Het geheim van de blind-uh-darm*

*Een waarschuwing vooraf: zoals destijds voorgesteld en hieronder beschreven, werd het toch weer niet precies, her en der is daarna nog haastig gesjoemeld. En ook jaren later zijn er nog bijstellingen geweest. 

In 1997 wordt de nieuwe spelling van kracht, de eerste wijziging sinds 1947. Iedere Nederlander zal zich dan moeten bezinnen op het koppelteken, de verbindings-n, de s-tussenklank en het c of k-vraagstuk. De taalunie en het comité van Nederlandse en Vlaamse ministers leverden een zeldzaam ingewikkeld werkstuk af, dat het uiterste zal vragen van de gebruiker van de Nederlandse taal. Daarom een uitputtende alfabetische bespreking van alle veranderingen.

 

Apostrof

Er verandert in de nieuwe spelling bijna niets. ’t Kofschip bijvoorbeeld vaart gewoon door, en ook bij de d- of dt-kwesties blijft alles bij het oude. Ondanks allerlei geruchten en gedelibereer geldt dat ook voor de apostrof (het kommaatje in de lucht in bijvoorbeeld bikini’s, ‘ s ochtends, Trix’ en WK’s). Dat betekent dat de meest gemaakte spelfout in kranten en tijdschriften (tussen een naam en een bezits-s consequent een apostrof zetten: Van Straaten’s levensgevoel, Homme’s hoest, Shell’s woordvoerder), gewoon fout blijft.

 

 

Boekuitgeverijen

Voor uitgeverijen van boeken kunnen vooral de financiële gevolgen van spellingswijzigingen groot zijn, zowel positief als negatief. Voor de school- en woordenboekuitgeverijen valt er flink te verdienen, zie daarvoor Kosten/baten.

Voor andere uitgeverijen ziet het er minder zonnig uit. Uiteraard zijn er voor hen, net als voor ieder ander, kosten gemoeid met de omschakeling zelf. Maar wat te doen met bestaande voorraden en met toekomstige nieuwe drukken van al bestaand zetsel? Moeten bestaande voorraden worden vernietigd? Moet duurbetaald bestaand zetsel bij een toekomstige herdruk opnieuw gemaakt en gecorrigeerd worden? Nu de veranderingen zo marginaal zijn, zullen uitgevers zich wel twee keer bedenken voordat ze daartoe overgaan. En dan is er nog de vraag wie het geestdodende karwei moet gaan klaren om in duizenden pagina’s tekst tussen-ennen te gaan toevoegen of weghalen, of trema’s in koppeltekens te veranderen. Anders dan het omwisselen van c’s en k’s of qu’s en kw’s, is dat niet gemakkelijk te automatiseren.

De kans is daarom groot dat de huidige en de nieuwe spelling tot in lengte van jaren naast elkaar zullen blijven bestaan, ook in recente, veelgelezen boeken. Leerlingen krijgen Nederlandse les uit boeken die in de nieuwe spelling de nieuwe spelling onderwijzen, maar lezen tegelijkertijd literatuur in de oude spelling. Of het doel van de hele operatie, het verminderen van verwarring en onzekerheid, gehaald wordt staat dus ook om deze reden te bezien.

 

Computers

‘De nieuwe spelling gaat pas definitief gelden in 1997, dan heeft iedereen de tijd gehad om zijn computer bij te stellen,’ kondigde staatssecretaris Nuis onlangs aan in het NOS-Journaal. Het is te hopen dat niet al te veel computerbezitters zich daar veel van aantrekken, want hoeveel er ook aan een computer bij te stellen valt, de spelling hoort daar niet bij. In plaats daarvan is het wachten op complete nieuwe woordenlijsten voor spellingscorrectie, die de leveranciers van tekstverwerkers, computerwoordenboeken en vertaalhulpen zullen moeten gaan produceren, en die u vervolgens kunt kopen. Een probleem daarbij is, dat de nieuwe regel voor het trema het lastiger maakt om bij woorden die niet in zo’n woordenlijst zitten automatisch een trema te plaatsen. Tot nu toe hoefde je daarvoor immers alleen maar te letten op combinaties van opeenvolgende klinkers, maar nu komt daarbij het moeilijke onderscheid tussen samenstelling en afleiding. Zie daarvoor Trema en koppelteken.
Het gaat overigens alleen om de spellingscontrole. Aan de algoritmen voor woordafbreking hoeft niets te veranderen. Alle wijzigingsvoorstellen die daarop betrekking hadden, zijn gesneuveld. Dat is bijna jammer te noemen, omdat veel uitgevers nu nog werken met speciaal voor hen gemaakte afbreekprogramma’s die minder goed zijn dan wat tegenwoordig wordt bijgeleverd bij een topklasse tekstverwerker. Maar een verstandige uitgever neemt natuurlijk de gelegenheid te baat om naast zijn spellingscorrector meteen ook zijn afbreekalgoritme te vernieuwen.

 

Dubbelspelling

Cantharel of kantarel, organisatie of organizatie, kwibus of quibus? Van de samenstellers van de in 1954 verschenen Woordenlijst van de Nederlandse taal mocht u in onder meer c/k-, th/t-, qu/kw- iz/seren- of iz/satie-kwesties zelf kiezen, zij het dat men wel bij alle dubbelspellingen een voorkeur voor de een of de ander had uitgesproken. Cantharel, organisatie en kwibus hadden bijvoorbeeld de voorkeur, terwijl de andere vormen het stempeltje ‘toegelaten’ kregen. Die toegelaten spelling wordt nu geschrapt. Dat heeft in Nederland niet zo gek veel gevolgen, maar in Vlaanderen wel. Zowel de Nederlandse als de Belgische overheid besloot indertijd al heel snel dat in het onderwijs en bij de overheid de voorkeurspelling verplicht moest worden.

In Nederland houden ook de meeste gedrukte media zich aan de voorkeurspelling, maar nogal wat Vlaamse kranten schrijven juist de toegelaten vormen: kontrakt, kultuur, sukses, sjiek. De reden laat zich raden: de toegelaten spelling pakt vaak uit als een ‘vernederlandsing’ van Franse leenwoorden. Voor de lezers van de Standaard en de Gazet van Antwerpen zullen woorden als contract, cultuur, succes en chic straks vreemd aandoen.

Maar de keuze voor de ‘voorkeursvariant’ en de ‘toegelaten variant’ is niet altijd goed te snappen. Meestal kreeg de c-variant bijvoorbeeld de voorkeur, maar weer niet bij oktober, kritiek, kopie, insekt, en produkt. Een echt consequente spelling van de bastaardwoorden (ingeburgerde leenwoorden) viel daardoor noch te bereiken met consequent ‘op z’n voorkeurs’ spellen, noch met de toegelaten spelling. De feitelijke opwaardering van de voorkeurspelling tot enige spelling betekent dus níet dat het systeem nu consistent wordt, en de spelling van bastaardwoorden dus voorspelbaar. We houden bilocaal naast lokaal, kwaliteit naast quorum.

Slechts bij 35 woorden wordt er in de nieuwe woordenlijst ‘stuivertje gewisseld’: de in de lijst van 1954 toegelaten spellingen fotokopie, product, insect en kroket (voorkeurspelling is croquet, maar dat gebruikt vrijwel niemand) worden in 1997 de norm. Maar oktober blijft oktober (ondanks octet, octaaf, octopus) en kritiek blijft kritiek (ondanks criticus) omdat we zo gewend zouden zijn aan die spellingsbeelden. Zie verder bij Massale verontwaardiging.
Voor een aantal woorden blijven er overigens wel twee (gelijkwaardige) spellingen bestaan. We houden bijvoorbeeld ceramiek naast keramiek omdat sommigen dat woord met een s-klank aan het begin uitspreken, anderen met een k-klank. Vreemd genoeg lijkt echter de charitas het loodje te gaan leggen. In de nieuwe woordenlijst komt alleen nog caritas (en caritatief) voor. Zegt niemand meer garitas? Dubbelspellingen blijven ook bestaan bij samenstellingen waar de een wel en de ander geen verbindings-s hoort (geluidhinder/ geluidshinder, tijdverschil/tijdsverschil).

 

E(n)

Is het bessejenever of bessenjenever? Over die kwestie is de laatste veertig jaar menige zweetdruppel vergoten. De regel was dat je en moest schrijven als de samenstelling de gedachte opriep aan een noodzakelijk meervoud. Het was een onbruikbaar voorschrift, dat leidde tot dusdanig subtiel gefilosofeer over de vraag of van één bes wel jenever te maken viel, dat kwesties als hoeveel engelen op de punt van een naald kunnen dansen erbij verbleekten. De nieuwe regel is eenvoudiger, belooft de Taalunie in de folder die ze overal verspreidt, maar dat valt tegen. Zo eenvoudig mogelijk weergegeven luidt hij als volgt:
In veel samenstellingen (twee aan elkaar geplakte complete woorden) hoor je tussen de delen een extra uh-klank. Bijvoorbeeld: blind plus darm levert in de uitspraak de samenstelling blind-uh-darm op. Die tussenklank schrijf je in beginsel altijd als en. Maar we schrijven hem als e wanneer: 1. het eerste deel niet een zelfstandig naamwoord is (blindedarm en brekebeen, want blind is een bijvoeglijk naamwoord en breken een werkwoord); 2. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat (ook) een meervoud op s heeft (dus: perenboom omdat peers niet bestaat, maar keuzevak omdat keuzes wel bestaat); 3. het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat geen meervoud heeft (rijstepap); 4. de samenstelling tot een van de volgende uitzonderingscategorieën behoort: a. het eerste deel is normaal geen zelfstandig naamwoord, maar functioneert in de samenstelling wel zo en dient ter versterking of als waardetoekenning (luizebaan, hondeweer, klerezooi); b. het eerste lid verwijst naar iets waarvan er maar één bestaat (Koninginnedag, want die dag slaat uitsluitend op onze eigen, unieke koningin; zonneschijn, omdat er maar één Zon is. ); c. een van de delen is niet meer als afzonderlijk woord herkenbaar (papegaai, bolleboos); d. het eerste deel is een dierenaam en het geheel een plante- of schimmelnaam (kattekruid, paddestoel, vliegezwam); e. het geheel is een versteende samenstelling en het eerste deel duidt een lichaamsdeel aan (kakebeen, ruggespraak). En let op: vrouwelijke vormen als studente en agente tellen niet mee, zie Politiek correct?
Hoor je in afleidingen (dat zijn combinaties van een woord en een voor- of achtervoegsel) tussen de delen een extra uh-klank, dan schrijf je die in beginsel eveneens als en. Maar we schrijven e: 1. voor de achtervoegsels –tje, -lijk, -ling en -loos (biggetje, vreselijk, boeteling, haveloos); 2. als voor de achtervoegsels –heid, -schap, -dom en -achtig een woord wordt geplakt dat van zichzelf op een stomme e eindigt (dus secretaressedom en asperge-achtig maar heidendom en meidenachtig); 3. de uh-klank onderdeel is van de achtervoegsels -erig of -erik (hangerig, bangerik).
Zie verder ook Inconsistentie.

 

Frequentie

Of een woord de nieuwe Woordenlijst haalt, hangt af van hoe frequent het voorkomt. De frequentie wordt bepaald aan de hand van een aantal zogeheten taalcorpora (grote tekst- en woordbestanden) van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden. Het INL is de leverancier van het materiaal voor het nieuwe Groene Boekje (zie ook Woordenlijst(en) Nederlandse taal). ‘Frequent’ betekent voor het Instituut: het woord komt minimaal vier keer voor in de corpora én is in minstens twee verschillende tekstbestanden te vinden. Dat laatst voorkomt opname van een woord als aardappelkoekjesmonster als gevolg van een toevallig in de bestanden voorkomende column waarin zo’n fantasiefiguur vier keer genoemd wordt. Toch is er bij het werken met tekstbestanden (het gaat dus niet om gesproken Nederlands) altijd een toevalsfactor in het spel. Weliswaar bevatten de corpora ook gegevens uit bijvoorbeeld de Libelle en de Playboy, maar je kunt nooit zeker weten dat je al het gangbare Nederlands echt te pakken hebt. Bovendien zit er in de corpora nauwelijks Vlaams materiaal. Dat heeft men nu proberen te ondervangen door van de uitgever van de tweedelige Verschueren (de Vlaamse Van Dale) informatie te kopen over welke woorden een toevoeging ‘uitsluitend in Vlaanderen’ hebben gekregen. De lijst die daaruit kwam is voorgelegd aan drie verschillende hoogleraren, en die schijnen flink geschrapt te hebben. Er bleven 1500 woorden over die in het standaardvlaams gebruikelijk zijn. Althans, volgens die professoren. Met frequentiemetingen heeft het niets te maken. Aan het toevoegen van Belgische bronnen aan de corpora wordt overigens hard gewerkt, maar voor het nieuwe Groene Boekje is dat te laat.

Omdat alleen woorden en woordvormen die echt voorkomen in het INL-materiaal in aanmerking komen voor opname in de nieuwe Woordenlijst, geeft die lijst geen oplossingen voor bepaalde lastige gevallen. Mensen vermijden die namelijk bij het schrijven. In de nieuwe Woordenlijst zult u dus het verkleinwoord van chassis (chassietje, chassisje, chassistje?) niet aantreffen. Tot verdriet van de Taaladviescommissie van de Taalunie. Die had het Comité van Ministers van harte aanbevolen om voortaan het verkleiningsachtervoegsel -tje met behulp van een apostrofje aan het woord waar het bij hoort te koppelen: chassis’tje, maar dan ook: papa’tje, bikini’tje. De ministers wilden er niet aan.

Geschiedenis

Begin vorige eeuw werd er voor het eerst een officiële spelling van het Nederlands vastgelegd, de spelling Siegenbeek, die sindsdien slechts twee keer gewijzigd is. In de eerste helft van deze eeuw onderwees men nog de spelling-De Vries en Te Winkel (bloote beenen en mensch), en in 1947 werd de thans geldende spelling bij wet vastgesteld. Maar vanaf het verschijnen van de Woordenlijst van de Nederlandse taal (het Groene Boekje) in 1954 is er wel op vrijwel elk moment een of andere Advies- of Spellingcommissie aan het werk geweest. Dat heeft telkens geleid tot commotie, maar nooit tot een wijziging. Behalve deze keer. Ondertussen zijn nu wel alle ooit gedane eerdere voorstellen helemaal van tafel verdwenen. Zo ook die van de Commissie Pée-Wesselings (ingesteld in 1963, ‘eindvoorstellen’ vrijgegeven in 1969), die onder veel meer het probleem van de tussenklank e(n) wilde oplossen door juist altijd te kiezen voor de e, met een paar uitzonderingen (ogenblik, merendeels). Dat sluit zo op het oog en oor goed aan bij het spraakgebruik, want die tussenklank n hoor je in feite nooit. Maar de mogelijkheid de e als uitgangspunt te nemen in plaats van en, werd verworpen door de Werkgroep ad hoc Spelling, die in 1988 verslag uitbracht. De Werkgroep koos de en als basis, onder andere op grond van de “stellige indruk dat dit alternatief veel minder wijzigingen van de bestaande spelling impliceert”. Wie de ingewikkeldheid van nu opgestelde regel bekijkt, zou zich kunnen afvragen of het niet verstandiger geweest was, eerst na te gaan of die stellige indruk wel juist was.

 

Hoofdletters

In het gebruik van hoofdletters valt er maar één veranderingetje te bespeuren. Het ontzag voor wie doorgeleerd heeft, is gestaag afgenomen. De afkortingen van titulatuur (Mr., Drs. Lic., Prof., Dr. Ir.) hoeven in de toekomst niet langer met een hoofdletter geschreven te worden (wél allemaal met een punt erachter). Een aanpassing die aansluit bij de toch al veranderende praktijk op dit punt.
Lastig blijft het onderscheid tussen woorden waarin (nog) echt een naam gevoeld wordt, en woorden waarin dat niet het geval is. Een schilderij is natuurlijk een echte Rubens, maar is het nu Rubensfiguur of rubensfiguur? Ook verwarrend zijn samenstellingen met feestdagen. Naast Pasen heb je paasbrood, en Hemelvaart valt op hemelvaartsdag, terwijl in afleidingen en samenstellingen van aardrijkskundige namen, en namen van talen, de hoofdletter gehandhaaft blijft: Maasproject, Engelstalig. Ook bínnen aardrijkskundige afleidingen blijft in de toekomst de hoofdletter gehandhaaft (zie Zeeuws-Vlaams).

InconsistentieTot op het laatste moment zit de wordingsgeschiedenis van de spellingswijziging vol inconsistenties en plotselinge, toevallige koerswijzigingen. Als uiteindelijk op 21 maart 1994 het Comité van Ministers met een Spellingbesluit de knoop doorhakt, waarbij een groot deel van de voorgestelde wijzigingen van tafel wordt geveegd, geeft het tevens opdracht aan de Taaladviescommissie om nog wat laatste schaafwerk te doen.
Dat schaafwerk houdt ten aanzien van de tussenklank e(n) twee dingen in. De regel moet een definitieve, nette formulering krijgen, en er moeten nog wat uitzonderingscategorieën worden gecreëerd voor woordtypen die volgens de in het Spellingbesluit vastgestelde regel en als tussenklank krijgen, terwijl de ministers dat toch wel erg raar vinden staan. Het gaat dan om gevallen als klerenzooi, bollenboos, paddenstoel, ruggenspraak.
Die uitzonderingscategorieën komen er (zie daarvoor E(n)). Maar de commissie doet méér. In haar ijver om bovendien te voorkomen dat de weidevogel een weidenvogel wordt, overschrijdt ze met reuzenschreden de grenzen van haar opdracht, en wijzigt de grondregel voor samenstellingen bijna in haar tegendeel. Het Spellingbesluit van 21 maart schrijft en voor in alle samenstellingen waarvan het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud op en kán hebben. Dus ook in gevallen waarin het eerste deel tevens een meervoud op s heeft. De commissie verandert dat in: ‘indien het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat uitsluitend een meervoud heeft op en‘. Dus juist niet in die gevallen waarin het eerste deel mogelijk ook een meervoud op s heeft. Volgens het besluit van 21 maart zou het hoogtenvrees worden omdat het meervoud hoogten bestaat, maar nu wordt het hoogtevrees omdat ook het meervoud hoogtes mogelijk is. Op 24 oktober zetten de ministers desondanks moeiteloos hun handtekening onder deze niet door hen besloten of opgedragen regeling.

 

Jeugd

De groep die het sterkst met de nieuwe spelling geconfronteerd gaat worden is de jeugd, vooral het grut dat nu peuter- en kleuterscholen bevolkt. Vanaf september 1997 moet het taalonderwijs de nieuwe spelling doceren. Interessant is dat in het opinie-onderzoek Speling in de spelling, dat de Taalunie in 1988 liet uitvoeren, vooral de ondervraagde onderwijzers klaagden dat de spelling te lastig was – tot hilariteit en misprijzen van de andere ondervraagde groepen professionele taalgebruikers. De leerkrachten meenden dat het te veel moeite en tijd kost om de regels er bij de leerlingen in te krijgen. Vooral de werkwoordsvervoeging (d of dt, d of dd, t of tt) was de gebeten hond.
Of die onderwijzers nu een punt hadden of niet, één ding staat vast. De huidige wijzigingen komen op geen enkele manier aan hun klachten en bezwaren tegemoet. Aan de werkwoordsvervoeging verandert niets, en de nieuwe regel voor de tussenklank e(n) lijkt ons aan een zevenjarige niet te verkopen (Zie ook U), als de leerkracht hem zelf al onder de knie kan krijgen.

 

Kosten/baten

Wie verdient er aan de hele operatie, en wie betaalt de rekening? Over dat laatste kunnen we kort zijn, de betaler bent u. U betaalt in 1997 de nieuwe schoolboeken Nederlands voor uw kinderen, waar anders tweedehandsjes volstaan hadden. U betaalt uiteindelijk de kosten die uitgevers van boeken en kranten maken om hun produktieproces aan te passen. U betaalt de nieuwe spellingchecker voor uw tekstverwerker en het personeel van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie dat de woordenlijst samenstelt. En u heeft de onderzoekjes, de vergaderingen en de rapporten betaald waaruit de wijzigingen zijn geboren, tot en met de publiciteitscampagne.
Verdienen doen de uitgevers van schoolboeken en woordenboeken, Van Dale voorop, die probeert om nog dit jaar een extra editie van zijn driedelige turf te slijten. Maar de grootste winnaar is zonder twijfel de Sdu, die de opdracht tot het produceren van het nieuwe Groene Boekje gekregen heeft (zie ook: Woordenlijst(en) Nederlandse taal). Dat is een bijzonder lucratieve order: alleen al van de editie 1954 zijn naar schatting meer dan een miljoen exemplaren verkocht. De op eigen gezag uitgebrachte editie 1991 legde het bedrijf met 370.000 verkochte exemplaren, ondanks zijn halfslachtig karakter, ook geen windeieren.
Dat deze vette uitgeverskluif ook deze keer zonder meer aan de Sdu gegund werd, is pikant. Immers, anders dan in 1954 is de voormalige Staatsdrukkerij/-uitgeverij geen overheidsbedrijf meer, maar een commerciële uitgeverij als elke andere. Het had een regering die op Prinsjesdag koningin Beatrix laat pleiten voor meer marktwerking dan ook niet misstaan om een opdracht van deze omvang en status openbaar aan te besteden. Even opmerkelijk is het dat de verzamelde uitgevers nauwelijks tegen de gang van zaken geprotesteerd hebben. Maar zie ook Nieuwe woordenlijst(en).

 

Leidraad

Net als vroeger zal ook de nieuwe editie van het Groene Boekje uit twee delen bestaan: de woordenlijst, met daarin de meest voorkomende basiswoorden en de uitzonderingen, en de leidraad, waarin de spellingsregels worden opgesomd en uitgelegd. In het ideale geval bevat de woordenlijst dus alles wat onregelmatig en onvoorspelbaar is, en vertelt de leidraad hoe u van elk woord dat er niet in staat de spelling kunt berekenen.
Wordt die Leidraad, die dit keer wordt geschreven door de Tilburgse professor Jan Renkema, een helder, overzichtelijk geheel? Daar kunnen we nog niet definitief over oordelen, omdat nog maar één hoofdstuk, getiteld Speciale kwesties, in principe helemaal klaar is. Gemakkelijk wordt het in elk geval niet, naar dat hoofdstuk te oordelen. Alleen al voor het afbreekstreepje zijn zeven regels nodig (van 1 via 2 en 2a tot 6), aangevuld met drie noten met uitzonderingen en een losse slotparagraaf met ‘nog de volgende afspraken’. Regel 2a is een uitzondering op regel twee, waarop weer drie uitzonderingen bestaan. Arme Renkema, die ook maar moet roeien met de riemen die het Comité van Ministers hem via de Taaladviescommissie aanreikt. Maar ook: arme gebruiker, die zich door regels moet ploeteren als ‘Samenstellingen en afleidingen van Griekse of Latijnse herkomst waarvan de delen niet meer als zodanig worden herkend, worden niet afgebroken volgens regel [1] of [2] maar volgens regel [6]’, aangevuld met de voetnoot: ‘Bij woorden waarin het Griekse of Latijnse woorddeel wel als zodanig wordt herkend, blijven de regels [1] en [2] van kracht’. Moet de gebruiker nu concluderen dat hij regel [6] moet toepassen op woorden waarvan hij niet weet dat ze van klassieke herkomst zijn? En hoe moet hij dan weten welke dat zijn?

 

Massale verontwaardiging

Vooral de ginecoloog en de preses lokten begin vorig jaar grote volkswoede uit. Het toen uitgebrachte voorstel van de Spellingcommissie maakte velen zelfs zo blind van boosheid dat ze niet goed meer konden lezen wat er over allerlei mogelijke spellingen geschreven werd. Er ontstonden meteen misverstanden. Men dacht dat er voorgesteld was om voortaan sjampanje te schrijven, terwijl de Commissie (afleidingen van) namen nu juist expliciet niet wilde veranderen, dus ook de spelling champagne niet. Ook de laatste weken kwam de sjampanje weer overal in de kranten op de proppen. Nu was het voorstel voor een gedeeltelijke aanpassing van de spelling van bastaardwoorden inderdaad nogal ingewikkeld. Dat zat hem echter niet zozeer in het werk van de Commissie, alswel in de opdracht die het Comité van Ministers gegeven had. De ministers wilden graag dat in vreemde woorden de ‘vreemde’ spelling zou blijven bestaan, maar dat bastaardwoorden het Nederlandse systeem zouden gaan volgen. Maar wat is ‘vreemd’ en wat is ‘bastaard’? Na veel discussiëren besloot de Commissie om ‘bastaardwoorden’ te definiëren als alle leenwoorden waarin geen ‘uitheemse’ klanken te horen vielen, en die alleen volgens het Nederlandse systeem verbogen of vervoegd werden. (Aan de Engelse leenwoorden waagde men zich helemaal niet, die werden vanwege hun recente entree in het Nederlands allemaal als vreemd bestempeld.) Dat leidde logischerwijze tot ginecoloog, preses en roete. Lastig voor de gemiddelde taalgebruiker was weer om te snappen dat gymnasium niet gimnasium zou worden (vanwege het niet-Nederlandse meervoud gymnasia), en dat je naast roete gewoon rouge zou houden (vanwege de uitheemse zje-klank). Dat neemt niet weg dat het voorstel gezien de opdracht nog zo gek niet was. Maar kennelijk hadden de ministers zich niet gerealiseerd dat een aanpassing van de spelling van bastaardwoorden per definitie een verandering inhield van de spelwijze van een aantal woorden. Ook zij schrokken zich een hoedje van de ginecoloog en gooiden met een grote zwaai het voorstel onmiddellijk het raam uit. Pikant is dat de preses het nu toch gaat halen. Het is met pre een van de 35 woorden waarvan niet de voorkeur- maar de toegelaten spelling de enige officiële gaat worden (omdat prae en praeses de enige twee woorden waren waar ‘pre’ als prae gespeld werd).

 

Nieuwe Woordenlijst(en)

De tijden veranderen, en de woorden met hen. Dat idee overheerst bij het doorkijken van de lijst grondwoorden die nieuw aan het Groene Boekje toegevoegd zullen worden. De officiële Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal komt waarschijnlijk nog dit jaar bij de Sdu uit, en zal ongeveer 110.000 woorden tellen. Het oude boekje bevatte er zo’n 67.000. Daaruit worden er nu ongeveer 14.000 in onbruik geraakte verwijderd. Snelle rekensom: dat betekent 57.000 woorden in de nieuwe Woordenlijst die er niet in de oude stonden. Ze weerspiegelen aardig hoe anders we zijn gaan eten en drinken (chablis, espresso, escargots, gamba, martini), hoeveel er sinds 1954 is uitgevonden (deodorant, playbackshow, magnetron, ecotaks, CT-scan), en dat seks nu mag bestaan (condoom, masturberen, erectie). Nog een paar veranderingen: in de nieuwe Woordenlijst staan alle af.breek.pun.ten aangegeven, en men spreekt van de-woorden en het-woorden. Of die de-woorden nu mannelijk of vrouwelijk zijn, is een zaak waar volgens de directeur van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (prof. Piet van Sterkenburg), nodig eens onderzoek naar gedaan moet worden. Wat er nu over in de nieuwe Woordenlijst komt te staan is nog niet helemaal duidelijk.
De concurrentie zit overigens intussen niet stil. In november of december – als alles goed gaat dus tegelijk met de uitgave van de Sdu – komen de uitgeverijen Van Dale, Wolters en Het Spectrum met een eigen, aparte lijst die naar schatting 150.000 woorden zal bevatten. Welke dat zullen zijn, is nog niet bekend.

 

Onderbouwing

Voorstellen tot wijziging van de spelling vloeien altijd voort uit de wens de spelling eenvoudiger of doelmatiger te maken, en deze keer vormt daarop geen uitzondering. Er was sprake van onzekerheid en verwarring, onder meer over de dubbelspelling. In de bewoordingen van de Taalunie was er zelfs sprake van ‘chaos’. En chaos dient bestreden te worden, dat spreekt vanzelf.

Wat niet vanzelf spreekt is hoe je dat dan moet doen. Hoe je werkelijk een optimale spelling bereikt. Dat hangt immers af van hoe mensen met spelling omgaan. Wat voor strategieën ze echt toepassen, hoe ze in werkelijkheid met woordbeelden en dergelijke omgaan. Dat zijn typisch dingen die je niet kunt uitvinden door mensen ernaar te vragen. Zoals bij zoveel vaardigheden het geval is, van lopen tot praten, weten we wel dát we het kunnen, maar niet hóe we het doen. Daarvoor is gedegen onderzoek nodig, wetenschappelijke onderbouwing.

De laatste spellingcommissie was zich daar ook van bewust, evenals van het feit dat de benodigde wetenschappelijke onderbouwing ontbrak. In haar slotbeschouwing begin 1994 meldde zij met zoveel woorden dat men met te weinig kennis van zaken aan het karwei begonnen was, en stelde zij voor om in zowel Nederland als België één universitaire instelling aan te wijzen die zich zou moeten specialiseren in onderzoek op het gebied van spelling.

Met dat voorstel is niets gedaan, en dat is misschien maar goed ook. Spelling is wel een interessant, maar zeker geen geïsoleerd, eigenstandig terrein. Eerder zou je van spellingsonderzoek een speerpunt binnen de cognitiewetenschappen, met name taalkunde en (perceptie)psychologie moeten maken.

Vreemd genoeg werd toch doorgegaan met het maken van wijzigingsvoorstellen, nu binnen de Taaladviescommissie, waarin deels dezelfde personen zaten die eerder verklaard hadden niet te weten waar ze mee bezig waren. Als doekje voor het bloeden schermt de Taalunie nu met een (voorlopige versie van een) artikel van de taalpsycholoog Gerard Kempen. Jammer genoeg berust dat artikel op een welhaast klassieke denkfout in de psychologie, vooral veel voorkomend bij psychologen die met computers werken.

Er zijn traditionele veronderstellingen over hoe we klankvormen en geschreven vormen van woorden met elkaar in verband brengen. Kempen stelt dat je met behulp van een zogenoemd neuraal netwerk een computersysteem kan bouwen dat die verbanden op een andere manier legt. En omdat dat in een computermodel kan, concludeert hij dat het in ons hoofd zo moet gaan. De fout is dat hij zomaar aanneemt dat een neuraal netwerk, of welk ander model dan ook, een correcte afspiegeling van onze hersenen zou zijn. Het enige dat je werkelijk uit Kempens artikel kunt concluderen is dat er kennelijk vele wegen naar Rome leiden. Maar welke de koninklijke weg is, de weg die onze hersens kiezen, blijft even duister als voorheen. Bijgevolg berusten ook de nu voorliggende spellingswijzigingen uitsluitend op onbewezen en zelfs vaak onbeargumenteerbare vooronderstellingen en indrukken.

 

Politiek correct?

De adviseuse, cabaretière, conservatrice, historica, econome, mentrix en rectrix ontbraken in het oude Groene Boekje, maar dat wordt nu goedgemaakt. En wel op een moment dat allerlei vrouwelijke vormen het aan het afleggen zijn: een beetje historica noemt zich tegenwoordig historicus, en wie wil er nog rectrix worden? De maatschappelijke trend gaat richting één vorm voor mannen en vrouwen: de mannelijke. Zouden de samenstellers van de nieuwe lijst, bewust of onbewust, toch ons spraakgebruik willen beïnvloeden?

Maar zoveel consideratie als er met de vrouwen is in de nieuwe woordenlijst, zo weinig tellen ze mee in de nieuwe regel voor de verbindings-en. Ze moeten zelfs de enige uitzondering gaan vormen op de regel dat de tussenklank alleen als en geschreven mag worden wanneer het woord in kwestie uitsluitend een meervoud op en kent. Vrouwelijke vormen op een stomme e krijgen in het meervoud een s (adviseuses, conservatrices, agentes), maar bij het maken van een samenstelling mag daar geen rekening mee worden gehouden. Zo wordt een uniformrokje voor agentes een agentenuniformrokje (het voorbeeld komt van de Taalunie).

 

Quo vadimus?

Waar moet het van nu af heen? Komen er weer nieuwe spellingcommissies? Gaat de hele geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar zich herhalen? De Taalunie gelooft en belooft van niet. Met deze wijzigingen is het schluss. Nou ja, bijna dan. De Taalunie voorziet een ‘dynamische situatie’, met elke tien jaar een aanpassing van de woordenlijst aan de actualiteit, maar verder niets.

De kans dat de Taalunie gelijk krijgt lijkt ons klein, al was het maar omdat de Taaladviescommissie zelf al niet echt gelukkig is over het resultaat van haar inspanningen, volgens voorzitter professor van der Toorn. De Taaladviescommissie had oorspronkelijk veel verdergaande voorstellen gedaan, waarvan het grootste deel door het Comité van Ministers eenvoudig van tafel is geveegd.

Een voorbeeld daarvan zijn de bastaard’tjes (zie: Frequentie): de verkleinvormen van sommige bastaardwoorden. Van compromis en chassis komen compromisje en chassisje, maar de uitspraak daarvan is compromietje en chassietje. Spelling en uitspraak lopen daar wel erg ver uiteen, maar het voorstel van de Taaladviescommissie om die kloof te dichten, vond in Den Haag en Brussel geen genade, zodat alles voorlopig bij het oude blijft. Het blijft compromisje, het blijft chassisje. Zo liggen er nog meer kwesties waar spellingsverbeteraars zich ongetwijfeld op zullen gaan werpen. En zolang de overheid de spelling bepaalt, betekent dat vroeg of laat een spellingcommissie.

 

Regeldrang

Spellingswijziging lijkt wel een nationale sport in Nederland. Al langer dan een mensenleven hebben dikke wolken kruitdamp het spellingsfront verduisterd, meestal zonder veel effect (zie ook Geschiedenis). Er zijn drie voorname oorzaken aan te wijzen. De oudste, vooral belangrijk tijdens de eerste helft van deze eeuw, is de toenmalige, typisch Nederlandse verwevenheid van de bestudering van het Nederlands met het lager en middelbaar onderwijs. In andere landen waren spelling en spraakkunst meer iets voor universiteiten.

Hier ontfermden onderwijzers zich erover, zodat meer dan elders een vanzelfsprekende koppeling ontstond tussen spelling, taalonderwijs en sociaal-democratische idealen. Beheersing van de taal in woord en geschrift was onder meer een wapen op weg naar emancipatie, en daarbij hoorde een zo goed mogelijk onderwijsbare spelling. Maar over wat dat was, liepen en lopen de meningen flink uiteen.

Vanaf 1947 komt daar volgens een eenvoudig mechaniek een tweede drijvende kracht bij: de spellingwet. Een wet betekent ambtenaren om hem uit te voeren. Die ambtenaren stellen commissies in, die voorstellen doen die weerstand oproepen, zodat er een nieuwe commissies komt, die… en zo voort.

In 1954 komt er nog een factor bij: een psychologische blunder van jewelste. Onder meer ten behoeve van de altijd wat anti-Frans georiënteerde Vlamingen was besloten tot de dubbelspelling, met vooral veel vrijheid bij de keuze tussen c en k (zie Dubbelspelling). Fataal was, dat men onmiddellijk één van beide spelwijzen tot voorkeurspelling verhief, daarmee de andere automatisch als minderwaardig bestempelend. Juist de angst betrapt te worden op het gebruik van een minderwaardige spellingvorm verklaart de bijna hysterische afkeer van de toegelaten spelling in Nederland. Dat stigma verklaart ook het geringe verzet in België tegen de spellingswijziging. Weliswaar moeten ze ‘hun’ geliefde toegelaten vormen als klown en kwerulant opgeven, maar daar staat tegenover dat ze niet langer gebruikers zijn van een door grote broer Nederland als tweederangs beschouwde spelling.

De mate van rust aan het spellingsfront lijkt overigens omgekeerd evenredig met de mate van overheidsbemoeienis. In Engeland doet de overheid niks en gebeurt er nooit wat. Ook Amerika is sinds Noah Websters toonaangevende woordenboeken, twee eeuwen geleden, rimpelloos gebleven. In Duitsland stelt woordenboekmaker Duden de norm, en begint het voor het eerst in lange tijd een beetje te rommelen. Frankrijk, met zijn Academie Française en actieve ministers van Cultuur, kent veel meer taalwoelingen, onder meer over het Franglais en over accenten. En Nederland spant met zijn spellingwet de kroon: altijd herrie, altijd twist.

 

S

“Bij de tussenklank -S verandert er bijna niets”, zegt de Taalunie in de folder ‘De nieuwe spelling komt eraan’. Maar wat er dan wel verandert, staat er niet bij. Vergelijking van de oude en de (voorlopige) nieuwe Leidraad doet vermoeden dat voortaan alleen een ander testje dan vroeger uitmaakt of het nu wel of niet een verbindings-s geschreven wordt. Waar nu naar analogie van dorpsweg ook dorpsstraat geschreven wordt, gebeurt dat straks omdat je bij een samentrekking (dorps- en stadsstraten) een s hoort. Dat laatste criterium is helder en werkt goed. Wij konden tot dusverre geen geval bedenken waarin de nieuwe test een ander resultaat geeft dan de oude.
Wat blijft bestaan is een verschil in taalgevoel tussen mensen. De verbindings-s wordt niet altijd door iedereen gehoord. Het staat u ook in de toekomst vrij om voorbehoedmiddelen danwel voorbehoedsmiddelen te gebruiken.

 

Trema en koppelteken

Trema’s zijn een soort waarschuwingstekens. Ze zeggen ‘hier begint een nieuwe lettergreep, deze klinker hoort niet bij de vorige’. Ze worden dus alleen gebruikt wanneer een woord anders verkeerd gelezen kan worden. Vandaar geërgerd, ruïne, naäpen, eindeëi. Het trema houdt in de nieuwe spelling dezelfde functie, maar het zal voortaan alleen nog gebruikt worden in afleidingen. In samenstellingen (woorden gevormd uit twee of meer losse woorden) neemt het koppelteken het over. Naast geërgerd en ruïne krijgen we daarom na-apen en eende-ei. Alleen samenstellingen die een getal vormen, houden weer wel een trema (tweeëntwintig). Het achtervoegsel -achtig en de voorvoegsels bio-, macro-, micro-, mini-, multi-, en neo- gelden kennelijk als woorden, want daarbij wint het koppelteken het van het trema (zebra-achtig, macro-economie, neo-expressionisme). Overigens wordt bij samenstellingen van wat langere woorden nu meestal ook al een koppelteken geschreven (radio-omroep, auto-ongeluk).

Wanneer de voorlopige Leidraad inderdaad de definitieve wordt dan vervalt per 1997 een voorrecht dat “wetenschappelijk gevormden” in het oude Groene Boekje nog hadden. De democratisering van de spelling is een feit, want in de nieuwe Leidraad is er niets terug te vinden van de tekst “Dit betekent echter geenszins, dat het wetenschappelijk gevormden – die aan het gebruik van het deelteken in bastaardwoorden, bestaande uit elementen ontleend aan talen die het deelteken niet kennen, minder behoefte zullen gevoelen – niet vrij zou staan linguist, reinterpretatie en derg. te spellen”.

 

U

Het vertrouwen dat het Comité van Ministers en de Taaladviescommissie van de Taalunie in u hebben is groot. Om de nieuwe spelling te kunnen toepassen moet u om te beginnen het verschil kennen tussen afleidingen en samenstellingen. Immers: de eerste kunnen een trema krijgen, de tweede een koppelteken. Nu maak je samenstellingen van twee (of meer) losse woorden. Maar ook bij de Taaladviescommissie bestond, zo werd vorige week op een Taalunie-perslunch verteld, onzekerheid over wat een los woord is. Bio en para kennelijk wel, vonden ze (in de nieuwe Woordenlijst zult u bio-energie en para-universitair aantreffen), maar pre niet (preëxistent), terwijl iets toch een hele pre maar geen reuze para kan zijn. U moet verder van alle zelfstandige naamwoorden weten of ze een meervoud op en, s, of allebei hebben. Want alleen in het eerste geval wordt er in samenstellingen een verbindings-en geschreven. Maar of je zowel linden als lindes kunt zeggen, daarover denkt niet iedereen hetzelfde. In het nieuwe Groene Boekje zal daarom worden aangegeven welke woorden twee meervouden kunnen hebben.

Een uitputtende lijst is het niet geworden. Zo ontbreken onder meer: geneugte, karbonade, ode, tombe, kariatide, sage, spermatozoïde, gilde, prelude, rotonde, druïde, pagode, insekticide, catacombe, episode, pesticide, boutade, bolide en marinade. Deels staan die woorden wel in de lijst, maar dan wordt er niet bij aangegeven dat ze een dubbel meervoud hebben. Daarnaast moet u voor de regel over de tussenklank e(n) ook nog feilloos zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, drie typen achtervoegsels, en vrouwelijke en mannelijke vormen uit elkaar kunnen houden. En tot slot moet u er bij nadenken of er misschien sprake is van een versterkend of waardetoekennend eerste deel, van planten of schimmels met een dier in de naam, van een versteende samenstelling met daarin een lichaamsdeel, of van iets waarvan er maar één bestaat (is er echt maar één zon, maan of koningin?).

Dat het misschien allemaal wat veel gevraagd is, moge blijken uit het feit dat ook getrainde beroepsspellers moeite hebben de veranderingen goed te interpreteren. In het hoofdartikel van de Volkskrant van 27 september j.l. worden de nieuwe regels voor de tussenklank e(n) en de verbindings-s geprezen omdat ze soepeler geworden zijn. Soepeler? Van de e(n)-regel kun je dat moeilijk volhouden, en de regels voor de tussen-s zijn in feite helemaal niet veranderd. De Volkskrant verwacht van de nieuwe spelling geen noemenswaardige problemen, ook al omdat niemand wakker zal liggen van de veranderingen rond trema en koppelteken. Toch is een beetje wakker liggen misschien wel nodig, want het hoofdartikel meldt ook nog ten onrechte dat we voortaan ge-emmer zullen schrijven.

 

Verplichting

Een uitvloeisel van de spellingwet is de verplichting voor overheidsdienaren in functie en voor het onderwijs tot het gebruik van de officieel vastgestelde spelling (tot nu toe: de voorkeurspelling). Maar hoe wordt die wet gehandhaafd? Een ambtenaar die weigert zich eraan te houden zou je theoretisch een dienstbevel kunnen geven. Weigeren zo’n bevel op te volgen kan dan grond voor ontslag zijn. Maar in het onderwijs ligt het moeilijker. Wat doe je met een schoolbestuur dat zijn school zo bijzonder acht dat het besluit de nieuwe spelling aan zijn laars te lappen? Navraag bij het Ministerie van OCW leert drie dingen: er is daar geen geval bekend waarin zich zoiets heeft voorgedaan, er is nooit serieus over nagedacht, en het zal in het uiterste geval wel uitdraaien op het hanteren van de subsidiekraan.
Voor alle anderen in Nederland heeft de spellingwet geen formele betekenis. Er is geen verplichting, dus ook geen straf als u het anders wilt doen.

 

Woordenlijst(en) Nederlandse taal

In 1954, zeven jaar na het aannemen van de laatste wijziging in de spellingswet, verscheen als bijlage bij de Staatscourant de Woordenlijst van de Nederlandse taal, die door zijn uiterlijk als roepnaam het Groene Boekje kreeg. De lijst bestond uit ongeveer 67.000 woorden, voorafgegaan door een leidraad waarin de spellingsregels werden behandeld. Er zijn er ongeveer een miljoen van verkocht, maar op dit ogenblik wordt een ander boekje waarschijnlijk het meest gebruikt. In 1990 werd het oude Groene Boekje namelijk niet meer herdrukt, en kwam de Sdu op eigen gezag met een merkwaardig, maar uiterst succesvol produkt op de markt: de Herziene Woordenlijst van de Nederlandse taal (die officieel niet zo mocht heten, want de echte herziene lijst verschijnt op zijn vroegst eind dit jaar).

Daarin stond het complete oude Groene Boekje (met dien verstande dat alle toegelaten spellingen naar een aparte lijst achterin werden verbannen), aangevuld met 30.000 nieuwe trefwoorden. Voor die nieuwe woorden had men een voorschot op een eventuele spellingswijziging genomen. Daarbij ging het ook toen al om de tussenklank e(n). Maar aan de oorspronkelijke woordenlijst wilde de uitgever geen letter veranderen. Gevolg: naast hondeneus en hondekop (stonden er al in) verschenen hondenoog en hondenlul (stonden niet in het oorspronkelijke boekje). Hondenoog is echter volgens de huidige spellingwet illegaal. Pas als de nieuwe Maatregel van Bestuur ingaat, wordt het correct. En dan moet u ook hondenneus en hondenkop schrijven.

