De kleine wonderen van het menselijk taalvermogen

De dochter van Herm weigert om daken te zeggen. Dat vindt ze een belachelijk woord: het moet dakken zijn, ze weet het zeker. Met haar zeven jaar geeft ze daarmee blijk van een grote dosis kennis van haar moedertaal. Want zeg nou zelf, je hebt toch ook plakken, zakken, bakken, hakken, takken, wrakken, slakken, snelheidsmaniakken en nog veel meer. Waarom zou dan uitgerekend bij dak die a in het meervoud ineens een lange aa moeten worden?

“Dat is een uitzondering op de regel”, luidt het volwassenen-antwoord. Maar hoe komt de kleine Pia aan de regel? Je kunt er donder op zeggen dat nooit iemand tegen haar heeft gezegd: “Luister meisje, als je in het Nederlands een zelfstandig naamwoord tegenkomt dat eindigt op de klank ak onthou dan dat je daar in het meervoud altijd akken van moet maken,” of iets van gelijke strekking. Tegen de tijd dat ze zo’n regeltje voor het eerst een beetje zou kunnen snappen, past ze het al jaren toe. Hoe weet ze dan zo zeker – en terecht – dat er met daken iets raars aan de hand is? En waarom praat ze trouwens niet gewoon braaf haar vader en moeder en alle andere volwassen Nederlanders na? Die zeggen nooit dakken.

Het heeft alles te maken met de manier waarop kinderen zich hun moedertaal eigen maken. Op zijn beurt is dat een van de grote wonderen van de evolutie, een wonder dat nog maar zeer ten dele begrepen wordt. En dat terwijl toch al miljarden kinderen over de hele wereld Pia zijn voorgegaan. Want als mensen in één opzicht gelijk zijn dan is het wel hierin. Jongen, meisje, arm, rijk, gekleurd, blank, het maakt niet uit, als ze zeven zijn hebben kinderen in welke cultuur dan ook het taalsysteem bijna helemaal onder de knie. Hoe kan dat?

Daarachter komen is niet eenvoudig, maar een paar dingen kan iedereen meteen zien. Als je een hondje of een klein katje in huis neemt, dat jarenlang vertroetelt, voedt en toespreekt dan gaat het niet terugpraten, wat je ook probeert. Iedere baby, tenzij die echt grote aangeboren afwijkingen heeft, zal dat wel doen. Taal is iets van mensen, en met het vermogen er een te leren word je geboren. Toch erf je niet zomaar de taal van je ouders. Als Pia na haar geboorte naar Moskou verhuisd was en daar door Russen grootgebracht, dan zat ze nu echt niet in over ‘dakken’ of ‘daken’, want dan sprak ze helemaal geen Nederlands maar Russisch.

Kortom, de invloed van de buitenwereld lijkt zo op het oog van groot belang. Hoe groot eigenlijk? Of anders gezegd: wat is er nu precies aangeboren van dat taalvermogen, en wat is afhankelijk van invloed van buitenaf? Dat is de vraag waar het in heel veel taalkundig en ander onderzoek allemaal om draait. Maar met die vraag in gedachten eens uitgebreid wetenschappelijk verantwoord gaan experimenteren kan niet.

Althans, we zijn daar toch wat anders over gaan denken sinds de Egyptische koning Psammetichus de Eerste in de 7e eeuw voor Christus een geitenhoeder de opdracht gaf twee kinderen op te voeden zonder tegen ze te praten. Psammetichus dacht kennelijk dat kinderen spontaan taal ontwikkelen, want zijn bedoeling was erachter te komen wat de oudste taal ter wereld was. Het is een heel beroemd verhaal geworden doordat de Griekse geschiedschrijver Herodotus het twee eeuwen later opschreef.

Of het allemaal waar gebeurd is blijft natuurlijk de vraag, maar de geschiedenis wil dat de kinderen na twee jaar zoiets als ‘becos’ zeiden. Sommigen herkennen daarin het geluid van geiten, anderen zeggen dat het het gewone gebrabbel waarmee elk kind begint moet zijn geweest. Psammetichus daarentegen liet uitzoeken dat ‘becos’ Phrygisch was voor ‘brood’. De Phrygiërs waren dus ouder dan de Egyptenaren, moest hij concluderen.

Er zijn meer van dergelijke verhalen in omloop, maar de meeste hebben gemeen dat ze volkomen oncontroleerbaar zijn. Een uitzondering, althans tot op zekere hoogte, vormen de twee meisjes Amala (helder-gele bloem) en Kamala (lotus). Anders dan Romulus en Remus die Rome gesticht zouden hebben, en Mowgli van Jungle Book zijn ze geen legendes of romanfiguren. Het zijn de enige wolvenkinderen in de geschiedenis van wie met grote zekerheid gezegd kan worden dat ze daadwerkelijk door wolven zijn opgevoed.

In oktober 1920 werden ze in Bengalen in India letterlijk uit een wolvennest gehaald. Hoe ze daar terechtgekomen waren is nooit duidelijk geworden, maar na aanhoudende verhalen over spoken in het bos werd er onder leiding van de Indiase zendeling J.A.L. Singh een jacht georganiseerd, waarbij de moederwolf werd doodgeschoten maar de meisjes gespaard. Dominee Singh nam ze mee naar zijn weeshuis, waar ze later hun namen kregen. Amala werd ongeveer drie jaar oud geschat toen ze gevonden werd, Kamala vijf of zes.

Ze spraken niet. Sterker nog, ze gedroegen zich eigenlijk in alle opzichten als wolven. Ze renden ongelooflijk snel op armen en benen, wilden uitsluitend rauw, liefst ook nog bedorven vlees eten en joegen op kippen en duiven. Hun gezichten waren strak, emotieloos, nooit verscheen er zelfs maar een klein glimlachje op. Niemand zag ze ooit een gebaar naar elkaar maken. Ze hadden een afkeer van licht en waren alleen ’s nachts actief. Dan huilden ze soms ook, als wolven.

Met zijn tweeën in het wolvengezin hadden de meisjes blijkbaar geen gesproken taal ontwikkeld. De vraag is konden ze het daarna alsnog oppikken? Kinderen van drie of vijf jaar hebben zich onder normale omstandigheden al heel veel taal eigen gemaakt. Je kunt, simpel gezegd, met ze praten. Dominee Singh en zijn vrouw waren er natuurlijk vooral op uit de meisjes ‘menselijk’ te maken, en zo hun zielen te redden. Er werd dus meer aandacht besteed aan pogingen ze iets anders dan rauw vlees te laten eten en ze op twee benen te laten lopen, dan aan hun taalontwikkeling. Toch heeft Singh in het dagboek dat hij bijhield daar wel het een en ander van vastgelegd.

De jongste van de twee, Amala, is de eerste die iets door lijkt te krijgen. In de zomer na hun aankomst bij het weeshuis zijn de meisjes hun ergste ‘wildheid’ kwijt en volgen ze mevrouw Singh altijd de slaapzaal in, in de hoop op iets lekkers. Mevrouw Singh vertelt de weeskinderen daar dagelijks simpele verhaaltjes, vaak aan de hand van de religieuze platen die aan de muur hangen. Ze wijst dingen aan, laat de kinderen benamingen herhalen.

Eerder heeft op ongeveer dezelfde manier geprobeerd Amala en Kamala woorden bij te brengen: telkens als de meisjes iets te eten kregen gaf de domineesvrouw er de naam bij, en bleef die herhalen tot het op was. Diezelfde woorden komen wel eens terug in mevrouw Singhs verhaaltjes voor de weeskinderen. En op een goede dag valt het haar op dat Amala opkijkt naar de platen aan de muur, zodra ze een van woorden hoort voor eten en drinken die mevrouw Singh zo vaak herhaald heeft. Amala lijkt ze te herkennen.

Kamala volgt telkens Amala’s blik, maar kijkt nooit als eerste. Het is ook Amala die kort na hun aankomst zoiets als ‘bhoo bhoo’ zegt wanneer ze naar het water loopt, en die al heel snel daarna datzelfde geluid gaat maken als ze dorst heeft.

Maar Amala sterft binnen een jaar. Kamala moet het verder alleen doen, en inderdaad verandert het dierlijke gebrom, gegrom en gehuil dat ze eerst voortbracht in een soort gemurmel en gebabbel – tegen zichzelf en tegen sommige dieren – dat meer op taal lijkt. Voordat ze zelf een woord zegt lijkt ze er al een heleboel te snappen. Ze knikt ja, schudt nee, wijst naar dingen. Pas na meer dan drie jaar komen de eerste woorden. Onder andere voor ‘ja’ en ‘nee’, en ‘rijst’ en ‘ik’ en ‘eten’. Ook de namen van een aantal kinderen en de woorden ‘ma’ en ‘papa’ (voor mevrouw en dominee Singh) zegt ze dan. Kamala is helemaal gek van dingen die rood zijn. Ook dat woord (‘lal’ in het Bengali) leert ze.

Maar ze zal niet gauw iets uit zichzelf zeggen, ze geeft ook lang niet altijd antwoord. Bovendien heeft ze de neiging om dat wat ze zegt in te korten. Van de meeste woorden blijft maar één lettergreep over als Kamala ze uitspreekt. Soms zegt ze een paar woorden achter elkaar, en ook dan vereenvoudigt ze de uitspraak. ‘Ami jabo’ (ik zal) wordt bijvoorbeeld ‘amjab’.

De eerste keer dat ze drie woorden achter elkaar zegt is als ze een paar (rode!) poppetjes van mevrouw Singh heeft gekregen en een houten doosje om ze in te doen. Uitgelaten rent ze dan op handen en voeten rond, terwijl ze uitroept ‘Bak-poo-voo’, haar weergave van ‘Baksa-pootool-vootara’: doos-pop-erin. Maar meer dan zo’n dertig verschillende woorden schijnt ze nooit gebruikt te hebben. Kamala sterft in september 1929, acht jaar na Amala en negen jaar nadat ze uit het wolvehol was gehaald.

Het verhaal van Kamala doet in een aantal opzichten aan dat van Genie denken. Van Genies taalontwikkeling is alleen veel meer vastgelegd. Haar levensverhaal is nog gruwelijker dan dat van Amala en Kamala. Het speelt in Amerika, in een rustig plaatsje in Californië. Genie werd geboren in 1957. Toen ze twintig maanden oud was, en waarschijnlijk net haar eerste woordjes begon te zeggen, werd ze door haar zwaargestoorde vader opgesloten in een klein slaapkamertje. Daar zat ze, meestal vastgebonden op een potje, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Er viel vrijwel niets te doen, niets te zien, niets te horen. Ze kreeg alleen babyvoedsel, dat wil zeggen: als ze niet vergeten werd.

En niemand sprak tegen haar. De vader kon niet tegen geluid, er was niet eens een radio of tv in huis. Als Genie zelf een geluid maakte, huilde omdat ze pijn had of honger, kwam haar vader om haar met een stok te slaan. Of hij bleef buiten de deur dreigend staan grommen en blaffen als een hond. De enige taal die ze in bijna twaalf jaar tijd hoorde was het gevloek van haar vader als hij boos was.

Toen Genie dertien jaar en zeven maanden oud was vond haar vrijwel blinde en evenzeer geterroriseerde moeder eindelijk de kracht haar echtgenoot te verlaten. Ze nam Genie mee. Niet lang daarna stapte ze de Sociale Dienst van Los Angeles binnen, haar manke, kwijlende dochter aan de hand meevoerend.

Onmiddellijk zag men daar dat er iets ernstig mis was met Genie. Ze belden de politie, de ouders werden gearresteerd en Genie werd naar het ziekenhuis gebracht, in eerste instantie omdat ze zwaar ondervoed was: bij de Sociale Dienst schatte men haar op zes of zeven jaar oud, zo klein was ze gebleven. De vader schoot zich op de dag dat het proces begon door zijn hoofd, de moeder werd vrijgesproken omdat men vond dat ze zelf slachtoffer was geweest.

Genie was niet zindelijk, ze kon haar ledematen niet strekken, ze kon niet kauwen. Net in het ziekenhuis reageerde ze op mensen of het dingen waren. En ze praatte niet. Ze was doodstil. Zelfs bij woeste driftbuien, waarbij ze zichzelf krabde, en snotterde en snikte maakte ze geen enkel geluid.

Maar het verzorgend personeel praatte wel tegen haar. Voor het eerst na al die tijd hoorde ze taal. En ze leek een handjevol woorden te begrijpen. Bijvoorbeeld ‘mama’, ‘konijn’, ‘juwelenkistje’, ‘deur’, ‘gaan’ en wat kleuren. Het enige wat men haar in het begin zelf soms hoorde zeggen was ‘hou-op’ en ‘genoeg’ (‘stopit’ en ‘nomore’), en dat zei ze meestal tegen zichzelf.

Maar het horen van taal had al snel effect, al was Genies taalontwikkeling verre van normaal. Nadat ze uit het ziekenhuis kwam woonde ze jarenlang bij een psychologenechtpaar in huis en werden haar taalvorderingen nauwlettend gevolgd en getest door een taalkundige.

Met bijna elk aspect van Genies taalgebruik was iets mis, en dat bleef ook zo. Zo legde ze geen intonatie in haar stem, die bleef robot-achtig klinken. En ze had grote moeite met de uitspraak van woorden. Net als Kamala kortte ze ze vaak in. Van ‘soep’ maakte ze ‘soe’ bijvoorbeeld, en de naam ‘Steve’ sprak ze uit als ‘Teve’. Of ze stopte er juist een klinker bij, om de uitspraak te vergemakkelijken. ‘Stove’ (kachel, fornuis) werd zoiets als ‘setove’.

Dat lijkt overigens sterk op wat alle kinderen doen in het begin, maar Genie kwam maar niet voorbij die fase. Wel leerde ze heel veel nieuwe woorden. Ze in de goede volgorde zetten was het probleem. Genie bleef in een soort telegramstijl praten. Ook meervouden maken, werkwoordsuitgangen of vraagwoorden gebruiken wilde niet goed lukken. Ze bleef ‘jij’ en ‘ik’ en ‘jouw’ en ‘mijn’ door elkaar halen. Dat laatste kennen veel ouders van hun kinderen, maar alweer: Genie kwam niet door die fase heen.

Net als Kamala sprak ze bovendien zelden of nooit uit zichzelf. Haar antwoorden waren meestal kort, een paar woordjes. ‘Waar was je vandaag?’ vroeg haar pleegmoeder dan bijvoorbeeld. ‘Big gym’ (grote gymzaal) antwoordde Genie dan. Tegen haar zeggen dat ze ‘in zinnen moest praten’ of ‘er een vraag van moest maken’ had geen enkele zin. Ze raakte er van in de war, en begon onbegrijpelijke dingen te zeggen als ‘I where Graham cracker?’ (Ik waar Graham cracker?). Toen de pogingen haar zo expliciet te onderwijzen gestaakt werden, hield Genie ook weer op met woordsalade produceren, en ging ze weer gewoon dingen zeggen als ‘no spit bus’ voor ‘ik heb niet gespuugd in de bus’.

Hoe haar taalgebruik op dit ogenblik is, is niet bekend. Een buitengewoon onverkwikkelijke reeks ruzies en rechtszaken hebben ervoor gezorgd dat Genie nu al vele jaren in een tehuis voor zwakzinnigen zit, waar geen van de mensen die haar de eerste jaren begeleidden haar mogen opzoeken.

 

De wetenschappelijke wereld had grote belangstelling voor Genie toen ze gevonden werd. Dat had ondermeer te maken met een hypothese over het menselijk taalvermogen die net een paar jaar eerder gelanceerd was. Die luidde dat er bij het verwerven van je moedertaal sprake is van een ‘kritieke periode’ of een ‘kritieke leeftijd’: als je het niet leert voor je puberteit, dan is het te laat, en zal het niet meer lukken. Kritieke periodes zijn in de biologie een heel normaal en veelvoorkomend verschijnsel. Je vindt ze bij allerlei soorten dieren.

Een bekend voorbeeld is de ontwikkeling van het gezichtsvermogen. Er zijn heel wat nare experimenten met kippen, katten, apen, duiven en nog veel meer gedaan. In het geval van katten en apen blijkt bijvoorbeeld dat het vermogen om met twee ogen te kijken in de eerste drie maanden ontwikkeld moet worden.

Plak je namelijk bij pasgeboren katjes of apen één oog af in die periode, dan gedragen ze zich daarna voor de rest van hun leven alsof dat ene oog blind is: het doet eenvoudigweg niet mee, terwijl er bij de geboorte niets mis mee was. En het zit hem echt in die eerste drie maanden. Want als je op latere leeftijd een oog dichtplakt, zelfs voor nog veel langere tijd, en je haalt het lapje er weer af, dan blijkt er niets aan de hand te zijn. Het beest kijkt gewoon weer met twee ogen.

Dat valt ook te begrijpen als je weet dat het afplakken in het begin een puur fysiek effect blijkt te hebben: de visuele cortex van de dieren waarbij dat gebeurd is, wijkt totaal af van normaal ontwikkelde cortexen. Kortom: katten en apen – en voor mensen geldt waarschijnlijk hetzelfde – komen ter wereld met het vermogen met twee ogen te kijken, maar dat moet nog wel groeien. Letterlijk. En daarvoor moeten de omstandigheden op het juiste moment meewerken. Het idee was dus dat het met menselijke taal eigenlijk net zo gaat.

Daar zijn ook argumenten voor te vinden. Al is het alleen al de ervaring die heel veel mensen delen: na je puberteit wordt het een stuk lastiger een nieuwe taal te leren. Wat bij je moedertaal nog helemaal automatisch ging, moet je nu ineens voor elkaar zien te krijgen met hard studeren en vervelend stampwerk, en dan nog gebeurt het zelden dat je in een vreemde taal hetzelfde gemak bereikt als in je eerste taal.

Maar er is meer, zoals het herstelvermogen. Iemand die op latere leeftijd taalproblemen krijgt door een hersenbloeding of ander hersenletsel, komt daar meestal niet meer (helemaal) vanaf. Dat taal in je hersenen zit wordt alleen al daardoor bewezen, maar waar precies blijkt in de praktijk van mens tot mens te kunnen verschillen: een beschadiging die van de een een afasiepatiënt maakt, hoeft bij de ander geen taalproblemen op te leveren. Of de afwijking zelf verschilt. Er is nog steeds veel te weinig bekend over het menselijk brein, maar maar er zit kennelijk wat ‘rek’ in, en naarmate je jonger bent legt het meer souplesse aan de dag.

Want als kinderen hersenletsel oplopen – het kan zelfs zijn dat er een hele hersenhelft verwijderd moet worden – dan blijken ze vaak miraculeus goed te herstellen. Ook als ze een tijdje niet meer kunnen praten, leren ze dat later vaak weer helemaal opnieuw. De ‘kritieke periode’, zo lijkt het, is dan nog niet voorbij: hun hersens zijn als het ware nog ontvankelijk voor taal, en in staat het opnieuw ‘vast te leggen’. En de grens ligt ongeveer bij de puberteit: daarna gaat het herstelvermogen razendhard achteruit.

Kamala en Genie lijken de kritieke periode hypothese in ieder geval ten dele te bevestigen. Gewoon, vanzelf en goed een taal leren zat er voor hun niet meer in, hoewel het natuurlijk heel moeilijk is conclusies te trekken op basis van twee meisjes die een in alle opzichten totaal afwijkende ‘opvoeding’ gehad hadden voordat ze met taal in aanraking kwamen. Opvallend is dat ze wel woorden konden leren, het was de grammaticale kant van taal die er niet inging. Netzomin als de sociale overigens. Misschien zijn wel niet alle aspecten van taal afhankelijk van die kritieke periode. Tenslotte gaan we allemaal een levenlang door met nieuwe woorden leren, ook in onze moedertaal.

Duidelijk is wel dat ons taalvermogen een krachtig en robuust iets is. Je krijgt het niet zomaar weg, en het laat zich ook niet gemakkelijk tegenhouden. Het heeft maar een klein zetje nodig te om zich goed te kunnen ontwikkelen. Maar dat zetje moet er waarschijnlijk wel zijn.

Interessant in dat verband is een onderzoek van niet zo lang geleden naar een paar dove kinderen in Amerika. Ze groeiden toevallig in elkaars buurt op, maar hadden ouders die helemaal geen gebaren tegen hen maakten, omdat hen verteld was dat dat slecht voor de ontwikkeling van de kleintjes zou zijn. De kinderen bleken tegen de tijd dat ze een jaar of drie waren helemaal zelf een heel arsenaal aan gebaren ontwikkeld te hebben, waarmee ze elkaar van alles duidelijk konden maken. Alleen een echte grammatica kon de onderzoekster in hun gecommuniceer niet ontdekken.

Gebarentalen, zoals die al sinds mensenheugenis in dovengemeenschappen bestaan, hebben die grammatica wel. Ze hebben in feite alle kenmerken die gesproken talen ook hebben. Ook dat zegt weer iets over de stevigheid van het taalvermogen: het kan blijkbaar ook via een ander kanaal lopen. Zelfs doofblinde kinderen kunnen via voelen perfect een taal leren. En zelf kunnen oefenen is ook geen noodzakelijke voorwaarde. Je kunt je moedertaal ook helemaal passief ondergaan, en hem op die manier evengoed als een ander leren.

Het levende bewijs daarvan vormt de Ierse Christopher Nolan. Hij heeft geen controle over zijn spieren, en zal nooit kunnen praten of gebaren. ‘Ja’ of ‘nee’ zeggen doet hij met zijn ogen. Vele lange jaren zat hij in zichzelf opgesloten en lukte het op geen enkele manier om hem met hulpmiddelen te laten schrijven. Pas toen hij elf was kreeg hij een medicijn dat zijn getril en zijn spasmes zodanig kan bedwingen dat hij een typmachine kan bedienen.

Dat gebeurt heel langzaam, letter voor letter, met behulp van een soort stokje dat aan zijn voorhoofd gemonteerd is, en iemand die zijn hoofd ondertussen vasthoudt. Zoals zijn ouders altijd al wisten bleek Christopher een perfecte kennis van het Engels opgedaan te hebben. En schrijven kan hij ook. Hij maakte eerst een prachtige dichtbundel, en in 1987 verscheen de indrukwekkende autobiografische roman Under the eye of the clock. Inmiddels heeft hij zich ontwikkeld tot een ‘gewone’ schrijver, te oordelen aan The Banyan Tree, een dikke roman in zeer literair, zelfs lastig Engels die in 1999 verscheen.

Slim of sociaal vaardig hoef je voor het leren van taal ook al niet te zijn. De Amerikaanse Laura bijvoorbeeld, is wat in de volksmond achterlijk heet. Ze is nu midden dertig, maar ze tekent nog steeds als een kind van drie. Op intelligentietesten scoort ze buitengewoon laag en vaak kun je absoluut niet volgen waarover ze het heeft. Maar dat ligt niet aan haar kennis van het Engels. Die is namelijk uitstekend. Laura praat in prachtige volzinnen, met correcte vervoegingen en verbuigingen en verwijzingen. Ook ingewikkelde ingebedde constructies, relatieve en passieve zinnen zijn geen probleem. Laura’s grammatica wijkt maar op hele kleine puntjes af van wat normaal is.

Ook snapt ze veel van hoe de wereld in elkaar zit. Als je het haar vraagt vertelt ze je zo dat ‘boeken’ niet ‘gelukkig’ kunnen zijn, dat ‘potloden’ niet kunnen zien en dat ‘fornuizen’ geen ‘appels’ eten. Andere dingen begrijpt ze half. Meestal gebruikt ze getallen en tijdsaanduidingen op de goede plaats in de zin en op het goede moment, alleen de precieze invulling gaat verkeerd. Als je naar haar telefoonnummer vraagt, geeft ze keurig een nummer van de juiste lengte, maar het lijkt niet eens op haar eigen nummer.

Of ze vertelt dat haar ouders twee jaar geleden getrouwd zijn, of dat ze nu 19 is, maar volgend jaar 16 zal worden. Maar wat ze maar niet lijkt te vatten is hoe je een gesprek moet voeren. Ze praat dolgraag, maar ze geeft antwoorden die niet slaan op de rest van het gesprek, of ze begint halverwege haar verhaal ineens over iets totaal anders. Wat ze zegt, is met andere woorden niet coherent.

Laura is een van die mensen die laten zien dat datgene wat we in de wandeling ‘taal’ noemen in feite samengesteld is uit verschillende, in principe tamelijk losstaande vaardigheden.

Nog een sterk geval is Chris, die in Engeland woont. Ook hij heeft een i.q. van ongeveer veertig op heel veel intelligentietesten, alleen op de taaltesten scoort hij hoog. Chris is autistisch en kan absoluut niet voor zichzelf zorgen. Hij is nog niet eens in staat zijn eigen jas dicht te knopen, maar hij heeft een geweldige talenknobbel. Van meer dan twintig talen, uit heel uiteenlopende taalfamilies, heeft hij een behoorlijke kennis. Leg hem een stukje tekst in het Nederlands of het Hindi voor, en hij ratelt het zo op. Een ‘idiot savant’ met een talent voor taal. En net als alle ‘savants’ houdt Chris zich nergens liever mee bezig.

Maar niet alle argumenten komen voort uit spelingen van het lot. Er valt ook veel te leren van al die gevallen waarin alles normaal verloopt. Want de gewone gang van zaken laat zich uitstekend rijmen met het idee je met een compleet taalprogramma geboren wordt, en dat je dat programma bijna onherroepelijk en altijd in de goede volgorde moet doorlopen.

Het gaat meteen van start, en zolang er in de buurt van het kind maar taal gebruikt wordt ontvouwen de talige capaciteiten zich vanzelf in de jaren daarna.

Voor ouders is het misschien wat teleurstellend, maar hun invloed op hun kind is niet zo groot als ze vaak denken. In de literatuur zijn er jarenlang discussies geweest over de rol van wat zelfs het ‘motherese’, het ‘moeders’, heette. Volwassenen praten anders tegen kleine kinderen dan tegen elkaar. Ze spreken langzamer, op een hogere toon, ze gebruiken korte, eenvoudige zinnetjes en ze herhalen veel. Het is een universeel verschijnsel, en zelfs kinderen van vier schijnen hun spraak al aan te passen als ze het tegen een hummeltje van twee hebben.

Begrijpelijk dat de gedachte ontstond dat het horen van die ‘aangepaste taal’ een noodzakelijke voorwaarde was om taal te leren. Maar er is nog nooit enig bewijs voor geleverd. Om te beginnen is het niet zo dat het taalgebruik van de volwassenen parallel loopt met het niveau waarop het kind op dat moment is. Het ‘motherese’ verandert onderweg niet zo veel, terwijl de taal van het kind groeit als kool.

Bovendien zijn er culturen bekend waar eigenlijk niet of nauwelijks tegen kleine kinderen gepraat wordt. In het zuidoosten van Amerika heb je bijvoorbeeld een zwarte arbeidersgemeenschap waar ze kinderen gewoon nog niet als mogelijke gesprekspartners beschouwen. Het gekir boven de wieg van anderen vinden ze maar raar. De kinderen draaien wel gewoon mee in het gezin en horen dus vaak taal. En dat blijkt voldoende: ook die kinderen leren hun moedertaal.

Naar de aard, de inhoud en de opzet van het taalprogramma dat kinderen doorlopen is in de laatste tientallen jaren heel veel onderzoek gedaan. Dat wil overigens bepaald niet zeggen dat het nu geheel in kaart gebracht is. Taal is zo’n ingenieus en ingewikkeld systeem dat er nog steeds niet meer dan fragmenten van beschreven zijn. Ook is er nog geen enkele methode ontwikkeld om met zekerheid aan het brein af te lezen welke taalcapaciteiten er bij de geboorte al in zitten, en wat er daarna groeit en hoe.

Maar in de loop van de evolutie is er in elk geval een link tussen taal en stembanden gelegd. Dat klinkt als een open deur, maar dat is het niet. Het bestaan van gebarentalen bewijst dat de twee niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat die link er is blijkt hieruit: alle kinderen over de hele wereld gaan volautomatisch op dezelfde manier hun stem liggen oefenen in de eerste maanden van hun leven. Het geblaas, gekir, ge-uh, ge-daaah en ge-ammmm is universeel.
Baby’s maken in het begin een standaardsetje geluiden.

Daarin zitten soms ook klanken die in wat hun moedertaal gaat worden niet voorkomen. Die moeten dus ingebakken zitten. En het definitieve bewijs daarvoor vormen dove baby’s: die gaan ook vanzelf in de eerste zes, zeven, maanden op dezelfde manier hun stem uitproberen. Eerst het gepuf en ge-daaah, daarna dezelfde klanken een paar keer achter elkaar: “dadada” en “nenenene” bijvoorbeeld. Dat moet een volautomatisch deel van het taalprogramma zijn.

En hier moet overigens de oorzaak liggen van het feit dat de woorden voor ‘papa’ en ‘mama’, in tegenstelling tot alle andere woorden, in zo ongelooflijk veel talen zo sterk op elkaar lijken.
Na die beginperiode gaan kinderen die kunnen horen door met wat officieel ‘gevarieerd brabbelen’ heet: ze gaan de klanken die ze produceren langzaam maar zeker aanpassen aan de klanken van hun omgeving. Dan komen er dingen uit als “bapetepoepa”. Dove kinderen vallen op dat moment stil.

Maar ‘zelf doen’ of iets begrijpen van wat anderen doen zijn twee dingen. Voordat een kind letterlijk ook maar één woord kan uitbrengen heeft het al een fabelachtige kennis in huis. Als ze kunnen horen, dan hebben baby’s, schijnt het, hun oren zelfs in de baarmoeder al wijd open. Een baby’tje is direct na de geboorte al in staat de stem van zijn moeder te herkennen.

Sterker nog: een pasgeborene hoort ook het verschil tussen dat wat zijn moedertaal gaat worden en andere talen. Hoe je dat meet? Simpel, met een fopspeen waaraan meetapparatuur gemonteerd zit: een oplettend, geconcentreerd kind zuigt daar harder en sneller aan dan een ongeinteresseerde baby. Een al lang bekend feit dat goede diensten bewijst.

Je kunt de zaak zo instellen dat er automatisch gereageerd wordt op het zuigpatroon van het kleintje. Je begint bijvoorbeeld met hem zijn aanstaande moedertaal te laten horen, verliest hij dan interesse dan komt er een vreemde taal voor in de plaats. Verliest hij ook daarvoor interesse dan komt de moedertaal weer terug, en om die te houden moet de baby blijven zuigen. Dat hebben ze ontzettend snel door. En het blijkt dat ze het liefst hun eigen taal horen. Laat je ze namelijk naar twee vreemde talen luisteren dan vertonen ze geen voorkeur voor de een of de ander. Wat ze herkennen is naar alle waarschijnlijkheid het intonatiepatroon.

En het begint werkelijk al voor de geboorte. Baby’tjes reageren in de eerste 24 uur van hun leven al op deze manier, ook als je ze hun moedertaal wat ‘gedempt’ laat horen, zoals het in de baarmoeder geklonken moet hebben.

Oplettendheid is het belangrijkste meetinstrument zolang een kind nog niks kan zeggen. Daarmee is bijvoorbeeld ook aannemelijk gemaakt dat ze tussen de zeven en tien maanden al doorhebben waar ze het eind van een zin of bijzin kunnen verwachten: als je ze laat luisteren naar een verhaaltje waar mechanisch op de verkeerde, ‘onnatuurlijke’ momenten pauzes in zijn ingebracht verliezen ze sneller hun interesse en wenden hun hoofd af.

Wat voor hun taal normale klankcombinaties zijn lijken ze zo tussen zes en negen maanden in de gaten te krijgen. Uit alles blijkt trouwens dat baby’s heel erg gespitst zijn op taal, voorgeprogrammeerd om daar op te letten. Ze vinden het meteen al leuker om naar woorden te luisteren dan naar andere geluiden, of naar stilte.

 Klanken en intonatie zijn maar een klein onderdeeltje van taal. Het zijn wel de dingen waar alle kinderen op de hele wereld mee beginnen. Zo houden ze vaak ‘al hele verhalen’ voordat er ook maar een woord van te verstaan is: dan zijn ze de zinsintonatie aan het oefenen. De eerste ‘echte’ woorden verschijnen meestal rond het eerste levensjaar, maar het kan ook een stuk later zijn. Er is nogal wat variatie in de aanvangstijden binnen het programma. De volgorde van de onderdelen daarentegen is in principe gelijk.

In het begin schiet het niet zo hard op. Zo’n half jaar na het eerste woord, heeft het kind nog steeds maar een handjevol tot zijn beschikking. Meestal een rijtje als: papa, mama, bal, poes, pop, die, op, nog, melk en zo nog een paar. Een woord als ‘melk’ zal niet direct perfect uitgesproken worden. Kinderen blijven hun uitspraak nog een hele tijd vereenvoudigen. En sommige klanken zijn duidelijk moeilijker dan andere. De r en de l bijvoorbeeld kunnen zelfs jaren later nog voor problemen zorgen.

Tenzij het kind Chinees aan het leren is natuurlijk, daar leidt het verschil in uitspraak tussen een ‘l’ en een ’r namelijk nooit tot een betekenisverschil. Vandaar dat veel Chinezen in het Engels geen verschil horen tussen ‘luizen’ en ‘rijst’ (lice en rice), en die twee woorden dus zelf ook door elkaar heen gebruiken. Daar staat weer tegenover dat ze nooit de frustratie hebben van het jongetje dat de ’r’ nog niet kon zeggen en toen hem gevraagd werd of hij ‘fluit’ at boos uitriep “Niet fluit, fluit!”. Overigens bewaren Chinese kinderen wel nog jarenlang het vermogen om die twee klanken te onderscheiden.

Een paar woorden lijkt niet veel, maar toch is het een enorme stap voorwaarts: het kind is nu in staat aan rijtjes willekeurige klanken (immers, in een andere taal heet hetzelfde weer anders) één specifieke betekenis te hechten. Eventjes worstelt hij daar ook mee. Als kinderen zo’n 75 woorden kennen, meestal net voor hun tweede jaar, dan gaan ze een kort poosje overgeneraliseren. Ineens wordt ieder beest een ‘hond’ of alles wat rond is een ‘bal’.

Maar dat ze niet vaker moeite hebben erachter te komen welk woord nou bij welke betekenis hoort is een klein wondertje. Het tempo waarin op een gegeven moment een kindervocabulair aangroeit is gigantisch. Het kan, als ze weer wat ouder zijn, om tientallen woorden per dag gaan. Sommigen denken daarom dat we de concepten voor die woorden al meegekregen hebben bij de geboorte. Dan hoef je er daarna alleen de klanken (of het gebaar als je een gebarentaal leert) bij te leren.

Wat daar van zij, het zou wel een verklaring zijn voor het feit dat blinde en ook doofblinde kinderen zo weinig moeite hebben met woorden leren en concepten begrijpen. Zelfs niet met concepten die met ‘zien’ te maken hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld heel precies het verschil tussen ‘staren’, ‘loeren’, ‘blikken’ en ‘gluren’ uitleggen.

Overigens is die explosie van nieuwe woorden leren een van de dingen die ons scheiden van de apen. De laatste tientallen jaren zijn er veel pogingen gedaan om bijvoorbeeld chimpanzees taal te leren. Nadat gebleken was dat apestrottehoofden niet voldoende klanken van menselijke taal kunnen vormen, ging men over op symbolen, en op gebarentaal.

Een slim idee. Met intensieve training blijk je ze inderdaad nog heel wat woorden te kunnen bijbrengen, wel een paar honderd. Maar nooit komt dat moment dat het ineens met tientallen tegelijk gaat. De kennis die ze wel hebben, gebruiken ze ook niet om eens gezellig te kletsen, maar altijd om iets te krijgen: eten, gekieteld worden. Een ander punt is die training: anders dan kinderen leren apen nooit spontaan taal. Ze hebben niet datzelfde taalprogramma, wat ook blijkt uit het feit dat het met grammatica nooit iets wordt. Apen bouwen geen zinnen.

Kinderen wel. En eigenlijk al vrij snel. De fases die volgen op de zogeheten ‘een-woord-fase’ zijn de twee-woord-fase en de drie-woord-fase. Daarna houdt de wetenschap op met op die manier te tellen. In die laatste twee fases gebeurt er ook al verschrikkelijk veel. Zodra je meer dan een woord hebt sluipt er al grammatica binnen. Nederlandstalige kinderen zeggen ‘boekje lezen’, Engelstalige ‘read bookie’. De plaats van het werkwoord in de zin is in het Engels anders dan in het Nederlands, en elk kind van twee heeft dat al uitgeplust.

De combinatiemogelijkheden zijn natuurlijk niet eindeloos. Naarmate er meer talen beter onderzocht worden, lijkt het er zelfs steeds meer op dat hun bouwprincipes uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. In de taalkunde woedden al jaren twisten en twistjes die hiermee te maken hebben.

Zijn alle talen, als je ze maar op een abstract genoeg niveau bekijkt, eigenlijk hetzelfde? Worden kinderen geboren met een beperkt setje keuzemogelijkeden, en zetten ze dan op basis van wat ze horen het schakelaartje bij wijze van spreken de ene kant uit of de andere? En hangt de keuze voor bijvoorbeeld het werkwoord op de ene plaats in de zin weer samen met andere dingen? Zo ja, hoe? Het is een ware kluwen van argumenten en voorbeelden, en die is nog lang niet ontward.

Wel is duidelijk dat er in taal heel veel verschijnselen zijn waarvan je niet zomaar kunt zeggen ‘dat is Nederlands’, ‘dat is Russisch’, ‘dat is Engels’. De passieve zin bijvoorbeeld is een heel algemeen fenomeen, niet iets dat typisch is voor het Nederlands. Veel regels en beperkingen op regels spelen in heel veel talen precies dezelfde rol. Echt verwonderlijk is het dus misschien ook niet dat kinderen dezelfde ontwikkelingsfases doormaken.

Een heel bekend voorbeeld zijn die passieve zinnen. Geen kind van vier, of het nou Nederlands, Frans, Russisch of nog wat anders aan het leren is, snapt die. Probeer het maar uit: een vierjarige kleuter kent het verschil tussen ‘de kat zit de muis achterna’ en ‘de kat wordt door de muis achternagezeten’ niet. En je kunt het hem ook niet uitleggen. Het taalprogramma is daar nog niet aan toe.

Net zo is het met het gebruik van woorden als ‘zich’ en ‘elkaar’. Een equivalent daarvan vind je voor zover bekend ook overal. Op wie of wat zulke woorden binnen een zin moeten terugslaan is een knap ingewikkeld mechanisme. En kinderen van zes hebben dat nog niet goed door. Ze denken bijvoorbeeld dat ‘De vader van Jan wast hem’ en ‘de vader van Jan wast zich’ hetzelfde betekenen. Alweer: ze erin instrueren helpt niet. Ze zijn er gewoon nog niet rijp voor. Dat moment komt vanzelf. Net als het moment dat ze zoveel taalbeheersing hebben dat ze in staat zijn een ander foutloos de weg te wijzen. Dan zijn ze bijna in hun puberteit.

 “Kinderen zijn papegaaien”, zeggen ouders altijd. Dat is maar zeer ten dele waar. Ja, natuurlijk nemen ze van alles over van hun omgeving, en dan hoor je ze ineens de stoplappen en geliefde uitdrukkingen uitkramen die je zelf altijd gebruikt. Een onverwachte spiegel. Maar dat dat papegaaien dikwijls inderdaad niets anders is dan papegaaien laat de volgende fraaie dialoog tussen moeder en dochter zien:
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: nee, je zegt het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: het bord. mag ik nou de bord?
So much for ouderlijke invloed. Verbeteren kan aan twee kanten tot een flinke portie frustratie leiden. Maar ouders vergeten vaak hoe vertederd ze ook kunnen zijn door de creativiteit die hun kleintje ten toon spreidt bij zijn pogingen het allemaal onder de knie te krijgen.

Dikwijls is het dan zo dat een kind de regel doorheeft, maar de uitzonderingen nog niet. Waarom zou je niet ‘verfmens’ tegen een schilder zeggen, of ‘rooksteen’ tegen een schoorsteen? Dat had net zo goed gekund, want die zelfbedachte woorden zijn wel keurig volgens de regels van het Nederlands gevormd. Woorden als ‘vogelen’ voor (het werkwoord:) ‘vliegen’ of ‘winden’ voor ‘waaien’ zijn zo gek nog niet als je bedenkt dat ‘benen’ kunnen ‘benen’ en dat je ‘planten’ heel goed kunt ‘planten’.

En waarom is ‘slaapte’ nou weer verkeerd, als het wel ‘gaapte’ is? De rij voorbeelden kan eindeloos lang gemaakt worden, maar uiteindelijk zullen ze allemaal ‘sliep’, ‘schilder’ en ‘waaien’ leren zeggen, zonder er ooit nog een seconde bij na te denken. Alle kans dat ook Pia later tegen haar kinderen zegt: “Nee schat, het is niet ‘dakken’, maar ‘daken’. Dat is een uitzondering.”

 

NOOT: Bovenstaand stuk is een paar jaren na verschijning een heel klein beetje geactualiseerd.

NOOT 2: Het verhaal van Amala en Kamala zou beter geverifieerd moeten worden. Er is in ieder geval gefraudeerd met foto’s waar ze op zouden staan. Die waren niet van de meisjes, maar werden later ‘nagespeeld’. Het weeshuis had natuurlijk altijd geld nodig. Jammer. Ik was er ook ingetrapt.

Een modern wolvekind

Bij zijn zelfmoord liet Genies vader een paar briefjes achter. Eentje was bedoeld voor zijn zoon en bevatte vooral instructies over overhemden en schoon ondergoed. Het andere was voor de politie. “De wereld zal het nooit begrijpen,” had Clark, naar waarheid, geschreven. Clark was 70 toen hij op 20 november 1970 een deken en een stuk plastic op de grond uitspreidde en zich door zijn rechterslaap schoot. Op dat moment bevond zijn twintig jaar jongere echtgenote Irene zich in de rechtbank. Clark werd daar eigenlijk ook verwacht, want beide ouders waren aangeklaagd voor zware mishandeling van hun dochter Genie.

Een paar weken eerder was het allemaal voor het eerst in de openbaarheid gekomen. Irene was per ongeluk de Sociale Dienst in Los Angeles binnen komen wandelen, op zoek naar het bureau voor blindenondersteuning, omdat ze bijna niets meer zag. Aan haar ene arm voerde ze haar ook al bijna blinde moeder mee, aan de andere Genie. Het moet een onvergetelijk gezicht geweest zijn. De eerste maatschappelijk werkster die Genie zag, dacht dat het een autistisch kind van een jaar of zes, zeven was. Maar toen Genie die dag stilletjes binnen kwam hinken, met die houding die aan een konijntje deed denken, handen voor zich, vingers naar beneden hangend, alsof ze een denkbeeldige railing vasthield, was ze ruim dertien en een half. En ze was bepaald niet autistisch.

Al gauw werd duidelijk dat Genies uiterlijk en haar gedrag alles te maken hadden met haar leven tot dan toe. Of leven? Ze had vrijwel altijd opgesloten gezeten in een klein slaapkamertje. Afgezien van een enkel zachtgekookt ei had ze uitsluitend babyvoedsel te eten gehad, als ze tenminste al eten kreeg, en niet gewoon vergeten werd. In het kamertje stond bijna niks. Een kast, een kinderbed met kippegaas en een po-stoeltje. Haar vader had zelf een soort keurslijf genaaid waarmee Genie aan de po-stoel werd vastgebonden. In dat keurslijf kon ze alleen haar handen en voeten en haar vingers en tenen bewegen. Zo bracht ze het grootste deel van haar tijd door. De ramen waren dichtgeplakt. Alleen bovenaan was een smalle reep waar licht door kon vrijgelaten. Aan het plafond hing een zwak peertje. Soms kreeg Genie een oude tv-gids of een leeg doosje om mee spelen.

Er viel dus niet veel te zien voor Genie, noch te proeven, ruiken of voelen. Maar het ergste was misschien wel dat er ook niets te horen viel. Niemand praatte tegen haar. Het enige wat ze soms aan taal opving was het getier en gevloek van haar vader als hij kwaad was. Een radio of televisie was er niet. Als Genie huilde of anderszins geluid maakte omdat ze honger had, of pijn, dan kwam haar vader binnen om haar te slaan met een stok die altijd klaarstond. Of hij ging staan grommen en blaffen als een hond, vaak buiten haar deur. Clark kon niet tegen lawaai. Daarom had hij eigenlijk ook geen kinderen gewild.

Maar hij kreeg ze toch, zij het dat de eerste pas na vijf jaar kwam. Die werd niet ouder dan twee en een halve maand. Haar gehuil maakte Clark zo woest dat hij haar in de garage zette. Daar stierf ze aan wat ‘vliegende longontsteking’ genoemd werd. Het zoontje dat daarna kwam overleefde zijn vroegste kindertijd wel, maar was heel traag in zijn ontwikkeling, waarschijnlijk doordat hij verwaarloosd werd. Het schijnt dat zijn oma, Clarks moeder, hem min of meer redde door hem een tijdje in huis te nemen.

Maar op een dag werd oma geschept door de auto van een dronken tiener. Haar dood was het begin van Genies nachtmerrie. Ze was twintig maanden oud toen het gezin verhuisde naar het huis in Temple City in Californië waar de grootmoeder gewoond had. Op de stille Golden West Avenue begonnen Genies jaren van eenzame opsluiting in het slaapkamertje. Clark kwam nooit over het verlies van zijn moeder heen. En toen duidelijk werd dat de jongen die haar dood op zijn geweten had alleen een proeftijd kreeg, besloot hij dat hij niets meer met die afschuwelijke buitenwereld te maken wilde hebben. Zijn zieke geest dacht bovendien dat hij Genie moest beschermen tegen de wereld die niets te bieden had. Clark was er van overtuigd dat zijn dochter zwaar geestelijk gehandicapt was, en nooit ouder dan twaalf zou worden. Dat ze die leeftijd toch haalde mag inderdaad een wonder heten.

Irene heeft altijd beweerd dat haar leven ophield op de dag dat ze trouwde. Clark mishandelde haar ook, en in feite was ze zijn gevangene. Ze mocht zelfs haar ouders die vlakbij woonden niet opzoeken, en ze was te blind om een telefoonnummer te draaien, vertelde ze later. Tot ze op een dag, toen het gezin al bijna twaalf jaar in het kleine huisje woonde, eindelijk de moed vond in opstand te komen tegen Clark. Na een verschrikkelijke ruzie vertrok Irene naar haar ouders en ze nam Genie mee. Waarom het toen nog weken duurde voordat er hulp gezocht werd weet niemand. En het was nota bene niet eens voor Genie.

Nadat de sociale dienst de politie gebeld had werden de ouders gearresteerd, maar door Clarks zelfmoord kwam het nooit tot een rechtzaak. Irene werd meteen vrijgesproken omdat ze zelf als een slachtoffer werd gezien. De zoon ging naar een pleeggezin, en zou later op het criminele pad raken.

Genie werd naar het Kinderziekenhuis van Los Angeles gebracht, in eerste instantie omdat ze zwaar ondervoed was – ze woog zevenentwintig kilo en was maar een meter dertig lang – maar er was natuurlijk veel meer met haar mis. Zo kon ze haar ogen maar tot op een afstand van ongeveer vier meter scherpstellen, groter was haar wereld nooit geweest. Haar armen en benen helemaal strekken lukte niet. Ze was ook niet zindelijk, en op haar billen had ze een dikke laag eelt en verkleuringen in de vorm van het gat van de po-stoel. Ze had nooit geleerd haar eten te kauwen en kwijlde aan een stuk door. Ook masturbeerde ze waar en wanneer het haar uitkwam, en dat was overal en vaak. Verder leek ze geen verschil te zien tussen mensen en dingen. Ze reageerde niet op mensen en keek ze niet aan.

En ze praatte niet. Meestal maakte ze zelfs geen enkel geluid. Wel had ze vreselijke driftaanvallen. Ze spuugde, snikte, snoof en krabde haar gezicht open, allemaal zonder een kik te geven. Het enige wat ze haar in het ziekenhuis in het begin ooit hoorden zeggen was ‘Houwop’ en ‘Nietmeer’ en nog een paar korte ontkenningen. Meestal had ze het dan tegen zichzelf.
Maar ze leek wel een handjevol andere woorden te begrijpen. ‘Konijntje’, ‘moeder’ en ‘lopen’ bijvoorbeeld. Waarschijnlijk was ze net begonnen haar eerste woordjes te zeggen toen ze werd opgesloten en veroordeeld tot stilte. Nu, twaalf jaar later, werd er eindelijk tegen haar gepraat.

Eerst alleen door de ziekenhuismedewerkers, maar al snel stond er een stoet geïnteresseerde wetenschappers uit allerlei disciplines klaar. Genie was een uniek geval. Een soort modern wolvekind. Allerlei mensen wilden haar sociale, emotionele, intellectuele, en fysieke ontwikkelingen volgen. Zouden die er zijn? Kon iemand die zo gruwelijk verwaarloosd was, en in veel opzichten op het niveau van een baby was blijven steken, de ontwikkeling nog inhalen? En wie mocht Genie gaan volgen? Vrij snel werd besloten dat haar taalontwikkeling het belangrijkste onderzoeksobject zou worden.

Het noodlot had op een bijzonder moment voor een volstrekt onaanvaardbaar experiment gezorgd. Toen Genie gevonden werd was er binnen de taalkunde een hevige discussie gaande over het taalvermogen van de mens. Noam Chomsky had het vak in een stroomversnelling gebracht met zijn ideeën over de aangeborenheid van dat vermogen. Van hem kwam de hypothese dat we ter wereld komen met allemaal dezelfde ‘blauwdruk’ in ons hoofd. De taal van de omgeving, die elk kind vanzelf leert, vult die blauwdruk als het ware in.

Maar de neurobioloog Eric Lenneberg had niet lang daarvoor extra stof tot nadenken geleverd. Zijn boek The biological foundation of language was in 1967 uitgekomen. Op basis van onder meer onderzoek met kinderen die hersenbeschadigingen hadden opgelopen, concludeerde hij daarin dat er voor taal zoiets als een ‘kritische periode’ moest zijn: wanneer een kind zich niet voor zijn puberteit een moedertaal eigen maakte, dan lukte het niet meer. En eigen maken betekent: eraan blootgesteld worden.

Nu was de kritieke periode een bekend verschijnsel in de biologie. Zo leren katten bijvoorbeeld nooit meer goed met twee ogen kijken als je in de eerste paar maanden van hun leven één oog dichtplakt. Hun hersens kunnen zich dan kennelijk niet normaal ontwikkelen: zulke poezen blijken een sterk afwijkende visuele cortex te hebben. En dat is echt afhankelijk van die specifieke periode. Want plak je daarna een oog dicht, dan verandert er, ook als het lang duurt, niets aan hun gezichtsvermogen. De natuur kent talloze kritieke periodes, maar niemand had het begrip ooit met taalontwikkeling in verband gebracht. Lennebergs boek maakte indruk. Zijn bewijsmateriaal is ook vandaag nog overtuigend, maar een experiment dat het ultieme bewijs kon leveren: een kind tot zijn puberteit in een taalloze omgeving laten opgroeien, was natuurlijk onuitvoerbaar.

Zou Genie Lennebergs gelijk bewijzen? Het was de taalkundestudent Susan Curtiss die dat ging onderzoeken. Ze bracht een onwaarschijnlijke hoeveelheid tijd met Genie door. Ze maakten uitjes, Curtiss speelde piano voor haar, en natuurlijk nam ze dingen op en maakte ze aantekeningen van wat Genie zei. Tests moest ze zelf ontwikkelen: met wat er was kon ze niets beginnen in het geval van Genie. Curtiss schreef het allemaal op in haar proefschrift.

Taal horen, toegesproken worden had namelijk wel degelijk effect op Genie. Vlak nadat ze in het ziekenhuis was opgenomen begon ze al te reageren, en leek ze regelmatig te begrijpen wat er tegen haar gezegd werd. Ze was zelf ook begonnen met praten, ook al was het dikwijls onverstaanbaar.

Maar Lennebergs leek het toch in ieder geval deels bij het rechte eind gehad te hebben. Genies taalontwikkeling was verre van normaal. Met vrijwel iedere onderdeel was er iets mis, en dat bleef ook zo. Zo gebruikte ze bijvoorbeeld vrijwel geen intonatie, en sprak met een heel hoog stemgeluid. De uitspraak van woorden was een groot probleem. Ze liet klanken weg: ‘soep’ werd ‘soe’, ‘Steve’ werd ‘Teve’. Er verdwenen ook hele lettergrepen, ‘another’ (een andere) kwam eruit als ‘noth’, ‘refrigirator’ (ijskast) werd ‘frid’. Andersom voegde ze vaak klanken toe, vooral klinkers, om de uitspraak te vergemakkelijken: ‘stove’ (fornuis) werd dan zoiets als ‘setove’. Nu gaan kinderen bij hun spraakontwikkeling allemaal door een soortgelijke fase heen, maar Genie kwam er niet voorbij.

Wel leerde ze eindeloos veel nieuwe woorden. Die aan elkaar rijgen was het probleem. Ze bleef op z’n best in telegramstijl praten. Meestal sprak ze maar een of twee woorden tegelijk. Als je haar bijvoorbeeld vroeg ‘Waar was je vandaag’ dan antwoordde ze ‘Grote gymzaal’. Zelfs na jaren zei ze nog ‘Niet spugen bus’ als ze bedoelde ‘ik heb vandaag niet gespuugd in de bus’. Werkwoordsverbuigingen, meervouden, het verschil tussen ‘jij’ en ‘ik’ en ‘jouw’ en ‘mijn’ bleven een groot probleem. Tegen haar zeggen dat ze in zinnen moest praten of vraagwoorden moest gebruiken, leek haar alleen maar in de war te brengen. Pas toen die instructies niet meer gegeven werden hield Genie op woordsalade uit te brengen als ‘ik waar Graham cracker’.

Tot voor kort was het proefschrift van Curtiss het enige – naast indertijd een paar sensatiestukken in de krant – wat de buitenwereld over Genie te horen kreeg. Maar vorig jaar verscheen er een boek over haar, van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Russ Rymer. Vanaf volgende week is ook de Nederlandse (jammer genoeg iets te letterlijke en houterige) vertaling, Genie, een mishandeld kind ontvlucht de stilte, verkrijgbaar.

Rymer heeft met zo ongeveer iedereen gesproken die bij Genie betrokken is geweest nadat ze gevonden werd. Het BBC wetenschapsprogramma Horizon (in samenwerking met hun Amerikaanse tegenhanger Nova) deed dat nog eens dunnetjes over, en haalde bovendien een grote hoeveelheid filmmateriaal boven tafel. Afgelopen maandag werd het resultaat uitgezonden: beelden van een knap tenger meisje, met een hartveroverende glimlach. Voor wie dat gemist heeft: zaterdagmiddag wordt het programma herhaald.

Zowel het boek als de aflevering van Horizon laten je in verbijstering achter. Het leven van Genie is een lange aaneenschakeling van tragische misverstanden en menselijk onvermogen. En de tragiek hield niet op toen ze gevonden werd. Al na een half jaar kwam ze met een smoesje tijdelijk in huis bij Jeane Butler, een hulpverleenster van het ziekenhuis, die openlijk verkondigde dat dit meisje haar wereldberoemd zou gaan maken. Haar poging officieel Genies pleegmoeder te worden strandde, onder andere omdat ze onderzoekers (waaronder Susan Curtiss) de toegang tot haar huis ontzegde. Ze beschuldigde de wetenschappers ervan Genie te misbruiken: ze kreeg geen rust omdat ze aldoor allerlei tests moest doen. Waarschijnlijk wilde ze Genie vooral voor zichzelf houden.

De leider van het onderzoeksteam dat zich met Genie bezighield was de psycholoog David Rigler. Hij en zijn vrouw besloten haar in huis te nemen. Ze bleef er vier jaar, de jaren die Curtiss beschrijft in haar proefschrift, en die er op de film heel gelukkig uitzien. Maar wat er daarna gebeurde is feitelijk onvoorstelbaar. In 1975 kregen de Riglers geen onderzoeksgeld meer, vooral omdat ze geen duidelijk onderzoeksprogramma hadden. Inderdaad hebben ze nooit iets over Genie gepubliceerd. De Riglers, die nooit van plan waren geweest Genie voorgoed te houden lieten haar gaan. Waarheen? Terug naar haar moeder (die inmiddels door een operatie weer kon zien), en terug naar het huis waar ze al die jaren gevangen had gezeten.

Het werd geen succes, om het zacht uit te drukken. Genie kwam terecht in het ene pleeggezin na het andere. En het ene na het andere mishandelde en misbruikte haar. Een grote terugval was het resultaat. Stuitend is het verhaal over het eerste pleeggezin. Daar werd ze geslagen omdat ze een paar keer overgegeven had. Het gevolg was dat Genie letterlijk haar mond niet meer open durfde te doen.

Ze hield op met praten, en vertelde het verhaal met het beetje gebarentaal dat ze gelukkig ook geleerd had aan de Riglers, nadat ze teruggehaald was naar het ziekenhuis (de scène is in Horizon te zien). Maar daarna ging de pleeggezinnenellende gewoon door. Rymers boek eindigt met de beschrijving van een Genie die er nu inderdaad zwaar achterlijk uitziet, niet meer praat en in een tehuis voor geestelijk gehandicapten woont.

Genies moeder verbiedt het de onderzoekers van indertijd al meer dan tien jaar om haar dochter te zien. Waarschijnlijk onder invloed van Jeane Butler, die inmiddels overleden is, deed ze hen zelfs allemaal een proces aan omdat Genie als proefkonijn gebruikt zou zijn. Een zeer onverkwikkelijke zaak die uiteindelijk geschikt is. In zijn boek probeert Rymer zorgvuldig geen schuldigen aan te wijzen, maar aan de telefoon zegt hij geschokt te zijn geweest door het gedrag van de Riglers. “Meteen nadat het geld ophield stuurden ze haar weg,” zegt hij.

Curtiss denkt daar iets anders over: “Nu ik zelf kinderen heb weet ik hoe zwaar dat is. Voor Genie zorgen was een grote extra belasting,” zegt ze. Haar eigen frustratie zit hem in het feit dat ze indertijd nog maar een student was, en niets kon doen om te voorkomen dat Genie uit het zicht verdween. “Niemand bij officiële instanties zag hoe bijzonder ze was. Ik heb toen veel over macht geleerd,” meldt ze spijtig via de telefoon. Curtiss spreekt met grote liefde en bewondering over Genie: “Ze had zo’n sterke persoonlijkheid, zo veel vechtlust.”

Over het boek van Rymer heeft ze gemengde gevoelens. Ze ziet het als het zoveelste verraad aan Genie dat al die persoonlijke gegevens die ze zelf zorgvuldig verborgen had gehouden nu alsnog op straat liggen. Het is nu zelfs heel gemakkelijk haar echte naam via de Los Angeles Times te achterhalen.

Curtiss verwijt Rymer ook fouten. “Ik heb hier een hele lijst, maar ik wil er niet meer naar kijken omdat ik er alleen maar beroerd van wordt,” vertelt ze. Ook is Rymer naar haar smaak niet diep genoeg in de taalkundewereld binnengedrongen. Daar heeft ze wel een punt: Rymers (overigens vaak iets te bloemrijke) beschrijvingen van het taalkundejargon en wat dies meer zij, zijn soms hilarisch, maar of ze altijd duidelijk maken waar het dat vreemde volkje nu precies om gaat, valt te betwijfelen. Anderzijds vindt ze dat Rymer het in de media heel goed doet, en heeft het boek tot haar vreugde ontwikkelingen in gang gezet waarvan ze voorzichtig hoopt dat die haar weer bij Genie zullen brengen.

Achter haar conclusies van indertijd staat ze nog steeds, en al het onderzoek dat ze sindsdien gedaan heeft bevestigt dat alleen maar. Zo volgde ze jaren een vrouw die ze ‘Chelsea’ noemt en die vergelijkbaar is met Genie, alleen leed ze niet onder emotionele verwaarlozing. Chelsea groeide op in een gewoon gezin waar ze werd aangezien voor achterlijk, maar in feite bleek ze doof te zijn. Ze was al over de dertig toen ze voor het eerst gehoorapparaten kreeg en kon beginnen met taal leren. “Het is hetzelfde patroon,” zegt Curtiss: “nieuwe woorden leren dat lukt, dat kan iedereen trouwens zijn leven lang, maar met de grammatica wordt het niets. Ze kan wat dat betreft zelfs minder dan Genie. Waarschijnlijk omdat ze zo veel ouder was toen ze begon. Ik denk dat die kritieke periode een glijdende schaal is.”

Rymer hoopt Genie binnenkort voor het eerst te ontmoeten. Zijn boek liet open of hij geprobeerd had haar zelf te spreken. “Nee,” zegt hij, “ik heb op een bepaald moment besloten haar via al die anderen te beschrijven.” Nu dat gebeurd is, kan hij zijn nieuwsgierigheid bevredigen. Maar er is nog meer gebeurd. Rymer heeft tot dusver de aanbiedingen zijn boek te verfilmen afgeslagen. “Want dan willen ze toch altijd een held en een boef, en die kun je hier niet aanwijzen, “ legt hij uit. “Bovendien heb je een happy end nodig natuurlijk.” Toch is het end minder unhappy dan je op grond van Rymers boek alleen zou concluderen. Sinds twee jaar woont Genie bij een pleegmoeder die ook drie mongoolse kinderen in huis heeft. Voor het eerst in vele jaren gaat het haar beter: Genie praat weer.

‘Hoe is het mogelijk dat we zoveel weten als we zo weinig gegevens hebben?’

Dertig jaar geleden brak de Chomskyaanse revolutie in de taalkunde uit. Inmiddels is Chomsky’s theorie, de generatieve grammatica, uitgangspunt voor menig taalkundig onderzoek in de wereld. De theorie is een gecompliceerd systeem geworden van regels en mechanismen die aan taalbouwsels ten grondslag liggen. Voor een buitenstaander niet makkelijk te volgen, maar de ideeën waarop de theorie berust zijn volgens Chomsky zelf eigenlijk heel eenvoudig. Noam Chomsky (1928) is als hoogleraar werkzaam op het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston. Een charmante en soms ineens verlegen man over zijn vak.

Taalkunde zoals die door u en een grote groep wetenschappers om u heen bedreven wordt staat bekend onder de naam ‘generatieve grammatica’. Waar staat die term voor?

“De term generatief is misleidend omdat hij te technisch is. In feite is generatieve grammatica gewoon klassieke taalkunde. Het sluit aan bij de ideeën van voor het midden van de negentiende eeuw. In de drie eeuwen die daaraan vooraf gingen, ruwweg van Descartes tot Wilhelm von Humboldt, had men zich beziggehouden met tamelijk voor de hand liggende zaken in menselijke taal.”

“Bijvoorbeeld, u en ik zitten hier te praten. Dat doen we op basis van gedeelde kennis. Onze kennis van het Engels komt niet helemaal overeen, maar genoeg om probleemloos te kunnen communiceren. De vraag is nu: wat delen wij dat ons in staat stelt te doen wat we nu doen? Vijftig of dertig jaar geleden zou het antwoord geweest zijn: we delen een systeem van gewoontes dat gereguleerd wordt door prikkels van buitenaf. Dat was het idee van behavioristen als Bloomfield en Skinner en het is duidelijk een volkomen verkeerd antwoord. Taal wordt niet van buitenaf beregeld: als we daar zin in hebben kunnen we nu over ieder willekeurig onderwerp gaan praten, van ‘de veertiende eeuw’ tot ‘het leven aan de achterkant van Uranus’.”

“De klassieke benadering, die zonder meer correct is, zegt daarentegen dat we een kennissysteem delen. Op de een of andere manier heeft dat een systeem van regels in ons hoofd ontwikkeld, en dat regelsysteem gebruiken u en ik als we met elkaar praten. De vraag is nu natuurlijk: waaruit bestaat dat kennissysteem? Wel, het heeft een aantal frappante karakteristieken, die in de tijd van het moderne rationalisme (dus zeg maar vanaf Descartes) voor het eerst benadrukt werden.”

“Men heeft toen ongeveer driehonderd jaar lang onderzoek gedaan naar wat wij het ‘creatieve aspect van taalgebruik’ zouden noemen: taal is ‘vernieuwend’ in die zin dat we steeds weer dingen zeggen en horen die we nog nooit eerder gezegd of gehoord hebben. Het aantal verschillende zinnen dat we kunnen maken en het aantal onderwerpen dat we ter sprake kunnen brengen is letterlijk eindeloos.”

