Uitgesproken Nederlands

Dagelijks spreken zo’n vijftien miljoen mensen miljarden woorden Nederlands. Er komen veel meer zinnen uit monden dan uit pennen of tekstverwerkers. Toch draaien schoolmeesters en ingezonden-brievenschrijvers in dit land al jaren een zeer beperkt standaardrepertoire af.’Hij word’ is een doodzonde, de lijdende vorm moet zoveel mogelijk vermeden worden, ‘groter als’ is verboden.  Discussies gaan over spelling, en over de jeugd, die geen fatsoenlijke brief meer kan schrijven. En over onze mooie taal, die het af zal leggen tegen het Engels. Maar hoe ziet gewone spreektaal eruit? Waarom maken jongens wormzinnen en hoe lang duurt een pijnlijke stilte? Liesbeth Koenen luisterde naar Nederlands. 

Spreektaalclichés: uit meligheid begon Inez van Eijk ze zo’n dertig jaar geleden te verzamelen. Op vakantie aan het Gardameer maakte ze er samen met een vriendin een sport van om tuttige conversaties te noteren. Haar collectie “Dooddoeners en stoplappen”, te vinden in een Prisma‑uitgave die net zo heet, is echt om te huilen. Honderden pagina’s gemeenplaatsen, standaardreacties, uitgekauwde grapjes. Het boekje, ‑ verschenen in 1987 en jammer genoeg nu al niet meer te koop ‑ vormt het onomstotelijke bewijs dat onze spreektaal boordevol afgezaagde woordcombinaties zit. Want u kent ze allemaal: 

“Zo. Kô je ’t ’n beetje vinden?”

“Welja joh, ’t is eigenlijk vlakbij hè?”

“Kom d’r in. Geef die plu maar hier. En let niet op de rommel.” 

En niet alleen begroetingen verlopen volgens dit of een soortgelijk ritueel. Hele gesprekken kunnen zo volgeleuterd worden:  

“Nou. Hè, hè, daar zitteme dan. Jij koffie?”

“Ik sla niks af as vliegen. Een bakje leut knapt een mens van op.”

“En … hoe gaat ‘t?”

“Nou, we leven nog hè?”

“Ach ja, dat zeg ik. Hier ook alles z’n gangetje. Nog iets van Peter gehoord de laatste tijd?”

“Nou, da’s óók toevallig, ik kwam ‘m gister nog tegen bij Loes.”

“Tisniewaar! Wat is de wereld toch klein! Issie nog steeds eh…?”

“Ja, wâ dach jij? Ik zei nog tegen ‘m, pas maar op zeg ik. “

“Tistochwat! Affijn, we kennen ‘m langer dan vandaag, wat jij?”

“Zó is dat. Zeg, ik moet ‘r weer ’s vandoor. ’s Kijken of m’n huis d’r nog staat.”

“Leuk dat je geweest bent. Je komt ‘r wel uit hè?” 

Spoelt u maar even, ja. Een kleine steekproef in mijn omgeving wees direct uit dat een dergelijk dialoogje afgrijzen oproept, maar toch tot gegiebel leidt. Ook Inez van Eijk bekijkt haar eigen verzameling nog steeds met gemengde gevoelens: “Aan de ene kant verbaas je je over de rijkdom, de vindingrijkheid van de Nederlandse taalgebruiker, maar je wordt tegelijk ook beroerd van de emotionele armoede die eruit spreekt. Ik heb het idee dat het gebruiken van stoplappen en clichés te maken heeft met je ongemakkelijk voelen, niet goed weten wat je moet zeggen, dus dan wordt het weer een dooddoener.” 

Onvermogen, onzekerheid, compassie, passie: zodra iemand zijn mond open doet kan elk woord meteen boekdelen spreken. Een effect dat op papier nooit te bereiken valt. Want spreektaal opschrijven kán niet.

Ook het gesprekje hierboven is geen spreektaal. Het lijkt er wel op ‑ behalve van Eijks stoplappen heb ik er nog wat kenmerken ingestopt ‑ maar het staat in feite nog mijlenver af van “the real thing”. Iedere fantastische dialoog uit de wereldliteratuur, elk levensecht interview dat u ooit gelezen hebt, het was een leugen. En dat geldt zelfs voor vrijwel alle goede films, toneelstukken en reclamespotjes. Proef op de som: zet de tv aan op een net waar op dat moment Nederlands gesproken wordt, doe uw ogen dicht, luister tien seconden. Beslis dan: dit is gespeeld of echt. Als het gespeeld is hoort, voelt, proeft u dat, want in ’t echt gaat het domweg niet zo.  

Hoe gaat het dan wel in het echt? Waarom is spreektaal zo herkenbaar als spreektaal? Wat rolt er ongemerkt uit onze monden? Anders gezegd: welke kenmerken maken dat onze oren ergens “spreektaal” in horen?

Het definitieve en complete antwoord daarop kent niemand. Een speurtocht naar de spreektaal levert weliswaar heel wat op, maar het zijn allemaal losse stukjes. Dat hoeft niet echt te verbazen, want ál onze kennis van het fenomeen taal tot dusver is fragmentarisch. Het is het sociale bindmiddel bij uitstek, een machtig wapen dat kan vlijen of neersabelen, het voertuig voor onze gevoelens, ons begrip van de wereld, en toch zijn de geleerden nog maar net begonnen er iets van te snappen.

En dat is eigenlijk wél merkwaardig. Want praten en begrijpen wat anderen te vertellen hebben, dat kan iedereen die goede oren en onbeschadigde hersens heeft. En dan zouden we niet weten wat dat nou precies wil zeggen? Toch blijkt dat het geval. Aan een flinke, volwassen schoenmaat is de taalkunde nog niet toe. En gewone spreektaal, de taal van alle doodordinaire normale dagelijkse gesprekken, is binnen dat brede vak een nogal ondergeschoven kindje.

Spreektaal is zoiets als een eerste levensbehoefte. Wat staat breedschalig onderzoek daarnaar dan in de weg? Om te beginnen: wetten en praktische bezwaren natuurlijk. Geld, tijd en energie zijn in wetenschapsland schaarse middelen, en je hebt van alle drie flinke doses nodig om spreektaal te onderzoeken. Het INL, het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (“woordkunde”) in Leiden heeft een databank voor de woorden van het twintigste‑eeuws Nederlands, dus zeker ook voor nieuwe woorden. Nu wordt een deel van de woordenschat geboren in de monden van sprekers om pas daarna een carrière in de schrijftaal te beginnen.

En sommige woorden zullen zelden of nooit het genoegen beleven “publiekelijk” opgeschreven te worden: “plu” voor “paraplu” bijvoorbeeld, of “zekers” en “pietsje”, of “tyfuslijer” en “gratekut”.

 Het INL wil al die woorden natuurlijk toch in zijn bestanden hebben staan, want ze maken deel uit van het Nederlands (het idee dat woordenboekenmakers bepalen wat goed is of betamelijk, is verdwenen, de taak van een lexicograaf is tegenwoordig niet meer en niet minder dan gewoon noteren wat hij hoort en leest).  Maar als het om gesproken Nederlands gaat behelpt het INL zich met de teksten van het Jeugdjournaal. Bij gebrek aan mankracht ‑ banden uitschrijven is een van de tijdrovendste karweitjes die je kunt bedenken ‑ geen slechte noodoplossing.

Professor Piet van Sterkenburg, directeur van het INL en ook hoofdredacteur van het Van Dale woordenboek Hedendaags Nederlands en het Handwoordenboek Hedendaags Nederlands, is dol op het Jeugdjournaal, en begint te glimmen als hij erover praat. Hij heeft ronduit gelijk als hij zegt dat het Jeugdjournaal voor een journaal zo’n bijzondere woordkeus heeft. Uitdrukkingen uit het dagelijks spraakgebruik als “niet meer kapot kunnen”, “daar zit ‘m de kneep” en “’t wel kunnen schudden” zijn in het Jeugdjournaal heel gewoon, terwijl je ze in het volwassenen‑journaal niet snel zult tegenkomen. 

Van Van Sterkenburg verscheen vorig jaar het boek Taal van het Journaal, Een momentopname van hedendaags Nederlands, een titel die iets meer belooft dan waargemaakt wordt: het boek gaat vooral over het woordgebruik in de verschillende NOS‑journaals, en een taal bestaat uit heel wat meer dan dat. Feit is wel dat via het nieuws veel nieuwe woorden het spraakgebruik binnenkomen, (“straatverbod”,  “sofinummer”, “spitsvignet”), die meteen het gesprek van de dag kunnen worden.

Toch zijn zulke woorden zeker niet “typisch spreektaal”. Interessanter is het wat dat betreft te kijken naar voor‑ en achtervoegsels of hele woorden, die zoals het in jargon heet “produktief” zijn, dat wil zeggen: je kunt ze gebruiken om ter plekke een nieuw woord te formeren, en dat is iets dat in de spreektaal nogal eens gebeurt. Van Sterkenburg trof overigens geen modewoorden als “‑gebeuren” (popgebeuren, sinterklaasgebeuren) en “‑plaatje” (inkomensplaatje) aan in zijn collectie journaalteksten (uit 1987), evenmin als, zoals hij ze noemt, “informele bekrachtigers” als “bere‑”, “klote‑”, “loei‑” en “rete‑”.

Topscoorders daarentegen zijn de voorvoegsels “top‑” (van topacteur tot topzakenlui), “anti‑” (anti‑apartheid tot anti‑westers), “niet‑” (niet‑aangemeld tot niet‑verzekerde), “non‑” (non‑actief tot non‑volk) en “thuis‑” (thuisbasis tot thuiszorg).

Sommige van die modieuze nieuwvormingen roepen onmiddellijk de gedachte op aan Jan Kuitenbrouwers boekje Turbotaal  (daarin blijkt ook dat het achtervoegsel “o” en “afko’s” op “o” erg produktief zijn: dumbo, fantastico, techno, demo). Zulke modewoorden leiden vooral een rijk leven in de spreektaal. De kracht van het boekje van Kuitenbrouwer zat ‘m in het feit dat hij als eerste een aantal dingen opschreef die zijn lezers om zich heen hoorden, of, nog mooier, zélf zeiden. De aha‑erlebnis blijkt een grote aantrekkingskracht te hebben.

Een aantal turbo‑uitdrukkingen zal de reguliere woordenboeken wel bereiken, andere zullen alweer verdwenen zijn vóór een volgende nieuwe herziene druk. Van een woordenboek kun je onmogelijk verwachten dat het een complete en correcte inventarisatie van de spreektaal op één moment geeft.

Maar wie probeert met behulp van dictionaires inzicht te krijgen in wat spreektaal is, komt sowieso niet erg ver. De meeste woordenboeken hebben geen aanduiding “spreektaal”, alleen in de Grote Van Dale kon ik in de lijst gebruikte afkortingen ook “spreekt.” vinden. Achter welke woorden staat dat dan? Drie dikke delen doorvlooien op dat ene toevoeginkje is geen doen, maar gelukkig bleek de firma bereid om de computer het zoek‑ en noteerwerk te laten verrichten. Resultaat: één velletje met woorden die het etiket “spreektaal” opgeplakt hebben gekregen, ruim 100 stuks, van “achterelkaar” tot “zwijnderij”.

Daar zouden we al pratend niet ver mee komen. Het lijstje is dan ook nogal willekeurig en bovendien verouderd: “broer” staat er bijvoorbeeld in. Omdat de omschrijving in de Grote Van Dale daarvan luidt “de gewone spreektaalvorm voor broeder”. Iets dergelijks zou je ‑ overigens met even weinig recht ‑ ook over “zus” kunnen zeggen, en dat staat weer niet op het spreektaallijstje. En wie heeft bedacht dat “zoenen”  “Noordndl. spreekt.” is? Bedoelt Van Dale met Noordnederlands soms niet‑Vlaams? En moeten we in Nederland dan “kussen” gebruiken als we schrijven? Dat lijkt me aantoonbare onzin.

Wat je wel weer spreektaal kunt noemen zijn woorden als “geeneens”, “nakie”, “niksen” en “strakjes”.

Ook de Grote Koenen levert maar weinig spreektaalwoorden op. Daar is men ook vergeten om voorin bij de afkortingen “spreekt” op te nemen, terwijl een aantal woorden toch dat label meegekregen heeft. Bij Wolters‑Noordhoff wordt momenteel hard aan een tweede druk van het woordenboek gewerkt, en daarbij worden ook de labels kritisch bekeken. Een tipje van de sluier wil men er wel al oplichten: ook in de volgende druk zal het label “spreekt.” nog voorkomen, maar er vinden wel verschuivingen plaats. De woorden “niks”, “nee” en “kwiek” bijvoorbeeld verliezen hun speciale etiketje, maar bij “omkukelen”, “ophoesten” en “oplawaai” zal het wel blijven staan.  

Het lijkt er hard op dat woordenboekenmakers met de term “spreektaal” niet goed uit de voeten kunnen. Betekent dat dan dat de woordkeus nauwelijks iets uitmaakt voor de bepaling of iets wel of geen spreektaal is? Ja en nee. Heel veel woorden kom je natuurlijk tegen bij willekeurig welk taalgebruik dan ook. De meest frequente woorden in de spreektaal zijn volgens een onderzoek uit de jaren zeventig van de Werkgroep Frequentie‑onderzoek van het Nederlands: ik, ja, eh, dat, en, een, de, niet, het, is, je, wel, dan, maar, dat, ook, dan, ze, van, die.

Om maar even de eerste twintig te nemen. Voor die woorden maakt het niet of nauwelijks uit of je een formeel of informeel gesprek voert, noch of je hoog of laag opgeleid bent, en ook niet of je jong of oud of man of vrouw bent. En behalve “eh”, dat prettig genoeg meegeteld is, lijkt geen van die woorden typisch spreektaal te zijn.

Jammer van dit onderzoek is alleen, dat er van elk van de onderzochte groepen (bijvoorbeeld: jonge vrouw, hoog opgeleid, informeel gesprek) slechts 7500 uitgeschreven woorden zijn bekeken (ter vergelijking: de woordenboeken Hedendaags Nederlands bevatten er een kleine 100.000, en die allemaal maar één keer natuurlijk).

De superfrequente woorden  zoals die hierboven komen daar toch wel uit, maar verder zal het toevallige gespreksonderwerp een onevenredig grote invloed hebben gehad op het beeld van woordfrequenties in gesproken Nederlands dat in het onderzoeksverslag gegeven wordt.

Het grote probleem is de bewerkelijkheid: al die woorden moeten ook nog eens gecodeerd worden wil je er echt iets van kunnen zeggen (het voegwoord “dat” is een ander “dat” dan het aanwijzend voornaamwoord “dat”). Een tweede probleem, dat in heel veel wetenschappelijk onderzoek speelt, is dat de onderzochte sprekers niet echt spontaan konden praten. Ook het informele gesprekje werd met een onderzoeker en natuurlijk de bandrecorder aan gehouden. Gevolg: in de hele frequentielijst is geen onvertogen woord te vinden. Ja, drie “jeetjes” en zeventien “gohs”.

Waarschijnlijk is wat de redactie van het Basiswoordenboek van Van Dale (bedoeld voor middelbare scholieren, en in veel opzichten het beste woordenboek dat ik ken) gedaan heeft dan ook nog het verstandigste. Ook daar ontbreekt de aanduiding “spreektaal” in het lijstje voorin, maar de computer geeft de volgende korte maar krachtige uitdraai: asem, d’r (=haar), d’r (=er), duppie, effe, enigst, hullie, ie, ikke, ‘m, mekaar, met (=op het moment dat, zoals in “met dat ik van m’n fiets stap, komt..”), m’n, ‘n, ‘r, ‘t, z’n.

Stuk voor stuk duidelijk gevallen van spreektaal, dat wil zeggen: op school wordt ons geleerd het zo niet op te schrijven. (Ook al heeft dat bijvoorbeeld Nescio er nooit van weerhouden heeft om consequent “‑i”, “‘t” ,”z’n”, “m’n” etcetera te schrijven, en bevat de ondertiteling van elke willekeurige serie op de Nederlandse televisie reeksen “ie”‘s.) En over vrijwel alle andere Nederlandse woorden kun je twisten: oplawaai en omkukelen uit de Grote Koenen, of achterelkaar en nakie uit de Grote Van Dale zouden tenslotte best in een kranteartikel of fraaie roman kunnen staan.

 Maar woordenboeken kennen natuurlijk wel nog een heleboel andere “labels”, aanduidingen als “populair”, “ruw”, “vulgair”, “informeel”, “literair”, “familiair” etc. Het wel of niet gebruiken van een woord uit een van die categorieën heeft alles te maken met de vraag tot wie je je richt en met welk doel.

En in de praktijk ben je al pratend sneller familiair of ruw dan al schrijvend. Daarbij mag alleen niet vergeten worden dat datgene wat wij onder “schrijftaal” verstaan, hoofdzakelijk bepaald wordt door zakelijke, journalistieke en literaire geschriften. Dagboeken en privécorrespondentie zullen als het om de woordkeus gaat, opvallende gelijkenissen vertonen met de spreektaal: “Wat een kloteweer vandaag” is een mededeling die in een brief aan een goede vriend zeker niet misstaat, maar als beginregel van het weeroverzicht in de krant is hij niet erg geschikt.

Registers is hier het sleutelwoord. Voor zover bekend vind je die in alle talen. Een taal echt goed beheersen, betekent automatisch: verschillende registers tot je beschikking hebben. Voor de koningin trek je een ander register open dan voor je moeder of echtgenoot. Bij de dokter of een ambtenaar van de burgerlijke stand praat je anders dan tegen een kind. En dat doe je helemaal vanzelf. Tegen je collega’s heb je het over ‑ ik doe hiervoor een willekeurige greep uit de lijst “populair” van het Basiswoordenboek van Van Dale ‑  “aftaaien”, “geschift” en “geen porum”, maar tegen je baas zeg je eerder “naar huis gaan”, “een beetje vreemd”, en “geen gezicht”.

Verschillende omstandigheden vereisen verschillende registers. En de verschillende labels in woordenboeken zou je daarom kunnen zien als registeraanduidingen. Ook al zijn de scheidslijnen tussen registers dikwijls boterzacht. Volgens de Grote Van Dale zijn “kontneuken” en “godsliederlijk” informeel, maar “neukdoos” en “hemelzeiker” vulgair.

Wat binnen welk register gepast wordt gevonden, is ook niet iets dat voor eeuwig vastligt. Twee generaties geleden kon je je mond met zeep gaan spoelen als je “trut” of zelfs “rot” gezegd had, nu hoor je ook de keurigste types kalm beweren dat iets gelul is. In de nieuwe druk van de Grote Koenen zullen de  collecties “ruw”, “plat” en “bargoens” niet groter geworden zijn, maar “familiair” is wel gegroeid. 

Je zou kunnen zeggen dat “schrijftaal” een apart register is. Met een aantal merkwaardige kenmerken. Allereerst: je kunt je niet dezelfde vaagheden veroorloven die in spreektaal ongemerkt passeren. Een mededeling als “zeg..eh” kan honderdduizend verschillende dingen betekenen, van “dat waren wel genoeg koekjes” tot “ik wil naar huis, ga je mee?”.

“Een half woord” is wanneer je het voor een ander publiek dan een enkele ingewijde bedoelt, domweg niet genoeg. Wel‑of‑niet‑tutoyeren bijvoorbeeld kun je in gesprekken  redelijk goed in het midden laten. En met de veranderde of nog steeds veranderende sociale code die daarvoor geldt, kan dat bijzonder praktisch zijn. Maar in de eerste de beste brief moet je al kiezen. Afwisselen, zoals ik bij de groenteman en de kaasboer doe, is uitgesloten. Als je schrijft kun je geen woord “wegmoffelen”.

Misschien dat daarom ook alles wat zwart‑op‑wit staat harder aankomt. Je moet, of je nu wilt of niet, expliciet zijn. En bij emotioneel sterk geladen woorden komt daar nog eens bij dat hun betekenis bijna helemaal afhangt van hoe je ze uitspreekt. Tussen neus en lippen door, met een spoortje van een lach in je stem? Of komt het er keihard en verbitterd uit? Mompelt je geliefde half vertederd “ach, stomme trut” voor zich uit, of bijt hij ’t je toe? Nuances die maar moeilijk en nooit rechtstreeks op papier te krijgen zijn. 

Een verandering van toon kan de betekenis van een simpele mededeling (“ja, leuk”, “moet je doen!”) 180 graden doen draaien. Een accent dat nét even ergens anders komt te liggen ook (“gá nou gauw” voor “schiet op” tegenover “ga nou gáuw” voor “ik geloof er niks van”) . Zelfs “weten wie ’t zegt” is soms al genoeg om andere interpretaties uit te sluiten. Als iemand iets ironisch bedoelt, hoor je dat (meestal althans) direct. Op papier leidt het al snel tot misverstanden en zelfs misbruik.

Recent voorbeeld van dat laatste is tekstwetenschap‑professor Teun van Dijk die een interview met Gerrit Komrij in NRC Handelsblad gelezen had, en uit Komrijs overduidelijk ironisch bedoelde woorden dat hij een “bijna seniele kwijlende man” is, “met één been in het graf” concludeerde dat Komrij misschien wel aids heeft. Of was dat soms ook ironisch bedoeld?

Aanhalingstekens helpen niet genoeg tegen misverstanden, omdat die voor te veel verschillende dingen gebruikt worden. Hugo Brandt Corstius stelde ooit voor een ironieteken in te voeren, dat dan aan het begin van een zin geplaatst moest worden. Een toevoeging aan ons schrift die me heel wat interessanter lijkt dan bijvoorbeeld de verbindings‑n in kuttenkop en pruimenpit waarover dure spellingscommissies nu al vele jaren praten. Maar dat terzijde. 

De mogelijkheden die je hebt met stembuigingen en klemtonen zijn natuurlijk een van de meest in het oogspringende kenmerken van de spreektaal. Beroepssprekers kunnen daar mee spelen. Jan Roelands, een man met een fabelachtige inspreekervaring, zei altijd dat het belangrijkste voor een goede “stem” op de radio of bij documentaires zeker niet het timbre was, maar dat het ging om begrip van de tekst in kwestie: de juiste nadruk en pauzes leggen, laten merken dat je weet waar je over praat.

Roelands, die in 1989 onverwachts overleed, was er een meester in. U kent zijn stem allemaal nog, maar hoe hij klonk kan ik onmogelijk onder woorden brengen: iemands stemgeluid is werkelijk een volslagen uniek aspect van spreektaal dat uitsluitend in onmogelijk vage termen beschreven kan worden.

Ook de wetenschap weet er geen raad mee. Bij het Instituut voor Perceptie‑onderzoek (IPO) in Eindhoven probeerden ze er ooit achter te komen wat er nu zo karakteristiek was aan de stemmen van Philip Bloemendal (de Polygoon‑journaal‑stem) en de actrice Mary Dresselhuys: ze kwamen er niet uit. Apparatuur kan het nog niet meten, maar mensen hebben dikwijls letterlijk al genoeg aan één ademtocht om iemands stem te herkennen.

Toch zit er in Jan Roelands’ opmerking over tekstbegrip een sleutel tot meer inzicht in wat spreektaal is. Cees Manintveld, van het stemmenbureau Multi‑Voice in Hilversum waar iedereen een “stem” kan huren voor documentaires en commercials, zegt feitelijk net zoiets: je moet laten horen dat je weet wat je zegt. Het moeilijkste inspreekgenre is volgens hem “zo’n spotje waarin het moet lijken of iemand gewoon zijn eigen ervaringen staat te vertellen”. Natuurlijk, er zijn wel eens van die teksten die niet zo lekker bekken (Manintveld geeft als voorbeeld “nu u uw formulier…” en van die zinsneden als “dat ‘t’ ‘t…”), die moeten dan even omgegooid worden, maar het belangrijkste voor een “stem” is toch dat hij op natuurlijke plaatsen nadruk legt en zich kan inleven in een sfeer.  

Het gaat kortom om “echt”, en wat doe je in het echt? Praten, denken en voelen tegelijk. En dat heeft grote consequenties voor de hele machinerie die telkens wanneer je je mond open wilt doen in gang gezet wordt. Voor spreken komt nogal wat kijken. Hoe we het precies doen is niet bekend, maar professor Willem Levelt (directeur van het Max Planckinstituut voor Psycholinguistiek in Nijmegen) zette de aanwezige kennis en theorieën een paar jaar geleden bij elkaar in zijn boek Speaking.

Héél in het kort komt het er op neer dat we eerst het concept (wat dat ook precies moge zijn) van wat we willen meedelen opvissen uit ons hoofd. Dat concept gaat naar “de formulator”, die moet zorgen dat de gedachte of het idee een talige vorm krijgt. In die formulator is een hele batterij zelfstandige “modules” aan het werk: eentje die de juiste hoeveelheid lettergrepen aanmaakt, eentje die de goede klanken kiest, een die zorgt voor de verbuigingen, een die de woorden in een grammaticale volgorde zet, et cetera.

Die modules werken razendsnel, veel sneller dan we ooit zelf kunnen volgen. Om het tempo te verklaren waarin wij praten, moeten ze parallel werken, dus dwars langs elkaar heen.

Dat verklaart allerlei “domme” versprekingen: “Dan staan ze te schoppen op je klouder” is er zo een. De juiste klanken zijn daar gekozen, het juiste aantal lettergrepen ook, en met de woordvolgorde is niets mis, alleen is de “sch” van “schouder” per ongeluk op de plaats van de “kl” (van kloppen) terechtgekomen. De “sch” en de “kl” (alletwee medeklinkerclusters, zoals dat heet) waren wel al klaargelegd, en toen de “sch” vergeven was, bleef de “kl” over. Gevolg: twee fouten in een zin, in plaats van een. Het zijn ook altijd óf klinkers óf medeklinkers die verwisseld worden, of anders complete lettergrepen (“verkrachte eenden”).

Vaak zie je in een verspreking ook ineens twee gedachten of manieren van uitdrukken tegelijk opduiken, (“een fluitketel die heeft ze ernstig noodzakelijk als theedrinkster” waar “is noodzakelijk voor” en “heeft ze nodig als” door elkaar lopen) en soms kun je er zelfs iemands gedachten uit lezen, zoals bij de mevrouw die op tv zei: “dat was eigenlijk de enige waar ik op dat moment …. ’t meeste aan had”.

Blijkbaar vond die het toch te grof te beweren dat ze aan niemand anders ook maar iets gehad had. Over het hoe en waarom van verspreken of “bijstellen” is verder niet veel bekend. Je kunt alleen constateren dat het vaker voorkomt wanneer iemand moe of dronken is (dan is “het juiste woord” bij een concept vinden ook lastiger). Waar weer tegenover staat dat een niet al te grote hoeveelheid alcohol juist een grotere vlotheid en trefzekerheid in het spreken kan geven.

Levelt geeft ook cijfers: we produceren al pratend gemiddeld vijftien spraakklanken per seconde, dat wil zeggen twee à drie woorden, hoewel dat op kan lopen tot zeven woorden per seconde. Elke drie tot vijf seconden zit daar een hoofdwerkwoord tussen, en slechts bij één promille van de selecties die we uit ons mentale woordenboek maken, gaat het fout en zeggen we bijvoorbeeld “een hoge, eh.. lage drukgebied” of “hori, eh, verticaal”. 

Op dit moment probeert men op het Max Planckinstituut te onderzoeken wat we bij het praten verhoudingsgewijs moeilijk vinden. Het schijnt dat onze ogen werkelijk de spiegel van onze ziel zijn: oogpupillen reageren op mentale inspanning. Daarvan willen Levelt en de andere onderzoekers gebruik maken. Echt eenvoudig is dat niet: de reacties van de pupil zijn complex. Hij kan zowel groter als kleiner worden, en het duurt maar liefst 1,3 seconden vóórdat de reactie maximaal is. Een spreker is dan al gauw vijf of zes woorden verder.

Maar er is een terug‑reken‑methode ontwikkeld en de eerste voorzichtige conclusies sluiten aan bij wat je intuïtief zou verwachten: een zin of een bijzin beginnen is niet speciaal lastig, maar er wordt aan de pupillen te zien echt hard gewerkt tijdens kleine pauzes en op het moment dat in een zin het accent, dus de nadruk gelegd wordt. Met andere woorden: bedenken wat we willen gaan zeggen (dat gebeurt tijdens die pauzes) en het belangrijkste uit de mededeling benadrukken kosten meer aandacht dan bijvoorbeeld een zin construeren. Dat laatste gaat blijkbaar nog meer op de automatische piloot.

Toch hapert ook die automatische piloot nog wel eens, en bovendien heeft hij zo zijn eigen stuurmanstrucjes. Dr. Frank Jansen (werkzaam aan de universiteit van Leiden) is gepromoveerd op Syntaktische konstrukties in gesproken taal, een proefschrift dat gebaseerd is op een veertigtal interviews met allerlei Leidenaren. Wat hij daarin hoorde zou je ontluisterend kunnen noemen: tjonge, wat praten we allemaal slordig.

Al die zinnen die halverwege in de lucht blijven hangen, al die zaken die maar weggelaten worden, en dan de keren dat we halverwege een mededeling een andere mededeling beginnen, of de zin anders afmaken dan we hem begonnen zijn. Toch: in het dagelijks leven merk je daar niets van. Het is ook niet vervelend voor wie spreektaal hoort.

Spreektaal is vluchtig, zegt Jansen, en dat is een feit dat iedereen kan controleren. Zelfs vrijwel direct nadat u een mededeling gehoord of zelf uitgesproken heeft, zult u die onmogelijk woordelijk kunnen herhalen.

Oh ja, de bedoeling, de essentie, die herinnert u zich nog wel, en daar kunt u opnieuw een formulering bij zoeken, maar u kunt het niet zomaar nog een keer precies zo zeggen. (Tenzij het om korte, veelvoorkomende of simpele vragen en zinnetjes gaat natuurlijk, zoals “Heb je honger?” of “Daar gaat‑ie weer”.) Zo produceren en verwerken we taal nu eenmaal: de bedoeling is wat er blijft hangen, maar de vorm waarin die gegoten wordt is alleen een voertuig dat direct uit het zicht verdwijnt zodra het zijn bestelling heeft afgeleverd. Een valse start (“ga even, ach.. ik bedoel geef even…”) is daarom zo weer vergeten.

Vaak heb je niet zo veel woorden nodig om een bedoeling over te brengen, bijvoorbeeld omdat je aan iemands gezicht al ziet dat hij begrepen heeft wat je wilde zeggen. De zin dan nog afmaken is verspilde moeite (en het kan nog irritant worden ook: mensen die er op staan hun “punt even af te maken” terwijl je allang gesnapt hebt waar ze heen willen, wekken al gauw wrevel op). Ook kun je een gebaar (fles omhooghouden) simpelweg ondersteunen met een paar woorden (“Jij nog?”). Van alles weglaten is volstrekt normaal en natuurlijk in gesproken taal.

Op papier ziet het er vaak niet uit, maar let maar eens op, iedereen zegt dingen uit het onderzoek van Jansen zoals (tussen haakjes staat wat er is weggelaten): “’s avonds dan zitten ze nog weer huiswerk te maken, (dat) had je vroeger niet” of “hij ging failliet, nou (toen) stond ik op straat” en “(U) moet me goed begrijpen”. Denk ook aan Trudy Labij  in die overtuigende reclame voor luchtverfrissers: “(dat) Hebtie thuis niet, zulke lekkere luchten.”

Maar waar we aan de ene kant dingen weglaten, herhalen we aan de andere kant ook nogal wat. Bijvoorbeeld als we parafraseren, in andere bewoordingen ongeveer hetzelfde nog eens zeggen: “Ik vind ‘m wel leuk, wel vriendelijk”.

Maar ook als we de typische spreektaalconstructie gebruiken die ik maar even de “hij‑zegt‑zegt‑ie”‑constructie zal noemen: “Hij zegt dus ‘dat zie je hartstikke verkeerd’, zegt‑ie, ik zeg ‘man, ga een eind wieberen’ zeg ik, nou, hij zegt..” enzovoort. Voor “zeggen” kan natuurlijk ook een ander werkwoord worden ingevuld (“ik ben in september ben ik aan die cursus begonnen”), en de volgorde van onderwerp en werkwoord mag ook meteen al werkwoord‑onderwerp zijn: “wat denk je? Loopt‑ie weg, loopt‑ie” of “Komt‑ie hoogstpersoonlijk binnenzetten, komt‑ie”.

U gelooft niet dat u zo praat? Bijna niemand gelooft dat van zichzelf, en toch: dikke kans dat u het doet. Net als “echoën”: “ik had geen doel meer hè, had geen doel meer” of simpelweg “toen heb ik eh heb ik niet gewerkt”.

Een principe waar ook iedereen voortdurend op terugvalt is wat Jansen voor het gemak het dikke‑dingen‑buiten‑boord‑principe noemt. Is bijvoorbeeld het onderwerp van de zin wat ingewikkelder dan zetten we dat als het ware buiten de mededeling door er met een woordje als “die” of “dat” of “daar” naar te verwijzen en dan pas de rest van de zin af te maken.

Bijvoorbeeld: “Hoe die ooit van z’n leven in Oegstgeest is gekomen dat weet ik niet”  en “en wie dan de goedkoopste van de drie was die kreeg het”. En het hoeven niet eens echt “dikke dingen” te zijn, in spreektaal verwijzen we heel dikwijls met één samenvattend woordje naar het vorige zinsdeel (“die ouders daar maakte je kennis mee”, “in december dan werd er geld opgehaald”, “toen ik wegging toen zei iemand..”). 

In schrijftaal (dan) laat je die woorden weg, maar in spreektaal ontlasten dergelijke verwijzingen het geheugen. Zowel dat van de spreker als dat van de luisteraar: je bouwt als het ware verder op dat ene woordje, en datgene waar het op slaat, de inhoud, is al “verwerkt”.

Lezen gaat veel sneller dan luisteren (gemiddeld horen we 180 woorden per minuut, en lezen we er 300) maar schrijven gaat juist stukken langzamer dan praten.

Met andere woorden, waar in een gesprek produktie‑ en consumptietempo gelijk op gaan, is er in het schriftelijk verkeer een groot verschil tussen die twee. Misschien dat daaruit een deel van de verschillen tussen schrijftaal en spreektaal te verklaren is. Die samenvattende, terugverwijzende woordjes heeft het geheugen bij een snellere “tekstverwerking” blijkbaar minder hard nodig. Hetzelfde geldt voor herhalingen. Snel na elkaar eenzelfde woord wéér gebruiken, of veel verkleinwoordjes (in de spreektaal stikt het daar van) in de tekst stoppen, wordt zelfs al gauw hinderlijk bij het lezen. Of is die afkeer ons op school aangeleerd?

Net zo snel schrijven als je praat is uitgesloten, dat lukt de wereldrecordhouder sneltypen nog niet. Dat betekent dat je op een andere manier taal gaat produceren. Overdachter. En op papier zie je ineens de ongerijmdheden, de antwoorden die beginnen met “ja, nee”, de nergens op slaande tussenwerpsels als “dat zeg ik” of “nou, daarom”. En het valt op als zinnen halverwege.. en dan weer een nieuwe beginen en nou ja, dat is dus allemaal een ramp om te lezen, tenminste vind ik hoor en eh… ik niet niet alleen trouwens, de weerzin tegen gesproken taal lezen die hebben heel veel mensen, dat zei Frank Jansen ook.

Karel van het Reve lanceerde een tijdje terug in Het Parool het plan om een paar honderd boeken met louter uitgeschreven bandopnamen van gesprekken uit te geven. Hij denkt dat hij daar met plezier in zou lezen, en dat is pertinent een vergissing.

Hij vergist zich trouwens ook als hij denkt dat het onderzoek naar de grammatica van het gesproken Nederlands nog moet beginnen (daar zouden die paar honderd boeken als uitgangspunt voor moeten dienen). Vooral naar de spreektaalconstructie waar hij zelf een uitstekend oor voor blijkt te hebben is nu juist relatief veel onderzoek gedaan.

Dat is de “Melk hou ik veel van” constructie, zinnetjes waarin het voorzetsel ergens achteraan is blijven staan, terwijl het in geschreven taal de zin moet openen: “Van melk hou ik veel” (speciaal voor van het Reve: in jargon heet dit prepositie‑stranden). In spreektaal zijn zinnen als “Misdaadfilms kijk ik graag naar”, “Emigreren voel ik weinig voor” en “Tanden poetsen zie ik het nut niet van in”, zoals van het Reve terecht opmerkt, volstrekt normaal. Ze vallen niet op, ze worden niet fout gevonden.

Toch bestaan er zeker normen in de spreektaal. Een norm die zelfs uitsluitend en alleen in de spreektaal kan gelden is die voor de goede klemtoon: catalógus, pagína, vidéo en normalíter vallen niet binnen het standaardnederlands.

Wie die woorden toch zo uitspreekt weet niet hoe het hoort, en wordt (door de hogere klassen) automatisch ingedeeld bij de lagere klassen. Normen zijn er ook voor woordgebruik. Allereerst bestaan er natuurlijk nette en niet‑nette woorden, al zullen dat zeker niet voor iedereen dezelfde zijn (hoe algemeen geaccepteerd is “trut” bijvoorbeeld inmiddels?). Of iemand niet‑nette woorden gebruikt hangt af van zijn opvoeding en het gezelschap waarin hij verkeert. Maar wie vloekt in de kerk of tegen de minister‑president wijkt af van de norm.

Maar daarnaast zijn er van oudsher in het Nederlands een paar heel merkwaardige woorden die, in ieder geval in sommige kringen, niet mogen: je mag niet “gebakjes” zeggen, dat moet “taartjes” zijn, iets doet geen “zeer” maar “pijn”, het is niet “op vakantie” maar “met vakantie”, je hebt niets voor je verjaardag “gehad”, je hebt iets “gekregen”.

De niet‑getolereerde woorden worden of werden geassocieerd met lage milieus. Dat geldt nog sterker voor allerlei contaminaties als “optelefoneren”, “dat kost duur” en natuurlijk het verwisselen van “kennen” en “kunnen” (“kan je die?”) en “liggen” en “leggen” (“nou, ik leg”). Ook zogenaamde hypercorrecties (“beeldhouder” voor “beeldhouwer”, “even groot dan” voor “even groot als”) en malapropismen (woorden die nét even verkeerd gebruikt worden: “hypokritisch” voor “hypocriet”, “bolsjewisme” voor “botulisme” enzovoort) vormen een dodelijke weggever.

“Door de mand vallen” is de uitdrukking die dr. Joop van der Horst, historisch taalkundige, gebruikt. Zegt Ruud Lubbers een keer “hun hebben” dan gaat hij door de mand. Het gevoel dat er steeds meer “hun‑hebben‑zeggers” komen is wijdverbreid, ook al heeft niemand het nagemeten.

Het gekke met “hun” als onderwerp gebruiken, is dat het een tegenargument lijkt te zijn tegen het gangbare idee dat “sociaal gestigmatiseerde” (in de terminologie van Van der Horst) taalveranderingen altijd in de onderste lagen van de maatschappij beginnen. Ze houden dat stigma totdat de verandering compleet is. Of “hun hebben” het zal halen, durft niemand te voorspellen, maar in ieder geval is het gebruik ervan volgens van der Horst niet bij de lagere klassen begonnen.

“Hun” is uit andere delen van het land naar het westen komen overwaaien. Het gaat om een hypercorrectie of een overgeneralisatie van dialectsprekers: in een aantal dialecten is de vorm voor het onderwerp en het lijdend voorwerp gelijk, namelijk alletwee “ze”. Dialectsprekers hoorden in het standaardnederlands “hun” gebruiken waar zijzelf “ze” zeiden en namen dan aan dat “ze” in het standaardnederlands altijd “hun” moest zijn.

Ondertussen is er op dit moment een grote verandering in de spreektaal gaande die geen stigma heeft, en dus ook door vrijwel niemand opgemerkt wordt: de verschuiving van “dat” naar “wat”. Van der Horst schat dat 90 procent van de bevolking consequent dingen zegt als “Het meisje wat ik gezien heb”, “het kadootje wat ik nog moest kopen”, “het pak wat jij toen aanhad”. In de 17e eeuw vond de verschuiving van “daar” naar “waar” plaats (“het huis daar ik gewoond heb” was tot die tijd normaal) en nu is “dat” dus aan de beurt. Ook “wie” voor “die” kom je regelmatig tegen (“de jongen wie ik tegenkwam”), maar dat lijkt toch iets minder frequent te gebeuren.

Van der Horst wijst er overigens op dat niet alle veranderingen in de spreektaal beginnen. Soms loopt de schrijftaal voorop, zoals bijvoorbeeld bij het gebruik van het woordje “zich”. Half Nederland zegt nog steeds “z’n eigen” of “‘m”, maar geschreven wordt het zo niet meer.

“Zich” is zijn zegetocht begonnen in de tijd van de reformatie (puristen opgelet: het is een germanisme, dat via Duitse theologische geschriften het Nederlands binnengeslopen is). Eerste drukken van het werk van Vondel hebben nog “z’n eigen”, maar in latere drukken heeft hij ervoor gezorgd dat het “zich” werd.

Volgens professor Jaap van Marle, historisch taalkundige en directeur van het P.J. Meertensinstituut dat onder andere dialecten onderzoekt, is het achtervoegsel ‑baar (eetbaar, voelbaar, zichtbaar) ook iets dat in de schrijftaal ontstaan is.

Steun voor dat idee vindt hij in het feit dat het in geen van de Nederlandse dialecten een equivalent heeft. En alweer: ook ‑baar kwam via het Duits binnen. Overigens merkt Van Marle op dat het dialectonderzoek flink wat hinder ondervindt van het feit dat er maar weinig bekend is over gesproken standaardnederlands. Van dialecten bestaat meestal geen geschreven versie, alle onderzoek richt zich dus op de spreektaal, en dan weet je dikwijls niet of je te maken hebt met een algemeen spreektaalfenomeen, of met iets dat speciaal voor het dialect in kwestie geldt.

Veranderingen in de spreektaal traceren, ook Van Marle zegt het, is een lastige klus. Oude opnames bestaan niet, en van literair taalgebruik weet je nooit hoever het van de gesproken taal afstond. Wel kun je soms iets over de uitspraak aan de weet komen uit rijmende gedichten: als “paard” en “staart” onder elkaar staan kun je er gevoeglijk van uitgaan dat ze op dezelfde klank eindigden.

Maar taal wordt sowieso nooit zo geschreven als hij klinkt. Al pratend versmelten de woorden (“vinknieleuk”), passen klanken zich aan elkaar aan (“inpakken” klinkt altijd als “impakken”), reduceren allerlei medeklinkers tot een stomme ê (“vênavênt” voor “vanavond”) etcetera. De manier waarop in belleterie Jan met de pet altijd sprekend opgevoerd wordt staat daarom meestal helemaal niet zo ver af van de manier waarop de bazen en “mevrouwen” praten. Die zeggen óók “wat woudie nou” of “da’s feel mooier” of “doe ’s sachjes”.

In het Nederlandse klankpatroon vinden er bij tijd en wijle wel echte verschuivingen plaats. Soms kun je de herinnering daaraan in de spelling nog terugvinden: de ei en de ij, die sinds de 17e eeuw hetzelfde klinken, en de ou en de au die tot in de vorige eeuw verschillend geklonken moeten hebben.

In veel dialecten zijn die verschillen trouwens wél nog steeds te horen. En het is aardig te bedenken dat dé Nederlandse spreektaal pas sinds de tweede helft van de 19e eeuw bestaat.

Voor die tijd waren er volgens Van der Horst alleen maar verschillende dialectgebieden, en was er uitsluitend sprake van een min of meer gestandaardiseerde schrijftaal. Het “west‑Nederlands” is de standaardspreektaal geworden, en het heeft tot ver in deze eeuw geduurd voordat scholing en later ook radio en televisie ervoor gezorgd hadden dat nu vrijwel iedere Nederlander het standaardnederlands ten minste als tweede taal kent.

 De standaardklanken zijn nog steeds aan verandering onderhevig: Joop van der Horst bespeurt op dit moment de neiging om de o steeds meer als een au uit te spreken (“laupen”), en Frank Jansen heeft het idee dat de r in veel woorden aan het verdwijnen is (“zwart” bijvoorbeeld klinkt vaak als “zwat”, “voor mij” als “voo mij”).

Maar dat het Nederlands van nu in ieder geval nog ongeveer zo klinkt als dat van vijftig jaar geleden valt op te maken uit een uiterst curieus boek dat dateert uit de oorlog: Spoken Dutch heet het, en het is geschreven door de beroemde Amerikaanse taalgeleerde Leonard Bloomfield.

Het is een soort Nederlands‑op‑reis boekje, dat vol staat met fonetisch gespelde zinnen en dialogen. Bloomfield heeft daar een bijzonder slimme en duidelijke vorm voor gevonden. Maar degenen voor wie het leerboek bedoeld was gingen natuurlijk niet met vakantie. Vandaar bijvoorbeeld dit dialoogje tussen Annie, die verderop in de lessen nog ten huwelijk gevraagd zal worden, en een sergeant:

Annie: hep‑jê‑van‑MORghê an‑êt‑chêVECHT MEE‑ghêdaan?

Sergeant: JAA. ik‑was‑êr‑van‑êd‑bêGHIN tot‑êt‑EIND‑bei.

Annie: was‑êt‑ERCH?

Sergeant: ên‑TEIT‑lang haddê‑wê‑t‑erch‑MOEIJlik. mein‑rêzjieMENT kwam‑NET achtêr‑dê‑TENKS‑aan. toen‑wei‑êr‑aankwamê was‑tê‑VEIjant nogh‑DRUK‑an‑t‑SCHIEtê.

Annie: hebbê‑jullie‑VEEL‑MANNê verLOOrê?

Sergeant: JAA, HEEL‑wat.

Enfin, de vijand wordt wel verslagen. Een boek om uren in te lezen. De conclusie blijft dat er aan onze uitspraak en grammatica weinig veranderd is sindsdien, alleen zijn sommige zaken en woorden verdwenen (TIEN‑sent voor‑dê‑FOOJ bijvoorbeeld, en het telegraafkantoor).

Overigens is er aan het gesprekje tussen Annie en de sergeant nog het een en ander over spreektaal af te lezen. Spreektaal gebruik je in gesprekken, en gesprekken hebben een aantal kenmerken.

Ze zijn, zoals de taalkundige Grice het uitdrukt, gebaseerd op samenwerking. Mensen zeggen meestal niet zo maar iets, ze proberen elkaar iets duidelijk te maken. Dat betekent dat zowel degene die praat als degene die ernaar luistert er van uitgaat dat er niet nodeloos veel of nodeloos duister gesproken wordt, én dat wat er gezegd wordt waar en relevant is. De sergeant geeft antwoord op de vragen van Annie, en Annie reageert daar weer adequaat op.

Dat klinkt ietwat triviaal, maar er zijn aardige experimentjes gedaan waarbij een onderzoeker consequent die samenwerkingsprincipes schond en daarmee zijn gesprekspartner tot wanhoop of razernij bracht (“Weet u zeker dat het half drie is?” “Ja.” “Maar bent u er echt honderd procent van overtuigd?” “Ja, natuurlijk!” “Ja maar, u moet het me echt eerlijk zeggen hoor.” ). U kent misschien zelf de irritatie die bovenkomt wanneer iemand op álles wat u zegt met “ja” of “nee” antwoordt, of dat geliefde kinderspelletje: bij wijze van antwoord uitsluitend de woorden van de ander te herhalen (“Jij bent gek.” “Jij bent gek.” “Hou nou op!” “Hou nou op!” etcetera).

Huis‑en‑tuin‑en‑keuken gesprekken hebben ook als we wel “samenwerken” vaak een bijzonder grillig verloop. Mededelingen gaan dwars door elkaar heen, de onderwerpen springen van hot naar her.

Natuurlijk, gesprekken bij de groenteman of de dokter hebben een aantal voorspelbare elementen, maar ook daar kan de spreker ineens gaan uitwijden over pas gelande marsmannetjes of de zoete geur van voorjaarsbloemen.

Wat er wel altijd gebeurt is dat we “omstebeurt” spreken. Die beurten kunnen we geven en nemen, maar de patronen daarin zijn voor mannen anders dan voor vrouwen. Bij gesprekken waaraan zowel mannen als vrouwen meedoen schijnt gemiddeld 98 procent van de interrupties van de mannen afkomstig te zijn.

Drs. Ingrid van Alphen, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar het taalgedrag van jongens en meisjes, en de verschillen beginnen al vroeg. Wanneer ze tussen de vijf en de vijftien zijn trekken zowel de jongens als de meisjes zich in ongemengde vrienden‑ en vriendinnenclubjes terug.

De jongens leren daar om de een of andere reden monologen te houden en “wormzinnen” te maken (zinnen die zonder pauzes minutenlang maar doorgaan en doorgaan, en door hun intonatie anderen ervan weerhouden “in te vallen”), terwijl de meisjes ‑ in kleinere groepjes dan de jongens ‑ juist dialogen voeren, en steeds de anderen ook een kans geven iets te zeggen. Meisjes zeggen eerder dingen als “zullen we dit of dat ..” dan “ik wil dit…”, en eerder “ja, dat is misschien wel zo, maar ..” dan “nee, ik vind..”.

En wanneer ze vrouw geworden zijn geven ze nog steeds veel vaker dan mannen zogenaamde “minimale responsen” als “hmm” en “mhm” die aangeven dat ze luisteren naar de ander.

Van Alphen hangt de interessante stelling aan dat “hm” en “mhm” zeggen voor mannen een andere betekenis heeft dan voor vrouwen: mannen drukken er instemming met wat ze horen mee uit, terwijl vrouwen alleen maar “ik luister nog” bedoelen. Vandaar dat vrouwen altijd roepen dat mannen niet kunnen luisteren, en dat mannen niks van vrouwen snappen: als die de hele tijd instemming hebben zitten betuigen, blijkt daarna alsnog dat ze het toch niet eens waren met wat de man beweerde.

Van Alphens oplossing voor alle miscommunicatie die het gevolg is van het “ondersteunende en harmonieuze” gedrag van de meisjes en de “concurrerende en bevechtende” houding van de jongens: probeer ze een soort sociale tweetaligheid mee te geven. Stimuleer op scholen bijvoorbeeld in discussiegesprekken felheid bij meisjes en ondersteunend “gehm” en “geja, maar toch..” bij jongens.  

De legpuzzel van de spreektaal is nog verre van compleet. Wel is duidelijk dat de stukjes van divers materiaal gemaakt zijn, en forse verschillen in grootte en vorm vertonen. Nog een ding dat uniek is voor spreektaal moet genoemd: de mogelijkheid je mond te houden, een tijdje niets te zeggen.

Hoe snel een stilte pijnlijk wordt is cultuurafhankelijk (volgens Van Alphen kun je in Japan veel langer zwijgen dan hier), maar je kunt daar ook gebruik van maken. De nieuwe voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), professor Rinnooy Kan, gaf laatst een mooie tip: krijg je een salarisaanbod, hou dan je mond en tel tot tien. Bij de zevende tel krijgt de werkgever het al benauwd, en zal hij denken dat je iets veel hogers in gedachten had. Negen van de tien keer zal hij een hoger bod doen.

Die warboel in hoofden en genitaliën

Voor seks heb je nauwelijks verstand nodig. Een theelepeltje neuronen in de hypothalamus is genoeg, en dat is sinds de oertijd al zo. Maar hoe liggen seks en sekse vast in onze hersenen? En welk gedrag volgt daaruit? Liesbeth Koenen traceerde het ‘nature/nurture’-debat over de liefde bij biochemici, filosofen, culturele antropologen en de Margriet-gezinstherapeuten. ‘Mannen en vrouwen hebben tegenstrijdige belangen. Ze hebben ook verschillende hersenen die andere stofjes produceren. En dat is waarom alle clichés over de man-vrouwverhoudingen waar zijn.’

In kroegen en op feestjes kun je hem in het wild aantreffen: de copuleerblik. Twee of drie seconden staart een man of vrouw met wijdopen ogen aandachtig naar een mogelijke kandidaat. De beoogde partij zal het meestal merken en terugkijken, waarna degene die begon de blik neerslaat.

De volgende stap is het even razendsnel nadenken door de aangestaarde: reageer ik of reageer ik niet? Dat nadenken, en de spanning breken, gaan gepaard met gefriemel aan een oorlelletje, een trui rechttrekken of een andere zinloze beweging. Daarna kan het alle kanten op: je kunt besluiten de ander te negeren, of je besluit voorlopig aan het spelletje mee te doen en glimlacht of zegt wat.

En soms, heel soms, zal het blijken liefde op het eerste gezicht te zijn.

Iets gênants

Toen ik dit scenario tegenkwam in Over de liefde van de Amerikaanse ethologe Helen Fischer, dacht ik: ‘ja, zo gaat dat. En ik geloof eigenlijk dat ik dat zelf ook geregeld doe’. Je dat realiseren heeft iets gênants, maar het gebeurt vanzelf, en het is voorbij voor je het weet.

De copuleerblik stamt dan ook nog uit de oertijd. Apen hebben hem ook. Het is niet meer dan het vliegensvlug uitwisselen van informatie tussen cellen in het deel van je hersens waar je mee ziet, en cellen in de hypothalamus, een theelepeltje hersenweefsel dat niet alleen een sleutelrol speelt bij seks, maar ook bij andere ‘basisfuncties’ als eten en drinken, je bloedsomloop, je lichaamstemperatuur, stress, groei, emotionele reacties en nog veel meer. Eén blik kan de zenuwcellen (of neuronen) activeren die betrokken zijn bij het ontstaan van seksuele opwinding.

Het is allemaal biologie en chemie die zich in niet meer dan een fractie van je hersenen afspeelt. Om neurobioloog Simon LeVay in The sexual brain aan te halen: voor seks heb je nauwelijks hersens nodig.

Goh, leuke vent

Toch zijn we er met ons verstand altijd wel degelijk op de een of andere manier bij. En dat is nou precies waarom ik boeken als die van Fischer en LeVay zo interessant vind. Ze vertellen alletwee op hun eigen manier iets over hoeveel we nou eigenlijk zelf in de hand hebben.

Ik bedoel, je werpt onbewust een copuleerblik op iemand, en ineens merk je dat je naar iemand toegetrokken wordt, ook letterlijk. Je denkt: goh, leuke vent, leuke meid, daar wil ik bij in de buurt zijn. Een kwestie van wat geactiveerde neuronen in je hypothalamus.

Tegelijk kun je denken: maar dit kan absoluut niets worden, want ik moet met deze persoon zaken doen, of mijn echtgenoot zit naast me, of nog iets heel anders. Ook een positief beantwoorde copuleerblik leidt lang niet altijd tot copuleren. Het verstand heeft dan gewonnen.

Maar je kunt er niet helemaal op vertrouwen. Ook al neem je je nog zo voor niet verliefd te worden, het kan je toch gebeuren. Dat kan goed aflopen, en iets moois worden (dan maar verliefd op je bazin of je cliënt bijvoorbeeld), maar ook een drama.

Golven van verlangen

In hoeveel echtelijke overspelruzies wordt er niet wanhopig geroepen ‘schat, ik kon het niet helpen, het was sterker dan ik, het overkwam me’? Dat overspel vaak (hoe vaak?) uitkomt, heeft denk ik ook alles te maken met de heftigheid van de gevoelens. Een verliefde heeft alle trekjes van een verslaafde. Golven van verlangen naar de ander kunnen je totaal in beslag nemen. En er hoort ook bij dat je grote risico’s neemt.

De straf is vaak buitenproportioneel: je baan moeten opgeven, een ontwricht gezin, een doodongelukkige partner waar je echt heus nog steeds veel van houdt. Hoe komt een mens zo gek?  

Fischer en Levay werpen er een beetje licht op. Ze vullen elkaar heel aardig aan. Fischer zoekt verklaringen voor ons liefdesgedrag in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens. Ook onze culturen zijn vaak direct terug te voeren op de evolutie, stelt ze.

Neem de copuleerblik: een ijzersterke reden om vrouwenhoofden met sluiers te omhangen. Immers, wil je als man de zekerheid dat jij je voortplant, en niet een andere kerel, dan moet je je vrouw weg zien te houden van anderen. En de voortplantingsdrift zit er diep in. LeVay kijkt in The sexual brain als het ware naar het eindresultaat van de evolutie: hoe liggen seks en sekse vast in onze hersenen? Wat speelt er zich af in je hoofd? En welk gedrag volgt daaruit?

Verloving mooie waarborg

Overigens vindt ook LeVay in de biologie de grondslag voor cultuurverschijnselen. Zo is de in heel veel samenlevingen bestaande gewoonte om een huwelijk vooraf te laten gaan door een verlovingstijd, een mooie waarborg tegen een al zwanger vrouwtje trouwen. Hoe kun je dat anders weten? Aan mensenvrouwtjes kun je niet zien of ze vruchtbaar zijn: vrouwen worden niet loops. Hoelmanvrouwtjes wel. Hoelmannen of langoeren zijn een apesoort waar het er nogal cru aan toegaat. Als daar een nieuw mannetje in de troep de macht overneemt probeert hij alle jongen te vermoorden, ook de kleintjes die de eerste maanden na de machtsovername worden geboren.

Want wat zal je het nageslacht van een ander op gaan zitten voeden. Bijkomend voordeel is dat de vrouwtjes als hun kind dood is al snel weer loops worden. Maar ze zullen er wel alles aan doen de kindermoord te voorkomen.

De Darwinistische gedachte daarachter is dat ze al geïnvesteerd hebben is zo’n kleintje en dat er bij een nieuw mannetje niet meer van hun erfelijk materiaal doorgegeven zal worden dan bij de vorige al gebeurd was. Verspilde moeite en energie dus.

Schijnloops

De evolutie zorgde voor een aardig energiesparend mechanisme. Als ze al zwanger zijn kunnen hoelmanvrouwtjes de zaak vernachelen: sommige worden dan schijnloops. Ze vertonen alle uiterlijke tekenen van vruchtbaarheid, paren met het nieuwe mannetje en baren vervolgens toch het kind van een ander. Het nieuwe mannetje trapt daarin en laat de baby met rust.

Het is bij mensen vaak niet anders. Zo’n verlovingstijd geeft nog enige garantie, maar hoe zit het daarna? Het schijnt dat de huidige DNA-technieken nogal eens voor familiedrama’s zorgen. Zelfs een simpele bloedtest kan al genoeg zijn om duidelijk te maken dat je papa je papa niet is.

Ondanks het taboe erop lopen er heel veel vrouwen met zo’n ‘kleine waarheid’ rond. Waarom dat taboe, en waarom gebeurt het toch?   Het komt hierop neer: mannen en vrouwen hebben tegenstrijdige belangen. Ze hebben dan ook verschillende hersenen die andere stofjes produceren. En dat is waarom alle clichés over man-vrouwverhoudingen waar zijn.

Alles draait om waarborging van het eigen nageslacht, het eigen erfelijk materiaal (daaruit komt ook de onuitroeibare neiging familie voor te trekken voort). Mannetjes moeten zien hun zaad zo vaak mogelijk in een vrouwtje te krijgen. Daarom willen ze zo vaak. Ze hebben er verder toch geen last van: mocht het raak zijn dan draagt het vrouwtje de last van de zwangerschap.

Viriele types

Voor haar zijn ook de gevaren. Het is dus zaak dat die vrouwtjes een beetje uitkijken wiens zaad ze toelaten. Ze moeten in hun genen al feeling voor viriele types hebben: de genen van vrouwtjes die mannen kozen waarmee het slecht vermenigvuldigen was, hebben het domweg niet gehaald.

Maar omdat alles op één kaart zetten zo zijn eigen risico’s met zich meebrengt is er bij vrouwen ook een ingebakken neiging tot vreemdgaan. Dat moet stiekem (en dat schijnt het ook in vrijwel alle culturen te gaan) omdat mannen zo veel mogelijk zekerheid willen hebben dat een baby van hun is.

Daar is nog een extra reden voor: de zorg voor het kind. Fischer gelooft dat de kern voor monogame relaties waarbij man en vrouw beiden bijdragen leveren aan de (op)voeding, gelegd is toen hominiden (echte mensen waren het nog lang niet) tussen de vier en zes miljoen jaar geleden door honger gedreven de savannes van Afrika op gingen.

Vervolgens gingen ze rechtop lopen, naar het schijnt om beter voedsel te kunnen vervoeren, en ontwikkelden ze zich tot jagers-verzamelaars. Op de savanne had je geen bomen en struikgewas om je in te verschuilen. Daar kon je dus ook niet de kinderen rustig laten spelen, en met die kleintjes ontstond er een groot probleem.

Hulpeloze kinderen

Pakweg een miljoen jaar geleden had homo erectus zoveel hersens gekregen dat kinderen eigenlijk te vroeg geboren moesten worden. Zouden ze zich langer in de baarmoeder ontwikkelen dan kon hun hoofdje niet meer door het geboortekanaal. Daarom zitten we nu nog steeds met verhoudingsgewijs zeer hulpeloze kinderen. En daarom nu hadden vrouwen voortaan een man nodig.

Want daar op die savannes was het leven hard. Als vrouw moest je je kind voortdurend op een arm meeslepen. Ga dan nog maar eens op jacht, en spring maar eens lekker de hele dag over konijneholen en haal maar eens vlot een bessenstruik leeg.

Een man die bescherming en extra voedsel bood werd noodzaak. In elk geval zo lang als het kind nog gedragen moest worden en de borst kreg. Daarna kon hij wel weer weg, en Fischer zegt dat hij dat ook deed, en nog steeds doet. Om die reden vind je in heel veel culturen een echtscheidingspiek na ongeveer vier jaar. En zolang men vruchtbaar is begint bijna iedereen vervolgens weer aan een nieuwe relatie.