Zijn die 30.000 nieuwe trefwoorden (te herkennen aan een eraan voorafgaand wiebertje) dan tenminste allemaal in de nieuwe spelling geschreven? Nee. Door alle clausules op de en-regel zijn sommige weer anders. De lijst uit 1990 geeft bijvoorbeeld hondenbaan en vliegenzwam, die in de nieuwe spelling van 1997 geen tussen-n krijgen. Overigens zullen ook niet alle 30.000 in 1990 toegevoegde woorden het échte nieuwe Groene Boekje halen.

 

XXL

Groene boekjes hebben maar een beperkte waarde: u zult er nooit alles in kunnen vinden wat u zou willen weten . Het oude Groene Boekje was een maatje ‘Small’, het nieuwe komt met zijn 125.000 woorden niet verder dan ‘Medium’. Misschien dat de driedelige Van Dale het predikaat Large verdient, maar het echte, levende Nederlands is Extra Extra Large. Dat echte Nederlands bevat namelijk ook alle afleidingen (dus bijvoorbeeld alle vormen van alle werkwoorden), en kent bovendien een letterlijk oneindig aantal samenstellingen, omdat je er telkens weer nieuwe bij kunt bedenken. Geen woordenlijst of woordenboek dat al het Nederlands kan bevatten. Zo staan de sloffenfetisjist, de godenvervloeker, en de tranenlikker nergens, maar met een beetje fantasie kunt u zich wel iets bij die woorden voorstellen. En er zelf nog tien bijverzinnen. Jammer alleen dat nou net de regel voor de tussenklank e(n) in samenstellingen en afleidingen zo ingewikkeld wordt.

 

Y, ei, au en ou

Ook wat betreft de ij en de ei, en de au en de ou blijft alles bij het oude. Het opinie-onderzoek dat in opdracht van de Taalunie in 1988 werd verricht liet zien dat Nederlanders in het algemeen het onderscheid niet als problematisch maar zelfs als nuttig ervaren en ten aanzien van het gebruik ervan vaak nog logische of betekenisverschillen voelen. Ook zijn er nog dialecten waarin de uitspraak van de varianten verschilt.

 

Zeeuws-Vlaams

Buitenlandse namen, en dan vooral de aardrijkskundige, vormen altijd een bron van verwarring, al was het maar omdat de meeste per definitie uit talen afkomstig zijn die maar weinig op het Nederlands lijken. De variatie in opvattingen over hoe een bepaalde naam hier in Nederland moet worden uitgesproken, en vervolgens weer geschreven, is enorm. Zo zijn er maar liefst 124 verschillende manieren in omloop om de naam Chroestjov te schrijven, en zegt de een ‘peking’ waar de ander per se over ‘beedzjing’ wil praten. Officieel is daarom over de spelling van aardrijkskundige namen maar weinig geregeld, en dat weinige wordt nu gestroomlijnd.
Onveranderd blijft dat in samenstellingen met aardrijkskundige namen een koppelteken tussen de delen staat, waarna een hoofdletter volgt: Nieuw-Zeeland, Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen. Volgens de oude regeling verviel dat koppelteken, en dus ook de daarop volgende hoofdletter, in sommige afleidingen. Dat is nu niet meer zo. Het is dus voortaan simpelweg Nieuw-Zeelands, Oost-Groninger en Zeeuws-Vlaams.

Levensbericht Hugo Brandt Corstius

Hij was de absolute kampioen onder-pseudoniemen-schrijven. Hugo Brandt Corstius gebruikte in de loop van zijn schrijvende bestaan, dat bijna zestig jaar besloeg, zeker zestig verschillende namen. Sommige maar één keer, andere een poosje, en het langste was hij Battus en Piet Grijs. Algemeen bekend werden verder onder meer de columns van Stoker, Jan Eter en Maaike Helder. Maar ook achter Gerard Balthasar, Cees Stam, Daan Gramman, Peter Malenkov, Jozef Trapjes en Magriet Vermeer ging Hugo Brandt Corstius schuil.

Dat paste goed bij zijn veelzijdigheid. Brandt Corstius was zowel wis- als taalkundige, maar werd het bekendst als spraakmakend columnist en als de uitvinder van het Opperlands, de speelse variant van het Nederlands. Al die verschillende namen gingen ook uitstekend samen met zijn ongehoord hoge productiviteit. Zelf beweerde hij dat elk pseudoniem een stuk van zijn persoonlijkheid vertegenwoordigde.

Maar die berg pseudoniemen sluit even goed aan bij een zekere ongrijpbaarheid die Brandt Corstius kenmerkte, en een levenslange lol in zijn lezers voor de gek houden. In veel van zijn werk speelt hij met waarheden, hele en halve leugens, draaien en omkeren. En hij houdt van mystificaties. Hij schrijft bijvoorbeeld als Dolf Cohen rustig over Stoker – het ene pseudoniem over het andere. En hij geniet intens als iemand zegt: die Maaike Helder in de Volkskrant, die heeft jouw stijl gepikt. Natuurlijk verraadt hij dan niet dat hij zelf Maaike Helder is.

Hugo Brandt Corstius groeide op in een niet-religieus gezin. Zijn vader Jan (J.C.) Brandt Corstius bedacht tijdens de oorlog samen met zijn vriend Jaap van Praag het Humanistisch Verbond, dat in februari 1946 werd opgericht. Jan Brandt Corstius was neerlandicus, en zou later hoogleraar literatuurwetenschap in Utrecht worden. Hugo’s moeder, Wil Molenaar, was opgeleid als onderwijzeres. De twee ontmoetten elkaar bij de NBAS, de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden, een jeugdbeweging waarin jongens en meisjes als gelijkwaardig beschouwd werden. De abstinentie gold drank, sigaretten en vlees, en ook seks voor het huwelijk. Hugo Brandt Corstius rookte nooit en zou zijn leven lang vegetariër blijven.

Hugo was de middelste van drie kinderen. Zijn broer Frank is twee jaar ouder, zus Liesbeth vijf jaar jonger. Hij was bovengemiddeld slim, en bovengemiddeld dwars. Daar lijkt iedereen het over eens te zijn. Ook ‘buitengewoon geestig’ is een terugkerende typering. Was hij een ADHD’er? Hij vermoedt dat later, als die term in zwang komt (‘Altijd Druk, Heel Druk’ is waar de afkorting voor staat, zal hij als Battus vastleggen). Of was het toch Asperger? De naam van het syndroom dat bij de hoogfunctionerende autist hoort, en dat door Brandt Corstius zelf consequent ‘asperge’ wordt genoemd. In 2003 schrijft hij (als Piet Grijs in Vrij Nederland): ‘Ik ben altijd een asperge geweest. Toen mijn moeder begon te persen, begon ik te pesten. In mijn jeugd werd ik eenvoudig een “lastig kind” of “rotjoch” genoemd, en daar heb ik vrede mee.’

Als kind is hij altijd bezig de puzzels in kranten, ook die van de buren, op te lossen en in te sturen. Menigmaal wint hij een prijs(je). En hij leest, liefst de encyclopedie. Maar hij gaat ook in discussie. Over alles. Stotterend en wel, want stotteren heeft hij voor zover anderen zich herinneren altijd gedaan.

Brandt Corstius groeide op in Utrecht, waar zijn vader lang leraar Nederlands was aan het stedelijk gymnasium, waar ook Hugo naar toe zou gaan. In 1949, hij is nog dertien, wordt hij omdat hij zo lastig gevonden wordt een tijd in huis geplaatst bij Dirk Daalder in Bergen. Daalder is een onderwijzer, redacteur van het blad Het Kind en kinderboekenschrijver die zijn ouders kenden via de NBAS.  Ze dachten er goed aan te doen, maar Hugo vindt de verbanning verschrikkelijk, en komt in de weekenden met de allervroegste trein naar huis.

Hij maakt zijn gymnasium β af in Utrecht, en vertrekt in 1953 naar Amsterdam. Daar gaat hij wiskunde studeren. Dat gaat goed, maar hij blonk er onvoldoende in uit, zei hij er later over. Brandt Corstius wordt lid van het ASC, het Amsterdams Studenten Corps, van het dispuut Breero. Vrijdags is hij meestal op NIA te vinden, de sociëteit. Hij is erg actief, gaat in het bestuur van het dispuut en is van 1956 tot 1957 zelfs preses. Hij duikt ook met enthousiasme in het culturele leven, ziet elke film, iedere toneelvoorstelling.

Daarnaast is hij een liefhebber van literatuur. Zo hield hij levenslang van Simon Vestdijk, over wiens boeken hij al recensies schreef toen ze uitkwamen, en wiens complete oeuvre hij in de vroege jaren negentig nog een keer samen met schrijver Maarten ’t Hart boek voor boek besprak in NRC Handelsblad.

Zoals zovelen van zijn generatie begon Brandt Corstius met schrijven voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, dat indertijd nog automatisch werd toegestuurd aan iedereen die lid was van de ASVA, de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam. De kiem voor veel van zijn latere werk is al terug te vinden in wat hij daar als redacteur tussen 1957 en 1959 maakte. Zelfs de speciale blik op taal die veel later tot de term Opperlands (tegenover Nederlands natuurlijk) zou leiden, is al zichtbaar. Een klein tekstje dat als titel ‘Bestedingsbeperkin’ heeft, legt feilloos uit  – het effect tegelijkertijd demonstrerend –  dat we bes d laatst lette va iede woor kunne weglate.

Vanaf 1959 schrijft hij voor Vrij Nederland. Vaak anoniem of onder pseudoniem, voor de rubriek Vrij Blijvend. Dat is een vergaarbak en een speeltuin, ook voor de andere van Propria Cures afkomstige talenten met wie hij de rubriek een tijd wekelijks vult: de latere Vrij Nederland-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse en tekenaar Peter Vos. Ook houdt hij in Vrij Nederland een tijdje zogenaamd het dagboek van Jan de Quay bij, de minister-president op dat moment, en schrijft hij pastiches op bijna alle kranten

In november 1960 haalt Brandt Corstius zijn doctoraal wiskunde. Zijn bijvakken zijn onder meer wijsbegeerte, wat hij volgt bij filosoof en logicus E.W. Beth (1908-1964), en geschiedenis van de wiskunde, gegeven door wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis (1892-1965), wiens beroemde De mechanisering van het wereldbeeld in 1950 verschenen was.

Voornamelijk om niet in dienst te hoeven, gaat hij direct na zijn afstuderen lesgeven aan het Amsterdams Lyceum. Een ultrakorte carrière als wiskundeleraar, die nog geen schooljaar duurt, volgt. Het is geen succes. Dat zeggen zijn leerlingen, onder wie de latere hersenonderzoeker Dick Swaab, en hij zelf ook.

De volgende zomer vertrekt hij naar Berkeley, University of California. Maar onderweg komt hij terecht in een demonstratie in New Orleans. Het is de tijd van de Freedom Rides, de bustochten door het land als protest tegen de segregatie tussen blank en zwart. De rassenwetten van het Zuiden waren weliswaar officieel afgeschaft, maar in de praktijk bestaan ze nog. Brandt Corstius wordt opgepakt en even vastgezet. Voor Vrij Nederland schrijft hij een tamelijk ironisch stuk over zijn korte detentie. Racisme en discriminatie zullen terugkerende onderwerpen blijven in zijn columns. 

In Berkeley geeft hij een paar uur college en volgt ook zelf colleges bij wiskundige en logicus Alfred Tarski (1901-1983). Toevallig is de wiskundige Adriaan van Wijngaarden (1916-1987) in die periode ook daar. Hij stelt voor dat Brandt Corstius bij het Mathematisch Centrum komt werken, waar Van Wijngaarden hoofd van de rekenafdeling was en een van de grondleggers zou worden van het vak informatica in Nederland.

Van 1962 tot 1970 is Brandt Corstius inderdaad in dienst bij dat onderzoeksinstituut, dat tegenwoordig CWI, Centrum Wiskunde & Informatica, heet. Het zijn opwindende tijden. Op zijn zestigste beschrijft hij hoe hij op zijn 25ste verliefd werd en dat tien jaar bleef op de computer: ‘Je weet zeker dat je je hele leven aan haar gaat wijden. Ze is fantastisch. Ze is mooi. Ze is slim. Ze is grillig. Ze is voorspelbaar. Ze is gul. Ze is onvermoeibaar. Ze is vermoeiend. Ze is duur. Ze maakt je in korte tijd veel wijzer. Zonder ophouden denk je aan nieuwe manieren om het met haar te doen. Ze verrast je telkens weer.’ Hij probeert wiskunde toe te passen op taal. Met de computer kan er ineens van alles dat nooit kon, en ook in de taalkunde zindert het van de nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden. Brandt Corstius stort onder meer zich op een automatisch woordafbreekprogramma voor het Nederlands. Nederlandse kranten gebruiken het vele jaren.

‘Taalkunde is een exacte wetenschap’, luidt een van de stellingen bij zijn proefschrift. Hij promoveert in 1970, op Exercises in Computational Linguistics. Het Engels van zijn proefschrift laat hij nakijken door Ina Mulder, die als Ina Rike (en vanaf een gegeven moment als Ina Rilke) een gelauwerd literair vertaalster werd, en met wie hij in 1987 een relatie zou beginnen – in 1989 trouwden ze. Maar eind jaren zestig leerde Brandt Corstius eerst Tatje Smits kennen, die in de jaren zeventig de moeder werd van zijn kinderen.

Onder meer na klachten over te weinig aanwezig zijn – een constante in zijn universitaire loopbaan – maakt Brandt Corstius in 1970 een overstap naar het instituut voor Neerlandistiek. Hij geeft er computertaalkunde. Tegelijk gaat hij Algemene Taalwetenschap studeren. In 1975 haalt hij zijn doctoraal. En eind jaren zeventig gaat hij zelf bij Algemene Taalwetenschap werken, een halve medewerkersbaan. In 1974 is hij daarnaast aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam benoemd tot buitengewoon lector in ‘de automatische informatieverwerking, in het bijzonder de verwerking van de natuurlijke taal’. Die positie verliest hij uiteindelijk ook door gedoe over hoeveel hij bijdraagt.

Over zijn computerliefde schrijft Brandt Corstius in dezelfde Piet Grijscolumn uit 1995: ‘Rond het jaar 1970 taande mijn verliefdheid. Ik denk dat ik de enige hoogleraar informatica was die nooit een computer aanraakte.’ Desalniettemin maakt hij in de jaren zeventig twee nog altijd opmerkelijk actuele overzichten over het samengaan van rekenen en taal, namelijk Algebraïsche Taalkunde en Computer-taalkunde. De liefde zou pas opnieuw bij hem inslaan bij het verschijnen van woordenboeken op een schijfje,  met al hun nieuwe zoekmogelijkheden: ‘Weer word ik dag en nacht in beslag genomen door een weerspannige tegenspeelster. En ze kent nog meer Nederlandse woorden dan ik!’

Maar dat leverde geen wetenschappelijk werk meer op. De wetenschappelijke productie van Brandt Corstius viel na die overzichtswerken in feite droog. Wie ze leest begrijpt daar wel iets van. Brandt Corstius ontkomt niet aan de constatering dat de taalmogelijkheden met een computer heel snel spaak lopen. En wel op de te ongrijpbare betekeniskant van woorden, zinnen en teksten. De semantiek gooit altijd roet in het eten, vatte hij het samen. Hij was er dan ook vast van overtuigd niet meer mee te zullen maken dat een computer in staat zou zijn taal te begrijpen, of om goed te vertalen van de ene in de andere taal. Dat is uitgekomen.

Intussen was en bleef Brandt Corstius buiten de universitaire wereld wel zeer actief. Hij was overal bij. Alles wat spraakmakend was. Alles dat ging over het gezag ondergraven, de autoriteiten niet meer zomaar hun autoriteit laten uitoefenen. Dus ook bij Zo is ’t toevallig ook nog eens een keer, dat van 1963 tot 1966 op de Nederlandse tv te zien was, en onder meer met het item Beeldreligie, satire op het geloof, voor veel ophef en stormen van protesten zorgde. De tekst die het einde vormde van het programma, en die nooit werd uitgezonden, is van de hand van Brandt Corstius. Het is een soort persiflage op een gesprek met Van Hall, burgermeester van Amsterdam in provotijden, met Mies Bouwman in haar interviewprogramma Mies en scène. Mies Bouwman zelf was toen trouwens al jaren weg bij Zo is ‘t… Ook aan het latere satirische tv-programma Hadimassa leverde Brandt Corstius bijdragen.

En natuurlijk was hij vele jaren te horen op vrijdagmiddag bij de vpro, in het door Joop van Tijn gepresenteerde Welingelichte Kringen, tot het radioprogramma stopte in 1997. Bij de dood van Van Tijn, ook in 1997, beschreef Brandt Corstius hoe het er steevast aan toeging met Joop: ‘Hij zat altijd aan mijn rechterkant. In zijn rechterhand hield hij een pen of een stuk papier. Met zijn linkerarm dirigeerde hij mij. We hebben het er nooit over gehad  – het was gewoon zo. Als hij wilde dat ik iets ging zeggen, stak hij zijn elleboog naar me toe. Als hij wilde dat ik het kalmpjes aan deed, gebaarde hij sussend met zijn hand. Als hij wilde dat ik m’n kop hield, legde hij zijn linkerhand op mijn rechterarm. Meestal gehoorzaamde ik.’

In 1981 komt het succesvolste boek van Brandt Corstius uit, zijn Opperlandse taal- en letterkunde. Het boek waarin hij onder het pseudoniem Battus alles verzameld heeft dat valt onder ‘het Nederlands met vakantie’. Het is van een grote inventiviteit en originaliteit, en het publiek waardeert het erg en koopt het boek massaal.

Eind van datzelfde jaar sterft zijn vrouw Tatje, pas 34 jaar oud, aan melanoom, een agressieve huidkanker. Brandt Corstius blijft achter met een zoontje van drie en twee dochters van vijf en zes. Jelle, Merel en Aaf. Dat gezin vertrekt de zomer daarna naar de Amerikaanse staat Minnesota, naar de hoofdstad St. Paul. Brandt Corstius werkt er aan de universiteit. Hij houdt op met zijn vaste columns en denkt dit maal misschien wel voorgoed geëmigreerd te zijn. Maar na een jaar is hij alweer terug.

Het is de eerste keer dat hij de column die hij als Piet Grijs in 1968 in Vrij Nederland begonnen was een tijdje laat schieten. Halverwege de jaren tachtig houdt hij er zelfs een paar jaar mee op, na een grote ruzie met zijn mede-columniste Renate Rubinstein, die onder de naam Tamar ook wekelijks in VN schrijft.

Ruzie, gedoe. Ook dat hoort bij het leven van Brandt Corstius. Al zijn huisraad wordt in 1966 geveild, nadat hij geweigerd heeft een rekening van negentig gulden te betalen aan de psychiater die hij daarna voor eeuwig ‘Van Poolse Havenstad’ zou blijven noemen (Van Dantzig dus). Hij maakt politicus Hans Wiegel op de radio uit voor ‘lul’, er wordt een later geseponeerd onderzoek ingesteld naar majesteitsschennis, en nog meer.

Twee kwesties hebben zich in het collectief geheugen genesteld. Buikhuisen en de PC Hooftprijs. De eerste lijkt in retrospectief samengebald te zijn tot een lange scheldpartij uit de pen van Piet Grijs, met als uitkomst het ontslag van de criminoloog. Het speelde in werkelijkheid over een aantal jaren en Piet Grijs was zeker niet de enige die bezwaar maakte tegen het plan om delinquenten te onderzoeken op sociobiologische kenmerken (in 1978) en een plan uit 1980 om iets soortgelijks bij kinderen in kindertehuizen te doen. Brandt Corstius zou altijd volhouden dat wat als een misdaad gezien wordt in hoge mate cultureel bepaald is (denk aan zaken als geloofsafval en homoseksualiteit) en ook dat Wouter Buikhuisen zijn ontslag aan zichzelf te wijten had.

Het Buikhuisenverhaal valt als exemplarisch te zien voor de kant van de vetes, de openbaar uitgevochten meningsverschillen en de scheldpartijen. Want Brandt Corstius kon geweldig van leer trekken en was niet te beroerd om op de man te spelen. Dat zit ook achter de weigering van het CDA, in de persoon van Elco Brinkman, om hem de PC Hooftprijs te geven. De jury, nota bene onder voorzitterschap van de door Brandt Corstius voor Roomse gluipkop uitgemaakte Cornelis Verhoeven, besluit in februari 1985 dat Brandt Corstius de prijs van 1984 dient te krijgen. Maar dat gaat niet door. Onder andere het feit dat minister Onno Ruding de Eichmann van zijn tijd werd genoemd door Piet Grijs, in diens column van 3 november 1984 in Vrij Nederland maakte dat Brinkman (dan minister van Cultuur) weigert de prijs toe te kennen. Want Brandt Corstius heeft ‘het kwetsen tot instrument gemaakt’.

Over die PC Hooftprijs ontstaat vervolgens een enorme hoeveelheid commotie. Elke krant, elke journalist schrijft erover, en vrijwel iedereen vindt het een schande. Tot in het buitenland aan toe. Het heeft gevolgen. De prijs verdwijnt een paar jaar en keert dan terug als een niet-staatsprijs. Bovendien gaat het prijzengeld van tien naar vijfentwintig duizend gulden. De eerste die wordt uitgereikt is voor Brandt Corstius. Dat gebeurt op 3 juni 1988.

 Alle controverse ten spijt zijn zijn bijdragen vele tientallen jaren zeer gewild. De nalatenschap van Hugo Brandt Corstius puilt uit van de verzoeken, en ook van de herhaalde verzoeken, aanmaningen, vermaningen en aandringende briefjes. Hugo reageert niet. Hij neemt de telefoon niet op. Hij beantwoordt zijn post niet. Dat is normaal. Hij is er zich van bewust. Het is ook pure opzet, bekent hij een keer in een gezamenlijk schrijven aan drie jubilarissen, de schrijver Remco Campert, uitgever Ary Langbroek en redacteur Bert Poll. ‘Ik besteed bijna mijn hele werkdag met het verspreiden van de mythe dat ik het overal veel te druk voor heb.’ meldt hij ze in september 1989.

Adres en telefoonnummer werden zorgvuldig geheim gehouden. In datzelfde jaar 1989 bleek het secretariaat van Algemene Taalwetenschap zijn adres niet te kennen. Dat was nadat hij er ruim een dozijn jaren werkte. En toch houdt hij jaar in jaar uit overal praatjes en lezingen, presenteert boeken, schrijft inleidingen, maakt werk in opdracht. Zoals De Hoofdredacteur, een boekje ter gelegenheid van het afscheid van hoofdredacteur Harry Lockefeer bij de Volkskrant. Hij schrijft ook een lang verhaal voor het jaarverslag voor kinderen dat BSO in 1989 uitbrengt, het softwarebedrijf van de eigenzinnige Eckart Wintzen (1939-2008).

Ook werkt hij voor meer kranten dan welke journalist of columnist dan ook. De Volkskrant en NRC Handelsblad zijn allebei en tegelijkertijd vaste afnemer, heel uitzonderlijk, maar ook voor Het Parool en Trouw schrijft hij met een zekere regelmaat. Aan Vrij Nederland is hij bijna een halve eeuw verbonden, in 2008 verschijnt de laatste aflevering van de column van Piet Grijs, die dan vier decennia gelopen heeft. Het literaire tijdschrift Tirade kan een tijdje op zijn medewerking rekenen, hij doet mee aan het taboedoorbrekende Gandalf, maar voor Hollands Maandblad schrijft hij het langste. Hij blijft er tot hij het echt niet meer kan pagina’s Opperlan(d)s voor maken (in de uitgebreide versie van zijn boek Opperlandse taal- en letterkunde heet Opperlands ineens Opperlans). Want tellen en rekenen met letters en woorden is hetgeen hem levenslang het meeste plezier verschaft.  Zijn laatste andere bijdrage aan Hollands Maandblad heet ‘Mijn korte leventje’ en is inderdaad een mini-autobiografie.

Zelf zei hij met zijn onderwerpen van een glijbaan af te gaan. Via de wiskunde en de taalkunde kwam hij bij de letteren, en beloofde een biografie van Multatuli te gaan schrijven. Daar lijkt hij nooit erg serieus aan gewerkt te hebben. Het meeste was toch kortebaanwerk. Daar lag zijn kracht. En misschien was hij wel te ongeduldig voor langere dingen. Ongeduld was volgens hemzelf het kenmerk dat zijn hele leven kon verklaren.

Was wat Hugo Brandt Corstius schreef typisch voor Nederland en het Nederlands? Pogingen werk vertaald te krijgen hebben in elk geval weinig opgeleverd. Wel leverde hij een tijdlang bijdragen aan het Amerikaanse tijdschrift Word Ways: The Journal of Recreational Linguistics.

In 1996 ging hij met de VUT, en vanaf het jaar daarna zou Brandt Corstius tot het eind van zijn leven ook een deel van de tijd in Parijs wonen. Daar gaf hij aan de Sorbonne nog drie jaar les aan studenten Nederlands. Maar ook Nederlandse universiteiten vroegen hem soms nog. Hij bekleedde in 1998 de Leornardo Leerstoel van de universiteit van Tilburg, en was in 2003 gastschrijver aan de TU Delft.

De laatste jaren van zijn leven ging Brandt Corstius achteruit, al viel dat de meeste mensen lang niet zo op. Wonderlijk, onaangepast gedrag was normaal geweest, misschien wel zijn handelsmerk geworden. In elk geval was hij altijd wars van alles wat formeel is. ‘Vroeger had ik met iedereen ruzie, maar nu kan ik het me niet meer herinneren,’ zei hij, met een opmerkelijke opgewektheid.

Hij leed waarschijnlijk aan wat semantische dementie genoemd wordt. Dat betekende dat hij ook zijn spraak verloor. Tot hij uiteindelijk niets meer kon zeggen. Geen woord. Niet lang daarna is hij gestorven.

Voor dit levensbericht is geput uit de nalatenschap van Hugo Brandt Corstius, die wordt ondergebracht bij de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. En er is gebruik gemaakt van gesprekken die ik voerde voor de biografie waaraan ik werk, en die in 2019 moet verschijnen. Ook heb ik een paar eigen herinneringen verwerkt.

 

VOORNAAMSTE GESCHRIFTEN

Ik sta op mijn hoofd, Amsterdam 1966 (onder pseudoniem Raoul Chapkis)

Exercises in Computational Linguistics, Amsterdam 1970 (proefschrift)

Algebraïsche Taalkunde, Utrecht 1974

De encyclopedie, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Battus)

Computer-taalkunde, Muiderberg 1978

Televisie, psychiaters, computers en andere griezelverhalen, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Piet Grijs)

Opperlandse taal- en letterkunde, Amsterdam 1981 (onder pseudoniem Battus, uitgebreide editie in 2002 met titel Opperlans! Taal- en letterkunde)

Rekenen op taal, Amsterdam 1983 (onder halfpseudoniem Hugo Battus)

 

PRIJZEN (selectie)

Anne Frank-prijs 1966 voor Ik sta op mijn hoofd van Raoul Chapkis

Cestoda-prijs 1978 voor de moeiteloze beoefening van de Nederlandse taal in al haar genres

Multatuli-prijs 1982 voor Opperlands taal- en letterkunde van Battus

Busken-Huet-prijs 1985 voor Rekenen op taal van Hugo Battus

P.C. Hooft-prijs 1987 voor essays voor zijn hele oeuvre

Nootje: De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde geeft elk jaar een jaarboek uit, met daarin onder meer overzichten van het leven van gestorven leden. In mei 2016 verscheen het Jaarboek 2014-2015 waarin bovenstaande Levensbericht staat.

“Ik wil er hier een zoemende bijenkorf van maken”

Verandering één: de naam. Het is niet meer het P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, maar het Meertens Instituut, zoals het in de wandeling altijd al heette. De nieuwe samenvatting van wat ze er doen luidt: Onderzoek en documentatie van Nederlandse taal en cultuur.

Verandering twee: de locatie. Geen oud grachtenpand in hartje Amsterdam meer, maar een oude Coca Colafabriek met volop parkeergelegenheid aan de rand van de stad. Toch is het geen kille, grauwe kantooromgeving geworden. Op alle verdiepingen zijn in het oog springende rode draperieën te vinden, enorme gordijnachtige lappen van telkens een andere stof, in telkens een andere tint. Ze nodigen uit tot aaien, even voelen. In het vergaderkamertje, nu al algemeen aangeduid als de Casa Rosso, zijn er ook stukken langharig, lichtgevend rood tapijt op de wanden aangebracht.

De meningen over de inrichting zijn verdeeld. Ook aan de uiterst moderne lichtsensoren moeten sommigen nog wennen: wie te lang niet beweegt, komt vanzelf in het donker te zitten, en moet dan even opspringen om het licht weer aan te laten gaan.

Verandering drie: er is sinds 1 september weer een directeur, theoretisch taalkundige dr. Hans Bennis. Die heeft de leiding over alle andere veranderingen. Het Meertens Instituut heeft woelige tijden achter de rug. Na problemen trad prof.dr. Jaap van Marle vorig jaar terug als directeur, en begon een commissie onder voorzitterschap van de historicus prof. dr. W. Frijhoff zich te beraden over de toekomst van het instituut, waarbij ook de vraag of die er überhaupt wel was op tafel kwam. Het antwoord daarop luidde: jazeker. Maar er moeten wel heel wat zaken anders. Ondertussen leek het (P.J.) Meertens Instituut de laatste jaren niet uit het nieuws te slaan. 

Standaardbabbel

Dus meteen maar even over Het Bureau, de naam waaronder J.J. Voskuil het instituut opvoert in een serie succesvolle, maar voor wie erin voorkomt vaak weinig vleiende autobiografische romans.

Is de nieuwe directeur het al helemaal zat om daarover te moeten praten? “Nee hoor”, zegt Bennis (47) vrolijk, “Ik ben wel blij met die man. Laat hij maar lekker doorschrijven. Zonder Voskuil haalde het Meertens niet telkens de krant. Veel meer mensen dan vroeger kennen het tegenwoordig. Wie een culturele belangstelling heeft – en dat is overigens toch lang niet iedereen hoor, heb ik gemerkt – heeft ervan gehoord. Dat heeft voordelen, want het geeft je een opening om dingen te vertellen. Ik word alleen soms een beetje moe van de standaardbabbel: dat Voskuil het over een andere tijd heeft, dat het natuurlijk toch een roman is, enzovoort. Als ik de mensen hier hoor vertellen over hem, dan blijkt dat het beeld dat hij van zichzelf geeft in die boeken helemaal niet klopt. In werkelijkheid nam hij het allemaal wel degelijk serieus. Hij was toch het genie van de afdeling Volkskunde, heeft die echt opgebouwd.”

Deel een van de cyclus heeft Bennis inmiddels uit. “Stilistisch vind ik het goed”, zegt hij, “het is alleen allemaal nogal uitgerekt, en daarom wat saai. Het is een soort soap, een Medisch Centrum West uit de jaren zestig. Ik herken natuurlijk wel dingen. Voskuil had inderdaad een afkeer van publiceren. De hele cultuur hier is nog steeds een introverte, een van weinig lawaai maken richting wetenschap. Wat dat betreft moet er een omslag komen, zodat het in plaats van een ‘sorry-een-mens-moet-toch-wat’-houding’ voor iedereen ‘Kijk, ik zit op het Meertens’ wordt. Dat gaat komen. Ik denk dat het niet moeilijk zal zijn veel te veranderen.” 

Reuze trots

Want er zijn mogelijkheden te over volgens Bennis. Om te beginnen alleen al de collecties van het Meertens. “We hebben hier databases, te mooi voor woorden”, zegt hij met onverholen enthousiasme. “Laatst hielden we een open dag. Daar kwamen vier-, vijfhonderd man op af, ik was reuze trots. Die konden bijvoorbeeld met behulp van de Namenbank onderzoek doen naar hun eigen achternaam. En de popliedjes in dialect en de Moppenbank waren ook een groot succes. De hele vertelcultuur zit in een fantastische databank, met bijvoorbeeld verhalen die doktoren van hun patiënten opgetekend hebben.”

En dat is maar een fractie. Vorig jaar verscheen er onder de mooie titel Gouden eieren een inventarisatie van alles wat het instituut in huis heeft. Een greep: 200.000 uit de volksmond opgetekende en van kaarten overgenomen veldnamen, foto’s van koekplanken en gevelstenen, geluidsopnamen van Amerikanen van Nederlandse afkomst, van het Nederlands in Duinkerken, van Laag en Hoog Maastrichts én Maastrichts Algemeen Nederlands, soldatenfolklore, grote hoeveelheden microfiches met krantenknipsels vanaf 1930 over volkskundige zaken, vooral nieuwe tradities, carnavalsonderzoek, bidprentjes, het archief van de Stichting Magie en Tovenarij, het Volksliedarchief met beginregels, refrein en melodieaanduiding van 100.000 Nederlandse liederen, de complete laatste volkstelling uit 1947. Natuurlijk is er een bibliotheek met boeken en tijdschriften, en overal staan nog ladenkasten tjokvol systeemkaartjes. 

Beroemde nageboortes

“Alle bakken moeten het Internet op”, verwoordt Bennis een van de plannen om meer naar buiten te treden. “Als overheidsinstelling zijn we daar ook toe verplicht, vind ik. Het publiek moet toegang hebben tot dat materiaal. Zodat ze straks thuis de geschiedenis van hun familienaam kunnen uitzoeken, en nog veel meer. Er moet alleen een enorme inhaalslag gemaakt worden, want het meeste wat we hebben zit niet in de computer. Daar zal beslist extra geld voor moeten komen. Voor je alleen al Voskuils werk gedigitaliseerd hebt… die vele meters inmiddels beroemde kaartjes met gegevens over de gebruiken rond de nageboortes van paarden en andere volkskundige zaken. Over dat woord volkskunde wordt trouwens nog een beetje gesputterd. Het is uit de ondertitel van het instituut verdwenen, maar sommigen hier zien het als een soort geuzennaam, waar helemaal niet die ouderwetse en in hedendaagse ogen ook ongewenste associaties van ‘volksaard’ enzo aan vastkleven.”

Veel moet op de schop, zoveel is duidelijk. Bennis zegt het met zoveel woorden: “Echt alles moet hier gereorganiseerd. Het is tamelijk ongelooflijk, maar in de 68 jaar dat dit bureau bestaat, is er nog nooit een onderzoeksplan geweest. Inmiddels is de grond omgeploegd, kan er begonnen worden. En nu komt iedereen zijn doos met onvervulde wensen van de afgelopen twintig jaar bij mij omkieperen. Kijk, de structuren die er waren, werken niet meer. Ik gooi dus alles overhoop. Ook de financiële structuur. Die is nu nog hetzelfde als veertig jaar geleden, wat onder meer betekent dat ik moet tekenen voor elk reisje dat iemand naar België wil maken. En er lopen nogal wat samenwerkingsverbanden met Vlamingen.” 

Thema ‘Feest’

“Beslissingen moeten gedecentraliseerd worden. Onderzoek wordt georganiseerd per thema, en die thema’s moeten zo breed mogelijk zijn, over grenzen heen kijken. Daar hoort ook een eigen begroting bij, die dan bij de instituutsleiding ingediend kan worden. Daarna is men zelf verantwoordelijk. Net zoals het hele Meertens een lump sum krijgt om alles van te doen, ben ik van plan dat ook met de thema’s te gaan doen. We hebben bijvoorbeeld bij volkskunde al het thema ‘Feest’. Dat gaat van Kerst tot bruiloften, en daar zitten veel invalshoeken aan vast. Volgens mij zit daar de meerwaarde van het Meertens Instituut: echt goede vakmensen uit verschillende gebieden naar één onderwerp laten kijken. Dus én een goede cultureel antropoloog, én een goede sociolinguïst, én een historicus, én een syntacticus. We hebben gelukkig al veel goede mensen, maar het moeten er nog meer worden.”

Meer onderzoek zo inrichten dat zowel taal als cultuur aan bod komen, was een van de aanbevelingen van de commissie-Frijhoff. Een voorbeeld van dat soort onderzoek, dat ook Bennis voor ogen staat, is een NWO-project in de zeer multi-culturele Utrechtse wijk Lombok, waar het Meertens Instituut inmiddels bij betrokken is. Bennis: “Dat gaat over integratie. We gaan daar de wijk in om met mensen te praten over welke talen ze spreken, en of ze bijvoorbeeld Sinterklaas vieren. Het is een leuke vraagstelling: in hoeverre gaan talige en culturele aanpassing hand in hand? Wat is de correlatie? Je kunt je voorstellen dat als iemand Sinterklaasgedichten schrijft de acculturatie compleet is, dat je zo iemand dan als het ware het stempel ‘Nederlander’ kunt geven.” 

Taalstrijd

Natuurlijk blijven dialecten een belangrijk onderwerp, al zullen ze voortaan vooral gezien worden als onderdeel van de aandachtsgebieden ‘taalstructuur’ en ‘sociale inbedding en ontwikkeling van taalvariëteiten’. “Er is sprake van een dialect-renaissance”, vertelt Bennis. “Je hebt het succes van het zingen in dialect, dat met Normaal begonnen is, en er is cabaret, denk maar aan Herman Finkers in het Twents, en veel klassieke toneelstukken worden met succes in dialecten opgevoerd. Maar daarnaast schijnt zich op allerlei plaatsen een normatieve taalstrijd tussen de generaties dialectsprekers af te spelen. Dialect is weer in opkomst bij de jeugd, maar die zet zich af tegen het dialect zoals dat in allerlei heemkundeverenigingen juist door de ouderen bewaard wordt.”

“Maar de tijd van dialectkaarten waarop dan met allemaal van die v’tjes staat aangegeven waar ze wel en niet ‘ontbijtkoek’ of ‘peperkoek’ zeggen, is toch een beetje voorbij aan het raken. Daar gaat het niet om. Je wilt de verscheidenheid in de cultuur zien te vangen, en de bewegingen die er zijn. Dat is veel interessanter. Langzaam maar zeker moeten we dus het traditionele in kaart brengen afstoten, ook al is het zonde om de geschiedenis kwijt te raken.”

De geschiedenis is een beetje een teer punt. “Waarschijnlijk zullen we ons hier tot het heden moeten gaan beperken”, zegt Bennis. “We hebben gewoon niet genoeg staf voor alles. Maar dat is wel erg. Als wij er hier mee ophouden dan is er niet één instantie in Nederland meer die zich met historische taalkunde bezighoudt. Er is nergens een hoogleraar, en er blijft dus heel veel braak liggen. Ik vind dat een schande. Ik ben dan ook van plan om voortaan bij iedereen die ik spreek het gesprek te eindigen met ‘Overigens ben ik van mening dat de historische taalkunde een fatsoenlijke plek moet krijgen’.” 

Ans en Hans

De kans dat hij dat inderdaad gaat doen, lijkt groot. Bennis is niet bang zijn mening krachtig te verwoorden. En glashelder is hij meestal ook. Een recent voorbeeld valt te lezen in het laatste nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde, dat helemaal gevuld is met besprekingen van de Algemene Nederlandse Spraakkunst, kortweg de ANS, waarvan eind 1997 een ingrijpend herziene editie verscheen.

Hans Bennis’ bijdrage, onder het kopje ANS en Hans op avontuur (voor de te oude en te jonge lezers: Ans en Hans waren ondeugende stripfiguren in het Hitweek-tijdperk), eindigt aldus: ‘Vanuit taalkundig perspectief is dit boek een anachronisme. Het biedt de lezer inhoudsloze categoriseringen, een nutteloos begrippenapparaat, en een chaotische hoeveelheid feiten. Wat mij betreft kan iedere liefhebber van de taalkunde van het Nederlands dit boek gerust in de winkel laten staan.”

Zelf is Bennis zeker zo’n liefhebber. En het is natuurlijk zijn vak. Hij studeerde, na een kandidaats Nederlands, Algemene taalwetenschap in Amsterdam. Vanaf 1982 was hij verbonden aan de universiteit van Leiden, eerst als docent, daarna hoofddocent, en de laatste jaren bovendien als wetenschappelijk directeur van het mede door hem opgezette onderzoeksinstituut Holland Institute of Generative Linguistics, in de wandeling het HIL

Kleine woordjes

Bennis is de man van de kleine woordjes. In taalkundig Nederland werd hij beroemd door zijn onderzoek naar bijvoorbeeld er en het en om en dat. Waar kunnen die wel en niet staan in een zin, waar móeten ze beslist staan, wat is hun functie? Zinsbouw, of syntaxis, is zijn specialisatie, maar hij heeft evengoed colleges gegeven over bijvoorbeeld betekenisleer, klankleer, taalfilosofie, taalverwerving, dyslexie en zelfs spelling.

Een paar jaar geleden zat hij in de commissie die ‘taalkunde als schoolvak’ moest voorbereiden. De plannen op de middelbare school taalkunde te gaan onderwijzen zijn (overigens om ook voor Bennis onduidelijke redenen) in de ijskast verdwenen, en daarmee ook het schoolboek waar Bennis al aan werkte.

Wel op stapel staat De Zin, een boek over de syntaxis van het Nederlands voor studenten, waarvan er ook een interactieve versie op het Internet moet komen. Een groot deel van zijn publicaties tot dusver maakte hij samen met zijn vriend en collega Teun Hoekstra. ‘Bennis en Hoekstra’ is een begrip geworden. Ten tijde van het gesprek is Hoekstra nog maar net overleden, pas 45 jaar oud, na lang ziek geweest te zijn. Bennis spreekt bedroefd en met warmte over hem. “Syntaxis zonder Teun is voor mij eten zonder zout”, zegt hij.

Maar hij verwacht op het Meertens Instituut op een gegeven moment wel weer aan onderzoek toe te komen. “Ik ga natuurlijk naar syntactische variatie kijken”, klinkt het stellig, “naar de mogelijke volgordes met ‘dat’. Het is ook voor een onderzoeker een enige baan. En ik wil er hier een zoemende bijenkorf van maken, waar voortdurend mensen van buiten binnen komen, en andersom. We zijn al bezig een programma te maken dat een ‘minor’ wordt, een keuzevak, voor studenten Nederlands en Culturele studies aan de UvA, met drie colleges cultuur en drie colleges taalvariatie.”

“En het is hier natuurlijk perfect voor wie een sabbatical heeft. Meer samenwerking met de universiteiten lijkt me geen enkel probleem. Al was het alleen al omdat daar tegenwoordig zo bezuinigd wordt dat ik nu al allerlei mensen met mooie plannen op de stoep heb gehad. Ik ben nog nooit zo populair geweest.” 

Brieven aan de Toekomst

Bennis geniet zo te zien oprecht. Dat hij dit werkelijk wilde gaan doen, staat wel vast: hij liet er een hoogleraarschap in Leiden voor schieten. Ondertussen doet hij nu aldoor dingen waarvan hij zijn leven lang niet gedacht had ze ooit te zullen doen: “Ik heb kennis gemaakt met de bisschop van Den Bosch, ik heb op een ouwe schuit gezeten ter ere van het vijftigjarig bestaan van het Zuiderzeemuseum. Ik ben al bij de Heilig Landstichting geweest, en het Openluchtmuseum. Daar werken we mee samen, net als met het instituut voor Volkscultuur. We maken onder meer afspraken over wie wat doet. Zo verzamelen wij eigenlijk geen spullen, maar het Openluchtmuseum natuurlijk wel.”

“Met z’n drieën doen we ook het project ‘Brieven aan de Toekomst’. Dat was die actie eerder dit jaar. Iedereen werd gevraagd op 15 mei een brief te schrijven met wat hij die dag deed, om later een uitvoerig beeld te hebben van het dagelijks leven nu. Er zijn er meer dan 50.000 binnengekomen. Volgend jaar op 15 mei komt er een selectie uit. Daar wordt hier hard aan gewerkt, de brieven worden uitgetikt, en dat schijnt af en toe behoorlijk zwaar te zijn: veel mensen schrijven over ellende en verdriet. Enfin, op de open dag in februari is er voor het eerst iets van te zien.”