“Bovendien heeft gewoon taalgebruik een eigenschap die nog het beste ‘samenhang’ genoemd kan worden: er is geen sprake van willekeurige produktie. Het is een eigenschap die heel moeilijk te definiëren valt, maar je kunt hem wel makkelijk herkennen. Als je bijvoorbeeld een schizofreen hoort praten dan weet je dat zijn taalgebruik die samenhang mist.”

“Die ‘vernieuwing’, die samenhang en die onafhankelijkheid van prikkels van buitenaf, zijn eigenschappen die raken aan de kern van taal, en die wil de generatieve grammatica bestuderen. Von Humboldt vatte die kern samen als ‘oneindig gebruik maken van eindige middelen’. Maar in zijn tijd waren er nog geen technische middelen voorhanden om dat uit te drukken. Een van de redenen dat er een einde kwam aan de klassieke traditie was dan ook dat men niet verder kon komen door een gebrek aan gereedschap. Dat is altijd het geval bij wetenschap: om te kunnen beginnen met het onderzoeken van empirische vragen, moet je een zeker niveau van mathematisch en formeel begrip hebben.”

“Het heeft tot de dertiger jaren van deze eeuw geduurd voordat er, vooral binnen de wiskunde, ideeën en middelen werden ontwikkeld waarmee het wel mogelijk werd om dat ‘oneindig gebruik van eindige middelen’ te onderzoeken. Het juiste gereedschap maakte het mogelijk de traditionele vragen over menselijke taal en menselijk denken weer nieuw leven in te blazen, dit keer met de hoop een paar echte antwoorden te krijgen. ‘Genereren’ is niet meer dan een technische term uit de wiskunde.”

Maar waarin zit dan precies het verschil met traditionele grammatica zoals we die allemaal op school geleerd hebben?

“Traditionele grammatica is in heel andere kwesties geïnteresseerd dan generatieve grammatica. Als gevolg daarvan zijn ze bijna complementair: de een doet precies wat de ander nou net niet doet. Bij traditionele grammatica gaat het in de eerste plaats om uitzonderingen, je leert bijvoorbeeld de onregelmatige werkwoorden als je zo’n grammatica bestudeert, maar de gewone, reguliere regels kom je er niet in tegen. Niemand wist trouwens ook welke dat waren. Generatieve grammatica wil zich juist met die regelmatigheden bezighouden.”

Hoe kun je die gewone regels bestuderen? Waar begin je?

“Het allerbelangrijkste is leren je te verbazen. Er zijn hele simpele feiten in taal die de traditionele grammatica niet bestudeert. Als je bijvoorbeeld een zin neemt als Jan zag hem, dan weet je dat hem niet op Jan slaat. Of neem een andere zin: Hij zag Jan, dan weet je ook dat Jan en hij onmogelijk dezelfde persoon kunnen zijn. Soms kan dat weer wel, bijvoorbeeld in een zinnetje als Jan denkt dat Piet hem aardig vindt, maar daar kunnen Piet en hem weer niet dezelfde zijn. Dit is een universeel gegeven, het geldt voor alle talen.”

“Als je alle feiten op een rijtje zet dan zie je dat er een klasse gevallen is waar het persoonlijk voornaamwoord kan verwijzen naar een naam of een zelfstandig naamwoord, en een andere klasse waar dat niet kan. En dat maakt weer deel uit van een veel bredere en abstractere klasse van feiten.”

“Het gaat hier om de regelmatigheden van taal, en die zul je zelfs in de dikste tiendelige traditionele grammatica niet tegenkomen. Op zichzelf is dat niet zo vreemd. Een traditionele grammatica is meestal gericht op onderwijs. En voor het onderwijzen van een taal zijn de onregelmatigheden veel belangrijker, omdat mensen de regelmatigheden al kennen. Daarvoor zijn het mensen. Als u mij nu bijvoorbeeld Nederlands gaat leren, dan moet ik wel alle onregelmatige werkwoorden zien te onthouden, maar u hoeft me niet de regels voor persoonlijke voornaamwoorden bij te brengen. Die ken ik al omdat ik een mens ben.”

“Wil je taal bestuderen met de bedoeling uit te vinden wat de aard van menselijke kennis is dan ben je geïnteresseerd in de dingen die alle mensen weten, niet in buitenissigheden of uitzonderingen. Die kunnen leuk of amusant zijn, maar ze vertellen je niet veel over de menselijke natuur of psychologie. En dat is waar generatieve grammatica in de eerste plaats in iets over te weten wil komen.” 

Denkt u dat resultaten van generatief onderzoek te gebruiken zouden zijn op bijvoorbeeld scholen? Of meer in het algemeen: heeft dit soort kennis praktisch nut?

“Dat is denkbaar, maar het ligt niet direct voor de hand. Deels natuurlijk omdat generatieve grammatica zich bezighoudt met dingen die je niet hoeft te leren. Aan de andere kant kan het voor een leraar wel nuttig zijn te weten hoe sommige dingen werken voordat hij ze gaat onderwijzen, al zal veel van zijn begrip nooit in de praktijk gebruikt worden. Stel je bijvoorbeeld voor dat je iemand leert zwemmen. Dan zou het nuttig zijn om iets te weten over fysiologie, maar je zou je leerling geen fysiologie gaan onderwijzen. Het is voor jezelf prettig om er iets vanaf te weten, zodat je een idee hebt van wat belangrijk is en wat niet. Maar je leerling gebruikt veel van zijn fysiologie natuurlijk gewoon vanzelf, omdat hij een mens is.”  

In traditionele grammatica’s wordt vaak voorgeschreven wat goed en wat fout is, generatieve grammatica wil dat juist béschrijven. Maar hoe weet je dan wat een goede zin is?

“Zoals u dat weet, zoals we dat allemaal weten. Op dezelfde manier waarop ik weet dat ik een boom zie wanneer ik uit het raam kijk. Hoe weet ik dat ik een boom zie? Daar kan ik geen antwoord op geven. Zo zit ik in elkaar. Hoe weet ik dat in hij zag Jan hij en Jan niet dezelfde zijn? Ik kan het je niet vertellen. Ik ben een systeem dat zo werkt.”

“Natuurlijk zijn er weleens gevallen waarin het moeilijk is te oordelen, maar dat geldt ook voor visuele waarneming. Het is niet moeilijk een gecompliceerde visuele ervaring te bedenken, waarbij je niet meer weet wat je ziet en eerst moet nadenken en het dan misschien nog niet weet.”

“Hetzelfde kun je hebben bij een taalkundige ervaring, maar over het algemeen weet je precies wat je ziet en wat je begrijpt. De vraag van de wetenschapper is: wat gebeurt er in mijn hoofd als ik een boom zie? En: wat gebeurt er als ik een zin begrijp? Voordat je daar iets over kunt zeggen zul je erachter moeten komen wat mensen zien of wat mensen begrijpen. Dat kan alleen door ze op de een of andere manier uit te horen over hun oordelen. Je moet feiten, bewijsmateriaal hebben voordat je iets kunt proberen te verklaren. Waar die feiten vandaan komen, doet er op zichzelf niet zoveel toe, maar de oordelen van sprekers zijn toevallig heel rijk en bruikbaar bewijsmateriaal.”

Een steeds terugkerend thema in uw werk is ‘Plato’s probleem’. Welk probleem is dat?

“Het gaat hier om een klassieke vraag in het westerse denken, namelijk: hoe is het mogelijk dat wij zoveel weten terwijl we zo weinig gegevens hebben? Plato was de eerste die die vraag stelde. Hij demonstreerde hem met wat waarschijnlijk het eerste psychologische experiment ter wereld was: in een dialoog toont Socrates aan dat een slaaf die nooit enige training in meetkunde heeft gehad toch meetkunde kent. Socrates stelt de slaaf een serie vragen, maar geeft hem geen enkele informatie. Aan het eind blijkt dat de slaaf het gevraagde kan bewijzen. Dat betekent dat hij op de een of andere manier meetkunde kent, zonder dat het hem geleerd is.”

“De vraag was natuurlijk: hoe kan dat? Plato bedacht als antwoord dat de slaaf het zich herinnerde uit een eerder bestaan. Dat is natuurlijk geen antwoord. Maar het is niet zo eenvoudig een ander antwoord te geven, en door de geschiedenis heen is Plato’s antwoord in de een of andere vorm blijven bestaan. Pas aan het begin van de achttiende eeuw begon men er op verschillende manieren aan te twijfelen.”

“David Hume was een van de twijfelaars, en zijn antwoord was allerlei voor de hand liggende feiten te ontkennen. Hij beweerde bijvoorbeeld dat als je twee lijnen had die in een punt samenkwamen, je nooit zou kunnen weten of ze elkaar ook werkelijk ontmoetten, omdat je het precieze moment waarop dat gebeurt niet zou kunnen waarnemen. Iedereen ziet dat dat onzin is. Maar dat is het probleem van een puur empirische benadering, die zegt dat al je kennis gebaseerd is op waarneming en associaties en dat er niets in de geest aanwezig is behalve wat er in de zintuigen zit. Dan moet je de feiten wel ontkennen.”

“Leibniz had een beter antwoord. Die zei dat Plato gelijk had, maar dat het idee van een eerder bestaan fout was. Dat betekent dat kennis wel in de geest aanwezig is, maar niet dankzij een vorig leven of een onsterfelijke ziel of iets dergelijks. Voor Leibniz was de menselijke geest, wat dat ook is, geconstrueerd in overeenstemming met bepaalde principes, zoals die van de Euclidische meetkunde bijvoorbeeld. En dat is min of meer een correct antwoord. In hedendaagse termen zouden we zeggen dat het biologisch bepaald is dat onze geest zich op een bepaalde manier ontwikkelt, net zoals het lichaam zich alleen op een bepaalde manier kan ontwikkelen.”

“Mensen krijgen bijvoorbeeld armen, en geen vleugels. Zo kunnen ze ook alleen een bepaald soort kennis ontwikkelen. De geest is gewoon een aspect van het lichaam met bepaalde eigenschappen. Bijvoorbeeld dat mensen de wereld in termen van de Euclidische meetkunde kunnen zien, maar ook dat ze taal leren.”

“En een taal leren doen ze allemaal, onafhankelijk van dingen als opleiding en intelligentie. Het tempo waarin en het gemak waarmee kleine kinderen bijvoorbeeld woorden leren, soms tientallen op een dag, doet vermoeden dat het concept van veel van die woorden ingebouwd is. Een keer horen is vaak genoeg, ook voor heel ingewikkelde begrippen zoals achternazitten.”

“Als je probeert een woord als achternazitten te definiëren dan blijkt dat heel lastig te zijn. Jan kan Piet achternazitten, maar dat hoeft niet te betekenen dat Jan Piet ook letterlijk volgt. Hij kan wel een heel andere weg nemen en Piet nog steeds achternazitten. Woorden als achternazitten kom je in alle talen tegen. Kinderen leren ze moeiteloos en het lijkt er dus op dat ze alleen het juiste etiketje (dat van hun taal) hoeven te leren, en niet het begrip zelf.”

“En bij elk aspect van menselijk begrijpen rijst weer de vraag: hoe doen ze dat? Dat is Plato’s probleem, en het is het hoofdprobleem van de psychologie.”

U ziet taal het liefst als een soort biologisch bepaald mentaal orgaan dat groeit, als een apart compartiment van de geest. Waarom?

“Allereerst: taal is een van de interessantste aspecten van Plato’s probleem om te onderzoeken. Het is een kennissysteem dat zich relatief gezien gemakkelijk laat isoleren. Bovendien word je overstroomd met gegevens. Dat maakt het terrein veel toegankelijker dan bijvoorbeeld zoiets als ‘probleem oplossen’. Taalfeiten kun je scheiden van andere aspecten van het leven, en iedere wetenschap is afhankelijk van de mogelijkheid om een onderwerp of probleem af te zonderen. Bovendien is taal iets exclusief menselijks. Kom je iets aan de weet over dit kennissysteem, dan weet je zeker dat je iets over mensen leert. “

“Er zijn verschillende redenen om aan te nemen dat het om een apart systeem gaat. Allereerst is er het feit dat alleen mensen een taalvermogen hebben. Als je verschillende talen bestudeert dan blijken er overeenkomsten tussen die talen te zijn. Dat taalvermogen blijkt in ieder geval voor een deel te beschrijven te zijn in termen van zoiets als een Universele Grammatica. Dat wil zeggen, aan de basis van talen ligt een aantal abstracte principes en regels die voor elke taal gelden. Die regels en principes zijn de voorwaarden voor ‘taal’. Iedere afzonderlijke taal wordt daarmee een invulling van een soort schema. En dat schema, zeg maar de grenzen waartussen taal kan liggen, is biologisch bepaald.”

“Nog lang niet alle principes en regels zijn precies bekend, maar als wat we nu hebben ook maar een beetje in de goede richting is dan zijn ze heel specifiek voor taal. Neem bijvoorbeeld het principe dat ten grondslag ligt aan de mogelijkheden voor Jan en hem om naar elkaar te verwijzen in de zinnen waar we het straks over hadden. Dat principe lijkt heel specifiek op die ene taak toegesneden te zijn. Je komt het niet tegen bij andere vormen van menselijke kennis, zeg het visuele systeem, of ‘hoe je jezelf in een sociaal systeem plaatst’ of iets dergelijks.”

“De uniekheid en de specifiekheid van het taalvermogen maken het aannemelijk dat we met zoiets als een apart ‘taalorgaan’ ter wereld komen. Op zichzelf is dat ook niet zo verbazingwekkend. Het zou heel verwonderlijk zijn als de hersens alleen maar een soort ‘algemene-doelen-functie’ hadden. Het zou ze uniek maken in de biologische wereld waar alles, ook dingen als de lever bijvoorbeeld, een enorm gespecificeerde structuur en functie heeft. Het is alleen historisch altijd bijzonder moeilijk geweest voor mensen om zichzelf als een onderdeel van de biologische wereld te beschouwen.”

Generatief onderzoek richt zich pas sinds kort ook wel eens op de taal van kinderen. Als je uitgaat van een soort taalorgaan dat groeit, ligt het dan niet voor de hand te beginnen bij een baby, die te volgen en te kijken hoe zijn taal groeit?

“Op zichzelf is dat een uitstekend onderwerp om te bestuderen, maar het is veel moeilijker dan het kijken naar de taal van een volwassene. Bij een volwassene kun je taal in een min of meer gefixeerd stadium bestuderen. Neem je bijvoorbeeld een vijfjarige dan bestudeer je een heel rijk systeem dat continu verandert. Het kan volgende week verschillen van wat het vandaag is. En het is veel moeilijker een rijk en complex systeem dat verandert te bestuderen dan net zo’n systeem dat stabiel is. Je ziet ook dat het meeste onderzoek dat hiernaar gedaan is beperkt blijft tot een- of tweejarigen. Bij een driejarige wordt het erg ingewikkeld.”

“Daarnaast is het bij kindertaalonderzoek ook veel moeilijker om aan informatie te komen. Als ik Nederlands wil leren dan kan ik duizend-en-een vragen bedenken waarop u me een antwoord kan geven: wat is dit, wat betekent dat, enzovoort. Een driejarige kun je dat niet vragen. Alles bij elkaar is het een lastig onderwerp, al zou het goed zijn als er meer aan gedaan werd.”

Hoe zit het met het vermogen van mensen om een andere taal naast hun moedertaal te leren?

“Als ze dat tegelijk met hun moedertaal doen dan hebben ze gewoon twee moedertalen. Voor een volwassene ligt het anders. Het lijkt erop dat mensen ergens in hun puberteit het vermogen om een taal perfect te leren beheersen verliezen.”

“Als ik op mijn leeftijd inderdaad nog Nederlands zou willen leren dan is de kans groot dat me dat niet goed zou lukken. Ik zou de woorden wel kunnen onthouden, maar ik zou waarschijnlijk niet vlot leren praten. We weten hier niet veel van. Een experiment waarbij we iemand tot na zijn puberteit alleen zouden voeden, zonder tegen hem te praten, is om ethische redenen uitgesloten. Maar er zijn wel wat anekdotische aanwijzingen.”

“Om een voorbeeld te geven: eind jaren zeventig ging ik voor vier maanden naar Italië met mijn gezin. Mijn zoon was toen tien en hij wilde absoluut geen Italiaans leren. Hij wilde ook helemaal niet weg, maar gewoon bij zijn vriendjes blijven enzovoort. Enfin, we deden hem op een Italiaanse school en daar vond hij het natuurlijk ook helemaal niet leuk, maar na een maand of twee, als we naar een restaurant gingen moest hij voor ons vertalen en vroegen de obers hoe wij Amerikanen toch aan een Italiaans kind kwamen.”

“Ikzelf wilde heel graag Italiaans leren, en ik studeerde en ik las, maar ik leerde geen Italiaans. En toen we een half jaar terug waren, was mijn zoon alles vergeten, terwijl ik wat ik geleerd had wel nog wist. Er zit daar een of ander fundamenteel verschil. Een kind kan taal nog gewoon opzuigen en het dan weer vergeten.”

“Er is nog veel dat we niet precies weten, maar onze kennis heeft inmiddels zoveel meer niveau en diepgang bereikt dan ooit tevoren dat ik hoopvol gestemd ben voor de toekomst.”

Dit interview staat ook in alletwee de versies van Het vermogen te verlangen (9 letters), gesprekken over taal en het menselijk brein.

“Als ik de werking van een auto onderzocht, zou ik een mutant willen vinden die ervoor zorgt dat de auto sneller gaat”

Hij begint er zelf over, direct nadat hij een korte, diplomatieke vergelijking gemaakt heeft tussen Engels en Nederlands bier: het is toch wel erg mooi om een Heinekenprijs te krijgen wanneer je zo’n beetje al je onderzoek doet aan de hand van gist.

“Maar,” preciseert hoogleraar microbiologie Paul Nurse wat later op de middag, “ons type gist vind je niet in bier, ik geloof dat ze het in Jamaica in de rum stoppen, en in goedkope Franse wijn kun je het tegenkomen.”

We staan dan over een paar petri-schaaltjes met ‘zijn’ gist gebogen, want tegen die tijd zijn we toegekomen aan een rondleiding door het laboratorium van het in het hartje van Londen gevestigde Imperial Cancer Research Fund, waarvan Nurse directeur is.

Een deur met een ruit waarvoor een heel klein luxaflexje hangt, is de enige scheiding tussen het lab en de werkkamer van Nurse, die op 27 september de dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica ontvangt. In die werkkamer wordt de thee vanzelf met melk geserveerd, en praat Nurse (1949) met verve en vrolijkheid over de grondslagen van het leven.

Want daar komt het op neer. “Sinds 1973 – dat is al meer dan twintig jaar, vreselijk als je erbij nadenkt,” realiseert hij zich, “werk ik aan gist. En dat heeft één reden. Als student dacht ik: de basiseigenschap van alles wat leeft is dat het zich kan voortplanten. En de simpelste manier zie je bij een enkele cel. Die gaat van één naar twee cellen. Dat is een fundamentele eigenschap van het leven.”

“Ik ben dus geïnteresseerd in reproduktie. En indertijd dacht ik: als ik begrijp hoe dat gaat bij gist, dan wordt het makkelijker te snappen hoe het bij andere cellen werkt. Daar kreeg ik gelijk in.”

Een droom

Dat kun je wel zo stellen. Nurse zou een paar van de basismechanismen voor de deling van élke cel blootleggen, althans: elke cel waarin het kernmateriaal bij elkaar gehouden wordt door een kernmembraan, de zogeheten eukaryoten.

Alle planten en dieren (inclusief mensen) vallen daaronder, behalve blauwwieren en bacteriën. Dat zijn onderzoek zou uitdraaien op het vinden van heel algemene principes kwam voor Nurse niet helemaal onverwacht.

“Ik herinner me wel gesprekken daarover,” mijmert hij, “dat we dachten dat wat we vonden bij gist misschien wel relevant voor mensen zou kunnen zijn. Ik geloofde het niet echt, het was meer een droom, iets dat in de verte schitterde. Dat had ik wel vanaf het begin. Maar als je het rationeel bekijkt: zoveel geluk heeft een mens normaal gesproken niet.”

Het geluk zat hem onder meer in nieuwe technieken. Toen Nurse begon, moest het nog allemaal met de klassieke genetica gebeuren. Pas eind jaren zeventig, begin jaren tachtig werd het mogelijk afzonderlijke genen te identificeren, te isoleren. Maar voor het uitgangspunt maakt dat niet uit. Want als je wilt begrijpen hoe cellen delen, hoe begin je dan? Wel, daar waar het fout gaat. “Je zoekt mutanten”, zegt Nurse, “afwijkende cellen, die niet goed delen. Daar zit de sleutel.”

Levensvatbaar

En om te kunnen begrijpen op welk slot die past, moet er eerst iets verteld worden over de celcyclus. Nurse: “Om überhaupt van één cel naar twee te komen, moeten bepaalde dingen altijd gebeuren. Anders zijn die twee nieuwe cellen niet levensvatbaar. Het meest essentiële materiaal zijn de chromosomen, het erfelijk materiaal dat de genen bevat.”

“Bij iedere reproduktie heb je de volgende twee dingen. Ten eerste moet er van al die chromosomen een kopie worden gemaakt. Dat kopiëren of repliceren van het DNA heet de S-fase, waarbij die S – heel saai – voor ‘synthese’ staat. Daarna moeten die gerepliceerde chromosomen gescheiden worden, om er twee dochtercellen uit te laten ontstaan. Dat proces heet mitose, en we noemen dat de M-fase. Dit is niks nieuws, want dat was allemaal al tussen pakweg 1850 en 1950 beschreven.”

“Wat ik uiteindelijk vond was de sleutel voor het in gang zetten van die gebeurtenissen, én de sleutel die ervoor zorgt dat alletwéé die dingen, dus zowel de S- als de M-fase, optreden in elke celcycus.” Dat is een indrukwekkend eindresultaat, en Nurse wil heel graag vertellen over de weg daarheen, omdat je er zo prachtig aan kunt zien dat onderzoek zich slecht laat voorspellen.

Dat punt zit hem hoog, want hij komt er een paar maal op terug. Nurse is een directeur die niet wil dicteren. “Nieuwsgierigheid moet de drijfveer zijn”, zegt hij, “ik zoek goede mensen, en die laat ik hun neus achterna gaan. Je kúnt goed onderzoek niet afdwingen, je moet de creativiteit de ruimte geven, anders sterft die af. Da Vinci en Vermeer hadden ook niet een of andere commissie die ze vertelde wat ze precies moesten doen.”

En hij wijst naar het hoekje Italiaanse reprodukties en het hoekje Vlaamse en Hollandse kunst, die de muren van zijn kamer opsieren.

Hollen

“Het onderzoeksproces is interessant,” gaat hij verder, “ook al heb je achteraf altijd de neiging te hollen naar het eind. Hoe ging dat nou bij ons? Dat isoleren van die mutanten is een heel krachtig instrument. Er zijn héél veel genen die allemaal verschillende activiteiten in cellen reguleren.”

“Neem gist, dat heeft tussen de vijf- en de tienduizend genen. Dat is relatief weinig, maar toch een heleboel om in te gaan zoeken. Overigens heeft de mens er tussen de vijftig- en de honderdduizend [NOOT: het zouden er nog veel minder blijken te zijn, LK]. Dat is maar tien keer zoveel als gist, terwijl we toch graag denken dat we meer dan tien keer zo interessant zijn als een gistcel.”

“Maar goed. We verwachtten dat er een beperkt aantal genen verantwoordelijk was voor die celcyclus. Hoeveel? Het zouden er vast geen honderden zijn, maar iets tussen pakweg de een en de tien. Hoe identificeer je die nu?”

“Onze oorspronkelijke aanpak was de meest voor de hand liggende. Die was nuttig, maar niet doorslaggevend. Ik zocht naar mutanten die niet goed deelden, die niet in staat waren de S-fase of de M-fase te ondergaan. Daarmee vond ik tussen de vijftig en honderd genen die een rol speelden in die processen.”

“Dan heb je de spelers, maar welke zijn cruciaal? Daarvoor moet je een ander soort vragen gaan stellen. Ik vergelijk het wel eens met de werking van een auto. Stel dat je erachter probeert te komen hoe die werkt. Dan kun je allerlei defecten vinden die tot gevolg hebben dat een auto niet meer rijdt. Als je de wielen eraf haalt, of de motor eruit, dan doet hij het niet meer. Haal je daarentegen een deur weg, dan verandert er niet veel. Dus die methode levert wel wát informatie op, maar als je wilt weten waar het regelingsmechanisme zit, dan heb je er niet genoeg aan de auto te laten stoppen.”

Gaspedaal

“Als ik de werking van de auto onderzocht, zou ik een mutant willen vinden, een defect dat ervoor zorgt dat de auto juist sneller gaat. Op die manier zou ik bij het gaspedaal kunnen uitkomen, en erachter kunnen komen dat naarmate je dat pedaal dieper indrukt, de auto harder gaat rijden.”

“Dus in plaats van dat je eenvoudigweg de machine kapot maakt, probeer je hem op een andere manier te laten werken, een manier die iets onthult over de controle over het geheel. Dus ik zat op een gegeven moment mutanten te zoeken die sneller deelden dan normaal.”

“Cellen groeien altijd, maken massa, en als ze een bepaalde grootte hebben, gaan ze delen. Ik keek dus naar cellen die deelden voordat ze groot genoeg waren. Ongelooflijk simpel. Met behulp van die mutanten kon ik een heel beperkte set genen definiëren, die overlapte met mijn oorspronkelijke verzameling..”

“Zo. Nu heb ik het verteld alsof ik ervoor ging zitten en het van te voren allemaal zo bedacht had. Maar dat is niet waar. Wat ik eigenlijk deed was onder de microscoop zoeken naar cellen die niet wilden delen, en dus heel groot werden. Maar af en toe zag ik ineens een cel die bij een veel kleinere omvang deelde.”

“Pas toen ben ik de kleintjes gaan verzamelen, en kon ik er die logica van net op loslaten. De natuur had het in voorraad, en mij viel het op. Vandaaruit kon ik verder, en het bleek een cruciale stap te zijn. Langs deze weg vond ik een gen dat ik cdc2 noemde. Cdc stond voor ‘cel-delings-cyclus’, en het was toevallig het tweede gen dat ik identificeerde.”

“Zo gaat dat met die namen. Als je dat gen uitschakelt, deelt de cel niet meer. Een mutant van datzelfde gen versnelde het delen juist. Die heb ik een leukere naam gegeven: de wee-mutant. Ik werkte op dat moment in Schotland, en wee is Schots voor ‘klein’.” (en Engels voor ‘plasje’ en ‘piesen’, redactie)

Stomverbaasd

“Dat gen hadden we dus gevonden, en toen deden we totaal onverwacht een tweede ontdekking. Je hebt dus die twee belangrijke fases in de celcyclus: de S-fase en de M-fase, en dat zijn heel verschillende soorten gebeurtenissen. Je zou verwachten, dat is de normale gang van zaken, dat je genen hebt die belangrijk zijn voor het een, en weer andere genen die belangrijk zijn voor het ander.”

“Tot onze grote verrassing was ons gen belangrijk voor allebei. Ik was stomverbaasd.”

“Daar zat ik met dat cdc2-gen, en het was absoluut noodzakelijk voor de S-fase, maar het reguleerde óók het in gang zetten van de M-fase.”

“En uiteindelijk bleek het zelfs nog een derde belangrijke functie te hebben. Dat is iets lastiger uit te leggen. Kijk, een gistcel is niet erg opwindend. Hij heeft niet veel mogelijkheden.”

“Eentje is dus dat hij zichzelf kan reproduceren, maar hij kan als hij wil nog iets: samengaan, versmelten met een cel van de andere sekse. Dan ontstaat er wat in jargon een ‘diploïde zygote’ heet, die ook weer gaat delen.”

“Maar de beslissing om zich te vermenigvuldigen, op een van die twee manieren, moet op een bepaald moment in de cyclus genomen worden. Ik kwam erachter dat dat nét voordat dat cdc2-gen in werking trad gebeurde. Als ik, met behulp van een mutant, de zaak vlak voor de S-fase blokkeerde, dan ging de cel niet alleen die S-fase niet in, maar je bracht hem op die manier af van élke vorm van reproduktie. Ook die seksuele verbintenis ging hij niet meer aan. Al die eigenschappen bleken in één gen te zitten.”

Bak gistcellen

En vervolgens bleek dat ene gen ook nog eens overal in de natuur terug te vinden te zijn. Over de manier waarop hij daar achterkwam, kan Nurse plastisch vertellen: “Toen we eenmaal dat gen gevonden hadden, werd het belangrijk te weten hoe het precies werkte. Nou bestaat een gen uit DNA, en rond 1980 ontstond voor het eerst de techniek om stukjes DNA te isoleren en te klonen.”

“We hebben toen een boel tijd besteed aan een methode om het DNA dat we in een reageerbuis hadden, zover te krijgen dat het door een gistcel kon worden opgenomen.”

“En toen dat gelukt was, was het simpel. We namen een bak vol gistcellen met een defect cdc2-gen, die dus niet konden groeien, en ook niet konden delen. Daar kieperden we het in kleine stukjes gehakte DNA – misschien wel 30.000 fragmenten – overheen, en dan was het een kwestie van afwachten waar een kolonie nieuwe cellen zou groeien. Want daar had het correcte DNA (dat we ‘gemerkt’ hadden, zodat we het terug konden vinden) dan het kapotte stukje vervangen, anders zouden ze niet zijn gaan delen. In die ontstane kolonie hebben alle cellen het goede gen, en dat kun je dan weer terug isoleren.”

“Dat geeft een entree. Je kunt dan bijvoorbeeld de genetische code uitzoeken. Elk gen bestaat uit een lange aaneenschakeling van vier aminozuren: A,C, T en G. De volgorde daarvan is de code voor wat een gen doet. We hebben toen de hele volgorde van dat cdc2 uitgezocht, en dat was indertijd gloednieuw. Heb je die volgordes of sequenties eenmaal, dan kun je ze vergelijken met andere genen. Zo zijn we ook andere dingen op het spoor gekomen.”

Stoutmoedige gedachte

“Maar we wilden zo graag weten of wat we gevonden hadden ook ergens anders relevant voor was. Toen hebben we ons uit de naad gewerkt voor een bizar experiment, waarvan niemand dacht dat het zou werken, en iedereen zei dat het krankzinnig was. Inmiddels wordt het veel gedaan, maar toen was het een veel te stoutmoedige gedachte.”

“Namelijk deze: als er nou eens een menselijk gen was dat hetzelfde doet? Het enige dat we hoefden te doen om daar een antwoord op te krijgen was menselijk DNA nemen, dat op dezelfde manier als het gist-DNA in stukjes hakken en dat dan bovenop die defecte gistcellen leggen.”

“Het duurde even voor we dat konden, maar toen bleek het vrijwel meteen te werken. Daarna haalden we dat menselijk gen eruit, en zochten de sequentie uit. Die bleek heel erg op die van gist te lijken. Het menselijk gen kon het gistgen ook helemaal vervangen.”

“Ineens hadden we gistcellen gemaakt die konden groeien met een menselijk gen. We konden bestuderen hoe een menselijk gen werkte in gist.”

“En dat ene experiment laat al zien dat de basisbesturingsprocessen overal hetzelfde zijn. Dat is later ook zo uitgekomen, toen is men overal gaan kijken, en is dit een groot onderzoeksterrein geworden.”

“Maar dat was wel een fantastisch gevoel. Uiteindelijk is gebleken dat mensen niet één enkel cdc2-gen hebben, maar een kleine familie van waarschijnlijk drie aan elkaar gerelateerde genen, waarvan de een meer gespecialiseerd is in het in gang zetten van de M-fase, een andere is voor de S-fase, en de derde doet zoiets als ‘je ervoor klaarmaken’. Mensen hebben dus meer specialisatie dan gist, maar die drie genen kunnen elkaar wel vervangen.”

“Waarom? Daar kun je over speculeren, en het leuke is dat niemand kan bewijzen dat je ongelijk hebt. Misschien is het gewoon onze complexiteit. We hebben wel hetzelfde basisplan, maar we moeten op veel meer prikkels reageren, en onze cellen zijn veel diverser.”

“Als we ons snijden moeten cellen gaan delen, maar we willen niet dat onze neus tot in het oneindige doorgroeit. Dat is een erg gecompliceerd programma.”

Chemo-preventie

Het is duidelijk, wat Nurse doet is fundamenteel onderzoek van het zuiverste water. In hoeverre het toepasbaar is voor kankeronderzoek (hij werkt tenslotte voor het vrijwel geheel op giften draaiende Koninklijk Kanker Onderzoek Fonds) is nog lang niet altijd duidelijk, maar dat het verkeerd delen van cellen bij kan dragen aan kankervorming ligt voor de hand.

“Kanker is enorm ingewikkeld, want eigenlijk zijn het honderden verschillende ziektes,” zegt Nurse. “Ik denk er wel eens over na dat je misschien iets gemeenschappelijks kunt vinden als je genetische veranderingen als uitgangspunt neemt. Dan zou je ook eerder kunnen ingrijpen, chemo-preventie in plaats van chemotherapie toepassen.”

De trend in de hele biochemie is richting universele principes. Maar die geven nog niet altijd antwoord. Ook de vraag waarom zenuwcellen anders dan alle andere cellen niet kunnen delen “is wel al gesteld, maar nog niet beantwoord,” vat Nurse samen.

Het zijn ook anderen die eraan werken, Nurse heeft zich inmiddels op een nieuw basisprincipe gestort: hoe komen cellen aan hun vorm? Ook nu begint hij weer bij afwijkingen, weer in gist. Hij heeft al een paar types. We mogen ze onder de microscoop bewonderen: kleine rondjes, T-mutanten en bananen-mutanten. “Levende dingen moeten zichzelf organiseren in de ruimte en in de tijd. Ik wil weten hoe ze dat doen.”

Als Nurse dat uitvindt, zal hij nog een prijzenkast (“Nee, ik hou de deurtjes dicht, anders staat het zo protserig”) voor nog meer glimmende medailles en bekers moeten aanschaffen.

Nootje: Nurse won in 2001 met twee anderen de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde.

Die warboel in hoofden en genitaliën

Voor seks heb je nauwelijks verstand nodig. Een theelepeltje neuronen in de hypothalamus is genoeg, en dat is sinds de oertijd al zo. Maar hoe liggen seks en sekse vast in onze hersenen? En welk gedrag volgt daaruit? Liesbeth Koenen traceerde het ‘nature/nurture’-debat over de liefde bij biochemici, filosofen, culturele antropologen en de Margriet-gezinstherapeuten. ‘Mannen en vrouwen hebben tegenstrijdige belangen. Ze hebben ook verschillende hersenen die andere stofjes produceren. En dat is waarom alle clichés over de man-vrouwverhoudingen waar zijn.’

In kroegen en op feestjes kun je hem in het wild aantreffen: de copuleerblik. Twee of drie seconden staart een man of vrouw met wijdopen ogen aandachtig naar een mogelijke kandidaat. De beoogde partij zal het meestal merken en terugkijken, waarna degene die begon de blik neerslaat.

De volgende stap is het even razendsnel nadenken door de aangestaarde: reageer ik of reageer ik niet? Dat nadenken, en de spanning breken, gaan gepaard met gefriemel aan een oorlelletje, een trui rechttrekken of een andere zinloze beweging. Daarna kan het alle kanten op: je kunt besluiten de ander te negeren, of je besluit voorlopig aan het spelletje mee te doen en glimlacht of zegt wat.

En soms, heel soms, zal het blijken liefde op het eerste gezicht te zijn.

Iets gênants

Toen ik dit scenario tegenkwam in Over de liefde van de Amerikaanse ethologe Helen Fischer, dacht ik: ‘ja, zo gaat dat. En ik geloof eigenlijk dat ik dat zelf ook geregeld doe’. Je dat realiseren heeft iets gênants, maar het gebeurt vanzelf, en het is voorbij voor je het weet.

De copuleerblik stamt dan ook nog uit de oertijd. Apen hebben hem ook. Het is niet meer dan het vliegensvlug uitwisselen van informatie tussen cellen in het deel van je hersens waar je mee ziet, en cellen in de hypothalamus, een theelepeltje hersenweefsel dat niet alleen een sleutelrol speelt bij seks, maar ook bij andere ‘basisfuncties’ als eten en drinken, je bloedsomloop, je lichaamstemperatuur, stress, groei, emotionele reacties en nog veel meer. Eén blik kan de zenuwcellen (of neuronen) activeren die betrokken zijn bij het ontstaan van seksuele opwinding.

Het is allemaal biologie en chemie die zich in niet meer dan een fractie van je hersenen afspeelt. Om neurobioloog Simon LeVay in The sexual brain aan te halen: voor seks heb je nauwelijks hersens nodig.

Goh, leuke vent

Toch zijn we er met ons verstand altijd wel degelijk op de een of andere manier bij. En dat is nou precies waarom ik boeken als die van Fischer en LeVay zo interessant vind. Ze vertellen alletwee op hun eigen manier iets over hoeveel we nou eigenlijk zelf in de hand hebben.

Ik bedoel, je werpt onbewust een copuleerblik op iemand, en ineens merk je dat je naar iemand toegetrokken wordt, ook letterlijk. Je denkt: goh, leuke vent, leuke meid, daar wil ik bij in de buurt zijn. Een kwestie van wat geactiveerde neuronen in je hypothalamus.

Tegelijk kun je denken: maar dit kan absoluut niets worden, want ik moet met deze persoon zaken doen, of mijn echtgenoot zit naast me, of nog iets heel anders. Ook een positief beantwoorde copuleerblik leidt lang niet altijd tot copuleren. Het verstand heeft dan gewonnen.

Maar je kunt er niet helemaal op vertrouwen. Ook al neem je je nog zo voor niet verliefd te worden, het kan je toch gebeuren. Dat kan goed aflopen, en iets moois worden (dan maar verliefd op je bazin of je cliënt bijvoorbeeld), maar ook een drama.

Golven van verlangen

In hoeveel echtelijke overspelruzies wordt er niet wanhopig geroepen ‘schat, ik kon het niet helpen, het was sterker dan ik, het overkwam me’? Dat overspel vaak (hoe vaak?) uitkomt, heeft denk ik ook alles te maken met de heftigheid van de gevoelens. Een verliefde heeft alle trekjes van een verslaafde. Golven van verlangen naar de ander kunnen je totaal in beslag nemen. En er hoort ook bij dat je grote risico’s neemt.

De straf is vaak buitenproportioneel: je baan moeten opgeven, een ontwricht gezin, een doodongelukkige partner waar je echt heus nog steeds veel van houdt. Hoe komt een mens zo gek?  

Fischer en Levay werpen er een beetje licht op. Ze vullen elkaar heel aardig aan. Fischer zoekt verklaringen voor ons liefdesgedrag in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens. Ook onze culturen zijn vaak direct terug te voeren op de evolutie, stelt ze.

Neem de copuleerblik: een ijzersterke reden om vrouwenhoofden met sluiers te omhangen. Immers, wil je als man de zekerheid dat jij je voortplant, en niet een andere kerel, dan moet je je vrouw weg zien te houden van anderen. En de voortplantingsdrift zit er diep in. LeVay kijkt in The sexual brain als het ware naar het eindresultaat van de evolutie: hoe liggen seks en sekse vast in onze hersenen? Wat speelt er zich af in je hoofd? En welk gedrag volgt daaruit?

Verloving mooie waarborg

Overigens vindt ook LeVay in de biologie de grondslag voor cultuurverschijnselen. Zo is de in heel veel samenlevingen bestaande gewoonte om een huwelijk vooraf te laten gaan door een verlovingstijd, een mooie waarborg tegen een al zwanger vrouwtje trouwen. Hoe kun je dat anders weten? Aan mensenvrouwtjes kun je niet zien of ze vruchtbaar zijn: vrouwen worden niet loops. Hoelmanvrouwtjes wel. Hoelmannen of langoeren zijn een apesoort waar het er nogal cru aan toegaat. Als daar een nieuw mannetje in de troep de macht overneemt probeert hij alle jongen te vermoorden, ook de kleintjes die de eerste maanden na de machtsovername worden geboren.

Want wat zal je het nageslacht van een ander op gaan zitten voeden. Bijkomend voordeel is dat de vrouwtjes als hun kind dood is al snel weer loops worden. Maar ze zullen er wel alles aan doen de kindermoord te voorkomen.

De Darwinistische gedachte daarachter is dat ze al geïnvesteerd hebben is zo’n kleintje en dat er bij een nieuw mannetje niet meer van hun erfelijk materiaal doorgegeven zal worden dan bij de vorige al gebeurd was. Verspilde moeite en energie dus.

Schijnloops

De evolutie zorgde voor een aardig energiesparend mechanisme. Als ze al zwanger zijn kunnen hoelmanvrouwtjes de zaak vernachelen: sommige worden dan schijnloops. Ze vertonen alle uiterlijke tekenen van vruchtbaarheid, paren met het nieuwe mannetje en baren vervolgens toch het kind van een ander. Het nieuwe mannetje trapt daarin en laat de baby met rust.

Het is bij mensen vaak niet anders. Zo’n verlovingstijd geeft nog enige garantie, maar hoe zit het daarna? Het schijnt dat de huidige DNA-technieken nogal eens voor familiedrama’s zorgen. Zelfs een simpele bloedtest kan al genoeg zijn om duidelijk te maken dat je papa je papa niet is.

Ondanks het taboe erop lopen er heel veel vrouwen met zo’n ‘kleine waarheid’ rond. Waarom dat taboe, en waarom gebeurt het toch?   Het komt hierop neer: mannen en vrouwen hebben tegenstrijdige belangen. Ze hebben dan ook verschillende hersenen die andere stofjes produceren. En dat is waarom alle clichés over man-vrouwverhoudingen waar zijn.

Alles draait om waarborging van het eigen nageslacht, het eigen erfelijk materiaal (daaruit komt ook de onuitroeibare neiging familie voor te trekken voort). Mannetjes moeten zien hun zaad zo vaak mogelijk in een vrouwtje te krijgen. Daarom willen ze zo vaak. Ze hebben er verder toch geen last van: mocht het raak zijn dan draagt het vrouwtje de last van de zwangerschap.

Viriele types

Voor haar zijn ook de gevaren. Het is dus zaak dat die vrouwtjes een beetje uitkijken wiens zaad ze toelaten. Ze moeten in hun genen al feeling voor viriele types hebben: de genen van vrouwtjes die mannen kozen waarmee het slecht vermenigvuldigen was, hebben het domweg niet gehaald.

Maar omdat alles op één kaart zetten zo zijn eigen risico’s met zich meebrengt is er bij vrouwen ook een ingebakken neiging tot vreemdgaan. Dat moet stiekem (en dat schijnt het ook in vrijwel alle culturen te gaan) omdat mannen zo veel mogelijk zekerheid willen hebben dat een baby van hun is.

Daar is nog een extra reden voor: de zorg voor het kind. Fischer gelooft dat de kern voor monogame relaties waarbij man en vrouw beiden bijdragen leveren aan de (op)voeding, gelegd is toen hominiden (echte mensen waren het nog lang niet) tussen de vier en zes miljoen jaar geleden door honger gedreven de savannes van Afrika op gingen.

Vervolgens gingen ze rechtop lopen, naar het schijnt om beter voedsel te kunnen vervoeren, en ontwikkelden ze zich tot jagers-verzamelaars. Op de savanne had je geen bomen en struikgewas om je in te verschuilen. Daar kon je dus ook niet de kinderen rustig laten spelen, en met die kleintjes ontstond er een groot probleem.

Hulpeloze kinderen

Pakweg een miljoen jaar geleden had homo erectus zoveel hersens gekregen dat kinderen eigenlijk te vroeg geboren moesten worden. Zouden ze zich langer in de baarmoeder ontwikkelen dan kon hun hoofdje niet meer door het geboortekanaal. Daarom zitten we nu nog steeds met verhoudingsgewijs zeer hulpeloze kinderen. En daarom nu hadden vrouwen voortaan een man nodig.

Want daar op die savannes was het leven hard. Als vrouw moest je je kind voortdurend op een arm meeslepen. Ga dan nog maar eens op jacht, en spring maar eens lekker de hele dag over konijneholen en haal maar eens vlot een bessenstruik leeg.

Een man die bescherming en extra voedsel bood werd noodzaak. In elk geval zo lang als het kind nog gedragen moest worden en de borst kreg. Daarna kon hij wel weer weg, en Fischer zegt dat hij dat ook deed, en nog steeds doet. Om die reden vind je in heel veel culturen een echtscheidingspiek na ongeveer vier jaar. En zolang men vruchtbaar is begint bijna iedereen vervolgens weer aan een nieuwe relatie.

Ik vat het allemaal wat grofstoffelijk samen, maar die sociobiologische verklaringen roepen bij mij altijd een zeker wantrouwen op. Het is me vaak te simpel. De evolutie berust op een samengaan van toeval en omgevingsfactoren. Maar in boeken als dat van Fischer wordt het voorgesteld alsof het absoluut niet anders had kunnen zijn dan het nu is.

Taboe op incest

Ik denk als ik haar lees: had er niet een heel andere sociale structuur uit kunnen komen? En sommige dingen snap ik niet, bijvoorbeeld waarom vrouwen jaloers zijn. Voor de doorgifte van je eigen erfelijk materiaal maakt het immers geen moer uit of je man zijn genen ook nog doorgeeft aan een ander. En nog een vraag: als het taboe op incest inderdaad zo universeel is en zo mooi evolutionair verklaarbaar (je moet genen mengen voor de beste resultaten) waarom komt het dan toch zoveel voor?

Mijn wantrouwen wordt in het geval van Fischer nog eens extra gevoed door het feit dat ze er voortdurend vrolijk op los fantaseert. Over hoe de Neanderthalers vast al in elkaars armen lagen te rollebollen, en hoe onze voorouders 35.000 jaar geleden zeker al regels met betrekking tot seksuele trouw hadden ingesteld, enzovoort. Vaak berust het absoluut nergens op. Tenminste, ik zou niet weten waarom onze voorouders zich per se zo gedragen zouden hebben als de !Kung in Afrika nog steeds doen. Het kan natuurlijk, ja.

Die crisis na vier jaar (met die ontdekking haalde Fischer de Oprah Winfrey show nog) berekent Fischer op basis van cijfers sinds 1941, in 63 culturen. Wat is nou vijftig jaar? Interessant is wel dat de piek onafhankelijk is van het echtscheidingspercentage, dat van cultuur tot cultuur verschilt en ook in de tijd verandert. Maar binnen de bekeken culturen vind je al grote uitzonderingen.

Islamitische landen

In islamitische landen ligt de echtscheidingspiek al na een jaar, volgens Fischer omdat daar zo veel huwelijken gearrangeerd worden: binnen een jaar blijkt dan wel of het werkt of niet. In haar eigen land loop je na twee à drie jaar de grootste kans op een scheiding. Fischers verklaring: zo lang duurt een verliefdheid ongeveer.

Ja, ammehoela, dat is in andere culturen net zo had ze al verteld. Want de overgang van verliefdheid naar liefde zit hem, zo meent men, in de overgang van de produktie in de hersenen van een amfetamine-achtige stof (PEA genaamd) naar een morfine-achtige stof (endorfinen). Van alert ‘kicken’ naar kalm geluk, zou je kunnen zeggen. Na twee of drie jaar gebeurt dat vanzelf.

Maar ook al geloof ik Fischer vaak niet helemaal, en al zitten er nogal wat herhalingen in het boek, het is toch de moeite waard om te lezen. Net als LeVays The sexual brain, dat veel minder speculatief is. Het is een bijzonder interessant boek, maar wel verdomd lastig. Steroïden, hormonen, allerlei plekjes in de hypothalamus en ratten spelen er de hoofdrol in. Veel onderzoek is gloednieuw.

Vrouwtje default-optie

Als je bijvoorbeeld bedenkt dat ze pas in 1991 het gen gevonden hebben (op het Y-chromosoom natuurlijk) dat een foetus ertoe aanzet zich als mannetje te ontwikkelen. Als dat gen er niet is word je een vrouwtje: het is de default-optie van de natuur.

Man-vrouwverschillen zitten niet alleen in uiterlijkheden, verschillende organen en verschillende hormonen, maar ook in de hersenen. En het begint allemaal al heel vroeg. Sekse-typisch gedrag bijvoorbeeld wordt rond de geboorte al bepaald. Daar is een zogenaamde ‘kritische periode’ voor: ratten die je voor of meteen bij de geboorte castreert zullen geen mannetjesgedrag (vrouwtjes beklimmen en dergelijke) vertonen, zelfs niet als je ze mannelijk hormoon geeft.

Dien je ze vrouwelijk hormoon toe dan gaan ze zich wel als vrouwtjes gedragen (met gekromde rug staan). Mannetjes die je een paar dagen later castreert kun je met behulp van mannelijk hormoon wel tot ‘gewone’ mannetjes omvormen. Op vrouwelijk hormoon reageren ze niet.  

Aanstaande rattenmoeder

LeVays boek barst van de beschrijvingen van dit soort experimenten. Intrigerend vind ik ook onderzoek naar de gevolgen van factoren van buitenaf. Geef je, ook weer in een kritieke periode, een aanstaande rattenmoeder een flinke portie stress (je zet haar bijvoorbeeld dagelijks drie keer een poos in fel licht) dan zullen haar zonen minder ‘mannelijk’ dan gewoonlijk zijn: ze beklimmen minder vaak vrouwtjes, en zijn meer geneigd de vrouwelijke paarstand aan te nemen.

Het idee is dat de stress het mannelijk hormoonniveau in de foetus beïnvloedt, wat op zijn beurt gevolgen heeft voor de groei van een gebiedje in de hersens (de ‘seksueel dimorfe kern’) dat bij mannen groter hoort te zijn dan bij vrouwen. Ook bij normale ratten is er een verband tussen de grootte van die kern en de mate van mannelijk gedrag: hoe groter hoe mannelijker.

Mensen zijn geen ratten, ik weet het. Maar in heel veel opzichten wel. Waar de verschillen beginnen weten we nog lang niet. Maar het aardige van boeken als Over de liefde en The sexual brain is dat ze je ondermeer daarover aan het denken zetten. Ze bieden ammunitie voor de vurige debatten over twee topics die de wetenschap al lang bezighouden, maar waar tegenwoordig daadwerkelijk wat schot in lijkt te komen: de discussie over de samenhang tussen lichaam en geest, en de vraag naar wat aangeboren en wat aangeleerd is, wat ‘natuur’ en wat ‘cultuur’, het nature-nurturedebat dus. Die twee onderwerpen hangen overigens natuurlijk ook samen.   

Tussen lust en last

Het lijkt zelfs wel of dat nature-nurturedebat zich voortdurend in jezelf afspeelt. Het geworstel tussen lust en last, tussen wat ze je verteld hebben, en hoe het in het echt is.

Neem zo’n gegeven als dat vrouwen van nature gemiddeld minder behoefte hebben aan seks. De cultuur, die ook weer deels voortkomt uit de natuur, schrijft van oudsher toch een zekere inschikkelijkheid voor. Dus ze geven toe, en balen daar weer van.

Mannen is ondertussen verteld dat ze zich niet aldoor moeten opdringen, of ze merken dat hun vrouwtje niet zo vaak zin in ze heeft, dus mannen raken ook weer gefrustreerd. Wat een warboel in hoofden, harten en genitaliën.

Als je afgaat op de gesprekken en enquête van de psychologes Annette Heffels en Willeke Bezemer is het vinden van een gulden behoeftenmiddenweg een van de grote strijdpunten tussen de seksen. Na een serie interviews met vrouwen op tv onder dezelfde titel, verscheen van hun hand het boek Liever de lusten.

Het is de neerslag van een onderzoek naar vrouwelijke seks, in opdracht van het weekblad Margriet, en bevat cijfermateriaal en fragmenten van gesprekken.

Tegen haar wil

Daar zit allerlei interessants tussen: slechts 27 procent van de vrouwen zegt nooit tegen haar wil te vrijen, meer dan de helft fantaseert wel eens over vrijen met een ander, en boven de 55 komt meer dan een keer per dag neuken niet meer voor.

Bij de gesprekken hoor je goddank niet die van begrip druipende stem van Heffels, die het mij bijna onmogelijk maakt te kijken naar de interviews met mannen die op het ogenblik worden uitgezonden onder de titel Min of meer macho. Overigens ging het er daar ook weer meteen over dat hij wel de hele dag hop-d’rop wil, en zij helaas niet.

Enfin, met die man-vrouwverschillen is het niet onbegrijpelijk dat er sinds mensenheugenis afspraken, taboes en wetten bestaan in elke cultuur. En dat die vaak over dezelfde dingen gaan. Geen kinderen kunnen krijgen is bijvoorbeeld vrijwel overal een grond voor echtscheiding.

De Grieken Plutarchus en Lucianus (ze leefden in de eerste en de tweede eeuw na Christus) wisten natuurlijk ook al lang dat het huwelijk er was om nageslacht voort te brengen. Een deel van hun geschriften is net in het Nederlands vertaald, ingeleid en van noten voorzien door Hein van Dolen. Twee dunne boekjes voor liefhebbers, met dialogen en opstellen. Dat met werk van Lucianus heet Liefde, vriendschap en laster, dat van Plutarchus Huwelijk. Wat erin staat klinkt voor een groot deel akelig bekend.

Wij hebben alleen Eros en de andere goden vervangen door Darwin en de biologie. Het resultaat is hetzelfde, zij het dat het bij de oude Grieken wel compleet ‘a men’s world’ was.

Reactionaire praat

Plutarchus’ 47 tips voor jonggehuwden bijvoorbeeld kunnen zo in het partijprogramma van de SGP opgenomen worden. Vertrouwde reactionaire praat over hoe de vrouw onder de duim gehouden moet worden, overgoten met een sausje van dat dat juist heel goed is, omdat de goden het zo bedoeld hebben.

Ook de homoseksualiteit, waar driftig over gediscussieerd wordt in beide boekjes, betrof natuurlijk alleen die tussen beeldschone knapen en andere mannen. Het door Lucianus geschreven opschepperige gesprek tussen een Skyth en een Griek over welk volk de vriendschap (alweer: die tussen mannen natuurlijk) het hoogst aanslaat is bijna komisch, zo bekend is de toon.

Ook sprookjes – we gaan weer iets verder in de tijd – zitten tjokvol met dezelfde thema’s, dezelfde clichés. Trouw en maagdelijkheid zijn belangrijk, incest is taboe, iedereen wil een kind, broertjes en zusjes helpen elkaar (Hans en Grietje, Kleinduimpje), stiefouders hebben geen trek het erfelijk materiaal van een ander op te voeden (Sneeuwwitje), enzovoort.

De cultureel antropologe en sociologe Lily Clerkx viste familierelaties en andere thema’s uit Westeuropese sprookjes, vanuit het idee dat je zo meer kunt begrijpen over het leven in vroeger tijden. Kennelijk waren er inmiddels ook heel wat magische en christelijke invloeden te vinden in de belevingswereld van de pre-industriële mens. Jammer dat En ze leefden nog lang en gelukkig weer zo’n integraal uitgegeven proefschrift is (althans, dat moet het haast wel zijn) in de bekende academische stijl van Piet zegt dit, en Marietje beweerde ooit zo, en ik heb het allemaal gelezen. Wel 40 bladzijden noten en literatuur, geen register. De ouderwetse plaatjes maken gelukkig nog iets goed.

Honger boven familiebanden

Een ding komt ook duidelijk naar voren uit de studie van Clerkx: het belang van economische omstandigheden. Honger gaat soms boven familiebanden (Kleinduimpjes ouders laten hun kinderen in het bos achter), jonge helden trekken op zoek naar rijkdom de wijde wereld in, en rivaliteit tussen broers of zusters is meestal het gevolg van onenigheid over de erfenis.

Maar juist in die economische omstandigheden gloort er nog wat hoop voor mensen die de maatschappij, en dan vooral de verhouding tussen mannen en vrouwen, graag anders zouden zien. In Over de liefde stelt Fischer dat de overgang naar agrarische gemeenschappen-met-werktuigen de nekslag voor vrouwelijke bewegingsvrijheid is geweest: daarvoor werkten alle vrouwen naast de mannen, en zwierf men rond, daarna zat iedereen vast op een plek, en ontstond de bekende rolverdeling.

Vrouwen waren niet sterk genoeg om ploegen en wat dies meer zij te bedienen, dus werden ze totaal afhankelijk van mannen. Echtscheiding werd iets heel bijzonders.

Het industriële tijdperk heeft daar verandering in gebracht. Sinds de negentiende eeuw stijgt het echtscheidingspercentage in de geïndustrialiseerde wereld dan ook gestaag.

Fischer is zeer optimistisch over de toekomst. We gaan weer terug naar ons ‘nomadische’ verleden, denkt ze. We zitten niet meer vast aan een plek, waar we ons eigen voedsel verbouwen. Welnee, we bewegen ons van huis naar werk, naar vakantieadres. Jagen en verzamelen doen we nu in de supermarkt. Vrouwen krijgen weer minder kinderen, net als in de oertijd. En ze werken weer, ook net als in de oertijd.

‘Het gaat goed!’

Mannen en vrouwen die zij aan zij werken zien Patricia Aburdene en John Naisbitt zelfs als een van de Megatrends for Women. Hun boek met die titel is zo’n typisch Amerikaans produkt vol overoptimistische statements. ‘Het gaat goed! Het gaat goed!’ schreeuwt het op elke bladzij. Vrouwen starten ondernemingen, krijgen leidende functies, stappen in de politiek. Ze eisen hun recht op! In 2004 zal een vrouw president van Amerika zijn!

Er is veel onzin en ook stemmingmakerij te vinden in deze Megatrends, maar anderzijds verandert er natuurlijk wel degelijk het een en ander. Sommige van die dingen werken overigens beslist op mijn lachspieren. Zou er bijvoorbeeld werkelijk iemand gebaat zijn bij al die vrouwelijke theologie, waar men onder meer speculeert over de mogelijkheid dat de slang in het paradijs zijn vragen expres aan Eva stelde, omdat die intelligenter was?

We zullen zien in hoeverre we de last van de evolutie kunnen afschudden, en of de hooggestemde idealen in ons hoofd het ooit echt zullen winnen van de lage lusten. Je afkomst in gedachten houden kan in elk geval geen kwaad voor een beter begrip van de wereld.

Besproken boeken:

OVER DE LIEFDE De evolutie van monogamie, overspel en scheiding door Helen E. Fischer. Vertaling Marlou Gemmeke Uitgever Contact, 391 p., f 45,-

THE SEXUAL BRAIN door Simon LeVay. Uitgever The MIT Press, 168 p.,f 56,64

LIEVER DE LUSTEN Vrouwen over hun seksualiteit door Annette Heffels en Willeke Bezemer. Uitgever Anthos/Margriet, 238 p., f 27,50

HUWELIJK moraal en praktijk door Plutarchus Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Uitgever Atheneum – Polak & Van Gennep, 94 p. f 25,-

LIEFDE, VRIENDSCHAP & LASTER door Lucianus Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Uitgever Atheneum – Polak & Van Gennep, 115 p. f 29,90

EN ZE LEEFDEN NOG LANG EN GELUKKIG Familieleven in sprookjes, een historisch-sociologische benadering door Lily E. Clerkx. Uitgever Bert Bakker, 234 p., f 45,-

MEGATRENDS FOR WOMEN door Patricia Asburdene & John Naisbitt. Uitgever Villard Books, 389 p., f 47,05

“Ik denk dat de eerste taal van de mens een soort creolentaal was”

Wat gebeurt er als mensen met een verschillende moedertaal toch met elkaar willen praten? Dan ontstaat er een pidgin, een soort contacttaal. Krijgen de pidginsprekers kinderen, dan kan een pidgin zich ontwikkelen tot een echte, complete taal. Zulke talen heten creolentalen, en je vindt ze over de hele wereld. Volgens Bickerton, die in Nederland de creolentalen uit Suriname kwam onderzoeken, lijken ze allemaal sterk op elkaar. En dat komt, zegt hij, omdat we allemaal met hetzelfde ‘Taal Bioprogramma’ geboren worden. 

Het gebeurde in Suriname, eind zeventiende eeuw. Groepjes slaven ontsnapten van de plantages en vluchtten het oerwoud in. Daar stichtten ze een eigen gemeenschap. Hoe ze op dat moment met elkaar praatten weet niemand: ze kwamen uit verschillende delen van Afrika en hadden deels Engels- deels Portugeessprekende bazen gehad.

Hun nakomelingen (de bosnegers of marrons die nog steeds geregeld in het nieuws komen) spreken nu Saramaccaans, een taal waarin wel Portugese en Engelse woorden zijn te vinden, maar die verder niet op een van die talen lijkt. Er zijn ongeveer 20.000 sprekers van het Saramaccaans. Een klein deel daarvan woont in Nederland.

De slaven die op de plantages bleven hadden dezelfde achtergrond, maar ontwikkelden een andere taal: het Sranan. Ook daar zitten Engelse en wat Portugese woorden in, en ook deze taal lijkt niet op het Engels of het Portugees. Ongeveer een half miljoen mensen spreekt Sranan, een derde van hen woont in Nederland.

Saramaccaans en Sranan lijken overigens ook niet op Afrikaanse talen. Ze lijken eigenlijk nergens op, alleen maar op elkaar én op de zeventig à tachtig andere talen in de wereld die onder vergelijkbare omstandigheden ontstaan zijn. Vrijwel allemaal vormen die de oogst van het koloniale tijdperk. Afhankelijk van de plek op de wereldkaart zijn er bijvoorbeeld Franse, Duitse, Engelse, Portugese, Spaanse of Nederlandse woorden in terug te vinden. Ze worden creolentalen genoemd, en voor taalkundigen zijn ze een ware goudmijn. Er bestaan immers verder geen talen waarvan we zo mooi kunnen nagaan hoe ze ontstaan zijn, en daar komt dan ook nog die merkwaardige gelijkenis bij; creolentalen komen zo verspreid over de wereld voor dat het uitgesloten is dat ze elkaar beïnvloed hebben.

Zoiets schreeuwt om verklaringen, maar pas in het kielzog van de moderne ideeën over grammatica is de creolistiek een echt vak geworden. De overeenkomsten tussen al die talen zitten namelijk vooral in de structuur. Tot dusver is de meest invloedrijke theorie de Taal Bioprogramma Hypothese.

De bedenker daarvan, Prof. Derek Bickerton, deed een jaar lang onderzoek naar de verschillen tussen Saramaccaans en Sranan in Nederland, bij de vakgroep Algemene Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam. Zijn naam is in het jaren tachtig zo gevestigd geraakt dat niemand meer iets over creolistiek kan publiceren zonder op de een of andere manier in te gaan op zijn ideeën.

Creolentalen komen voort uit zogenaamde pidgin-talen. Wat is het verschil tussen die twee?

“Iedere contacttaal die ontstaat tussen mensen die geen gemeenschappelijke taal hebben noemen we een pidgin-taal. Dat kan bijvoorbeeld zoiets zijn als wat matrozen in havens spreken. Zo’n pidgin is nogal beperkt en heeft dikwijls een primitieve structuur, en het is altijd een hulptaal, dat wil zeggen: het kan nooit iemands moedertaal zijn. Maar er zijn omstandigheden waaronder een pidgin wel de moedertaal van een groep mensen wordt. Dan verandert het radicaal, en wel onmiddellijk. Ik wil niet zeggen dat het precies hetzelfde wordt als alle andere natuurlijke talen, maar het krijgt in ieder geval alle essentiële eigenschappen van natuurlijke taal.”

“Meestal is dat gebeurd in plantage-economieën, waar feitelijk een nieuwe maatschappij werd gecreëerd door van buitenaf arbeiders in te voeren. Een maatschappij zonder een eigen taal kan niet bestaan. De reden dat de slaven op de plantages niet de dominante koloniale taal gingen spreken, was dat ze hem niet kenden, en ze hadden niet genoeg contact met hun meesters om hem te leren kennen. Zelf kwamen ze meestal uit verschillende delen van Afrika, dus ze konden ook niet een Afrikaanse taal gebruiken. Daarom moesten ze wel een nieuwe taal uitvinden.”

Maar uw idee is dat de kinderen die creolentalen uitvonden, niet de volwassenen.

“Ja, dat komt heel duidelijk naar voren uit het onderzoek dat ik gedaan heb op Hawaii. Daar heb ik jaren gezeten. Hawaii is de enige plek ter wereld waar dat creolisatie-proces zo kort geleden plaatsvond dat er nog veel overlevenden van de pidgin-periode zijn. Je kunt daar nog steeds gewoon met ze praten, en ze spreken een pidgin-vorm die nauwelijks enige structuur heeft. Het blijft allemaal beperkt tot simpele zinnen, met veel omschrijvingen en aarzelingen. Er zitten veel Engelse woorden in, maar ook nogal wat Hawaiiaanse.”