Ik vat het allemaal wat grofstoffelijk samen, maar die sociobiologische verklaringen roepen bij mij altijd een zeker wantrouwen op. Het is me vaak te simpel. De evolutie berust op een samengaan van toeval en omgevingsfactoren. Maar in boeken als dat van Fischer wordt het voorgesteld alsof het absoluut niet anders had kunnen zijn dan het nu is.

Taboe op incest

Ik denk als ik haar lees: had er niet een heel andere sociale structuur uit kunnen komen? En sommige dingen snap ik niet, bijvoorbeeld waarom vrouwen jaloers zijn. Voor de doorgifte van je eigen erfelijk materiaal maakt het immers geen moer uit of je man zijn genen ook nog doorgeeft aan een ander. En nog een vraag: als het taboe op incest inderdaad zo universeel is en zo mooi evolutionair verklaarbaar (je moet genen mengen voor de beste resultaten) waarom komt het dan toch zoveel voor?

Mijn wantrouwen wordt in het geval van Fischer nog eens extra gevoed door het feit dat ze er voortdurend vrolijk op los fantaseert. Over hoe de Neanderthalers vast al in elkaars armen lagen te rollebollen, en hoe onze voorouders 35.000 jaar geleden zeker al regels met betrekking tot seksuele trouw hadden ingesteld, enzovoort. Vaak berust het absoluut nergens op. Tenminste, ik zou niet weten waarom onze voorouders zich per se zo gedragen zouden hebben als de !Kung in Afrika nog steeds doen. Het kan natuurlijk, ja.

Die crisis na vier jaar (met die ontdekking haalde Fischer de Oprah Winfrey show nog) berekent Fischer op basis van cijfers sinds 1941, in 63 culturen. Wat is nou vijftig jaar? Interessant is wel dat de piek onafhankelijk is van het echtscheidingspercentage, dat van cultuur tot cultuur verschilt en ook in de tijd verandert. Maar binnen de bekeken culturen vind je al grote uitzonderingen.

Islamitische landen

In islamitische landen ligt de echtscheidingspiek al na een jaar, volgens Fischer omdat daar zo veel huwelijken gearrangeerd worden: binnen een jaar blijkt dan wel of het werkt of niet. In haar eigen land loop je na twee à drie jaar de grootste kans op een scheiding. Fischers verklaring: zo lang duurt een verliefdheid ongeveer.

Ja, ammehoela, dat is in andere culturen net zo had ze al verteld. Want de overgang van verliefdheid naar liefde zit hem, zo meent men, in de overgang van de produktie in de hersenen van een amfetamine-achtige stof (PEA genaamd) naar een morfine-achtige stof (endorfinen). Van alert ‘kicken’ naar kalm geluk, zou je kunnen zeggen. Na twee of drie jaar gebeurt dat vanzelf.

Maar ook al geloof ik Fischer vaak niet helemaal, en al zitten er nogal wat herhalingen in het boek, het is toch de moeite waard om te lezen. Net als LeVays The sexual brain, dat veel minder speculatief is. Het is een bijzonder interessant boek, maar wel verdomd lastig. Steroïden, hormonen, allerlei plekjes in de hypothalamus en ratten spelen er de hoofdrol in. Veel onderzoek is gloednieuw.

Vrouwtje default-optie

Als je bijvoorbeeld bedenkt dat ze pas in 1991 het gen gevonden hebben (op het Y-chromosoom natuurlijk) dat een foetus ertoe aanzet zich als mannetje te ontwikkelen. Als dat gen er niet is word je een vrouwtje: het is de default-optie van de natuur.

Man-vrouwverschillen zitten niet alleen in uiterlijkheden, verschillende organen en verschillende hormonen, maar ook in de hersenen. En het begint allemaal al heel vroeg. Sekse-typisch gedrag bijvoorbeeld wordt rond de geboorte al bepaald. Daar is een zogenaamde ‘kritische periode’ voor: ratten die je voor of meteen bij de geboorte castreert zullen geen mannetjesgedrag (vrouwtjes beklimmen en dergelijke) vertonen, zelfs niet als je ze mannelijk hormoon geeft.

Dien je ze vrouwelijk hormoon toe dan gaan ze zich wel als vrouwtjes gedragen (met gekromde rug staan). Mannetjes die je een paar dagen later castreert kun je met behulp van mannelijk hormoon wel tot ‘gewone’ mannetjes omvormen. Op vrouwelijk hormoon reageren ze niet.  

Aanstaande rattenmoeder

LeVays boek barst van de beschrijvingen van dit soort experimenten. Intrigerend vind ik ook onderzoek naar de gevolgen van factoren van buitenaf. Geef je, ook weer in een kritieke periode, een aanstaande rattenmoeder een flinke portie stress (je zet haar bijvoorbeeld dagelijks drie keer een poos in fel licht) dan zullen haar zonen minder ‘mannelijk’ dan gewoonlijk zijn: ze beklimmen minder vaak vrouwtjes, en zijn meer geneigd de vrouwelijke paarstand aan te nemen.

Het idee is dat de stress het mannelijk hormoonniveau in de foetus beïnvloedt, wat op zijn beurt gevolgen heeft voor de groei van een gebiedje in de hersens (de ‘seksueel dimorfe kern’) dat bij mannen groter hoort te zijn dan bij vrouwen. Ook bij normale ratten is er een verband tussen de grootte van die kern en de mate van mannelijk gedrag: hoe groter hoe mannelijker.

Mensen zijn geen ratten, ik weet het. Maar in heel veel opzichten wel. Waar de verschillen beginnen weten we nog lang niet. Maar het aardige van boeken als Over de liefde en The sexual brain is dat ze je ondermeer daarover aan het denken zetten. Ze bieden ammunitie voor de vurige debatten over twee topics die de wetenschap al lang bezighouden, maar waar tegenwoordig daadwerkelijk wat schot in lijkt te komen: de discussie over de samenhang tussen lichaam en geest, en de vraag naar wat aangeboren en wat aangeleerd is, wat ‘natuur’ en wat ‘cultuur’, het nature-nurturedebat dus. Die twee onderwerpen hangen overigens natuurlijk ook samen.   

Tussen lust en last

Het lijkt zelfs wel of dat nature-nurturedebat zich voortdurend in jezelf afspeelt. Het geworstel tussen lust en last, tussen wat ze je verteld hebben, en hoe het in het echt is.

Neem zo’n gegeven als dat vrouwen van nature gemiddeld minder behoefte hebben aan seks. De cultuur, die ook weer deels voortkomt uit de natuur, schrijft van oudsher toch een zekere inschikkelijkheid voor. Dus ze geven toe, en balen daar weer van.

Mannen is ondertussen verteld dat ze zich niet aldoor moeten opdringen, of ze merken dat hun vrouwtje niet zo vaak zin in ze heeft, dus mannen raken ook weer gefrustreerd. Wat een warboel in hoofden, harten en genitaliën.

Als je afgaat op de gesprekken en enquête van de psychologes Annette Heffels en Willeke Bezemer is het vinden van een gulden behoeftenmiddenweg een van de grote strijdpunten tussen de seksen. Na een serie interviews met vrouwen op tv onder dezelfde titel, verscheen van hun hand het boek Liever de lusten.

Het is de neerslag van een onderzoek naar vrouwelijke seks, in opdracht van het weekblad Margriet, en bevat cijfermateriaal en fragmenten van gesprekken.

Tegen haar wil

Daar zit allerlei interessants tussen: slechts 27 procent van de vrouwen zegt nooit tegen haar wil te vrijen, meer dan de helft fantaseert wel eens over vrijen met een ander, en boven de 55 komt meer dan een keer per dag neuken niet meer voor.

Bij de gesprekken hoor je goddank niet die van begrip druipende stem van Heffels, die het mij bijna onmogelijk maakt te kijken naar de interviews met mannen die op het ogenblik worden uitgezonden onder de titel Min of meer macho. Overigens ging het er daar ook weer meteen over dat hij wel de hele dag hop-d’rop wil, en zij helaas niet.

Enfin, met die man-vrouwverschillen is het niet onbegrijpelijk dat er sinds mensenheugenis afspraken, taboes en wetten bestaan in elke cultuur. En dat die vaak over dezelfde dingen gaan. Geen kinderen kunnen krijgen is bijvoorbeeld vrijwel overal een grond voor echtscheiding.

De Grieken Plutarchus en Lucianus (ze leefden in de eerste en de tweede eeuw na Christus) wisten natuurlijk ook al lang dat het huwelijk er was om nageslacht voort te brengen. Een deel van hun geschriften is net in het Nederlands vertaald, ingeleid en van noten voorzien door Hein van Dolen. Twee dunne boekjes voor liefhebbers, met dialogen en opstellen. Dat met werk van Lucianus heet Liefde, vriendschap en laster, dat van Plutarchus Huwelijk. Wat erin staat klinkt voor een groot deel akelig bekend.

Wij hebben alleen Eros en de andere goden vervangen door Darwin en de biologie. Het resultaat is hetzelfde, zij het dat het bij de oude Grieken wel compleet ‘a men’s world’ was.

Reactionaire praat

Plutarchus’ 47 tips voor jonggehuwden bijvoorbeeld kunnen zo in het partijprogramma van de SGP opgenomen worden. Vertrouwde reactionaire praat over hoe de vrouw onder de duim gehouden moet worden, overgoten met een sausje van dat dat juist heel goed is, omdat de goden het zo bedoeld hebben.

Ook de homoseksualiteit, waar driftig over gediscussieerd wordt in beide boekjes, betrof natuurlijk alleen die tussen beeldschone knapen en andere mannen. Het door Lucianus geschreven opschepperige gesprek tussen een Skyth en een Griek over welk volk de vriendschap (alweer: die tussen mannen natuurlijk) het hoogst aanslaat is bijna komisch, zo bekend is de toon.

Ook sprookjes – we gaan weer iets verder in de tijd – zitten tjokvol met dezelfde thema’s, dezelfde clichés. Trouw en maagdelijkheid zijn belangrijk, incest is taboe, iedereen wil een kind, broertjes en zusjes helpen elkaar (Hans en Grietje, Kleinduimpje), stiefouders hebben geen trek het erfelijk materiaal van een ander op te voeden (Sneeuwwitje), enzovoort.

De cultureel antropologe en sociologe Lily Clerkx viste familierelaties en andere thema’s uit Westeuropese sprookjes, vanuit het idee dat je zo meer kunt begrijpen over het leven in vroeger tijden. Kennelijk waren er inmiddels ook heel wat magische en christelijke invloeden te vinden in de belevingswereld van de pre-industriële mens. Jammer dat En ze leefden nog lang en gelukkig weer zo’n integraal uitgegeven proefschrift is (althans, dat moet het haast wel zijn) in de bekende academische stijl van Piet zegt dit, en Marietje beweerde ooit zo, en ik heb het allemaal gelezen. Wel 40 bladzijden noten en literatuur, geen register. De ouderwetse plaatjes maken gelukkig nog iets goed.

Honger boven familiebanden

Een ding komt ook duidelijk naar voren uit de studie van Clerkx: het belang van economische omstandigheden. Honger gaat soms boven familiebanden (Kleinduimpjes ouders laten hun kinderen in het bos achter), jonge helden trekken op zoek naar rijkdom de wijde wereld in, en rivaliteit tussen broers of zusters is meestal het gevolg van onenigheid over de erfenis.

Maar juist in die economische omstandigheden gloort er nog wat hoop voor mensen die de maatschappij, en dan vooral de verhouding tussen mannen en vrouwen, graag anders zouden zien. In Over de liefde stelt Fischer dat de overgang naar agrarische gemeenschappen-met-werktuigen de nekslag voor vrouwelijke bewegingsvrijheid is geweest: daarvoor werkten alle vrouwen naast de mannen, en zwierf men rond, daarna zat iedereen vast op een plek, en ontstond de bekende rolverdeling.

Vrouwen waren niet sterk genoeg om ploegen en wat dies meer zij te bedienen, dus werden ze totaal afhankelijk van mannen. Echtscheiding werd iets heel bijzonders.

Het industriële tijdperk heeft daar verandering in gebracht. Sinds de negentiende eeuw stijgt het echtscheidingspercentage in de geïndustrialiseerde wereld dan ook gestaag.

Fischer is zeer optimistisch over de toekomst. We gaan weer terug naar ons ‘nomadische’ verleden, denkt ze. We zitten niet meer vast aan een plek, waar we ons eigen voedsel verbouwen. Welnee, we bewegen ons van huis naar werk, naar vakantieadres. Jagen en verzamelen doen we nu in de supermarkt. Vrouwen krijgen weer minder kinderen, net als in de oertijd. En ze werken weer, ook net als in de oertijd.

‘Het gaat goed!’

Mannen en vrouwen die zij aan zij werken zien Patricia Aburdene en John Naisbitt zelfs als een van de Megatrends for Women. Hun boek met die titel is zo’n typisch Amerikaans produkt vol overoptimistische statements. ‘Het gaat goed! Het gaat goed!’ schreeuwt het op elke bladzij. Vrouwen starten ondernemingen, krijgen leidende functies, stappen in de politiek. Ze eisen hun recht op! In 2004 zal een vrouw president van Amerika zijn!

Er is veel onzin en ook stemmingmakerij te vinden in deze Megatrends, maar anderzijds verandert er natuurlijk wel degelijk het een en ander. Sommige van die dingen werken overigens beslist op mijn lachspieren. Zou er bijvoorbeeld werkelijk iemand gebaat zijn bij al die vrouwelijke theologie, waar men onder meer speculeert over de mogelijkheid dat de slang in het paradijs zijn vragen expres aan Eva stelde, omdat die intelligenter was?

We zullen zien in hoeverre we de last van de evolutie kunnen afschudden, en of de hooggestemde idealen in ons hoofd het ooit echt zullen winnen van de lage lusten. Je afkomst in gedachten houden kan in elk geval geen kwaad voor een beter begrip van de wereld.

Besproken boeken:

OVER DE LIEFDE De evolutie van monogamie, overspel en scheiding door Helen E. Fischer. Vertaling Marlou Gemmeke Uitgever Contact, 391 p., f 45,-

THE SEXUAL BRAIN door Simon LeVay. Uitgever The MIT Press, 168 p.,f 56,64

LIEVER DE LUSTEN Vrouwen over hun seksualiteit door Annette Heffels en Willeke Bezemer. Uitgever Anthos/Margriet, 238 p., f 27,50

HUWELIJK moraal en praktijk door Plutarchus Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Uitgever Atheneum – Polak & Van Gennep, 94 p. f 25,-

LIEFDE, VRIENDSCHAP & LASTER door Lucianus Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Uitgever Atheneum – Polak & Van Gennep, 115 p. f 29,90

EN ZE LEEFDEN NOG LANG EN GELUKKIG Familieleven in sprookjes, een historisch-sociologische benadering door Lily E. Clerkx. Uitgever Bert Bakker, 234 p., f 45,-

MEGATRENDS FOR WOMEN door Patricia Asburdene & John Naisbitt. Uitgever Villard Books, 389 p., f 47,05

Alleen thuis

Vraag Nederlanders hoe ze met elkaar willen leven en in hun antwoord klinkt huisje-boompje-beestje. Maar wat ze willen is niet altijd wat ze krijgen.

Het allergelukkigst zeggen we te worden van een nieuwe liefde. De eerste baby staat op nummer twee. ‘Gezondheid’ en ‘gezin’ staan trouw bovenaan bij wat Nederlanders de belangrijkste dingen in het leven vinden. We wonen graag in paren. Bijna alle volwassenen hebben dat minstens een tijdlang gedaan, en als het aan de jongeren ligt, gaat dat niet veranderen ook: 96 procent verwacht later te gaan samenwonen of trouwen. En kinderen moeten er ook beslist komen – zeker 92 procent denkt ze te gaan krijgen. We vinden massaal dat je op je familie moet kunnen rekenen. 

Wie een aantal recente bevolkingsonderzoeksgegevens op een rij zet, krijgt een tamelijk conservatief Nederland te zien, dat sterk aan huisje-boompje-beestje gehecht is. Maar wat de inwoners zouden willen, is niet altijd wat ze krijgen. Bovendien blijkt lang niet alles wat ze denken werkelijk het geval te zijn. Wensen, ideeën en gevoelens verbinden met cijfers en andere feiten, gebeurt bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) in Den Haag, onder meer aan de hand van het grote familie-interviewproject ‘the Netherlands Kinship Panel Study’, dat in 2002 begon en waaraan ook de Universiteit van Amsterdam en die van Utrecht en Tilburg meedoen.

De gestage stroom kennis over de inwoners van Nederland die daar nu al jaren uit komt, laat de grote trends zien, maar nuanceert ze ook, en is soms simpelweg verrassend. Meer individualisering blijkt bijvoorbeeld juist niet tot meer eenzaamheid te leiden. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, was er een eeuw geleden een hoger percentage kinderloosheid dan nu. Nogal wat clichés kloppen niet: zo beginnen meer vrouwen dan mannen aan de befaamde ‘tweede leg’, zijn het niet de bejaarden die het grootste risico lopen eenzaam te worden, en hebben allochtone meisjes minder bezwaar tegen werken als de kinderen nog heel klein zijn dan autochtone.

1 HUISHOUDENS

Hoe staat Nederland er op het moment dan wel voor? Waar gaat het precies heen met zaken als de individualisering en de vrouwenemancipatie? Een ding is zeker. De verbanden waarin we leven worden almaar kleiner. De huishoudens krimpen en krimpen. Broertjes en zusjes hebben nog maar zelden een heleboel andere broertjes en zusjes. Het echt grote gezin (minstens acht kinderen) sterft uit, maar zelfs thuis met z’n vieren zijn, is nu heel uitzonderlijk. Wel groeien kinderen op met meer opa’s en oma’s dan vroeger, omdat die tegenwoordig veel ouder worden. Gecombineerd met het lage kindertal leidt dat zelfs tot het doordenkertje dat nu heel wat kleinkinderen meer grootouders hebben dan die grootouders kleinkinderen bezitten.

Maar met z’n allen een huis delen doen we nauwelijks nog. Helemaal alleen wonen is de trend. Op dit moment zijn er meer eenpersoonshuishoudens dan gezinnen waar de kinderen nog thuis wonen: 2,6 miljoen tegenover ruim twee miljoen. Ook het aantal koppels (opnieuw ruim twee miljoen, de meeste getrouwd) is geringer dan het aantal alleenstaanden. Er zijn minstens tien (studenten)steden waar ongeveer de helft van de bevolking in zijn of haar eentje een huishouden voert. In Groningen is het zelfs 58 procent, in de hoofdstad 56. Landelijk gaat het om meer dan een derde.

Van oudsher blijven rijke vrouwen en arme mannen het vaakst alleen. Dat hoogopgeleide vrouwen moeilijker aan een echtgenoot komen is bijna een gemeenplaats, maar tegenwoordig blijven ook hoogopgeleide, carrièregerichte mannen vaker alleen. Pearl Dykstra, tot voor kort NIDI-onderzoekster, inmiddels hoogleraar empirische sociologie aan de Erasmusuniveristeit in Rotterdam, wijt dat aan het verlangen van de meeste hedendaagse vrouwen dat hun man ook eens een bed verschoont of een kind onder de douche zet. Ze hebben niet zo’n zin om als facilitair bedrijf voor leven en werken van hun echtgenoot op te treden.

Hoe dan ook, van elke vijf vrouwen woont er een alleen, net als van elke zes mannen. Dat overschot aan alleenstaande vrouwen komt direct voort uit het feit dat ze gemiddeld ouder worden. Is er dus een overmaat aan eenzame oude vrouwtjes? Letterlijk half Nederland denkt van wel. Die is ervan overtuigd dat het merendeel van de bejaarden zich eenzaam voelt. Gelukkig hebben ze ongelijk.

2 EENZAAMHEID

Met eenzaamheid – een behoorlijk taboe-onderwerp – zit het wat ingewikkelder. De kans erop na je tachtigste is inderdaad aanzienlijk. Maar ook jong zijn is bepaald niet zaligmakend. Pubers en begin-twintigers lopen net zoveel kans op eenzaamheid als tachtig-plussers. Toch ligt het grootste risico niet bij hen, maar bij mensen van middelbare leeftijd die geen partner hebben.

Desgevraagd zegt steevast tien procent van de bevolking zich op het moment eenzaam te voelen. Al met al heeft een op elke drie Nederlanders in zijn leven een tijdlang last van eenzaamheid. Meestal na iets ingrijpends: iemand van wie je houdt gaat dood, het werk houdt op, je voelt je verloren na een verhuizing. Het wordt erger als daar nog iets bij komt: ziekte, armoe.

Opmerkelijk genoeg lijkt individualisering een positief effect op eenzaamheid te hebben. In landen met een sterke familietraditie zoals Spanje en Italië zijn de mensen eenzamer dan hier. De Scandinavische landen, die nog wat verder geïndividualiseerd zijn dan Nederland, kennen juist de minste eenzaamheid. Volgens sommige onderzoekers zou een verklaring daarvoor erin kunnen liggen dat mama, opa en tante in het noorden niet zoveel van hun familie verwachten als in het zuiden. Ze zijn al langer aan dat individualisme gewend.

3 ONDERLINGE HULP

Maar solidair met hun familie voelen de inwoners van Nederland zich wel, en heel belangrijk vinden ze familie ook. Hoe vaak ze die zien, blijkt deels af te hangen van hoe hoog ze opgeleid zijn. Lager opgeleiden komen vaker bij elkaar over de vloer, al kan dat ook komen omdat ze vaker dichter bij elkaar wonen. Maar de lager opgeleiden voelen zich wel degelijk ook harder geroepen familieleden te steunen.

Intussen is zeggen niet altijd hetzelfde als doen. Vooral mannen spreken fermere taal dan ze waarmaken. Hulpbehoevende ouders helpen moet, vinden ze bijvoorbeeld. Vrouwen zijn terughoudender als je ze ernaar vraagt. Maar als het erop aankomt, en die hulp nodig is, doen ze meer dan de mannen. Ze houden sowieso meer contact. Ook onder allochtonen zijn denken en doen niet altijd hetzelfde. Bij de Turken en de Marokkanen leeft een grotere verplichting hun familie bij te staan dan bij autochtonen, precies zoals je zou verwachten. Toch ziet Aat Liefbroer, hoofd sociale demografie bij het NIDI en hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, in de onderzoeksdata weinig verschil met wat ze in de praktijk doen.

4 FAMILIEPROBLEMEN & ECHTSCHEIDINGEN

Hoe sterk de banden over het algemeen ook zijn, van een en al happy families is natuurlijk geen sprake. Een op elke acht Nederlanders voelt zich niet geaccepteerd door z’n familie. Meestal gaat het dan om onprettige families, waar bijvoorbeeld alcoholisme, incest of ander geweld speelde. Ook de zwarte schapen – die dat overigens zelf volgens Aafke Komter, de Utrechtse bijzonder hoogleraar ‘Vergelijkende studies van maatschappelijke solidariteit’ die hen onderzocht, meestal een te negatieve benaming vinden – hebben fikse problemen. En dat maakt ze meer de outcast dan misschien voordehandliggender dingen als iemand trouwen die de familie niet moet, of homoseksueel zijn.

Ook echtscheidingen leveren uiteraard heel wat verstoorde verhoudingen op. Dat pakweg een op de drie huwelijken ooit strandt, is algemeen bekend. Minder doorgedrongen is dat toch niet meer dan twaalf procent van alle volwassen Nederlanders een echtscheiding achter de rug heeft. Niet iedereen is op een huwbare leeftijd, en ‘Liz Taylor zit er acht keer in’ legt Pearl Dykstra het altijd uit aan haar studenten. Voor kinderen zijn gescheiden ouders ook niet zo ‘normaal’ als je soms zou denken: negen procent maakt voor z’n 21ste mee dat zijn ouders uit elkaar gaan.

Dat gaat zelden in pais en vree. In de eerste twee jaar na een scheiding zegt 67 procent van de vrouwen dat het contact met hun ex vijandig is, tegenover 58 procent van de mannen, die het kennelijk niet altijd doorhebben of het anders voelen dan hun ex-vrouw. Tien jaar na een scheiding heeft de helft helemaal geen contact meer met elkaar. Maar van de exen met kinderen gaat na verloop van tijd veertig procent weer harmonieus met elkaar om. Nieuwe partners hebben een tweeledig effect: ze maken de bestaande contacten prettiger, maar zorgen ook voor minder contact.

De befaamde ‘tweede leg’ komt, anders dan het cliché wil, meer bij vrouwen voor dan bij mannen, en sowieso slechts bij drie procent van alle ouders. Het idee dat stiefkinderen en eenoudergezinnen typisch iets van deze tijd zijn, is een ander misverstand. De oorzaak verschilt deels wel: vroeger gebeurde het vaker dat een van de ouders stierf, waarna er al dan niet hertrouwd werd.

5 KINDERLOOSHEID

Ook de gedachte dat de kinderloosheid nu zo hoog is, en zo hard groeit behoeft nuancering. Dat beeld wordt bepaald door de jaren vijftig en zestig, die een grote uitzondering waren. We hadden toen het laagste kinderloosheidcijfer uit de hele bekende geschiedenis. Van de vrouwen die geboren zijn tussen 1960 en 1964 (het jongste bevolkingscohort van wie je mag aannemen dat er geen kinderen meer komen) is 17 procent kinderloos. Maar bij de vrouwen die in de eerste decennia van de vorige eeuw werden geboren, ligt dat rond de twintig procent.

In de jaren dertig waren daar ook bezorgde conferenties over. Die laten wel zien dat het inmiddels geaccepteerder is zonder ‘kinderwens’, zoals het nu heet, door het leven te gaan. Onderzoekers van toen kwamen tot de conclusie dat de dames die geen kinderen wilden (er werd indertijd meer aan geboortebeperking gedaan dan wij ons nu realiseren) zelfzuchtige, neurotische types waren. Nu keurt overigens nog steeds twaalf procent van de Nederlanders vrijwillige kinderloosheid af (ter vergelijking: in de Scandinavische landen ligt dat rond de zes procent, in de Zuid-Europese rond de twintig).

De kinderloosheid stijgt inmiddels al tientallen jaren niet erg hard, en ook de echtscheidingscijfers lijken, na de echte grote golf uit de jaren zeventig en tachtig, nu al een tijd stabiel. Maar er is wel een kleine kentering gaande. Scheiden wordt, grof gezegd, meer voor de dommen. Op VMBO’s zijn er meer kinderen met gescheiden ouders dan op VWO’s. Dykstra heeft nog geen duidelijke verklaring. Weten hoogopgeleiden beter met conflicten om te gaan? Trouwen ze heel bewust? Is het omdat ze later aan kinderen beginnen?

De hoogopgeleiden stellen de eerste zwangerschap het langst uit, maar later aan een gezin beginnen gebeurt over de hele linie. Daarom leek het aantal kinderen lange tijd meer naar beneden te gaan dan het geval was. Cohortcijfers (bijvoorbeeld alle vrouwen geboren tussen 1960 en 1970) zijn niet hetzelfde als periodecijfers (bijvoorbeeld alle kinderen geboren in de jaren tachtig). Die periodecijfers liepen terug naar 1,7 kind per vrouw, maar uiteindelijk komen we nu toch uit op 1,9 kind. Dat blijft beneden het ‘vervangingsniveau’, dat op 2,07 kind ligt.

Is het geboortecijfer in Nederland al een kwart eeuw redelijk stabiel, het kindertal is vanaf 1870 wel degelijk gaan dalen. Daar komt de veelbesproken vergrijzing vandaan.

6 VERGRIJZING & DE TOEKOMST

We zitten inmiddels op vijftien procent van de bevolking die ouder is dan 65 – overigens een lager percentage dan in de rest van Europa: de naoorlogse geboortegolf duurde hier lang. De top gaan we bereiken in 2038, dan is een kwart van de Nederlanders 65-plus. Waren we een eeuw geleden met z’n allen gemiddeld nog 28, nu is het 39, en zijn we op weg naar een gemiddelde leeftijd van 45. Maar met een beetje geluk zijn we ook op weg naar een duurzame bevolking. Die zou bestaan uit tien miljoen Nederlanders, en als we zo doorgaan bereiken we dat aantal rond het jaar 2500. Dat duurt nog even, en ver voor die tijd groeien we waarschijnlijk nog van de huidige 16,5 miljoen inwoners naar 17,5 miljoen.

Hoe de samenleving eruit gaat zien, wat we normaal gaan vinden, is lastiger te voorspellen. Veranderingen gaan vaak traag, of stellen eigenlijk niet zoveel voor. Neem de homoseksuele stellen met kinderen. Onder de mannen vind je die nauwelijks, en er zijn ook niet meer dan 2500 lesbische koppels met een of meer kinderen. Alleen dat je voor een kind moet trouwen, denken we zo langzamerhand niet meer, ook al hebben samenwoners een 2,5 keer zo grote kans om uit elkaar te gaan als gehuwde stellen. In 2007 werd voor het eerst de helft van alle eerste kinderen geboren uit niet-getrouwde ouders.

Intussen worden waarden en normen nog altijd in het gezin overgedragen. Ook de verkeerde of de nare dus, merkt Dykstra daarbij op. Het idee ‘zoals het thuis gaat, hoort het’ lijkt ons ingebakken te zitten. Kregen je ouders je vroeg, dan zit het erin dat je zelf ook jong aan kinderen begint. Wie opgroeide met een hoop familie om zich heen – dikwijls ooms en tantes over de vloer, veel logeren bij opa en oma – krijgt de smaak te pakken en begint zelf al jong aan kinderen en krijgt er meer. Kinderen van gescheiden ouders lopen een veel grotere kans dat hun huwelijk geen standhoudt. Vaders die de was doen en de stofzuiger hanteren, krijgen zonen die dat ook doen. Dochters van werkende moeders werken meer uren dan dochters van moeders die thuis zaten.

7 WERKEN

Alleen werken Nederlandse moeders nog steeds zo weinig. De Nederlandse vrouw blijft kampioen kleine baantjes. De ‘mamadag’ naast de modieuze ‘papadag’ bestaat niet. En liefst 51,5 procent van de bevolking vindt het maar niks als moeders met kleine kinderen een full time baan hebben. Cijfers die alleen te vergelijken zijn met het voormalig Oostblok. In Oekraïne is 59 procent ertegen, maar in bijvoorbeeld Portugal slechts achttien.
De reden voor het vrouwelijke arbeidsconservatisme is volgens Pearl Dykstra waarschijnlijk dat de bittere noodzaak vaak ontbreekt. Het minimumloon is hier een gezinsloon, gebaseerd op het idee dat één kostwinner in het levensonderhoud van het hele huisgezin moet kunnen voorzien. Dat is elders niet zo.

Toch betekent ‘meer werken’ niet ‘minder tijd hebben voor de kinderen’. Het leidt in de praktijk tot minder vrije tijd. Sinds 1975 is het aantal uren dat ouders aan hun kinderen besteden juist gestegen, in heel Europa. Met één uitzondering: de hard core kostwinner, de vader wiens echtgenote thuisblijft. Die is minder tijd aan zijn kinderen gaan besteden.

Inmiddels willen in Nederland alle jongeren later taken gaan delen, zij het de meisjes iets liever dan de jongens. Opmerkelijk genoeg voelen allochtone meisjes meer voor werken als ze kinderen hebben dan autochtone. Voor wie bezorgd is over de invloed van allochtonen op onze samenleving valt te melden dat de verschillen met de autochtone bevolking eigenlijk alleen maar gestaag afnemen. Nu al bestaat tachtig procent van de hele grote gezinnen uit (meestal protestantse) autochtone Nederlanders. En bijna de helft van de Marokkaanse jongeren wil eerst samenwonen en dan pas trouwen. 

Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut van de KNAW (www.nidi.nl) brengt zelf het toegankelijke blad Demos uit (www.nidi.knaw.nl/nl/demos). De Netherlands Kinship Panel Study (NKPS, zie ook www.nkps.nl) heeft tussen 2002 en 2007 in twee rondes bij ruim 9500 mensen gegevens verzameld over familieverbanden in Nederland. Dat gebeurt met behulp van vragenlijsten en (diepte-)interviews. Naast een hoofdrespondent uit een huishouden doen voor zover aanwezig ook diens partner, een willekeurig gekozen broer of zus, een willekeurig gekozen vader of moeder, en maximaal twee willekeurig gekozen kinderen van 15 jaar en ouder mee aan het onderzoek. Om betrouwbare vergelijkingen te kunnen maken tussen autochtonen en allochtonen is er een extra steekproef getrokken uit vier grote migrantengroepen (Surinamers, Antillianen, Turken, Marokkanen). Bovendien is in de opzet van het NKPS aangesloten bij soortgelijke onderzoeken in andere landen, zodat internationale verschillen en overeenkomsten gemakkelijker zichtbaar worden. Nu net is de subsidie toegezegd voor een derde onderzoeksronde, waarin men de familieleden in de databank opnieuw wil ondervragen en zo dus blijven volgen in de tijd.

Lucy Irvine

Weg van huis, memoires van een wegloopster  door Lucy Irvine, 239 blz., vert. H.M.C. Westerveld, De Kern 1987, paperback, f 24,90  (Runaway, Penguin 1986, f 17,50) ISBN: 90 325 0288 3

Weg van alles, man en vrouw op een onbewoond eiland  door Lucy Irvine, 279 blz., geïll., vert. Hugo Kuipers, De Kern, 1984, gebonden f 36,90 (Castaway, Penguin 1983, f 17,50) ISBN: 90 325 0198 4

Engeland. Het begin van de zomer. De zon schijnt, bijen zoemen, het riviertje in de verte kabbelt onweerstaanbaar aantrekkelijk. Lucy Irvine is twaalf en zit in de Latijnse les. Ze droomt van in een bootje op het water dobberen en doet vervolgens waar iedereen wel eens naar gesnakt heeft: ze vraagt de juffrouw met de dubbele onderkin of ze naar de wc mag en loopt weg.

Thuis trekt ze haar volwassenste broek aan, gooit wat appels in een tas, ze loopt even bij haar vader Richard langs (“Ik ben weggelopen.” “Oh ja? Vind je dat niet een beetje te vroeg?”) en arriveert dezelfde middag nog liftend (“Beetje jong om dit te doen he’? Pas goed op jezelf meisje.”) in de jachthaven van Chisester.

Vroeger, voordat “de stille oorlog van vader Richard en moeder Kay luider werd”, had het gezin daar vaak het weekend doorgebracht op hun boot. Die is er nu niet meer.

Lucy ontvreemdt tijdelijk een bootje en drijft daar een uur of twee in rond. Droom vervuld. Maar: “Vrijdagavond-gezinnen begonnen te arriveren, die hun auto’s, volgeladen met proviand voor een boot-weekend, uitlaadden. Net als wij vroeger. Naar hen te kijken gaf me een onbehaaglijk gevoel en al gauw legde ik het bootje aan de wal.”

Bij een stelletje motorrijders vindt ze een paar dagen lang witte bonen om te eten, een slaapzak om in te slapen en avontuurlijke ritjes achterop. Tot ze de uitdaging aanneemt zelf een rondje te rijden. Gevolg: een kapotte motor en een kapotte kaak. Lucy belandt in het ziekenhuis waar men haar dagboek leest en ervoor zorgt dat ze me’t een maatschappelijk werkster (“Ze herhaalde voortdurend hoe blij mammie en pappie zouden zijn me weer gezond terug te zien”) richting huis vertrekt. Ze schaamt zich bitter over de rotzooi die ze ervan gemaakt heeft.

Kay, haar moeder, is woest. Althans volgens Marianne, Lucy’s vijftien maanden oudere zusje. “Omdat je weggegaan bent en het eerst aan pap verteld hebt.”

Sardientje

Lucy wil niet terug naar dezelfde school. Ze komt terecht op een kostschool, St. S., waar de leuze “vrijheid” hoog in het vaandel staat. Dat levert een heel pakket regels op. Lucy eet een keer een sardientje onder de lakens. Haar schoolgenootjes zien het. “Vrijheid voor dieren betekende dat we allemaal vegetarier moesten zijn. ‘Hoe kon je?’ vroegen ze mij. ‘Ik vind sardientjes lekker.’ ‘Zie je dan niet hoe verkeerd het is om die arme kleine visjes op te eten? Wat voor recht heb je ze te doden?’ ‘Ik ben een grotere vis.’ ‘Dat is een typische fascistenopmerking!'”

Als Richard op bezoek komt vraagt hij hoe het gaat. “‘Het gaat niet,’ zei, ik botweg, zelden bang hem de waarheid te zeggen.” Richard heeft plannen. Hij wil iets beginnen in Schotland, zonder Kay voelt Lucy wel.

Richard is vaak niet thuis en Lucy maakt kennis met de allang vermoede “andere vrouw”. Edwina valt niet tegen. Zij en Richard vertrekken naar Schotland om een hotel te beginnen. Lucy gaat een tijdje naar een open tehuis en maakt ruzie met haar moeder of negeert haar. “Ik kon het niet helpen dat ik haar op de een of andere manier de schuld gaf dat Richard weg was.”

Op zekere dag komt het al verwachte telefoontje: Richard vraagt Lucy naar Schotland te komen. Daar blijkt haar een druk leven van hard werken te wachten. “In dat vroege stadium in de evolutie van het hotel waren Richard en Edwina op alle fronten aan het experimenteren. Ze hadden geen van beiden ooit tevoren in een hotel gewerkt, noch haringen gerookt of varkens gehouden. Maar ze hadden een beeld van wat zij als gasten graag zouden willen en hun normen waren compromisloos hoog.”

Lucy wordt op alle fronten ingezet, en al heel snel begrijpt ze dat het hotel nooit een gewoon thuis voor haar kan worden. “Dat jaar en in de daaropvolgende jaren stuiterden Marianne en ik als jojo’s van noord naar zuid heen en weer tussen onze twee niet-thuizen.”

Geheime vreugden

In de Schotse Hooglanden leert Lucy wel de natuur liefhebben. Ze heeft een pony en ze maakt lange wandelingen in haar eentje. “De geheime vreugden en eenzaamheid van de puberteit waren nodig om mijn ogen te openen voor de mysteries van dat bruine, dreigende landschap.”

De Schotse Hooglanden zijn de plek voor allerlei ontdekkingen. Als Marianne door de barkeeper ontmaagd is besluit Lucy dat ze er ook meer van wil weten. Ze sommeert de met een zwaar Glasgows accent sprekende man haar te kussen.

“Even was alles vreemd en prachtig. Toen was ineens zijn tong in mijn mond, die als een stuk vochtige ham heen en weer ging. Ik was op dat moment zo geschokt dat ik op geen enkele manier kon reageren.” Nog minder aangenaam zijn haar aanvaringen met de sadistische kok. Ze daagt hem uit (“de vrouw in mij was al enige tijd bezig te ontwaken”) en dat komt haar op een gebroken pink te staan. Leerzaam, vindt ze zelf.

Na de zomer doet Jem, de gedichten citerende saxofoonspeler met het ooglapje, zijn intrede. Even lijkt er een verhouding te ontstaan (“Ik vond de mengeling van arrogantie, oprechtheid, komedie en kwetsbare trots in hem steeds aantrekkelijker”), maar wanneer duidelijk wordt dat Lucy nog maagd is, buigt het geheel om naar vriendschap.

Haar muziekleraar meneer F., die ook schildert, is uiteindelijk degene die haar na een naaktschildersessie van haar maagdelijkheid afhelpt. “‘Ik heet Sebastian,’ zei hij, rolde langzaam naar mij toe en ging met zijn hand van mijn kruin naar mijn tenen. En vice versa. Het was niet al te pijnlijk en er was ook niet al te veel bloed. En in de korte, zoete slaap daarna was ik me de hele tijd bewust dat ik de kleine gescheurde tederheid binnen in me koesterde als een gewonnen prijs.”

Maar meneer F. heeft een verloofde in Stockholm. Jem trekt rond en stuurt kaartjes uit Spanje. Lucy wil ook weg. Als ze zestien is vertrekt ze met alleen dertig pond en een rugzak, die ze Beverly gedoopt heeft.

In Griekenland gaat het mis. Drie maanden is Lucy onderweg als de man die haar een lift geeft op een afgelegen plekje wil gaan zwemmen. Lucy wil niet flauw doen omdat ze net op een kop koffie getrakteerd is, en gaat mee.

Onder bedreiging van een speergeweer dringt hij al snel met zijn “zware vleesrol” die op een “dikke witte slak” lijkt bij haar binnen. “Hij stootte drie keer voor hij helemaal in me was en bij iedere stoot trok mijn lichaam krampachtig samen en probeerde waanzinnig hem weer uit te drijven. Maar hij zat nu als een vuist diep in mij begraven, keer op keer tegen dezelfde kneuzing stompend. Almaar ging het door en de zon scheen nog steeds en de aarde gaf niet mee. Hij pakte mijn gezicht en draaide het om zodat ik hem zag. ‘Lach!’ beval hij woedend. ‘Lach!'”

Na afloop doen ze alletwee of het allemaal een spelletje geweest is. Lucy stapt weer bij hem in de auto en neemt Beverly op schoot om het trillen van haar benen te verbergen. Als de man vier vriendjes heeft opgepikt die op de achterbank gaan zitten lachen om zijn verhalen springt Lucy uit de wagen.

Gele jeep

Toevallig pikt een arts haar op. Als die hoort dat ze “violée” is, wil hij haar naar het ziekenhuis brengen, maar “de gedachte aan een lichamelijk onderzoek was ondragelijk” voor Lucy.

Naar de politie gaan, wat ze wel wil, heeft volgens de dokter geen enkele zin: zelfs als ze haar daar zouden geloven hoeft ze niet op enig medeleven te rekenen. Een meisje dat in haar eentje lift…

De dokter zet haar af op het grote Syntagmaplein in Athene. Uren loopt ze daar verdwaasd en huilend rond. Een man met een gele jeep houdt haar uiteindelijk staande. Het lukt hem Lucy’s argwaan te overwinnen door haar aan de telefoon met zijn vrouw te laten praten.

Hij neemt haar mee naar huis waar Lucy sumier over het gebeurde vertelt, zich uitgebreid kan afsoppen (“ik kon mezelf er niet toe brengen me tussen de benen aan te raken”), drinkt en eet, en een nachtje op het balkon slaapt.

Maar ze moet weer door. Turkije en een kibboets in Israel wachten. Een dokter in Tel Aviv zegt haar dat ze zwanger is. Haar angst bewaarheid. Ze bezat zich en bidt dat de “zwarte teek” binnenin haar loslaat. En dat ze die Griek mag vinden. Pas als ze later haar bloed wil verkopen om aan geld te komen hoort ze dat ze helemaal geen kind verwacht. Voorlopig schuift ze een gordijn voor haar herinneringen.

Maar dat het daar niet voor altijd kan blijven, blijkt als ze niet lang daarna in een dicht op elkaar gepropte rij mensen op de bus te wachten staat. “Alle lippen waren samengeklemd en de ogen stonden op oneindig. Toen drukten twee kalme, doelbewuste handen en een derde tegen mij aanpersend ding tegen mijn heupen.” Lucy pakt haar mes, wacht tot de handen naar voren komen, voelt en snijdt dan de kloppende aderen (“de man was druk bezig klaar te komen”) op de tast open. De man vlucht en de nu een beetje gerafelde gordijnen gaan weer voor Lucy’s herinnering.

In de jaren die volgen werpt de nachtmerrie met de Griek een schaduw over Lucy’s leven. Een paar maanden nadat ze terug is in Engeland, (waar niets veranderd is, Kay is ongelukkig, Marianne is al een tijdje alcoholiste) wordt ze wakker in een psychiatrisch ziekenhuis.

“Het kwam nooit in me op het verhaal van de Griek aan de dokter te vertellen. In plaats daarvan zette ik een dwaalspoor uit, en gedroeg me nu eens wild en extrovert en was daarna dagenlang teruggetrokken in een depressieve schulp. In het gekkenhuis zitten gaf me een vrijbrief om krankzinnig te doen en daar maakte ik overvloedig gebruik van.”

In de inrichting leert ze Addie kennen. Met hem en zijn vriend Julian vertrekt ze naar een primitief, afgelegen huisje in Mole’s End, waar ze eindeloze wandelingen maakt, helemaal tot rust komt, en tussen de bedrijven door ook nog de hele wereldliteratuur inhaalt.

“De onopzettelijke nabijheid van die twee mannelijke, maar niet vragende lichamen, en de sfeer van Mole’s End, zorgden meer voor mijn genezing van de ineenstorting na de verkrachting dan welke behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis ook.”

Nog een keer gaat Lucy door het lint: na een harde confrontatie met haar vader en een stukgelopen verhouding met Adrian Massell, een docent die een echte goeroe voor haar is, (“Ik zag toen nog niet hoe ik in de indrukwekkende Massell heimelijk een Richard aanbad, met wie ik de liefde zou kunnen bedrijven”), slaan de stoppen door.

Ze breekt in in het huis van Massell, snijdt zichzelf daarbij veel ernstiger in haar hand dan ze doorheeft, en richt een enorme puinhoop aan. Net op tijd belt ze zelf een ambulance. Deze gebeurtenis komt haar op twee jaar voorwaardelijk te staan, e’n de verplichting zich onder psychiatrische behandeling te laten stellen. Met een keur van pillen verlaat ze al snel het hospitaal.

Zelfopgelegde regelmaat en een hele reeks verschillende baantjes maken dat Lucy langzamerhand ‘normaal’ wordt. Ze blijft alleen het gevoel houden dat er nog zoveel andere wegen voor haar open liggen. Dan ziet ze een advertentie: “een schrijver zocht een ‘vrouw’ om samen met haar een jaar lang een overlevingsoefening uit te voeren op een onbewoond, tropisch eiland.” Ze gaat, en het boek dat ze over dat jaar schrijft (Weg van alles) zal maandenlang in de Engelse toptien staan.

Het is ook een ongemeen spannend verhaal, waarin bijtende zandvliegen, opdrogende waterbronnen en een dieet van vis, vis en nog eens vis er samen bijna voor zorgen dat Lucy niet langer “een grotere vis” is.

Net op tijd komen de bewoners van naburige eilanden (ze horen allemaal bij Australie) met water en voedsel, en redden Lucy en “G.”, de schrijver die aan schrijven niet toekomt, van de hongerdood.

G. verwerft zich snel een plaatsje in hun midden doordat hij zo handig is met motoren. In ruil voor zijn werkzaamheden komt er nu geregeld voedsel binnen. Lucy en G. maken uitgebreid kennis met de gewoontes en rituelen van de eilandbewoners. Maar het overlevingsexperiment is daarmee wel afgelopen. Om ook iets in te brengen gaat Lucy dan eindelijk met G., – die veel ouder is, en onaantrekkelijk in haar ogen – naar bed. Toch blijft hun verhouding moeizaam: ze verschillen te veel. Er zit niets anders op voor Lucy dan het eiland dat ze zo intens is gaan liefhebben, achter te laten.

In de epiloog van het wegloopboek Weg van huis staat dat ze het eilandboek Weg van alles schreef om haar belofte na te komen aan Marianne, dat ze haar alles zou vertellen als ze ooit nog terugkwam.

“En terwijl ik dat deed, vocht Marianne met haar demonen. Ik ben er trots op te kunnen zeggen dat ze nu, naast nog vele andere dingen, een heel bijzondere tante is voor het nieuwste avontuur in mijn leven – een zoon. Ook Kay leidt nu een heel eigen, gevuld leven, en de ongelukkige dagen van gezinsmoeilijkheden liggen nu ver achter ons.” Een voorlopig happy end.

De boeken zien eruit of ze zo weggelopen zijn uit de Boekcorner van Goos Verhoef. Stijl en vertaling zijn, zoals uit bovenstaande citaten wel duidelijk zal worden, dikwijls navenant. En pas bij het bekijken van Weg van alles blijkt dat de omslagfoto van Weg van huis, – een meisje gehurkt bij een meer, duistere bergen, sombere luchten – niet zomaar een sfeerplaatje is, maar inderdaad Lucy Irvine laat zien.

Middenin Weg van alles bevindt zich namelijk een kleine collectie kleurenfoto’s: de aankomst, stroken haaievlees die hangen te drogen in de zon, het bouwen van de hut, de eilandbewoners, G., en Lucy zelf natuurlijk: half ontbloot op visvangst, wandelend over het strand, met G. gezeten onder hun een-pruim-per-dag-boom. De kiekjes vormen het bewijs dat alles echt gebeurd is.

Daar zit ook de grote aantrekkingskracht van deze twee boeken: Lucy Irvine doet alsmaar dingen waar iedereen wel eens van droomt. Wie heeft zich nou nooit voorgesteld hoe het is om op de bonnefooi op reis te gaan? Of wat je allemaal op een onbewoond eiland kan doen?

Aan de andere kant krijgen we groot gelijk dat wij al die dingen niet durven: mooi dat Lucy alleen op reis prompt verkracht wordt, en mooi dat ze bijna verhongert op dat eiland. Maar het levert meeslepende verhalen op, die mij in ieder geval probleemloos uit de slaap hielden. Over die stijl lees ik wel heen, en als er een volgend boek komt wil ik het direct hebben. Ik ben namelijk hevig in Lucy Irvines leven geinteresseerd geraakt. En dat komt omdat ze er zo boeiend en eerlijk over schrijft.

De Britse regisseur Nicholas Roeg verfilmde in 1987 Castaway. Amanda Donahoe speelde Lucy Irvine en Oliver Reed was haar tegenspeler. Medio maart wordt de film op video uitgebracht.

De geest en het willig vlees

Eerste shot: man en vrouw in badkledij gaan samen op de bank zitten. Tweede shot: beeldvullende erectie, door de tong van de vrouw bewerkt. Een volgend shot: vrouw berijdt achterstevoren de nog steeds op de bank gezeten man. Eindshot: man ejaculeert in het gezicht van de vrouw.

Klassieke porno. Het soort dat sinds jaar en dag op de wallen draait, en in de jaren tachtig vanuit de videotheek definitief de huiskamer binnenkwam. Het soort ook dat huwelijken stukmaakt, getuigden laatst een paar vrouwen in NCRV’s Rondom tien.

Hop-d’r-op-scènes

Zij walgden van hun man die naar zulke films bleek te willen kijken. Vrouwen, zo was de teneur in het programma – en aan de borreltafel is het niet veel anders – houden nu eenmaal niet van grofstoffelijke porno. Mannen zijn veel visueler ingesteld. Hop-d’r-op-scènes spreken hen direct aan. Maar vrouwen willen romantiek, een warm, intiem samenzijn en op z’n minst ‘een verhaal’. Daarom zijn kasteelromans en de bouquetreeks eigenlijk vrouwenporno.

Maar hoe kan het dan dat wanneer je het gaat meten, die vrouwen lichamelijk veel sterker reageren op het zien van de hierboven beschreven pornofilm dan op het lezen van erotische boeketreeksverhalen? Of zegt dat misschien niet alles?

Elektronische tampon

Er is veel merkwaardigs te vertellen als het gaat om vrouwen en seksuele opwinding. Allereerst: er is zo weinig van bekend. En als er iets onderzocht wordt, gebeurt dat vaak nog op basis van analogieën met mannen.

Neem de erectie: die is afhankelijk van de doorbloeding van de penis. Opwinding bij vrouwen wordt, met behulp van een soort elektronische tampon, ook gemeten aan de hand van doorbloeding: die van de vaginawand. Dat kan heel goed, maar het huis-tuin-en-keukenmiddel om seksuele opwinding bij een vrouw aan af te meten is toch eerder de vochtigheidsgraad van de vagina. Dat vocht overigens wordt waarschijnlijk geproduceerd door de Cowpersklieren, maar hoe het precies werkt weet niemand.

En dan is er de geheimzinnige Grafenberg plek of G-spot, door de gynaecoloog Grafenberg al in 1950 in een artikel beschreven. Hoe staat het daarmee? Wat weten we veertig jaar later van dat plezierverschaffende plekje in de vaginawand? Vorig jaar werden de resultaten van een in Canada en de Verenigde Staten gehouden onderzoek bekend. Duizenden vrouwen hadden een vragenlijst toegestuurd gekregen: ruim de helft vulde hem in.

Het bleek dat de meesten van hen dachten dat er een G-spot bestaat, zij het misschien niet bij alle vrouwen. De meningen over waar het plekje zich bevindt, lopen sterk uiteen. Van wie het gevonden heeft, zegt ruim een derde dat het vooraan bovenin de vagina zit, een vijfde lokaliseert het juist achteraan, maar ook alle andere plaatsen binnen de schede worden genoemd.

G-spotbezitsters

Waar hij ook zit, meer dan de helft van G-spotbezitsters meldt dat het stimuleren van alleen de G-spot (met vingers, penis, vibrator of kunstpenis, ook wel dildo genoemd) voldoende is om een orgasme te bereiken. Als dat zo is dan had Freud gelijk en bestaat er toch een ‘vaginaal’ orgasme, naast het ‘clitoraal’ klaarkomen.

Hoe het met vrouwelijke ejaculatie tijdens een orgasme zit, is niet helemaal duidelijk. Minder dan de helft van de vrouwen zegt dat wel eens ervaren te hebben, maar onder de G-spot-bezitsters zijn het er twee keer zoveel.

Dit onderzoek (uitgevoerd onder leiding van prof. J. Kenneth Davidson sr, van de universiteit van Wisconsin-Eau Claire) kan niet zomaar representatief genoemd worden voor alle vrouwen. De aangeschreven groep had om te beginnen de een of andere medische opleiding achter de rug, en je weet nooit hoe het zit met degenen die niet reageerden.

Bovendien ging het om een rapportage van subjectieve zaken. En vooral vrouwen zijn niet zo best in het waarnemen van de lichamelijke component van hun seksuele opwinding. Hun geslachtsorganen zijn veel minder een niet-mis-te-verstaan feedback-systeem dan die van mannen: voor vrouwen geen erectie. Een vochtige schede en gezwollen schaamlippen vallen minder op, ook al omdat het vocht de lichaamstemperatuur heeft.

Warm gevoel

Maar ook als je een stel vrouwen nog eens expliciet wijst op lichamelijke verschijnselen (kloppende clitoris, warm gevoel in het hele lijf) door ze een paar bladzijden uit het Lijfboek voor vrouwen te laten lezen, en je laat ze vervolgens een paar minuten fantaseren over de laatste keer dat ze lekker vreeën, dan nog geven ze nauwelijks fysieke beschrijvingen als ze moeten opschrijven wat ze gevoeld hebben.

Zelfs aan de puur lichamelijke werking van vrouwelijke seksualiteit zitten dus nogal wat raadsels vast. Die oplossen is lastig. Seks wordt door de meeste mensen als een privé-aangelegenheid beschouwd, en aan proefpersonen komen is daardoor moeilijk. Wie mee wil doen aan een experiment heeft blijkbaar minder dan gemiddeld last van gêne, en het valt niet na te gaan welke invloed dat op de onderzoeksresultaten heeft.

Seksonderzoekers zelf kunnen ook nog steeds rekenen op veel gegniffel en halve beschuldigingen van voyeurisme uit hun omgeving. Soms wordt het werken ze zelfs onmogelijk gemaakt.Schrijnend voorbeeld is Jim Geer, de uitvinder van de elektronische tampon, (officieel fotoplethysmograaf of Geer gauge geheten). Die mag zijn eigen meetapparatuur niet meer gebruiken sinds hij aan een universiteit in het conservatieve Louisiana werkt.

Rekstrookjes

Maar experimenten, testen en ingevulde vragenlijsten kunnen in ieder geval iets zeggen over een bepaalde groep. Klinisch psycholoog Joost Dekker wilde voor zijn promotieonderzoek weten of mensen in staat zijn hun seksuele opwinding zelf willekeurig te beïnvloeden. Degenen die mee wilden doen aan zijn fantaseerexperiment, (in een kaal kamertje werden ze alleen gelaten met de opdracht seksueel te gaan fantaseren. Om hun opwinding te meten waren ze aangesloten op apparatuur, dat wil zeggen: de vrouwen kregen de elektronische tampon en de mannen een soort ‘rekstrookjes’ die de omvang van de penis meten) bleken in elk geval, ongeacht hun sekse, allemaal even opgewonden te worden. En bovendien heel gemakkelijk.

In hoeverre is seksuele opwinding dan iets van de geest en in hoeverre van het lichaam? Gaan die twee eigenlijk gelijk op? Is lust opwekken gewoon een kwestie van voldoende prikkels in de omgeving?

Wel mannebillen

Het onderzoek van de psychologes Gerdy van Bellen en Ellen Laan kan daar enig licht op werpen. Van Bellen en Laan lieten 53 vrouwen kijken naar de traditionele pornofilm die hierboven beschreven werd. Ze noemen hem de “mannenfilm’: de lustbeleving van de man krijgt immers de meeste aandacht, en hij is ook degene die een orgasme krijgt. De proefpersonen kregen ook een vrouwenfilm te zien: man en vrouw kijken naar elkaar op straat, komen elkaar vervolgens tegen in een lift. De vrouw zet de lift stil, en in wat volgt is zij het middelpunt. Man zoent en aait borsten en geslachtsdelen van vrouw en uiteindelijk is zij degene die een orgasme krijgt. Er komen wel mannebillen maar geen erectie in beeld.

De proefpersonen sloten zichzelf op in een kamertje in het Psychologisch Laboratorium van de Universiteit van Amsterdam. Zelf brachten ze de elektronische tampon in die verbonden was met een computer aan de andere kant van de muur. Na een paar minuten waarin de normale doorbloeding (de base line) van de vagina gemeten werd volgde de eerste film op video. De helft van de vrouwen kreeg eerst de vrouwenfilm te zien, de andere eerst de mannenfilm.

Opwinding

Na afloop moesten ze een lijstje vragen over hun gevoelens van seksuele opwinding, onder andere in hun geslachtsdelen en in de rest van hun lichaam, invullen. Alles op een zevenpuntsschaal, variërend van ‘in het geheel niet opgewonden’ tot ‘zeer sterk opgewonden’ of ‘een orgasme’. Om weer zo dicht mogelijk bij de base line te komen werd hen dan gevraagd om een concentratietestje uit te voeren, waarna de tweede film volgde. Na afloop daarvan moest dan dezelfde vragenlijst nogmaals ingevuld worden.

De uitkomsten van dit onderzoek bevatten een paar opmerkelijke zaken. Om te beginnen was er niet één vrouw die onberoerd bleef onder het zien van harde porno. Ongeacht of ze eerst de mannen- of de vrouwenfilm te zien kregen sloegen de meters uit. Zij het bij de vrouwenfilm consequent hoger dan bij de mannenfilm.

De volgorde maakte daarbij wel ietsje uit: wanneer de vrouwenfilm de eerste was die de proefpersonen te zien kregen, dan leidde die tot een hogere fysieke opwinding dan wanneer ze hem na de mannenfilm zagen.

Opvallend was daarnaast dat de respons van lichaam en geest veel meer met elkaar overeenkwam bij de vrouwenfilm dan bij de mannenfilm. Bij de mannenfilm voelden de vrouwen zich vaak minder opgewonden dan de tampon ‘mat’. En ook andersom kwam voor: de tampon gaf weinig opwinding aan, maar de vrouw in kwestie zei dat ze zich wel opgewonden voelde. Bij de vrouwenfilm was er veel vaker sprake van een een-op-een relatie tussen de tamponuitslag en de vragenlijstuitslag.

Driftgedachte

Hoe je de resultaten ook wilt interpreteren, duidelijk is telkens dat de geest een grote en deels onafhankelijke rol speelt. Van Bellen en Laan (en ze staan daar overigens niet alleen in) zien seks, dat wil zeggen zin in seks, dan ook liever als een emotie dan als een simpele drift. De ‘driftgedachte’ die in brede lagen van de bevolking leeft, levert volgens hen vaak problemen op. Veel mensen gaan er van uit dat als je van elkaar houdt, je dan ook vanzelf wilt vrijen. Wie even denkt aan de uitslag van het onderzoek dat prof. Frenken laatst gedaan heeft (50 procent van de bevolking heeft seksuele problemen) weet dat het zo simpel niet kan zijn.

Zolang er een taboe blijft rusten op het inzetten van hulpmiddelen om lust op te wekken (dat kan van alles zijn, van elkaar fantasieën vertellen tot het gebruiken van vibrators en dildo’s) gaat volgens de onderzoeksters het verhaal van de pot met bonen bij de meeste stellen op. Dat verhaal luidt aldus: stop in het eerste jaar dat je een verhouding met iemand hebt telkens wanneer je vrijt een boon in een pot. Is het jaar voorbij, haal dan na iedere vrijpartij een boon uit de pot. Je zult zien: de pot komt nooit leeg.

Gewenning is kennelijk een belangrijk punt. Ellen Laan onderzoekt momenteel of mannen en vrouwen even snel ‘wennen’. Gegevens over mannen zijn bekend: als je die iedere keer dezelfde pornofragmenten laat zien, zeggen ze telkens even opgewonden te worden, maar hun fysieke reacties nemen consequent af. Op die manier kweek je dus als het ware minder overeenstemming tussen lichaam en geest.

De waarheid

Laans uitgangspunt bij het onderzoek is overigens niet dat een een-op-een relatie tussen lichaam en geest ‘goed’ of ‘gezond’ of ‘normaal’ is. Het idee dat je lichaam de waarheid spreekt gaat niet op: je kunt best fysiek op een seksuele prikkel reageren, maar toch geen seks willen. Dat bleek ook bij het mannenfilm-vrouwenfilm onderzoek.