Maar jammer genoeg niet van de brieven die de meeste nieuwsgierigheid wekken, want die zitten achter slot en grendel, en blijven dat voorlopig ook. In een speciaal afgesloten deel van de bibliotheek staan twee grote dozen: de brieven waarvan de schrijvers bepaalden dat ze pas over vijftig of honderd jaar opengemaakt en gelezen mogen worden…

Denken over kinderen, apen en robots

De een kijkt hoe kleine kinderen zich ontwikkelen, de ander bestudeert diergedrag en de derde wil intelligente apparatuur maken. Willem Koops, Liesbeth Sterck en JJ Meyer komen uit heel verschillende vakgebieden en onderzoekstradities, maar houden zich alledrie bezig met denken. Op 31 maart a.s., de jaarlijkse Universiteitsdag van de Universiteit Utrecht, praten ze daarover, elk vanuit hun eigen terrein. Voor Illuster lopen ze alvast warm. Wat vind je voor verschillen tussen volwassen mensen aan de ene kant, en kinderen, beesten en machines aan de andere? Waar liggen de raakvlakken en overeenkomsten tussen de onderzoeksgebieden? Over gezichtsbedrog, inlevingsvermogen en taal als hinderpaal.

Het is gedragsbiologe en apenonderzoekster Liesbeth Sterck die samenvat wat het onderzoek van de andere twee eigenlijk ook laat zien: “We worden steeds minder uniek.”

We: wij mensen, bedoelt ze. In de laatste halve eeuw hebben we door de wetenschap nogal wat prijs moeten geven. Om te beginnen aan de apen. Telkens werd ons weer een illusie ontnomen als bleek dat chimpansees of bonobo’s of orang oetans óók werktuigen gebruikten, of oorlogen voerden, of uitvindingen deden en die dan aan elkaar doorgaven.

Maar het ging nog veel verder. Dingen leren, zo werd duidelijk, kan ook het kleinste wurmpje, de miniemste mijt. Sterck: “Twintig zenuwcellen bij elkaar is al genoeg.” Steeds meer dieren blijken zichzelf in de spiegel te kunnen herkennen, laatst nog de olifanten, en de verrassingen lijken nog niet op te zijn. Onlangs werd onomstotelijk vastgesteld dat gaaien niet alleen onthouden waar ze voedsel verstopt hebben, maar ook wat en wanneer. “Ze hebben echt een flexibel geheugen. Er wordt al gesproken over ‘feathered apes’, gevederde mensapen,” lacht Sterck.

Waar zij mens en dier tegenover elkaar zet, gaat het bij informaticus John-Jules (JJ) Meyer om machines. Ook die kunnen steeds meer dingen waarvan we vroeger aannamen dat ze puur menselijk waren. Niet dat het hem daarom te doen is. “Wij willen gewoon slimme dingen maken,” zegt hij opgeruimd over zijn vak, de artificiële intelligentie. En: “Waar filosofen vaak mooi kunnen zweven, moeten wij iets doen.”

En dat gebeurt. Sinds de begindagen van de AI, in de jaren veertig en vijftig, hebben hooggespannen verwachtingen en tegenvallers elkaar dan wel in flink tempo afgewisseld, bijna ongemerkt is onze wereld wel degelijk vol geraakt met apparatuur die intelligente dingen kan. Meyer: “In de jaren tachtig had je bijvoorbeeld de vermaledijde ‘expert-systemen’. Die vind je nu echt overal. Tegenwoordig noemen we ze alleen ‘kennis-gebaseerde systemen’, of ‘beslissingsondersteuning’. Expert-systemen leken namelijk de pretentie te hebben dat ze bijvoorbeeld dokters of rechters zouden gaan vervangen, en dat was pr-gewijs helemaal fout. In werkelijkheid zijn ze intussen wel een groot succes geworden. Cynici zeggen: AI is wat over tien jaar gewoon informatica is.”

Ontwikkelingspsycholoog Willem Koops op zijn beurt toont graag aan dat volwassenen heel wat minder van kleine kinderen verschillen dan ze meestal denken. Ook daar verliezen we dus een deel van onze uniciteit. Dat kan overigens twee kanten uit gaan: soms blijkt dat kleintjes al opmerkelijk veel snappen en kunnen, en soms wordt juist duidelijk dat volwassenen het op de keper beschouwd niet beter doen dan kinderen. “Dat kinderbreintjes niet toegankelijk zouden zijn is een misverstand,” zegt hij.

En hij is er ook van overtuigd geraakt dat eigenlijk al onze ideeën over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen en de inrichting van het onderwijs berusten op een groot misverstand: dat kinderen de vier of vijf ontwikkelingsfases moeten doorlopen die Jean Piaget in het begin van de twintigste eeuw beschreef. “Wij zijn nog steeds bezig het ongelijk van Piaget te bewijzen,” vat Koops opgewekt zijn wetenschappelijk terrein samen.

Onversneden vertelplezier bindt de drie Utrechtse onderzoekers, die bij wijze van warming up voor hun lezingen op de Universiteitsdag ook aan elkaar graag vast van alles kwijt willen. Eén onderwerp komt vanzelf bij alledrie langs als ze over hun vak praten: hoe bedrieglijkheid de wereld kan zijn in mensenogen. Onze hersenen bedotten ons met groot gemak, en daar steeds alert op blijven is een van de lastiger opgaven voor onderzoekers.

We kunnen onder meer het personifiëren niet laten, en zijn altijd geneigd om in dieren en zelfs in machines trekjes van onszelf te zien.

Zo vertelt Sterck over ‘troostende’ apen: “Frans de Waal heeft indertijd die term ingevoerd. Na een conflict gaan veel apen naar de verliezer toe, raken die aan. Het ziet eruit als troosten. Maar wat blijkt nou, de aap vóelt zich helemaal niet getroost. Althans, als je het gaat meten, zie je dat zijn stress niet minder wordt. De troosters zijn er waarschijnlijk op uit conflicten in de toekomst te voorkomen. Eigenbelang dus.”

En de goedlachse Meyer kan nog steeds niet goed uit over een reportage uit Amerika die hij vorig jaar zag: “Dat ging over bejaarden die een Aibo-robot hadden, dat zijn die robothondjes van Sony. Ik vond het een beetje onthutsend hoe ze daar helemaal aan verknocht waren geraakt. Ze zeiden van die dingen als: hij kent me goed hoor. En ze wilden hem absoluut niet ruilen voor een ander. Nou zijn die robots wel een heel klein beetje adaptief, maar dan nog.”

Het brengt het onwaarschijnlijke succes van de tamagotchi in herinnering, het Japanse elektronische huisdier in de vorm van een minicomputer met een minischermpje, dat voortdurend piepte om eten en aandacht.

“Er moet een soort universele primitieve basis zijn op grond waarvan je affectie kunt oproepen,” zegt Koops, die zich nog levendig herinnert dat zijn dochter zo’n nepbeestje had. “We leggen het er zelf in.” Het verschijnsel gezichtsbedrog speelt in zijn onderzoek een opmerkelijke rol. Hij ontdekte bijvoorbeeld op een partijtje van een van zijn eigen kinderen (“Ik was nooit thuis, maar had wel corvee, ik moest van mijn vrouw de verjaardagen doen.”) dat een klassiek proefje van Piaget niet opging voor de tientallen vierjarigen die hij op limonade trakteerde. Koops: “Wij hebben niet zo’n gereguleerd huishouden, dus ik had een tafel vol glazen in alle soorten en maten. Die had ik vol limonade geschonken. Nou, de kinderen vochten zich kapot om de glazen waar het meeste in zat – objectief het meeste. Dat bleken ze heel goed te weten.”

En dat leek in flagrante tegenspraak met een zeer bekend testje van Piaget, waar Koops nota bene zelf college over gaf: je giet water uit een laag en breed glas in een hoog, smal glas en vraagt een kind waar het meeste in zit. Pas kinderen van zes, zeven jaar geven het goede antwoord en lijken te begrijpen dat de hoeveelheid vloeistof niet verandert.

Koops’ verklaring: “Ik denk dat jongere kinderen gewoon visueel overdonderd worden door dat enorm hoge glas. Maar bij volwassenen gebeurt dat ook. Ik heb een analoge proef gedaan, in Groningen waar je de Martinitoren hebt. Daar zette ik de proefpersonen bovenop, en die keken naar beneden, naar de Grote Markt. Ik had het hele eerste jaar ingehuurd, zo’n 130 studenten, om daar te gaan staan. En daarna bewogen die zich, zichtbaar voor de mensen op de Martinitoren, naar de Ossemarkt. Die is veel kleiner dan de Grote Markt. De proefpersonen dachten daardoor allemaal dat er meer studenten waren. In het licht van die overdonderende visualiteit houden volwassenen dus ook hun logica niet overeind. Dat was alleen nooit uitgeprobeerd.”

Ook aan de andere ontwikkelingsfasen van Piaget schort volgens Koops nog wel het een en ander. Dat de verschillen tussen kinderen en volwassenen zo groot worden geacht, hebben we volgens hem te danken aan Jean Jacques Rousseau, wiens ideeën al twee eeuwen ons denken bepalen. “De fases van Piaget lopen exact parallel met wat Rousseau beschreef zonder ooit een kind gezien te hebben. Rara, denk je dan. Maar we zijn zijn verzonnen indeling als het ware waar gaan maken, bijvoorbeeld met het schoolsysteem waar kinderen pas op hun zesde aan ‘concrete operaties’ toe zijn. Maar ik zeg altijd dat de Middeleeuwers gelijk hadden om kinderen als kleine uitvoeringen van volwassenen te beschouwen. In een niet al te ingewikkelde analfabetische omgeving kunnen ze namelijk heel goed meedraaien: als ze drie zijn hebben ze al een Theory of Mind, wat ze in beginsel tot gesprekspartners maakt.”

Daar heeft Koops een begrip te pakken dat een rol speelt op de onderzoeksterreinen van alledrie. ‘Theory of Mind’ is zoiets als ‘het vermogen je in de denkwereld van een ander te verplaatsen’, en de oorsprong ligt bij het apenonderzoek.

Sterck schetst razendsnel de geschiedenis van haar vak: “Ten tijde van Darwin waren de dier- en de mensstudies nog niet losgekoppeld. Toen kreeg je het behaviorisme, en mocht je alleen kijken naar wat je aan de buitenkant kon zien. Wat er in het dier omging, viel niet te bestuderen, was het idee. Maar eind jaren zeventig ging men denken dat er toch iets van een ‘mind’ moest zijn, omdat je anders veel gedrag niet kunt verklaren. Ze probeerden met plaatjes te testen of een chimp wist wat andere chimps wisten. Daar kwam overigens kritiek op, en de proeven zijn veel strenger geworden, waardoor je nog steeds niet met zekerheid kunt zeggen dat of chimpansees werkelijk een ‘Theory of Mind’ hebben, maar sindsdien is die term er.”

Voor kinderen wordt meestal een variant gebruikt van het volgende testje: je vertelt over een jongetje dat iets lekkers heeft gekregen dat het ergens opbergt, zeg de keukenla. Dan gaat het even weg, en iemand anders verplaatst het lekkers, bijvoorbeeld naar de ijskast. Vraag je een twee- tot driejarige waar het jongetje als het terugkomt het lekkers gaat zoeken dan zegt het altijd: in de ijskast. Pas daarna ontwikkelen kinderen een ‘Theory of Mind’ en beginnen ze te begrijpen wat een ander al dan niet kan weten. Dan wordt hun antwoord: in de keukenla.

Meyer ziet wel raakvlakken tussen het kunnen maken van dat soort gevolgtrekkingen en zijn onderzoek naar wat ‘agenten’ heten. Een soort next generation van de expert-systemen, die zelfstandiger kunnen opereren, helemaal als er een aantal gecombineerd worden.

“Het nieuwste hype-woord is autonomie,” legt Meyer uit. “Laten we machines meer op hun eentje proberen te laten doen, zodat ze bijvoorbeeld in gevaarlijke gebieden bommen kunnen opruimen, is het idee. Bij zogeheten multi-agent-systemen proberen we veel in te bouwen, zelfs zoiets als morele oordelen. We gaan uit van BDI: ‘beliefs’, ‘desires’ en ‘intentions’, overtuigingen, wensen en bedoelingen, en om die makkelijker te programmeren hebben we een speciale BDI- programmeertaal ontwikkeld. Helemaal autonoom mogen die agents natuurlijk niet zijn, je wilt ze kunnen sturen, dus je geeft ze constraints mee, een soort normen en waarden waarbinnen ze autonoom kunnen zijn.”

Een speciale programmeertaal? Zijn zulke instructies zo langzamerhand niet in gewone mensentaal te geven? Daar zijn we nog ver vanaf volgens Meyer. “Natuurlijke taal noemen wij ‘AI hard’: net zo moeilijk als de hele AI,” verzucht hij.

Gek genoeg lijkt ook voor de andere twee taal vooral een hinderpaal. Koops: “Ik heb alleen maar last van taal gehad. Taalontwikkeling interesseert me niet, zeg ik altijd. Dat we infants – niet-sprekenden betekent dat – toeschrijven dat ze onbeschreven blaadjes zijn en geen cognitieve structuur van enigerlei fatsoenlijke aard hebben, kon omdat ze niks terugzeggen. Bij proefjes is het probleem dat je vaak niet weet of ze wel goed begrijpen wat je vraagt.”

Dus weet je dan ook niet wat ze denken. Taal houdt op een aantal manieren verband met het lezingenthema. Het taalvermogen is volgens Sterck een van de fundamentele punten waarop mensapen afwijken van mensen. “Dat alleen al maakt het denken moeilijker toegankelijk bij dieren,” zegt ze. “Waarschijnlijk maakt taal dat je over meer dieper kunt nadenken, en ook dat je beter kunt accumuleren, dingen stapelen. Dat is volgens mij ook een echt verschil: apen geven ook wel dingen aan elkaar door, hebben ‘cultureel gedrag’, maar wij kunnen kennis heel gemakkelijk stapelen.”

Hoewel ze alledrie over denken gaan praten, is Sterck de enige die zich aan een definitie van wat dat is waagt: “Het vermogen te reflecteren, is volgens mij de kern. Dat je kunt bedenken: wat ga ik doen. Of dieren dat kunnen, is lastig te bewijzen. Het kan ook toeval zijn als chimps in Ivoorkust stenen meenemen naar een plek met palmnoten, die ze daarmee open kunnen krijgen, of als orang oetans op Borneo vast kleine blaadjes gaan plukken voordat ze een nest maken waar ze die graag in hebben.”

Koops piekert niet over een sluitende omschrijving, maar ziet het menselijk denken wel als bijzonder: “Het kan altijd weer een stapje achter het eigen denken nemen, een metaniveau verzinnen, en daar dan weer over denken, tot in het oneindige. Dat Droste-effect, je weet wel, die blikjes waarop een verpleegster een blad met een blikje Droste-cacao vasthoudt, waarop een verpleegster staat die…”

Meyer: “Maar dat kan een computer in feite tot op zekere hoogte ook. Niet oneindig, maar dat kunnen wij ook niet. Maar in hoeverre de AI het denken over denken veranderd heeft, daar ben ik nog niet uit.”

Willem Koops (1944) moest van zijn vrouw de kinderpartijtjes doen, en ontdekte dankzij dorstige kleuters en tientallen veelvormige glazen limonade dat de beroemde ontwikkelingsfasen van de grondlegger van zijn vak niet opgingen. Koops is hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht, en decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen. Hij spreekt op de komende Universiteitsdag over de vraag Kunnen kinderen denken?

John-Jules Meyer (1954) had graag een mede door hem geprogrammeerde slimme speelgoedhond in de winkel willen zien, maar werpt zich nu op interessantere non playing characters voor de volgende generatie computergames. Hij is hoogleraar aan het Department of Information & Computing Sciences (ICS) van de Universiteit Utrecht en was tot voor kort wetenschappelijk directeur van de onderzoeksschool SIKS (School voor Informatie- en KennisSystemen). Kunnen machines denken? is de titel van zijn lezing. 

Liesbeth Sterck (1960) zag op Borneo hoe een orang-oetanmannetje drie dagen nadat hij verjaagd was op precies dezelfde plek leek te zitten wachten op het vrouwtje dat hij begeerde. Ze onderzoekt mede met behulp van een Vidi-subsidie of apen alleen in het heden leven of dat ze zich ook gebeurtenissen herinneren, en is universitair hoofddocent bij de vakgroep Gedragsbiologie van de UU. Kunnen dieren denken? heet de lezing die ze op de Universiteitsdag houdt.

Het raadsel van de betekenis

“De muur waar je niet overheen kunt zit bij de vraag wat er in je hoofd gebeurt. Taal is niet een groepje neuronen in je hersenen. Het gaat ondermeer om kennis die op de een of andere manier gerepresenteerd is in je brein. En die daar groeit, wat heel bijzonder, en biologisch gezien interessant is. Die representaties waaien je je aan als je een kind bent. De uiteindelijke decodering daarvan, hoe je die representaties ‘gewaarwordt’, is een mysterie dat niet op te lossen is. Dat is een principieel doodlopende weg.”

Prof.dr. Jan Koster (46), hoogleraar Algemene Taalwetenschap en Taalfiloso­fie aan de universiteit van Groningen, is reso­luut in zijn uitspraken. Maar hij ziet voor de taalkunde voorlopig toch meer weidse vergezichten dan muren opdoemen.

Dat komt doordat de tijd volgens hem rijp is voor samenwerking, zowel tussen de verschillende gebieden van de taalkunde als tussen de taalkunde en andere vakgebieden.

Koster: “Er is inmiddels zoveel theoretische kennis dat niemand er meer omheen kan. Of je nu iets wilt zeggen over taalverwerving, over de gebarentalen van doven, over taalstoornissen zoals afasie, in al die gebieden zie je toepassingen. In kindertaalonderzoek is er momenteel echt een explosie: mensen van allerlei disciplines werken daaraan. Maar er kan nog veel meer.”

“Neem bijvoorbeeld het volgende. Het blijkt dat kinderen een vast patroon doorlopen bij het leren van taal (het maakt niet uit welke taal). En het interessante is dat de stappen’ die ze daarbij zetten soms heel plotseling zijn. Inééns beginnen ze bijvoorbeeld álles na te zeggen wat jij zegt, en ze maken ook alle geluiden na: kreten, boeren, gebrom. Die plotsklapsheid doet denken aan een hormonale stoot. Het kan zijn dat die stappen getriggerd, opgewekt worden door hormonale veranderingen. Daar is niets van bekend, dat zou je dus biomedisch moeten bekijken. Aansluiting zoeken bij de ethologie, de gedragsleer van dieren, zou ook dingen kunnen opleveren. Er zijn karrevrachten interessante onderzoeken te bedenken.”

Dat die desalniettemin nog maar zelden gedaan worden heeft alles te maken met een aantal praktische obstakels. Die zitten ten dele in het vak. Koster: “De ontwikkelingen zijn hard gegaan. En je moet de stof wel kennen, je moet er echt voor gaan zitten, wil je er iets mee kunnen doen. Neem fonologie. Ik ben geen fonoloog, en zelfs als ik me nu een jaar ga inlezen denk ik niet dat ik daarna meteen zinnig onderzoek kan doen.”

“Voor mijn eigen specialisme, de syntaxis, geldt voor relatieve buitenstaanders hetzelfde. Die berg basiskennis is echt een hindernis voor bijvoorbeeld psychologen, terwijl de taalkunde feitelijk een onderdeel is van de cognitieve psychologie. We kunnen een essentiële bijdrage leveren als het gaat om de vraag hoe de hersenen werken.”

“Nog een probleem is onze oorsprong. We komen uit de letterenfaculteit, en dat maakt het doorbreken van facultaire grenzen extra moeilijk. Noch binnen noch buiten letteren worden we goed begrepen. Daar moet wel bij gezegd dat de moderne taalkunde zelf ook schuld treft: we hebben te veel aan gettovorming gedaan. Dat is nu een beetje aan het veranderen, en ook omgekeerd begint bij anderen door te dringen dat er binnen de taalkunde wezenlijke doorbraken hebben plaatsgevonden die zich lenen voor interpretatie in termen van hun wetenschappen.”

Aan de universiteit van Groningen wordt er sinds kort dan ook wel samengewerkt. Binnen het in 1990 van start gegane Centrum voor gedrags-, cognitie,-  en neurowetenschappen, in de wandeling BCN genoemd, werken naast taalkundigen ondermeer neurologen, psychiaters, biologen en biofysici. Uniek voor Europa, zegt Koster.

Hij heeft hoge verwachtingen, bijvoorbeeld van onderzoek dat samen met het Pet-scan Centrum van het Academisch Ziekenhuis in Groningen gedaan wordt.

Koster: “Een pet-scanner is een apparaat waarmee je processen in de hersenen zichtbaar kunt maken. Dat doe je door mensen glucose (druivesuiker) in te spuiten. Die glucose is ‘radioactief gelabeled’, zoals dat heet, en dat zorgt dat je kunt volgen waar het zich in het lichaam bevindt. Je hersenen hebben suiker nodig om te ‘werken’. Een pet-scan laat zien waar in de hersenen op een bepaald moment de grootste activiteit plaatsvindt. Met gerichte tests die gebaseerd zijn op taalkundige inzichten kun je meer te weten komen over de relatie tussen taal en hersenen. Je kunt kijken wat er actief wordt bij taalverwerking bijvoorbeeld.”

“Dat is overigens nog niet zo gemakkelijk, want hoe baken je een taalgebonden taak af van andere taken. Als je tegen iemand zegt: denk aan je moeder, dan zie je ook hersenactiviteit. Maar het is wel duidelijk nu dat ‘taal’ niet op één plek zit. Er zijn grote delen van de hersenen bij betrokken, het is niet strikt gelocaliseerd. Taal zelf bestaat natuurlijk ook uit uiteenlopende dingen. De woorden van een taal zijn iets anders dan de verbindingen tussen de woorden. Je ziet in de hersenen dan ook samenwerking tussen verschillende gebieden.”

Daar ziet Koster ook mogelijkheden voor een theorie over een brandende maar misschien wel principieel onoplosbare vraag: waar komt taal vandaan? De vraag is eigenlijk niet goed geformuleerd vindt Koster: “Taal is niet één ding, maar een heleboel verschillende dingen. Die hebben denk ik ook verschillende oorsprongen. Je kunt een grove indeling in tweeën maken: enerzijds is er ons combinatievermogen, anderzijds ons begripsvermogen.”

“In dat combinatievermogen zie je een paar dingen steeds terugkomen. Een belangrijke verworvenheid van de moderne taalkunde is dat er aannemelijk is gemaakt dat talen onderling niet zo erg verschillen.”

“Ondanks dat je eerste indruk wijst op het tegendeel: het opvallendste aan een taal zijn de woorden, en inderdaad, die verschillen het meest. Daar concentreer je je dus ook op als je een vreemde taal gaat leren. Maar als het gaat om verbanden leggen tussen die woorden, dan is er maar weinig variatie. Er is een beperkt aantal universele bouwprincipes.”

“Dat idee is overigens niet nieuw, maar pas in deze eeuw heeft het concreet gestalte gekregen. Noam Chomsky is begonnen formele technieken uit de logica en de wiskunde toe te passen, en dat heeft voor een grote vooruitgang gezorgd.”

“Vooral de laatste jaren zijn er heel veel nieuwe talen onderzocht en telkens als er een bijkomt zie je universele aspecten. Je wordt nooit teleurgesteld. Alle talen hebben hiërarchisch opgebouwde woordgroepen, zinnen die je kunt weergeven in boomstructuren, overal zie je recursie (patronen die binnen zichzelf herhaald kunnen worden, het Droste-effect) en naamvallen. Allemaal dingen die je niet zomaar kunt zien? Ja en nee, het is kwestie van vertrouwdheid met de inzichten. Het is zeker beroepsdeformatie, maar als ik iemand hoor praten kan ik het tegelijk in boomstructuren voor me zien.”

Van onderzoek naar dat combinatievermogen verwacht Koster nog veel resultaten. Zo zullen een aantal deeltheorieën over de verhoudingen tussen twee verschillende plekken in een structuur waarschijnlijk ooit samengeklapt worden, omdat ze op elkaar lijken. Het kernidee dat daarbij een grote rol speelt is dat van de structuurbehoudendheid:

Zinnen kun je beschouwen als een structuur die uit een aantal vaste posities (hiërarchisch) is opgebouwd. Dat wil niet zeggen dat je bij elke zin daadwerkelijk al die posities gebruikt, maar wanneer je besluit bijvoorbeeld een meewerkend voorwerp of een plaatsbepaling in je zin te stoppen, dan kun je die niet zomaar overal neerzetten. Neem de positie voor het hoofdwerkwoord. In het Nederlands staat dat in een hoofdzin in principe op de tweede plaats. Dat is de basispositie.

Maar je kunt het wel verplaatsen. Van de mededeling Piet eet een appel kun je een ja/nee-vraag maken: Eet Piet een appel? In dat geval is eet verhuisd naar een speciale positie aan het begin van de zin die niet altijd ‘gevuld’ hoeft te zijn.

Ondertussen is de oorspronkelijke positie van het werkwoord wel bewaard gebleven. Kennelijk bevindt zich daar nog een ‘spoor’ van eet, want je kunt er nu geen ander hoofdwerkwoord meer neerzetten: iets als Eet Piet wil een appel? is ongrammaticaal. Iets soortgelijks zie je wanneer je van Piet eet een appel de vraag Wat eet Piet? maakt. Wat is het lijdend voorwerp, en op de vaste positie van het lijdend voorwerp staat weer een ‘spoor’. Je kunt er geen ander lijdend voorwerp meer neerzetten: Wat eet Piet een appel? is onmogelijk.

Structuurbehoudendheid speelt ook nog op andere plaatsen in de grammatica een rol. Men denkt dan ook dat dat de juiste interpretatie van zinnen mogelijk maakt: de basisstructuur is altijd te reconstrueren. Bij de relaties tussen verplaatste zinsdelen en hun ‘sporen’ is de hiërarchie belangrijk: willen we die relatie goed kunnen leggen dan mag er bijvoorbeeld niet te veel afstand bestaan tussen het verplaatste zinsdeel en zijn spoor, en je kunt een zinsdeel ook niet zomaar middenin een ander zinsdeel zetten. Als je een vraag wilt maken van Die aardige mensen eten een appel, dan moet eten om het hele onderwerp die aardige mensen heen. Die eten aardige mensen een appel? of Die aardige eten mensen een appel? is onbegrijpelijk, eten moet naar die allereerste positie. Over de precieze aard en mogelijkheden van die positie is overigens veel discussie gaande.

Maar op het terrein van ons begripsvermogen liggen volgens Koster onoplosbare problemen voor de taalkunde. En dat terwijl ons taalvermogen volgens hem moet zijn voortgekomen uit het bij elkaar komen van die twee systemen: de mogelijkheid structuren te bouwen en de mogelijkheid de wereld onder te verdelen in bijvoorbeeld perceptuele categorieën, hem met andere woorden te ‘begrijpen’. Daartussen is ooit een brug geslagen, denkt hij.

Koster: “De wereld kunnen waarnemen en opdelen in verschillende categorieën vind je natuurlijk ook al bij dieren. Die zien ook het verschil tussen een boom of een ander beest dat ze op hun weg tegenkomen. Daar liggen de wortels. Maar wij zijn dat gaan uitbreiden. Wij kunnen werken met metaforen, beeldspraak dus, en met metonymie: dingen niet rechtstreeks bij hun naam noemen, maar bij iets dat ermee verbonden is. We zeggen neuzen tellen als we mensen tellen bedoelen. Over hoe we die stap ooit gezet hebben kun je natuurlijk alleen speculeren, maar het is opvallend dat de wereld van kinderen in eerste instantie zo concreet is.”

“Ik merk dat aan mijn eigen zoontje van twee. Voor hem bestaan alleen papa, mama, Billy de poes en andere dingen in en om het huis. Door hem realiseer ik me eens te meer hoeveel gewone dingen abstract zijn. Wat ‘geld’ is bijvoorbeeld kun je absoluut niet uitleggen aan een kind. ‘Een middel om andere dingen mee te bereiken’ is net een graadje abstracter dan dingen als beer en pap.”

Verschillende talen delen de wereld in in verschillende categorieën. De vertaling van een woord ‘dekt’ vaak het oorspronkelijke begrip net niet helemaal. Verschillende talen gebruiken ook verschillende metaforen, hebben andere dubbelzinnigheden.

Daar zit volgens Koster een cruciaal probleem voor het automatisch vertalen. De vertaalcomputer hoeven we dus ook nog steeds niet te verwachten. Koster: “De taalkunde heeft in het algemeen veel minder te zeggen over verschillen dan over overeenkomsten. Waarom talen onderling verschillen, of waarom ze niet hetzelfde blijven maar voortdurend veranderen, weten we ook niet precies. Je zou denken: als je zo’n aangeboren universele grammatica hebt, was het dan niet handiger geweest van Onze Lieve Heer om te zorgen dat we allemaal dezelfde, onveranderlijke taal kregen.”

“Maar er is een grote neiging tot differentiatie onder mensen. Men hecht daar erg aan. Taal is een belangrijk middel om een groep te definiëren, als een hondje dat piest en zo zijn territorium afbakent. Iedere generatie probeert zich door nieuwe woorden te onderscheiden. En zo verandert taal. Ik vind bijvoorbeeld dat mijn schoonouders die in 1948 uit Nederland geëmigreerd zijn ouderwets praten: ze zeggen fuif tegen feest, duiten tegen geld en iemand die slim is noemen ze goochem.”

“De taalkunde heeft ook niet veel in te brengen als het gaat om mooi of lelijk. Daar speelt persoonlijke smaak mee. En vaak is het een cultuurkwestie, en ook culturen verschillen. Ik zelf vind het mooi als iemand helder en eenvoudig schrijft, maar ik sprak laatst een Duitser die hier al een tijd woont. Dat Nederlands was wel aardig, vond hij, maar de kranten waren hier zo slecht: al die eenvoudige korte zinnen, dat was zo onintellectueel en infantiliserend. Al die lange lastige Duitse zinnen die wij hier vreselijk vinden zijn dus geen toeval: in de Duitse cultuur vinden ze dat juist mooi.”

“Overeenkomsten kunnen we met behulp van formele technieken uit andere vakken beschrijven, bij de verschillen heb je niet zo’n metataal. Dat is voor de semantiek, de betekenisleer, vaak een onoverkomelijk probleem. Over betekenis zou iedereen dolgraag meer willen weten. Maar de wetenschap is maar op twee terreinen succesvol: bij woorden die niet direct met kennis van de wereld te maken hebben, zoals alle, sommige, en niet, woorden die hoeveelheden aangeven en ontkenningen dus. En bij betekenisverbindingen tussen woorden. Kijk, Jan betekent iets, en lezen betekent iets, maar Jan leest betekent iets anders. Daarover kunnen we wat zeggen, maar dat is natuurlijk maar een heel gering gedeelte van wat ‘the man in the street’ onder betekenis verstaat.”

“Het overgrote deel daarvan lijkt volkomen ontoegankelijk te zijn voor wetenschappelijke studie. Bij huis-tuin-en-keukenwoorden kom je nooit verder dan omschrijvingen: ‘een paard is een dier’, ‘makkelijk is niet moeilijk’. Maar wat die woorden betekenen, wát je zou moeten representeren blijft een raadsel.”

“Dat vind ik jammer, ja. Het gaat om een van de meest wezenlijke elementen van het menselijk bestaan. Alsof je wel weet hoe de voortplanting functioneert, maar er niet achter kunt komen hoe de liefde werkt. En die liefde vind je toch belangrijker.”

Noot: De wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad bestond tien jaar. Reden om dertig onderzoekers uit alle hoeken en gaten van de wetenschap te vragen naar de grenzen van hun vak. Dit interview is een van de verhalen die dat opleverde. Ze kwamen ook terecht in een boek: De mond vol tanden. Dertig vraaggesprekken over wat de wetenschap niet weet. Dat werd nog genomineerd voor de prijs voor het beste populair-wetenschappelijke boek van de laatste twee jaar, de KIJK-Wetenschapsweekprijs (voorloper van de Eurekaprijs). Maar die ging dat jaar naar Gebarentaal, de taal van doven in Nederland, dat ik samen met Tony Bloem, Ruud Janssen en Albert van de Ven maakte. Voelde me dus supergenomineerd ;-).

Zware kost over zelfzuchtige genen

Steven Pinker: Hoe de menselijke geest werkt., vertaald uit het Engels door Han Visserman en Henri da Silva, Contact, 654 blz. 

De mens is een verzameling wonderbaarlijke vermogens. We hebben er een hoofd vol van.

Zoals ons gezichtsvermogen, dat zelf weer uit een aantal kleinere vermogens is opgebouwd: we kunnen bijvoorbeeld kleur zien, en diepte en beweging. Of neem ons taalvermogen, dat onder meer bestaat uit onmiddellijk de goede klanken kunnen vinden bij tienduizenden woorden, en de kunst die telkens op een andere manier zinvol te combineren.

Ook kunnen we liefhebben, ons verbazen, haten, treuren en nog veel meer voelen. We redeneren en reageren aan een stuk door en het speelt zich allemaal af in onze geest. Ik zou niet zo gauw een boeiender vraag weten dan hoe dat werkt. Wat voor samenspel van mechanismen is de geest? Hoe komen we aan die hele machinerie?

Wie niet in godswonderen gelooft, heeft daar maar een antwoord op: wij zijn het product van de evolutie, dus onze geest ook. Steven Pinker behoort tot de vier procent Amerikanen die niet in een hogere macht geloven. In zijn boek How the Mind Works, onlangs vertaald als Hoe de menselijke geest werkt, speelt de evolutie dus een grote rol.

Het andere uitgangspunt: de geest lijkt qua organisatie op het lichaam. Zoals we nieren, longen en een hart hebben die stuk voor stuk toegerust zijn voor een specifieke taak, zo hebben we ook een heel stel gespecialiseerde ‘mentale organen’, zoals die voor ‘zien’ en voor ‘taal’. Samen vormen ze een systeem dat allerlei typen informatie kan verwerken, en dat ook volcontinu doet. De menselijke geest ‘rekent’ zich rot.

In de wetenschap zijn dat zeker geen nieuwe gedachten meer, en ze zijn bovendien vruchtbaar gebleken. Maar de uitkomsten zijn verre van gemeengoed. Een uitstekend idee dus van Pinker om wat we inmiddels weten bij elkaar te zetten in een boek voor een breed publiek.

Hij heeft er ook de juiste achtergrond voor. Pinker is directeur van het Centrum voor Cognitieve Neurowetenschappen van het Massachusetts Institute of Technology in Boston. Zelf is hij psycholoog en in zijn eigen onderzoek heeft hij zich vooral met taalverwerving beziggehouden. In 1994 verscheen zijn eerste ‘publieksboek’: The Language Instinct (vertaald als Het taalinstinct) en dat sloeg aan, vooral in Amerika (zelfs zo dat het voorschot voor How the Mind Works naar verluidt een half miljoen dollar bedroeg).

De grote verdienste ervan was dat het de moderne theoretische taalkunde buiten de kring van taalkundigen wist te brengen. Niet alleen doordat ‘gewone’ lezers het lazen, maar Pinker vond ook gehoor en daardoor aansluiting bij onderzoekers van allerlei andere terreinen. Dat was tot die tijd meestal maar slecht gelukt.

Zelf ziet hij Het taalinstinct en Hoe de menselijke geest werkt als complementair. In het nieuwste boek gaat het daarom nauwelijks over taal. Dat is immers zo’n ‘mentaal orgaan’ dat de evolutie ons opgeleverd heeft, en dus in zekere zin niet meer dan een voorbeeld van het bredere beeld dat hij in Hoe de menselijke geest werkt wil schetsen.

De twee boeken zijn onmiskenbaar van dezelfde hand: Pinker wil cognitie (onze ‘hogere’ geestelijke vermogens) en evolutie samenbrengen. Ondertussen laat hij telkens zien een scherp oog te hebben voor aansprekende voorbeelden en illustraties uit de dagelijkse praktijk, die hij bovendien in niet-academische bewoordingen weet na te vertellen. Zijn teksten staan er vol mee.

Maar er zijn meer overeenkomsten. Beide boeken maken ook duidelijk dat Pinker rampzalig slecht is in een lijn uitzetten en vasthouden. Bovendien kent hij nauwelijks twijfel, wat voor een onderzoeker nogal opmerkelijk is. Pinker poneert veel en graag.

Neem nu die aanname dat onze geest uit losse, maar wel op elkaar inwerkende ‘modulen’ bestaat. Daar zijn enerzijds zeker concrete aanwijzingen voor, terwijl er anderzijds ook grote problemen liggen, bijvoorbeeld met de afbakening: wat moet je nou precies een module noemen, en uit welke modulen zijn die zelf weer opgebouwd?

Om de moeilijke punten fietst Pinker vrolijk heen, en aan onderbouwing doet hij niet veel. Dat kan ook vrij gemakkelijk, want anders dan je na het lezen van de inleiding zou verwachten, is het boek geen overzicht geworden van het onderzoek naar de functie en werking van onze geestelijke vermogens.

Waarom niet is een raadsel, want gegevens zijn er tegenwoordig zat. Als er nou één bloeiend en wereldwijd explosief groeiend onderzoeksterrein bestaat, dan is het wel wat de ‘cognitieve neurowetenschappen’ is gaan heten. Daaronder valt al het onderzoek naar het verband tussen de bouw en werking van onze hersenen en onze cognitieve functies. Dan gaat het niet alleen om zien en taal, maar ook om dingen als: hoe plannen we, hoe richten we onze aandacht ergens op, hoe werkt het geheugen en nog veel meer.

Er wordt driftig gebruik gemaakt van de relatief jonge technieken waarmee je levende, reagerende hersenen kunt bestuderen, en dat levert een complex maar per definitie interessant beeld op. Pinker is nota bene directeur van een instituut voor cognitieve wetenschappen, en waar anders dan in het brein zou zich onze geest moeten bevinden, maar in Hoe de menselijke geest werkt spelen de hersenen maar een miniem rolletje.

In plaats daarvan begint het boek met verhalen over robots, over kunstmatige intelligentie dus. Bepaald geen terrein waarin recentelijk grote doorbraken zijn geweest. De pogingen onze eigen vermogens na te bouwen in een machine hebben in elk geval één ding duidelijk gemaakt: hoe waanzinnig knap we zelf zijn. Het kost ongelooflijk veel moeite een computer bijvoorbeeld iets te laten herkennen, of zich voort te bewegen op oneffen terrein, zoals Pinker ook laat zien. Maar wat hij er nou precies mee wil aantonen, blijft in de lucht hangen.

Gaat het hem erom duidelijk te maken dat er veel meer in ons zit ingebouwd dan we geneigd zijn te denken? Hij heeft het onder meer over een neuraal netwerk, dat getraind is om familierelaties ‘uit te rekenen’.

Maar het systeem moest bijna alles ‘voorgezegd’ krijgen en had maar liefst 150.000 lessen nodig om zelf een paar juiste conclusies van het type ‘Pietje is dus de broer van Marietje’ te trekken. Dat lijkt natuurlijk in de verste verte niet op hoe kinderen familierelaties leren, zegt Pinker. Waarom dan zijn nadruk op computers als hij zelf ook concludeert dat er te veel belang aan wordt gehecht aangezien wat een machine kan uiteindelijk toch helemaal afhangt van wat je erin stopt? En waarom zoveel tekst gewijd aan het raadsel van ons bewustzijn, als hij toch net zomin als wie ook een oplossing heeft?

Ondertussen is het allemaal wel behoorlijk zware kost, en gek genoeg werkt de ‘verlichting’ die Pinker aan probeert te brengen alleen maar averechts.

Ik zou nooit gedacht hebben dat dat mogelijk was, maar het hele boek gaat gebukt onder een teveel aan voorbeelden. Op den duur werd ik ook helemaal dol van de opsommingen, die soms wel erg gewild aandoen. Eén keer is een omschrijving zoals die van verliefdheid met de woorden “aantrekking, verzotheid, hofmakerij, ingetogenheid, overgave, verbondenheid, onvrede, rokkenjagerij, jaloezie, verlating en hartzeer” misschien aardig, maar een boek vol met opeenstapelingen van zulke uitweidingen en telkens nóg een voorbeeld en nóg een voorbeeld beneemt je al gauw het zicht op de kwesties waar het om draait.

Ik moet bekennen dat het me zelden zo veel moeite heeft gekost een boek helemaal uit te lezen. Over de evolutie van onze ‘mentale organen’ heeft Pinker uiteindelijk maar bitter weinig te zeggen, vind ik.

De laatste hoofdstukken bleken nog het aardigst. Daarin worden ons maatschappelijk functioneren en onze relaties consequent door een evolutionaire bril bekeken. Alles wat we doen, is het gevolg van adaptaties, en dan niet aan de wereld van vandaag, maar aan een bestaan als jagers-verzamelaars in een savannelandschap.

Die blik heeft zowel iets verfrissends als iets benauwds. De schakeringen ontbreken. Waarom mannen verkrachters zijn en vrouwen niet is natuurlijk best uit onze ‘zelfzuchtige genen’ te verklaren, maar waarom de ene man wel een bruut is en de ander niet wordt daarmee niet duidelijk. De ene menselijke geest is de ander niet.

Iets anders is dat ik juist die dingen allemaal al wel eens elders gelezen had. Ook in boeken voor een breed publiek, zoals Helen Fischers Anatomy of Love en Robert Wrights The Moral Animal, die weliswaar in de literatuurlijst staan, maar in de tekst nergens genoemd worden.

Met bronnen lijkt Pinker wat merkwaardig om te gaan. Aan de ene kant barst zijn boek van de dikwijls niet ter zake doende academische verwijzingen (‘Jan en Klaas hebben eens gezegd’), maar ik bespeur tegelijk een neiging veel zaken naar zich toe te trekken.

Datzelfde gold voor Het taalinstinct, en je ziet het zelfs in hoe hij daar in zijn nieuwe boek naar terugverwijst, met zinsneden als ‘zoals ik in Het taalinstinct al aantoonde’. Dat hinderde me omdat het daarbij consequent om dingen gaat die door anderen dan hemzelf zijn aangetoond.

Grappig is dat Pinker aldoor de gelijkheid van alle mensen benadrukt. Telkens haalt hij de overeenkomsten tussen culturen naar voren: overal wordt getrouwd, geloofd in god, gestreden om de macht.

Dat is natuurlijk ook zo, maar tegelijk laat zijn boek de beperktheid van die visie zien, omdat het volledig doortrokken is van de Amerikaanse cultuur. De Amerikaanse verhoudingen, omgangsvormen en kwesties bepalen toch het gezichtspunt. Zo voert Pinker denkbeeldige discussies met radicale feministes en zelfs met advocaten. Dat dingen in onze natuur zitten, betekent nog niet dat ze ‘goed’ zijn, houdt hij ons keer op keer voor.

Terecht, maar zijn gehamer op dat soort zaken geeft het boek een bepaalde moralistische bijsmaak, die in Nederland niet goed past.

Ook Pinkers voorbeelden komen natuurlijk vooral uit zijn eigen omgeving. Hier laten de vertalers – die een heidense klus hebben gehad, maar naar mijn smaak iets te formeel zijn in hun woordkeus (‘de idee’, veel verwijzingen met ‘zij’ en ‘haar’) – hun grootste steken vallen.

Uitleg of een Nederlands equivalent ontbreken veel te vaak. ‘Cheese cake’ is wel kwarktaart, maar onze standaardtaart is slagroomtaart. ‘Letters to Ann Landers’ zijn natuurlijk letterlijk vertaald ‘brieven aan Ann Landers’, maar dat zegt hier niets. Daar had ‘Lieve Lita’ of ‘Margriet weet raad’ ofzo moeten staan. Botweg een letterlijke vertaling geven leidt tot meer onbegrijpelijke dingen. Een passage over Mr. Spock is alleen te volgen als u net als ik een Startrekfan bent en precies weet wat er aan het begin van elke aflevering gezegd wordt. Had daar niet een klein voetnootje bij gekund?

Of neem hoofdstuk zeven, dat zo begint: “Kom op mensen, lach eens naar uw broeders en zusters! Allemaal hand in hand, probeer nú elkaar lief te hebben. We beleven nu het ochtendgloren van het Aquariustijdperk: harmonie en wederzijds begrip, sympathie en vertrouwen overal om je heen. Geen onwaarheid meer, geen spot: gouden, levende dromen van visioenen, glasheldere mystieke openbaringen en een echte bevrijding van de geest. Stel u voor: geen bezit meer; ik vraag me af of het u lukt.”

Het gaat nog verder (zoals gezegd: Pinker houdt van veel voorbeelden), maar hebt u ’m door? Het zijn popsongteksten.

De laatste zin bijvoorbeeld is het begin van John Lennons Imagine, en de eerste twee, zo leerde een zoektochtje over het Internet, komen uit het mij volslagen onbekende nummer Get together, onder meer uitgevoerd door de Indigo Girls en de Young Bloods. Dat staat er dus allemaal niet bij, ook niet verderop. Wie het vanzelf snapt, heeft terugvertaald, zo ongeveer het allerlaatste dat de bedoeling van een vertaling kan zijn. Voor zover deze teksten in Nederland bekend zijn, zijn ze dat in hun oorspronkelijke Engelse versie. Ze allebei geven (zoals elders in het boek bij stukjes poëzie wel gebeurt) was hier echt het minste geweest.