“Toen ik daar voor het eerst kwam, was er een ding dat me enorm trof: het grote verschil tussen het pidgin van de immigranten, (die uit alle windstreken afkomstig waren) en de taal die hun kinderen gebruikten. Die kinderen zijn op Hawaii opgegroeid en zij maken wel prachtige volzinnen, met complexe structuren, maar dat zijn niet de structuren van het Engels of het Hawaiiaans of wat dan ook. Hun taal lijkt op de talen die onder soortgelijke omstandigheden in totaal andere delen van de wereld ontstaan zijn. Daaruit heb ik geconcludeerd dat niet volwassenen het creolisatie-proces uitvoeren, maar kinderen.”

In welke opzichten lijken die creolentalen dan op elkaar? Kunt u een voorbeeld geven?

“Wat mij zelf indertijd het eerste opviel, en wat ook het duidelijkst is, is de structuur van het ‘hulpwerkwoorden-systeem’. Alle creolentalen hebben een woord dat tijd aangeeft, een woord dat aspect aanduidt, en een woord voor modaliteit. Die woorden zien er natuurlijk niet letterlijk hetzelfde uit, maar ze hebben altijd dezelfde betekenis. Het aspect bijvoorbeeld geeft altijd aan of iets al ‘voltooid’ is of nog ‘niet voltooid’. Is het ‘niet voltooid’, dan is het of nog steeds aan de gang, of het gebeurt regelmatig, van tijd tot tijd zeg maar. Het modaliteit-woord splitst eenvoudig de wereld in feiten en mogelijke gebeurtenissen. Dat betekent dat het verschil tussen ‘Ik zal het doen’ en ‘Ik zou het doen’ niet bestaat. Dit is karakteristiek voor vrijwel alle creolentalen.”

En u denkt dat die karakteristieken ons een inkijkje geven in welke delen van taal we als aangeboren kunnen zien. Ze maken deel uit van wat u het ‘Taal Bioprogramma’ van de mens noemt.

“Ja, mijn stelling is dat een groot deel van de taalstructuur aangeboren is. Dat geldt vooral voor syntactische structuren, dus de zinsbouw, en voor bepaalde aspecten van de semantische structuur, (de betekenis). Die dingen zijn onveranderlijk, en voor alle leden van het menselijk ras gelijk. Ze staan geen enkele variatie toe.

Daarin ga ik dus nog wat verder dan Chomsky, die aanneemt dat er een (overigens klein) arsenaal aan syntactische principes is, waaruit een kind de bij zijn taal passende varianten moet kiezen door naar zijn omgeving te luisteren. Ik zeg dat bepaalde aspecten van de syntaxis en de semantiek op geen enkele manier geleerd hoeven te worden, sterker nog, eigenlijk denk ik dat alle syntactische principes niet aan variatie onderhevig zijn.”

“De vraag is dan natuurlijk wat een kind wel moet leren. Nou, dat weten we allemaal: kinderen leren woorden. Die moeten ze ook echt leren omdat woorden eigenschappen hebben. Ze horen bijvoorbeeld tot een bepaalde woordklasse, en dat brengt soms ook weer eigenschappen met zich mee. Bij werkwoorden moet je weten of er alleen een onderwerp bij mag staan, zoals in ‘Ik zit’, of dat er ook nog een lijdend voorwerp kan volgen (‘Ik koop een boek’) of dat er nog een derde ‘betrokkene’ kan zijn (‘Ik verkoop jou een boek’).”

“De betekenis is natuurlijk ook een eigenschap. Het scala van verschillende functies waarin een woord verschijnt, dat moet een kind leren. Die dingen zijn namelijk niet voor alle talen gelijk, ook verwante woorden kun je vaak niet zomaar vertalen. Neem bijvoorbeeld het Engelse that en het Nederlandse dat: die hebben duidelijk met elkaar te maken, maar toch doen ze niet altijd hetzelfde en zijn er verschillen in functie.”

“Een kind moet dus leren hoe een woord ‘past in de grammatica’. De eigenschappen van de verschillende woorden interacteren met die onveranderlijke, vaststaande syntactische principes. Maar omdat de eigenschappen van de woorden per taal verschillen, krijgen die talen toch een verschillende syntaxis. Als je twee dingen bij elkaar doet, en een van die dingen is altijd hetzelfde en het andere is altijd iets anders, dan zijn de resultaten allemaal verschillend.”

“Wat gebeurt er nou bij creolentalen? Daar heb je te maken met een enorm uitgeklede woordenschat. Dat komt door het pidginisatie-proces dat vooraf gaat aan het formeren van een creolentaal. Pidgin-sprekers zijn als het ware gefrustreerde taal-leerders: ze proberen een bepaalde taal te leren, maar kunnen niet meer dan een klein fragment opsteken. Daarom moeten hun kinderen het met een enorm gereduceerde woordenschat doen, gereduceerd op twee manieren: er zijn veel minder woorden dan normaal, en bovendien hebben die minder eigenschappen.”

“Kinderen hebben, in tegenstelling tot volwassenen, rechtstreeks toegang tot de aangeboren syntactische principes. Dat kunnen we natuurlijk niet uitproberen, maar verhalen over wolvekinderen en dergelijke suggereren wel dat kinderen tot ongeveer hun twaalfde ‘vanzelf’ taal kunnen leren, pas daarna lukt het in ieder geval niet meer probleemloos en automatisch.”

“Dat geldt natuurlijk ook voor de kinderen van pidgin-sprekers, alleen moeten zij het zien te redden met een heel beperkte woordenschat die toch verbonden moet worden aan een complete set syntactische principes. Iedere taal moet nu eenmaal bepaalde dingen hebben, zoals de een of andere markeerder voor tijd en een stel ‘functiewoorden’: dat zijn de woorden die als verbinding tussen gewone inhoudswoorden dienen.”

“Het komt er simpel gezegd op neer dat sommige dingen niet gemist kunnen worden en er toch niet zijn in een pidgin. Voor de creoolgeneratie betekent dat dat ze een heleboel woorden zelf moet uitvinden. Meestal doen ze dat door een woord met inhoud te nemen en dat dan te ‘degraderen’ tot een grammaticaal element. Ze gaan dan bijvoorbeeld een werkwoord gebruiken op de manier waarop in andere talen voorzetsels gebruikt worden. Je zou dat kunnen vergelijken met het achtervoegsel lijk in het Nederlands (heerlijk, uiterlijk). Dat is ooit ontstaan uit lijk dat toen nog lichaam betekende.”

“Door nu te kijken welke veranderingen de kinderen van pidgin-sprekers aangebracht hebben, welke dingen ze erbij verzonnen hebben, welke elementen kortom essentieel zijn, kunnen we een idee krijgen over hoe de ‘universele grammatica’ eruit moet zien. Dit soort onderzoek geeft kijk op de fundamentele principes waarop taal berust.”

En u heeft het idee dat de Surinaamse creolentalen nog meer inzicht in die principes kunnen geven dan andere creolentalen.

“Ja, Suriname is misschien wel het interessantste gebied ter wereld voor de creolistiek. Het gemis aan taal was daar groter dan ergens anders. De reden daarvoor ligt in de geschiedenis van Suriname. Dat begon namelijk rond 1650 als een Engelse kolonie, maar kwam zeventien jaar later al in handen van de Hollanders. Dat betekende dat de oorspronkelijke dominante taal, het Engels, al vrij snel vervangen werd door een andere dominante taal: het Nederlands”

“Toch had dat Engels zich al een stevige plaats verworven. Toen de Nederlanders de boel op een gegeven moment overnamen, kwam het erop neer dat ze het pidgin van de plantages als een buitenlandse taal moesten leren. Nederlands is nooit de voertaal geworden en tot op de dag van vandaag is minder dan 25 procent van de woorden in alle Surinaamse creolentalen Nederlands van oorsprong. Zijn ze dat wel, dan gaat het dikwijls om namen voor dingen die de Nederlanders meebrachten. Zo’n 60 tot 70 procent van het vocabulaire komt uit het Engels, en dan zijn er nog wat Afrikaanse en Portugese woorden.”

“Dat laatste komt omdat een deel van de plantagehouders bestond uit gevluchte Portugese Joden. Dat is een wat rare gecompliceerde historie: die Joden waren meegekomen met de Hollanders bij hun poging Brazilië te veroveren. Die poging mislukte, dus moesten de Joden opnieuw vluchten, omdat ze in een Portugees Brazilië even hard vervolgd zouden worden als in Portugal zelf. Met hun familie en hun slaven, eigenlijk met complete plantages, zwierven ze toen door het hele Caribische gebied. Een deel is nog tijdens de Engelse tijd in Suriname terecht gekomen.”

“Sommige van de ontsnapte slaven die de Saramaccaanse gemeenschap gesticht hebben, waren van die plantages afkomstig, andere hadden een Engelstalige plantagehouder gehad. Die gemeenschap was volkomen geïsoleerd en had dus eigenlijk helemaal geen dominante taal meer, en dat zal wel een van de redenen zijn dat er in het Saramaccaans meer Afrikaanse woorden bewaard zijn gebleven dan in andere creolentalen.”

“Daarnaast hadden slaven de beste kansen om te ontsnappen als ze nog maar net ‘geïmporteerd’ waren, en dus nog niet veel Engels of Portugees hadden gehoord. Toch is er niets specifiek Afrikaans in hun taalstructuur te ontdekken, de syntaxis lijkt alleen op die van andere creolentalen, met dien verstande dat de algemene creoolse tendensen in het Saramaccaans nog iets sterker zijn.”

“Het is bijzonder interessant om het Saramaccaans met het Sranan te vergelijken. Ze zijn in hetzelfde land onder vrijwel gelijke omstandigheden ontstaan, met behulp van ongeveer hetzelfde materiaal, alleen zijn de voorouders van de Sranan-sprekers indertijd niet gevlucht. De twee talen lijken over het algemeen ook erg op elkaar, maar de verschillen die er zijn, zijn heel frappant: in het Saramaccaans is alles altijd, laten we zeggen ‘iets raarder’, het heeft minder weg van de Europese talen. Ik denk dat je hier beter dan ergens anders de karakteristieken van de ‘universele structuur’ kunt zien, omdat die moest opereren met een extra-uitgeklede woordenschat.”

“Het meest ideale zou natuurlijk zijn als we puur naar syntactische structuren konden kijken, zonder woorden, maar dat zou zoiets worden als de onzichtbare man die zijn kleren uittrekt: dan kun je hem niet zien. Syntaxis lijkt erg op die onzichtbare man, om hem te kunnen zien moet hij ‘kleren van woorden’ aanhebben. En in het Saramaccaans bestaat die ‘aankleding’ uit iets dat dicht bij het absolute minimum ligt.”

Als die universele structuren aangeboren zijn, dan moet je eigenlijk in iedere taal dezelfde eigenschappen terug kunnen vinden.

“Ik denk ook dat dat zo is, alleen bij ‘gewone’ talen worden ze als het ware verduisterd omdat talen veranderen, invloed van elkaar ondergaan, woorden overnemen of erbij verzinnen etcetera. Waarom dat zo is weet ik werkelijk niet. Alles verandert, talen ook.”

Hoe denkt u dan dat het zit met de allereerste taal die mensen spraken?

“Ik denk dat de eerste taal van de homo sapiens zeker zoiets als een creolentaal is geweest, maar daar moet een andere taal aan vooraf gegaan zijn: een pidgin-achtige taal. Het is namelijk moeilijk je voor te stellen dat ‘taal’ tijdens de evolutie voortkwam uit een doel, om het zo maar even uit te drukken.”

“Het is veel aannemelijker om ervan uit te gaan dat er twee kanten aan taal zitten. Een is de ‘symbolische referentie’, dat wil zeggen: de mogelijkheid om met woorden ergens naar te verwijzen, maar de tweede kant is iets heel anders: dat is het vermogen om die symbolen in verschillende volgordes te schikken, waardoor het mogelijk wordt complexe beweringen te produceren.”

“Dat refereren kan helemaal onafhankelijk van enig structuursysteem bestaan. Alleen al het feit dat er pidgins bestaan, bewijst dat. Iemand die een pidgin spreekt, gebruikt wat ik een ‘evolutionair vroeger programma’ zou willen noemen. Dat maakt wel deel uit van het hele ‘bioprogramma’, maar het is dat van een vroegere soort, misschien van de homo erectus.”

“Mij zou het in ieder geval niet verbazen, als dat vermogen om te symboliseren al honderdduizenden jaren vóór enige structurele taal zoals wij die kennen was begonnen. Waarschijnlijk zitten die strips waarin holbewoners een soort pidgin praten er dus helemaal niet zover naast, en vertegenwoordigen ze een behoorlijk goede intuïtie over hoe ‘taal’ er vroeger uitzag.”

Volgens u kun je dus aan een taal zien of hij oud of jong is door te kijken of hij veel of weinig typische creolentalen-eigenschappen heeft?

“Nou, dan moet je aannemen dat talen in hetzelfde tempo verouderen, en je weet niet of ze dat doen. Op Hawaii gaat het erg hard, maar kijk je bijvoorbeeld naar het Vietnamees dan ligt het anders. Het Vietnamees heeft vreselijk veel creolen-eigenschappen, en er zijn ook redenen om aan te nemen dat het een creolentaal is, maar het is wel al 2000 jaar oud. Als het echt een creolentaal is dan vraag je je af hoe het die kenmerken zolang bewaard heeft. Het enige antwoord daarop is: we weten het niet. Een mogelijke verklaring is te vinden in het feit dat het een toontaal is. In toontalen kun je een betekenisverschil aan een woord geven door het op een hogere of lagere toon uit te spreken, en het is bekend dat die talen de neiging hebben om sommige dingen beter te bewaren.”

“Je weet niet precies hoe dat allemaal in zijn werk gaat. De Surinaamse creolentalen veranderen op het moment ook. Ik denk dat ik in Nederland al tekenen gezien heb van invloed van de Nederlandse syntaxis op het Sranan, vooral bij jonge mensen die al lang tweetalig zijn. Maar hoe dat in Suriname zit weet ik niet.”

“Het ontstaan van creolentalen is feitelijk een natuurlijk experiment, dat niemand ooit zou mogen uitvoeren. De hele koloniale periode is waarschijnlijk rampzalig voor de menselijke soort in het algemeen geweest, maar het heeft ons in ieder geval toch iets geleerd.”

Noot: Derek Bickerton werd geboren op 25 maart 1926 en stierf op 5 maart 2018. Dit interview schreef ik in 1986. Het werd pas een jaar later gepubliceerd, na allerlei omzwervingen. De NRC wilde het in eerste instantie niet hebben omdat ze het te moeilijk vonden. Het was geloof ik nog even wennen dat taalkunde een normale wetenschap was geworden. Het gesprek staat ook in Het Vermogen te Verlangen (9 letters), gesprekken over taal en het menselijk brein.

Op zoek naar het brein van de cel

Canada, Toronto, het Mount Sinai Hospital, tien uur ’s ochtends. Een man met een kratje vol paperassen en fotolijstjes komt het al half lege laboratorium uitlopen. Opgerolde mouwen, voortvarende pas, hier wordt driftig verhuisd. Maar de verhuizer lijkt wel erg op een foto die te zien valt op de Internet–site van het ziekenhuis waar we zijn.

Enigszins verbaasd laat hij zich tegenhouden bij de deur. Ja, hij is inderdaad Tony Pawson. Mensen uit Amsterdam? Voor de Heinekenprijs? Ach, dat is waar ook, totaal vergeten! 

Het blijkt allemaal niets uit te maken. Binnen tien minuten zitten we, met koffie, in Pawsons nog volkomen kale nieuwe werkkamer, en is hij begonnen aan een geestdriftig college. Hij begeleidt zijn verhaal met zoveel gebaren en schetsen op de geleende blocnote, dat zijn koffie er steenkoud van wordt.

Het gaat over de basis van alle leven: over cellen. Hoe die in elkaar zitten, op welke manieren ze met elkaar communiceren, hoe ze ‘weten’ wat ze moeten doen. De van oorsprong Britse prof.dr. Anthony James Pawson (1952) is hoofd van de afdeling Moleculaire Biologie en Kankeronderzoek van het Samuel Lunenfeld Onderzoeksinstituut dat in het Mount Sinai Hospital gevestigd is, en de winnaar van de dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica.

Jongensachtig

Het komt allemaal doordat hij op school niet genoeg heeft opgelet, beweert de moleculair bioloog met een jongensachtige lach, die in het gesprek steeds zal opklinken. Pawson: “Ik wist niet goed hoe het hoorde, dat je geacht werd op een bepaalde manier tegen de interne organisatie van cellen aan te kijken. Toen ik in 1986 voor het eerst mijn onderzoek presenteerde voor collega’s stond er een gerenommeerde onderzoeker op – ik zal zijn naam niet noemen – en die zei: ‘Wat u zegt is ketterij! En als u gelijk heeft dan moeten we onze hele kijk op de biologie omgooien.’ Hij bedoelde het natuurlijk als kritiek, maar op dat moment dacht ik: hé, ik ben echt iets op het spoor.”

Inmiddels staan Pawsons bevindingen in alle leerboeken. In essentie komt het hierop neer: de doorgifte van informatie in cellen is niet simpelweg een kwestie van alleen een rechtlijnige opeenvolging van actie–reactie–actie–reactie enzovoort. Het lijkt eerder op een soort netwerk, of een spinneweb, waarbinnen min of meer eigenstandig opererende ‘modules’ een cruciale rol spelen. Maar om dat te snappen moeten we terug naar de oorsprong, zegt hij.

Kink in de kabel

Pawson: “We beginnen het leven allemaal als één enkele cel. Die moet groeien, delen, er moeten nieuwe cellen gemaakt en die moeten zich bovendien kunnen specialiseren, anders krijg je alleen maar een klomp. Het moeten bijvoorbeeld bloedcellen kunnen worden, zenuwcellen, levercellen en nog veel meer. Hoe ze dat doen, weten we niet. Dat is een van de fundamentele raadselen van de biologie.”

‘Wat we wel weten, is dat dat hele ontwikkelingsproces vraagt dat de cellen in ons lichaam met elkaar communiceren. Dat is een basisonderscheid tussen meercellige organismen – ook hele simpele – en bijvoorbeeld bacteriën en gist. En zoals met alle communicatie, binnen elke relatie gaat, ís er altijd de mogelijkheid dat er een kink in de kabel komt, dat de zaken niet goed overgebracht worden. Veel ziektes waaraan we lijden hebben daarmee te maken. Virussen bijvoorbeeld, kunnen dat communicatiesysteem als het ware inpikken en dan gebruiken voor hun eigen doeleinden.”

“Met die communicatie begint het aldus. Stel, je hebt twee cellen. Dan kan de één een signaalmolecuul loslaten voor de ander. Een eenvoudig voorbeeld is insuline – dat trouwens in de jaren twintig hier in Toronto ontdekt is –  maar er zijn tienduizenden moleculen die dit doen. De schatting is: ongeveer tien procent van alle proteïnen die gemaakt worden.”

En normaal gesproken zijn die signaalmoleculen proteïnen, ofwel: eiwitten. Pawson legt voor de duidelijkheid ook nog even uit hoe we daar ook alweer aan komen: “In de celkern zitten de chromosomen, dus wat we van onze ouders erven. Die chromosomen bestaan uit DNA–moleculen en ze zijn als het ware ‘onderverdeeld’ in genen. Nou doet dat DNA zelf niks, het draagt alleen informatie. De standaard-analogie is dat het een soort blauwdruk is, een code die vertaald kan worden in eiwitten. Elk gen maakt zijn eigen eiwit, en die doen alles. Als het DNA het bouwplan is, dan bouwen de eiwitten het huis kun je zeggen.”

Oren van de cel

“Wil nou insuline zijn doelcel bereiken, dan moet die doelcel zelf ook een bepaald eiwit maken: een insulinereceptor. Zonder receptoren, ‘ontvangers’,  kunnen cellen niet reageren op de boodschappen van andere cellen.”

“Receptoren zijn een soort oren van de cel. Ze zitten aan de buitenkant, en vormen de verbinding met de binnenkant, de celkern. Op basis van wat de kern ‘hoort’, reageert die. Hij gaat bijvoorbeeld groeien. Dit soort communicatie is van belang voor alle gewone fysiologische processen.”

En dat kan dus ook fout gaan. Een signaalmolecuul zet als het ware de aan/uit–knop van de receptor op ‘aan’. Hoe dat precies in zijn werk gaat, is een van de dingen die Pawson onderzocht heeft.

Maar het schakelaartje kan ook door andere oorzaken in de aan–stand terecht komen, en dat kan desastreuze gevolgen hebben. Door mutaties in een gen kunnen er bijvoorbeeld veel te veel receptoren aangemaakt worden, dan groeien ze in groepjes, en kan de volgorde van de aminozuren (waaruit alle eiwitten zijn opgebouwd) een subtiele verandering ondergaan, waardoor de receptoren op ‘actief’ worden gezet, ook al is er helemaal geen signaal geweest.

“Net of de cel stemmen hoort”, zet Pawson de communicatie-analogie door. Als het gaat om receptoren die de cel moeten aanzetten tot groeien en delen (dan heten die receptoren overigens ineens ‘groeifactoren’), dan krijg je dus ‘ten onrechte’ groeiende en delende cellen. Zo’n proces ligt vaak ten grondslag aan het ontstaan van kanker.

Beslissen

“Mutaties en andere catastrofes kunnen leiden tot allerlei afwijkingen, bijvoorbeeld in het afweersysteem,” zegt Pawson, “en natuurlijk hoop je dat een beter begrip van die dingen je ooit de mogelijkheid geeft erin in te grijpen. De vraag die wij stelden was: wat gebeurt er in een cel als die receptoren geactiveerd worden? En denk er daarbij wel aan dat een gewone cel heel veel verschillende signalen, uit verschillende bronnen ontvangt, niet alleen maar een insulinemolecuul ofzo.”

“Op de een of andere manier moet de informatie geïntegreerd worden, en moet de cel beslissen wat hij gaat doen, hoe hij zich wil gedragen. Dat roept de vraag op: is er een binnen die cel een informatieverwerkend proces? Of je kunt zeggen: wat voor ‘brein’ dat de informatie interpreteert, zit er in een cel?”

Daar begon iets van te dagen toen ze aan de slag gingen met een bepaalde groep receptoren, waar al het een en ander van bekend was. Pawson: “Die receptoren – insuline is er daar een van –  zetten aan tot een activiteit in de cel die we tyrosine kinase noemen. Tyrosine is een aminozuur, en de chemische samenstelling daarvan kan door kinases veranderen: die brengen er namelijk fosfaten op aan. Dat is de functie van alle kinases, het zijn groepjes enzymen, dus eiwitten die voor bepaalde typen chemische reacties zorgen.”

“Die veranderde samenstelling van tyrosine leidt tot een ander gedrag. En later komen dan andere enzymen de fosfaten er weer afhalen. Dat is dus zo’n schakelaar. En dat wisten we allemaal al in de jaren tachtig. Wij wilden weten: wat doen die fosfaten dan?”

Pawson kwam tot een vreemde ontdekking. Wanneer de receptoren waar het om ging in groepjes bij elkaar zaten, dan bleken ze vooral fosfaten aan te brengen op zichzelf. De gebiedjes op de tyrosine–aminozuren waar géén fosfaten zaten, bleken het belangrijkste doelwit van de kinases. “Het is bijna incestueus”, lacht Pawson. “De kinases brengen fosfaten aan op hun eigen tyrosine. Dat was een grote puzzel. En die bracht ons bij het SH2–domein.”

Legoblokjes

Het SH2–domein. De oorsprong van die weinig  tot de verbeelding sprekende naam zijn in de nevelen van de geschiedenis verdwenen, maar het is wel waar Pawson zijn roem en reputatie aan te danken heeft. Het bleek het eerste van een hele reeks domeinen of ‘modules’, en daarmee de eerste aanwijzing dat eiwitten die binnenin de cellen werken en die informatie overbrengen helemaal uit modules zijn opgebouwd.

Pawson vergelijkt ze het liefst met legoblokjes. “Stukjes die je er in hun geheel uit haalt, met een speciale functie, die ze ergens anders precies zo kunnen vervullen.” SH2 is een structuur die bestaat uit ongeveer honderd aminozuren, en heel veel eiwitten hebben zo’n domein.

Maar wat doet een SH2–domein dan? Pawson: “SH2 herkent tyrosine–aminozuren direct, dat wil zeggen, als er tenminste fosfaten op zitten. Die werken als het ware als een magneet, en creëren een ‘bindingsplaats’. SH2 komt er dus alleen op af als een receptor al geactiveerd is, en dat zet dan weer een keten reacties in de kern in gang. Dit is het type domein dat dingen bij elkaar brengt, maar je hebt er ook die chemische reacties tot stand brengen, bijvoorbeeld een domein dat we SH3 genoemd hebben.”

“Maar locatie is alles, net als op de huizenmarkt. De manier waarop informatie in de cel georganiseerd is, hangt uiteindelijk af van het bij elkaar brengen van eiwitten, en dat had niemand gedacht.”

Goede domein

“En er is nog iets. Dat lijkt even verwarrend, maar het is heel interessant. Die domeinen doen nog meer. Ze herkennen niet alleen de tyrosine–aminozuren met fosfaten, maar óók de paar aminozuren die direct na de tyrosine komen.”

“Je hebt verschillende SH2–domeinen, die allemaal gemeen hebben dat ze op die fosfaten op tyrosine afkomen, maar ze verschillen in hun mogelijkheden de aminozuren daarachter te herkennen. Dat geeft je ook een element van specificiteit: dit herkenvermogen zorgt ervoor dat alleen het goede domein aan de receptor zal binden. Dit is dus een soort code. Want of de receptor de ‘signaalroutes’ binnenin de cel al dan niet activeert, hangt af van de aminozuren die in de buurt zitten van dat tyrosine–met–fosfaten.”

“De verschillende domeinen ‘lezen’ dus informatie op de receptoren, en als wat ze zien ze bevalt dan gaan ze erop af. En dit is toch echt wel opwindend. Je moet natuurlijk niet overdrijven, maar het doet denken aan het aflezen van de genetische code in het DNA. Er zijn momenten dat ik denk dat we net zoiets te pakken hebben.”

“Het punt is namelijk ook dat je niet zo veel hebt aan het kennen van de lineaire volgorde van alle aminozuren. Die zitten op heel complexe manieren opgevouwen, maar die domeinen kunnen die lineaire informatie wél aflezen.”

Soortgelijke processen en mechanismen bleken zich overal voor te doen. Het aantal verschillende domeinen groeit nog steeds. Er blijken onder andere heel veel SH2–domeinen te zijn. Sommige reguleren groei, andere differentiatie en weer andere het metabolisme van de cel.

En de domeinen zijn de sleutel tot de manier waarop informatie verwerkt wordt door cellen. “Het gaat door een soort netwerk”, zegt Pawson, “of een web van eiwitten die op elkaar inspelen, en dat doen ze via die modules. Zo werkt het. Er zijn inmiddels heel veel voorbeelden van.”

Naar believen

“Dat je die modules op allerlei plaatsen kunt inzetten, is natuurlijk praktisch. Als je het vanuit de cel bekijkt dan is het net of die zegt: als je nou één ding zou willen, oké, maar als ik al die verschillende dingen tegelijk moet doen, dat wordt me te gecompliceerd, dan zet ik gewoon die kant-en-klare domeinen in. Het is een beetje een ruwe, maar wel doeltreffende aanpak. We sturen die modulen naar believen rond, naar daar waar ze gebruikt kunnen worden.”

“Ach, hoe werkt biologie? Je begint met een zootje, een zwarte doos, en je vraagt je af: zijn er fundamentele principes aan het werk? Ik denk dat dit er een is, dat dit ons vertelt wat de basismanier is waarop de dingen gedaan worden. En welke rol een dergelijk simpel principe speelt binnen complexe gebeurtenissen is de volgende vraag. Daar zijn we net mee begonnen.”

Pawson mijmert nog even door over zijn vak: “Biologische informatie is eindig. Het ligt natuurlijk voor de hand, maar niet iedereen had eraan gedacht. Momenteel wordt de volgorde uitgezocht van alle genomen, dus van al het DNA van een organisme. Van het bekende onderzoekswormpje de nematode weten we het inmiddels al helemaal, maar met de mens schiet het ook op.”

“Als je dat eenmaal hebt dan heb je in principe alle informatie die je nodig hebt. Het zou je dus ook alle eiwitten en alle modules moeten geven. Dat moet gebruikt worden om echt uit te zoeken hoe de cel in elkaar zit, en ook om ingewikkelder vragen te lijf te gaan. Hoe zorgt dit alles bijvoorbeeld voor biologische diversiteit, hoe stuurt het de vorming van de hersenen aan, of hoe laat het cellen op insuline reageren?”

‘Proteoom’

“Je kunt je voorstellen dat we naast het genoom uiteindelijk ook het ‘proteoom’  zullen kennen: de complete set proteïnen. Dat proteoom zal heel groot zijn, als je bedenkt dat elk gen meerdere eiwitten kan maken, en dat wij allemaal zo’n 80.000 genen hebben [NOOT: dat zou een veel te hoge schatting blijken, LK]. Aan die 80.000 ‘informatie-eenheden’ heb je sowieso niet genoeg. Wij hebben tien-tot-de-macht-twaalf zenuwcellen in onze hersenen. Daar komt je niet als elk eiwit of elke module maar één ding doet. Het móet in combinaties werken.”

Zenuwcellen zijn Pawsons nieuwe doelwit. Hij weet al dat het SH2–domein bij die cellen niet een directe verbinding met de celkern legt, maar contact maakt met het ‘skelet’ van de cel. En er zijn twee soorten signaalmoleculen: ‘aantrekkingsmoleculen’ en ‘afstotingsmoleculen’.

De rest gaat uitgezocht worden in het nieuwe laboratorium waarheen er net vandaag verhuisd werd. Dat lab mag ook rekenen op een deel van de Heinekenprijs.

“Het is een beetje een merkwaardige periode nu,” zegt Pawson, rondkijkend op de nieuwe verdieping, en met een mengeling van verbazing en melancholie in zijn stem. “Inmiddels is het allemaal zo geaccepteerd… Het is net of je een kind hebt dat door iedereen geadopteerd wordt. Tot voor kort vlogen we er meteen op af als iemand weer een nieuw domein ontdekt had ofzo, maar nu gebeurt er zoveel dat ik niet meer overal zelf achteraan kan. Dat is ook jammer.”

Eeuwige jeugd en de dood

In 2004 won Elizabeth Blackburn de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de Geneeskunde, reden voor een vraaggesprek in Akademie Nieuws, dat ook in de NRC verscheen. Op 5 oktober 2009 werd bekend dat ze voor hetzelfde onderzoek de Nobelprijs voor Geneeskunde krijgt. Ze deelt hem met haar collega Carol Greider, die ook genoemd wordt in het interview én met Jack Szostak, in 2008 winnaar van de H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica.

‘Noage’, oftewel ‘geen leeftijd’ heet de crème van Dior die prof. Elizabeth Blackburn (56) tegen het einde van het gesprek van een plank vist. Het potje zit nog in cellofaan, en pas nu kijkt ze goed naar wat er allemaal op staat. ‘Rénovateur Jeunesse’, ‘Renewel Serum’. Het cosmeticabedrijf belooft een verjongingskuur, en al benadrukt Blackburn dat ze helemaal niets van doen heeft gehad met het product, het ‘actieve ingrediënt’ in Noage dat door Dior optitelomerase gedoopt is, heeft wel degelijk veel met haar te maken.

De veelgelauwerde, van oorsprong Australische Blackburn, die hier aan de University of California in San Francisco bij de afdeling biochemie en biofysica haar eigen laboratorium heeft, staat buiten de wetenschappelijke wereld ook bekend als de ‘Koningin van de Telomeren’ en de ontdekster van de ‘Bron van de Eeuwige Jeugd’. Telomeren – Grieks voor eind-delen – zijn de uiteinden van chromosomen, de slierten met erfelijk materiaal in celkernen. Dat daar iets bijzonders mee was, werd in de jaren dertig van de vorige eeuw al duidelijk, maar Blackburn was de eerste die eind jaren zeventig met toen gloednieuwe technieken inzicht verschafte in hun structuur: de eindjes bleken te bestaan uit ellenlange herhalingen van een simpel stukje DNA.

Dat bracht een onderzoekssneeuwbal aan het rollen die nog steeds doorgroeit. Zeer tot de verbeelding spreekt de ontdekking dat de lengte van telomeren vaak afneemt met de leeftijd van een organisme (waaronder de mens) en dat telomerase – een speciaal enzym waarvan het bestaan door Blackburn voorspeld én vervolgens bewezen werd – ze kan verlengen. In een wereld waar de obsessie met jong blijven alleen maar groter lijkt te worden, kun je verwachten dat de industrie bovenop dat soort nieuwe kennis springt. Ook ver voordat precies duidelijk is hoe de verbanden liggen, en ongeacht potentiële gevaren (kankercellen barsten bijna allemaal van de telomerase).

“Weet je dat ze vijftig dollar vragen voor zo’n potje!” zegt Blackburn lachend. “Dat heb ik gezien in duty free shops op vliegvelden.” Ze neemt het verder niet erg serieus. “We zien het hier in het lab vooral als een grap. Een puur recreatief bijproduct van ons onderzoek. Het kan mensen misschien hoop geven, wat mooi is, maar ik denk eigenlijk dat ze zich instinctief ver zullen houden van alles met telomerase als ze weten dat dat in kankercellen in grote hoeveelheden voorkomt. Ik heb wel gepraat met de mensen van Dior. Ze zijn gefascineerd door telomerase, en ze doen tests, hebben scheikundige expertise in huis. Maar hoeveel echte wetenschap er nou in zit? Ze mogen alles beweren, zo lang ze maar niets claimen over gezondheid.”

Echte wetenschap, goede wetenschap, die woorden vallen een aantal keer tijdens het gesprek op Blackburns lichte werkkamer in het nieuwe gebouw van waaruit je downtown San Francisco kunt zien liggen – in het vroegere havengebied zal nog decennialang verder gebouwd worden aan de nieuwe Mission Bay-campus. Elizabeth Blackburn, die in Melbourne biochemie studeerde, houdt duidelijk echt van onderzoek doen. Ze spreekt zelfs met warmte over het eencellige wimperdiertje tetrahymen. Dat is de parasiet waarmee haar telomerenonderzoek begon, in het Britse Cambridge waar ze haar PhD haalde bij (dubbele) Nobelprijswinnaar Fred Sanger. “Dat is een schattig organisme, dat lekker in de duistere wateren van vijvers leeft, en kurkentrekkerrondjes maakt bij het zwemmen. Ik vertel altijd graag dat het in zeven verschillende seksen voorkomt. Het is alleen wat conservatief, het komt er op neer dat het homofoob is, want het paart met alle zes de andere geslachten, alleen niet met een exemplaar van zijn eigen geslacht.”

En het heeft erg korte chromosomen. Geen onbelangrijk punt, als je bedenkt dat één mensenchromosoom bijvoorbeeld ongeveer net zo lang is als die mens zelf, zoals Blackburn nog even in herinnering roept. Dat alleen al maakte tetrahymena relatief geschikt om de vroegste technieken voor het kraken van de DNA-code (dat wil zeggen: de volgorde vaststellen van de vier vaste chemische bouwstenen adenine, guanine, cytosine en thymine, beter bekend als A,G,C en T) op los te laten. “Eigenlijk wist toen nog niemand hoe dat moest, maar Fred Sanger begon het net uit te vinden in zijn lab”, schetst Blackburn de toestand halverwege de jaren zeventig. “En ik vond het ontzettend opwindend om welke DNA-sequentie dan ook te kunnen bepalen. Iets dat je in de praktijk kon doen. De uiteinden van de chromosomen waren net iets toegankelijker voor de nieuwe technieken dan de rest.”

Zo werden telomeren haar terrein. Door onder meer het werk in de jaren dertig en veertig van Nobelprijswinnares Barbara McClintock (Blackburn: “Ik heb haar ontmoet, ze is iets van negentig geworden, een geweldig inspirerend iemand”) met maïs was wel duidelijk dat chromosomen zonder hun speciale uiteinden aan elkaar vastplakken, van structuur veranderen of zich anderszins vreemd gaan gedragen. Ze proberen ook om hun telomeren te beschermen en te repareren. “Maar niemand had enig idee van de DNA-structuur”, zegt Blackburn.

Dat de telomeren van tetrahymena bleken te bestaan uit een ellenlange herhaling van steeds hetzelfde korte stukje DNA (namelijk TTGGGG), kwam dus als een verrassing . En al vrij snel werd duidelijk dat het om een bijna universeel principe ging. Blackburn: “Alleen bacteriën, die zijn slim, die hebben cirkelvormige chromosomen, dus geen uiteinden.” Maar de telomeren van planten, dieren, mensen, zijn allemaal lange herhalingen van eenzelfde DNA-sequentie. Bij mensen (en muizen) is het bijvoorbeeld TTAGGG. Gemiddeld bestaat een tetrahymena-telomeer uit zeventig keer hetzelfde patroon(tje), bij mensen gaat het om zo’n tweeduizend ‘TTAGGG’s’.

Maar dat is een gemiddelde. Allerlei onderzoek wees op den duur uit dat de lengte niet alleen varieert tussen soorten, maar vaak ook tussen verschillende cellen binnen een organisme. En er was al het ‘eind-kopieerprobleem’ waar James Watson, een van de ontdekkers van de wenteltrapstructuur van DNA, begin jaren zeventig op gestuit was. Hij had opgemerkt dat de enzymen die een kopie maken van het DNA van een cel niet in staat waren ook het laatste eindje te doen. Na elke celdeling hebben de twee nieuwe cellen dus iets kortere telomeren dan hun ‘moeder’. Daaruit ontstond het idee dat telomeren ook als een soort klok van de levensduur te zien zijn. Raken de telomeren op, dan legt een cel het loodje, want chromosomen kunnen niet zonder die beschermeindjes.

Alleen valt dat niet te rijmen met onder meer het bestaan van eencelligen. Die hebben immers het eeuwig leven, in die zin dat ze in principe tot in eeuwigen dage opnieuw kunnen delen. Toen ook nog (min of meer toevallig) ontdekt werd dat telomeren soms ook geleidelijk langer werden, werd Blackburns vermoeden dat er een enzym moest bestaan dat telomeren kan aanvullen zo sterk dat ze zich helemaal op het vinden daarvan ging richten. “Ik had net een vaste aanstelling gekregen op Berkeley, ik had fondsen, en ik voelde me moedig”, lacht ze. “Dus ik ging experimenten doen, een heleboel. Wacht, ik zal je het laatste laten zien. Jij ziet waarschijnlijk alleen vlekken, maar dit was zo cool.”

Blackburn pakt er een foto van een röntgenfilm bij, die inderdaad voor de niet-ingewijde weinig verheldert. Dus legt ze uit: “Dit zijn tetrahymena. Daar neem je er een hele hoop van, die vermaal je – heel naar – en dan laat je er chemische reacties op los en ga je op zoek naar enzymactiveit. Ik gebruikte stukjes artificieel DNA als aas. Ik wist natuurlijk hoe de telomeren van tetrahymena eruit zien. En bij deze hier wist ik absoluut zeker dat ik beet had.”

Telomerase bestond en het vulde telomeren aan. Waarna er nog een lange weg volgde, die Blackburn grotendeels samen met de vlak daarna in het lab gearriveerde Carol Greider aflegde. Het enzym in kwestie, telomerase gedoopt, bleek heel anders dan andere te zijn. En heel ingewikkeld. “Normaal bestaan enzymen alleen uit proteïnen, maar telomerase is een samenwerkingsverband tussen proteïnen en RNA. Allebei zijn nodig om het telomeren-DNA te maken. Het RNA levert ook het sjabloon waarvan het DNA gekopieerd wordt. Dat is iets dat we eigenlijk alleen kenden van retrovirussen, zoals HIV, iets van slechteriken, maar het blijkt essentieel voor het leven te zijn.”

Er zijn inmiddels drie families bekend die het door een genetisch defect zonder telomerase moeten stellen. “Het komt heel zelden voor”, vertelt Blackburn, “maar het is heel naar. Die mensen gaan op vroeg-middelbare leeftijd dood. Het eerste zie je meestal iets aan hun huid, die wordt niet goed vervangen. En hun immuunsysteem gaat achteruit. Hun beenmerg raakt uitgeput, en waarschijnlijk is het probleem dat hun stamcellen opraken.” Ook worden ze als tieners al grijs, wat volgens Blackburn samenhangt met de kleine stamcellen in je haarfollikels. Die hebben telomerase nodig.

Stamcellen, geslachtscellen, eencelligen, ze hebben gemeen dat ze zich tot in het oneindige moeten kunnen blijven delen. Zonder telomerase lukt dat niet. “We zouden allang uitgestorven zijn, maar we zijn er nog”, voert Blackburn nog een argument voor het bestaan van het enzym aan. Overigens is sinds een tijdje duidelijk dat telomerase anders dan eerst gedacht ook zit in ‘gewone’ cellen, waarvan de telomeren na verloop van een aantal delingen korter worden. “Een heel klein beetje heb je kennelijk nodig om de boel in vorm te houden.”

Telomerase heeft nog lang niet al zijn geheimen prijsgegeven, net zo min als telomeren dat hebben gedaan (Blackburn: “Ik zou heel graag het gevoel hebben dat ik echt begreep wat een telomeer is.”), maar Blackburn somt met plezier wat zaken op die van belang lijken te zijn “vanuit mensenperspectief”. Ja, er is een verband tussen telomeerlengte en hoe oud je wordt, en uit tweelingonderzoek is gebleken dat die lengte ten dele genetisch bepaald is, “in het genetisch rad van fortuin zit”, zoals Blackburn het noemt. Ze vertelt verder: “Er is een groep mensen gevolgd van wie in de jaren tachtig bloed was afgenomen. Ze waren toen al wat ouder, en het bleek dat hun kans te overlijden aan infecties en hart- en vaatziektes groter was naarmate hun telomeren korter waren. Maar wat we niet weten, is hoe lang hun telomeren waren toen ze jong waren.Dat verband kennen we nog niet.”

Misschien dat ze veel stress hebben ondervonden. Blackburn is enthousiast over “heel goed nieuw onderzoek” dat momenteel gedaan wordt naar de invloed van stress op telomeerlengte. Die lijkt er te zijn: langdurige stress maakt telomeren korter. En bij simpele nematoden is laatst aangetoond dat het kunstmatig verlengen van hun telomeren hun leven verlengt. Het opent allemaal perspectieven die nauwelijks te bevatten zijn, maar in telomerase als de bron van eeuwige jeugd gelooft Blackburn absoluut niet. “Aan ouder worden zit veel meer vast. Je hebt ook die oude mensen die nooit iets hebben, en dan ineens overlijden. Aan ouderdom. Ik denk dat dat iets ingebouwds is, dat buiten telomeren en telomerase om gaat. Maar de weg naar de dood kan misschien wel plezieriger gemaakt worden.”

Met telomerase-injecties? Blackburn lacht opnieuw, maar zegt dan toch: “Vroeger vond ik dat alleen maar een belachelijk idee, maar inmiddels kan ik me voorstellen dat je telomeraseniveau opkrikken misschien ooit mogelijk en zinvol wordt. Maar de dosering is heel belangrijk.” Wat ons brengt bij wat misschien haar belangrijkste vondst zal blijken te zijn: het feit dat zo’n negentig procent van alle kankercellen grote hoeveelheden telomerase bevat. “Ze zijn er dol op, ware junkies, ze draaien de knop vol open, en zodra je het weghaalt gaan ze verbazingwekkend snel dood. We hebben onlangs ontdekt dat telomerase kankercellen beter laat groeien. Het is heel onverwacht, en erg opwindend dat het in de context van kanker niet alleen die DNA-verlengingsfunctie heeft”, zegt Blackburn, die uit een familie van dokters komt en zeer hoopt dat haar werk zal leiden tot therapieën.

Die lijken ook serieus onderweg. Blackburn geeft een voorbeeld uit haar eigen lab. “Onze gedachte was: kun je telomerase iets laten maken dat giftig is? Iets waar normale cellen met hun beetje telomerase geen last van hebben, maar dat kankercellen met hun hoge telomeraseniveau dood maakt. We hebben iets gevonden. Het werkt in het lab, en in muismodellen. Maar de weg naar de kliniek is altijd heel lang.”

De vraag is intussen of de weg van telomerase naar schoonheidsklinieken en de industrie even lang zal zijn. Blackburn gruwt bij de gedachte dat haar vinding een soort Haarlemmerolie zou kunnen worden, maar ze ziet ook wel dat er allerlei ethische voetangels aan kleven. Ze brengt in dat verband zelf haar ervaringen op met de door president Bush ingestelde ‘Council on Bioethics’, die haar wereldwijd in het nieuws bracht toen ze er dit voorjaar van het ene op het andere moment uitgezet werd. “Ik ben een symbool geworden van de politieke inmenging in de wetenschap waartegen veel protest klinkt”, zegt ze lachend, “en dat was vast de bedoeling niet.”

Ze had met gemengde gevoelens ja gezegd tegen het verzoek in die adviesraad plaats te nemen. “Maar het was vlak na 11 september 2001, en ik wilde ook graag iets bijdragen.” Dat lukte, zelfs beter dan de opzet was. In het heel diverse gezelschap was Blackburn degene die echt van moleculaire biologie wist, en dus wetenschappelijke uitleg kon geven over politiek hete issues als stamcelonderzoek en therapeutisch klonen. “Er werd serieus gediscussieerd en ook geluisterd. Toen dreigde tegen alle verwachtingen in de helft van de Raad te gaan stemmen voor therapeutisch klonen, wat in zekere zin een soort stamcelonderzoek van embryo’s is.”

De reacties van de voorzitter van de Raad vormen een bijna hilarisch verhaal. Hij besloot de stemming dan maar liever over het instellen van een moratorium te laten gaan. Blackburn: “En daarna bracht hij nooit meer iets in stemming. Ondanks dat hij daartoe verplicht was, en daar voortdurend door een van de andere leden op gewezen werd.” Wat hij wel deed was de rapporten schrijven. Daarover lag Blackburn aldoor met hem in de clinch. “Ik bleef er maar op hameren dat hij de feiten goed moest weergeven. Hij blies bijvoorbeeld de mogelijkheden om stamcellen van volwassenen te gebruiken enorm op. Ik wist dat er bij dat onderzoek iets fout gegaan was, dus ik wees erop dat als je wilt discussiëren je dat in elk geval op basis van goed onderzoek moet doen.” Dat iemand de feiten van ondergeschikt belang bleek te vinden, verbaast haar nog steeds. Het eindigde ermee dat haar plaats in de raad en die van nog een andere voorstander van stamcelonderzoek “niet gecontinueerd” werden, zoals het Witte Huis het uitdrukte. Ze zijn vervangen door verklaarde tegenstanders.

Het is tijd geworden om nog wat foto’s te maken, en ondertussen over de Heinekenprijs te praten. Ondanks de stapels prijzen en eerbetonen die Blackburn al ontvangen heeft in haar leven, lijkt ze er oprecht blij mee. Ze wil er graag iets moois mee doen, zegt ze bij het afscheid. Iets of iemand op weg helpen bijvoorbeeld. “Zo’n bedrag kan misschien net dingen mogelijk maken.” Ze zoekt nog.

Een iets andere versie van dit stuk verscheen op 18 september 2004 ook in NRC Handelsblad, onder dezelfde kop.

Lippen horen, stemmen zien

Onze zintuigen lijken strikt gescheiden te opereren. Maar wie een planetarium bezoekt merkt dat zien, horen en lichaamsgevoel elkaar beïnvloeden. Zelfs op celniveau blijkt samenwerking te bestaan.

Aan het ‘buiksprekereffect’ kan geen mens zich echt onttrekken: je kijkt naar een pop en dat weet je, maar als iemand ogen en lippen van die pop beweegt, en je hoort tegelijk dat er iets gezegd wordt, dan is het verschrikkelijk moeilijk de illusie los te laten dat het de pop is die praat. Wat je ziet en wat je hoort vloeit samen tot één interpretatie, één ‘beeld van de wereld’.

Het is een mooie illustratie van de zintuiglijke verschijnselen waar de Amerikaanse neuropsycholoog en fysioloog prof. Barry Stein zijn onderzoekscarrière aan wijdt. The merging of the senses, het samengaan van de zintuigen, luidt de titel van het rijk geïllustreerde boek dat hij samen met zijn collega M. Alex Meredith schreef, en onder datzelfde hoofdje hield Stein laatst een van de F.C. Donderslezingen over neurowetenschap in Nijmegen.

Na afloop zegt Stein, die verbonden is aan de Virginia Commonwealth University: “In het dagelijks leven heb je het gevoel dat al je zintuigen strikt gescheiden opereren. Kleur bijvoorbeeld kan je alleen maar zien, dat is iets visueels, toonhoogte is weer puur auditief, en kietelen kun je uitsluitend voelen. Het lijken allemaal gescheiden kanalen, maar voor een samenhangend beeld van de wereld moeten die toch ergens in je hersenen samenkomen.”

Zoals bij het kijken naar een buikspreker. Er zijn veel meer voorbeelden. Onder de kop ‘lippen horen en stemmen zien’ werd in 1976 een beroemd geworden experiment beschreven waarbij proefpersonen een gezicht zagen dat ‘ga-ga’ (g als in goal) zei, terwijl ze ondertussen ‘ba-ba’ hoorden. Anders gezegd: ze keken naar keelklanken, terwijl ze luisterden naar klanken die je met je lippen maakt.

Desgevraagd beweerde iedereen iets er tussenin gehoord te hebben, namelijk ‘da-da’, klanken die je met je tong maakt. En met behulp van de huidige technieken die het-brein-in-actie kunnen vastleggen, werd onlangs duidelijk gemaakt dat het zien van lipbewegingen de activiteit in het auditieve deel van de hersenschors verandert.

Stein: “Je hebt van die mensen die zeggen ‘wacht, even m’n bril opzetten, want ik versta je niet’. Vroeger vond ik dat nogal een stomme opmerking, maar waarschijnlijk zit er toch wat in.”

Bergwanden

Niet alleen horen en zien werken samen of op elkaar in. Meestal heeft de visuele informatie wel ‘de overhand’. Hoe sterk het effect is van alleen maar iets zien, weet iedereen die wel eens in een planetarium of bijvoorbeeld in het Omniversum in Den Haag zo’n daarvoor bedoelde film op een speciaal, extra groot doek bekeken heeft. Krijg je bijvoorbeeld het uitzicht te zien vanuit een vliegtuig dat scheert over een bos en langs bergwanden dan ‘voel’ je het ook gebeuren. Zo’n voorstelling levert aantoonbare reacties op van je evenwichtsorgaan en ook van je ingewanden.

Krijg je daarentegen maar heel weinig visuele informatie, dan kan het gebeuren dat een ander zintuig letterlijk je beeld beïnvloedt. Als je iemand in een volkomen donkere kamer naar een streepje licht laat kijken, kan hij prima aangeven hoe recht of hoe schuin dat streepje is, ook zonder dat er een achtergrond zichtbaar is. Dat gaat goed zolang hij stilzit. Maar laat je hem nou een paar rondjes op zijn stoel draaien dan ziet een recht lichtstreepje er daarna ineens schuin uit. Onder invloed van je evenwichtsorgaan kantelt het. Het effect is onontkoombaar, ook als ze je vertellen dat het nog steeds een rechte streep is, zie je een schuine.

Stein, die al zo’n twintig jaar onderzoek doet (“Ik ben 26. Oh, er komt een foto bij? Zeg dan maar dat dr. Stein in de veertig is”), houdt zich in het dagelijks leven meestal niet met mensen bezig. En ook niet met het type ingewikkelde reacties dat hierboven beschreven is. Die te begrijpen is wel het doel, maar de weg erheen voert langs reactiepatronen van dieren en losse hersencellen.

“Ik ben geïnteresseerd in zintuiglijke verwerking”, vertelt Stein. “De meeste mensen die dat zijn, kiezen dan één systeem uit. Ik ben ook begonnen met het visueel systeem. Maar voor het soort gedrag waar ik me mee bezig hield kwam ik daar niet ver mee. Mijn interesse lag bij oriënteer- en aandachtsgedrag: bij welke prikkels draait een dier zijn kop ergens heen, of alleen zijn ogen en oren. Waar blijft hij naar kijken, wat trekt zijn aandacht. Zulke dingen. Je kunt bij dat soort gedrag niet begrijpen hoe het brein de visuele informatie los van de rest codeert. Het leek mij logisch dat de zintuigen samenwerken.”

Lekker hapje

En dat doen ze. Stein en zijn collega’s kwamen tot de nogal spectaculaire ontdekking dat dat zelfs op celniveau gebeurt. Er blijken zenuwcellen (neuronen) te bestaan die speciaal toegerust zijn om informatie uit verschillende zintuigen tegelijk te verwerken. Op bijvoorbeeld alleen geluid of alleen iets zien reageren ze nauwelijks, maar krijgen ze tegelijkertijd zowel een auditieve als een visuele prikkel dan vertonen ze ineens hele grote activiteit.

De eerste aanwijzing daarvoor kwam min of meer toevallig. In het laboratorium werden katten getraind. Die leerden bijvoorbeeld om in een speciale opstelling recht vooruit te kijken. Vanuit verschillende hoeken kregen ze dan iets te zien, of iets te horen of allebei tegelijk. Sommigen kregen een beloning (een lekker hapje) zodra ze iets zagen, anderen alleen als ze iets hoorden, en weer anderen als ze tegelijkertijd zowel iets hoorden als zagen.

Katten zo te conditioneren dat ze inderdaad alleen nog op geluidsprikkels reageren, of juist alleen op visuele prikkels of uitsluitend op een combinatie van die twee, kost een hoop tijd, maar het kan heel goed. De onderzoekers vormden zich zo onder meer een beeld van hoe sterk een prikkel moest zijn om nog opgepikt te worden.

Daarbij werden ze geholpen door een techniek die het mogelijk maakt de activiteit in één enkele cel te meten. De ‘afgetapte’ neuronen lagen in de colliculus superioris (ofwel: het hoogste heuveltje), een uit zeven lagen opgebouwd hersengebiedje in de middenhersenen waarvan al bekend was dat het een grote rol speelde bij dat ‘oriënteer- en aandachtsgedrag’. Van daaruit lopen zenuwbanen naar de neuronen (in de hersenstam en het ruggemerg) die de bewegingen van ogen, oren en kop regelen. Met andere woorden: als een kat een muis voorbij ziet en hoort komen, dan zet zijn colliculus superioris in gang dat hij zijn kop en ogen naar de muis draait en zijn oren spitst.

Stein: “We vonden een cel die ineens niet meer reageerde op een geluidsprikkel toen een van de experimentatoren even voor de opstelling stond. Toen hij wegliep reageerde de cel weer wel. Hij deed het licht uit, en de cel reageerde niet meer. Er kwam alleen een reactie op geluid gecombineerd met een visuele prikkel.” Een nieuwe onderzoekslijn was geboren. Er bleken buiten die ene toevalstreffer nog veel meer ‘meerzintuiglijke’ of multi-sensorische neuronen te zijn.

“Er zijn drie zintuigen die in de colliculus superioris gerepresenteerd zijn”, vertelt Stein, “zien, horen en ‘lichaamsgevoel’. Dat gebeurt op een hele mooie, rechttoe-rechtaan manier. Je kunt er een keurige kaart van tekenen. Ieder stukje van het visuele veld heeft zijn eigen ‘plaats’ in de colliculus. Dus ziet de kat op zoveel graden links iets, dan zijn het altijd dezelfde neuronen, op dezelfde plaats die reageren.”

“Het is bijna alsof het netvlies, zij het een beetje vervormd, op de colliculus gelegd is. Iets soortgelijks geldt voor de auditieve ruimte en het lichaamsgevoel. Ze hebben hun eigen ‘kaart’ in dat stukje hersenweefsel. Maar de kaarten overlappen elkaar ook. En waar je ook ‘prikt’, op welk deel van die kaarten je ook neuronenactiviteit gaat registreren, overal in de diepere lagen van de colliculus superioris vind je veel meer cellen die verschillende zintuigen representeren dan cellen die maar door één zintuig aangedreven worden.”

Kattebrein

Dus de kat reageert op zijn omgeving met hulp van (voor een groot deel multi-sensorische) neuronen die een soort kaarten vormen van zijn gezichtsveld, zijn gehoorveld en zijn lichaamspositie.

“Maar”, zegt Stein, “we zijn natuurlijk helemaal niet speciaal geïnteresseerd in de werking van het kattebrein. Dat is alleen een handig model. Dus gingen we naar ratten kijken. En we vonden hetzelfde: die kaartachtige representatie, en de multi-sensorische neuronen vermengd met gewone uni-sensorische. Daarna volgden hamsters en muizen en nog meer dieren. Je kunt daar eeuwig mee doorgaan, tot en met de poolbeer, maar als je telkens hetzelfde vindt moet je op een gegeven moment toch aannemen dat alle zoogdieren het hebben. De volgende vraag was toen of dit iets is dat pas bij de zoogdieren ontstaan is, of dat het gaat om een evolutionair nog oudere structuur.”

“Dus dachten we: laten we eens kijken naar gewervelde dieren van voor het zoogdierentijdperk. Nou ja, als je daar een ogenblik over nadenkt zie je dat dat een krankzinnig idee is: die beesten zijn al 180 miljoen jaar uitgestorven. Er zat dus weinig anders op dan naar nu levende reptielen te kijken. We kozen de aantrekkelijkste uit: de groene leguaan. En ook die bleek van die ‘topografische kaarten’ te hebben in zijn ‘optisch tectum’, een hersengebiedje dat een reptielen-equivalent is van de colliculus superioris.”

“Vogels hebben het ook, en inmiddels zijn er goede aanwijzingen dat zelfs de rog, zo ongeveer de oudste nog levende diersoort op aarde, zulke kaarten in zijn primitieve brein heeft. Ik denk dan ook dat informatie die via de verschillende zintuigen binnenkomt op deze manier effectief en efficiënt toegang krijgt tot het bewegingsapparaat. Ik bedoel, alle verschillende soorten prikkels kunnen zo hetzelfde type reactie voortbrengen. Of het beest nu iets hoort, ziet of voelt, het keert zich naar de bron waar het vandaan kwam.”

“Ik denk alles bij elkaar dat multi-sensorische integratie de oudste vorm van zintuiglijke verwerking is. Eencelligen doen het ook al. Hoe simpeler het organisme, des te meer integratie zie je. Misschien dat de evolutie juist de kant van scheiding van de zintuigen opgaat. Wij mensen hebben dan nog wel dat directe reageren op verschillende prikkels tegelijk, maar we kunnen ook heel selectief een bepaalde zintuiglijke indruk opdoen. We zien een zonsondergang en ervaren die als uniek. Primitieve organismen kunnen dat niet.”

Gesis

Maar hoe gaat die integratie van informatie uit verschillende zintuigen nu precies in zijn werk? Een serie experimenten maakte duidelijk dat plaats en sterkte van bijvoorbeeld visuele en auditieve signalen van grote invloed zijn. Zijn ze beide heel zwak, dan versterken ze elkaar als het ware. Zo kan het gebeuren dat een kat die getraind is om op visuele prikkels te reageren bij een heel zwak signaal niet naar het voederbakje gaat: hij heeft het niet gezien. Krijgt hij nu naast diezelfde visuele prikkel ook een zwak geluidje te horen, dan lijkt hij het ineens wel te zien, en loopt naar het lekkere hapje. Stein en zijn collega’s hadden dat op celniveau al gemeten, maar het mechanisme is ook terug te zien in gedrag.

“Andersom kan een hard geluid een neuron ‘verblinden'”, legt Stein uit. “Kijk, dit is zo’n cel. Hij reageert telkens heel sterk op een visuele prikkel, maar laat je nu ineens een hard gesis horen, dan houdt hij op met reageren. De visuele reactie wordt onderdrukt door een auditieve reactie.”

Maar ook de plaats waar de signalen vandaan komen heeft invloed op het type reactie. “Het is een simpel concept”, zegt Stein. “Als de verschillende prikkels niet te ver uit elkaar liggen, dan zorgen ze voor een versterkte reactie. Liggen ze wel ver uit elkaar, dan worden de reacties onderdrukt. Intuïtief lijkt dat te kloppen. Wat van dezelfde plek komt heeft waarschijnlijk met elkaar te maken, dus is er die tendens van elkaar versterkende prikkels. Als het gaat om dingen die niets met elkaar te maken hebben dan onderdrukken ze elkaar. Dat zou een mogelijk mechanisme voor selectieve aandacht kunnen zijn: je sluit die invoer af die niets te maken heeft met hetgeen waar je je aandacht op richt.”

En kennelijk hebben de cellen ook een mechanisme dat ervoor zorgt dat informatie toch geïntegreerd verwerkt kan worden, ondanks het feit dat het gehoor sneller werkt dan het gezichtsvermogen. Iets dat op dertig meter van je afstaat hoor je sneller dan dat je het ziet.

Stein: “Op de een of andere manier geeft het zenuwstelsel het nieuws door van de veranderingen in zijn membranen die optreden als een reactie op informatie van buitenaf.” Hoe dat precies zit, waar de membranen op reageren is een van de dingen waar het onderzoek zich binnenkort op zal richten. “We willen met farmacologische middelen kijken of er bepaalde membraankanalen zijn die we kunnen blokkeren of openen. Welke chemische signalen worden er doorgegeven?”

Maar Stein heeft nog veel meer wensen: “Ik wil graag met wat betekenisvollere prikkels gaan werken. Tot dusver gaat het om hele directe simpele reacties. Maar hoe zit het met de verbindingen met andere delen van de hersens?”

“Die colliculus superioris ligt heel strategisch. Signalen gaan het makkelijkste naar beneden, naar de hersenstam, maar er zijn ook verbindingen naar boven, naar een stukje van de hersenschors waar er zoiets als ‘associëren’ gebeurt. Dat noemen we bij gebrek aan beter de associatieve cortex, maar daar zou ik veel meer van willen weten. Wat gebeurt er als je een apegezicht laat zien met een apegeluid erbij? Wat als je dat geluid van veel verder weg laat komen? Wat als je het apegeluid door een kattegeluid vervangt?”

“Het is jammer dat er niet meer laboratoria zijn waar ze dit soort onderzoek doen. Er ligt nog zoveel. Iedere geluidsprikkel bijvoorbeeld, het maakt niet uit waar vandaan of hoe sterk, maakt dat een lichtje er meer uitspringt. Je denkt altijd dat het helderder is als je tegelijk iets hoort. Dat gaat dus niet volgens de regels van de middenhersens, en het wordt niet gebruikt voor dat oriënteergedrag.”

“Enfin, we weten nu iets van het simpelste gedrag, en willen natuurlijk het ingewikkeldste begrijpen. Daar zit voorlopig nog een kloof tussen.”  

The merging of the senses van Barry Stein en M. Alex Meredith kwam in 1993 uit bij The MIT Press en kost (gebonden) f 123,10.

Nuttig stoorzendertje

 

Andrew Fire

Pas in het laboratorium, van microscoop naar microscoop lopend en vlot lenzen en preparaatjes verwisselend, lijkt Andrew Fire (1959) echt op zijn gemak. Hier hoort hij thuis. En, oké, ook voor het schoolbord waarheen hij zich na de eerste de beste vraag al begeeft om in hoog tempo college te gaan geven over de bochtige slingerpaden vol obstakels waarlangs wetenschappelijke kennis en inzichten groeien. Niet dat er veel te tekenen of op te schrijven valt, maar het praat makkelijker, zo staand. Zolang er althans geen foto’s gemaakt worden, want dan moet Fire zich vermannen om niet helemaal te bevriezen.

Het is een warme middag op de beroemde Stanford University bij San Francisco, waar je op het hele uitgestrekte terrein geen verdwaald papiertje zult zien, en waar het met een kwartiertje overschrijden van de maximum toegestane parkeertijd van twee uur onmiddellijk onverbiddelijk tot een bon leidt. Eind vorig jaar is Fires laboratorium vanuit het Carnegie Institution of Washington van de Johns Hopkins University in Baltimore naar hier verplaatst. Erfelijkheidsleer, of iets preciezer: de biochemie achter de werking van genen, blijft Fires vak – hij leerde het op het Massachusetts Institute of Technology, in het laboratorium van Nobelprijswinnaar Philip Sharp – maar op Stanford zit hij in plaats van bij embryologie nu bij pathologie, ziekteleer. En ziektes zoals kanker, aids, hepatitis C en genetische aandoeningen uitschakelen of voorkomen, is waar het uiteindelijk om gaat.