Er is wat haar betreft dus geen enkele reden voor bijvoorbeeld verkrachtingsslachtoffers om zich schuldig of anderszins ongelukkig te voelen over fysieke opwinding tijdens de verkrachting. Anders gezegd: wat het lichaam ook vertelt, als een meisje nee zegt, bedoelt ze nee.

Laan en Van Bellen propageren het inzetten van de geest om het gewenningsprobleem aan te pakken: die is immers sterk. Als je gaat zitten wachten tot het leuk wordt, kun je daar volgens hen mee doorgaan tot je een ons weegt.

Fantaseeronderzoek

Het fantaseeronderzoek van Dekker toont ook aan dat je seksuele opwinding heel goed zelf kunt opwekken (iets waar Masters en Johnson nog heel anders over dachten: “No man can wish, will or demand an erection’, zoiets als: “geen man kan een erectie toveren, bewust opwekken of eisen’ was een befaamde uitspraak van de twee beroemdste seksonderzoekers aller tijden). Daarvoor moet je je om te beginnen echt op de erotiek van een situatie concentreren en de gedachten aan boodschappenlijstjes buiten de deur zetten. Nieuwe prikkels, ook speciaal daarvoor aangeschafte, kunnen daarbij helpen.

Nu zijn mannenprikkels veel meer gemeengoed dan vrouwenprikkels. Iedere sigarenzaak verkoopt de Playboy, en elke videotheek ligt vol met ‘mannenfilms’ (het heeft Van Bellen en Laan nog heel wat moeite gekost een ‘vrouwenfilm’ te vinden). De laatste jaren gebeurt er echter ook het een en ander voor vrouwen. Niet altijd met evenveel succes: de bladen Playgirl en BEV zijn alweer van de markt verdwenen.

Maar misschien was Playgirl wel niet prikkelend genoeg: een echt equivalent van het beavershot (foto waarop vrouwelijke geslachtsdelen getoond worden) is niet te vinden. Aan een vrouw valt van zo’n plaatje de mate waarin ze seksueel opgewonden is niet af te lezen, aan een man wel. Playgirl liet geen erecties zien. En van BEV wordt gezegd dat het zich net iets te veel richtte op de Amsterdamse grachtengordel.

Vibrator bij gordijnen

Maar andere initiatieven leiden een bloeiend bestaan. Eerst was er My Sin, een winkel in Rotterdam die boven lingerie verkoopt en in de kelder seksartikelen voor vrouwen: een bonte collectie vibrators en dildo’s in alle kleuren van de regenboog. Volgens Lenie Groeneveld, een van de twee winkelhoudsters, kijken haar klanten ook of een vibrator bij de gordijnen past. De vleeskleurige apparaten en de uitzonderlijk grote kunstpenissen doen het in de verkoop niet goed. Het zijn duidelijk mannen die spullen voor vrouwen ontwerpen zegt Groeneveld.

Dat neemt niet weg dat de belangstelling groot is, en dat vrouwen heel gelukkig zijn te kunnen winkelen in een zaak waar niet allerlei mannen over de rand van een pornoboekje naar hen staan te gluren. Want in de reguliere sekswinkels voelen vrouwen zich al snel bekeken. En zelfs My Sin binnenwandelen doen de meesten niet gemakkelijk. Groeneveld ziet ze regelmatig vijf, zes keer langswandelen (aan de buitenkant van de winkel is overigens absoluut niet te zien dat er binnen ook seksartikelen verkocht worden) voordat ze schuchter een keertje binnen komen. Haar conclusie is dat de groep vrouwen die nieuwsgierig is naar vibrators en dergelijke dus nog veel groter moet zijn.

Aapvormig

Wie anoniem wil blijven en bereid is een beslissing over een aanschaf te nemen op basis van een plaatje en een beschrijving, kan terecht bij het postorderbedrijf Mail & Female, ‘voor en door vrouwen’, zoals de smaakvolle catalogus meldt. Het bedrijf (dat twee vrouwen van een salaris voorziet) bestaat een kleine twee jaar.

En was My Sin de eerste sekswinkel voor vrouwen in Europa, Mail & Female is het eerste postorderbedrijf voor vrouwen in die sector. Het best verkopende artikel: Black Jelly, een zwarte vibrator in de vorm van een penis. Omschrijving: ‘Heel favoriet is deze ‘echt’ aanvoelende vibrator. Gemaakt van flexibel en zacht materiaal. Voor makro-orgasmes! Regelbare vibratie. (f 39,50)’. Ook Tarzan verkoopt erg goed. Naast een gewone penisvormige vibrator heeft die ook nog een aapvormige clitorisstimulator en een anusstimulatortje. Inmiddels hebben Hanni Jagtman en Ellen van der Gang op verzoek van velen ook voorbinddildo’s in de collectie opgenomen.

My Sin en Mail & Female zouden graag meer verhalen, fotoboeken en ook porno verkopen: er is vraag naar. Maar de industrie levert bijna niets dat vrouwen aanspreekt. Welke vrouwen eigenlijk? De vrouwen die zij als klant krijgen. En dat is dezelfde categorie vrouwen die aan het onderzoek naar de G-spot meedeed en die het mannenfilm-vrouwenfilmexperiment wilde ondergaan: bijna allemaal goedopgeleid en tussen begin twintig en eind veertig.

Kelder

Meisjes van achttien aan wie Lenie Groeneveld vertelt dat ze beneden in de kelder ook seksartikelen verkoopt zeggen nog ‘Dat heb ik niet nodig, want ik heb een vriend’, maar de leeftijdsgroep daarboven is nieuwsgierig. Die wil experimenteren, variëren. Zijn ze exemplarisch voor alle vrouwen? Hebben we te maken met trendsetsters, of gaat het hier gewoon om uitzonderingen? Vragen die voorlopig niet beantwoord zullen worden.

NOOT: Het verhaal dat in de krant verscheen, was iets korter dan deze oorspronkelijke versie.

“Nederland was de eerste maatschappij die op een moderne manier achter ging lopen”

Prof. Jan de Vries mag graag een heilig geschiedenishuisje omgooien. Onze Gouden Eeuw een en al bloei van creativiteit? Ach, er zat ook een economische kant aan. In de achttiende eeuw gebeurde er hier niets, was alles even saai? Daar heeft De Vries nog wel een paar kanttekeningen bij. De industriële revolutie kwam niet uit de lucht vallen, en dat moeders vroeger thuiszat en vader de kost verdiende is ook al niet waar.

Bestaat er een Hollandser naam dan Jan de Vries? De meestvoorkomende achternaam in ons land, met wat zeker in zijn generatie — hij is geboren in 1943 —  nog de gewoonste jongensnaam was. En toch is de winnaar van de Heinekenprijs voor Historische Wetenschap een Amerikaanse professor in Berkeley, waar hij zowel aan de economische als de historische faculteit van de University of California verbonden is.

Economische geschiedenis is dan ook zijn specialisme. Vooral die van Europa na de middeleeuwen tot aan de negentiende eeuw, de vroeg-moderne tijd in zijn eigen jargon. Daarbij komen De Vries’ Nederlandse roots hem goed van pas. Want natuurlijk heeft hij die, en ze zijn behoorlijk sterk. Wij voeren ons gesprek in het Nederlands dat De Vries tot zijn vierde gewoon gesproken moet hebben, maar daarna grotendeels verloor, omdat zijn ouders tot de vele emigranten behoorden die meenden dat het ter bevordering van de integratie verstandiger was alleen Engels tegen hun kinderen te praten.

Eerste moedertaal

De Vries’ Amerikaanse accent getuigt daar nog van, maar dat is vrijwel het enige. Contacten met Nederlandse collega’s, onderzoek in Nederlandse archieven en maar liefst driemaal een verblijf in Wassenaar op het NIAS  (Netherlands Institute for Advanced Study in te Humanities and Social Sciences) bezorgden hem zijn eerste moedertaal als het ware terug.

Dat was allemaal niet omdat De Vries per se Nederland wilde onderzoeken, maar omdat Nederland op allerlei terreinen een leidende rol speelde binnen Europa, en hij als student al geïntrigeerd raakte door economische invloeden op de Europese geschiedenis. De Vries: “Het gaat bij algemene geschiedenis wel altijd over de economische invloeden op de politiek, maar dat is niet genoeg. Dat besefte ik voor het eerst toen ik een boek over de Amerikaanse economische geschiedenis las waarin de rol van veel meer zaken behandeld werd.  Het ging bijvoorbeeld ook over de bevolkingsopbouw en over de agrarische geschiedenis. Dat betekende voor mij dat je je dus los kunt maken van alleen die politieke geschiedenis en dan toch een voldoende analytische en brede studie doen.”

Voedsel en goederen

Sindsdien publiceert De Vries zelf studie na studie, over onderwerpen die uiteenlopen van broodprijzen tot trekschuiten, van werkmanssalarissen tot landschappen. Hij bracht ook boeken uit voor niet-vakgenoten, zoals het samen met Ad van der Woude geschreven Nederland 1500-1815. De eerste ronde van moderne economische groei.

Bergen buitengewoon lastig werk verzette hij voor zijn onderzoek naar de urbanisatie (verstedelijking) van Europa na de middeleeuwen. Hoe is de verstedelijkte maatschappij waarin we inmiddels allemaal leven tot stand gekomen? De Vries zocht antwoord op vragen als: hoeveel mensen woonden er wanneer in welke stad? Hoe ging dat, waar kwamen nieuwe inwoners vandaan, wanneer kwamen er nieuwe distributievormen voor voedsel en goederen?

De gegevens lagen natuurlijk niet netjes klaar in oude bevolkingsregisters en wat dies meer zij. De Vries moest cijfers afleiden uit weer andere cijfers, gegevens combineren, schattingen doen. Hoe hij te werk is gegaan wordt  uit de doeken gedaan in zijn boek European Urbanization, 1500-1800, dat tabellen en andere overzichten bevat over 379 steden, van Bergen tot Warschau. De Vries zocht en vond modellen om de demografische ontwikkelingen om te zetten in een geschiedenis van de urbanisatie.

Vluchten

Voordat hij daarmee begon waren er hooguit losse stadsgeschiedenissen, maar op die ‘urban history’ aanpak heeft De Vries de nodige kritiek. “Aan de biografie van één bepaalde stad heb je niet zoveel”, zegt hij. “Het gaat om het systeem, de context waarbinnen zo’n stad functioneerde. Was er een netwerk van steden, die onderling contact hadden, handel dreven? Het scheelt ook nogal of urbanisatie optreedt doordat mensen vluchten voor de slechte economische omstandigheden op het platteland, of dat doordat er werkkrachten nodig zijn in een bloeiende stad. De ene stad met 50.000 inwoners kan er totaal anders uitzien dan de andere, afhankelijk van de geschiedenis. Welke functies heeft de stad, hoe is de relatie met de omgeving, welke hiërarchieën bestaan er?”

De Vries kwam tot een paar opmerkelijke conclusies. Zo bleek dat snelle bevolkingsgroei en snelle stedenontwikkeling bijna nooit samengingen. De urbanisatie was goeddeels een onafhankelijk proces. De Vries: “Door het onderzoek ben ik gaan spreken van een Europees stedennetwerk dat al ontstaan was vóór – en als voorbereiding van – de industriële revolutie, in plaats van als gevolg daarvan.  En dat heeft m tot nieuwe inzichten gebracht over de vroeg-moderne tijd in het algemeen.”

Andere wereld

Europa was namelijk op weg naar de industriële revolutie, stelt hij. “Het begin daarvan wordt altijd gelegd in Engeland, aan het eind van de achttiende eeuw, onder koning George de derde, bijna op het jaar nauwkeurig. Technologische vernieuwing, het bekendst is de stoommachine, maakte het toen mogelijk de productiekosten te verlagen, en iedereen zag dat altijd als dé grote, plotselinge doorbraak naar de moderne tijd. Daarna werd de hele wereld anders.”

Maar daarvoor was hij al begonnen anders te zijn. En Nederland zat oorspronkelijk in de voorhoede. “Heel belangrijk was dat er in de Lage Landen een redelijk open markteconomie werd toegepast, met ruimte voor technologische en organisatorische ontwikkelingen die er in de omringende landen nog niet was”, legt De Vries uit. “In de zestiende en zeventiende eeuw ontstond er zo al een netwerk van steden, met moderne trekken. Er werd efficiënt gehandeld en er was een relatief vrij verkeer van mensen en informatie. En kijkzelfs een eenvoudig boerenbedrijf in een markteconomie is toch iets heel anders dan een agrarische sector waarin feodale verhoudingen heersen. Wat ik dan ook wilde laten zien is dat simpele veranderingen en eenvoudige mensen de economische groei kunnen bevorderen, en dat die groei een belangrijke ‘voorgeschiedenis’ heeft.”

Saaie boel

Zoals in Nederland, dat weliswaar in de achttiende eeuw zijn leiderschapsrol verloor, maar daarom nog niet stilzat. De Vries: “Industriële productie wás niet de enige groei-impuls. De technologische vernieuwing kwam weliswaar in Nederland niet goed op gang, maar men zocht wel degelijk elders compensatie. Ik wil het woord stagnatie, waarmee altijd aan die tijd gerefereerd wordt, niet gebruiken. Het was misschien niet zo spectaculair wat er gebeurde, maar de economie ontwikkelde zich wel. De agrarische sector was in de zestiende en zeventiende eeuw al vrij modern, en in de achttiende eeuw reageert die op de mogelijkheden in omringende landen. Nederland werd toen van een land waar de voedselimport de export overtrof het omgekeerde. En de laatste 200 jaar is het een netto-exportland gebleven.”

“Mijn eigen opvattingen hierover zijn overigens in de loop van de jaren wel wat veranderd. Ik dacht ook dat er een starheid ingetreden was in die achttiende eeuw, dat de economie daarom faalde en dat het allemaal pas weer opengebroken werd in de Franse tijd en daarna. Nu denk ik dat Nederland de eerste maatschappij was die te kampen kreeg met moderne vormen van achterlijk worden. Niet dat ze terugzakten naar een primitieve samenleving, dat bedoel ik niet. maar de grenzen waar ze tegen aanliepen waren volgens mij juist het product van de groei die er wel degelijk bestond. Het was geen saaie boel, men was zich er ook van bewust dat er iets moest gebeuren, en deed allerlei frustrerende pogingen tot verandering.”

Elders

Het zat dus tegen, onder meer in de handel. De Vries: “In de zeventiende eeuw speelde Nederland op alle grote markten van Europa een rol van betekenis, maar in de eeuw daarna werd de ene na de andere markt moeilijker toegankelijk voor Nederlandse goederen. Door verhoogde tarieven, staten die sterker werden en nog meer. Dus gingen ze het ergens anders zoeken:  in de Oost, uiteraard, maar ook in Afrika en  de Nieuwe Wereld, allemaal gebieden waar flinke groei in zat, waardoor de handel drie of vier keer zo groot werd als in de Gouden Eeuw.  Maar nooit ging het met Nederland zo goed als met zijn concurrenten.”

Eén probleem was dat de industriële productiekosten te hoog waren geworden. Dat klinkt erg modern, want daar hebben we nog altijd last van. “Precies”, zegt De Vries, “daarom zeg ik dat er in de achttiende eeuw sprake was van een moderne vorm van achteruitgang.”

Kunstproductie

Ook in de kunstsector wilde het toen niet goed genoeg lukken. De Gouden Eeuw was definitief voorbij, maar ook daar zat het volgens De Vries anders mee dan de standaardgeschiedenislessen vertellen. Hij praat er met smaak over, al voegt hij er haastig aan toe geen deskundige op kunsthistorisch gebied te zijn. “Maar met wat collega’s heb ik pogingen gedaan de kunstproductie in de Gouden Eeuw en daarna vanuit de economie te beschrijven”, zegt hij.

“Kunstschilders produceerden net als andere ambachtslieden grotendeels voor de markt. Het ging echt niet alleen om mecenassen en rijke edellieden die veel geld te besteden hadden. Daar was ik me al van bewust, maar ik wilde graag weten wat de consequenties daarvan waren. Hoe zat het met de organisatie van kunstproducties? Gingen ze proberen om leuke genrestukken aan de gewone man te slijten? Nieuwe technieken inzetten?”

“Het bleek dat je met simpele begrippen uit de bedrijfskunde heel goed de ontwikkelingen kon beschrijven. Zo was er sprake van procesdifferentiatie, concurrentie, productdifferentiatie. Er werden nieuwe marktsegmenten aangeboord, ook anderen dan de kleine gegoede kring werden aangespoord om in hun huis een schilderij aan de muur te hangen.”

Fijnschilders

“Landschappen en genrestukken waren in de zeventiende eeuw eigenlijk iets nieuws. Er kwamen ook andere technieken. Je kreeg kunstschilders die heel snel werkten, die in een dag een schilderij maakten, daar een gulden of twee voor opstreken en zo een boterham verdienden. En daarnaast kreeg je echte fijnschilders, die juist heel lang aan een stuk werkten. Enfin, al die dingen kwamen in feite binnen één generatie tot ontwikkeling, ongeveer tussen 1620 en 1650. In diezelfde periode ging ook het aantal schilders sterk omhoog, het werd een grotere economische tak van bezigheid.”

“En daarna kreeg je de ommekeer, de instorting van de markt .  In 1680 was er nog maar de helft van het aantal schilders over en toen veranderde gelijk ook de manieren van werken weer: het brede assortiment kromp weer in. Hoe dat kon en hoe de hele organisatie van die bedrijfstak in elkaar zat boeide mij. Een echt antwoord op de vraag wat er in de maatschappij en de economie gebeurde heb ik niet. De achteruitgang van de economie speelde wel een zekere rol, maar ook was de markt verzadigd. Er waren gewoon al zoveel schilderijen.”

Huizinga-esk

“Wat er wel kwam was invloed uit het buitenland. Maar wat daar gemaakt werd sprak vooral de rijksten en meestontwikkelden aan. De verfijnde, aristocratische stijl, met classicistische invloeden paste niet goed bij de Nederlandse geest. Dat klinkt misschien wat Huizinga-esk, maar  Nederland was, vooral onder invloed van de Reformatie, een land van soberheid en degelijkheid. Dat zag je in alle vormgeving terug en dat klimaat paste niet bij de achttiende-eeuwse verfijning die toen in de mode kwam. Nederland raakte dus ook op dat terrein zijn leidinggevende rol kwijt.”

Maar we gingen wel hard meedoen aan wat De Vries de industrious revolution, de revolutie van de vlijt, gedoopt heeft. “Naast de macro-economische ontwikkelingen, gebeuren er ook op microniveau dingen”, legt hij uit. “Vanaf ongeveer 1650 tot aan de negentiende eeuw, dus voorafgaand aan de industriële revolutie, gingen mensen veel harder werken. Overal in noordwest Europa, en je zag het ook in de oorspronkelijke dertien koloniën van Noord-Amerika. Er werden meer uren gemaakt, en meer gezinsleden gingen geld verdienen. Het waarom is niet zo eenvoudig te achterhalen, maar het consumptieve gedrag van individuen veranderde, er was een verlangen naar goederen, een andere levensstijl. Het gezin werd dus een andere economische eenheid.”

“De voorgeschiedenis van het gezin wordt tegenwoordig meestal niet goed begrepen. Dat moeder thuis ging zitten, de kinderen naar school gingen en vader kostwinner werd was een reactie op de industrialisatie. Dat was toen iets nieuws. Het is dus zeker niet zo dat we altijd een patriarchale maatschappij hebben gehad. Kijk, het gaat in golven, de hele geschiedenis. We zijn geneigd alles lineair te zien, maar dat klopt niet. Als ik de simpele benaderingen van verleden-heden-toekomst een beetje kan openbreken ben ik tevreden.”

Kameleon op hete kolen

Een paar meisjes zijn teruggekomen. Gisteravond hebben ze de vuurloop niet aangedurfd, maar vanochtend werden ze met spijt wakker. Tegen elven grijpen ze hun tweede kans: ze lopen in wandeltempo over een pad gloeiende houtskooltjes van een meter of vijf. Met hun hoofd omhoog en onder het snel uitspreken van de woorden “koel mos”. Het kan niet, maar toch voelen ze niets van de hitte die zo overduidelijk van het pad afstraalt.

Een kleine twintig mensen, inclusief de verslaggeefster, houden deze avond bij de vuurloop volmaakt gave voetzolen, ook al zegt hun verstand dat dat niet klopt.

De wandeling is de finale van een avond cursus van Emile Ratelband, deze keer bedoeld voor de verkoopstaf van een bedrijf dat ondermeer vlooiebandjes maakt. Neuro Linguistisch Programmeren is het onderwerp en uitgangspunt bij Ratelbands optreden dat ruim vier uur duurt en toch niet gaat vervelen. De vuurloop is, zo zegt hij zelf, niet meer dan een metafoor, een manier om cursisten duidelijk te maken dat ze meer kunnen dan ze denken.

Neuro Linguistisch Programmeren (NLP zeggen ingewijden) wordt verkocht als een wondermiddel, een modern panacee, en het verkoopt goed. Boekwinkels richten er speciale hoekjes voor in en vooral in de psychotherapie en het bedrijfsleven is het een groot succes. Het komt uit Amerika, en kan nog het best omschreven worden als een samenraapsel, of wie weet een synthese van al langer bekende inzichten en technieken uit de psychologie.

Maar er zijn een paar opvallende verschillen. Zo leert NLP dat je niet alleen van je eigen ervaringen kunt leren, maar dat die van een ander ook al voldoende zijn. Iets dat iemand anders al eens gedaan heeft, wat het ook is, dat kun jij ook, is de boodschap. Hoe? Door die ander te modelleren, als model te nemen.

Ratelband heeft – naast de vuurloop waarbij hijzelf als model voor de cursisten optreedt door te vertellen wat hij doet en dan als eerste over de kooltjes te wandelen – een paar tot de verbeelding sprekende voorbeelden. Wie iets wil veranderen in zijn leven moet eerst weten wat hij nu echt wil. Een relatie die na dertig jaar nog fris en interessant zal zijn bijvoorbeeld? Zoek dan een stel dat dat heeft, en vraag ze uit. Hoe gaan ze met elkaar om? Wat zijn hun overtuigingen? Iedereen kent ook wel het voorbeeld van de man van negentig die nog steeds genietend van zijn borreltje en sigaretje op een bankje zit: als hij dat kan, kunt u dat ook. Topverkoper bij uw bedrijf worden? Meer geld verdienen? Een betere gezondheid krijgen? Alles is mogelijk, wanneer die ene hindernis genomen is: de overtuiging dat u het niet kunt en dat u het niet zelf in de hand hebt.

Geheel tegen de heersende trend in gaan NLP-ers ervan uit dat iedereen met volkomen gelijke kansen geboren wordt. Mensen hebben geen aangeboren talenten, maar krijgen door wat ze meemaken overtuigingen dat ze iets wel of niet goed kunnen. Een tekentalent dat je in een hele familie terugziet is geen gave, maar komt voort uit het onbewuste modelleren dat we allemaal ook zonder NLP doen. Ook intelligentie is niet erfelijk bepaald.

Ratelbands verhaal roept weerstand op. Ook in de zaal in Ugchelen die hij toespreekt. Zijn standaard antwoord is: je hoeft het niet te geloven, je moet het gewoon proberen. Dat geldt ook voor het spiegelen, dat naar zijn zeggen hét middel is om iets te verkopen. Dondert niet wat: een produkt, jezelf, je ideeën. Om iets aan iemand te verkopen moet je rapport (op z’n Frans uitgesproken) maken. Dat doe je in eerste instantie met je lichaam en je stem. Je neemt precies dezelfde houding aan als degene die je wilt bereiken, kopieert zijn of haar gebaren en je gaat op dezelfde manier ademen.

Dit is dikwijls al genoeg. In de Playboy van november vorig jaar stond onder de kop “De grote versierder” een curieus verslag te lezen van Ratelbands vermogen bloedmooie meisjes binnen een paar minuten aan zijn tafeltje te krijgen. Met een paar verslaggevers trok hij het Amsterdamse nachtleven in. In iedere nieuwe kroeg mochten de heren van Playboy zeggen met wie er contact gelegd moest worden. Ratelband ging dan op een afstandje het meisje in kwestie exact zitten kopiëren en tot verbijstering van de twee journalisten werkte het vrijwel elke keer. Desgevraagd bleken de meisjes meestal niets bijzonders gemerkt te hebben. Met een beetje oefenen kun je zover komen dat het altijd lukt, zegt Ratelband, en je hoeft er geen mooie jongen voor te zijn.

Heb je de goede bewegingen, houding en ademhaling te pakken, dan wordt het tijd de toon van je stem en je manier van spreken aan te passen. Zit je tegenover een stotteraar dan moet je ook een beetje gaan stotteren. Commentaar uit de zaal: “Ja zeg, ik ben niet achterlijk! Zo’n man denkt dan toch dat ik hem voor de gek hou. Die verkoop ik nooit meer een vlooieband.” Ratelband opnieuw: “Probeer het nou maar eens een keer, je hoeft het niet te geloven.”

Het achterliggende idee van het spiegelen is dat ieder mens nu eenmaal toch het meest van zichzelf houdt. Jammer genoeg wil niemand ingaan op Ratelbands vraag “of er misschien iemand in de zaal is die van een ander zegt: die mot ik niet’. Nu zet hij twee vrouwen die elkaar nog nooit eerder gezien hadden tegenover elkaar, en laat ze “rapport’ maken. Na de lichaamshouding en het stemgebruik komt de inhoud aan bod: met een beetje doorvragen zijn er snel overeenkomsten in belangstelling (vakantie, zon, zee, kinderen) gevonden. Het rapport is gemaakt, en ja hoor, aan het eind van de sessie voelen de twee zich vriendelijk gestemd tegenover elkaar.

Om helemaal goed op de behoeften van anderen te kunnen inspelen is het daarnaast nodig om VAK te worden. VAK staat voor Visueel, Audio en Kinesthetisch: zien, horen en voelen dus.

Je hebt mensen die vooral visueel zijn (het type dat druk praat, veel gesticuleert en wegkijkt), anderen zijn meer audio gericht (de luisteraar die zelf bedachtzaam formuleert), en weer anderen ‘kino’ (“van die mensen die je altijd willen aanraken’). Die types botsen in de omgang, (dat tegenoverstelde karakters elkaar aantrekken is volgens Ratelband een fabeltje, ook partners zoeken toch altijd gelijkenissen), maar iedereen heeft van alledrie wel wat.

Het is dus zaak je ‘audio-kant’ boven te halen bij een audiotype, je kinokant bij een kino-gesprekspartner en zo verder. Ratelband illustreert dit punt door vier tophits te draaien. Met een grote bril op zingt hij mee met een visueel gericht liedje met een hoog tempo (Take a look at me now), voor de ‘audio-plaat’ (Beautiful noise ) heeft hij plastic oren, en het gevoelige kino-nummer (Your touch) krijgt begeleiding van een paar rubberen handen. De grootste hit (What a feeling) verenigt alle drie die elementen, die heeft de meeste mensen, namelijk alle types, aangesproken. De one-man-show is nu compleet.

Maar er moet nog meer duidelijk gemaakt worden. Dat je gedrag bepaald wordt door je stemming bijvoorbeeld, en dat je die stemming heel goed zelf kunt sturen. Ratelband laat de zaal een eenvoudig gedachtenexperimentje uitvoeren: met de ogen dicht moet iedereen zich zijn lievelingsappel voorstellen. Met alles erop en eraan: kleur, geur, stevigheid, smaak.

Zoals te verwachten krijgt iedereen verschrikkelijke trek in een appeltje, en loopt het water ze in de mond. Toch is die trek heel eenvoudig om te zetten in afkeer: door het appeltje in gedachten te laten verschrompelen tot een bruin, rimpelig, rot exemplaar waar een wormpje uitkomt. Het punt is duidelijk: je eigen stemming sturen kan ook bij heel andere dingen. En daarbij zijn iemands eigen ervaringen een goudmijn.

Is het zo’n dag dat niks wil lukken, dat alles een onmogelijke opgave lijkt? Denk dan aan een gelegenheid waarbij alles gladjes verliep. Probeer de stemming, de gedachten, de gevoelens van toen op te roepen, en begin vanuit die nieuwe stemming opnieuw.

“U wist het allemaal al hè?” zegt Ratelband aan het eind van de avond. Dat schrijft ook 65 procent van de tachtig procent die naar Ratelbands eigen zeggen de enquête terugstuurt die hij elke cursist zes weken na een seminar toezendt. “Alleen, nu weet u dat u zelf de keuze kunt maken.”

Zijn seminar is inderdaad een wonderlijk mengsel van show, clichés, Aha-erlebnisse en zeer vergaande claims: de hele wereld met al zijn mogelijkheden ligt voor iedereen open. Tenminste, voor wie er aan wil. Ratelband opent de avond met de vraag of de zaal met hem mee wil spelen. Gewoon, een avond lang. En het lukt hem om de meesten mee te krijgen. De boodschap is ook zo ongemeen aantrekkelijk. En Ratelbands eigen overtuigingen en enthousiasme werken aanstekelijk.

De vuurloop is wat dat betreft een soort vuurproef voor wat hij weet te bereiken in één avond tijd. Bovendien is hij zelf een soort levend bewijs van de effecten van NLP.

Eerder, thuis in zijn villa die uitsluitend als ‘kapitaal’ betiteld kan worden, heeft hij zijn levensverhaal verteld. Een klassieker van de eerste orde. Geheel aan lager wal geraakt in Amerika waar hij met het hele gezin naartoe getrokken was om de Amerikanen de geneugten van het oerhollandse poffertje bij te brengen (Ratelband komt uit een bakkersfamilie), kocht hij zo’n beetje van zijn laatste geld het boek Unlimited Power van Anthony Robbins. Een man die het vak van Neuro Linguistisch Programmeren van de grondleggers zelf (de psychotherapeuten Richard Bandler en John Grinder) geleerd had. Ratelband las het boek in één nacht uit en sindsdien is alles anders. Hij ging in de handel en werd binnen de kortste keren miljonair. Zelfs met de poffertjes is het uiteindelijk goed gekomen.

Eenmaal succesvol wilde hij de rest van de wereld ook kond doen van de kracht van NLP. Een half jaar lang modelleerde hij Anthony Robbins (“Tony”) bij al diens groepstrainingen en persoonlijke sessies. Sindsdien geeft hij zelf cursussen en seminars voor bedrijven in binnen- en buitenland (overigens altijd met een “niet-goed-geld-terug’ garantie), maar hij helpt ook mensen die kanker hebben en heroïneverslaafden.

Toch Johan Maasbach, de gebedsgenezer? “Ik heb hem alleen nog maar een hand gegeven”, zei een jongen aan het begin van de avond, “maar hij straalt wel wat uit, vind je niet?” Ratelband moet niets hebben van een religieuze benadering.

Maar over de wetenschappelijke bewijsvoering, en de benaming van NLP is hij duidelijk: met bevindingen uit de neurologie, de linguïstiek of het programmeren van computers heeft het allemaal niet veel te maken. ‘Neuro’ slaat op het feit dat alles zich in het brein afspeelt, ‘linguïstisch’ is het woord dat duidelijk moet maken dat lichaamstaal en hoe je dingen voor jezelf noemt (iets is nooit een mislukking maar altijd een resultaat waarop je verder kunt bouwen bijvoorbeeld) belangrijk zijn, en ‘programmeren’ heeft te maken met de nieuwe ‘instructies’ die je jezelf kunt geven.

Meer is het niet. Ratelband zal het ook een zorg zijn, het is de praktijk die telt. En wie weet wél hoe de menselijke psyche in elkaar zit of hoe geest en lichaam samenhangen?

Dat pragmatische is ook typisch Amerikaans. Maar juist omdat het allemaal daar vandaan komt, krijgt NLP in Nederland vaak die geëxalteerde Amerikaanse toon mee, die veel mensen tegen de borst stuit. Het boek van Robbins (een bestseller) heet in het Nederlands Je ongekende vermogens. Het hele NLP-hoekje in de boekwinkel ligt vol met titels waar grote groepen mensen automatisch met afkeer aan voorbij lopen: Hoe haal je wat in je hoofd, de nieuwe denktechniek NLP, Veranderen kan …. leuk zijn, Je moet maar durven, Neurolinguïstische programmering in het sollicitatiegesprek en bij outplacement, Change your mind enzovoort.

Ook de teksten in die boeken hebben vaak dat hijgerige, eufore. En hetzelfde geldt voor de folders en mailings van al die andere NLP-trainingsinstituten, die zich inmiddels op deze markt hebben begeven. Daar staat dan weer een boek als Neuro-Linguistisch Programmeren in Nederland (van J. Hollander, L. Derks en A. Meijer, twee klinische en een sociaal psycholoog) tegenover, dat wat kalmer van toon is en waarin ondermeer een psychotherapeut, een projectmanager, een fysiotherapeut en een dierenarts vertellen hoeveel plezier van NLP ze hebben bij hun werk.

Maar of iedereen in staat is de kameleon te worden die Ratelband zelf zo overduidelijk is? Zoals iemand aan het eind van het seminar zei: “Al hebben maar twee mensen vanavond een andere draai aan hun leven kunnen geven.”

“Het grote publiek willen bereiken is onzin”

“Het was een enorme verrassing,” zegt prof.dr. M.E.H.N. Mout (46) in haar werkkamer in Leiden, “ik was zeer verrukt”. In 1988 werd haar gevraagd om lid van de Akademie te worden.

Ze weet het nog precies: “Ik zat hier achter mijn bureautje incognito te werken, in een spijkerbroek, toen ze kwamen. Het was allemaal in het geheim voorbereid. Zelf had ik er nooit over nagedacht, – niet dat ik denk dat ik niet heel slim ben natuurlijk – maar het is in de wetenschap in Nederland toch een van de hoogste dingen die je kunt bereiken. Het is ook een Koninklijk Besluit.”

Dat besluit is in het geval van Mout goed gevallen, ze heeft er nog steeds plezier in, ook al zal ze niet elke maandvergadering bezoeken. Mout: “Je hebt activiteiten en activiteiten en je kunt niet overal ja op zeggen. Ik zit bijvoorbeeld wel in de jury van de de la Court-prijzen. Dat is veel werk. En ik word wel vaker bij dingen betrokken. Ik ben nu voorzitter van de Commissie  voor de Geschiedenis en Cultuur van de Joden in Nederland. Vroeger heb ik nog eens in het Joods-historisch Museum gewerkt.”

Geschiedenis is Mouts vak. In Leiden is ze hoofddocent Vaderlandse Geschiedenis en sinds kort bijzonder hoogleraar “in de Middeneuropese studiën met speciale aandacht voor de positie van Oostenrijk vanwege de Stichting Oostenrijkse studiën”, zoals het voluit heet.

Haar hoogleraarsbenoeming bracht Mout terug bij een oude belangstelling: Midden-Europa. “Ik heb gestudeerd bij Presser, in Amsterdam”, vertelt ze, “en daar hoorde ik dat er een uitwisselingsakkoord was en dat je een beurs kon krijgen om naar Tsecho-Slowakije te gaan. Toen heb ik eerst in ’66 mijn kandidaats gedaan, en daarna ben ik vertrokken. Ik heb ook in de DDR en Hongarije gezeten, de talen geleerd. Na viereneenhalf jaar ben ik afgestudeerd, in 1968. Ik vond de wetenschap heel leuk, maar al die colleges waar je heen moest waren toch wat bezwaarlijk. Zeker in Amsterdam waar zo veel leukere dingen te doen waren. Die heb ik ook gedáán.”

Na een jaar als “redacteur voor alle geesteswetenschappen” gewerkt te hebben bij uitgeverij Martinus Nijhoff, die vervolgens opgekocht werd, besloot Mout full time aan een proefschrift te gaan werken. Dat verliep niet echt soepel. Presser was inmiddels overleden, en er bleek iemand anders anders bezig met een proefschrift over Comenius, die het onderwerp van haar doctoraalscriptie geweest was.

Uiteindelijk schreef ze wel een boek, dat in Praag verscheen, maar het promoveren werd uitgesteld. Achteraf zegt ze: “Ik heb daar geen spijt van. Anders was ik op mijn 25e al doctor geweest, en dat is slecht voor de psyche.”

Koude oorlog

Mout ging weer naar het buitenland, dit keer naar Oostenrijk, waar ze als kind al vaak geweest was. Wat haar daar trok? “Ik hou van theaterlanden en muziek. In Amsterdam heb ik ook theaterwetenschap als bijvak gedaan, dat kon toen net. Ik ben ook niet alleen maar dol op Midden-Europa, in Italië en Spanje kom ik ook graag. Deels is het een politieke kwestie. Ik ben opgevoed met de koude oorlog, en dat idee heb ik nooit kunnen aanvaarden. Voor mij was er nooit een breuk bij de grens tussen Beieren en Tsjecho-Slowakije. Ik vond het wel vervelend dat ze daar met schietpistolen stonden, maar ik heb me er nooit iets van aangetrokken. Mijn contacten heb ik altijd warm gehouden, en verder was het zaak buiten de media te blijven. Je moet geen statements doen. In de krant kwam ik wel vaak mijn dissidente vrienden tegen. Kijk, ik vind dat Europa bij elkaar hoort. Neem de Habsburgers, die zijn verspreid over vijf verschillende landen.”

“De geschiedenis kennen helpt wel. Ik heb me vooral met de zestiende eeuw beziggehouden, een rare leerschool, maar toch wel aardig. Je kijkt anders naar de gebeurtenissen in Slovenië als je weet dat ze daar om de zoveel tijd het idee hebben dat ze zich moeten afscheiden. Maar ik zal er nooit een verklaringsmodel van maken. Ik ben een geboren skepticus. Causale samenhangen zal ik altijd willen ondergraven.”

“Overigens heb ik alle veranderingen in Oost-Europa wel zien aankomen, omdat ik er zo vaak kwam. Ik heb het zien rommelen. In ’87, ’88, traden er in Tsjecho-Slowakije bijvoorbeeld echt wijzigingen op. Het intellectuele circuit werd wat vrijer gelaten, en er kwamen personele veranderingen aan de top. Ik kreeg ook wat meer Tsjechen op de stoep, maar voor mij persoonlijk maakt het niet veel uit. Ik blijf omzichtig omgaan met mijn contacten.”

Tweede leven

In 1975 promoveerde Mout alsnog, op de relatie tussen Bohemen en Nederland ten tijde van het hof van Rudolf de Tweede, bij prof. Schöffer, hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis. Mout: “Die zei dat dat heel goed bij hem kon, want het onderwerp had ook met Nederland te maken.”

Nadien is Midden-Europa een beetje blijven liggen, Mout kwam eerst een jaar part time bij de afdeling Nieuwe Geschiedenis in Utrechtterecht, daarna in Leiden waar ze nu nog zit. Ze heeft zich in de afgelopen jaren veel met ideeëngeschiedenis beziggehouden, van de vroeg-moderne tijd tot de jaren zestig waarover ze een groot hoorcollege gaf. Tot haar spijt heeft het haar ontbroken aan tijd om over alles waarin ze college heeft gegeven te publiceren. “Als de Akademie mij nog een tweede leven zou kunnen geven..” verzucht ze.

Maar ze is ook heel tevreden over de ruimte en tijd die de Vakgroep Geschiedenis haar geeft.  Zelf vat ze het zo samen: “Als mevrouw Mout iets geks bedenkt dan mag ze het doen.” Ze heeft vrijstelling gekregen voor het afnemen van tentamens over de 19e en 20e eeuwse geschiedenis. Daardoor kon ze zich op de organisatie van een keuzevak over Midden-Europa werpen. Daarnaast ook nog onderzoek doen is tot dusverre onmogelijk gebleken.  

Mevrouw, mijne heren

Ze mag dan nu hoogleraar zijn, Mout is zeer verguld over het feit dat de Akademie haar al voor die tijd als lid wilde hebben. “Daar is de Akademie voor, die moet je niet uit hoofde van je positie vragen,” zegt ze.

En ook niet uit hoofde van je sekse. Mout is een van de weinige vrouwelijke Akademieleden. “Mijzelf kan dat niet schelen. Ik ben er helemaal aan gewend om overal te horen ‘Mevrouw, Mijne heren’. Het enige wat mij interesseert is interessante mensen ontmoeten. Ik ben ook absoluut niet voor een voorrangsbeleid voor vrouwen. Het helpt namelijk niet. Het enige dat je kunt doen is zorgen dat studenten de kans krijgen. Als er een vrouw is die iets kan worden dan moet je dáár, op dat niveau gaan opletten. Je moet goed op ze passen. De problematiek zit ‘m daarin dat vrouwen vaak minder gestimuleerd worden door hun omgeving. Ik had een sterstudent die het ene kind na het andere kreeg, maar nu moet ze promoveren van mij. Het is me wel opgevallen dat vrouwen hun conclusies vaak met zo weinig voortvarendheid presenteren. Dan doen ze goed onderzoek, maar ze zijn te aarzelend in de manier waarop ze het brengen. Dan geef ik ze een schop. Maar bij jongens heb je dat natuurlijk ook wel eens.”

 “Nieuwe Akademieleden mogen alleen maar worden aangenomen omdat ze heel knap zijn. Niet in managen, maar in de wetenschap. Dat is heel belangrijk, dat is de taak van de Akademie. Ik ben het er overigens wel mee eens dat er meer leden komen. De positie van de KNAW is veranderd. Het was hun eigen wens om een grotere rol in de wetenschapspolitiek te gaan spelen. Ik heb daar geen oordeel over, maar ik volg het met belangstelling. En het zal zeker gevolgen hebben voor de Akademie als gezelschap. Nu is het toch nog steeds een beetje een herenclub die betrekkelijk van de wereld is. Er niet alle leden zijn even actief.”

Vermaak

Mout is er een van. “Ik vind dat je mee moet doen. Als ik ergens inzit dan ben ik ook beschikbaar. Laatst riep het bureau van de Akademie bijvoorbeeld mijn hulp toen er een speech gemaakt moest worden voor een minister uit Hongarije. Ik ben er zelf niet bijgeweest, maar het schijnt dat de man in tranen is uitgebarsten over mijn verhaal. In ieder geval was hij aangedaan.”

Actief zijn werpt ook vruchten af. “Als Akademielid ben je goed op de hoogte, ook van de politiek. Je hoort gewoon meer. Het informele circuit is belangrijk. En dan is er natuurlijk het vermaak dat je met mensen van andere vakken in contact komt. Dat levert uitwisseling van gedachten op.”

Zijn er nog dingen die de Akademie niet doet, maar wel zou moeten doen volgens Mout? “Móeten doen? Ze zijn bezig met het stroomlijnen van al die instituten. Het lijkt me dat ze daar voorlopig hun handen wel vol aan hebben. Alleen bij de afdeling Letterkunde is er niet zoveel te doen. Daar zitten wel interessante instituten, die echt aan mij besteed zijn.”

“De Akademie-symposia vind ik een goede zaak. Een circuit buiten de universiteiten en NWO. Maar ik geloof niet dat de Akademie nog meer moet aanpakken. Het grote publiek willen bereiken is onzin. Tegen een al te grote pr zeg ik nee. Dat is nutteloos. Alle media weten heus wel wie je bent. Dat je daarmee je macht en aanzien kunt vergroten geloof ik niet. Wetenschap is de hoofdzaak. Maar ik ben maar een eenvoudig lid.”

Mout is ook nog lid van een geheim genootschap, waarover ze op de valreep enthousiast begint te vertellen. “Dat is een soort tegenhanger van de Akademie. Het is een club voor Nederlandse 16e eeuwse geschiedenis. Die bestaat al zo’n twintig jaar, oorspronkelijk waren het alleen promovendi van Woltjer. Iedereen mag er komen, iedereen mag er alles zeggen, maar het mag alleen over lopend onderzoek gaan en het is verboden ook maar iets naar buiten te brengen van wat er besproken wordt. Je kunt jezelf er voor aanmelden en je kunt ook gevraagd worden. Er is geen enkele dwang, het gaat allemaal officieus. Alles bij elkaar zijn er zo’n veertig mensen ‘lid’. Op de maandelijkse bijeenkomsten komen er vijftien à twintig. Van net-afgestudeerden tot profs. Wat daar gebeurt is de essentie van wetenschapsverbanden: persoonlijke contacten, ook internationaal. Dat Schama tegen iemand  kan zeggen dat hij bij mevrouw Mout terecht kan. Om zulke dingen draait het.”

Mannen zeggen anders ‘mhm’ dan vrouwen

Vrouwentaal, feiten en verzinsels door Dédé Brouwer 118 blz., Aramith 1991, f 19,90 ISBN 90 68340875

Het gewicht van de directrice. Taal over, tegen en door vrouwen door Agnes Verbiest, 134 blz., Contact 1991, f 17,90 ISBN 90 25469086

Het is een heel wonderlijk gegeven: tussen ongeveer hun vijfde en vijftiende jaar praten jongens en meisjes bijzonder weinig met elkaar. Ze trekken in die periode vooral met hun seksegenootjes op.

Ondertussen staat hun ontwikkeling natuurlijk bepaald niet stil, alleen gaan jongens-onder-elkaar een andere kant op dan meisjes-onder-elkaar. Het verschil zit hem vooral in de dingen die ze doen en de manier waarop ze met elkaar omgaan.

Iedereen kent het clichébeeld van aan de ene kant herrieschoppende, overactieve jongetjes die elkaar aan een stuk door lopen af te troeven bij hun wilde spelletjes, en aan de andere kant bedaarde meisjes die samen in een hoekje heel serieus zitten te spelen of alleen maar te kletsen.

Laat de uitzonderingen even buiten beschouwing en je ziet duidelijk twee verschillende culturen. Gevolg: wanneer de twee geslachten elkaar in hun puberteit weer interessant gaan vinden krijg je een heuse culture clash. Een razend interessant onderzoeksterrein voor sociobiologen of antropologen zou je zeggen, maar in de praktijk is het vaak de vrouwentaal-tak van de sociolinguïstiek die zich ermee bezig blijkt te houden.

Taal is dan de invalshoek en dat leidt al gauw tot een soort omkering van zaken. Twee boekjes die onlangs vlak na elkaar verschenen,  Vrouwentaal van Dédé Brouwer en Het gewicht van directrice door Agnes Verbiest, laten dat weer zien. Beide auteurs hebben het woordenboek uitgespit op woorden met ‘man’ en woorden met ‘vrouw’ erin. En ja hoor, wat komt daaruit: er zijn verschillen. Je hebt wel ‘manloos’, maar niet ‘vrouwloos’ bijvoorbeeld, en wel ‘vrouwenlichaam’ maar niet ‘mannenlichaam’.

Een en ander wordt breeduit en op hoge toon uitgemeten. Zie-je-wel-zie-je-wel lees ik voortdurend tussen de regels door. Brouwers klinkt bozer en rancuneuzer dan Verbiest, die over alles een jolig sausje heeft gegoten, maar de schrijfsters zijn duidelijk alle twee van mening dat ze iets bewijzen.

Maar wat bewijzen ze nou? Dat mannen en vrouwen in de maatschappij niet dezelfde plaats innemen mag zo langzamerhand toch wel een open deur heten, en dat je de verschillen terugvindt in de woordenschat is op zijn zachtst gezegd nogal wiedes. Het zou ook ronduit dom zijn te verwachten dat je de heersende verhoudingen  niet in de voorbeeldzinnen van woordenboeken tegenkomt.

Zo is inderdaad — Brouwer merkt het zelf op — in de Dikke Van Dale ‘de meid is aan de afwas’ een druk later ‘zij is aan de afwas’ geworden, en nog een druk verder ‘hij heeft de afwas weer laten staan’. Een volgende druk zal ongetwijfeld opnieuw de maatschappelijke ontwikkelingen volgen.

UITSTERVEN

Andere woorden maken geen andere wereld, het is juist omgekeerd: verandert er iets in de wereld, dan komt daar altijd een woord voor. Sterft iets uit, dan sterft het woord ook uit of het krijgt een andere betekenis. Dat gebeurt vanzelf, of je er nou voor bent of juist tegen. Taal laat zich slecht sturen. En het woordenboek hobbelt automatisch altijd achter de feiten aan.

Brouwer en Verbiest weten dat natuurlijk eigenlijk allemaal best. Ze zijn ook geen van tweeën fervent voorstander van het invoeren van de timmervrouw en de dokteres, al was het alleen al, zoals Brouwer terecht opmerkt, omdat je vaak niet weet welk achtervoegsel je moet kiezen: ‘hoofdes’ (zoals in voogdes), ‘hoofdin’ (zoals in waardin)? En: ‘‘Precies het feit dat er over vervrouwelijking wordt geredetwist en bewuste keuzen moeten worden gemaakt, wijst erop dat dit niet meer als vanzelfsprekend tot ons taalgevoel behoort.”

Zulke taalveranderingen maken weinig kans in het taalgebruik door te dringen: het eeuwen geleden bedachte onderscheid tussen ‘hun’ en ‘hen’ doet nog altijd bedacht aan, en vereist bij bijna iedereen nadenken of opzoeken voor ze het kunnen gebruiken.

Beide schrijfsters vermelden nog een ander nadeel van exclusief vrouwelijke termen: ze leveren dikwijls een ‘lagere gevoelswaarde’ op. Secretaris-secretaresse is daar een bekend voorbeeld van, maar volgens Verbiest legt een directrice ook minder gewicht in de schaal dan een directeur (vandaar de titel van haar boek).

Dit punt bewijst alleen maar eens te meer dat het geen enkele zin heeft je met benamingen bezig te houden: zolang de maatschappij mannen en vrouwen verschillend bekijkt zal ze ze verschillend benoemen.

Wat Brouwer en Verbiest met hun verongelijkte boosheid over woorden denken te bereiken is dan ook een raadsel, net zoals het nergens duidelijk wordt op wie ze nu toch zo boos zijn. Wie is toch die opperseksist die het allemaal bedacht heeft? Let wel: in een maatschappij die voor iets meer dan de helft uit vrouwen bestaat. Een interessant punt waar consequent aan voorbij wordt gegaan.

Benamingen zijn maar één gebiedje dat in het vrouwentaalonderzoek telkens terugkomt. In welke opzichten vrouwen anders praten dan mannen is een ander. Vroeger, ook in deze eeuw nog, zijn daar al mooie seksistische dingen over gezegd.

In beide boekjes wordt de taalkundige Jacques Van Ginneken aangehaald. De vrouwtjes zijn babbelziek, kuis (ze gebruiken geen krachttermen) en gevoelig (ze zeggen ‘honnig’ en ‘vreselijk mooi’) volgens Van Ginneken in 1915. En leeghoofdjes natuurlijk: ze kennen minder woorden, kunnen geen moeilijke zinnen bouwen en logica of het vermogen onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken ontbreekt. Ik moet daar vooral van grinniken.

Maar nog steeds komt uit opgenomen en vervolgens uitgeschreven gesprekken naar voren dat mannen zich stelliger uitdrukken, en dat vrouwen meer verkleinwoordjes gebruiken, minder aan het woord zijn dan mannen, (dus) minder interrumperen, en meer vragen stellen. Ook moedigen ze degene met wie ze praten vaker aan met uitingen als ‘mhm’ en ‘ja’ en dergelijke.

Dat vrouwen er een rudimentaire grammatica op nahouden mag een idee zijn dat alleen nog op de lachspieren werkt, maar hoe zit het met die andere dingen? Wat zeggen die nou precies?

Anders dan in het geval van de grammatica hebben ze met taal niet zoveel te maken. Het gaat veeleer om gedrag. Is dat aangeboren? Of aangeleerd in die jaren tussen je vijfde en je vijftiende als je aldoor met seksegenootjes praat? Of is dat tijdelijke ‘terugtrekken’ ook weer aangeboren? Volgens mij zitten de crux en de interessante vragen hier, niet in de taal zelf.

Mannen en vrouwen (in één taalgemeenschap tenminste) spreken wel degelijk dezelfde taal. De systemen die ze gebruiken zijn exact gelijk: mannen kunnen ook heus wel verkleinen en vragen stellen, en ‘mhm’ zeggen tijdens een gesprek. (Wat dat laatste betreft: het schijnt zo te zijn dat mannen werkelijk willen instemmen met wat iemand zegt als ze instemmend hummen, terwijl vrouwen niet meer hoeven te bedoelen dan ‘ja, ik luister nog, ga door’.) Mannen hebben dus een andere houding. Ze praten ook met andere doelen voor ogen: ze willen scoren, winnen, terwijl vrouwen het graag gezellig houden en liever overleggen om het uiteindelijk eens te worden.

Karikaturaal? Ja, dat vind ik ook, en ik ken ook heel wat mensen die niet direct voldoen aan dit beeld. Maar in een karikatuur herken je ook het origineel, en er zal dus zeker iets inzitten.

Dat de verschillen altijd en overal opgaan is natuurlijk ook nooit vast te stellen. Onderzoek naar gesprekken is lastig. Als iets niet op een bandje staat, betekent dat nog niet dat het ook echt niet voorkomt. Je kunt niet alle soorten gesprekken met alle soorten gezelschappen opnemen. Vloekt en scheldt u nog lekker tegen uw partner als er een bandje meeloopt? En wie weet hoeveel lieve verkleinwoordjes mannen in bed fluisteren. Veel van de gegevens tot dusver komen bovendien uit Amerika, uit een andere cultuur dus.

ZONDER MEER WAAR

Problemen waar Verbiest in haar opgewekte stijltje vrolijk overheen fietst. De lezer krijgt alles als zondermeer waar voorgeschoteld. Verbiest laat trouwens op de tweede bladzijde van haar boek al zien totaal geen kaas van taalkunde gegeten te hebben. Daar meldt ze namelijk dat alle onderzoek naar taal tot dusver altijd door, over en voor mannen was. Haar groteske conclusie verdient het geciteerd te worden: ‘‘Dat weten we dus allemaal al min of meer.” Wat doet iemand die er zo weinig benul van heeft op dit terrein vraag je je af.

Toen ik verderop nog las dat de grammatica de vorm ‘loodgieter’ voor een loodgieter voorschrijft heb ik maar eens hartelijk gelachen.

Brouwer heeft gelukkig wel een wetenschappelijk geweten dat af en toe een woordje meespreekt. Na de ellenlange uitweiding over het woordenboek waar de onverzoenlijkheid vanaf spat, verandert haar boek ineens totaal van toon en inhoud. Op de laatste tientallen bladzijden volgt een keurige, van kanttekeningen voorziene samenvatting van het vrouwentaalonderzoek tot dusver.

Alles op een rijtje: de vrouwelijke neiging ‘netter’ te praten dan mannen (dat wil zeggen: ze gaan met hun uitspraak dichter tegen de standaardtaal aanzitten), het rare feit dat mannen makkelijk hoger en vrouwen makkelijk lager zouden kunnen spreken dan ze doen, de onderzoekjes waaruit blijkt dat vrouwen negatiever tegen ruwe taal aankijken dan mannen.

Bij alles vertelt Brouwer waar en hoe het onderzoek gedaan is, hoeveel mensen eraan meededen et cetera. Zo kun je de conclusies tenminste naar waarde schatten. Aardig is dat ze ook Je begrijpt me gewoon niet, de tophit van Deborah Tannen, in een paar bladzijden navertelt. Dat scheelt honderden pagina’s op elkaar lijkende anekdotes en uit de literatuur geplukte dialogen.

Als het onderwerp u interesseert dan kunt u het beste het laatste deel van Brouwers Vrouwentaal lezen. Verbiest en Tannen kunt u gevoeglijk laten zitten.

Een travestiegeval in de hoogste kringen

De niet helemaal opgehelderde succesvolle geslachtswisseling van Mary Diana Dods, bastaarddochter van de vijftiende graaf van Morton en vriendin van Mary Shelley. Geschiedvervalsing van een geleerde dichter-diplomaat. 

MARY DIANA DODS, A Gentleman and a Scholar, door Betty T. Bennett. Uitgever: William Morrow and Company, Inc. New York, 303 p. Importeur: Van Ditmar, f 51,85

Een vrouw die zich verkleedt als man, en niemand die het doorheeft. Niet een keertje, maar jaren lang, en dat temidden van de Anglo-Franse elite, de literaire salons van Parijs, in dezelfde tijd als generaal Lafayette en de schrijvers Mérimée en Stendhal daar ook rondliepen.

Pas 170 jaar later werd het geheim van Mary Diana Dods, alias de schrijver David Lindsey, alias Walter Sholto Douglas, diplomaat en echtgenoot van de beeldschone Isabella Robinson Douglas ontdekt.

U moet het natuurlijk helemaal zelf weten, maar dit is nou zo’n recensie die u een hoop tijd en moeite kan besparen. Hij gaat over het boek Mary Diana Dods, a Gentleman and a Scholar van Betty Bennett. De feiten die daarin in ruim driehonderd pagina’s verteld worden zijn prikkelend, onverwacht en dus zeker de moeite waard. Ze laten zich alleen tamelijk gemakkelijk in een paar alinea’s samenvatten.

De rest van het boek is vooral gevuld met een minutieus verslag van Bennetts twaalf jaar durende zoektocht door allerlei archieven. Bennett bezorgde drie delen brieven van de Engelse Mary Shelley, weduwe van de jong verdronken en toentertijd nog weinig gewaardeerde dichter, en schrijfster van ondermeer de evergreen Frankenstein. De reis door de archieven begon ze omdat ze een paar namen en passages uit Mary Shelleys brieven niet thuis kon brengen.

Die passages worden in het boek uitentreuren herhaald. De lezer krijgt daarnaast een overmaat aan namen te verwerken, zonder dat er ergens een overzichtje met wat personalia gegeven wordt. Bennett is zelf zo thuis in de kringen van Mary Shelley, dat ze vergeet dat anderen dat niet zijn. En alleen een archievenfreak die graag leest over een soortgenootje zal plezier kunnen beleven aan de zeer gedetailleerde manier waarop Bennett ingaat op haar onderzoek.

Maar goed. De feiten.

Mary Diana Dods was een Schotse die aan het begin van de vorige eeuw leefde. Ze was een vriendin van Mary Shelley. Mary Diana Dods was lelijk, een beetje mismaakt zelfs. Dat moeten we althans opmaken uit de beschrijvingen: een portret van haar bestaat voor zover bekend niet. De gezondheid van Mary – of “Doddy”, zoals Mary Shelley haar noemde – was bepaald slecht.

Het zat haar alles bij elkaar niet erg mee in het leven: als een van de twee bastaarddochters van de vijftiende graaf van Morton had ze weliswaar een goede opleiding gehad (ze sprak haar talen, wist van literatuur), maar haar vader vond haar blijkbaar toch niet belangrijk genoeg om haar ruim van middelen te voorzien. Niet tijdens zijn leven en ook niet na zijn dood: Doddy en haar zusje Georgina (Mrs. Carter, die al heel jong haar echtgenoot verloren had) erfden uiteindelijk maar een klein beetje.

Het was zaak te overleven. Als vrouw kon Doddy haar opleiding maar moeilijk te gelde maken. Voor de huwelijksmarkt was ze waarschijnlijk te onaantrekkelijk. Mary Diana Dods bedacht dus een list: ze begon gedichten en korte verhalen te schrijven onder een mannennaam.

Aan haar uitgever liet ze weliswaar weten dat ze niet werkelijk David Lindsay heette, maar ze presenteerde zichzelf in haar correspondentie consequent als een man van uitstekende afkomst. Dat werkte een tijdje. Lindsay’s werk werd positief ontvangen, er was alleen een probleem: uitgever Blackwood verkocht er vrijwel niets van.

Tegen de tijd dat Dods’ vader gestorven was en ze werkelijk dringend om geld verlegen zat was Blackwood al begonnen Lindsay zachtjes maar zeer beslist af te houden. Van de dichter en schrijver David Lindsay werd daarna nooit meer iets vernomen, ook al leeft hij in de literatuurgeschiedenis nog steeds voort. En dat dat ten onrechte als man is toont Bennett overtuigend aan.

David Lindsay werd in 1826 iemand anders: Mr. Walter Sholto Douglas. Aan die transformatie moet een uitgekiend plan vooraf zijn gegaan. Mary Shelley zat in elk geval in het complot: ze meldt ergens in haar correspondentie dat Doddy er nu serieus over denkt om “de broek aan te doen”. Bovendien verzorgt ze valse uitreispapieren voor Walter Sholto Douglas, zijn vrouw Isabella en hun dochtertjes Adeline. Dat staat werkelijk vast: ze vraagt in een van haar brieven aan iemand om zich uit te geven voor het “echtpaar” met de smoes dat ze hen de reiskosten naar het afgiftepunt voor paspoorten wil besparen.

Bennett weet aannemelijk te maken dat alle betrokkenen voordeel hadden van het bedrog. Mary Shelley wilde in elk geval haar lieve, lieve vriendin Isabella helpen. En die zat werkelijk in de nesten: haar dochtertje Adeline was hoogstwaarschijnlijk het resultaat van een avontuurtje met een Amerikaan, ene Graham, die in de problemen kwam, het land moest verlaten en vlak daarna stierf in een duel.

Isabella’s “huwelijk” met “Walter Sholto Douglas” voorkwam dat ze een ongehuwde moeder werd, en het maakte van Adeline een wettig kind. Doddy kon in het buitenland waar niemand haar kende een nieuw leven beginnen.

Maar voor een carrière moest ze een man zijn. Dus dat werd ze. Bijkomend voordeel was de bewegingsvrijheid voor het hele gezelschap, waar ook Doddy’s zusje Georgina bijhoorde. In plaats van een clubje alleenstaande vrouwen, waarvan er eentje ook nog eens een onwettig kind had, ontstond een respectabele familie.

