsvraag ‘Wat je altijd hebt willen schrijven, maar nooit mocht’, die was uitgeschreven door de Vereniging van Wetenschapsjournalisten in Nederland (VWN). Het kreeg de tweede prijs.

Kleuren horen

Kan een kanarie geel zijn? Het is bijna een mop, zoiets als ‘Is de paus katholiek?’

Maar wat nou als je het antwoord op die vraag echt schuldig moet blijven? Niet omdat je geen kleuren kunt zien, want dat kun je prima. Houden ze je een tomaat voor dan zeg je meteen: die is rood. Maar het uit je hoofd zeggen, dat gaat niet. En het goede kleurenpotlood vinden om een plaatje van een wortel in te kleuren lukt ook al niet. Terwijl je precies weet hoe kanariepietjes, tomaten en wortelen eruit zien en waar ze goed voor zijn. Alles is dus gewoon, alleen ‘kleur’ maakt voor jou geen deel uit van de betekenis die een woord heeft.

Moeilijk te snappen, maar het overkwam een Amerikaanse vrouw van 52. Sinds ze een hersenbloeding heeft gehad, weet ze domweg niet meer welke kleur de dingen (en planten en dieren) horen te hebben.

Ze is de allereerste persoon ter wereld bij wie dit is vastgesteld. Wat je noemt een aanwijzing dat onze kennis van concepten bestaat uit elementen die op verschillende plaatsen in onze hersens zijn opgeslagen. En dat gaat zwaar tegen je intuïtie in: dat een citroen geel is, hoort gevoelsmatig echt tot de kern van dat woord.

Zodra ik zoiets lees gaat mijn hart een tikje sneller kloppen en waait mijn geest allerlei kanten uit. Ik moest in dit geval direct denken aan een vrij veel voorkomend, maar nog onverklaard verschijnsel dat ‘synesthesie’ heet. Zo noem je het als iemands zintuigen als het ware door elkaar lopen.

Er bestaan bijvoorbeeld mensen die vormen proeven, en dus dingen zeggen als: ‘Bah, er zitten niet genoeg punten op de saus’. De sensatie schijnt heel sterk te zijn, alsof ze die punten echt aanraken, al weten ze dat dat onzin is. Voor anderen heeft wat ze horen een geur, maar wat het meeste voorkomt zijn kleurassociaties. Dat het woord ‘maandag’ rood is, de naam ‘Frederik’ beslist geel, of een stem groen.

Per persoon liggen de kleuren vast, maar onderling verschillen synestheten (zouden ze zo heten?) in wat ze waarbij zien, al roept de letter ‘o’ opvallend vaak de kleur wit op en is voor velen de letter ‘u’ geel of bruin. Het zijn overigens niet de geringsten die dit aan den lijve ondervinden. Zo hoorde de schrijver Nabokov ook kleuren in woorden, en had naar verluidt voor sir Isaac Newton elke muzieknoot een kleur.

Klinkt dit alles u kleurrijk maar wel wat bizar in de oren? Mij ook, maar er is een gerede kans dat u iemand kent die kleuren hoort. De meesten houden daar echter stijf hun mond over dicht. Bang voor gestoord aangezien te worden.

Hoe dan ook, in zekere zin is dat kleuren horen het omgekeerde van wat de onfortuinlijke Amerikaanse gebeurde. Voor degenen die kleuren-synesthesie hebben, maakt ‘kleur’ ook deel uit van de betekenis van woorden waar voor een normaal mens ‘kleur’ helemaal niet bij hoort. Is dat misschien ook een aanwijzing dat ‘kleur’ zijn eigen hersenlocatie heeft? En dat je hem daar kunt ‘ophalen’ om aan een concept vast te plakken?

Ik weet nooit of ik iets kan overbrengen van de opwinding die dit soort onderwerpen in mij teweeg brengt. Nou ja, in elk geval heeft u er nu in tamelijk gewone bewoordingen over kunnen lezen. Zelf moest ik weer even wat teleurstelling wegslikken. Dat zit zo. Het onderzoek naar die mevrouw die niet meer weet dat kanaries meestal knalgeel zijn, staat in het gloednieuwe nummer van Nature Neuroscience, een van de ‘kopbladen’ van het beroemde Britse tijdschrift Nature.

Van beide krijg ik per e-mail uitgebreide overzichten. Die worden gemaakt door journalisten met een talent voor samenvatten en een neus voor goede koppen. En dan haal je, enthousiast gemaakt, zo’n artikel van het internet, en dan is het steevast geschreven in het bekende, ondoordringbare jargon. Met de even bekende verwijzingen (zie Jansen en Klaassen 1993 en 2000) die nieuwsgierig maken, maar waarvan je nog niet eens een tweezins-samenvatting krijgt.

Wat ontzettend jammer toch. Zou een verbod op literatuurverwijzingen-sec niet een idee zijn? Dat zou meteen een eind maken aan dat eindeloze namen noemen uitsluitend ten behoeve van de citatie-indexen. En waarom zou boven het echte artikel ook niet gewoon mogen staan: Kan een kanarie geel zijn?