“De medische wereld brengt andere expertise mee, dat merk ik nu al”, zegt Fire. Dat er nu mensen uit heel veel verschillende disciplines zijn lab kunnen komen binnenwandelen, bevalt hem. Ooit verliet hij de wiskunde “omdat dat toch wat eenzaam wordt na een tijdje”. Hij vertelt ook waarom: “Je bent aangewezen op je eigen ideeën, er is geen input van de rest van de wereld. Mijn gewaardeerde mentor vertelde me toen ik nog een undergraduate was dat het gemiddelde wiskundige artikel door drie mensen gelezen wordt. En dat is inclusief de auteur.”

Dat laatste gevaar heeft Fire na zijn overstap in elk geval uitstekend weten te ontlopen. Nu al is zijn naam voor zeer velen voorgoed verbonden met het machtige en krachtige verschijnsel dat hij ‘RNA-interferentie’ gedoopt heeft.Waarschijnlijk is het allemaal een verdedigingsmechanisme tegen indringers dat een lange historie in de evolutie heeft. Kort gezegd gaat het om een natuurlijk stoorzendertje, dat heel gericht genen kan uitschakelen. Dat opent, althans in principe, weidse perspectieven.

Zelden is een wetenschappelijke vondst dan ook zo snel zo breed opgepikt. Pas in 1998 verscheen de publicatie die nu overal in de wereld onder meer helpt om erachter te komen wat al die genen die de afgelopen jaren geïdentificeerd zijn nou eigenlijk doen. In 2002 riep het tijdschrift Science de speciale RNA-moleculen die in staat zijn tot interferentie uit tot de doorbraak van het jaar. Er zijn inmiddels farmaceutische bedrijven die zich helemaal op RNA-interferentie richten en vele tientallen miljoenen investeren in de verwachting dat dat werkende, winstgevende medicijnen zal opleveren. Het is opmerkelijk hoe vaak het woord ‘Nobelprijs’ valt in verband met het fenomeen, al wordt naast Fires naam dan ook meestal die genoemd van zijn collega Craig Mello van de University of Massachusetts, een van de co-auteurs van het zelfs op het internet al ruim 1500 maal geciteerde Nature-artikel.

Ook in Fires verhaal duikt Mello geregeld op, maar hij gaat eerst wat verder terug in de tijd voor zijn uitleg over RNA (ribonucleïnezuur). Dat was in de wetenschap tot voorkort toch vooral het wat ondergeschoven kleine broertje van DNA, letterlijk de boodschappenjongen, die zich in celkernen door een bepaald gen in het DNA laat vertellen welke bouwinstructies er doorgegeven moeten worden aan de ribosomen, waarna daar het echte werk, (in jargon: het tot expressie brengen van een gen, dus het maken van de juiste eiwitten) kan beginnen. Maar het wordt steeds duidelijker dat RNA er in soorten en maten is.

Volgens Andrew Fire is het allemaal begonnen in de oersoep. Hij schetst wat bekend staat als de ‘RNA-wereld’. Die was er eerst. Fire: “Een paar miljard jaar geleden vormden zich op aarde door de turbulentie van de temperatuur en zich daar rondbewegende moleculen verschillende mengsels. Meestal waren die vluchtig, maar op een zeker moment was er een vruchtbare bodem, kon zich een of ander molecuul ontwikkelen dat in staat was zichzelf te vermenigvuldigen. En de meeste mensen denken dat dat molecuul weliswaar misschien geen RNA was, maar er wel op leek. Een structuur die zichzelf kan vernieuwen heeft grote potentie, kan in aantallen echt exploderen en impact hebben op het ecosysteem. Het is onderhevig aan Darwiniaanse evolutie.”

In den beginne was er dus iets als RNA, niet iets als DNA, dat je als een volgende fase kunt zien. Fire beschrijft DNA als een relatief veilig opslagmedium voor informatie, dat zelf tot niet zoveel in staat is. “RNA is niet zo stabiel als DNA, maar het kan wel dingen dóen”, gaat hij verder. “En er is nog steeds RNA dat zichzelf kan vermenigvuldigen. We weten dat dat bij veel virussen gebeurt. De gedachte is dat die niet hebben gekozen voor een DNA-levensstijl.”

Een van de belangrijkste verschillen tussen DNA en RNA is dat DNA altijd uit twee strengen bestaat van steeds paartjes elkaar aanvullende bouwstenen (georganiseerd in de nu ruim vijftig jaar bekende dubbele helix), terwijl RNA zijn werk met maar één streng doet, die sense genoemd wordt. De eerste aanwijzing dat ook antisense, de complementaire RNA-streng, een biologisch doel kan dienen kwam begin jaren tachtig. En van virussen was al langer bekend dat ze altijd dubbelstrengs RNA nodig hebben, ook al is het soms maar eventjes, als ze zichzelf kopiëren. Tegelijk is dat wat Fire de Achilleshiel van virussen noemt.

“Je weet als je griep hebt, voel je je helemaal niet lekker”, legt hij uit. “Dat is je immuunsysteem dat aan het werk is, en dat heeft onplezierige effecten. In experimenten met dieren is in de jaren zestig uitgezocht welke component in het bloed daar nou verantwoordelijk voor is. Dat bleek dubbelstrengs RNA te zijn. Maakte niet uit wat voor, ook dubbelstrengs RNA dat in het laboratorium gemaakt is, als je alleen maar dat injecteert, roept het die reactie van het immuunsysteem op waar je je beroerd van gaat voelen.”

Achteraf gezien zijn dat allemaal aanwijzingen die hadden kunnen leiden naar de ontdekking van RNA-interferentie, en Fire is er diep van overtuigd dat die er ook zonder hem geheid gekomen zou zijn, maar indertijd bleef het bij losse observaties. Daar zijn er meer van. Fires beschrijving van de ontdekkingstocht die RNA-interferentie opleverde, zit vol toeval en misverstand. Eerst waren er de petunia’s. Een poging hun paars paarser te maken strandde in gemêleerde en zelfs witte exemplaren. Met andere woorden: in plaats dat hun genen voor paars versterkt werden, werden ze uitgeschakeld. Toen kwamen de eindeloze pogingen om met behulp van antisense genen uit te schakelen, om zo hun functie te kunnen bestuderen. Daaruit ontstond zelfs een hele industrie. Soms lukte het, maar heel vaak ook niet, en het waarom bleef onduidelijk. Soms ook werkten experimenten waarbij sense werd ingezet, het was allemaal raadselachtig.

De les die inmiddels geleerd is, is dat bescheidenheid en voorzichtigheid op hun plaats zijn. Fire: “De mechanismen op basis waarvan die antisense-verbindingen werken blijken nogal gecompliceerd. Mensen denken dat ze slim genoeg zijn om systemen zo te manipuleren dat er maar één effect optreedt, maar in werkelijkheid gebeurt er veel meer. Het systeem zelf reageert zodra je vreemd materiaal inbrengt. Dat moet het ook doen, bijvoorbeeld om virussen te kunnen afweren. Zodra je manipuleert zet je die mechanismen onverwacht in werking. Dat is echt een belangrijke les: een organisme wéét dat ermee gerotzooid wordt, en reageert.”

Wat iedereen in die veelheid van reacties miste, was de cruciale rol die dubbelstrengs RNA speelde. Fire was degene die dat op het spoor kwam. Herinnert hij zich dat moment nog? Hij lacht: “Nou, ik herinner het me een jaar later dan Craig. Het was alle twee de keren na een lezing, dus ik zal in 1997 wel nog een keer op dezelfde gedachte gekomen zijn.” Die gedachte was dat de collega die aldoor zulke merkwaardige, onbegrijpelijke uitkomsten kreeg van haar experimenten met enkelstrengs RNA, waarschijnlijk onbedoeld ook dubbelstrengs RNA had ingebracht. Dat het dus ging om een verontreiniging. Fire: “Mijn hele promotieonderzoek lang ben ik getraind om allerlei RNA-moleculen in een reageerbuis te maken. Dan kun je heel gecontroleerd werken. En een postdoc in mijn lab had de stabiliteit van natuurlijk RNA bestudeerd. Ik wist gewoon dat de effecten die mensen zagen niet zo stabiel konden zijn. Enfin, de effecten verdwenen dan ook toen het materiaal gezuiverd was en alleen nog enkelstrengs RNA bevatte.”

Samen met Craig Mello deed hij vervolgens een reeks experimenten die aantoonden dat dubbelstrengs RNA de verantwoordelijke factor was voor het uitschakelen van specifieke genen. Het is in staat boodschapper-RNA in stukken te knippen voordat het zijn boodschap kan afleveren. Het is dus RNA dat interfereert, vandaar RNA-interferentie. Fire is overigens zelf niet zo erg onder de indruk van zijn ‘heldere moment’. “Er hebben zo veel mensen aan bijgedragen. Dat ik erbij betrokken was is echt gaaf, maar om nou te zeggen dat ik het gedaan heb? Het was alleen maar een scheikundige suggestie die ik deed. Als ik nou meteen het verband met virale infecties had gezien…” Dat verband zou later nog pijnlijk genoeg duidelijk worden, maar in eerste instantie heerste er euforie. Fire lacht: “Je kreeg een soort wormenjaloezie.” Wat Mello en hij met het wormpje C.elegans hadden gedaan, begonnen andere onderzoekers te doen met hun onderzoeksobject: planten, fruitvliegen. En het werkte allemaal geweldig, verklaarde vooral heel mooi ineens allerlei verschijnselen bij planten.

“Maar je wilt natuurlijk dat het ook voor gewervelde dieren, inclusief de mens werkt”, zegt Fire. En dat lukte niet. Daar gooide de algemene, veel te brede ‘indringerrespons’ die van virussen bekend is, roet in het eten. Weg kans om gericht te schieten, bijvoorbeeld op ziekmakende genen. Een hoop onderzoekers gaven de moed al op, maar toen kwam ‘klein interfererend RNA’ in zicht. “Het was al bekend dat een cel wel een heel klein beetje dubbelstrengs RNA kan hebben, zonder dat hij die vijandige reactie geeft. Allerlei groepen zijn daar toen mee gaan spelen. Pas toen begonnen mensen zich te werpen op de biochemie van het mechanisme achter RNA-interferentie.”

Het bleek geen sinecure om een goede structuur te vinden, iets dat niet te klein en niet te groot was, dus wel een specifieke reactie in een cel kan oproepen, maar zonder dat alles op hol slaat. Maar dat machtige instrument kwam er, en wordt nu op grote schaal gebruikt. Daarmee is Fires onderzoeksgroep niet langer het absolute middelpunt van de ontwikkelingen. Hij moet daar zo te horen nog een beetje aan wennen, maar er blijft zat spannends te doen, ook al blijft het werk dat met veel vallen en weinig opstaan gepaard gaat.

Want gericht schieten om een gen het zwijgen op te leggen, dat ‘kleine interfererende RNA’ (siRNA in de Engelse afkorting) op de juiste plek afleveren, blijkt nog niet zo makkelijk, en dan moet ook nog blijken of het wel effectief is. “Het is niet een kwestie van gewoon siRNA in de bloedstroom inspuiten, al zijn sommige weefsels toegankelijker dan andere”, legt Fire uit. “De lever is een voorbeeld van een orgaan dat wel makkelijk dingen opneemt, net als het oog. Je hebt degeneratieve oogziektes waarvoor nu dingen in ontwikkeling zijn, omdat men een goed idee heeft welk gen onderdrukt moet worden. Maar een compacte tumor binnenin iemands lichaam is lastiger te bereiken.”

Waarop de inspanningen gericht worden, hangt natuurlijk ook af van hoe ernstig iets is (Fire: “Voor kaalheid hoef je niet te rekenen op RNA-gerelateerde therapieën”) en of er nu al iets bruikbaars bestaat. Tegen Hepatitis C bestaat geen medicijn, en dat maakt het volgens Fire een goede kandidaat. In het laboratorium zijn ook heel goede resultaten behaald met het HIV-virus, dat zich daarna dan overigens weer aanpaste. “Maar dat wisten we al van HIV”, zegt Fire. Toch ziet hij daar niet snel grote clinical trials uit voortvloeien, omdat er al een algemeen bruikbare therapie bestaat, en er met RNA gauw een hoop bijeffecten optreden. Aan en met RNA valt nog heel veel uit te zoeken, zoveel is duidelijk. Fire verwacht bijvoorbeeld dat verschillende ziektes zullen blijken voort te komen uit veranderingen in de hele machinerie van het RNA-interferentieproces. En hij heeft al een mutant gevonden die helemaal niet reageert op RNA-interferentie. “Die voed je bacteriën met siRNA, en er gebeurt niks”, zegt hij.

Fire heeft nog een toertje door zijn laboratorium gepland. “Zal ik de beesten laten zien?”, vraagt hij. Hij doelt op een constante in zijn leven sinds zijn dagen als postdoc in het lab van de latere Nobelprijswinnaar Sidney Brenner (in het Engelse Cambridge), de nematode C.elegans, het kleine wormpje dat in genen-onderzoekersland inmiddels bijna even populair is als Drosophila melanogaster, de fruitvlieg. Het diertje is in indrukwekkende hoeveelheden aanwezig, kast na kast is ermee gevuld. Fire zweert er dan ook bij, noemt C.elegans met lichte vertedering “een tamelijk onbenullig beestje” en “een prachtig systeem”.

Onder de microscoop doet C.elegans intussen erg zijn best zijn naam waar te maken. Harmonieus en soepeltjes glijden de wormpjes voort. We krijgen een stam te zien die speciaal gekweekt is om de 95 spiercellen van het beestje goed te kunnen bekijken. Dat levert een feeëriek schouwspel op. Fire laat zien hoe je een wormpje op kunt vissen, met een heel dun platinumdraadje dat aan het eind een lusje heeft. En hij legt uit dat het kleuren van stukjes binnenkant van C.elegans gebeurt met GFP, Groen Fluorescerende Proteïne, dat in de natuur een bepaalde kwal doet oplichten. Ah! Bekend verhaal. Het is de techniek die is uitgewerkt door Roger Tsien, de vorige winnaar van de Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica. De twee hebben elkaar vorig jaar ontmoet. “Ik had een hele lijst vragen voor hem”, vertelt Fire. Maar ze spraken niet over de prijs, want daar had Fire voor hij hem kreeg niet eerder van gehoord. Binnenkort gaat hij zich verdiepen in de vraag waarvoor hij hem gaat gebruiken.

Toen Fire in 2004  de Amerikaanse onderzoeker Fire de Heinekenprijs voor chemie won, sprak echt iedereen al over de Nobelprijs. Op 2 oktober 2006 werd bekend dat ie hem dat jaar inderdaad kreeg. Samen met – zoals ook voorspeld – zijn collega Craig Mello.

Door je geheugen-onderdrukkingsgenen stop je niet alles wat je tegenkomt in je geheugen

We zullen op den duur wel wennen aan de gedachte dat wat we meemaken aantoonbare, fysieke sporen nalaat in onze hersens, zegt prof. Eric Kandel. Hoe dat precies gebeurt, is wat hij zocht en vond. Dat ging via Pavlov-reflexen in zeeslakjes, en is nu al aangeland bij muizen met een veel beter geheugen dan normaal.

Hij omschrijft het beestje zelf als een slijmerig hoopje, en ja, dat mensen moeite hebben te geloven dat hun geheugen net zo werkt als dat van het zeeslakje aplysia, dat snapt hij best. Ooit, toch al weer zo’n kleine veertig jaar geleden, kwam prof. Eric Kandel (70) bij dit diertje terecht omdat het de grootste zenuwcellen ter wereld heeft. Die lieten zich dus relatief makkelijk onderzoeken. Zijn geloof dat je toch echt bij het simpelste organisme moet beginnen om iets te kunnen leren over ingewikkelder levensvormen staat nog steeds onwankelbaar overeind.

Kandel is wereldberoemd omdat hij tot het moleculaire niveau doordrong van wat we ‘leren’ noemen. Bij het zeeslakje ontdekte hij de keten van reacties in zenuwcellen waarmee dingen zijn geheugen binnenkomen en daar voor langer of korter vastgelegd worden. Toen het later op precies dezelfde manier bleek te gaan bij fruitvliegjes en bij muizen kon hij er zeker van zijn een heel algemeen mechanisme gevonden te hebben, dat zich vast en zeker ook in mensenhoofden afspeelt.

Aan de lijst prijzen en andere eerbetonen die Kandel al ten deel zijn gevallen komt bijna geen eind. Nu komt daar de Dr. A.H. Heinekenprijs voor Geneeskunde bij, een van de vijf tweejaarlijkse prijzen voor wetenschap en kunst die bekostigd worden uit een fonds van biermagnaat Freddy zelf. Op 29 september krijgt hij de 150.000 dollar (zo’n 375.000 gulden) uitgereikt door prins Claus tijdens een zitting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Kandel is het type man dat zich bewust is van zijn prestige, maar er allang niet meer op hoeft te wijzen. Zijn lach is uitbundig, met gierende uithalen, zijn postuur klein en tenger en de gastvrijheid waarmee hij ontvangt groot. De lunch die meteen gebracht wordt op zijn werkkamer op de Columbia Universiteit in New York is buitengewoon Amerikaans: tuna en turkey sandwiches. Zelf houdt Kandel het op een klein bekertje yoghurt, maar de interviewster heeft moeite hem te overtuigen dat een zo’n tonijnding ruimschoots voldoende is, en de fotograaf mag niet vertrekken zonder een kalkoenboterham en een blikje coke in zijn tas.

Hij noemt zich een “moleculair bioloog die werkt aan het geheugen”, maar zijn achtergrond is veel breder. Hij begon met literatuur en geschiedenis te studeren, daarna volgden een medicijnenstudie en de specialisatie psychiatrie. Daar groeide al snel zijn behoefte meer van het geheugen te begrijpen. Maar de psychoanalyse is nog steeds zijn oude liefde, zegt hij, wat mooi is voor iemand die in Wenen geboren werd. Kandel was negen toen de familie na de Anschluss en net voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak uit Oostenrijk naar Amerika vertrok, en daarmee ontkwam aan de jodenvervolging.

Een gevoel van grote vrijheid is wat hij zich vooral herinnert van de beginperiode in New York. Er zaten allemaal linkshandige kinderen in zijn klas, iets dat in Oostenrijk niet mocht bestaan, en je kon in het nog tamelijke landelijke Brooklyn op straat spelen en rolschaatsen. “Zelfs voordat Hitler kwam heerste er een benauwend burgerlijk klimaat in Wenen”, zegt hij, “wat je echt belemmerde in je spontaniteit.” Meer dan zestig jaar later is de herinnering nog heel levendig, zie je aan zijn gezicht.

Het geheugen is natuurlijk ons gespreksonderwerp. Welke herinneringen bewaart iemand, wat verdwijnt in de mist van het verleden? “Volgens mij”, zegt Kandel “is de vraag vooral wat je nog méér onthoudt, eerder dan wat je onthoudt. Want dat laatste is redelijk te voorspellen. Het zit er bijvoorbeeld wel in dat we ons dit interview zullen herinneren, want dat duurt een tijd en we doen het niet elke dag, maar wat er verder zal blijven hangen van de gebeurtenissen van vandaag…?”

Een andere manier om die vraag te formuleren is: wat zal de andere kant van onze hippocampus bereiken? Van dat zeepaardvormige stukje brein dat binnenin je slaapkwabben zit is nog steeds lang niet alles bekend. Het moet een soort verwerkingsstation zijn. In elk geval is het niet de plaats waar dingen binnenkomen, noch een opslaggebied voor herinneringen. En zeker is dat het onmisbaar is voor de aanmaak van wat expliciete herinneringen genoemd worden: de dingen waarvan je weet dat je ze geleerd of meegemaakt hebt. Vaardigheden zoals fietsen en dansen kun je wel leren zonder hippocampus.

Feiten die op een nogal gruwelijke manier aan het licht gekomen zijn dankzij de wereldberoemde patiënt H.M., die nooit zal weten hoe beroemd en belangrijk hij is. Epilepsieaanvallen beheersten zijn leven voordat in 1953 zijn hippocampus verwijderd werd. De aanvallen zijn weg, maar inmiddels herkent H.M. zichzelf niet meer in de spiegel, omdat hij alleen nog alles weet van vóór de operatie en nu 47 jaar ouder is. Ondertussen is hij wel bedreven geraakt in onder meer het schrijven in spiegelschrift omdat men hem daarmee heeft laten oefenen, maar hij zal bij elke sessie blijven zeggen dat hij zoiets nog niet eerder gedaan heeft.

Dat soort vaardigheden komt in ons impliciete geheugen terecht. En toch, op een dieper niveau, blijken expliciet en impliciet leren niet zoveel van elkaar te verschillen. Zo gaat het altijd om veranderingen in synaptische verbindingen, de contactpunten tussen zenuwcellen. De gedachte dat je daarin het mechanisme achter onthouden zou moeten zoeken was er al veel langer, maar Kandel was de eerste die bewees dat synaptische verbindingen inderdaad veranderd konden worden, plastisch waren. “Het was zelfs verbazingwekkend gemakkelijk dat te doen”, zegt hij, “maar ik was helemaal niet blij met die uitkomst. Want ik had het laten zien in geïsoleerde cellen van een zeeslakje, en ik had geen enkele aanwijzing dat dat ook maar iets met gedrag te maken zou kunnen hebben.”

Zo werd Kandel zeeslakkentrainer. De kieuwreflex van het beestje was het uitgangspunt, en die bleek heel goed te beïnvloeden. Geef je hem kleine elektrische schokjes, dan gaat die kieuw steeds sneller en vollediger naar binnen, aai je hem daarentegen alleen maar zachtjes met een penseeltje dan reageert hij daar al gauw niet meer op. ‘Gevoeligmaking’ en ‘gewenning’ heet dat.

Maar ook echte klassieke conditionering op zijn Pavlovs lukt: het verband leren leggen tussen twee dingen (na de bel volgt eten) en daarom al bij de eerste reageren (kwijlen bij de bel). Bij de aplysia bleek een heel zacht schokje als ‘bel’ te kunnen fungeren, wanneer het gevolgd werd door een sterkere schok. Na een keer of tien trekt het beestje bij het eerste schokje zijn kieuw veel sneller en vollediger in dan het normaal gesproken zou doen als reactie op zo’n klein stroompje.

Bovendien bleek de aplysia ook over een langetermijngeheugen te beschikken. Na vier dagen achtereenvolgende met zo’n sessie van tien schokjes blijven zijn reacties ten minste drie weken lang hetzelfde, niet alleen voor wat betreft het ‘Pavlov-experiment’, maar ook de gevoeligmakings- en gewenningstrainingen worden onthouden.

“Nu is het mooie van de aplysia dat zijn specifieke cellen makkelijk te herkennen zijn”, vertelt Kandel. “Ze zijn zelfs individueel te identificeren. Dat betekende dat we dezelfde cel voor en na de training konden bekijken om te zien of er iets veranderd was. Zo werd het mogelijk voor het eerst iets te zeggen over geheugen op celniveau. Toen we dat in detail hadden uitgewerkt bleek dat de synapsen inderdaad veranderden en dat de duur van die verandering gelijk opging met de duur van de geheugenopslag!”

Het bewijs was geleverd dat synaptische verbindingen inderdaad cruciaal zijn voor geheugen. Die verbindingen kunnen zowel sterker als juist zwakker worden. “Daarna konden we afdalen naar het chemisch niveau,” vertelt Kandel verder. “De volgende stap, je ziet je kinderen groot worden.”

Kandel ontdekte een aantal reactieketens en de proteïnen en genexpressies die daarin de hoofdrol spelen. Voor het kortetermijngeheugen bleek het om een andere ‘chemie’ te gaan dan voor het langetermijngeheugen. Kandel spreekt van een wissel die als het ware omgezet wordt. Heel intrigerend is dat het in gang zetten van het langetermijn-traject deels bestaat uit het uitschakelen van genen die geheugenopslag tegenhouden. “Die heb ik geheugenonderdrukkingsgenen genoemd”, zegt Kandel. “Je stopt niet alles wat je tegenkomt in je geheugen. En dat zit hem in die onderdrukkingsgenen. Heel recent hebben we ontdekt dat als je ze weghaalt in een muis, die zich vervolgens veel meer herinnert. Dat is echt interessant.”

Dat zal niet gauw iemand willen ontkennen, sterker nog, de implicaties van zulk onderzoek zijn nauwelijks te overzien. Het muizenbrein met zijn hippocampus lijkt immers in veel opzichten op het onze. Kunnen we straks geheugenwonderen kweken, leerpillen maken? Memory, from Mind to Molecules heet het prachtig uitgegeven en behoorlijk toegankelijke boek dat Kandel samen met zijn collega Larry Squire schreef. Is het nu inderdaad zover? Snappen we de menselijke geest op moleculair niveau? “Nou”, formuleert Kandel voorzichtig, “je kunt niet echt verwachten dat je die kloof in twintig of dertig jaar dicht. We staan aan het begin van een enorme berg nu, en of we de top zullen halen, of we uiteindelijk alle aspecten van menselijk gedrag biologisch zullen kunnen verklaren, durf ik niet te voorspellen”

Maar de moleculaire biologie heeft de toekomst. Vooral omdat keer op keer blijkt dat de natuur weinig fantasie heeft, of anders gezegd: alles draait op precies dezelfde stofjes, reacties en principes. Eigenlijk zitten we dus net zo in elkaar als gist? “Ja precies! Dat vind ik echt de kracht van de moleculaire biologie”, zegt Kandel enthousiast. “Zelfs de chemie van zenuwcellen, die dus verantwoordelijk zijn voor het geheugen is niet zoveel anders dan die in heel andere cellen. En wat betreft het impliciete en het expliciete geheugen: dat werkt op moleculair niveau in wezen op exact dezelfde manier, het verschil zit hem in de routes die worden afgelegd tussen de zenuwcellen. Waar je uitkomt is van belang.”

Dat alles wat we meemaken en onthouden letterlijk sporen nalaat in onze hersenen is ondertussen voor veel mensen een onbehaaglijke gedachte. “Inderdaad,” roept Kandel uit, “Als je ze vertelt dat het hart een pomp is, vinden ze dat geen punt, maar zodra het om iets mentaals gaat, wat dan ook, raken ze van streek. Want dan denken ze: het is biologisch, dus is het allemaal van tevoren bepaald. Mensen hechten aan hun vrije wil, maar ze realiseren zich te weinig dat ze die tóch wel hebben, althans, met zijn gewone beperkingen. Ik kan bijvoorbeeld niet vliegen, maar wel nu opstaan en weglopen of over een totaal ander onderwerp beginnen. Dat blijft heus zo, hoeveel meer we ook begrijpen van onze hersenen.”

“Bovendien halen mensen biologie en genetica door elkaar. Van genetica begrijpen ze vaak niet dat die uit twee delen bestaat. Je hebt de genen waar je mee geboren wordt, die je hebt meegekregen van je ouders en die in elke cel van het lichaam zitten. Maar in al die cellen wordt altijd maar een deel van de genen geactiveerd. Sommige zijn aan, de meeste uit. En bij alle ‘mentale’ dingen die we doen, zoals hier zitten praten, komt gen-expressie kijken. Voor dingen in je geheugen stoppen is er een hele keten van gen-activeringen nodig. Op den duur zal men daar allemaal wel minder angstig tegen aan kijken.”

En ook Kandels eerste liefde, de psychoanalyse zal eraan moeten geloven. “Het gaat helemaal niet goed met dat vak”, zegt Kandel. “En dat komt omdat het niet wetenschappelijk onderbouwd wordt. De psychiatrie moet meer van de neurobiologie gaan leren. Ik heb daar een paper over geschreven voor het American Journal of Psychiatry, onder de titel ‘Een nieuw intellectueel denkraam voor de psychiatrie’. Ze hadden daar nog nooit zoveel reacties op een stuk gehad. Niet allemaal positief natuurlijk”.

Hij lacht, en gaat dan serieus verder: “Ik vind het aannemelijk dat psychotherapie werkt. Dat gesprekken met iemand die je vertrouwt een verandering in gedrag kunnen bewerkstelligen. Dat er dus langetermijnveranderingen optreden in de hersens. Kijk, praten en medicijnen grijpen aan op hetzelfde systeem. Er is zelfs al een studie geweest naar twee groepen patiënten die leden aan dwanggedachten en dwanghandelingen. Een behandeling met prozac leverde hetzelfde goede resultaat als psychotherapie. De ontwikkeling van therapieën en medicijnen zal veel meer hand in hand gaan in de toekomst. En ik hoop dat de imaging-technieken, waarmee je in levende hersens kunt kijken nog veel krachtiger worden. Zodat ze op den duur tegen mij kunnen zeggen: dat superego van jou is een beetje groot, dat gaan we even bijschaven.” Weer die luide lach.

De psychoanalytici zullen nog meer horen van Eric Kandel. De rol van de amygdala, de amandelvormige kern die in de buurt van de hippocampus zit, bij angst en paniek is zijn nieuwste belangstellingsgebied. “In de amygdala zit een deel van je impliciete geheugen”, zegt Kandel, “en we weten dat het alles te maken heeft met paniekaanvallen en fobieën. Hoe gaat het leren van angst in zijn werk? Dat kun je heel goed met behulp van diermodellen uitzoeken, anders dan andere geestesziekten – hoe zou een schizofrene muis eruitzien? Zonder gekheid, we zijn echt op weg naar een moleculaire ziekteleer van de hersenen.”

NOOT: Het Parool publiceerde dit artikel ook, op 5 oktober 2000, onder de titel ‘Sporen van het geheugen’. Pal daarop bleek Kandel de Nobelprijs voor Geneeskunde gewonnen te hebben. Vervolgens verscheen het interview nog een keer, dit keer in Vlaanderen, in De Standaard, op 16 oktober 2000. De kop luidde toen ‘Een spoor door de hersenen’.

Het raadsel van de betekenis

“De muur waar je niet overheen kunt zit bij de vraag wat er in je hoofd gebeurt. Taal is niet een groepje neuronen in je hersenen. Het gaat ondermeer om kennis die op de een of andere manier gerepresenteerd is in je brein. En die daar groeit, wat heel bijzonder, en biologisch gezien interessant is. Die representaties waaien je je aan als je een kind bent. De uiteindelijke decodering daarvan, hoe je die representaties ‘gewaarwordt’, is een mysterie dat niet op te lossen is. Dat is een principieel doodlopende weg.”

Prof.dr. Jan Koster (46), hoogleraar Algemene Taalwetenschap en Taalfiloso­fie aan de universiteit van Groningen, is reso­luut in zijn uitspraken. Maar hij ziet voor de taalkunde voorlopig toch meer weidse vergezichten dan muren opdoemen.

Dat komt doordat de tijd volgens hem rijp is voor samenwerking, zowel tussen de verschillende gebieden van de taalkunde als tussen de taalkunde en andere vakgebieden.

Koster: “Er is inmiddels zoveel theoretische kennis dat niemand er meer omheen kan. Of je nu iets wilt zeggen over taalverwerving, over de gebarentalen van doven, over taalstoornissen zoals afasie, in al die gebieden zie je toepassingen. In kindertaalonderzoek is er momenteel echt een explosie: mensen van allerlei disciplines werken daaraan. Maar er kan nog veel meer.”

“Neem bijvoorbeeld het volgende. Het blijkt dat kinderen een vast patroon doorlopen bij het leren van taal (het maakt niet uit welke taal). En het interessante is dat de stappen’ die ze daarbij zetten soms heel plotseling zijn. Inééns beginnen ze bijvoorbeeld álles na te zeggen wat jij zegt, en ze maken ook alle geluiden na: kreten, boeren, gebrom. Die plotsklapsheid doet denken aan een hormonale stoot. Het kan zijn dat die stappen getriggerd, opgewekt worden door hormonale veranderingen. Daar is niets van bekend, dat zou je dus biomedisch moeten bekijken. Aansluiting zoeken bij de ethologie, de gedragsleer van dieren, zou ook dingen kunnen opleveren. Er zijn karrevrachten interessante onderzoeken te bedenken.”

Dat die desalniettemin nog maar zelden gedaan worden heeft alles te maken met een aantal praktische obstakels. Die zitten ten dele in het vak. Koster: “De ontwikkelingen zijn hard gegaan. En je moet de stof wel kennen, je moet er echt voor gaan zitten, wil je er iets mee kunnen doen. Neem fonologie. Ik ben geen fonoloog, en zelfs als ik me nu een jaar ga inlezen denk ik niet dat ik daarna meteen zinnig onderzoek kan doen.”

“Voor mijn eigen specialisme, de syntaxis, geldt voor relatieve buitenstaanders hetzelfde. Die berg basiskennis is echt een hindernis voor bijvoorbeeld psychologen, terwijl de taalkunde feitelijk een onderdeel is van de cognitieve psychologie. We kunnen een essentiële bijdrage leveren als het gaat om de vraag hoe de hersenen werken.”

“Nog een probleem is onze oorsprong. We komen uit de letterenfaculteit, en dat maakt het doorbreken van facultaire grenzen extra moeilijk. Noch binnen noch buiten letteren worden we goed begrepen. Daar moet wel bij gezegd dat de moderne taalkunde zelf ook schuld treft: we hebben te veel aan gettovorming gedaan. Dat is nu een beetje aan het veranderen, en ook omgekeerd begint bij anderen door te dringen dat er binnen de taalkunde wezenlijke doorbraken hebben plaatsgevonden die zich lenen voor interpretatie in termen van hun wetenschappen.”

Aan de universiteit van Groningen wordt er sinds kort dan ook wel samengewerkt. Binnen het in 1990 van start gegane Centrum voor gedrags-, cognitie,-  en neurowetenschappen, in de wandeling BCN genoemd, werken naast taalkundigen ondermeer neurologen, psychiaters, biologen en biofysici. Uniek voor Europa, zegt Koster.

Hij heeft hoge verwachtingen, bijvoorbeeld van onderzoek dat samen met het Pet-scan Centrum van het Academisch Ziekenhuis in Groningen gedaan wordt.

Koster: “Een pet-scanner is een apparaat waarmee je processen in de hersenen zichtbaar kunt maken. Dat doe je door mensen glucose (druivesuiker) in te spuiten. Die glucose is ‘radioactief gelabeled’, zoals dat heet, en dat zorgt dat je kunt volgen waar het zich in het lichaam bevindt. Je hersenen hebben suiker nodig om te ‘werken’. Een pet-scan laat zien waar in de hersenen op een bepaald moment de grootste activiteit plaatsvindt. Met gerichte tests die gebaseerd zijn op taalkundige inzichten kun je meer te weten komen over de relatie tussen taal en hersenen. Je kunt kijken wat er actief wordt bij taalverwerking bijvoorbeeld.”

“Dat is overigens nog niet zo gemakkelijk, want hoe baken je een taalgebonden taak af van andere taken. Als je tegen iemand zegt: denk aan je moeder, dan zie je ook hersenactiviteit. Maar het is wel duidelijk nu dat ‘taal’ niet op één plek zit. Er zijn grote delen van de hersenen bij betrokken, het is niet strikt gelocaliseerd. Taal zelf bestaat natuurlijk ook uit uiteenlopende dingen. De woorden van een taal zijn iets anders dan de verbindingen tussen de woorden. Je ziet in de hersenen dan ook samenwerking tussen verschillende gebieden.”

Daar ziet Koster ook mogelijkheden voor een theorie over een brandende maar misschien wel principieel onoplosbare vraag: waar komt taal vandaan? De vraag is eigenlijk niet goed geformuleerd vindt Koster: “Taal is niet één ding, maar een heleboel verschillende dingen. Die hebben denk ik ook verschillende oorsprongen. Je kunt een grove indeling in tweeën maken: enerzijds is er ons combinatievermogen, anderzijds ons begripsvermogen.”

“In dat combinatievermogen zie je een paar dingen steeds terugkomen. Een belangrijke verworvenheid van de moderne taalkunde is dat er aannemelijk is gemaakt dat talen onderling niet zo erg verschillen.”

“Ondanks dat je eerste indruk wijst op het tegendeel: het opvallendste aan een taal zijn de woorden, en inderdaad, die verschillen het meest. Daar concentreer je je dus ook op als je een vreemde taal gaat leren. Maar als het gaat om verbanden leggen tussen die woorden, dan is er maar weinig variatie. Er is een beperkt aantal universele bouwprincipes.”

“Dat idee is overigens niet nieuw, maar pas in deze eeuw heeft het concreet gestalte gekregen. Noam Chomsky is begonnen formele technieken uit de logica en de wiskunde toe te passen, en dat heeft voor een grote vooruitgang gezorgd.”

“Vooral de laatste jaren zijn er heel veel nieuwe talen onderzocht en telkens als er een bijkomt zie je universele aspecten. Je wordt nooit teleurgesteld. Alle talen hebben hiërarchisch opgebouwde woordgroepen, zinnen die je kunt weergeven in boomstructuren, overal zie je recursie (patronen die binnen zichzelf herhaald kunnen worden, het Droste-effect) en naamvallen. Allemaal dingen die je niet zomaar kunt zien? Ja en nee, het is kwestie van vertrouwdheid met de inzichten. Het is zeker beroepsdeformatie, maar als ik iemand hoor praten kan ik het tegelijk in boomstructuren voor me zien.”

Van onderzoek naar dat combinatievermogen verwacht Koster nog veel resultaten. Zo zullen een aantal deeltheorieën over de verhoudingen tussen twee verschillende plekken in een structuur waarschijnlijk ooit samengeklapt worden, omdat ze op elkaar lijken. Het kernidee dat daarbij een grote rol speelt is dat van de structuurbehoudendheid:

Zinnen kun je beschouwen als een structuur die uit een aantal vaste posities (hiërarchisch) is opgebouwd. Dat wil niet zeggen dat je bij elke zin daadwerkelijk al die posities gebruikt, maar wanneer je besluit bijvoorbeeld een meewerkend voorwerp of een plaatsbepaling in je zin te stoppen, dan kun je die niet zomaar overal neerzetten. Neem de positie voor het hoofdwerkwoord. In het Nederlands staat dat in een hoofdzin in principe op de tweede plaats. Dat is de basispositie.

Maar je kunt het wel verplaatsen. Van de mededeling Piet eet een appel kun je een ja/nee-vraag maken: Eet Piet een appel? In dat geval is eet verhuisd naar een speciale positie aan het begin van de zin die niet altijd ‘gevuld’ hoeft te zijn.

Ondertussen is de oorspronkelijke positie van het werkwoord wel bewaard gebleven. Kennelijk bevindt zich daar nog een ‘spoor’ van eet, want je kunt er nu geen ander hoofdwerkwoord meer neerzetten: iets als Eet Piet wil een appel? is ongrammaticaal. Iets soortgelijks zie je wanneer je van Piet eet een appel de vraag Wat eet Piet? maakt. Wat is het lijdend voorwerp, en op de vaste positie van het lijdend voorwerp staat weer een ‘spoor’. Je kunt er geen ander lijdend voorwerp meer neerzetten: Wat eet Piet een appel? is onmogelijk.

Structuurbehoudendheid speelt ook nog op andere plaatsen in de grammatica een rol. Men denkt dan ook dat dat de juiste interpretatie van zinnen mogelijk maakt: de basisstructuur is altijd te reconstrueren. Bij de relaties tussen verplaatste zinsdelen en hun ‘sporen’ is de hiërarchie belangrijk: willen we die relatie goed kunnen leggen dan mag er bijvoorbeeld niet te veel afstand bestaan tussen het verplaatste zinsdeel en zijn spoor, en je kunt een zinsdeel ook niet zomaar middenin een ander zinsdeel zetten. Als je een vraag wilt maken van Die aardige mensen eten een appel, dan moet eten om het hele onderwerp die aardige mensen heen. Die eten aardige mensen een appel? of Die aardige eten mensen een appel? is onbegrijpelijk, eten moet naar die allereerste positie. Over de precieze aard en mogelijkheden van die positie is overigens veel discussie gaande.

Maar op het terrein van ons begripsvermogen liggen volgens Koster onoplosbare problemen voor de taalkunde. En dat terwijl ons taalvermogen volgens hem moet zijn voortgekomen uit het bij elkaar komen van die twee systemen: de mogelijkheid structuren te bouwen en de mogelijkheid de wereld onder te verdelen in bijvoorbeeld perceptuele categorieën, hem met andere woorden te ‘begrijpen’. Daartussen is ooit een brug geslagen, denkt hij.

Koster: “De wereld kunnen waarnemen en opdelen in verschillende categorieën vind je natuurlijk ook al bij dieren. Die zien ook het verschil tussen een boom of een ander beest dat ze op hun weg tegenkomen. Daar liggen de wortels. Maar wij zijn dat gaan uitbreiden. Wij kunnen werken met metaforen, beeldspraak dus, en met metonymie: dingen niet rechtstreeks bij hun naam noemen, maar bij iets dat ermee verbonden is. We zeggen neuzen tellen als we mensen tellen bedoelen. Over hoe we die stap ooit gezet hebben kun je natuurlijk alleen speculeren, maar het is opvallend dat de wereld van kinderen in eerste instantie zo concreet is.”

“Ik merk dat aan mijn eigen zoontje van twee. Voor hem bestaan alleen papa, mama, Billy de poes en andere dingen in en om het huis. Door hem realiseer ik me eens te meer hoeveel gewone dingen abstract zijn. Wat ‘geld’ is bijvoorbeeld kun je absoluut niet uitleggen aan een kind. ‘Een middel om andere dingen mee te bereiken’ is net een graadje abstracter dan dingen als beer en pap.”

Verschillende talen delen de wereld in in verschillende categorieën. De vertaling van een woord ‘dekt’ vaak het oorspronkelijke begrip net niet helemaal. Verschillende talen gebruiken ook verschillende metaforen, hebben andere dubbelzinnigheden.

Daar zit volgens Koster een cruciaal probleem voor het automatisch vertalen. De vertaalcomputer hoeven we dus ook nog steeds niet te verwachten. Koster: “De taalkunde heeft in het algemeen veel minder te zeggen over verschillen dan over overeenkomsten. Waarom talen onderling verschillen, of waarom ze niet hetzelfde blijven maar voortdurend veranderen, weten we ook niet precies. Je zou denken: als je zo’n aangeboren universele grammatica hebt, was het dan niet handiger geweest van Onze Lieve Heer om te zorgen dat we allemaal dezelfde, onveranderlijke taal kregen.”

“Maar er is een grote neiging tot differentiatie onder mensen. Men hecht daar erg aan. Taal is een belangrijk middel om een groep te definiëren, als een hondje dat piest en zo zijn territorium afbakent. Iedere generatie probeert zich door nieuwe woorden te onderscheiden. En zo verandert taal. Ik vind bijvoorbeeld dat mijn schoonouders die in 1948 uit Nederland geëmigreerd zijn ouderwets praten: ze zeggen fuif tegen feest, duiten tegen geld en iemand die slim is noemen ze goochem.”

“De taalkunde heeft ook niet veel in te brengen als het gaat om mooi of lelijk. Daar speelt persoonlijke smaak mee. En vaak is het een cultuurkwestie, en ook culturen verschillen. Ik zelf vind het mooi als iemand helder en eenvoudig schrijft, maar ik sprak laatst een Duitser die hier al een tijd woont. Dat Nederlands was wel aardig, vond hij, maar de kranten waren hier zo slecht: al die eenvoudige korte zinnen, dat was zo onintellectueel en infantiliserend. Al die lange lastige Duitse zinnen die wij hier vreselijk vinden zijn dus geen toeval: in de Duitse cultuur vinden ze dat juist mooi.”

“Overeenkomsten kunnen we met behulp van formele technieken uit andere vakken beschrijven, bij de verschillen heb je niet zo’n metataal. Dat is voor de semantiek, de betekenisleer, vaak een onoverkomelijk probleem. Over betekenis zou iedereen dolgraag meer willen weten. Maar de wetenschap is maar op twee terreinen succesvol: bij woorden die niet direct met kennis van de wereld te maken hebben, zoals alle, sommige, en niet, woorden die hoeveelheden aangeven en ontkenningen dus. En bij betekenisverbindingen tussen woorden. Kijk, Jan betekent iets, en lezen betekent iets, maar Jan leest betekent iets anders. Daarover kunnen we wat zeggen, maar dat is natuurlijk maar een heel gering gedeelte van wat ‘the man in the street’ onder betekenis verstaat.”

“Het overgrote deel daarvan lijkt volkomen ontoegankelijk te zijn voor wetenschappelijke studie. Bij huis-tuin-en-keukenwoorden kom je nooit verder dan omschrijvingen: ‘een paard is een dier’, ‘makkelijk is niet moeilijk’. Maar wat die woorden betekenen, wát je zou moeten representeren blijft een raadsel.”

“Dat vind ik jammer, ja. Het gaat om een van de meest wezenlijke elementen van het menselijk bestaan. Alsof je wel weet hoe de voortplanting functioneert, maar er niet achter kunt komen hoe de liefde werkt. En die liefde vind je toch belangrijker.”

Noot: De wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad bestond tien jaar. Reden om dertig onderzoekers uit alle hoeken en gaten van de wetenschap te vragen naar de grenzen van hun vak. Dit interview is een van de verhalen die dat opleverde. Ze kwamen ook terecht in een boek: De mond vol tanden. Dertig vraaggesprekken over wat de wetenschap niet weet. Dat werd nog genomineerd voor de prijs voor het beste populair-wetenschappelijke boek van de laatste twee jaar, de KIJK-Wetenschapsweekprijs (voorloper van de Eurekaprijs). Maar die ging dat jaar naar Gebarentaal, de taal van doven in Nederland, dat ik samen met Tony Bloem, Ruud Janssen en Albert van de Ven maakte. Voelde me dus supergenomineerd ;-).

Zware kost over zelfzuchtige genen

Steven Pinker: Hoe de menselijke geest werkt., vertaald uit het Engels door Han Visserman en Henri da Silva, Contact, 654 blz. 

De mens is een verzameling wonderbaarlijke vermogens. We hebben er een hoofd vol van.

Zoals ons gezichtsvermogen, dat zelf weer uit een aantal kleinere vermogens is opgebouwd: we kunnen bijvoorbeeld kleur zien, en diepte en beweging. Of neem ons taalvermogen, dat onder meer bestaat uit onmiddellijk de goede klanken kunnen vinden bij tienduizenden woorden, en de kunst die telkens op een andere manier zinvol te combineren.

Ook kunnen we liefhebben, ons verbazen, haten, treuren en nog veel meer voelen. We redeneren en reageren aan een stuk door en het speelt zich allemaal af in onze geest. Ik zou niet zo gauw een boeiender vraag weten dan hoe dat werkt. Wat voor samenspel van mechanismen is de geest? Hoe komen we aan die hele machinerie?

Wie niet in godswonderen gelooft, heeft daar maar een antwoord op: wij zijn het product van de evolutie, dus onze geest ook. Steven Pinker behoort tot de vier procent Amerikanen die niet in een hogere macht geloven. In zijn boek How the Mind Works, onlangs vertaald als Hoe de menselijke geest werkt, speelt de evolutie dus een grote rol.

Het andere uitgangspunt: de geest lijkt qua organisatie op het lichaam. Zoals we nieren, longen en een hart hebben die stuk voor stuk toegerust zijn voor een specifieke taak, zo hebben we ook een heel stel gespecialiseerde ‘mentale organen’, zoals die voor ‘zien’ en voor ‘taal’. Samen vormen ze een systeem dat allerlei typen informatie kan verwerken, en dat ook volcontinu doet. De menselijke geest ‘rekent’ zich rot.

In de wetenschap zijn dat zeker geen nieuwe gedachten meer, en ze zijn bovendien vruchtbaar gebleken. Maar de uitkomsten zijn verre van gemeengoed. Een uitstekend idee dus van Pinker om wat we inmiddels weten bij elkaar te zetten in een boek voor een breed publiek.

Hij heeft er ook de juiste achtergrond voor. Pinker is directeur van het Centrum voor Cognitieve Neurowetenschappen van het Massachusetts Institute of Technology in Boston. Zelf is hij psycholoog en in zijn eigen onderzoek heeft hij zich vooral met taalverwerving beziggehouden. In 1994 verscheen zijn eerste ‘publieksboek’: The Language Instinct (vertaald als Het taalinstinct) en dat sloeg aan, vooral in Amerika (zelfs zo dat het voorschot voor How the Mind Works naar verluidt een half miljoen dollar bedroeg).

De grote verdienste ervan was dat het de moderne theoretische taalkunde buiten de kring van taalkundigen wist te brengen. Niet alleen doordat ‘gewone’ lezers het lazen, maar Pinker vond ook gehoor en daardoor aansluiting bij onderzoekers van allerlei andere terreinen. Dat was tot die tijd meestal maar slecht gelukt.

Zelf ziet hij Het taalinstinct en Hoe de menselijke geest werkt als complementair. In het nieuwste boek gaat het daarom nauwelijks over taal. Dat is immers zo’n ‘mentaal orgaan’ dat de evolutie ons opgeleverd heeft, en dus in zekere zin niet meer dan een voorbeeld van het bredere beeld dat hij in Hoe de menselijke geest werkt wil schetsen.

De twee boeken zijn onmiskenbaar van dezelfde hand: Pinker wil cognitie (onze ‘hogere’ geestelijke vermogens) en evolutie samenbrengen. Ondertussen laat hij telkens zien een scherp oog te hebben voor aansprekende voorbeelden en illustraties uit de dagelijkse praktijk, die hij bovendien in niet-academische bewoordingen weet na te vertellen. Zijn teksten staan er vol mee.

Maar er zijn meer overeenkomsten. Beide boeken maken ook duidelijk dat Pinker rampzalig slecht is in een lijn uitzetten en vasthouden. Bovendien kent hij nauwelijks twijfel, wat voor een onderzoeker nogal opmerkelijk is. Pinker poneert veel en graag.

Neem nu die aanname dat onze geest uit losse, maar wel op elkaar inwerkende ‘modulen’ bestaat. Daar zijn enerzijds zeker concrete aanwijzingen voor, terwijl er anderzijds ook grote problemen liggen, bijvoorbeeld met de afbakening: wat moet je nou precies een module noemen, en uit welke modulen zijn die zelf weer opgebouwd?

Om de moeilijke punten fietst Pinker vrolijk heen, en aan onderbouwing doet hij niet veel. Dat kan ook vrij gemakkelijk, want anders dan je na het lezen van de inleiding zou verwachten, is het boek geen overzicht geworden van het onderzoek naar de functie en werking van onze geestelijke vermogens.

Waarom niet is een raadsel, want gegevens zijn er tegenwoordig zat. Als er nou één bloeiend en wereldwijd explosief groeiend onderzoeksterrein bestaat, dan is het wel wat de ‘cognitieve neurowetenschappen’ is gaan heten. Daaronder valt al het onderzoek naar het verband tussen de bouw en werking van onze hersenen en onze cognitieve functies. Dan gaat het niet alleen om zien en taal, maar ook om dingen als: hoe plannen we, hoe richten we onze aandacht ergens op, hoe werkt het geheugen en nog veel meer.

Er wordt driftig gebruik gemaakt van de relatief jonge technieken waarmee je levende, reagerende hersenen kunt bestuderen, en dat levert een complex maar per definitie interessant beeld op. Pinker is nota bene directeur van een instituut voor cognitieve wetenschappen, en waar anders dan in het brein zou zich onze geest moeten bevinden, maar in Hoe de menselijke geest werkt spelen de hersenen maar een miniem rolletje.

In plaats daarvan begint het boek met verhalen over robots, over kunstmatige intelligentie dus. Bepaald geen terrein waarin recentelijk grote doorbraken zijn geweest. De pogingen onze eigen vermogens na te bouwen in een machine hebben in elk geval één ding duidelijk gemaakt: hoe waanzinnig knap we zelf zijn. Het kost ongelooflijk veel moeite een computer bijvoorbeeld iets te laten herkennen, of zich voort te bewegen op oneffen terrein, zoals Pinker ook laat zien. Maar wat hij er nou precies mee wil aantonen, blijft in de lucht hangen.

Gaat het hem erom duidelijk te maken dat er veel meer in ons zit ingebouwd dan we geneigd zijn te denken? Hij heeft het onder meer over een neuraal netwerk, dat getraind is om familierelaties ‘uit te rekenen’.

Maar het systeem moest bijna alles ‘voorgezegd’ krijgen en had maar liefst 150.000 lessen nodig om zelf een paar juiste conclusies van het type ‘Pietje is dus de broer van Marietje’ te trekken. Dat lijkt natuurlijk in de verste verte niet op hoe kinderen familierelaties leren, zegt Pinker. Waarom dan zijn nadruk op computers als hij zelf ook concludeert dat er te veel belang aan wordt gehecht aangezien wat een machine kan uiteindelijk toch helemaal afhangt van wat je erin stopt? En waarom zoveel tekst gewijd aan het raadsel van ons bewustzijn, als hij toch net zomin als wie ook een oplossing heeft?

Ondertussen is het allemaal wel behoorlijk zware kost, en gek genoeg werkt de ‘verlichting’ die Pinker aan probeert te brengen alleen maar averechts.

Ik zou nooit gedacht hebben dat dat mogelijk was, maar het hele boek gaat gebukt onder een teveel aan voorbeelden. Op den duur werd ik ook helemaal dol van de opsommingen, die soms wel erg gewild aandoen. Eén keer is een omschrijving zoals die van verliefdheid met de woorden “aantrekking, verzotheid, hofmakerij, ingetogenheid, overgave, verbondenheid, onvrede, rokkenjagerij, jaloezie, verlating en hartzeer” misschien aardig, maar een boek vol met opeenstapelingen van zulke uitweidingen en telkens nóg een voorbeeld en nóg een voorbeeld beneemt je al gauw het zicht op de kwesties waar het om draait.

Ik moet bekennen dat het me zelden zo veel moeite heeft gekost een boek helemaal uit te lezen. Over de evolutie van onze ‘mentale organen’ heeft Pinker uiteindelijk maar bitter weinig te zeggen, vind ik.

De laatste hoofdstukken bleken nog het aardigst. Daarin worden ons maatschappelijk functioneren en onze relaties consequent door een evolutionaire bril bekeken. Alles wat we doen, is het gevolg van adaptaties, en dan niet aan de wereld van vandaag, maar aan een bestaan als jagers-verzamelaars in een savannelandschap.

Die blik heeft zowel iets verfrissends als iets benauwds. De schakeringen ontbreken. Waarom mannen verkrachters zijn en vrouwen niet is natuurlijk best uit onze ‘zelfzuchtige genen’ te verklaren, maar waarom de ene man wel een bruut is en de ander niet wordt daarmee niet duidelijk. De ene menselijke geest is de ander niet.

Iets anders is dat ik juist die dingen allemaal al wel eens elders gelezen had. Ook in boeken voor een breed publiek, zoals Helen Fischers Anatomy of Love en Robert Wrights The Moral Animal, die weliswaar in de literatuurlijst staan, maar in de tekst nergens genoemd worden.

Met bronnen lijkt Pinker wat merkwaardig om te gaan. Aan de ene kant barst zijn boek van de dikwijls niet ter zake doende academische verwijzingen (‘Jan en Klaas hebben eens gezegd’), maar ik bespeur tegelijk een neiging veel zaken naar zich toe te trekken.

Datzelfde gold voor Het taalinstinct, en je ziet het zelfs in hoe hij daar in zijn nieuwe boek naar terugverwijst, met zinsneden als ‘zoals ik in Het taalinstinct al aantoonde’. Dat hinderde me omdat het daarbij consequent om dingen gaat die door anderen dan hemzelf zijn aangetoond.

Grappig is dat Pinker aldoor de gelijkheid van alle mensen benadrukt. Telkens haalt hij de overeenkomsten tussen culturen naar voren: overal wordt getrouwd, geloofd in god, gestreden om de macht.

Dat is natuurlijk ook zo, maar tegelijk laat zijn boek de beperktheid van die visie zien, omdat het volledig doortrokken is van de Amerikaanse cultuur. De Amerikaanse verhoudingen, omgangsvormen en kwesties bepalen toch het gezichtspunt. Zo voert Pinker denkbeeldige discussies met radicale feministes en zelfs met advocaten. Dat dingen in onze natuur zitten, betekent nog niet dat ze ‘goed’ zijn, houdt hij ons keer op keer voor.

Terecht, maar zijn gehamer op dat soort zaken geeft het boek een bepaalde moralistische bijsmaak, die in Nederland niet goed past.

Ook Pinkers voorbeelden komen natuurlijk vooral uit zijn eigen omgeving. Hier laten de vertalers – die een heidense klus hebben gehad, maar naar mijn smaak iets te formeel zijn in hun woordkeus (‘de idee’, veel verwijzingen met ‘zij’ en ‘haar’) – hun grootste steken vallen.

Uitleg of een Nederlands equivalent ontbreken veel te vaak. ‘Cheese cake’ is wel kwarktaart, maar onze standaardtaart is slagroomtaart. ‘Letters to Ann Landers’ zijn natuurlijk letterlijk vertaald ‘brieven aan Ann Landers’, maar dat zegt hier niets. Daar had ‘Lieve Lita’ of ‘Margriet weet raad’ ofzo moeten staan. Botweg een letterlijke vertaling geven leidt tot meer onbegrijpelijke dingen. Een passage over Mr. Spock is alleen te volgen als u net als ik een Startrekfan bent en precies weet wat er aan het begin van elke aflevering gezegd wordt. Had daar niet een klein voetnootje bij gekund?

Of neem hoofdstuk zeven, dat zo begint: “Kom op mensen, lach eens naar uw broeders en zusters! Allemaal hand in hand, probeer nú elkaar lief te hebben. We beleven nu het ochtendgloren van het Aquariustijdperk: harmonie en wederzijds begrip, sympathie en vertrouwen overal om je heen. Geen onwaarheid meer, geen spot: gouden, levende dromen van visioenen, glasheldere mystieke openbaringen en een echte bevrijding van de geest. Stel u voor: geen bezit meer; ik vraag me af of het u lukt.”

Het gaat nog verder (zoals gezegd: Pinker houdt van veel voorbeelden), maar hebt u ’m door? Het zijn popsongteksten.

De laatste zin bijvoorbeeld is het begin van John Lennons Imagine, en de eerste twee, zo leerde een zoektochtje over het Internet, komen uit het mij volslagen onbekende nummer Get together, onder meer uitgevoerd door de Indigo Girls en de Young Bloods. Dat staat er dus allemaal niet bij, ook niet verderop. Wie het vanzelf snapt, heeft terugvertaald, zo ongeveer het allerlaatste dat de bedoeling van een vertaling kan zijn. Voor zover deze teksten in Nederland bekend zijn, zijn ze dat in hun oorspronkelijke Engelse versie. Ze allebei geven (zoals elders in het boek bij stukjes poëzie wel gebeurt) was hier echt het minste geweest.

‘Je kunt net zo goed zeggen dat we de opwarming van de aarde juist nodig hebben’

Biologen en geologen hebben elkaars kennis nodig om ‘het systeem aarde’ te kunnen begrijpen. En dat is weer een voorwaarde om iets zinnigs te zeggen over de toestand nu en in de toekomst. Biogeologie is een grensvak in ontwikkeling, waar Nederland volgens een KNAW-verkenningscommissie veel aan bij te dragen heeft. Hoe onze wereld verfijnder en complexer werd.

“Er komen aan de lopende band organische moleculen uit de ruimte. Het is helemaal niet gezegd dat het leven op aarde hier ook begonnen is.” Prof.dr. Bert van der Zwaan (50) lacht erbij, maar meent het niet minder serieus. Om zijn studenten een beetje te provoceren haakt hij graag even aan bij de discussie of er leven op Mars geweest is: “Daar kan ons leven ook vandaan komen. Op een meteoriet afkomstig van Mars zijn een kristallen gevonden – magnetiet – dat overtuigend lijkt op magnetiet zoals dat gemaakt wordt door bacteriën. Die meteoriet is drie en een half miljard jaar oud. Rond die tijd ontstonden de eerste bacteriën op aarde.”

De wat terloopse opmerkingen over buitenaards leven geven een indruk van de uitgestrektheid van het onderzoeksterrein van Van der Zwaan. Hij is de enige hoogleraar biogeologie in Nederland, en bedrijft dat vak aan twee universiteiten tegelijk: die van Utrecht (bij Aardwetenschappen) en die van Nijmegen (bij Biologie). Biogeologie is dan ook, precies zoals het woord doet vermoeden, het interdisciplinaire grensgebied waar geologen en biologen elkaar vinden.

Zeebeestjes
Nut en noodzaak daarvan kan Van der Zwaan makkelijk illustreren aan de hand van een voorbeeld waar de muren in zijn Utrechtse werkkamer vol mee hangen. Prachtige plaatjes van foraminiferen, hele kleine, eencellige zeebeestjes in schitterende geometrische patronen. Van der Zwaan: “Daar zijn er heel veel van, en ze fossiliseren goed. Ze zijn dus makkelijk te vinden, en goed te gebruiken om het verre verleden mee te reconstrueren.” In de olie-industrie wordt er dan ook al lang gebruik van gemaakt. Veel geologisch onderzoek is voortgekomen uit de behoefte aan kennis over ertsen en olie, net zoals biologische kennis dikwijls een medische achtergrond heeft. Dat maakt een ontmoeting tussen de twee vakken niet direct vanzelfsprekend.

Van der Zwaan legt uit: “Van die foraminiferen weten paleontologen veel meer dan biologen. Maar als je het vanuit evolutionair of ecologisch oogpunt wilt bekijken heb je ook biologische kennis nodig. Het gebrek daaraan was echt een groot probleem. Hoe zit het met de reproductie van die beestjes? Hoeveel nakomelingen hebben ze? Kunnen ze tegen zuurstof? Dat was allemaal niet bekend, maar ook de biologen wisten het niet. Dit zijn geen direct belangrijke biologische vragen met bijvoorbeeld een biomedische achtergrond. De grootste vragen in de biogeologie werden vanuit de aardwetenschappen aangestuurd.”

Bijblijven
Het gaat uiteindelijk allemaal om het begrijpen van het ‘Systeem Aarde’. Tussen Aarde en Leven heet het eindrapport van de Verkennings Commissie Biogeologie van de Akademie waarvan Van der Zwaan voorzitter was. Het is net uit, en vormt de aanleiding voor het gesprek over dit vak dat zich sterk aan het ontwikkelen is. De ‘strategische verkenning’, onder meer aan de hand van enquêtes, is in recordtijd gedaan: in acht maanden. Maar daar was wel weer een voorverkenning van de Raad voor Aarde en Klimaat aan voorafgegaan. Van der Zwaan: “Het startpunt was internationaal. De Raad had als uitgangspunt dat er hier iets belangrijks gaande is. En dan is onder meer de vraag of het ook voor Nederland een belangrijk nieuw grensgebied is, en pregnanter: het gaat in het buitenland heel hard, wat kunnen wij doen om bij te blijven?

De vraag van de KNAW was dus hoe we onze positie kunnen behouden danwel verbeteren.”
Het rapport maakt duidelijk dat er in Nederland weliswaar veel gebeurt dat van belang is voor de biogeologie, en dat het gaat om onderzoek van hoge kwaliteit, maar het is allemaal weinig gecoördineerd. Dat moet dus veranderen. En Van der Zwaan neemt het voortvarend ter hand. Op 17 maart aanstaande, tijdens een conferentie over ‘Global Ecology’ in Wageningen gaat het Nationaal Centrum voor Biogeologie informeel van start. Eind dit jaar moet er een officieel begin gemaakt zijn met het goeddeels virtuele onderzoekscentrum, dat wel een penvoerder en een directie krijgt, maar als het aan Van der Zwaan ligt zo min mogelijk extra bureaucratie oplevert.

Darwins tijd
Dat de commissie de naam Darwin Centrum voorstelt, heeft duidelijke redenen, die in het rapport terug te vinden zijn. In Darwins tijd lagen de vakken biologie en geologie veel dichter bij elkaar dan tegenwoordig. De natuur werd in zijn geheel beschouwd. Sterker nog: Darwins eerste publicaties gingen over geologie. Eigenlijk zijn de twee terreinen pas vanaf de Tweede Wereldoorlog ieder een eigen kant opgegaan. Ze onder de naam Darwin weer wat meer verenigen is dus niet zo’n gekke gedachte, maar vanuit biologische kring klinken daar inmiddels enige protesten over. Sommige biologen vinden kennelijk dat de naam Darwin van hen is, of niet geschikt voor een Biogeologisch Centrum. “Daar heb ik me eerlijk gezegd wel aan geërgerd”, merkt Van der Zwaan op, al moet hij er ook wel een beetje om lachen. Hoe dan ook, de bedoeling is dat er snel bijeenkomsten zullen komen en natuurlijk een gezamenlijk onderzoeksplan.