Wat er in Parijs gebeurde nadat de hele “familie” daar aankwam is niet helemaal duidelijk. Nooit is er ook maar ergens een indicatie te vinden dat iemand in de gaten had dat Mr. Douglas geen “Mr.” was. Wel zijn er een paar verslagen die melding maken van een hevig flirtende Isabella. In de literaire salons windt ze allerlei heren om haar vinger.

Haar “echtgenoot” wordt een redelijk succesvol diplomaat, maar belandt na een paar jaar om onduidelijke redenen in de gevangenis. Van daaruit vraagt “hij” om nep-snorren, en daar loopt het spoor dood. Er is nog een brief van Mary Shelley waaruit duidelijk wordt dat Doddy er beroerd aan toe is, maar nergens valt iets te vinden over haar dood, noch over die van Mr. Douglas. Bennett gaat er van uit dat Doddy in Frankrijk gestorven is. In 1830 is Isabella terug in Engeland, zonder echtgenoot. De vriendschap met Mary Shelley is dan stuk. Isabella moet nogal een onbetrouwbaar type geweest zijn, dat een ster was in het charmeren van haar omgeving, zoveel is duidelijk.

Bennett heeft knap speurwerk geleverd. Belangrijk lijkt me dat ze een travestiegeval in de hoogste kringen boven tafel heeft gekregen. Verhalen over vrouwen die zich als soldaat of werkman onder de mannen mengden waren al langer bekend, maar Mary Diana Dods’ levensverhaal laat zien dat dat ook elders voorkwam.

Hoe uitzonderlijk dat was blijft een raadsel. Wie weet hoeveel Doddy’s er in de geschiedenis geweest zijn, hoe vaak de geschiedenis vervalst is. Heel lang gold dat een vrouw met een opleiding geen schijn van kans had die opleiding ook daadwerkelijk uit te buiten. Dat Doddy lesbisch of transseksueel was is natuurlijk een mogelijkheid, maar op zichzelf genomen is er geen enkele reden dat aan te nemen, zegt ook Bennett.

Ondanks het naarstige zoeken van Bennett blijft Doddy ondertussen wel een schimmige figuur, zonder gezicht, zonder duidelijke karaktertrekken. Dat is geen verwijt aan Bennett: meer valt er waarschijnlijk echt niet over Mary Diana Dods te vinden. De rest moet je er als lezer zelf bij fantaseren. Of misschien kan iemand zijn tanden eens stukbijten op een meeslepende roman die gebouwd is op de gegevens die Bennett met zoveel moeite bij elkaar gezocht heeft. Dat lijkt me nog het beste dat er met dit boek zou kunnen gebeuren.

Krijgen jongetjes meer complimenten?

Vrouwen en kennis, door Mary Field Belenky, Blythe McVicker Clinchy, Nancy Rule Goldberger, Jill Mattuck Tarule. Vertaling: Gerda Pancras, Uitgever Contact, 288 p.

 

“Waarom twijfelen zoveel vrouwen aan hun intellectuele capaciteiten?” Dat wilde ik ook wel eens weten. De achterflap van Vrouwen en kennis beloofde het antwoord op die vraag, dus begon ik het te lezen. Wel, het heeft me weken gekost, maar ik heb het uit.

Het boek bleek een soort onderzoeksverslag van vier Amerikaanse psychologes, gebaseerd op “diepte-interviews” met 135 vrouwen van allerlei leeftijden, met zeer uiteenlopende opleidingen en achtergronden. Het was de schrijfsters bij hun werk(“onderzoek naar de intellectuele, morele en psychologische ontwikkeling van adolescenten en volwassenen in het onderwijs en in therapeutische situaties”) opgevallen dat zoveel vrouwen onzeker waren over hun eigen kunnen, en dat ze dikwijls spraken over problemen en leemten in hun opleiding.

Daarom wilden de schrijfsters onderzoeken hoe vrouwen kennis verwerven. Om ook iets over de groei van kennis te kunnen zeggen interviewden ze veertig van de 135 vrouwen na een jaar of langer nogmaals.

Interessante vraagstelling, voor de methode valt zeker iets te zeggen, dus dat moet haast wel een boeiend boek opleveren. Tot op zekere hoogte is het dat ook. Alleen is het voor mij volmaakt onbegrijpelijk dat vrouwen die zich een boek lang druk maken over de ontoegankelijkheid van veel kennis voor vrouwen, zelf zulk ontoegankelijk proza maken. Hun rapportage is een hoogst wonderlijk mengelmoesje van persoonlijke gevoelens of gedachten en verschrikkelijk psychologenjargon.

Op de allereerste pagina melden de dames al dat ze “zelfs wel eens huilden” bij meningsverschillen over de opzet van het boek. Verderop gaat het voortdurend over “kentheoretische posities”, en het mengen van die persoonlijke betrokkenheid met jargon leidt tot het opnemen van passages als: “Het is een bepaald soort van spreken: ‘Spreken dat onze binnen- en buitenwereld tegelijkertijd aanboort en aanraakt binnen een gemeenschap van anderen met wie wij een diepgevoelde, grotendeels onzegbare, maar elke dag hernieuwde intersubjectieve realiteit delen’.”

Spoelt u maar even, ja. Misschien ben ik wel te veel door mannen geindoctrineerd, maar dat gekokketeer met tranen en diepgevoelde gevoelens maakt me ongelooflijk kregel. En al die dikke, maar meestal volstrekt lege woorden daarnaast, benemen me het zicht op de ontwikkeling die de schrijfsters proberen te schetsen. (Ten dele zal het ook aan de vertaling liggen, die bepaald niet soepel te noemen is. En iemand die de “sign language” van doven met “tekentaal”, in plaats van met “gebarentaal” vertaalt maakt mij nogal argwanend.)

Als ik het goed begrepen heb dan wordt er in Vrouwen en kennis, heel kort samengevat, ongeveer het volgende verteld: kennis verwerven dat gaat als het ware in fasen. En die fasen onderscheiden zich van elkaar in de manier waarop de kennisverwerver tegen kennis aankijkt. Wie net komt kijken gelooft alles wat de meester zegt, en denkt bovendien zwart-wit: iets is waar of niet waar.

Vervolgens breekt het inzicht door dat de meester niet altijd gelijk hoeft te hebben. Dat leidt tot een ietwat obstinate houding: dat kan hij wel zeggen, maar ik vind lekker toch dat het anders zit. Dat kan ik niet beargumenteren, maar zo voel ik het nu eenmaal. Daarna komt de fase waarin argumenten weliswaar waardevol worden gevonden, maar waarin toch iedereen “recht op een eigen mening heeft”. Dan komt de tijd dat de kennisverwerver boven alles dingen wil begrijpen, voors en tegens tegen elkaar leert afwegen, om tenslotte in de fase te belanden dat hij zelf ook nieuwe kennis kan produceren.

In grote trekken zijn deze fases gelijk voor mannen en vrouwen. Ze zijn, voor mij in ieder geval, herkenbaar: hoe meer en hoe langer je “leert”, hoe meer je erachter komt dat de meeste dingen niet zo eenvoudig in elkaar zitten of opgelost kunnen worden als je soms wel zou willen. Het kost tijd en moeite om erachter te komen dat er erg veel “grijs” bestaat en dat veel zaken van meer kanten bekeken kunnen worden. Steeds meer autoriteiten vallen daarbij van hun voetstuk. Je zou kunnen zeggen dat je daar in fasen achter komt. Alleen komen volgens Vrouwen en kennis vooral veel vrouwen (meer dan mannen) nooit verder dan de eerste of tweede fase.

Waarom? Het hele boek is gelardeerd met stukjes interview, verhoudingsgewijs de best verteerbare teksten. Daaruit spreekt schrikbarend vaak grote angst, een ontstellende onzekerheid en daarmee samenhangend een idiote autoriteitsgevoeligheid. Het griezeligst vind ik de groep die de schrijfsters de “stemlozen” noemen: vrouwen aan wie op de lagere school alles al voorbij ging. Die het gevoel hebben dat er in een totaal andere taal tegen ze gesproken wordt. Die kortom geen vat kunnen krijgen op kennis.

Dat moet een nachtmerrie zijn. En juist deze verhalen hebben er dan ook voor gezorgd dat ik het hele boek uitgelezen heb: ik wilde een verklaring. Die geven de schrijfsters niet echt. Hun methode om de interviews vooral “op zich in te laten werken” stond dat waarschijnlijk ook niet toe. De compilatie van fragmenten suggereert een paar dingen: een ouderlijk huis waar niet gepraat wordt, zorgt voor een slechte start. Seksueel misbruik (en steeds vaker duiken er cijfers op die me kippevel bezorgen, zo vaak schijnt dat voor te komen) veroorzaakt helemaal een isolement om koud van te worden. Terwijl anderzijds stimulans en schouderklopjes een mens wel verder brengen.

Geen schokkende conclusies nee. Eerder clichés. En wat onverklaard blijft, is waarom vrouwen zo veel vaker onzeker en bang zijn dan mannen. Zouden jongetjes nou echt zo veel meer prikkels en complimenten krijgen? In gezinnen waar niet met de kinderen gepraat wordt, maar waar ouders liever een mep uitdelen bij wijze van opvoeding, zal ook met de jongens niet gesproken worden lijkt mij.

Hoewel de schrijfsters zich niet als hardboiled feministes voordoen, krijgt toch de mannenmaatschappij een groot deel van de schuld. En dan gaat het niet alleen om die complimentjes, maar ook om de opzet van het onderwijs. Vrouwen voelen zich, om redenen die nergens gegeven worden, beter thuis bij wat de schrijfsters “verbonden kennisverwerving” noemen. Daar bedoelen ze, alweer: als ik het goed begrepen heb tenminste, ongeveer mee dat vrouwen het best leren als de leerstof aansluit bij hun eigen ervaringen, als ze kunnen overleggen, alles in hun eigen tempo mogen doen en als ze kunnen samenwerken met anderen. Anders dan mannen willen ze liever begrijpen en accepteren dan beoordelen. En liever samenwerken dan debatteren.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik raak lichtelijk geirriteerd bij deze slotconclusie. In plaats van vrouwen over hun angst voor enge dingen heen te helpen willen de schrijfsters van het boek die angst als het ware omzeilen. En begrijp ik goed dat vrouwen dan andere opleidingen zouden moeten volgen dan mannen? Daarmee vergroot je mijns inziens de ongelijkheid tussen de seksen. Dat kan toch de bedoeling niet zijn?

Als gewoonlijk bij dit soort boeken blijven de mannen vrijwel helemaal buiten beeld. En ik denk eerlijk gezegd dat mannen het ook eng vinden om bijvoorbeeld te moeten oordelen en debatteren. Dat moeten ze ook leren, ook al krijgen ze dan meer aanmoediging dan vrouwen. Een klein kwaadaardig stemmetje in mij piept na lezing van Vrouwen en kennis de hele tijd: wat kunnen vrouwen toch ook ontstellend ZEUREN. Laten ze toch in vredesnaam hun blik eens een beetje verruimen door zich te richten op dingen die niet bij hun “directe persoonlijke ervaring aansluiten”. Dingen in je eigen tempo doen? Ja, prachtig, maar de echte wereld stikt nu eenmaal van de deadlines.

Net als van de tegenstanders: je kunt het best met “samenwerken” en “begrip” proberen, maar dat zal niet alle problemen oplossen. Het is waanzin te denken dat je je bij alles wat je leert ook “betrokken” kunt of moet voelen. Ik zou willen roepen: ouders breng al je kinderen, ongeacht hun sekse, bij dat leren leuk maar niet gemakkelijk is. En dames: steek niet zoveel tijd in genavelstaar en gewroet in gevoeligheden. Ga eens gewoon aan het werk. Maar ik zei het al: misschien ben ik al te veel door mannen geïndoctrineerd.

Grapjes van Hofstadter

Metamagische Thema’s. Op zoek naar de essentie van geest en patroon door Douglas. R. Hofstadter 839 blz., geïll., Contact 1988, vertaling Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters (Metamagical Themas, 1985), f 99,-  ISBN.: 90 254 6570 6

Wie de Scheldlijn belt wordt uitgescholden dat hij zo gek is de Scheldlijn te bellen. Dat zou Douglas Hofstadter zeker bevallen. Hij is dol op zulke zelfverwijzingen en dubbele bodems.

En wie zijn werk leest moet bijna wel door zijn enthousiasme aangestoken worden. Een paar weken geleden is de vertaling verschenen van zijn Methamagical Themas.

Het is duur, het is dik, maar u moet het kopen. Ook als Gödel, Escher, Bach nog steeds – gedeeltelijk of helemaal – een goed voornemen staat te zijn op uw boekenplank. De Metamagische Thema’s zijn weliswaar voor een groot deel dezelfde als de ‘GEB’ (om met Hofstadter zelf te spreken) -thema’s, maar het boek is anders geaard door zijn herkomst: het is een verzameling van de columns die Hofstadter tweeëneenhalf jaar lang voor de Scientific American schreef, aangevuld met nog wat losse artikelen.

Alle stukken zijn, als gevolg daarvan, in principe afgeronde gehelen en u loopt dus niet het gevaar om de draad kwijt te raken als u het boek een tijdje terzijde legt.

Bovendien: Hofstadter is zo’n veelzijdig man dat u misschien ook niet in alles waar hij het over heeft geinteresseerd bent, al moet ik zeggen dat hij dikwijls zo meeslepend schrijft dat je vanzelf geinteresseerd raakt.

Zelf kan ik geen noot lezen, maar bijvoorbeeld de passage over de muziek van Chopin vond ik uiterst boeiend. Hofstadter weet het te verkopen. Zijn boeken staan ook altijd vol plaatjes met voorbeelden, foto’s, tekeningen die illustreren of verduidelijken. Zo laat hij zien dat geen van de kenmerken van een ‘A’ (de streep links, de streep rechts, het liggende streepje in het midden, de schuinheid, of wat dan ook) een absolute voorwaarde is voor het herkennen van een ‘A’. In de gekste vormen zien we toch meteen die ene letter.

Patroonherkenning. Hofstadter is er een ster in, en als geen ander is hij in staat die patronen bloot te leggen. En of het nu gaat om de nucleaire toestand in de wereld, of de programmeertaal LISP, of de Turingtest, iedere keer komt hij weer terecht bij zelfverwijzing, zelfverstriktheid, recursie, gelaagdheid, dubbele bodems en grapjes.

Voor de liefhebbers: er staat weer een prachtige dialoog van Achilles en de Schildpad in dit boek waarin voortdurend gespeeld wordt met de vorige (GEB)dialogen en de rol van de schrijver. Die converseert als het ware via zijn personages me’t die personages.

VERTALEN

Verwarrend zijn de columns vaker, en dat is natuurlijk ook de bedoeling. Hofstadter knabbelt de hele tijd aan het randje van wat een mens nog bevatten kan. Vervreemdingseffecten zorgen voor botsingen in het hoofd van de lezer. Een mooi voorbeeld van een extra dubbele bodem vond ik zijn opmerking dat de Wet van Hofstadter: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, ook al houd je rekening met de Wet van Hofstadter’, zelfs voor zijn bedenker, Hofstadter zelf dus, opgaat. Ik ben erg gehecht geraakt aan die wet; ook terwijl ik deze recensie zit te schrijven blijkt weer dat hij waar is.

Overigens, als u Hofstadters wet begrijpt, dan begrijpt u meteen wat recursie is: deze wet roept als het ware binnenin zichzelf zichzelf aan.

Metamagische Thema’s (de Engelse titel Metamagical Themes is een anagram van Mathematical Games, de naam van de column van Hofstadters voorganger in de Scientific American, Martin Gardner) begint met een aantal stukken over zelfverwijzing en zelfverstriktheid in taal. Daarbij moet mij wel van het hart dat het hier, anders dan Hofstadter doet voorkomen, niet zozeer over ‘taal’ en ‘zinnen’ gaat, als wel over logisch-filosofisch getinte problemen.

Het begint natuurlijk allemaal weer met de paradox van Epimenides de Kretenzer die zei dat alle Kretenzers leugenaars zijn. Een variatie op dit thema is ‘Deze zin stelt dat hij een paradox van Epimenides is, maar hij liegt’.

Zinnen die op de een of andere manier – er zijn er vele – naar zichzelf verwijzen kunnen ook zo’n merkwaardig effect geven: ‘Om ‘deze zin’ te begrijpen moet je alle aanhalingstekens in ‘hem’ negeren.’ ‘Ik ben niet het onderwerp van deze zin.’ ‘Hoe zou deze zin zijn als hij niet zelfverwijzend was?’ Ook smakelijk zijn: ‘Dit is een zin met ‘uien’, ‘sla’, ‘tomaat’, en ‘een bordje frites erbij’.’ en ‘Dit is een hamburger met klinkers, medeklinkers, komma’s en een punt aan het eind.’

Of wat dacht u van: ‘Als je er niet naar kijkt, is deze zin in het Spaans.’ en: ‘Deze zin die u nu voor u heeft, bracht verleden jaar een maand in het Hongaars door en is pas kortgeleden terugvertaald naar het Nederlands.’

Vertalen. Daar heeft Hofstadter het ook over. Dat in vertaling lezen zorgt voor een extra dimensie. Maar wat een heidense klus moet dat vertalen geweest zijn! Lof, lof, lof, voor degenen die het gedaan hebben.

Alleen al voor de moed eraan te beginnen. Natuurlijk gaat er wel eens het een en ander verloren nu (een dubbelzinnigheid die voortkomt uit het feit dat ‘lies’ zowel ‘ligt’ als ‘liegt’ betekent verdwijnt ongewild), maar er zijn ook zoveel vondsten. Bij die zelfverwijzende zinnen bijvoorbeeld. ‘Do you read me’ (leest/begrijpt u mij?) is ‘Ik ben uitgelezen’ geworden. Daar zit keurig ook een dubbele betekenis in de vertaling, zij het een heel andere dan die in het Engels.

Hofstadter bemoeit zich zelf met alle vertalingen. Met plezier. Sterker nog, toen hij eind vorig jaar even in Nederland verbleef, vertelde hij al die vertalingen ‘the biggest thrill’ van zijn succes te vinden. Op de Chinese vertalers van Gödel, Escher, Bach stuurde hij een Engelstalige vriend die Chinees kent af. Zelf maakt hij de ene vertaling na de andere van een oud Frans versje, voor de lol, en om te proberen het nog mooier te maken.

‘Ik ben een enorme perfectionist’ was zijn verklaring, ook voor het feit dat elk van zijn columns hem zeker vijftig à zestig uur kostte. Enorm sceptisch was hij in november over de mogelijkheid een column over seksistisch taalgebruik te vertalen. Er staat nu ook een noot bij dat hoofdstuk dat de vertalers toch een poging gewaagd hebben, ondanks dat de schrijver voorstelde het stuk wegens onvertaalbaarheid weg te laten.

RACISME

Het seksisme in taalgebruik zit Hofstadter namelijk bijzonder hoog. En wat hem nog veel hoger zit is dat iedereen er best aan de borreltafel over wil kletsen, maar het verder absoluut geen belangrijk onderwerp vindt.

Hij maakt zich hier zowel in zijn boek, als wanneer je hem ernaar vraagt, minstens even boos over, als over de ‘overkill’ aan kernwapens in de wereld, aan welk geëngageerd thema hij ook een paar columns gewijd heeft.

Zijn seksistische ogen zijn hem indertijd geopend door het inmiddels overbekende verhaal van de vader en de zoon die een auto-ongeluk krijgen: vader op slag dood, zoon levensgevaarlijk gewond. In het ziekenhuis trekt de chirurg bleek weg: ‘ik kan die jongen niet opereren, het is mijn zoon.’ Rara hoe kan dat? Inderdaad. De chirurg was natuurlijk zijn moeder.

Hofstadter wil ons ook de ogen openen. Hij doet dat met een goedbedachte en nogal ingenieus in elkaar zittende analogie. Hij geeft een racistische versie van seksisme. Alles wat ‘man’ is heeft hij vervangen door ‘blanke’. Het onderscheid tussen ‘hij’ en ‘zij’ bestaat niet, er zijn alleen ‘blij’s’ (blanke hij’s en zij’s) en ‘zwij’s’ (zwarte hij’s en zij’s). Het stuk is bovendien een parodie op de column van taalpurist William Safire (Hofstadters pseudoniem luidt dan ook William Satire).

Oordeelt u zelf over die onmogelijke vertaling: ‘Er schuilt veel schoonheid in een zin als ‘Alle blanken zijn als gelijken geschapen.’ De voorleiders die de Onafhankelijkheidsverklaring opstelden, hadden gevoel voor de poëzie van de taal.(…) Wat voor kwaad schuilt er in vertrouwde uitdrukkingen als ‘Blanke overboord’, ‘Op de blanke af’, of ‘Als de nood aan de blanke is’? ‘

Zo gaat dat een aantal bladzijden door. En het is schokkend om te lezen, al gaan analogieën zoals ook Hofstadter moet weten, natuurlijk nooit helemaal op. Zelf probeert hij naar zijn zeggen te oefenen in niet-seksistisch taalgebruik, en in niet-seksistische beelden (bij chirurg niet meteen aan een man denken).

Toen ik hem ernaar vroeg noemde hij dat ‘vooral een bijzonder verhelderende ervaring.’ Een werkelijke oplossing biedt het allemaal niet, en die ziet hij ook niet, hoewel hij duidelijk langer – en een stuk verstandiger – over dit punt heeft nagedacht dan de meeste mensen. Immers, je kunt ook niet voortdurend hij/zij zeggen of schrijven, want daar wordt iedereen gek van; en alle ‘hij’s’ door ‘zij’s’ vervangen, of af en toe eens een, leidt verschrikkelijk af van de tekst.

Het Engels heeft nog een andere mogelijkheid, en daar maakt Hofstadter gebruik van: je kunt ‘they’ (zij-meervoud) heel dikwijls op één persoon laten slaan, en het is sekse-neutraal. In het Nederlands gaat dat moeilijker, ook al is het niet helemaal uitgesloten zoals Hofstadter dacht. Hij ondergroef zijn eigen stelling door als voorbeeld te geven: ‘Als je naar de tandarts gaat, en ze boren een gat in je kiezen..’ Hij is blijkbaar toch beter in het Nederlands te vertalen dan hij zelf denkt.

Er vallen nog ontelbare zaken meer over Metamagische Thema’s te zeggen, maar ik laat het tot slot bij nog een paar opmerkingen: als u nog zo’n kubus van Rubik heeft liggen dan wordt het tijd hem af te stoffen. Hofstadter wijdt er tientallen inspirerende pagina’s aan.

En als u moeite heeft u iets voor te stellen bij aantallen of getallen die meer dan drie nullen bevatten, dan is het hoofdstuk ‘Onbenulligheid’ (overigens een schitterende vertaling van ‘Number Numbness’) verplichte maar ook lekkere kost. Het lukt Hofstadter werkelijk om de grootste onbenul een beetje gevoel voor machten van tien bij te brengen. En als u harder op zoek bent naar een perfect recept om anderen te bedriegen dan kunt u ook in dit boek terecht.

De platte A van Amsterdam

“Waar vind ik hier het serviesgoed?” vroeg Prof. William Labov aan iemand van het winkelpersoneel. “Op de vierde verdieping, meneer” wist hij dat het antwoord was. “Waar zegt u?” vervolgde hij dan, en iedere keer antwoordde zijn informant, keurig voorspelbaar, opnieuw met “Op de vierde verdieping”.

Deze scène speelde zich af aan het begin van de jaren zeventig in drie New Yorkse warenhuizen: een heel chic, een minder chic en een helemaal niet chic exemplaar. Labov stelde zulke vragen overal zowel aan oudere als aan jonge personeelsleden en deed daarmee een van de inventiefste taalonderzoekjes aller tijden.

Want waarom vroeg hij iedereen naar de bekende weg? Labov had het idee dat hij een taalverandering op het spoor was: soms hoorde hij mensen in New York de r midden in een woord als fourth wel uitspreken en soms niet. Hij wist dat zo’n r vroeger nooit uitgesproken werd, zoals dat ook in het Brits-Engels niet gebeurt.

Aan het eind van een woord daarentegen (zoals in floor en fair), hoorde je de r meestal wel, en ook wanneer er na de r meteen weer een klinker volgde (zoals in very). Om nu te kijken of er inderdaad een tendens bestond om de r zowel in fourth als in floor uit te spreken vroeg hij overal naar de vierde verdieping.

Chiqueheidsgraad

En omdat je aan kunt nemen dat een verandering bij de jongere generatie zal beginnen, stelde hij de vraag aan mensen van verschillende leeftijden. De chiqueheids-graad van de warenhuizen tenslotte moest een indicatie geven over het wel of niet uitspreken van r door verschillende maatschappelijke klassen (hoger, middel en lager). Labov verwachtte dat hij de meeste r-en zou horen bij jonge mensen uit de hoogste klasse, omdat het erop leek dat de r over was komen waaien uit de betere kringen buiten New York.

Het idee daarachter was simpel: iedereen die een bepaalde status heeft (of soms ook: graag wil hebben) laat dat merken in de manier waarop hij praat, hoe onbewust dat ook gebeurt.

De ‘bewustheid’ was een laatste factor die Labov wilde testen: als mensen beter opletten zullen ze over het algemeen ‘netter’ gaan praten dan wanneer ze gedachteloos voor zich uit kletsen.

Dat verschil is goed merkbaar als je ze een stukje voor laat lezen, maar Labovs idee om zijn informanten hun antwoord te laten herhalen is bepaald ingenieus te noemen. Bijkomend voordeel: niemand had ook maar een flauw benul van het feit dat hij meedeed aan een onderzoek.

Dat laatste is dikwijls een groot probleem voor taalkundigen die ‘spontane taal’ willen bekijken: zodra hun onderzoeksobjecten dat in de gaten hebben, krijgen ze de neiging te gaan ‘monitoren’, dat wil zeggen dat ze op hun eigen spraak gaan letten, waarmee veel van hun spontaniteit verdwijnt.

Antwoordden de mensen nu ook zoals Labov gedacht had? Grotendeels wel. Zo daalde het aantal hoorbare r-en tegelijk met de maatschappelijke klasse (in het goedkoopste warenhuis vielen ze het minst te beluisteren), en was het percentage uitgesproken r-en in floor over het algemeen hoger dan dat in fourth. De ‘herhaling’ gaf inderdaad een verschil te zien: bij meer nadruk verschenen er meer r-en. Alleen in de leeftijd had Labov zich vergist: het bleek niet veel uit maken of iemand jong of oud was.

Hij stelde zijn hypothese bij voordat hij aan een groter opgezet onderzoek begon: zou het niet zo kunnen zijn dat volwassenen uit de hoogste en de laagste klasse het minst geneigd zijn iets aan hun uitspraak te veranderen, ongeacht hun leeftijd? En dat de ‘sociale ambities’ van de midden-klasse gemakkelijker leiden tot een aanpassing aan het nieuwste ‘prestige-accent’? Deze voorspelling kwam uit.

Superberoemd

Na dit superberoemd geworden sociolinguistische onderzoek zijn er nog heel veel gevolgd. Daarbij gaat het niet altijd om het opsporen van taalveranderingen, maar probeert men ook gewoon de situatie op een bepaald moment in kaart te brengen.

Steeds opnieuw blijken factoren als ‘maatschappelijke klasse’, ‘leeftijd’, en ‘oplettendheid’ een rol te spelen. Nog een andere variabele is die van de ‘sexe’: vrouwen praten vaak anders, dat wil zeggen ‘netter’, dan mannen.

De verklaring die sociolinguisten daarvoor geven is dat vrouwen over het algemeen hun status of gevoel voor eigenwaarde niet uit ‘werk’ of ‘geld-verdienen’ kunnen halen. Ze zoeken het daarom ergens anders en vertonen de neiging ‘boven-hun-stand’ te spreken.

Zo’n vijftien jaar na het onderzoek in New York is nu ook wetenschappelijk vastgesteld hoe Amsterdams klinkt. In het P.J.Meertens-Instituut (voor dialectologie, volkskunde en naamkunde) werden al jaren bandjes bewaard met opnamen van Amsterdamse mannen en vrouwen uit verschillende maatschappelijke klassen. Ze waren onderverdeeld in jong en oud, en allemaal hadden ze zowel een formeel als een informeel gesprek gevoerd.

H.F. Schatz heeft die gegevens gebruikt om erachter te komen welke klanken kenmerkend zijn voor het plat Amsterdams. In haar (overigens flinterdunne) proefschrift met de merkwaardig aandoende titel Plat Amsterdams in its social context doet Schatz verslag van haar bevindingen.

Voor een deel kunnen die door iedereen die wel eens in een Amsterdamse tram gezeten heeft voorspeld worden. Dat een echte Amsterdammer de son in see siet sakken was al lang bekend. In de hoofdstad kennen de niet-ABN-sprekers nu eenmaal het verschil tussen de s en de z niet, en in het dagelijks leven vallen er daarom regelmatig schitterende staaltjes ‘hypercorrectie’ te horen.

Zo werkte er in de City-bioscoop op het Leidseplein jarenlang een dame die met zwoele stem omriep: “Attenzie damez en heren, over twee minuten begint de hoofdfilm in Zity zez.” Alweer: als mensen erg opletten bij wat ze zeggen proberen ze met hun uitspraak in de buurt van de norm te gaan zitten, ook als ze die norm niet goed kennen en daardoor als het ware te correct gaan praten.

Met de v en de f gebeurt trouwens het zelfde: in plat Amsterdams wordt iedere v een f, (fal foor mijn part allemaal dood). In fonologentaal heet dat dat deze stemhebbende medeklinkers stemloos worden. Als u uw hand op uw strottehoofd houdt kunt u dat controleren: bij de stemhebbende z en v voelt u uw stembanden trillen, bij s en f niet.

Uit het liedje van Danny de Munk dat ik net al citeerde valt nog meer te constateren. In part hoort u een zogenaamde flap-r (je moet er je tong een beetje voor in een kronkel leggen), en in Had ik maar iemand.. eindigt had met een gepalataliseerde t-klank. Het palatum is het harde gedeelte van het gehemelte, en in het Amsterdams worden de t, de n en de s als ze aan het eind van een woord staan, na een korte klinker (zoals in pit, pin en pis), uitgesproken met het puntje van de tong tegen dat harde gehemelte.

De s gaat daar meer van sissen, en het lijkt of er een klein j-tje achteraan komt. Zoals de sj in kasje klinkt, zo klinkt in Amsterdam de s in zijn eentje, ook aan het begin van een woord trouwens (twee sjachte armen..).

Maar ook zo’n beetje alle klinkers klinken anders. Staan ze voor een n waar nog iets op volgt (zoals in kans, kunst, mens en kind) dan worden ze doffer, nasaler en lijken ineens wel wat op het Frans. De lange klinkers i en u (zien en minuut) worden langer gemaakt, maar de tweeklanken (de ui in puin, de ij in pijn bijvoorbeeld) worden korter, terwijl van de lange e en de lange o juist een tweeklank gemaakt wordt: de e wordt een soort ei (twei sjachte armen om me hein), de o een soort ou (fal foor mèn part allemaal doud).

Het is, zoals iedereen eigenlijk wel weet, voornamelijk de ‘lage sociaal-economische klasse’ die dit accent heeft. Woonbuurt, inkomen, beroep en opleiding moeten samen een indicatie geven voor iemands plaats op de sociale ladder. Welke van die factoren het belangrijkste is, of hoe ze zich onderling tot elkaar verhouden, weet niemand.

Dat maakt het interpreteren van de uitkomsten van dit soort onderzoeken nogal lastig: wat je precies meet en hoe dat komt weet je nooit precies.

Algemeen aanvaarde ideeen zijn ieder geval dat er ‘gestigmatiseerde’ en ‘prestige’-vormen bestaan, en dat taalverschillen bewust of onbewust een mogelijkheid tot ‘groepsidentificatie’ geven.

Door de manier waarop mensen praten ‘plaatsen’ ze zichzelf en worden ze andersom door anderen ‘geplaatst’. Een goed voorbeeld van een gestigmatiseerde variant van het Nederlands is het Nederlands met een Limburgs accent. Dat is niet alleen altijd onderwerp van grappen, maar niet-Limburgers denken echt dat die zuiderlingen dommer zijn.

Ook dat is wetenschappelijk bewezen. Laat je niet-Limburgers naar het gepraat van verschillende mensen op een bandje luisteren, dan vinden ze altijd de Limburgers ‘minder intelligent’ en ‘minder beschaafd’. Hetzelfde resultaat vind je zelfs als een en dezelfde persoon precies hetzelfde verhaal met en zonder accent vertelt.

Gestigmatiseerd

In hoeverre het plat Amsterdams gestigmatiseerd genoemd kan worden, is de vraag. Het geniet nu in ieder geval meer ‘aanzien’ dan pakweg een halve eeuw geleden.

Misschien dat dat de reden is voor het geringe verschil tussen oplettend en niet-oplettend spreken dat uit het onderzoek van Schatz naar voren kwam: de Amsterdammer schaamt zich niet voor zijn taal. Maar het zou ook kunnen liggen aan het feit dat degenen die aan het onderzoek meededen niet gevraagd is een stukje tekst voor te lezen. In plaats daarvan werd de graad van ‘formeelheid’ afgemeten aan het verschil tussen gesprekjes met een onderzoekerer en gesprekjes met een (zelf uitgekozen) goede vriend of vriendin. En dan is het ook nog de vraag of men wel echt in staat was de microfoon te vergeten.

Interessant is dat er twee Amsterdamse a’s bestaan: eentje voor mannen en eentje voor vrouwen. Bij navraag wordt de vrouwelijke variant echter niet als ‘typisch Amsterdams’ herkend, dat wil zeggen: er is wel een verschil tussen de Amsterdamse-vrouwen-a en de ABN-a, maar als mensen een oordeel moeten geven over Amsterdamse stereotypen dan pikken ze de mannen-a er wel uit, en de vrouwen-a niet.

Dat die twee klanken naast elkaar bestaan is wel bijzonder, maar omdat niemand het merkt, sluit het toch goed aan bij het idee dat vrouwen meer ‘standaardtaal’ proberen te spreken, omdat ze zo weinig andere manieren hebben om ‘sociaal prestige’ te verwerven.

Of je daar blij mee moet zijn weet ik niet. De Amsterdamse wethouder van onderwijs, mevrouw Wildekamp was het wel. Zij kreeg op een perspresentatie het eerste exemplaar van het proefschrift aangeboden. Wie haar iets over het onderzoek verteld had weet ik niet, maar de uitkomsten geven nou niet direct aanleiding tot blijdschap ‘omdat vrouwen het beter (sic!) doen’. Zeker niet voor een wethouder met zulke woeste ‘gelijkheidsbevorderende’ plannen als deze. (Van haar is onder andere het voorstel afkomstig om alleen nog de vrouwelijke helft van de stad te laten solliciteren naar de functie van schoolhoofd.)

Verder is er natuurlijk geen sprake van een ‘wetenschappelijk bewijs’ dat de Amsterdamse humor uitsterft, zoals Wildekamp had begrepen. Ook de jonge generatie praat plat Amsterdams, en zelfs nog een beetje platter dan de oude.

Over hoe dat komt valt weer veel te speculeren, maar naar het zich laat aanzien zal ook de komende generatie tramchauffeurs nog wel ’n Rondje fan de sjaak door de luidspreker aanbieden als de wissel weer eens niet goed staat op het Weteringcircuit.

U kunt ‘Plat Amsterdams in its social context’ van H.F. Schatz in uw bezit krijgen door contact op te nemen met het P.J. Meertens Instituut, Keizersgracht 569-571 in Amsterdam, telefoon: 020-234698. Het boekje kost f18,75.

‘Ik heb helemaal nergens spijt van’

Irène Joliot-Curie, een vrouw, door Noëlle Loriot, Vertaling uitgeverij De Geus en Marianne Gossije, Uitgever De Geus, 288 p.

 

Aan het begin van de eerste wereldoorlog was het maken van röntgenfoto’s bepaald geen standaardprocedure. Daarvoor was het allemaal te nieuw. Meneer Röntgen zelf leefde nog, röntgenapparatuur bestond nauwelijks. Madame Curie, de beroemdste wetenschappelijk onderzoekster aller tijden, realiseerde zich direct het grote belang van dergelijke apparaten voor gewonde soldaten en richtte onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog de eerste radiologische ambulance in.

Tijdens de slag aan de Marne reed die van ziekenhuis naar ziekenhuis. Gewonden konden zo ter plekke doorgelicht en geholpen worden. Niet lang daarna lobbyde Curie nog twintig mobiele röntgeninstallaties bij elkaar, ze werden bekend als “de kleine Curies”. Vlak achter het front bediende Madame jarenlang zelf de apparatuur. Maar ze stond er niet alleen. Marie Curies dappere assistente, nog maar zeventien toen ze aan dat zware werk begon, was haar dochter Irène.

Over Irène (later Joliot-)Curie heeft romanschrijfster en journaliste Noëlle Loriot een boek geschreven dat op de flap een “biografische roman” genoemd wordt. In Frankrijk was het naar verluidt een bestseller, en zojuist is de Nederlandse vertaling verschenen. Het leven van Irène lijkt me voor elke biograaf om van te watertanden. Er zijn zoveel dingen waar ze met haar neus bovenop en zelfs middenin heeft gezeten. Om te beginnen die ouders: Marie en Pierre Curie, de ontdekkers van radioactiviteit, toen nog uitsluitend gezien als een zegen voor de mensheid. Absolute helden van hun tijd, met dat romantische verhaal erachter: briljant Pools meisje komt naar Parijs, in armoe en ontbering zet ze door, studeert, wordt een vrouw van de wetenschap, ontmoet de man van haar dromen, ontvangt samen met hem een Nobelprijs, verliest hem vervolgens op tragische wijze doordat hij onder een paard-en-wagen komt, wint daarna nóg een Nobelprijs, en sterft tenslotte aan de gevolgen van de door haar ontdekte straling. Weinig biografieën zijn zo bekend.

En met Irène lijkt de geschiedenis zich te herhalen. De parallellen tussen haar leven en dat van haar moeder liggen voor het opscheppen: ook Irène is briljant, interesseert zich eigenlijk alleen voor de wetenschap, geeft niets om uiterlijkheden of luxe. Ook Irène valt voor een collega-natuurkundige, ook zij winnen samen een Nobelprijs. Beide dames zullen nooit lid van de Académie worden, want daar zijn ze nog niet gewend aan vrouwen.

Wel combineren ze levenslang werk en gezin (alletwee krijgen ze twee kinderen), zonder zich ooit als radicaal voorvechtster van het feminisme op te stellen. Ontspanning vinden ze beiden in de natuur en sport (veel wandelen). Tenslotte sterft ook Irène voortijdig (58 jaar oud, in 1956), hoogstwaarschijnlijk net als haar moeder aan de gevolgen van haar wetenschappelijk werk: ze heeft leukemie.

Dat is natuurlijk niet het hele verhaal. Inmiddels zijn de tijden een tikje veranderd en daar gaan ze ook mee door: Irène gaat als het ware de weg die haar moeder voor haar gebaand heeft verder af. Ze hoeft geen onderzoek te doen in een aftandse schuur, ze neemt het laboratorium van haar moeder over, en krijgt later de beschikking over weer betere faciliteiten.

Ook is een vrouw in de wetenschap iets minder uitzonderlijk geworden. Terwijl ze eigenlijk niet zo heel veel belangstelling heeft voor politiek (zij het meer dan haar moeder) schopt ze het toch tot de eerste vrouwelijke staatssecretaris (van Wetenschappelijk Onderzoek) in Frankrijk. Overigens de enige periode dat ze serieuze ruzies heeft met haar echtgenoot Fred Joliot. Die verwijt haar dat ze geen verstand heeft van politiek, wat waarschijnlijk waar is. Joliot zelf wordt een belangrijk lid van de communistische partij, iets dat ten tijde van de koude oorlog tot allerlei problemen leidt.

Irène blijft ook dan ferm achter haar man staan, zo is ze. Het lijkt alles bij elkaar een heel gelukkig huwelijk, al is Fred in het begin bang om “meneer Curie” te worden (wonderlijk genoeg gaat hij zich als ze getrouwd zijn wel “Joliot-Curie” noemen), en al is Irène vaak lange periodes in de bergen vanwege haar tuberculose, die pas na de Tweede Wereldoorlog met behulp van penicilline genezen kan worden.

Tot zover de puur biografische aspecten, maar het leven en lot van Irène Curie is ook op allerlei manieren met het lot van de wereld verbonden. Zo had ze alle gegevens in handen voor zowel de ontdekking van het neutron als de ontdekking van kernsplitsing. Maar ze zag het zelf niet. Puur op basis van haar onderzoek deden anderen die ontdekkingen. Ze stond dus aan de wieg van de atoombom en de kernenergie, die natuurlijk uiteindelijk ook weer voortkwamen uit het werk van haar ouders. Was ze misschien toch ietsje minder briljant? Voor iemand die met hart en ziel verslingerd was aan haar wetenschappelijk werk moet het haast wel een gruwelijk drama geweest zijn om tot twee keer toe er net naast te grijpen op een cruciaal moment.

Noëlle Loriot maakt er niet erg veel woorden aan vuil. Het is duidelijk dat ze met wetenschap maar heel weinig affiniteit heeft. Haar wereld is de cultureel-literaire, zo blijkt keer op keer. Foto’s van Irène doen haar denken aan romans van Scott Fitzgerald, Proust heeft dingen over de liefde bewezen enzovoort. In haar (wel lovenswaardige) pogingen Irène “in haar tijd te plaatsen” noemt Loriot telkens toneelstukken, films en boeken die in dezelfde periode uitkomen. Alleen wordt het op het laatst bijna lachwekkend hoe ze daar telkens aan toevoegt dat Irène helaas geen tijd had om naar theater of bioscoop te gaan, omdat ze nu eenmaal liever in haar laboratorium zat.

Van de passie voor de wetenschap die Irène en de kring rondom haar gaande houdt, begrijpt ze eigenlijk niets. Gevolg (of oorzaak, wie zal het zeggen) is dat de passages over de inhoud van het wetenschappelijk werk van de Curies en hun collega’s weinig of niets verhelderen. En dat is natuurlijk geweldig jammer, zeker als je daarbij bedenkt dat Loriot niet aflaat te vermelden dat al dat onderzoek het allerbelangrijkste in het leven van Irène is.

Desalniettemin heb ik het boek met behoorlijk veel plezier gelezen, al was het maar door de smakelijke anekdotes. Zoals deze, die laat zien hoe wars Irène is van beleefdheden en conventies: wanneer haar secretaresse haar een afwijzingsbrief voor een uitnodiging voorlegt, wil Irène die pas ondertekenen als de beleefdheidsfrase “Tot mijn spijt kan ik niet ingaan op uw uitnodiging” eruit is gehaald. “Ik heb helemaal nergens spijt van,” zegt ze. Bizar vond ik de bijnaam Miss Radium Eyes die de Amerikaanse pers Irènes fraaie zuster Eve toedacht. Een moeizame verhouding met de pers is trouwens ook nog een van de vele zaken die Irène van haar moeder erfde.

Irène Curie spreekt net als Marie tot de verbeelding. Ik denk dat Noëlle Loriot mooi voorwerk gedaan heeft voor een volgende biograaf die hopelijk het werk van Irène Curie de plaats kan geven die het toekomt. En die mag wat mij betreft ook wel wat beter schrijven: het boek dat er nu ligt is stilistisch niet zo best, het barst van de verwarrende ik-zij wisselingen en er wordt veel te raar heen en weer gehopst door de tijd.

‘Alle totalitaire regimes zijn preuts’

Pas als we ’s avonds naar goed Nederlands gebruik bij de Chinees een loempia wegwerken, begint Dmitri Dobrovol’skij een beetje te geloven dat zijn Nederlands uitzonderlijk goed is. In tegenstelling tot het bedienend personeel verstaat hij alles wat ik zeg, en antwoordt hij vrijwel uitsluitend in perfect lopende zinnen. Dobrovol’skij (39) komt uit Moskou en is voor het eerst in Nederland, vandaag voor het eerst in Amsterdam. Af en toe zie je de machinerie in zijn hersens draaien, maar één keer horen of een woord met ‘de’ of ‘het’ gaat, blijkt telkens voldoende voor de rest van de dag. En dat terwijl zijn moedertaal Russisch helemaal geen lidwoorden heeft.

Woorden en het maken van woordenboeken zijn z’n hartstocht en zijn vak: in Moskou is hij verbonden aan de afdeling “experimentele lexicografie van het Instituut voor Russisch”, zoals hij het zelf vertaalt. Hij maakte ondermeer een woordenboek met Russische voornamen en hun culturele associaties (een August is altijd dom, ook in Rusland), en een met actuele termen uit de wetenschap en techniek. Op het moment werkt hij aan het eerste woordenboek Bargoens in het Russisch, en hij voert de hoofdredactie van een groot woordenboek Duits-Russisch dat een half miljoen woorden moet gaan bevatten.

Heel Rusland kent hem intussen van de televisie. Al vijftien jaar maakt en presenteert hij een soort Teleac-cursussen Duits, de taal die tijdens zijn studie Germanistiek zijn hoofdvak was. Zijn uitstekende Nederlands is het gevolg van niet meer dan een bijvak. Dat tv-werk is werk aan de zijlijn, vindt Dobrovol’skij zelf, en eigenlijk wil hij er wel mee ophouden. “Maar de mensen met wie ik het maak zijn echt goede vrienden van me geworden,” vertelt hij, “dus ik vind het moeilijk ze in de steek te laten. Het probleem is dat we sinds drie jaar een vast onderdeel in een kinderprogramma zijn. En alle kinderen kijken daarnaar, mét hun ouders. Vanaf die tijd kan ik niet meer gewoon de weg vragen in een vreemde stad, en als ik een keertje wil zwemmen dan krijg ik de kans niet omdat iedereen in het water om me heen dromt. Ze willen allemaal kennis maken, weten of ik het echt ben.”

Hij blijft er allemaal erg opgewekt onder. Ook onder de toestand in zijn vaderland. Dit jaar zit hij met een Von Humboldt-stipendium in Mannheim in Duitsland en op het ogenblik is hij gastdocent bij de opleiding tolk-vertaler in Maastricht. “Het leven in Duitsland en in Nederland is zo keurig geregeld,” zegt hij licht aarzelend, “eigenlijk vind ik dat een beetje vervelend, saai.” En stralend voegt hij eraan toe: “In Rusland kan alles iedere dag weer anders zijn. Het is een heel interessante tijd. Vroeger mocht er niets, nu mag alles. Ik hoef bijvoorbeeld alleen maar te melden dat ik wegga.”

Daarmee zijn in de praktijk nog niet alle zorgen en ergernissen voorbij. We bezoeken de tentoonstelling ‘Het groot archief’ van Dobrovol’kijs landgenoot Kabakov in het Stedelijk Museum: een gekmakende, eindeloze reeks hokken en hokjes met tafeltjes, briefjes aan de muur en formulieren. De Russische bureaucratie nagebouwd, zij het net even scheefgetrokken.

Dobrovol’skij giert het uit, leest de Russische teksten hardop voor. “Dit is zo goed getroffen,” roept hij keer op keer. “Dat hele systeem is erop gemaakt dat je op een gegeven moment uitroept: ik hoef al niet meer. Ik hoef geen huis, geen uitkering, ik wil al niet eens meer scheiden. Voor ik vertrok heb ik met mijn vrouw nog een dag doorgebracht in precies zo’n kantoor, alleen maar om te zorgen dat zij over mijn geld kan beschikken zolang ik het land uit ben.”

Geld is naar Dobrovol’skijs zeggen het grootste probleem in Rusland. Dat wil zeggen: zolang je dat hebt is er geen probleem en is alles te krijgen en te regelen. Het gaat hem en zijn gezin nu goed financieel, maar als hij na de zomer niet langer in Duitse marken betaald wordt, zal hij beslist iets moeten ondernemen. Zijn salaris in Rusland wordt nu eenmaal met de dag minder waard. “Er is nu pas een woordenboek uitgekomen waar ik tien jaar geleden een contract voor afgesloten had,” vertelt hij vrolijk, “van het bedrag dat daarin stond en dat ik nu uitbetaald kreeg kan ik precies drie van die boeken kopen.”

Boeken zijn onbetaalbaar geworden. Daarom is Dobrovol’skij een tijdschrift begonnen met teksten in het Duits, speciaal voor zijn studenten die oefenmateriaal nodig hebben. Geld- en papiergebrek hebben tot dusver ook de uitgave van een woordenboek Nederlands-Russisch en Russisch-Nederlands met uitdrukkingen en zegswijzen in de weg gestaan. Nog heel andere problemen zitten er vast aan het woordenboek Bargoens. “Mijn moeder heeft me gesmeekt het niet onder mijn eigen naam uit te brengen,” zegt Dobrovol’skij, “en ik denk er zelf ook over om het onder pseudoniem te doen.” Weliswaar mag inmiddels alles, maar sommige dingen zijn nog even wennen voor veel Russen. Bijvoorbeeld het idee dat een woordenboek de woordenschat van een taal ook gewoon kan beschrijven, in plaats van voorschrijven. Waarom duizenden volstrekt alledaagse uitdrukkingen waarin vaak geslachtsdelen voorkomen tot dusver geweerd werden? “Alle totalitaire regimes zijn preuts, proberen een beeld van zuiverheid te schetsen,” zegt Dobrovol’skij.

Aan het Bargoens werkt hij samen met iemand anders. “We zijn toch bang dat we bekend komen te staan als die kerels die alleen scheldwoorden kennen,” zegt hij, “maar aan de andere kant: zelfs als we het onder een andere naam uitbrengen zullen alle taalkundigen snappen dat wij het zijn. Kijk, de oudere generatie, vooral de hoogopgeleiden, vindt dat je je daar niet mee bezig kunt houden. In onze jeugd was het gebruiken van bepaalde uitdrukkingen een vorm van protest. De dissidente schrijvers gebruikten ze ook allemaal.”

Beroemde auteurs vormen de belangrijkste bron voor de verzameling die Dobrovol’skij en zijn collega hebben aangelegd. Het werk van mensen als Solzjenitsyn, Sosjenko en ook oude meesters als Poesjkin staat vol uitdrukkingen die in geen enkel woordenboek te vinden zijn. “Als een buitenlander die schrijvers in het Russisch wil lezen kan hij nergens terecht,” zegt Dobrovol’skij. “In Amerika is er wel wat verschenen, maar dat is niet goed. Je ziet ook dat vertalingen vol fouten zitten.”

Het Bargoens woordenboek moet een zeer academisch produkt worden, vertelt hij. “Het is geen verzameling obsceniteiten. Overal worden citaten bij gegeven, verschillende betekenisomschrijvingen, stilistische labels en grammaticaal commentaar. Het is bijvoorbeeld ontzettend interessant om te kijken wie wat precies tegen wie kan zeggen. ‘Je krijgt op je kut’ (zoiets als ‘je krijgt op je lazer’) kun je zowel tegen mannen als vrouwen zeggen. Net als cjesji pizdu!, ‘krab je kut’, dat wil zeggen: ‘doe niks, wacht af’. Zodra de seksuele connotaties in de betekenis verdwenen zijn is het gebruik niet meer geslachtsgebonden. Zo kan in het Russisch alleen een man ‘neuken’, een man is altijd het onderwerp, maar ‘ik heb je in de mond geneukt’ kan iedereen zeggen. Dat betekent aleen maar zoiets als ‘godverdomme’.”

Dobrovol’skij kan er niet over uit: “Er zijn zoveel dingen die elke Rus weet, maar die een buitenlander nooit ergens kan opzoeken. Ook allerlei eufemismen. Zo wordt chren, dat eigenlijk ‘mierikswortel’ betekent heel veel gebruikt voor ‘lul’, en ‘een stok gooien’ staat voor ‘neuken’. Trouwens lang niet alle uitdrukkingen hebben met seks te maken. Ook ‘ik heb je in je doodskist gezien met witte pantoffels aan’ vind je in geen een woordenboek. Het betekent: ‘jij interesseert me totaal niet, voor mij ben je dood.’“ Het gebruik van al die uitdrukkingen is niet aan een sociale laag gebonden volgens Dobrovol’skij. “In een vertrouwde omgeving zegt iedereen die dingen. Bij ons thuis zijn ze ook heel normaal. En weet je, mijn twee zoons van 12 en 17 zijn vaak mijn beste informanten. Die vertellen me of ik de goede betekenisomschrijving gevonden heb.”

Meer willen, maar niet kunnen weten over Beauvoir

Er komt wel steeds meer materiaal over Simone de Beauvoir in de openbaarheid, maar als je er geen gebruik van maakt is het voor niets.

SIMONE DE BEAUVOIR
door C. Francis en F. Gontier
vertaling Margreet Hirs
Uitgever de Prom, 364 p., f 45,–

Toen ik twintig was vrat ik de boeken van Simone de Beauvoir. Vooral haar memoires lieten me doorlezen tot het bedlampje wel weer uitkon. Als er een schrijver bestaat die mijn leven beïnvloed heeft dan is het De Beauvoir, en ik weet dat ik daarin buitengewoon onorigineel ben.

Generaties vrouwen (en mannen hoop ik altijd maar) hebben in De Beauvoir het levende bewijs gezien dat het allemaal ook heel anders kan. Dat je een leven kunt leiden van studeren, werken, reizen en niet veroordeeld bent tot trouwen, kinderen, huishouden. Dat je met andere woorden kunt kiezen. 

Meer vrouwen dan voorheen, maar minder dan zij graag gezien had, hebben in navolging van De Beauvoir voor financiële zelfstandigheid en een zekere emotionele onafhankelijkheid gekozen. Bij iedereen loopt het natuurlijk in de praktijk weer anders (het aantal Sartres en schrijftalenten om maar eens iets te noemen is nogal beperkt), maar De Beauvoir was en is een voorbeeld voor veel vrouwen.

En vrouwen zijn nieuwsgierig, luidt het cliché. Wel, voor mij gaat dat op: razend nieuwsgierig was ik naar alles wat De Beauvoir gedaan, gedacht, gevoeld had. Heerlijk dat ze daar zelf over geschreven had, maar bij het lezen van haar memoires (Een welopgevoed meisje, De bloei van het leven, De druk der omstandigheden, Alles welbeschouwd en grote delen van de roman De Mandarijnen waarnaar in de autobiografie verwezen wordt) werd ik eigenlijk alleen maar steeds nieuwsgieriger.

Want ze liet me met veel te veel vragen zitten. Prachtig, zo’n ideale relatie met Sartre die zich niets aantrok van andere verliefdheden, maar zo eenvoudig kon het toch niet wezen? Hoe was het mogelijk dat ze die meeslepende liefdesgeschiedenis met Nelson Algren liet lopen? En hoe zat het eigenlijk met seks in haar leven? Ik kon me niet voorstellen dat De Beauvoir nooit verteerd werd door gruwelijke twijfels over politieke kwesties, dat die vele vriendschappen en gesprekken in het café altijd zo gezellig en inspirerend waren, dat ze zo zeker was over haar schrijftalent, enfin, ik wilde al lezend alleen maar méér weten.

Natuurlijk, er zitten heel wat weggevers verstopt in De Beauvoirs autobiografie, maar als lezer moet je wel verdomd goed tussen de regels doorlezen. Helemaal onbegrijpelijk is dat niet: het is nu eenmaal prettiger je eigen leven als een success story te zien. Anderen moeten daar maar nuances in aanbrengen.

Dat is dan ook wat ik verwachtte van de biografie van C. Francis en F. Gontier (die eerder ongepubliceerde teksten van De Beauvoir bij elkaar brachten, waarvan een deel ook weer in Nederland uitgegeven is onder de titel Wij vrouwen) die onder de simpele naam Simone de Beauvoir gepubliceerd is. Het boek was klaar voor De Beauvoir (op 14 april 1986, 78 jaar oud) stierf, en de schrijfsters hebben haar tien jaar lang geregeld gesproken en geïnterviewd.

Wat een gemiste kans! Stinkend jaloers ben ik dat ze de gelegenheid hadden De Beauvoir uit te vragen over van alles. Ze hebben het niet gedaan.

Ik kan in Simone de Beauvoir met de beste wil van de wereld niet meer zien dan een samenvatting van haar autobiografische werk, waarin nu de pseudoniemen door de echte namen vervangen zijn. Mooi dat die vastgelegd zijn natuurlijk,maar daar heb je geen hele biografie voor nodig. Zeker niet een die verder precies dezelfde sfeer ademt als de autobiografieën: dezelfde dingen worden besproken (er moet altijd en overal gewerkt worden, De Beauvoir is dol op lange wandeltochten en lekker eten, met Sartre loopt het allemaal vanzelf goed), dezelfde dingen blijven onbesproken (hoe zat dat eigenlijk met die studentes die allemaal zo aan De Beauvoir hingen, waarom kreeg ze zo’n ruzie met Camus?).

Francis en Gontier citeren verder vooral uit de interviews van anderen, bijvoorbeeld Alice Schwarzer (in Nederland voor een klein prijsje te koop onder de titel Gesprekken met Simone de Beauvoir) tegen wie De Beauvoir onder andere zei spijt te hebben niet explicieter geweest te zijn over haar eigen seksleven.

Het zal mijn perverse nieuwsgierigheid wel zijn, maar als ik dat tegenkom denk ik onmiddellijk: waarom zijn Francis en Gontier daar dan niet eens een middagje over gaan praten? Waarom hebben ze De Beauvoir niet aan het woord gelaten over haar gevoelsleven ná Sartre, of over alle filosofische theorieën die een rol in haar leven speelden? Hoe keek ze toen ze over de zeventig was aan tegen het existentialisme? Tegen China, tegen Cuba en Rusland, allemaal landen die ze bezocht had.

Ik kan zo honderd vragen bedenken waarop ik geen antwoord krijg. Het zijn er zelfs nog meer dan toen ik, een stuk jonger, De Beauvoirs werk voor het eerst las. Misschien heeft De Beauvoir geen antwoord willen geven, maar dat had dan toch vermeld moeten worden.

Eerlijk gezegd krijg ik nu de indruk dat de schrijfsters zo tegen de grand old lady van het feminisme (al heeft het heel lang geduurd voor ze zichzelf feministe wilde noemen, en toen nog moest ze niets van radicalisme en het ‘vrouwen-zijn-beter-syndroom’ hebben) opkeken, dat ze ook helemaal geen kritiek of een beetje tegenspel wílden geven.

Daar komt dan nog eens bij dat hun boek bepaald niet goed geschreven is, en dat ze vergeten de bronnen voor hun beweringen en citaten te geven. Vaak is het volmaakt onduidelijk wie iets wanneer en waar heeft gezegd. Was alles in een begeesterd, meeslepend verhaal terecht gekomen dan was ik daar misschien niet zo over gevallen, maar nu denk ik telkens: hoezo? Wie vond dat dan?

Toen Simone de Beauvoir in 1985 in Frankrijk uitkwam, was het voor het eerst dat er materiaal uit de brieven van Nelson Algren (die overigens stierf aan een hartaanval nadat hij ’s middags tegen een journaliste verschrikkelijk tekeer was gegaan over het feit dat Simone zijn brieven in haar boeken gebruikt en dus gecommercialiseerd had) gebruikt werd.

Dat was natuurlijk mooi, hoewel ik het nog interessanter zou vinden die hele briefwisseling gewoon zelf te lezen. Maar inmiddels is er al zoveel meer verschenen: de onvolprezen biografie van Annie Cohen-Solal over Sartre bijvoorbeeld, en De Beauvoirs eigen, verloren gewaande brieven aan Sartre. Aan het beeld van het perfecte stel is nogal getornd.

De vertaling die de Prom dacht nu uit te moeten brengen komt dan ook een beetje als mosterd na de maaltijd. Kranten en tijdschriften hebben inmiddels volgestaan over De Beauvoirs onhebbelijkheden, depressies, affaires met vrouwen, noem maar op. 

Francis en Gontiers Simone de Beauvoir zorgde er wel voor dat ik de autobiografie weer door ging bladeren, en me voornam nu toch eindelijk De Tweede Sekse eens helemaal uit te lezen. Want Simone de Beauvoir, hoeveel nare trekjes ze ook gehad moge hebben, blijft een intrigerende dame. Haar ideeën zijn nog altijd de moeite waard om kennis van te nemen (ook die over de ouderdom), maar er moet hoognodig een andere biografie over haar geschreven worden.

Ze hebben weer allemaal een poes

PASO DOBLE door Megchel J. Doewina Uitgever: Furie, 232 p., f 27,-

DE BORSTEN VAN MEVROUW LOZINSKI EN ANDERE VERHALEN door Ineke van Mourik, Renate Dorrestein, Ingeborg Oderwald, Astrid Roemer, Hannes Meinkema, Mirjam Boelsums, Doeschka Meijsing, Coco Snoek, Megchel J. Doewina. Uitgever: Furie,  139 p., f 24,50

ZWERFTOCHT DOOR DE HEL door Monique Wittig. Vertaald uit het Frans door Rosa Pollé, Uitgever: Furie, 125p., f 25,-

‘Wat een modern boek,’ dacht ik aldoor bij het lezen van Megchel Doewina’s Paso Doble. Dat kwam denk ik vooral door de toon: het boek is geschreven in de afstandelijke, maar beslist geestige verteltrant die hevig bij de jaren tachtig schijnt te horen. De gepassioneerdste passies en de verschrikkelijkste gebeurtenissen -het verhaal zit er vol mee- hebben nog een ironisch tintje meegekregen. En laat ik het maar meteen zeggen: mij bevalt dat wel.