Leven op het licht

Zet mensen een tijdje binnen, zonder buitenlicht en zonder klokken, en hun ware dag-nachtritme komt boven. Onze interne klok staat gemiddeld op 24,2 uur afgesteld. Naar de gevolgen daarvan, en de rol van licht en slaap in ons leven doet chronobiologe Marijke Gordijn (1961) onderzoek aan de universiteit van Groningen.

Waarom klaart het op in mijn hoofd als ik ’s ochtends de gordijnen opendoe?

‘Licht activeert de hersenen, en het stelt ook je biologische klok bij. Je hebt meerdere klokken in je lijf. Elke cel heeft de capaciteit voor een ritme van ongeveer 24 uur. Je levercellen reageren bijvoorbeeld op voedsel. Maar net boven de kruising van je oogzenuwen in je hersenen zit de masterklok Die reageert op licht. Zowel ‘vroege’ types, die een snellere klok hebben, als late nachtbrakers kunnen met behulp van licht hun klok bijstellen – als het ze lukt niet te veel aan hun natuurlijke neigingen toe te geven.’

‘Voor je gezondheid zou je waarschijnlijk helemaal volgens je eigen ritme moeten leven, en zo regelmatig mogelijk. Normaal gesproken lopen de verschillende klokken in je lichaam met elkaar en de buitenwereld in de pas, als je slaapt en eet op vaste tijden. Hoe meer ze uit de pas lopen – door ploegendiensten gebeurt dat in extreme mate – hoe meer mensen gemiddeld neigen naar een depressieve stemming, en roken en cafeïnegebruik.’

Heb je tegenwoordig geen melatoninepillen voor het reguleren van je klok?

‘Melatonine wordt ten onrechte vaak het slaaphormoon genoemd. Maar het is het donkerhormoon: ook nachtdieren, zoals muizen, hebben ’s nachts het hoogste melatonineniveau. Melatonine koppelt wel terug naar je masterklok, en kan zo fine-tunen. Een melatoninepil kan helpen tegen jet-lag, maar misschien ook bij slaapproblemen – dat moet nog onderzocht worden.’

‘Slaapgebrek is slecht voor je hart en vaten, en je maagdarmstelsel. Het kan het risico op overgewicht verhogen. We begrijpen alleen nog niet goed waarom 7,5 uur slaap het beste voor je is. Zowel mensen die minder als mensen die meer slapen, hebben een lagere levensverwachting.’

Wat nu als je blind bent?

‘Het is een bekend feit dat mensen die echt helemaal blind zijn vaak grote slaapproblemen hebben. Toch zou het misschien zin hebben voor wie zijn ogen nog heeft om wél het licht op te zoeken en de lampen aan te doen. Sinds 2002 weten we dat we naast de bekende staafjes en kegeltjes nóg een type lichtgevoelige cellen in ons netvlies hebben. Die reageren op blauw licht, en zijn vooral van belang voor niet-visuele lichteffecten, zoals het bijregelen van de masterklok en je alertheid.’

U werkt zelf vaak ’s nachts.

(Lacht) ‘Ja, dat krijg je als je slaap wilt onderzoeken. Terwijl wij chronobiologen beter weten dan wie ook wat daar ongezond aan is. Gelukkig ben ik een goede slaper. Nachtwerk zou je eigenlijk het beste aan erge ochtendmensen en enorme nachtbrakers kunnen overlaten. Die zitten het dichtste bij hun eigen ritme.’

 

Morgen spreekt dr. Marijke Gordijn over ‘Tussen waken en slapen – biologische ritmes en hun gevolgen’. 20 u. Science Café Deventer, Burgerweeshuis, Bagijnenstraat 9 Deventer. Toegang gratis.

NRC Next schrapte een alineaatje en kopte ’s ochtends ‘Bioritme’.

Muzikale baby’s

Vroeger was hij muzikant, nu onderzoekt Henkjan Honing (1959) ons gevoel voor muziek. Wat is aangeboren, wat is aangeleerd? Honing is universitair hoofddocent Muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam

Baby’tjes begrijpen muziek al?
‘Er zijn allerlei aanwijzingen dat muziekgevoel aangeboren is. Dat taaltje van ouders: ‘doedoedoedoe, dadadada’ vinden ze prachtig. Dan hébben ze een pret, terwijl er helemaal geen betekenis of grammatica in zit. En registreer je de hersenactiviteit van slapende baby’s van twee dagen oud die je naar verschillende ritmes laat luisteren, dan zie je een duidelijke reactie als je af en toe stilte in plaats van een noot laat horen.

Ze hebben dus al een hele sterke verwachting. Volwassenen zijn daar heel behendig in, maar het is bij je geboorte al actief. Muziek luisteren is geen passieve bezigheid. Je vult in, schendingen van verwachtingspatronen vinden we spannend.’

Maar het is wel iets typisch menselijks?
‘Sommige elementen zijn universeel, ja. Het gevoel voor ritme hebben we allemaal. We horen de tel: iedereen kan meeklappen op muziek. Een computer kan dat veel slechter, en chimpansees kunnen het niet. Die hebben ook niet het vermogen een melodie te herkennen ongeacht de toonhoogte waarop er wordt ingezet. Wij herkennen het Wilhelmus altijd als het Wilhelmus. Verder hebben ze erg gezocht, maar er is nog nooit een cultuur gevonden zonder muziek.’