Waarom de computer geen vertaler wordt

De computer als vertaler.  J.J. Schoorl. Uitgeverij Boom, Meppel / Amsterdam. Prijs: f 37,50

Deze Gebruiksaanwijzing an de Geyser an te brengen. NL’ stond er op de sticker die ik bij mijn nieuwe geiser kreeg. Braaf heb ik indertijd aan dat verzoek gehoor gegeven, zodat ik nog steeds iedere keer als ik de kraan opendraai met een staaltje ‘Newspeak’ geconfronteerd word. Bij mijn wasmachine zat een boekje dat me onder andere vertelde dat ik de deurafdichting rustig af mag wrijven met een doek. Of mijn tere weefsels med een voorwas behandeld moeten worden hangt af van de vervuilingsgrad.

Dit soort rare taal- en spelfouten (je vindt ze in vrijwel iedere gebruiksaanwijzing) werken ontegenzeggelijk op de lachspieren, maar tegelijkertijd maken ze een nogal onbetrouwbare indruk. Ik bedoel: je vraagt je af of Bauknecht wel echt weet wat wij vrouwen wensen. Foutloze, in duidelijk Nederlands gestelde voorschriften horen daar in ieder geval ook bij.

Maar goede vertalers zijn duur, en gebruiksaanwijzingen nogal saai om te vertalen. Je zou denken dat apparatenfabrikanten geweldig veel baat zouden hebben bij een automatische vertaler. En zij niet alleen: alle internationale bedrijven en organisaties zouden ermee geholpen zijn. Waarom is er dan nog steeds geen fatsoenlijke vertaalmachine op de markt?

Wie dat wil weten doet er verstandig aan het boekje De computer als vertaler van J.J. Schoorl eens te lezen. Daarin worden bijna alle problemen die de makers van vertaalprogramma’s op moeten lossen helder besproken.

Schoorl schept de rijstebrijberg waaruit taal met al zijn aspecten bestaat, netjes lepeltje voor lepeltje weg, echter zonder dat hij ons daarmee uitzicht geeft op een luilekkerland van vertaalmachines. Al die verschillende lepeltjes rijstebrij vormen namelijk weer nieuwe bergen of bergjes die alsnog weggewerkt zullen moeten worden. Alleen al het lezen hierover zal veel mensen hun eetlust ontnemen.

Tekstverwerker

Schoorl begint met duidelijk te maken hoe onterecht de benamingen tekstverwerker en spellingscorrector eigenlijk zijn. Een tekstverwerkingsprogramma kan niet meer dan rijtjes tekens (letters, cijfers, leestekens) en spaties onderscheiden. De volgorde van de tekens binnen die rijtjes, noch de volgorde van de rijtjes zelf ‘betekenen’ iets voor hem. Het verschuiven, verwisselen, invoegen of uitvegen van rijtjes tekens heeft alleen zin voor de gebruiker: hij is degene die ‘tekst verwerkt’, niet het programma.

Zelfs de Engelse naam wordprocessor belooft al teveel: de computer ziet geen enkel verschil tussen wat wij een woord noemen en een willekeurige letterreeks als lbrski.

Zo is er ook geen sprake van dat een met een ‘spellingscorrector’ uitgeruste ‘tekstverwerker’ ook werkelijk zou kunnen spellen. Tik ik bijvoorbeeld Ik wordt betaalt in dan volgt er geen melding dat ik iets verkeerd gedaan heb: ik, wordt en betaalt zijn alledrie bestaande Nederlandse vormen, dus staan ze alledrie in de alfabetische lijst waaruit de spellingscorrector feitelijk bestaat. Uit die lijst valt nooit op te maken dat wordt in dit geval zonder t gespeld hoort te worden, noch dat betaalt hier een voltooid deelwoord is, en dus op een d moet eindigen.

Pas als ik ik wrod betalad of iets dergelijks typ krijg ik een waarschuwing: die woorden kent mijn programma niet. De correctie mag ik vervolgens zelf uitvoeren.

Wat wijsheid

Hoe kun je zo’n dom log systeem nu wat wijsheid bijbrengen over woorden en verbanden tussen woorden onderling, zodat het teksten uit de ene taal om kan gaan zetten in een andere taal?

Daarvoor moet je het al die dingen die wij min of meer vanzelf weten precies vertellen. Zo’n spellingscorrector maakt daar een klein begin mee: die vertelt (althans in principe) welke letterreeksen wel en welke niet in een taal thuishoren. Aan die woorden kan vervolgens van alles toegevoegd worden, bijvoorbeeld wat voor sóórt woord het is.

Voor de vertaling van drukte maakt het alles uit of we met een vorm van het werkwoord drukken te doen hebben, of dat het om een zelfstandig naamwoord gaat. Uit in Hij uit zich moeilijk is iets anders dan uit in Het verhaal is uit, en dat is weer niet hetzelfde uit als in Hij komt uit China.

Vertel je de computer met welke woordsoort hij te maken heeft, dan kan hij ook op zijn ‘buitenlandse’ woordenlijst bij de juiste woordsoort gaan zoeken naar de juiste vertaling. De kans dat Het licht gaat uit er in het Frans als La legere va fini uitkomt wordt daarmee een stuk kleiner. Monikenwerk natuurlijk, om bij alle woorden nog allerlei extra’s toe te voegen.

Je zou dus kunnen proberen of je je computer niet wat algemene regels bij kunt brengen die hem in staat stellen zelf de woordsoort aan de vorm van het woord te herkennen.

Dat kan tot op zekere hoogte: een woord in het Nederlands dat op heid eindigt is bijna geheid een zelfstandig naamwoord (aardigheid, nieuwigheid, woestheid etc.), en een woord op –bare moet een bijvoeglijk naamwoord zijn (openbare, verkoopbare etc.). Het blijkt vrij goed mogelijk om een computer automatisch woorden te laten opdelen in voor- en achtervoegsels en stammen.

Maar daarmee kan hij ze nog niet vertalen. Weliswaar werken veel andere talen ook met voor- en achtervoegsels, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat ze dat ook bij dezelfde woorden doen. En zelfs als ze wel een samenstelling maken met behulp van een voor- of achtervoegsel, dan nog is er nauwelijkse enige voorspelling te doen over hoe dat woord eruit gaat zien.

Wie denkt dat onder- in het Engels under- wordt komt bij undertake voor ondernemen nog wel goed uit, maar zit met undertaker voor ondernemer al helemaal fout: een undertaker is alleen een begrafenisondernemer en ondernemer moet vertaald worden met entrepeneur. Een onderrok is een petticoat, een onderhoud een interview en Engelstaligen noemen hun onderarm forearm.

Het achtervoegsel -baar lijkt ongeveer hetzelfde te doen als able in het Engels, dacht u. Vergeet het maar. Bij eetbaar-eatable klopt het toevallig wel, maar bruikbaar wordt useful, ontelbaar countless en ontplofbaar explosive.

Enfin, zo gaat Schoorl nog een tijdje door. Met -heid, -lijk, uit- en on- is het al niet beter gesteld, en andersom, als je van Engels naar Nederlands wil vertalen gebeurt er natuurlijk precies hetzelfde.

Gewone samenstellingen zijn helemaal een komisch nummer. Stel je computer kan groente en man netjes in het Engels vertalen, dan kun je hem natuurlijk leren om van groenteman vegetableman te maken, alleen, zo’n man heet in Engeland greengrocer, en dat is weer geen groenkruidenier. En speelgoed wordt nooit playgoods, maar altijd toys. Een beroemde grap is ook dustsucker voor stofzuiger (moet zijn vacuum-cleaner of hoover), en de fraaiste die Schoorl geeft vind ik unthroughgroundily voor ondoorgrondelijk.

Maar de fabrikant van stofzuigers of wat dan ook zit natuurlijk niet te wachten op grappen in zijn gebruiksaanwijzingen, evenmin als de leden van het Europese Parlement komische notulen wensen. Al die samenstellingen zullen dus ‘met de hand’ ingevoerd moeten worden, en hetzelfde geldt voor uitdrukkingen: het is puur toeval dat Engelstaligen op het moment dat wij ‘de pijp uitgaan’ ‘de emmer schoppen’, dat moet een vertaalprogramma dus expliciet verteld worden.

Dit alles levert op zichzelf al een niet te overziene hoop moeilijkheden op, terwijl we het nog niet eens gehad hebben over woorden met meer dan een betekenis (bank is de bekendste) en dus vaak meer dan een vertaling.

Hier kan monikenwerk nauwelijks nog enige uitkomst brengen, omdat het probleem van ‘kennis van de wereld’ om de hoek komt kijken. In een zin waarin ouderlingen tijdens de dienst uit de bank vallen, weten wij mensen direct dat het wel om een kerkbank zal gaan. De juiste Engelse vertaling is in dat geval niet bench of iets dergelijks, maar pew.

Je kunt proberen om de computer enige ‘contextkennis’ te geven, door aan een woord als ouderling het kenmerk KERK vast te plakken, bijvoorbeeld.

Grammatica-regels

Treft je programma dat kenmerk in de buurt van bank aan, dan zal het kiezen voor de vertaling die ook KERK als kenmerk meedraagt. In dit geval zou dat pew moeten zijn. Waterdicht is een dergelijke aanpak natuurlijk nooit, ook een ouderling kan op een bankje in het park zitten. En daar komt bij dat het vrijwel ondoenlijk is bij alle woorden alle relevante kenmerken te geven.

Helemaal lastig wordt het een computer het verschil te laten begrijpen tussen Jan ging met zijn autootje naar zolder en Jan ging met zijn autootje naar Delft. In het Russisch bijvoorbeeld moeten die twee metten verschillend vertaald worden, maar er is verdomd veel kennis van de wereld nodig om te weten dat Jan in het eerste zinnetje zijn (speelgoed)autootje onder de arm neemt en de trap oploopt, terwijl de tweede Jan in zijn auto stapt om naar Delft te rijden.

Maar de computer moet niet alleen ‘het juiste woord’ zien te vinden, dat woord moet ook nog op ‘de juiste plaats’ komen te staan. Schoorl geeft een paar mooie voorbeelden van het ‘Stone-Coal English’ (zoals hij het noemt) dat het resultaat is van woord-voor-woord-vertalingen. Van die dingen als This book have many people even twice read in plaats van Many people have read this book even twice voor Dit boek hebben veel mensen zelfs tweemaal gelezen. Hier moeten grammatica-regels uitkomst bieden.

Schoorl boos

Ik weet niet wat voor persoonlijke frustraties Schoorl heeft opgelopen bij theoretisch taalkundigen, maar de hoge toon die hij ineens aanslaat zodra het over grammatica gaat is onbegrijpelijk.

Dat is bijzonder jammer, want de rest van zijn boekje is in een prettige en duidelijke stijl geschreven, en overal worden flinke hoeveelheden voorbeelden van gegeven. Dat houdt plotsklaps op als hij over theoretische grammatica begint. Het lijkt er nog het meeste op dat Schoorl boos is omdat taalkundigen nog niet alle volgorde-regels kennen die voor een goede vertaling onontbeerlijk zijn.

Dat is natuurlijk lastig, maar toch een wat vreemd verwijt. Zeker als vervolgens blijkt dat vrijwel alles wat vertaalprogramma-makers aan grammatica-regels gebruiken rechtstreeks uit de theoretische hoek komt. Schoorl gaat hier trouwens maar heel summier op in, en voortdurend blijkt dat hij onvoldoende thuis is in de theoretische linguistiek.

Die vreemde bozige toon ontsiert ook af en toe het tweede deel van zijn boek. Daarin schetst Schoorl kort een aantal lopende en beginnende vertaalprojecten in binnen- en buitenland.

Hoeveel zijn impressies, gebaseerd op literatuurstudie en korte bezoekjes, waard zijn weet ik niet. Hijzelf is ook nogal sceptisch over de resultaten die hij te zien kreeg. Geen enkel programma is in staat tot een goede vertaling zonder ‘hulp van buitenaf’.

Die hulp kan vooraf, tijdens of na de machinale vertaling geboden worden. In jargon heet dat pre-, inter- en post-editing. Pre-editing kan bestaan uit het simplificeren van de invoertekst (alleen woorden en constructies die het programma kent), bij inter-editing kan de computer tussentijds vragen stellen (bedoel je met bank een geldinstelling?) en bij post-editing verbetert iemand de uiteindelijk vertaling.

Schoorl geeft ruwweg een indicatie van de weg die de verschillende projecten proberen te bewandelen. Ook daar geeft hij weer de nodige uitleg bij, zodat ook mensen die alleen iets over pakweg Eurotra, Systran of Rosetta willen weten veel aan dit boek kunnen hebben.

 Wie kennis heeft genomen van het eerste deel van het boek zal overigens toch het nodige respect hebben voor de vertaalresultaten die sommige projecten weten te boeken. Maar, besluit Schoorl zijn boek: ‘de weg naar echte automatische vertalers is nog zo lang, dat van hieruit niet te zien is of hij eigenlijk niet doodloopt’.

“Als je hier de concentratie niet opbrengt, waar dan wel?”

“Huize NIAS, toch een beetje een rustoord voor vermoeide academici,” zegt iemand die zelf geen fellow wilde worden met lichte spot. “Een geweldige instelling, een verademing,” zegt een van de NIAS-gasten enthousiast. NIAS is de afkorting voor wat voluit The Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences heet.

Onderzoekers kunnen hier een klein jaar rustig werken. Rust en rustiek zijn inderdaad de twee woorden die je onmiddellijk voor de geest komen wanneer je het NIAS in Wassenaar nadert. Vroeger een politie-academie, nu een aantal fraaie villa’s in de bossen, verbonden door paden en bruggetjes. Alles groen, groen, groen.

Bruidsschat

Op initiatief van de Leidse professor Uhlenbeck, zelf hoogleraar linguïstiek en Javaanse taal- en letterkunde, werd het NIAS in 1970 opgericht. Achterliggend idee: onderzoekers uit de alfa- en gamma-wetenschappen de kans geven zich een tijdje helemaal aan onderzoek te wijden. Tien maanden lang geen colleges, geen bestuurlijke rompslomp. Tot 1988 viel het NIAS onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, sindsdien zit het onder de paraplu van de Akademie.

“De Akademie heeft vast nooit een instituut met zo’n mooie bruidsschat verworven”, zegt directeur van de Kaa, doelend op de anderhalve hectare grond die bij het NIAS hoort. In oktober 1991 zal met de bouw van een nieuw gebouw begonnen worden, want er is meer ruimte nodig. Ondermeer voor de zomercursussen voor aio’s en oio’s (assistenten en onderzoekers in opleiding), maar er zullen ook verblijven en werkkamers voor tijdelijke gasten komen.

Wat moet je doen om een jaartje fellow te worden? Prof.dr. Dirk J. van de Kaa, hoogleraar demografie en sinds 1987 directeur van het NIAS, legt het graag uit: “We hebben hier altijd zo’n veertig onderzoekers, van wie ongeveer de helft uit het buitenland komt. Wie hier wil komen kan daar zelf een verzoek voor indienen. Wij willen graag weten wat iemand tot dusver gedaan heeft, en wat hij van plan is op het NIAS te gaan doen. Er worden hier heel wat artikelen en boeken geschreven.”

Een selectie van de produktie van de laatste tijd ligt op tafel. Ook bij de ingang van de hoofdvilla staat een uitstalkast waarin te zien is dat er aan zeer uiteenlopende onderwerpen gewerkt wordt: van de verzorgingsstaat tot de dictatuur van het design, van “human motor controll” tot “Jews in another environment”. Veel publikaties (het NIAS geeft overigens zelf niets uit) zijn in het Engels, en dat is ook de voertaal op het NIAS.

De belangstelling uit het buitenland is groot. Van de Kaa: “Maar een op de vijftien buitenlanders die willen komen wordt gekozen. Ik maak meer mensen ongelukkig dan gelukkig als ik ze terugschrijf. Bij de selectie speelt geld ook een rol. We kunnen niet iedereen een volledig stipendium geven, dus als de instelling waar iemand vandaan komt bij wil dragen is dat mooi. En verder proberen we altijd een aardige groep samen te stellen, met een goede spreiding over de disciplines.”

Maar het NIAS ontvangt niet alleen individuele onderzoekers. Zo’n 25 fellows maken deel uit van een van de drie themagroepen die er elk jaar zijn.

Van de Kaa: “Die zijn wat gerichter bezig. Voorstellen voor thema’s worden beoordeeld door de wetenschapscommissie. Die bestaat uit vijftien mensen: vertegenwoordigers van NWO, van de samenwerkende Nederlandse universiteiten, van de commissie Geesteswetenschappen, van de Sociaal Wetenschappelijke Raad, en van afdeling Letterkunde van de Akademie. Die komen drie of vier keer per jaar bij elkaar, en ieder najaar kiezen ze de themata. Daarna volgt er dan overleg met potentiële fellows.”

“Leidende gedachten zijn telkens: is er voortgezet onderzoek te doen? Mag je verwachten dat een geconcentreerde inspanning tot iets zal leiden, en zal het uitstraling naar de universiteiten en hogescholen hebben, want daar werken we eigenlijk voor. Zo’n themagroep levert meestal een symposium of een workshop op, en daar verschijnt dan weer vaak een bundel van.”

‘Om een idee te geven: het afgelopen jaar waren de thema’s ‘Labourmarket and Institutions’, taalverwerving en ‘Law and psychology’. Dat laatste levert dan bijvoorbeeld een boek met casestudies op. Gevallen waarbij het gaat om de bewijsvoering en de bewijslast op basis waarvan mensen al niet veroordeeld zijn. De hoogleraren Crombag en Wagenaar maakten deel uit van die themagroep.”

Sinds begin september zijn er weer drie nieuwe groepen aan het werk. Onderzoeksthema’s dit jaar: “Orality versus Literacy”, waarbij het ondermeer gaat om de invloed van oraliteit (“vertelcultuur”) op de ontwikkeling van de geletterde cultuur, “The Reception of American Mass Culture in Europe” (hoe heeft de Amerikaanse massacultuur zich in Europa verspreid, en hoe werd daarop gereageerd?) en “Europe on the Move” (hoe zit het met de Europese mobiliteit en infrastructuur?). Onderwerpen waar de negentien individuele onderzoekers van het moment zich mee bezighouden strekken zich uit van milieurecht tot de geschiedenis van de psychoanalyse.

Daarover zullen dus het komende jaar vast wel lezingen te horen zijn op Nederlandse universiteiten, want veel gasten die in hun eentje onderzoek verrichten of uitwerken geven tijdens hun verblijf gastcolleges.

Geen telefoon

Sorteert het nu ook werkelijk effect, de rust van het NIAS? Gezegd moet worden dat men er alles aan doet om het de fellows naar de zin te maken. De lunch in de villa die het Ooievaarsnest heet is voortreffelijk, en blijkt dat bij navraag gemeen te hebben met alle maaltijden. Afleiding en smoezen om niet aan het werk te gaan worden de gasten zoveel mogelijk ontnomen. Zo hoeven ze geen dagen in bibliotheken door te brengen op zoek naar een bepaalde titel: een pendelbusje haalt en brengt alle gewenste boeken uit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het meest opvallende aan de werkkamers is dat een telefoon ontbreekt.

Van de Kaa: “Er komen hier wel mensen die als ze dat horen zeggen ‘oh nee, dat niet, ik kan onmogelijk zonder telefoon’. Als ze er per se een willen kunnen ze die ook wel krijgen, maar meestal zien ze er toch maar vanaf wanneer ik ze uitleg dat het juist onze opzet is de fellows een omgeving te bieden waarin ze ongestoord kunnen doorwerken. In een lege kamer, met alleen papier en een computer en met uitzicht op groen.”

Gevolg van het ontbreken van privételefoons is dat het in de gang van de hoofdvilla waar wel een telefoon staat, een continu komen en gaan van bellers is.

Met de werklust van de fellows zit het volgens van de Kaa wel goed: “Als je hier de concentratie niet opbrengt, waar dan wel? De mensen hebben ook een motivering om het goed te doen, en die is buitengemeen sterk, want ze leggen het zichzelf op.”

Storende factor voor Nederlandse fellows blijkt nogal eens de universiteit waar ze werken, of hun geweten. Van de Kaa: “Het is voor de Nederlanders veel moeilijker om allerlei bestuurlijke dingen niet te hoeven. Ik begrijp dat nooit helemaal en denk dan: laat ze nou eens een keer echt gaan. Maar het is vaak ook wederzijds. Fellows zijn loyaal aan hun vakgroep, of ze hebben studenten die ze niet in de steek willen laten. Toch is het ook voor vakgroepen belangrijk dat hun hoogleraar of hun UHD (Universitair Hoofddocent red.) een boek publiceert. Ik hoop dan ook dat er binnenkort een doorbraak komt: dat of het NIAS, of de universiteiten geld gaan reserveren om fellows ook in hun bestuurlijke taken te laten vervangen.”

Sinterklaas

De buitenlanders hebben andere problemen. Die moeten leren fietsen, ook al omdat de openbaar vervoer verbindingen vanaf het NIAS niet bepaald ideaal zijn. Ze leren ook hoe hard het hier kan regenen, en hun gezin met hen, want dat komt dikwijls mee. En zo kan het gebeuren dat na een poosje hun kinderen de bestelling gaan doen in een restaurant of op Nederlands overschakelen als ze onderling iets uit te praten hebben en liever niet verstaan willen worden door hun vader en moeder. De kans dat de fellows zelf even snel Nederlands leren is op het NIAS niet zo groot. Met Sinterklaas verzorgt the social committee gedichtjes in het Engels.

Sinds de komst van van de Kaa is er wel het een en ander veranderd op het NIAS. Er is al voor een half miljoen geïnvesteerd, ondermeer in computers. Zelfs eenvoudige pc’s waren er een paar jaar geleden nog niet. Nu is iedereen aangesloten op een netwerk, de VAX is bijna operationeel, en met behulp van e-mail (elektronische post) onderhouden de fellows contact met vakgenoten in binnen- en buitenland.

Zoals ze ook zullen blijven doen wanneer ze Wassenaar weer verlaten hebben. “Hier doen mensen contacten voor het leven op,” zegt van de Kaa, “en dat is belangrijk voor Nederland. Je moet dus de goede mensen zien te trekken, en dat lukt je niet zonder goede equipment.”

Hulp om iedereen te leren kennen biedt in elk geval een groot plakkaat met pasfotootjes en namen van de gasten dat op de deur van de bibliotheek hangt. De bibliotheek zelf bevat niet veel meer dan een collectie naslagwerken. En er is een speciaal plankje voor het werk van de fellows-van-het-moment.

“Scientific soul”

Van de Kaa schept duidelijk genoegen in zijn functie. Wanneer een van de fellows tijdens de lunch opmerkt dat hij hier zijn “scientific soul” teruggevonden heeft, straalt hij. En hij mag er graag op wijzen dat de letter A in NIAS er niet voor niets staat: het gaat hier om advanced studies, en er wordt goed werk gedaan. Wel is het zaak van tevoren precies te weten wat je komt doen, en dat is voor de jongeren soms moeilijk, zo wil hij wel toegeven. Wat hij zelf leuk vindt? “Mijn werk dwingt me voorstellen en andere stukken te lezen over terreinen die ik niet ken. Dat is interessant”, zegt hij.

Ondertussen laat hij ook zijn eigen vak, de demografie, niet in de steek. Hij houdt zich bezig met de aio-opleiding, geeft colleges, begeleidt promovendi en schrijft ook zelf nog steeds.

“Met mensen omgaan” noemt hij als een tweede aantrekkelijk aspect van zijn functie. Dat voordeel heeft ook zijn vice-voorzitterschap van NWO: “Dat brengt je in contact met iedereen.” Toch blijft het NIAS zijn hoofdfunctie, ook al houdt hij dat niet in zijn eentje draaiende. Er zijn achttien mensen in vaste dienst.

Onder wie een tuinman. Hij is de enige die met zijn grasmaaimachine de rust en stilte bij een wandelingetje over het terrein verstoort.

“Het Internet brengt juist de vrijheid van drukpers weer terug”

Soms lijkt het door de hype over het Internet wel eens anders, maar de digitale droomwereld, waarin je via je computer een willekeurige vraag stelt, waarna razendsnel het gewenste antwoord op je scherm verschijnt, bestaat niet. Ook niet voor onderzoekers. Wel worden er pogingen gedaan dat paradijs dichterbij te brengen, onder andere door het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten, het NIWI. In de kille dagelijkse praktijk valt dat niet altijd mee, want nog steeds pakt tot dusver eigenlijk alles wat met automatisering te maken heeft anders uit dan verwacht.

“Daar hebben we het al over gehad bij mijn sollicitatie”, lacht dr. Gaspard de Jong (1950), de nog erg verse directeur  van het NIWI, “al tien jaar lang zijn alle verwachtingen en schattingen niet uitgekomen. Elektronische tijdschriften zouden het helemaal gaan overnemen bijvoorbeeld, maar zo hard gaat het helemaal niet. Voorlopig hebben we dit jaar nog vijftien procent meer fotokopieën van artikelen in gedrukte tijdschriften geleverd dan vorig jaar, een groei die niemand verwachtte.”

Documentenleverantie is een van de belangrijkste taken van het NIWI, dat alleen al door zijn eigen collecties uit een zeer breed scala aan bronnen kan putten. Het instituut is twee jaar geleden ontstaan uit vijf Akademie-instituten die stuk voor stuk wetenschappelijke informatie samenbrachten en toegankelijk maakten.

Wie waar welk

Elke neerlandicus bijvoorbeeld kent de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap, samengesteld door het Bureau voor de Bibliografie van de Neerlandistiek, historici konden terecht bij het Nederlands Historisch Data Archief en voor de sociale wetenschappers was er het SWIDOC (het Sociaal Wetenschappelijk Informatie- en Documentatie Centrum). Voor de vraag wie waar welk onderzoek doet in Nederland, bestond al de databank van het Nederlands Bureau voor Onderzoek Informatie en daarnaast maken ook de Bibliotheek KNAW, die vooral veel biomedisch werk bevat, en de afdeling Documentatie en Literatuuronderzoek van de voormalige Stichting voor Onderwijsonderzoek deel uit van het NIWI.

Behalve de bibliografen van de Neerlandistiek, die voor hun werk erg afhankelijk zijn van het depot van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, zit iedereen nu in de oude Coca Colafabriek aan de Joan Muyskenweg in Amsterdam, waar ook het Meertens Instituut gehuisvest is. De start van het NIWI is niet helemaal gladjes verlopen. Vooral de financiën kwamen niet snel genoeg op orde. De Jong klinkt er vrij luchtig over: “Het bleek eigenlijk vooral te gaan om een gebrekkige kwaliteit van de financiële informatie, en ik geloof dat dat een KNAW-breed punt is. Het is vaak ingewikkeld, men loopt gauw achter, en als je vijf organisaties samenvoegt, krijg je de problemen vijf keer. Het denken over de rol en taken van het NIWI is wat afgeleid door de bedrijfsmatige problemen, maar dat is nu over.”

Hoger tempo

De weg is vrij om heel hard aan het werk te gaan, want dat moet, vindt De Jong. En het moet allemaal in een hoger tempo. “Een betrouwbare dienstverlener”, dat is de hoofdfunctie die hij voor zich ziet voor het NIWI. Organisaties die dat willen, zullen straks bij het instituut terecht kunnen voor kennis en ervaring bij het toegankelijk maken van wetenschappelijke informatie. Voor het Internet en andere ‘nieuwe media’ zoals de populaire kreet luidt, is daarbij natuurlijk een hoofdrol weggelegd. De Jong heeft al gesproken met een aantal andere KNAW-instituten over het digitaliseren van hun collecties en archieven. “Ik denk dat er meer samengewerkt kan worden,” zegt hij. “We willen natuurlijk niemand verplichten om bij het NIWI af te nemen, maar we moeten duidelijk maken dat we iets goeds te bieden hebben.”

“Ik denk ook dat de ‘eigen’ gegevens van het NIWI steeds minder belangrijk zullen worden. De dienstverlening aan anderen met collecties zal toenemen. Wel is het prettig dat we zo breed samengesteld zijn. Dat levert contacten in veel werelden op. Echte integratie tussen de verschillende instituten zal vanzelf voortkomen uit het uitwerken van strategische plannen. Zolang iedereen blijft doen wat hij altijd al deed, heeft het geen nut je druk te maken over de buren. Dat komt pas bij nieuwe dingen.”

Duizenden jaren

En die zullen er genoeg komen. “Er is aanwijsbaar iets veranderd in de wetenschappelijke wereld”, zegt De Jong, “en op grote schaal.” Het digitale denken begint gewoon te worden. Maar er moet wel nog onwaarschijnlijk veel ingehaald worden. De Jong: “We hebben duizenden jaren gegevens verzameld. Er ligt dus nog een schone taak. Ontsluiten heeft de eerste prioriteit. Hoe maak ik wat ik heb digitaal? Daar kunnen wij bij helpen, al ligt de verantwoordelijkheid voor wat er toegankelijk gemaakt moet worden natuurlijk bij de collectiebezitters. Wij kunnen gereedschap leveren, en soms misschien ook mensen. Je hebt iemand nodig die duizenden documenten oppakt en vervolgens inscant.”

“Maar daarnaast heb je wat ik de laboratoriumfunctie noem. Hoe kun je effectief zoeken in je gedigitaliseerde materiaal? Je hebt zoekhulpmiddelen nodig. Trefwoorden bijvoorbeeld, thesaurustermen. Maar dat blijft heel lastig, want onderzoekers stellen bijna per definitie nieuwe vragen. Anticiperen op die vragen kan eigenlijk niet. Overigens is het niet de bedoeling dat het NIWI zelf software gaat ontwikkelen. Wij willen alleen laten zien wat je, al dan niet gratis, kunt krijgen.”

Scherpe prijs

De Jong wijst op de bijzondere positie van het NIWI. “Er zijn weinig organisaties die iets dergelijks doen. De UB’s bijvoorbeeld hebben geen middelen, die hebben al moeite genoeg hun collecties op peil te houden, en die hebben ook een heel eigen klantenkring. Wij zijn geen bibliotheek, we hebben er toevallig ook een binnen het instituut, maar die heeft vooral een achterwachtfunctie voor de UB op biomedisch terrein. Er komen niet dagelijks stoeten mensen boeken lenen. In feite hebben we geen echte klantenkring. Dus hebben we ruimte voor dienstverlening. Bovendien hebben we geen winstoogmerk, daarom kunnen we voor een scherpe prijs werken. Nu is men vaak nog aangewezen op bedrijven die niet alleen veel hogere tarieven berekenen, maar die ook vaak niet voldoende kennis in huis hebben over wetenschappelijke informatie.”

Zelf zou het NIWI meer willen weten over het informatiegedrag van wetenschappers. “Daarover hopen we onderzoek binnen te halen”, vertelt De Jong. “Welke invloed heeft de veranderde toegankelijkheid van data? Kijkt men inderdaad via het Internet nog even een paar extra tijdschriften door? Het zou heel goed kunnen zijn dat de overvloed juist averechts werkt. Zoeken is vaak ingewikkeld. Daar komt nog bij dat tegenwoordig veel in grote haast, onder een hoge werkdruk moet. Dan krijg je dat mensen alleen nog de paar toptijdschriften inkijken in de bibliotheek, die toch al met een verschraald aanbod moet werken.”

Massaal opzeggen

Het is al jaren hét grote probleem van alle wetenschappelijke bibliotheken: de aldoor stijgende prijzen van tijdschriften, terwijl de budgetten dat in de verste verte niet bij kunnen benen. De uitgevers hebben dikwijls een monopoliepositie en prijsverhogingen van dertig, veertig procent zijn heel gebruikelijk. Het punt waarop heel veel bibliotheken op onaanvaardbaar weinig tijdschriften een abonnement hebben, is al bereikt. Hoe die neerwaartse spiraal te doorbreken? Allerlei organisaties beraden zich op het moment op een tegenactie. De machtsmiddelen zijn beperkt. Ook als alle wetenschappelijke bibliotheken hun abonnement op een bepaald tijdschrift massaal opzeggen, spreek je nog steeds over een handje vol. Dat zet niet direct  zoden aan de dijk.

De Jong ziet toch allerlei mogelijkheden. “Alle tijdschriften van één uitgever, zou wel iets uitmaken”, zegt hij. “En je moet het mondiaal bekijken. Bibliothecarissen moeten onderling informatie gaan uitwisselen. In Amerika doen ze dat al, maar hier is men eerder geneigd zijn mond te houden, denkt men ‘ik heb een goede deal’. En er is echt een beweging onder wetenschappers in gang gekomen.  Vooral vanuit de Derde Wereld heb je een steeds sterkere roep om gratis toegankelijkheid van wetenschappelijke informatie. Daar is een bibliotheek een onbetaalbare luxe, maar misschien kunnen ze een stap overslaan, en direct via het Internet bediend worden.”

Troep publiceren

De opkomst van elektronische tijdschriften duurt wel langer dan verwacht — volgens De jong onder meer omdat degenen die zitten waar beslissingen moeten worden genomen, zoals in de redacties van tijdschriften, horen tot de oudere generatie die het minst met het Internet opheeft — ze gaan er wel degelijk komen. “Als een paar van de betere tijdschriften daar hun gezag aan verlenen, dan zou het wel eens heel snel kunnen gaan,” schat De Jong. “Ik zie daar ook een taak voor de KNAW. Er is geen enkele reden waarom je elektronisch niet dezelfde kwaliteit zou kunnen leveren als op papier. Gelegenheid tot troep publiceren was er altijd al. Het Internet brengt juist de vrijheid van drukpers weer terug. Het is echt een revolutie omdat het drempels verlaagt.”

De Jong weet ook hoe je het zo kunt financieren.  Kijk”, legt hij uit, “we betalen nu ook de tijd die het kost om artikelen te reviewen. Hoeveel extra zou het nou kosten als je gaat uitgeven via het net? Nu worden de kosten van publicaties gedekt door advertenties en abonnementen. Abonnementen hou je. Natuurlijk kun je een elektronisch tijdschrift makkelijk illegaal doorsturen, maar dat heb je met software ook. Het is deels een kwestie van fatsoen. Ik denk dat er een verschuiving moet optreden naar de onderzoekers. Die hebben vaak het grootste belang bij een publicatie. Daarom zou ik er voor zijn een review charge in te voeren. Dat je pakweg duizend dollar betaalt om te mogen worden beoordeeld. Dat lijkt misschien veel, maar in verhouding tot een heel onderzoek is het niet duur. En nog een voordeel is dat men dan wel uitkijkt met insturen, dat winkelen bij redacties. Je raakt bovendien misschien af van de groeiende gewoonte om met het oog op een langere publicatielijst ‘the least publishable units’ uit te brengen.”

“Een beetje een probleem zou kunnen zijn dat tijdschriften nu dikwijls gekoppeld zijn aan het lidmaatschap van een vereniging. Daar zullen die verenigingen iets op moeten verzinnen, dan moeten ze maar meer gaan bieden, dat kan best. Maar met een elektronisch tijdschrift bespaar je natuurlijk ook heel veel kosten. Geen drukken, verzenden, porto. Je hebt alleen nog de staf van je bureau nodig.”

Kwakzalvers

De Jong vindt de peer review erg belangrijk. “In Amerika is er een plan van de directeur van de NIH, de National Institution of Health, voor een centrale server met artikelen op biomedisch gebied. Ze willen alleen faciliteiten bieden, dus ook kwakzalvers zouden er hun stukken op kunnen zetten. Daar lopen nu verhitte discussies over op het Internet. Mijn eigen ervaring is dat artikelen beter worden van het commentaar van anderen.”

De Jong, die zelf beleid en management in de gezondheidszorg als achtergrond heeft, en de laatste paar jaar werkte als Algemeen directeur van het iRv Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap in Hoensbroek, was maar liefst twaalf jaar hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg. “Je treedt op als filter”, zegt hij daarover. “En met het Internet kan er nog meer. Je kunt commentaren bij de artikelen zetten, en commentaren bij commentaren. Dat kan dan doorgroeien.”

Op de website van het NIWI (www.niwi.knaw.nl) is te zien welke collecties en archieven via het net toegankelijk zijn, en wat het kost (abonnementen meestal tussen de vijfhonderd en 2500 gulden per jaar, dat laatste voor heel grote netwerken). Ook zijn er talloze links te vinden naar andere organisaties, van het Bisschop Bekker Instituut dat onderzoek naar geestelijk gehandicapten bevordert tot het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek, van de Nationale Ombudsman tot de New Scientist, het NIPO en het CBS. Ook NIWI-producten, zoals de inhoudsgaven van biomedische en maatschappijwetenschappelijke tijdschriften, staan hier in de etalage.

 

 

 

 

“Ik wil dat wij écht excellent zijn”

Een bloedrode zon met daaronder een donkerblauw golfje, een lichtblauw golfje en een streep groen. Het logo van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek doet een beetje denken aan dat van de Waddenzee.

“Volgens de ontwerper is die rode stip geen zon, maar een symbool voor ‘de cel’, waaruit al het leven opgebouwd is”, zegt Prof.dr. W. van Vierssen, directeur van het instituut, dat officieel sinds 1 januari 1992 bestaat. Wie weet waaruit het NIOO ontstaan is, begrijpt ook de rest van de symboliek: donkerblauw staat voor half-zoet-half-zout water en zeewater, lichtblauw zijn de binnenwateren en groen is het land.

De kleuren staan voor drie centra die tot voor kort aparte Akademie-instituten waren. Allemaal hielden ze zich bezig met oecologie (‘ecologie’ zeggen anderen): het bestuderen van de relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.

Of simpel gezegd: wat hangt met wat samen in de natuur. Het Delta Instituut in Yerseke keek naar de gevolgen van de Deltawerken voor flora en fauna. Het heet nu Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (‘estuarium’ is ‘riviermond’, de plaats zoet en zout water in elkaar overgaan, mariene staat voor ‘zee-‘). In Nieuwersluis, waar nu ook de hoofddirectie van het nieuwe NIOO gevestigd is, bevond zich het Limnologisch Instituut, inmiddels omgedoopt tot Centrum voor Limnologie. De limnologie onderzoekt zoete binnenwateren. Achter het Centrum voor Terrestrische (‘land’-) Oecologie ging het Instituut voor Oecologie in Heteren schuil. De instituten dateerden alle drie uit de jaren vijftig.  

Nu vormen ze dan één NIOO. Maar behalve een fusie kregen de instituten ook nog een peer review en een bezuiniging van twee en een half procent te verwerken. Daarnaast kwam de Akademie met een strategienota. Die vier dingen zijn de basis voor een fikse reorganisatie die nog steeds gaande is.

De leiding daarvan ligt in handen van Van Vierssen. “Ik zat al langer in de wetenschapscommissie van het Limnologisch Instituut”, vertelt hij, “en toen Parma, de directeur, met de VUT ging, heb ik een half jaar lang een dag per week min of meer op de winkel gepast.” Van Vierssen (41) is aquatisch (water-)oecoloog en hoogleraar aan het International institute for infrastructural hydraulic and environmental engineering, het IHE, in Delft. “Ik heb daar nu een zogenaamde 0-punts aanstelling”, zegt hij, “voorlopig voor twee jaar, daarna zien we verder. Ik kom wel nog regelmatig in Delft, en ik begeleid een aantal onderzoekers.”

Emotioneel

Het besluit NIOO-directeur te worden en de reorganisatie (“een noodzakelijk maar ook een naar en emotioneel proces”) uit te voeren is hem niet echt licht gevallen. Met kennelijk enthousiasme spreekt hij over zijn werk in Delft: “Het was een leuke baan. Het instituut verzorgt post-academisch onderwijs voor mensen uit de derde wereld. Er worden allerlei cursussen gegeven, altijd lopen er zo’n vierhonderd cursisten rond. We hebben heel hard gevochten voor het ius promovendi, het recht om mensen een doctorstitel te verlenen, en ik denk dat dat nu gaat lukken. Ik heb ook heel veel kunnen reizen.”

Maar aan de fusie en reorganisatie zitten grote voordelen vindt hij: “Als je verschillende expertises kunt combineren dan wordt het makkelijker om beleid te maken, en nu heb je de kans. Oecologie is natuurlijk een vakgebied dat maatschappelijk goed ligt. Maar er is veel milieuonderzoek dat wetenschappelijk niet helemaal je dat is, omdat het in feite politiek onderzoek is. Nu is daar niets op tegen, maar we zijn een Akademie-instituut. Het gaat ons om fundamenteel onderzoek, met als het kan een strategisch randje. Strategisch onderzoek noem je het soort toepassingen dat een horizon van een jaar of vijf heeft.”

“De historie van de drie instituten was, onder meer wat dat betreft, niet hetzelfde. Heteren heeft een echte populatie-traditie. Daar doen ze bijvoorbeeld heel fundamenteel onderzoek naar de koolmezenstand. Aan toepassingen hebben ze pas laatste jaren veel gedaan, bijvoorbeeld met hun onderzoek naar de gevolgen van zure regen.”

“Het Delta Instituut had van oorsprong tot taak de gevolgen van de Deltawerken te monitoren: een hele duidelijke toegepaste opdracht. De laatste jaren is men zich al expliciet op fundamenteel onderzoek naar oecosystemen gaan richten. Binnen het Limnologisch Instituut was er altijd al veel interesse voor toegepast onderzoek.

“Wat er gebeurde was dikwijls zeer nuttig, maar de wetenschappelijke haalbaarheid van van de uiteindelijke onderzoeksdoelen was vaak wat te hoog ingeschat. Men wilde dan bijvoorbeeld een heel meer bestuderen. Maar op bepaalde zoetwatermodellen zijn we nu wel een beetje uitgestudeerd in de oecologie, voor de prakijk hebben ze hun nut inmiddels wel bewezen. We willen ons op het Centrum voor Limnologie nu concentreren op de samenhang tussen een beperkt aantal populaties binnen het oecosysteem, dat wil zeggen op het zogenaamde community niveau. We hebben het begrip ‘oecosysteem’ wetenschappelijk wat meer ingeperkt, en geprobeerd een verdeling van de vragen over de drie centra te maken.”

Van Vierssen is graag bereid een rondleiding te geven door het Centrum voor Limnologie, maar waarschuwt direct dat het maar om een stukje van het NIOO gaat. Het onderzoek van dr. Wolf Mooij, die deel uitmaakt van de werkgroep ‘voedselketens’, past gelukkig goed in het geheel.

Bij de aquaria in de kelder van het centrum vertelt Mooij over de sterke relatie die er bestaat tussen de snelheid waarmee vissen groeien en de temperatuur van het water waarin ze zich bevinden. Omdat vissen koudbloedig zijn komt hun stofwisseling bijna stil te liggen als het koud is, (een baars kan wel een jaar overleven zonder te eten in water van vier graden), maar gaat hun metabolisme juist omhoog als het warmer wordt. In warm water hebben vissen daarom veel meer voedsel nodig.

Werd dit verschijnsel eerst bekeken op verschillen tussen vissoorten, nu wordt er binnen een soort gekeken. De vraag is welke invloed de relatie tussen groei en temperatuur heeft op de natuurlijke selectie. Daarvoor wordt een computersimulatie gemaakt. De volgende stap is kijken op DNA-niveau. “Hi-tech onderzoek voor oecologische doeleinden”, zegt Van Vierssen een tikje trots.

Tevreden

De vakgenotenbeoordeling leverde in juni 1992 een rapport op met 120 aanbevelingen en stellingen. “Die moeten in een paar jaar geïmplementeerd worden”, zegt Van Vierssen. “Kijk, het is natuurlijk niet zo dat het NIOO beoordeeld is. De drie centra zijn apart bekeken: het functioneren van de vaste staf, de samenhang van het werk in de werkgroepen, er is gekeken naar citatie, dat soort dingen. In grote lijnen ben ik tevreden met de manier waarop we beoordeeld zijn. Nu is het dus zaak de goede dingen die er al waren te versterken en de slechte te beëindigen. Het NIOO is tenslotte niet met mij begonnen, zeg ik altijd, er was al heel veel.”

 “In de nieuwe organisatiestructuur gaan we evolutionair biologisch werk meer combineren met de pure mechanistische benadering. We willen weten hoe het werkt in de natuur, maar uiteindelijk ook waarom het werkt zoals het werkt. Dat is een ontwikkelingsvraag, dan kom je terecht bij natuurlijke selectie en survival of the fittest. Op dat punt heeft Heteren nu al een grote naam.”