Maar ook de entourage waarin een en ander zich afspeelt, doet ‘modern’ aan. Paso Doble (dat is een dans) gaat over een lesbische liefde, al is dat eerder een bijkomstigheid dan het eigenlijke onderwerp van het boek. Twee Nijmeegse dames, een filosofe die op de universiteit werkt en een ‘ex-assistente van een hoogleraar in zure regen’ ontmoeten elkaar bij een voetbalwedstrijd van NEC. Vanaf het allereerste moment steggelen ze er lustig en met veel vaart op los, en vanaf datzelfde moment vallen ze voor elkaar. Een bijzonder gelukkige toevalstreffer. Lijkt het.

De plot vertoont trekjes van een detective. Er is de duistere dood in donker Afrika van het zusje van Carolien (de ex-assistente), er zijn de versprekingen, het flauwvallen en de drankzucht van Annelot (de filosofe) en er zijn allerlei aangevers die soms teveel het karakter van weggevers hebben.

Dat is mijn belangrijkste kritiek op het boek: de intrige zit wel mooi in elkaar, maar je voelt de clou al vrij snel aankomen. Te snel. Ik zal hier dan verder ook niets meer van het verloop der gebeurtenissen verklappen.

Wel wil ik onthullen dat de voorspelbaarheid nog niet wegneemt dat Paso Doble tot het einde toe spannend is om te lezen. Meghel Doewina kan schrijven en gebruikt een ratjetoe aan ingrediënten om onze aandacht erbij te houden. Het boek heeft de vorm van een verslag: Carolien vertelt wat haar overkomen is. Ze geeft doorlopend commentaar op wat er gebeurt, op zichzelf, op de wereld. Regelmatig spreekt ze daarbij de lezer rechtstreeks aan. Tijdens een zware en nogal oeverloze discussie tussen haar en Annelot bijvoorbeeld.

Net op het moment dat ik de neiging kreeg eens een bladzij of wat over te slaan, raadt deze nogal gehaaide dame haar lezers aan om dat inderdaad te doen, wat natuurlijk een averechts effect heeft. Dat is knap.

De dialogen in Paso Doble doen soms aan Marijke Höweler denken, het tijdsbeeld dat geschetst wordt brengt hier en daar A.F.Th. van der Heijden in herinnering. Ook Reves motto dat een enorm cliché op zijn tijd het uitstekend doet in een verhaal, blijkt weer eens een waarheid als een koe. Frases als: ‘Vooruit dan maar, even erdoorheen.’, ‘..zij hadden het ook niet gemakkelijk.’ en ‘Ja, ik kan soms rake dingen zeggen.’ zijn op iedere tweedebladzijde te vinden.

Ze passen uitstekend in de praatstijl van het boek. De tegenhangster van Reves Geheime Deel is bij Doewina trouwens een ‘zwengelend klokje’, zoals blijkt uit een mooi beschreven, maar door bumsende buren (‘Albeeer, tue das nicht, nimm deine Hande weg..’) lichtelijk verstoorde vrijscene. Zo blijft zelfs deze hartstochtelijke passage luchtig.

Maar af en toe wordt de lolligheid iets te veel van het goede. Tegen het eind van het boek begon ik het eerlijk gezegd vermoeiend te vinden. Bijvoorbeeld: twee vrouwen liggen in een bed vol ongedierte. Daar krijgen we deze tekst bij geleverd: ‘Waar ze vandaan kwamen, weet ik niet, maar tegen die tijd hadden we al weer ettelijke nieuwe beestjes met de vingers vanaf het laken de kamer ingeschoten. Zij gedachteloos, ik nogal fanatiek. Mag nou eenmaal graag beestjes wegschieten. Zelf vonden ze ze het blijkbaar ook wel leuk, want ze kwamen steeds weer terug.’ Dat is niet meer geestig, dat is melig.

Wel illustreert dit citaat tevens de vaart waarmee het complete verhaal geschreven is. Alles bij elkaar een veelbelovend debuut heet dat in recensies.

Dames in crisis

Jammer genoeg biedt lesbiennes beschrijven geen garantie voor literatuur. Bij uitgeverij Furie verscheen ook De Borsten van Mevrouw Lozinsky en andere verhalen. Daaruit leerde ik om te beginnen dat Megchel Doewina een sociologe buiten dienst is die schrijft, leest, tekent en musiceert naast haar studie Latijn en Grieks.

Benieuwd naar wat ze nog meer geschreven had, sloeg ik haar verhaal als eerste op. Helaas. Het was een hoofdstuk uit Paso Doble, en dat bleek al snel het interessantste en leukste stuk van het boek te zijn.

Tjongejonge. Mijn kantlijnen stroomden bij de rest onmiddellijk vol met opmerkingen als ‘gewild’, ‘slappe verhaaltechnische trucs’, ‘mysterieus gedoe’ en ‘onzin symboliek’. Maar bovenal bleef de indruk hangen: wat valt er weer verdomd weinig te lachen. Al die verhalen gaan over dames in crisis. En ze hebben ook weer allemaal een poes. Sommige clichés hebben nu eenmaal niet het Reviaanse effect.

Misschien dat het me zo tegenviel omdat de inleiding je volkomen op het verkeerde been zet. Die vertelt dat ‘het lesbische’ als een vanzelfsprekend gegeven verwerkt is. Maar dat is absoluut niet waar. In ieder geval Ingeborg Oderwalds ‘Buurvrouwen’, Coco Snoeks ‘Gifgroen oudrose voor “zwarte” bladzijden’ en Hannes Meinkema’s ‘In de omgekeerde wereld’ gaan uitsluitend over moeizame lesbische verhoudingen. En juist ‘het lesbische’ zorgt voor problemen.

Het titelverhaal van Ineke van Mourik lijkt wel een schoolopstel van een puber. Het zit vol met interessantdoenerij. Opmerkingen als: ‘Ik leef al jarenlang in een mist. Ik heb nevelslierten in mijn hersenen, een floers voor mijn ogen, gezoem in mijn oren en een bittere smaak in mijn mond.’ De hoofdpersoon heeft het moeilijk, concludeer ik dan, maar Joost mag weten waarmee. Ze heeft ook een droom, en ik schat dat die vol symboliek zit. Bij gebrek aan achtergrondgegevens kun je echter alleen maar gokken naar de diepere bedoelingen. Ongeveer hetzelfde geldt voor Mirjam Boelsums ‘Ooggetuige’. Ook daar blijft het een raadsel waar het verhaal nu eigenlijk over gaat.

Dan is er nog Astrid Roemers ‘Cryptogram’. Over het algemeen ben ik niet zo slecht in cryptogrammen, maar deze, daar kom ik echt niet uit. Het gaat bijvoorbeeld over een ontmoeting die ‘stralend als intense leegte’, en een ‘zij’ die ‘niet aarde & vast’ is. Het betreft hier overigens een fragment uit een roman. Wie weet is een en ander in de context van het hele boek wel te volgen, maar dat is nog geen excuus dit hoofdstuk in een verhalenbundel op te nemen.

Allegorische tocht

Doeschka Meijsing en Renate Dorrestein hebben in ieder geval als voordeel dat ze kunnen schrijven. Het verhaal van Meijsing (‘De verdwijning van Louisa Jebb’) lijkt mij echter meer een aanzet tot een langer verhaal. Het is grotendeels een stukje van een manuscript van iemand uit de vorige eeuw. Die iemand is op mysterieuze wijze verdwenen. En dat is het dan. Dat vind ik een te dun gegeven. Dorresteins verhaal ‘Suiker’ steekt gunstig bij de rest af. Het gaat over een vrouw die haar grip op de werkelijkheid kwijt is sinds het overlijden van haar vriendin. Het eind van het verhaal lijkt mij wat gewild, maar dat is puur een kwestie van smaak.

Lichtelijk opgelucht dat De Borsten van Mevrouw Lozinski achter me lagen begon ik aan een derde boek van uitgeverij Furie. Zwerftocht door de hel van Monique Wittig.

Een gevaarlijke titel. Ik kan er niets aan doen, maar ik vond hem erg toepasselijk. Het boek beschrijft een allegorische tocht van Wittig met ‘haar gids Manastabal’. Dat epitheton ‘mijn gids’ alleen al ging me na drie paragrafen op mijn zenuwen werken, omdat het op iedere bladzijde minstens drie keer vermeld werd.

Maar veel erger was al die symboliek. De ‘verdoemde dienende zielen’ moeten denk ik vrouwen voorstellen, hun pikgerichte ‘aanhangsels’ zullen wel mannen zijn. De onderliggende intenties van allerlei bloederige taferelen met opgestapelde verminkte lichamen, heb ik niet helemaal begrepen, maar de boodschap van het verhaal lijkt me iets als ‘vrouw zijn is een hel’. Ook wordt de illusie gewekt dat er een hemel bestaat die te bereiken is voor wie door de hel en het vagevuur wil gaan. Wie weet.

Extra verwarrend wordt dit duistere proza nog eens door het gebruik van ‘haar’ als het ‘hun’ of ‘hen’ moet zijn. ‘Haar’ kan tegenwoordig nu eenmaal alleen maar op een vrouw slaan in het Nederlands, niet op meerdere. Als je het daar niet mee eens bent, dan kun je beter een nieuw woord bedenken dan een bestaand woord een ruimere, bij de lezer onbekende toepassing geven. En waarom zou je alles wat er gezegd wordt tussen () zetten, in plaats van tussen ‘‘? Wie het weet mag het zeggen.

‘Een soort Sinterklaas voor volwassenen’

Hij heeft een enorm pak luiers naast zich neergezet – voor blije baby’s staat erop –, en die middag is de afspraak voor het interview helemaal misgelopen omdat hij ineens toch op zijn kinderen moest passen. Marcel Roele, auteur van onder meer De eeuwige lokroep, Over seks, sekseverschillen en relaties en De Mietjesmaatschappij, Over politiek incorrecte feiten noemt zichzelf “een ontzettende softie”, en “een man met een meer dan gemiddeld aantal vrouwelijke eigenschappen”.

Gemiddelden. Eigenlijk gaat het onderzoek naar de aangeborenheid van veel zaken waar freelance wetenschapsjournalist Roele (40) veel en graag over schrijft, daar altijd over. Maar bij onderwerpen als mannetjes- en vrouwtjesgedrag, en intelligentie en ras lopen de gemoederen zo gemakkelijk hoog op, dat al gauw uit het oog verloren wordt dat dergelijke studies niets over individuen zeggen.

Degene die de boodschap brengt dat meisjes, wat je ook probeert of doet, over het algemeen geen groot talent voor wiskunde hebben, krijgt daarom de wind van voren. Wie navertelt dat onderzoek keer op keer uitwijst dat blanken gemiddeld een hoger IQ hebben dan zwarten, kan helemaal op verkettering rekenen. Het zit hem echt in de taboes van onze samenleving, zegt Roele, en hij illustreert: “Als ik nou zeg: die mevrouw die daarachter zit heeft cupmaat D, terwijl jij cup C hebt, en dat verschil is helemaal door jullie genen bepaald, dan kan ik me niet voorstellen dat een van jullie daar ooit een probleem mee zou hebben. Zoiets vindt iedereen gewoon. Hetzelfde geldt voor een mooi of lelijk gezicht. Maar gaat het om intelligentie dan gaan alle mensen ineens op hun achterste benen staan.”

Vooral uit De Mietjesmaatschappij spreekt regelmatig Roeles ergernis over onderzoekers en ook journalisten die hun onwelgevallige onderzoeksresultaten simpelweg verwerpen. Bij voorbaat, of met behulp van vals citeren en verdachtmakingen. Onder meer de evolutionair bioloog Stephen Gould krijgt er geweldig van langs. Het boek zelf riep bij recensenten dikwijls ook weer felle reacties op. Dat ergernis een van zijn drijfveren is, wil Roele wel toegeven, maar dat er ook agressie uit de pagina’s opstijgt gaat er niet zomaar in. Hij mannelijk hormoon zat? Welnee.

“Ik weet zeker dat ik niet veel testosteron heb”, verzekert hij met kracht. “Ik ben zo iemand die zich tot zijn twintigste nooit hoefde te scheren, de jongen die bij gym altijd als laatste werd gekozen. Het type man waarmee vrouwen graag praten, maar aan wie ze zich nou nooit eens spontaan aanbieden.” Dat dat laatste hem spijt lijkt weer wel tot de typisch mannelijke eigenschappen te behoren.

Steeds komt het gesprek uit op hetzelfde: of het ons nu bevalt of niet, ons lot ligt voor een groot deel in onze genen besloten, en dat kun je zelfs steeds beter zien. Roele legt uit: “Neem lengte, en laten we even kijken naar bekende paren, Wim de Bie en Kees van Kooten, Freek de Jonge en Bram Vermeulen. Generatiegenoten van wie de een ’n stuk kleiner is dan de ander. Dat is voor negentig procent genetisch bepaald, maar honderd jaar geleden was dat nog niet zo. Toen waren er veel grotere verschillen in de omgevingsfactoren. Slechte voeding, ziektes, dat beïnvloedde iemands lengte veel vaker. De verschillen tussen mensen onderling waren toen dus meer terug te voeren op nurture dan nu.”

Maar dat geldt voor intelligentie ook. Vanaf halverwege de vorige eeuw werd door verschillende onderzoekers vastgesteld dat de hoogte van iemands IQ voor zo’n zestig procent afhankelijk was van erfelijkheid, wanneer je volwassen generatie- en landgenoten uit dezelfde etnische groep vergeleek. “In de loop van de jaren is dat percentage aldoor opgelopen”, vertelt Roele. “Tegenwoordig komt er uit studies dat de individuele verschillen in IQ van 60-jarigen voor tachtig procent zijn terug te voeren op individuele verschillen in genetische aanleg. De erfelijkheid van intelligentie neemt in de loop van je leven toe doordat de invloed van omgevingsinvloeden daalt – je realiseert langzaam je genetische potentieel dus, tot het moment waarop je gaat aftakelen. Het streven is natuurlijk honderd procent, pas dan heeft iedereen gelijke kansen om zijn talenten te ontplooien.”

Het lijkt de ironie ten top. ‘Gelijke kansen’ is het oude motto van politiek links. Nu dat ideaal bijna bereikt is, blijkt dat gelijke kansen niet tot gelijke resultaten leiden, maar juist de aangeboren verschillen genadeloos blootleggen. Al probeert datzelfde links dat wel weet te verdoezelen, volgens Roele: “De nivellering is veel te ver gegaan. Onderwijs op maat zou kinderen beter tot hun recht laten komen. Nu is het onderwijsprogramma in onder andere Amerika aangepast om ook meisjes een voldoende voor wiskunde te laten halen. Het gevolg is dat echte wiskundetalenten, en dat zijn vooral jongens, niet meer gestimuleerd worden. Dat gevaar dreigt hier ook.”

“Tegelijk worden die jongens wel verplicht om op dezelfde leeftijd als meisjes naar school te gaan, terwijl ze in hun ontwikkeling consequent een à twee jaar achterlopen. Dat duurt tot in hun puberteit. Het is ook van alle culturen, overal vallen meisjes van dertien op jongens van vijftien en omgekeerd. Ik vind dat je het moment van naar school gaan zou moeten laten afhangen van de persoonlijke intellectuele ontwikkeling van jongens.”

Maar ja, het pluche wordt nog steeds bezet door de linkse generatie van de jaren zestig. Overigens heeft Roele zelf een heftig links verleden. Eind jaren zeventig ging hij dan ook politicologie studeren aan de universiteit van Amsterdam, toen een waar rood bolwerk. Zijn eigen opvoeding was “tamelijk socialistisch” zegt hij, waaraan hij het feit toeschrijft dat hij nooit een opstandige puber was. Wel werd hij radicaal links (“Toen ik vijftien was vergoelijkte ik enigszins wat de Baader-Meinhoff-groep deed”), maar bij het lezen van marxistische literatuur begon de twijfel te knagen. Kroning en krakers, kruisraketten, zijn medestudenten waren erbij begin jaren tachtig, maar Roele was er al op afgeknapt. “Ik ben daar zo ontzettend verrechtst”, lacht hij, en dan serieus: “Ik ergerde me aan het bijna ‘bijbelse’. De linkse gemeenschap leek wel een godsdienst.”

En hoewel hij zielsgraag anders zou willen, al was het maar omdat hij al sinds zijn zevende erg benauwd is voor de dood, in een god geloven kan Roele niet. Het thema ‘God is biologie’ van het Bionieuws-symposium in november behoeft wat hem betreft nauwelijks discussie. De bioloog in ons heeft god uitgevonden.

Roele zal op het symposium spreken over evolutionaire verklaringen voor religieus gedrag. Nadat hij toch maar in de politicologie was afgestudeerd, ging hij daar namelijk onderzoek naar doen. Van een proefschrift is het door allerlei oorzaken niet gekomen, maar zijn gegevens en een aantal stellingen kwamen uiteindelijk in De Mietjesmaatschappij terecht.

Roele: “Elke godsdienst wil natuurlijk het onverklaarbare verklaren, en vaak manipuleren ze ook de angst voor de dood. Maar in grotere samenlevingen leggen ze bovendien normen en waarden op. Dat is in een kleinere gemeenschap veel minder nodig: daar houdt iedereen iedereen in de gaten, en kent iedereen elkaar ook. Bij wat ze natuurvolken noemen heb je wel religie, maar zelden monotheïsme. Het geloof in één moraliserende god, die alles ziet en aangeeft wat goed en fout is, zie je terug in alle grotere samenlevingen. Toen men in grotere verbanden dan pakweg 250 mensen ging leven, werd een soort Sinterklaas voor volwassenen nodig, met ook een groot boek waarin alle zonden worden bijgehouden.”

Er gaan nog meer controversiële onderwerpen over tafel. Eugenetica, waar Roele al aan gedaan heeft, zegt hij: “Als de vruchtwaterpuncties van mijn vrouw hadden uitgewezen dat we een mongooltje verwachtten hadden we beslist abortus gepleegd.” Over de Turken en Marokkanen in Nederland van wie het aannemelijk is dat ze gemiddeld een lager IQ hebben dan de Nederlanders. “Wij wilden geen vloeren meer vegen, maar toen hebben we natuurlijk niet alle hoogleraren uit Ankara gehaald om het over te nemen”, zegt Roele droogjes, ook al is het geen populaire opvatting. Het deert hem niet: “Wat klopt in de wetenschap, gaat langer mee dan de modes.”

Marcel Roele heeft een wekelijkse rubriek over evolutie en biologie in het Algemeen Dagblad. Zijn boeken worden uitgegeven door Contact. Binnenkort verschijnt De menselijke soort.

NOOT: Bionieuws organiseerde een symposium onder de kop ‘God is bioloog’, dat op 15 november 2001 gehouden werd. Roele was een van de zes sprekers. Zie in het archief ook het interview met Gert-Jan van Ommen, een van de andere vijf, verschenen in Bionieuws van 13 oktober 2001.

Naschrift: Marcel Roele is op 9 januari 2011 onverwacht overleden, nog maar 49 jaar oud.

Ben jij goed in bed?

Alles went behalve een vent, door Yvonne Kroonenberg, Uitgever Contact, 125 p.

Een grote foto van een stralende Yvonne Kroonenberg op het omslag, daaromheen overal hartjes en erboven de pakkende titel Alles went behalve een vent. Je kunt aan Kroonenbergs gezicht al zien dat ze het niet zo meent. De buitenkant dekt wat dat betreft netjes de binnenkant van deze verzameling stukjes uit de Playboy: het boekje staat vol luchthartig gebrachte provocaties en vrolijk gekanker. Over mannen en vrouwen en wat er zich tussen die twee kan afspelen.

Kroonenberg heeft een onbedwingbare neiging seks en de seksen in ferme stellingen te beschrijven. Op de derde pagina kreeg ik al de behoefte die te gaan aanstrepen. Een kleine selectie: “Mannen zijn zo onelegant in hun presentatie.” “Lief zijn is verslavend” “Wie vieze woorden zegt, is af” “De eerste keer moet leuk zijn” “Een man is al tevreden als een vrouw vriendelijk voor hem is en als ze er aardig uitziet” “Als een man een slechte verhouding met zijn vrouw heeft, wist hij haar uit zijn gedachten” “Zo krachteloos als vrouwen kunnen zijn als het gaat om de verovering van een plaatsje in de maatschappij, zo trefzeker zijn ze als het om een man te doen is” “Mannen en vrouwen koesteren een diepe minachting voor elkaar”.

Toe maar. Deze paar voorbeelden (en echt, op bijna elke bladzijde valt er wel zo’n besliste uitspraak te vinden) maken in ieder geval duidelijk dat Kroonenberg het niet per se voor een van de twee geslachten opneemt. We hebben allemaal boter op ons hoofd, dames en heren, ook al doet de titel van het boekje anders vermoeden, evenals de reclamecampagne van Contact waarin gesproken wordt van “vrolijke stukken over een bedreigde soort”.

Gelukkig is Kroonenberg niet zo flauw. De bedreigde soort zou hooguit de mens kunnen wezen, en verdomd, als je al die stukjes gelezen hebt, vraag je je af hoe het mogelijk is dat de wereld maar door blijft draaien en dat iedereen telkens toch weer aan een nieuwe verhouding begint. Het was al nooit eenvoudig, maar de moderne tijden hebben het er dikwijls nog moeilijker op gemaakt.

Herkenbaarheid is de kracht van deze bundel schetsjes vol menselijk leed. U kent vast ook wel zo’n man die best z’n vrouw wil helpen, maar nooit eens iets “uit zichzelf” doet: geef hem een lijstje opdrachten en hij voert ze braaf uit, maar het huishouden met hem delen is uitgesloten. En hoeveel vrouwen hebben niet net als Kroonenberg metselcursussen en meer van dat geëmancipeerds gedaan, met als gevolg nog altijd treurig getuigende scheve contactdozen aan de wand?

Of bent u ook zo’n echtpaar dat, zoals Kroonenberg het stelt “uitsluitend in de eerste persoon meervoud spreekt: ‘Wij lusten alleen maar zelfgebakken patat,’ zei een vriend laatst. Zijn vrouw bakt de patat en hij eet hem op, maar dat vindt het echtpaar een onbelangrijk detail. Bijna alles wat die twee vertellen, wordt in het meervoud meegedeeld. Alleen als ze ruzie hebben is er een korte scheiding. ‘Zij heeft altijd wat te vitten.’ ‘Hij denkt dat dit huis een hotel is.’“

Die laatste gedachte wordt elders uitgewerkt: “Wat zou het handig zijn als er een voorziening bestond, een pension voor echtgenoten, waar ze ongestoord met hun ondergoed kunnen strooien, hun koffie kunnen morsen en hun haren wassen. Alleen voor de gezelligheid komen ze thuis.” Kroonenberg heeft nog meer originele oplossingen, zelfs eentje voor vreemdgaan. Iets dat ze nooit doet: “Als ik denk aan het geknoei in het geniep en aan de treurige gesprekken met een verloofde die er natuurlijk tóch achter is gekomen, is de lust alweer verdord. Ik weet iets veel leukers dan seks met andere mannen: praten over seks.”

Dat doet ze dan ook naar hartelust. Mannen vertellen haar hun fantasieën (“voor een etalageruit staat een dame te kijken naar een uitstalling. Hij benadert haar van achteren, rukt haar jurk omhoog en neemt haar met één machtige beweging van zijn brandende lendenen”) en hoe vaak en waar ze zich aftrekken (“Ik ken een leraar die zich elke keer als hij thuis proefwerken zit na te kijken aftrekt. Niet één keer, maar wel drie! Het ligt aan de verveling en de ergernis, zegt hij.”). Zelfs beginnen “ze trouwhartig hun vaardigheden op te sommen” als Kroonenberg ze vraagt waar ze goed in zijn in bed.

In dit verband krijgen de dames een veeg uit de pan: “Op een partijtje zag ik een feministe. Ze werkt bij Opzij. ‘Ben jij goed in bed?’ vroeg ik. ‘Ik goed – laat híj maar goed zijn!’ zei ze. Ze lachte onheilspellend en ik zou, als ik een man met plannen was, eerst wat oefenen voor ik me aan haar aanbood als liefdespartner. Ik vroeg het ook aan andere vrouwen en een heleboel zeiden hetzelfde: ‘Laat híj maar zorgen dat hij goed is.’ Dat vond ik merkwaardig. Economische onafhankelijkheid is niet voor iedere vrouw weggelegd en je kunt je hart verliezen aan een gluiperd, maar in bed heb je het tenminste voor de helft voor het zeggen. Ik vind het zonde om het aan een man over te laten of het nog wat wordt met de seks.”

Kroonenberg strooit lustig allerlei meningen rond. Aanknopingspunten voor eindeloze discussies in huiselijke of vriendenkring, lijkt me. De stukjes bevatten ook mooie observaties: op iemand afknappen gebeurt altijd op een ongelegen moment, en “je kunt moeilijk nog terug als je eenmaal in bed ligt. Een man kan altijd impotent worden, maar voor een vrouw ligt het niet zo eenvoudig.”

En inderdaad vertellen voorlichtingsboekjes niet dat een man wel eens ‘nee’ zegt. Een hele schok voor Kroonenberg toen ze op haar vijftiende besloot haar maagdelijkheid aan de buurjongen te verliezen. “‘Nu!’ dacht ik en fluisterde hartstochtelijk: ‘Zul je voorzichtig zijn?’ Een mooi moment, een fijne herinnering voor later zou het worden. Maar de buurjongen dacht er anders over. ‘Wat ben jíj van plan?’ vroeg hij onthutst.” Prachtig als je je jeugdherinneringen zo kunt verwoorden.

Tips heeft ze ook. Noteert u maar: “Een man die indruk op vrouwen wil maken, moet juist een beetje afstand bewaren.” en :”Liegen moet je móói doen.” Tegen iemand die haar een onwelkom voorstel doet, zegt Kroonenberg: ‘Nee meneer, als ik wat snoep, snoep ik wat lekkers.’ Vrouwen raadt ze van ganserharte aan het lief zijn af te schaffen. Of de wereld er beter uit zou zien als iedereen de adviezen van Kroonenberg opvolgt? “De strijd tussen de seksen is een schaduwgevecht.” stelt ze. “Hij kust de grond waarop ze loopt, zijn hart klopt op de maat van o sole mio, maar zij heeft verdriet, want hij zegt nooit ‘ik hou van jou’.”

Schrijnend is het allemaal, en waarschijnlijk heeft Kroonenberg gelijk: de enige manier om het draaglijk te houden is overal maar eens flink om te lachen. Vergeleken met het domme dramfeminisme dat de boekenmarkt al jaren teistert is dit boekje in ieder geval een verademing.

Ik heb Alles went behalve een vent in één ruk uitgelezen. Dat is zo gebeurd, omdat het zo lekker wegleest. Toch raad ik u aan de stukjes bij stukjes en beetjes tot u te nemen. Daar waren ze in eerste instantie ook voor bedoeld. Dat hele luchtige gaat op den duur lichtelijk irriteren. Wie alles achter elkaar leest, krijgt op een gegeven moment genoeg van de zoveelste Bert, Thea, Lucy of Hans die kakelend ingevoerd wordt. Eén pretentieloos luchtig cakeje is lekker, twee ook nog, maar zesentwintig op een rij is net iets te veel. Tussendoor pauzeren tot u weer echt trek hebt dus.

Uit vrijwel iedere pagina rijst de fallus omhoog

WHAT A MAN’S GOTTA DO, The Masculine Myth in Popular Culture, door Anthony Easthope. Uitgever: Paladin, 180 p. Importeur: Van Ditmar. f 22,80

Hoe vrouwen er in reclame, films, strips en de Boeketreeks uitzien weten we zolangzamerhand wel. Er bestaat een niet al te groot arsenaal aan mogelijkheden dat reikt van huissloof tot zandloperfiguurtje, van madonna via moeder tot hoer, en van dom blondje tot gevaarlijke brunette. Maar hoe zit het met de andere sekse? Wordt het niet eens tijd de clichés die we over mannen voorgeschoteld krijgen op een rijtje te zetten? Antony Easthope vond van wel en schreef een boekje dat hij What a Man’s Gotta Do, The Masculine Myth in Popular Culture noemde.

Hij behandelt een heel scala ‘mannelijkheden’ aan de hand van stukjes uit de krant, tv-series, reclames, prentbriefkaarten, foto’s en films. Het lichaam, de geest, oorlog, sport en spel, het komt allemaal aan bod. Zelf de gore moppen, verliefdheid, en jaloezie heeft hij niet vergeten. Maar afgezien van af en toe een aardige observatie is daarmee alles wat positief is aan dit boekje wel behandeld.

Easthope heeft namelijk alles wat hij vertelt opgehangen aan Freud. En de conclusies die hij op basis van diens werk allemaal trekt…nee, heren dat ziet er helemaal niet best voor u uit.

Mocht u bijvoorbeeld gedacht hebben dat u vroeger lekker met water en zand aan het knoeien was op het strand dan hebt u het helemaal mis. Als u zo’n mooi zandkasteel met echte kantelen bouwde dan was u in feite bezig symbolisch uw ego na te maken. Immers ook dat ego wordt voortdurend bedreigd door aanstormende golven van buitenaf. Maar gelukkig bevindt u zich in goed gezelschap: Leonardo da Vinci ontwierp in 1504 ook al een fort.

Als u veel van uw vrouw of vriendin houdt en ze heeft ineens een ander, dan bent u niet jaloers omdat u bang bent haar kwijt te raken, maar dan blijkt u verzeild geraakt in een gevecht met uw moeder (namelijk uw geliefde) en uw vader (haar geliefde). Niet moeder de vrouw maar mama zelf heeft u verraden. En als u die andere vent een keer wil zien is dat niet uit nieuwsgierigheid of omdat u een beeld van de concurrentie wil krijgen, maar omdat u eigenlijk homoseksueel bent.

Gelukkig, alweer, bent u niet de enige. Ook Winston Smith, de hoofdpersoon in 1984, valt op seksegenootjes, al wil hij dat niet toegeven. Pas op de laatste bladzijde van het boek bekent hij dat hij Big Brother niet haat, maar van hem houdt.

De wereld zit echt vol misleidingen. Staat er in de krant bijvoorbeeld een stukje over het vaderland waarin van wij gesproken wordt dan moet de helft van de natie die uit vrouwen bestaat vooral niet denken dat zij daar ook bijhoren. Wij in de krant dat zijn wij mannen.

En u vond The Deer Hunter wel een mooie film? U heeft vast geen idee van wat er zich daar eigenlijk allemaal in afspeelde. Om te beginnen heeft u een goed voorbeeld gezien van de dure prijs die mannen moeten betalen om hun homoseksuele gevoelens te mogen uiten: in oorlogstijd mogen ze elkaar namelijk omhelzen en alleen daar vindt niemand het raar als ze huilen om het verlies van een vriend.

Misschien herinnert u zich de scene waarin Robert de Niro (Mike) en Christopher Walken (Nick) aan de Vietcong ontsnappen. Ze moeten Russische roulette spelen en de Niro zet op eigen verzoek een pistool met drie kogels, in plaats van een aan zijn hoofd. Hij neemt dat extra risico niet omdat er precies drie bewakers zijn en hij zo goed kan mikken, maar omdat drie het fallische getal is. En dat komt weer omdat alle mannen naast een piemel ook nog twee ballen hebben.

Uit vrijwel iedere pagina rijst de fallus omhoog. Bijna elke handeling van iemand die er een heeft komt voort uit angst hem te verliezen of uit verlangen er een te krijgen. Overal ligt het spook van de castratie-angst op de loer, terwijl ieder bezit eigenlijk een fallus is. Dat geldt ook voor vrouwen en daarom zetten mannen die het liefst op een voetstuk.

Nu ken ik ook wel wat heren die die neiging vertonen, maar ik had me nog niet eerder gerealiseerd dat dat kwam omdat ze zo beter hun fallus kunnen bewonderen.

Patriarchaat

Zucht. Meer dan 170 pagina’s lang gaat dat zo door. Het ene woeste verband na het andere legt Easthope. Soms geeft hij interessante dingen aan, bijvoorbeeld dat in de tijd van de oude Grieken de fallus nog openlijk vertoond mocht worden, graag zelfs, en dat voor Plato homoseksualiteit geen probleem was, maar nergens gaat hij dieper op in (om maar eens een Freudiaanse uitdrukking te gebruiken). Naar believen een beetje rondgoochelen met Freud is zijn enige antwoord op alle vragen die hij oproept. En niet één relativerende opmerking.

Mannen hebben simpelweg alleen maar een hoofd vol fallussen en uiteindelijk komt dat door het patriarchaat.

Ook dat legt Easthope niet uit, maar hij wil er wel wat aan doen. Deels door een boekje als dit te schrijven waarin hij het systeem goed bekeken heeft, (alsof het algebra was durft hij zelfs te beweren), en deels door te wachten: in het jaar 2411 zullen we wel toezijn aan het leven in lossere verbanden waarin vriendschap belangrijker is dan bloedverwantschap.

Easthope wil de mannelijke mythe ontmaskeren zegt hij, maar het enige wat hij doet is er met een enorme woordenbrij nog veel meer mythes bijbouwen: zijn boek gaat helemaal niet over hoe mannen zich presenteren of gepresenteerd worden, maar over hoe ze volgens hem in elkaar zitten. ‘Zo zijn mannen nu eenmaal’ is overal het uitgangspunt waarover geen discussie mogelijk is, en het blijft daarom ook volkomen duister hoe ze dan ooit zouden kunnen veranderen.

Overigens valt de stijl van deze alwetende verteller ook niet mee. Het boek barst van de herhalingen en clichématige uitdrukkingen. Had u wel eens gehoord dat een foto een momentopname is? Easthope heeft het me voor de zekerheid nog maar een keer of vijf verteld.

Dat hij sowieso geen verstand heeft van taal blijkt ook uit de volgende enormiteit: alle taal bestaat uit twee afzonderlijke aspecten, las ik, klanken en betekenissen. Omdat we zo gewend zijn geraakt aan in stilte lezen vergeten we nog wel eens dat we alleen bij de betekenis van een woord kunnen komen via de klank. Vooral de mannelijke stijl waarin kranten geschreven zijn wil ons ertoe aanzetten die klanken te negeren, net zoals een fetisjist castratie ontkent.

U begrijpt dat de steen van Rosetta dus nooit ontcijferd is en dat de woorden in gebarentalen die doven bijvoorbeeld gebruiken geen betekenis hebben, of misschien wel gecastreerd zijn of zoiets. Dat de schrijver zich in dit verband ook nog baseert op een volstrekt verkeerde interpretatie van twee begrippen van de Saussure uit het begin van deze eeuw zullen we verder maar laten voor wat het is.

Wat Maria nog met Jezus had te verhapstukken

ALS JE GESPROKEN HAD, DESDEMONA door Christine Brückner.  Vertaling: Gerda Meijerink. Uitgever: Wereldbibliotheek, f 24,50

’s Avonds laat in bed ben ik een super-oratrice. Haarfijn en in exact de juiste bewoordingen kan ik dan iedereen vertellen hoe het volgens mij allemaal zit in de wereld. Niets blijft er onbesproken en ik heb onweerlegbaar gelijk.

Deze nachtelijke talenten deel ik met een flink deel van de wereldbevolking, en naar het lijkt ook met Christine Brückner. Haar verzonnen tirades van allerlei dames uit de wereldgeschiedenis (verzameld onder de titel Als je gesproken had, Desdemona) ademen in ieder geval precies die sfeer van ‘En nou zal ik eens even van begin tot eind zeggen waar het op staat’. Ze hebben dezelfde vaart, maar ook dikwijls hetzelfde verongelijkte.

Brückners idee om een stel vrouwen van uiteenlopend pluimage (letterlijk van hoer tot madonna) sprekend op te voeren is origineel, en het werkt tot op zekere hoogte ook wel. De dingen opschrijven lijkt wel wat op de dingen ’s avonds in bed bedenken: bij alle twee kan niemand je in de rede vallen. Ik geloof alleen niet echt dat Brückner de gedachten van én Gudrun Ensslin, én mevrouw Goethe, én Maria (die van Jezus Christus), én Sappho en nog zo’n zootje meer goed geraden heeft. Ik denk ook dat dat niet kan.

Brückner maakt zelf ook van de gelegenheid gebruik om haar hart eens te luchten. In Een toontje lager, juffrouw von Meysenbug! Rede van de verbolgen Christine Brückner tot haar collega Meysenbug gaat ze uitvoerig in op de verschillen tussen vroeger en nu.

De negentiende-eeuwse Malvida von Meysenbug was een voor haar tijd behoorlijk geëmancipeerde tante: ze verliet haar aristocratische familie omdat ze er zelf democratische ideeën op nahield en vond dat je alleen geld mag aannemen van mensen met wie je het volledig eens bent. Een dappere daad. Het lukte haar inderdaad om haar eigen brood te verdienen en het tot ‘vriendin en raadgeefster’ te brengen van beroemdheden als Richard Wagner, Friedrich Nietzsche en Romain Roland. Toch is Brückner niet echt onder de indruk van deze succes-story.

Immers, alles wat von Meysenbug bereikte had ze te danken aan haar achtergrond: haar naam, haar opvoeding, haar artistieke belangstelling effenden de weg. Ze kon inderdaad doen wat ze wilde: wonen in haar geliefde Italië, schrijven en daardoor onafhankelijk zijn. En ze dacht dat iedere vrouw die ‘keuze kon maken’.

Brückner neemt haar haar kortzichtige blik kwalijk: von Meysenbugs omgang met ‘normale stervelingen’ was tot een minimum beperkt, en waarschijnlijk zou het haar niet echt meegevallen zijn om ‘haar’ Ischia te moeten delen met de hedendaagse toerist. Maar weinig vrouwen hadden een boodschap aan ‘de grote gemeente van hen die het goede, hoge en schone liefhebben’.

Gelukkig bestaan er tegenwoordig heel andere zaken zoals zwangerschapsverlof, cao’s en kinderbijslag: daar zijn vrouwen meer mee opgeschoten dan met het humorloze oogklepperige idealisme van von Meysenbug.

Kort gezegd: Brückner verwijt von Meysenbug dat ze een produkt van haar tijd en haar milieu is. Dat nu, lijkt me, zijn alle mensen, ook degenen die Brückner zelf laat ‘spreken’ in de rest van haar boek. Natuurlijk zijn daar niet Klytaimnestra (van Agamemnoon) of mevrouw Luther (van Maarten) aan het woord: Christine Brückner schrijft hun gedachten op en daarom doen ze zo anachronistisch modern aan. Een gedachtenexperiment als dit kan natuurlijk heel interessant zijn, vooral als degene die het uitvoert een levendige fantasie aan een knappe stijl paart, maar ik maak bezwaar tegen het feit dat aan alles maar één gedachte ten grondslag ligt: al die dames zijn zielig.

De ondertitel van het boek luidt: Verborgen woorden van verbolgen vrouwen, de achterflap vertelt dat die verbolgenheid ‘de reactie op het zwijgen dat hen werd opgelegd’ is. Nu is het een feit dat eerder de heren met wie de dames uit dit boek iets hadden, dan de dames zelf de helden van de geschiedenis geworden zijn, maar wie zegt mij dat ze daarom allemaal ongelukkig en boos waren?

Voor mij had dit boek veel aan zeggingskracht gewonnen als Brückner bijvoorbeeld een stralend gelukkige Laura (die uit de gedichten van Petrarca) opgevoerd had, of wanneer ze Sappho een lofzang in plaats van een klaagzang had laten houden.

Gelukkig maken Brückners schrijftalent en haar gevoel voor humor wel wat goed. En persoonlijk kan ik me ook wel voorstellen dat Maria nog het een en ander met God te verhapstukken had: ‘Niemand heeft gevraagd of ik uitverkoren wilde zijn’ stelt ze. Aan haar zoon heeft ze bijzonder weinig plezier beleefd, vaak sprak hij haar niet eens aan met ‘moeder’ maar met ‘vrouw’. En nu hij dood is drijven de mensen de spot met haar, schelden haar uit, roepen haar na. Ze besluit na deze monoloog tegen God (antwoord komt er niet) voortaan niet meer te spreken: de verklaringen die iedereen haar vraagt kan ze toch niet geven. Als ze niet willen geloven kan zij er ook niets meer aan doen. Tegelijkertijd kan ze zo haar eigen twijfels (bijvoorbeeld over Johannes die door Jezus méér bemind werd dan zijn andere discipelen) het zwijgen opleggen.

Ook kan ik me wel voorstellen dat iemand als Gudrun Ensslin stampvoetend en scheldend door haar cel in Stammheim loopt. Brückner laat ook haar het slachtoffer van haar opvoeding zijn: als domineesdochter wisselt ze haar getier af met de ‘mantra’s’ van haar jeugd. Of Gudrun Ensslin het zwijgen is opgelegd vanwege haar ‘vrouwzijn’ waag ik te betwijfelen.

Als Desdemona inderdaad gesproken had zou ze het overigens volgens Brückner over zakdoekjes gehad hebben: niet over het zakdoekje dat Othello haar gegeven had en dat, als ze het kwijt is geraakt, de leidraad voor het complete drama vormt, maar over de stapels zakdoekjes die ze zelf ‘omzoomd en van borduursels voorzien heeft’ voor Othello. Hij blijkt er niet eentje bij zich te dragen.

Ik kan wel lachen om dit ‘lik op stuk geven’, maar met Shakespeare of met vrouwenemancipatie heeft het niets te maken.

Een groot talent om van het leven te genieten

Een eigen gezicht, door Benoîte Groult, vertaling Nini Wielink, Uitgever Arena, 504 p.

De wereld van de Franse schrijfster Benoîte Groult is niet zwart-wit. Misschien maakt dat haar werk zo aantrekkelijk. Groult kent mededogen, weet te relativeren en heeft gevoel voor humor. Ondertussen maakt ze in haar boeken aannemelijk dat die eigenschappen voor een vrouw niet hoeven te betekenen dat ze het onderspit delft. Kennelijk spreekt dat hier nogal aan: na het grote succes van Zout op mijn huid werd Groults roman Een eigen gezicht onmiddellijk, nog voordat er ook maar een recensie over verschenen was, een hit. Dat is het nu al maanden.

Terecht vind ik. Het is een behoorlijk meeslepend boek, ook al vond ik het, eerlijk is eerlijk, minder spannend dan Zout op mijn huid. Maar dat zit ’m ook in het type verhaal. Zout op mijn huid (dat trouwens een paar jaar na Een eigen gezicht geschreven is) ging over een bloeiende, half-geheime, gepassioneerde liefde aan de zijlijn. Een steeds terugkerend uitstapje van de ‘bourgeois’ vrouwelijke hoofdpersoon met een waanzinnig aantrekkelijke Bretonse zeeman. Een verhaal met een overduidelijke kop (de eerste vrijpartij) en staart (de geliefde sterft een handvol intense ontmoetingen en tientallen jaren later).

Een eigen gezicht is in zekere zin complementair aan de romance van ‘Karedig’ en ‘Gauvain’. Het is de andere kant van het verhaal, het leven dat de ‘zij’ leeft wanneer ze zich niet voor eventjes hartstochtelijk in de zeeman verliest. ‘Zij’ – in Een eigen gezicht heet ze Louise – is een intellectuele met een carrière en een gezin.

Met haar echtgenoot heeft ze geestelijk wel het een en ander maar fysiek een stuk minder, en uiteindelijk is er toch altijd een zekere afstand tussen de twee. Bovendien krijgt de ‘zij’ op den duur meer maatschappelijk succes dan haar man. In Een eigen gezicht komt een Amerikaan voor die veel trekjes van de Bretonse Gauvain vertoont. Ook Werner is een soort rode draad die steeds opduikt. Het grote verschil: Werner blijft leven en tegen de tijd dat Louise oma wordt, besluit ze met hem samen te gaan leven. Daar eindigt het boek.

Maar het begint bij het alereerste begin: bij de levensgeschiedenis van Louises moeder, een getalenteerde schilderes die er naast haar huwelijk levenslang een relatie met een excentrieke modeontwerpster op na houdt. Slechts twee van de vele interessante en goed uitgewerkte karakters die het boek telt. De flaptekst vertelt dat Een eigen gezicht een autobiografische roman is. Groult zelf liet in een interview met de Volkskrant weten dat dat wel meevalt. Haar eigen man (de schrijver Paul Guimard) bijvoorbeeld is toch echt een ander type dan de echtgenoot in het boek: de tamelijk zakkerige, ijdele maar bijzonder geestige televisiejournalist Arnaud. Van degene die daar model voor stond, is Groult vrij snel gescheiden. Dat neemt niet weg dat ze haar eigen leven wel degelijk als uitgangspunt heeft genomen.

Groult is van 1920, Louise laat ze in 1918 geboren worden. Ze is een verlegen meisje dat niet goed tegen haar moeder opkan, en dat liefst zo onopvallend mogelijk blijft. Het is de generatie die tijdens de Tweede Wereldoorlog net volwassen werd. Louise ontmoet dan een grote, romantische liefde, met wie ze ook trouwt, maar die al heel snel sterft aan tuberculose. De wantoestanden in het sanatorium die Groult beschrijft zijn tamelijk schokkend.

Het boek vertelt niet alleen het verhaal van Louise die zich langzamerhand ontwikkelt tot een succesvol en zelfverzekerd schrijfster, maar ook dat van een veranderende wereld. Het is nog maar kort geleden dat je in Frankrijk voor een abortus zelf met breinaalden aan de gang moest. Louise doet dat verscheidene malen. Gruwelijke, autobiografische scènes.

Drie dochters krijgt ze, in wat je gerust een klassiek huwelijk mag noemen. Manlief is bezeten van zijn werk, dat natuurlijk altijd voorgaat, of Louise zwanger is of niet, of ze hem nodig heeft of niet. Buiten de deur is Arnaud de geanimeerdheid zelve, binnenskamers zit ie achter z’n krant. En op een gegeven moment begint hij een verhouding. Louise slikt en slikt nog eens dapper.

Maar ze slikt niet alles. Langzaam maar zeker wordt die klassieke vrouwelijke afhankelijkheid waar ze aan lijdt, dat eager to please-syndroom minder. En aan het einde komt zij als absolute overwinnaar uit de bus, en is Arnaud eigenlijk een beetje zielig.

Groult draagt een kalm feminisme uit. Je zou kunnen zeggen dat haar boeken een Europees antwoord zijn op de Amerikaanse literatuur van vrouwen als Doris Lessing, Erica Jong en Marilyn French die vooral in de jaren zeventig grote indruk maakten. Het hysterische waar de Amerikanen last van hebben, ontbreekt bij Groult te enen male. De dames aan de overkant van de oceaan blijven toch van die zwaar gefrustreerde, niet echt gelukkige zij het o zo geëmancipeerde vrouwen. Voor Louise geldt dat niet. Die wil gewoon van het leven genieten, en daar heeft ze een groot talent voor. Veranderingen gaan niet met gigantische scènes en op straat uitgevochten crises gepaard. Louise leert gewoon haar eigen weg te bepalen. Inderdaad: een eigen gezicht te hebben.

Het enige dat ik op het boek aan te merken heb is dat het een beetje onevenwichtig is. Bepaalde periodes worden enorm uitgesponnen (de eerste liefde met ook nog eens tientallen pagina’s brieven bijvoorbeeld had van mij echt wel wat korter gemogen), andere blijken ineens al voorbij te zijn voordat je er iets over gehoord hebt. De vorm is interessant: Groult wisselt de ik-persoon af met Louise-gedeeltes, en dikwijls spreekt de ik van nu een ‘jij’ van vroeger toe. En dat is nergens verwarrend en ook niet hinderlijk.

De grote kracht van het boek zit hem in de manier waarop Groult relaties tussen mensen weet te beschrijven (en in dit dikke boek zijn dat er tientallen). Ze is daarin bijzonder geloofwaardig en genuanceerd (waarschijnlijk gaan die twee altijd samen). Ik hoop maar dat er binnenkort nog meer van haar werk vertaald wordt. Maar zo verstandig zal de uitgever wel zijn.

Met Barbie op zoek naar de mensapen

De mens van morgen, door Dirk Draulans, Uitgever Atlas, 303 p.

Híj wilde dat het Barbie bij de bononobo’s ging heten, zíj sprak daar een veto over uit, en ik begrijp ze allebei. Dirk Draulans heeft zijn boek waarin de aantrekkelijke, superslanke apenonderzoekster Ellen van Krunkelsven een hoofdrol speelt nu maar De mens van morgen genoemd, een titel die bij mij direct associaties met ouderwets idealistische geschriften opriep.

En dat terwijl het nu juist om een hedendaagse versie van allerlei bekende genres gaat. Het is een modern liefdesverhaal, een ontdekkingsreis, een actuele achtergrondreportage, een wetenschapsjournalistiek verslag en nog meer. Draulans is bioloog, (oorlogs)verslaggever, Belg en man. Stop dat in één verhaal, doe daar nog bij dat de schrijver goed kijkt, gevoel voor humor heeft en niet bang is onderweg verschrikkelijk af te zien, en er kan een heel mooi en origineel boek ontstaan, blijkt.

Waarin om te beginnen weer eens duidelijk wordt dat goede voornemens over de liefde niets garanderen. Toen Draulans begin 1996 naar Congo/Zaïre vertrok, had hij zich verheugd op een reis zonder toestanden met vrouwen. Hij zou vijf weken doorbrengen in het kamp van waaruit zijn landgenote Van Krunkelsven onderzoek deed naar de bonobo, de minst bekende en meest bedreigde mensaap. Misschien ook de interessantste. Geen aap die zo veel op ons lijkt, en geen apenmaatschappij-inrichting die zo tot de verbeelding spreekt: onder bonobo’s zijn vrouwen de baas en is seks hét middel voor en tussen iedereen om spanningen te verdrijven. Draulans, die Van Krunkelsven nooit gezien had en er van uitging dat ze wel een klassieke veldbiologe (“zonder enige sensualiteit”) zou zijn, verwachtte dus hooguit als afstandelijke bonobo-waarnemer vrouwengedoe te beleven. “Maar God was mij niet gunstig gezind”, beschrijft hij het moment dat hij het vliegtuig uitkomt. “God had daar aan de trap een mooi slank meisje met lange blonde haren geplant, dat me intens in de ogen keek en lachte op een manier die ik als verleidelijk interpreteerde, maar dat kon inbeelding zijn geweest.”

En toch had hij het kunnen weten, zegt hij ook zelf ergens. Ellen van Krunkelsven heeft beroemde voorgangsters, onder wie haar jeugdidool, de in 1985 vermoorde gorillaonderzoekster Dian Fossey (die van de film Gorillas in the mist). Zowel Fossey als de oermoeder van alle mensapenonderzoeksters, Jane Goodall – die het gedrag van chimpansees bestudeerde – viel als een blok voor de eerste de beste serieuze journalist die langskwam in hun afgelegen kampen in het oerwoud. En ja, ook tussen Ellen en Dirk bloeit de liefde al snel op.

Om vervolgens zwaar op de proef gesteld te worden. Bijvoorbeeld als Draulans in België zit, terwijl de troepen van rebellenleider Kabila in 1997 oprukken tot zo’n tweehonderd kilometer van Ellens kamp. De namen en gebeurtenissen in Zaïre dat weer Congo ging heten, krijgen in dit boek een eigen perspectief. Ook op de gevaarlijke reis die Dirk en Ellen weer later samen maken naar en door de Salonga, een nationaal park en het grootste regenwoudreservaat ter wereld, krijg je als lezer een beeld op menselijke schaal van de gevolgen van alle oorlogen in dat deel van Afrika. En word je, met Draulans, niet vrolijker van het optreden van de Verenigde Naties, die onder meer waarnemers zonder enig begrip voor de locale gemeenschappen naar het gebied sturen. En die, net als andere organisaties zo’n rigide aanpak hebben dat ze zelfs Rwandese vluchtelingenbaby’s die geadopteerd zijn door een Congolese familie repatriëren. Voor hun veiligheid.

Hoe de Congolezen wonen, leven, denken is een van de vele dingen waarover je vanzelf geïnformeerd raakt. Draulans bezit de gave van het terloops informeren. Want nergens heb je het gevoel dat je onderwezen wordt, maar ondertussen weet je aan het eind van het boek verschrikkelijk veel meer dan aan het begin. Over de heimwee van velen naar de tijd dat Congo nog een Belgische kolonie was (het waardevolle portretje van koning Boudewijn dat ondanks de grote armoe gekoesterd wordt), over de grote macht van de stropers in het woud, over flora en fauna, over eerdere ontdekkingsreizigers. En natuurlijk over bonobo’s.

Die bestuderen vergt een hoop. Ellen mag het figuur van een barbiepop hebben, verder is er weinig popperigs aan haar. Dat is maar goed ook, want voor wat ze doet is veel moed en zo mogelijk nog meer volharding nodig. Om eens iets te noemen waar Draulans een ontstellende hekel aan heeft: wie bonobo’s wakker wil zien worden, moet om vier uur ’s ochtends het woud in trekken. Van Krunkelsven maakt idioot lange dagen, en een dag vrij betekent een dag gegevens uitwerken.

Een verblijf in het oerwoud is een uitputtingsslag. Van romantiek in de bush moet u zich dan ook niet al te veel voorstellen. Draulans beschrijft met de nodige ironie (gelukkig zeurt en klaagt hij nergens) hoe er van zijn dromen over een paradijselijk bestaan in de vrije natuur weinig terechtkomt. Honger, nattigheid, lichamelijk ongemak en zó gaan stinken dat je zelfs vies wordt van jezelf en elkaar staan een prettig seksleven danig in de weg. En van privacy is geen sprake. Op hun tocht met een grote prauw door de Salonga hebben ze bijvoorbeeld een klein legertje gewapende mannen bij zich. En daar is niets overdrevens aan. Want in het nationale park zijn benden stropers, vaak ex-militairen, heer en meester.

Dat is iets dat verstrekkende gevolgen kan hebben. Misschien vond ik het mooiste van het boek wel dat duidelijk wordt dat de bewonderenswaardige dapperheid van Ellen van Krunkelsven zo ongelooflijk veel zin heeft. Wetenschappers bonobo’s laten onderzoeken in het wild is goed voor de hele wereld. Het begint bij de lokale bevolking, die als gids, kok, bewaker en zo meer aan werk geholpen worden. Daardoor hoeven ze zelf niet meer als stroper aan de kost te komen, en hebben ze voor het eerst (letterlijk) wapens in handen om andere stropers te verjagen.

En dat moet, want het tempo waarin allerlei soorten verdwijnen is adembenemend. De kans dat daarmee het ecologisch evenwicht in het regenwoud voorgoed grondig verstoord zal worden huizenhoog. Zonder regenwoud kunnen we zoals bekend niet. En als wij uitsterven moeten we onze hoop vestigen op de bonobo, na ons de intelligentste apensoort, en daarom wellicht ‘de mens van morgen’ uit de titel van Draulans boek.

Mooi is ondertussen wel dat het met de bonobo minder hopeloos gesteld is dan men vreesde. Al zien ze er tot hun spijt niet één op hun lange tocht door de Salonga, Ellen vindt er wel grote hoeveelheden nesten en andere sporen van bonobo-aanwezigheid. Je kunt kennelijk nog steeds echt op ontdekkingsreis in Afrika. Van Krunkelsven en Draulans gaan naar huis met het goede nieuws dat de bonobo, de olifant, de bongo en de congopauw nog in merkbare aantallen in het park voorkomen. Dat was niet bekend.

> Grappig tot slot vond ik het om te merken dat Nederland en België toch echt heel verschillende landen zijn. Niet alleen is Draulans’ taalgebruik voortdurend een tikje anders dan wij gewend zijn, België is natuurlijk in alles zijn referentiekader, wat een verhaal dat zich grotendeels in Congo afspeelt overigens alleen maar ten goede kan komen. Geestig is Draulans’ uitweiding over hoe belachelijk klein een aantal van vijfduizend is. Sommigen schatten tot voor kort dat er niet meer bonobo’s over waren. Hij schrijft: “Een doorsnee dorp in de Kempen telt meer inwoners, maar wordt toch als onbenullig beschouwd. Een betoging van vijfduizend mensen wordt zelden ernstig genomen. Een tv-programma met vijfduizend kijkers wordt van het scherm gehaald. Alleen een boer die zoveel zwijnen in zijn stal geperst krijgt, is tevreden. Of een Vlaams auteur die zoveel boeken verkoopt.” Draulans verdient het om een heel tevreden Vlaamse auteur te worden.

“In de wetenschap is er sprake van een officiële belazercultuur”

Hij ontvangt in de Perzische rozentuin, een aangename ommuring met groen en water en Perzische tegeltjes. Het is een prachtige ochtend, maar zelf heeft drs. Pek van Andel natuurlijk weer niet de rust te gaan zitten.

De lof zingend van het NIAS beent hij heen en weer. De rozentuin is de nieuwste aanwinst van het ‘Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences’, zoals de naam van het Akademie-instituut in Wassenaar voluit luidt. Het is een geschenk van een tevreden ex-fellow. Van Andel noemt het NIAS, waar onderzoekers een tijdje ongestoord kunnen werken, al dan niet als lid van een onderzoeksgroep, “een godsgeschenk”, en “een plaats waar je in je persoonlijke gekte wordt gestimuleerd.”

Hij wordt dit jaar vijftig, maar op zijn tachtigste is hij waarschijnlijk nog even jongensachtig als nu. Van Andel is niet zo gemakkelijk te plaatsen. De drs voor zijn naam komen van een doctoraal medicijnen, vrije studierichting. Op het aanvraagformulier voor het NIAS vulde hij bij ‘past positions’ in: onderzoeker/experimentator/uitvinder/docent bij de Afdeling Experimentele Chirurgie aan de universiteit van Groningen.

Op het moment zit hij in de WW. “Ik mag officieel alleen na vijven en in het weekend iets doen hier”, meldt hij stralend, “maar de dame die me dat vertelde zei er gelukkig niet bij of ze vijf uur ’s ochtends of ’s middags bedoelde.” 

Champagnekurk

Werkloos of niet, Van Andel bruist altijd van de ideeën. Zo vond hij een eenvoudig en goedkoop kunsthoornvlies uit, dat vanwege zijn vorm de naam ‘champagnekurk’ kreeg, en dat in India inmiddels standaard wordt gebruikt. In 1992 kreeg hij er de Wubbo Ockels prijs voor. Over zijn plan de Betuwelijn aan te leggen als een ‘afgezonken spoorlijn’ in de Waal is waarschijnlijk het laatste woord nog niet gezegd. Net als over allerlei andere zaken, schreef hij er een aantal artikelen over voor NRC Handelsblad.

Van Andel was ook de drijvende kracht achter het plan om met de tegenwoordig beschikbare Magnetic resonance imaging of MRI-techniek voor het eerst in de geschiedenis een duidelijke afbeelding te maken van de menselijke coïtus.

Dat plan is inmiddels uitgevoerd, en het al vele eeuwen gangbare beeld in de medische wetenschap blijkt niet te kloppen. Afbeeldingen uit hedendaagse leerboeken lijken opvallend veel op de beroemde tekening ‘de copulatie’ die Leonardo da Vinci in 1505 maakte: een geërecteerde penis in een vagina wordt steeds in een schuine hoek getekend.

In werkelijkheid blijkt het mannelijk lid tijdens een coïtus in de zogeheten ‘zendelingenhouding’ (vrouw op haar rug, man erbovenop liggend) bijna parallel te liggen aan de ruggegraat van de vrouw. Het artikel dat Van Andel samen met anderen over die MRI-bevindingen schreef, ging ten tijde van het interview al vele maanden van wetenschappelijk tijdschrift naar wetenschappelijk tijdschrift.

‘Niets voor ons’, luidde tot dusver telkens de reactie. Van Andel zelf heeft daar wel plezier in. Zelfs als het puur klinisch wordt aangepakt is seks kennelijk nog een controversieel onderwerp.

Opmerkingsgave

Hij mag dan graag controversieel wezen, het is moeilijk niet aangestoken te worden door zijn enthousiasme. Van Andels grote missie is een onderwerp dat perfect bij hem past: serendipiteit, een begrip dat hij zelf het liefst omschrijft als ‘de kunst een ongezochte vondst te doen’.

Van Andel zit op het NIAS om over dat fenomeen een boek te schrijven voor de Cambridge University Press. Het zal tegelijk zijn proefschrift zijn. “Het woord serendipity is in 1754 bedacht door de Engelsman Horace Walpole”, vertelt hij. “Hij baseerde het op een sprookje over de prinsen van Serendip, die door hun opmerkingsgave en slimme redeneringen van alles ontdekten.”

Al vele jaren verzamelt Van Andel gevallen van serendipiteit. Het is een verschijnsel dat je overal tegenkomt: in de wetenschap, de techniek, de kunst, maar ook in het dagelijks leven. We zijn omringd door zaken die als toevallige vondst begonnen: van de gele plakbriefjes die zo’n succes zijn, tot nylon. Zonder serendipiteit geen stethoscopen, penicilline of röntgenfoto’s. Picasso zou nooit een ‘blauwe periode’ gehad hebben als hij niet van de nood (hij had alleen nog maar blauwe verf in huis én geen geld) een deugd gemaakt had.

Van Andel: “Je moet er een oog voor hebben. Serendipiteit heeft iets van een paardesprong: je doet een stapje opzij van het standaardpatroon.”

Toch zitten er ook in serendipiteit zelf weer patronen. Van Andel heeft er nu achttien ontdekt, die elkaar overigens ook kunnen overlappen. ‘Geslaagde fouten’ en ‘analogieën’ zijn voorbeelden van die patronen. Op zijn NIAS-werkkamer staat een lange rij ordners, naast boeken met titels als Creativiteit, Groote strijders tegen ziekte en dood en Liegen met en zonder opzet. “Ik kwam hier met een hele eend vol”, vertelt hij, “fiets op het dak, en allemaal dozen met voorbeelden. Ik heb ze niet geteld, maar het moeten er tussen de twee- en drieduizend zijn. Ik ben een maand bezig geweest met archiveren.”