Toch zijn er grote verschillen tussen culturen.
‘Zeker. Als je een volwassen Amerikaan twee variaties op een stuk in een simpele twee-kwarts- of drie-kwartsmaat laat horen, kan hij die heel goed onderscheiden. Maar met een zeven-achtste maat heeft hij grote moeite, en een Bulgaar heeft dat niet. Dat is cultureel bepaald. Baby’s kunnen het nog alletwee. Het lijkt erop dat je tijdens je leven zowel bij- als afleert.

Net als met taalklanken, inderdaad. Maar ik wil juist graag benadrukken dat taal en muziek verschillende dingen zijn. Je muziekgeheugen blijft ook vaak het langst bestaan. Je luistert trouwens het beste naar het soort muziek dat je het vaakst gehoord hebt. Iets dat je zelf vaak speelt, heeft daar verrassend genoeg geen invloed op.’

Is muziek eigenlijk ergens goed voor?
‘Daar wordt stevig over gedebatteerd. Het stilt natuurlijk je honger niet. Maar het is goed voor de sociale cohesie, en het is een stemmingsregulator. Daar zijn we allemaal heel goed in, we weten precies welke cd we willen opzetten als we bedroefd of juist vrolijk zijn. Het is een uitlaatklep voor emoties. Dat lijkt ook het onderliggende mechanisme te zijn van het ‘Mozart-effect’: dat kinderen slimmer zouden worden van naar Mozart luisteren. Ze worden vrolijker, en daar gaan je cognitieve vaardigheden van omhoog. Mijn eigen hypothese is dat muziek een vorm van spelen is. En van spelen leren we.’

Vanavond spreekt dr. Henkjan Honing over ‘de geheime vaardigheden van de gewone luisteraar’ bij het Spinozadebat ‘Zit muziek tussen je oren of in je hoofd?’, 20.00 uur, Paard van Troje, Prinsegracht 12, Den Haag. Toegang: 7 euro.

NRC Next had ’s ochtend als kop boven dit artikel ‘Muziek is spelend leren’.

Hersenvensters

Dat er niks te zien was op de scan, dat was een wonderlijke verrassing. Ik had werkelijk gedacht dat de neuroloog me zou gaan vertellen hoe groot de schade in mijn vaders hersenen was, en waar het precies zat.

Welnee, dat kon hij helemaal niet. En dat hij helemaal niets gezien had, was nog normaal ook. Dat was nou net hoe hij zeker wist dat mijn vader geen hersenbloeding had gehad, maar een herseninfarct. Op een CAT-scan komt bloed kennelijk wel, maar een plotselinge aderverstopping niet in beeld. Later nog eens een plaatje maken? Om alsnog te kijken hoeveel weefsel er waar was afgestorven omdat het geen bloed meer kreeg? Had geen enkele zin. Nou ja, hooguit voor wetenschappelijk onderzoek.

Haarscherp registreerde ik wat de neuroloog zei, maar veel bleef ergens in mijn hoofd zweven, vond nog geen landplaats. Ik was in shock. Sinds twee dagen had ik een vader die geen woord meer kon zeggen. Naast de grote schrik die zoiets oplevert, voelde ik ook vrijwel direct de bizarheid. Ik zat ineens met m’n neus wel heel erg bovenop mijn lievelingsonderwerp: taal en hersenen.

Dat ik daarom ooit taalwetenschap was gaan studeren en er daarna al heel veel jaren over schreef, bleek me een rare mix te hebben opgeleverd van kennis en gebrek aan kennis. Geen idee van die scan. Maar zonneklaar was dat mijn vader leek te lijden aan een zeer zware afasie. (Wij gebruiken het Griekse woord voor niet-spreken als verzamelterm voor alle taalproblemen door een hersenbeschadiging) Hij kon helemaal niet praten en ook niet schrijven. Intussen kon je aan zijn reacties zien dat hij ons wel begreep. Goeie kans dat zijn gebied van Broca beschadigd was. Ja, dat dacht de neuroloog ook.

Maar gezien had hij het dus niet. En in elk geval mijn vader zou er ook helemaal niets aan hebben als het wel zo was geweest. Want voor zijn kansen om vooruit te gaan maakte het niet uit. Dat bleef afwachten. Gaan oefenen – sorry, revalideren in ziekenhuiswereldjargon – moest hij sowieso.

Eigenlijk wist ik dat natuurlijk best. Ieder z’n eigen hersenen. Mijn taalgebiedje van Broca of van Wernicke is het uwe niet, en onze motorcortexen beginnen vast ook niet exact op hetzelfde punt. Wie hoever waarvan herstelt, en hoe dat dan gaat, is helemaal mysterieus. De oplossing daarvoor is ook nog steeds ver weg, ondanks alle fancy apparaten van de laatste decennia (na de CAT –scan kwam de PET, en de MEG en natuurlijk de fMRI., en de ene afkorting zorgde voor nog spectaculairdere en preciezere beelden dan de ander) .

Ik vrees dat ze juist daarvoor niet genoeg gebruikt worden. Nog nooit heb ik gehoord van iemand die na pakweg een beroerte opnieuw leerde praten of iets anders, en die ondertussen wekelijks de meest geavanceerde scan liet maken. Dat is niet verbazingwekkend, want zo iemand heeft het waarachtig al zwaar genoeg. Je snapt wel dat een onderzoeksvoorstel voor zoiets het niet gauw haalt.