Een goede naam, ook internationaal, vindt Van Vierssen heel belangrijk. “Iedereen roept dat hij excellent is tegenwoordig”, zegt hij, “maar ik wil dat wij dat écht zijn. Naast de honderdvijftig man vast personeel lopen er hier honderd tijdelijke mensen rond. Er gaat jaarlijks achttien of negentien miljoen gulden doorheen, met beurzen en contracten meegerekend. Dan is de enige maatvoering een internationale. Dat heeft wel gevolgen. Als je in het centrum van het onderzoek wilt meedraaien dan is communiceren belangrijk. Je moet jezelf onderwerp willen laten maken van kritiek, je moet in de wind willen gaan staan. Als je naar buiten treedt dan vindt iedereen iets van je.”

Dus moet je zorgen dat je goed geoutilleerd bent, lijkt de boodschap van Van Vierssen te zijn. Ook in materieel opzicht. Nieuwersluis heeft net een grootscheepse verbouwing achter de rug. Voor het Centrum voor Limnologie is er een nieuw gebouw gekomen, dat heel goed is ingericht, vindt Van Vierssen: “Daar is niet op beknibbeld. We kregen hier laatst de directeur van het prestigieuze Max Planck Institut für Limnologie op bezoek, en die viel echt van verbazing bijna uit de bus toen hij aankwam. De beheerder en het secretariaat van het Centrum voor Limnologie gaan binnenkort ook naar het nieuwe gebouw, dat is psychologisch verstandiger.” 

Daarna zit op de benedenverdieping van de prachtige oude villa die ooit het startpunt vormde van het Limnologisch Instituut, alleen nog de NIOO-directie. Daarboven blijft de bibliotheek gevestigd, en sinds kort zijn er op de zolder kamers voor studenten. Van Vierssen: “Een aio of oio kan onmogelijk hier in de buurt iets huren. De prijzen zijn veel te hoog.”

En het NIOO wil ze graag hebben. “Het gebouw moet vól zitten”, verkondigt Van Vierssen met vuur, “en dat is nog niet zo.” Een aantal aio’s komt uit het buitenland. Van Vierssen: “We hadden  al iemand uit Duitsland, en nu hebben we een Fin aangenomen. Voor senior-onderzoekers hebben we hier binnenkort ook een goede accommodatie. Er worden hopelijk mooie appartementen gebouwd. Daar is in het verleden ook wel over gepraat, maar als je wilt dat de echt goede mensen hier komen dan moet je ze naast de wetenschap nog iets meer iets bieden. Zo iemand zegt anders ‘ik kan ook naar Barcelona, daar kan ik ook nog aan het strand liggen’.”

E-mail

Internationalisering, goede onderzoekers, daar hamert Van Vierssen op. “Dat hoeft niet altijd te betekenen dat iedereen voortdurend op reis moet”, zegt hij, “heel veel kun je via e-mail, de elektronische post doen.”

Maar in de nieuwe functieomschrijving voor een senior-onderzoeker staat wel dat hij of zij een jaar in het buitenland gewerkt moet hebben. Ook verwacht van Vierssen dat senior-onderzoekers na vijf jaar een eigen onderzoekslijn hebben opgezet. Op zijn bureau ligt een dik rapport, waarin 125 nieuwe functieomschrijvingen staan. Sommige van de pijnlijkste beslissingen rond de reorganisatie moeten nog vallen.

Van Vierssen: “Er moeten twintig mensen uit, wie is nog niet bekend. Zo’n reorganisatie is een emotionele gebeurtenis, die niet te lang moet duren. In december en januari moet het af zijn. Het mag dan voor het voortbestaan van het onderzoek noodzakelijk zijn, op individueel niveau kan een beslissing afschuwelijk uitpakken. Gelukkig hebben we goede regelingen bedongen, men kan in drie jaar afscheid nemen. Een aantal mensen is ook al in goede harmonie vertrokken. Die zien ook weer andere toekomstmogelijkheden.”

“Mijn taak hier nu is vooral veel praten. Ik ben er erg voor om onderzoekers veel vrijheid te geven, maar dat kan alleen als er spelregels zijn. De wetenschappelijke afdeling en de algemene zaken zijn nu uit elkaar gehaald. De hoofden vallen onder mij, en dat is nieuw en soms wennen. Maar met een paar goede spelregels kan er heel veel.”

“Ik ben waarschijnlijk trizofreen ofzo”

Het moet een van de origineelste visitekaartjes ter wereld zijn. Karel Martens (1939) heeft voor zijn relaties altijd een paar telefoonkaarten op zak. De gewone, standaard PTT-serie, waarde één gulden, en ja, je kunt hem gebruiken.

Achterop staan zijn naam en adres enzo, maar het is ook in een ander opzicht een visitekaartje: Martens heeft de kaart ontworpen.

Het is de kleinste van een hele serie, en er staan de grootste cijfers op. En al die bellers in Nederland die nu al jarenlang ‘zijn’ kaarten gedachteloos in de sleuf stoppen, weten vast niet dat ze een versleutelde vorm van een deel van het Wilhelmus in de hand hebben.

Dat hoeven ze ook niet te weten, een ontwerp moet niet op een oneigenlijk manier aandacht vragen, vindt Martens, die dit jaar de dr. A.H. Heinekenprijs voor de Kunst (groot: 100.000 gulden) voor al zijn werk krijgt.

Bij de boeken die hij maakt is hij altijd terughoudend met wat de typografie tot uitdrukking brengt. “Uiteindelijk is typografie een dienende aangelegenheid. Een tekst behoort per slot gelezen te kunnen worden. Als de aandacht al te zeer wordt afgeleid, is er iets aan de hand”, zegt hij, en hij trekt een vergelijking: “Het is net als met je gezondheid. Als alles in orde is, vraagt het geen aandacht. Pas als je ergens een pijntje krijgt, merk je dat een goede gezondheid niet zo vanzelfsprekend is. Zo kan leesbaarheid ook hinderlijk in de weg worden gestaan door een al te grote aanwezigheid van typograaf.”

Vanzelfsprekend

Martens heeft in de loop van zijn carrière voor heel veel boeken omslagen en typografie ontworpen. Proberen vorm en inhoud met elkaar in overeenstemming te brengen, is daarbij voor hem telkens de opdracht.

Maar hoe doe je dat? En hoe weet je dat het gelukt is? Martens zucht even, en denkt na over een formulering, want over zijn vak praten is niet eenvoudig. “Je weet het nooit zeker,” zegt hij, “en al helemaal niet als een ontwerp net af is. Pas na verloop van tijd kun je zien of iets waardevol is, of het wil beklijven.”

“Het is allemaal een kwestie van balans. Er zijn regels. Zeker. Zoals er regels zijn voor het maken van een goede foto, of voor een film. Maar die leveren niet per definitie een goed resultaat op.”

‘De monniken zijn met boekontwerpen begonnen, en het is nog steeds monnikenwerk om een goed boek te maken. Om iets vanzelfsprekend te laten zijn, moet je er vaak veel aan sleutelen. Er is bijvoorbeeld de verleiding er iets spectaculairs van te maken, maar daar mag je niet te veel aan toegeven, want dan wordt al snel de aandacht afgeleid.”

Maar hoe gaat hij zelf te werk? Neem die telefoonkaart, die nogal wat belangstelling in de pers trok toen het ontwerp in 1995 een eervolle vermelding kreeg bij de uitreiking van de Designprijs Rotterdam. Hoe begin je aan zoiets?

Martens: “Die kaart was een opdracht, en daar zaten een paar voorwaarden aan vast. Het moest de standaardkaart worden, dus hij moest neutraal zijn en een paar jaar meekunnen. Er mocht geen afbeelding op staan. Bovendien moest het een serie worden, die in principe uitbreidbaar is.”

“Dat betekent dat je moet kunnen zien dat de kaarten familie van elkaar zijn. Cijfers, nummers en getallen fascineren me. Voor mij hebben ze iets magisch. Wat mij intrigeert in telefoneren, is dat je met het intoetsen van een aantal cijfers met de hele wereld in contact kunt komen. Dus moesten het cijfers worden. Dan krijg je het ordeningsprobleem. En er kwam nog bij dat de kaarten in maximaal vier drukgangen gemaakt moesten kunnen worden.”

In code

Martens ging uit van primaire kleuren, maar doordat de cijfers over elkaar heen worden gedrukt, zijn er in de serie toch allerlei schakeringen te zien.

Aan de ene kant van de telefoonkaart staat telkens de waarde en wat informatie over het gebruik, aan de andere kant staan de over elkaar gedrukte rijtjes cijfers, steeds kleiner en steeds meer naarmate de waarde van de kaart oploopt.

 “Ik moest combinaties voor die cijfers bedenken,” legt Martens uit, “en in eerste instantie wilde ik het ‘random’ doen. Maar toen bedacht ik dat het om een nationale kaart ging, en er in dat verband iets meer met de ordening te doen zou kunnen zijn. Ik heb iemand gevraagd, met behulp van de computer, de letters van het alfabet om te zetten in cijfercombinaties.”

“De tekst van het Wilhelmus is nu voor de ordening het uitgangspunt geweest. In code bevat iedere kaart een deel ervan. Dat heeft soms onverwachte gevolgen. Er ontstaan nu combinaties naast elkaar die organischer overkomen dan wanneer je dat per keer, verstandelijk zou bepalen.”

Maar Martens is minstens even sterk gefascineerd door letters als door cijfers. Bijna lyrisch spreekt hij over het mirakel van de eindeloze mogelijkheden van die 26 letters: “Ieder woord krijgt daardoor zijn eigen specifieke karakter of gezicht. Ieder moment worden er in de wereld weer unieke combinaties toegepast. Dat is toch een wonder!”

Benul

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst is het boek in zijn verschijningsvorm weinig veranderd. Het berust nog steeds op dezelfde conventies.

Toch is Martens’ vak zeker niet hetzelfde gebleven. En het lijkt wel of er juist tijdens zijn leven op alle fronten pijlsnelle ontwikkelingen te zien zijn. Tijdens zijn opleiding aan de Akademie voor beeldende Kunsten in Arnhem, eind jaren vijftig, bestond de specialisatie ‘Typografie en boekverzorging’ daar nog niet. “Wat ik deed heette ‘Reclame-illustratief,’, vertelt hij. “Inmiddels is het benul van het belang van boekverzorging groter geworden.”

Tussen 1961 en 1975 ontwierp Martens veel voor uitgever Van Loghem Slaterus. “Die uitgeverij werd geleid door het echtpaar Van Tricht,”, zegt hij, en er klinkt enige heimwee in zijn stem door, “die een grote betrokkenheid hadden bij de boeken die ze uitgaven. Vanaf het begin werd ik bij het proces betrokken. Je had te doen met alle aspecten van het maken van boeken. Van het contact met de auteur tot de uiteindelijke uitvoering.”

 Dat het was precies de gang van zaken die Martens voor ogen staat. “In een opdrachtsituatie zijn drie factoren van belang”, verklaart hij. “De opdrachtgever, de ontwerper en de inhoud van de opdracht.”

“Om tot een goed produkt te komen, zal de verhouding tussen opdrachtgever en ontwerper goed moeten zijn. Ze moeten elkaar verstaan en vertrouwen, en beiden zullen affiniteit met de opdracht moeten hebben. Die drie componenten samen vinden was altijd al zeldzaam, maar het wordt steeds  lastiger, omdat opdrachtgevers steeds vaker managers geworden zijn.”

 Pamflettencultuur

In 1975 stapte Martens over naar de Socialistische Uitgeverij Nijmegen. Niet dat hij in dienst kwam, hij is al 35 jaar als zelfstandige werkzaam. “Dat was niet altijd een vetpot”, zegt hij nog behoorlijk opgewekt, “maar een plezierig klimaat om in te werken, vind ik ook een vorm van honorering. Bij de SUN was de samenwerking ideaal. Daar werden aldoor plannen gemaakt, en eindeloze discussies gevoerd over waar de boeken over gingen, over het publiek waarvoor ze bedoeld waren.”

Martens verzorgde talloze boeken en hun omslagen voor de SUN. Veel mensen zullen zijn ogenschijnlijk simpele, strakke ontwerpen, vaak  in wit, rood en zwart zijn tegengekomen. Werk van Adorno en Brecht, boeken over het Marxisme, de arbeidersbeweging, kunstgeschiedenis, Aletta Jacobs, het nagelaten werk van Pé Hawinkels, en nog veel meer.

“Het aardige was ook dat de mensen bij de SUN uit een pamflettencultuur kwamen”, zegt Martens, “terwijl ik nog echt van het tijdperk van het lood ben. Die dure technieken konden ze bij de SUN natuurlijk helemaal niet betalen.”

Misschien dat de nieuwe technieken nog wel de grootste veranderingen hebben opgeleverd voor Martens. Ja, hij is inmiddels aan de computer, maar hij praat ook met kennelijk genoegen over het ouderwetse zetwerk.: “Lood werd gezien als het summum. Als je een oud boek onder de loep neemt dan kun je nog het zogeheten kraalrandje om de letter zien. Door de onregelmatige indruk in het papier is iedere letter uniek en ontstaat er als het ware een reliëf. Zo’n pagina werd bijna een sculptuur.”

“Bij de SUN begon het allemaal met de typemachines. Daarna kreeg je de eerste IBM-Composer (de ‘golfball’ typesetter). Wat daaruit kwam leek weer een beetje op een echte letter. Dat werd dan allemaal op papier getypt, en vervolgens fotografisch op de offsetplaat gebracht.”

“Die letter had wat knulligs, maar dat had ook een bepaalde charme. Inmiddels zijn er zo veel meer mogelijkheden. Je kunt nu met een computer, als je zou willen, zelfs die kraalrandjes weer aanbrengen.”

Stereotypen

Over de digitale grafische mogelijkheden van tegenwoordig is Martens gemengd enthousiast. “Allerlei resultaten zijn veel makkelijker te bereiken,” legt hij uit, “niet dat daar iets tegen is, maar je  ziet wel dat stereotypen eerder terugkomen.”

“De toegankelijkheid is natuurlijk enorm vergroot. Dat is een voordeel. Veel grotere groepen mensen, iedereen die iets maakt, elke secretaresse, kan door de computer met heel behoorlijke vormgeving komen.” 

Zijn studenten kunnen inmiddels niet meer zonder. Sinds 1977 geeft Martens ook les. Tot 1994 deed hij dat in Arnhem, aan de Akademie waar hij zelf zijn opleiding kreeg, en sinds 1995 is hij begeleider aan de ontwerpafdeling van de Jan van Eyck Akademie in Maastricht.

Les geven wil hij het eigenlijk niet noemen. “Ik breng de studenten een beetje techniek bij, maar het is vooral ze stimuleren in wat ze zelf aan oorspronkelijks in zich hebben,” zegt hij. “Ik vind dat heel bevredigend. Je bent deelgenoot van iemands ontwikkeling. Dat is spannend, en bovendien heel goed voor mijn persoonlijke ontwikkeling.”

Kinderen

Een oordeel vellen over zijn eigen werk, of ‘favorieten’ kiezen, vindt Martens maar lastig. “Je kunt wel achteraf zeggen dat bepaalde dingen belangrijker waren dan andere,” zegt hij aarzelend, “maar je wordt zelf nooit een buitenstaander.”

“Het gebeurt me wel dat ik iets na verloop van tijd terugzie en dat ik dan denk ‘dat was toch niet zo kwaad’. Het vervelende is als ik één ding noem, dan is het net of ik een van mijn kinderen verkies boven de anderen. Maar bij het werk dat ik voor de SUN heb gedaan heb ik wel het gevoel dat er iets noodzakelijks aan de hand was. Het heeft te maken met betrokkenheid van alle partijen. Het was toch allemaal een avontuur in die tijd.”

Met de SUN onderhield Martens altijd contact, al werkte hij tussen 1981 en 1991 niet voor ze. De laatste jaren dus weer wel.

Waar hij nooit mee ophield is zijn vrije werk. ‘Papier’ en ‘drukken’ zijn daarin steeds terugkerende thema’s. “En kleur,” zegt Martens. “Dat fenomeen boeit me zeer. Wat je met drie basiskleuren allemaal kunt doen.”

Zijn voorkeuren zijn ook terug te zien in de lange lijst tentoonstellingen waaraan hij deelnam, of die geheel aan zijn (vaak ook toegepast) werk gewijd waren. Zo waren zijn papierreliëfs in de Pulchri Studio in Den Haag te bezichtigen, en deed hij mee aan de tentoonstellingen ‘Holland in vorm’ in het Amsterdamse Stedelijk Museum, en ‘A is geen A’ in het Van Reekummuseum in Apeldoorn.

“Ik ben waarschijnlijk trizofreen ofzo,” zegt hij lachend. “Vrij werk, toegepast werk en studenten begeleiden, ik wil het geen van drieën missen. Het voedt elkaar ook, en je kunt troost zoeken bij het een als het bij het ander niet lukt. Bovendien ben je geloofwaardiger voor studenten als je niet alleen lesgeeft, maar zelf ook werk maakt.”

‘Veelvormigheid’

Behalve voor papier, letters, cijfers en kleuren heeft Martens een grote belangstelling voor architectuur, die zich onder meer uit in het feit dat hij al vijf jaar verantwoordelijk is voor de verschijningsvorm van Oase.

Gevolg: wie een abonnement neemt op dat tijdschrift voor architectuur  (Martens: “Het wordt door jonge architecten gemaakt.”), heeft binnen de kortste keren een rijtje totaal verschillende boekjes op de plank staan. Een tijdschrift waaraan je niet meteen kunt zien dat het een tijdschrift is. De ‘veelvormigheid’ van de verschillende afleveringen is indrukwekkend.

Dat vond het Amsterdamse Fonds voor de Kunst blijkbaar ook. In 1993 kende het Martens de prestigieuze H.N. Werkmanprijs voor vormgeving toe, wat weer een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam opleverde. Het werk voor Oase doet hij met plezier, en dat hangt weer af van de betrokkenen, en de drie componenten die voor een goed eindprodukt kunnen zorgen.

Martens is buitengewoon gelukkig met zijn uitverkiezing en de daaruit blijkende waardering voor zijn werk, maar hij was er ook volkomen door verrast. “Ik werd opgebeld door de president van de KNAW, en ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit van de Akademie van Wetenschappen gehoord had,” zegt hij een tikje gegeneerd. “Ik dacht in eerste instantie ook dat het een grap van studenten was. Toen ik begreep dat het allemaal waar was, was ik heel blij. En wat ik erg leuk vind is dat er ook een boek bij de prijs hoort. Jaap van Triest, een oud-leerling van mij, gaat dat maken. Het wordt een tweetalig boek over mijn werk.”

“Of dat veranderd is in de loop der jaren? Ik denk dat ik wat vrijer geworden ben. Mijn aanvankelijke geloof in objectieve informatieoverdracht ben ik kwijtgeraakt. Maar ook de maatschappij is veranderd.”

De Taalmachine

Vertaalcomputers zijn een denkbeeld uit de jaren zestig. Nu weet men wel beter. Zelfs het weerbericht gaat fout.

Vertalen is een vak. Wie het goed doet kan er zijn brood mee verdienen, wie het heel goed doet kan er zelfs prijzen mee winnen. Is het mogelijk dat vak aan een computer te leren? Of anders gezegd: hoe groot is de kans dat de Nijhoff-prijs ooit nog eens naar een programmeur gaat?

Computers zijn sterren in het onthouden, vinden en koppelen van gegevens. Dat heeft mensen tientallen jaren geleden al op het idee gebracht dat het mogelijk moet zijn om computers teksten van de ene in de andere taal te laten omzetten. Want wat is vertalen anders dan gegevens uit de ene taal koppelen aan gegevens uit de andere taal?

Helemaal zo simpel ligt het niet. Een groot probleem is bijvoorbeeld dat een computer niets begrijpt. Bovendien begrijpen wij zelf ook maar heel gedeeltelijk iets van taal en vertalen. We kunnen een computer wel gegevens laten koppelen, maar dan moeten we eerst zelf weten welke gegevens belangrijk zijn en hoe ze gekoppeld moeten worden.

Zelfs de juiste vertaling van een enkel woord levert al snel moeilijkheden op. Iedere taal heeft hele reeksen woorden met verschillende betekenissen. Zo kun je zowel op een Engelse als op een Nederlandse bank geld halen. Ook kun je er in beide talen op gaan zitten, alleen bevind je je in Nederland dan in de huiskamer of in een parkje, terwijl je in Engeland aan het water zit. Hoe kan een computer weten of het om een geldinstelling of om een uitgebreide stoel gaat?

Of, uitgaande van het Engels, om zo’n zelfde instelling of om een oever? En is een Duitse linse een lens of een lins, een Italiaans paese een land of een dorp? Andersom zijn er in het Frans wel zes verschillende woorden voor verschillende soorten stokbrood. Hoe laat je een computer kiezen tussen baguettes, flûtes en bâtards? En trouwens is een flûte nou een brood, een glas of een fluit?

The box is in the pen
Een veel geciteerd voorbeeld in dit verband is het voor Nederlanders nogal verwarrende Engelse zinnetje The box is in the pen. Een pen is ook in het Engels een schrijfinstrument, maar daarnaast heet wat wij een box noemen ook een pen. Een doos (box) kan zich niet in een pen bevinden, maar wel in een box. De juiste vertaling van pen is in dit geval dus ook box, en niet pen. Maar een computer die niets ziet, hoort, of voelt, mist de aanknopingspunten die wij hebben om te beslissen welke betekenis in welk geval het meest voor de hand ligt.

Uitdrukkingen vormen weer een apart probleem. Een Nederlander wordt in de maling genomen, een Italiaan in de rondte, en een Engelsman wordt aan zijn been getrokken. Een mens kan vaak nog wel aanvoelen dat iets wel een uitdrukking zal zijn, een computer moet je dat altijd expliciet vertellen, anders vertaalt hij letterlijk wat er staat. Met alle komische maar ook vaak onbegrijpelijke resultaten vandien. Alleen heel af en toe gaat het vanzelf goed: zo rookt bijvoorbeeld wel vrijwel heel Europa als een schoorsteen.

Nog lastiger wordt het als je gaat kijken naar de verschillende middelen waarmee in verschillende talen hetzelfde gezegd wordt. Zo wordt I like Margareth in het Nederlands Ik vind Margreet aardig. Het werkwoord like moet vertaald worden met een werkwoord (vinden) plus een bijvoeglijk naamwoord (aardig), en die twee moeten bovendien op heel verschillende plaatsen in de zin komen te staan.

De plaats van woorden in de zin, de syntaxis, is natuurlijk altijd een belangrijk punt waarop talen onderling enorm kunnen verschillen. Woord-voor-woord vertalingen zijn vaker grappig dan grammaticaal. Ik voel me niet goed is in het Engels niet I feel me not good. Evenmin als I feel bad in het Nederlands Ik voel slecht moet worden. Mensen kunnen die dingen redelijk gemakkelijk en deels onbewust oppikken: er is waarschijnlijk niet een tweede klasser op de middelbare school die Kunt u mij misschien vertellen hoe laat het is? op een proefwerk weer zou geven als Can you me maybe tel  how late it is? of Pouvez vous moi peut-être raconter comment tard il est?

Nog lastiger bij Turks
Het aantal problemen dat voor een goede vertaling aangepakt moet worden is voor een deel afhankelijk van hoever talen uit elkaar liggen. Een eenvoudige vraag als Is hij ziek? kan in veel Westeuropese talen nog wel woord voor woord vertaald worden: Is he ill?, Ist er krank?, Est il malade?, maar in bijvoorbeeld het Spaans en het Italiaans wordt het persoonlijk voornaamwoord hij weggelaten: Está enfermo?, É malato? Vertaal je zo’n zinnetje vanuit die talen naar het Frans, Duits, Engels of Nederlands dan moet er schijnbaar uit het niets een woord bijkomen. Nog lastiger wordt het bij het Turks: ook daar kun je hij (o) weglaten, maar dat hoeft niet. Het koppelwerkwoord zijn kent het Turks niet, dus dat moet bij een vertaling uit het Nederlands verdwijnen. Bovendien moeten de nu overgebleven vormen hij/o en ziek/hasta omgekeerd worden. En O hasta wordt pas een vraag wanneer het woordje mi erachter gezet wordt: O hasta mi? Een hele reeks operaties dus voor een eenvoudig drie-woords-zinnetje.

Niet zo gek, al met al, dat het beste vertaalprogramma van dit moment uitsluitend weerberichten van het Engels in het Frans kan vertalen. Die twee talen liggen niet krankzinnig ver uit elkaar en weerberichten zitten natuurlijk boordevol vaste frasen en uitdrukkingen. De zinnen zijn meestal in een soort telegramstijl geschreven en de benodigde woordenschat is heel beperkt. Toch vertaalt dit programma (dat ontwikkeld is aan de universiteit van Montreal) nog twintig procent van de zinnen verkeerd. Daar staat tegenover dat het per jaar maar liefst vijf miljoen woorden verwerkt. Al die vijf miljoen woorden ‘met de hand’ vertalen kost meer tijd dan in een op de vijf zinnen een correctie aanbrengen.

Tegenwoordig denkt niemand meer dat het mogelijk is om binnen een paar jaar tijd een perfect werkende automatische vertaler te bouwen. De eerste golf van enthousiasme uit de jaren vijftig, toen de gedachte aan machinaal vertalen net opgekomen was, is voorgoed weggeëbd. Of beter: die golf bleek stuk te slaan op een muur van onwetendheid. Over vertalen en taal in het algemeen was nog zo weinig nagedacht dat men zich enorm verkeek op de complexiteit van de verschijnselen waar men mee te maken kreeg. Inmiddels is gevoeglijk bekend dat het geweldig moeilijk is alle aspecten van een, laat staan twee talen op een sluitende manier te beschrijven. Dat voorkomt al te hooggespannen verwachtingen van de programma’s waaraan nu gewerkt wordt.

Want na jarenlang stilgelegen te hebben is de geldstroom voor het ontwikkelen van de vertaalmachine weer een beetje op gang gekomen. De reden daarvoor zou kunnen zijn dat zowel de computertechnologie als de taalkunde nu meer mogelijkheden bieden dan pakweg vijftien jaar geleden. Bovendien horen computers zo langzamerhand tot het vaste meubilair van vrijwel ieder bedrijf.

Dat laatste is in ieder geval voor het software-bedrijf BSO een reden te werken aan vertaalprogramma’s. Zij hebben zoiets als een wereldwijd netwerk van computers voor ogen, waarbij het mogelijk moet zijn dat iedereen met ieder ander in zijn eigen taal correspondeert, en ook alle antwoorden in zijn eigen taal op het scherm terugkrijgt. De bedoeling is dat dat alsvolgt gaat lopen: stel ik moet voor mijn firma een brief schrijven aan een van onze Russische klanten. Ik begin te typen en terwijl ik dat doe begint de computer wat ik schrijf meteen te vertalen in het Esperanto. Weet hij niet of ik met board triplex, kost of directie bedoel dan vraagt hij dat even. Is de brief eenmaal vertaald dan flitst de Esperanto-versie via glasvezelkabels naar mijn collega in Moskou. Zijn terminal bewerkt de Esperanto tekst en spuugt mijn brief in het Russisch uit. Een kwartiertje later kan ik mijn baas melden dat de transactie met onze klant doorgaat.

Science-fiction voorlopig dit verhaal. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een vertaling naar het Esperanto probleemlozer zou verlopen dan een vertaling naar een gewone, niet verzonnen taal. Sterker nog: omdat veel dingen niet gedefinieerd zijn in het Esperanto neem je de dubbelzinnigheden en veel van de eigenaardigheden uit je eigen taal mee, en ben je dus nog steeds even ver van huis.

Realistischer project
Bij Philips wordt aan een iets realistischer project gewerkt. Het heet Rosetta (naar de steen) en houdt zich om te beginnen maar met drie talen bezig: Nederlands, Engels en Spaans. Het idee achter deze onderneming is het volgende: voor je een zin kunt vertalen moet je hem eerst analyseren. Die analyse gaat stapsgewijs, en voor iedere stap die je in de ene taal zet, moet je ook een stap in de andere twee talen zetten. Vereist een vraagzin in het Nederlands bijvoorbeeld vijf stappen, dan moeten er bij de analyse van een Spaanse vraagzin ook vijf stappen gezet worden, desnoods eentje waarin er niets gebeurt. Zo hou je volkomen gelijkvormige grammatica’s. Is de analyse van de Nederlandse zin klaar, dan kun je dezelfde weg volgen, maar dan in omgekeerde volgorde, voor het maken van de Spaanse of Engelse vertaling. Het idee is aantrekkelijk, de praktische uitwerking natuurlijk vol valkuilen en addertjes onder het gras.

Het derde en laatste vertaalproject waarbij ons land betrokken is heet Eurotra. Eurotra is een door de EG opgezet en betaald project, waaraan in alle lidstaten gewerkt wordt. Dat juist zij bereid zijn iets dergelijks te financieren is niet verwonderlijk: een goed werkend automatisch vertaalsysteem zou een uitkomst zijn voor de eindeloze stapels papier die in Europees verband geproduceerd worden.

Helaas valt op de opzet van dit project heel wat aan te merken. De medewerkers van Eurotra beginnen nota bene zelf iedere lezing met te zeggen dat er niet veel te verwachten valt van een project waarvan de deelnemers verspreid zitten over een heel continent. Regelmatig overleg met alle betrokkenen is moeilijk, een lijn trekken bij het te lijf gaan van de problemen ook. Want de lijn die van tevoren uitgestippeld is, is inderdaad niet meer dan een stippellijn. Het lijkt of er hap-snap wat ideee”n gebundeld zijn en het is voorlopig maar helemaal de vraag of de verschillende uitvoerders daarmee uit de voeten kunnen.

Rond 1990 moeten al deze vertaalmachine-plannen resultaten op gaan leveren. Dat die niemand de Nijhoff-prijs zullen bezorgen staat wel vast.

Nog twee rijmdagen tot sinterklaas

Er wordt op dit moment weer heel wat afgeworsteld met het Sinterklaasgedichtenprobleem. Hou even op met het wezenloos vullen van vellen, neem deze krant ter hand en volg ze op: de adviezen van twee onverbiddelijke vaklui.

‘Vreselijk,’ roept Pieter Nieuwint, ‘Sinterklaas is leuk, maar het is heel erg dat je enthousiast moet doen over verschrikkelijke gedichten. Je wordt verplicht alles waar je in geloofde te verkwanselen. De gêne van een slecht gedicht, dat kent toch iedereen? Je hart bloedt als je na het struikelend voorlezen van zo’n monstrum een gelukkige glimlach in de richting van de gever stuurt.’

Op zoek naar een antwoord op de vraag hoe het toch komt dat Sinterklaasgedichten van die onmiddellijk herkenbare, echte Sinterklaasgedichten zijn, kom je snel terecht bij de schrijvers van het ‘Het Lyrisch Lab’, een rubriek over de techniek van dichten, rijm en liedjes schrijven in het maandblad Onze Taal: Pieter Nieuwint (anglist, liedjesschrijver, ex-cabaret Ivo de Wijs) en Jaap Bakker (neuroloog, liedjesschrijver, maker van het Nederlands Rijmwoordenboek) maken om de beurt een artikeltje voor de nog steeds lopende serie.

Beiden beginnen spontaan over het bruiloften- en partijenwezen als het Sinterklaasgedichtenprobleem hen wordt voorgelegd. Daar zie je het al: gelegenheidsdichters verwaarlozen het ritme. Bakker: ‘Dat is het grote verschil tussen amateurs en professionals.’

Nieuwint: ‘De mensen kunnen niet tellen. Ik heb vaak op feesten liedjes begeleid op de piano. En dan komt de ceremoniemeester van tevoren vragen of je de melodieën kent.’

’Nou dat is altijd ‘Op een mooie Pinksterdag’ of ‘Over 25 jaar’, dus die liedjes ken ik wel. Maar dan vraag ik: ‘klopt het?’ En dan roepen ze: ‘ja hoor! We kunnen het zo meezingen met de plaat.’ Als je het dan later speelt, klopt er geen bal van.’

’Een regel met 22 lettergrepen uit ‘een mooie Pinksterdag’ heeft er dan ineens zestien, of zeventien. En het enige dat ze hoeven te doen is gewoon tellen. En een beetje op beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen letten.’

Sint Nieuwint

‘Op feesten valt het dan nog mee: een melodie zorgt dat je tot op zekere hoogte binnen een stramien gehouden wordt, ook al gaat iedereen om de twee regels uit de bocht, maar Sinterklaasgedichten zijn veel erger. In een Sinterklaasgedicht houdt de tweede regel op bij het rijmwoord. Dan krijg je van die dingen als: ‘Wat krijgt Gerard dit jaar nu toch eens voor Sinterklaas? Nou misschien speculaas.’

Nieuwint gruwt dan ook van de De Nieuwe Rijmenbundel, een uitgave van Uitgeverij Sintnicolaasrijmenblad in Roosendaal die voor f 4,85 bij de bladenman te koop is. 150 versjes op verschillende thema’s. Nummer 62 onder het kopje Vaak uitstellen:

’t Is niet voor ’n oplossing zorgen,

met steeds uit te stellen tot morgen.

Jij weet het misschien anders uit te leggen

maar… morgen kun je blijven zeggen.

Alleen de afgesproken leuke dingen

hoeft men jou niet af te dwingen,

zoals vanavond ben je zeker attent

voor het ontvangen van sint z’n present.

                        Namens Sint

Nieuwint: ‘Het enige dat hier goed aan is, is de lengte. Mensen gaan vaak maar door, vier, vijf blocnotevellen vol. En dan krijg je wat je ook hebt bij slechte sprekers: iedereen zit inwendig te bidden of er alsjeblieft in het zaaltje ernaast een bom mag ontploffen. Alles, als het maar ophoudt.’

Het gedichtje ‘Vaak uitstellen’ loopt niet soepel, en is gewrongen, maar de slotregels zijn een stokpaardje van Nieuwint en Bakker: ‘attent’ en ‘present’ zijn geen Germaanse, maar Romaanse woorden. En dat is maar niks.

‘Het hart spreekt geen Latijn’ zegt Bakker. ‘Het is te faciel’ zegt Nieuwint. Vreemde uitgangen, zoals bijvoorbeeld  -atie (zie: relatie, presentatie, statie, concentratie, obligatie, medicatie, prestatie, formatie, inspiratie, transpiratie) vinden ze niet leuk om op te rijmen, omdat er veel te veel mogelijkheden zijn.

Nieuwint: ‘Je voelt intuïtief aan: dat is geen kunst. Al die Romaanse talen hebben dat. Het is ook helemaal geen zwakte van het Nederlands dat Dantes Divina Comedia niet rijmend vertaald kan worden, dat is zwakte van het origineel: je hebt 7000 woorden die op -one of –ane eindigen in het Italiaans.’

’Net als in het Frans, daar heb je duizenden mogelijkheden om op -e te rijmen. Waardeloos. Daar is geen beginnen aan. Het is veel mooier als je tegen iemand zegt: ‘maak eens een gedicht dat rijmt op -elf.’ Dan weet je ook direct dat het niet langer zal worden dan vier coupletten, want er zijn maar vier woorden die op -elf eindigen. Ivo de Wijs heeft dat gedaan met het nummer ‘Een moment voor jezelf’.’

Bakker heeft zelfs bewijzen voor de stelling dat woorden van Germaanse oorsprong het in gedichten beter doen dan woorden die uit de Romaanse talen komen. Op basis van bloemlezingen van Gerrit Komrij en Hans Warren heeft hij een bestand van 10.000 rijmwoorden aan het einde van dichtregels opgebouwd en de computer laten tellen hoe vaak ze voorkomen.

Bakker: ‘Je kunt er natuurlijk pas echt iets van zeggen wanneer je de poëzie met proza gaat vergelijken, maar in de gedichten hebben de Germaanse woorden in ieder geval de overhand. En ‘dichterlijke’ woorden blijken hele gewone dingen te zijn, dingen die dicht bij ons staan.’

De top tien geeft hem gelijk: het meest voorkomende woord is, hoe kan het anders, leven (47 maal), op de voet gevolgd door: niet, zijn, licht, gaan, komen, aan, uit, nacht en land.  Pas tientallen woorden verder komt het eerste Romaanse woord: straten.

Bakker: ‘We hebben ook wegen, maar ik denk dat de meeste Nederlanders straten niet meer als een vreemd woord voelen. Dat geldt ook voor uren, wijn en pijn.’

Nog veel verder op de lijst komen tenslotte duidelijk uitheemse zaken als poëzie, avontuur, muziek en centen aan de beurt.

Het is niet eenvoudig amateurs ervan te overtuigen dat rijmen op de bastaarduitgang -atie lelijk is. Nieuwint: ‘Terwijl iedereen bij pittoresk, soldatesk en grotesk meteen uitroept dat het eigenlijk niet echt rijmt. Met die uitgang -esk valt het veel meer op. Maar alle woorden op -iteit bijvoorbeeld zijn feitelijk ook gevallen van rijk rijm.’  

En rijk, dat wil zeggen ‘identiek’ rijm (koper/goedkoper, zon/horizon, want/wand), is verschrikkelijk armoedig, daar zijn Bakker en Nieuwint het roerend over eens. Bij dichten op  -iteit moet je als het ware nog een lettergreep verder terug om het rijk rijm kwijt te raken: sportiviteit en autoriteit rijmen niet ‘echt’, maar pariteit en rariteit zouden het in een sinterklaasgedicht al veel beter doen. Alle woorden op –iteit rijmen natuurlijk wel gewoon op feit, bijt, kwijt, spijt en wijd en zijd.

Knap slap

Het samen laten gaan van een bastaarduitgang met een goed Germaans woord kan een deel van Nieuwints afkeer van het Romaans wegnemen: ‘Natuur en figuur is niet mooi, dan heb je twee keer dat uit het Frans geleende achtervoegsel -uur. Natuur en bestuur gaat al veel beter.’

Er is nog meer lelijks: woorden die prachtig rijmen maar inhoudelijk te veel op elkaar lijken leiden tot wat Bakker in zijn Rijmwoordenboek ‘slap volrijm’ noemt: paren als iemand/niemand, verdwijnen/verschijnen, nodig/overbodig, weifelen/twijfelen, lijken/blijken en huis/thuis zijn bekende Sinterklaasrijmvoorbeelden.

Ook halfrijm (surprise/kiezen, vleugellam/daar ga je dan) is eigenlijk uit den boze, en zondigen tegen de grammatica mag alleen als het leuk is: ‘Nu ga ik stoppen hoor/want ik ben het bijster spoor.’

Echt leuk is volgens Nieuwint een enorme lange aanloop nemen, heel ingewikkeld doen voor één klein grapje, dat bijvoorbeeld een verdwaalde idiomatische uitdrukking kan zijn.

Nieuwint: ‘Ivo de Wijs had in een van de programma’s een keer een lange monoloog waarin hij vertelde dat hij uit Zeeland kwam. Daar beviel het hem helemaal niet, want de mensen waren stug en vervelend en nog een heleboel meer. Dat eindigt er dan mee dat hij zegt: ‘En toen kreeg je ook nog de watersnood, nou dat was de druppel die de emmer over deed lopen’. Dat vind ik net zo leuk als ‘deduizendpoot greep de gelegenheid met beide handen aan’. Het zijn vondsten, net als de zogenaamde Tom Swifties, dingen als ‘een hoop drollen’ en ‘een troep schoonmaaksters’.’

’Maar ik moet misschien nog wel het meeste lachen om redeneringen in de trant van ‘Ik ga verstandig met geld om, jij bent zuinig, hij is een krent’. Die staan ook in de Opperlandse Taal -en Letterkunde van Battus. Het summum is wat mij betreft ‘Ik ben geestig, jij bent leuk, hij is Seth Gaaikema’.’

Je kunt als amateur maar beter niet per se geestig willen zijn, vindt Nieuwint: ‘Er is niets tegen een ernstig gedicht. Een grappig bedoeld vers dat zijn effect mist, verwoest voor minstens een kwartier de stemming op Sinterklaasavond.’

Vorm en inhoud moeten in ieder geval hand in hand gaan. Het rijm mag niet te veel de aandacht op zich vestigen. Nieuwint ergert zich aan ‘mensen die zonodig sneeuwstorm op twintigste eeuwvorm moeten laten rijmen’.

Kus dus

Bakker spreekt van ‘stuntrijm’. Dubbelrijmen vindt hij ‘meestal eerder spectaculair dan fraai. Wel mooi en ingenieus tegelijk is ‘overtuiging/in broek en trui ging’‘.

Voor een liedje over het hedendaagse zoengedrag bedacht hij de regels: ”t Is een allerzonderlingste intermenselijke toestand/bij ’t minste of geringste staan de lippen in de oe-stand’, en die vervullen hem met trots. 

Ook al omdat de zinsmelodie in orde is en de woordaccenten gewoon op hun eigen plaats kunnen blijven. Bakker: ‘De traditie met Sinterklaas is de waarheid te zeggen, elkaar eens vriendelijk op de hak te nemen. Dat rijmen geeft het een element van onvermijdelijkheid. Het verwijt of de spotternij worden verpakt, en daardoor lijkt het net alsof je zegt ‘ik beweer dat nou wel, maar ik kon ook niet anders, want het moest rijmen’. Hoe beter het gedicht loopt, des te sterker is dat effect.’

Nieuwint: ‘Je kunt je negatieve dingen alleen in een acceptabele vorm kwijt, anders eindigt de avond onherroepelijk met gebroken glazen. Als je echt wil uitpakken moet je zorgen dat je boodschap goed verpakt is. Rijm geeft speelsheid en daarmee een zekere afstand tot de mededeling. Stel je maar eens voor dat je iemand een pakje zou geven met daarbij een briefje: ‘Voor Piet. Het zijn wollen handschoenen, want je mept altijd op de kinderen, en misschien krijgen die nu geen blauwe plekken meer.’‘

Een acceptabele vorm. Voor beiden betekent dat eens afwijken van dat eeuwige gepaarde rijm (a/a, b/b, c/c etcetera). Bakker: ‘Je kunt het jezelf veel gemakkelijker maken door bijvoorbeeld als rijmschema eens ‘abcb’ te nemen. Dan hou je meer tijd over om op het ritme te letten. En als je dan je gedicht ook nog uittypt wordt het beter voorgelezen en heeft het meer effect.’

Nieuwint raadt aan ‘de magische vijfvoet’ te gebruiken: regels van niet meer dan tien of elf lettergrepen. ‘Dan krijg je een natuurlijke pauze en kan de luisteraar geestelijk naar adem happen.’

Nog een gouden regel: ‘Baken het onderwerp af. De grote fout, ook op feesten en partijen is dat iedereen altijd alles in een keer wil behandelen. Je moet er iets uitlichten, dat uitvergroten en liefst flink overdrijven. Dat doet het goed, en het voorkomt ruzie.’

Met klem bestrijden beide heren dat het gebruik van een rijmwoordenboek onsportief zou zijn. Bakker: ‘Het gaat toch om de inhoud. Iets is pas leuk in een goed zinsverband. Ook wanneer je een rijmwoordenboek gebruikt hebt, mag je voor een goed couplet alle eer voor jezelf opeisen.’

Nieuwint: ‘Een rijmwoordenboek is inspirerend, het brengt je op ideeën, maar die moet je toch weer zelf verwoorden.’ Bakker wijst op de bruikbaarheid van jargon  (‘Voor vakgenoten kan ik klysma prachtig laten rijmen op aneurisma’) en namen.

Er staan er heel wat in zijn rijmwoordenboek, en hoeveel dichters zou het niet inspireren te zien dat CPN-er rijmt op mensenkenner en Campari op Mata Hari?

Wie denkt er spontaan aan een sirtaki in Nagasaki en een Gitane voor Diane in Toscane? Een verbinding tussen de R.A.F. en een Toepolev ligt niet meteen voor de hand, net zomin als die tussen de KNMI en claustrofobie.

Dat Nederlands rijmt op Protestants moet in heel wat huisgezinnen te gebruiken zijn. En er komen  altijd nieuwe namen bij. Bakker: ‘Nu met Bush rijmt er weer iets op douche.’ 

De laboranten uit het Lyrisch Lab zijn streng in de leer. Nieuwint (‘De enige goede Sinterklaasgedichten komen voor het Nederlands van de Schoolmeester, en voor het Engels van Ogden Nash’) is nog wat strenger dan Bakker (‘Ik wil niet naar doen over Candlelight-gedichten, ik vind het allang mooi dat mensen zich daarmee bezighouden in plaats van voor de tv te zitten’) maar de strengste dichter in Nederland is volgens Nieuwint nog altijd drs. P, die vindt dat tante niet rijmt op klanten.