Nu ligt er een eerste concepttekst voor het boek. De opzet van het NIAS werkt. Van Andel: “Het geheim is dat je de routine van mensen doorknipt. Het is een soort krijgslist: je geeft mensen de illusie dat ze vrij zijn, maar je fokt elkaar wel op. Je geeft een rondje aan de bar als er zoveel bladzijden afzijn bijvoorbeeld. Het is hier een jeugdherberg voor volwassenen. Met alle bijbehorende relaties, maar daar gaat men zeer discreet mee om.”

Geheel in stijl kwam Van Andel het NIAS “via een achterdeur” binnen. “Ik weet dat je het toeval soms een handje moet helpen”, lacht hij. Normaal gesproken wordt een aanvraag pas na minstens een jaar gehonoreerd, maar Van Andel bedacht dat er misschien wel eens iemand uitviel. “Dat bleek het geval”, zegt hij, “dus toen kon ik heel snel terecht.”

Zijn boek moet iets krijgen van een moppentrommel, ook al gaat het zeker niet om zomaar anekdotes. Wie een aantal serendipiteitsgevallen leest krijgt automatisch een andere blik op hoe bijvoorbeeld de wetenschap werkt, en op wat creativiteit nou eigenlijk is. 

Van Andel: “Het kan mij niet zoveel schelen of ik een geval van serendipiteit tegenkom in een sprookje, een apocrief verhaal of een goed gedocumenteerd wetenschappelijk verslag. Het gaat me om het mechanisme.” Uit al die bronnen komen de verhalen. Er is het sprookje van de Chinese prinses die een kopje hete thee dronk, toen er uit de boom een zijderups viel. Nog altijd worden zijderupsen op sommige plaatsen in heet water gelegd, om het afwikkelen van de zijdedraad te vergemakkelijken.

Er is het wellicht apocriefe verhaal van Laurens Janszoon Coster die in de vijftiende eeuw voor zijn kleinkinderen letters uitsneedt uit hout. Toen die in het zand vielen en daar een afdruk achterlieten bedacht hij het idee van de boekdrukkunst. Een medewerker stal zijn spullen en bracht ze naar Gutenberg, die vervolgens met succes de uitvinding claimde. En Antoni van Leeuwenhoek werd het zat om alleen insekten en blaadjes onder de microscoop te bekijken. Hij nam een druppel water en zag dat die vol ‘dierkens’ zat. De bacteriologie was geboren.

Worgman

Van Andel is zeer gelukkig dat hij nu de gelegenheid krijgt in alle rust (“ze leggen je hier echt in de watten”) zijn boek te schrijven, maar de neiging in de rest van de wetenschappelijke wereld om originaliteit te marginaliseren, maakt hem bedroefd.

“Ik was laatst op een bijeenkomst waar Borgman, de voorzitter van NWO, een verhaal hield dat aio’s en oio’s vooral geen zijpaden mogen bewandelen bij hun onderzoek”, vertelt hij. “Ik ben opgestaan en ik heb gezegd ‘Meneer Borgman het kost me moeite u geen meneer Worgman te noemen.’ Onderzoek gaat namelijk vrijwel nooit ‘volgens het boekje’. Ik heb Casimir wel eens horen zeggen dat als je terugkijkt op vier jaar onderzoek, en het is precies zo gegaan als je gepland had, dat je onderzoek dan niet gewaagd genoeg was.”

“In de wetenschap is er sprake van een officiële belazercultuur van twee kanten. Het is geen complot ofzo, maar als je gewoon eerlijk bent en zegt ‘ik zie wel wat ik vind’, dan krijg je niets gefinancierd. Dus doen mensen aanvragen op basis van resultaten die ze grotendeels al in de la hebben liggen. Het ‘witte’ geld dat ze daarmee binnenkrijgen gebruiken ze dan ook om ander ‘zwart’ onderzoek te doen naar iets dat ze werkelijk interesseert. Komt daar iets uit, dan kan dat op dezelfde manier weer nieuw ‘wit’ geld opleveren.”

“Het is een schijnstructuur. En originaliteit wordt zo weggepoetst. Ook uit de wetenschapsverslagen. Daarom wil ik een warm pleidooi houden om mensen hun troetelzondes te laten doen. Juist de maverick, de solist aan de zijlijn, mag niet uit de boot vallen. Daarom zou ik ook zo graag zien dat de Akademie haar gezag zou doen gelden om mensen die onbetaald wetenschappelijk werk doen te steunen.”

Noot: Vrijwel nooit is er van hogerhand ingegrepen in mijn KNAW-interviews. Dit is de uitzondering die die regel bevestigt. De MRI-seks ging het bestuur te ver. De passage daarover haalde Akademie Nieuws nooit. Achteraf gezien geweldig jammer. De Akademie had de primeur kunnen hebben van wat een klassiek onderzoeksresultaat is gebleken. Van Andel kreeg er de Ig-Nobelprijs voor zelfs. Hier een klein filmpje, ook met de MRI-beelden. http://www.youtube.com/watch?v=OVAdCKaU3vY 

Hierboven, meld ik voor de zekerheid, dus de ongecensureerde versie van het interview. Het is inmiddels zo lang geleden dat hopelijk niemand er meer aanstoot aan zal nemen.

Benoîte Groult verzandt in haar aantekeningen

Pauline Roland, of de nieuwe vrouw, door Benoîte Groult. Vertaling Théo Buckinx, Uitgever de Prom, 213 p.

Na veertig pagina’s heb ik het weggelegd, uit teleurstelling en ergernis. Was ik net een fan van Benoîte Groult geworden door haar romans Een eigen gezicht en vooral Zout op mijn huid en dan blijkt ze bij een non-fictie werk ineens al haar capaciteiten in de kast te laten liggen. Onbegrijpelijk en hinderlijk.

Maanden bleef het boek liggen, maar uiteindelijk heb ik Pauline Roland, of de nieuwe vrouw toch maar uitgelezen. Omdat Groult het geschreven had, omdat ik wilde snappen wat er met dit boek mis was gegaan en omdat het onderwerp wel degelijk interessant was.

Eerst het onderwerp dan maar. Pauline Roland, ‘de nieuwe vrouw’ die Groult met haar boek aan de vergetelheid wil ontrukken, zal in december 140 jaar dood zijn. Het schuchtere meisje uit het Franse plaatsje Falaise stierf, 47 jaar oud, als een heuse heldin voor haar idealen.

Die had ze in eerste instantie opgepikt van haar huisleraar, een aanhanger van Saint-Simon. Claude Henri de Saint-Simon leefde al niet meer toen Pauline voor het eerst van hem hoorde, ze werd een saint-simoniste, dat wil zeggen: een volgelinge van Prospero Enfantin, de man die de beweging overnam na Saint-Simons dood en die zich ‘Vader’ liet noemen.

Die beweging moet razend interessant geweest zijn. De gekste dingen avant-la-lettre zaten erin: ideeën die later socialistisch en communistisch genoemd zouden worden, en het propageren van seksuele vrijheid en gelijke rechten voor de vrouw. Er waren openbare biechten die veel van sensitivity trainingen weg hadden, er werd geëxperimenteerd met woon- werkgemeenschappen en bij dat alles werd er ook heftig in God en Christus geloofd terwijl men wachtte op zoiets als een vrouwelijke verlosser.

Pauline Roland hing alle saint-simonistische ideeën met hartstocht aan, en richtte er haar leven op in. Ze trouwde niet en kreeg kinderen van verschillende minnaars.

Geëxalteerd, naïef en streng-gelovig was ze ook. Ze werkte geheel zelfstandig als journaliste en was zeer begaan met het lot van de arbeidersklasse. Haar hulp bij de pogingen een naaistersvakbond op te richten deed haar in de gevangenis belanden.

Aangezien ze geweldloosheid aanhing, vocht ze later niet mee tijdens de opstand van 1848, maar haar mededeling voor de rechtbank dat ze in haar hart met de opstandelingen was, kostte haar uiteindelijk de kop. Ze werd verbannen naar Algerije, en daar kwam ze zo uitgeput en doodziek van terug dat ze vóór het innig verlangde weerzien met haar kinderen stierf.

Als dat verhaal niet alle ingrediënten voor een prachtige biografie-plus-tijdsbeeld bevat dan weet ik het niet meer. Maar die heeft Groult niet gemaakt. Groult is gaan graven in archieven en boeken en heeft toen haar aantekenboekje voor ons overgetikt. Als plaksel tussen de citaten gebruikt ze her en der haar feminisme, maar meestal plakt ze überhaupt niet.

Misschien dat een raar idee over ‘wetenschappelijkheid’ haar parten heeft gespeeld, wie zal het zeggen, maar alle schrijfwetten worden in dit boek met voeten getreden. Het onderwerp wordt niet fatsoenlijk geïntroduceerd, het is lang niet altijd duidelijk wie waar aan het woord is en er komt geen eind aan de opsommingen van namen. Ook de zinnen lopen niet en ze eindigen belachelijk vaak in een uitroepteken (een zwaktebod voor iedereen die schrijft).

Het gevolg is dat al Groults (ongetwijfeld goede) bedoelingen mislukken. De figuur van Pauline Roland gaat niet leven, ook al wordt ze nog zoveel zelf aan het woord gelaten. Juist al die citaten uit haar brieven vol jonge-meisjes-dweperij werken averechts.

Die toen normale stijl had door een uitstekende schrijfster als Groult gemakkelijk vertaald kunnen worden in hedendaags taalgebruik. Iedere biograaf legt de lezer nu eenmaal toch zijn eigen visie op, Groult had die beter wat smakelijker kunnen verpakken. Om te beginnen door dat aantekenboekje weg te leggen en zelf het verhaal na te vertellen. De aantekeningen hadden dan als checklist kunnen dienen en daarnaast een bibliografietje kunnen vullen.

Een bibliografie ontbreekt nu. Wel staat er een chronologie achter in het boek, en biografische gegevens over ruim 75 mensen (bijna had ik hier een uitroepteken gezet) die in het boek aangehaald worden. Zonder dat laatste was het helemaal niet te volgen geweest, zeker niet voor Nederlandse lezers die toevallig niet met al die Franse beroemdheden zijn grootgeworden.

Dat Groult door het boek heen ook nog telkens impliceert dat er sinds de vorige eeuw eigenlijk geen steek veranderd is, is een gotspe. De sociale en maatschappelijke omwentelingen die zich in dit deel van de wereld in de laatste 150 jaar hebben voorgedaan, gaan ons voorstellingsvermogen sowieso te buiten. Het gaat domweg niet aan om in alle wantoestanden van toen op het gebied van wonen, werken, gezondheid, politieke machtsverhoudingen et cetera, voornamelijk het zoveelste bewijs te zien van de angst die mannen hebben voor vrouwen die macht willen.

Het lot van de boodschapper (m/v)

Het raadseltje is al heel oud: vader en zoon krijgen een vreselijk auto-ongeluk en worden alletwee zwaargewond naar het ziekenhuis afgevoerd. De vader overlijdt onderweg. Als de zoon op de operatietafel ligt deinst de chirurg terug en stamelt: “Oh nee, deze operatie kan ik niet doen, dat is mijn zoon.” Rara. Bent u een gore seksist of weet u het antwoord? Douglas Hofstadter, de man van Gödel, Escher, Bach, niet de minste dus, wist het na ongeveer een minuut diep nadenken.

Achteraf schaamde hij zich zo verschrikkelijk dat hij er niet meteen op had kunnen komen dat er ook vrouwelijke chirurgen bestaan, dat hij besloot zijn leven te beteren. Sindsdien schrijft hij sekse-neutraal. Dat wil zeggen, hij vermijdt formuleringen met ‘he’, ‘his’ en ‘man’ of ‘men’ zoveel mogelijk. In plaats daarvan gebruikt hij veel ‘they’ en ‘that person’, of hij omschrijft iemand met behulp van diens positie of functie: ‘the logician’, ‘the letter carrier’ (in plaats van ‘the mailman’).

Hofstadter stopt een hoop tijd en energie in die eenmansactie van ‘m. Hij heeft er ook echt over nagedacht en verwerpt lelijke maar makkelijk uitvoerbare oplossingen als telkens hij of zij schrijven, of die twee woorden consequent afwisselen.

Dat ziet er onnatuurlijk omslachtig uit en leidt de lezer af, vindt ook hij. Dus hij schuift en zoekt en doet van alles om maar niet seksistisch te schrijven. Weliswaar twijfelt hij zelf wel eens aan het nut ervan, maar hij gelooft toch dat er te gemakkelijk over het onderwerp heen gestapt wordt. Het veelgehoorde argument dat woorden als ‘hij’, uitdrukkingen met ‘man’ erin en de aanroep ‘hé jongens’ tegenwoordig net zo goed op vrouwen kunnen slaan, gaat er bij hem niet zomaar in.

Met een analogie probeert hij dat duidelijk te maken en het seksisme in taal bloot te leggen: van seksisme maakt hij racisme. Het moet gezegd, alle man-vrouw-verschillen in taal veranderen in blanke-zwarte-verschillen geeft een tamelijk krankzinnig resultaat. In een bladzijdenlange aanklacht tegen dat gezeur van ‘negristen’ vervangt Hofstadter elk woord met ‘man’ door een woord met ‘white’ (‘mailwhite’, ‘Frenchwhite’, “there is great beauty to a phrase such as ‘All whites are created equal'”), ‘he’ is ‘whe’ geworden etcetera. Om van ‘white’ telkens ‘person’ te maken, zoals de negristen wensen, zou natuurlijk idioot zijn (‘a person Christmas’, ‘egg persons’), is de strekking van het verhaal.

Hofstadters ideeën over dit onderwerp en dat racistische stuk tekst zijn te vinden in zijn boek Metamagical Themas, de bundeling van zijn columns uit Scientific American: een prachtig boek dat even prachtig vertaald is door het trio Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters.

Zij vonden mooie equivalenten in het Nederlands met ‘blank’ voor ‘man’ (‘drieblankschap’, ‘groenteblanke’, ‘op de blanke af’), en ‘persoon’ in plaats van ‘blank’ (‘Oranje-Persanje-Bleu’, ‘de handel in persoonlijke slavinnen’, ‘Aan de persoonlijke top der duinen’).

Hofstadter was er van overtuigd dat juist dit stuk uit zijn boek niet vertaald zou kunnen worden. De vertalers bewijzen in elk geval dat dat wel kan. Maar bewijzen ze nu ook dat het Nederlands een smerig seksistisch taaltje is? Of wijst Hofstadters tekst uit dat het Engels seksistisch is?

Zo simpel is het niet. Analogieën zijn gevaarlijke dingen: ze gaan namelijk nooit helemaal op. Hofstadter gaat er veel te veel van uit dat de betekenis van woorden vastligt. Maar we stellen de betekenis van woorden juist telkens bij, afhankelijk van onze ervaringen met dat woord.

Ik meen eerlijk dat Hofstadter het op de verkeerde plaats zoekt. Dat mensen bij het woord chirurg of wiskundige eerst aan een man denken heeft niet zozeer te maken met hun zwarte seksistische zieltjes, het komt eenvoudig doordat de meeste  chirurgen en wiskundigen mannen zijn. Van allerlei woorden hebben we een soort prototype in ons hoofd.

Als je proefpersonen daarnaar vraagt blijken ze dezelfde prototypes in hun hoofd te hebben voor bijvoorbeeld groenten en vogels. Bij ‘vogel’ komen ze eerst met ‘mus’ en ‘merel’ aanzetten, en zien ze niet meteen een pinguïn voor zich, dat is namelijk een weinig vogelachtige vogel. Vraag je ze om typische groenten, dan scoren bloemkool en worteltjes hoger dan aubergines. Prototypes zijn ondermeer gebaseerd op wat we het meest om ons heen zien, en ze kunnen dus ook flink verschillen van cultuur tot cultuur.

Zo is een vrouwelijke chirurg nog steeds een weinig chirurg-achtige chirurg. Evenals een vrouwelijke voorzitter, top-industrieel of rechter. Degenen die toevallig veel met een vrouwelijke rechter in aanraking zijn gekomen hebben hun prototype ‘rechter’ al bijgesteld, voor anderen zal dat nog even duren. Dat regelt zich vanzelf wel.

Aangenomen althans dat de verdeling van mannen en vrouwen over allerlei posities en functies in de maatschappij daadwerkelijk zal veranderen. Tenslotte hebben wij ook een heel andere voorstelling bij het woord ‘dokter’ dan onze voorouders een paar honderd jaar geleden: dokters kunnen en doen nu andere dingen dan toen. Dat heeft de betekenis van dat woord bijgesteld.

Het is merkwaardig hoe kortzichtig ook verstandige mensen dikwijls zijn als het om taal gaat. Ik erger me vrijwel dagelijks rot aan het feit dat taal altijd de schuld krijgt. ‘Verbeter de wereld, begin bij de benamingen voor dingen’ lijkt voor bosjes goedbedoelende idealisten het motto. Maar het betekenisverschil tussen ‘secretaris’ en ‘secretaresse’ komt alleen maar voort uit de praktijk, het zit ‘m niet in die woorden.

Ze vervangen door andere heeft geen zin als de wereld niet verandert. Doet hij dat wel, dan komen de woorden vanzelf: ik ben secretaris van een stichting. De trend is duidelijk wat dit betreft: de doctoranda is vrijwel verdwenen, ook vrouwen noemen zich tegenwoordig historicus, voorzitter, journalist. De mannelijke vorm wint het ja, maar over een tijdje slaan die woorden voor iedereen zowel op mannen als op vrouwen. Taal past zich aan aan de praktijk. En dat kun je niet omdraaien.

De gedachte dat je de wereld kunt veranderen door taalveranderingen op te leggen (of tegen te houden) is een diepgeworteld misverstand. Laten we de negers geen negers meer noemen maar zwarten! En de blanken witten. Alsof de taxichaufeurs in Amsterdam dan ineens geen racistische taal meer uitslaan (Echt zelf gehoord: “Nee, zo’n groepje zwarten laat ik staan hoor, die zoeken maar een andere taxi”). Alsof je anti-semitisme kunt verhelpen door over ‘joodse mensen’ te gaan praten.

Goedbedoelde domheid. Voor de zoveelste keer wordt de boodschapper vermoord. Precies hetzelfde doen de klagers die maar doorzeuren over de verloedering van onze taal. Al die anglicismen die het Nederlands binnensluipen, die vervuiling moet op alle mogelijke manieren tegengegaan worden! En hoe denken ze dat doen? Met behulp van ingezonden brieven. Want het is allemaal slordigheid en onoplettendheid van dat tuig dat tegenwoordig de kranten vol mag schrijven.

Maar dat is het niet. Iedereen gaat voorbij aan de werkelijke reden dat we nu veel meer Engelse woorden gebruiken dan vijfentwintig jaar geleden. Die heeft alles te maken met zaken als economie en politiek. En met de televisie.

Het is de angelsaksische cultuur die binnendringt. En die brengt woorden met zich mee. Als wij allerlei zaken uit Amerika gaan overnemen, of het nu resultaten van wetenschappelijk onderzoek zijn of oplossingen voor maatschappelijke problemen, of de inrichting van het onderwijs, dan nemen we vaak automatisch ook de Amerikaanse benamingen over (‘black spots’, ‘graduate schools’, ‘management trainingen’). Als we dag en nacht Engels horen in series, popsongs en noem maar op, allicht dat we daar wat van meenemen. De woorden film en sport zijn ook ooit op die manier in het Nederlands terecht gekomen: we hebben hetgeen waarvoor ze staan met naam en al geimporteerd.

Als die angelsaksische invloed al erg is, dan zijn het in ieder geval niet de Engelse woorden die erg zijn. Die passen zich namelijk keurig aan aan hun nieuwe omgeving. Vreemd toch dat juist de taalpuristen nooit oog hebben voor de onvoorstelbare kracht van het taalsysteem dat ze menen te moeten verdedigen.

Zodra een woord geleend wordt, krijgt het met het Nederlandse systeem te maken: werkwoorden krijgen Nederlandse uitgangen (‘surfen-surfte-gesurft’, ‘debuggen-debugte-gedebugt’) en de uitspraak past zich automatisch aan aan hoe wij praten. En hoe langer het woord het uithoudt, hoe Nederlandser het gaat klinken (niemand praat over hemburgers of spreekt het woord computer uit met de extra ademtochten die Engelssprekenden gebruiken).

Enfin, boodschappers doodschieten en oorzaak en gevolg door elkaar halen zijn nu eenmaal een geliefd tijdverdrijf. De oude Grieken dachten al dat alle andere mensen barbaren waren omdat ze geen Grieks spraken. Jammer dat de beschaving sindsdien zo weinig opgeschoten is. 

Inspirerende zusjes

VICTORIAN SISTERS door Ina Taylor  Uitgever: Weidenfeld and Nicolson, 218 p. f 64,85

Een biograaf met schrijftalent kan niet genoeg geprezen worden. Wie anders is zo gek overal vandaan materiaal te plukken, obscure archieven vol onleesbare handschriften door te ploegen, meters boeken te bestuderen met maar een doel: toekomstige lezers al dat werk te besparen? En wie anders kan ons de illusie geven een waar-gebeurd-mensenleven alsnog mee te maken?

Met veel genoegen heb ik mee laten slepen door Ina Taylors Victorian Sisters. Of haar beschrijving ook een correct beeld geeft van de vier zusjes Macdonald die tussen 1837 en 1925 in het Engeland van koningin Victoria leefden, weet ik werkelijk niet, maar ze schrijft er zo mooi over dat dat niet belangrijk lijkt.

Vier dochters van een methodisten-predikant die allemaal een beroemdheid trouwden of voortbrachten. De oudste, Alice, zou de moeder van Rudyard Kipling (schrijver van onder ander de Jungle Books) worden. Georgie trouwde met de in de kringen van de prerafaelieten verkerende schilder Edward Burne-Jones. Ook Agnes trad in het huwelijk met een beroemde kunstenaar: Edward Poynter, en Louisa tenslotte baarde een minister president: Stanley Baldwin. Toevallig? Volgens Taylor niet helemaal.

Vader en moeder Macdonald zagen om te beginnen graag dat hun dochters lazen en studeerden. Zaligheid kon immers alleen bereikt worden door een persoonlijk begrip van de Schrift. Daarvoor was een goede opleiding noodzakelijk. En hoewel ze streng methodistisch leefden, waren ze bepaald niet orthodox in hun opvattingen te noemen.

Toen Georgie op haar zestiende al thuis kwam met een kunstenaar hadden haar ouders zoveel vertrouwen in diens goede inborst en andere kwaliteiten dat ook het feit dat hij geen methodist was geen problemen opleverde. Georgie mocht zich verloven met Burne-Jones (toen overigens nog gewoon Jones geheten).

De hele familie verheugde zich in de inspirerende bezoekjes van Jones en zijn vrienden. Iedereen schreef gedichten of schilderde of maakte houtsnijwerk dat men elkaar dan ter beoordeling voorhield. De meisjes verschenen op schilderijen van Burne-Jones en ook in gedichten van William Morris, iemand uit de vriendenkring die levenslang een zeer nauwe band met Georgie zou houden.

Tot die tijd waren de leden uit de familie altijd erg op elkaar aangewezen geweest, omdat vader Macdonald iedere drie jaar een nieuwe standplaats toegewezen kreeg. De onderlinge band is altijd sterk gebleven, al zag men elkaar wat minder in de periode dat iedereen een eigen gezin opbouwde. Alice vertrok zelfs met haar man naar India, waar ze, weliswaar met korte onderbrekingen, zeventien jaar bleef.

Socialisme

Alice en Georgie worden het uitvoerigst beschreven door Taylor, die in haar inleiding direct bekent dat Georgie haar grootste sympathie heeft. Alice schildert ze af als een nogal krengerig, zij het geestig en scherp type. Na een paar op de klippen gelopen verlovingen is ze nooit meer van het idee afgekomen pas als ‘ouwe vrijster’ getrouwd te zijn.

Haar leeftijd was een obsessie: lang voor ze doodging had ze al maatregelen getroffen om te zorgen dat haar geboortedatum geheim bleef, ook op haar graf mocht die niet vermeld worden. In dat laatste heeft ze in iedere geval haar zin gekregen. Alice was erg gevoelig voor ‘status’ en heeft zowel haar man als haar zoon met succes gestimuleerd om carrière te maken. Maar ze hield het gevoel dat haar andere zusters verder gekomen waren dan zij.

Georgie was de schat en daarom de spil van het stel. Ze doorstond dapper de wat kinderlijk aandoende affaires die haar man met allerlei modellen had en bleef idolaat van haar genie.

Daarnaast zette ze wel een leven voor zichzelf op poten. Ze las en schreef en verzamelde behalve Morris nog wat sterke persoonlijkheden om zich heen. De schrijfster George Eliot was er maar een van.

Toen Georgie al in de vijftig was werd ze zelfs politiek actief. Haar socialistische ideeën wekten zowel bewondering als gene in en buiten de familiekring. Maar haar sociaalvoelendheid komt ook duidelijk naar voren uit het feit dat ze vrijwel doorlopend zieke familieleden bijstond en verzorgde. Bijvoorbeeld Agnes en Louisa.

Die komen er wat bekaaid af bij Taylor. Ze hebben zo te zien ook het minst gelukkige leven gehad. Agnes was de mooiste en de opgewektste van de zusjes en ze fladderde tot ze trouwde dan ook van feestje naar partijtje. Maar Poynter moet een onaangenaam mens geweest zijn. Agnes’ huwelijk was niet gelukkig, en dat uitte zich voornamelijk in veelvuldig ziek zijn. Tenslotte was dat ook voor vader Macdonald de enige te rechtvaardigen reden geweest om plichten te verzaken.

Louisa had helemaal een handje van psychosomatische klachten. Ze werd bijna tachtig, maar ze had altijd iets waarvoor ze op het vasteland moest gaan kuren. Nu was het ook nog niet best gesteld met de medische wetenschap. Het is opvallend hoe weinig verweer tegen (en kennis van) allerlei ziektes men een eeuw geleden nog had.

Het boek biedt zo aardige inkijkjes in het dagelijks leven van toen. De meest krankzinnige therapieën werden voorgeschreven, de meest afschrikwekkende experimenten uitgevoerd: wat dacht u bijvoorbeeld van een tandartsbehandeling met elektroshocks bij wijze van verdoving? Daarnaast was een kind verliezen natuurlijk meer regel dan uitzondering.

Er waren trouwens nog meer zusjes Macdonald: Carrie die toen ze zestien was aan de tering stierf en Edith, de jongste. Vooral naar die laatste ben ik heel nieuwsgierig geworden. Ze is nooit getrouwd omdat ze haar ouders moest verzorgen tot die stierven, maar ze heeft daarna wel nog van alles ondernomen. Zo nam ze een groot deel van de moederlijke en sociale taken van haar altijd zieke zusje Louisa over. Wat ze voor iemand was wordt echter niet duidelijk.

De broertjes Macdonald — ook die bestonden — hebben het niet gemakkelijk gehad. De oudste, Harry, was heel klassiek bestemd om in zijn vaders voetsporen te treden. Een naar en onmogelijk broertje werd hij daarvan: voortdurend keek en tikte hij zijn zusjes op de vingers. Faalangst maakte dat hij het uiteindelijk allemaal niet waar kon maken. Hij vluchtte naar Amerika waar hij tot zijn dood diep ongelukkig was.

Toen vervolgens het tweede broertje, Frederic, aankondigde dat hij zich nu geroepen voelde predikant te worden, waren zijn ouders zo angstig voor een nieuwe mislukking, dat ze weigerden zijn studie te betalen. Frederic moest dus zelf sappelen.

In haar epiloog gaat Taylor nog even in op de volgende generaties. De les die daaruit te trekken valt is dat vooral kinderen van beroemdheden weinig kans op geluk en succes hebben. Inmiddels is de Kipling-tak van de familie uitgestorven. Taylor heeft ze gelukkig voor de eeuwigheid bewaard en iedereen een context gegeven. Ze doet dat in het schitterende Brits-Engels dat wij hier voornamelijk van goed geacteerde BBC-series kennen. Er is al een keer een boek van Taylor bewerkt voor televisie. Voor Victorian Sisters lijkt me dat ook geen slecht idee, maar dan moet u het misschien toch eerst maar lezen.

De man als lustobject

DE ONVOLTOOIDE REVOLUTIE De feminisatie van sex. door B. Ehrenreich, E. Hess, G. Jacobs Vertaling: May van Sligter uitgever: Veen, 176 p., f 24,90

Het verhaal wil dat de Beatlesmaniameisjes indertijd letterlijk orgastische genoegens beleefden aan hun hysterisch gegil. Ik weet niet of dat waar is, ik heb het niemand ooit horen toegeven. In het boek De onvoltooide revolutie wordt er in ieder geval niet over gerept, terwijl de dames Ehrenreich, Hess en Jacobs de seksuele revolutie waarop de titel slaat wel laten beginnen bij diezelfde Beatlesmania. Immers, toen was er voor het eerst massaal sprake van de man (zelfs vier mannen samen) als lustobject.

Wat begonnen was bij Elvis met zijn pelvis nam in het Beatlestijdperk zulke gigantische vormen aan dat daarmee volgens de schrijfsters een echte omwenteling werd ingezet.

Een interessant vertrekpunt voor een boek dat de seksuele revolutie en wat daar zoal mee samenhangt op een rijtje wil zetten. De stelling die volgens de Inleiding aan de hand van die geschiedenis verdedigd wordt komt ongeveer hier op neer: de seksuele houding en het seksuele gedrag van vrouwen zijn de afgelopen decennia vrij sterk veranderd, maar die van mannen niet. Tot dusver is die hele revolutie dus meer iets van vrouwen geweest, ondanks het feit dat dat niet overeen komt met het algemeen heersende idee.

Het beeld dat het grote publiek van de seksuele revolutie heeft, wordt nog steeds sterk bepaald door pornowinkels voor mannen, een blad als Playboy en de bijbehorende Hugh Hefner met zijn bunnies. De revolutie is dus nog niet voltooid.

Een stelling die moeilijk in zijn geheel te verdedigen is. De zwakke schakel kan iedereen meteen zien zitten: als seks plezier voor twee is, hoe kan dan de ene partij zich ineens heel anders gaan gedragen zonder dat dat effect heeft op de ander?

Want het boek gaat over de bedverhouding man-vrouw. Masturbatie en homoseksualiteit komen maar zijdelings ter sprake. In een echte revolutie moet er natuurlijk voor alle partijen het nodige veranderen.

Dat is bij de seksuele revolutie ook gebeurd, lijkt me. Iets anders is dat niet iedere verandering een verbetering hoeft in te houden, en dat is misschien wel het punt dat de schrijfsters van De onvoltooide revolutie willen maken, ook al komen ze eigenlijk nergens werkelijk to the point. Alleen voor de pret met iemand naar bed blijkt in de praktijk niet altijd even gemakkelijk of prettig. Maar waarom niet?

Een zijdelings antwoord op die vraag wordt pas aan het eind van het boek geformuleerd. Daarvoor krijgen we eigenljk niet meer te lezen dan een lange aaneenschakeling anekdotes en citaten uit boeken, tijdschriftartikelen en interviews, met af een toe een los zinnetje weinig diepgravend commentaar.

De conclusie die Ehrenreich, Hess en Jacobs tenslotte aan hun verhaal verbinden is dat vrouwen hun seksuele revolutie niet voldoende opeisen. We mogen er trots op zijn dat ‘we de oude definitie van seks als een lichamelijk activiteit hebben bestreden.’ Seks is niet langer ‘een drama voor twee personen met voorspel en gemeenschap en met als hoogtepunt een orgasme van de man’.

Dat mogen we hopen ja, maar de huidige ‘bredere, speelsere opvatting van seks die meer in overeenstemming is met de grotere erotische mogelijkheden van vrouwen en die meer respect toont voor de behoeften van vrouwen’ heeft toch nog steeds niet voor iedereen het gewenste effect. De reden: angst.

Mannen zijn bang voor vrouwen die onafhankelijk zijn, vrouwen zijn bang hun afhankelijkheid te verliezen. Anders gezegd: alle partijen moeten wennen aan de revolutie, die niet goed los te zien is van de emancipatie van vrouwen op andere terreinen.

Ik denk dat dat waar is, maar waarom roept dit boek dan toch zo vaak wrevel op? Allereerst waarschijnlijk omdat we deze conclusie pas helemaal aan het eind lezen. En hij komt een beetje uit de lucht vallen na dat samenraapsel van verhalen, beschrijvingen, enquetes en aanhalingen waarvan de bedoeling lang niet altijd thuis te brengen is.

Een voorbeeld: wat vinden de schrijfsters nou van het idee dat de pil ervoor gezorgd heeft dat vrouwen, omdat ze toch niet meer zwanger konden worden, ineens maar met iedereen het bed indoken, ook als ze dat helemaal niet wilden?

Je hoort die redenering vaker, maar begrijpen doe ik hem niet. Je zal toch wel gek zijn om met iemand in bed te stappen alleen omdat je de pil slikt. Dat gebeurt natuurlijk ook niet. De pil wordt dikwijls als zondebok gebruikt, denk ik. Tegen je zin met iemand vrijen is stom, en hopelijk leerzaam, maar de pil kan dat niet helpen.

Het idee dat het allemaal te gemakkelijk is geworden gaat domweg niet op. Van een standje 69, om maar eens een eeuwenoud gebruik te noemen, kon je nooit een kind krijgen. Was dat een reden om daar iedereen die je tegenkwam voor uit te nodigen?

Dit soort commentaar komt in het boek niet voor. Nergens wordt langer op doorgegaan, en daarom krijg je het idee een nogal willekeurige compilatie Amerikaanse cultuur te lezen.

Want dat is nog een ander punt: dit boek gaat niet over de seksuele revolutie, het gaat over de seksuele revolutie in Amerika. Daar gaan een heleboel dingen toch anders dan hier. Ik kan me natuurlijk vergissen, maar dat je in Nederland op grote schaal Tupperware-achtige party’s kunt bezoeken waar SM-artikelen aan de vrouw worden gebracht, geloof ik echt niet.

Ook de mannenstriptease heeft hier niet echt doorgezet, terwijl die in Amerika zelfs het traditionele bowlingavondje gedeeltelijk verdrongen schijnt te hebben.

En godzijdank is in dit land ook niet veertig procent van de volwassenen een ‘wedergeboren christen’. Een malloot die de Panorama als een pornoblad ziet valt hier nog echt op. Fundamentalistische seks-ideeën in Amerika uiten zich onder andere in pleidooien om als echtgenote een onderdanige Playboy-bunnie te spelen: zo zoekt manlief zijn genot tenminste niet buitenshuis. En tegelijkertijd maak je als groene weduwe in een provinciestadje nog eens wat mee.

Betere seks bijvoorbeeld. Dat laatste is volgens de schrijfsters van De onvoltooide revolutie beslist feministisch: ‘Als we dienstbaar moeten zijn aan mannen en hun huishouden, waarom zouden we dan niet betaald krijgen.’ Van zulk feminisme krijg ik een vieze smaak in mijn mond. Van zulke commentaarzinnetjes dus ook.

Enfin, wie geïnteresseerd is in anekdotes uit Amerika moet dit boek vooral lezen, maar wie een doorwrochte analyse van de sexuele revolutie verwacht zal bedrogen uitkomen. De claim op de achterpagina dat het hier om een grensverleggend onderzoek zou gaan wordt alleen al door het verbrokkelde karakter van de teksten en de halfslachtige stellingnames van de schrijfsters niet waargemaakt. Terwijl een diepgravende studie over de de ontwikkeling van de seksuele verhoudingen in de afgelopen tientallen jaren een prachtig boek zou kunnen opleveren.

Want wie weet er een interessanter onderwerp dan seks?

Met een koffertje kernafval in de trein naar Leiden

Honderd jaar geleden kreeg Marie Curie niet alleen haar tweede Nobelprijs, maar ze nam ook de trein naar Leiden met in haar koffer wat radium. Dat radium is nu te zien in museum Boerhaave. Wetenschapshistoricus en curator Ad Maas (1970) kent het deels treurige verhaal erachter. 

Heeft Marie Curie radioactiviteit ontdekt?

Nee, dat had de Franse natuurkundige Bequerel al gedaan. Die zag bij uranium een onbekend soort straling. Zeer energieke straling, maar hij deed er verder niet veel mee. Marie Curie en haar man Pierre hebben het verschijnsel echt op de kaart gezet. Het woord radioactiviteit is wel van haar, en haar eerste Nobelprijs, voor natuurkunde, was voor het onderzoek naar radioactiviteit. Ze deelde hem met haar man en met Becquerel. De eerste keer dat een vrouw een Nobelprijs kreeg. 

Maar radium was wel haar ontdekking?

Ja, en polonium ook. Dat noemde ze naar haar geboorteland Polen, en het speet haar altijd dat ze die namen niet omgekeerd had. Radium komt veel meer voor, bleek later. Die twee elementen isoleren was lang en zwaar werk. Daar kreeg ze in 1911 de Nobelprijs voor chemie voor.

Maar indertijd  was de aard van de straling nog helemaal onbekend. Waar kwam het vandaan? Van binnenin het atoom? Of was het eerst geabsorbeerd en kwam het er daarna weer uit? Het bleek uiteindelijk het eerste te zijn – dat is het verval waaruit radioactiviteit bestaat. Radium gloeit heel mooi blauwachtig paars. Dat je er ziek van kunt worden, konden ze zich niet voorstellen, ook al hadden Marie en Pierre allebei grote gezondheidsklachten. Nog steeds loopt de discussie over hoe gevaarlijk het nou precies is. Dat zag je weer bij Fukushima. 

Wat kwam ze doen in Leiden?

Op bezoek bij Kamerlingh Onnes, de grootvorst van de kou. Radium was heel bijzonder, omdat het niet op verhitting leek te reageren en ook niet op kou. In Leiden kon het ondergedompeld worden in vloeibare waterstof, dat is ruim 250 graden onder nul. Er gebeurde niks. Dat lijkt een anticlimax, maar het is wel degelijk een belangrijk resultaat.

Madame Curie zou nog een keer terugkomen voor vervolgonderzoek, maar omdat dat nooit gebeurd is, hebben we hier nog steeds dat preparaat. Daar is nu een speciale vitrine voor gebouwd, waar je ook nog op anderhalve meter afstand van moet blijven. Normaal ligt het bij een bedrijf voor kernafval. Wel een contrast met gewoon in een koffer in de trein. 

Waarom kwam ze niet meer terug?

Door wat nu een burn-out zou heten. In 1906 had ze haar man Pierre verloren, en daarover was ze zeer in de rouw. Maar net rond de tijd dat ze in Leiden was, kreeg ze een affaire met de natuurkundige  Paul Langevin. Daar leefde ze van op, maar het werd een geweldig groot schandaal. Ze verdween een hele tijd uit beeld en schijnt nooit meer een liefde gehad te hebben. 

Donderdag 8 december spreekt dr. Ad Maas over ‘Women in chemistry, Marie Curie’. 14.15 u. Museum Boerhaave, Lange St. Agnietenstraat 10 Leiden. Toegang: € 5,-

Dinsdagochtend 6 december stond er boven dit stukje in NRC Next simpelweg ‘Radium en liefde’.

Wat mannen hoog zit

ABOUT MEN Reflections on the male experience, samengesteld door Edward Klein en Don Erickson. Voorwoord: Russell Baker  Uitgever: Poseidon Press, New York Importeur: Van Ditmar, 319 p., f 46,85

Een gouden idee. Er moet een Nederlandse krant te vinden zijn die het wil overnemen: iedere week een column van een man over hoe het is om een man te zijn. In Nederland wel te verstaan, want ik heb zo’n idee dat een bundel Nederlandse stukjes weer een heel ander beeld zou geven dan de verzameling uit The New York Times die net verschenen is.

About Men is de simpele kop waaronder de Amerikaanse man sinds 1983 zijn persoonlijke herinneringen, ideeen, gevoelens of gedachten kwijt kan. En hij is dolgelukkig met die mogelijkheid. Twee medewerkers van The New York Times, Edward Klein en Don Erickson, hebben zo’n 75 columns uit de afgelopen jaren uitgezocht, maar in hun introductie vertellen ze dat er iedere week 75 binnen krijgen. Ook is er geen enkele vaste rubriek die zoveel brieven oplevert als de stukjes over mannen. Wat zit de heren allemaal hoog?

Veel. Dit boek is natuurlijk maar een selectie uit een selectie, maar zo’n beetje alle facetten van mannenlevens die je maar kunt bedenken komen erin ter sprake.

Van jeugdherinneringen tot ouderdomskwaaltjes, van de Grote Liefde tot de eerste scheiding, van base ball tot oorlog. Geen studies met cijfers en dergelijke, maar individuele belevenissen. Dat is een voorwaarde voor publicatie. De schrijvers hoeven geen beroepsschrijvers te zijn, maar in ieder geval degenen die het boek gehaald hebben zijn dat heel vaak wel.

Dat valt te merken: de stukjes in About Men zijn vrijwel allemaal uitstekend en met veel vaart geschreven. En dat komt hun zeggingskracht erg ten goede.

Sommige columns zijn eigenlijk alleen maar schrijnend of anderszins ontroerend. Het verhaal van Samual Freedman bijvoorbeeld. Net op het moment dat hij het huis uitgaat om te studeren wordt zijn moeder ziek. Stoer zelfstandigheid en onafhankelijkheid oefenend laat hij de steeds alarmerender brieven van zijn vader min of meer voor wat ze zijn. Een laatste bezoek van zijn moeder bezorgt hem alleen een rood hoofd van schaamte over dat ‘stomme mens’ dat zo nodig moet zien waar hij slaapt en colleges volgt. Wie heeft er nou zijn moeder op bezoek? Nu, acht jaar later, begrijpt hij haar natuurlijk wel, maar ziet ook niet hoe het anders had gekund. Er komt alleen nooit meer een kans om het recht te zetten.

Vaders over hun zieke of gehandicapte kinderen, zonen over hun vaders, ze bezorgen je soms tranen in je ogen. Klein en Erickson hebben de stukjes overigens keurig naar onderwerp geschikt. De inhoud varieert van grappig tot triest tot irritant, maar toch is er een rode draad die, soms wat dikker, soms wat dunner, door alles heenloopt: mannen is geleerd dat ze ‘man moeten zijn’. En dat gaat aan de overkant van de oceaan nog wel even verder dan dat hij niet mag huilen.

In de afgelopen twintig jaar is er echter het een en ander veranderd. De generatie mannen die nog helemaal opgegroeid is met het idee dat zij kostwinner, held en de baas in huis zouden zijn reageert daar verschillend op.

Sommigen zijn opgelucht omdat de stoere mannelijke rol hen maar slecht afging, anderen begrijpen rationeel heel goed dat vrouwen niet voor hun onder hoeven te doen, maar constateren dat ze er moeite mee hebben tegenwoordig vriendschappelijk-afstandelijk benaderd te worden. Vooral het idee dat vrouwen mannen niet meer per definitie ‘nodig hebben’ vraagt heel wat ‘omprogrammeren’.

Instructief is ook het geworstel van Gordon Mott, wiens vrouw ergens anders een baan krijgt: de vorige keer is zij hem naar Mexico gevolgd en volgens afspraak moet hij nu met haar mee, naar Parijs, om precies te zijn. We hebben hier met een luxe stel te maken: zij heeft een dikke baan en hij is schrijver en free-lance journalist. Geld is dus geen probleem en hij kan zijn werk in principe overal doen. En dan nog heeft hij het er verdomd moeilijk mee te moeten bewijzen dat hij ‘geemancipeerd’ is.

Daar staat weer een iets ander verhaal, van John Tirman, tegenover. Onbedoeld, ook vanwege een baan van zijn vriendin, krijgt hij een jaarlang een ‘weekend-LAT-relatie’, en terwijl hij daar in eerste instantie verschrikkelijk tegenop ziet, blijkt het hem in de praktijk uitstekend te bevallen. Regelmatig een avond voor jezelf of met vrienden is leuk en prettig, en goed voor je verhouding concludeert hij.

Weer een ander zou veel voor een part-time-huwelijk voelen: vier dagen per week lijkt hem wel zat. Een interessant idee.

Wie in Amerika niet (meer) getrouwd is, moet daten. Maar waar haal je een ‘date’ vandaan? Iemand ten dans vragen op een alleenstaanden-avond is even wennen als je al vijftig bent. En wanneer de prachtige dame die met een blik van verstandhouding een telefoonnummer in je zak heeft gestopt uitsluitend zakelijke bedoelingen blijkt te hebben, dan krijgt je ego wel een hele forse douw.

Typisch Amerikaans lijkt me ook wat ik maar even samenvat als het ‘Rambo-complex’. Onlangs stond er een artikel in de krant over nep-Vietnam-veteranen. Na het lezen van About Men kan ik dat beter plaatsen, al begrijp ik er eerlijk gezegd uiteindelijk niets van. Het barst zo te zien in Amerika van de mannen die erg tegen de Vietnam-oorlog waren en zijn, maar die toch voortdurend het gevoel hebben ‘iets te missen’ en ‘hun plicht verzaakt te hebben’. Een incompleet mens voelen ze zich. Ze zouden stiekem zo graag de kans krijgen om te laten zien dat ze ‘een echte man’ zijn. En ze weten dat dat onzin is. En toch, en toch, en toch.

Hoopgevend vind ik het aan de andere kant dat gedrag, gevoelens en verwachtingen zo sterk cultureel bepaald blijken: dan kan er in de toekomst genoeg veranderen. Graag zou ik nu al zien wat er over twintig jaar onder de kop About Men verschijnt. En, ik herhaal mijn oproep, wat mannen in andere landen te vertellen hebben.

Maar voorlopig biedt dit boek al behoorlijk wat doorkijkjes. Verplichte kost voor iedereen die ook maar een beetje interesse heeft in mannen.

Seks hebben

Het is allemaal de schuld van Clinton. Of, nou ja, het komt door dat gedoe met die processen. Dat meisje Lewinsky* heeft volgens mij de genadeklap gegeven, en nou komen we er niet meer vanaf: voortaan moeten we het in Nederland over ‘seks hebben’ hebben. Het begon ermee dat ineens elke journalist zich afvroeg of Bill Clinton nou wel of geen seks had gehad in z’n achterkantoortje, maar al snel bleek dit type activiteit een grote vlucht genomen te hebben.

Een politieagent werd veroordeeld omdat hij seks had met een suïcidale vrouw, las ik in de krant, en scholieren gebruiken hun vakantie dikwijls voor het hebben van onveilige seks. En iedere keer als ik het lees of hoor, voel ik weerzin. Ik vind deze leenvertaling uit het Engels, want dat is het, onverteerbaar.

Maar dat vind ik tegelijkertijd grote flauwekul van mezelf. Er is niks tegen leenvertalingen. Tranentrekker (van tearjerker) bijvoorbeeld, is in mijn ogen bepaald een aanwinst. Harde schijf, dubbeldekker, streepjescode en haalbaarheidsonderzoek, allemaal uit het Engels vertaald en zo geleend. Prima woorden. Maar met ‘seks hebben’ wringt er iets. Het past niet helemaal in het Nederlandse systeem.

Aan de losse woorden kan het niet liggen: ‘seks’ is niks nieuws, dat hebben we volgens Van Dales Etymologisch Woordenboek al rond 1950 overgenomen, en ‘hebben’ is een van de frequentste Nederlandse woorden. Toch kun je in het Engels veel meer ‘hebben’ dan in het Nederlands. Weliswaar hebben wij honger, dorst, zin, pijn, angst, en nog zo wat, terwijl de Engelstaligen ‘hongerig’ of ‘in pijn’ zijn.

Maar in het Engels héb je weer lunch, koffie, diner, een snack, nou ja, alle etens- en drinkwaren. En je hebt seks. ‘Have’ is als het ware consumptiever dan ‘hebben’. Het consumptieve ‘hebben’ gebruiken wij in het Nederlands alleen bij een paar woorden als lol en plezier.

Dat sluit dan mooi aan bij ‘seks hebben’, zult u zeggen. Maar er wringt nog iets anders. De criminele contexten waarbinnen we deze zegswijze hebben leren kennen, maken hem niet aantrekkelijker, maar ook de associatie met de verwrongen manier waarop Amerikanen tegen seks aankijken bezorgt me mijn gevoel van afkeer.

Voor Amerikanen is seks al heel snel vies, voos en vunzig. Uit alle Amerikaanse films, series, comedy’s, soaps en talkshows waarmee we in Nederland overvoerd worden, spreekt angst voor seks. Het is een enge, eigenlijk oncontroleerbare drift. Dat leidt tot moeizame verhoudingen tussen de seksen, tot dat rare dating-circuit, auto-achterbankengefoezel, obsessies en stiekem gedoe. En in filmscènes natuurlijk tot het beroemde krankzinnige gedrapeer van, in en met lakens.

Ik ben misschien een beetje bang dat die Amerikaanse blik op seks besmettelijk is. Seks is toch al bezig een verdacht artikel te worden. Het lijkt wel of alles wat je erover in de media tegenkomt, gaat over de een of andere vorm van misbruik, en dat woord misbruik devalueert bovendien in rap tempo. Eén kneep in je billen, of één vrijpartij die achteraf toch niet zo verstandig was, en je bent getekend voor het leven. Dat is zo’n beetje de tendens aan het worden, en het bevalt me niks. Voor je het weet, praat je dat mensen nog aan ook.

Al die dingen kleven voor mij ‘seks hebben’ aan. Maar helaas moet ik deze uitdrukking een grootse toekomst voorspellen. Hij vult namelijk een gat in de taal. Op twee manieren. Seks is van oudsher taboe, en dus zo’n onderwerp waar we twee typen woorden voor hebben: platte en verhullende. De eufemismen kun je onderverdelen in oubolligheden als ‘gemeenschap’ of ‘het doen’, medische/Latijnse termen zoals ‘coïtus’, en woorden met een nogal diffuse, maar wel vriendelijke betekenis (vrijen, naar bed gaan). Allemaal niet erg geschikt voor modern mediagebruik.

Daarnaast lijkt ‘seks hebben’ een uitdrukking te worden met een echte eigen betekenis, een verzamelterm die we nog niet hadden: ofwel het gaat om orale seks (alweer zo’n leenvertaling, geloof ik), of om handmatige bevrediging van de ander, ofwel om echte penetratie. En het kan ook een combinatie uit die drie zijn. Alleen geknuffel, gezoen en geaai vallen er zeker niet onder. Enfin, gelukkig is het alleen een mediawoord. Tenminste, het lijkt mij sterk dat er in de huiskamer tegenwoordig gezegd wordt “Zullen we even lekker seks hebben, schat?” Brr, ik zou er niets van moeten hebben.

*Noot: ‘Dat meisje Lewinsky’? Foei toch. Schaam me met terugwerkende kracht voor die misplaatste laagdunkendheid. Zag de serie ‘The Clinton Affair’. Met afgrijzen gekeken naar wat Monica Lewinsky over zich heen kreeg. Had er toen weinig oog voor, sterker nog: ik deed in feite mee. Bah.

Constantijn Huygens’ penvriendinnen

Multi-talent Constantijn Huygens (1596-1687) was een fervent brievenschrijver. Onder zijn correspondenten bevinden zich opmerkelijk veel vrouwen. Over zestien van hen stelde kunsthistorica Lea van der Vinde (1980) als gastconservator een tentoonstelling en een boek samen voor het Huygensmuseum. Ze is conservator bij het Mauritshuis.

Wat waren het voor vrouwen met wie Huygens schreef?

‘Zijn kring was heel breed. Als diplomaat maakte hij ook vriendinnen in het buitenland. Hij dichtte, componeerde, musiceerde, was kunstkenner. Veel van zijn vrouwelijke correspondenten deelden zijn belangstelling. Met de zangeres Utricia Ogle wilde hij het liefst elke dag musiceren. Al reageerde zij vaak niet op zijn verzoeken.’

‘Een heel aantal was niet getrouwd. Die hadden dan familiekapitaal, of ze werkten voor hun geld. Maria van Oosterwijck bijvoorbeeld verkocht haar schilderijen voor zulke torenhoge bedragen, dat ze een pand aan de Keizersgracht kon kopen.’

Sloeg Huygens tegen vrouwen een andere toon aan dan tegen mannen?

‘Veel correspondentie met mannen is puur zakelijk. Hij was secretaris van de stadhouder, dus er viel een hoop te regelen. Tegen de vrouwen is hij soms flirterig. Hij is vijftig jaar weduwnaar geweest. En hij maakt steeds gedichtjes. Daarmee had hij ook zijn vrouw veroverd. Zijn gedichten voor Béatrix de Cusance, die de mooiste vrouw van de zeventiende eeuw werd genoemd, zijn spannend. Hij treft haar bijvoorbeeld, ontwakend uit een droom, in zijn bed aan.’

‘Maar met de Engelse geleerde Margaret Cavendish correspondeerde hij heel serieus over natuurkundige raadsels. Bijvoorbeeld over ‘Rupert’s drops’. Dat zijn op een bijzondere manier gemaakte druppels van glas. Je kunt keihard op hun kopje slaan zonder dat ze stuk gaan, maar als je maar iets met hun staartje doet, exploderen ze. Dat is nog altijd niet helemaal verklaard. Ook met Anna Maria van Schurman ging het naast kunst, literatuur en muziek vaak over wetenschap. Zij was eerste Nederlandse vrouw die naar een universiteit ging.’

Hoe kreeg ze dat voor elkaar?

‘Ze werkte hard aan haar eigen bekendheid in de wetenschappelijke wereld. Om zichzelf te promoten schreef ze brieven aan wetenschappers. Huygens stuurde ze een zelfportret, met daaronder een Latijnse spreuk. Normaal leerden alleen jongens Latijn. Er werd haar gevraagd een lofdicht in het Latijn te schrijven op de Utrechtse universiteit. Toen mocht ze daar ook colleges gaan bijwonen. Privé, of achter een gordijntje in de collegezaal. Haar proefschrift ging over dat vrouwen wel degelijk geschikt zijn voor de wetenschap.’

Hoe keek Huygens aan tegen vrouwen?

‘Gemengd. Hij heeft wel boze gedichten over ze geschreven, met zinsneden als ‘vrouwtjes, wil je lof verkrijgen, snoert je bakkes en leert zwijgen’. Vrouwen stonden een treetje lager, was toch de algemene gedachte. Ze moesten niet te veel op de voorgrond treden. Tegelijk was Huygens ontzettend gefascineerd door vrouwen die dat wel deden. Dat kon eigenlijk niet. Ook uit brieven tussen hem en andere mannen spreekt onbegrip: ze vinden het eigenlijk mannen in een vrouwenlichaam.’ 

Vrijdag spreekt drs. Lea van der Vinde over ‘Vrouwen rondom Huygens’. 11.00 u. Huygensmuseum Hofwijck, Westeinde 2a Voorburg. Aanmelden: info@svvt.org. Toegang: € 3,50

‘Damespost van Huygens’ zette NRC Next ’s ochtends boven dit stuk.

Ik buig voor niemand

IK BEN WEL GEK MAAR NIET GOED door Liesbeth den Uyl Uitgever: Veen, 95 p., f 19,50

Echt gek is ze niet, eerder goed. Zeker in sommige dingen. Liesbeth den Uyl heeft een knap oog voor dikdoenerij bijvoorbeeld. En ze is nooit te beroerd dat te tonen. Meneren die niks anders weten te doen dan dure namen noemen, kunnen erop rekenen in de zeik genomen te worden.

Onrechtvaardigheid bestrijdt ze desnoods met lichamelijk geweld: als in Italië een man een vrouw aan haar haren door het restaurant sleept waar de familie den Uyl zit te eten, dan haalt Liesbeth ze persoonlijk uit elkaar. Heeft ze met een stel vriendinnen eindeloos op een taxi staan wachten en wordt die vervolgens op brute wijze ingepikt door een voordringende vent, dan trekt ze die man botweg de auto uit.

‘Kordaat’ is het woord dat bij veel van haar optredens past. Soms leidt dat tot hilarische verhalen, maar op andere momenten kun je alleen maar denken: wat dapper. Zelf noemt ze de 25 korte stukjes in Ik ben wel gek maar niet goed ‘verlate dagboeknotities’. Dat is zo te zien een adequate omschrijving. Het zijn allemaal gebeurtenissen waarvan je je als lezer voor kunt stellen dat ze op de een of andere manier in iemands hoofd blijven hangen.

Nare dingen: een maandenlang uitgestelde miskraam, een uiterst benauwende tandartsbehandeling, een bijna-tasjesroof.

Rare dingen: een dochter en later een hond die je op afstand hoort ‘roepen’.

Grappige dingen: de prinsessen Beatrix en Margriet die op eigen instigatie voor je gaan staan om je de gelegenheid te geven je eigen decolleté op een verdwenen oorbel te doorzoeken.

Liesbeth den Uyl heeft regelmatig verkeerd in kringen waar wij gewone mensen niet mogen komen. Het gebeurt maar heel zelden dat we in simpele bewoordingen een verhaal van binnenuit kunnen lezen over de rituelen in Buckingham Palace of het rose marmeren bad van de minister president van Malta.

Overigens moet Liesbeth den Uyl er niet veel van hebben. ‘Ik buig voor niemand’ zegt ze, en schudt de voltallige Engelse koninklijke familie keurig de hand. Omdat er een heel vliegtuig alleen op hen staat te wachten mag echtgenoot Joop zijn luxe Maltezer ontbijt niet afmaken. ‘Aangekomen in het toestel slaat een walm van haat ons tegemoet. Men heeft meer dan een uur extra op ons moeten wachten,’ schrijft ze. En: ‘In Amsterdam prikt die haat nog in mijn vel en in mijn ziel. Ik wil het ze uitleggen, maar ik weet dat het niet kan. Nog jarenlang weiger ik nieuwe aardappeltjes uit Malta te eten.’

Joop den Uyl was de man voor ‘de gewone mensen’, Liesbeth den Uyl is dat misschien nog wel meer. Haar boekje verscheen op een ongelukkig moment: haar man was al ziek en iedereen wist dat hij dood zou gaan. Maar hij had er zelf op aangedrongen dat de publicatie en presentatie van Ik ben wel gek maar niet goed ‘gewoon door zouden gaan’.

Ach, ‘gewoon’ werd het natuurlijk niet. De pers schreef omzichtig om het pijnlijke onderwerp heen. Ze haalden alle anekdotes over den Uyl uit het boekje en vertelden die na. De dood van den Uyl, nog toekomstig of al geschied, kleurt natuurlijk het oordeel van iedereen die dit boekje las of zal lezen. Daar valt niets aan te doen.

Toch is het veel minder een onopzettelijk ‘in memoriam’ geworden dan ik verwachtte. Liesbeth is nu eenmaal niet het aanhangsel van Joop. Dat is ze nooit geweest. Natuurlijk, sommige van de belevenissen die ze beschrijft vonden in zijn kielzog plaats, maar mevrouw den Uyl heeft overduidelijk haar eigen meningen én haar eigen leven. Voor iemand die getrouwd was met een minister-president en die bovendien maar liefst zeven kinderen grootbracht is vooral dat laatste bewonderenswaardig te noemen.

Ik vind het mooi dat ze voor het nageslacht bijvoorbeeld het gekluns van haar man die zijn sjerp om de verkeerde schouder deed, bewaard heeft. Ik bedoel, je ziet het hem doen, ook al kun je het hem nooit meer zien doen.

Wat ik ervan gevonden zou hebben als den Uyl nog leefde? Een aardig boekje, dat soms interessante kijkjes in deftige keukens biedt en dat niet uitmunt door een fantastische stijl. Maar ook dan had ik alleen maar kunnen concluderen dat je Liesbeth den Uyl wel sympathiek moet vinden. Ze heeft het succes dat het boekje op het moment heeft verdiend.

Rode haren in modes en golven

Nero, Napoleon en Vivaldi hadden het, Nicole Kidman en de kat van Tim Wentel hebben het: rood haar. Wentel (1973) werkt als huidarts in het Rotterdamse Erasmus MC en in de Pellegrinuskliniek in Schiedam. Hij vindt rode haren prachtig, en verdiepte zich in het verschijnsel voor de jaarlijkse Roodharigendag in Breda, die zondag voor de vijfde keer gehouden worden.

Rood haar werd toch altijd lelijk gevonden?

‘Het is in elk geval bijzonder. Positieve en negatieve reacties gaan met modes en golven. Op mijn lagere school viel je er met ‘peenhaar’ nog buiten, nu is het juist ‘hot’, ook in de modellenwereld. Zo’n omslag is er vaker geweest. Vroeger werd rood haar nogal eens in verband gebracht met zondigheid, en zelfs hekserij. Roodharigen belandden op de brandstapel. Misschien door de associatie met Judas, de bijbelse verrader die ook rood haar had. Maar bij de Romeinen waren roodharige slaven een tijd in de mode. En in de islam is het een gunstig teken: de profeet Mohammed verfde zijn haar rood.’

Hoe kom je aan rood haar?

‘Van je vader én je moeder. Die moeten je allebei een speciale variant geven van gen MC1R, dat op chromosoom 16 zit. In Schotland heb je daar de grootste kans op. Bij ons is ongeveer drie procent roodharig. Ver boven het wereldgemiddelde, dat onder ’n procent zit. Vorig jaar dachten we nog dat de Neanderthalers deze afwijking bij homo sapiens ingebracht hadden, maar die blijken toch een heel eigen variant van MC1R gehad te hebben. Dat gen regelt het huidpigment melanine. En wordt er feomelanine aangemaakt, dan krijg je een rood-gele kleur.’