En toch en toch. De gedachte komt net als de woorden van de neuroloog over wetenschappelijk onderzoek regelmatig terug. Dat komt door mijn vader. Ik heb gezien en gehoord hoe hij beginnend bij helemaal niets met heel hard werken beetje bij beetje weer de complete beschikking over zijn taalvermogen kreeg. Maar zijn gemak is nooit teruggekomen. Mijn vader praat via een omweg, zegt hij zelf. Zo voelt het voor hem, en zo klinkt het ook.

Maar is het ook zo? Is er in zijn hoofd een nieuwe route aangelegd? En hoe ziet die er dan uit? Wat had ik het eigenlijk graag niet alleen van buiten maar ook van binnen gevolgd.

Enfin, ik weet niet eens zeker of scans van het een of andere type daar genoeg van kunnen laten zien. Maar soms knaagt het aan me dat we wel een venster hebben op de reparatiemogelijkheden die onze hersenen zelf hebben, maar dat we er niet doorheen kunnen kijken.

(Eenmalige column voor een nummer van Triakel, het blad van het Universitair Medisch Centrum Groningen, dat helemaal ging over apparatuur in het ziekenhuis)

Natuurlijk is taal aangeleerd!

Iedereen die wel eens naar Spoorloos kijkt, kan het zien. Dat programma zit vol kinderen die hun moeder niet kunnen verstaan. Ze zijn als baby of peuter naar Nederland gehaald, en nu is Nederlands hun moedertaal, ook al spreekt hun eigen moeder Spaans, Maleis of Chinees. Je taal erf je niet.

Zeg je hallo, hello, ’allo, ola, ciao, aloha, namaste of merhaba? Het betekent allemaal hetzelfde, maar het ligt er maar aan of je iemand wil groeten in het Nederlands, Engels, Frans, Spaans, Italiaans, Hawaiiaans, Hindi of Turks. De Engelsen noemen een kruk ‘stool’, de Russen zeggen ‘stol’ tegen een tafel, het Franse ‘mer’ is geen meer, maar zee, het Duitse ‘See’ geen zee maar meer. Al die willekeurige koppelingen tussen klanken en betekenissen ken je echt niet vanzelf, die moet je leren.

Het barst van de subtiele details die je van je omgeving moet leren: de zachtheid van de g, de neuzigheid van de n, de oe-heid of au-heid van je oo. Bij het eerste woord van een Nederlander hoort een Vlaming al dat het geen landgenoot is, en andersom. Welke klanken je hoort, is ook al van je omgeving afhankelijk. Voor Japanners en Chinezen is wat wij toch heel duidelijk horen als een r en een l precies hetzelfde. Japanse en Chinese dreumesen van twee horen het verschil trouwens nog wel. Dit is dus meer afleren dan aanleren, maar het blijft leren.

Woorden hebben dikwijls een gevoelswaarde. Na de val van Antwerpen in 1585 vluchtte de Vlaamse crème de la crème naar Holland, en 427 jaar later doen de woorden ‘zenden’, ‘reeds’ en ‘wenen’ die zij meebrachten in wat nu het Standaardnederlands is nog altijd formeler aan dan ‘sturen’, ‘al’ en ‘huilen’. Maar niet voor veel Vlamingen. Dat verschil in deftigheid tussen Nederland en Vlaanderen zit niet in de woorden en kunnen we daarom niet vanzelf kennen, dat moet je worden bijgebracht.

En hoe kun je weten of een woord in bepaalde milieus not done is? Toch alleen maar doordat je het geleerd hebt? Zeg je ijskast of koelkast, broek of pantalon, huis of woning en eet je liever taartjes of gebakjes? En ga je naar het toilet, de wc of de plee? Nou ja, dat laatste hangt deels af van tegen wie je het hebt. Ook het oudgeld-volk dat onderling plee pleegt te zeggen, doet dat niet overal. En ook dat moet je leren: wat je waar kunt zeggen.

Vind je het dolletjes, meesterlijk, te gek, onwijs gaaf, vet cool of chill? Dat hangt weer af van hoe oud je bent. Want je leert de modewoorden van je eigen generatie. Die steeds veranderen, dus dat kan al nooit aangeboren zijn.

Zolang plaats, tijd en je sociale status bepalen hoe je praat, kan taal niet aangeboren zijn.

(Maar lees ook ‘Natuurlijk is taal aangeboren’: http://www.liesbethkoenen.nl/archief/natuurlijk-is-taal-aangeboren/}

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Bezie de kunstenaar

Dat de kitsch-schilderlessen van de Amerikaan Bob Ross zo populair zijn, heeft een reden volgens kunsthistorica Ann-Sophie Lehmann (1969). Ze promoveerde op de vijftiende-eeuwse schilder Jan van Eyck, maar houdt zich in Utrecht, waar ze universitair docent is bij ‘Media- en Cultuurwetenschappen’, ook bezig met nieuwe media. 

De hand van de kunstenaar vertelt iets?