De vraag is of die ooit wel een Sinterklaasgedicht krijgt: wie zou er een durven maken voor de man die (Nieuwint:) ‘uitsluitend te evenaren valt, nooit te overtreffen’.

Nieuwint en Bakker hebben zelf al in geen jaren Sinterklaas gevierd. Andersom is de druk ook groot: men verwacht van een professional perfectie. ‘Een Sinterklaasgedicht kost een avond,’ zegt Nieuwint. U heeft er nog twee – maar misschien zijn Sinterklaasversjes toch meer iets voor amateurs.

De Taalmachine

Hoe ontleedt een computer automatisch een zin, en wat is het nut daarvan.

Het aantal zinnen dat je in een taal kunt maken is letterlijk eindeloos groot. Het aantal teksten dus ook. Wie eerste drukken van Vestdijk spaart weet dat zijn collectie op een dag compleet kan zijn, maar een taalverzamelaar is nooit klaar. Toch worden er her en der in Nederland aan de universiteiten heel wat teksten in computers opgeslagen. Corpuslinguistiek heet dat.

Het aanleggen van een, liefst ‘verrijkt’ corpus is een uitermate tijdrovende bezigheid. Dat verrijken bestaat namelijk uit het toevoegen van taalkundige informatie; bij de woorden wordt bijvoorbeeld aangegeven tot welke grammaticale categorie ze horen (werkwoord, voorzetsel et cetera) en de zinnen kunnen met een codering voor hun grammaticale constructie de machine ingaan. Is een tekst eenmaal op die manier opgeslagen dan kun je de computer woorden en constructies laten zoeken en tellen. Bij het maken van bijvoorbeeld een boekje ‘Nederlands op reis’ kan het handig zijn te weten welke woorden vaak voorkomen. Of de teksten in een corpus werkelijk representatief voor een bepaald soort taalgebruik zijn blijft natuurlijk altijd een beetje een gok.

Corpuslinguistiek was vooral in Amerika tot het einde van de jaren vijftig erg in zwang. Mensen als Zellig Harris (de leermeester van Chomsky) bestudeerden aan de hand van gesproken corpora Indianentalen waar nog nooit iemand naar gekeken had. Van (soms de laatste) Indianen die een bepaalde taal spraken werden bandopnamen gemaakt, en die dienden als uitgangspunt voor de beschrijving van die taal. Aan een dergelijke manier van werken kleven flinke bezwaren: gesproken taal barst bijvoorbeeld van de fouten (vergissingen, versprekingen, valse starts’ enzovoort).

Daarnaast is er het element van willekeur en toeval dat ook voor geschreven corpora geldt: hoe groot je corpus ook is, je hebt geen enkele garantie dat je materiaal ‘taalkundig compleet’ is. Een taalonderzoeker is op zoek naar regelmatigheden en patronen en stelt hypotheses op. Voor een goede beschrijving van een taal blijft hij daarom altijd afhankelijk van het oordeel van sprekers van die taal. Een corpus levert op zijn best een complete beschrijving van zichzelf op, maar nooit van de taal waaruit het getrokken is. Wat precies het nut is van met veel moeite corpora aanleggen van talen waarvan ruimschoots sprekers voorhanden zijn is daarom niet helemaal duidelijk.

Woordenboeken
Toch kan het opslaan van taal bijzonder nuttig zijn. Een voor de hand liggend voorbeeld zijn woordenboeken. De Van Dales worden tegenwoordig met behulp van de computer gemaakt. Dat heeft allereerst voordelen voor de kwaliteit van die woordenboeken: als niet alles met de hand gecontroleerd hoeft te worden sluipen er minder ‘mensenvergissingen’ in. De computer kan de lijst woorden en omschrijvingen die hij al heeft ook snel en zonder vermoeidheidsverschijnselen met andere (vaak buitenlandse) woordenboeken vergelijken en daarmee zorgen voor een grotere woordenschat.

En er zijn al plannen om woordenboeken op schijf uit te brengen voor de pc-bezitters. Dat heeft duidelijke voordelen. Er zijn dan meer ‘ingangen’ mogelijk dan de alfabetische volgorde; je kunt aan alle kanten beginnen, of bijvoorbeeld vragen bij welke woorden het woord bloem in de omschrijving voorkomt. En— misschien niet erg sportief, maar een wanhopige puzzelaar zou een lijstje kunnen vragen van alle woorden van vijf letters die beginnen met een f en eindigen op een n. Daarnaast laat een woordenboek-op-schijf zich veel gemakkelijker uitbreiden dan een woordenboek-in-de-kast.

Woordenlijsten zijn ook nodig bij het laten werken van ontleedprogramma’s. Om maar weer even bij het nut te beginnen: ontleedprogramma’s (parsers in jargon) kunnen helpen een theorie te toetsen en uit te werken. Juist omdat een computerprogramma ‘blindelings’ regels toepast kan het op feilen en fouten stuiten waar mensen overheen kijken. Anderzijds kan het soms ook laten zien dat er nog meer (goede) mogelijkheden zijn om een bepaalde zin te ontleden.

Het maken van een ontleedprogramma kan de computerlinguïst op ideeën brengen. Maar daar schuilt tegelijkertijd het grootste gevaar van de computerlinguïstiek als geheel: om echt interessant werk te kunnen verrichten is het nodig dat een onderzoeker zowel heel veel van taalkunde als van programmeren weet. Veel van zulke mensen zijn er niet. Daarom gaan parsers nogal eens gebukt onder hopen ad-hoc oplossingen.

Schoolgrammatica’s
Overigens is ontleden sinds de komst van Chomsky niet meer wat het geweest is. De ouderwetse schoolgrammatica’s zijn alleen al vanwege hun vaagheid volkomen ongeschikt om als uitgangspunt voor een computerprogramma te dienen. Vrijwel alle ontleedprogramma’s die er momenteel bestaan zijn dan ook geënt op een vroegere of latere versie van Chomskyaanse ideeën over taalstructuur. Voor de taalkunde is het hoopgevend dat de mooiste resultaten op het ogenblik bereikt worden met de nieuwste theorieën, al moet vooraf gezegd worden dat er nog niet één ontleder is die perfect werkt. Dat is niet verwonderlijk, want er is ook nog niet een taal waarvan een volledige grammaticale beschrijving bestaat.

Wat moet een goede parser nu precies doen? Allereerst natuurlijk alle correcte analyses van een zin geven, en niet één foute. Een groot probleem hierbij vormen de dubbelzinnigheden waar iedere taal vol mee zit. Neem een simpel voorbeeld als Jan slaat Piet. Als dat zinnetje uitgesproken wordt kun je aan de klemtoon horen of het Piet of Jan is die de klappen krijgt, in geschreven taal zijn er twee interpretaties mogelijk. Hetzelfde geldt voor Wie slaat Piet? Is wie hier onderwerp of lijdend voorwerp? Een goedwerkende ontleder vertelt je dat beide analyses grammaticaal mogelijk zijn.

Een deel van de dubbelzinnigheden kan ondervangen worden door een goede woordenlijst (in jargon: een lexicon). Daar moet ieder woord met al zijn belangrijke eigenschappen in staan: of een werkwoord al of niet overgankelijk is bijvoorbeeld. Lastig genoeg kan eenzelfde woordvorm nogal eens tot verschillende woordsoorten behoren. Een aardige illustratie is zin (1) waarin de woordvorm gegeven achtereenvolgens een voorzetsel, een zelfstandig naamwoord, een bijvoeglijk naamwoord en een werkwoord is (vergelijk zin (2)).

(1) Gegeven de huidige situatie worden de gegevens over het gegeven geld niet aan de inspecteur gegeven.

(2) In de huidige situatie worden de feiten over het overhandigde geld niet aan de inspecteur verstrekt.

Voor een ontleedprogramma is zin (1) een absolute ramp. Omdat een computer niets begrijpt en het voorlopig onmogelijk lijkt ‘betekenis’ zo te definiëren dat een machine er iets mee kan doen, moeten alle mogelijke analyses nagetrokken worden. In de praktijk zijn dat er al gauw honderden, soms duizenden. De gevolgen van zo’n ‘explosie’ voor de benodigde hoeveelheid geheugenruimte laten zich raden.

De volgorde
Zoals gezegd lijkt een ontleedprogramma in vrijwel niets op een grammatica zoals iedereen die wel van school kent. Veel van de bestaande ontleed-algoritmes zijn gebaseerd op ‘contextvrije herschrijfregels’. Een vrij eenvoudig voorbeeld van zulke regels is te vinden in het kader elders op deze bladzijde. Met contextvrije regels zijn redelijke resultaten te bereiken voor talen waarin de volgorde van de constituenten netjes hand in hand gaat met de interpretatie. Dat is bijvoorbeeld in het Engels veel meer het geval dan in het Nederlands: John hits Pete heeft maar een betekenis: John moet degene zijn die slaat.

Een goede taaltheorie die ook voor talen als het Nederlands opgaat heeft aan contextvrije herschrijfregels niet voldoende. Aan de Hogeschool van Tilburg werken de Amerikaan Craig Thiersch en de Duitser Hans-Peter Kolb samen aan een ontleed-algoritme dat uitgaat van de X-bar-theorie. Het idee dat aan deze theorie ten grondslag ligt is ongeveer het volgende: zinnen worden opgebouwd uit constituenten, en die constituenten worden opgebouwd rond een hoofd. De vier belangrijkste grammaticale categorieën (naamwoord, werkwoord, voorzetsel, bijvoeglijk/bijwoordelijk naamwoord) kunnen het hoofd van een constituent zijn.

De opbouw van de verschillende constituenten (rond een hoofd) en de opbouw van zinnen uit constituenten gaan in principe op dezelfde manier in hun werk. Dit geldt voor alle talen. Daarmee ben je natuurlijk nog niet waar je zijn wilt: zo’n krachtig mechanisme levert behalve grammaticale ook heel veel ongrammaticale structuren op. Dat ‘overgenereren’ wordt beperkt door condities toe te voegen, voorwaarden waaraan de structuren die het mechanisme aan een rijtje woorden toekent moeten voldoen om uiteindelijk goedgekeurd te worden. Die condities kunnen gelden voor een bepaalde taal, of voor een groep talen. Een voorbeeld: in sommige talen worden bepaalde constituenten gebouwd door dingen rechts van het hoofd te zetten, in andere door dingen links van het hoofd te zetten. In het Nederlands, Duits en Engels staat een bijvoeglijk naamwoord links van het zelfstandig naamwoord, in het Frans, Italiaans en Spaans meestal rechts.

In de praktijk kan deze aanpak het volgende betekenen: wanneer alleen uitgegaan wordt van het basis-bouw-schema (X-bar) dan levert een simpel Duits bijzinnetje als ..dass der Karl den Hund schlug maar liefst 634 mogelijke ontledingen op. Door een conditie toe te voegen kan dat aantal gereduceerd worden tot één: de juiste analyse. Wat het werk van Thiersch en Kolb vooral zo interessant maakt is dat ze met het aanpassen van een paar condities hun Duitse ontleder in een handomdraai in een Engelse kunnen omzetten. Dat is behalve leuk voor theoretici natuurlijk ook niet onbelangrijk voor toepassingen van ontleders, zoals bijvoorbeeld in een toekomstige vertaalmachine.

Volgende week:  deel 3 en slot: Vertalen

 

NASCHRIFT

Wat de krant niet haalde, was onderstaand voorbeeldje van een herschrijfgrammatica. Voor de liefhebber alsnog. En uit de uitleg over X-bar was een deel verdwenen dat er beter in had kunnen blijven staan, en dat hierboven daarom dus wel  gebleven is.

HERSCHRIJFGRAMMATICA:
(lees voor de pijltjes: herschrijft als (ofwel: bestaat uit))
ZIN -> NAAMWOORDCONSTITUENT + WERKWOORDCONSTITUENT;
NAAMWOORDCONSTITUENT -> LIDWOORD + NAAMWOORD;
WERKWOORDCONSTITUENT -> WERKWOORD + NAAMWOORDCONSTITUENT;
LIDWOORD -> de, een;
NAAMWOORD -> vrouw, telefoon;
WERKWOORD -> hoort.

Met dit kleine grammaticaatje kunnen precies de acht volgende zinnen gemaakt en ontleed worden:

-De vrouw hoort de telefoon.
-Een vrouw hoort een telefoon.
-De vrouw hoort een telefoon.
-Een vrouw hoort de telefoon.
-De telefoon hoort de vrouw.
-Een telefoon hoort een vrouw.
-De telefoon hoort een vrouw.
-Een telefoon hoort de vrouw.

Directeur Dr. A.F. Marks over de gestructureerde heilige drie-eenheid van het SWIDOC

Goud, rose, blauw, gestreept of met stippeltjes: de tafel ligt vol boeken, brochures en ander drukwerk in vele kleuren.

Dr. A.F. Marks, directeur van het Sociaal-Wetenschappelijk Informatie- en Documentatiecentrum (in de wandeling SWIDOC) heeft het materiaal dat de afgelopen week is binnengekomen, even uitgestald om duidelijk te maken dat “grijze literatuur” er zeer zeker niet grijs uitziet.

Ook de inhoud van al die publicaties is bepaald kleurrijk. De titels variëren van Graffitti, kunst of criminaliteit? via Effecten van het Europese integratieproces tot Kindermishandeling, van signaal naar hulp. Alle rapporten en studies binnen de sociale wetenschappen (inclusief rechten en economie) die niet via de boekhandel of uitgeverijen verspreid worden, vormen samen de grijze literatuur die het SWIDOC verzamelt. Een enorme berg die elk jaar hoger wordt. In 1990 kwamen er een kleine drieduizend aanwinsten voor de “Rapportencentrale” binnen. En dan te bedenken dat het verzamelen en toegankelijk maken van dit type materiaal maar een van de taken van het SWIDOC is.

Het SWIDOC bestaat sinds 1963. Het is ontstaan uit een initiatief van de Sociaal-Wetenschappelijke Raad van de Akademie om een registratie van lopend sociaal-wetenschappelijk onderzoek in te stellen. Directeur Marks (52): “Het kwam eigenlijk indirect voort uit het Weinbergrapport dat in ’61 aan de Amerikaanse president werd aangeboden. Er was na de Tweede Wereldoorlog zowel in de Verenigde Staten als hier zo’n explosieve groei van onderzoek dat het nodig werd ergens te registreren wie waar mee bezig was. Het overzicht was zoek, en als je dat wel hebt voorkom je dubbel werk.”

“We hebben trouwens wel al een keer meegemaakt dat twee mensen blijkbaar hetzelfde juridisch onderzoek wilden beginnen en dat een van de twee bij wijze van spreken tot op de minuut nauwkeurig wilde weten wanneer de ander zijn plan had aangemeld. Dat liep echt hoog op, er werd gedreigd met een kort geding. Maar wat wij doen gaat natuurlijk niet verder dan registreren. We zijn niet aansprakelijk. We zeggen ook tegen de mensen dat ze zelf maar moeten komen kijken hier, als ze echt zeker willen zijn. Binnen een vakgebied of specialisme heb je soms synoniemen die wij niet altijd als zodanig herkennen.”

Periodiekenparade 

“Het is allemaal begonnen als een klein bureautje dat in een hoekje bij de Akademie gehuisvest werd. Het SWIDOC deed toen ook niets anders dan lopend onderzoek bijhouden. En dat doen we dus nog steeds. Op dit ogenblik hebben we 1400 adressen waar jaarlijks een printje met gegevens heengaat. Dat zijn de gegevens die wij hier in onze bestanden hebben. We vragen de onderzoekers of het allemaal nog klopt. Soms wordt bijvoorbeeld de doelstelling van een project bijgesteld. En we willen weten of de uitvoerders nog op schema zijn, wanneer ze verwachten dat ze hun proefschrift of een andere publicatie afhebben. Als ze niet reageren – en dat gebeurt niet veel hoor – dan sturen we ze een herhaald verzoek. En er komen steeds nieuwe projecten bij: vorig jaar zo’n 470. Alles bij elkaar zijn we behoorlijk compleet.”

“Pas later is de Rapportencentrale aan dat bureautje gekoppeld. Daar kun je nu tienduizenden documenten vinden. En die zijn allemaal zo gecatalogiseerd dat je op verschillende zaken kunt zoeken: op onderwerp, op auteur, op instituut en er is ook een geografische catalogus. Het materiaal van de laatste jaren is natuurlijk geautomatiseerd. Dat kun je dus ook “on-line” raadplegen. De Rapportencentrale maakt deel uit van onze afdeling Documentaire Informatie. Daar hebben we nog veel meer: 175 Nederlandse tijdschriften bijvoorbeeld. Iedere maand komt onze Periodiekenparade uit.”

“Daarin zijn de inhoudsopgaven van al die tijdschriften te vinden. Eigenlijk zou je voor al die artikelen een index op inhoudelijke trefwoorden moeten hebben. Want een titel zegt lang niet alles. Dat geldt in zijn algemeenheid: vooral grappige of pakkende titels vertellen vaak niets over waar het werkelijk over gaat. We krijgen hier soms de gekste dingen binnen. Ik herinner me dat we een onderzoek kregen over “het gedrag van jonge meisjes in de middagpauze”. Wat moet je je daar nu bij voorstellen? Dat bleek uiteindelijk te gaan over de middenstand die er de dupe van is dat veel kantoren verplaatst zijn naar buiten de stad: de typistes en secretaresses die in die kantoren werken gaan tussen de middag niet meer gauw even boodschappen doen.”

Betalen

“Over een inhoudelijke ontsluiting van die tijdschriftartikelen zijn we nu aan het praten. We kunnen dat onmogelijk alleen doen, dus hebben we de redacties van al die 175 tijdschriften uitgenodigd. Die blijken gelukkig mee te willen werken. Die redacties kunnen dat zelf tenslotte ook het beste. De bedoeling is dat er voortaan 9000 artikelen per jaar ontsloten zullen worden.”

De afdeling Documentaire Informatie bevindt zich beneden in het prachtige pand vol marmer en houten betimmeringen aan de Herengracht in Amsterdam dat vroeger als bank dienst deed. Via de loketten waar toen de gelduitgifte plaatsvond, wordt nu documentatie verkocht. Wie informatie-op-maat wil hebben, – en dat is nu precies wat het SWIDOC kan leveren – moet daarvoor betalen.

Niet extreem veel overigens: het gaat om ongeveer acht procent van de begroting, maar volgens Marks zijn de mensen gelukkig meer en meer bereid geld neer te tellen voor de geleverde diensten en goederen.

Druk is het niet op de afdeling die uitkijkt op de tuin met eeuwenoude bomen en een iets jonger tuinhuis. Er lopen twee jonge meisjes rond die bij het zoeken in de computerbestanden geholpen worden door een medewerkster. “Nee,” zeggen ze “we zoeken meer iets dat direct met antropologie te maken heeft.”  Marks, die zelf antropologie en niet-westerse sociologie studeerde en die vakken vijftien jaar lang doceerde aan de universiteit van Leiden, reageert enthousiast: “Hoorde u dat. Dat is nou zo mooi van het systeem dat we hier hebben: je kunt heel precies en toegesneden zoeken.”

Het bezoekersaantal is groeiende (in 1987 nog 375 personen, in 1990 al 702), maar ongeveer negentig procent van de aanvragen komt schriftelijk of telefonisch binnen. Documentaire Informatie is de plek waar alles samenkomt: wie iets wil weten over lopend onderzoek moet ook daar zijn en hetzelfde geldt voor degenen die gebruik willen maken van Steinmetzarchief, de derde poot van “de heilige drie-eenheid” die het SWIDOC in de woorden van Marks is.

Dat archief bestaat sinds 1972. Het is een data-archief van onderzoeksmateriaal dat met een computer gelezen kan worden. Het idee achter deze SWIDOC-afdeling is glashelder: voor heel veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek wordt een schat aan gegevens verzameld die in principe ook op andere manieren gebruikt kunnen worden.

En niet alleen bij vervolgonderzoeken. Gegevens kunnen uitgetrokken of bewerkt worden. Oud onderzoek hergebruiken spaart tijd en geld. In het Steinmetzarchief zitten bijvoorbeeld alle NIPO-weekenquêtes sinds 1962. Ook onderzoeksgegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn er te vinden. Duizenden magneetbanden die om de paar jaar “overgespoeld” moeten worden, omdat anders de gegevens onbetrouwbaar kunnen worden. De toekomst is aan de CD-ROM: de cd-tjes waar geen muziek, maar gegevens op staan. Die nemen weinig ruimte in, en ze zijn veel moeilijker te beschadigen dan de ouderwetse tapes.

De medewerkers van het archief voeren op verzoek (en zoals gezegd tegen betaling) analyses op het materiaal uit. Zo werd hen onlangs gevraagd naar het percentage jongeren dat op een bepaald moment van de dag slaapt. Dat was voor iemand die een paar dagen later een lezing moest houden over het veranderende slaapgedrag in Nederland. Die gegevens komen dat uit een groot tijdbestedingsonderzoek waarvoor mensen van alle leeftijden en uit alle lagen van de bevolking wekenlang van kwartier tot kwartier bijgehouden hebben wat ze deden.

Buitenland 

Ook buitenlandse gegevens zijn via het Steinmetzarchief te bereiken. Door uitwisselingscontracten zijn de belangrijkste data-bestanden in andere landen toegankelijk. Omgekeerd zorgt het Steinmetzarchief dat zijn gegevens in het Engels zijn: eenderde van de informatieverzoeken komt uit het buitenland. Het SWIDOC is sowieso een internationaal georiënteerde instelling. Het is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de Nederlandse sociaal-wetenschappelijke bijdrage aan SIGLE, dat is het System of Information about Grey Literature(waaraan voor andere gebieden bijdragen geleverd worden door onder andere de Koninklijke Bibliotheek en de KNAW Bibliotheek).

Bij Documentaire Informatie kunnen ze on-line even gemakkelijk in hun eigen literatuurbestanden zoeken als in Amerikaanse en Engelse zoals Psychological Abstracts, de Social Science Citation Index en de Smithsonian Science Information Exchange. En natuurlijk levert het instituut bijdragen aan internationale projecten en boeken. Momenteel ligt er een inschrijving van het instituut op een projectvoorstel van de EG waarvoor een tender was uitgegeven. Het project beoogt in het kader van de Europese integratie de documentatie van onderzoek te verbeteren. Eén instelling zou een soort mondiaal overzicht moeten hebben. Marks hoopt oprecht dat zijn instituut het project toegewezen krijgt.

Sneeuwbaleffect

Alledrie de SWIDOC-poten (de combinatie van functies en werkzaamheden is volgens Marks uniek in de wereld) groeien als kool. Alle bezuinigingen van de laatste jaren ten spijt. Marks spreekt van een sneeuwbaleffect: de naamsbekendheid van het SWIDOC wordt nog steeds groter. De uitleen is in een paar jaar verdubbeld.

Marks vindt dat hij niet mag klagen, en dat de Akademie hem goed gezind is, ondanks de daar door hem gesignaleerde reserves tegen sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Maar zijn standaardantwoord op de vraag hoe het gaat luidt “still going wrong” omdat er alleen maar meer en meer binnenkomt. Information overload heet dat in jargon. En die brengt geen evenredig verhoogde budgetten met zich mee.

Marks wijst er daarom graag op dat zijn instituut een belangrijke educatieve en culturele functie vervult, en dat het voorkomen van dubbel onderzoek en het opnieuw gebruiken van onderzoeksgegevens natuurlijk wel veel geld bespaart. Alleen niet bij het SWIDOC. 

Een belangrijke wens van directeur Marks voor de toekomst is toch dat er meer van zijn instituut gebruik gemaakt zal worden. Marks: “Er is laatst een studiedag geweest van de RAWB en het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen over het wetenschapsbeleid in de jaren negentig. Ik heb daar in een discussiegroepje gezeten en het is me enorm opgevallen dat er zo weinig oog bestaat voor formele informatiecircuits. Mijn opmerkingen daarover vielen echt dood. Iedereen heeft het over de informele circuits, over contacten met collega’s en dergelijke. Vooral in de sociale wetenschappen lijkt iedereen er vanuit te gaan dat wat hij nodig heeft ‘er toch wel is’. Maar dat komt er natuurlijk niet vanzelf. Bovendien wordt er naar mijn idee te weinig gebruik gemaakt van bestaande literatuur.”

“Veel wetenschappers lijden aan wat wij information underuse noemen, omdat ze al gauw denken ‘we kennen het terrein waarop we werken wel’. Daarom draaien ze soms veel te veel in hetzelfde kringetje onderzoekers rond. De socioloog Bram de Swaan heeft het daar wel eens over gehad onder de titel ‘Referenties en reverences: parochialisme op universiteiten’. Vaak is er natuurlijk ook meer dan een persoon kan behappen. Maar daar zijn wij nu juist voor. Onze informatie is gestructureerd en dat betekent dat je systematisch dingen af kunt werken.”

“Taal is geen logica”

Hoe wordt er gepraat in Nederland en Vlaanderen? Mensen uit 267 plaatsen en plaatsjes vertelden het aan onderzoekers en hun hulpinterviewers. Sjef Barbiers van het Meertens Instituut leidde de zaak. Deel een van een atlas die de rijkdom aan variatie in zinsbouw van de Nederlandse dialecten laat zien, is klaar. ‘Dat kunnen we niet zeggen nie’.

Eigenlijk wijkt dr. Sjef Barbiers in alles af van de klassieke dialectoloog. Om te beginnen spreekt hij zelf geen enkel dialect. “Ik ken dus dat speciale gevoel niet”, zegt hij.

Ook houdt hij zich niet bezig met vragen als waar spreken ze huis uit als hoes, huus, of hois? Of in welke delen van Nederland en Vlaanderen heet een vaatdoek een (variant op) schotelslet? En loopt er een duidelijk grens tussen de gebieden waar ze stekskes en waar ze zwiemele zeggen tegen lucifers?

Toch heeft Barbiers (45) het volgens de Europese wetenschapsorganisatie ESF in zich een wereldleider te worden op het gebied van dialectonderzoek. De komende vijf jaar mag hij daarom aan onderzoek één en een kwart miljoen euro uitgeven, het bedrag dat verbonden is aan de European Young Investigators Award die hij eerder dit jaar won. Dat gaat naar een tot voor kort wat stiefmoederlijk behandeld onderdeel van het dialectonderzoek: de vraag in hoeverre dialecten onderling verschillen in de manier waarop ze zinnen bouwen.

Dat is namelijk Barbiers’ vak: syntaxis. De afgelopen vier jaar gaf hij leiding aan het maken van een overzicht van de zinsbouwvariatie in Nederlandse dialecten. Deel een van de  atlas waar dat allemaal in staat, is vrijwel klaar, net als de website-versie. Het prijzengeld is bedoeld voor een Europees vervolg .

Champions League

Op zijn kamer op het Meertens Instituut, het KNAW-instituut voor onderzoek en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur, vertelt Barbiers met een mengeling van trots en lacherigheid over het winnen van de prijs.

“Het was net de Champions League”, zegt hij. “Want het is een open competitie, waarbij eerst zestien landen geld in een pot stoppen, en dan kunnen ze allemaal aanvragen indienen – met het risico dat alleen projecten uit andere landen winnen. Het gaat getrapt, dus er vallen er steeds meer af. De eerste selectie was bij NWO, die stuurde er dertien door. De strijd ging vervolgens tussen130 aanvragen, een aantal dat op Europees niveau gehalveerd werd, en zo verder. Op een gegeven  moment was het zover dat ik naar Brussel moest om mijn project in dertig minuten te verdedigen. Heel spannend.”

Hij werd dus een van de 25 winnaars. “Ik vind het vooral een grote opsteker dat de concurrentie met de harde bèta’s gelukt is”, zegt hij. “Bijna alles is daarheen gegaan. Uiteindelijk kwamen er twee winnaars uit de sociale wetenschappen, en alleen mijn aanvraag kwam uit de geesteswetenschappen.”

Zo veel systeem

Barbiers heeft Nederlands gestudeerd, en vanaf zijn tweede jaar deed hij eigenlijk niets anders dan theoretische taalkunde. “Er ging een wereld voor me open”, vertelt hij. “Ik dacht: ik spreek deze taal nou zo’n twintig jaar, en het is me nooit opgevallen dat er zo veel systeem achter zit. De eerste keer dat je bijvoorbeeld ziet hoe het ongeveer werkt met de mogelijkheden om ‘hem’ en ‘zichzelf’ te gebruiken. En wat er juist niet kan.”

Systeem zit er in alle talen, inclusief de dialecten, die puur taalkundig bekeken niet anders zijn dan standaardtalen. Een veel herhaalde definitie blijft: een taal is een dialect met een leger en een vloot.

Maar de systematiek springt niet meteen in het oog. En traditionele zinsontleding geeft maar een heel beperkt beeld van de bouwmechanismen van taal. “Van je woordenschat ben je je tamelijk bewust”, zegt Barbiers, “van je grammatica niet.”

Toen dialectologen in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw serieus werk maakten van het verzamelen van allerlei gegevens, had eigenlijk bijna niemand zelfs maar door dat zinsbouw een interessant onderzoeksonderwerp was. Meestal bleef het terrein dus beperkt tot klanken en woorden.

Maar onder meer door de atlas, beter bekend als het SAND-project (waarbij SAND staat voor ‘Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten’, het Meertens Instituut werkte eraan samen met de universiteiten van Gent, Antwerpen, Leiden en Amsterdam, en met de Fryske Akademy) is de inhaalslag van de syntaxis in volle gang.

Barbiers legt uit dat dat niet zo gek is. “Inmiddels hebben we een onderzoekstraditie van zo’n vijftig jaar”, zegt hij, refererend aan het moment waarop de Amerikaanse taalonderzoeker Noam Chomsky zijn inzichten begon te publiceren.

“Als het om syntaxis gaat, wordt het vrij snel knap ingewikkeld. Je werkt met formaliseringen en het kost moeite die te volgen. Al denk ik zelf trouwens dat dingen pas echt leuk zijn als je er moeite voor moet doen. In de atlas gebruiken we wel de resultaten uit de theoretische taalkunde, maar we hebben geprobeerd de algemene inleidingen in de verschijnselen ook toegankelijk te maken voor wie niet in syntaxis gespecialiseerd is.”

Bespottelijk

Soms is het wel wennen waar syntaxis over gaat. Barbiers lacht: “Ik herinner me dat ik het bespottelijk vond toen ik hoorde dat iemand een heel proefschrift had geschreven over alleen maar het woordje ‘er’. Die iemand was Hans Bennis, de huidige baas van het Meertens Instituut. Maar toen ik het gelezen had, begreep ik dat er nog veel meer over te zeggen viel.”

“Het gaat om vragen als: in wat voor zinnen móet er ‘er’ staan, wanneer kán het, in welke omgeving wel, in welke niet. Dat is gecompliceerd, het is ook een van de dingen die tweede-taalleerders bijna niet onder de knie krijgen.” Zelf zou hij later in zijn proefschrift een heel hoofdstuk aan alleen maar het woordje ‘pas’ wijden.

Bij de dialecten gaat het vaak ook om op het oog kleine dingetjes. Neem de verdubbelingen: dubbele ontkenningen (dat kunnen we niet zeggen nie), dubbele voegwoorden (‘of dat’), dubbele vraagwoorden (‘wie denk je wie ik gezien heb’), dubbele onderwerpen (het typisch Vlaamse ‘’k ik’, dat anders dan vaak gedacht zeker geen stotteren is), de Nederlandse dialecten zitten er vol mee.

Barbiers: “Dat is onverwacht als je ervan uitgaat dat de functie van zinsbouw is om de betekenis van losse woorden te combineren tot een complexe betekenis. Maar die verdubbelingen dragen niets bij aan de betekenis. Daarmee vormen ze een unieke manier om naar ‘pure syntaxis’ te kijken. Het laat zien dat zinsbouwprincipes ingewikkelder zijn dan ze op het eerste gezicht misschien lijken. Kennelijk zijn die verdubbelingen die geen betekenis toevoegen soms toch nodig.”

Voorspellingen

Nodig binnen het systeem, waarop dialecten een extra licht kunnen werpen. Zo zegt Barbiers het onderwerp waarop hij afstudeerde (hij probeerde te verklaren waarom een zin als ‘over boeken gesproken, ik heb een leuk gelezen’ niet goed klinkt, terwijl ‘over films gesproken, ik heb een leuke gezien’ dat wel doet) beter te begrijpen nu hij gezien heeft hoe het in dialecten ‘werkt’. Hij legt uit: “Als je nauw verwante dialecten onderzoekt, hou je vanzelf een groot deel van de eigenschappen constant. Net als bij experimenten in andere wetenschappen. Je kunt dan zien welke eigenschappen meeveranderen als je één eigenschap verandert.”

“En op die manier kun je ook voorspellingen doen. Net zo goed als voorspeld kan worden dat er een atoom met een bepaald nummer moet zijn voordat iemand het ooit gezien of aangetoond heeft. Een goed voorbeeld zijn die zinnen waarin het vraagwoord verdubbeld wordt, ‘wat denk je wie…’ en dergelijke. Dat die bestaan is iets dat de theorie voorspelde.”

Het feit dat alle Nederlandse dialecten, en trouwens ook de meeste andere talen, dubbele ontkenningen gebruiken doet hem vermoeden dat het een artefact is dat je in het Standaardnederlands bijvoorbeeld niet ‘nooit niet’ mag zeggen. Barbiers: “Je kunt het ook bijna afdwingen. Als je iemand een zin laat afmaken als: ‘Ik ga niet opzij, voor jou niet, en voor niemand…’ dan komt daar bijna altijd nog een ‘niet’ achteraan dan. Het is de normatieve taalkunde die zegt dat dubbele ontkenningen niet logisch zijn, maar taal is geen logica.”

Muurvast

Zoals wel vaker blijkt uit de verzamelde gegevens. Barbiers: “In het Nederlands bestaat een tamelijk wilde zinsbouw, maar de plaats van het werkwoord in bijzinnen ligt muurvast. We hebben het dialect van 267 plaatsen en plaatsjes onderzocht, en in alle 267 is ‘dat Jan leest het boek’ onmogelijk, terwijl het in het Engels prima is.”

Barbiers’ kamer ligt bezaaid met kaarten van het hele Nederlandstalige gebied. De grote doen denken aan de ouderwetse schoolkaarten waarmee je geografische kennis getest werd, alleen zouden scholieren hier wel een heel harde dobber aan hebben: 267 stippen en stipjes zonder plaatsnaam is een hoop.

Maar Gronsveld, Merckegem, Rijckholt, Sint-Truiden, Vaals, voor Barbiers zijn het vertrouwde klanken geworden, en hij weet inmiddels meestal ook precies waar die plaatsjes liggen. “Dat aantal van 267 is ingegeven door praktische overwegingen, zoals geld”, vertelt hij.

Het is in elk geval zeker voldoende om patronen zichtbaar te maken. Neem de kaart waarin verwerkt is welk wederkerend voornaamwoord mensen gebruiken, met andere woorden, wat ze antwoordden op de vraag hoe ze in hun dialect ‘Eduard kent zichzelf goed’ zouden vertalen. Het oosten zegt ook ‘zichzelf’, maar in Friesland en omstreken is het ‘hemzelf’, terwijl in het midden van het taalgebied, in Brabant, Zeeland en Utrecht ‘z’n eigen’ de gebruikelijke vorm is. De berg data overziend is het volgens Barbiers vooral opmerkelijk dat er zoveel syntactische variatie is, nog bestaat. “De informanten waren van de generatie 55 tot 70”,  vertelt hij.  “Veel van begin twintigste eeuw blijkt nog hetzelfde te zijn.”

Hoort u dit?

De organisatie van een groot project als SAND is een enorme klus. Methoden en technieken luisteren bij dit soort onderzoek nauw. Barbiers legt uit: “We hebben consequent gewerkt met hulpinterviewers die zelf dialectsprekers waren. Die kregen dan een ochtend instructies en spraken voorbeeldzinnen in. Niet de onderzoeker, maar zij zeiden voor en stelden de vragen tijdens de interviews. Als je mensen in het Standaardnederlands aanspreekt, is de kans groot dat ze hun eigen taalgebruik aanpassen.”

Nog een truc was om niet te vragen of iets goed of fout was in een bepaald dialect. “We zeiden: komt dit voor? Hoort u dit? Soms krijg je dan trouwens ook antwoorden als: nee, hier zeggen we dat niet, maar een dorp verder hoor je het voortdurend. Bij weer andere dingen konden mensen op een schaal van een tot vijf aangeven hoe normaal iets was.”

Natuurlijk is alles ook digitaal verwerkt. En dat geeft indrukwekkende mogelijkheden waar veel onderzoekers, maar waarschijnlijk ook veel dialectliefhebbers hun vingers bij af zullen likken. De digitale SAND komt binnenkort online (www.meertens.knaw.nl/sand/zoeken), maar Barbiers laat vast het een en ander zien.

Zoeken kan uiteraard op allerlei manieren. Zo kun je bijvoorbeeld met de code C+PRON vragen om alle zinnen met een voegwoord gevolgd door een voornaamwoord. Dan kom je er onder meer achter dat ze in Kerkrade zeggen: ‘Wentver slecht leve, levever niet gelukkig’ (als we slecht leven, leven we niet gelukkig).

Maar zo’n zin is niet alleen uitgeschreven en van taalkundige ‘labels’ voorzien, je kunt ook de context in beeld krijgen (werd er gevraagd om een vertaling, zei iemand het na?) én het oorspronkelijke geluidsfragment horen.

Nog meer kaarten

Dat laatste is uiteraard uitgesloten op papier. “We zeiden vier jaar geleden meteen dat er een digitale versie moest komen”, zegt Barbiers, “maar er was ook de wens er een boek van te maken. Deel een dat nu klaar is, bevat 146 kaarten. Het is een Engels/Nederlands boek, met inleidingen en zo’n 140 pagina’s toelichtingen bij de kaarten. De database heeft de mogelijkheid zelf kaarten te maken, die dan weer toegevoegd worden. Het is een onderzoeksinstrument dat in de loop van de tijd groeit.”

Straks komen nog veel meer kaarten uit de rest van Europa bij, als de SAND voor Europa gemaakt wordt. “Die komt alleen een digitale versie van, met de gegevens van verschillende onderzoeksgroepen”, zegt Barbiers. “Het leuke is ook dat het dikwijls een continuüm is, een dialect houdt niet per se op bij de grens. Het kan gebeuren dat Noord-Limburgers Brabanders tien kilometer verderop niet begrijpen, maar tot ver in Duitsland alles verstaan. Het uiteindelijke doel van dit werk is het inzicht in het taalsysteem vergroten, en daarmee geef je tegelijk een empirische basis aan de intuïties die maken dat je zegt: ‘oh, die komt daarvandaan, dat hoor ik zó’.”

 

Piraterij, heffingen en de fiscalisering van het auteursrecht

“Het is mooi dat het vak auteursrecht nu een plaatsje heeft in de Akademie”, zegt Prof.mr. D.W.F. Verkade, een van de vijftien vers verkozen KNAW-leden. In zijn vak is er heel wat gaande dat zijn “auteursrechthart”, zoals hij het noemt, stevig raakt, en waarbij ook de gemiddelde burger niet buiten schot blijft.

Dat auteursrecht vormt al 25 jaar Verkades vakgebied. Eerder werkte hij in Amsterdam en Nijmegen aan de universiteit, nu is hij hoogleraar in Leiden, waar hij zijn studie begon. ‘Informatierecht en het recht van intellectueel eigendom, in het bijzonder het auteursrecht’ luidt zijn leeropdracht voluit. Verkade (49) combineert de theorie al heel lang met een advocatenpraktijk.

Over beide wil hij graag vertellen, steeds zorgvuldig en voorzichtig formulerend op de wijze die juristen aangeboren lijkt te zijn. Voor Verkades gesprekspartner vormt het interview een buitenkansje. Hij heeft natuurlijk een auteur tegenover zich. Twee zelfs, en hij blijkt onmiddellijk bereid zijn visie te geven op een paar voorbeelden uit het dagelijks leven van de verslaggeefster en de fotograaf.

Zo is er de schrik van elke journalist die niet in dienstverband werkt: je hebt een mooi plan, legt het voor aan een redactie en daar zegt men ‘prima idee, dat gaan we een van onze eigen mensen laten doen’. Het gevoel van machteloosheid dat dat oproept blijkt terecht.

Verkade: “Daar kun je niet veel aan doen. We hebben onlangs een paar rechtszaken gehad over concepten van tv-programma’s bijvoorbeeld. De theorie, waar ik het ook mee eens ben, is dat de loutere ontdekking, het loutere idee niet beschermd is, vanwege de gedachtenvrijheid, de ideeënvrijheid. De rechtspraak laat dat ook zien.”

“Bescherming begint pas daar waar er sprake is van een eigen persoonlijke vormgeving of uitdrukking van het idee. Dus pas als er ook in de uitwerking van een concept wordt nagevolgd, kan de grens overschreden worden. Dat wordt per geval beoordeeld, en soms heb je op een nieuw gebied wat precedenten nodig. Daarna worden dergelijke zaken dan vaak geschikt, omdat de advocaten over en weer wel weten hoe het zit.”

 Ivo Niehe

 “Wat duidelijk niet mag is bijvoorbeeld een interview publiceren onder een andere naam, ook niet als het een beetje bewerkt is.” En als Ivo Niehe iemand in zijn programma haalt met wie er vlak daarvoor een vraaggesprek in de krant stond, een gesprek waar Niehe bij wijze van introductie hele stukken uit citeert, zonder bronvermelding?

“Daar hebt u misschien wel een case“, zegt Verkade. “Wanneer hij dezelfde verhaallijn aanhoudt… Kijk, u hoeft in zo’n geval de ontlening niet te bewijzen, hij moet bewijzen dat het niet zo is. Als het stuk gepubliceerd is, dan moet je aannemen dat hij het makkelijk kon kennen. Hij hoort met wat hij doet kranten te lezen.” Ook de fotograaf heeft kansen volgens Verkade. Die trof onlangs een tekening in de krant aan, in viervoud zelfs, naar een foto die hij een paar jaar geleden gemaakt had. “Net zomin als je een tekening mag fotograferen, mag je een foto tekenen”, legt Verkade uit, “daar kun je dus altijd een zaak van maken.”    

Piraterij

Het laatste geval is al in der minne geschikt, maar een middagje praten met Verkade maakt wel duidelijk dat je als auteur alleen – en dat kun je ook zijn van onder meer beeldende kunst, architectuur, film, muziek, toneel, ballet, en tegenwoordig ook computerprogramma’s – meestal niet sterk staat. Wanneer er groepsbelangen op het spel staan is er meer mogelijk, en op dat punt is de wet ook aangepast.

Verkade: “Er is veel bijgekomen sinds ik begon. Mooie arresten en een heleboel nieuwe, aanvullende wetgeving. Over piraterij bijvoorbeeld. Daarmee bedoel ik het willens en wetens op grote schaal kopiëren en verkopen van dingen in de muziekbranche, de videobranche, en tegenwoordig ook computersoftware.”

“Echte misdaad dus. Op dat gebied is de wet veranderd. De sancties zijn zwaarder en de onderzoeksmogelijkheden voor het Openbaar Ministerie zijn wat makkelijker, ook buiten ‘betrapping op heterdaad’. En er zijn nu groepsacties mogelijk: je kunt nu als club van belanghebbenden, dus als Vereniging voor de fonografische industrie of als Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond in kort geding optreden voor je leden. Vroeger kon je alleen voor je eigen zaak opkomen.”

“En dan de computerprogramma’s. Het is nu net door de Tweede Kamer dat die onder het auteursrecht vallen. Dat was betwist. Inderdaad een beetje raar. Mijn eerste grote publikatie in 1969 ging daar al over. Aangenomen dat een computerprogramma een eigen, persoonlijk gebonden karakter kan hebben is er geen enkele reden dat niet te doen: programmeurs zeggen dat dat zo is, en je krijgt ook verschillende resultaten voor dezelfde opgave, afhankelijk van de programmeur. De eerste kamer moet het nu nog aannemen, maar er lag al lang een richtlijn uit Brussel, dus dat voorstel staat als een huis. De laatste jaren komt er overigens steeds meer uit Brussel. Dat maakt de marges voor de wetgever hier heel smal.”

Bedenkingen

Ziet Verkade een deel van die veranderingen als tamelijk positief, voor het overige baren de nieuwe tijden met hun bijbehorende nieuwe wetgeving hem nogal wat zorgen. Ook over de computerwetgeving heeft hij zijn bedenkingen: “In de nieuwe wet wordt het gebruiken van een computerprogramma als een verboden handeling aangemerkt”, legt hij uit, “terwijl tot dusver onder de auteurswet gebruik op zichzelf vrij was. Je mag zaken niet verveelvoudigen en openbaar maken, maar ze wel voor jezelf gebruiken, zo veel als je wilt.