‘Rode haren zijn iets dikker, maar een roodharige heeft er wel minder. Echt grijs worden ze nooit, door het feomelanine lijkt het eerder stroblond.’

Zijn roodharigen medisch gezien anders dan anderen?

‘Meestal hebben ze een lichte huid, wat hun risico op huidkanker vergroot. En uit één onderzoek kwam dat roodharigen gevoeliger zijn voor pijn. Dat heeft vooralsnog geen consequenties voor pijnstilling. Het zou eerst breder onderzocht moeten worden.
Er wordt ook gedacht dat roodharigen meer kans op nabloedingen hebben, maar dat is onzin. Net als dat ze sneller blauwe plekken hebben: dat lijkt maar zo, door hun lichte huid.’

Is het ook een mythe dat redheads vurig in bed zijn?

‘De Duitse seksuoloog Habermehl heeft roodharigen vergeleken met anderen. Hij vroeg iedereen naar het aantal sekspartners in hun leven, en naar de frequentie. Roodharigen bleken meer partners én vaker seks te hebben. Maar misschien worden ze wel vaker benaderd door mannen, omdat die denken dat roodharigen makkelijk in bed te krijgen zijn. Dan speelt het vooroordeel een rol.’

‘Het is opmerkelijk dat rode haarverf het populairst is bij vrouwen, ook na de overgang. Rood heeft kennelijk een signaalfunctie. Je ziet het ook bij bavianen, al geven die dat signaal met hun achterste.’

 

Zondag 5 september spreekt drs. Tim Wentel ‘Over de herkomst en medische betekenis van rood haar’. 14.00 u, 15.00 u en (in het Engels) 16.00 u. Grote Kerk, Kerkplein 2 Breda. Toegang: gratis.

‘Roodharige: heks of ‘hot’’ zette NRC Next ’s ochtends boven dit interview. 

Door de Vrede van Utrecht leefde de prostitutie flink op

Zit er muziek in? Dat is wat Louis Grijp, hoogleraar Nederlandse liedcultuur en onderzoeker bij het Meertens Instituut, altijd wil weten. Grijp (1954) is de man achter de Nederlandse Liederenbank, waarin eeuwen teksten én melodieën terug te vinden zijn. Hij speelt luit, onder meer met zijn Camerata Trajectina (‘Utrechts muziekgezelschap’).

Zijn er bij elke historische gebeurtenis liederen te vinden?

‘Liedjes waren vroeger ook nieuwsmedia. Van elke oorlog zijn er altijd van beide zijden liederen. We hebben met ons muziekgezelschap bijvoorbeeld ook muziek uit de Tachtigjarige Oorlog opgenomen. Nu dan over de Vrede van Utrecht.’ 

De Vrede van Utrecht, ik moest het opzoeken.

‘Eerlijk gezegd ik ook. Voor Nederland was het ook helemaal niet zo’n gunstige vrede, maar de stad Utrecht blaast het nu uit city-marketingoverwegingen wat op. Het ging wel om een soort wereldoorlog. Het Utrechtse verdrag van 1713 maakte een einde aan de Spaanse opvolgingsoorlog. De laatste Spaanse koning was door inteelt kinderloos gebleven. Frankrijk maakte aanspraak op de kroon, maar ook de Duitse keizer. In zo’n beetje heel Europa werd dat oorlog. Met Frankrijk, Spanje en Beieren aan de ene kant, en Engeland, de Republiek, de Duitse keizer en Pruisen aan de andere. Vanwege Engeland en Frankrijk waren zelfs Amerika en Canada erbij betrokken.

Nederland had in die tijd de grootste krijgsmacht van de geallieerden. Door geheime onderhandelingen tussen Engeland en Frankrijk, echt een klotestreek, heeft de Republiek het gelag betaald. De Gouden Eeuw is toen definitief in rook opgegaan.

Die vrede tekenen duurde trouwens een paar jaar, want dat gebeurde telkens in bilateraaltjes.’

Maar het leverde wel speciale liederen op?

‘Ja, veel meer dan ik had vermoed. Het was echt een groot feest, ook in Den Haag, dat een deel van de eer opeiste. Daar werd vuurwerk in de hofvijver afgestoken, er waren ooievaars uit wier bek wijn spoot.  

Typisch voor het eind van de zeventiende eeuw is dat het hele marswezen dan opkomt. Er waren marsen voor alle veldheren. Wat ik wel opvallend vond was dat er rustig melodieën gebruikt werden die van de tegenpartij kwamen. Daar zaten ze niet mee. Dat is niet omdat er zo weinig keus was. Er was een groot reservoir, alleen al wel duizend melodieën voor boerenliedjes en contradansen.’  

Waren er ook vrolijke deuntjes voor de Vrede van Utrecht?

‘Zeker. ‘De verbeterde meisjesnering’ bijvoorbeeld. Meisjesnering is de prostitutie, en die beleefde gouden tijden. Toen in 1712 de aanloop op gang kwam van diplomaten en al hun onderknuppels was dat goed voor al gauw duizend man extra in de stad. Er kwamen ook dagjesmensen op af. Kijken naar de praalhanzen, die in schitterende koetsen rondreden.  

De Utrechtse meisjes van plezier roepen in dat lied hun collega’s uit Amsterdam, Rotterdam, Brabant op. Ze kunnen het werk niet aan, dus of Katrijntje, Antje en Kniertje met kwikken, strikken en blote borstjes maar willen komen helpen.’

Zondag 2 juni spreekt prof. dr. Louis Grijp over ‘Vocaal Kabaal – Leve de vrede. Liedjes over de Vrede van Utrecht’. Met live liedjes. 13:00 uur Senaatszaal Academiegebouw, Domplein 29 Utrecht Toegang: gratis.

Netjes rechtop fietsen

Fietsen is in hier zo gewoon, dat we te weinig oog hebben voor de typisch Nederlandse bijzonderheden, zegt historicus Harry Oosterhuis (1958) van de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Hij onderzoekt de sociaal-culturele en politieke achtergronden van het Nederlandse fietsen.

Wij fietsen hier anders dan ze elders doen?

Om te beginnen wordt er gemiddeld veel meer gefietst. En echt iedereen doet het. Leden van het koninklijk huis laten zich graag op de fiets zien. Maar in Duitsland bijvoorbeeld is fietsen een politieke daad. ‘Kijk eens, ik ben groen en links,’ zeg je daar als het ware. In Amerika is de fiets nauwelijks een transportmiddel. Fietsen is een sport. Of het is een stuk speelgoed voor kinderen.

Dat het hier vlak is en we een gematigd klimaat hebben, kan maar een deel van de reden zijn.

Hoe komt het dan?

De beeldvorming bij de introductie heeft veel effect gehad. De ANWB, opgericht als Wielrijdersbond, was een burgerlijk liberale club, die de fiets van meet af aan propageerde als een degelijk en fatsoenlijk nationaal vervoermiddel. Zodra de fiets goedkoper werd, daalde in andere landen de status onder de burgerij. Maar hier bleef die fietsen, samen met de arbeider.

Ook kwamen er mede dankzij de ANWB al snel veel fietspaden en andere infrastructuur. Buitenlanders kijken nog steeds op van de fietsstoplichten hier.

De fietslobby in Engeland bijvoorbeeld maakte indertijd een ernstige miscalculatie door te stellen dat iedereen evenveel recht had op de weg. Maar zonder fietspaden vinden ouders het veel te gevaarlijk hun kinderen op de fiets naar school te sturen. En in Londen begeef je je als fietser nu nog ongeveer in een oorlog, zo hard moet je vechten voor je plaats op de weg.

Maar bij ons mochten er weer geen wielerwedstrijden op de weg gehouden worden. Daarom zijn we geen wielrenland geworden. Wielrennen was de eerste toeschouwersport en dat massa-amusement was ook niet helemaal respectabel.

En ons type fiets sluit daar ook bij aan?

Ja, de techniek blijkt niet doorslaggevend. Licht voorover gebogen fietsen is veel efficiënter, maar onze fietsen zijn gemaakt op rechtop zitten. Vanwege die degelijkheid en het fatsoen. ‘Rust in beweging’ moest het uitstralen. Je moet er ook in driedelig grijs op kunnen, denk maar aan Donner. En voor vrouwen is er die lage instap, wat een fiets veel minder stabiel maakt.

Had de fiets nog andere maatschappelijke gevolgen?

Fietsen is belangrijk geweest voor het ontstaan van het toerisme. Je kon ineens je eigen land ontdekken. Dat leidde in het begin wel tot confrontaties tussen stad en land. Dorpelingen stuurden de honden erop af, of gooiden stenen naar die stadse snuiters, die hun veilige besloten wereld binnenkwamen.

Maar de fiets zorgde ook voor horizonverbreding. Stel je maar voor wat het betekende voor een boerenzoon in Gelderland dat hij ineens onderwijs kon gaan volgen in een stad twintig kilometer verderop. 

Vanavond spreekt dr. Harry Oosterhuis over de ‘Geschiedenis van het fietsen in Nederland’. 19.30 uur. Bovenzaal Noordelijk Scheepvaartmuseum, Brugstraat 24-26 Groningen. Toegang: € 4,-

‘Degelijk rechtop fietsen’ zette NRC Next ’s ochtends boven dit stuk.

Godenzonen

Kinderen vormen de conservatiefste groepering op aarde. De gedachte ‘zoals het is, zo hoort het ook’ vormt het fundament van hun bestaan. En zelfs het idee dat iets misschien wel eens anders zou kunnen is ronduit belachelijk.

Dat ik zes jaar lang alleen meisjes in de klas had, was dus maar goed ook. Van die kinderachtige jongens erbij leek me iets absurds. De enige man die ooit het lokaal betrad was de kapelaan, uit wiens mond we eens zesennegentig uh’s in een kwartier turfden.

Hij bevestigde alleen onze overtuiging: de andere sekse hoorde bij ons niet thuis.

Maar ik had pech. In 1970 hoorde ik niet alleen tot de laatste lichting die toelatingsexamen voor de middelbare school moest doen, er was ook ergens besloten dat ongemengd onderwijs niet meer kon. In een klap verdween dit cultuurgoed en werden alle middelbare scholen in Maastricht voor jongens en meisjes toegankelijk.

Zo kon het gebeuren dat ik het allereerste meisje was dat ooit werd aangemeld bij het Henric van Veldeke College. Het zouden er dat jaar, verspreid over zes eerste klassen, 48 worden. Tegenover een kleine 800 jongens. Een cultuurschok zonder weerga. Eén ding hadden we trouwens altijd goed gezien, bleek onmiddellijk: jongens in de klas waren maar kinderachtig.

Maar daarbuiten lag een wereld. Een uitgestrekt onontgonnen terrein, met alleen maar echte mannen.

De ontdekkingstocht ging door hoge betegelde gangen, langs trappen en openstaande lokalen. Kijken, en gauw weer wegkijken. Op het breukvlak van twee tijdperken leven was ongemeen spannend.

Bij de kapstokken zag ik Barry voor het eerst, in een witte coltrui. Hij was de knapste jongen van de school, en wist dat. Met het blonde hoofd naar achteren scheurde hij op zijn paarse Puch weg uit het fietsenhok.

Maar voor Paul uit de vijfde was ik geen lucht. Op een dag schonk hij mij vlak bij de schooldeur een snelle glimlach. Nog geen week later kreeg ik vanaf de trap iets toegeworpen dat heel goed voor een groet door kon gaan. De hele algebrales tintelde ik, tot Francine me alle illusies ontnam en vertelde dat hij ook naar haar en Irene en Desirée en Wilma lachte.

Ach, de meeste dingen deden we toch in groepsverband. Het jachtterrein omvatte inmiddels ook het clubje rond wat we – voor we wisten dat hij Nick heette – de Christusfiguur noemden. Een zesdeklasser met veel lang zwart haar en omfloerste blik. De tekenleraar liet een keer een psychedelische pentekening van hem zien: “Een soort zelfportret”, zei hij, “dat zou je niet denken van zo’n jongen hè?”

Wij wel. En de techniek om bij hem in de buurt te zijn bij het naar binnen drommen na de pauze, hadden we toen al geperfectioneerd. Soms, heel soms, zei hij iets tegen een van ons.

Maar vaak was hij dagenlang niet op school. Natuurlijk weer ergens stoned aan het rondhangen. De hasjdampen die na elke pauze in de gangen hingen maakten een integraal onderdeel uit van de beloftes voor later. Het zou allemaal gaan gebeuren. We zouden met die jongens mee gaan doen. En nu oefenden we vast met blikken en lachjes.

Zelf rookte ik in die tijd mijn eerste zalig duizeligmakende stiekeme sigaretten. Een voorproefje, en training, zodat ik later als ik groot was mee zou kunnen blowen.

Maar weer had ik pech. Halverwege de tweede haalden mijn ouders me weg uit het paradijs. We verhuisden naar de ander kant van het land. Nog steeds was ik kind genoeg om conservatief te zijn. Het leek me niks, zo’n school waar ze sinds mensenheugenis jongens hadden.

Dit keer had ik gelijk. In het westen heersten de gebruikelijke mores: je bestond niet voor wie een klas hoger zat. De vrouwelijke sekse was er geen nouveauté. Hier keken en lachten de grote jongens dus niet naar prille meisjes. Ze hadden hun handen vol aan al die hautaine, stokoude klasgenotes van ze.

Ja, héél veel later, zo vanaf de vierde, kon er ’s gemorreld worden aan die klassengrenzen. Maar omdat kinderen niet alleen behoudend zijn, maar zich ook razendsnel aanpassen, had ik me toen al lang op de jongens in m’n klas gestort. Dat was normaal op een gemengde school.

Ik heb de strikte segregatie der seksen meegemaakt (toen ik zes was mocht ik zelfs niet in een lange broek naar school), ik zat er middenin toen die in een geruisloze revolutie verdween, en een echte puber werd ik tussen jongens en meisjes die van jongs af aan bij elkaar hadden gezeten.

Dat rare, tegennatuurlijke gescheiden onderwijs moest natuurlijk weg. Maar wat boften wij met z’n achtenveertigen verschrikkelijk dat we net toen ze het afschaften twaalf waren. Nooit meer is er op die manier een hele wereld voor me opengegaan.

Of de andere 47 er ook zo op terugkijken weet ik trouwens niet. Zij mochten gewoon ‘de oudste meisjes’ blijven, en misschien is voor hen de glans er gaandeweg wel vanaf gegaan. Maar voor mij werden alle beloftes uit die eerste middelbare schooltijd ingelost door anderen dan degenen die ze deden. In mijn herinnering hangt er daarom om Barry, Paul en Nick voorgoed een gouden magisch waas. Ze zullen altijd godenzonen blijven.

In de ‘Harige Oorlog’ waren lange, lustige lokken de inzet

Mogen mannen wel lang haar, zijn de lokken van vrouwen niet te lustig? Tussen 1640 en 1648 woedde er in Nederland een heuse ‘Harige Oorlog’, waar Latinist Dirk van Miert in dook. Van Miert (1974)  is docent bij de afdeling geschiedenis van de UvA en onderzoeker aan het Huygens Instituut voor Nederlandse geschiedenis. 

Waar ging de kwestie over?

De vraag was wat de apostel Paulus nu eigenlijk bedoeld had toen hij schreef dat de natuur leerde dat lang haar mannen tot oneer is, maar vrouwen niet. Indertijd riep het wel enige hilariteit op, maar het is ook een serieuze kwestie. Het had te maken met wat ‘de nadere reformatie’ heet. Na de synode van Dordrecht in 1618 probeerden predikanten de samenleving nog verder te reformeren. Ook op het gebied van gedrag.

Dus fulmineerden ze dat het de spuigaten uitliep met het zedeloze gedoe. Men gaat naar balletten, heeft ontblote schouders en dan dat lange haar. Van de kansel gingen ze bijvoorbeeld te keer over de dochters van de burgemeester, die er als hoeren uit zouden zien met hun wijduitstaande haren met vlechten en versieringen. Geil ende dartel heette dat.

Er kwamen gedichten, pamfletten en traktaten over uit. Echt alle media werden ingezet. Met woordspelingen over bijvoorbeeld ‘scheerzieke haarkloverijen’, en ‘het scheelt geen haartje’. Soms vrij melig. 

Waar kwam dat lange haar vandaan?

Het was een mode die uit Frankrijk kwam overwaaien. Lodewijk de dertiende was kaal, en die ging pruiken dragen in 1620. Pas later in de zeventiende eeuw werden pruiken populair, daarvoor lieten veel mannen hun eigen haar lang groeien. Het was heel wuft al die mannen met lange krullen. De predikanten vinden ze verwijfd. 

Draait het allemaal om de Bijbel?

Ja, maar niet om de gewone dogmatiek. Voor het eerst wordt de Bijbel in een historische context bekeken. Ze vragen zich af: hoe zit dat met die Korintiërs aan wie Paulus schreef? En de Bijbel zegt ook dat een lange haardracht bij sommige joden een teken van gewijdheid was, een belofte aan God en dus eerbiedwaardig. Het ging over de haardracht van monniken en hun tonsuur.

Discussies gaan ook over wat is lang. Over de schouders? Of op de oren ook al? Maar dat is tegen de kou. En wat is haar? Leeft het of is het dood? En wat deden de Grieken? Echt álles wordt erbij gehaald.

Dit speelde een paar jaar na de verschijning van de Statenvertaling. Die had allemaal aantekeningen in de marge, over woordbetekenissen en vertaalbeslissingen. Doordat die vertaling in twintig jaar tijd het hele land veroverde, was het niet meer het terrein van geleerden, maar kon iedereen meediscussiëren. De predikanten legden het uiteindelijk af.

Duurde de volgende haarstrijd tot de Beatlestijd?

Nou, het is tussendoor nog wel een paar keer opgeflakkerd. Grappig is wel dat in 1973 een preek uit 1643 over dat lange haar opnieuw is uitgegeven.

Dinsdag 23 april spreekt dr. Dirk van Miert over de ‘Harige Oorlog’. 12.20 u. Broodje Kennis, Spui25 Amsterdam. Toegang: gratis. Aanmelden via spui25@uva.nl  020 525 8142.

‘De oorlog tegen geile, dartele haarlokken’ kopte NRC Next ’s ochtends.

Duizenden geheimen

Iedereen heeft geheimen, zegt psycholoog Andreas Wismeijer van de Universiteit van Tilburg. Een kwart tot een derde van de bevolking ervaart ze als een last. Wismeijer (1975) verzamelde onder meer via geheimenvan.nl duizenden geheimen, en schreef met Mirre Bots het boek Geheimen, de psychologie van wat we niet vertellen.

Gaan de meeste geheimen over seks en overspel?
‘Inderdaad, maar eigenlijk álles kan door iemand geheim gehouden worden. Dat je onderweg naar school altijd je orthopedisch schoeisel verruilde voor slippers bijvoorbeeld. Of jaar in jaar uit smoezen verzint om niet tegelijk met je vrienden op vakantie te gaan, omdat ze dan je vliegangst zullen zien.’

‘Iedereen heeft wel iets waar hij zich voor schaamt, spijt van heeft of onzeker over is. De angst om afgewezen te worden, is een belangrijke reden iets geheim te houden. Maar geheimen creëren een psychologische afstand. Of je het iemand vertelt, is altijd een rekensom: wat zijn de consequenties en risico’s tegenover de last die ik ervan heb.’

‘Geheimen zijn overigens niet per se slecht voor je, en er zijn ook positieve geheimen: nog even niet vertellen dat je zwanger bent bijvoorbeeld.’

Waarom willen we de geheimen van anderen zo graag horen?
‘Van nature zijn we nieuwsgierig, evolutionair gezien is dat nuttig. Net als dingen geheim houden. Het zit in ons, omdat we van oudsher afhankelijk van elkaar zijn en binnen de groep moeten zien te overleven. Dat mechanisme is nog steeds actief. Zelfs tegenover psychotherapeuten blijken mensen in veertig tot zestig procent van de gevallen relevante dingen geheim te houden.’

‘Maar in vertrouwen genomen worden, vinden we prettig. Dan zien we dat de ander, net als jij, bepaalde zwaktes heeft. Als iemand je een geheim vertelt, kan dat de band met diegene verdiepen. En je kunt om het risico dat de ander op je afknapt ook beperken door maar een deel van je geheim te vertellen. Wel dat je vreemdging, maar zonder de dramatische finesses: dat het met drie mannen en zonder condoom was.’

Hoe zit het met verder vertellen?
‘Dat gebeurt erg vaak, en vooral met de smeuïge of bijzondere geheimen. Maar dat kan ook op een integere manier gebeuren: niet aan de buurvrouw die alles meteen doorkletst, maar alleen aan je partner. Ook een verteld geheim kan nog lang een geheim blijven.’

‘Doorvertellen kun je voorkomen door je geheim alleen op te schrijven. Bij negatieve gebeurtenissen is dat altijd goed: je moet erover denken dan, het verwoorden, er een verhaal van een kop en staart van maken. Anders blijft het film die zich maar blijft afspelen in je hoofd.’

Wat heeft dit onderzoek met uw eigen geheimen gedaan?
‘Ik ben me er veel bewuster van. Maar of ik mijn geheimen vaker of juist minder vaak vertel, zeg ik niet. Dingen voor jezelf houden is ook goed. Het bepaalt mede je identiteit: dat hoort bij mij, en gaat niemand iets aan.’

 

Vanavond spreekt dr. Andreas Wismeijer over ‘Geheimen’. 20.00 uur. Universiteit van Tilburg – gebouw G, Warandelaan 2 Tilburg. Toegang: € 4,-

NRC Next kopte ’s ochtends ‘De last van een geheim’.

Japanners tappen als enigen in de wereld geen moppen

Lachen is een heel raar ding, vindt Giselinde Kuipers, die zich al twintig jaar met humor bezighoudt. Kuipers (1971) is hoogleraar cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam, en sinds kort hoofdredacteur van het internationale wetenschappelijk tijdschrift Humor.

Waar is lachen voor?

Het is vooral een signaal aan anderen. Eigenlijk is het gek dat we een oprisping van het lichaam aanmoedigen waarbij je adem stokt,  je tranen in je ogen krijgt. Toch zoeken we er steeds naar. Ik merk het zelf als ik een lezing geef: ik wil heel graag dat de zaal lacht. Je voelt contact, dat je bij elkaar hoort. Het kan daarom ook heel onaardig zijn om te lachen, een manier om anderen buiten te sluiten. Lachen geeft heel sterk de groepsgrenzen aan. Als je verderop hoort lachen is dat bijna ongemakkelijk, dan wil je graag weten  waar het over gaat. 

Klopt het dat vrouwen geen moppen kunnen vertellen?

Ik heb ontdekt dat je het moet trainen. Je onthoudt een mop door hem te vertellen. Maar je moet zelf heel erg geloven dat het grappig is. Dus er echt staan, je breder maken, en niet zoals vrouwen nog wel eens doen komen met ‘ik weet niet of ik hem goed vertel’ of  ‘er kwam een, of nee, er waren twee mannen…’. 

Maar hoger opgeleiden houden niet zo van moppen tappen.

Nee, die leren meestal ‘dat doen wij niet’. Met ironie kan het weer wel. Ik heb er veel mensen over ondervraagd. Moppen zijn kort samengevat niet geciviliseerd, niet intellectueel en niet authentiek. Want je vertelt een verhaal dat je niet zelf bedacht hebt, dat niet ingewikkeld is en de vorm ligt vast. Je weet: dit wordt grappig. Dus lachen móet. Dat is ook zo. Weinig zo pijnlijk als een mop waar een stilte op volgt.

Maar wat hoger opgeleiden goede humor vinden is dat het scherp en gevat is. Er moet creativiteit in zitten. Het is ook niet altijd prettig, er mag iets schuren. Denk maar aan Freek de Jonge die onaardig is tegen zijn publiek. Of Hans Teeuwen met zijn ‘kijk, de mensen praten altijd wel over de joden en zo, maar die Duitsers waren ook geen lieverdjes hoor!’ Kortom, het is niet voor de gezelligheid. Lager opgeleiden vinden het dan ook sneu. Die kijken niet op tegen het gevoel voor humor van hoger opgeleiden. Zij gebruiken moppen juist voor de sfeer.

Is moppen tappen universeel?

Daar lijkt het wel op, en je hebt ook over de hele wereld dezelfde grappen. Alleen doen ze het niet in Japan. We hebben er hard naar gezocht, maar er is daar geen equivalent van het vertellen van een kort verhaal met een clou. Ze waren er vroeger wel. Ik heb de indruk dat de mop ook bij ons een beetje aan het uitsterven is. We hebben nu zoveel andere communicatiemiddelen.  

Woensdag 17 oktober spreekt prof. dr. Giselinde Kuipers over ‘Goede humor, slechte smaak’. 20.00 uur. Aula Academiegebouw, Domplein 29 Utrecht. Toegang: gratis. Mee- en terugkijken op www.sg.uu.nl.

In NRC Next stond er ’s morgens de wat dik aangezette kop ‘Moppen tappen wordt met uitsterven bedreigd’ boven dit interview.

 

Je ziet de vrouwen krimpen, in de oude Egyptische kunst

Een radicale feministe noemt ze zichzelf beslist niet, maar Karin Haanappel (1968) vindt het hoog tijd voor het bijstellen van de gebruikelijke mannenblik op kunst, die nog uit de negentiende eeuw stamt. De kunsthistorica richtte daarom een  instituut voor vrouwelijke kunstgeschiedenis op, geeft cursussen en lezingen, en werkt onder meer aan een boek over ‘herstory of art’.

Kunstgeschiedenis is een mannenwereld?

Het vak dateert uit de negentiende eeuw. Pas toen werden er voor het eerst overzichten van kunst gemaakt en is de canon bepaald. Dat gebeurde natuurlijk vanuit de man-vrouwverhoudingen van toen. Nog steeds is maar zo’n vijf procent van wat er in musea hangt gemaakt door vrouwen. Die traditie is zelfs op de universiteiten nog niet doorbroken.

Maar we zijn al veel eerder van een ‘moederlandcultuur’ naar een ‘vaderlandcultuur’ gegaan. In de prehistorie had je uitsluitend vrouwenbeeldjes, en beeldjes van dieren. De vroegste mannenbeelden dateren pas van 3000 voor Christus. Daarvoor waren het steeds die ‘Venusbeeldjes’ met dikke buiken, een uitpuilende navel, grote borsten. Dat zijn geen pin-ups, maar een sacrale weergave van de levenscyclus. In hedendaagse matriarchale culturen zie je dat ook nog steeds.

Dus zo’n vijfduizend jaar geleden kregen mannen de overhand?

In Egypte kun je dat heel letterlijk volgen. Eerst zijn de vrouwenbeelden daar het grootste, dan worden mannen en vrouwen even groot en daarna krimpen de vrouwen. Echt niet omdat ze ineens kleiner werden.

Maar onze kunstgeschiedenis begint meestal pas bij de klassieke oudheid, toen de mannencultuur al dominant geworden was. 

Maar waren er wel vrouwelijke kunstenaars?

Talloze. Ik kan hele rijen namen geven. Uit oorspronkelijke bronnen blijkt ook dat ze vaak zeer gewaardeerd werden. Zoals de schilderes Sofonisba Anguissola, geprezen door Michelangelo, bij wie Anthony van Dyck in de leer wilde en die Caravaggio inspireerde.

En denk ook aan de ‘anonieme meesters’ uit de middeleeuwen. Daar moeten ook anonieme meesteressen tussen zitten. Je had strikt gescheiden mannen- en vrouwenkloosters. Van iemand die we wel kennen, de indertijd al beroemde componiste en schrijfster Hildegard von Bingen, weten we dat ze in het klooster heeft gezeten.

Het is soms lastig, want namen zijn niet altijd bekend, maar ik denk dat je vaak kunt zien of een man of een vrouw iets gemaakt heeft, ze werken immers vanuit hun eigen belevingswereld. Zo zijn er bijvoorbeeld veel beelden van Maria met Jezus. Bij een deel vormen moeder en kind een eenheid, kijken ze naar elkaar terwijl het kind de borst krijgt. Bij een ander deel, volgens mij door mannen gemaakt, kijkt Jezus weg, heeft hij nog net een scheef mondje om de tepel, die er wat raar bijhangt. 

Moet er een vrouwenkunstgeschiedenis komen?

Nee, ik wil graag een completer beeld, waarin mannen én vrouwen vertegenwoordigd zijn. Dat is tenslotte de wereld. Maar zolang in de heersende religies het godsbeeld mannelijk is, zal het nog wel moeilijk blijven. 

Dinsdag 8 maart spreekt drs. Karin Haanappel over ‘Van Venus tot Nana, het vrouwbeeld in de kunstgeschiedenis’. 20.00 u. Het Kunsthuis, Oosteinderweg 98 Rosmalen. Toegang: € 15,- Aanmelden: info@khsalon.nl

De volgende ochtend zette NRC Next ‘Krimpende vrouwen’ boven dit interview.

Steeds weer je e-mail checken verergert de tijdnood

Nergens in Europa besteden mensen zo weinig tijd aan verplichtingen als hier. Tanja van der Lippe (1963) onderzoekt onder meer de samenhang tussen werk en privé. Ze is hoogleraar Sociologie van Huishoudens en Arbeidsrelaties aan de Universiteit Utrecht.

Zijn we massaal in tijdnood?

Tijd is altijd een schaars goed, je kunt het maar een keer uitgeven. Deels ligt het tamelijk vast waaraan –’s nachts slaapt iedereen. Voor het flexibelere deel maken mensen afwegingen, bijvoorbeeld wanneer ze boodschappen doen.

Objectief gezien zijn we sinds de jaren zeventig meer gaan werken, vooral de vrouwen. We gaan nu richting 70 procent vrouwenarbeidsparticipatie. Meestal parttime, ja, en dat verandert maar mondjesmaat. Gemiddeld genomen hebben we allemaal minder vrije tijd.

Maar een internationale vergelijking maken is altijd onthullend. Onze tijdsbesteding aan betaalde en onbetaalde verplichtingen is het laagste van de ons omringende landen. Vrouwen hebben de meeste vrije tijd van allemaal, mannen staan samen met België, Duitsland en Italië op nummer een. Maar het gevoel van tijdsdruk is hier wel vrij hoog. 

Dus ons gevoel klopt niet?

Het is ook een cultureel fenomeen. Als je bij ons vraagt ‘hoe gaat het?’ is ‘Nou goed, druk’ een geaccepteerd antwoord. Het hoort dus bij de samenleving. Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelt pas sinds 2000 standaard een vraag over de tijdsdruk die mensen ervaren. Dat zegt iets.

En in Nederland willen we ook in onze vrije tijd scoren. Ons laten zien, zinvolle dingen doen. Het sporten is toegenomen, en we zijn meer onderweg. Ook dat vergroot het gevoel van tijdsdruk. Bovendien zijn we veel meer tijd aan onze kinderen gaan besteden.

Het gevoel van tijdsdruk is overigens niet alleen maar slecht. In landen als Zweden, met de hoogste kwaliteit van leven, is de tijdsdruk ook het hoogste.

Maar sommige momenten van de dag zijn echt heel druk. Vooral voor paren met jongere kinderen, die beiden werken. Dat heet niet voor niks het spitsuur van het leven.

Gaat het anders worden?

Er wordt veel over het ‘nieuwe werken’ gesproken. In feite een voortzetting van de al langer bestaande ‘flexibilisering’, die bijgedragen heeft aan dat nu zoveel meer vrouwen werken. Als je meer zelf mag indelen, kun je om drie uur bij school staan. Of het een succes wordt, zal ook afhangen van of het economisch rendabel is.

Maar uit mijn onderzoek blijkt meer autonomie ook tijdsdrukverhogend te werken. Meer zelf plannen, geen werkgever die je controleert: het geeft eerder het gevoel dat je nooit meer vrij bent.

Overigens geldt dit allemaal vooral voor hoger opgeleiden. En nog steeds werkt 85 procent gewoon tussen acht en zes. 

Wat helpt er tegen tijdnood?

Afwegen wat je echt belangrijk vindt, en daar je tijd aan besteden. Een praktische oplossing is huishoudelijke taken uitbesteden. En je niet laten afleiden als je tijd met je kinderen doorbrengt. Niet ook nog even je telefoon of je e-mail checken. 

Woensdag 23 maart spreekt prof. dr. ir. Tanja van der Lippe over ‘Tijdnood’. 20.00 u. Aula Academiegebouw, Domplein 29 Utrecht. Toegang: gratis.

‘Druk, druk, druk’ kopte NRC Next dinsdagochtend.

Vrouwenclichés van de wereld

Trouw nooit een vrouw met grote voeten, wereldwijsheid over vrouwen
met register op taal en onderwerp
door Mineke Schipper
Het Spectrum/Lannoo 2004
576 blz.;€ 27,95

 

Het opmerkelijkste is misschien nog wel dat het zo gauw enorm saai wordt. Je zou denken: hoe er in meer dan 240 talen, verdeeld over ruim 150 landen, over vrouwen gesproken wordt, dat moet van begin tot end boeiend zijn. Maar bladeren en lezen in de grote collectie spreekwoorden en gezegdes die hoogleraar interculturele literatuurwetenschap Mineke Schipper samengebracht heeft onder de titel Trouw nooit een vrouw met grote voeten, wereldwijsheid over vrouwen brengt weinig verrassends.

Dat komt om te beginnen doordat de strijd tussen de seksen overal over min of meer dezelfde dingen gaat, iets dat ook Schipper in haar inleiding constateert. Haar verbazing over de grote overeenkomsten tussen vrouwenspreekwoorden uit alle windstreken was voor haar zelfs de aanleiding om op grote schaal te gaan verzamelen. Dit boek, met zo’n 15.000 spreekwoorden, is er de vrucht van. Schipper hoopte met het maken verklaringen te vinden, ook voor het feit dat de meeste spreekwoorden ook in totaal andere talen en culturen direct prima begrepen worden. Ook iets dat ze niet verwacht had.

Maar wat mij nou weer verbaast, is Schippers verbazing. De menselijke natuur is immers overal hetzelfde, en het menselijk taalvermogen ook. Mannen vallen nu eenmaal op mooie, liefst jonge vrouwen. Varianten op onze oude bok die nog wel een groen blaadje lust, zijn er dus te over. Net als spreekwoorden over uiterlijk. Dat vrouwen vaak slechter af zijn dan mannen, eronder gehouden worden, zowel gevreesd als bemind worden, het is bepaald geen nieuws. Liefde, seks, kinderen baren, trouwen, strijd over de verdeling van taken en macht, het zijn universele, in elke cultuur centrale verschijnselen. Over die en soortgelijke thema’s heeft Schipper haar collectie dan ook verdeeld. Grotendeels gaat het om dingen die alles te maken hebben met de evolutie van de mens. Die bracht ook taal, en dus de gelegenheid elkaar kennis en (volks)wijsheden door te geven.

We doen dat onder meer met behulp van wat Schipper ‘het kleinste literaire genre’ noemt, en dat is een prachtige omschrijving van spreekwoorden, waar zelfs meer in zit dan ze in de gaten lijkt te hebben. Ze werkt die gedachte namelijk niet erg uit, terwijl toch snel in het oog springt dat spreekwoorden inderdaad veel kenmerken van de ‘grote’ genres hebben. Aan de vormkant vallen allerlei soorten rijm op, en ritme. Inhoudelijk zie je vaak dat er gebruik wordt gemaakt van beeldspraak, vergelijkingen, en een onverwachte draai geven aan het geheel. Een goed voorbeeld waar dat allemaal in zit, is het tamelijk bekende ‘Wie een leverworst koopt of een weduwvrouw trouwt, weet nooit wat een ander erin heeft gedouwd’.

Spelen met de verwachtingspatronen van luisteraars aan de hand van onder meer klankovereenkomsten en de zinsmelodie, gebeurt in alle talen. Het trekt extra aandacht, en maakt onthouden makkelijker. Geen wonder dus dat je dat bij veel spreekwoorden  aantreft. Het draagt zonder enige twijfel bij aan hun zeggingskracht.

Dat maakt ook dat het lezen van duizenden spreekwoorden in vertaling niet zo aantrekkelijk is. Er gaat zoveel verloren. ‘Vrije heupen, vrije lippen’ lijkt een tamelijk willekeurige kreet, tot je ziet dat dit spreekwoord uit het Engels komt. Ah, ‘hips’ en ‘lips’, begrijp je dan, en dat voegt meteen veel toe. Helaas zijn er maar een paar talen waarin ik de verzamelde spreekwoorden enigszins kan terugvertalen.

Voor samenstelster Schipper geldt dat natuurlijk ook. Naar alle waarschijnlijkheid moet ook zij dus maar aannemen dat ze in het Ganda in Oeganda de zegswijze ‘Een vrouw met verlepte borsten drinkt bier als een man’ hebben, dat de Hongaren zeggen dat veelvuldig kussen in een baby eindigt, en dat je in het Birmees regelmatig ‘Spaar geen os of vrouw’ kunt horen.  

Daar zit een volgend probleem met dit boek. Kun je dat wel aannemen? Als lezer heb je geen idee in hoeverre een spreekwoord werkelijk leeft in een bepaalde cultuur. Is het er zo een die echt iedereen kent? Of een voorbeeld dat eigenlijk alleen via spreekwoordenboeken wordt doorgegeven? Het kan net zo goed een verzinsel of verbastering zijn van de toevallige informant, of iets heel lokaals.  Dat maakt nogal uit voor het totaalbeeld van de mondiale clichés over vrouwen. En bronvermeldingen helpen niet, want over de bronnen kun je weer dezelfde vragen stellen. Ik merk het op omdat ook het grootste deel van de Nederlandse spreekwoorden mij niet bekend was: Een vrouw is bruikbaar in iedere kamer? Een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier?  

Zonde, zonde. Zo veel werk verzet, zo veel materiaal gevonden, maar Schipper blijft mij te veel steken in wat op zijn best een voorwetenschappelijk stadium is: het verzamelen van een berg ruwe gegevens, waarvan je zelfs de status lang niet altijd kent. De saus idealisme die ze daaroverheen giet – zo hoopt ze dat haar verzameling vooral de blik op vrouwen uit het verleden beschrijft, en dat het boek  een bescheiden lichtbaken is op de lange weg naar wereldburgerschap – kan dat niet verhullen.

Heimwee gestapeld op heimwee

DE EERSTE VROUW
door Nedim G
ürsel
Vertaling Erik Jan Z
ürcher
Uitgever Meulenhoff, 118 p., f 29,50
 

‘Bulldozer‘ schijnt de bijnaam te zijn van de huidige burgemeester van Istanbul. Complete wijken zijn al platgewalst en vervolgens volgebouwd met hotels en wolkenkrabbers.

Naast de drijvende en daarom altijd wiebelende Galatabrug waar je onderlangs om de paar meter een opdringerig wervende restauranthouder tegen het lijf loopt, wordt op het ogenblik hard aan een nieuwe gewerkt. Of onder die nieuwe Galatabrug ook visrestaurants en kroegen zullen worden gebouwd weet ik niet, De sfeer op dat merkwaardige stukje niemandsland dat nu nog ligt te deinen, precies tussen Europa en Azië in, zal in ieder geval nooit meer dezelfde zijn.

‘Istanbul is gevallen, niet in 1453, maar nu. ‘ zegt Nedim Gürsel ergens in zijn net uit het Turks vertaalde boek De eerste vrouw. Zou de  ‘bulldozer ‘ dit ook gelezen hebben dacht ik bij heel wat passages. Blijkbaar niet, het verhaal (een novelle volgens de omslag), is al zes jaar oud en het slopen gaat nog steeds door. Of anders heeft de ondernemende burgemeester Gürsels werk afgedaan als het sentimentele geleuter van iemand die tegen de vooruitgang is.

Licht sentimenteel is Gürsel hier en daar ook wel, maar wat wil je bij een verhaal dat eigenlijk alleen over afscheid nemen gaat?  Over afscheid nemen van moeder, maagdelijkheid en vaderland om precies te zijn. Samen zorgen die voor een wel erg rigoureuze breuk met het verleden, een extra pijnlijk volwassen worden.

Een  ‘ik ‘ en een  ‘hij‘ zijn de hoofdrolspelers in De eerste vrouw. De  ‘hij ‘ is de puber-uitgave van de  ‘ik‘, en gezien de persoonsgegevens die over de auteur vermeld worden, maak ik me sterk dat  ‘ik‘, ‘hij‘ en Nedim Gürsel allemaal dezelfde zijn. Gürsel en ‘ik‘ hebben in ieder geval beiden Turkije moeten verlaten; ze wonen in Parijs en komen beiden van het Turkse platteland.

Autobiografisch of niet, de tegenstrijdige gevoelens van een geile zestienjarige puber worden overtuigend beschreven. Ze passen ook wonderwel bij de mengeling van walging en genot die Istanbul bij hem oproept: de kleuren, de drukte, de aanblik van lekkere hapjes, het kabaal, de stank van rotte vis en bedorven olie.

Hij wordt er misselijk van, maar zwelgt er tegelijk in. Het verhaal begint met een bezoek aan de  ‘Straat der Bordelen‘. Een jongen uit de provincie, alleen in de grote stad, eenzaam op het strenge internaat waar hij zonder inspraak naartoe gestuurd is, vast van plan zijn maagdelijkheid te verliezen. Klassieke thema’s, en het wordt nog erger: de prostituée die hij bezoekt vloeit in zijn hoofd samen met de herinneringen aan zijn moeder. Moeder en hoer. En moeder was natuurlijk een Madonna in haar optreden.

Toch is het gebrek aan originaliteit in de thematiek niet echt hinderlijk. Gürsel kan zo meeslepend schrijven dat je er zelf plaatsvervangend melancholiek van wordt. Heimwee gestapeld op heimwee: de puber verlangt naar zijn kindertijd, met de zachtheid en zekerheid van een lieve moeder en de  ‘ik‘ verlangt naar Istanbul, naar zijn puberteit en daarmee vanzelf ook weer naar zijn kindertijd. De dramatiek van het gegeven wordt nog verhoogd doordat de moeder dood is gegaan, niet lang nadat  ‘hij‘ naar Istanbul is vertrokken. Een afscheid zonder afscheid te kunnen nemen.

De ‘ik‘ van nu dwaalt door de straten van Parijs en wordt wakker  ‘naast de vrouw van wie hij houdt‘, maar meer komen we niet te weten. Alleen dat hij zich voorneemt nu eens alles wat hij net beschreven heeft op te schrijven.

Dat laatste is mij te veel een goedkope truc om een eind aan het verhaal te breien. De breedvoerige passage waarin hij zijn bedoelingen uit de doeken doet is overbodig. Het verhaal is rechtvaardiging genoeg van zichzelf.

Maar Gürsel heeft duidelijk wat moeite met de compositie van zijn novelle en herhaalt zichzelf het hele verhaal door. Een rood pennetje dat hier en daar het exuberante taalgebruik een tikje minder exuberant had gemaakt, en en passant de stukjes van het verhaal die al uitvoerig aan bod geweest waren, geschrapt had, zou De eerste vrouw een perfecte novelle hebben kunnen maken.Nu moet het boek het vooral hebben van de sfeer die het weet op te roepen.

De Turkse titel (Kadınlar kitabı, de eerste en laatste i horen zonder puntje, uitspraak is grofweg ‘kaadunlár kietabbuh‘) zou letterlijk vertaald  ‘Vrouwenboek ‘ of  ‘Boek over vrouwen‘ hebben opgeleverd. Dat de vertaler niet gekozen heeft voor iets dat zo feministisch klinkt, is begrijpelijk. Voor Gürsel zijn vrouwen schitterende, fascinerende wezens. Het aantrekkelijkste op aard, iets van een andere wereld. En dus onbereikbaar.

Een vrouw op een voetstuk is altijd een vrouw op afstand. Gürsels novelle past wat dat betreft in een lange, maar nou niet bepaald feministische traditie.

Maar hoe je wél een kind krijgt, weten ze eigenlijk niet meer

Exact een halve eeuw geleden kwam de pil op de markt. Sociaal geograaf  Gijs Beets (1949) van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) ziet de effecten op de Nederlandse bevolking.

 

Gaf de pil een grote geboortedip?

De pil kwam als geroepen, maar een dalend kindertal was al veel langer een trend. Aanvankelijk waren er voor een demografisch evenwicht veel geboortes nodig. Er gingen altijd zo veel kinderen dood dat je er heel wat moest krijgen om er een paar over te houden die voor je konden zorgen op je ouwe dag.

Vanaf 1890 gaat dat in Nederland veranderen. Tegen die tijd zijn hygiëne, voedsel en preventieve gezondheidszorg dusdanig verbeterd dat er veel meer kinderen  overleven. Dus hoeven er minder te komen. En bovendien zie je dat ouders erg graag willen investeren in kinderen als die langer blijven leven. Dan hebben ze bijvoorbeeld een opleiding nodig, en dat is beter op te brengen als je weinig kinderen hebt.  Deze switch werd het eerst gemaakt bij hoger opgeleiden. Die waren misschien ook wat secuurder met de nogal onbetrouwbare voorbehoedsmiddelen van toen, zoals periodieke onthouding. 

En wanneer werd het iets voor iedereen?

Pas vanaf eind jaren zestig werd de pil vrij massaal geslikt, en dan zie je dat vanaf 1971, `72 alles gaat vertragen. Met het derde en vierde kind is het dan bijna overal afgelopen. Later krijg je ook meer vrijwillige kinderloosheid.

Zijn er nog andere consequenties?

We weten heel goed hoe we zwangerschap kunnen voorkomen, maar van gynaecologen hoor ik dat het tegenwoordig ontbreekt aan kennis over hoe je wél een kind krijgt. Dat je kansen daarop echt vertraagd  zijn op je 34ste bijvoorbeeld. Op je veertigste nog meer. En stellen blijken een seksfrequentie te hanteren die niet eenvoudig tot conceptie leidt.

Nog een onverwachts effect is dat de relatiemarkt voor de jongere generaties heel anders is. Nu het zeker is dat je niet zwanger wordt als je dat niet wil, is het veel normaler een aantal partners te hebben gehad voor je een gezin wilt beginnen. Daar word je  kieskeuriger van. Zie dan maar iemand die aan je profiel voldoet te vinden.

En door de pil zitten we nu met de vergrijzing?

Die heeft eraan bijgedragen, ja. Maar vergrijzing is een succesverhaal. Niemand wil terug. We zijn blij met kleine gezinnen en langer leven. In Den Haag zijn ze veel te somber en kijken ze niet ver genoeg. Dat we nu gaan krimpen is onherroepelijk. Een nieuwe geboortegolf, waar  Rouvoet nog wel eens om vroeg, moet je niet willen. Je zit dan onder meer ook hun leven lang vast aan investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, enzovoort. We hebben altijd oplossingen gevonden. En ach, Drees had in 1956 bij de invoering van de AOW ook kunnen zeggen dat die zou gelden voor de oudste acht procent inwoners. Want dat waren de 65-plussers. Dan kreeg je nu pas op je 72ste AOW. 

Vanavond spreekt drs. Gijs Beets over ‘Anticonceptiepil medeveroorzaker van vergrijzing’. 19.30  uur. Zaal 011, Lipsiusgebouw, Cleveringaplaats 1, Leiden. Toegang: gratis.

 NRC Next zette hier ’s ochtends dit boven: ‘ De pil maakt vinden van de ware lastiger dan ooit’.

De zaken en het meisje

Een gesprek over werk was het, met een man die ik mag en wiens werk ik waardeer. Wat niet wegneemt dat hij volgens mij soms dingen anders zou moeten zien en doen. Dat zei ik, daar ging het over, toen ik zomaar, pats, out of the blue kreeg toegevoegd: “Ach, ga jij toch lekker naar je mannie.” Woede vlamde in me op, en die spatte ook naar buiten. Tot zijn onbegrip.

Eerder diezelfde avond had ik met weer een andere man, die ik ook al mag en wiens werk ik eveneens waardeer, een nogal wezenloze discussie stopgezet. Een tijdje terug was ik maar opgehouden zijn e-mailtjes te beantwoorden waarin hij zinnige opmerkingen over mijn werk consequent vermengde met gedroom over mijn “verrukkelijke borsten”. Mijn uitleg dat zulk gedoe mijn plezier in een gedachtenwisseling danig in de weg stond, leverde me, nog steeds per mail, een tedere kus op mijn tepel op. Met een knipoog, dat wel.

Nu we elkaar weer eens live ontmoetten, werd me ook uitgelegd dat het maar aardigheidjes waren en dat het natuurlijk allemaal als een compliment bedoeld was. Impertinent? Buiten de orde? Welnee. Ik moest niet zo flauw doen.

Op het verwijt dat je flauw doet, is het altijd lastig reageren. Wat moet je zeggen? Nietes? Jij doet juist flauw? Ik had het dus verder maar laten zitten, net zo goed een teken van onmacht als boos worden. En het is alletwee erg onbevredigend. Ik sliep er slecht van die nacht.

Het ging tenslotte over iets wezenlijks, en ingewikkelds: de omgangsvormen tussen de seksen. En het kennelijke onvermogen bij die twee mannen om de zaken en het meisje gescheiden te houden. Want daar kwam het bij beiden op neer, al verschilde de uitingsvorm. Je praat over zaken en ineens komt er een opmerking die geen enkel verband heeft met het voorafgaande, maar die mijn rol even inperkt tot die van meisje: iemand met een mannie en borsten.

Wil ik soms ontkennen dat ik ze heb? Nee. Denk ik dat dergelijke gegevens geen rol spelen in het dagelijks verkeer tussen mannen en vrouwen? Ook niet. Maar hoe en wanneer dat aan de oppervlakte komt, maakt nogal wat uit.

Net als bij wie. Natuurlijk kan ik ook mijn schouders ophalen en denken: ach, kerels. Dat is precies wat ik doe wanneer ik op straat word nageroepen, of in de kroeg zo’n versiertype met mooie praatjes tegenkom. Want dat is zoiets als een menselijke variant op wat mannetjeschimpansees doen: vrouwtjes gewoon even het volle zicht op hun erectie geven – ik las er net nog over in Frans de Waals opnieuw uitgebrachte boek Chimpanseepolitiek, Macht en seks onder mensapen. Zulk gedrag kun je tamelijk moeiteloos negeren.

Maar dat wil ik niet bij mannen die ik aardig vind en met wie ik graag praat en lach. Ik wil ze niet simpelweg afdoen als vervelende mannetjes. Ik vind ze immers niet vervelend, maar juist prettig gezelschap. Maar ook heb ik geen zin om door een onverhoedse opmerking op de gekste momenten ineens teruggebracht worden tot een vrouwtje.

Want dat levert mij telkens een dilemma op. Ik wil ze graag serieus blijven nemen. Hoe doe je dat op zo’n moment? Daar heb ik geen antwoord op. Iets anders is dat het na zo’n onverwachte overgang in het gesprek aan mij is om het allemaal een beetje prettig en gezellig te houden. Dat is natuurlijk wat ik het liefste wil, maar ik heb niet altijd trek om die verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven te krijgen.

En vooral staat het me tegen om ook in het vuur van een interessante conversatie steeds verdacht te moeten zijn op de mogelijkheid dat weer even duidelijk gemaakt moet worden dat het een ontmoeting van een mannetje met een vrouwtje betreft. En hoe ik ook mijn hersens pijnig, ik weet werkelijk niet wat ik daaraan kan veranderen. Ik voel me op dat punt dus machteloos.

Daarom, heren, werd ik boos op jullie. En toen mijn pogingen het uit te leggen vruchteloos bleven, beloofde ik te proberen het eens op te schrijven. Rustig en weloverwogen enzo. Wel, ik vond het maar een helse klus, en vrees dat woorden de kloof toch niet echt zullen kunnen dichten.

Stress is goed voor jongens

Of stress nou goed of slecht is ligt er maar aan, en valt soms helemaal niet te zeggen, volgens hoogleraar neurobiologie Marianne Joëls (1956). Ze is directeur van het Utrechtse Rudolf Magnus Instituut voor neurowetenschappen en haar laatste publieksboek heet Meisjes zijn niet bèta-dom.

Waar is stress bijvoorbeeld goed voor?

We hebben net een proef met studenten gedaan, die laat zien dat je onder stressvolle omstandigheden dingen beter onthoudt. Met name emotioneel belangrijke informatie. Althans, bij jongens werkt het zo. Na een stresssituatie worden spannende woorden of plaatjes beter onthouden dan onder neutrale omstandigheden. We lieten hen tien minuten solliciteren op een student-assistentschap voor een panel van drie mensen die geen enkele respons gaven, en daarna een lastige rekensom doen waarvan we zeiden dat hij heel eenvoudig was. Dat zorgt voor extra afgifte van de stresshormonen adrenaline en cortisol, wat helpt bij het leren. De meisjes reageerden minder sterk op de stresssituatie. De meeste meisjes zijn aan de pil, wat de afgifte van stresshormonen onderdrukt. Waarschijnlijk is dat de reden dat we bij hen minder effect meten.

En toch heeft stress zo’n slechte naam.

In de volksmond gaat het dan om stress die lang duurt, onder omstandigheden waar je weinig controle over hebt. Een vervelende baas, bijvoorbeeld. Stress kun je definiëren als de subjectieve beleving dat er iets dreigt te veranderen, iets dat gevaarlijk kan zijn. Door een groot deel van het dierenrijk zie je dan hetzelfde klassieke systeem aan het werk. De eerste reactie is de afgifte van adrenaline. Dat zorgt direct voor energie. De tweede, iets minder snelle reactie zorgt dat de energievoorraden weer worden aangevuld, maar alles wat er op dat moment niet toe doet zoals groei, voortplanting en het immuunsysteem, wordt onderdrukt. Dat systeem zorgt er ook voor dat alle informatie wordt vastgelegd voor later. Die tweede reactie verloopt via cortisol. Bij een potentieel gevaar zijn dat allemaal gunstige dingen. Maar als het lang duurt niet meer. Dan loop je bijvoorbeeld meer risico op diabetes of een depressie.

Heeft stress ook nog andere effecten?

Er is een kritische fase voor de hersenen rond de geboorte. We hebben moeder-kind-interacties onderzocht bij ratten, in de eerste week na de geboorte. Ratjes die weinig verzorging kregen – wat stressvol is – functioneren later relatief beter onder stressvolle omstandigheden. De hersenen lijken hen te prepareren op vergelijkbare omstandigheden als die heersten toen ze ter wereld kwamen. We zien ook enorme verschillen in hersencellen in de gebieden die belangrijk zijn voor leren en voor het gevoelsleven. Dat vertalen naar mensen is altijd gevaarlijk, maar de resultaten zijn vrij indrukwekkend en geven te denken.

Is een shotje cortisol bij wijze van leerpil een goed idee?

Met wat adrenaline dan. Mhm. Dat zie ik niet snel gebeuren. Cortisol doet zóveel. Je zit ook met het risico op bijwerkingen. Kijk maar naar het middel prednison, een synthetische vorm van cortisol, dat is berucht om z’n bijwerkingen. 

Donderdag 9 september spreekt prof.dr. Marianne Joëls over ‘Stress is goed!’. 20.00 uur, Natuurcafé La Porte, station Driebergen-Zeist. Toegang: vrijwillige bijdrage.

Door een misverstand verscheen dit interview niet in NRC Next.

Middeleeuws mooi

Bloed, slijm, gele en zwarte gal. Volgens Karine van ’t Land hing het middeleeuwse idee van mooi en gezond vaak af van de vier lichaamssappen. Van ’t Land (1974) is zowel arts als historica, en werkt als junioronderzoeker middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. 

Wie vonden ze mooi in de Middeleeuwen?

‘In ridderromans en poëzie vind je helder omschreven schoonheidsidealen. Bekend is het vrouwtje met het dikke onderbuikje. Een hoog voorhoofd, en een smal lang bovenlijf met hoogstaande borstjes hoorde daarbij. Het was dus even onmogelijk als nu om aan het ideaalbeeld te voldoen – dat moet blijkbaar. Er werd met korsetjes gewerkt, opgebonden borsten, vullingen voor de buik. Net als tegenwoordig.’

En mooie mannen?

‘Blonde krullen en rode lippen en wangen deden het goed. Een beetje verwijfd. Wit en rood waren belangrijk – pas na de industrialisatie verdween de witte huid als schoonheidsideaal, omdat je in de fabrieken niet bruinverbrand werd.’

‘Alle fysiologische theorieën waren overigens gebouwd op mannen. Vrouwen waren een soort afwijking van de man. De bloederige mens, de sanguinicus, was het beste. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de mens bij wie de zwarte gal overheerste, de melancholicus. Sinds de Renaissance is die sterk geromantiseerd, maar in de Middeleeuwen was hij een naarling, schraal, mager, koud. De temperamentenleer die bij de verschillende levenssappen hoorde, gaat terug op de Grieks-Romeinse arts Galenus en op Aristoteles, maar was in de Middeleeuwen heel populair. Je vindt hem in alle goedkope almanakjes.’

Wat was de bloederige mens verder voor iemand?

‘Die combineerde veel. Hij was rijk en jeugdig, kon gemakkelijk vrouwen krijgen. Hij deed niks, maakte plezier, en was heel mooi maar onpraktisch gekleed. Net als wat je nu ziet bij de Oscaruitreikingen. De hogere standen lieten zich graag zien, in kleurige kleren. Kleur was bijzonder, naarmate je lager op de maatschappelijke ladder stond verdween de kleur. Het grauw kon ook nauwelijks wassen. En de hogere standen keken vaak letterlijk op hen neer, omdat ze door betere voeding veel langer waren.’

‘Gezondheid ging samen met dat zachte, roze, vlezige. De medische blik van toen zag een vloeibare mens, een vat vol sijpelende sappen. De diagnostiek was in de Middeleeuwen dan ook heel goed, want met al die sappen was er altijd wel een reden te bedenken dat iemand ziek was. Als je nu kijkt lopen er in de ziekenhuizen heel veel mensen rond met klachten als moeheid en dergelijke waar niemand raad mee weet. Terwijl iedereen heel graag een diagnose wil.’

Een sanguinicus van nu zou pakweg Jan Smit zijn?

Lacht: ‘Ja, ook dat hersenloze. Of nee, laat ik het aardiger zeggen, dat frisse vrolijke, met veel vlees op de wangen, genietend van het leven. En een hele mooie vrouw. Maar is die niet zwanger? Bij kinderen houdt het op, de sanguinicus heeft vooral de belofte van vruchtbaarheid in zich.’

Donderdag spreekt drs. KARINE VAN ’t LAND over ‘Schoonheid en geneeskunde in de middeleeuwen’, 18.00 uur, Hippocrateszaal, route 77 Studiecentrum Medische Wetenschappen, Geert Grooteplein 21 Nijmegen. Toegang: € 7,50 (studenten gratis). Aanmelden: www.umcn.nl/mhcn

Dit interview verscheen dezelfde dag in NRC Next onder de kop ‘De bloederige mens’.

Beelden van Taizé

Het is allemaal de schuld van frère Roger, dacht ik van de week, gezeten bij restaurant La Favola (ga daar vooral ook eens zitten, op de Amstelveenseweg in Amsterdam). Hij heeft er nooit weet van gehad, maar zonder hem zou ik hier niet zo vrolijk losbarsten in de moedertaal van de Italiaanse familie die de zaak bestiert.

Frère Rogers bizarre dood (op zijn negentigste in zijn zelf begonnen kerk vermoord) bracht een hoop beelden van het plaatsje Taizé. Ik herkende hoe het er uit zag, maar vond niets van mijn eigen herinneringen terug in het brave, weeë beeld dat overal geschetst werd.

Oecumene, jeugd die intense behoefte heeft aan spiritualiteit, mediteren, bidden? Het was in Taizé dat ik het begrip ‘Latin lover’ aan den lijve leerde kennen. In een moeite door werd ik verliefd op het Italiaans, en deed een overlevingspakket Italiaanse woorden en zinnetjes op, dat uitstekend van pas kwam toen ik later in Florence serieus werk ging maken van het leren van die taal.

Na het vertrek van de Italiaanse minnaar arriveerde de Joegoslavische, aan wie ik het woord ‘jebati’ overhield, waarvan ik niet weet hoe je het schrijft, noch wat de exacte gevoelswaarde is, maar wel dat je er ‘de liefde bedrijven’ mee kunt aanduiden (waar precies is natuurlijk de vraag nu er geen Joegoslaven en Joegoslavisch meer bestaan – me nog vaak afgevraagd hoe het met Tommy en zijn vriend Vito zou zijn).

In Taizé leerde ik dat ‘ontvangst’ in het Frans accueil is, want bij de accueil togen M. en ik aan het werk. We hadden immers net eindexamen in meer dan een handvol talen gedaan, en konden dus mooi de weg wijzen aan al die leeftijdgenootjes uit talloze landen.

Poeh, Frans praten viel nog vies tegen, al kwam ik wel verder dan de Britse Michael, die we tevergeefs probeerden zover te krijgen dat hij merci niet langer als het Engels voor ‘genade’ uitsprak.

Drinken mocht officieel niet, maar er was alleen al daarom elke dag ruim voldoende wijn. Het van organisatiewege verstrekte voedsel was een stuk kariger, dus toen de grote club Italianen een keertje pasta maakte, was dat een festa van jewelste.

Meer beelden: in de grote tenten waarin we sliepen, werd het een geweldige modderpoel als het regende. Soms viel de elektriciteit uit, en van al die dingen werd het alleen maar nog gezelliger.