Het is een basisbehoefte te kijken naar kunstenaars die aan het werk zijn, is mijn stelling. Het draagt bij aan het esthetisch genot. Kunsthistorici hangen vaak nog het ontzettend ouderwetse idee aan van het creatieve proces dat zich helemaal afspeelt in het hoofd van de kunstenaar, waardoor je er niet bij kunt.

Maar het genre van ‘de kunstenaar aan het werk’ heeft niet voor niets een lange traditie. De Egyptenaren maakten al muurschilderingen van hoe de kunstvoorwerpen gemaakt werden die meegingen in het graf. Middeleeuwse boekilluminaties tonen het al, en vanaf de vroegmoderne kunst – Rogier van der Weyden die de madonna tekent – wordt het heel populair. Het is ook heel vroeg gefilmd. Rond 1920 werden beroemde kunstenaars in Berlijn, zoals Max Liebermann, in stomme korte filmpjes vastgelegd. De kunstdocumentaire bestond nog niet, maar het mysterie van ‘hoe doet hij dat?’ werkt al. Dat is ook de aantrekkingskracht van Bob Ross.

Wat boeit ons dan zo?

Het gaat om dingen die we kennen. Iedereen heeft wel eens een pen of penseel vastgehouden, weet hoe dat voelt. Op het moment worden overal de spiegelneuronen in onze hersenen, die bij kunst als het ware meetekenen, op losgelaten. Je zou kunnen zeggen dat we de emoties die kunst oproept nu kunnen meten. We blijken ook het vasthouden van de pen in ons hoofd te representeren. Maar met of zonder spiegelneuronen: de fascinatie begint als we iemand iets zien doen waarmee we ons wel kunnen identificeren, maar dat wij toch niet kunnen.

Waarmee iemand werkt, heeft overigens ook invloed op het maakproces. De gedachte ‘de kunstenaar legt zijn idee op aan de materie’ is een model waar we maar eens vanaf moeten stappen.

Michelangelo die zei: het beeld zit al in dat blok marmer…

…ik hoef het er alleen maar uit te halen. Ja, dat is typisch il divino, de kunstenaar als scheppende god. Dat idee kwam toen op. Maar de invloed van dat marmer op wat je wil maken is er wel degelijk. Met computeranimaties kreeg je het probleem dat je er niet meer bij kon. Voor schildersoftware is uitvoerig bestudeerd hoe schilderen in zijn werk gaat.

Hoe zit dit bij abstracte kunst?

Daar is het punt dat je er veel over moet weten om ervan te genieten. Een ingewijde begrijpt dat het niet alleen om de penseelstreken gaat, maar bijvoorbeeld ook om het concept erachter. Snap je dat niet, dan krijg je al snel het veelgehoorde ‘dat kan ik ook’. En wat we zelf ook kunnen, vinden we geen kunst.

Vanavond spreekt dr. Ann-Sophie Lehmann over “Wat de hand weet en vertelt”, 20.00 uur, Aula van het Academiegebouw, Domplein 28 Utrecht. Toegang gratis.

NRC Next zette dezelfde dag ‘Hoe deed Bob Ross dat’ boven dit stuk.

Snel wennen aan lekker veel geld

Ja, geld maakt beslist gelukkig. Nee, nog meer geld leidt niet tot nog meer geluk. Die schijnbare tegenspraak is een van de dingen die natuurkundige en econoom André van Hoorn (1976) onderzoekt. Hij werkt aan een proefschrift bij de secties Economie van de Radboud Universiteit Nijmegen en de Rijksuniversiteit Groningen.

Wanneer maakt geld gelukkig?

‘Dat ligt genuanceerd en complex. Rijke landen en rijke mensen zijn gemiddeld een stuk gelukkiger dan arme. Maar het geluksgevoel, of beter: het subjectieve welzijn, groeit na een bepaald niveau niet mee met het beschikbare inkomen. Dat zie je het beste in de Westerse landen. En vooral Japan is een duidelijk voorbeeld. Daar is een stormachtige economische ontwikkeling geweest, maar dat is bijna niet terug te vinden in de cijfers van hoe ze zich daar voelen.’

Hoe komt dat?

‘Er zijn twee fundamentele mechanismen. Rijkdom is ook relatief. Mensen kijken naar hoe ze erbij staan ten opzichte van hun buren, collega’s, vrienden. Zodra je het niveau van pakweg Zimbabwe ontstegen bent, dus zeker bent van een dak boven je hoofd en eten, wordt dat relatieve steeds belangrijker.’

‘Maar dat verklaart nog niet waarom absolute rijkdom – het feit dat je meer tv’s of een grotere auto dan eerst kunt kopen – na een tijd niet meer bijdraagt aan je welbevinden. Dat zit ’m in aanpassing en gewenning. Dat mensen flexibel zijn, heeft nut: bij tegenslag en verdriet passen we ons op termijn toch altijd aan. Maar de negatieve kant van dat mechanisme is dat ook prettige dingen wennen.’

Het bezit van de zaak als eind van het vermaak?

‘Die volkswijsheid klopt. Als je inkomsten niet stijgen, daalt je geluk zelfs. Van Duitsland is bekend dat je daar in 1984 netto 850 euro per maand nodig had voor een geluksscore van 7. In 2006 was dat het dubbele, 1700 euro. Let wel, reëel inkomen, gecorrigeerd voor alles. Dat komt deels doordat dingen als mobiele telefoons, auto’s en computers intussen bijna een basisbehoefte geworden zijn.’