“Bij computerprogramma’s is het wettelijke uitgangspunt nu geworden dat dat niét mag. Dat is een heel principiële verandering, die ook praktische gevolgen heeft. Het leveringscontract kan bijvoorbeeld bepalen dat je voor méér, of een iets ander gebruik dan aanvankelijk beoogd was, toestemming moet vragen aan de leverancier. Of dat je verplicht bent met die leverancier een exclusief onderhoudscontract te sluiten. Als je dat niet nakomt pleeg je dan ineens auteursrecht-inbreuk, met alle, zelfs strafrechtelijke gevolgen vandien. Het lijkt me dat de wetgever hier te ver doorgeschoten is.”

De trend is wat Verkade betreft heel duidelijk: het auteursrecht wordt steeds minder auteursrechtelijk. Er komen heffingen gebaseerd op schattingen, en dat staat los van het daadwerkelijk gebruik van zaken waarop auteursrecht rust.

“Een paar jaar geleden hebben we de cassetteheffing gekregen”, zegt Verkade, “blanco video- en audiotapes zijn sindsdien met een paar kwartjes belast. Dat markeert een omwenteling. Wat mensen met cassettes doen is natuurlijk niet te controleren, maar nu betaal je ook voor materiaal dat je misschien gebruikt om de bruiloft van je nichtje vast te leggen, of een gesprek zoals dit op te nemen. En op veel klassieke muziek bijvoorbeeld zijn de rechten al lang vervallen. Zoiets kenden we nog niet, en dat is vrijwel stilzwijgend ingevoerd. Het heeft mij overigens indertijd verbaasd dat de consumentenorganisaties niet harder protesteerden.”

Verruwing

Niet alleen voor de burger, ook voor de auteurs zitten er merkwaardige kanten aan de heffingen. Verkade: “Dat geld gaat in een pot, een fonds. Dat verdeelt het dan onder de rechthebbenden. Tot 1 juli van dit jaar ging het allemaal naar de auteurs, lees: vooral de componisten, de muziekuitgevers, platenmaatschappijen en ook filmmaatschappijen. Sinds 1 juli kennen we nu de ‘wet op de naburige rechten’. Dat betekent dat ook uitvoerende kunstenaars en de omroepen nu een eigen recht hebben.”

“Maar die verdeling is natuurlijk heel lastig, je moet schatten, benaderen. Dat gebeurt dan ondermeer op basis van verkoopstatistieken en hoe vaak iets op de radio te horen is geweest. En verder zijn er steekproeven, en hoe beter die zijn, hoe meer van het geld daarin gaat zitten. Het is hoe dan ook een verruwing. En je kunt als auteur in dit systeem niet eens meer tegen iemand zeggen: jij mag het wel gratis.”

“Het individuele verdwijnt hier. Terug naar de auteursrechtelijke basis klopt dat niet. Het is in feite een stukje fiscalisering, en dat bevalt me niet helemaal. Maar ik heb ook niet zo gauw een alternatief. Laatst heeft het constitutionele hof in Australië de invoering van zo’n heffing ongrondwettig verklaard, dat zegt toch wel iets. Misschien krijgen we hier ook nog wel zulke proefprocessen.”

Fotokopieën

Ook voor fotokopieën komt er een regeling aan die gebaseerd is op schattingen en steekproeven. “Men vond het iets te ver gaan om het papier of de apparaten te belasten”, zegt Verkade, “dus is er een systeem bedacht waarbij ieder bedrijf en elke instelling moet opgeven hoeveel kopieën er in totaal gemaakt zijn. En dan is er weer een stichting die schat hoeveel daarvan auteursrechtelijk relevant is. Het lijkt me een lastige activiteit. Het moet weer met steekproeven, en het zal per branche verschillen. Maar dan nog, het ene accountantsbureau is het andere niet. Voor privépersonen geldt die regeling overigens niet.”

De nieuwe technologie maakt het er alles bij elkaar in elk geval niet gemakkelijker op. Soms zijn er ook duidelijk tegenstrijdige belangen. Verkade wijst er op dat de meeste wetenschappelijke auteurs liever gelezen dan betaald worden. Ze vinden het dus niet erg als er kopieën van hun werk in omloop zijn, maar dat betekent weer minder verkochte boeken en tijdschriften, dus een groter risico voor de uitgever.

Verkade: “We hebben van de week op een vergadering van de Vereniging voor Auteursrecht gepraat over document delivery: het leveren van kopieën van artikelen uit tijdschriften. Een mooie service, maar als het zo kan loop je kans dat steeds minder mensen een abonnement op een heel tijdschrift nemen. Dan wordt het misschien op den duur voor uitgevers onmogelijk ze te maken.”

Privacy probleem

Met uitgevers zouden auteurs en lezers weer geen problemen hebben als je alles per elektronische post gaat doen. “Maar”, zegt Verkade, “stel dat je al dat wetenschappelijk werk in een grote elektronische catalogus stopt, dan heb je weer geen zeef. En auteurs vinden het toch leuk om in hét Nederlands tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis ofzo hun eitje te leggen. Dan zou je weer selectiecommissies kunnen opzetten, die zorgen dat de grootste rommel niet wordt opgenomen. De KNAW zou dat bijvoorbeeld kunnen doen, misschien met een klassificatie erbij. Zo’n systeem zou trouwens nog een privacy probleem kunnen opleveren: dan is ineens helemaal bekend hoe vaak ik uw stukjes lees. Dus dan moet je dat weer afschermen, en dat kost tijd en geld.”

Echt gemakkelijk heeft Verkade het niet met alle ontwikkelingen, maar hij weet wel waarom auteursrecht zo’n mooi vak is: “Je kunt het beschouwen als een van de financieringsmechanismen voor het tot stand komen van culturele, literaire en wetenschappelijke produkties. Daarbij gaat het ook nog eens om een onstoffelijk produkt – dat is voor juristen interessant – dat nooit standaard is. En je krijgt vaak te maken met interessante mensen.”

In reggae bijvoorbeeld ís de eerste tel er nooit, maar je hoort hem wel

Een dansende schoen met menselijke trekjes, ritmes die spannend worden door gaten, en het aangeboren vermogen om mee te klappen. Over zulke zaken gaat het in het onderzoek van ex-Akademie-onderzoekers dr.ir. Peter Desain en dr. Henkjan Honing, die  besloten van “beter begrijpen wat muziek is” hun levenswerk te maken. Op weg naar een ‘theorie van het al’ in de muziek.

Jammer, de dansende schoen is nog niet uitgepakt. Naar verluidt is het een klein wondertje om te zien.

Psycholoog en informaticus dr. Peter Desain en musicoloog dr. Henkjan Honing hebben namelijk een puur menselijke eigenschap nagebouwd: de schoen pikt in no time een ritme op, en tapt dan mee. Aan een nieuw ritme past hij zich al even snel aan, dat wil zeggen: soms ‘aarzelt’ hij eventjes, net als wij.

“Beter begrijpen wat muziek is”, dat willen Desain en Honing, en die schoen laat daar iets van zien. Het is nu een klein decennium geleden dat ze – na een aantal jaren vergaand ‘hobbyisme’ – besloten hun levenswerk te maken van inzicht proberen te krijgen in hoe mensen muziek waarnemen en verwerken. Van muziekcognitie dus.

Alletwee hebben ze net een KNAW-fellowship van vijf jaar achter de rug (“Daar waren we erg gelukkig mee, we hebben zó veel kunnen doen”, roepen ze in koor), en in september begint officieel het ideale vervolg daarop: een Pionierproject met de mooi alliterende naam ‘Music, Mind, Machine’, die het onderzoeksgebied heel kort samenvat.

Hoe interdisciplinair het terrein is, valt ook af te lezen uit het feit dat twee verschillende NWO-stichtingen het project betalen. Maar de industrie draagt ook bij, en er zal gewerkt worden aan toepassingen en prototypes. De groep zal  uit tien mensen bestaan. Thuisbasis is het NICI, het Nijmegen Instituut voor Cognitie en Informatie.

Pianola

In de kelders van het universiteitsgebouw waar dat gevestigd is, wordt nog hard gewerkt aan een opstelling. “Daar komt een elektronisch drumstel, en in deze hoek komt een Yamaha-vleugel, waarmee je kunt opnemen en op hetzelfde instrument weer terugspelen. Een soort pianola, maar dan aangestuurd door de computer.”

Onder de net aangelegde kabelgoten en een paar bouwlampen staan Desain (41) en Honing (38) te stralen in wat voorlopig een duister hok is. Het geluiddichte kamertje dat er vlak naast ligt, is al bijna af.

“Met die schoen willen we een beperkte Turing-test gaan doen”, vertelt Honing, zich kennelijk nu al verheugend. De algemene Turing-test is een ultieme toets voor intelligentie, bedacht door de briljante Brit Alan Turing, die als eerste in principe de mogelijkheid van kunstmatige intelligentie inzag. Een machine doorstaat de test, wanneer je – communicerend via een beeldscherm – niet meer uit kunt maken of er aan de andere kant een ander mens zit, of een machine.

Honing: “Dergelijke programma’s bestaan natuurlijk nog steeds niet, maar in een beperkte Turing-test ,die over slechts één domein handelt (zoals bijvoorbeeld wijnkennis, schaken, en nu dan de tel in muziek meetikken), blijkt de computer soms al redelijk succesvol. In muziekcognitie-onderzoek gaat het niet zozeer om een succesvol werkend computerprogramma, maar om de inzichten die de constructie van zo’n programma ons geeft in menselijke perceptie.”

Aangeboren vermogen

“Muziek lijkt een universeel verschijnsel te zijn. Dat wil zeggen, je vindt het in alle culturen, maar er zijn in de hele wereld heel veel soorten muziek”, zegt Desain, de bedachtzaam formulerende van de twee, “en boventoon-zang uit Tibet is natuurlijk heel iets anders dan westerse klassieke muziek. Generaliseren is gevaarlijk. Maar meeklappen, de tel herkennen, dat is waarschijnlijk een aangeboren vermogen.”

Ritme is maar een onderdeel van de muzikale structuur, en structuur is een absoluut sleutelwoord voor het begrijpen van muziek. “Wat wij proberen, is alle componenten van expressie, die deze muzikale structuren uitdrukken, uit elkaar te peuteren”, legt Honing uit.

Hoe? Onder meer met de inzet van muziektechnologie. Als je gaat manipuleren blijkt al snel dat muziek ingewikkelder is dan je zou denken. Zo is er in veel muziekprogrammatuur een tempoknop, waarmee je een stuk muziek sneller of langzamer kunt afspelen.

Honing: “Wat ligt er nou meer voor de hand dan te denken dat je dan gewoon een snellere uitvoering van hetzelfde stuk krijgt? Maar dat is niet zo. Het klinkt verschrikkelijk. Een heel ander effect dan wanneer je een mens vraagt iets sneller of langzamer te spelen.”

Desain: “Het heeft te maken met de expressie in muziek. Kijk, expressie is alles wat níet in de partituur staat. Dus kleine versnellingen, harder en zachter spelen, het aanhouden van een noot, de fijne details kortom, die ook maken dat uitvoeringen enorm kunnen verschillen, en dat je een stijl of een bepaalde pianist kunt herkennen. Het blijkt ook reproduceerbaar. Wanneer je een pianist vraagt een stuk nog eens precies zo te spelen, dan kán hij dat, meetbaar. We zijn bij ons onderzoek echt onder de indruk geraakt van de ongelooflijke beheersing van musici. En als het tempo wordt veranderd, wordt de expressie op een ingewikkelde wijze aangepast.”

Versiering

“Waar zit ‘m dat nou allemaal in? Wij denken dat het heel erg gelinkt is aan de structuur van muziek. En dan gaat het enerzijds om de mentale representatie, dus wat heeft de uitvoerende in zijn hoofd, en anderzijds om de musicologische kant. Klopt het muziektheoretisch? Wat voor type interpretatie is het? Vraag je een pianist een stuk sneller te spelen, dan blijkt bijvoorbeeld dat een bepaalde voorslag – dat is een nootje dat eigenlijk alleen een versiering is bij een andere noot – in dat geval even lang duurt als in de langzamere versie. Verkort je dat nootje ook, dan klopt het ineens niet meer. Met dat soort kennis kun je software maken met meer weet van muziek, van de perceptuele processen die kennelijk een rol spelen. Een betere tempoknop is dan best mogelijk.”

En soms komen de vakgebieden ineens prachtig samen. “Bij die voorslagen zagen we iets bijzonders”, vertelt Honing. “In een versnelde uitvoering bleken sommige inderdaad korter te duren, maar andere bleven precies even lang. Dat begrepen we niet goed. Maar in de musicologie wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten voorslagen. Die bleken dus in de uitvoering terug te vinden te zijn.”

Desain en Honing willen het liefst een ‘theorie van het al’ over muziek formuleren. Door verschillende vakgebieden te combineren, en door verschillende bestaande modellen, die tot hun ergernis allemaal alleen maar één bepaald aspect van muziek beschrijven, naast elkaar te leggen, hopen ze daar ooit te komen. En het allermooiste zou zijn te begrijpen wat muziek met je doet, waarom bijvoorbeeld het Allegretto van de zevende symfonie van Beethoven iemand telkens weer tranen in de ogen kan bezorgen, of waarom de een jazz fantastisch vindt, terwijl de ander het afdoet als zenuwenmuziek.

Reggae

Dat valt voorlopig buiten hun onderzoeksdomein, maar ze hebben er wel ideeën over. Elkaar naadloos aanvullend, vertellen ze: “Wat het dichtst in de buurt komt van een antwoord op de vraag wat iedereen nou zo mooi aan muziek vindt, waarom het emotie kan oproepen, is dat er verwachtingen opgebouwd en geschonden worden. We hebben een eigen theorie daarover op het domein van ritme, die voorspelt wanneer we een volgende slag verwachten, en in welke mate. In de ervaring van muziek is dat heel belangrijk. Je weet: nu komt er een tel, ik moet zo en zo dansen.”

“Maar kómt die tel niet, dan maakt dat het ritme heel spannend. Zo’n gat, een syncope heet dat, hóór je. Dat is bijvoorbeeld karakteristiek voor reggae: de eerste tel ís er nooit. Maar je hoort hem wel, en blijft hem verwachten. Ook bij de honderdste keer dat je naar hetzelfde nummer luistert.”

“Dat verklaart ook waarom je hetzelfde ritme in een andere context niet als hetzelfde herkent. Zelfs als je het weet, lukt dat niet. Staat er een ander stukje muziek voor, dan wekt dat een andere verwachting, en dat patroon van verwachtingen wordt gebruikt bij de interpretatie van het nieuwe materiaal dat je hoort.”

Binnen het Pionier-project zullen er met die geschonden verwachtingen ook experimenten gedaan worden met het registreren van reacties in de hersenactiviteit. Dokters meten hersenactiviteit al sinds jaar en dag met EEG’s: elektro-encefalogrammen. Via elektroden op het hoofd wordt de activiteit in de hersenen weergegeven in golfpatronen.

De cognitiewetenschappen maken inmiddels met graagte gebruik van die techniek. De golfpatroontje blijken namelijk heel karakteristieke pieken of dalen te vertonen bij bepaalde opdrachten, bijvoorbeeld als je mensen een vreemde woordcombinatie (patat met hond, brood met sokken) laat lezen. Zo’n schending van wat je betekenisverwachtingen kunt noemen, geeft ook bij iedereen dezelfde uitslag van de metertjes, en wel na 400 milliseconden. Of er iets soortgelijks valt te meten bij het schenden van ritmeverwachtingen, zal dus binnen het Music- Mind- Machine-programma uitgezocht worden.

Nog spannender

Ondertussen zinderen Desain en Honing van nog meer plannen en ideeën. “We willen ook een ritmisch lexicon en een zoekmachine daarvoor maken”, zegt Honing enthousiast. “Waarbij je iets in kan spelen en de computer antwoordt met een bekend ritme, dat daar perceptueel zo dicht mogelijk bij ligt. Ook kan je zoeken naar ritmische varianten op bijvoorbeeld de samba of iets dat daar juist het verst vanaf ligt. Of je zoekt naar een nóg syncopischer, dus nog spannender patroon. Met dat soort dingen kun je ook onderwijs echt leuk maken, dat vinden we ook belangrijk.”

Muziek weergeven in woorden blijft lastig. Je moet het horen. Desain en Honing zijn daarom heel gelukkig met de mogelijkheden van de nieuwe media, bijvoorbeeld het Internet. Daar kun je een stukje tekst heel simpel laten volgen door een stukje geluid. Wie meer wil weten dan in een zwart-op-wit-verhaal verteld kan worden: het adres van hun site, waarop de tekst van al hun artikelen met geluidsvoorbeelden te vinden is, is http://www.nici.kun.nl/mmm .

Tekeningen van Hahn, brieven van Marx en een steen uit Parijs 1968

Even verderop worden de pakhuizen verbouwd tot yuppenwoningen, maar het pakhuis op nummer 31 aan de Cruquiusweg in Amsterdam is kortgeleden  het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis geworden. Een gigantisch pand, waar nog een extra verdieping ‘tussengehangen’ is, en waar voorlopig gemakkelijk nog meer bij kan. Ondanks de zes kilometer boeken en andere geschriften die er al opgeslagen zijn.

Twintig miljoen hebben de verbouwing en verhuizing alles bij elkaar gekost, maar de waarde van de zaken die voor dat geld een fatsoenlijke huisvesting hebben gekregen is niet te schatten. Zelfs heel letterlijk niet: het IISG heeft collecties waarvan niemand weet dat ze er zijn. Omdat de gever geheimhouding als voorwaarde voor zijn schenking heeft gesteld. Maar er zijn ook collecties bij die iedereen kent: de briefwisseling tussen Marx en Engels bijvoorbeeld. Sinds een heel klein briefje laatst 50.000 D-Mark bleek op te leveren ligt er helemaal een kapitaal in de kluizen.

Het woordje “Internationaal” in de naam van het instituut is geen loze interessantdoenerij. Vanaf het allereerste begin verwierf men brieven, vlugschriften, boeken, tekeningen, kranten, tijdschriften en affiches uit het buitenland: alles als het maar te maken had met sociale bewegingen. In de praktijk betekende dat meestal arbeidersbewegingen, maar inmiddels zijn ook de kraak- en vredesbeweging ruim vertegenwoordigd.

Het instituut werd in 1935 opgezet als een soort reddingsactie. Na 1933 was het urgent geworden om archieven en bibliotheken uit Duitsland en later ook uit Oostenrijk te halen. De gigantische bibliotheek van Max Nettlau bijvoorbeeld, die toendertijd de rijkste collectie ter wereld op het gebied van anarchistische ideeën en bewegingen bezat, met onder andere de manuscripten van Bakoenin.

De Spaanse burgeroorlog leverde ook heel wat politiek gevoelig materiaal op, zelfs zo gevoelig dat een aantal jaren geleden een groepje Spanjaarden die deel uitmaakten van een splintergroepering het materiaal dat indertijd in bewaring is gegeven kwam opeisen. Met behulp van een bezetting. Er bestaan foto’s van. Ook van de opgekalkte leus “Fischer fascista”.

Dr. E. Fischer is directeur van het instituut. Hij is op vakantie.  Adjunct-directeur  J. Kloosterman en hoofd algemene zaken drs. H. Wals nemen de honneurs waar. Met groot enthousiasme vertellen ze hoe het instituut nog steeds aan reddingsacties doet. Er is materiaal uit Latijns-Amerika, en de laatste tijd komt er veel uit Turkije binnen. Een medewerker bracht van de zomer foto’s, video’s en zelfs een spandoek mee terug uit China. Wals: “Dat heeft iets lijkepikkerigs, maar ook dat soort dingen moeten bewaard worden.”     

De geschiedenis van het instituut is zelf eigenlijk ook ‘sociale geschiedenis’ geworden. In een prachtig, in 1986 uitgegeven boek De papieren van de revolutie, beschrijft Maria Hunink de jaren tot 1947. Het doorzettingsvermogen van oprichters N.W. Posthumus, hoogleraar in de Economische Geschiedenis, en Nehemia de Lieme, directeur van de Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank is bewonderenswaardig. Een belangrijke hindernis die telkens genomen moest worden bij hun pogingen de een of andere collectie te verwerven, was de gehechtheid van de collectioneurs aan hun verzamelingen.

Sommige verhalen doen bijna komisch aan. Max Nettlau bijvoorbeeld krijgt spijt meteen nadat hij een contract met Posthumus getekend heeft, en spoedt zich een dag later met zijn inmiddels doorgestreepte en ongeldig gemaakte overeenkomst naar Posthumus. Die vervolgens zijn armen stijf tegen zijn lichaam houdt en absoluut weigert Nettlaus envelop in ontvangst te nemen. Posthumus was zo slim geweest het contract nog de dag van ondertekening te laten inschrijven in het handelsregister in Wenen waar bovenbeschreven scène zich afspeelde.

Grenzeloze chaos     

Waarlijk heroïsch zijn de verrichtingen van Annie Adama van Scheltema, weduwe van de dichter en vanaf het begin bibliothecaresse van het instituut. Onder de ogen van de nazi’s sleept ze koffers vol archieven naar Nederland. Uit handen van de Russen redt ze een deel van de Trotski-archieven, die in Parijs opgeslagen waren. Een ander deel is voorgoed bij een nooit opgehelderde inbraak verdwenen. Reden voor het instituut om de naam Trotski in alle geschriften te vervangen door ‘Abel’ (Stalin had Trotski een aantal keren aangduid als ‘Kaïn’).     

Wat er in die eerste jaren verworven werd grenst aan het ongelooflijke. Van het archief en de bibliotheek van Domela Nieuwenhuis en de ‘Sozialdemokratische Partei Deutschlands’ tot de persoonlijke documenten van Alexander Herzen. Maar ook een eerste druk van het anoniem verschenen Kommunistisch Manifest, een verzameling werken over de bedelarij op het eind van de 18e eeuw, documenten van Jeronimo de Bosch Kemper, grondlegger van de Nederlandse sociologie, en de jaargangen 1821-1835 van het Nederlandse vrouwentijdschrift Pénélopé. Letterlijk te veel om op te noemen, en dat gebeurde dan ook niet. De eerste jaren werd er vrijwel uitsluitend verzameld en opgeslagen.

Kloosterman: “In Duitsland is net een rapport van de Sicherheitsdienst gevonden over de toestand in het instituut in 1940. De Duitsers waren erg geïnteresseerd in de verzameling, de SS en het Nationaal Arbeidsfront streden onderling over wie het zou krijgen. Het meeste heeft de oorlog gelukkig overleefd. Maar het beeld dat uit dat rapport rijst is er een van grenzeloze chaos. Alles was volgestouwd met papier. Nergens was plaats, overal stonden dubbele rijen en in de gangen kon je niet lopen door de tot aan het plafond opgetaste kranten. Je kon dus ook niks vinden. Alleen als iemand toevallig wist waar iets de laatste keer neergelegd was.”

Rechtse regering   

Ontsluiting van het materiaal. Van de 100 mensen die tegenwoordig op het instituut werken houdt zo’n tweederde zich daarmee bezig. De nieuwe tijden bieden daarvoor geheel nieuwe mogelijkheden. Er zitten inmiddels een half miljoen boektitels en periodieken in de computer (de centrale computer heeft een opslagcapaciteit van zeven maal 340 Megabyte). En in augustus is er een proefproject begonnen dat het mogelijk moet maken om (in eerste instantie zo’n 2000) foto’s en plaatjes te digitaliseren en dan op een apart, aan een terminal én het geautomatiseerde bestand gekoppeld videoscherm te projecteren. Dat betekent dat men binnenkort bijvoorbeeld alles over een persoon tegelijkertijd kan bekijken: zijn portret, boeken en artikelen die hij of zij geschreven heeft, maar ook alles wat er over diegene verschenen is.

Zeer tevreden is men over het geld dat het Ministerie van Onderwijs hiervoor beschikbaar heeft gesteld. Kloosterman: “Buitenlandse instellingen zijn stomverbaasd dat wij van een rechtse regering zo’n mooi gebouw en allerlei middelen krijgen. Als in Frankrijk Mitterand valt, betekent dat ook dat de automatiseringsplannen van de baan zijn voor instellingen als de onze. Met de automatisering is het heel hard gegaan. In 1982 hadden we bij wijze van spreken nog geen elektrische schrijfmachine, en nu komen ze uit het buitenland kijken hoe wij het doen.”

Modeverschijnsel

Wat gebeurt er nu met al dat materiaal? Kloosterman en Wals stellen dat het instituut meer een documentatiecentrum dan een bibliotheek is. Tegenwoordig zijn er dagelijks zo’n dertig a vijftig bezoekers. Mensen die meestal lang blijven en gemiddeld veel aanvragen bij de uitleenbalie, ook al wordt er maar weinig materiaal uitgeleend. Kloosterman: “Twintig jaar geleden, twee panden terug, was het heel anders. Toen zaten er alleen een paar buitenlandse hoogleraren in de studiezaal. Pas in de jaren zeventig kwamen de Nederlanders. Sociale Geschiedenis werd een modeverschijnsel.”

Dat is nu weer over. De invalshoek voor onderzoek is veranderd, zegt Wals. “De aanpak is nu comparatief en internationaal. Er vindt veel meer uitwisseling van wetenschappelijke kennis plaats. Wie zich wil bezighouden met de opkomst van de arbeidersbeweging, vergelijkt bijvoorbeeld de gang van zaken in Frankrijk met die in Duitsland. Wat je wil weten is welke factoren een rol spelen. Waarom het in het ene land anders loopt dan in het andere. De parochie-instelling is verdwenen. Onderzoekers willen inzicht krijgen in de infrastructuren, en niet een beetje aan sociale geschiedenis doen omdat ze dat leuk vinden. In dit nieuwe gebouw kunnen we nu zelf ook grote congressen organiseren. We kunnen tot 200 man ontvangen.”

De jonge Marx

Onderzoek leidt natuurlijk tot publikaties. Er is een eigen stichting die boeken uitgeeft. Die kunnen handelen over de meest uiteenlopende zaken, van het club- en buurthuiswerk tot de geschiedenis van SDAP. De biografie van ‘sociaal-democratische tekenaar’ Jan Rot die vorig jaar verscheen werd zelfs een kleine hit. Soms ook geeft men alleen maar een wetenschappelijk verantwoorde complete tekst van iets uit. ‘Terug naar de bron gaan’ kan nuttig zijn: de zogenaamde ‘jonge Marx’ bijvoorbeeld en diens economisch-filosofische manuscripten blijken helemaal niet te bestaan. In werkelijkheid werd er op basis van een complex van aantekeningen van Marx, opmerkingen in de kantlijn en dergelijke in de jaren twintig ‘de humanistische kant van het Marxisme’ gecreëerd. En sindsdien nam de een na de ander dat over.     

Toch blijft er, hoe mooi en geklimatiseerd het nieuwe gebouw ook is, een zwaard van Damocles boven het instituutsmateriaal hangen: het vergaat. Conservering is het grootste probleem dat men op het instituut kent. Op een bepaald moment is het complete conserveringsbudget weliswaar geschoven naar de verfilming en het op microfiches zetten van materiaal, maar veel is al niet meer te verfilmen.

Kloosterman: “Je moet niet vergeten dat veel van de wat wij hier hebben het allergoedkoopste en gemeenste spul is wat de makers maar konden krijgen. Grote delen vallen uit elkaar. Oude kranten moeten eerst geconserveerd worden voor je ze op film kunt zetten. Iedere keer dat je er een raadpleegt wordt de boel beschadigd.” Kloosterman en Wals praten er terughoudend over, alsof de gedachte dat alles tot stof ligt te vergaan te onverdraaglijk is om toe te laten. Ook het zorgen voor de juiste temperatuur en vochtigheid is niet meer dan uitstel van executie.

Zoveel mogelijk digitaliseren lijkt voorlopig het beste. En restaureren natuurlijk, – het instituut heeft een eigen restauratie-atelier, –  maar pas als je grote hoeveelheden tegelijk kunt redden begint het zoden aan de dijk te zetten. De heren zijn  voorlopig nog skeptisch, maar misschien dat het conserveringsprocédé war Akzo laatst mee in het nieuws kwam uitkomst kan brengen.

Panoramabier     

Wie een blik mag werpen op de feitelijke archieven wordt overweldigd door de hoeveelheid en de diversiteit. Eindeloze rijen archiefkasten die door een ingenieus systeem aan elkaar gekoppeld zijn: wie in een bepaalde kast moet zijn draait eenvoudigweg twee kasten een eindje uit elkaar. De rest blijft ruimtebesparend een aaneengesloten blok. In de kasten staan ingebonden kranten en tijdschriften. Uit de Franse revolutie bijvoorbeeld, of uit Managua nu: ‘La Prensa’, de krant die regelmatig een tijdje verboden wordt. Er is het blad van de Russische Communistische Bond ter Bestrijding van Godsdienst, er staan jaargangen van ‘De katholieke onderofficier’ en de hoofdartikelen uit de NRC vanaf 1844. Maar ook de giro-afschriften van de PvdA in de jaren zestig en lidmaatschapskaarten van de vakbond.

Eind 1990 wordt het Nationaal Vakbondshistorisch Museum geopend in het door Berlage gebouwde voormalige gebouw van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond, aan de Amsterdamse Henri Polaklaan. Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief en de Economisch-Historische Bibliotheek (opgericht in 1915) zijn  na een scheiding van de beide collecties in 1936 nu weer onderdeel van het instituut. Sinds kort hoort ook het Persmuseum erbij. 

Er moet nog veel uitgezocht worden. In de opslagplaats van ‘curiosa’ staan uit dat Persmuseum bijvoorbeeld een bierflesje van Panorama naast de originele politieke tekeningen en karikaturen die Albert Hahn maakte. De kasten met curiosa bevatten de meest wonderlijke dingen: van dodenmaskers tot een steen die in 1968 in Parijs geworpen is. Verder pijpekoppen, ballpoints, bestek, speelkaarten, buttons en aanstekers met leuzen. Mooi is een fabriekslandschapje achter glas in water dat bij schudden niet gaat sneeuwen maar ‘roeten’: “Berlin tut gut” staat erop. Op deze afdeling liggen ook de goed verpakte spandoeken, en vaandels uit vroegere tijden, van het “mannenkoor van de Diamantbewerkers” bijvoorbeeld. Er zijn ook schilderijen en affiches, sommige ingelijst zoals die van de Commune van Parijs.

AJC-dansen

Keine afbeeldingen van al dat materiaal staan op de catalogusfiches. In de bakken met foto’s en prenten kunnen bezoekers zelf grabbelen. Een willekeurige greep levert plaatjes op van AJC-dansen en van de gemeenteraad van Zaandam, waar in 1914 voor het eerst socialisten in zaten. Onderschrift: “Het gezag is dus in handen van de bestrijders van het gezag. Er zijn heel wat woorden gebruikt om hieraan een schijn van redelijkheid te geven.”     

Uitgever wil voor schijntje op Internet

Het conflict over de auteursrechtelijke status van artikelen op Internet en cd-rom is onzinnig, menen Liesbeth Koenen en Rik Smits. De wet verschaft immers allang duidelijkheid.

 

Achter de wat hebberig klinkende kop ‘journalisten eisen geld voor Internetgebruik artikelen’ in de Volkskrant van zaterdag 22 februari gaat een van de merkwaardigste kwesties schuil die de explosieve ontwikkeling van nieuwe media en het internet tot nu toe heeft opgeleverd.
Drie freelance Volkskrant-medewerkers, Jan Mulder, Hans Heg en Huib Stam hebben een proces aangespannen tegen uitgever PCM, omdat de Volkskrant zonder toestemming of betaling hun eerder in diezelfde krant gepubliceerde artikelen verspreidt via de Volkskrant-Internetpagina en op een CD-ROM uitgave.

Zij eisen zowel alsnog een honorarium voor de herpublicatie als een schadevergoeding wegens het ongevraagd herpubliceren, maar vooral willen zij van de rechter een principiële uitspraak. Dat is merkwaardig om drie redenen. Ten eerste is er helemaal geen kwestie, de wet is in gevallen als dat van Mulder, Heg en Stam duidelijk, en maar voor één uitleg vatbaar. Ten tweede is er in Nederland al jurisprudentie uit een soortgelijk geval voorhanden. Ten derde is er sinds midden vorig jaar ook uit Engeland een precedent beschikbaar.

Alledrie geven maar een ding overduidelijk aan: PCM zit aan alle kanten fout. Dat PCM het toch op een rechtszaak lijkt te laten gaan aankomen, is verspilling van de toch schaarse tijd van de rechterlijke macht. Anderzijds is het vragen om een principiële uitspraak van de rechter door Mulder c.s. om diezelfde redenen zowel irrelevant als ongewenst. Je vraagt ook niet om een principiële uitspraak over een bekeuring voor een eenvoudig geval van rijden door rood licht.

Laat het, om misverstanden te voorkomen, allereerst duidelijk zijn dat het hier gaat om freelance-journalisten. Mensen dus, die niet in dienst zijn van de Volkskrant of PCM. Dat is belangrijk, omdat de auteursrechtelijke positie van freelancers een andere is dan die van journalisten-werknemers. Artikel 7 van de Auteurswet van 1912 bepaalt dat het auteursrecht op de in dienstverband vervaardigde producten van de laatsten, tenzij onderling andere afspraken gemaakt zijn, bij de werkgever ligt, die het dus vrijstaat om daarmee te doen wat hem goeddunkt.

Per CAO zijn in de journalistiek inderdaad zulke afspraken gemaakt, die de journalist een toestemmingsrecht geven. Journalisten in dienstverband hebben daardoor een soort moreel recht om in elk geval herpublicatie van hun artikelen te weigeren. Of betaling daarbij ook een rol speelt, is ons niet duidelijk. Over journalisten in dienstverband hebben wij het hier verder uitdrukkelijk niet.

Voor freelancers, zoals Mulder en consorten, ligt het anders, en eenvoudiger. Het auteursrecht op hun producten blijft steeds hun eigendom (artikel 1 en 4, lid 1). In gewone-mensentermen kun je zeggen dat een freelancer niets aan de krant verkoopt, maar een artikel voor eenmalig gebruik verhuurt.

Een freelancer kan dus hetzelfde artikel keer op keer opnieuw verkopen, zoals een schrijver dezelfde roman keer op keer verkoopt, een cursusontwikkelaar dezelfde cursus, een musicus hetzelfde deuntje, en een televisieproducent dezelfde natuurfilm. Voor elke publicatie is opnieuw toestemming nodig, wat uiteraard ook overeenstemming over de prijs inhoudt. Het is gewoon hele alledaagse handel, op glasheldere voorwaarden: wie iets wil publiceren, moet het recht om dat te doen zien aan te kopen. Daar hoeft toch warempel in een beschaafd land als Nederland de rechter niet aan te pas te komen. Wij stellen dit artikel overigens bij deze om niet aan de Volkskrant ter beschikking, en geven hierbij ook toestemming voor gratis opname op de Volkskrant CD-ROM en de Internet editie van de Volkskrant. We zijn immers de beroerdsten niet.

Wat Mulder, Heg en Stam nu overkomt, is een van de grovere uitingsvormen van een handelwijze waar ook wijzelf al verschillende keren mee geconfronteerd zijn: uitgevers, de goede niet te na gesproken, zijn wel dol op de nieuwe media – zij zien op termijn een omvangrijke en profijtelijke nieuwe markt – maar alleen als ze voor een dubbeltje op de eerste rang kunnen zitten.
In het beste van de slechte gevallen wordt je dan op de wie-zwijgt-stemt-toe manier gevraagd om je artikelen om niet ter beschikking te stellen, vergezeld van een al dan niet verhuld beroep op je loyaliteit ten opzichte van het blad waaraan je levert – NRC Handelsblad (ook PCM) probeerde het zo, maar schrok terug na een stroom van protesten.

In het gênantste geval gaat men over tot regelrechte intimidatie. Een voorbeeld daarvan zijn de pogingen van de VNU om freelancers een wurgcontract te laten tekenen waarbij zij tegen dezelfde betaling die zij eerder voor het recht op eenmalige publicatie ontvingen, van al hun rechten afstand doen.

Maar nog tenenkrommender is de aanvaring die Max Pam had met Vrij Nederland uitgever Hugo Arlman over betaling voor opname van zijn stukken in een door VN commercieel te exploiteren elektronische databank, die hem, zo meldde hij in NRC Handelsblad van 1 november 1996, onder meer toevoegde: “Nee, hoor. Wij hebben besloten dat zoiets niet de bedoeling is. Waarom zouden we ook? Je wilt gewoon geld voor iets waarvoor je geen zak meer hoeft te doen.”

Of je tegen Marco Borsato en zijn tekstschrijvers zegt: “Hoor eens, we betalen natuurlijk alleen maar voor de eerste persing cd’s, want voor een volgende hoeven jullie toch geen werk meer te verzetten.”

In nog weer andere gevallen, zoals het onderhavige, doet men domweg of zijn neus bloedt en wordt eenvoudigweg gepubliceerd, in de hoop dat niemand het merkt. En altijd weer is het verweer van de uitgevers gelijk aan dat van PCM-jurist Kramer, op 22 februari in deze krant: “De cd-rom-uitgave en Internet hebben allebei nog een experimenteel karakter. Als we daar nu al voor zouden moeten betalen, is dat voor ons een forse streep door de rekening.”

Het is bijna te knullig voor woorden, en er is maar één antwoord op: dan had je, zoals elke ondernemer weet, een behoorlijke rekensom moeten maken. Op de begroting is voor het gemak de post inkoop van te publiceren materiaal vergeten, en men lapt willens en wetens de auteurswet aan zijn laars, een misdrijf waar maximaal zes maanden gevangenisstraf op staat, en als het structureel gebeurt, zelfs maximaal vier jaar.

Niet alleen is de wet helder, behalve voor concernjuristen van uitgevers, ook is er al geruime tijd jurisprudentie. In mei 1995 won Hans Warren zijn zaak tegen het Nederlands Bibliotheek en Lectuurcentrum (NBLC) wegens het ongevraagd en onbetaald opnemen van literatuurkritieken van zijn hand op de zogenaamde LiteROM, een cd-rom.

Verder is er een precedent uit Engeland inzake herpublicatie op het Internet. Freelance-journalist Bruce Tober trof begin vorig jaar op de Internetpagina van een blad drie artikelen aan, die hij eerder voor publicatie in druk aan dat blad geleverd had, en spande een procedure aan. De uitgever heeft het er niet op aan laten komen, en schikte de zaak, door Tober voor de herpublicatie hetzelfde bedrag te betalen als oorspronkelijk voor de artikelen betaald was.

Het is dus niet alleen zonneklaar dat PCM onrechtmatig handelt, en dat het bedrijf daarvan ook redelijkerwijs op de hoogte behoort te zijn, er is zelfs een duidelijke aanwijzing hoeveel PCM aan heel wat mensen nog aan achterstallig honorarium verschuldigd is. De rechtszaak van Mulder, Heg en Stam kan nog slechts gaan over een extra schadevergoeding voor het niet vragen van toestemming alvorens tot publicatie over te gaan.

 

Bovenstaande is het artikel zoals we het aanboden. Maar dat is niet wat de Volkskrantlezers als  onze opinie werd voorgeschoteld. De Volkskrantredactie wilde slechts publiceren als haar eigen mening en belang, alsmede dat van de journalistenvakbond NVJ erin verwerkt werd. De voornaamste ingrepen, deels door ons onder druk van de redactie uitgevoerd, deels eigenmachtig door de redactie:

1. “Drie freelance Volkskrant-medewerkers, Jan Mulder, Hans Heg en Huib Stam hebben een proces aangespannen” werd veranderd in “Namens drie Volkskrant-medewerkers – Jan Mulder, Hans Heg en Huib – heeft de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) een proces aangespannen”. Ook elders treden in de gepubliceerde versie, maar de NVJ. Pikant, vooral omdat de NVJ als mede-eiser door de rechter onmiddellijk niet-ontvankelijk werd verklaard.

2. De vierde alinea, die begint met “Alledrie geven maar een ding overduidelijk aan: PCM zit aan alle kanten fout” mochten de lezers niet zien. Die werd in zijn geheel geschrapt.

 3.Uit de vijfde alinea verdween de toevoeging “die het dus vrijstaat om daarmee te doen wat hem goeddunkt”, plus de complete de rest van de alinea, het CAO-punt. In plaats daarvan kreeg de lezer dit te lezen: “De NVJ en de dagbladuitgevers hebben al geruime tijd een conflict over de vraag of dat alleen geldt voor de krant of kranten waarvoor de journalist werkt, of ook voor herpublicaties op Internet of cd-rom”. Een onzinnige uitspraak, waarvan wij zeer betreuren dat hij zomaar in een artikel van onze hand staat. Want alleen licenties hebben een bepaalde, onderling overeen te komen reikwijdte. De werkgever van een journalist in loondienst heeft echter geen licentie, maar het auteursrecht op het werk van zijn personeel. Het staat hem dus werkelijk vrij ermee te doen wat hij wil.

4. De laatste zin van alinea zeven, “We zijn immers de beroerdsten niet”, bleek meer dan het gevoel voor humor van de Volkskrant kon verdragen. De redactie bepaalde dat wij in plaats daarvan “graag toestemming om dit artikel gratis te herpubliceren…” gaven. Natuurlijk deden we dat niet “graag”, het was de enige manier om het verhaal überhaupt gepubliceerd te krijgen.

De Taalmachine

Op veel universiteiten, maar ook bij bedrijven blijken taal en computer inmiddels een of andere verbintenis met elkaar aangegaan te zijn. Met wisselende en soms volkomen onverwachte gevolgen. Over pol-stasjes, reu-koffers en er-flaters.

Onder ‘computerlinguistiek’ wordt alles verstaan waar zowel taal als een computerprogramma bij komen kijken. Alleen tekstverwerkers blijven buiten beschouwing, maar die hebben in principe dan ook niets met taal te maken.

Iedereen die het geluk heeft van een tekstverwerkingsprogramma gebruik te kunnen maken weet dat het niet meer is dan een superschrijfmachine. Je kunt willekeurige rijtjes letters, cijfers en andere tekens intikken, die weer weghalen, er een ander rijtje tussenzetten, een deel van de tekens verplaatsen enzovoort. Maar voor de computer of de werking van het programma maakt het absoluut niet uit of je 100.000 keer een a tikt of bezig bent je levenswerk te schrijven. Pas als het programma een woordafbreekhulp heeft komt er een beetje taal bij kijken.

Bij de krant worden woorden al sinds jaar en dag automatisch afgebroken, en iedereen die regelmatig een krant inkijkt weet dat dat tot rare dingen kan leiden. Zijn techniek en wetenschap dan nog steeds niet ver genoeg gevorderd om een mini-ster en een minis-ter uit elkaar te houden en een reu-koffer te voorkomen?

Het antwoord is: maar zeer ten dele. Het afbreekprogramma dat bij de kranten gebruikt wordt, is van Hugo Brandt Corstius. De onderliggende gedachte is heel simpel: de computer krijgt opdracht woorden zó af te breken dat zowel links als rechts van het streepje een reeks letters komt te staan die voor een Nederlander uit te spreken is. In ongeveer 75% van de gevallen gaat dat goed, maar het levert ook pol-stasjes en er-flaters op.

De enige manier om ervoor te zorgen dat be-stel en pos-ter goed uit de machine komen is ze er met streepje en al in stoppen. Ook het verkeerd afbreken van een verwarrend woord als adelaarsnavel kan daarmee voorkomen worden.

De computer laten zoeken naar eventuele ‘samenstellingen’ helpt namelijk niet: zowel bes als tel zijn goede Nederlandse woorden en hetzelfde geldt voor po en ster. Alle woorden waarmee iets mis kan gaan van tevoren van streepjes voorzien is in principe natuurlijk wel mogelijk, maar kost verschrikkelijk veel tijd en bovendien extra geheugenruimte.

Nog veel moeilijker wordt het bij woorden als uitje en diplomaatje. Het hangt er maar helemaal vanaf of je uitjes kunt eten en diplomaatjes uitreiken. Alleen de omgeving van zulke woorden kan uitwijzen of het om een diploma of een diplomaat, om een ui of een uit gaat.

Bij dit probleem zou aan de volgende oplossing gedacht kunnen worden: koppel aan letterreeksen als uitje en minister, die een dubbele interpretatie hebben een rijtje andere woorden die in de buurt van een van de twee betekenissen verwacht kunnen worden. Vindt de computer in de buurt van minister een woord als Den Haag, regering, of wetsvoorstel dan moet het afbreekstreepje na de s komen, anders na de i.