Van der Zwaan hamert op het belang van kwaliteit. “Het was een verkenning nieuwe stijl”, vertelt hij, “waarbij er nadrukkelijk gevraagd wordt naar keuzes. Momenteel is er belangstelling van allerlei kanten, maar wie mee wil doen moet echt binnen het thema vallen, en het onderzoek moet zeer goed tot excellent zijn.”

Maar waar moet het over gaan? Kan Van der Zwaan een beeld schetsen? “Wat we doen speelt op hele grote ruimtelijke schalen, en soms over lange tijden”, zegt hij. “Als je bijvoorbeeld wilt weten hoe het zal gaan met het leven op aarde de komende honderd jaar dan moet je op veel vragen een antwoord hebben. Zijn veranderingen in de oceaan bijvoorbeeld van invloed? Dan kun je kijken naar de koolstofcyclus. Als die verandert, voor opwarming zorgt, sterft er dan leven uit of niet? En hoe snel herstelt het zich? Kun je door menselijk handelen de circulatie in de oceaan echt zo veranderen dat er ongelukken gebeuren met het klimaat? Met andere woorden: hoe zit het met de relatie tussen veranderingen in het CO2-gehalte, het broeikaseffect en de biodiversiteit?”

Wereldvochtigheid
“Het gaat om enorm complexe systemen, waarin je kunt proberen om met behulp van computermodellen vereenvoudigingen aan te brengen. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of je de ontwikkelingen in de bossen en vegetatie op aarde kunt beschrijven met een of twee variabelen. De wereldvochtigheid is daar heel belangrijk voor weten we. Waarschijnlijk is dat de belangrijkste verklarende factor.”

“Wat de biogeologie zo speciaal maakt zijn de schalen waarop de dingen zich afspelen. Maar die verschillen ook erg. Neem weer even die koolstofcyclus. Als je alleen naar Nederland kijkt dan is het broeikaseffect of zich niet zo belangrijk. De zeespiegel is veel belangrijker. Zodra die twee of drie meter stijgt heeft dat enorme gevolgen voor Nederland, maar op wereldschaal maakt het meestal nauwelijks uit. Hoe je van schaal kunt veranderen, de verbinding kunt maken tussen de verschillende schalen, dat is een van de grote onderzoeksvragen.”

“Want je kunt er ook andersom naar kijken. We maken ons druk over het opgelopen CO2-gehalte, maar is dat erg? Is wat er nu gebeurt buitennatuurlijk? Als je over de afgelopen dertig miljoen jaar kijkt zeker niet. Toen was het vijf keer het huidige gehalte, dus je kunt ook zeggen dat het nu absurd laag is. Iedereen heeft het over het broeikaseffect, maar is dat echt zo erg? Op Groenland groeiden er rond 1200 nog druiven, heeft daar toen iemand over geklaagd?”

Woestijnvorming
“Niemand weet overigens wat de precieze effecten van opwarming zijn. Misschien hebben we het juist wel nodig. Water wordt deze eeuw een schaars goed, en een kwart meer neerslag zou de verdroging tegen kunnen gaan. Van een beetje broeikas wordt het lekker nat. Ik zeg dit nu, maar dat is net zo’n legitieme slag in de lucht als de claim dat het broeikaseffect onze grootste bedreiging is. Die verdroging nu zit hem overigens in de consumptie van de mens, en in onoordeelkundige irrigatie. Die leidt tot verwoesting van landbouwgronden en woestijnvorming. En dat stapelen we dan nog eens bovenop een situatie waar we toch al een wat drogere aarde hebben. De oorzaak daarvan ligt vijftien miljoen jaar geleden. Toen begon de zuidelijke ijskap snel te groeien, waardoor de aarde droger werd en er op grote schaal woestijnen ontstonden. Dat je twee ijskappen op de polen hebt is in de geschiedenis van de aarde trouwens heel bijzonder.”

De zeebodem, ijskernen van de polen, bergformaties, de wereld is een groot archief waaruit dingen te leren vallen. Ook dat overgangen soms verbluffend snel kunnen gaan. “Hoe overgangen verlopen is relevante maatschappelijke kennis”, zegt Van der Zwaan, “een systeem kan lange tijd stabiel blijven, en dan komt er een omslag die binnen tachtig jaar voltooid is. Dat gaat zo snel dat je je een hoedje schrikt.”

Reconstrueren wat er vroeger gebeurd is, processen volgen, het is allemaal essentieel voor het begrip van het systeem, en dus ook voor het kunnen voorspellen van wat er gebeurt als je ingrijpt. Welke keten van veranderingen je kunt verwachten. Leidt het uitsterven van de ene soort tot een hele cascade? Hoe zat het wanneer met de stofstromen, de cycli van bijvoorbeeld stikstof, zwavel, ijzer, fosfor, zuurstof? En hoe hingen en hangen die samen met de biodiversiteit? Van der Zwaan: “Als de reconstructies kloppen dan hebben we nu een biodiversiteit die een magnitude hoger ligt dan zestig miljoen jaar geleden. Hoe heeft zich dat ontvouwd? Voor begrip van moderne systemen heb je die evolutionaire kennis nodig.”

Tsjernobyl
Maar ook voor het volgen van de vervuiling in de Adriatische Zee sinds begin vorige eeuw. Van der Zwaan laat staatjes zien, waarin de recente geschiedenis goed valt terug te lezen. Vanaf 1920 werd er kunstmest gebruikt, wat de organische vervuiling sterk deed toenemen, en het zuurstofgehalte verminderde. De vervuiling nam tijdens de Tweede Wereldoorlog af, omdat er toen minder landbouw was. En in 1978 was de vervuiling op zijn hoogtepunt, daarna is men afvalwater eerst gaan zuiveren. We dateren dit jonge archief met het ongeluk in Tsjernobyl, wat onmiddellijk te herkennen is aan een piek in isotopen. Het is allemaal te traceren.

En soms is het nog eenvoudiger te zien. Er hangt een uitvergrote foto aan de muur, met daarop op het eerste gezicht gewoon een schep zand, en een sleutel, die je symbolisch kunt interpreteren, maar die ook een idee van de schaal geeft. Van der Zwaan vertelt en wijst aan: “Het is een spade zand aan het strand, maar kijk, je ziet hier prachtig de overgang tussen twee systemen. Tussen zuurstofrijk en zuurstofarm. Die gangetjes in het zand komen van wormen, en die woelen alleen maar zuurstofrijke grond om. Je ziet daardoor precies de grens.”

Verfijnder
“De eencellige foramiferen waar wij experimenten mee doen, zijn in staat om wel die grens tussen zuurstofarm en –rijk gebied te doorkruisen: ze zijn als het ware de boodschappers tussen de boven- en onderwereld. Ze voeden zich met bacteriën, en hoe harder ze dat doen, des te sneller gaan die bacteriën zich voortplanten. En dat heeft als neveneffect dat biochemische veranderingen en biochemische cycli sneller verlopen.

Hoe dat hele complexe bodemsysteem precies werkt, daar weten we nog weinig van, maar het is wel duidelijk dat het in het verleden anders in elkaar stak. Er waren veel minder gravers die belangrijke voedingsstoffen de grond in brachten en andere weer naar boven vervoerden. Dat gaat nu vele malen efficiënter dan zestig miljoen jaar geleden. En onder andere die toegenomen activiteit in de zeebodem heeft weer gevolgen voor de vruchtbaarheid van de oceanen. Het recyclesysteem is verfijnder, complexer geworden, wat ook de vruchtbaarheid de oceanen heeft doen toenemen.”

Van der Zwaans boodschap is duidelijk. Voor het doorgronden van heden, verleden en toekomst van ons systeem aarde kun je inderdaad een enorm scala aan onderzoekers inzetten. Niet alleen geologen en biologen, maar ook biochemici, microbiologen, ecologen. Als het aan Van der Zwaan ligt zullen ze elkaar binnen het Darwin Centrum allemaal gaan tegenkomen.

“Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in te delen”

Op enkele scholen wordt geexperimenteerd met filosofie als eindexamenvak. Het blijkt een populair vak te zijn bij leerlingen. Wat wordt hun precies onderwezen, en vanwaar de geestdrift?

Kunt u zeggen welke van de volgende uitspraken met behulp van waarneming te controleren zijn?

-Ik ken mijn vriendin door en door

-God is dood

-Mijn moeder houdt van mij

-Alles heeft een oorzaak

-Maria is thuis

-Ik ben vrij

En kloppen de volgende redeneringen?

Alle luizen zijn vegetariërs

Alle muizen hebben luizen

->Sommige muizen zijn vegetariërs

Ik geloof dat de Gaulle gek is

Ik ben de Gaulle

->Ik geloof dat ik gek ben

Als u het antwoord schuldig moet blijven heeft u op school vast geen filosofie gehad. Die kans is overigens nogal groot, want op vrijwel geen enkele school maakt of maakte filosofie deel uit van het vakkenpakket.

Waarom eigenlijk niet? In alle landen om ons heen is het een doodnormaal en gerespecteerd schoolvak. En in Amerika krijgen kinderen soms op de lagere school al filosofielessen waarin ze discussiëren over de vraag of ze nog dezelfde zijn als tien jaar geleden, en moeten vertellen hoe het mogelijk is dat ze van dieren houden maar ze ook opeten.

Nederland heeft meer dominees dan filosofen voortgebracht, en misschien daarmee meer godsdienst- dan filosofie-onderwijs. Dat zou in ieder geval een verklaring kunnen zijn voor het feit dat er met de ontzuiling meer ruimte en belangstelling voor filosofie als middelbare-school-vak is gekomen. Behalve op heel streng christelijke scholen (en dat zijn er niet zo veel meer) blijkt het niet goed mogelijk leerlingen in de hogere klassen nog echte katechese te verkopen. Vaak krijgen ze daarvoor in de plaats dan filosofie.

Ook tamelijk nieuwe vakken als ‘Levensbeschouwelijke vorming’, ‘Kennis van het geestelijk leven’ en ‘Maatschappijleer’ zitten propvol filosofische onderwerpen en worden niet zelden door een filosoof gegeven. Toch is het de vraag of de filosofie geen beter lot verdient dan zo’n versplintering over allerlei andere vakken.

Veel filosofen vinden dat het op school eigenlijk juist een centrale plaats zou moeten krijgen, en voor zover er feiten zijn geven die hen gelijk: op de vier dagscholen in Nederland waar leerlingen filosofie als eindexamenvak kunnen kiezen doet maar liefst twintig à veertig procent dat.

Enquête

Het gaat hier om een experiment dat inmiddels aan zijn dertiende jaar bezig is. Op basis van de leerlingenaantallen alleen al verdient deze proef de kwalificatie “geslaagd”, en het lijkt dan ook de hoogste tijd de experimenteerfase maar eens af te sluiten.

Niemand schijnt daar echt tegen te zijn, ook de bevoegde instanties op het ministerie niet, maar er is één groot probleem: het mag allemaal geen extra geld kosten. Ook nu moeten de scholen die meedoen aan het experiment zelf ruimte maken binnen het rooster, en dat gaat per definitie ten koste van de uren van andere vakken.

Waarschijnlijk krijgt filosofie binnenkort wel een officiële status, maar mogen de scholen zelf weten of ze er een deel van hun tijd en geld in willen steken. Omdat de leerlingenaantallen nog steeds teruglopen en een nieuw eindexamenvak veel moeizaam geknoei met roosters betekent, verwacht niemand dat scholen straks enthousiast en masse filosofie gaan onderwijzen.

Worden de pubers van Nederland daarmee tekort gedaan? Zijn kinderen van vijftien of zestien of zeventien trouwens niet wat jong voor zo’n vak? Wat vinden degenen die filosofie kiezen er leuk aan, en wat juist niet? Dat zijn vragen die zijzelf, hun leraren en hun ouders kunnen beantwoorden.

Twee enthousiaste propagandistes van filosofie als serieus examenvak (Karin Daalderop en Ida Jongsma) hielden onlangs een kleine enquête om de meningen eens te peilen.

Daalderop en Jongsma zijn filosofen, en geven beiden les op een middelbare school. De enquête legden ze voor aan leerlingen, hun ouders en leraren van de school waar Jongsma les geeft: het Montessori Lyceum in Amsterdam. Die school heeft de grootste filosofiepopulatie van het land: vorig jaar deden vier van de zeven klassen eindexamen filosofie, bij elkaar 92 kandidaten. Dat aantal groeit ieder jaar, komende zomer zullen 105 Montessori-leerlingen meedoen aan het centraal schriftelijk. En zo te zien met behoorlijk wat plezier.

Vrijwel iedereen die de vragenlijst ingevuld heeft zegt veel te leren en de stof belangrijk en interessant te vinden. De droom van iedere docent zou je haast zeggen. Daar komt nog bij dat ook de ouders en de leraren die andere vakken geven het bijna allemaal even prachtig vinden.

Wie het lesprogramma ziet kan daar wel inkomen. Filosofieboeken voor de middelbare school bestaan niet of nauwelijks, dat betekent dat het materiaal door de leraren zelf wordt samengesteld.

Op het Montessori Lyceum heeft dat geleid tot een aantrekkelijk ogende stapel ‘readers’: stukken tekst in alle soorten en maten, van Plato tot Marx, van Dessaur tot Darwin, alles verluchtigd met plaatjes, cartoons en opgaven zoals die aan het begin van dit stuk. Aan de hand hiervan worden de landelijk verplichte onderwerpen behandeld. Alle kinderen moeten bijvoorbeeld iets van ethiek, iets van sociale filosofie, maar ook iets van kennistheorie en wetenschapsfilosofie weten. Verder moeten ze in de loop van drie jaar een enorme lijst termen leren thuisbrengen (syllogisme, positivisme, premisse, marxisme noem maar op).

Veeleisend

Wordt er in de vierde nog veel ruimte gegeven aan het zelf bedenken van antwoorden op vragen als “Waarom zijn er mensen?”, “Hebben alle mensen hetzelfde doel in hun leven?” en “Hoe weet je dat iets waar is?”, in de hoogste twee klassen worden leerlingen verondersteld de antwoorden van ánderen te begrijpen en te overzien. De bedoeling is dat er tegen die tijd een vruchtbare voedingsbodem gelegd is, te weten: verwondering, al volgens Plato “het begin van de wijsbegeerte”. Wie geleerd heeft zich te verbazen over alledaagse dingen is een eind op streek.

Geen geringe opgave al met al. Filosofie blijkt dan ook als een weliswaar leuk en nuttig maar ook moeilijk vak gezien te worden. Opmerkingen als “Je moet er wel veel voor doen” en “Het is veeleisend en vraagt concentratie” zijn dan ook in grote getale op de enquêteformulieren terug te vinden. Daarnaast zeggen ze bijna allemaal dat ze “anders zijn gaan denken”: “Alles is veel gecompliceerder geworden” schrijft een meisje uit de vijfde, “Filosofie nuanceert mijn gedachten en traint mijn hersenen” vindt een ander.

Maar de lessen leveren ook aanhangers op. Een meisje van zestien schrijft bijvoorbeeld: “Sartre heeft mij doen beseffen dat ik de verantwoordelijkheid draag voor alles wat ik doe en zeg en die verantwoordelijkheid probeer ik en durf ik nu dan ook te aanschouwen en te dragen. Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in de delen.”

Dat existentialisme is trouwens ook op andere scholen een succesnummer. “Dat komt”, zegt Jongsma, “omdat ze op een leeftijd zijn waarop er van alles met ze gebeurt. Eigenlijk beginnen ze net. Dat betekent aan de ene kant dat je ze nog alles kunt wijs maken natuurlijk, (maar dat geldt voor alle vakken), aan de andere kant is het nou net zo leuk omdat ze voor het eerst de rijpheid hebben om zich van alles af te vragen. Het existentialisme met zijn nadruk op het individu past daar goed bij. En ze komen het ook weer tegen bij Frans.”

Dat het pubers zijn is wel vaker te merken. Jongsma: “Soms beginnen ze te roepen: wanneer gaan we het nu eens over échte dingen hebben? En als ik dan vraag wat ze daarmee bedoelen dan zeggen ze: over GEVOEL. Alsof er een echte oplossing is voor het leven en of ik het antwoord dan maar even wil geven! Maar dat is nou net filosofie: ze mogen er zelf achterkomen dat die oplossing er niet is”.

Een zekere hang naar alomvattende theorieën valt ook te bespeuren bij de onderwerpen waarover de leerlingen in de zesde een scriptie schrijven. Ze mogen dan helemaal zelf een filosoof, een stroming of een thema kiezen, de juf verbiedt alleen Kant en Hegel, “omdat ze zich daar per definitie aan vertillen”. Dingen die tijdens de les niet behandeld zijn kunnen nu een kans krijgen: “Reïncarnatie en Karma”, “Steiner en Kunst”, “Dromen, de stem van de natuur”, “Boeddhisme” en “Capra en het Keerpunt” zijn enkele van de titels die dat dan oplevert. Maar ook “De Stijl”, “Socrates”, “Black Power”,”Descartes” en “Schizofrenie” mogen.

Argumentatieleer

Over wat je kinderen van pakweg vijftien tot twintig op dit gebied moet en kunt bijbrengen verschillen de meningen overigens nogal. Juist omdat er geen schooltraditie voor filosofie is hebben leraren nogal wat vrijheid bij hun interpretatie van het vak. Lang niet alles is verplicht, het is een breed vak en leraren kunnen over het algemeen hun stokpaardjes vrijelijk berijden.

Die laatste mogelijkheid heeft bijvoorbeeld een kleine schoolstrijd tussen Amsterdam en het noorden van het land tot gevolg. Op het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden en het Praedinius Gymnasium in Groningen moeten ze niet veel hebben van de humanistische inslag van het Montessori Lyceum. Wetenschapsfilosofie, logica en argumentatieleer vormen daar de hoofdmoot.

Spruit in Groningen laat zijn leerlingen bijvoorbeeld zelf een empirisch onderzoekje opzetten (“Is het zo dat mensen die roken meestal ook drinken?”), en in plaats van het werkstuk dat de Amsterdamse kinderen moeten maken bestaat het schoolonderzoek in Groningen uit het toepassen van de netgeleerde argumentatieleer op een tekst.

Bij de behandeling van de geschiedenis van de filosofie ligt de nadruk op de periode van Copernicus tot Newton. Volgens Spruit is filosofie moeilijk, “maar het is het enige vak waar je iets aan hebt op de universiteit. Soms is het abstractieniveau van de kinderen nog niet ver genoeg ontwikkeld om de leerstof ‘voorstelbaar’ te maken. Dat geeft niet echt. Omdat ik alle lesmateriaal zelf heb gemaakt kan ik er ook mee ‘spelen'”.

Een voordeel van “werken met eigen werk” is dat je er volledig achter kunt staan en niet voortdurend allerlei voorbehouden hoeft te maken en dingen hoeft te verbeteren in het boek van een ander.

Pieron in Leeuwarden heeft zo langzamerhand een zee aan mogelijkheden voor zijn leerlingen geschapen: ze kunnen allerlei deelgebieden kiezen waar materiaal over bestaat. Zo hebben de leerlingen hier de mogelijkheid om zich in computers en Artificiële Intelligentie te verdiepen. Wetenschapsfilosofie moet volgens Pieron de harde kern van zijn vak zijn: “Daar hebben ze iets aan voor later”.

De meest zinvolle discussies kunnen zich volgens hem afspelen rondom de zogenaamde Nature/Nurture vraag (is iets aangeboren of aangeleerd?). Hij vertelt zijn leerlingen daar eerlijk bij dat hij als aanhanger van Skinner het meest in Nurture ziet. Dit in de hoop al te veel beïnvloeding te voorkomen.

Iets anders gaat het toe in de vierde en laatste dagschool waar leerlingen eindexamen kunnen doen in filosofie: de Christelijke Scholengemeenschap Oude Hoven in Gorinchem. Uiteraard krijgt “het bijbelse gezichtspunt” hier meer aandacht. Docent van der Kam zal hier in ieder geval niet geconfronteerd worden met een klas vol mensen die het Scheppingsverhaal niet kennen, iets dat Jongsma wel overkwam (“Ze vinden dat allemaal een onzin-verhaal, belachelijk gewoon. Dat we op zondag rusten omdat dat in de bijbel staat begrijpen ze ook absoluut niet”).

Van der Kam ziet het overigens als zijn taak zo objectief mogelijk les te geven. Soms zorgt hij zo voor eye-openers, bijvoorbeeld door zijn leerlingen erop te wijzen dat het idee van een onsterfelijke ziel in de bijbel nauwelijks voorkomt, en afkomstig is van Plato.

Uitslovers

Echt moeilijk lijken alleen die leraren het te hebben die filosofie moeten geven op scholen waar het geen eindexamenvak is. Binnen de kortste keren vallen ze, als ze niet uitkijken, in de maatschappijleer-klasse: lekker gratuit discussiëren en vliegtuigjes gooien. In het bijzonder de vier-HAVO klassen lijken niet vol lieverdjes te zitten.

Hier laat zich ook het duidelijkst het gebrek aan traditie voelen: de kloof tussen de universiteit waar de leraar vandaan komt en de HAVO-leerling blijkt stukken moeilijker te overbruggen dan die met het VWO. Bestaande teksten zijn gauw te moeilijk en bovendien moet de leraar nogal eens vechten tegen de tendens dat iemand die bijvoorbeeld een filosofieboek uit de bibliotheek haalt minstens een halve zonderling is en ieder geval een uitslover.

Betsy van Oortmarssen (ze werkt op de Stedelijke Scholengemeenschap in Leeuwarden) probeert grip op de klas te krijgen door op z’n jan-boerenfluitjes abstractere kwesties aan de orde te brengen. Ze begint bijvoorbeeld heel laag bij de gronds wat ethische problemen aan de orde te stellen: Een rolletje drop stelen bij de MIRO, (“die zit hier om de hoek, en dat gebeurt natuurlijk aan de lopende band”), mag dat? En is dat iets anders dan net zo’n rolletje stelen bij de kruidenier?

Vandaar moet dan de stap naar algemenere vragen over goed en kwaad gezet worden. Socrates behandelt ze door te proberen hem in deze tijd te plaatsen: “Stel je voor dat die man nou door onze straten stapt. Hoe zou dat zijn? Wat zou hij zeggen?”

Ook bij Daalderop klinkt soms nogal wat cynisme door over de mogelijkheden in haar vier-HAVO-klas. Ze geeft daar Levensbeschouwelijke vorming, “Maar”, zegt ze, “de leerlingen zijn niet in beschouwingen geïnteresseerd en niet in vorming, ze willen alleen maar leven “.

Er moet nog altijd een stok die hard kan slaan achter de schooldeur staan. Misschien moest filosofie maar eens een echt vak worden. Dan kunnen er ook fatsoenlijke lesprogramma’s voor allerlei schooltypes gemaakt worden, en dan kan de versnippering over andere vakken verdwijnen. Ook al leren kinderen soms alleen maar een beetje goochelen met termen, ze hebben in ieder geval de kans om minder zwart-wit te gaan denken.

De intuïtieve mensenmoraal

Bioloog Marc Hauser bouwt aan een universele moraalgrammatica. Iets doen blijkt overal erger dan iets laten.

Waar gebeurd: op een station is iemand middenop de rails terechtgekomen, net voordat de volgende trein eraan komt. Een man op het perron ziet het, bedenkt zich geen moment, springt naar beneden, trekt de ander razendsnel tussen de rails en gooit zichzelf erbovenop. Trein dendert over beiden heen. Niemand gewond.

Wat vindt u? Mocht die man dat doen? ‘Ja’, zult u zeggen, ‘natuurlijk.’

Of vindt u misschien dat hij het móest doen? Is zo’n reddingsactie niet ieders plicht? Zeer grote kans dat u daar ‘Natuurlijk niet’ op antwoordt. Het lijkt bijna een belachelijke vraag.

Die ‘nogal wiedes’-reactie vindt de Amerikaanse bioloog Marc Hauser (1959) nou net erg interessant. Hij onderzoekt al jaren ons gevoel voor goed en kwaad. Het moralisme zit ons ingebakken, stelt hij. Niet omdat onze ouders, schooljuffen of de dienstdoende geestelijke ons verteld hebben wat we verkeerd moeten vinden, maar omdat de evolutie ons uitgerust heeft met een soort automatische ‘morele-oordelen-generator’.

Eraan ontkomen is onmogelijk: onze hersenen hebben nog voor we ons ervan bewust zijn interpretaties paraat over goed en kwaad. Wat we er vervolgens mee doen, is een andere kwestie. Met wat het ‘morele brein’ ons supersnel voorgerekend heeft, kan de rest van de kennis en kundes in ons hoofd aan de slag. ‘Die oordelen zijn iets anders dan gedrag,’ benadrukt Hauser, die begon als onderzoeker van diergedrag.

grootvader

Er zijn meer ethologen die na een tijd hun diergedragblik op de mens richten: Desmond Morris (‘De naakte aap’) bijvoorbeeld, en Frans de Waal (‘De aap in ons’). Maar ook ethologie-grondlegger en Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. Hauser was afgelopen zondag over voor een bliksembezoek uit Boston om de Tinbergenlezing te houden, die sinds Niko Tinbergens honderdste geboortejaar in 2007 (hij stierf in 1988) jaarlijks georganiseerd wordt, mede door deze krant. Hauser wijdde zijn hele verhaal aan onze morele intuïties, maar liet wel even zijn ‘academische stamboom’ met leermeester-leerling-relaties zien: Tinbergen is minstens drie keer zijn ‘grootvader’ of ‘overgrootvader’, en ook Morris en De Waal zijn ‘familie’.

Toch is er geen etholoog die zich zo verdiept heeft als Hauser in wat traditioneel als de grootste scheidslijn tussen mens en dier gezien wordt: taal. Een uitvloeisel van zijn onderzoek naar dierencommunicatie. ‘Ik ben gewoon met veldwerk begonnen, in Kenia,’ vertelt hij na afloop van de lezing. Daar bestudeerde hij de beroemde meerkatten (dat zijn ondanks hun naam apen), die onder andere verschillende kreten hebben voor ‘gevaar uit de lucht’ en ‘gevaar uit de bosjes’.

In 1996 verzamelde en besprak Hauser ongeveer alles wat er van de communicatie van dieren bekend is in een zeer dik standaardwerk, dat hij The Evolution of Communication doopte. Hij glimt bij een compliment over de breedte en diepte van het boek. Van eekhoorns tot brulkikkers, van vleermuizen en vogels tot chimpansees staan erin, maar ook de mens en diens taalvermogen krijgen alle aandacht.

Chomsky

En daar ligt de inspiratie voor al Hausers ideeën over onze Moral Minds, zoals het boek heet dat hij erover schreef, ‘Gewetensvolle geesten’, zou een vertaling kunnen zijn. Hauser ziet directe parallellen tussen ons taalvermogen en ons ‘moraalvermogen’, en wil die moraal op dezelfde manier te lijf gaan als Noam Chomsky alweer ruim een halve eeuw geleden begon te doen met taal.

Hauser: ‘In het dagelijks leven is zowel taal als moraal een heel breed gebied. Wil je er meer van begrijpen, dan is het verstandig je tot een stukje te beperken. Chomsky heeft zich erg op zinsbouw gericht, en begon grammaticaliteitsoordelen te gebruiken.’ Dat bleek een krachtig instrument. We hebben allemaal intuïties over onze moedertalen, ‘voelen’ bijvoorbeeld of een zin wel of niet loopt. Dat levert een ingang op om achter de bouwprincipes te komen van een taal. Want het ‘rekenwerk’ dat zich afspeelt in onze hersenen bij praten en luisteren gaat ongelooflijk snel, en vrijwel volkomen onbewust.

Iets dergelijks ziet Hauser bij de morele oordelen, die zich vanzelf opdringen. ‘Je hebt geen keus,’ zegt hij, ‘Je kunt er niet van afzien. Net zoals je een zin al geïnterpreteerd hebt voor je het weet, leveren morele dilemma’s meteen een interpretatie op.’

Hoe vreemd het misschien ook klinkt, het leek of je dat bij zijn lezing kon voelen in de afgeladen collegezaal. De intuïtieve reacties gierden als het ware door het Leidse Gorlaeusgebouw bij de dilemma’s die Hauser zijn gehoor voorlegde. Waaronder nog een waargebeurd verhaal: op vakantie komt een buitensporig dikke vrouw klem te zitten in de enige ingang van een grot. In de grot zitten op dat moment 22 andere toeristen, die daar zullen omkomen als de ingang niet snel vrijkomt. De dikke vrouw sterft ook als ze daar blijft zitten. ‘Wat vindt u,’ vroeg Hauser, ‘mag de vrouw opgeblazen worden? Om die 22 anderen te redden? Of moet dat misschien zelfs?’

logica

Dat daar iets wringt, valt direct te merken aan het gemurmel uit de zaal. Iemand opblazen roept intuïtieve afkeer op. ‘Een ander geen kwaad doen’ is volgens Hauser dan ook een van de universele bouwstenen waarmee ons aangeboren moreel instinct werkt. En dat blijft meespelen, ook als de logica zegt dat 22 anderen blijven leven als we die regel overtreden.

Hauser geeft nog een variant op het dilemma: wat nou als die ingang per ongeluk instort bij de pogingen de vrouw te bevrijden en ze komt om? Dat voelt minder erg, vindt de zaal. ‘Maar het resultaat is precies hetzelfde,’ houdt Hauser zijn publiek voor.

Hij gebruikt in zijn lezing de echte verhalen om te illustreren dat de voorbeelden uit zijn grootschalige onderzoek naar onze aangeboren moraal helemaal zo gek niet zijn. Zijn ‘Moralitytest’ is ook in het Nederlands vertaald, en iedereen kan hem op internet doen. Daar komt een lange reeks korte verhaaltjes voorbij, die onderling soms maar op kleine punten verschillen. Varianten van dilemma’s waarbij het steeds draait om een of vijf doden die zullen vallen. Er varen bijvoorbeeld boten over ze heen, of ze worden meegesleurd door een treinlorrie. Zorgen dat er geen vijf mensen maar slechts een persoon doodgaat, kan onder meer door een handel omzetten, of door iemand van een brug te duwen. Aan het end van elk dilemma word je gevraagd je oordeel te geven op een schaal die tussen ‘verboden’ en ‘verplicht’ loopt.

De uitkomsten helpen Hauser een begin te maken met de beschrijving van wat hij de ‘morele grammatica’ noemt. De analogie met de taalkunde zit hem ook in de zoektocht naar universele elementen. En hoe die al dan niet samen kunnen gaan.

Hoe dat ook zij, bewust een persoon kwaad doen als middel om een hoger doel te bereiken, zien we in elk geval liever niet gebeuren. Maar als diegene daardoor niet slechter af is, vinden we het minder erg.

Bovendien maakt wel of geen fysiek contact hebben daarbij verschil: in de verte een handel overhalen waardoor iemand onder de trein komt, maar vijf anderen redt, vinden we acceptabeler dan diegene persoonlijk onder de trein douwen.

Iets doen of juist iets laten is ook een terugkerend element in de aanmaak van onze oordelen. Hauser: ‘We rekenen het iemand zwaarder aan als hij kwaad berokkent door iets te doen dan door iets te laten.’ Dat zat ook in het verhaal op het perron: van iedereen zo’n heldendaad verlangen doen we niet. Zelfs de man die op de rails sprong zelf – een marinier die getraind was in snelle, gevaarlijke acties – vond het zijn plicht niet, en kon niet beloven dat hij het een volgende keer weer zou doen. Met de dikke vrouw liep het overigens goed af: het lukte om haar los te krijgen voor er doden vielen.

abortus

Niet alles is op het oog even verrassend, maar dat de resultaten aldoor hetzelfde zijn, ongeacht taal, ongeacht leeftijd, opleiding of geloofsovertuiging steunt Hauser bij zijn gedachte dat we een aangeboren basispakket hebben. En dat wat je daarna leert daarvoor niet uitmaakt.

Dat denkt hij ook te kunnen zien aan de hand van de Nederlandse euthanasiewet: ‘Die staat een bewuste handeling toe die iemand doodmaakt.’ Maar ook Nederlanders die voor die wet zijn, en er tijdens de test nog eens aan herinnerd worden, blijven bij nieuwe, neutrale dilemma’s dezelfde afkeer van bewust kwaad berokkenen houden als iedereen. ‘Je moet dus geen vragen stellen over ethische maatschappelijke issues als abortus in die Moralitytest,’ zegt hij, ‘want daar heb je al over nagedacht en weet je al wat je ervan vindt.’

Want net als je taal is je moraal wel degelijk ook afhankelijk van je omgeving. Die bepaalt onder andere de invulling van een aantal zaken. Waar je werkwoorden terechtkomen in de zin bijvoorbeeld, en wie je als ‘binnen’ of ‘buiten’ je eigen groep ziet. Dat er werkwoorden zijn, staat voor alle talen vast, net als elke moraal het binnen-of-buiten-de-groep-principe kent. Als je geboren wordt, kun je alle talen van de wereld leren, en Hauser denkt dat dat ook voor alle moralen geldt. Wat weer niet wil zeggen dat alles een taal of alles een moraal kan zijn, benadrukt hij. De wetenschap moet erachter zien te komen wat de bandbreedte is waartussen talen en moralen kunnen liggen.

tweemoralig

‘Tweetaligheid vinden we heel gewoon, maar zou je ook tweemoralig kunnen worden?’ vraagt hij zich af, de analogie weer doortrekkend. Deels wel, denkt hij: ‘Toen ik in Kenia woonde, vond ik het op een gegeven moment heel gewoon om met steekpenningen dingen te regelen. Wat ik na mijn terugkomst niet thuis ook ging doen. Maar de gewoonte in Kenia om vrouwen een lel te verkopen bij het minste of geringste, zou ik nooit kunnen overnemen.’ Zou je dan ook tweemoralig kunnen opgroeien, net zoals je twee moedertalen kunt hebben? ‘We weten er eigenlijk niks van. Maar het zou voor immigranten zo kunnen zijn, ja.’

Hausers onderzoek roept wel meer vragen op, en ook nogal eens verontwaardiging. ‘Ja, het is een onderwerp waar echt iedereen iets van vindt,’ lacht hij. In gelovige kringen is men meestal niet erg blij met hem. ‘Ik heb laten zien dat atheïsten dezelfde morele scores hebben als diepgelovigen,’ zegt Hauser.

Het lijkt hem daarom niet onaannemelijk dat onze aangeboren moraal als bodem onder religies dient, in plaats van dat het geloof die bodem aanbrengt.

Het maakt niet uit om wie het gaat, blijft Hausers boodschap. Zelfs psychopaten vullen de Moralitytest niet anders in. Dat is heel recent onderzoek, dat volgens Hauser ook laat zien dat onze intuïtieve morele oordelen niet op emoties gebaseerd zijn. ‘Van psychopaten weten we dat ze bij allerlei vreselijke dingen heel weinig voelen. Maar ze weten wel wat goed en fout is. Hun scores wijken niet af.’

Komen we dan dalijk terecht bij wetgeving of rechtspraak die gebaseerd is op zijn onderzoek? Hauser haalt kort zijn schouders op: ‘Ja, of je goed en kwaad kunt onderscheiden is in Amerika nu al een criterium voor of je berecht mag worden.’ Dat de slinger in het nurture-nature-debat tegenwoordig erg veel dichter bij de ‘aangeboren’ dan bij de ‘aangeleerd’ kant hangt, is duidelijk. Natuurlijk is ook daar niet iedereen over te spreken. Morele oordelen deel uit laten maken van de biologie, gaat bijvoorbeeld de Groningse hoogleraar taalkunde Jan Koster beslist te ver. Gedrag is iets anders dan ethiek, vindt hij. ‘Maar die intuïtieve morele oordelen zijn ook geen gedrag,’ zegt Hauser. ‘Dat komt pas daarna, en daar kunnen heel veel dingen in meespelen.’

Abstract denken bijvoorbeeld, of het combineren van kennis die op verschillende terreinen ligt, om een paar volgens Hauser uniek menselijke eigenschappen te noemen.

Anders dan sommige ethologen (De Waal bijvoorbeeld), denkt Hauser dat er wat betreft mentale vermogens een gapend gat zit tussen mens en dier. En dat we nog een eind af zijn van inzicht in de oorsprong en evolutie van de dingen waar wij zo goed in zijn. Ook al vind je bepaalde dingen ook bij apen. Die hebben bijvoorbeeld een gevoel voor eerlijkheid. Een stukje komkommer hoeven ze ineens niet meer als een andere aap iets veel lekkerders krijgt.

Maar fundamenten voor ons taalvermogen vinden is Hauser niet gelukt: ‘Dat is toch wel de grote teleurstelling van de laatste tien jaar,’ zegt hij. ‘Ik dacht echt dat het moest kunnen. Dat apen misschien iets hebben wat we aan de buitenkant niet kunnen zien. Maar ik krijg er geen vinger achter.’

Nog een teleurstelling is de opbrengst van alle hersenscantechnieken. ‘Zelfs voor het gebied waar we het meest van weten, het gezichtsvermogen, heeft het niet opgeleverd dat we nu belangrijk veel meer begrijpen van wat zien inhoudt.’

website

Dat betekent intussen helemaal niet dat hij somber is. Hij is laaiend enthousiast over alle mogelijkheden in het verschiet. Om te beginnen is er de uitbreiding naar andere talen en culturen van de Moralitytest: ‘Hij is er nu in het Chinees, en voor het Russisch is net een website on line gegaan. We zijn zelfs bezig een versie te maken voor de Mundurucu-indianen uit het Amazonegebied. Die tellen net als kleine kinderen en apen, ze hebben maar weinig woorden voor aantallen, en zien ook echt het verschil tussen zeven en acht niet. Maar het is lastig de dilemma’s naar hun wereld te vertalen.’

Als ook al die culturen hetzelfde morele instinct vertonen, wordt zijn claim een stuk sterker. Het aldoor in de weer zijn met dilemma’s eist wel zijn tol: ‘Ik vertrouw mijn eigen intuïties niet meer zo erg. En ik zie overal dilemma’s,’ lacht Hauser.

Op het moment probeert hij het type onderzoek dat hij voor de menselijke moraal doet uit te breiden naar andere terreinen, onder meer muziek. En de wereld lijkt eraan toe te zijn. Ronduit lyrisch is Hauser over de belangstelling en medewerking die hij overal ontmoet. ‘Zelfs een grote naam als Damasio, over wie ik ook nog net een kritisch artikel geschreven had, gaf meteen toegang tot zijn onderzoeksgegevens.’ Binnenkort gaat hij zelfs in debat met de Dalai Lama – op diens verzoek. Hauser: ‘Dat lijkt me heel interessant. Het boeddhisme is toch een vrij fatalistisch geloof.’

 

MARC HAUSER

Marc Hauser (1959) studeerde biologie en deed veldwerk als diergedragonderzoeker.
De evolutie van taal, communicatie tussen dieren en conceptuele vaardigheden bij apen en kleine kinderen, zijn een paar van zijn huidige interessegebieden.

Hauser is zeer productief en vervult een waslijst aan functies aan de Harvard University. Hij is onder meer hoogleraar ‘Psychologie, Organische en Evolutionaire Biologie, en Biologische Antropologie’, en leidt het ‘Cognitive Evolution Lab’.

Zijn boek Moral Minds, How nature designed our universal sense of right and wrong is niet in het Nederlands vertaald.

De Nederlandse vertaling van de Moralitytest, de Morele Waarden Test, is te vinden op:
http://moral.wjh.harvard.edu/index.html

‘Er bestaan geen puur menselijke genen’

Gevierd wormpjesonderzoeker, publieksvoorlichter met uitgesproken meningen, Spinozaprijs-winnaar. Het Utrechtse Hubrecht Laboratorium heeft in geneticus Ronald Plasterk een energieke en ook ambitieuze nieuwe directeur gevonden. Al valt zijn vak uiteindelijk eenvoudig samen te vatten: “Het zijn allemaal variaties op thema’s, het is net Bach.” Wel zag hij graag een productielijnbenadering, in een op te richten Genoom Instituut

Natuurlijk staat er op zijn bureau een fikse uitvergroting van het piepkleine, 959 cellen tellende wurmpje C. elegans. Prof Ronald Plasterk (43) heeft zijn lievelingsbeestje letterlijk en figuurlijk meegenomen van zijn vorige werkgever, het Nederlands Kankerinstituut, naar het Hubrecht Laboratorium voor ontwikkelingsbiologie, waarvan hij sinds afgelopen februari directeur is. Zijn benoeming was nog nauwelijks rond, of hij bleek een prachtige bruidsschat mee te nemen: Plasterk won de Spinozaprijs, goed voor drie miljoen aan onderzoeksgeld.

Op zijn kamer valt een ingelijste, overigens inhoudelijk niet bijster interessante brief te bewonderen die Charles Darwin schreef aan Ambrosius Hubrecht, naar wie het instituut – een van de oudste van de KNAW – genoemd is. Maar Plasterk zelf trekt met gemak alle aandacht naar zich toe. Hij blaakt. Van energie, vertellust en van zelfvertrouwen. Waar andere geïnterviewden achter een uitspraak al gauw roepen dat die off the record was, moedigt de geneticus de verslaggeefster juist aan om van alles op te schrijven.

Zompige modder
De nieuwe directeur kon meteen in een nieuw, maar ook nu nog niet helemaal af gebouw trekken: om het te bereiken moet de bezoeker door zompige modder, langs bouwmaterieel en allerlei containers. Het instituut bevindt zich nog steeds in de Uithof in Utrecht, en wel pal naast het oude laboratorium, dat momenteel klaargemaakt wordt voor weer een ander Akademie-instituut: het Centraal Bureau voor Schimmelcultures. Bouwvakkers en professoren delen voorlopig nog gebroederlijk de kantine.

Wie weet zit daar nog eens een krantenstukje in voor Plasterk, die naast zijn wetenschappelijke leven ook een, soms onstuimig, openbaar bestaan leidt. Daar zitten aantrekkelijke kanten aan, vindt hij: “Schrijven heeft mijn leeshouding veranderd. Waar anders het leven zo uit de kraan het putje in loopt, pak je nu dingen vast. Je denkt voortdurend: kan ik dit gebruiken?” Plasterk had jarenlang een column in Intermediair, en tegenwoordig schrijft hij wekelijks op de opiniepagina van de Volkskrant. Plasterk: “Ik vind taal leuk, en ik schrijf makkelijk. Die stukjes kosten me meestal maar een half uur. Maar dan heb ik er natuurlijk wel al een tijd over lopen nadenken.”

God, de Bijlmerenquête, Greenpeace, alles en iedereen kan een veeg uit de pan verwachten van Plasterk, wiens columns onlangs onder de titel Leven uit het lab door Prometheus zijn uitgegeven. Een beetje televisiekijker zal bovendien zijn gezicht kennen van ferme discussies en heldere uitleg.

Hij heeft ook een vaste gesproken column: eens in de twee weken in het discussieprogramma Buitenhof. “Dat is leuk om te doen”, zegt hij daarover, “een ander maakt maakt misschien een gezonde boswandeling op zondagochtend, maar ja, ze serveren daar na afloop een lekkere lunch.” Veel programmamakers zijn dol op hem, omdat hij in gewone-mensentaal praat en nooit te beroerd is een oordeel te geven. Zelf vindt hij het zijn taak als onderzoeker om waar hij kan tekst en uitleg te geven.

Gepeuter
Vaak gaat het dus over genetisch onderzoek, Plasterks vak. Vandaag ook. “Dat ik hier nu als geneticus binnenkom is een mooie ironie”, zegt hij. “Eind de jaren zeventig zagen we niet zoveel in de geitensokken-biologen. Het echte fundamentele, baanbrekende werk zat ’m natuurlijk in DNA-onderzoek. En wat die geitensokken deden met hun gepeuter aan embryo’s enzo, loste niks op. Wij onderzochten de basisgeheimen. Nu is het een beetje full circle en komen we met de hoed in de hand aan diezelfde geitensokken vragen wat ze twintig jaar geleden zeiden.”

Nu het aflezen van stukjes DNA zo makkelijk geworden is dat volgens Plasterk “elke boerenheikneuter” het kan, wordt er hard aan de volgende stap gewerkt. Het verband tussen erfelijk materiaal en tot welke verschijningsvormen dat in de echte (biologische) wereld leidt. In jargon: hoe kom je van genotype naar fenotype. Plasterk: “Ecologie en populatiebiologie laten je de boekhouding van de evolutie zien. Kijk, de DNA-sequentie van de mens die nu bijna af is, levert je alleen een mozaïek op, een type-exemplaar. Waarin zitten dan de verschillen tussen mensen? Dat is pas de echt interessante vraag. Wat is de precieze bijdrage van het DNA aan het verschijningstype? Een gen maakt een eiwit, stuurt dat een kluitje cellen in en dat levert een boel nét andere resultaten op.”

Mixed blessing
Uitzoeken welk gen wat doet is de grote klus voor de genetica. “Tegenwoordig is functional genomics het toverwoord”, vertelt Plasterk, “en dat is bijna synoniem met ontwikkelingsbiologie.” Hij is dus wel op zijn plaats bij het Hubrechtlaboratorium, al vindt hij het directeur zijn “een mixed blessing“. Bij het Nederlands Kanker Instituut in Amsterdam, waar hij vanaf 1987 werkte, was hij hoofd van de sectie Moleculaire Biologie.

Zelf onderzoek doen houdt hij ook op zijn nieuwe positie hoog in het vaandel. “Dit is een kleiner lab”, zegt hij, “en ik wil van het onderzoek geen restpost maken. Op de meeste goede internationale laboratoria blijft de directeur zelf onderzoeker. Dat geeft ook een andere, inhoudelijke vorm van gezag.” Lachend: “Als iemand zegt iets niet op tijd af te kunnen hebben, kan ik makkelijker zeggen: dacht je dat ik het niet druk had.”

Zijn onderzoeksplannen dus maar. Plasterk droeg veel bij aan het onderzoek naar de Caenorhabditis elegans dat een paar jaar geleden het eerste beestje was waarvan de volledige DNA-samenstelling en alle genen (het bleken er 19099) bekend waren. Hoe klein het ook is, in de ogen van Plasterk kan het eigenlijk alle essentiële dingen wel: zich voortbewegen, eten, ruiken, paren en zelfs leren – geef je hem een paar keer achter elkaar een tik op zijn kop dan reageert hij er niet meer op. Eerder al veranderde hij het DNA van elegans zo dat het zijn aangeboren afkeer van koper verloor, maar nu gaat hij op jacht naar iets anders: zijn omgang met virussen.

I-love-you-virus
“Kijk”, zegt hij, “Als Pia Dijkstra in het journaal vertelt dat er nu virusprotectiesoftware is tegen het I-love-you-virus dan is het eigenlijk te laat. Die software loopt per definitie achter. Bij ons is het anders, de pc crasht onherstelbaar, wij niet. Ongeveer de helft van het menselijk genoom bestaat uit virussen. Het kon haast niet anders of we hebben daar het een of andere protectieprogramma voor, en dat hebben we inderdaad gevonden.”

En er is alle reden om op zoek te gaan bij C. elegans, gezien de grote kans dat dat ook kennis oplevert over de mens. “De evolutie heeft maar een beperkt repertoire”, legt Plasterk nog eens uit. “Het zijn allemaal variaties op thema’s, het is net Bach. Als er iets nieuws gebeurt, vergroot dat alleen de complexiteit. Anderhalf procent van ons genetisch materiaal verschilt van dat van de chimpansees: zij hebben langere staarten en nog zo wat. Maar er zijn geen typisch menselijke genen. Dezelfde signaalmoleculen vind je in elegans en in de mens. Ze hebben alleen niet altijd hetzelfde effect. Het is net als wanneer je een akkoord hoort: is dat van Bach of van The Beatles? Dat valt niet te zeggen, dat wordt pas in de context duidelijk.”

Rare terreinen
Planten kennen het virussenthema ook. Plasterk: “In de natuur kan dat protectieprogramma kennelijk vaak gelijke tred houden met nieuwe virussen die zich voordoen. Zonder dat zou de evolutie ook nooit zover hebben kunnen komen, dan waren we er helemaal niet. Bij planten is al zoiets ontdekt, zogenaamde transposons, rondspringende stukken DNA. Het verschil tussen virussen en een eigen gen is dat een virus in meer dan een kopie voorkomt en op onverwachte plaatsen in het DNA kan integreren. Transposons of virussen kunnen uitgeschakeld worden door mechanisme dat we nu aanduiden als gene-silencing. Het is inmiddels bekend van allerlei rare terreinen, waar we vroeger nooit mee te maken hadden. Zoals dat van de fungi.”

Ook in samenwerking met de nieuwe buurman, het Bureau voor Schimmelcultures, ziet hij dus mogelijkheden. ‘Het vijfde rijk’ heet de wereld van gist, paddestoelen en ander schimmels die gemeen hebben noch plant, noch dier te zijn. “Aan dat Bureau hing vroeger een beetje de geur van ouderwetse collectievorming”, zegt Plasterk, en dat hij daar sowieso niet veel van moet hebben, zal ook even later blijken als hij zich eigenlijk liever niet laat fotograferen temidden van de Hubrecht-collectie oude glazen potten met zeer uiteenlopende embryo’s in formaline. “Maar men heeft daar nu de overstap gemaakt naar onderzoek naar biodiversiteit. En mooi is natuurlijk dat je tegenwoordig de taxonomieën, de biologische classificaties, echt kunt gaan checken. Zijn ogenschijnlijke verwantschappen echt, zitten ze ook in de genen?”

Er is enorm veel werk aan de winkel, en Plasterk vindt dat er hoognodig een nieuw onderzoeksinstituut bij moet komen: het Genoom Instituut. En wel hier in Nederland, dat een voorbeeld aan Engeland zou moeten nemen: “Dat Blaire daar naast Clinton stond om aan te kondigen dat het menselijk genoom in kaart was gebracht, komt door het Sanger Centre daar. Dat heeft het sequencen uitgevonden. Ik ben er toevallig vorige week geweest, samen met Jannie Nüsslein.”

Nüsslein maakte naam met haar genetisch ontwikkelingsonderzoek naar het bekende fruitvliegje Drosophila, en kreeg er in 1994 zelfs de Nobelprijs voor Geneeskunde en Fysiologie voor, maar ze is ook degene die een geschikte opvolger voor Drosophila vond in het zebravisje, een dier wervelkolom, dat onder genetici heel snel populair is geworden. Het Hubrecht Laboratorium experimenteert er nu zo’n vijf jaar mee. Plasterk: “We vonden dat na de fruitvlieg en de worm nu het hele genoom van de zebravis bekend moet worden. Ik dacht: daar moet het Sanger Centre van overtuigd, en dat is gelukt. We hebben net gehoord dat over twee jaar het totale DNA afgelezen zal zijn.”

Eerst schieten
Maar dat soort grootschalig genoomonderzoek zou dus ook in Nederland moeten kunnen, vindt hij. De techniek is inmiddels zo ver en zo snel dat er echt een nieuw vakgebied ontstaat, dat een eigen instituut zou moeten hebben. “Er is bijna een productielijn-benadering mogelijk”, zegt hij enthousiast. “En je kunt bijvoorbeeld ook wat ik de Amerikaanse methode noem toepassen: eerst schieten dan pas vragen stellen. Alles is nu zo snel en goedkoop dat je met een chemische stof willekeurige, ongerichte mutaties kunt veroorzaken bij bijvoorbeeld ratten. Dan ga je het gen in duizend dieren aflezen, en kijk je dan pas, dus achteraf wat je geraakt hebt.”

“Op een gegeven moment is de tijd rijp voor dingen”, zegt Plasterk, “en ik denk echt dat dit het goede moment is om hier een goed Genoom Instituut te starten.” Licht mopperend gaat hij verder: “Volgens mij is er hier na het RIOD geen echt, fysiek onderzoeksinstituut meer gestart. Wat er bij is gekomen zijn allemaal virtuele instituten, want daar kun je het met alle universiteitssteden altijd makkelijk over eens worden. Maar zodra je iets centraals wilt in de onderzoekswereld gaat alles hier al gauw met loopgraven en schuttersputjes: boven je hoofd schieten naar elkaar. Ik snap best dat ze in Den Haag denken dat het allemaal ruzie is in de wetenschap.”

Voor de verandering eens met zijn allen ergens achter gaan staan, is volgens Plasterk hard nodig en hij is optimistisch genoeg om ook te geloven dat dat kan: “Een Genoom Instituut zou de komende decennia een prominente rol in het vakgebied kunnen spelen.”

Genoteerd
Ambities voor het Hubrecht Laboratorium heeft Plasterk ook: “Schrijf maar op: dit moet hét centrum van Nederland voor modelorganismen worden. Voor wormen, vissen, kikkers, muizen kun je hier terecht. En je kunt steeds van het ene naar het volgende dier.” Goed, het staat genoteerd.

We maken tot slot nog een rondgang door de laboratoria waar het echte handwerk gebeurt, waar Plasterk trouwens zelf ook van houdt. “Experimenteren is het belangrijkste dat er bestaat. Ik heb niet zo’n hoge pet op van theoretische biologen. Niet lullen maar buisjes vullen”, verwoordt hij een van zijn motto’s. Hij heeft lol in het verzinnen van opstellingen en oplossingen. “Ik ben een beetje een techneut”, vertelt hij, “en dit is natuurlijk een praktisch vak. Je zou het allemaal ook met olifanten kunnen doen, maar dat schiet niet op. Je moet het hebben van modellen die makkelijk te kweken zijn.”

Met over onze schoenen een soort witte plastic badmutsen wandelen we rond en bekijken ze. Er zijn massa’s kleine zebravisjes die in hun aquaria schoksgewijs van hoek naar hoek schieten, en bakken met voorwereldlijk aandoende albinokikkers. Maar we komen ook langs robots die het handmatig pipetjes vullen hebben overgenomen. Plasterk wijst er met trots op. Hij is hier in zijn element.

Dat neemt niet weg dat hij nog wel een grote wens heeft. Plasterk: “Wat ik het liefst zou willen weten is: als je nou een telefoonnummer onthoudt, waar blijft dat dan? Hoe werkt dat? Hoe denken we? Hoe ontwikkelen we ons, ook intellectueel? Dat zijn de grote vragen uit de biologie, waar een heleboel bij elkaar komt.”

‘De CITO-scores zijn nog erfelijker bepaald dan het IQ’

Kersvers KNAW-lid prof. dr. Dorret Boomsma stond aan de wieg van het Nederlands Tweelingregister, waarin de gegevens van tegen de 30.000 twee- en meerlingen zijn opgeslagen. Een ware goudmijn voor onderzoek naar waar we aanleg voor hebben, en wat omgevingsbepaald is. In de kans op angststoornissen en depressiviteit, en op hart- en vaatziekte zit bijvoorbeeld een grote erfelijke component, net als in hoevéél je rookt als je rookt. Intelligentie lijkt ‘aangeborener’ te worden naarmate je ouder wordt, maar of je in god gelooft zit niet in je genen.

Geen tweeling die aan haar aandacht ontsnapt natuurlijk, maar zelf voelt prof. dr. Dorret Boomsma er niet veel voor om mensen zomaar aan te spreken. Haar man (“Die leeft erg mee”) had het laatst wel nog aan een moeder gevraagd: ‘Is die tweeling wel ingeschreven bij het Nederlands Tweelingregister?’. Of ze dat waren vertelt het verhaal niet, maar ze bleken toevallig wel heel in de verte familie te zijn.

Goed, er is dus een verre verwante tweeling, wat nauwelijks anders kan als je bedenkt dat een op de tachtig bevallingen in Nederland een tweeling oplevert, maar Boomsma (43) komt beslist niet uit een familie van tweelingen. Ze is er geen en heeft er geen. Tweelingen zijn gewoon haar werk, en ze zijn geen doel, maar een middel. “Soms zelfs het enige middel”, zegt ze. “Vooral als het gaat om relatief zeldzame ziektes.” Studies met tweelingen waren bijvoorbeeld doorslaggevend voor het onderzoek naar de oorzaken van multiple sclerose en autisme. Voor de gespleten lip is ook de hoop op tweelingen gevestigd.

Boomsma is hoogleraar in de Biologische Psychologie, en voor wie wil weten hoe de verhouding ligt tussen ‘aangeboren’ en ‘aangeleerd’ als het gaat om menselijk gedrag is er geen rijkere bron dan tweelingen. Alleen al het feit dat je ze in twee soorten hebt: de eeneiige en de twee-eiige maakt ze geweldig onderzoeksmateriaal.

Feiten
Immers, de eerste groep heeft exact dezelfde erfelijke eigenschappen, én groeit onder dezelfde omstandigheden op, terwijl de tweede groep eigenlijk ‘gewone’ broertjes en zusjes van elkaar zijn, die toevallig precies even oud zijn. Ook zij worden dus onder gelijke omstandigheden groot. Verschillen tussen de eeneiige en de twee-eiige groep leveren een niet-aflatende stroom ammunitie voor het nature-nurture-debat, dat volgens Boomsma steeds minder aan de hand van ideologieën en steeds meer met behulp van feiten gevoerd wordt. Feiten waarvan zij er inmiddels heel wat heeft aangedragen.

In haar kamer op de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar ze ook afstudeerde en promoveerde (beide cum laude) praat Boomsma graag over haar onderzoek, alleen het verhaal over het nut van tweelingen daarbij heeft ze nu zo vaak moeten vertellen dat ze het nauwelijks meer haar mond uit krijgt, bekent ze wat besmuikt.

Alom geroemd
“De enige andere groep die voor ons soort onderzoek van belang kan zijn, zijn geadopteerde kinderen”, vertelt ze, “maar dat is toch lastiger. Ze zijn moeilijker te vinden en je hebt niet de vergelijkingsmogelijkheden die er met tweelingen vanzelf zijn.” Maar de opbouw van het nu alom geroemde Nederlands Tweelingregister was en is ook geen sinecure. Samen met haar voorganger prof. Orlebeke, begon Boomsma er in 1985 mee. Inmiddels bevat het gegevens van tegen de 30.000 tweelingen, en een paar honderd andere meerlingen, waaronder zelfs twee vijflingen.

“Het moeilijke is een a-selecte groep samenstellen”, legt Boomsma uit. “Wanneer je bijvoorbeeld alleen via advertenties in kranten mensen vraagt zich aan te melden dan krijg je nooit een echte doorsnede van de hele bevolking.” De bevolkingsregisters zouden natuurlijk uitkomst kunnen bieden, maar dat bleek nog niet zo eenvoudig. Boomsma: “Ik geloof dat één enkele uitdraai van de burgerlijke stand in Amsterdam tóen al tienduizend gulden kostte. Zo veel geld hadden we helemaal niet. Toen kwam de gedachte op om zelf een register op te gaan bouwen. Uiteindelijk hebben we overigens wel alle Nederlandse gemeentes aangeschreven met het verzoek ons hun adressen van tweelingen te geven. Zo’n tweehonderdvijftig van de ongeveer zeshonderd hebben dat gedaan. Zo zijn we vooral ook aan oudere tweelingen gekomen. Ik geloof dat we indertijd gevraagd hebben om iedereen tussen de dertien en de twintig. We hebben op dit moment zo’n zeven duizend tweelingen van ouder dan zestien in het bestand.”

Felicitatiedienst
Voor de hele jonge werd iets buitengewoon slims en praktisch verzonnen. “Zoals die dingen altijd gaan, ging het via een toevallige connectie”, vertelt Boomsma. “We zetten al vele jaren de felicitatiedienst in, je weet wel, dan komt er vlak na de geboorte van een kind zo’n hostess met een koffertje met spullen. In het koffertje voor tweelingen zit ook een folder over het register en een inschrijfformulier.”

Ongeveer zestig procent stuurt dat formulier in. Dat betekent: voortaan elke twee jaar lange vragenlijsten invullen. Over gedrag en school en gezondheid en nog veel meer. Verschillende leeftijdsgroepen krijgen deels verschillende vragen. De bereidheid onder tweelingen en hun ouders om mee te doen aan onderzoek is volgens Boomsma relatief hoog. In het nu opgebouwde bestand zijn alle bevolkingsgroepen goed vertegenwoordigd, en dat kinderen vanaf hun geboorte gevolgd worden is uniek in de wereld. Er zijn meer tweelingenregisters, vooral die in Scandinavië zijn goed, zegt Boomsma, maar toegankelijke gegevens uit totaal andere culturen ontbreken vooralsnog jammer genoeg.

IQ
Een hele reeks opmerkelijke uitkomsten hebben de vragenlijsten inmiddels opgeleverd. Dat IQ voor een groot deel erfelijk bepaald is, was al bekend, maar niet dat dat sterker wordt naarmate je ouder wordt. In elk geval in Nederland, waar iedereen behoorlijk wat opleiding volgt. Dat genen pas op latere leeftijd tot expressie komen is overigens niet bijzonder: denk maar aan de puberteit, waarvan de kenmerken pas rond je twaalfde beginnen. Boomsma: “We doen hier IQ-onderzoek van vijf tot vijftig. Bij kinderen van vijf kun je maar dertig procent toeschrijven aan erfelijkheid, bij vijftig is dat opgelopen tot tachtig procent. De invloed van de omgeving neemt dus af. Dat zie je bij meer cognitieve vaardigheden.”

“We hebben net een onderzoek naar CITO-scores afgerond. Dat gaat dus om twaalfjarigen aan het eind van de lagere school. Het blijkt dat die scores nóg erfelijker bepaald zijn dan het IQ. Bij de eeneiige tweelingen kwam het voor tachtig procent overeen, dat is dezelfde overeenkomst die ze hebben in lichaamslengte. Wij vonden dat een heel bijzondere uitslag, maar de krant die we erover inlichtten vond dat kennelijk niet. Enfin, we zijn nu bezig met het voorbereiden van de publicatie.”

De genetica van cognitieve vaardigheden, zoals leren en geheugen, is maar een van de terreinen waarop Boomsma zich beweegt. Het maken van MRI-scans en het meten van hersengolven horen er ook toe. Eeneiige tweelingen blijken vrijwel dezelfde hersenkronkels te hebben, en ook hun EEG-patronen zijn bijna identiek. Boomsma: “We kijken ook naar volume, de verhouding grijze en witte stof, en we hopen binnenkort ook functionele MRI’s te gaan inzetten, waarbij je dus hersenreacties meet.”

Vatbaarheid
Het ontstaan van ‘psychopathologie’, zoals angsten en depressies, maar ook hyperactiviteit (ADHD-achtige stoornissen) en aandachtsproblemen, is een ander onderzoeksgebied. “Wat je niet zou verwachten is dat tot drie jaar de invloed van de ouderlijke opvoeding daarop klein is. Bij driejarigen wint de eigen aanleg het, pas in de fase tussen drie en zeven gaat het ouderlijk milieu een rol spelen. Bij volwassenen is die invloed weer sterk afgenomen. Depressies blijken echt een kwestie van aanleg. Dat betekent dat de impact van wat paps en mams of anderen je hebben aangedaan afhangt van je genetische kwetsbaarheid. Voor veel mensen, zeker ook de naaste familie, is dat een opluchting. Het is natuurlijk een bekend gegeven dat de een de vreselijkste dingen kan meemaken en ze afschudden, terwijl de ander levenslang somber blijft. Dat is dus een kwestie van genetische vatbaarheid. De genen daarvoor proberen we op te sporen.”

Dan is er nog het onderzoek naar de invloed van stress op hart- en vaatziekten, dat ook Boomsma’s dissertatieonderwerp was. Ook de kans op die ziektes bleek weer veel met aanleg te maken te hebben, en Boomsma heeft intussen ook een verband gevonden met angst en depressie. “De kans dat je een hartaandoening overleeft is kleiner als je aan depressies lijdt”, vertelt ze. “Of er een oorzakelijk verband ligt, is niet zeker. Het kan ook altijd zijn dat een derde factor beide dingen beïnvloedt.”

Roken
Misschien heeft het allemaal ook met nicotineverslaving te maken, nog iets dat Boomsma onderzoekt – ze heeft inmiddels meer dan honderdvijftig publicaties op haar naam staan. Het is bekend dat wie depressief is vaak heel veel rookt, een vorm van zelfmedicatie denkt men inmiddels. Of je gaat roken is overigens niet erfelijk bepaald, hoeveel sigaretten degenen die eenmaal begonnen zijn opsteken, blijkt heel erg erfelijk te zijn. Boomsma denkt dat er heel goed sprake kan zijn van een algemene gevoeligheid voor verslavingen: “Bijna alle zware drinkers roken ook”, zegt ze.