‘Overigens is in Oost-Duitsland de geluksscore na 1990 erg toegenomen, tot het tot een halt kwam. Er blijft een gat. Gelukstechnisch gezien is de hereniging nog niet voltooid.
Een soortgelijk effect zie je nadat iemand een opdoffer heeft gehad: bij bijvoorbeeld een echtscheiding, of werkloos worden, duikt de geluksscore omlaag, klimt dan weer op, maar vaak niet tot het oude niveau.’

Heeft het verhaal een moraal?

‘Grote statistische gemiddelden leveren geen hulpboek op voor wat jij als individu zou moeten doen, maar weet dat er meer is dat bijdraagt aan de scores op de subjectieve-welzijnsschaal. Het is bekend dat sociale interactie veel minder went dan inkomen. Bronnen van geluk kunnen ook per cultuur verschillen. Op religieuze personen heeft inkomenshoogte of werkloos worden minder effect. Politieke voorkeur maakt ook uit: de totale werkloosheid in een land heeft meer effect op het geluksbevinden van linkse dan van rechtse kiezers.’ 

Vanavond spreekt drs. André van Hoorn over ‘Maakt geld gelukkig?’. 20.00 uur. Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen. Toegang: € 2,50, studenten en Studium-Generale-abonnees gratis

‘Maakt geld gelukkig?’ zette NRC Next ’s ochtends boven dit stuk.

Iedereen bedriegt zichzelf

Sommige collega’s reageerden lacherig: hallucinaties bepaald geen uitzondering onder normale, gezonde studenten? Ja, in Holland! Amsterdam, coffeeshops. Haha. Maar wat André Aleman in 1998 vaststelde, bleek ook elders een feit. Wanen en hallucinaties hoeven geen teken van gekte te zijn. Ongeveer een op de zes mensen hoort wel eens een stem die er niet is, of denkt of ziet iets dat in de werkelijkheid niet bestaat.

‘Het is een glijdende schaal,’ zegt Aleman (1975), die in Groningen hoogleraar cognitieve neuropsychiatrie is – een nog nieuw terrein, dat psychiatrische problemen op hersenniveau probeert te doorgronden. ‘Als het doorschiet, heb je de pech ziek te worden, en bijvoorbeeld de diagnose ‘schizofreen’ te krijgen. Dat gebeurt uiteindelijk bij een op de honderd mensen. Maar de ingrediënten die daartoe leiden zitten in ons allemaal.’

Die ingrediënten stalt Aleman een voor een uit in zijn boek Hersenspinsels, Waarom we dingen zien, horen en denken die er niet zijn, dat vandaag verschijnt. Daarin weet hij verontrustend goed aannemelijk te maken dat het meisje dat zich achtervolgd wist door ratten, de patiënt die een kabouter op Alemans schouder zag, en de man die nodig naar Amerika moest om de president van advies te dienen, in feite ook voor ons dichtbij liggen. Dat is ook zijn boodschap: ‘Vooral vanwege het stigma, dat de laatste tijd is toegenomen. De tijdgeest maakt outcasts van alle vreemdelingen. Maar het gaat om verklaarbare dingen.’

Iedereen wordt bedrogen door zichzelf, laat hij zien. Onze hersenen maken van de holle kant van een gezichtsmasker, of we nu willen of niet, toch altijd een bolle. Een zorgvuldig ingelast kuchje in een woord horen we niet. We vullen aan, we vullen in. De jas en de hoed in de gang lijken heel even een mens. Een cirkel te midden van kleine cirkeltjes lijkt groter dan diezelfde cirkel omgeven door grotere cirkels. Vraag ons goed te letten op het overspelen van een bal, en we zien een man in een gorillapak, die er dwars doorheen loopt en zich nog even op de borst roffelt, totaal over het hoofd. Onze binnenwereld is niet dezelfde als de buitenwereld.

‘We zeggen: zien is geloven, maar het omgekeerde is waar,’ stelt Aleman. Het is een van de rode draden in Hersenspinsels. Een ander voorbeeld van geloven-is-zien is een experiment uit begin jaren zeventig, toen acht kerngezonde vrijwilligers zich lieten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze moesten zich daar volkomen normaal gedragen, en proberen zo snel mogelijk weer ontslagen te worden. Alleen bij aankomst mochten ze één keer liegen: ze beweerden stemmen te horen die ‘leeg’, ‘hol’ en het niet-bestaande woord ‘thud’ zeiden.

Allemaal kwamen ze moeiteloos binnen, met de diagnose ‘schizofreen’. Wat ze vervolgens deden of zeiden, werd door de behandelaars steevast aan hun ziekte toegeschreven. Als ze bijvoorbeeld aantekeningen maakten, verscheen er ‘patiënt vertoont schrijfgedrag’ in de rapportage. Negentien dagen duurden de opnames gemiddeld, bij een kostte het zelfs twee maanden om weer buiten te staan. Alleen de echte patiënten hadden het door. Die zeiden: jij bent niet gek. Jij bent een professor of een journalist ofzo.