We werden overdag geacht in groepjes te discussiëren en praten over ‘The second letter of Taizé’. Ik geloof niet dat het me gelukt is die brief ook maar een keer door te lezen. Wel weet ik nog dat hij ging over ‘sharing’, en sharen, dat wilden we wel. Zoals het piepkleine blauwe tentje van mijn Latin lover, dat we trouwhartig om de nacht aan M. en de hare afstonden.
Discussiëren en praten wilden we trouwens ook. En leren, over elkaar, elkaars landen, gewoonten, talen. In een paar weken Taizé stak ik ongelooflijk veel op.

Ik was lang niet de enige die er niet uit vroomheid maar toevallig terechtgekomen was. Anderen kwamen omdat ouders hun kind juist hier met een gerust hart heen durfden laten gaan. Zo gaat het vast nog, en ik kan me dus maar niet voorstellen dat het nu in Taizé zo anders toegaat dan in 1977.

Ook hartsvriendinnen hebben hun problemen

BITTERSWEET Facing up to feelings of love, envy and competition in women’s friendships. door Susie Orbach en Luise Eichenbaum Uitgever: Century, 178 p. Importeur Van Ditmar, f 40,80. In het Nederlands vertaald als VAN VROUW TOT VROUW Uitgever: Bert Bakker, 180 p., f 24,90

Een hartsvriendin? Weet waar u aan begint. Sinds een jaar of tien loopt het niet meer zo soepel tussen dikke vriendinnen. Want sinds die tijd moeten wij dames kiezen tussen carrière maken of kinderen krijgen.

Daarom zijn we jaloers als onze vriendin een vriendje krijgt, of een baby, of een leuke baan. En dan gaan er ineens allemaal nare negatieve gevoelens een rol spelen in onze ooit zo perfecte verhouding met een andere vrouw. Maar er is hoop: vertel Marie of Els of Pia wat voor secreet u haar de laatste tijd vindt, en alles komt weer goed.

Toegegeven, bovenstaande samenvatting van Bittersweet, facing up to feelings of love, envy and competition in women’s friendships van de hartsvriendinnen Susie Orbach en Luise Eichenbaum is wat gechargeerd, maar erg veel meer valt er op die 178 pagina’s nu toch ook weer niet te lezen. Susie Orbach zou u overigens kunnen kennen van het boek Fat is a feminist issue, in het Nederlands vertaald als Mooi dik is niet lelijk.

Het boek gaat alleen over vrouwen van tussen de 25 en de 40: de eerste generatie pilsliksters, die zich dus niet echt kan spiegelen aan moeder, maar door moeder nog wel gewoon ‘klassiek’ is opgevoed.

Voor Orbach en Eichenbaum staat onomstotelijk vast dat die opvoeding de grote boosdoener is. Die maakt dat we de grens tussen onszelf en anderen niet goed kunnen trekken. Dat hebben we niet geleerd. Vrouwen halen hun gevoel voor eigenwaarde uit het ‘opgaan in anderen’. Merged attachment, is het toverwoord dat telkens opduikt. Omdat we daaraan lijden kunnen we niet in opstand komen tegen onze vriendinnen, dat zou immers zijn of we onszelf verwijten maakten.

Sceptisch ben ik vooral over de algemene geldigheid van een dergelijk beeld. Er zullen vrouwen zijn voor wie dit alles opgaat, maar mij maak je niet wijs dat we allemaal hetzelfde zijn.

Bovendien zie ik uiteindelijk ook niet veel verschil tussen de problemen van hartsvriendinnen zoals Orbach en Eichenbaum die schetsen, en de problemen die gewone gelieven kunnen krijgen. Wie zich sterk betrokken voelt bij een ander zal geregeld tegen sterke gevoelens van allerlei aard aanlopen. En dan doet het er helemaal niet zo veel toe of die ander een vriend, een vriendin, een echtgenoot, een kind of een broer is.

Nieuw lijkt me de ellende waar Orbach en Eichenbaum over spreken nauwelijks. De verwijdering tussen verknochte vriendinnen als een van tweeën een vriendje krijgt is zelfs niet anders dan klassiek te noemen. Een echte oplossing zou ik er niet voor weten.

Zij trouwens ook niet. Met hoe meer mensen je een hechte band hebt, in des te meer stukjes zul je jezelf moeten verdelen. En als er eentje bij komt (vrijer, baby, andere vriendin) blijft er minder over voor de rest. Dat die rest daar niet altijd op zat te wachten haalt je de koekoek. Maar met een beetje geluk went iedereen min of meer aan de nieuwe omstandigheden.

En een hartsvriendin die als een gek aanrent achter de eerste de beste knul die ze tegenkomt, en ook na de romantische beginperiode wegblijft, dat was een vriendin die je helemaal niet wilde hebben.

Maar goed, het is denk ik inderdaad zo dat er met de komst van de carrière-voor-vrouwen een extra kaper op de tijd- en energiekust gekomen is. Of dat nu direct zorgt voor een competitie waar het harder, of in ieder geval anders, toegaat dan in de vroegere mijn-was-is-witter-dan-de-jouwe-wedstrijden tussen huisvrouwen, zou ik niet durven zeggen.

Bij veel van de ‘vriendschapsgevallen’ die Orbach en Eichenbaum bespreken kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het veel eerder om praktische dan om gevoelsmatige problemen gaat. Fatsoenlijke kinderopvang of een hulp in de huishouding zouden daar meer oplossen dan moeilijke gesprekken.

Ik verzet mij tegen de, overigens veel te wijdverbreide, gedachte dat een probleem uitspreken hetzelfde is als een probleem oplossen. Ik beweer niet dat ‘praten niet helpt’, maar zou het misschien niet zo zijn dat sommige problemen onuitgesproken blijven juist omdat er geen oplossingen voor bestaan? Iemand die werkeloos, kinderloos en manloos thuiszit zal allicht meer behoefte hebben haar vriendin-met-baan-en-gezin te zien dan die vriendin kan opbrengen. Haar vertellen dat je je daar zo ‘gekwetst’ of ‘veronachtzaamd’ van gaat voelen kan mijns inziens hooguit averechts werken.

En soms, het is hard maar waar, groeien mensen nu eenmaal uit elkaar. En alweer: dat geldt bepaald niet alleen voor vriendinnen. Het leven is nu eenmaal niet perfect.

Opvallend is overigens dat zoveel ‘voorbeeldvrouwen’ over wier vriendschap in dit boek verhaald wordt uit de therapeutische hoek komen. Logisch dat de schrijfsters daar nogal wat mensen kennen, – ze stichtten zelf een Women’s Therapy Centre in Londen en later nog een in New York – maar laten ze toch alsjeblieft niet propageren dat de hele wereld zo met elkaar om moet gaan.

Of verdwijnt bij de meeste mensen hun jaloezie echt als sneeuw voor de zon zodra ze vertellen dat ze jaloers zijn? Ook mijn wereldbeeld is beperkt, maar ik kan het me niet echt voorstellen.

Liefde in oorlogstijd

De rol die de liefde in de politieke geschiedenis speelt, wordt zelden beschreven. Maar Anita Garibaldi, flamboyante echtgenote van de beroemdste grondlegger van de Italiaanse eenheidsstaat, heeft wel een plaats in de historie gekregen. Marjan Schwegman (1951) onderzocht de diepere betekenis daarvan. Ze is directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD).

Garibaldi heet ‘de held van twee werelden’.
Hij vocht zowel in Italië als in Zuid-Amerika voor de vrijheid en de republiek. Een kleurrijke figuur, die in 1839, moegestreden, vanaf zijn boot voor de kust van Brazilië een prachtig meisje door zijn verrekijker ziet. Anita. ‘Maagd, je zult de mijne zijn’, zegt hij als hij haar gevonden heeft. Over Anita verschijnen nog steeds boeken. Ze vochten zij aan zij, ook bij de mislukte Italiaanse revolutie van 1849, toen Garibaldi even terug uit ballingschap kwam. Het trok mijn aandacht dat een groot beeld van Anita op een steigerend paard de enige prominente vrouw is temidden van de ‘Padri della Patria’, de grondleggers van het moderne Italië, op de Gianicoloheuvel in Rome. In de ene arm heeft ze een geweer, in de andere een baby. Die baby schijnt Mussolini nog toegevoegd te hebben, toen het beeld nota bene onder het fascisme opgericht werd.

Anita stierf op hun vlucht in 1849, nog geen 28, en zwanger van hun vijfde kind.
Garibaldi schreef in ballingschap een reeks biografietjes van zijn gevallen kameraden. Een van de eerste was van Anita. Van het begin af aan is van haar dat beeld gegeven van een kameraad. Van een gelijkwaardige relatie tussen mannen en vrouwen. Dat is altijd zo gebleven. Benedict Anderson wees er in zijn beroemde Imagined communities op dat naties pas ontstaan als mensen er in hun verbeelding bij horen. Dat gaat door strijd, onderwijs, maar er is ook de liefde als bindende kracht. Door die ogen kun je ook naar Garibaldi kijken. 

Waarom verdwenen de vrouwen daarna uit het zicht?
De betrokkenheid van vrouwen bij het begin van de Italiaanse natie is groter dan je zou denken. Er waren bijvoorbeeld relatief veel weduwen politiek actief, door hun juridische vrijheid. In 1859 waren er nog vrouwen die Garibaldi schrijven of ze mogen meevechten, maar in 1860, als hij met zijn ‘roodhemden’ optrekt naar Rome, begint het taboe te worden. Gelijkwaardigheid was in eerste instantie een Verlichtingsideaal dat vooral door excentrieke vrouwen uit de elite werd uitgedragen. Toen de officiële emancipatiebeweging kwam, was voor excentriciteit juist minder ruimte, en kreeg je een terugslag. 

U vindt dat er meer liefde in de geschiedenisboeken moet?
Het is tijd voor complexe heldengeschiedenissen, waarin ook de kwetsbare kanten van de held een plaats krijgen. Sinds het midden van de negentiende eeuw is het idee dat liefde maar afleidt van de zaak. Maar heroïek, liefde en strijd gaan vaak samen. 

 

Donderdag spreekt prof.dr. MARJAN SCHWEGMAN over ‘Anita & Giuseppe: Over liefdesbanden en de geboorte van de Italiaanse natie’. 20.15 uur, Aula van het Amsterdams Lyceum, Valeriusplein 15, Amsterdam. Toegang: gratis voor leden van Dante Alighieri, anderen € 5,-. 

NRC Next zette als kop boven dit interview ‘Een geweer en een baby’. 

De seksuele moraal

Ergens in de laatste tien jaar is het dus definitief fout gegaan. Toen is seks helemaal verdacht, verkeerd, gevaarlijk geworden. Ik heb het precieze omslagpunt gemist, begreep ik dit weekend, toen de Volkskrant terugkwam op een enquête die seksuoloog Peter Leusink laatst bij 977 huisartsen heeft afgenomen.

Wat daar volgens mij uit bleek, was niet veel meer dan dat huisartsen ook mensen zijn (driekwart van de mannen en eenderde van de vrouwen voelde zich wel eens seksueel aangetrokken tot een patiënt, bij 3,3 procent kwam het ooit tot seksueel contact), maar met die gedachte stond ik nogal alleen. Het nieuws werd werkelijk overal prominent gebracht, de minister van Volksgezondheid beloofde onmiddellijk de huisartsen aan te spreken op hun seksuele moraal, RTL Nieuws sprak over ‘huisartsdaders’ die zich vergrepen aan patiënten, enfin, een grote misstand was aan het licht gekomen.

Maar toen dezelfde Leusink twaalf jaar geleden dezelfde misstand bij gynaecologen en KNO-artsen op basis van een zelfde onderzoek naar buiten bracht, werd er amper gereageerd. Hij is verrast over de impact die zijn onderzoeksresultaten dit keer hebben, meldde de Volkskrant zaterdag. Dat begrijp ik. Dezelfde feiten, totaal anders ontvangen, en nog unaniem ook. Dat de seksuele moraal van tegenwoordig niet meer die is waarmee ik opgroeide (en die toen nog maar pas bevochten was), wist ik, maar waar ik van schrok, is dat er geen enkel, zelfs geen schril tegengeluidje te beluisteren viel. Dokters die het met patiënten doen, zijn machtsmisbruikende viezeriken, punt.

Ja, die zullen er vast tussenzitten, net als in elke andere beroepsgroep. Maar zou het niet zo kunnen zijn dat – net als overal elders in de maatschappij – het merendeel van de seksuele contacten tussen dokters en patiënten een gevolg is van het simpele feit dat beide partijen daar zin in hadden? En nu we het er toch over hebben: waarom mocht laatst dat meisje Loos eigenlijk niet naar bed met die voetballer Beckham? Staat het inmiddels vast dat alle buitenechtelijke seks verwerpelijk is?

Nee, goed, we zijn niet terug bij de jaren vijftig, of op weg naar Amerika. In Nederland leidt een blote tv-borst niet tot een tepel-gate, halen soap-acteurs geen lachwekkende capriolen uit met beddenlakens, zijn er geen bittere gevechten om het homohuwelijk of grote demonstraties voor abortus – en dat zijn mooie verworvenheden, maar intussen strekt ons sekslandschap zich wel uit onder steeds duisterder doemwolken.

Zo’n twee decennia duurt nu de zondvloed aan gruwelberichten over aids, date-rape, incest, pedofielennetwerken, kinderporno, seksuele intimidatie en internetlokkers. Dat heeft niet alleen het beeld van de werkelijkheid vertekend, het is die werkelijkheid ook echt aan het veranderen. Want wie aldoor herinnerd wordt aan de gevaren van seks, wordt bang, begint niet vrij te vrijen. Wie krijgt ingepeperd dat overal misbruik op de loer ligt, en dat elk misschien niet voor de volle honderd procent gewenst seksueel contact traumatische gevolgen heeft, wordt moeilijk een weerbaar mens op dit terrein, loopt zo een trauma op. Funest en de pest. Enfin, mijn hoop blijft gericht op de jeugd, die vaak wijs en eigenwijs is. Laten die dus lekker op hun eigen verstand en gevoel afgaan.

Het seksuele verkeer

Ik heb het een paar keer gedaan in een overvolle tram: me omdraaien en nogal luid “zeg, hou je pik een beetje bij je” zeggen tegen iemand die tegen me aan stond te wrijven met een stijve. De eerste keer dat ik dat durfde, was het een dikkerd in een roodgeblokte bloes die nota bene mijn schouder als opwindmiddel gebruikte. Met een bij zijn hemd passend hoofd drong hij zich razendsnel naar de dichtstbijzijnde uitgang en was weg. Doordat ik de omerta die er over dit soort gebeurtenissen heerst had verbroken, was bij mij ook meteen alle ongemak verdwenen. Een goed recept dus.

Wat je aanmoet met seksuele avances die je onplezierig vindt, is iets dat je in de praktijk moet leren. In alle seksuele verkeer moet je namelijk oefenen. Je moet doorkrijgen wanneer een blik en een gebaar betekenen dat iemand je aantrekkelijk vindt, je moet opmerkingen op waarde leren schatten. Je moet ook handigheid opdoen in zelf laten merken dat je voor iemand valt. En leren om snel genoeg in te grijpen wanneer een ontmoeting een kant uitgaat waar je niet heen wilt. Het is een subtiel spel, waaraan je ongelooflijk veel plezier kunt ontlenen, en dat ook wel eens te ruw gespeeld wordt of anderszins ontspoort.

Een keertje heb ik me het bed in laten kletsen terwijl ik echt niet wou door een jongen wiens naam ik allang vergeten ben, maar van wie ik nog wel heel precies weet dat hij lid was van een studentendispuut dat alleen jongens toeliet – hetzelfde dispuut dat eerder onze huidige minister Donner van Justitie had geherbergd, maar dat terzijde. Toen al vond ik zulke ongemengde disputen niet erg gezond. Het ontbrak die jongens aan oefenmateriaal, aan manieren om te leren normaal met de andere sekse om te gaan.
Waarmee ik overigens alleen het maar blijven doordrammen van die jongen wil verklaren.

Dat ik daar uiteindelijk toch in meeging, was geheel en al mijn eigen verantwoordelijkheid. Stom was dat, en leerzaam. Zo heb ik het altijd gezien, ook toen een aantal jaren daarna de term date rape in zwang kwam, en ik begreep dat mijn avondje van toen daaronder viel. Met dat veel te zware, traumaverwekkende woord kwamen ook de gedragscodes. Jongens werd voorgehouden dat ze voor elke zoen en aanraking eerst toestemming moesten vragen. Absurd. Wat een lustkiller, en hoe discriminerend tegenover vrouwen.

Sindsdien is het hard gegaan met de trend om seks vooral als een probleem te zien, in plaats van als een onderdeel van het dagelijks leven. Het is mijn diepe overtuiging dat codes en verboden en gedragsregels uiteindelijk meestal averechts werken, omdat seks onontkoombaar is. Je kunt er maar beter mee leren omgaan, maar daar moet de cultuur je wel de gelegenheid voor bieden. Als Cynthia B., die toch al 51 is, niet in Amerika was opgegroeid, maar ergens waar ze had kunnen oefenen op technieken en vaardigheden die je wél de seks bezorgen die genoegen verschaft, maar het meeste andere op tijd afstoppen, dan had ze Lubbers (gegeven dat daar inderdaad reden voor was) kunnen toevoegen dat ie zijn pik een beetje voor zich moest houden. Meer was geheid niet nodig geweest.

Rekenen aan de liefde

Wiskunde is overal, ook in de liefde, volgens Ionica Smeets (1979) – een van de wiskundepropagandistes achter wiskundemeisjes.nl. Ze werkt aan de universiteit van Leiden aan een proefschrift over kettingbreukalgoritmes, die bijvoorbeeld gebruikt worden om digitale JPEG-plaatjes te maken.

Kun je de liefde berekenen?
Nee, maar je kunt wel op een wiskundige manier naar relaties kijken. Bijvoorbeeld naar hoeveel partners je moet proberen voor je een vaste kiest. Het is een heel raar idee dat veel mensen trouwen met hun eerste liefde. Bij een huis of een auto ga je ook eerst kijken en vergelijken. En je kunt je als wiskundige afvragen hoeveel verschillende partners een optimaal resultaat geven.

Dus toch rekenen. Hoe dan?
Je gaat uit van een wiskundig model, met aannames die de wereld een beetje vereenvoudigen: dat je maar een partner tegelijk hebt, en dat je niet meer teruggaat als je een partner eenmaal hebt afgewezen. Knipperlichtrelaties vallen er dus buiten. Uit publicaties blijkt de magische grens dan bij twaalf te liggen. De eerste daarna die beter is dan alle vorigen moet je houden voor altijd. De ‘twelve date rule’ noemen ze het in Amerika. Je hebt dan 75 procent kans dat je partner aan negentig procent van je eisen voldoet.

Weten mensen wel wat hun eisen zijn?
In dat verband ben ik naar internet-dating gaan kijken. Daar hebben veel mensen slechte ervaringen mee. Een probleem is het liegen: iedereen is jong, slank en succesvol. Bovendien willen mensen niet wat ze denken dat ze willen: een betrouwbare man die niet houdt van in cafés hangen, levert je een saaie accountant op.

Een wiskundige oplossing om het beter te doen, kan zitten in matchen op basis van kunstmatige intelligentie, waarbij je bijvoorbeeld rekening houdt met dat aandikken. Dat gebeurt in Amerika inmiddels op veel sites, en hier bijvoorbeeld op next.lover, de dating-site van nrc.next. Daar kun je niet zelf zomaar zoeken, maar het systeem zegt: is dit misschien iemand voor je? Dan kan jij ja of nee zeggen, en ook achteraf melden of het beviel. Het systeem krijgt feedback, houdt dingen bij en leert zo bij. De makers hebben zelf daarom geen idee meer hoe het werkt. Misschien vallen mannen die niet kunnen koken wel altijd op vrouwen in een spijkerbroek.

Op die manier matchen lijkt vrij goed te gaan. Al heb ik niet precies kunnen achterhalen wat erachter zit. De sites in Amerika beloven vaak wel hun methode te publiceren, maar doen dat dan toch niet. De concurrentie kijkt natuurlijk mee. 

En, zelf al in de buurt van partner nummer twaalf aangekomen?
Ik woon samen met nummer veertien. Dus ik zit goed. Maar ja, ik ben geloof ik nummer vier ofzo voor hem. Wat dat voorspelt weet ik niet. Eigenlijk moet je elkaar ook nog op het goede moment tegenkomen. 

 

Morgen spreekt ir. IONICA SMEETS over ‘Liefde en wiskunde’, 20.00 uur, Aula van het Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht. Toegang gratis. 

‘Verliefd? Eerst rekenen!’ was de kop boven ditzelfde artikel in NRC Next op dezelfde dag. 

Benepen

Als ik het me probeer voor te stellen moet ik er iedere keer zo van grinniken. In Amerika heb je een echtpaar – zij heeft haar gewone baan nog, maar hij doet het full time – dat naar films en video’s kijkt en cd’s afluistert en dan zit te turven. Het moet enorm opletten zijn voor ze, want een heel scala aan dingen wordt bijgehouden.

Ieder glaasje wijn dat op tafel staat bijvoorbeeld is goed voor een streepje in het vakje ‘alcohol/drugs’, elke sigaret of sigaar die al dan niet op de achtergrond in beeld komt, ja, zelfs de Marlboro-man op een billboard wordt onder het kopje ‘roken’ vermeld. Wapens, geweld en bloed zijn nog drie turf-categorieën, en over deze en nog een paar zaken praten of zingen is ook genoeg voor vermelding op de internet-site (www.screenit.com) van de man en vrouw die hun namen er niet bijgeven.

Het draait allemaal om de kinderziel. Ouders kunnen hier lezen of de hedendaagse uitingen van ‘popular culture’ wel geschikt zijn voor hun opgroeiend grut. Het is inzichtgevend om eens een beetje rond te dwalen over de screenit-site. Alle issues die spelen in de Amerikaanse maatschappij zijn hier samengebald in keurige overzichtjes, en wat vooral opvalt, is de buitenproportionele macht die het woord aldoor krijgt toegedicht. Tussen zeggen en doen bijvoorbeeld lijkt maar weinig verschil te zitten.

Zo is er natuurlijk ook een categorie ‘seks/bloot’, die zeer ruim – of beter: erg benepen – geïnterpreteerd wordt. Bij Gone with the Wind (naast recente films zijn er ook een aantal op video uitgebrachte klassiekers gescreend) valt onder dat kopje bijvoorbeeld te lezen dat er ‘gesproken wordt over een ongetrouwde vrouw die zwanger is’. En in de dit jaar met Oscarnominaties overladen film Shakespeare in love maakt iemand een opmerking over een sonnet dat in haar bed is achtergelaten. Het is maar dat u het weet. ‘Bloot’ betekent in Amerika overigens ook elk beetje damesinkijk (some cleavage). Komt erg veel voor.

Bij de dingen die kunnen leiden tot ‘nadoen’ (de categorie Imitative Behavior) heeft het woord vaak ook al de overhand. Je laat je kind naar E.T. kijken, en dat is toch oppassen, want voor je het weet zegt ie dalijk ook ‘hou je mond’ of ‘stommerd!’. Of aapt ie Michael J. Fox na die in Back to the Future onder meer ‘idioot’ roept.

Enfin, dan hebben we het nog niet eens over de vloeken (Profanity) gehad. Helemaal funest voor een kind is woorden te horen als fuck(ing/er), goddamned en… ja, wat eigenlijk? Het echtpaar is zo puriteins dat ze wat ze tellen niet voluit durven op te schrijven. Nou weet ook in Nederland iedereen zo langzamerhand wel wat het f-woord is, maar wat de fuck is het s-woord? Shit? Screw? Sucker? In Pulp Fiction komt het maar liefst tachtig keer voor. Het f-woord viel daar kennelijk niet helemaal bij te houden, want daarvan wordt gemeld dat het ‘minstens 260 keer voorkomt’, waarvan overigens veertig maal in combinatie met ‘mother’, een keer ‘geschreven op een portefeuille’, en vier maal ‘seksueel gebruikt’.

Wat is dat toch in die Angelsaksische cultuur? De BBC die ver na middernacht voor het uitzenden van een film nog waarschuwt dat die ‘explicit language’ bevat, en dat krankzinnige wegpiepen van elk eventueel onwelgevallig woord waardoor Jerry Springer zo mogelijk nog minder het aankijken waard wordt. Zou er nou echt één ouder zijn die de illusie heeft dat zijn kind het gebruik van prettig opluchtende termen als ‘hell’, ‘Jesus Christ’, of ‘son of a bitch’ niet perfect onder de knie zal krijgen?

Misschien. Vorige week las ik dat de TVGuardian binnenkort ook in Engeland verkrijgbaar zal zijn. In Amerika was het apparaat, dat aan de hand van de ondertitels voor doven en slechthorenden alle vieze en heftige woorden wegfiltert, al te koop. Ook daar moet ik om grinniken, want het lijkt me vooral een buitengewoon aantrekkelijk kinderspelletje opleveren: proberen met liplezen te raden wat er echt gezegd wordt. Spánnnunt!

Wat hou ik toch van Nederland, waar de Bond tegen het Vloeken alleen een soort aardige folklore is, en waar uitsluitend de SGP-fractie denkt dat wij ook een TV-Guardian nodig hebben. Staatssecretaris Van der Ploeg zal het net ingediende verzoek daaraan mee te werken ongetwijfeld glimlachend naast zich neerleggen.

Crinoline en korset

Kleding is de bril waardoor Kitty de Leeuw (1954) naar het verleden en de maatschappij kijkt. Fotoshoppen deden ze in modebladen uit de achttiende eeuw eigenlijk ook al, met geïdealiseerde tekeningen. De Leeuw is zelfstandig gevestigd historica en sociologe.

Was de negentiende eeuw een bijzondere voor de mode?

Aan het begin was net de Franse revolutie achter de rug. In het kielzog daarvan liep een politieke revolutie, en kreeg je de ‘nulde’ feministische golf. De roep om vrouwenrechten. En zoals altijd zie je dat terug in de mode. Er komt iets nieuws, en er kan dan meer. In dit geval kreeg je in plaats van de hofkleding, met de brede heupen, de diepe decolletés en veel borduursels en toestanden, de sluike empire-lijn. Losvallende stof, tailleband onder de borsten, korte mouwtjes. De grootste modieuze durfallen droegen zelfs een transparante stof, waaronder dan een soort bodystocking ging. Daarna kreeg je in de politiek, maar ook in de mode een restauratietijd: een retrostijl.

Weer hoepelrokken?

Ja, al waren ze niet meer ovaal, maar rond. Rond 1840 kwam de crinoline: een soort kooi van aan elkaar bevestigde hoepels. Daarover konden verschillende rokken, en op foto’s uit die tijd zie je dat het soms niet helemaal past. Later kreeg je de ‘tournure’, die van de bilpartij een bijzettafeltje maakte. In de loop van de eeuw werd mode niet langer iets voor alleen de elite. De middenklasse en nog later ook de arbeiders kregen meer geld en konden meedoen. Productiekosten gingen omlaag, en de confectie ontstond.

De mode de rest van de eeuw werd bepaald door het korset, dat al vanaf de zestiende eeuw verplicht was voor de bovenlaag, en alleen in de empire-tijd even uit beeld verdween. In 1899 werd de Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding opgezet. Onder meer door artsen en dames uit de elite, die vonden dat vrouwen deel moesten kunnen nemen aan het maatschappelijk leven, en zich dus moesten kunnen bewegen. Toen volgde de eerste feministische golf, die over het kiesrecht en onderwijs ging. En opnieuw mochten vrouwen meer van hun lichaam laten zien.

Klopt ons idee dat de mode tegenwoordig erg snel verandert?

Dat ligt aan hoe je ernaar kijkt. De basic combinatie van een t-shirt, een spijkerbroek en een vestje of een trui of een jasje erop, kan al heel lang. De details veranderen wel snel, maar dat is van alle tijden. Grappig is dat wat we nu een net herenkostuum vinden, begon als sportkledij, waarin je ging wandelen. Confectie werd trouwens in eerste instantie maar niks gevonden: ze verkochten het vaak als tweedehands maatwerk.

Waren we in Nederland modebewust?

Nou, een reiziger uit Portugal klaagde in zijn dagboekjes al dat de Nederlandse dames de elegantie van de empire-lijn grondig wisten te bederven. Net zoals volgens ontwerpers in de jaren vijftig van de vorige eeuw de platte schoenen en de grote handtassen hier niet samengingen met de zwierige New Look.

Donderdag spreekt dr. Kitty de Leeuw over ‘Dameskleding in de negentiende eeuw’. 20.00 u. Bibliotheek Roosendaal, Markt 54a, Roosendaal. Toegang: gratis.

‘Vrouwen, trek je korset uit!’ zette NRC Next ’s ochtends boven een ingekorte versie van dit stuk.

Van een saai leven gaat zelfs een schimmel dood

Ze was de eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland, zette de grootste schimmelcollectie ter wereld op, en toch kent bijna niemand Johanna Westerdijk (1883-1961). Vorig jaar kwam haar biografie uit, Een beetje opstandigheid, geschreven door wetenschapshistorica Patricia Faasse. Faasse (1964) is zelfstandig onderzoeker en verbonden aan het Descartes Centre in Utrecht.

Wat was Johanna Westerdijk voor iemand?

Een kordate dame, die overal op afstoomde. Tante Hans noem ik haar voor mezelf. Heel bekend was haar motto, dat ze boven de deur van het lab had laten beitelen: Werken en feesten vormt schoone geesten. Ze vond dat wetenschap toegankelijk moest zijn voor iedereen die geschikt was, die toewijding, ambitie en lef had. Ze was zelf tegen nogal wat onzichtbare grenzen aangelopen. In Nederland kon ze niet promoveren vanwege onvoldoende vooropleiding,  in Duitsland kon ze zich niet inschrijven aan de universiteit omdat ze geen religie had.

Dus zette ze als hoogleraar de deur wagenwijd open. Bijna de helft van haar 56 promovendi was vrouw. Maar er werkte op het lab ook een boer van Tholen, die schimmels interessant vond. 

Waar was ze hoogleraar in?

Plantenziektekunde, fytopathologie. Ze werd buitengewoon hoogleraar in 1917, aan de universiteit van Utrecht. En in 1930 werd ze hetzelfde ook nog eens in Amsterdam. Beide in deeltijd dus, want ze gaf vanaf haar 23ste al leiding aan het Phytopathologisch Laboratorium in Amsterdam, en vanaf 1907 ook aan het Centraal Bureau voor Schimmelscultures. Die werden in een fraaie villa in Baarn ondergebracht.

Ze begon met zo’n 70 schimmels. Toen ze vertrok in 1958 waren het er 11.000. Het is nog altijd de grootste schimmelcollectie ter wereld. Ze vond onder meer de schimmel die de iepziekte veroorzaakt. Daarom wordt die in het Engels Dutch elm disease genoemd.

Wat deed ze met die schimmels?

Ze heeft het wel eens een soort dierentuin genoemd, want het was een levende collectie. Pas veel later werd vriesdrogen mogelijk. Alles moest elke drie maanden overgeënt worden. De schimmels hadden ook verschillende hoeveelheden licht en donker en voedsel nodig. ‘Van een saai leven gaat zelfs een schimmel dood’, zei ze. Dat was een geweldige organisatie. Ze reisde ook de hele wereld af en had overal contacten. Er zijn acht archiefkasten vol met correspondentie. Iedereen liet schimmels determineren bij haar. Dat draaide ook commercieel heel goed. Ze was ook een topmanager. 

Geen een smetje?

In de oorlog speelde de uitvinding van antibiotica. Dat is uiteindelijk door Engeland en Amerika ontwikkeld, maar in Europa was ook iedereen op zoek. Er was een grote toename in het aantal aanvragen voor de penicilliumstammen. Ze gingen ook naar Duitsland. Daarvoor is Westerdijk nog ondervraagd door de zuiveringscommissie na de oorlog. Maar niet veroordeeld. Ik zie het als de consequentie van haar principe om wetenschap los van alle politiek, of ras of godsdienst te beschouwen. Ze zei: ik ga alleen over het biologische. Ze was heel tolerant.

Vrijdag 12 april spreekt dr. Patricia Faasse over ‘Johanna Westerdijk, de eerste vrouwelijke hoogleraar  van Nederland.’ 11 uur. Atria Vijzelstraat 20 Amsterdam Toegang: € 5,-. Aanmelden via: 1001vrouwen@atria-kennisinstituut.nl

Eeuwig huisje-beestje

Van de jongeren is 96 procent van plan te gaan trouwen of samenwonen. En maar 5 tot 8 procent van de jonge vrouwen denkt kinderloos te blijven. Het gezin staat nog altijd als een huis, zegt Pearl Dykstra (1956), onderzoeker bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) en bijzonder hoogleraar Demografie aan de Universiteit Utrecht. 

Is scheiden nog steeds slecht voor de kinderen?

‘Ja, ze volgen bijvoorbeeld gemiddeld een jaar minder onderwijs, en hebben meer kans op emotionele problemen en crimineel gedrag. Maar de sociale klasse is voor die dingen veel bepalender. En de scheidingscijfers zijn hier intussen redelijk stabiel. Per jaar eindigen negen op de duizend huwelijken in echtscheiding.

Maar er is wel een zorgelijke trend. Het aantal neemt af bij de hoogopgeleiden en toe bij de armere, laagopgeleide klassen. ‘Scheiden is voor de dommen’ noemde iemand het laatst. Maar juist de kinderen van niet-werkende moeders zijn extra kwetsbaar.’ 

Als mama werkt, is dat goed voor je?

‘Ik zal wel weer iedereen over me heen krijgen, maar: inderdaad. Bij kinderen van gescheiden moeders die in zichzelf investeren, een carrière hebben, zie je die negatieve scheidingseffecten niet. Mams heeft dan meer geld, meer contacten, wat de kinderen betere kansen geeft. Dat geldt ook voor niet-gescheiden moeders.

Maar in Nederland heerst een soort calvinistisch moederethos: eigenlijk hoort ze thuis bij de kinderen te zitten. Het minimumloon is hier een gezinsinkomen. Nederlandse vrouwen kunnen het zich permitteren om niet te werken. Maar je ‘opofferen’ voor je kinderen en aan hen je identiteit ontlenen, blijkt voor die kinderen niet het beste.’ 

Weg met het jaren-vijftig-ideaal?

‘Het is nog altijd heel erg huisje-boompje-beestje, en het gezin blijft de belangrijkste bron voor de overdracht van normen en waarden – ook de verkeerde. Maar de jaren vijftig waren in feite een anomalie in de geschiedenis. De patronen van nu zijn helemaal niet zo ongebruikelijk.’ 

‘Zo bleef twintig procent van de vrouwen die tussen 1910 en 1920 geboren zijn kinderloos. Bij de tussen 1960 en 1965 geboren vrouwen is dat achttien procent. Ertussenin zit de groep waar maar tien procent kinderloos bleef.

En al die nieuwe vormen? In heel Nederland zijn er 2500 lesbische stellen met een kind. En met Paul de Leeuw en die paar anderen heb je het met de homostellen met kinderen ongeveer gehad. Het beeld dat hoogopgeleide kringen in de Randstad hebben – daar vind je ook de meeste journalisten – klopt vaak niet met de werkelijkheid van heel Nederland.’ 

Nog meer onverwachte cijfers?

‘Ik was verbaasd dat maar drie procent van iedereen met kinderen ooit begint aan de bekende ‘tweede leg’ bij een volgende partner. Dat gaat om mannen en vrouwen samen. En toen ik wilde onderzoeken hoe kinderen van nooit getrouwde ouders het doen, bleken er niet genoeg te zitten in de bestanden van het grote ‘Kinship Panel’-onderzoek, dat representatief is voor heel Nederland.’ 

Vanavond spreekt prof.dr. PEARL DYKSTRA over ‘Op eigen benen: de houdbaarheid van het gezin’, 20.00 uur, Aula Academiegebouw, Domplein 29 Utrecht. Toegang gratis. 

NRC Next plaatste op 26 mei een vakantieadvertentie in plaats van deze rubriek, maar donderdag 28 mei verscheen de het stuk alsnog, zonder de laatste vraag, onder de kop ‘Het gezin staat als een huis’.

Ook apenseks gebeurt soms stiekem achter een schotje

Zitten, kijken, tellen, aantekenen. Wie doet het wanneer en waar met wie? Gedragsbiologe Liesbeth Sterck (1960) onderzoekt onder meer het seksleven van apen. Ze is hoogleraar ‘ecologische determinanten van gedrag’ aan de Universiteit Utrecht. 

Apen houden erg van seks?

‘Apen staan van oudsher bekend om hun promiscuïteit. Je ziet ze al afgebeeld op een beroemd middeleeuws wandtapijt in het museum van Cluny. Naast de eenhoorn die voor zuiverheid staat, zie je geketende aapjes. Apen copuleren rustig voor de neus van anderen, ook mensen. Het is meestal wel een kort genoegen. Bij Java-apen duurt het zes tot tien seconden. Vaak doen ze het tien keer per uur. De schaamte voorbij, kun je zeggen. Bij resusapen is het anders. Dat zijn wat multiple mounters heet, net als ratten. Mannetjes beklimmen het vrouwtje een aantal keren en het duurt zo tien minuten à een kwartier voordat ze klaarkomen.’ 

Maar soms doen ze het stiekem.

‘Dat hebben we onderzocht ja. Eerst bij resusapen en daarna bij Java-apen. Twee groepen,  met veel mannetjes en veel vrouwtjes – daar is veel seks en veel competitie om seks. Dominante mannetjes willen niet dat de vrouwtjes met lageren in rang paren. Maar vrouwtjes willen dat vaak wel.

We zagen dat ze dat uit het zicht van de alfa-man doen. Wie zich voor wie verstopt hangt af van de plaats in de hiërarchie. Bij de resusapen was het niet zo evident, maar daar was net een machtsstrijd gaande. Het kan zijn dat de nieuwe kerel het al overnam. Maar bij allebei zag je een ‘ondergeschikten-effect’.

Het rangseffect bij vrouwen is kleiner. Het alfavrouwtje paart altijd ook met minder hoge mannetjes.’  

Waarom verstoppen ze zich?

‘Ik denk toch vooral om niet gestoord te worden. Om te kunnen seksen zonder dat de dominante aap ingrijpt. Het is lastig onderzoek. We hadden een schot dat we steeds verplaatsten, want anders weet je niet zeker of ze zich actief verstoppen. Het kan een gewoonte worden. Dat de een weet: oh, als die wegloopt dan gaat ie daarheen. Maar het lukte niet goed ze gebruik te laten maken van het wandje. Dus ze zijn toch een stukje dommer dan we dachten, óf we overvroegen ze.’

Valt er bij de apen iets te leren over mensen?

‘Alleen bij apen en mensen zijn seks en vruchtbaarheid niet gekoppeld. Dat is echt bijzonder. Wij doen net als vogels aan sociale monogamie. Er is één vaste partner, maar daarnaast wordt er stiekem met anderen gesekst. Ook vrouwen gaan vreemd. Wat ik nog steeds niet begrijp is waarom mensen overal ter wereld seks verstoppen. Waarom schamen we ons ervoor? Zeker als het gaat om seks met onze eigen partner. We doen van alles om het verbond te laten zien, met rituelen en ringen en al. Waarom zouden we het dan niet voor de neus van anderen doen?’

Zaterdag 6 juli spreekt prof. dr. Liesbeth Sterck over ‘het stiekeme seksgedrag van Java-apen’. 17.00 uur. Festival deBeschaving, Botanische Tuinen, Uithof, Budapestlaan 17 Utrecht, wetenschapstent. Toegang € 28,- (hele festival)

In NRC Next verscheen dit interview een dag eerder. ‘Ze hebben tien keer per uur seks’ en ‘Liesbeth Sterck onderzoekt het seksleven van apen’ stond erboven.

Sjieke hoeren

Mayflower Madam, the secret life of Sydney Biddle Barrows door Sydney Biddle Barrows met William Novak   352 blz., Futura Publications 1987 (1986) f 13,35  ISBN: 0-7088-3570-8

Er is geen meisje of vrouw, of ze heeft zich wel eens afgevraagd hoe het zou zijn om geld te verdienen ‘met haar lichaam’. Vooral een sjieke escortservice spreekt licht tot de verbeelding.

Mayflower Madam is het verhaal van Sydney Biddle Barrows, een afstammelinge van een van de Founding Families die in 1620 in Amerika arriveerden op de Mayflower. Beroemde families zijn dat in de Verenigde Staten. Er is bijvoorbeeld een Society of Descendants waar op de jaarlijkse bijeenkomst de namen van de oorspronkelijke passagierslijst een voor een afgeroepen worden. Bij die namen gaan alle afstammelingen staan. Een krant gaf Barrows daarom geschokt en sensatiebelust de naam Mayflower Madam.

De mooie en jonge Barrows stond vijf jaar lang aan het hoofd van een bijzonder succesvolle escort-service, Cachet genaamd, waar heren voor minimaal $100,- per uur ‘young ladies’ konden huren. Barrows verslag over de gang van zaken daar bevat allerlei interessante gegevens. Mannen vragen het meest naar lang, blond en veel boezem. Ook hebben ze het idee dat het altijd nog lekkerder, mooier en beter kan.

Zoveel klanten vroegen naar een extra speciale dame, dat Barrows op een bepaald moment een deel van de meisjes in een speciale klasse stopte. Met plezier betaalden de heren daar nog fabelachtiger prijzen voor.

Een paar maanden geleden werd een aflevering van Miami Vice door Veronica uitgezonden die op dit boek geïnspireerd was. In zulke series bestaat de wereld (Amerika) steeds uit goeien en kwaaien, en de kwaaien dat zijn altijd de anderen.

In Mayflower Madam zijn de meisjes en de klanten van Cachet, maar bovenal Barrows zelf ‘de goeien’. ‘De kwaaien’ dat zijn om te beginnen alle andere escortservices in de stad: die sturen hun ordinair geklede vrouwen midden in de nacht naar louche hotels, waar hen niet-nagetrokken engerds wachten.

Een dame van Cachet arriveert niet later dan een uur ’s nachts, en dan nog alleen in de beste hotels bij heren die hun papieren kunnen laten zien. ‘Kwaaien’ zijn ook de mannen die kinky dingen willen. Aan viezigheden zoals twee meisjes naar een meneer sturen, of wie dat lekker vond aan zijn bed vastbinden werd bij Cachet niet gedacht.

Maar een klant die opgewonden raakt van kappertje spelen, en gezeten in een kappersstoel zelf voor zijn bevrediging zorgdraagt onder het kappersschort wordt natuurlijk grif geholpen.

Overigens is prostitutie in de Verenigde Staten volstrekt illegaal. Hoer én hoereloper lopen gevaar en Barrows zit officieel (zelfs voor haar eigen boyfriend!) ook in de ‘mode accessoires business’. Ze hamert er voortdurend op hoe schandelijk het is dat ‘onze belastingcenten’ worden gespendeerd aan politiemannen die in een hotelkamer prostitutie gaan zitten (en liggen) uitlokken, terwijl de straten vol rovers en moordenaars lopen.

De manier waarop Cachet uiteindelijk opgerold wordt, doet aan een aflevering van een misdaadserie denken. Voordat er een inval in het kantoor van Cachet plaatsvindt staan er agenten te posten, wordt de vuilnis onderzocht, de telefoon afgetapt.

Maar Barrows krijgt nauwelijks straf, want men kan onmogelijk haar in de gevangenis zetten en de sjieke klanten, waar overzichtelijke lijsten van bestaan, laten lopen. Haar levensverhaal kan Sheila duur verkopen, iedereen wil het hebben. Zo gaat dat in tv-series en soms ook in het echt.

Dinges

Stout. Stiekem stout was het. Dus spannend.

De jongen die op dat moment de jongen van m’n dromen was, leerde me Chuck Berry kennen. Het bericht van Berry’s dood plaatste me in één klap ver terug in de tijd. Naar een andere ruimte: een jongenszolderkamer waar My Ding-A-ling uit zelfgebouwde boxen klonk.

De enige nummer-1-hit van de rock-‘n-roll-oervader verhaalt van een speeltje dat z’n grootmoeder hem gaf toen hij nog heel klein was. Een Ding-A-Ling. Iets met zilveren ballen. Hij blijft er levenslang mee spelen.

Nou betekent ‘dingle’ ook nog eens bengelen, heen en weer zwaaien. Wat dan weer aardig samengaat met het zwengeltje dat jongens van nature hebben. Maar ons Engels stelde in die dagen weinig voor. Ik denk achteraf dat ik er gewoon alleen getingeling en ‘M’n dinges’ in hoorde.

Dinges. Onschuldiger kan bijna niet. Net als ‘het’.

Juist omdat ‘ding’, ‘dinges’ en ‘het’ alles kunnen betekenen, zijn ze natuurlijk uitzonderlijk geschikt om taboewoorden te vervangen. En weinig zo taboe als seks – inclusief ‘het doen’, en spelen met je eigen dinges of die van anderen.

Ook geschikt voor het deel van alle schuine moppen dat niet zozeer plat is, maar meer van de categorie ‘quasi netjes’. Daar doen ‘het’ en ‘ding’ geregeld dienst. Of spaties spelen de hoofdrol. ‘De pen is machtiger dan het zwaard’ leidt allang tot gegiechel.

Bekend is ook die over Ina (met excuses aan al m’n lezeressen die Ina heten), die de Eiffeltoren op klimt en steeds naar haar vent beneden roept: ‘Kun je me zien?’ ‘Ja,’ zegt hij elke keer. Tot in de mopclou. Daar roept hij: ‘Ik zie je vaag Ina!’

Wat me dan weer doet denken aan een gezelschap geleerden, onder wie dr. Oplul en de doctors Ank en Ugs. Hoewel dr. Oogrekje eigenlijk geestiger is. Maar die is niet schuin.

Dat was de heer A.U. Gurk ook niet. Zijn naam trof ik aan in de Donald Duck. Het ging, meen ik, om een handelaar in zuur. Lang lang geleden, toen ik nog aan het leren lezen was. Die A.U. Gurk snappen, dóórhebben, het was een hoogtepunt in mijn kinderbestaan.

Maar ik dwaal af. Chuck Berry’s Ding-A-Ling forever wou ik maar zeggen.

De oermens als leider

De evolutie maakte leiders en volgers van ons. Maar we zitten nog steeds met een stenentijdperkbrein, zegt Mark van Vugt (1967). Deze week aanvaardt hij officieel zijn hoogleraarschap groeps- en organisatiepsychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Tegelijk komt zijn boek De Natuurlijke Leider uit. 

U denkt dat alle vormen van menselijk leiderschap uit de evolutie te verklaren zijn?

Ja. We zijn de groepsdieren met de grootste hersenen. De groei van onze neocortex liep parallel met een vergroting van de groepen waarin we leefden tot zo’n honderd à 150 mensen. Die moesten bij elkaar gehouden worden, wat specifieke problemen en conflicten meebracht. Bijvoorbeeld over voedselverdeling, of bescherming van de groep. De groepen met individuen die goede beslissingen konden nemen, hadden de beste kansen zich voort te planten.  

En op de savanne rende je bij gevaar achter een fysiek sterke man aan. Die is lang, breedgespierd. Evolutionair gezien is dat heel kort geleden, vandaar dat we met dat stenentijdperkbrein een Arnold Schwarzenegger kiezen als gouverneur van Californië. 

Hoe ziet de universele goede leider eruit?

Die is extravert, intelligent, stabiel, goed in coalities vormen. En niet alleen uit op de drie s’en: salaris, status en seks, die de beloning vormen voor leiders. Maar het is ook contextafhankelijk. We hebben mensen gevraagd gezichten van geschikte presidentskandidaten te beoordelen. Vertelden we daarbij: het land is in oorlog, dan zie je een voorkeur voor mensen met heel mannelijke trekken – dat kun je met gezichtssoftware manipuleren. Meestal kiezen ze een man, maar wel degelijk soms ook een vrouw met masculiene trekken. Maar stelden we dat er binnenkort vrede moest komen, dan koos men juist gezichten met feminiene trekken. 

En de typische volgeling?

Die wil wel gebruik maken van de diensten van de leider, maar niet te erg gedomineerd worden. Hoewel hij bij dreigend gevaar bereid is veel vrijheden op te geven. De machtsrelatie is altijd ambivalent, en de balans is soms ver te zoeken.

Maar dat je de wereld in leiders en volgers kunt opdelen, is een mythe. Bedenk dat er heel veel domeinen van leiderschap bestaan. Op de werkvloer, in het gezin, het onderwijs, overal zijn leiders en volgers. Vaak zijn we allebei. Of maken de omstandigheden ons een van tweeën. Je kunt bijvoorbeeld ontzettend verlegen zijn, maar als je kinderen krijgt, kom je toch in een leidinggevende positie.

Wat zijn tips voor goed leiderschap?

Probeer rekening te houden met onze evolutionaire beperkingen. Tegenwoordig leggen we zoveel verantwoordelijkheid bij één persoon dat die dat nooit waar kan maken. Hou een organisatie klein en overzichtelijk. Delegeer, kijk uit voor vriendjespolitiek, en beperk je eigen privileges. Stel je volgers in staat zich te verenigen: bied koffiekamers en ondernemingsraden.

En als vrouw doe je er verstandig aan om bij een sollicitatie de problemen van een organisatie zo voor te stellen dat de andere kant denkt: oh, dat vraagt om feminiene kwaliteiten, zoals samenwerking. 

Vrijdag spreekt prof. dr. Mark van Vugt over ‘Natuurlijke selectie: de evolutionaire psychologie van leiderschap’. 15.45 u. Aula, Vrije Universiteit, Boelelaan 1105 Amsterdam. Oratie. Toegang: gratis.

Vrouw zijn

Ik ben een vrouw, en dat valt niet mee. Gelukkig ziet de maatschappij dat tegenwoordig ook in, en daarom wordt er van alles aan gedaan om mannen en vrouwen nu eindelijk eens gelijke rechten en kansen te geven.

Zo word ik sinds een tijdje bij heel wat sollicitaties voorgetrokken. Een nuttige maatregel tegen discriminatie. Het prettige is bovendien dat er in regeringskringen aan alles gedacht is: nu er veel meer vrouwen werken is het met de kinderopvang helemaal in orde gekomen. Nergens meer wachtlijsten, overal schappelijke prijzen. De prioriteit die het kabinet daaraan geeft – zo zie je hoeveel het uitmaakt of er vrouwen meeregeren – verdient louter complimenten. 

Maar ook elders loopt het prima. Bij trouwen en scheiden bijvoorbeeld is de gelijkheid nu toch wel een feit.

Want stel, ik word het op een goed moment zat om mijn eigen brood te verdienen. Geen probleem, kwestie van een echtgenoot vinden die wel voor twee wil werken en mijn baan opzeggen. Dan zit ik levenslang gebeiteld. Ook als ik die vent na een paar jaar niet meer leuk vind. Na een scheiding heb ik, naar het zich nu laat aanzien, namelijk tenminste twintig jaar recht op alimentatie.

Daarna mag mijn ex de rechter vragen of die het redelijk vindt dat hij me nog langer moet betalen. En zou het niet verschrikkelijk onredelijk zijn om na zo’n periode te verlangen dat ik ineens weer voor mezelf ga zorgen?

Laatst leek het alleen even de verkeerde kant op te gaan. Goddank greep de Eerste Kamer in: een wetsvoorstel om de alimentatieduur na korte, kinderloze huwelijken te beperken tot de duur van het huwelijk konden ze daar niet accepteren, omdat dat natuurlijk heel onbillijk zou zijn voor vrouwen die pas op hogere leeftijd trouwen en hun baan daarvoor opzeggen.

En het zou ook van de gekke zijn te denken dat een AOWtje wel genoeg is voor een gescheiden vrouw. Staatssecretaris Kosto zag in dat de Senaat gelijk heeft en paste zijn wetsvoorstel deze week netjes aan. Als vrouw kun je ook in de toekomst van je huwelijksdag tot je dood verzekerd zijn van een inkomen waar je geen poot voor hoeft uit te steken. Mooi, die gelijke rechten en kansen.

Mevrouw is dood

Mevrouw, ik groet u. Necrologieën van vrouwen Samengesteld en ingeleid door Emma Brunt  200 blz., geïll., Thomas Rap 1987 F 35,-  ISBN: 90-6005-262-5

Dappere dames, veile vrouwen, kankerende kenaus, wilde wijven? Zeg maar wat u zoekt, alle types zijn te vinden in de necrologieen van vrouwen die Emma Brunt onlangs onder de titel Mevrouw, ik groet u verzamelde.

Hoewel, de vrolijke vrouwen zijn zo te zien wat ondervertegenwoordigd. Het lijkt wel of voldoende bekendheid verwerven voor een necrologie in krant of tijdschrift, moet samengaan met een moeilijk, een opofferend, of toch tenminste een ‘voorvechtersbestaan’.

Brunts collectie is om drie redenen de moeite van het lezen waard. We kunnen kennis maken met ruim veertig vrouwen die in ieder geval geen van allen een doorsnee leven geleid hebben. Sommigen van hen zijn nog steeds beroemd (Aletta Jacobs, Carry van Bruggen, Haya van Someren-Downer, Mathilde Willink), van anderen (Rosa Manus, Jacoba van Heemskerck, Gesina van der Molen) hoorde ik eerlijk gezegd voor het eerst.

De biografieën (want dat zijn het natuurlijk meestal) bevatten gekke details. Over het inlevingsvermogen van Ank van der Moer bijvoorbeeld, die door haar rol in ‘Virginia Woolf’ een kettingrookster werd! Of over Annie Romein die in Leiden als ze met Jan langs een terrasje wandelde nageroepen werd met “ha, het vrije huwelijk”.

Met de meeste van die dames zou je, net als Brunt trouwens, graag een keertje kennis maken. Al was het maar om te zien in hoeverre het beeld dat bij hun dood geschetst werd, klopte met de werkelijkheid.

Dat is een andere interessante kant van Mevrouw, ik groet u: tussen de regels door vallen er soms vreemde dingen te lezen. Brunt geeft er in haar inleiding een paar voorbeelden van. Wat te denken van de kinderarts Cornelia de Lange die ‘alleen’ heette te leven, maar ineens wel dertig jaar samengewoond bleek te hebben met een vriendin? En mejuffrouw Kersbergen, wilde die soms zo graag het klooster in vanwege een ongelukkige liefde?

Deze verzameling geeft ook een goed van de grote verandering in stijl die necrologieën blijkbaar doorgemaakt hebben. Nog in 1951 begon men in het Algemeen Handelsblad zo: “Een ontroerend bericht: Maria Viola is heengegaan. De ragfijne geest, die in de laatste jaren reeds begon te doven, is uit het tengere lichaam ontvloden.” Marguerite Yourcenar werd onlangs wel anders herdacht.

Naast dit alles is het boek gewoon aangenaam leesvoer, een soort bloemlezing met interviews, gedichten, proza en journalistiek werk. Dikwijls zijn de stukjes ontroerend, dat brengt het onderwerp met zich mee, en bij vlagen wordt het zelfs grappig.

Zo publiceerde de Telegraaf na de zelfmoord van Mathilde Willink een brief van Anton Heyboer aan Henk van der Meyden, die aldus begint: “Henk, De Telegraaf komt overal. Dus Mathilde zal dit zeker lezen.” Waarna een verslag volgt over hoe hij Mathilde geprobeerd heeft “vrij te maken”, net als zijn andere meisjes.

Prachtig tenslotte, zijn de paginagrote foto’s, die soms meer duidelijk maken dan de teksten. Esther de Boer-Van Rijk moet je gezien hebben om te begrijpen dat ze triomfen vierde als Kniertje (“de vis wordt duur betaald”).

Noot: De laatste alinea’s ontbraken toen deze recensie verscheen. Merkwaardigerwijs had de eindredactie er een lang citaat van Rudi Wester over Yourcenar voor in de plaats gezet.

Uitspreekbaar graag

‘Mama, wat zijn lesbiennes?’ Het waren de late jaren zestig. Ik was het woord denk ik tegengekomen in de Margriet.

M’n vooruitstrevende moeder legde me onmiddellijk uit dat ook vrouwen verliefd op elkaar konden worden. En dat dat eigenlijk niks bijzonders was.

Zo kwam het dat ik het woord kende lang voordat ik lesbiennes tegenkwam. Althans dat dacht ik.

Voor homo’s (nog meestal ‘homofielen’ genoemd) gold net zoiets. Ik wist wat het waren, en kende er een paar van tv. Albert Mol en Gerard Reve. Maar bij mij op school kwam homoseksualiteit in de hippe jaren zeventig gek genoeg niet voor.

Pas veel later hoorde ik hoe zwaar sommige leerlingen het gehad hadden. Want natuurlijk waren ze er wel, de jongens die op jongen en de meisjes die op meisjes vielen. Maar ze konden, wilden of durfden het niet te laten merken.

Het woord kennen betekent nog niet het ook zien, bleek. En ik moet hier nogal eens aan terugdenken de laatste tijd. Dat komt door wat nu de (even diep inademen) lhbtqia-gemeenschap heet.

Hoorde u er al van? Zeven letters zitten we inmiddels op. En ik geef toe: mijn eerste ingeving is daar ongenadig de draak mee te steken.

Wat moeten we met die ‘Het-halve-alfabet-gemeenschap’? Telkens moet ik nakijken wat het ook weer allemaal was en betekent. Lesbisch, homo, bi, transgender (lhbt dus) kende ik al een tijdje. Nieuwer zijn de woorden queer (als ik het goed begrijp: zonder een vaststaande seks- en/of sekse-identiteit), intersekse (niet helemaal man, niet helemaal vrouw) en aseksueel (geen seksuele aantrekkingskracht voelen).

Onzin? Gekte? Mhm. Ik weet ook: grappen maken over het onbekende, of het afdoen als flauwekul is een bekende en vaak nogal onsympathieke reflex. Niet graag zou ik achteraf wéér akelig blind geweest blijken te zijn.

Maar ik wil wel graag een levensgroot taalbezwaar inbrengen. Zo’n rij losse letters bekt echt ellendig.

Daarom puzzelde ik even op lhbtqia. Kijken of er iets uitspreekbaars van te maken valt.

Wat vindt u van hiltbaq? Of, met de vage associatie ‘blakend in de verte’, blahqit? Qlitbah is dan weer inderdaad een beetje bah, maar hiqlabt vind ik leuk.

Oh, bij een weer nieuwe groep: graag eentje met een klinker.

Naaktstrand

Wat een vervelende stukjes over nudisme zaten er in de stapels vakantiekranten, zeg. Niks aantrekkelijks aan, wat ik zo las. Stiekem cognac moeten drinken uit een koppie (want alcohol is verboden, en sigaretten trouwens ook), ruzie in de vereniging en binnen het gezin of je soms wél kleren aan mag, en klachten van de oude garde over het luie consumentisme van de jonge.

Dat hadden de mensen die me de laatste weken vroegen naar het naaktstrand vast ook gelezen. Ze klonken in elk geval nogal vol onbegrip over wat ik daar nou zocht, en ook, zoals bijna iedereen altijd, licht huiverig. Ik denk dat ze dat laatste zijn voor de gedachte dat ze ooit zelf hun kleren in het openbaar zouden uittrekken. Maar daar kan ik kort over zijn: dat went razendsnel.

In de hele tijd naakt rondlopen heb ik ook geen zin, dat is maar onpraktisch. Op het strand ligt het anders. Waarom? Naast dat bloot zwemmen zo aangenaam is en je gevrijwaard blijft voor verschuivende bandjes en akelig verbrande randjes, is het er gek genoeg ontroerend.

Al die lijven in alle kleuren, vormen en leeftijden, van griezelig wit tot door en door bruin, van graatmager tot tonnetje rond, van volmaakt glad tot van top tot teen gerimpeld. En alles er tussenin. Ze hebben er minieme borstjes, en joekels, opmerkelijk lange pikken en petieterige piemeltjes. Ze zijn getekend of nog niet.

Dat verplichten niet kan, zie ik ook wel, maar eigenlijk zou ik willen dat alle pubers en iedereen die erover denkt haar of zijn lichaam te verbouwen een paar middagjes op een naaktstrand gaat zitten. Gewoon, om eens te zien hoe échte mensen er uitzien.

Want verreweg het meeste bloot dat wij onder ogen krijgen, is niet van onze omgeving, maar van jong volk dat speciaal op het toevallige schoonheidsideaal is uitgezocht, en er z’n geld mee verdient. Die zijn nooit in het prikkeldraad gevallen, hebben geen buikoperatie achter de rug. Met een normaalgevormde boezem of een pik van gemiddelde lengte kom je maar zelden langs in de huiskamer.

Puber zijn moet tegenwoordig daarom echt nog veel lastiger wezen dan vroeger. De laatste week op de camping begon hun seizoen. Ik zag ze, herkende alles en vermaakte me – maar had ook met ze te doen. Dat je vólcontinu bewust zijn van jezelf. Elke seconde, lijkt het. Van hoe je eruit ziet, van wat je aanhebt, van hoe je loopt, klinkt, kijkt, lacht. Allemachtig wat een strijd. Geen wonder dat er zo veel gegiecheld moet door de meisjes en zo schonkig ongeïnteresseerd gedaan wordt door de jongens. Je moet toch wat om af te reageren?

Met terugwerkende kracht begreep ik mezelf-van-toen ineens beter. Dat ik school er eigenlijk nauwelijks bij kon hebben, dat ik zo weinig zicht had op hoe het er in de rest van de wereld aan toeging, dat zo verschrikkelijk veel me werkelijk geen hol kon schelen. Alle aandacht ging naar het overleven en het in de juiste banen brengen van al die hormonen. Ik was nog nooit eerder zo blij geen puber meer te zijn.