Voor een wereld waarin alle risico’s bij je geboorte al voor je uitgespeld zijn is Boomsma intussen absoluut niet bang. Ze ziet eigenlijk alleen maar voordelen. “Mensen willen juist graag weten waar ze aan toe zijn, is mijn ervaring. En het is ook zinvol. Er is bijvoorbeeld een bekende genvariant, als je die hebt moet je zéker niet gaan roken, want dan ben je op je veertigste dood aan longemfyseem. Als je weet dat je aanleg hebt voor alcoholisme kun je besluiten helemaal niet te gaan drinken. Of neem PKU, waarover laatst een discussie liep over de hielprik. Als je baby’tjes daarop test dan kun je ze op tijd op dieet zetten. Dat levert het verschil op tussen een normale ontwikkeling en mentale geretardeerdheid.”

Dus hoopt Boomsma dat tweelingen nog heel veel genidentificaties zullen vergemakkelijken. Het aantal tweelingen stijgt trouwens explosief, maar dat is niet zo gek zegt ze: “Rond 1900 – vanaf die tijd hebben we in Nederland gegevens – was het ongeveer hetzelfde. Tegenwoordig krijgen veel vrouwen pas laat, na hun vier-, vijfendertigste hun eerste kind, en dat vergroot de kans op tweelingen. Maar vroeger gingen vrouwen gewoon door met kinderen krijgen. Na je veertigste de laatste was normaal. Daar zaten dus veel tweelingen tussen. Een tijdje terug waren we weer op hetzelfde niveau van een eeuw eerder. Maar de curve gaat nu wel extra omhoog, en dat heeft te maken met de IVF-technieken en dergelijke.”

Maar de tijd van grote hoeveelheden meer-dan-tweelingen die in de jaren zeventig begon door hormoontoediening is inmiddels over. Zijn de doses hormonen beter uitgewogen? “Ja, dát,” zegt Boomsma, “maar het komt ook door gedeeltelijke abortussen. Niemand heeft het daar erg graag over, maar het gebeurt wel.”

Gigantische klus
Het bijhouden van het Tweelingregister en de hele organisatie eromheen – denk alleen al aan adreswijzigingen – is in de afgelopen vijftien jaar uitgegroeid tot een gigantische klus, die nog steeds helemaal op Boomsma’s afdeling wordt uitgevoerd. Er zijn vrijwilligers (moeders van tweelingen), maar toch verzucht Boomsma: “Eigenlijk moet het een keer door een instantie worden overgenomen.”

Het bestand is echt bijzonder, en levert onverwachte nieuwe gegevens op. “De artsen op de VU waren heel verbaasd”, vertelt Boomsma. “Die onderzoeken natuurlijk altijd hun patiënten, mensen die behandeld worden. Wij vragen naar hele families, en dan blijkt het dat lang niet iedereen die iets heeft naar de dokter gaat. Zware astmapatiënten, veel mensen met angsten en depressie zien nóóit een dokter.”

Couveusekinderen
Ze vindt ook dat het register nog veel vaker gebruikt zou kunnen worden: “Laatst kwam dat onderzoek naar buiten over de ontwikkeling van te vroeg geboren baby’s. Dat was zelfs aanleiding om voortaan kinderen die met vierentwintig of vijfentwintig weken geboren worden niet meer te behandelen, omdat hun vooruitzichten te slecht zijn. Maar wij hebben hier ook die gegevens. Er zitten heel veel couveusekinderen tussen, en we volgen ze allemaal op de voet. We moeten nog veel meer gaan samenwerken.”

We praten ook nog even over haar pasverworven Akademielidmaatschap, waar ze natuurlijk verheugd over is. “Maar het voelt wat onwezenlijk”, zegt ze. “Allerlei mensen zijn daarmee bezig geweest zonder dat je er iets van weet. Zelf heb je er niets mee te maken.” En lachend: “Ik begrijp nu iets van de verzoeken die ik kreeg om een cv in te leveren, waarbij de mensen dan absoluut niet konden zeggen waar het voor was.” Van wat het lidmaatschap zal inhouden heeft ze nog weinig idee, en dat ze nog steeds een van de weinige vrouwen in het gezelschap zal blijken te zijn kan haar niet verbazen. “Ach”, klinkt het laconiek, “het is toch algemeen bekend dat er in Nederland extreem weinig vrouwen op hoogleraars- en andere onderzoeksposities zitten. De Akademie is daar dan een afspiegeling van.”

Het is vrijdagmiddag laat. Boomsma wordt naar de borrel geroepen. Daar komen we pas toe aan het enige onderzoek tot dusver waaruit geen enkele erfelijke aanleg bleek: dat naar religiositeit. Het geloof in God is niet aangeboren, maar het blijkt wel goed te zijn voor je gezondheid en welbevinden. Tot dusver heeft geen enkel kerkgenootschap deze wetenschap opgepikt. Advertenties met ‘Godsdienst, goed voor u’? Nee, dat idee kan haar niet aanspreken.

In de toren van Babel zijn vele kamers

Het merendeel van de wereldbevolking kent waarschijnlijk meer dan één taal. Maar hoe leer je je kinderen twee moedertalen? En helpt tweetaligheid tegen alzheimer? Een dik overzichtsboek en een symposium bieden antwoorden op deze en vele andere vragen. 

‘Mijn dochter van acht begint nu steeds vaker in het Duits te antwoorden.’ Niels Schiller vertelt het met een mengeling van vaderlijke trots en enthousiasme voor zijn vakgebied. De hoogleraar psycho- en neurolinguïstiek is even met allebei zijn dochters – de jongste is bijna vier – in zijn geboorteland Duitsland. Maar ook in Nederland, waar hij in 1994 naartoe kwam, praat Schiller altijd Duits tegen ze. Daar is hij heel consequent in. ‘Willen ze dat ik een boekje voorlees? Prima, maar wel een Duits boekje. En als we samen een dvd kijken, is het altijd een Duitse dvd,’ zegt hij aan de telefoon. In heel goed Nederlands, dat desalniettemin in elke zin verraadt wat zijn moedertaal is.

Voor zijn dochters zal het anders zijn. Die hebben straks als het goed gaat twee moedertalen: het Nederlands van hun moeder en van het land waar ze wonen, en het Duits van hun vader. Allebei accentloos en vloeiend. Twee Talen, één BeTalen heet het symposium over tweetalig opgroeien dat komende vrijdag bij het Leiden Institute for Brain and Cognition gehouden wordt, en dat Niels Schiller organiseert. Ook ouders zijn er welkom.

Juist die hebben nogal eens twijfels of het nou wel goed is voor zo’n kind. Is het niet veel te lastig, en zitten die talen elkaar niet verschrikkelijk in de weg?  Politici en anderen die zich met de inrichting van het onderwijs bezighouden, denken dat laatste juist vaak zeker te weten. ‘Soms zie je een kleine vertraging in de taalontwikkeling, of lijken kinderen een tijdje in de war te zijn, maar heus, dat komt goed,’ zegt Schiller. ‘Zolang je maar zorgt voor genoeg kwaliteit en kwantiteit, en consequent bent in je taalaanbod. Daarom praat ik altijd Duits, en ga ik regelmatig alleen met de kinderen naar Duitsland. Want ze weten natuurlijk dat ik ook Nederlands versta, dus de druk om Duits te praten is niet zo hoog.’

Vast staat dat kinderen met gemak twee of zelfs nog meer talen kunnen leren. Zonder het stampen waartoe volwassenen veroordeeld zijn. Hoe dat precies komt, en wanneer hun vermogen om talen als een spons op te nemen verdwijnt, is onderwerp van flink wat debat. Dat er speciale eigenschappen van kinderhersenen bij komen kijken, denkt iedereen. Sommige onderzoeken leggen bij vijf jaar al een grens, andere komen uit op een jaar of zeventien. Bepaalde onderdelen van een taal (de klanken, subtiele grammaticale zaken) lijken gevoeliger voor leeftijd dan andere (woorden leren) voor het bereiken van een native speaker-niveau. Het is waarschijnlijk een luik dat langzaam dicht gaat, maar wel altijd op een kier blijft, want een nieuwe taal leren kun je je leven lang. En hoe meer je er al kent, des te makkelijker gaat de volgende.

Kan er dan niets kwaad? Jawel. Ook uit alle onderzoek dat hoogleraar experimentele psycholinguïstiek Annette de Groot onlangs in een rijk en breed overzichtsboek beschreven heeft, rijst deze stelregel: beter één taal goed leren dan twee maar half. ‘Je taalontwikkeling ondersteunt je denkontwikkeling’, zegt De Groot. Mis gaat het als kinderen zich onder sociale druk gedwongen voelen een overstap te maken van de taal die thuis gesproken wordt naar de taal van de rest van de omgeving.

Perfect tweetalig worden kan gelukkig een hele tijd. In de praktijk betekent dat bijvoorbeeld, dat gebrekkig Nederlands tegen je kind praten een slecht idee is. Ook ‘voorschoolse’ taallessen zijn niet nodig, wanneer een kind vanaf zijn vierde genoeg Nederlands hoort en voorgelezen krijgt en dergelijke. Een Nederlandstalige school en Nederlandstalige vriendjes zijn daarvoor voldoende. Ouders kunnen beter hun eigen moedertaal gebruiken. Dat is ook voor henzelf aangenamer.

 

DE HUIS STAAT NIET IN HEERLEN

Voor buitenlanders die Nederlands willen of moeten leren is het een crime. Ook prinses Máxima zei het al: een van de moeilijkste dingen van het Nederlands zijn de lidwoorden. Wie er even op let, ziet al gauw het probleem. Want hoezo hebben we ‘het huis’ naast ‘de woning’? Waarom zeggen we ‘het paard’ maar ‘de koe’?

Daar komt bij dat welke van de twee het is, gevolgen heeft voor allerlei woorden in de buurt, zelfs als er geen ‘de’ of ‘het’ te bekennen valt: in goed Nederlands praat je bijvoorbeeld over ‘een mooi huis’ en ‘een mooi paard’, tegenover ‘een mooiE woning’ en ‘een mooiE koe’. Terwijl het wel weer ‘het mooiE huis’ en ‘het mooiE paard’ is.

Verwarrend? Het is nog erger: bij ‘het’ hoort ‘dit’ en ‘dat’, maar ‘de’ gaat samen met ‘deze’ en ‘die’: dat/dit huis, dat zicht biedt op deze/die koe, die altijd keihard loeit. En om het helemaal duizelingwekkend te maken, worden alle de-woorden (driekwart van het geheel) ineens het-woorden zodra je ze verkleint: ‘het koetje staat naast een leuk woninkje.’ Ga er maar aanstaan.

Over het leren van ‘de’ en ‘het’ terwijl je tegelijk met een andere taal opgroeit, gaan twee lezingen bij het symposium. Hoogleraar Franse taalkunde Aafke Hulk komt onder meer met cijfers over Marokkaans- en Turks-Nederlandse kinderen. Als die tien zijn, gaat het bij ongeveer de helft van de het-woorden nog verkeerd. Anders dan volwassenen maken ze maar een kant uit fouten: het-woorden worden de-woorden. ‘De leuke meisje’ is bijna exemplarisch voor wat ‘allochtonen-Nederlands’genoemd wordt. Ten onrechte, kinderen van bijvoorbeeld ex-pats doen exact hetzelfde.

Maar Hulk keek ook naar kinderen die alleen Nederlands leren: ‘Die maken dezelfde fouten. En dat duurt zeker tot ze zeven zijn, terwijl Franse kindjes al met drie, vier jaar le en la en un en une goed doen.’ Of het na hun tiende met de tweetaligen alsnog goedkomt, is niet bekend. Het zou best kunnen van wel. Een kleine aanwijzing komt van een Marokkaans-Nederlandse jongere in Rotterdam die tegen een onderzoeker zei: ‘Natuurlijk weet ik best dat ‘t ‘het huis’ is, maar je dacht toch niet dat ik dat hier op straat kon zeggen?’ Groepstaal (met de bijbehorende groepsdruk) kan de feitelijke taalkennis van jongeren flink vertekenen.

Turks en Marokkaans hebben overigens geen of een heel ander lidwoordensysteem. Daar valt dus niet tweetaligs aan te vergelijken. Maar Leonie Cornips van het Meertens Instituut vond iets verrassends in haar geboorteplaats Heerlen. Het Heerlens dialect werkt in dit opzicht net als het Duits (der, die, das, en bijpassende verbuigingen), en dat lijkt het Nederlands leren positief  te beïnvloeden. Want Heerlense kinderen van vier à vijf die alleen maar Nederlands leren, doen niet meer dan tien procent van de het-woorden goed. Nederlands-Heerlens opgroeiende kinderen zitten op dat moment al op dertig procent.

 

SLEUTEL IS HARD ÉN LIEF 

Alzheimer blijft langer weg bij mensen die meer dan een taal gebruiken. Op ingewikkelde reactietestjes waarin ze conflicterende informatie moeten negeren of onderdrukken, scoren meertaligen duidelijk beter. Hun werkgeheugen blijkt in het algemeen meer aan te kunnen dan dat van eentaligen. En ook de controle over andere zaken die de hersenen moeten uitvoeren, is scherper. Het continu moeten onderdrukken van de talen die je op dat moment niet spreekt – want dat is hoe het lijkt te gaan in meertalige hoofden – levert kennelijk serieuze voordelen op.  

Hoe ziet dat er van binnen uit? Daar valt nog lang niet alles over te zeggen. Heel wat delen van de hersenen doen mee. Wel lijken zich wanneer iemand er een taal bij aan het leren is,  in eerste instantie aparte gebiedjes per taal te ontwikkelen in het gebied van Broca, dat cruciaal is voor taal. Maar dat effect is niet meer terug te vinden bij een ongeveer even goede beheersing van de talen in kwestie. En bij wie tweetalig opgroeit, zitten die talen vanaf het begin dwars door elkaar heen. Dat we ze desalniettemin meestal haarscherp uit elkaar kunnen houden, is een staaltje hersenkrachtpatserij.

En er is nog meer. Wat Annette de Groot tijdens haar lange tocht door onderzoeksresultaten ontdekte en  heel intrigerend vindt, is de net iets verschoven blik op de wereld die verschillende talen kunnen bieden. Op soms heel onverwachte manieren. ‘Voorwerpen die helemaal niets met gender, geslacht, te maken hebben, zoals een sleutel, roepen toch meer mannelijke of meer vrouwelijke associaties op, puur afhankelijk van de vraag of de namen van die voorwerpen toevallig mannelijk of vrouwelijk zijn’, vertelt ze. Zo denken Duitsers bij ‘Schlüssel’ (‘der’, mannelijk) aan ‘metaal’, ‘hard’, ‘gekarteld’, maar Spanjaarden bij ‘clave’ (‘la’, vrouwelijk) aan ‘klein’, ‘blinkend’, ‘lief’. Maar hoe zit het dan als je allebei die talen kent? De Groot: ‘Er zijn wel aanwijzingen dat de inhoud van concepten bij tweetaligen naar elkaar toe kan groeien. Maar er zijn ook mensen die tussen twee verschillende denkwerelden lijken te switchen, afhankelijk van de taal die ze op dat moment gebruiken. Wat ik mooi vind, is dat je niet vast zit aan één eenmaal verkregen wereldbeeld.’

Voor het (afgezien van titel overigens Engelstalige!) symposium Twee Talen, één BeTalen op vrijdag 20 mei zie www.libc-presents.nl

Het boek van Annette de Groot, gericht op studenten en collega’s, heet Language And Cognition In Bilinguals And Multilinguals, an introduction. 528 pag., Psychology Press, € 52,99. 

Voor de antwoorden van taalkundigen op 217 praktische vragen over meertalig opvoeden van ouders, zie de vraagbaken op www.ouders.nl

Nootje: clave blijkt niet het gewone woord voor sleutel, het ding, in het Spaans. Mijn schuld. Doordat het zo op het Italiaanse chiave lijkt meende ik het goede woord meteen gevonden te hebben. Dank aan degenen die me er op wezen.

 

MAM, IK LUISTER NAAR GRIEKSE SONGS. DAT MAG’

Een strijdpunt in veel pubergezinnen. Voor alle ouders die niet willen geloven dat hun kind met een IPod op, of YouTube op de achtergrond, erg opschiet met die Franse woordjes, en voor alle scholieren die zeggen dat het juist beter gaat dan: het is onderzocht. En het zit als volgt. Studeren op een vreemde taal gaat inderdaad beter met muziek aan. Zolang die althans instrumentaal is. Wordt er gezongen in een onbekende taal, dan maakt wel of geen achtergrondmuziek niets uit. Maar kun je de woorden wel verstaan dan leidt dat, of je wil of niet, af en gaat het leren juist slechter. 

 

EENTALIGHEID IS MYTHE

Naar alle waarschijnlijkheid kent het merendeel van de wereldbevolking meer dan een taal, helemaal als je ‘passief’ kennen (zelf alleen een streektaal spreken bijvoorbeeld, maar wel een officiële landstaal begrijpen) meerekent. Dat geldt ook al heel lang voor Nederland. Dat wij geneigd zijn ons land vooral als eentalig te beschouwen, komt volgens sociolinguïste Leonie Cornips door de negentiende-eeuwse nadruk op natievorming, waarbij een land liefst samen moest gaan met een volk, en vooral: één taal. Maar er waren ook toen talloze dialecten, er was het Fries, en de elite die Frans sprak. Nu helpt elke buschauffeur alle toeristen in meer of minder steenkolen-Engels, en hebben onderwijs en radio en tv het Standaardnederlands inderdaad  de standaard gemaakt.

 

FRANS SPREKEN? DRINK!

Om je enigszins te kunnen redden in een taal, moet je naar verluidt minimaal 3000 veelgebruikte woorden kennen. Wil je een tekst goed snappen, dan is het genoeg als je 95 procent van de woorden kunt thuisbrengen. En zonder basiskennis van de grammatica lukt dat natuurlijk niet.

Maar dat maakt de vraag ‘hoeveel talen spreek je?’ nog altijd niet simpel te beantwoorden. Dat mondje schoolduits, of dat camping-Spaans, telt dat ook  mee? Op vakantie wel, maar voor onderzoek naar twee- of nog meertaligheid worden eigenlijk steevast proefpersonen gevraagd, die die talen in het dagelijks leven ook echt naast elkaar gebruiken. Dus of de voordelen van meertaligheid ook gelden voor emigranten die hun eerste taal allang niet meer gebruiken, of voor mensen die ooit vlot Frans of Duits spraken,  is niet duidelijk.

Wel lijkt het erop dat je een roestig geworden taal altijd weer kunt afborstelen, ook al heb je hem tijdenlang niet gehoord of gesproken. Met een uitzondering: als kinderen abrupt verstoken raken van hun moedertaal-tot-dan-toe, bijvoorbeeld omdat ze geadopteerd worden door mensen in een ander  land, dan wint de nieuwe moedertaal het, en lijkt de oude voorgoed vergeten te worden. 

Ook vastgesteld: een paar glazen alcohol doen wonderen voor je spreekvaardigheid in een vreemde taal. Je denkt niet alleen dat die vooruit gaat, het is ook zo.

Zowel heel snel als heel goed gepantserd zijn gaat niet

De Hollandse schelpen van tante Greetje en die uit Florida van zijn Amerikaanse juf deden het ’m. Hij kon ze niet zien, maar de jonge Geerat Vermeij betaste ze urenlang, vond ze prachtig en wou er alles van weten. Zijn handen maakten hem een groot expert op het gebied van schelpdieren en slakken. Hij voelt dat de evolutie één grote wapenwedloop is. Waarbij overigens keer op keer dezelfde wapens ontstaan uit het niets.

Het gaat allemaal met een wonderlijk gemak. Hij neemt je lichtjes bij de elleboog en loopt zonder enige aarzeling treetjes op en af, stapt trefzeker over kabels heen, en gaat probleemloos op alle typen stoelen zitten. ‘Je hebt wel mensen nodig die je alles laten zien. Of eigenlijk laten voelen, maar ik noem het altijd zien.’ Dat is de sleutel volgens Geerat Vermeij, ‘distinguished Professor of Geology’ aan de universiteit van Californië in Davis, wereldvermaard om zijn kennis van schelp- en schaaldieren – en volledig blind. Al sinds hij een klein jongetje was.

Het onderwerp komt onontkoombaar als eerste aan bod.’Ik heb nooit goed kunnen zien,’ vertelt Vermeij, die dat helemaal niet als een groot gemis ervaart. Waarschijnlijk kreeg zijn moeder tijdens de zwangerschap rode hond, net als prinses Juliana toen haar laatste kind op komst was. ‘Ik lag in hetzelfde ziekenhuis in de kamer naast prinses Marijke, we hadden dezelfde arts’ vertelt de bioloog, die Nederland al verliet voordat de zeer slechtziende Marijke haar naam in Christina veranderde.

Pijn en talloze operaties behoren tot zijn vroegste herinneringen. Maar ook kleuren. Ze maken hem nog altijd enthousiast: ‘Nee, dat vervaagt niet. Ik weet bijvoorbeeld nog dat we verschillende reizen naar het Academisch ziekenhuis in Utrecht maakten en dan moesten stoppen voor een oranje deur. En dat de zon ’s ochtends geel en ’s avonds oranje was.’ Hij was nog geen vier toen zijn ouders het besluit moesten nemen zijn ogen te laten verwijderen. Erger voor hen dan voor hemzelf, vindt Vermeij. ‘De eerste paar weken dat ik helemaal blind was, dacht ik: oh, nou goed, helemaal blind. En ik ging gewoon spelen met alles.’

Het betekende wel dat hij naar een blindeninternaat ver weg moest. ‘Heel goed onderwijs,’ zegt hij, ‘maar ik was er niet erg gelukkig.’ Hij was blij als hij het weekend naar huis mocht, waar hem altijd wel iets bijzonders wachtte op tafel, bij zijn bord. Planten, zaden, eikels. ‘Mijn ouders, mijn broer, en ik ook, we altijd natuurmensen geweest,’ verklaart Vermeij met een glimlach. Voorkomend is het woord dat al snel in je opkomt als je hem hoort en ziet. ‘Ik ben een ouderwetse man,’ zegt hij zelf, en daar lijkt iets in te zitten. Anders dan bij de meeste van zijn mede-babyboomers – aan het eind van de dag dat we elkaar ontmoeten bekent hij dat het zijn 61ste verjaardag is – zijn pop en rock enzo niet aan hem besteed. Bach is het summum.

En nee, dat hij beter kan horen dan anderen gelooft hij niet. Het is eerder dat je meer informatie krijgt uit de andere zintuigen als je niet kunt zien. ‘Je moet alles meemaken als je de wereld in moet, en risico’s nemen,’ zegt hij. ‘Ze lieten mij echt altijd alles voelen, ook stekelige rozen bijvoorbeeld. Mijn ouders en broer lazen me allerlei dingen voor, maar ze schreven ook hele boeken over, en ze tekenden van alles voor mij.In braille.’ Daarin maakt hij ook zelf notities, tot op de dag van vandaag, en heel gedetailleerd als het moet.

Tijdens de eenzame internaatperiode ging Geerat Vermeij af en toe op bezoek bij een vriendin van zijn moeder. En daar is het begonnen. Vermeij: ‘Tante Greetje had schelpen uit Terschelling. Toen was ik zeven of acht. Een paar jaar daarna emigreerden we, en in Amerika had ik een onderwijzers die uit Florida schelpen meebracht. Die lagen in de klas, en tijdens de lessen keek ik daar vaak naar. Ja, het was zoiets als uit het raam kijken. Het was toen dat de vonk oversloeg, want ik was gewend aan de ruwe, kalkachtige schelpen van de Noordzeestranden, en die uit Florida waren helemaal glad. Daar begreep ik niks van, maar ik wilde ze heel graag hebben, want ik vond ze zo mooi.’

Het zou Vermeij op het spoor zetten van zijn idee?n over de evolutie als wapenwedloop. Hij heeft twee middelgrote schelpen bij zich. Een is zo’n gladde, een bruin met witte spikkels, met een kleine, helemaal getande opening. Schoonheid kun je voelen, volgens Vermeij. Sterker nog: ‘Schoonheid is heel belangrijk, vind ik. Wat er mooi aan deze is? Nou, dat gladde. Je denkt eerst ze hebben er verf opgedaan ofzo, maar dat is niet zo. En de hele vorm, dat bolle.’ De tweede is een grote slak, een spiraalvormig huis van veel ruwer voelende kalk. ‘De geometrie vind ik buitengewoon mooi,’ legt Vermeij uit. ‘De vormgeving van de schelp begrijpen we overigens nog niet helemaal.’

Hij doet voor hoe hij schelpen – in jargon heten ze allemaal mollusken, dat wil zeggen: weekdieren – onderzoekt. ‘Eerst bekijk ik de vorm, vooral met mijn wijsvinger, of met mijn nagels. En dan kom ik bij de details. Bijvoorbeeld bij deze slak die Chorus giganteus heet, voel ik hier, bij zijn mondopening, een klein uitsteeksel. Dat noem ik de labrale tand. De slak die hierin gewoond heeft, kon hiermee zijn prooi, mosselen en andere dieren, sneller te pakken krijgen.’

Over de labrale tand is heel vaak heengekeken, letterlijk. Maar hij blijkt ongelooflijk veel voor te komen. En zich ook heel vaak ontwikkelen. Vermeij heeft maar liefst zestig los van elkaar ontstane voorbeelden van labrale tanden gevonden. Ontelbare al dan niet fossiele mollusken zijn door zijn handen gegaan – Privileged Hands, bevoorrechte handen heeft hij zijn zeer leesbare autobiografie gedoopt. ‘Ik ben naar musea geweest en heb ze veel zelf verzameld,’ vertelt hij. Uit zijn autobiografie wordt duidelijk dat zijn veldonderzoek soms knap gevaarlijk is.

Die fossielen zijn heel belangrijk. Vermeij ziet ze als de geschiedenis van het leven, maar waarschuwt wel dat de levensboom vol dode takken zit. Je weet nooit wat je mist, waar je niets van teruggevonden hebt. Dingen ontstaan, sterven weer uit, ontstaan nog eens en nog eens. Overigens een punt waarover al heel lang discussie speelt tussen evolutiebiologen. Is het vreselijk toevallig als er iets ontstaat? Zeker niet, zegt Vermeij: ‘Ik denk dat alles in de evolutie al vaker dan een keer is ontstaan. Taal is het enige voorbeeld dat ik ken waar dat niet voor geldt. Maar dat kan nog komen.’

Als je goed kijkt, zie je dat alles er al een keer geweest is, lijkt Vermeij te zeggen. Details zijn belangrijk, benadrukt hij een paar keer. Je moet ook de juiste indeling hebben. En zo komen we bij Linnaeus, de reden dat Vermeij even in Nederland was. Onder de titel Linnaeus 300, the future of his science werd begin oktober in het Trippenhuis met een groot internationaal congres en een kleine tentoonstelling de driehonderdste geboortedag gevierd van de Zweedse arts en bioloog Carl von Linn?, die met zijn Systema Naturae als eerste een systeem beschreef om de natuur in te delen. Op zijn classificaties wordt tot op de dag van vandaag voortgebouwd. De dubbele benamingen, van soort en ondersoort, zoals in homo sapiens zijn aan Linnaeus te danken.

Soorten worden er nog steeds heel veel ontdekt in de natuur. Ook Vermeij, een keynote speaker op het congres, beschreef er een aantal, een stuk of dertig schat hij. ‘Dat is niet veel.’ Met graagte vermeldt hij dat hij zelf een zeeslakkensoort naar Linnaeus vernoemd te hebben: de Linnerita van het genus Nerita. Gastropoden , ‘buikpotigen’ heten zulke slakken officieel, vanwege de spieren waarmee ze zich voortbewegen. Er zijn waarschijnlijk wel 75.000 soorten.

Dat de evolutie in feite een lange wapenwedloop is, ziet Vermeij eigenlijk overal. In de loop van de tijd – en denk daarbij aan miljoenen jaren .— ziet hij steeds meer gladde schelpen met steeds kleinere mondjes ontstaan. Prooien en roofdieren passen zich steeds aan elkaar en hun omgeving aan. Maar het is lastig. Vermeij: ‘Je kan niet zowel heel snel als heel goed gepantserd zijn. Er moeten steeds economische ‘beslissingen’ genomen worden: hoeveel energie besteed ik aan dit of dat? Wat is het compromis? In de economie heb je exact dezelfde principes als in de evolutionaire wapenwedloop. We leven wel in een economisch vreemde tijd, met die wereldwijde groei die op de lange duur toch niet door kan gaan.’

Die steeds gepantserder schelpen die je in de loop van de evolutie ziet ontstaan, dat doen wij mensen ook met onze echte wapenwedloop, denkt Vermeij. Daar wordt het wel naarder van in de wereld. Hij is niet erg optimistisch, ook al merkt hij op dat de natuur leert dat er ook periodes van lange stilstand zijn. En een spurt in de wapenwedloop treedt vooral op in tijden van tamelijke overvloed, of als het warmer wordt.

Geen wonder dat de wapenwedloop van de evolutie volgens Vermeij terug te zien is in de economie.En dat is geen kwestie van analogie, het heeft alles te maken met de natuur, met hoe de wereld in elkaar zit. In 2004 kwam zijn boek Nature, an economic history uit. ‘De regels van het leven en de regels van de economie zijn hetzelfde,’ zegt hij. Je kunt bijvoorbeeld geen economie opzetten zonder concurrentie. En een monopolie werkt op de lange duur niet, net zomin als in de natuur.

Vermeijs broer Arie en diens vrouw zijn ook naar de lezing gekomen. Na afloop spreken ze met onverholen trots over hun broer en zwager. ‘Je moet het niet onderschatten,’ waarschuwt Arie Vermeij over de blindheid van zijn broer Geerat. ‘Mijn moeder zei tegen me: je moet altijd met twee paar ogen kijken.’ Ze schetsen de enorme collectie fossiele en andere schelpen in Californié, en hoe terugvindbaar die opgeborgen zijn, net zoals alles in Vermeijs huis zeer vaste plaatsen heeft. Als oom Geerat komt moeten alle deuren in huis of wel open ofwel dicht zijn, leerden ze hun kinderen. Zijn ze half-open dan loopt hij er tegenaan. Met ontzag: ‘We hebben het wel zien gebeuren. Dat moet echt pijn doen, maar hij geeft absoluut geen krimp dan.’

Kom niet aan mijn voorhoofdskwabben

DE VERGISSING VAN DESCARTES, Gevoel, verstand en het menselijk brein door Antonio R. Damasio. Vertaling L. Teixeira de Mattos. Uitgever Wereldbibliotheek, 319 p., f 49,50

Om het verband tussen gevoel en verstand aan te tonen, richt het onderzoek zich vaak op mensen met een hersenbeschadiging. Het beschadigde deel heeft soms niet alleen denkfuncties weggenomen, maar ook bepaalde gevoelens. Antonio Damasio geeft in zijn boek ‘De vergissing van Descartes’ (dat lichaam en geest niets met elkaar te maken hebben) een aantal saillante gevallen van verdwenen gevoelens.

Heerlijk toch, die Descartes. Al sinds jaar en dag is hij met z’n ‘Ik denk, dus ik ben’ het lievelingetje van schrijvers, onderzoekers en journalisten. Zo’n lekker kort statement, waar je toch eindeloos op kan variëren. Net nog zette HP/De Tijd ‘Ik eis, dus ik ben’ op z’n omslag, maar volgens de in Amerika werkzame neuroloog Antonio Damasio is het nog weer anders.

Wat hij met De vergissing van Descartes bedoelt, verklapt hij overigens pas zo’n twintig pagina’s voor het einde van zijn boek met die titel: het is niet ‘ik denk, dus ik ben’, concludeert hij, maar het ligt eerder andersom. Want in den beginne was het lichaam, en veel later kwamen pas de geest en het woord.

Een flauw woordspelletje voor onder filosofen? Niet helemaal. Om te beginnen is het natuurlijk domweg een evolutionair feit: hersenloze wezens waren er het eerst.

En omdat we daaruit voortgekomen zijn, zijn lichaam en geest veel meer verweven dan we – mede onder invloed van Descartes’ dualistische ideeën – geneigd zijn te denken.

Gevoelens zijn in feite altijd gewaarwordingen van het lichaam, claimt Damasio. En het onderscheid tussen gevoel en verstand is kunstmatig. De veelgehoorde overtuiging dat emoties het redelijke denken meestal in de weg zitten, klopt niet. Sterker nog, zonder gevoel kunnen we niet verstandig zijn.

Is dat waar? Kan Damasio dat bewijzen? Wel, de aanwijzingen komen van een bepaalde categorie neurologische patiënten. Hersenbeschadigingen zijn nou eenmaal nog steeds de belangrijkste kijkgaatjes op ons brein.

Het eerste deel van het boek is opgehangen aan het bizarre levensverhaal van Phineas Gage, in 1848 de zeer capabele voorman van een ploeg arbeiders die in Amerika aan een spoorlijn werkt. Gage is 25 als hij een noodlottig foutje maakt waardoor het kruit dat een rots moet opblazen voortijdig in zijn gezicht ontploft.

De ijzeren aanstampstaaf die Gage speciaal heeft laten maken, doorboort daarbij met grote kracht zijn linker kaak en vliegt er via zijn voorste hersenen weer uit. Tot ieders stomme verbazing blijft Gage bij bewustzijn, is hij binnen een paar minuten weer op de been, en kan hij gewoon praten. Nog meer wonderbaarlijk geluk zorgt dat Gage de uiteraard op zijn ongeluk volgende infectie overleeft.

De ijzeren staaf en Gages schedel zijn voor het nageslacht bewaard gebleven. Pas onlangs is met een computermodel uitgerekend welk deel van zijn hersenen hij – naast het zicht in zijn linkeroog – de rest van zijn leven moest missen.

Dat is interessant om te weten, omdat Phineas Gage een totaal andere man werd. Ogenschijnlijk functioneerde hij volstrekt normaal: geen verlammingsverschijnselen, geen verlies in lichaamskracht, geen spraak- of geheugenstoornissen. Maar zijn gedrag was ineens dat van een lastig, vervelend mannetje.

Waar zijn omgeving altijd hoog op had gegeven van zijn rustige gewoonten, zijn evenwichtige geest, zijn schranderheid, intelligente vakmanschap, en zijn doorzettingsvermogen, was hij nu ongedurig, schold en vloekte, leek geen moer meer om andere mensen te geven, en verdroeg geen tegenwerking of advies.

Wel raakte hij onevenredig sterk gehecht aan dieren en dingen (onder andere aan die staaf), en ontwikkelde een verzamelwoede. Ook begon hij grootse toekomstplannen te maken, die hij even gemakkelijk weer liet varen. Of hij beet zich helemaal vast in iets, om dan toch voordat het af was weer naar iets anders over te stappen. Hij was wispelturig en onzeker, en hem tot de orde roepen had geen enkele zin.

Voortaan werd Phineas Gage uit elke baan ontslagen, zelfs als circusattractie in het Barnum’s Museum in New York hield hij het niet erg lang vol. Veel over zijn verdere leven is er niet bekend. Toen hij 38 was, stierf hij na een epileptische aanval.

Kennelijk heeft een mens zijn voorhoofdskwabben nodig voor sociaal gedrag, voor vooruit plannen en voor inlevingsvermogen in een ander, en gevoel in het algemeen, concludeert Damasio ook aan de hand van contemporaine Phineas Gages, zoals zijn patiënt ‘Elliot’.

Diens geval is wat minder spectaculair: een (overigens succesvol verwijderde) tumor beroofde hem van zijn vermogen een doeltreffend plan te maken, en van de mogelijkheid te leren van zijn fouten. Zelf zit hij daar niet mee. Anders dan Gage slaat Elliot geen obscene en godslasterlijke taal uit, maar is beleefd, innemend en ingetogen. Hij zit vol ironische grapjes. Maar bij alles is hij even koel en afstandelijk. Ook praten over zijn eigen lot raakt hem niet, terwijl hem nogal wat naars is overkomen, en hij dat ook heel goed weet.

Elliot raakt net als Gage indertijd telkens zijn baan kwijt, omdat hij zijn tijd niet meer goed kan indelen, en bijvoorbeeld in een klein onderdeel van zijn taak blijft steken, en het geheel uit het oog verliest.

Ondertussen lijkt hij helemaal normaal, en hij scoort ook normaal op ongeveer elke denkbare psychologische test. Elliot had al heel wat vruchteloze therapiesessies achter de rug voor hij bij Damasio kwam. Die bezorgde hem in elk geval een ziekte-uitkering, door uit te leggen dat Elliot zich niet aanstelde, maar werkelijk niet in staat was werk naar behoren uit te voeren. Dat dat hoort bij dat type hersenletsel.

Damasio gaat ervan uit dat de veranderingen in de vermogens en het gedrag van patiënten met letsel in een bepaald deel van de voorhoofdskwabben niet toevallig samengaan. Het gebrek aan besluitvaardigheid – waarbij het bedenken en beredeneren van mogelijkheden en keuzes geheel intact is, maar de juiste knoop doorhakken niet meer wil lukken – hangt volgens hem direct samen met de ‘emotionele verarming’ bij deze mensen.

Er is nog een type patiënt waar iets soortgelijks gebeurt, alleen slokt bij die mensen de rest van hun ziekteverschijnselen meestal alle aandacht op. Damasio beschrijft lijders aan anosognosie, ‘ziekteonwetendheid’. Een beschadiging in een bepaald gebied in de rechter hersenhelft, van waaruit bewegingen gestuurd worden, leidt zowel tot verlamming, als tot de ontkenning daarvan.

Anosognosiepatiënten beweren dat er niets met ze aan de hand is. En net als de Gage-achtige gevallen hebben ze verstoorde emoties, vertonen sociaal onaangepast gedrag, en zeggen ook zelf niets te voelen.

De Amerikaanse rechter William Douglas werd er beroemd van. Hoewel hij in een rolstoel zat, deed hij de verhalen over zijn verlamming af als sprookjes. In eerste instantie schreef men zijn houding toe aan zijn humor en wilskracht, maar het eindigde allemaal zeer pijnlijk, omdat Douglas koppig weigerde zijn werk op te geven. En zelfs nadat hij daartoe gedwongen was, bleef hij doen alsof er niets aan de hand was.

Rara. Verschillende verschijnselen koppelen is één ding, een neurologische beschrijving van de gang van zaken in ons brein geven nog een andere. Dat is wel wat Damasio in de volgende gedeeltes van zijn boek probeert.

De op zich boeiende gevalsbeschrijvingen aan het begin zijn al niet echt eenvoudig – nog veel meer plaatjes had daarbij kunnen helpen – maar verderop is Damasio’s verhaal dikwijls in de verste verte niet meer geschikt voor het lekenpubliek voor wie De vergissing van Descartes wel bedoeld is. Dat is verschrikkelijk jammer, want het gaat over zulke interessante zaken.

Goed, dit zijn een paar dingen die ik eruit haalde. Connecties is natuurlijk hét sleutelwoord voor de werking van onze hersenen, waar de uitlopers van de zenuwcellen bij elkaar honderdduizenden kilometers lang zijn. Je hebt neurale circuits en circuitjes voor van alles en nog wat. Deels zijn die aangeboren, deels ontwikkelingen die zich.

Dat zowel nature als nurture een belangrijk aandeel heeft in wie en wat we worden en zijn, legt Damasio heel aardig uit aan de hand van de neurale ontwikkeling van het brein.

Voorstellingen is het tweede sleutelwoord. Dat is waaruit onze kennis bestaat, dat is waarmee we denken. Voorstellingen (let op, met dat woord worden niet alleen beelden bedoeld) zijn gebaseerd op neurale representaties, die ofwel worden gevormd met behulp van informatie die via de zintuigen binnenkomt, of die worden aangestuurd door wat Damasio ‘disposities’ noemt.

Dat zijn aangeboren, of in de loop van je leven gevormde neurale vuurpatronen, die het mogelijk maken voorstellingen opnieuw te reconstrueren. Immers, we slaan geen complete afbeeldingen of films of geluidsbanden of wat dan ook op.

In die disposities zit onze ervaring zou je kunnen zeggen, inclusief alle ‘ervaring’ die we van de evolutie automatisch bij onze geboorte meekrijgen. Die dispositionele representaties ziet hij ook als ‘samenkomstpunten’ voor allerlei in het brein binnenkomende of al opgeslagen informatie.

Aan de basis van ons gevoelsleven ligt onze ‘lichaamstoestand’, je ‘algehele bevinden’, zeg maar. Damasio heeft het over een ‘somatisch stempel’, zoiets als een continu seintje dat zegt ‘ik voel me oké/ik voel me niet oké’.

Dat kan bestaan doordat lichaam en geest nu eenmaal fysiek verbonden zijn, en continu boodschappen uitwisselen. Emoties komen voort uit een combinatie van je lichaamsgevoel en gedachten. Emoties op hun beurt helpen je verstandige beslissingen te nemen.

Je leest als het ware aan je algehele gevoel af of iets een goed plan is, of niet. Wie alleen met de zuivere rede werkt, loopt kans tot in het oneindige te blijven wikken en wegen.

Die lichaamstoestand is overigens meestal een achtergrondgevoel, en hij wordt aan een stuk door ‘bijgewerkt’. Die anosognosiepatiënten kunnen dat bijwerken niet meer, zegt Damasio.

En hij maakt onder meer daaruit op dat je (al dan niet bewuste) kennis nodig hebt over hoe je eraan toe bent, om op een goede manier beslissingen te kunnen nemen, en je in het sociaal verkeer te handhaven.

Het interessantste van Damasio’s betoog zit hem misschien wel in het feit dat hij een paar aanwijzingen lijkt te hebben dat wat wij ‘het zelf’ noemen, en ‘de rede’, en ook ‘de vrije wil’, afhangt van een heel specifiek deel van de hersenen.

Omdat hij aldoor het lichaam als uitgangspunt neemt, beweert hij het probleem van de ‘homunculus’ (het kleine mannetje in je hoofd waar je toch altijd weer bij uitkomt zodra je zaken als het bewustzijn probeert te verklaren) opgelost te hebben. Maar je kan ook zeggen dat hij hem gelokaliseerd heeft: hij zit ergens achter je voorhoofd.

Tegen twee dingen bleef ik uiteindelijk aanlopen bij dit boek. Ten eerste kon ik me op den duur niet meer aan de indruk onttrekken dat Damasio veel moeilijke woorden nodig heeft voor wat vaak toch echt niet zulke diepgravende inzichten zijn.

Zo hadden mijn medepubers en ik op ons zestiende al uitgeknobbeld dat echt altruïsme niet bestaat, omdat we haarscherp zagen dat lief zijn voor anderen zeer zeker tot voordeel voor jezelf kan strekken. Ook wisten we toen volgens mij al best dat lichaam en geest zwaar samenhangen (al dat blozen, de hartkloppingen, die vlinders en die pijn in je maag), en dat het onzin is te denken dat je je gevoel kunt uitschakelen.

Dat je voor acceptabel sociaal gedrag een gevoel van betrokkenheid en inlevingsvermogen in anderen nodig hebt, is ook niet direct schokkend te noemen. Maar Damasio brengt die dingen of het spiksplinternieuwe ontdekkingen zijn, en door zijn academische stijl zou je dat als lezer nog bijna gaan denken ook.

Ten tweede kan al het jargon en ingewikkelde geformuleer toch niet verhullen dat Damasio over veel dingen knap vaag is. Hij is vaag over wat emoties zijn en wat het verschil met gevoel is, hij is vaag over wat die predisposities inhouden, hij is vaag over wat hij met een zelf bedoelt, en een ik, en een vrije wil.

De laboratoriumtesten die hij aan het slot beschrijft, en die net als leugendetectoren gebaseerd zijn op het meten van reacties aan de hand van de huidspanning, zijn me ook te vaag als het erom gaat uit te maken wat ze nou precies bewijzen.

Anderzijds snijdt Damasio veel behartigenswaardigs aan. Descartes’ strikte scheiding tussen lichaam en geest zit diep verankerd in ons denken, in onze cultuur en dus bijvoorbeeld ook in onze dokters. De geneeskunde werkt met een onvolledige theorie van de mens, stelt hij, en hij heeft gelijk.

De vergissing van Descartes is alles bij elkaar een bijzonder onevenwichtig boek. Damasio beweert dat hij het als een gesprek met een vriend heeft opgezet, maar die vriend komt nergens aan het woord. Het is een monoloog, die soms begeesterd is, maar dan ineens vol gezochte onzinuitwijdingen zit en even later weer gebukt gaat onder grote hoeveelheden onuitgelegd jargon: waar zit het ‘subfornicaal orgaan’, wat is het ‘putamen’, wat doet de ‘associatieschors’, wat betekent ‘ventromediaal’?

En in een boek voor een breed publiek kan je echt niet aankomen met botweg een literatuurverwijzing, zonder in je tekst te melden wat er in die literatuur te vinden is. Damasio doet dat herhaaldelijk.

Dat is allemaal nog tot daaraan toe, Damasio heeft waarschijnlijk reuze zijn best gedaan begrijpelijk te zijn. Maar wat bezielt toch al die uitgevers? Er verschijnen steeds meer van die veel te lastige boeken geschreven door onderzoekers. En uitgevers liegen de lezer botweg voor in hun flapteksten die telkens toegankelijkheid en begrijpelijkheid beloven. Het zal wel een combinatie van luiheid en krenterigheid zijn. Een boek goed (laten) redigeren kost veel moeite en tijd, en dus geld.

En toch is het kortzichtig niet te investeren. Naar mijn idee had je van Damasio met een aantal hele fikse ingrepen een wereldseller kunnen maken. Wie worstelt er nou niet met verstand en gevoel? Bovendien zal het publiek zoals het nu gaat op er den duur niet meer intrappen. En dan kopen ze ook de echt goede boeken niet meer.

“Gist in je brood is nodig, schimmel erop is vies”

Je kunt er ziek van worden, maar juist ook beter. We eten en drinken ze, en er zijn er waar we automatisch van walgen. Het rijk van de schimmels en de gisten is veelzijdig, veelvormig en nog grotendeels onontgonnen. In het net verhuisde Centraal Bureau voor Schimmelcultures wordt niet alleen een grote collectie in stand gehouden, maar ook uitgezocht wat een schimmel schadelijk maakt en wat juist niet.

“Nee”, grinnikt dr. Teun Boekhout, “op feestjes klinkt het niet zo goed. Wat doe je? Ik onderzoek schimmels en gist.” Maar het aardige is dat hij daarna onmiddellijk om zich heen kan wijzen. Het nut van zijn onderzoeksterrein ligt altijd wel voor het opscheppen, en inschenken. Bier, wijn, brood, kaas, champignons, elk rechtgeaard feest biedt hapjes en drankjes die niet zouden bestaan zonder de bijdragen uit het grote rijk van de fungi.

Zo luidt de minder onaantrekkelijke, Latijnse naam voor schimmels en gisten. Wie ze onderzoekt heet ook wel mycoloog. De bumperstickerrage van een aantal jaren geleden is ook aan deze beroepsgroep niet voorbijgegaan. Mycologists have more fungi, luidt de tekst op zo’n sticker die nog ergens op een kast geplakt zit in een van de werkkamers van het Centraal Bureau voor Schimmelcultures waar Boekhout (46) werkt. Als ze ergens veel fungi hebben is het inderdaad daar. Het bewaren en verkopen van zo’n 40.000 verschillende levende schimmels en gisten is een van de taken van het Akademie-instituut dat al in 1904 is opgericht. Onderzoekers uit de wetenschap en de industrie zijn de afnemers.

Doordringen

Maar de ‘fun’ van fungi zit hem voor Boekhout  niet direct in het verzamelen, al begon de moleculair bioloog zijn carrière in het Rijksherbarium in Leiden, waar hij meewerkte aan de dikke Paddenstoelenflora van Nederland. Ook later zocht en verzamelde hij paddestoelen, in Colombia in de bergen, iets wat deel uitmaakte van onderzoek naar het ecosysteem daar. En oké, bij Castricum waar hij een caravan heeft staan, wil hij nog wel eens wat morieljes plukken. Maar verder doordringen in wat ook wel het Vijfde Rijk genoemd wordt, omschrijft misschien toch het beste waar hij zich dagelijks mee bezighoudt.

Een stapel loodzware boeken met titels als The Yeasts  heeft hij klaargelegd voor het gesprek. Het zijn standaardwerken, waarin vele soorten van de organismen beschreven worden die geen dieren zijn, geen planten, geen bacteriën en geen virussen. De plaatjes zijn vaak een lust voor het oog: fungi hebben de schitterendste vormen. Maar ondertussen is er nog heel veel onbekend over schimmels en gisten.

Vies

Vast staat dat je zoiets als ‘goeien’ en ‘kwaaien’ hebt. “Het is wat ambivalent”, drukt Boekhout het uit, “gist in je brood is nodig, schimmel erop is vies.” Het is grappig te zien dat hij dat laatste zelf ook nog altijd echt vindt. Later komt hij nog een keer terug op hoe beschimmeld brood ruikt, en hoe dat tegenstaat. Er bestaan dus ziekmakende schimmels, en daar zijn onze neuzen op geconditioneerd, maar ook erg belangrijke betermakende, zoals penicilline en andere antibiotica. “Dan heb je ook nog de vleesvervangers, zoals tofu, tempeh, en quorn, en de eetbare paddestoelen”, gaat hij verder.  “Er is een enorme variatie aan vormen en toepassingen.”

En er zijn zo veel fungi. Misschien wel anderhalf miljoen soorten. “Dat is een schatting”, zegt Boekhout, “in ieder geval is zeker dat we maar een fractie kennen. Je hebt megasoorten en kleinere soorten, en allemaal hebben ze hun eigen ecologische niche, hun eigen voorkeuren.” Nog niet zo lang geleden bleek het grootste levende organisme ter wereld een honingzwam te zijn. “Die strekte zich eindeloos uit onder de grond. Dat was toch een leuk bericht.”

Afbreken

In het grote ecosysteem vervullen fungi een cruciale rol. Bomen zijn afhankelijk van paddestoelen. Boekhout: “Ze vormen grote netwerken van draadjes die voedingsstoffen leveren. De suikers die een boom maakt met fotosynthese gaan naar de schimmels onder de grond. Zo komen ze van de ene boom naar de andere.” En ze ruimen de rotzooi op. “Huiszwam in je huis is een ramp”, zegt Boekhout, “want je krijgt het nauwelijks weg. Maar ze doen natuurlijk binnen hetzelfde als buiten: materiaal afbreken, dor en dood hout wegwerken. Ook in het tropisch regenwoud is de interactie tussen arme bodems, verterende bladeren en hout, en bacteriën en andere kleine beestjes heel belangrijk. In een samenwerkingsverband tussen Colombia en Amsterdam wordt daar onderzoek naar gedaan.”

Met Colombia zijn er banden, maar ook dichter bij huis werkt het CBS samen. Sinds kort zelfs heel dichtbij. In november trok het instituut in het vroegere pand van het Hubrechtlaboratorium of NIOB (Nederlands Instituut voor Ontwikkelingsbiologie), dat zelf naar een nu aangrenzend nieuw gebouw verhuisde aan de Utrechtse Uppsalalaan. Dat betekende het einde van twee afzonderlijke CBS-vestigingen. De ooit in grote ouderwetse villa’s begonnen en later uitgebreide afdelingen in Baarn en in Delft waren allang veel te klein.

Trilzwammen

Van oorsprong richtte ‘Delft’, de vestiging waar Boekhout vandaan komt, zich vooral op de gisten, ‘Baarn’ op de schimmels. Waarin verschillen die twee nu eigenlijk? Dat blijkt niet altijd precies aan te geven. Boekhout: “Het basisidee is dat gisten eencellige schimmels zijn. Meestal gaat dat ook op, maar de grens is niet altijd precies aan te geven. De Candida albicans, die infecties van de huid en de slijmvliezen kan veroorzaken, is bijvoorbeeld dimorf, tweevormig: ze kunnen ook draden vormen, en dat is een kenmerk van schimmels. In dat dimorfe zit hem overigens vaak het ziekteverwekkende van fungi. En als je trilzwammen buiten verzamelt dan planten ze zich daar meiotisch, dus seksueel voort. Maar binnen worden de sporen gist. In de natuur kunnen gisten a-seksueel zijn, maar doe je het met zo’n gistsoort na in een laboratorium dan kan er ook een seksuele variant met draadvorming ontstaan.”

Soorten zijn vaak erg verwant, waarbij dan de ene variant ziekteverwekkend (pathogeen in jargon) is, maar de andere niet. Over de soorten is door de nieuwe DNA-technieken de afgelopen tijd veel ontdekt. Samenwerking met het NIOB, dat immers veel genetisch onderzoek doet, ligt nu dan ook voor de hand. De vroegere taxonomen hebben het met hun indelingen van de soorten vaak wel goed gezien — hun intuïtieve veronderstellingen waren zo gek niet — maar er zijn ook verrassingen. Boekhout, enthousiast: “We hebben nu tien jaar die DNA-sequentietechnieken, en één soort blijkt er dan wel tien te zijn soms. Het heeft werkelijk tot vernieuwde inzichten geleid, en dat zal het nog een hele tijd blijven doen.”

Waar men vroeger dacht dat er zoiets was als ‘de brandschimmels’, blijken de zwarte vlekjes die je op heel uiteenlopende planten kunt aantreffen genetisch gezien mijlenver uit elkaar te liggen, ook al ziet het er onder de microscoop allemaal hetzelfde uit. Het is zelfs duidelijk geworden dat niet alle gisten afstammen van één gemeenschappelijke voorvader. In de loop van de evolutie is gist dus verschillende keren, onafhankelijk van elkaar ontstaan.

Er zijn inmiddels zo’n 2300 gistsoorten beschreven, maar daarvan zijn er maar ongeveer zeven honderd erkend als soort. In de tropen is er nog nauwelijks iets verzameld en geïnventariseerd. Met andere woorden: het terrein begint eigenlijk net ontgonnen te worden.  En dat terwijl Antonie van Leeuwenhoek toch al in 1684 in een brief aan de Royal Society in Londen wees op ‘animalcula’ (beestjes) die hij had aangetroffen in gefermenteerde mout.  Hij moet de eerste geweest zijn die gist zag.

Baby’s

Maatschappelijk nut heeft dat soortenonderzoek ook beslist. Een van de fungi waar Boekhout zich in zijn eigen onderzoek mee bezighoudt heet Malassezia, dat onder meer betrokken is bij de vorming van roos op het hoofd. “Dat blijkt een vetbehoeftige te zijn”, legt hij uit. “Het Institut Pasteur in Parijs vond uit dat er zeven verschillende soorten zijn. Welke roos veroorzaakt wil de industrie natuurlijk graag weten. Je ziet trouwens een wereldwijde stijging van de interesse in Malassezia, want het komt ook veel voor in ziekenhuizen. Het kan ziekenhuisinfecties veroorzaken. Te vroeg geboren baby’s zijn er vaak gevoelig voor. Die krijgen vet toegediend, waar de Malassezia van houdt. Dan kunnen ze sepsis krijgen, levensgevaarlijk.”

Boekhout onderzoekt ook andere ziekteverwekkende schimmels. Exact uitvinden waarin de verschillen met niet-ziekmakende varianten zitten is een belangrijk aspect van zijn werk.

De cryptococcus is nog een akelige gist, die zelfs in mensenhersens kan gaan zitten en dan hersenvliesontsteking veroorzaken. “In Afrika is dat echt een megaprobleem”, vertelt Boekhout. “Wij onderzoeken waar en hoe de cryptococcus voorkomt. Hij zit bijvoorbeeld ook in duivenmest. In Brazilië,  in São Paulo, vind je hem in de bomen.”  Soorten uit elkaar rafelen, en de kennis die dat oplevert gebruiken om ziektes te voorkomen of genezen, dat is het doel.

Maar ook in de ecologische sfeer zijn er praktische toepassingen te over met fungi. Geen wonder dat het CBS ook samenwerkt met het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, dat Boekhout in de wandeling “Heteren” noemt. In de landbouw kun je weer gebruik maken van biologische bestrijding van schimmels met behulp van parasieten. Voor het overige is er nog erg veel duister. Boekhout geeft nog een voorbeeld: “Met behulp van de elektronenmicroscoop zien we ook heel opvallende dingen. Bij de dwarswanden in de schimmeldraden zitten speciale celorganellen: de porenkap. Wat daar de functie van is? We hebben geen idee.”

Maar naast alle hightech spelen amateurs op het terrein van de fungi ook nog steeds een belangrijke rol. “Die hebben veldboekjes”, zegt Boekhout, “en zijn goed gedocumenteerd. Die boekjes zijn gebruikt om de veranderingen in de Nederlandse Paddestoelenflora vast te stellen. Op basis daarvan wordt vaak het beleid in de natuurbescherming gebaseerd. Ze vinden ook van alles. Mij zou het niet verbazen als op een dag het seksuele stadium van de cryptococcus binnengebracht werd door een amateur.”

We maken nog een toertje door het vers gerenoveerde gebouw, waar ongeveer zestig mensen werken. Laboratoria met buisjes, kantoren met beeldschermen. De ruimte waar schimmels bewaard worden in vloeibare stikstof (min 196 graden Celsius) en in vriezers (op min 129 en min 80 graden) doet denken aan een grote instituutskeuken. Enorme metalen ketels die herrie maken. Elke schimmel heeft zo zijn eigen gebruiksaanwijzing. De collectie op peil houden is een fikse organisatie. Vaak moet er overgeënt worden. Boekhouts Malassezia’s bijvoorbeeld eens in de vier weken.

Romantiek

Wat verderop zijn er klassieke uitstalkasten met eindeloze rijen reageerbuisjes, allemaal met weer een andere soort uit de collectie. Het materiaal waarop schimmels het best gedijen verschilt ook. Meikers is vaak geschikt, net als aardappelextract. Er staan grote flessen vol van dat spul dat je volgens Boekhout het beste zelf kunt maken. Ergens anders staan kleine plantenpotjes met inktzwammetjes. “Je zou ze zo kunnen verkopen om in de vensterbank te zetten”, lacht Boekhout. In deze omgeving is nog iets op te snuiven van de begintijd van het CBS, en de jaren twintig, toen een collectie gisten nog kon worden uitgeruild voor wat erlenmeyers — van die glazen kolven die toen nog maar net waren uitgevonden. 

Voor die romantiek is ook Boekhout niet ongevoelig, maar dat de toekomst er anders uitziet leidt geen twijfel. Vlak daarvoor nog had hij met trots de website van het CBS laten zien. Elke dag wordt er een update gemaakt, omdat er weer zo veel gensequenties bijgekomen zijn. Voer voor onderzoekers van allerlei slag. Tienduizend bezoekers per week trekt de site inmiddels. En die dikke standaardwerken — op de nieuwe versie van The Yeasts zal Boekhouts naam als een van de samenstellers vermeld staan — verdwijnen binnenkort, want dan worden ze vervangen door cd-roms, of door databases op internet.

Eenmaal weer buiten lijkt het herfst, ook al is het lente. Duister en regen. Echt paddestoelenweer. Het is allemaal nog wat kaal, maar het pad naar de ingang die het instituut deelt met het Hubrechtlaboratorium voor ontwikkelingsbiologie is zo te zien net af. Binnenkort zal het grote bord ‘Centraal Bureau voor Schimmelcultures’ dat nu toch tegen de muur leunt wel een vaste plek krijgen.

Luister naar de doven

Stemmen zien, reis naar de wereld van de doven door Oliver Sacks 200 blz., Meulenhoff 1989, vert. Jos den Bekker (Seeing voices, a journey into the world of the deaf, 1989) f 32,50 ISBN 90 290 9510 5

Zieltjes redden en gebarentaal gaan al eeuwen hand in hand. Precies 200 jaar geleden stierf Abbé de L’Epée, een Parijse geestelijke die gezien had dat de doven in zijn stad communiceerden door gebaren te maken. Bewegende handen en gezichtsuitdrukkingen bleken de toegangsweg tot de hoofden en harten van degenen die nooit hadden leren spreken en bidden.

De L’Epée ontwierp een compleet gebaarsysteem voor het Frans en gebruikte dat om de dove leerlingen van zijn in 1755 gestichte school te onderwijzen en stichten. Hij dacht namelijk dat de onder Parijse doven gehanteerde gebarentaal universeel was, maar geen grammatica had en zijn signes méthodiques losten dat laatste probleem op. Zijn aanpak werd een groot succes en zelfs een exportartikel.

De Nederlandse predikant H.D. Guyot volgde tien maanden lang de lessen van onder anderen Abbé Roche-Ambroise Sicard, die De L’Epées opvolger zou worden. In 1790 stichtte Guyot in Groningen het eerste Instituut voor Doofstommen in Nederland. In het Stadsarchief van Groningen bevinden zich nog steeds Guyots aantekeningen uit Parijs.

GOD

God blijkt voortdurend de inspiratiebron om de leerlingen allerlei begrippen en woorden en de Franse grammatica bij te brengen: Dieu est bon, juste, vrai, immurable, invisible, independant en nog heel veel meer; de zinnetjes Mathieu aime Dieu en Sicard aime Dieu worden als uitgangspunt gebruikt om keurig stapje voor stapje, ook via nevenschikking en samentrekking, tot de lijdende vorm (Dieu est aimé par Mathieu et Sicard) te komen.

Guyots aantekeningen (half in het Nederlands, half in het Frans) en ook zijn latere geschriften en het Nederlandse onderwijsmateriaal geven een roerend beeld van zijn behoefte doven volwaardige dus vrome mensen te laten worden. Nog altijd is de EO de enige omroep in Nederland die met een zekere regelmaat een gebarentolk in een hoekje van het scherm projecteert (de dame die de troonrede in september tolkte werkt normaal voor de EO).

In de gebarentaal die de Groningse doven gebruiken op wat nu het Koninklijk Instituut voor Doven ‘H.D. Guyot’ heet, zijn nog altijd Franse sporen te vinden, maar De L’Epées wens om doven van hun goddeloosheid af te helpen heeft nog veel verderstrekkende gevolgen gehad.

De dove Laurent Clerc, een leerling van een leerling van Sicard, vertrok in 1816 naar de Verenigde Staten, waar hij samen met Thomas Gallaudet een dovenschool oprichtte, de eerste van het land. De inheemse gebarentalen daar vermengden zich al snel met het geïmporteerde Franse gebaarsysteem, zodat ook in American Sign Language (ASL) het werk van De L’Epée terug te vinden is.

Over de geschiedenis van vooral de Amerikaanse doven (Nederland laat hij buiten beschouwing) handelt het eerste deel van Stemmen zien, het nieuwste boek van de zijn vak zo vlot populariserende neuroloog Oliver Sacks. Bewogen en gedreven vertelt hij van de dramatische gevolgen die de algehele invoering van het ‘oralisme’ ruim honderd jaar geleden gehad heeft.

DOVENONDERWIJZER

Op een congres van dovenonderwijzers waar uitsluitend de horenden onder het gezelschap stemrecht hadden, werd besloten dat doven absoluut moesten leren praten, wilden ze mee kunnen in de maatschappij.

Het gebruik van gebaren werd vanaf dat moment consequent onderdrukt en dove onderwijzers (zo goed voor het zelfbeeld en de identificatiemogelijkheden van hun dove leerlingen) moesten het veld ruimen voor horende.

Spreken en spraakafzien (‘liplezen’) werd tot enkele tientallen jaren geleden overal het devies. Maar gebarentalen bleken onuitroeibaar: als de meester of de juf er niet bij was bleven dove kinderen zich uitdrukken in gebaren.

Zelden of nooit en dan nog alleen met de grootst mogelijke inspanning bereikten zij het taalontwikkelingsniveau in spreken, lezen en spraakafzien van horenden.

Waarom niet? Dat doet Sacks uit de doeken in het tweede, grootste en meest geslaagde deel van zijn boek. Taalontwikkeling is nu eenmaal aan leeftijd gebonden. Andersom is de ontwikkeling van een kind ook gebonden aan taal. Het heeft informatie nodig.

Als het doof is en niet met gebaren ‘aangesproken’ wordt krijgt het die niet, en loopt daarmee al snel allerlei achterstanden op. Die inhalen, zonder het gehoor als inputkanaal te kunnen gebruiken, is verschrikkelijk lastig.

Pas de laatste tijd is het besef gekomen dat gebarentaal hét communicatiemiddel voor dove kinderen moet zijn. Gebarentaal is namelijk niet hetzelfde als primitief wat dingen in de lucht tekenen.