Intrigerend is ook het verhaal van drie patiënten die alledrie meenden Christus te zijn, en samen op een afdeling werden gezet. Elk van hen zag haarscherp dat de andere twee Christussen gek waren, maar ze bleven zeker weten dat ze zelf wél de echte Heiland waren. Aleman: ‘Het rotsvaste geloof dat patiënten in hun eigen wanen hebben, maakt behandelen vaak zo moeilijk.’

Geloof en geloven. Werpt dit soort kennis niet ook een ander licht op religie? Onder psychiaters en psychologen vind je het hoogste percentage atheïsten. Aleman is een uitzondering op die regel. Al beginnen er naar zijn zeggen nu meer christelijke psychologen en psychiaters te komen. Is hij nooit bang dat zijn geloof een waan is? Aleman grinnikt, en zegt dan serieus: ‘Je moet altijd bereid zijn om je overtuiging kritisch te bekijken. Maar het alternatief is voor mij te onbevredigend. Dat betekent bijvoorbeeld dat doelgericht leven ten diepste een illusie is, en dat het na je leven allemaal ophoudt. Maar geloof is niet wetenschappelijk te toetsen. Dat is wel meer niet. Net zoals je maar moet geloven dat je partner van je houdt. Het is een stap die je moet zetten.’

En mensen die denken bezeten te zijn door kwade machten? Hier aarzelt Aleman: ‘Ik vind dat je erg voorzichtig moet zijn met zeggen: deze is echt bezeten door het kwaad en deze niet. Maar als gelovige denk ik wel dat een pastoraal werker soms iets kan betekenen voor iemand die kwaadaardige stemmen hoort.’

Aan de inhoud van wanen zou meer aandacht moeten worden besteed, vindt hij ook. Die is vaak beter thuis te brengen dan je zou denken. En dat kan helpen. Want dat patiënten het vaak zwaar hebben, benadrukt hij ook. Hij hoopt met zijn eigen onderzoek op den duur verlichting te kunnen brengen. Zo vond hij al een verband tussen een bepaald hersengebied en het gebrek aan ziekte-inzicht bij schizofreniepatiënten.

Zijn boek eindigt middenin lopend onderzoek. Kinderschoenenonderzoek zelfs, maar toch. Bij depressies heeft een nieuwe techniek al aantoonbaar resultaat. Aleman denkt dat TMS ook bij schizofrenie kan helpen. TMS staat voor Transcranial Magnetic Stimulation. Met behulp van zwakke stroom en magneetvelden wordt het brein van buitenaf gestimuleerd. Groot voordeel: het heeft nauwelijks of geen bijwerkingen. ‘Maar het is erg lastig onderzoek,’ verzucht hij. ‘Waar je precies moet zijn, hoe lang het stimuleren moet duren, het is een puzzel.’

 

André Aleman, Hersenspinsels Waarom we dingen zien, horen en denken die er niet zijn, 223 blz., Uitgeverij Atlas, € 19.95

NRC Next publiceerde dit stuk twee dagen later, op 10 februari 2011, onder de kop ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet’.

Honderden woorden zijn nog geen taal

Zelfs iemand die niet kan zien en horen, blijft enthousiast dingen een naam geven. Geen enkel dier doet dat, zelfs de slimste mensaap niet. Geen behoefte aan.

Een grote benoemdrift. Dat hebben wij mensen. Van kleins af aan kraaien we wijzend met een garnalenvingertje ‘die!’, en zodra we iets meer kunnen zeggen, willen we van alles weten hoe het heet. Voor de beroemde Helen Keller, die als peuter zowel doof als blind geworden was, begon haar leven pas toen ze doorkreeg dat de dingen een naam hebben. Keller kon taal alleen voelen. Maar de eerste de beste dag dat ze begreep dat het koele spul dat over haar ene hand liep, kon worden aangeduid met elkaar opvolgende strijkages in de andere (haar gouvernante spelde W-A-T-E-R in haar hand), danste ze van enthousiasme. Meteen vroeg ze van alle dingen onderweg de naam.

Het is een opmerkelijk verschil tussen ons en andere primaten, zoals chimpansees. Letterlijk praten kunnen die niet, daar hebben ze de keel niet voor, maar er zijn serieuze pogingen ondernomen ze taal bij te brengen met behulp van symbolen of gebaren. Met opmerkelijke resultaten. Dat apen met hard oefenen wel een paar honderd verschillende woorden konden leren ‘zeggen’, laat zien hoe slim ze zijn. Alleen gaat het niet vanzelf, spelenderwijs, zoals bij mensenkinderen. Die hebben tegen de tijd dat ze naar school gaan hun moedertaal al bijna helemaal in de vingers, mensapen moeten voor de eerste beginselen al naar ‘school’.

En dan nog ontstaat er bij apen nooit zo’n ‘woordexplosie’ als bij kinderen, die na de eerste ongeveer vijftig woorden ineens in een duizelingwekkend tempo verdergaan en vele tientallen woorden per week oppikken. Gewoon voor de gein dingen benoemen lijken apen ook al niet te doen.