Gebarentalen zijn net als gesproken talen: er zijn er heel veel, je kunt er in principe alles in zeggen en ze hebben een complete grammatica. Gebarentalen gebruiken alleen een ander medium. En ze laten weer eens te meer zien dat taal iets typisch menselijks is dat in iedereen zit ingebakken, of we nu kunnen horen of niet. 

Maar in je eentje taal leren lukt niet. Sacks haalt de bekende gruwelverhalen aan over wolven- en kolenhokkinderen die later niet goed in staat bleken zich de grammatica van een taal echt eigen te maken.

Pas sinds heel kort is vrijwel algemeen geaccepteerd dat gebarentalen ook een grammatica hebben. En dus net zo goed iemands moedertaal kunnen zijn als welke andere natuurlijke taal dan ook. Het feit dat zelfs het aanbieden van een wat gebrekkige gebarentaal aan dove kinderen (omdat de ouders bijvoorbeeld pas laat gebarentaal hebben geleerd en die niet zo perfect beheersen als hun moedertaal) leidt tot de ontwikkeling van een grammaticaal correcte gebarentaal noemt Sacks “het zoveelste bewijs voor de aangeboren grammaticale vermogens van een kind”.

Het goed leren beheersen van een moedertaal, en dat gaat vanzelf als je jong bent, is het beste uitgangspunt voor het leren van een tweede of derde taal. Dove kinderen die grootgeworden zijn met gebarentaal blijken meestal heel redelijk in staat te leren lezen en schrijven in de gesproken taal van hun omgeving, overigens ook zonder dat ze jaren van hun leven besteden aan oefenen met spreken en spraakafzien. 

Aan gebarentaal zitten heel veel onverwacht interessante kanten. Sacks slaagt er uitstekend in die naar voren te brengen. Hij legt linken met de moderne taalkunde, spreekt over de werking van de hersenen (het lijkt erop dat gebarentaal op een andere plaats ‘opgeslagen’ wordt dan gesproken taal) en verdient daarmee de aandacht en waardering van een groot publiek. Een publiek dat veel breder is dan de dovengemeenschappen en hun directe omgeving alleen.

Hopelijk kan Sacks boek ook eindelijk en voorgoed de misverstanden van De L’Epée, die nog altijd een rijk leven leiden, uit de wereld helpen: er bestaat niet één universele gebarentaal, en alle gebarentalen hebben een heuse complete grammatica waarin, net als in gesproken talen, universele elementen zitten.

Dat men dat niet inzag heeft de emancipatie van de doven ernstig in de weg gestaan. En nog altijd worden er op scholen meestal gebaarsystemen (dus voor elk element uit een gesproken taal een gebaar) in plaats van natuurlijke gebarentalen in het onderwijs gebruikt. Sacks houdt niet op erop te hameren dat dat onzin is, en pleit voor het officieel invoeren van gebarentaal in de les.

EMANCIPATIE

Misschien dat de tijd er rijp voor is. Met de emancipatie van doven in Amerika gaat het in ieder geval goed. Sacks besteedt het laatste deel van zijn boek aan de opstand in Washington aan de Gallaudet University vorig jaar maart.

De school die de Fransman Clerc en de Amerikaan Gallaudet in de vorige eeuw opzetten is inmiddels de enige dovenuniversiteit ter wereld. Vorig jaar kregen ze een nieuwe President: een horende dame die geen gebarentaal kende.

De studenten namen dat niet. Ze bezetten hun universiteit, hielden protestmarsen en waren niet van de voorpagina van de krant weg te slaan. Geen talkshow of een van de studentenleiders zat erin. Het was indrukwekkend. Door een krankzinnig toeval was ik die dagen in Washington. Net als Sacks ben ik gaan kijken.

De doodse stilte tijdens toe’spraken’ afgewisseld met het bijna angstaanjagend gegil dat mensen die zichzelf niet kunnen horen voortbrengen, vond ik onvergetelijk. En het werkte. Het publiek was op de hand van de studenten: op een bord vroegen ze langsrijdende automobilisten te toeteren als ze het eens waren met hun eis voor een dove President en een ‘board’ met een dove meerderheid.

Dat bord leverde een voor horenden oorverdovend kabaal op. De eisen van de studenten waren binnen een week ingewilligd (zij het dan dat de nieuwe President pas op zijn twintigste doof geworden is en dus Engels als moedertaal heeft). Hier werd dovengeschiedenis geschreven.

Sacks legt er veel nadruk op dat doven niet ziek zijn. Een gedachte waar hij zelf pas sinds kort van genezen is. Doven vormen een gemeenschap met een eigen taal en cultuur is zijn boodschap. Jammer dat hij zich in zijn enthousiasme af en toe te sterk mee laat slepen. Hij heeft nu eenmaal die onuitroeibare neiging geëxalteerd te gaan doen (ook in zijn andere boeken).

Doven zijn eigenlijk mooiere, betere, krachtiger mensen dan horenden, is zo’n beetje de tendens. Daarmee ontkracht Sacks zijn betoog naar mijn smaak. Gelukkig staat daar weer tegenover dat hij nog altijd meeslepend schrijft. En ik denk dat zijn betrokkenheid oprecht is. Daarom volg je hem als lezer toch met plezier op zijn ‘reis naar de wereld van de doven’.

In reggae bijvoorbeeld ís de eerste tel er nooit, maar je hoort hem wel

Een dansende schoen met menselijke trekjes, ritmes die spannend worden door gaten, en het aangeboren vermogen om mee te klappen. Over zulke zaken gaat het in het onderzoek van ex-Akademie-onderzoekers dr.ir. Peter Desain en dr. Henkjan Honing, die  besloten van “beter begrijpen wat muziek is” hun levenswerk te maken. Op weg naar een ‘theorie van het al’ in de muziek.

Jammer, de dansende schoen is nog niet uitgepakt. Naar verluidt is het een klein wondertje om te zien.

Psycholoog en informaticus dr. Peter Desain en musicoloog dr. Henkjan Honing hebben namelijk een puur menselijke eigenschap nagebouwd: de schoen pikt in no time een ritme op, en tapt dan mee. Aan een nieuw ritme past hij zich al even snel aan, dat wil zeggen: soms ‘aarzelt’ hij eventjes, net als wij.

“Beter begrijpen wat muziek is”, dat willen Desain en Honing, en die schoen laat daar iets van zien. Het is nu een klein decennium geleden dat ze – na een aantal jaren vergaand ‘hobbyisme’ – besloten hun levenswerk te maken van inzicht proberen te krijgen in hoe mensen muziek waarnemen en verwerken. Van muziekcognitie dus.

Alletwee hebben ze net een KNAW-fellowship van vijf jaar achter de rug (“Daar waren we erg gelukkig mee, we hebben zó veel kunnen doen”, roepen ze in koor), en in september begint officieel het ideale vervolg daarop: een Pionierproject met de mooi alliterende naam ‘Music, Mind, Machine’, die het onderzoeksgebied heel kort samenvat.

Hoe interdisciplinair het terrein is, valt ook af te lezen uit het feit dat twee verschillende NWO-stichtingen het project betalen. Maar de industrie draagt ook bij, en er zal gewerkt worden aan toepassingen en prototypes. De groep zal  uit tien mensen bestaan. Thuisbasis is het NICI, het Nijmegen Instituut voor Cognitie en Informatie.

Pianola

In de kelders van het universiteitsgebouw waar dat gevestigd is, wordt nog hard gewerkt aan een opstelling. “Daar komt een elektronisch drumstel, en in deze hoek komt een Yamaha-vleugel, waarmee je kunt opnemen en op hetzelfde instrument weer terugspelen. Een soort pianola, maar dan aangestuurd door de computer.”

Onder de net aangelegde kabelgoten en een paar bouwlampen staan Desain (41) en Honing (38) te stralen in wat voorlopig een duister hok is. Het geluiddichte kamertje dat er vlak naast ligt, is al bijna af.

“Met die schoen willen we een beperkte Turing-test gaan doen”, vertelt Honing, zich kennelijk nu al verheugend. De algemene Turing-test is een ultieme toets voor intelligentie, bedacht door de briljante Brit Alan Turing, die als eerste in principe de mogelijkheid van kunstmatige intelligentie inzag. Een machine doorstaat de test, wanneer je – communicerend via een beeldscherm – niet meer uit kunt maken of er aan de andere kant een ander mens zit, of een machine.

Honing: “Dergelijke programma’s bestaan natuurlijk nog steeds niet, maar in een beperkte Turing-test ,die over slechts één domein handelt (zoals bijvoorbeeld wijnkennis, schaken, en nu dan de tel in muziek meetikken), blijkt de computer soms al redelijk succesvol. In muziekcognitie-onderzoek gaat het niet zozeer om een succesvol werkend computerprogramma, maar om de inzichten die de constructie van zo’n programma ons geeft in menselijke perceptie.”

Aangeboren vermogen

“Muziek lijkt een universeel verschijnsel te zijn. Dat wil zeggen, je vindt het in alle culturen, maar er zijn in de hele wereld heel veel soorten muziek”, zegt Desain, de bedachtzaam formulerende van de twee, “en boventoon-zang uit Tibet is natuurlijk heel iets anders dan westerse klassieke muziek. Generaliseren is gevaarlijk. Maar meeklappen, de tel herkennen, dat is waarschijnlijk een aangeboren vermogen.”

Ritme is maar een onderdeel van de muzikale structuur, en structuur is een absoluut sleutelwoord voor het begrijpen van muziek. “Wat wij proberen, is alle componenten van expressie, die deze muzikale structuren uitdrukken, uit elkaar te peuteren”, legt Honing uit.

Hoe? Onder meer met de inzet van muziektechnologie. Als je gaat manipuleren blijkt al snel dat muziek ingewikkelder is dan je zou denken. Zo is er in veel muziekprogrammatuur een tempoknop, waarmee je een stuk muziek sneller of langzamer kunt afspelen.

Honing: “Wat ligt er nou meer voor de hand dan te denken dat je dan gewoon een snellere uitvoering van hetzelfde stuk krijgt? Maar dat is niet zo. Het klinkt verschrikkelijk. Een heel ander effect dan wanneer je een mens vraagt iets sneller of langzamer te spelen.”

Desain: “Het heeft te maken met de expressie in muziek. Kijk, expressie is alles wat níet in de partituur staat. Dus kleine versnellingen, harder en zachter spelen, het aanhouden van een noot, de fijne details kortom, die ook maken dat uitvoeringen enorm kunnen verschillen, en dat je een stijl of een bepaalde pianist kunt herkennen. Het blijkt ook reproduceerbaar. Wanneer je een pianist vraagt een stuk nog eens precies zo te spelen, dan kán hij dat, meetbaar. We zijn bij ons onderzoek echt onder de indruk geraakt van de ongelooflijke beheersing van musici. En als het tempo wordt veranderd, wordt de expressie op een ingewikkelde wijze aangepast.”

Versiering

“Waar zit ‘m dat nou allemaal in? Wij denken dat het heel erg gelinkt is aan de structuur van muziek. En dan gaat het enerzijds om de mentale representatie, dus wat heeft de uitvoerende in zijn hoofd, en anderzijds om de musicologische kant. Klopt het muziektheoretisch? Wat voor type interpretatie is het? Vraag je een pianist een stuk sneller te spelen, dan blijkt bijvoorbeeld dat een bepaalde voorslag – dat is een nootje dat eigenlijk alleen een versiering is bij een andere noot – in dat geval even lang duurt als in de langzamere versie. Verkort je dat nootje ook, dan klopt het ineens niet meer. Met dat soort kennis kun je software maken met meer weet van muziek, van de perceptuele processen die kennelijk een rol spelen. Een betere tempoknop is dan best mogelijk.”

En soms komen de vakgebieden ineens prachtig samen. “Bij die voorslagen zagen we iets bijzonders”, vertelt Honing. “In een versnelde uitvoering bleken sommige inderdaad korter te duren, maar andere bleven precies even lang. Dat begrepen we niet goed. Maar in de musicologie wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten voorslagen. Die bleken dus in de uitvoering terug te vinden te zijn.”

Desain en Honing willen het liefst een ‘theorie van het al’ over muziek formuleren. Door verschillende vakgebieden te combineren, en door verschillende bestaande modellen, die tot hun ergernis allemaal alleen maar één bepaald aspect van muziek beschrijven, naast elkaar te leggen, hopen ze daar ooit te komen. En het allermooiste zou zijn te begrijpen wat muziek met je doet, waarom bijvoorbeeld het Allegretto van de zevende symfonie van Beethoven iemand telkens weer tranen in de ogen kan bezorgen, of waarom de een jazz fantastisch vindt, terwijl de ander het afdoet als zenuwenmuziek.

Reggae

Dat valt voorlopig buiten hun onderzoeksdomein, maar ze hebben er wel ideeën over. Elkaar naadloos aanvullend, vertellen ze: “Wat het dichtst in de buurt komt van een antwoord op de vraag wat iedereen nou zo mooi aan muziek vindt, waarom het emotie kan oproepen, is dat er verwachtingen opgebouwd en geschonden worden. We hebben een eigen theorie daarover op het domein van ritme, die voorspelt wanneer we een volgende slag verwachten, en in welke mate. In de ervaring van muziek is dat heel belangrijk. Je weet: nu komt er een tel, ik moet zo en zo dansen.”

“Maar kómt die tel niet, dan maakt dat het ritme heel spannend. Zo’n gat, een syncope heet dat, hóór je. Dat is bijvoorbeeld karakteristiek voor reggae: de eerste tel ís er nooit. Maar je hoort hem wel, en blijft hem verwachten. Ook bij de honderdste keer dat je naar hetzelfde nummer luistert.”

“Dat verklaart ook waarom je hetzelfde ritme in een andere context niet als hetzelfde herkent. Zelfs als je het weet, lukt dat niet. Staat er een ander stukje muziek voor, dan wekt dat een andere verwachting, en dat patroon van verwachtingen wordt gebruikt bij de interpretatie van het nieuwe materiaal dat je hoort.”

Binnen het Pionier-project zullen er met die geschonden verwachtingen ook experimenten gedaan worden met het registreren van reacties in de hersenactiviteit. Dokters meten hersenactiviteit al sinds jaar en dag met EEG’s: elektro-encefalogrammen. Via elektroden op het hoofd wordt de activiteit in de hersenen weergegeven in golfpatronen.

De cognitiewetenschappen maken inmiddels met graagte gebruik van die techniek. De golfpatroontje blijken namelijk heel karakteristieke pieken of dalen te vertonen bij bepaalde opdrachten, bijvoorbeeld als je mensen een vreemde woordcombinatie (patat met hond, brood met sokken) laat lezen. Zo’n schending van wat je betekenisverwachtingen kunt noemen, geeft ook bij iedereen dezelfde uitslag van de metertjes, en wel na 400 milliseconden. Of er iets soortgelijks valt te meten bij het schenden van ritmeverwachtingen, zal dus binnen het Music- Mind- Machine-programma uitgezocht worden.

Nog spannender

Ondertussen zinderen Desain en Honing van nog meer plannen en ideeën. “We willen ook een ritmisch lexicon en een zoekmachine daarvoor maken”, zegt Honing enthousiast. “Waarbij je iets in kan spelen en de computer antwoordt met een bekend ritme, dat daar perceptueel zo dicht mogelijk bij ligt. Ook kan je zoeken naar ritmische varianten op bijvoorbeeld de samba of iets dat daar juist het verst vanaf ligt. Of je zoekt naar een nóg syncopischer, dus nog spannender patroon. Met dat soort dingen kun je ook onderwijs echt leuk maken, dat vinden we ook belangrijk.”

Muziek weergeven in woorden blijft lastig. Je moet het horen. Desain en Honing zijn daarom heel gelukkig met de mogelijkheden van de nieuwe media, bijvoorbeeld het Internet. Daar kun je een stukje tekst heel simpel laten volgen door een stukje geluid. Wie meer wil weten dan in een zwart-op-wit-verhaal verteld kan worden: het adres van hun site, waarop de tekst van al hun artikelen met geluidsvoorbeelden te vinden is, is http://www.nici.kun.nl/mmm .

“We zíjn onze hersenen”

Op de kamer van professor Dick Swaab hangen foto’s van de vroegere behuizing van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH). Swaab, ook toen al directeur van het NIH: “Als ik wel eens denk dat het hier een rotzooi is, dan kijk ik naar die plaatjes.”

Het is dus tot zijn genoegen dat zijn instituut zo’n drieëneenhalf jaar geleden verhuisd is naar wat tegenwoordig Amsterdam Zuidoost heet: een luchtbrug en allerlei kabels vormen nu een rechtstreekse verbinding met het Academisch Medisch Centrum (AMC). Dat is prettig met het oog op faciliteiten en contacten, en ook voor de ongeveer twintig studenten die er altijd wel bezig zijn een hoofd- of bijvak neurobiologie te volgen.       

Naast de studenten lopen er noch zo’n zeventig à tachtig mensen rond op de twee verdiepingen die het instituut telt, waaronder geregeld buitenlandse gasten en stagiaires. De medewerkers zijn verdeeld over zes werkgroepen en een aantal service-afdelingen die ervoor zorgen dat het instituut “self-supporting” is.

Swaab: “Dat is een groot voordeel. Elektronica is heel belangrijk voor het onderzoek dat we hier doen. Alles wordt hier in huis gemaakt: apparaten, computerprogramma’s. Dat moet ook wel, want vaak gaat het omdingen die helemaal niet te koop zijn. Het wordt dus ook allemaal geïnstalleerd door de mensen hier, het zijn hun ‘baby’s’ geworden en dat betekent dat een klacht hier niet op de prikker belandt,waarna je dan drie maanden niets hoort. Wat dat betreft is het maar goed dat we niet afhankelijk zijn van het gecentraliseerde AMC.” 

Ratten

Behalve mensen, werken en wonen er op het instituut voor Hersenonderzoek ook heel wat ratten. Hersenonderzoek zonder ratten is immers ondenkbaar. Met de beestjes wordt voorzichtig omgesprongen. Om te zorgen dat ze niet te veel afgeleid worden door plotselinge geluiden (deuren die opengaan of dichtvallen) klinkt er continu muziek in de gang met de deuren die naar de  ‘leeropstellingen’ en andere ruimtes met ratten voeren. Willekeurige bezoekers mogen er niet zomaar binnen, vanwege het besmettingsgevaar. Niet voor de mensen, maar voor de dieren. De complete levensloop van iedere rat die de laboratoria binnengaat wordt op een computer bijgehouden. 

Naast een grote vrieskist die hersenweefsel op een temperatuur van -80 graden Celsius houdt, vallen in de overige ruimtes vooral de grote aantallen computeropstellingen op. De tijd dat men het alleen van hersens-op-sterk-water moest hebben lijkt voorgoed voorbij. Maar het instituut heeft nog steeds een schitterende collectie glazen potten en potjes met een fascinerende inhoud: hersenen in (en van) alle soorten en maten, foetussen, een ontroerend mooi babyhoofdje, zelfs een stel hersens compleet met bijbehorende ruggegraat. In de bijna tachtig jaar van zijn bestaan heeft het instituut ook een grote verzameling geprepareerd hersenweefsel opgebouwd. Een stukje olifantenhersenen? Swaab trekt het zo uit de kast. 

Zien denken

Tegenwoordig wordt er veel meer met ‘vers’ hersenweefsel (dat wil zeggen: niet geprepareerd of op sterk water gezet, maar hooguit ingevroren, of inderdaad van iemand die nog maar net overleden is) gewerkt, en er zijn meer mogelijkheden om levende hersens te onderzoeken. Swaab: “Je kunt mensen nu echt zien denken. Wanneer je iemand vraagt om zich alleen maar voor te stellen dat hij zich beweegt, dan zie je activiteit in de hersenschors, op dezelfde plek waar ook bij echte bewegingactiviteit waar te nemen is.”

“Of je kunt proberen erachter te komen wat het effect van een bepaald geneesmiddel is. Hoe we over die dingen iets te weten komen? Je kunt kijken naar de doorbloeding. Waar harder gewerkt wordt is de doorbloeding groter. Of je maakt het metabolisme van de zenuwcellen zichtbaar, door bijvoorbeeld een stof in te spuiten die op glucose lijkt. De zenuwcellen reageren daarop alsof het gewoon glucose is, maar met gammacamera’s kun je dan zien wat er gebeurt.”             

Hersenonderzoek. “We zijn onze hersenen,” zegt Swaab, “het is de essentie van onszelf. De rest van ons dient alleen als voeding voor die hersenen.” Het onderzoek van het Herseninstituut richt zich vooral op twee periodes: enerzijds op de ontwikkeling van de hersenen, anderzijds op de aftakeling. Anders gezegd: op het begin en op het eind. Swaab: “Dan gebeurt er het meeste, en dan kan er dus ook het meeste misgaan.”  

DES-kinderen

Dr. C.U. Ariëns Kappers, de eerste directeur van het in 1909 geopende instituut – hij zou er maar liefst tot 1946 blijven – wilde al weten in welk stadium van de ontwikkeling er iets mis was gegaan bij kinderen met een achterstand of een afwijking. ‘Vergelijkende anatomie van het zenuwstelsel’ was zijn terrein. De ontwikkeling van de hersenen bestuderen lijkt het instituut nog altijd essentieel voor het verkrijgen van inzicht in wat ‘normaal’ en wat ‘pathologisch’ is bij het functioneren van het zenuwstelsel.

Swaab: “Zo langzamerhand is overal wel bekend dat hersenen in de eerste twee, drie maanden van de zwangerschap heel kwetsbaar zijn. Invloeden van buitenaf zoals alcohol, stress of straling kunnen dan voor een verandering in de hersenstructuur zorgen die leidt tot direct zichtbare afwijkingen. Kinderen meteen open ruggetje, mongolen, daarvan weet je dat er in de vroegste ontwikkeling iets fout is gegaan. Maar de laatste tijd beginnen we beter te begrijpen dat er ook nog een andere belangrijke periodes zijn. Een dokter die bij een geboorte roept dat het een kerngezonde baby is, kan dat eigenlijk niet zeggen. De hersenontwikkeling gaat nog jaren door, en ook in het tweede deel van een zwangerschap kan er veel mis gaan. Alleen zijn dat meestal geen dingen die je direct kunt zien.

Dat is het terrein van de ‘functionele teratologie’, een nieuw terrein. Je moet daarbij denken aan zaken als de problemen met kinderen die het op school niet zo best doen, die hyperactief zijn. Dat kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van medicijngebruik tijdens de zwangerschap. De DES-kinderen zijn daar ook het slachtoffer van. Behalve dat een tamelijk klein percentage baarmoederhalskanker krijgt, blijkt 25 procent van die kinderen voortplantingsstoornissen te hebben. En het aantal homoseksuelen en lesbiennes onder hen is veel hoger dan normaal. Dat zijn dus echt permanente gevolgen.” 

Homoseksualiteit

Zijn zaken als homoseksualiteit of transseksualiteit dan in de hersenen terug te vinden? Swaab: “Daar zijn nu aanwijzingen voor. Er is een gebiedje in de hypothalamus dat tussen het tweede en het vierde levensjaar verschillend wordt voor jongens en meisjes. Dat is ook de tijd dat kinderen zich bewust worden van zichzelf en van hun geslacht..Bij alle mannen, ook homoseksuele mannen dus, is dat gebiedje twee keer zo groot als bij vrouwen. Alleen bij transseksuelen niet. Die vertellen ook altijd dat ze zich al vanaf hun derde ‘anders’ voelen, en toen al het idee hadden dat hun lichaam het verkeerde is. En dan is er nog een ander gebiedje in de hypothalamus dat anders is bij homoseksuele mannen.”

“Er zijn verschillende stromingen als het gaat om geslachtsverschillen en hersenontwikkeling. Het feminisme zegt dat er geen verschillen kunnen bestaan tussen mannenhersens en vrouwenhersens. Anderen stellen dat als die verschillen er wèl zijn, dat ze dan ontstaan onder invloed van de maatschappij. Op basis van onderzoek bij ratten beweren weer anderen dat er halverwege de zwangerschap een verschil zou kunnen optreden. Ons onderzoek laat zien dat dat het verschil tussen mannen en vrouwen tussen het tweede en vierde jaar begint, een periode waarin ook de omgeving een rol kan spelen.”

Hersenontwikkeling is dus ook gevoelig voor invloed van buiten ná de geboorte. De droomslaap lijkt belangrijk te zijn. Swaab: “Als we de droomslaap bij ratten onderdrukken met medicijnen, krijgen ze kleinere hersenen, ze worden hyperactief, hebben leerstoornissen en een afwijkend seksueel gedrag. En ze slapen heel onrustig.”       

De grootte van de hersenen zegt werkelijk iets over iemands capaciteiten. Toch zit het met die grootte een beetje anders dan lang is aangenomen. Het idee dat er in de loop van ons leven miljarden hersencellen afsterven blijkt onjuist. Swaab neemt aan dat dat idee ontstaan is doordat hersenen van oude mensen minder wegen dan hersenen van bijvoorbeeld twintigers of dertigers.

“Maar”, zegt hij, “er verdwijnen geen cellen, de cellen blijven intact, ze worden alleen kleiner. En ze verliezen hun ‘boodschappers’. Daardoor lijkt het of ze verdwenen zijn. Het aardige is nu dat de hersenen zich wel verdedigen, ze zoeken compensatie tegen de veroudering. En pas wanneer die compensatie tekortschiet krijgt iemand de ziekte van Alzheimer, wat in de wandeling dementie genoemd wordt.”      

Hersenbank

Daarmee zijn we bij de andere onderzoekslijn van het instituut gekomen: die naar de ‘aftakeling’ van de hersenen. Van groot belang daarbij is de Hersenbank die sinds drie jaar bij het instituut hoort. De ziekte van Alzheimer kan vooralsnog uitsluitend geconstateerd worden nadat iemand overleden is. Om precies te zijn: uitsluitend binnen vier uur daarna.

De meeste Alzheimerpatiënten (overigens blijkt maar zo’n vijftig procent van de ‘dementen’ werkelijk aan de ziekte geleden te hebben) gaan niet dood in een Academisch ziekenhuis. Demente bejaarden zitten in dit land in verpleegtehuizen. Daarmee heeft het Instituut voor Hersenonderzoek dan ook contact gezocht. Er is gepraat met de leiding en aan familie wordt het belang van het onderzoek uitgelegd. Dat belang is duidelijk voor wie rekening houdt met de vergrijzing van onze bevolking. Van de mensen boven de 80 lijdt twintig procent aan de ziekte van Alzheimer.     

De contacten met de verpleegtehuizen hebben ervoor gezorgd dat de artsen in de tehuizen en een aantal medewerkers van het Herseninstituut geregeld hun nachtrust onderbreken om snel een obductie op een zojuist overledene te plegen. Iedere obductie levert zo’n zeventig tot tachtig verschillende stukjes hersenweefsel op, die verspreid worden over dertig onderzoeksgroepen in binnen- en buitenland. Inmiddels wordt de Hersenbank ook gebruikt bij het onderzoek naar ander ziektes, zoals Multipele Sclerose en de ziekte van Parkinson. “Het breidt zich vanzelf uit,” zegt Swaab.

Swaab omschrijft de ziekte van Alzheimer als “een versnelde vervroegde veroudering”. Wie eraan leed, blijkt een teveel aan plaques en tangles te hebben. Door de hele hersenen heen. Plaques zijn een soort littekentjes van verloren gegane cellen en vezels waarvoor in de plaats gliacellen (een soort bindweefsel zou je kunnen zeggen) gekomen zijn. Tangles vind je in de hersencellen zelf.

Die tangles veranderen de eiwitten die te maken hebben met het transport dat door de celvezels gedaan wordt. Omdat de eiwitten veranderen stapelen ze zich op en verstoren daarmee het transport. Normaal gesproken kunnen die vezels nog uitgroeien en daarmee voor compensatie zorgen, maar bij Alzheimerpatiënten ontbreekt die uitgroei. Daarnaast is er veel meer DNA-schade te bespeuren dan gewoonlijk.

Swaab: “Iedere cel die werkt raakt beschadigd, als je werkt dan slijt je ook. Als dat gebeurt op het niveau van DNA dan schieten de cellen tekort in het reguleren van hun eigen metabolisme, meestal herstellen ze namelijk zelf de schade. Bij Alzheimerpatiënten ontbreken de enzymen die daarvoor zorgen. Er ontstaan mutaties in het DNA waardoor boodschappen niet meer begrepen en doorgegeven kunnen worden. Met alle gevolgen vandien.”

“Toch is het met die zenuwcellen een kwestie van ‘use it or lose it’: als je zenuwcellen activeert dan herstellen ze beter. En als je ze actief houdt, dan degenereren ze niet zo snel. Prikkels van buiten zijn goed voor een mens. Een rat die vaak een nieuwe kooi krijgt, heeft ook hersenen die tien procent groter zijn dan die van een soortgenootje dat steeds in hetzelfde kooitje moet zitten. Dat cellen zich kunnen herstellen, dat vezels nog kunnen groeien geeft hoop dat we ooit iets aan de ziekte van Alzheimer kunnen doen.”

Naschrift: Swaab is opmerkelijk consistent in zijn boodschap. In 1988 was het woord brein voor onze hersenen nog niet zo ingeburgerd, anders had er boven dit stuk vast al Wij zijn ons brein gestaan, de titel van zijn megahit.  

Overigens luidde bovenstaand artikel (in pas het tweede nummer van Akademie Nieuws) de rel om het homokwabje in. Ik herinner me dat ik het volstrekt voordehandliggend vond dat je homoseksualiteit in de hersenen terug kunt vinden. Dus dat was ook gewoon in het artikel terecht gekomen. Ik had totaal niet in de gaten dat ik wereldnieuws bracht. Mijn collega Hans van Maanen, toen chef wetenschap bij Het Parool, wel. Dus hij ging ook met Swaab praten, en opende er op een zaterdag groot mee. Dezelfde avond opende ook het achtuurjournaal met dit nieuws.

De heisa en rellen en bedreigingen die daar op volgden, waren buiten iedere proportie. Swaab kreeg de vreselijkste telefoontjes en brieven, en vond schreeuwende actievoerders in zijn voortuin, die met leuzen als ‘Dick snij in je eigen pik’ lieten horen nergens iets van begrepen te hebben.

Daar voelde ik me als indirecte aanstichtster knap ongemakkelijk onder. Maar van de felle discussies begreep ik echt weinig. Het leek mij dat de discussie met iedereen die anti-homo was hiermee wel beslecht was: het is geen verzinsel of aanwensel of keuze of wat dan ook, het zit in je hersenen. Klaar. Maar ‘aangeboren’ was eind jaren tachtig nog een heel verkeerd woord. Want er waren juist veel homo’s boos. Als wel vaker: op de boodschapper.

Over zin en onzin van Frits Staal

Frits Staal, Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap, Meulenhoff Informatief Amsterdam, 413 pag. f 45,-, gebonden: f 59,50

Filosofie is een vreemd vak. Iedereen filosofeert wel eens op een achternamiddag over ‘het leven zelf’, of over de bedoeling van ons bestaan. Misschien dat de emoties onder en over filosofen zo torenhoog kunnen oplopen, omdat het soms wel lijkt of alles tot de filosofie gerekend kan worden. De afbakening van het vak is een oud strijdpunt. Onlangs is Frits Staals Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap in een klap tot een klassieker op dit gebied verklaard en in gebonden versie bijgezet naast onder andere Plato’s Politeia.

Het wordt tijd de Opperlandse en Nijmeegs-androgyne stofwolken die onmiddellijk op het boek neerdwarrelden van de kaft te vegen en eens te kijken wat zich daarachter bevindt.

Iemand die een autobiografie schrijft, schrijft een samenvattende terugblik op zijn leven tot dan toe. Hoogte- of dieptepunten kunnen extra worden belicht, en saaie, onproductieve periodes komen alleen zijdelings ter sprake. Een simpel en doeltreffend recept, dat de lezer een meer of minder gekleurd beeld van de autobiograaf in kwestie moet geven.

Wie de intellectuele autobiografie van Frits Staal (naast filosoof ook sanskritist) gelezen heeft en uitgaat van bovenstaand recept kan slechts concluderen met een uiterst onevenwichtige man te doen te hebben. Stof genoeg, dat wel. Maar wat moet je met iemand die het ene moment in zes talen tegelijk het tijdsbegrip in verschillende culturen bespreekt en het volgende aan de borreltafel plaatsneemt om in glashelder Nederlands ‘het woord als middel’ met je door te nemen, waarna hij in vloeiend Sanskriet overgaat op ‘de oorsprong van taal’, onderwijl nog even de Chomskyaanse taalkunde en de verschillen tussen oosters en westers denken aanstippend?

Zo iemand lijkt op het eerste gezicht misschien een hardwerkende en geleerde man. Toch moet hem luiheid verweten worden. Staal heeft namelijk helemaal geen autobiografie geschreven, hij heeft een inleiding geschreven bij een aantal (twaalf om precies te zijn) van de artikelen en lezingen die hij de afgelopen dertig jaar geproduceerd heeft. Dat noemt hij een autobiografie. Op zichzelf is daar niets op tegen, maar als je het zo wil doen moet je wel voldoende materiaal hebben liggen dat geschikt is voor ‘een breder publiek’. Want voor hen is volgens de inleiding het boek bedoeld.

Nu is het onomstotelijk waar dat Frits Staal een heleboel te vertellen heeft dat voor een breder publiek interessant is, en hij heeft ook regelmatig voor niet-vakgenoten gesproken. Die lezingen (waarvan in deze bundel opgenomen een Brandende Kwestie en een verhaal voor het Amsterdams Studenten Corps) laten zien dat hij wonderwel in staat is een lekenpubliek zijn ideeën duidelijk te maken. Dat maakt het extra jammer dat de lezer bij veel van de andere essays gedwongen wordt zich door bergen citaten en bladzijden vol met tientallen begrippen uit het Sanskriet heen te worstelen.

Dat sommige van die begrippen zich niet gemakkelijk laten vertalen, en onvertaald voor een beetje ‘couleur locale’ kunnen zorgen spreekt voor zich, maar als ik in hoofdstuk vijf (‘Sanskriet taalfilosofie’) op vijf achtereenvolgende bladzijden meer dan vijftig verschillende Sanskriet-woorden tegenkom duizelt het me alleen nog maar. Het boek is een samenraapsel van gelegenheidsstukken die lang niet allemaal bij deze gelegenheid passen. Als Staal de moeite had genomen sommige van zijn essays te herschrijven, dan had er op dit moment een echte klassieker in de winkel gelegen.

Desondanks is het boek wel de moeite van het lezen waard. Juist omdat het zo breed van opzet is zullen veel mensen er een intrigerend of inspirerend stuk in kunnen vinden. Frits Staal beschikt natuurlijk over een zeldzame combinatie van kennis. Iemand die zowel in de oosterse als in de westerse filosofie thuis is kan veel vertellen. Het eerste essay in het boek bijvoorbeeld is een interessant exposé over hoe men in het oosten en in het westen in de loop der eeuwen met het begrip ‘tijd’ heeft geworsteld.

Het westerse, christelijke denken heeft een rechtlijnig tijdbegrip. Dat wil zeggen: de tijd begint bij de schepping en zal ophouden bij de Apocalyps.Toch zijn God en het leven na de dood eeuwig. Een probleem dat niet rationeel is op te lossen, uiteindelijk moet je erin geloven.

Het oosterse, Indische tijdbegrip bevat eigenlijk net zo’n inconsistentie, alleen begint men daar aan de andere kant: tijd wordt in de eerste plaats als cyclisch gezien, alleen is iedere nieuwe cyclus korter en bovendien slechter van kwaliteit dan de vorige. Op die manier zou de tijd uiteindelijk ‘op moeten raken’. Toch is het voor zowel de Hindoes en de Boedhisten als de Taoisten mogelijk eeuwige verlossing te verkrijgen. Je zou dus kunnen concluderen dat het oosten en het westen in laatste instantie eenzelfde, irrationeel, tijdbegrip hebben.

Veel van zijn faam heeft Staal te danken aan wat hoofdstuk drie van dit boek geworden is: het essay ‘Zinvolle en zinloze filosofie’. Dat komt er kortweg gezegd op neer dat dikdoenerige filosofische verhandelingen over bijvoorbeeld ‘het Alles’ of ‘het Niets’ nooit iets kunnen betekenen. Dat kan waarschijnlijk niet vaak genoeg gezegd worden, maar waar het vak filosofie zich dan wel mee moet bezighouden is ook voor Staal een probleem: andere disciplines (taalkunde, logica) blijken met succes stukken van het vakgebied geconfisqueerd te hebben. Staal stelt ze zijn vakgenoten ten voorbeeld, maar maakt niet duidelijk wat er dan voor de filosofen overblijft.

Een telkens terugkerend onderwerp in het boek is het misverstand dat het Oosten een mystiek werelddeel vol irrationele dromers zou zijn. Staal wijst erop dat India en omstreken een rijke, rationele, wetenschappelijke traditie op bijvoorbeeld het gebied van grammatica en logica hebben. Sterker nog: die vakken vervullen in het oosten de rol die de wiskunde in het westen speelt, die van meest pure en “echte” wetenschap.

De al meer dan 2000 jaar oude grammatica van het Sanskriet van Panini, en de studies die daarvan gemaakt zijn, kunnen een goed beeld geven van die oosterse wetenschap. Staal maakt iets duidelijk van de ingenieusheid van deze beschrijving van een taal die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Hij probeert bovendien het verband aan te geven tussen het werk van Panini en dat van de taalonderzoekers uit de school van Chomsky.

Die link is zeker te leggen, maar helaas dateert alles wat Staal over Chomskyaanse taalkunde schrijft van twintig jaar geleden. Binnen de taalkunde verwachtte men toendertijd veel van de zogenaamde ‘generatieve semantiek’. Men hoopte en dacht dat het mogelijk was taal te beschrijven als een een-op-een relatie tussen syntactische vorm en betekenis.

Dat uitgangspunt bleek veel te simpel. De verwachtingen die men had kwamen domweg niet uit. In het vierde essay van zijn boek (ironisch genoeg ‘Nieuwe inzichten in de taal’ geheten) wekt Staal dezelfde verwachtingen opnieuw. Een dergelijk stuk opnemen zonder een opmerking over het feit dat de inhoud zwaar verouderd is, is natuurlijk uit den boze.

Interessanter zijn Staals eigen ideeën over taal die in het laatste deel van het boek ter sprake komen. Hij begint met een bespreking van westerse en oosterse gedachten over de oorsprong van taal. In het westen is men door het verhaal dat Adam de dieren een naam gaf nooit veel verder gekomen dan het idee dat taal het geven van namen is.

Maar in India bekeek men taal vanuit een ritueel perspectief. Rituelen zitten vol handelingen, teksten en mantra’s waar niemand direkt een betekenis aan kan verbinden. Dat vraagt om ontleding. De inzichten die het bestuderen van mantra’s en dergelijke oplevert kunnen vervolgens op gewone taal toegepast worden. Dat is volgens Staal wat Panini deed.

Het belangrijkste verschijnsel dat ontdekt werd is dat van de recursiviteit. Zowel talen als rituelen zijn recursief, dat wil zeggen: ze bevatten regels die zichzelf kunnen aanroepen. In taal kun je dat bijvoorbeeld zien in bijzinnen: in een bijzin kun je een nieuwe bijzin beginnen waarin je weer een nieuwe bijzin kunt beginnen et cetera. Klassiek zijn voorbeelden als “Dat is de vrouw die de buurman die gisteren het huis dat te koop stond gekocht heeft haat”. Staal heeft zelf een uitgebreide studie gemaakt van een Vedisch ritueel (de Agnicayana) dat al meer dan 3000 jaar oud is en nog steeds opgevoerd wordt.

Zijn idee is dat rituelen inderdaad geen enkele betekenis hebben buiten zichzelf. Het zijn ingewikkelde handelingen en mantra’s die recursieve patronen vertonen en die heel precies uitgevoerd moeten worden. Voor de onderliggende structuren van taal geldt iets dergelijks: ook daar gaat het om ingewikkelde patronen waar men zich strikt aan houdt, maar die op zichzelf genomen volkomen zinloos zijn.

Omdat rituelen en taal zulke fundamentele overeenkomsten vertonen, en omdat dieren wel rituelen maar geen taal kennen, gelooft Staal dat taal voortgekomen is uit rituelen. Nu lijkt die conclusie mij iets te gemakkelijk getrokken, recursiviteit komt bijvoorbeeld ook in de wiskunde en de muziek voor. Het zit blijkbaar op de een of andere manier in ons ingebakken. Maar daarmee is nog niet gezegd dat een van de menselijke bezigheden die recursiviteit bevatten ten grondslag zou liggen aan de andere. Dat lijkt te veel op de redenering dat de mens van de apen afstamt.

De zin van Staals boek is dat hij een aanzet geeft tot een andere manier van denken over onopgeloste vragen als: hoe komen wij mensen toch aan taal, en wat is taal voor iets? Het blijft alleen jammer dat je daarbij zoveel verouderde onzin op de koop toe moet nemen.

Liesbeth Koenen is geboren in 1958. Ze studeerde Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en werkt nu als free-lance journaliste.

Nootje: De redactie, d.w.z. K.L. Poll, zette er ‘De ideeën van Frits Staal’ boven. Weet nog hoe verontwaardigd ik was over zoveel flauwe slaapverwekkendheid.

Beetje vlooien, beetje roddelen

GROOMING, GOSSIP AND THE EVOLUTION OF LANGUAGE door Robin Dunbar. Uitgever Faber and Faber, 230 p. f 27,50

Nederlandse vertaling: VLOOIEN, RODDELEN EN DE ONTWIKKELING VAN TAAL Vertaling Tinke Davids. Uitgever Ambo, 248 p., f 39,90

Wie een plausibele theorie over de oorsprong van de taal ontwikkelt, zal niet over het hoofd worden gezien. Totnogtoe zijn er slechts aanzetten toe gegeven, maar de Engelse psycholoog Robin Dunbar denkt dat hij meer heeft: er zou een rechtstreeks verband zijn tussen het vlooien van apen en de oorsprong van taal.

Praten, oreren, luisteren, klagen, kletsen, mompelen, lezen, schrijven, grappen maken, uitleggen, ratelen, aanraden, fantaseren, stamelen, opdreunen, samenvatten, pleiten, liegen, puzzelen, zwatelen, vlijen, vloeken, voorzeggen, rijmen, redeneren, roddelen.

Je kunt met gemak een hele pagina vullen met bezigheden waarbij we voortdurend ons taalvermogen, dat oppermachtige instrument, inzetten. Een wereld zonder is ondenkbaar.

En toch heeft de wereld het vrijwel altijd zonder gedaan. Wat er toen gebeurde? Hoe, waar, wanneer?

Tja, voor de eerste die met een goed doortimmerde, aannemelijke theorie over de oorsprong van taal komt, ligt er beslist eeuwige roem in het verschiet. Ook al zullen we, omdat taal nu eenmaal onmiddellijk vervliegt als je het niet vastlegt (op schrift, op band), natuurlijk nooit helemaal zeker weten wie ermee begonnen is.

Maar stel je wil een gokje wagen. Waar zou je moeten gaan kijken? In welke richting zou je kunnen denken? Gelukkig is iedereen – behalve natuurlijk de creationisten maar die hébben alle antwoorden al – het over een paar dingen wel eens. Zoals dat taal per definitie een produkt van de evolutie is, en dat je er menselijke hersens met flink veel neo-cortex voor nodig hebt.

Dus zou je om te beginnen de aanwezige kennis over taal, evolutie en het menselijk brein eens kunnen gaan bestuderen. En wat ook nooit kwaad kan, is een kijkje nemen bij onze naaste verwanten: apen.

Met de titel Grooming, gossip and the evolution of language, net in het Nederlands vertaald als Vlooien, roddelen en de ontwikkeling van taal, zit de Engelse hoogleraar psychologie Robin Dunbar dus helemaal goed. Het zit er allemaal in.

En dit is zijn theorie: omdat apen grotere hersens ontwikkelden, gingen ze in grotere groepen leven, van ongeveer 150 individuen.

Dat aantal zie je nog steeds op allerlei plaatsen terug. Niet alleen kleinschalige gemeenschappen van jagers en verzamelaars hebben ongeveer die grootte, de meeste maatschappijvormen kennen wel een of ander soort groepering van deze omvang (militaire compagnieën bijvoorbeeld). Ook in de moderne wereld blijkt het persoonlijk netwerk van mensen ongeveer 150 personen groot te zijn.

Maar met 150 individuen de sociale banden in stand houden met behulp van vlooien, zoals apen doen, kost te veel tijd. Je zou niet meer aan eten zoeken toekomen. En daarom hebben apen taal ontwikkeld. Want als je praat kun je meerdere soortgenootjes tegelijk vlooien. Dat is ook de reden dat we zo graag over anderen roddelen.

Gaat Dunbar wereldberoemd worden? Dat lijkt me stug. Zelf doet hij veel apenonderzoek, en de literatuur van anderen over dat onderwerp kent hij dus ook.

Voor de rest ontbreekt het hem aan zelfs maar de meest basale kennis. Zo is taal voor hem uitsluitend een sociaal verschijnsel (namelijk roddelen, kletsen over anderen) dat trouwens eigenlijk alleen uit woorden bestaat. Het hele booming onderzoeksterrein van de cognitie is kennelijk aan hem voorbij gegaan. Hij heeft het wel over de grootte van onze neo-cortex, maar nergens over de bouw of de werking.

Of toch, hij meldt ergens dat vanuit die hersenschors neuronen worden rondgestuurd. Nou, onze zenuwcellen blijven toch echt mooi zitten waar ze zitten. Ze sturen hooguit signalen rond.

Maar het ergste is dat hij de essentie van de evolutieleer gemist heeft. Talloze keren, door het hele boek heen, blijkt dat hij denkt dat de evolutie doelbewust is, en dat soorten ergens naar streven. Vanwege die grotere hersenen moesten er wel grotere groepen ontstaan, en dus hadden apen ineens echt taal nodig.

Verder dan dat gaan Dunbars ideeën echt niet. Nu is de overtuiging dat de evolutie een doel heeft een veelvoorkomend misverstand. Maar Dunbar zou beter moeten weten. Hij denkt ook dat hij het beter weet, want in een van de eerste hoofdstukken legt hij het Darwinisme nog even uit, juist omdat het in de populaire literatuur zo wemelt van de misverstanden. Een van de gênantere onderdelen van het boek.

Hoewel? Er zijn meer redenen om af en toe een flink te knipperen met je ogen. Rijp en groen onderzoek wordt voortdurend op één hoop gegooid, en alles is ook waar.

Elke correlatie is meteen een oorzakelijk verband (ook zo’n beginnersfout), en zijn eigen hypotheses zet Dunbar een pagina verder rustig in als harde feiten. En laat hij een student een keer een onderzoekje doen, dan blijkt daaruit bijvoorbeeld meteen hoeveel tijd wij mensen besteden aan het praten over anderen. Niets over methoden, onzekerheden, en zelfs geen literatuurverwijzing.

En iets als de zwarte-Eva-theorie, dat idee dat we allemaal afstammen van één vrouw in Afrika, neemt hij gewoon voor waar aan, terwijl dat onderzoek nogal onderuit is gehaald in de wetenschappelijke pers. Een theorie over de oorsprong van taal die op zo’n wankele basis staat, kun je niet serieus nemen.

Het is een beetje merkwaardig dat uitgevers dat wel doen. Zijn het onderwerp en de titel al genoeg om te besluiten een boek uit te brengen? Zelfs in vertaling?

Die vertaling verdient overigens speciale vermelding, omdat hij zeldzaam slecht en slordig is. Niet alleen kun je in het Nederlands van vertaalster Tinke Davids het oorspronkelijke Engels zo teruglezen, wat je zo vaak ziet, maar ze maakt het nog erger. ‘De grotere soorten’ (the larger species) vertaalt ze bijvoorbeeld ergens als ‘de grootste groepen’, waardoor een hele alinea totaal onbegrijpelijk wordt.

Enfin, daar wórdt het woord ‘species’ tenminste nog vertaald, zij het verkeerd, het is ook wel honderd keer gewoon onvertaald blijven staan. Maar ze vergeet ook cruciale woordjes als ‘net als’, en zelfs overschrijven lukt niet: Sir William Jones is in de vertaling Sir William James geworden.  

Woordenloos

A man without words door Susan Schaller met een voorwoord van Oliver Sacks, 231 blz., geb., Summit Books 1991, f 37,95 ISBN 0 671 703102

Het lot voert soms abjecte experimenten uit. Dit bijvoorbeeld: een dove Mexicaanse Indiaan tot zijn zevenentwintigste verstoken laten blijven van enig taalonderricht. Ildefonso (een schuilnaam) leerde niet lezen en schrijven, geen handspellen, geen gebarentaal, niets.

‘Taalloos’ noemt Susan Schaller hem in haar boek A man without words. Schaller is een horende Amerikaanse die ooit ‘verliefd werd op Amerikaanse gebarentaal’ en het zich daarom met behulp van cursussen eigen maakte, iets dat in de Verenigde Staten minder ongebruikelijk is dan hier.

Op een ochtend treft ze Ildefonso aan in een klas waar ze als gebarentolk zou moeten optreden. Te tolken valt er niets: alle studenten zijn doof. Wie gebarentaal kent komt om Engels te leren, de rest zou om te beginnen het idee moeten krijgen dat er zoiets als taal bestaat. De enige van de vier taalloze volwassenen die leergierig en bereikbaar is, is Ildefonso, de doofgeboren Mexicaanse Indiaan.

Schaller werpt zich met passie op hem en blijkt over een werkelijk bewonderenswaardig uithoudingsvermogen te beschikken. Vier maanden lang probeert ze tot hem door te dringen, hem dingen duidelijk te maken, woorden en begrippen nog eens en nog eens uit te leggen in gebarentaal.

De eerste doorbraak komt na een week: Ildefonso heeft eindelijk door dat het gebaar voor ‘kat’ dat Schaller nu al talloze malen gemaakt heeft naar een kat verwijst, én dat dat betekent dat je alles om je heen kunt benoemen.

Ildefonso wijst en vraagt, Schaller gebaart terwijl de tranen over haar wangen lopen ‘stoel’, ‘tafel’, ‘raam’, ‘klok’. Leerling en lerares huilen samen nog even door, en het is ook werkelijk een ontroerende gedachte. Ildefonso heeft de sleutel tot al het onbegrijpelijks dat hij tot dan toe zag in handen.

Niet dat de hele wereld in een handomdraai ontsloten wordt: de twee worstelen zich door heel wat frustraties heen voor het een beetje begint te lukken. Maar voordat ze zover zijn dat Schaller hem alle vragen die haar bezighouden kan stellen, (waarom roept het woord ‘groen’ zulke heftige emoties bij haar leerling op bijvoorbeeld?) moet Ildefonso gaan werken om geld te verdienen. Niet lang daarna vertrekt Schaller en verliest hem zeven jaar lang uit het oog.

Echt vergeten heeft ze Ildefonso niet. Op een gegeven moment gaat ze op zoek naar literatuur over soortgelijke gevallen. Die bestaat niet. In de universitaire wereld wordt tot verontwaardiging van Schaller zelfs het bestaan van ‘taalloze’ volwassenen ontkent.

Maar in een aantal dovencentra blijken gebarentaaldocenten tientallen volwassenen alsnog gebarentaal bijgebracht te hebben, ook al lukt het ze niet bij iedereen. Hoe meer Schaller erover hoort, hoe meer ‘Ildefonso’s’ ze tegenkomt, deste groter wordt haar verlangen haar eigen Ildefonso terug te vinden. Heeft hij inmiddels werkelijk Amerikaanse gebarentaal geleerd? En zou hij dus kunnen vertellen over zijn jeugd, over vroeger, over hoe de wereld eruit ziet als je geen taal tot je beschikking hebt?

Uiteindelijk vindt ze hem. En ja, hij kent gebarentaal. Schaller hoort (of beter: ziet) eindelijk het hele ‘groenverhaal’: voor Ildefonso was die kleur geassocieerd met de zogenaamde ‘green card’ (de groenkleurige werkvergunning die je in Amerika nodig hebt) die hij niet bezat, iets dat ervoor zorgde dat hij telkens door mannen in groene pakken met geweren over de Mexicaanse grens werd gezet.

En er wordt nog meer duidelijk: zo blijkt Ildefonso ook een dove broer te hebben, waar hij mee kan communiceren. Bovendien maakt hij deel uit van een dovengemeenschap van wel tien mannen die nooit taalonderricht gehad hebben. Maar die elkaar wel verhalen vertellen in hun zelfontwikkelde gebarentaal. Schaller is daar een avond getuige van: Ildefonso is dan haar apetrotse tolk.

Alleen, de conclusie die zich naar aanleiding van dit alles aan mij onmiddellijk opdringt, komt in Schaller niet op: al die dove volwassenen hebben zo te lezen niet zozeer gebrek aan ‘taal’, alswel aan informatie.

Omdat ze alleen met elkaar kunnen ‘praten’ en volstrekt geïsoleerd zijn begrijpen ze van grote delen van de wereld om hen heen niets. Dat is iets anders dan ‘taalloos’ zijn.

Ildefonso en mensen als hij zijn dan ook niet zonder meer het tegenbewijs voor het idee dat er een ‘kritieke periode’ bestaat (meestal geschat op tot het begin van de puberteit) waarin ieder mens een taal moet leren, omdat het daarna niet meer lukt.

Het zou kunnen zijn dat de volwassenen die niet in staat blijken gebarentaal te leren begrijpen, in absolute afzondering, zonder andere doven in de buurt zijn opgegroeid. Ik weet niet of ik gelijk heb, maar zelfs de vraag komt in het hele boek niet voor.

Het is absoluut een verdienste van Schaller dat ze wijst op een groep mensen waarvan het bestaan nauwelijks ergens bekend was. En het onderwerp spreekt zo tot de verbeelding dat je het boek toch wel achter elkaar uitleest.

Maar het blijft te veel een compilatie van Schallers toevallige wederwaardigheden en te weinig het verhaal van Ildefonso. Wanneer ze hem als uitgangspunt had genomen had er een echt indrukwekkend boek kunnen ontstaan. Blijkbaar vond ze twee nieuwe ontmoetingen na zeven jaar, en wat vage kennis over Ildefonso’s verleden (hij komt uit een arm gezin en heeft altijd moeten werken, en zelfs wel gebedeld) voldoende om A man without words op te baseren.

Zonde, ze laat haar lezers op die manier snakkend naar meer zitten.

Noot: Dit stuk kwam anders in de krant. Er was ineens een redacteur die besloten dat je niet in de tegenwoordige tijd mocht schrijven over zaken uit het verleden (voor de liefhebber: dus niet het presens historicum mocht gebruiken). Dus elk werkwoord was in de verleden tijd gezet. Een heel gewrongen geheel werd het daardoor. Vaak hebben redacteuren me behoed voor missers, uitglijders en wijdlopigheden, maar dit sloeg gewoon nergens op. Om de hele boel voor dit archief nou om te gaan zetten in iets dat me indertijd alleen maar ergerde leek me geen goed idee ;).

‘Een soort Sinterklaas voor volwassenen’

Hij heeft een enorm pak luiers naast zich neergezet – voor blije baby’s staat erop –, en die middag is de afspraak voor het interview helemaal misgelopen omdat hij ineens toch op zijn kinderen moest passen. Marcel Roele, auteur van onder meer De eeuwige lokroep, Over seks, sekseverschillen en relaties en De Mietjesmaatschappij, Over politiek incorrecte feiten noemt zichzelf “een ontzettende softie”, en “een man met een meer dan gemiddeld aantal vrouwelijke eigenschappen”.

Gemiddelden. Eigenlijk gaat het onderzoek naar de aangeborenheid van veel zaken waar freelance wetenschapsjournalist Roele (40) veel en graag over schrijft, daar altijd over. Maar bij onderwerpen als mannetjes- en vrouwtjesgedrag, en intelligentie en ras lopen de gemoederen zo gemakkelijk hoog op, dat al gauw uit het oog verloren wordt dat dergelijke studies niets over individuen zeggen.

Degene die de boodschap brengt dat meisjes, wat je ook probeert of doet, over het algemeen geen groot talent voor wiskunde hebben, krijgt daarom de wind van voren. Wie navertelt dat onderzoek keer op keer uitwijst dat blanken gemiddeld een hoger IQ hebben dan zwarten, kan helemaal op verkettering rekenen. Het zit hem echt in de taboes van onze samenleving, zegt Roele, en hij illustreert: “Als ik nou zeg: die mevrouw die daarachter zit heeft cupmaat D, terwijl jij cup C hebt, en dat verschil is helemaal door jullie genen bepaald, dan kan ik me niet voorstellen dat een van jullie daar ooit een probleem mee zou hebben. Zoiets vindt iedereen gewoon. Hetzelfde geldt voor een mooi of lelijk gezicht. Maar gaat het om intelligentie dan gaan alle mensen ineens op hun achterste benen staan.”

Vooral uit De Mietjesmaatschappij spreekt regelmatig Roeles ergernis over onderzoekers en ook journalisten die hun onwelgevallige onderzoeksresultaten simpelweg verwerpen. Bij voorbaat, of met behulp van vals citeren en verdachtmakingen. Onder meer de evolutionair bioloog Stephen Gould krijgt er geweldig van langs. Het boek zelf riep bij recensenten dikwijls ook weer felle reacties op. Dat ergernis een van zijn drijfveren is, wil Roele wel toegeven, maar dat er ook agressie uit de pagina’s opstijgt gaat er niet zomaar in. Hij mannelijk hormoon zat? Welnee.

“Ik weet zeker dat ik niet veel testosteron heb”, verzekert hij met kracht. “Ik ben zo iemand die zich tot zijn twintigste nooit hoefde te scheren, de jongen die bij gym altijd als laatste werd gekozen. Het type man waarmee vrouwen graag praten, maar aan wie ze zich nou nooit eens spontaan aanbieden.” Dat dat laatste hem spijt lijkt weer wel tot de typisch mannelijke eigenschappen te behoren.

Steeds komt het gesprek uit op hetzelfde: of het ons nu bevalt of niet, ons lot ligt voor een groot deel in onze genen besloten, en dat kun je zelfs steeds beter zien. Roele legt uit: “Neem lengte, en laten we even kijken naar bekende paren, Wim de Bie en Kees van Kooten, Freek de Jonge en Bram Vermeulen. Generatiegenoten van wie de een ’n stuk kleiner is dan de ander. Dat is voor negentig procent genetisch bepaald, maar honderd jaar geleden was dat nog niet zo. Toen waren er veel grotere verschillen in de omgevingsfactoren. Slechte voeding, ziektes, dat beïnvloedde iemands lengte veel vaker. De verschillen tussen mensen onderling waren toen dus meer terug te voeren op nurture dan nu.”

Maar dat geldt voor intelligentie ook. Vanaf halverwege de vorige eeuw werd door verschillende onderzoekers vastgesteld dat de hoogte van iemands IQ voor zo’n zestig procent afhankelijk was van erfelijkheid, wanneer je volwassen generatie- en landgenoten uit dezelfde etnische groep vergeleek. “In de loop van de jaren is dat percentage aldoor opgelopen”, vertelt Roele. “Tegenwoordig komt er uit studies dat de individuele verschillen in IQ van 60-jarigen voor tachtig procent zijn terug te voeren op individuele verschillen in genetische aanleg. De erfelijkheid van intelligentie neemt in de loop van je leven toe doordat de invloed van omgevingsinvloeden daalt – je realiseert langzaam je genetische potentieel dus, tot het moment waarop je gaat aftakelen. Het streven is natuurlijk honderd procent, pas dan heeft iedereen gelijke kansen om zijn talenten te ontplooien.”

Het lijkt de ironie ten top. ‘Gelijke kansen’ is het oude motto van politiek links. Nu dat ideaal bijna bereikt is, blijkt dat gelijke kansen niet tot gelijke resultaten leiden, maar juist de aangeboren verschillen genadeloos blootleggen. Al probeert datzelfde links dat wel weet te verdoezelen, volgens Roele: “De nivellering is veel te ver gegaan. Onderwijs op maat zou kinderen beter tot hun recht laten komen. Nu is het onderwijsprogramma in onder andere Amerika aangepast om ook meisjes een voldoende voor wiskunde te laten halen. Het gevolg is dat echte wiskundetalenten, en dat zijn vooral jongens, niet meer gestimuleerd worden. Dat gevaar dreigt hier ook.”

“Tegelijk worden die jongens wel verplicht om op dezelfde leeftijd als meisjes naar school te gaan, terwijl ze in hun ontwikkeling consequent een à twee jaar achterlopen. Dat duurt tot in hun puberteit. Het is ook van alle culturen, overal vallen meisjes van dertien op jongens van vijftien en omgekeerd. Ik vind dat je het moment van naar school gaan zou moeten laten afhangen van de persoonlijke intellectuele ontwikkeling van jongens.”

Maar ja, het pluche wordt nog steeds bezet door de linkse generatie van de jaren zestig. Overigens heeft Roele zelf een heftig links verleden. Eind jaren zeventig ging hij dan ook politicologie studeren aan de universiteit van Amsterdam, toen een waar rood bolwerk. Zijn eigen opvoeding was “tamelijk socialistisch” zegt hij, waaraan hij het feit toeschrijft dat hij nooit een opstandige puber was. Wel werd hij radicaal links (“Toen ik vijftien was vergoelijkte ik enigszins wat de Baader-Meinhoff-groep deed”), maar bij het lezen van marxistische literatuur begon de twijfel te knagen. Kroning en krakers, kruisraketten, zijn medestudenten waren erbij begin jaren tachtig, maar Roele was er al op afgeknapt. “Ik ben daar zo ontzettend verrechtst”, lacht hij, en dan serieus: “Ik ergerde me aan het bijna ‘bijbelse’. De linkse gemeenschap leek wel een godsdienst.”

En hoewel hij zielsgraag anders zou willen, al was het maar omdat hij al sinds zijn zevende erg benauwd is voor de dood, in een god geloven kan Roele niet. Het thema ‘God is biologie’ van het Bionieuws-symposium in november behoeft wat hem betreft nauwelijks discussie. De bioloog in ons heeft god uitgevonden.

Roele zal op het symposium spreken over evolutionaire verklaringen voor religieus gedrag. Nadat hij toch maar in de politicologie was afgestudeerd, ging hij daar namelijk onderzoek naar doen. Van een proefschrift is het door allerlei oorzaken niet gekomen, maar zijn gegevens en een aantal stellingen kwamen uiteindelijk in De Mietjesmaatschappij terecht.

Roele: “Elke godsdienst wil natuurlijk het onverklaarbare verklaren, en vaak manipuleren ze ook de angst voor de dood. Maar in grotere samenlevingen leggen ze bovendien normen en waarden op. Dat is in een kleinere gemeenschap veel minder nodig: daar houdt iedereen iedereen in de gaten, en kent iedereen elkaar ook. Bij wat ze natuurvolken noemen heb je wel religie, maar zelden monotheïsme. Het geloof in één moraliserende god, die alles ziet en aangeeft wat goed en fout is, zie je terug in alle grotere samenlevingen. Toen men in grotere verbanden dan pakweg 250 mensen ging leven, werd een soort Sinterklaas voor volwassenen nodig, met ook een groot boek waarin alle zonden worden bijgehouden.”

Er gaan nog meer controversiële onderwerpen over tafel. Eugenetica, waar Roele al aan gedaan heeft, zegt hij: “Als de vruchtwaterpuncties van mijn vrouw hadden uitgewezen dat we een mongooltje verwachtten hadden we beslist abortus gepleegd.” Over de Turken en Marokkanen in Nederland van wie het aannemelijk is dat ze gemiddeld een lager IQ hebben dan de Nederlanders. “Wij wilden geen vloeren meer vegen, maar toen hebben we natuurlijk niet alle hoogleraren uit Ankara gehaald om het over te nemen”, zegt Roele droogjes, ook al is het geen populaire opvatting. Het deert hem niet: “Wat klopt in de wetenschap, gaat langer mee dan de modes.”

Marcel Roele heeft een wekelijkse rubriek over evolutie en biologie in het Algemeen Dagblad. Zijn boeken worden uitgegeven door Contact. Binnenkort verschijnt De menselijke soort.

NOOT: Bionieuws organiseerde een symposium onder de kop ‘God is bioloog’, dat op 15 november 2001 gehouden werd. Roele was een van de zes sprekers. Zie in het archief ook het interview met Gert-Jan van Ommen, een van de andere vijf, verschenen in Bionieuws van 13 oktober 2001.

Naschrift: Marcel Roele is op 9 januari 2011 onverwacht overleden, nog maar 49 jaar oud.

Wie huilt en lacht, laat anderen zijn kwetsbaarheid zien

De eerste glimlach maakt van een baby een medemensje. En huilt het zachtjes dan willen we ervoor zorgen. Ontwikkelingspsycholoog Willem Koops (1944) buigt zich over de ontwikkeling van lachen en huilen. Hij is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Ontwikkelt huilen zich?

Naar het beginnen van huilen is ongelooflijk veel onderzoek gedaan, en dat lijkt aangeboren voor de binding met de moeder, een “akoestische navelstreng”. Tamelijk systematisch gaan mensenbaby’s krijsen als ze verlaten worden, zonder tranen. Tranen zijn echt menselijk. Geen enkel dier huilt met tranen. Wel met geluid, en hoe dichter ze evolutionair bij ons zitten, des te groter wordt de akoestische gelijkenis. Bonobo’s klinken het meest als mensen.

Volgens Ad Vingerhoets, dé tranenonderzoeker, gaan kinderen pas met tranen huilen als ze zich ook zelfstandig kunnen verplaatsen. Dan kunnen ze die tranen laten zien aan degene voor wie ze bedoeld zijn. Krijsen wordt natuurlijk ook door anderen dan de ouders gehoord en dat kan dus gevaarlijk zijn. Heel plausibel.

Maar dat lijkt meer waarschuwend huilen.

Eigenlijk wordt huilen pas echt menselijk bij adolescenten. Dan heb je zoveel cognitieve en morele ontwikkeling doorgemaakt dat je sentimenteel bent, en door een boek, film of muziek bewogen kunt raken. Voor humor als oorzaak van lachen heb je ook een zekere ontwikkeling nodig.

Maar een man mag niet huilen…

Cultuur is ook een punt ja. In de achttiende eeuw huilde elke beschaafde man zich te pletter. Dat was toen normaal. Nu mogen ze inmiddels ook weer.

Vaak wordt er gedacht dat lachen en huilen tegengesteld zijn, maar het is ambivalenter. Ik herinner me dat we de slappe lach kregen bij de kist van mijn overleden vader, en niet meer op konden houden. Een soort chaotische ontlading.

Er is een prachtig boek van de Duitse filosoof Plessner, uit 1941, Lachen und weinen. Zijn opvatting is dat we  lachen en huilen als we een grens bereikt hebben, en even niet meer weten te handelen. Dan vallen we terug op een lichamelijke reactie.

Maar wat is nou het belangrijkste nut?

Uiteindelijk verbinden lachen en huilen, via ons inlevingsvermogen. Het is ook extreem sociaal. In je eentje hardop lachen is lastig. Ik denk dan zelf meteen aan wie ik het wil gaan vertellen. En bij in eenzaamheid huilen gaat het snel om mensen in een depressie. Een vroegere collega bij de VU vertelde zijn medewerkers dat ze een kind pas mochten gaan onderzoeken nadat ze ermee gelachen hadden.

Het maakt je ook ongevaarlijk. Daarom laten Rutte en Samsom zich ook zo graag lachend zien. Ze laten het publiek zien dat ze in die politiek verbonden zijn, daar samen iets van moeten maken.  Samen huilen zou nog beter zijn. Denk maar aan Wiegel die pas weduwnaar was en op tv in tranen uitbarstte toen weduwnaarspensioenen ter sprake kwamen. Dat was echt, maar het heeft de VVD geen windeieren gelegd. De evolutionaire kracht van huilen en lachen is dat je je kwetsbaarheid laat zien.

Woensdag 12 september spreekt prof. dr. Willem Koops over ‘De ontwikkeling van lachen en huilen’, 20.00 uur. Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht. Toegang: gratis. Mee- of terugkijken: www.sg.uu.nl

 NRC Next kopte ‘Lachen naast de doodskist, omdat je het niet meer weet’.

De ongrijpbare, doodgewone dood

Dat in den beginne ‘Het Woord’ was, is een misverstand. Alles aan en in ons is eerder ontstaan. Ons drift- en verdere gevoelsleven, onmisbare lichaamsfuncties als de bloedsomloop en het spijsverteringsstelsel, het was er allemaal allang toen de menselijke evolutie zijn voorlopig eindpunt bereikte in ons taalvermogen.

Maar zoals bekend bouwt de evolutie vrolijk in het wilde weg voort op wat er al aanwezig was. Als de soort er maar mee overleeft. ‘Oud’ en ‘nieuw’ sluiten daardoor soms op wonderlijke, moeilijk te snappen manieren op elkaar aan. Er zijn bijvoorbeeld overduidelijk verbindingen tussen ‘gevoel’ en ‘verstand’, maar hoe die precies liggen, weet niemand.

Zo blijft het knap lastig om gevoel in taal te vangen, terwijl we dat toch graag willen. Het gemoed moet van tijd tot tijd gelucht. Soms om enthousiasme te ontladen, vaker om iets negatiefs kwijt te raken. En laten we daar nou juist het ongrijpbare en oncontroleerbare in ons voor aangrijpen, die oude dingen die er al waren voor we konden praten.

Want om onze woorden een extra gevoelswaarde mee te geven, putten we onophoudelijk uit het lexicon dat hoort bij seks, ziekte en stofwisseling: klootzakken leveren trutten kutstreken of komen met lulsmoezen, idiote teringlijers hebben een pestbui als ze lopen te kankeren, en kakmadammen en snotapen vinden slijmjurken retegezellig, vooral als het poepiedruk is.

Dat extra effect komt natuurlijk voort uit het feit dat het eigenlijk taboe is die woorden te gebruiken. Waarom dat zo is? Dat is een universeel raadsel.

Want we hebben hier zeker niet te maken met een vreemde Nederlandse afwijking. Volgens dr. Reinhold Aman, de ‘Vorst van de Vloek’, die voor zijn tijdschrift Maledicta 220 talen uit alle delen van de wereld onderzocht op verbale agressie, kom je in elke cultuur de lichaamsfuncties (inclusief seks) als expressiemiddel tegen.

Religie en familie zijn de twee andere bronnen, en afhankelijk van de cultuur is het een beetje meer van het een dan van het ander. Familie doet het bij ons toevallig niet zo goed (je kunt hooguit ergens een broertje aan dood hebben), maar god des te beter (godallemachtig nou! jezus, dat kan je wel zeggen). En ook in die twee categorieën zit dat element van het oncontroleerbare en ongrijpbare, terwijl je er toch afhankelijk van bent: temidden van wie je geboren wordt, kun je niet zelf bepalen, maar je zit er op vele manieren aan vast, en godsdiensten zijn speciaal uitgevonden om alles waar je in het leven niets aan kunt doen nog een schijn van zin en samenhang te geven.

Maar het ongrijpbaarste en oncontroleerbaarste van alles is de dood. Het moment dat alle lichaamsfuncties stoppen, en dat er geen moedertjelief of Heilige Vader meer aan helpt.

Geen wonder dat het woord het goed doet als ‘versterker’. Het gaat bijvoorbeeld uitstekend samen met allerlei ‘gevoelswerkwoorden’: je kunt je dood lachen, vervelen, schrikken, generen, ergeren, schamen en nog meer. Opnieuw is het de taboewaarde van het woord die zorgt voor het versterkende effect, maar de overdrijving (mooi dat je van al die dingen niet echt doodgaat) helpt ook. Net als bij de uitdrukking ‘ergens mee doodgegooid worden’, en combinaties met ‘dodelijk’ (die opmerking was dodelijk, hij is dodelijk verlegen), en uiteraard in de verwensing ‘ach, val dood’.

Dood is het engste, naarste, gruwelijkste, afschuwelijkste dat er bestaat. Als positieve versterker zul je het dan ook niet aantreffen. Dingen zijn doodgriezelig, je bent er doodsbenauwd of gewoon ‘als de dood’ voor. Je wordt doodsbleek uit doodsangst voor een doodsmak. En allemaal verwijst dat naar de verschrikkelijke angst die de dood ons inboezemt. Maar naast ‘bloedmooi’ is er geen ‘doodmooi’, naast ‘godsallejezus lekker’ klinkt ‘dodelijk lekker’ raar, en waar ‘tering (of kut) hé, wat gaaf’ dagelijks opklinkt uit jeugdige monden, zul je ze nooit ‘dood hé, wat gaaf’ horen roepen. Het enige positieve is misschien dat je altijd nog stukken beter ‘doodmoe’ kunt zijn dan ‘levensmoe’.

Maar er zit nog een kant aan de dood. Het is de enige absolute zekerheid voor iedereen. In elk opzicht kunnen we wel een beetje verschillen, maar dood moeten we werkelijk allemaal. Daarom beschouwen we het kennelijk ook als eigenlijk niks bijzonders.

Dat moet je althans opmaken uit een hele reeks samenstellingen die allemaal iets laconieks uitstralen, een no big deal-gevoel opleveren. Je kunt op je dooie gemakkie, doodgemoedereerd met je doodonschuldigste gezicht iemand eens doodleuk doodgewoon de waarheid zeggen. Dat is doodeenvoudig en doodgemakkelijk. Doodnormaal toch?

Grappig in dat verband is dat ‘dood’ in feite het gewoonste woord voor niet-langer-levend is dat we hebben. Synoniemen zijn óf eufemismen (overleden, gestorven, heengegaan, wijlen, weggenomen, weggerukt, ontvallen, overgegaan et cetera) óf een stuk platter (gecrepeerd, kapot, kassiewijlen, er geweest, de pijp uit, tussen vier plankjes, onder de groene zoden, of zoals Haagse Harry zegt: een tuin op z’n buik).

En dat zijn allemaal andere woorden voor ‘dood zijn’, De Dood zelf moet het zonder een fatsoenlijk equivalent stellen. Er zijn alleen wat van die personificaties als ‘de man met de zeis’ en ‘Magere Hein’, en een paar altijd verder uitbreidbare omschrijvingen als ‘het eeuwige niets’ en ‘het grote zwarte gat’. Ze hebben gemeen met woorden als ‘het overlijden’, ‘het sterven’, en voor mijn part ‘het heengaan’, ‘de ogen voorgoed sluiten’ en ‘de pijp aan Maarten geven’ dat ze allemaal alleen maar slaan op het moment dat De Dood intreedt.

Wat dat ook moge wezen. Aan het woord dood kun je prachtig zien hoe ongrijpbaar de betekenis van woorden kan zijn, en ook dat dat niks geeft. Geen mens weet wat dood is, ook al gelooft inmiddels een flink deel van de Nederlanders in reïncarnatie (maar dat roept gek genoeg nooit herinneringen aan het dood zijn op schijnt, alleen aan andere levens). En toch is dood een doodgewoon en zeer frequent woord, dat we aan de lopende band zonder nadenken gebruiken.

Behalve dan in rouwadvertenties, daar wordt het beestje nog steeds heel zelden bij de naam genoemd. Toch gek, want niemand lijkt er in diezelfde advertenties nog een been in te zien om eerdere doden, die van niets weten, met behulp van kruisjes als treurenden op te voeren, noch om de dode over wie het gaat, en die niets meer kan horen, toe te spreken. Of ben ik een dooievisjesvreter als ik me daaraan erger?

Niemand wandelt van Bali naar Australië

Op Java vond de Nederlander Eugene Dubois eind negentiende eeuw een schedelkapje en een dijbeenbot. Hij zag er de missing link in tussen ons en de apen. Was de ‘Javamens’ een voorloper van de Aboriginals in Australië? Bioloog en paleoantropoloog Paul Storm (1959) onderzocht de kwestie. Hij is onder meer gastonderzoeker bij museum Naturalis. 

Waar is de Javamens nu?

Achter bomvrij en kogelvrij glas, in Naturalis. Dat is heel bijzonder. De meeste musea houden de fossielen van onze voorouders in de kluis. Maar in Leiden kun je de Javamens zien. In 1888 vond ene van Rietschoten die op zoek was naar marmer een schedel op Java. Dat is de Wadjakmens gaan heten. Dubois zocht toen nog op Sumatra naar de schakel tussen aap en mens. Vanwege die Wadjakmens is hij, onder andere, naar Java verhuisd. Maar nadat hij daar de Javamens had gevonden, in 1891 en 1892, bekommerde lang niemand zich meer om de Wadjakmens. 

Wat bracht hem weer in beeld?

De eerste fossiele mens in Australië werd in 1918 beschreven. De Talgai-schedel. Toen werd voor het eerst duidelijk dat daar ook lang geleden al mensen hadden rondgelopen. En ontstond er belangstelling voor de oorsprong van de Aboriginals. Er werd indertijd heel anders tegen het begrip ras aangekeken. Nu zien we rassen in horizontaal verband, toen werd er verticaal gedacht, en de Aboriginals werden gezien als primitieve vertegenwoordigers van onze soort. Dubois, die na veel discussies over de Javamens zo’n twintig jaar zijn mond had gehouden, kwam toen met iets heel opvallends: hij herinnerde zich de Wadjakmens en presenteerde die als een proto-Australiër.

Later gingen andere wetenschappers er zich tegenaan bemoeien en ontstond er een beeld van een afstammingslijn die liep van de Javamens via de Solomens en Wadjakmens naar de huidige Australische Aboriginals. 

En, hadden ze daar gelijk in?

Ik heb mijn twijfels. De Javamens is gewoon echt een Homo erectus, van zo’n 900.000 jaar geleden. En de Wadjakmens is een Homo sapiens, net als wij. Tot op heden zijn er geen overgangsvormen tussen die  twee soorten aangetroffen in deze regio. En of we Wadjak kunnen zien als een proto-Australiër? Ik zie eerder een oer-Javaan. Een robuuste voorloper van de huidige Aziaten, onder andere met hoge jukbeenderen. Ik ben zo’n  driehonderd schedels van mensen gaan vergelijken. En ik zie een duidelijk Aziatisch en een Australisch patroon. DNA bevestigt dat ook.

Dus geen prehistorische Javanen in Australië?

Geen Javamens in Australië. Je kunt weliswaar helemaal van Zuid-Afrika naar Bali wandelen bij laag water, maar daar houdt het op. De diepe zee bij Bali is echt een barrière. Dat zie je ook heel fraai aan de grote zoogdieren. De Aziatische zijde heeft ‘gewone’ zoogdieren, met een baarmoeder, maar in Australië en Papoea Nieuw Guinea zie je alleen buideldieren en zoogdieren die eieren leggen. Spannend is natuurlijk wel dat de voorlopers van de Aboriginals die hindernis al lang geleden hebben genomen. 

Zondag 13 januari spreekt dr. Paul Storm over ‘Wie waren de eerste Aboriginals?’. 13:00 uur
Naturalis, Cinema, Darwinweg 2 Leiden. Toegang: museumkaartje.

NRC Next had van de kop een vraag gemaakt: ‘Wandelden de oermensen van Bali naar Australië?’

Honderden woorden zijn nog geen taal

Zelfs iemand die niet kan zien en horen, blijft enthousiast dingen een naam geven. Geen enkel dier doet dat, zelfs de slimste mensaap niet. Geen behoefte aan.

Een grote benoemdrift. Dat hebben wij mensen. Van kleins af aan kraaien we wijzend met een garnalenvingertje ‘die!’, en zodra we iets meer kunnen zeggen, willen we van alles weten hoe het heet. Voor de beroemde Helen Keller, die als peuter zowel doof als blind geworden was, begon haar leven pas toen ze doorkreeg dat de dingen een naam hebben. Keller kon taal alleen voelen. Maar de eerste de beste dag dat ze begreep dat het koele spul dat over haar ene hand liep, kon worden aangeduid met elkaar opvolgende strijkages in de andere (haar gouvernante spelde W-A-T-E-R in haar hand), danste ze van enthousiasme. Meteen vroeg ze van alle dingen onderweg de naam.

Het is een opmerkelijk verschil tussen ons en andere primaten, zoals chimpansees. Letterlijk praten kunnen die niet, daar hebben ze de keel niet voor, maar er zijn serieuze pogingen ondernomen ze taal bij te brengen met behulp van symbolen of gebaren. Met opmerkelijke resultaten. Dat apen met hard oefenen wel een paar honderd verschillende woorden konden leren ‘zeggen’, laat zien hoe slim ze zijn. Alleen gaat het niet vanzelf, spelenderwijs, zoals bij mensenkinderen. Die hebben tegen de tijd dat ze naar school gaan hun moedertaal al bijna helemaal in de vingers, mensapen moeten voor de eerste beginselen al naar ‘school’.

En dan nog ontstaat er bij apen nooit zo’n ‘woordexplosie’ als bij kinderen, die na de eerste ongeveer vijftig woorden ineens in een duizelingwekkend tempo verdergaan en vele tientallen woorden per week oppikken. Gewoon voor de gein dingen benoemen lijken apen ook al niet te doen.

Wat doen ze dan wel? Misschien wel de bekendste aap aan wie mensentaal onderwezen werd, was Nim Chimpsky, een naamgrapje op de taalkundige Noam Chomsky. Het verhaal van Nim is het best gedocumenteerde apentaalexperiment ooit. Alle gebarentaallessen die de kleine Nim kreeg, werden opgenomen op video. Na een paar jaar waren al zijn onderwijzers en de erbij betrokken onderzoekers dolenthousiast: Nim praatte echt. Twee, drie, vier woorden achter elkaar. Nim draaide er zijn hand niet om voor zinnen te gebruiken. De principes van de zinsbouw zijn de heilige graal van menselijke taal. Als een aap die wist te ontdekken, dan was dat werkelijk revolutionair en sensationeel.

Maar daarna bewezen al die opnamen hun nut. Voor het eerst werden de videobanden systematisch bekeken en uitgeschreven. Het viel bitter tegen wat Nim kon. Bij nadere beschouwing bleek hij vooral zijn docenten na te praten. Structuur zat er niet of nauwelijks in zijn gebarenreeksen. Hij gebruikte zijn kennis vooral om iets te krijgen: een appel, of iets anders eetbaars. Of om gekieteld te worden. Niet voor een spontane zinvolle conversatie met de mensen waar hij tussen leefde.

Dat is wat we eigenlijk zo graag zouden willen. Praten met dieren spreekt tot onze verbeelding. Sprookjes en stripverhalen zitten niet voor niets vol met sprekende beesten. Wat gaat er om in die koppies? Je zou kunnen zeggen dat de taalexperimenten dat voorgoed duidelijk hebben gemaakt: Weinig. Een aap wil lol en wat lekkers. En dat is hem genoeg. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Taal leren

Het taallerend kind door Ger de Haan en Jacqueline Frijn, 266 blz., geïll., Foris Publications 1990, f 39,60  ISBN 90 6765 496 5 

Je kunt weigeren je bordje pap leeg te eten, je kunt je bed niet in willen, je kunt het je ouders knap lastig maken als kind, maar een ding lukt je niet: weigeren je moedertaal te leren. Die ‘overkomt je’.

Een interessant en veelzeggend feit. Het taallerend kind, een boek van taalkundig onderzoekers Jacqueline Frijn en Ger de Haan, opent ermee. Moedertaalverwerving vertoont de kenmerken van een onbewust proces. Je hebt er geen expliciet onderricht voor nodig, je hoeft er niet speciaal slim voor te zijn, en bij alle kinderen zie je precies hetzelfde patroon optreden. Wat je als ouder ook probeert, kinderen doorlopen altijd dezelfde fasen, in een vaste volgorde. En pas als ze er klaar voor zijn doen ze het “goed’, dat wil zeggen, zoals volwassenen het doen.

Het taallerend kind bevat een paar mooie voorbeelden waaruit blijkt hoe zinloos corrigeren kan zijn. Een dialoogje tussen Laura en haar moeder. Laura: ‘straks jij op heb, mag ik die ding van jij.” Moeder: ‘zeg eens als, Laura.” Laura: ‘als.’ Moeder: ‘zeg eens: als jij het op hebt.’ Laura: ‘mag ik die.’

Laura is gewoon nog niet toe aan constructies met ‘als’, hoewel ze dat woord prima kan uitspreken. Andersom gebeurt het ook dat een kind wel onderscheid hoort tussen bepaalde zaken, en weet wat goed of fout is, maar het nog niet goed kan zeggen. Zo duurt het vaak een tijdje voor kinderen zelf verschil kunnen maken tussen de l en de r. Maar ze horen het wel, zoals blijkt wanneer een volwassene het expres verkeerd doet. Volwassene: ‘Eet jij fluit?” Kind: ‘niet fluit, fluit!”

Het hele proces van taalverwerving mag dan onbewust gaan, maar ook over onbewuste processen valt veel te vertellen. Dat doen Frijn en De Haan dan ook. Ik vind dat ze erin geslaagd zijn een buitengewoon aardig boek te maken waarin een baaierd aan onderwerpen op een samenhangende manier besproken wordt.

Stap voor stap behandelen ze de normale taalontwikkeling: brabbelen, de klanken van de moedertaal, de een-woord-fase, de twee-woord-fase en zo verder. Ze leggen uit dat kinderen niet zomaar na-apen, maar proberen een grammatica te construeren uit wat ze te horen krijgen. Vandaar dat Nederlandse kinderen bijna allemaal een tijdje ”goeder’ zeggen, in plaats van ‘beter’. Op dat moment hebben ze het systeem wel door, alleen kennen ze de uitzonderingen nog niet.

De schrijvers gaan ook in op de verschillen tussen apen en mensen. Apen kunnen wel een paar honderd begrippen leren (een indrukwekkende prestatie vind ik dat altijd) maar het worden er nooit meer.

Wat bij apen bijvoorbeeld ontbreekt is de ‘explosie’: waar kinderen op de leeftijd tussen een jaar en anderhalf jaar slechts zo’n twintig nieuwe woorden leren, zijn dat er in de zes maanden na hun derde verjaardag meer dan driehonderd. (Overigens zijn een en drie jaar gemiddelden, kinderen kunnen ook wat later of vroeger in hun ontwikkeling zijn, zonder dat er iets bijzonders aan de hand is.) Bij apen komt er nooit schot in, netzomin als ze ooit vragen stellen, of leren woorden te combineren tot zinnetjes.

Maar het boek bevat nog veel meer. Wat er niet deugt aan Esperanto, wat er bekend is van de relatie tussen taal en hersenen, wat er gebeurt wanneer een kind tweetalig wordt opgevoed, allemaal kwesties die ter sprake komen.

Ook de discussies binnen de taalkunde, bijvoorbeeld over wat aangeboren en aangeleerd is komen aan bod. Het is geen gemakkelijk boek, maar taal is nu eenmaal een veel complexer verschijnsel dan we ons in het dagelijks leven realiseren. Je krijgt bij het lezen vanzelf diep respect voor de vermogens van al die peuters en kleuters.

Laat u niet afschrikken door afkortingen of boomstructuren, Frijn en De Haan hebben hun tekst behoorlijk leesbaar weten te houden. Het is zonder meer het meest inzichtgevende en complete boek voor niet-specialisten dat ik ken over dit onderwerp.

Alleen een ding: hoe Frijn en De Haan er op komen dat gebarentaal van doven geen echte, natuurlijke taal zou zijn is mij een raadsel. Dat het al tientallen jaren lopende onderzoek op dit terrein geheel aan ze voorbij is gegaan laat weer eens zien dat er binnen de taalkunde nog steeds te veel op eilandjes gewerkt wordt.

Ook onder planten heb je schreeuwers en fluisteraars

Ongelukkiger dan een ‘kasplantje’ kun je in het spraakgebruik niet worden. Maar planten als heel erg passieve organismen zien, is volkomen ten onrechte volgens Marcel Dicke (1957). Hij is hoogleraar Entomologie (Insectenkunde) aan de universiteit van Wageningen  en gespecialiseerd in de relatie tussen planten en insecten. 

En, kunnen planten praten?

Ja, maar natuurlijk is dat wel beeldspraak. Ze gebruiken geen klanken maar geuren. Planten bewegen, communiceren, vergiftigen hun vijanden, hebben strategieën. Het gaat alleen op een iets andere manier dan dieren doen.

Maar als je buiten loopt is het een grote kakofonie van geurstoffen. We merken dat niet of nauwelijks, maar met de juiste antenne kun je het opvangen. Net zoals we dwars door radiogolven heen lopen, die we pas met een radio-ontvanger waarnemen. Onder planten heb je ook schreeuwers en fluisteraars. En er wordt afgeluisterd, en misleid. 

Hoe kom je daarachter?

Het begon ermee dat we wisten dat spint aantrekkelijk is voor roofmijten. Spint heet zo omdat de spintmijten de plant inpakken met witte webjes, en het is een echt gevaar voor planten.  Aan de koffietafel zeiden we een keer: stel nou dat je die plant was, en ze gaan aan je vreten, hoe krijg je dan de vijanden van spintmijten zover dat ze je te hulp komen? We dachten: in een chemische wereld kan dat met geur- en smaakstoffen.

We hebben er zes jaar over gedaan om te bewijzen dat de bonenplant inderdaad om hulp riep met geurstoffen als hij belaagd werd door spintmijten.

Dat viel nog niet mee. Elk stukje bewijs stuitte op ja-maars. Intussen zijn we dertig jaar verder en is duidelijk dat alle planten hetzelfde doen. Zelfs als insecten in de stengel zitten of in het bladweefsel, en je ze niet kunt zien, weet de plant nog een vijand te lokken met geurstoffen als hij aangevreten wordt.

Het werkt dus?

Dat de wereld nog groen is, laat het succes zien. We kennen nu al een half miljoen soorten vegetarische insecten, en 300.000 planten. Een plant die aangevreten wordt stoot zo’n twintig stoffen uit. Er zijn er nu zo’n 1500 à 2000 verschillende geïdentificeerd. De combinatiemogelijkheden zijn letterlijk eindeloos. Zoals een parfumeur met dezelfde potjes steeds weer nieuwe parfums kan maken, en zoals je met een beperkt aantal lettergrepen altijd weer iets anders kunt zeggen. 

Het gaat steeds verder. Recent hebben we kunnen bewijzen dat ook de vijanden van de vijanden van de planteneters kunnen worden ingezet. En zelfs vogels die rupsen eten blijken de geurstoffen te gebruiken die vrijkomen in reactie op vraatschade.

Nog een advies voor de tuin?

Nou, de kennis is vooral in de landbouw en in kassen toe te passen. Elke kasbouwtuinder heeft tegenwoordig voor zijn komkommers insecten als werknemer. Voor de tuin is mijn algemene tip: heb een beetje geduld. Planten zijn niet zo hulpbehoevend als we denken. Dus niet bij een paar beestjes al ingrijpen. Planten kunnen zelf ook veel.

Vanavond spreekt prof. dr. Marcel Dicke over ‘Kunnen planten praten?’. 20.00 uur Bibliotheek Dommeldal, Dorpsstraat 113 Mierlo Toegang: € 7,50 (€ 5,00 voor bibliotheekleden)

‘Planten zijn ook geen lieverdjes’ zette NRC Next boven een ingekorte versie van dit stukje.

Natuurlijk is taal aangeboren!

Klets zoveel je wil tegen je konijn en je kat, spreek de tuinkikker en de huismuis dagelijks toe, hou nooit je mond tegen je hond, het maakt niet uit: ze gaan nooit terugpraten. Maar de eerste de beste baby komt na ongeveer een jaar geheid met een eerste woordje – en dan twee, drie, honderd. Dat gebeurt zelfs als je totaal niet reageert op de geluiden die uit het kindermondje komen. In culturen waar iedereen vindt dat een baby nog niks kan zeggen en dat je dus ook niks tégen de baby hoeft te zeggen, leren kinderen even goed hun moedertaal als elders.

De manier waarop dat gaat, is ook overal ongeveer hetzelfde. De fases in ultrakort bestek zijn: eerst gebrabbel, dan de eerste losse woordjes (die, bal), dan gaan peuters twee woorden combineren (sok uit, poes stout), daarna drie (papa boekje lezen), en dan kan niemand het meer bijhouden. Alle kinderen, in alle talen, maken als ze ongeveer drie zijn een woordexplosie door. Allemaal denken ze ook tot hun vijfde of zelfs zesde dat ‘de man wordt door de hond gebeten’ hetzelfde betekent als ‘man bijt hond’. Taal groeit volgens zijn eigen regels en in zijn eigen tempo. Het ene kind gaat wat sneller dan het andere, maar als ze er nog niet aan toe zijn kun je proberen ze te iets te leren zoveel je wil, een kleintje aapt je dan hooguit braaf na, zonder begrip. Fameus is deze dialoog tussen moeder en kind:

Kind: mag ik de bord? Moeder: het bord. Kind: mag ik de bord? Moeder: nee, je zegt het bord. Kind: mag ik de bord? Moeder: het bord. Kind: het bord, mag ik nou de bord?

Het is een kwestie van moeder natuur haar werk laten doen.

Hoe sterk het aangeboren taalvermogen is, zie je heel goed aan degenen die niet kunnen horen wat anderen zeggen. Overal ter wereld zijn onder doven gebarentalen ontstaan, die los staan van de gesproken talen in de buurt. Het zijn gewone, complete talen, waarin je moppen kunt tappen, over verleden jaar kunt filosoferen of een sprookje vertellen. Ze ontstaan ook nog steeds, en het blijken dan de kinderen te zijn die uit de contacttaal waarmee het begint een echte complete taal weten te smeden.

Naar alle waarschijnlijkheid hebben kinderen op ongeveer dezelfde manier ook de hand gehad in het ontstaan van talen zoals het Sranantongo en het Papiaments. Er zijn veel van die zogeheten creolentalen, met een bittere ontstaansgeschiedenis. De slavenhandel dwong mensen met uiteenlopende moedertalen bij elkaar. Dan ontstonden er contacttalen, met beperkte mogelijkheden. Het waren de volgende generaties die er veel meer van maakten. Kinderen pikken taalelementen op en kunnen die dan op andere manieren gaan gebruiken, zodat er een taal ontstaat met een volwaardige grammatica en woordenschat.

Dat valt allemaal toch echt alleen te verklaren als taal aangeboren is. 

(Maar lees ook ‘Natuurlijk is taal aangeleerd’: http://www.liesbethkoenen.nl/archief/natuurlijk-is-taal-aangeleerd/)

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Genen fluisteren of schreeuwen in een levenslang concert

Ze spreekt over een concert van onze genen. Die staan niet alleen aan of uit, maar ze kunnen ook luid schreeuwen of juist fluisteren. Marianne Rots (1970) is hoogleraar Moleculaire Epigenetica aan het Universitair Medisch Centrum Groningen.   

Zit het met erfelijkheid heel anders dan we dachten?

‘In 2000 was er de ‘schets van het boek des levens’. Voor het eerst was de volgorde van ons hele DNA beschreven. De hoop was om de posities in het genoom te vinden die ziektes zoals kanker en diabetes kunnen voorspellen. Dat kan door het DNA van patiëntengroepen te vergelijken met het DNA van mensen die die ziekte niet hebben. Maar dergelijke ‘markers’ voor erfelijke aanleg terugvinden in het genoom bleek niet goed te lukken. Dus was de vraag: waren ze er niet, of keken we niet goed?’ 

En?

‘Het kan nog steeds dat we niet goed kijken, maar er speelt ook iets anders. Van dat hele grote genoom bleek uiteindelijk maar 1,2 procent de blauwdruk te zijn met de codes voor eiwitten. Dat is maar een heel klein stukje van die drie miljard bouwstenen die ons DNA bevat. In de rest van het DNA zitten allerlei regulerende mechanismen. Bij veel ziektes functioneren regulerende gebieden niet goed.’ 

Maar wat is epigenetica dan precies?

‘Epigenetica betekent zoiets als ‘bovenop het DNA’.  In elke lichaamscel die je hebt zit hetzelfde DNA, maar een niercel heeft een andere set genen aanstaan dan een levercel, en die onthoudt hij ook bij celdeling. Welke er aan gaan, dat is epigenetica. Op het hele genoom zitten wat ik maar even vlaggetjes noem, die signaleren of een gen aan of uit moet, en ook of het harder of zachter moet ‘werken’.

Hier zit de link tussen nature en nurture: je genen-set is waarmee je geboren wordt, maar allerlei omgevingsfactoren beïnvloeden welke genen harder of zachter aanstaan. Daar gaat wel eens iets mis, en dat  kan resulteren in serieuze ziekten zoals kanker. In mijn laboratorium hebben we nu een techniek ontwikkeld om veel te hard schreeuwende genen blijvend de mond te snoeren, of zwijgende genen weer aan te schakelen, door nieuwe ‘vlaggen’ neer te zetten. Dat kan heel precies. Het is echt een revolutie in de biologie.’ 

Maar je blijkt te kunnen erven wat je moeder heeft meegemaakt of gedaan?

‘Ja. En je vader. Bij mannen die voor hun veertiende hebben gerookt bijvoorbeeld verandert er iets aan hun erfelijk materiaal, wat ze later kunnen doorgeven aan hun kinderen.

Maar de nadruk ligt steeds op nadelige effecten die doorgegeven worden, terwijl wat ik geweldig vind nou net de andere kant van epigenetica is: je kunt veranderingen ook zelf terugdraaien.

Neem rokers. De werking van hun tumorsuppressorgenen, dus de genen die de kans op kanker onderdrukken, raakt gedimd. Die genen worden dichtgezet. Maar dat is omkeerbaar, bijvoorbeeld met de juiste voeding. Van broccoli blijk je gezonder te worden.’

Zondag 26 mei spreekt prof. dr. Marianne Rots over ‘Epigenetica en het bouwplan van ons lichaam’. 11.00 uur. Paradiso, Weteringschans 6 Amsterdam. Toegang: € 11,-,  studenten € 5,-

De evolutietheorie moest ook doordringen tot Darwin zelf

We zijn een tijdlang echt doodgegooid met die man met die baard, en met die eindeloze Beaglereis, zegt bioloog Jelle Reumer, maar de schepper van de evolutietheorie blijft voor hem ook na het Darwinjaar een held. Reumer (1953) is directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en bijzonder hoogleraar Vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht. 

Waarin zat ’m het genie van Darwin?

Met zijn zeer gebrekkige kennis had hij toch zo’n scherp waarnemingsvermogen dat hij kwam met een theorie die 150 jaar later nog staat als een huis. In 1973 is het al perfect samengevat door de evolutiebioloog Dobzhansky: ‘Nothing in biology makes sense, except in the light of evolution.’

Het duurde alleen even voor het doordrong, zoals wel vaker met paradigmaverschuivingen. Maar het moest ook indalen in Darwin zelf. Die heeft twintig jaar getwijfeld voor hij zijn boek Origin uitbracht. Hij was bang voor de zielerust van z’n vrouw, bang voor z’n reputatie. Met een paar dikke pillen over zeepokken heeft hij eerst zijn naam als bioloog willen vestigen. Hij begon als een niksnut uit een bekakte familie, die niet wilde deugen. De enige graad die hij ooit gehaald heeft, is er een in godsdienst. 

Pikant, godsdiensten hebben nog steeds moeite met Darwin.

Ik vertel altijd graag over ‘de god van de gaten’: god zit in de gaten in onze kennis. De oude Grieken hadden nog een legertje goden nodig: Helios die de zonsopgang verklaarde, Afrodite die verantwoordelijk was voor de vlinders die ik soms in mijn buik voel. Nu weten we dat zeestormen niet door Neptunus veroorzaakt worden. Alleen wat er voor de oerknal was, dat weten we niet, dus daar zit nog een gaatje waar een godje doorheen kan. 

De evolutietheorie heeft geen gaten?

Soms zie je: klabám, ineens een sprong, terwijl je vanuit Darwin gezien eerder kleine stapjes verwacht. Die klabammomenten zijn misschien te verklaren uit het samengaan of uitwisselen van erfelijk materiaal van heel verschillende organismen. Dat is de endosymbiontentheorie. Zo wordt het steeds duidelijker dat retrovirussen in ons DNA een belangrijke evolutionaire rol hebben gespeeld. We danken er bijvoorbeeld het kunnen aanmaken van een placenta aan. En er is een slak met de genen van wier, die aan fotosynthese doet. Ik zie het idee van de evolutiestamboom nog wel onderuitgaan. Het wordt denk ik meer een stamboomnetwerk. 

Intussen duikt Darwin in steeds meer wetenschappen op.

Ja, alles wordt maar hormonaal en moleculair verklaard. Het zal best een biologische oorsprong hebben dat ik graag naar H&M-posters kijk, maar ruimte voor iets van een vrije wil wou ik toch wel houden. Want waarom verkrachten we dan niet allemaal drie vrouwen per dag?

Anderzijds zou een Darwiniaanse blik soms geen kwaad kunnen. Een voorbeeld: in Amerika worden bijna alle kinderen met een keizersnee geboren. De maat van het geboortekanaal is dan geen selectiecriterium meer. Misschien dat over twintig generaties een natuurlijke geboorte onmogelijk is geworden, net als nu al bij dikbilkoeien. 

Dinsdag spreekt prof .dr. Jelle Reumer over ‘Charles Darwin’. 20.00 uur. Aula van het Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht. Toegang: gratis.

‘Darwin de nietsnut’ zette NRC Next dinsdags boven dit stuk.

Natuurlijk is taal aangeleerd!

Iedereen die wel eens naar Spoorloos kijkt, kan het zien. Dat programma zit vol kinderen die hun moeder niet kunnen verstaan. Ze zijn als baby of peuter naar Nederland gehaald, en nu is Nederlands hun moedertaal, ook al spreekt hun eigen moeder Spaans, Maleis of Chinees. Je taal erf je niet.

Zeg je hallo, hello, ’allo, ola, ciao, aloha, namaste of merhaba? Het betekent allemaal hetzelfde, maar het ligt er maar aan of je iemand wil groeten in het Nederlands, Engels, Frans, Spaans, Italiaans, Hawaiiaans, Hindi of Turks. De Engelsen noemen een kruk ‘stool’, de Russen zeggen ‘stol’ tegen een tafel, het Franse ‘mer’ is geen meer, maar zee, het Duitse ‘See’ geen zee maar meer. Al die willekeurige koppelingen tussen klanken en betekenissen ken je echt niet vanzelf, die moet je leren.

Het barst van de subtiele details die je van je omgeving moet leren: de zachtheid van de g, de neuzigheid van de n, de oe-heid of au-heid van je oo. Bij het eerste woord van een Nederlander hoort een Vlaming al dat het geen landgenoot is, en andersom. Welke klanken je hoort, is ook al van je omgeving afhankelijk. Voor Japanners en Chinezen is wat wij toch heel duidelijk horen als een r en een l precies hetzelfde. Japanse en Chinese dreumesen van twee horen het verschil trouwens nog wel. Dit is dus meer afleren dan aanleren, maar het blijft leren.

Woorden hebben dikwijls een gevoelswaarde. Na de val van Antwerpen in 1585 vluchtte de Vlaamse crème de la crème naar Holland, en 427 jaar later doen de woorden ‘zenden’, ‘reeds’ en ‘wenen’ die zij meebrachten in wat nu het Standaardnederlands is nog altijd formeler aan dan ‘sturen’, ‘al’ en ‘huilen’. Maar niet voor veel Vlamingen. Dat verschil in deftigheid tussen Nederland en Vlaanderen zit niet in de woorden en kunnen we daarom niet vanzelf kennen, dat moet je worden bijgebracht.

En hoe kun je weten of een woord in bepaalde milieus not done is? Toch alleen maar doordat je het geleerd hebt? Zeg je ijskast of koelkast, broek of pantalon, huis of woning en eet je liever taartjes of gebakjes? En ga je naar het toilet, de wc of de plee? Nou ja, dat laatste hangt deels af van tegen wie je het hebt. Ook het oudgeld-volk dat onderling plee pleegt te zeggen, doet dat niet overal. En ook dat moet je leren: wat je waar kunt zeggen.

Vind je het dolletjes, meesterlijk, te gek, onwijs gaaf, vet cool of chill? Dat hangt weer af van hoe oud je bent. Want je leert de modewoorden van je eigen generatie. Die steeds veranderen, dus dat kan al nooit aangeboren zijn.

Zolang plaats, tijd en je sociale status bepalen hoe je praat, kan taal niet aangeboren zijn.

(Maar lees ook ‘Natuurlijk is taal aangeboren’: http://www.liesbethkoenen.nl/archief/natuurlijk-is-taal-aangeboren/}

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Kikkervisjes herhalen de evolutie

Nachtelijke neushoornhoorndieven brachten de directeur van het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam onlangs in het nieuws. Maar Jelle Reumer (1953) is ook bijzonder hoogleraar Vertebratenpaleontologie: de fossiele geschiedenis van gewervelden, zoals alle vissen, vogels en zoogdieren. 

Zijn de hoorns van neushoorns een soort bot?

Nee, neushoornhoorns zijn eigenlijk samengekoekte bundels haar. Ze bestaan uit het eiwit keratine, net als ons haar en onze nagels. De magie zit ‘m kennelijk dus niet in de samenstelling, want dan was nagelbijten even effectief als gemalen neushoornhoorn. Die hoorns konden pas ontstaan nadat er eerst zoogdieren waren ontstaan, met haar dus. 

Want hoe begon het dan?

Met een lancetvisje uit het Cambrium, dus meer dan een half miljard jaar geleden. Het aardige is: ze bestaan nog steeds. Het zijn levende fossielen. Eigenlijk is het geen visje, maar een plat wormpje, dat van binnen een soort rubberen stok heeft, van kraakbeen. Daar zijn botschijven omheen ontstaan, en van het een kwam het ander: borst- en buikvinnen ter ondersteuning, die via voor- en achterpoten geëvolueerd zijn tot bijvoorbeeld opperarmbotten en vingerkootjes.

Maar voor mij zijn niet wijzelf het toppunt, daarvoor noem ik liever de kolibrie. Dat is een dinosaurus die is gaan vliegen, en die nu als een vlinder voor een bloem kan blijven hoveren. Ze wegen bijna niks – hun skelet heeft luchtzakken. Alle skeletten hebben in wezen nog steeds de botstructuur van de tiktaalik, die 370 miljoen jaar geleden leefde. Die ging richting amfibie.

Waarom kropen we eigenlijk het water uit?

Voedsel. De aarde was wel al vol planten, een hoorn des overvloeds. Dat woog tegen het nadeel van meer zwaartekracht op. Amfibieën waren nog aan water gebonden. Ze moesten hun eieren daarin leggen. Zolang die geen schaal hadden, kwamen er visjes uit. Iedereen kent dat van kikkervisjes, die als ze poten krijgen de evolutie herhalen.

Pas toen er eierschalen kwamen, konden dieren ook naar droge gebieden. En zoogdieren gingen die eieren als het ware binnenhouden. De bekende vliezen die breken voor een geboorte, zijn dezelfde vliezen die je tegenkomt bij een ei pellen. Voor grote zoogdieren ontstond trouwens pas een ecologische niche toen alle dinosauriërs waren uitgestorven nadat die meteoriet naar beneden was gedonderd. Vogels hadden zich toen al ontwikkeld uit dinosaurussen met veren. 

Maar in het water leven ook grote zoogdieren, zoals walvissen.

Die zijn inderdaad teruggegaan naar het water, net als zeehonden. Dat heen en weer gaan gebeurt vaker in de evolutie. Walvissen hebben weer het uiterlijk van vissen aangenomen, maar zijn innerlijk zoogdieren. Met bovenop een neus waardoor ze adem moeten halen. Ze zitten in een groep met koeien en varkens. Een koe is meer verwant aan een walvis en een dolfijn dan aan een paard. Dat zou je niet zeggen, maar uiterlijk bedriegt. Paarden hebben een andere evolutie. Nijlpaarden zijn trouwens ook geen paarden, maar verwant aan varkens. 

Dinsdag spreekt prof .dr. Jelle Reumer over ‘Wat is een vertebraat?’. Eerste van een serie van vier lezingen over de evolutie van gewervelden. 20.00 uur. Aula van het Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht. Toegang: gratis.

‘De evolutie, herhaald’ stond er op dinsdag 6 september boven dit interview in NRC Next.

Stukjes in de chaotische zee

Volgens sterrenkundige Marco Spaans is uiteindelijk alles interstellaire stof. Uit het spul dat tussen de sterren hangt, zijn ook wij dus op de een of andere manier ontstaan. Spaans (1969) is hoogleraar aan het Kapteyn Instituut in Groningen.

Waar begint leven?

Voor mij begint het met de vraag hoe je een planetenstelsel maakt. De ruimte is niet leeg, maar zit vol wolken van interstellair stof en gas. Als die ineenstorten door de zwaartekracht, krijg je een ster. En uit het materiaal dat als een schijf om zo’n ster draait, ontstaan planeten. Planeten zijn eigenlijk mislukte sterren. Wil leven daar een kans maken, dan moet er aan een heel stel randvoorwaarden voldaan zijn. Het moet bijvoorbeeld niet te heet zijn en niet te koud. De planeet heeft een redelijk stabiele baan nodig, en een atmosfeer. En hij moet lang genoeg bestaan om complex leven de kans te geven zich te ontwikkelen.

Wat zijn daar dan de bouwstenen voor?

Stoffen als silicium en koolstof bijvoorbeeld. Het begint met de elementen uit het periodiek systeem. Dat materiaal moet wel beschikbaar zijn. Op aarde komt door de plaatwerking alles naar de oppervlakte. Zoals ijzer en magnesium, die normaal heel diep in een planeet zitten.

Op de oeraarde, van 4,5 miljard jaar geleden, waren er al aminozuren. Dat zijn bepaalde eiwitten, die overigens heel goed met meteorieten meegekomen kunnen zijn. Die aminozuren gingen chemische reacties aan met andere stoffen. Over hoe dat ging, zijn de meningen nog verdeeld. Maar in een omgeving die leefbaar genoeg is, kunnen die reacties zo complex worden dat de stap naar organisch materiaal gezet kan worden. Dan spreek je over de chemie van cellen, dingen met een binnen- en een buitenkant.

En dan heb je leven?

Leven is een systeem waar een energiehuishouding in zit. Er gaat iets in – zeg zuurstof – en er komt iets anders uit: warmte. En je hebt een informatiedrager nodig voor het maken van nieuwe cellen. Dat is ons DNA geworden. Dat is ontstaan toen de aarde nog geen zuurstofatmosfeer had, want zuurstof is dodelijk voor DNA. Het moet dan ook altijd ingekapseld zijn.

Leven lijkt eigenlijk in te gaan tegen de principes van de thermodynamica, die een steeds grotere wanorde voorspellen. De gemiddelde hoeveelheid chaos moet toenemen. Leven bestaat uit geordende stukjes in een chaotische zee. Je ziet ook dat grotere complexiteit leidt tot grotere instabiliteit. Vergelijk bacteriën en virussen, die al miljarden jaren bestaan, maar met de talloze ingewikkeldere soorten die het niet gered hebben.

Er worden steeds meer aarde-achtige planeten gevonden. Zijn UFO’s toch echt?

We kennen nu inderdaad al meer dan vierhonderd van die planeten. Zeker, het kan dat er elders intelligent leven is, maar in UFO’s geloof ik niet erg. Die zien er namelijk altijd uit als de technologie van dat moment. Of net iets geavanceerder. 

Zaterdag 20 november spreekt prof. dr. Marco Spaans over ‘Het ontstaan van het leven op de planeet Aarde’. 13.15 uur. Eden Oranjehotel, Stationsweg 4, Leeuwarden. Toegang: € 10,- (voor symposiummiddag over Buitenaards leven, www.seti.nl)

‘Geboren tussen sterren’ zette NRC Next ’s ochtends boven dit interview.

Wij mensen zijn een samenraapsel van meerdere organismen

De stamboom van het leven is eigenlijk eerder een soort kippengaas volgens paleontoloog Jelle Reumer (1953). Hij is directeur van het Rotterdamse Natuurhistorisch Museum, bijzonder hoogleraar in Utrecht, columnist en schrijver van een stapeltje publieksboeken over evolutie. 

Wel een heel breed onderwerp: de ontwikkeling van het leven.

Daarom wil ik nog een ondertitel aan de lezing geven: met samenwerking kom je verder. De directe aanleiding is een net verschenen artikel in Nature over placentale zoogdieren. Die moet je onderscheiden van buideldieren en ook van eierleggende zoogdieren zoals het vogelbekdier. Alleen bij zoogdieren met een placenta nestelt het eitje zich in in de baarmoeder. Dat heeft een virale oorsprong. Virusgenen maken die truc mogelijk.

Als je een virus bent, breng je de afweer van je gastheer om zeep en neem je iets van diens metabolisme over voor je eigen stofwisseling. Een embryo doet dat ook langs slinkse wegen. 

Hoe zou dat dan gegaan kunnen zijn?

Er zal ooit een infectie van een virus zijn geweest die leidde tot wat in het Engels ‘horizontal genetransfer’ heet. Een uitwisseling van genen tussen organismen die geen familie van elkaar zijn. Als er meer externe elementen bij komen dan kom je bij de endosymbionten van Lynn Margulis: de organismen die in organismen leven. Zo zijn alle mitochondriën, de energiecentrales van de cel, eigenlijk bacteriën. Ze hebben ook een beetje eigen DNA.

Nog een stap verder in de evolutie zijn bladgroenkorrels.   

Planten zijn verder geëvolueerd dan dieren?

Ja, want ze kunnen hun eigen voedsel maken. Alle dieren en schimmels zijn afhankelijk van het opeten van dingen uit hun omgeving, maar planten hebben genoeg aan zonnebaden en een beetje water. Met zonlicht, water en kooldioxide maken ze suikers. Uit de verbranding daarvan halen ze hun energie.

Zelf zullen we niet zover evolueren, want dan zouden we om genoeg zon te vangen een huidoppervlak ter grootte van een voetbalveld nodig hebben. Er bestaat wel de groene zeenaaktslak, die heeft wiercellen binnenin zijn lichaam.

In het grijze verleden had je een bacterie die dingen kon die een andere bacterie niet kon, en die fuseerden dan en werden een eencellige, die eigenschappen combineerde. Wij zoals we hier zitten zijn een samenraapsel van meerdere organismen. Onze darmflora alleen al heeft tussen de vijfhonderd en duizend soorten bacteriën, die we nodig hebben om de yoghurt, de boterhammen en de lasagne met paard te verteren. 

Organismen kunnen dus maar moeilijk afgeperkt worden?

De crux is dat al die stambomen niet kloppen. Het vertelt maar het halve verhaal. Met die uitwisselingen alle kanten uit krijg je geen keurige vertakkingen, het lijkt meer op kippengaas. In stambomen van het leven zie je daarom ook nooit korstmossen. Die passen er niet in, want ze zijn een samenstel van schimmels en wieren. Net zoals er zonder bodemschimmels geen bomen kunnen bestaan. Die zorgen namelijk in het wortelstelsel dat bomen voedsel kunnen opnemen uit de grond. 

Zondag 24 februari spreekt prof. dr. Jelle Reumer over ‘de ontwikkeling van het leven’. 11.00 uur. Paradiso, Weteringschans 6 Amsterdam. Toegang: € 11,- (studenten € 5,-)

NRC Next zette ’s ochtends ‘De ontwikkeling van het leven’ boven een ingekorte versie van dit interviw.

Roodste rood

Ha! Nieuw hoofdstukje deze week van een boek dat maar nooit af lijkt te komen. Ik volg het verhaal al tientallen jaren met rode konen.

Het gaat over kleur. Of nee, kleur is de smoes, de omweg.

In werkelijkheid draait het om de vraag of je woorden nodig hebt om je van iets bewust te worden. Bijvoorbeeld: kun je wel oranje zien als je het woord oranje niet kent? Omdat jouw taal het toevallig niet heeft?

Want niet alle talen hebben evenveel kleurenwoorden. Welke wel en niet is voor zover ze weten niet helemaal willekeurig. Zijn er bijna geen kleurenwoorden dan wordt er in elk geval onderscheid gemaakt tussen zwart, wit en rood. Heeft een taal er iets meer dan komt groen erbij, daarna geel en blauw. 

Vietnamezen zeggen ‘xanh’ tegen alles wat wij blauw en groen noemen. Zien ze dus geen kleurverschil tussen het gras en de lucht?

Dat geloof ik niet. Al langer bekend: ook wie maar één woord heeft voor rood, oranje en geel samen wijst toch hetzelfde roodste rood aan dat wij aanwijzen bij de vraag wat nou echt rood is.

En nu is onderzocht bij een stel kleine baby’tjes welke kleuren zij zien. Dus nog voordat ze er woorden voor hebben kunnen leren. Dat gebeurt dan aan de hand van waar hun aandacht naar uitgaat.

Wat bleek? Alle kleintjes zagen vijf kleuren: rood, groen, blauw, paars en geel.

Dus daarmee beginnen we waarschijnlijk allemaal. Maar dan heb ik toch nog een vraag. Wij hebben dus wel blauw en groen. Maar wat is blauw? Turquoise, lichtblauw, donkerblauw, hemelsblauw? Of helblauw, knalblauw, vaalblauw, staalblauw, nachtblauw, koningsblauw, korenblauw? Of misschien marine, azuur, ultramarijn, indigo, kobalt?  

Het kan natuurlijk dat het u blauwblauw (ja, flauw, sorry) laat, maar voor groen valt iets soortgelijks te doen. Van turquoise (zit tussen blauw en groen in namelijk) via grasgroen, legergroen, olijfgroen, hardgroen en lichtgroen tot smaragd en mint.

Zouden ze in Vietnam nou niet ook gewoon ‘hemels-xanh’ en ‘leger-xanh’ zeggen? En de Vietnamese woorden voor indigo en smaragd gebruiken? En zo dus wel degelijk het verschil uitdrukken tussen allerlei blauw en allerlei groen?

Op het hoofdstuk waarin dat is uitgezocht wacht ik nog.

Minister van alchemie

Wist ik niet: Newton, de man die zich realiseerde dat er zoiets als zwaartekracht moet bestaan, wou wat hij bedacht allemaal voor zichzelf houden. Publiceren? Ben je belazerd, dan ligt het op straat! Dat was ongeveer z’n motto. Briljant als hij was, dit was een bijzonder stom trekje. Daardoor kon hij bijvoorbeeld zijn collega-onderzoeker Leibniz veertig jaar lang van plagiaat betichten. Want misschien had Leibniz wel dat halfgeheime manuscript van hem gezien en…

Het gevolg is dat middelbare scholieren nu al eeuwenlang bij de wiskundeles leren op zijn Leibniz’ te rekenen. Hij ontwikkelde hem ietsje later dan (maar wel helemaal los van) Newton, maar zijn methode voor wat we nu kennen als integraal- en differentiaalrekenen was meteen beschikbaar.

Ik las dit van de week, aan het eind van een nacht die ik besteedde aan bijlezen over het wonderlijke goedje RNA. Vroeger was dat altijd een ondergeschoven kindje, niet meer dan een boodschappenjongen van ons erfelijk materiaal, het DNA, en dát was waar de halve wetenschappelijke wereld op joeg. Toen de buit binnen was (alle DNA-code op een rijtje), viel die nogal tegen, want wat stond er nou eigenlijk in die code? Wel, RNA blijkt onmisbaar om daarachter te komen. Ook is het onze redder als er vreemde indringers ons lichaam in komen, want dan slaat het alarm en marcheren vervolgens de afweertroepen binnen. En in de verte klinkt toekomstmuziek die belooft dat de strijd tegen veroudering gewonnen kan worden, maar ook daarbij kom je niet om RNA heen.

Heerlijk en verschrikkelijk was die nacht. De allang overschreden deadline voor het interview over RNA schoof almaar nog verder door, en wat ik las over het spul was verdomd lastig. Maar ik had ook het gevoel dat er een wereld voor me op een kiertje ging. Om het hoekje zag ik weidse vergezichten, en het genoegen dat dat geeft zal ik wel nooit goed kunnen uitleggen aan wie het niet kent.

Tegenwoordige onderzoekers willen hun kennis wel delen. Het in onze ogen bizarre gedrag van Newton (sowieso een arrogante, onmogelijke vent) heeft bijgedragen aan wat nu de normale gang van zaken is: als je iets bedacht of gevonden hebt in de wetenschap stuur je je verhaal op naar een tijdschrift dat over jouw vak gaat. Vakgenoten kijken vervolgens of het de moeite waard is, en vinden ze van wel, dan wordt je artikel gepubliceerd en weet voortaan iedereen het. Niet waterdicht, maar een hele verbetering in vergelijking tot de zeventiende eeuw.

Maar in de 21ste eeuw gaat het nog een stap verder. Volgens de Volkskrant van afgelopen zaterdag gaat minister Van der Hoeven van Onderwijs en Wetenschap in de wet vastleggen dat universiteiten en andere instellingen waar ze onderzoek doen voortaan ook niet-vakgenoten moeten vertellen wat ze allemaal vinden en bedenken. Uitstekend idee. Ik gun iedereen heerlijke nachten waarin ze wél inzicht krijgen, maar niet zo verschrikkelijk hoeven te zoeken naar iets begrijpelijks als ik laatst.

Jammer alleen dat Van der Hoeven niets anders te bieden heeft bij deze ware revolutie dan het ein-de-lijk opheffen van de geldvretende, rapportenschuivende en ook verder niet-functionerende Stichting Weten voor wetenschaps- en techniekcommunicatie. Waar de wetenschappers zomaar de kundigheid, de tijd en het geld vandaan moeten halen om hun werk duidelijk en aantrekkelijk aan gewone mensen uit te leggen, daarover zwijgt zij in alle talen. Moet de wetenschap dus toch weer, net als voor Newton, aan de alchemie, op zoek naar de Steen der Wijzen, om zelf het benodigde goud te maken.

Vrouwenspinnen eten mannetjes omdat ze erg eiwitrijk zijn

Het spinnenrijk is een kleurrijke wereld vol webweeftechnieken en vangmethodes, volgens arachnoloog (spinnendeskundige) Peter Koomen. Al 300 miljoen jaar bestaat de spin. In Nederland zijn er 620 soorten, wereldwijd meer dan 43.000. Koomen (1960) is conservator bij het Natuurmuseum Fryslân in Leeuwarden. 

Zijn die kriebelpootjes wat we eng aan spinnen vinden?

Moeilijk te zeggen, want ik heb die angst niet. Er was hier iemand op de afdeling die in therapie is gegaan toen we een spinnententoonstelling gingen maken. Het gevoel dat ze op je kunnen springen, was de angst waar het om draaide, begreep ik. Vooral in wc’s en badkamers. Daar zitten onze gewone trilspinnen ook meestal: in een kunstmatige versie van de rotsblokken en grotten bij beken, die ze gewend zijn vanuit het Middellandse Zeegebied waar ze oorspronkelijk vandaan komen. ‘s Zomers zijn ze buiten, maar nu komen ze allemaal binnen. 

Springen spinnen inderdaad?

Springspinnetjes wel. Maar niet op mensen, die zijn veel te groot. Springspinnetjes zijn relatief laat in de evolutie ontstaan, en ze hebben knotsen van ogen. Naar verhouding dan  — ze zijn meestal maar een paar millimeter groot. In de zon op de stenen van je huis kun je ze zien zitten, op zoek naar vliegjes om te bespringen met een omtrekkende beweging. Op Borneo heb je er die doen of ze mieren zijn. Daar lijken ze sprekend op. Alleen hebben ze geen zes maar acht poten, waarvan er dan twee als een soort voelsprieten in gebruik zijn. 

Aan die acht poten herken je de spin, leert iedereen op school.

Ja, maar dat hebben mijten, teken en hooiwagens ook. Een echte spin heeft vier paar poten, maar ook twee paar monddelen, acht ogen en spintepels aan het end van zijn achterlijf. Ze hebben gifkaken en bespugen hun prooi zo’n beetje met sappen die helpen verteren. Dan zuigen ze ze uit. Ze eten ze dus niet helemaal op, alle harde delen blijven buiten.

Datzelfde basispatroon of bouwplan zie je ook bij degenkrabben op de Molukken. Die zijn een soort levend fossiel. De spin is ook verwant aan de schorpioen. Er zijn restanten gevonden van wat ze maar een zeeschorpioen noemen van wel drie meter lang.

Eten vrouwtjesspinnen echt de mannetjes op na de paring?

Niet altijd. Bij de kruisspin bijvoorbeeld tokkelen de mannetjes met hun pootjes een liedje op het web van het vrouwtje dat daar hangt.  Daar wordt ze rustig van. Ze herkent er eentje van haar eigen soort. Maar na de paring wordt ze ongedurig. De mannetjes zijn veel kleiner. En spinnen eten wat klein is en beweegt. Hij moet dan maken dat hij wegkomt. Als hij het overleeft, kost het hem vaak een of meer pootjes. Het zijn proteïnen. Spinnen eten ook vaak de restanten van hun web weer op, ook eiwitten. We weten trouwens nog steeds niet goed hoe ze uit dode vliegen en water draden maken die sterker zijn dan kevlar.

Dinsdagavond 9 oktober spreekt drs. Peter Koomen over ‘De evolutie van spinnen’. 20.00 uur. Natuurmuseum, Gerrard Noodtstraat 121 Nijmegen. Toegang: € 3,50 (inclusief consumptie)

‘Alleen de spin snapt hoe hij draad als kevlar maakt’ kopte NRC Next ’s morgens.

Vegetariërproblemen

Paddenstoelen horen tegenwoordig bij dezelfde groep als dieren. Nu we het erfelijk materiaal van alle soorten makkelijk kunnen vergelijken, blijkt de wereld heel anders in elkaar te zitten, zegt Nico van Straalen (1951), hoogleraar dierecologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

De evolutie kun je weergeven in een boom?

‘Het idee van de evolutieboom komt al van Darwin zelf. In een van zijn notitieblokken tekende hij het principe van een stamboom van het leven, met vertakkingen. Een weergave van de afstamming van de soorten. Soorten die dicht bij elkaar zitten in de boom, zitten dat ook evolutionair. Je hebt lange en kortere takjes, enzovoort. Maar dat was alleen gebaseerd op uiterlijke verschijningsvormen.’ 

En verschijningsvormen bedriegen?

‘Ja. De moderne biologie heeft de boom van het leven nogal op z’n kop gezet. Als je bijvoorbeeld denkt ‘alles wat groen is, is een plant’, dan heb je het verkeerd. De evolutie heeft geweldig lopen rommelen met groen. Wat wij nu bladgroenkorrels noemen, zijn in feite uitgeklede, gedegenereerde bacteriën, die ongeveer drieëneenhalf miljard jaar geleden als eerste het omzetten van licht in bouwstoffen uitvonden.’ 

‘Maar het samengaan van een fotosynthetische bacterie met een hoger organisme – endosymbiose heet dat – is nog een tweede maal gebeurd. Je kreeg twee takken. Daarom zijn bijvoorbeeld bruinwieren, die afstammen van die dubbele endosymbiose, niet groen. Soms ging de endosymbiose ook weer verloren. Gevolg is dat je uit de huidige verdeling tussen groene en niet-groene organismen niet kunt afleiden welke bij elkaar horen. De malariaparasiet is bijvoorbeeld van oorsprong een plantaardig wezen.’ 

Dus de traditionele onderverdeling met een dieren-, een planten- en een schimmelrijk klopt niet meer?

‘Er zijn nu vijf rijken, met namen als Excavata en Unikonta. Maar die zijn nog niet erg doorgedrongen. Toen ik er een lezing over hield voor biologieleraren zagen die zichzelf dat niet gaan onderwijzen. Maar het is de consequentie van DNA-onderzoek. Dat lost ook raadsels op. Zo wist niemand raad met de pogonophora, hele rare dieren zonder mond of anus, die onder hoge druk en temperaturen op de zeebodem leven. Dat blijken gewoon een soort wormen te zijn.’

‘Het plantenrijk is redelijk intact gebleven, maar dieren en schimmels zitten nu in dezelfde groep. Ik heb wel eens discussies met vegetariërs. Bij een congres in China kwam er eens iets op tafel dat leek op plakjes paddenstoel, maar het waren gemarineerde speklapjes.Tegen een vegetariër die blij was dat op tijd te horen, heb ik gezegd dat paddenstoelen verwanter zijn aan dieren dan aan planten. Schimmels hebben een biologische klok die erg lijkt op die van dieren. En in hun celwand zit geen cellulose maar chitine, wat je bij geleedpotigen als insecten en krabben ook vindt.’ 

Mag ik wel nog denken dat een dier alles is wat kan bewegen?

‘Nee, talloze dieren kunnen zich niet bewegen. Denk maar aan een spons. Ook zeekomkommers, zeelelies en zeeanemonen zijn geen planten maar dieren.’ 

Vanavond spreekt prof. dr. Nico van Straalen over ‘Genoombiologie en de evolutieboom’. 19.30 uur. Hortus Botanicus, Plantage Middenlaan 2a, Amsterdam. Toegang €5,-. 

Dezelfde ochtend zette NRC Next ‘Niet alle dieren bewegen’ als kop boven dit stuk.