Wat doen ze dan wel? Misschien wel de bekendste aap aan wie mensentaal onderwezen werd, was Nim Chimpsky, een naamgrapje op de taalkundige Noam Chomsky. Het verhaal van Nim is het best gedocumenteerde apentaalexperiment ooit. Alle gebarentaallessen die de kleine Nim kreeg, werden opgenomen op video. Na een paar jaar waren al zijn onderwijzers en de erbij betrokken onderzoekers dolenthousiast: Nim praatte echt. Twee, drie, vier woorden achter elkaar. Nim draaide er zijn hand niet om voor zinnen te gebruiken. De principes van de zinsbouw zijn de heilige graal van menselijke taal. Als een aap die wist te ontdekken, dan was dat werkelijk revolutionair en sensationeel.

Maar daarna bewezen al die opnamen hun nut. Voor het eerst werden de videobanden systematisch bekeken en uitgeschreven. Het viel bitter tegen wat Nim kon. Bij nadere beschouwing bleek hij vooral zijn docenten na te praten. Structuur zat er niet of nauwelijks in zijn gebarenreeksen. Hij gebruikte zijn kennis vooral om iets te krijgen: een appel, of iets anders eetbaars. Of om gekieteld te worden. Niet voor een spontane zinvolle conversatie met de mensen waar hij tussen leefde.

Dat is wat we eigenlijk zo graag zouden willen. Praten met dieren spreekt tot onze verbeelding. Sprookjes en stripverhalen zitten niet voor niets vol met sprekende beesten. Wat gaat er om in die koppies? Je zou kunnen zeggen dat de taalexperimenten dat voorgoed duidelijk hebben gemaakt: Weinig. Een aap wil lol en wat lekkers. En dat is hem genoeg. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Rozen, jasmijn en viooltjes bestreden de stank van de stad

Tegen zware lijflucht en andere stank werden in vroeger tijden de geuren van bloemen en planten ingezet. Daar zijn nog steeds sporen van terug te vinden in de tuinen van Paleis Het Loo, waar net de tentoonstelling ‘Bloemenpaleis Het Loo’ begonnen is. Lizet Kruyff vertelt er over het gebruik van geurplanten in de 17de, 18de en 19de eeuw. Kruyff (1949) bedrijft in archieven, bibliotheken en achter het fornuis culinaire geschiedenis, en schrijft daarover.

Wat biedt Het Loo?

‘Het heeft een prachtige tuin,  met een beroemde collectie oude sinaasappeltjes. William en Mary lieten oranjeboompjes planten. Die appeltjes van oranje waren bitter en hebben weinig vruchtvlees. Ze zijn niet winterhard, dus in de winter staan ze in de oranjerie.

Dat zijn dus niet onze lekker zoete, sappige China-appels, zoals sinaasappels heetten. De Moren brachten de bittere sinaasappelen naar Spanje. De zoete komen inderdaad echt uit China. Het  is een ander ras, dat ze al vroeg met mandarijnen zijn gaan kruisen. In China liepen ze voor met veel dingen, ook met veredelen.  

De appeltjes van oranje roken wel heel sterk. Je ziet ze op schilderijen wel zo’n appeltje vasthouden. Voor de geur, dan hadden ze iets bij zich dat lekker rook.’

Want dat was nodig?

‘Ja, mensen hebben een neus, die toch gevoelig is. En kleren wassen deden ze een keer per jaar, overal was vuilnis, grachten waren open riolen. Was het niet Lodewijk de veertiende die zich na zijn openbare toiletpotgang afvroeg waarom het toch zo stonk?

Er werd gepoogd daar iets aan te doen met rozen, jasmijn, viooltjes. Daar werden watertjes van gemaakt. Rozenwater was heel gezond, dacht men. Nou ja, je moet wat, bij gebrek aan penicilline. Van rozenblaadjes kun je heel goed vrolijk snoepen, alleen het stukje wit bij de aanhechtingen is bitter. Als je ze door de suiker roert krijg je heerlijke rozensuiker.

Vanaf de middeleeuwen zie je al hangers die mensen om hun nek of aan hun gordel hadden, met daarin dingen die geurden. Bijvoorbeeld citrusvruchtschilletjes.’

En potpourri’s?

‘Schalen met een mengsel van geurende bloemen en plantenblaadjes. Wat erin zat was afhankelijk van het seizoen. Ook kruiden en specerijen, zoals kruidnagel. Ik heb er hier ook altijd een potpourri binnen handbereik staan, waar ik doorheen kan met mijn vingers.

Op het moment heb ik tulpenblaadjes in de potpourri zitten. Ik kreeg van iemand een bos die bleek te geuren, zoals ze vroeger deden. Nu is het de tijd om rozenknopjes te plukken, en verse vlier.’

Zijn onze neuzen nu gevoeliger?

‘We zijn aan frisse geurtjes gewend geraakt. Intussen zijn het allemaal industriële producten geworden, nog steeds vaak met bloemen- en plantengeuren. Aan alles is nu geur toegevoegd: shampoo, versteviger, gel, zeeep. Mensen verschillen er ook erg in. Zelf kom ik uit een parfumeursfamilie. Tegen een warme zomerstad kan ik niet zo goed. En een supermarkt waar met vuile dweilen is schoongemaakt kan ik niet in.’

Zaterdag 29 juni spreekt Lizet Kruijff over ‘Van potpourri tot parfum’. 14.00 uur. Paleis Het Loo, Koninklijk Park 1 Apeldoorn. Toegang €5,- (plus museum) Aanmelden: info@paleishetloo.nl