‘Full-proof’ kan een dergelijk programma natuurlijk nooit worden, want ook in Den Haag kunnen mini-sterren wonen, en in Washington minis-ters. De geheugenruimte en de inspanning die zo’n programma kost zijn commercieel dan ook niet de moeite waard. De kranten nemen de 25 procent foute afbrekingen voor lief en de meeste tekstverwerkers doen alleen een voorstel waarop de gebruiker ja of nee kan zeggen.

Overigens is een niet perfect werkend afbreekmechanisme een automatische woordgrappengenerator en een goudmijn voor cryptogrammenmakers.

De voorleesmachine
Sommige van deze problemen kom je ook tegen bij een andere toepassing van de computer op taal: de voorleesmachine. Op de afdeling fonetiek van de Universiteit van Nijmegen wordt daar op dit moment aan gewerkt. De mogelijkheden die zo’n apparaat zou bieden zijn enorm. Niet alleen blinden zouden ermee geholpen zijn, maar ook mensen die tijdens de afwas de krant willen lezen.

De techniek is inmiddels zo ver dat er machinaal verstaanbare spraak voortgebracht kan worden, al doet het geluid nog wel denken aan robotten en andere science-fictioncreaties uit films. De beste resultaten worden daarbij overigens niet bereikt door simpelweg de afzonderlijke klanken op een rijtje te zetten. Omdat bijvoorbeeld de ie in bier anders klinkt dan die in biet neemt men vaak liever twee klanken samen.

De ongeveer 2000 mogelijke klankcombinaties (difonen) die er zijn, moeten dan stuk voor stuk in de machine opgeslagen worden, zodat Piet niet uit P-ie-t wordt opgebouwd, maar uit P-pie-iet-t, en zoals gezegd, dat klinkt veel ‘natuurlijker’.

Regels
Het onderzoek voor de voorleesmachine richt zich vooral op het omzetten van letters in geluid. Jammer genoeg is er bij geen enkele taal sprake van een een-op-een relatie tussen letters en klanken: het Nederlandse alfabet heeft 26 letters, terwijl de Nederlandse taal ongeveer 40 klanken kent.

Dat hoeft niet altijd problemen op te leveren: een x wordt gewoon omgevormd tot ks en e plus i moet ij worden. Maar hoe moet je een computerprogramma laten weten wanneer een e staat voor een lange (steek), een korte (stek) of een stomme (aanstekelijk) e? Als je alle woorden waar een e in voorkomt gecodeerd voor de juiste uitspraak in het programma stopt levert dat twee grote problemen op: je loopt grote kans dat je machine verschrikkelijk langzaam gaat voorlezen, en woorden die toevallig niet in de ingeprogrammeerde lijst zitten laten de boel toch weer in het honderd lopen.

Net als voor het afbreekprogramma geldt hier dat het tamelijk eenvoudig is enkele grove regels op te stellen die een groot deel van de gevallen dekken. In Nijmegen heeft men de volgende trits opgesteld voor het probleem van de stomme e (gemakshalve aangegeven als u) en dat van het achtervoegsel lijk dat als luk uitgesproken moet worden:

(1) en -> un
(2) be/ge -> bu/gu
(3) lijk -> luk

Regel (1) en (3) worden toegepast aan het eind van een woord (lopun, eerluk), regel (2) aan het begin (bugin, guval). De condities zijn verder dat de regels in de hierboven gegeven volgorde uitgevoerd moeten worden, en dat een woord nooit uitsluitend stomme medeklinkers mag hebben.

Op een woord als gelijk heeft dat het volgende effect: eerst wordt regel (2) uitgevoerd (regel (1) is niet van toepassing), dat levert gulijk op, waarna het toepassen van regel (3) uitgesloten wordt omdat dat een woord met alleen stomme klinkers op zou leveren. De machine leest keurig gelijk voor. U kunt zelf narekenen dat het ook bij de woorden geven, gevecht en begeren goed gaat. Een kippenren echter wordt met behulp van regel (1) kippenrun, een berevel door regel (2) een burevel en regel (3) laat het onderscheid tussen vrouwelijk en een vrouwenlijk verdwijnen.

Onoplosbaar, want niet van te voren in te programmeren, is het probleem met woorden die op je twee manieren uit kunt spreken, zoals regent of bedelen. Voor een voorleesmachine, anders dan voor een afbraakmechanisme in de krant, is een foutenpercentage van bijvoorbeeld 25% niet acceptabel meer.

Dat betekent dat je andere bronnen moet aanboren dan alleen het kijken naar rijtjes letters. Ben je in staat de computer enige grammaticakennis bij te brengen (hoe worden woorden samengesteld, gaat het om een zelfstandig naamwoord of om een werkwoord?) dan wordt in ieder geval een deel van de problemen opgelost. De ge in gevel is geen voorvoegsel zoals in gevoel of geval, en het zelfstandig naamwoord beving wordt anders uitgesproken dan de verleden tijd van het werkwoord bevangen. Daarmee wordt nog niet voorkomen dat vóórkomen ook als voorkómen kan voorkomen, maar het aantal foute uitspraken wordt wel enorm teruggedrongen.

(Volgende week: computers als opslagplaats voor taalmateriaal en als ontleders.)

Verleiden tot schrijven

Leren schrijven gaat spelenderwijs met het programma TiO-Schrijven. Een ‘elfje’ is het leukst en sterke werkwoorden zijn ‘hoog-riskant’.

Hij noemt schrijven het lelijke eendje van het onderwijs. Een stiefkind, van oudsher. Daarom heeft Ad Bok naar eigen schatting tussen de drie- en de vierduizend uren gestoken in… ja, in wat precies? Een ‘rijke leeromgeving’ zegt hij zelf. Het is een computerprogramma waarop je kunt inloggen op het web, en dat niet alleen schrijfopdrachten geeft, maar ook grote hoeveelheden tips, voorbeelden, suggesties, uitleg, waarschuwingen en aanwijzingen. Bedoeld om leerlingen vanaf een jaar of tien tot en met de bovenbouw van het voortgezet onderwijs basisvaardigheden op schrijfgebied bij te brengen.

“Iedereen klaagt over de schriftelijke taalvaardigheid,’ zegt Bok in zijn kantoor-aan-huis in het Brabantse Rosmalen. “Iedereen vindt het ook belangrijk, maar het schrijfonderwijs op school is bijna niets. Een paar tekstjes per jaar moeten ze maken, en dan heb je het vaak al gehad. Leerlingen blijven onzeker, en de leraren zijn teleurgesteld over de opbrengst van hun werk.” Er klinkt begrip door voor alle partijen in de klas. “Ik ben een ouwe onderwijzer, dat ben ik nooit kwijtgeraakt,” verklaart Bok (1942). Hij werkte onder meer als opleider op een Pabo en maakte onderwijsmateriaal, waarvan de leesmethode Tekst verwerken waarschijnlijk het bekendste is. Tien jaar geleden promoveerde hij op een proefschrift met de titel Taalonderwijs in Ontwikkeling, afgekort: TiO. En zo heet ook zijn leren-schrijven-programma.

TiO – Schrijven stoelt op het idee dat er bij het maken van een goede tekst een hele hoop komt kijken. Het wordt onderschat, vindt Bok, het gaat om een complexe vaardigheid, die je moet ontwikkelen. “Over leren praten doe je ook jaren,” zegt hij. Samen met zijn Pabo-studenten besprak Bok allerlei teksten om erachter te komen wat nou saai is, wat boeiend, wat grappig en waar al die dingen ’m in zitten.

Dat heeft een deel opgeleverd van de tips en andere ‘prikkels’, zoals Bok ze noemt, waar het TiO-programma vol mee zit. “Het is zoveel dat ‘ik ben klaar’ niet bestaat,” legt hij uit. “Alles doen zou ongeveer 800 uur kosten.” Daar komt geen leerling aan toe natuurlijk, ook niet als die het strenge voorschrift van meester Bok volgt, en drie jaar achter elkaar telkens minstens veertig nieuwe teksten schrijft.

Zo veel oefenen moet sowieso wel vrucht afwerpen zou je zeggen, dus de echte vraag is of het programma leerlingen daartoe weet te verleiden. Bok benadrukt graag dat ze bij hem geen faalangst hoeven krijgen. Is dat zo?

Een aantal malen stevig grasduinen in het programma en er zelf mee schrijven en oefenen, enthousiasmeert zeker. Om te beginnen ziet het er allemaal niet vreselijk gelikt uit, maar prettig functioneel. Het programma neemt het totale scherm in beslag.Wie inlogt, komt direct bij zijn eigen ‘Jaarboek’ terecht. Teksten die ‘klaar’ verklaard zijn, blijven daar bewaard. Er nog in veranderen of ze weggooien kan niet. “Leerlingen kunnen zo zien dat ze vooruitgaan,” verklaart Bok, “en ze hebben een soort dagboek, dat na afloop ook nog minstens tien jaar blijft staan.”

Het gaat als volgt: je kiest zelf je opdracht, inclusief het soort tekst dat je wil maken. Daarbij word je op allerlei manieren op weg geholpen. Er zijn categorieën: ‘Echt waar…’, ‘Verhalen’, ‘Formuleren’ en ‘Argumenten’. Daarachter zit dan steeds een heel stel keuzemogelijkheden. Bijvoorbeeld ‘Oei!’, dat op zijn beurt weer verdeeld is in ‘Kriebels’, ‘Mijn lijf’, ‘Ziek’ en ‘Ik zag iets ergs’.

Tot de ‘Vaste vormen’ rekent Bok algemeen bekende zoals limericks en haiku’s, maar ook het type humor waar marktkooplui goed in zijn, en het verhaalmotief van de tijdmachine. Onderverdelingen doen soms willekeurig aan, maar erg is dat niet. Er wordt altijd iets verteld of uitgelegd, en daar zit dan een losjes geformuleerde opdracht aan vast. (‘Kun je zelf een verhaal met markthumor verzinnen?’).

Is je ruwe tekst af, dan ga je naar het menu ‘Verbeteren’ en tot slot naar ‘Verzorgen’. Je moet er wel lang genoeg over doen, en ook voldoende hulpknoppen gebruiken, anders wordt de knop waarmee je een onderdeel afsluit niet groen.

Het moet gezegd dat er veel origineels in het programma zit. Zo vind je achter ‘Verbeteren’ het onderdeel ‘Helder’, dat onder meer leidt naar ‘Stofzuigen’. Mooi gevonden term voor de aansporing overbodige woorden en woordjes weg te halen. Maar leerlingen worden ook voortdurend op gedachten gebracht, met zinnetjes als ‘Kijk er eens naar alsof je een mier was’ of ‘Hoe ging dat vroeger?’. Ook over spelling en grammatica doet het programma alleen suggesties. Je tekst even snel elders door een checker halen gaat niet, want te knippen en plakken valt er niks.

En ja, het werkt, volgens René van Gerven, docent Nederlands aan het Rodenborchcollege in Rosmalen, een van de scholen waar TiO – Schrijven sinds kort gebruikt wordt. Van Gerven begint aan de telefoon meteen over het enthousiasme van de brugklassers. “Die hebben al tientallen teksten klaar. Maar ook in Havo 3, niet de makkelijkste klas, hoor ik ‘oh, da’s leuk!’. Ze kijken ook bij elkaar, als ze willen mogen ze samen schrijven. Ik laat ze het liefst zelf hun beste en hun slechtste tekst uitkiezen.”

“Over de humor zeggen sommigen wel het is mijn humor niet, maar dan snappen ze toch hoe je grappen kunt gebruiken. En soms zijn dingen te kinderachtig, of juist te moeilijk. Dan vragen ze: die argumenten, waar vind ik dat dan in mijn tekst? ‘De ramp’, die vinden ze helemaal leuk. Dan moeten ze een ramp beschrijven, in korte, poëtische regels, zónder rijm. En het ‘elfje’ is een groot succes, elf woorden, vijf regels: een, twee, drie, vier en dan weer één woord. De leeromgeving werkt vaak goed, en leerlingen zijn heel trots als hun tekst net iets meer heeft.”

Niet dat het paradijs alom is uitgebroken. Er zijn vaak praktische problemen: te weinig computers, te weinig tijd. En niet alle docenten zijn dol op de coach-rol die ook Bok voor ogen staat. Van Gerven: “Hiermee moet je veel meer begeleiden, rondlopen, overal even kijken. Dat is wennen voor wie zelf veel aan het woord wil zijn.” Natuurlijk is het programma ook nog verre van volmaakt. Van Gerven zou bijvoorbeeld wensen dat je er een vrije opdracht mee kon maken, en hij komt nog geregeld ‘systeemfoutjes’ tegen, die hij doorspeelt aan Bok.

Wie het programma wil belazeren, heeft een makkie: op hulpknopjes drukken zonder iets te lezen bijvoorbeeld, en geen elfje maar stiekem een twaalfje maken. Daar zegt TiO niks van. Sterker nog: het raadt je dan aan te overwegen ‘meer complexe zinnen’ te gebruiken. Hier wreekt zich dat computers geen taal snappen, en dat één man niet aan alles kan denken.

Regels en uitzonderingen bij taalinstructies zijn ook gauw een lastig punt. Kennelijk heeft Bok bijvoorbeeld bedacht dat sterke werkwoorden (die van klinker veranderen) ‘hoog-riskant’ zijn, dus: gemakkelijk fout gaan. Gevolg: elke keer als je ‘weet’ intikt, krijg je te lezen dat het een hoog-riskante vorm is. Dat geeft geheid verwarring, want weliswaar is de verleden tijd van ‘weet’ ‘wist’, maar dat weet elk kind

Wordt al aan gewerkt, reageert Bok, net als aan Van Gervens wensen en allerlei slordigheidjes. Prettig voor de ongeveer veertig scholen die komend schooljaar met TiO gaan beginnen. “Dat die het programma in een tijd van verandermoeheid omarmen, is bijzonder,” vindt Bok. Net als dat er binnenkort een promotieonderzoek start naar de werking van TiO.

Abonnementen op TiO- Schrijven kosten, afhankelijk van schooltype, 10 tot 15 euro per gebruiker per jaar. Er hoort een uitvoerige handleiding – nog in ontwikkeling – bij.

Informatie: Tio@bveo.nl

Pratende apparaten

Wat u hier leest is geschreven met behulp van een tekstverwerker. Ik gebruik zo’n ding al jaren, en het handjevol commando’s dat ik nodig heb voor het dagelijkse deleer-, invoeg- en bewaarwerk ken ik uit mijn hoofd. Maar soms moet ik ineens iets anders dan anders doen. Een stuk in tweeën knippen bijvoorbeeld en dan zowel de twee helften als het geheel bewaren. Helemaal niet lastig, maar ik doe het te zelden om de juiste toetscombinaties van buiten te kennen.

Ik moet ze dus nazoeken. En aan geblader en gezoek in een handleiding heb ik een broertje dood. Als het even kan laat ik dat dus na. Gevolg is dat ik feitelijk maar een fractie gebruik van alle trucs en snufjes die mijn tekstverwerker bevat. Mijn troost: ik ben zeker niet de enige luilak. Het verschijnsel beperkt zich bovendien niet tot tekstverwerkers. Hele volksstammen weten op hun spuugdure autoradio ook niet veel meer dan Radio drie te vinden, en hun prachtige videorecorder laten ze voornamelijk gehuurde banden afspelen en weer terugspoelen.

Dat gebruiksaanwijzingen slecht gelezen worden is al jaren bekend. Aan de kwaliteit van de teksten is vaak veel te verbeteren, maar de tegenwoordige techniek biedt ook nieuwe mogelijkheden. Zo staat de beter-gesorteerde ijzerwinkel sinds een tijdje vol met videohandleidingen voor doe-het-zelf-behangen en -tegelzetten.

Of die inderdaad slapstickscènes met in rollen behang gewikkelde doe-het-zelvers voorkomen, is niet bekend, maar op het Instituut voor Perceptie Onderzoek (IPO) in Eindhoven wordt wel onderzoek gedaan naar gesproken handleidingen. Het IPO is een onderzoeksinstelling die door de Technische Universiteit Eindhoven en de firma Philips bekostigd wordt.

Gebruiksvriendelijk

Prof.dr.ir. F. van Nes is er coördinator van de werkgroep Informatie Ergonomie, die onder andere probeert erachter te komen welke computerapparatuur en -programmatuur ‘gebruikersvriendelijk’ is. Waar werken mensen het liefste en het beste mee, is dus de vraag.

‘Het is natuurlijk een open deur, maar spraak is voor mensen een belangrijk en robuust communicatiemedium,’ zegt van Nes. ‘En mijn stelling is dat het steeds belangrijker zal worden bij de ontwikkeling van allerlei produkten. Omdat veel mensen nu allerlei mogelijkheden die hun apparaten hebben niet benutten, kun je je afvragen of een apparaat dat ‘zichzelf uitlegt’ niet beter werkt. Ook al zitten er aan gesproken teksten wel nadelen: ze zijn vluchtig, als iets gezegd is dan ben je vervolgens op je geheugen aangewezen, je kunt niet gemakkelijk even een stukje van de tekst terugzoeken.’

Van Nes doet dus onderzoek met pratende apparaten, en zelfs met apparaten waartegen de gebruiker kan praten. Dat begon een aantal jaren geleden. Toen zocht hij bij een grote groep gebruikers van een Philips-tekstverwerker uit, hoe vaak ze elk van de 63 commando’s die het apparaat telde intikten, en welke ze uit hun hoofd kenden.

Niet verbazingwekkend: een aantal commando’s werd telkens gebruikt, en die kende iedereen dan ook uit zijn hoofd. De rest werd, indien noodzakelijk, opgezocht of nagevraagd. Het bleek dat veel gebruikers een sprekende tekstverwerker, die hun dus letterlijk vertelde wat ze moesten doen, een goed idee vonden. Ook al omdat wie aan het tekstverwerken is al een vol beeldscherm heeft.

Er werd een groepje proefpersonen gevonden die nog nooit een tekstverwerker gebruikt hadden (Van Nes: ‘Dat was vijf jaar geleden gemakkelijker dan nu’). Ze moesten met hetzelfde 63 commando’s tellende apparaat leren omgaan. De helft kreeg eerst een handleiding op het scherm en daarna een uit de luidspreker, bij de andere helft ging het andersom.

Uiteindelijk bleek de helft van de proefpersonen de gesproken handleiding te prefereren, de rest las liever. En iedereen bleek zijn taak redelijk uitgevoerd te hebben. Argumenten van de spraak-aanhangers waren onder andere dat ze aan de accentuering konden horen wat er belangrijk was, en dat ze bij opeenvolgende commando’s (‘tik tegelijk de controletoets en een A in, gevolgd door een spatie, en daarna een 3′) niet van hun toetsenbord hoefden op te kijken.

Kantoorachtige omgeving

Het laatste project van Van Nes gaat nog iets verder. Omdat het uitgevoerd is in het kader van een groot Esprit-project dat ‘menselijke factoren in een kantoorachtige omgeving’ moest onderzoeken, is er een spraak-annotatiesysteem (Van Nes: ‘Nee, een mooie naam hebben we nog niet bedacht’) ontwikkeld.

Met dat systeem kan iemand zowel gesproken als geschreven commentaar toevoegen aan een geschreven tekst (die tekst ‘annoteren’ dus). Degene voor wie het commentaar bedoeld is, krijgt op zijn scherm links een pagina van de bewuste tekst in beeld. Op de plaatsen waar commentaar  gegeven is staat een klein vierkantje. Rechts in beeld staat een rijtje commando’s: ‘vorige’, ‘volgende’, ‘pauze’ enzovoort. Die commando’s kunnen met behulp van een muis ‘aangestipt’ worden, maar je kunt ze ook inspreken. Zeg je bijvoorbeeld eerst ‘nummer’, dan worden de vierkantjes in de tekst netjes doorgenummerd. Zeg je daarna ‘twee’, dan hoor je vervolgens het commentaar dat de commentator bij vierkantje twee ingesproken heeft. Die commentator had ook kunnen kiezen voor een geschreven annotatie: die verschijnt dan rechtsonder in beeld.

Het onderzoeks- annex demonstratiemodel heeft overigens al het commentaar zowel in geschreven als in gesproken tekst voorradig.

Toepassingen: je kunt het systeem als een soort dictafoon gebruiken (‘Juffrouw Annie, kunt u hier nog de volgende passage invoegen’), je kunt verschillende mensen commentaar op een tekst laten geven zonder dat er aan die tekst iets verandert en je kunt je annotaties bovendien op een zelfgekozen moment toevoegen, desnoods midden in de nacht, of als het elders in de wereld midden in de nacht is, en telefonisch overleg daardoor onmogelijk.

Voordelen van gesproken boven geschreven commentaar: accentuering kan de bedoeling heel eenvoudig duidelijk maken (‘het is progressie’, als er ‘agressie’ staat), en: ‘Zou je dat nou wel zo zeggen? Dit is nogal een gevoelig punt’ komt aangenamer over dan een krabbel ‘onzin’ in de marge.

Nadeel van commando’s inspreken: spraakherkenning blijft een lastig punt voor een computer. Ondanks het feit dat Van Nes het systeem getraind heeft op zijn eigen stemgeluid wordt zijn ‘drie’ keer op keer begrepen als ‘tien’. Zodra er klankovereenkomsten zijn krijgt de spraakherkenner het moeilijk. Dat probleem speelt niet bij het geven van commentaar: dat wordt gewoon als het ware op een bandje ingesproken. Voor de commando’s kan overigens altijd nog de muis ingezet worden.

Hekel aan dictafoons

Wat vinden gebruikers nu van dit systeem? Van Nes: ‘Een derde van degenen die we het gevraagd hebben typt de annotaties toch liever. Dat zijn overigens dezelfde mensen die een hekel aan dictafoons hebben. Tweederde praat dus het liefst. Degenen die het commentaar moeten afluisteren vinden het meestal prettig. Alleen als de tekst te lang wordt haken ze af. Zij het dat een kwart nog steeds een gesproken annotatie boven een geschreven prefereert als die langer dan een of twee zinnen is.‘

’Dat is opmerkelijk. Je zou verwachten dat vooral korte instructies of waarschuwingen prettig en begrijpelijk gevonden worden, maar ook ellenlange teksten doen het goed. Het annotatiesysteem heeft ook een duidelijk gestructureerde gesproken handleiding, waarbij gebruikers desgewenst naar één onderdeel kunnen vragen, en een, twee of vier zinnen terug kunnen gaan.‘

’We hebben getest wat het meeste tijd kostte: de gesproken handleiding of dezelfde instructies in geschreven tekst. Het gaat even snel. Opvallend was wel dat iedereen te gauw dacht “dat hij het wel wist”. Na een minuut of twintig geschreven of gesproken instructies gingen ze allemaal aan de slag, en dan bleken ze toch niet genoeg te weten en weer terug te moeten naar de handleiding. Maar de toepassingsmogelijkheden van spraak bij allerlei apparatuur blijken in de praktijk groter dan ik verwacht had.’

Het systeem is een prachtig staaltje toepassing van bestaande technieken. Komt het ook op de markt? Van Nes: ‘Dat ligt er maar aan. Zou u het willen hebben?’

Intelligent maar met gebrek

Natuurlijke taal en kunstmatige intelligentie. G.A.M. Kempen. Wolters-Noordhoff, 1987. 166 blz. ISBN 90 01 46680 X

Praten met een machine die in gewone taal antwoord op de meest uiteenlopende vragen kan geven, die adviseert bij problemen en precies begrijpt wat je wil weten.

Vroeger sprak dat idee vooral tot de verbeelding van science fictionschrijvers en filmmakers, maar tegenwoordig werken wetenschappers daadwerkelijk aan de verwezenlijking van zulke apparaten. Maken ze ook een reële kans daarin te slagen?

Volgens professor Gerard Kempen wel. Onder de titel Natuurlijke taal en kunstmatige intelligentie heeft hij onlangs maar liefst vijftien pleidooien voor ‘kennistechnologie’, zoals hij het zelf noemt, verzameld. Het zijn allemaal lezingen en artikelen van hemzelf (soms samen met anderen) uit pakweg de afgelopen tien jaar. Het merendeel is al eens eerder gepubliceerd.

Kempen haalt in al die stukken heel wat interessante dingen overhoop. Dat valt ook te verwachten: zijn onderwerp is boeiend en bovendien bijzonder complex. De achterliggende gedachte bij dit soort onderzoek is tenslotte steeds dat we meer van onszelf gaan begrijpen als we een computer dingen proberen te leren die wij ook kunnen.

Maar ik denk dat een dergelijk onderwerp juist vanwege zijn ingewikkeldheid beter op een andere manier behandeld had kunnen worden. Wie iets uit wil leggen aan (achterflap:) ‘een breder, niet gespecialiseerd publiek van lezers die geïnteresseerd zijn in taalgedrag, computers en in de nieuwe informatiewetenschap’ moet nog veel meer vertellen en er een doorlopend verhaal van maken.

Nu lees ik in hoofdstuk acht dat Kempen een computerprogramma gemaakt heeft dat op ‘psychologisch en linguïstisch bevredigende’ wijze Nederlandse zinnen bouwt en ontleedt, en blijkt pas vier hoofdstukken later dat mijn verbaasde vraagtekens een grond hadden: de zinnenmaker is daar ineens ‘nog lang niet compleet’ en de zinsontleder ‘kwetsbaar’. Zowel argeloze als meer ingewijde lezers worden op die manier heel wat keren op het verkeerde been gezet.

Woordvolgorde

Want natuurlijk heeft ook Kempen het antwoord nog niet gevonden op alle vragen die bestaan over wat er nu precies in ons hoofd omgaat als we praten, luisteren, leren of begrijpen. Nog steeds is het vastleggen van de betekenissen van woorden iets dat hooguit ten dele lukt. Ook ‘kennis van de wereld’ is een machine maar fragmentarisch bij te brengen, terwijl die er nu net voortdurend voor zorgt dat mensen de goede interpretatie geven aan woorden en zinnen met meer dan een betekenis (‘Die vent droop met de staart tussen zijn benen af’ zal niemand letterljk nemen, omdat iedereen weet dat venten geen staarten hebben. Een computer moet je dat eerst vertellen).

Woordvolgorde blijft een ander struikelblok. Kempens ‘zinnenmaker’ heeft bijvoorbeeld moeite met de plaats van bijwoorden. Die mogen in het Nederlands bijna overal in de zin in verschijnen:

Nogmaals krabde Minous die bange hond met haar nageltjes.

Minous krabde nogmaals die bange hond met haar nageltjes.

Minous krabde die bange hond nogmaals met haar nageltjes.

Minous krabde die bange hond met haar nageltjes nogmaals.

Maar tussen het onderwerp en de persoonsvorm mag het net weer niet: ‘Minous nogmaals krabde die bange hond met haar nageltjes’ is fout. Een computer alleen al voor bijwoorden een grammaticale keuze te laten maken is niet eenvoudig, nog afgezien van het feit dat de positie van het bijwoord de precieze betekenis van de zin beïnvloedt.

Ik geloof overigens niet dat Kempen ons in zijn boek moedwillig misleidt. Het zijn zo te zien eerder zijn van enthousiasme overlopend gemoed en zijn geestdriftige verkooplust die hem de zaken her en der wat mooier voor doen stellen dan ze – in elk geval op dit moment nog – zijn.

Psychologie

Dat enthousiasme maakt ook iets goed van het gebrek aan diepgang en de herhalingen die Kempens artikelen vertonen. Hij weet overtuigend duidelijk te maken dat pogingen om de dingen die mensen kunnen in een machine te implementeren, veel kunnen vertellen over de inhoud en de structuur van wat die mensen doen.

Ook prototypen van dialoogsystemen (waarmee je in gewone mensentaal een vliegtuigvlucht kunt reserveren om een bekend voorbeeld te noemen) kunnen daarom al nuttig zijn. Het gaat weliswaar iedere keer om modellen, maar dat is in de wetenschap niet meer dan gebruikelijk. Zolang niemand vergeet dat computers anders werken dan hersenen (die laatste kunnen bijvoorbeeld wel van alles tegelijkertijd verwerken) geeft dat niet.

In Kempens eigen vak, de psychologie, is het bouwen van modellen en opstellen van fatsoenlijke theorieen nog veel te ongebruikelijk zegt hij zelf. Hij citeert in dit verband Roskam die zegt dat ‘psychologen veronderstellen dat mensen zich zus of zo gedragen omdat ze bepaalde trekken of disposities hebben, of omdat de situatie door hen op een bepaalde manier wordt opgevat.’ De experimentele psychologie observeert en meet en harkt zo allerlei factoren bij elkaar die van invloed zijn op menselijk gedrag.

Dat ‘ontbinden in factoren’ noemt Kempen de ‘analytische stijl van theorievorming’. Die bergt grote gevaren in zich. In Roskams woorden nogmaals: “In de achttiende eeuw werd het verbranden van stoffen ‘verklaard’ door aan te nemen dat brandbare stoffen een ‘brandstof’, phlogiston genaamd, bevatten, die bij verbranding vrijkomt. Onbrandbare stoffen zouden geen phlogiston bevatten… Het ‘bezitten’ van phlogiston als ‘oorzaak’ van verbranding doet denken aan het ‘bezitten’ van zwaarte als ‘oorzaak’ van vallen. In de psychologie is de voorstelling dat wij vermogens en behoeften bezitten hiermee vergelijkbaar.”

Het moet dus anders. Volgens Kempen zijn de technieken van de kunstmatige intelligentie het enige dat uitkomst kan bieden. Een computer immers kan veel en ingewikkelde gegevens snel verwerken en toetsen. Theorieën kunnen daarom veel vlugger gecontroleerd en vervolgens aangepast of uitgebreid worden.

Daar zit iets in, maar het neemt volgens mij nog niet weg dat je toch eerst een theorie moet hebben. Kempen schetst een model waarin observaties rechtstreeks de machine in gaan. Dat bestaat niet, en hij zal het ook wel niet letterlijk zo bedoelen, maar voor de duidelijkheid had hij hier (evenals op ontelbare andere plaatsen) explicieter moeten zijn. Ik moet er nu maar op gokken dat Kempen bedoelt dat psychologen anders moeten gaan werken en dat een computer ze kan helpen dat efficiënter te doen.

Maar zijn artikelen gaan niet alleen over zijn eigen vak. Het eerste deel van het boek is voor een groot deel gewijd aan de linguïstiek. ‘Taal’ vormt een belangrijk onderdeel van de artificiële intelligentie die uiteindelijk toch zoiets als ‘intelligent menselijk gedrag’ wil nabootsen. Kempen beperkt zich overigens tot het opstellen van een model voor hoe mensen zinnen bouwen en begrijpen, en gaat niet in op het verwerken of produceren van complete teksten. Dat is jammer. Verderop heeft hij het namelijk over computerprogramma’s die een samenvatting kunnen maken van stukken tekst die over een bepaald onderwerp handelen.

Graag had ik daar iets meer over gehoord, ook al werken die systemen lang niet perfect. Kempen geeft een voorbeeld van de automatische knipseldienst “wiens ‘intelligentie’ stoelde op kennis over natuurrampen, staatsiebezoeken, oorlogshandelingen enzovoorts. Toen er een telex binnenkwam over het overlijden van de paus en de schok die dit in de wereld teweeg had gevracht, vatte het systeem dit bericht samen met de woorden ‘aardbeving in Italie, 1 dode’.”

Een systeem als dit, zegt Kempen, is voorlopig niet meer dan een ‘idiot savant’: in een domein blinkt het uit, zaken daarbuiten worden krampachtig op dat ene domein betrokken of er wordt helemaal aan voorbij gezien.

Beetje vreemd

Kempens ideeën over hoe mensen zinnen maken lijken op het oog wel plausibel. Een beetje vreemd is alleen dat hij theoretisch taalkundigen verwijt dat hun modellen niet ‘psychologisch reëel’ zijn. Maar die theoretici onderzoeken alleen wat mensen weten en in principe kunnen (de competence), wat sprekers daar in de praktijk mee doen (hun performance) is nu juist het terrein van onderzoekers als Kempen zelf.

Inderdaad gooit iedereen wel eens halverwege de zin alsnog alles om en verspreken mensen zich. Kempen heeft dus gelijk als hij stelt dat we dikwijls niet vooraf een kant en klare zin construeren om hem daarna pas uit te spreken. De gedachte dat zoiets als “een team van syntactische experts, elk met een beperkt overzicht en met toegang tot slechts gespecialiseerde informatie over een type constituent” verantwoordelijk is voor de ‘zinsbouwactiviteit’ lijkt een aantrekkelijke verklaring te geven voor (sommige) versprekingen en ‘hervattingen’.

Tot slot brengt Kempen nog een stel grootse plannen en voorstellen waar geld voor moet komen. Niet alles lijkt me even haalbaar of handig. Zo stelt Kempen voor om de terminolgie uit de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) tot standaard te verheffen bij het maken van computerprogramma’s die het grammatica-onderwijs ondersteunen. Om daarvoor nu net een boek te nemen waarover aan alle kanten geklaagd wordt omdat de termen en definities die erin staan zo vaag, tegenstrijdig en zelfs fout zijn, lijkt me geen geslaagd idee.

Maar al met al zitten er wel zoveel interessante aspecten aan ‘kennistechnologie’ dat het terecht lijkt Kempen (en anderen) het voordeel van de twijfel te gunnen: dit soort onderzoek dient over voldoende fondsen te beschikken. Waarschijnlijk wordt de computer daarmee voorlopig niet meer dan een hulpje, maar wel een verdomd handig hulpje.

David in het wilde westen

Het zijn beloftevolle tijden voor de freelancende schrijver en vertaler. Nooit eerder is er zo’n schreeuwende vraag geweest naar wat ze maken. Want naast de tastbare wereld van inkt en papier ligt nu de pasgeschapen virtuele wereld voor ze open. Het digitale landschap is op het ogenblik nog behoorlijk woest en ledig. Het moet dus hoognodig getemd en gevuld.

 Voor de vulling heb je inhoud nodig, in het jargon content geheten. De internetsurfer bijvoorbeeld, moet redenen hebben om een site te bezoeken. Voor pure reclame komt ie niet langs, maar een bijtende column of een inzichtgevende reportage kunnen hem wél lokken naar een pagina waar ook geadverteerd wordt. De ondernemer die zaken gaat doen met een nieuw bedrijf wil graag per e-mail een snel en compleet overzicht van wat er de laatste jaren over dat bedrijf geschreven is. Een internetboekhandel biedt meer dan een gewone boekenwinkel als er bij elk boek een rijtje recensies uit kranten en bladen staat.

Nog lang niet alle digitale mogelijkheden zijn verzonnen, maar ook op dit moment is eerder in druk verschenen materiaal dus al enorm gewild. En freelancers zijn verantwoordelijk voor een groot deel daarvan: de meeste kranten worden voor een vijfde à een kwart gevuld met bijdragen van mensen die niet in dienst zijn, en bij opiniebladen is dat zelfs de helft.

Omdat Nederland zo klein is, kwam het zelden voor dat een ander medium een artikel wilde overnemen, wat het freelancerschap een hachelijke onderneming maakte. Want de reguliere pers betaalt over het algemeen zulke lage honoraria dat zelfs zaken als een arbeidsongeschiksheidverzekering en iets van een oudedagsvoorziening buiten het financiële bereik van heel veel freelancers liggen.

Je zou zeggen: de digitale hergebruiksmogelijkheden betekenen automatisch een grote stap vooruit voor de positie van freelancers. Want anders dan redacteuren in dienst hebben ze zelf de zeggenschap over hun werk, en ze zullen er dus met die groeiende vraag gemakkelijk een redelijke betaling voor krijgen.

Wie dat denkt, vergeet dat de nieuwe wereld niet alleen ledig maar ook woest is. Het Wilde Westen is er niks bij. Talloze uitgevers in heel veel landen zagen er geen been in het werk van freelancers in commerciële databanken te stoppen, op websites en cd-roms te zetten, jarenlang door te verkopen en nog veel meer. Zonder de eigenaars van dat werk dat te vertellen, dus zonder hun  toestemming. Van een overeengekomen vergoeding was uiteraard al helemaal geen sprake.

Maar zulke grootschalige diefstallen komen vanzelf een keer uit, en verantwoording afleggen moet gelukkig nog steeds in de echte wereld, waar je rechtbanken met rechters hebt. Het is opvallend dat de uitgevers nadat ze betrapt zijn het inderdaad vrijwel allemaal op rechtszaken laten aankomen. Een erg verstandige strategie is dat niet gebleken, want zowel in Nederland als daarbuiten worden ze keer op keer veroordeeld. Bovendien duurt het allemaal eindeloos, iets dat het ontwikkelen en uitbouwen van digitale plannen nogal in de weg staat.

Ook de oplossing die uitgevers daarvoor verzonnen hebben, heeft niet het door hen verlangde effect. Op dit moment lopen er nog allerlei zaken, maar de laatste paar jaar is men vast overgegaan op een andere tactiek. Uitgevers hebben zich ontwikkeld tot koppelinkoopbazen. Dat gaat zo. De individuele freelancer krijgt te horen: ‘jij wil je stukken in de krant of ons blad? Dat kan, maar we willen ze alleen hebben als je daarbij meteen al je rechten inlevert.’

Er wordt niet gevraagd: ‘Kunnen we iets afspreken over plaatsing op onze website? En moet je horen, we zouden graag ons complete archief in een databank aanbieden, dus wil je daar je toestemming voor geven? Wij stellen er dan deze vergoeding tegenover. Ook is er een andere grote databank, en die wil de hele inhoud van onze titel kopen. Kun je akkoord gaat met de volgende regeling?’  Nee, veel uitgevers eisen eenvoudigweg de totale vrije hand, en niet even, maar voor de hele duur van het auteursrecht. Vervolgens zien ze nog wel wat ze allemaal met de spullen gaan doen.

Het is alles of niets dus, en dat ‘alles’ gaat zelfs zo ver dat de exploitatiemogelijkheden die nog uitgevonden moeten worden er ook onder vallen. Ter compensatie krijgt de freelancer een schandelijk schijntje geboden (twee, of een half procent van zijn honorarium) en soms zelfs helemaal geen cent.

Daarbij moet bedacht worden dat in die woeste, ledige wereld niet Adam en Eva rondstappen, maar David en Goliath. Laten we even de Nederlandse krantenmarkt nemen. Op De Telegraaf na zijn alle landelijke dagbladen in handen van één uitgever, PCM. Dat betekent dat je als freelancer al snel in je dooie eentje komt te staan tegenover zowel de Volkskrant, als het Algemeen Dagblad, als Trouw, als NRC Handelsblad als Het Parool. De uitwijkmogelijkheden voor iemand die niet akkoord wil gaan met het uit handen geven van al zijn rechten zijn daarmee erg beperkt.

Geen wonder dus dat een deel van de duizenden freelancers die voor een van die vijf kranten werken zich genoodzaakt voelt om dat op onbillijke voorwaarden te doen. En juist degenen die financieel het zwakst staan, zeggen het vaakst tandenknarsend toch maar ja. Daar knappen de onderlinge verhoudingen niet echt van op. Maar dat doen ze ook niet met de rest, de meerderheid, die heeft geweigerd die alles-inleveren-voorwaarden te tekenen.

Want de uitgeverstactiek werkt uiteindelijk niet. Simpelweg omdat ze absoluut niet zonder freelancers kunnen en ook nooit zullen kunnen. Zelfs wanneer eindelijk de honoraria naar een redelijk niveau gebracht zouden worden, blijven freelancers spotgoedkope leveranciers. Die freelancers weten dat ook. Een deel heeft zich mede daarom verzameld in de FreeLancers Associatie, om met zijn allen een David te kunnen vormen die de Goliaths te lijf gaat. Want één freelancer kun je vaak nog wel vervangen, een handvol misschien ook, maar de mogelijkheden voor de uitgevers houden al heel gauw op.

Daar stonden we dan, begin vorig jaar, in een raar soort wederzijdse houdgreep. Het heeft een tijd geduurd, maar die lijkt nu langzaamaan te worden doorbroken. Een aantal uitgevers, de een schoorvoetender dan de ander, toont zich bereid te praten. Of, nog beter, te luisteren. En gelijk hebben ze, want je kunt op vele, meestal niet vrolijkmakende manieren naar de toestand kijken, een zakelijke blik heeft ondertussen maar één onontkoombare uitkomst: uitgevers zijn uiteindelijk ook meer gebaat bij het sluiten van overeenkomsten waarbij iedereen van harte zijn best doet dan bij onwillig makende wurgcontracten.

En het mooie is: zodra dat gebeurd is kunnen we, uitgevers én freelancers, ons gezamenlijk in plaats van ieder apart sterk gaan maken voor het auteursrecht in de digitale wereld. De uitgevers bestrijden nu ook al de piraterij van andere partijen, en net als de freelancers vaak met succes.

Ook kunnen we dan samen een antwoord geven aan de stemmen die her en der opgaan om het auteursrecht in de digitale wereld maar af te schaffen. Degenen die dat roepen begrijpen niet dat het daar in dat geval eeuwig woest en ledig zal blijven. Want als er tegenover geleverd werk geen redelijke beloning staat dan moeten we allemaal ander werk gaan zoeken. Terwijl er voor zowel uitgevers als freelancers letterlijk nog ongekende mogelijkheden liggen om met het ontginnen van de woeste digitale aarde ons ondernemerschap veilig te stellen en lucratiever te maken dan het nu is.

Nootje: ik dit schreef als voorzitter van die net opgerichte FreeLancers Associatie. Het VvL-bulletin was het blad van (toen) de Vereniging voor Schrijvers en Vertalers, vroeger Vereniging van Letterkundigen geheten, tegenwoordig Auteursbond.

Kunt u al Algemeen Beschaafd Mailen?

Dat BN’er Wouter Bos de e-mailadressen van zijn complete netwerk open en bloot had rondgestuurd, haalde vorige week de krant. Is zo’n miskleun dus een uitzondering geworden?

Als ik mijn eigen mailboxen mag geloven: nee. Mijn collectie e-mailadressen van bekenden van bekenden en relaties van relaties groeit gestaag door. Onnadenkendheid? Het zelf niet erg vinden als je e-mailadres de wijde wereld in gaat, en dus menen dat iedereen dat uitstekend vindt?

Even stevig rondvragen brengt nog een andere oorzaak aan het licht: gebrek aan kennis. Onverwacht veel mensen begrijpen niet of maar half wat er nou precies verkeerd ging in het geval van (naar verluidt: een medewerker van) Bos. De uitleg dat die de cc-regel had gebruikt in plaats van het bcc-vakje blijkt voor sommigen nog altijd geheimtaal. Daarom speciaal even voor hen: mailprogramma’s bevatten drie vakjes voor e-mailadressen. Naast het gewone aan- of to-vakje, ook een cc- en een bcc-venster voor degenen aan wie u een kopietje wilt sturen. De b van bcc staat voor ‘blind’ (en de cc voor copy carbon, wat dateert uit het typemachine-en-carbonpapierdoorslagen-tijdperk) en dat betekent dat behalve de verzender echt niemand de adressen uit het bcc-venster kan zien. Dus ook de ene bcc-geadresseerde de andere niet. De adressen in een cc-vakje zijn wel voor iedere ontvanger zichtbaar.

Het is opmerkelijk dat zo’n basisfunctie dikwijls geen gesneden koek is. Je zou zeggen: het nieuwtje is er nu wel af. Nog even en de niet-mailende medemens is een bedreigde minderheid. In het zakelijk verkeer is e-mail in feite de nieuwe standaard, zowel voor onderling contact tussen personeel als voor allerlei uitwisselingen met de buitenwereld. Mailende opa’s en oma’s zijn nu de gewoonste zaak van de wereld, en de bij voorkeur hyvende en chattende jeugd mailt daarnaast vrolijk door.

En eerlijk is eerlijk, de toegenomen ervaring met mailen scheelt een slok op een borrel. Zo krijg ik eigenlijk nooit meer een reply-mailtje waarin iemand zijn reacties op mijn tekst er zo tussengefrommeld heeft, dat het een zoekplaatje is geworden. En er ontwikkelen zich vanzelf nieuwe gewoontes. Bij even een snelle uitwisseling over één onderwerp bijvoorbeeld, zetten de meeste mensen er echt niet meer elke keer een aanhef boven en een afsluiting onder.

Prima. Ik geloof althans niet dat dat nog vaak onbeleefd gevonden wordt. Maar hoe zit het verder? Hebben we inmiddels de contouren te pakken van hoe Algemeen Beschaafd Mailen eruit dient te zien? Dat betwijfel ik. Zelf heb ik in elk geval nog wel een paar dingen te wensen over. Die natuurlijk gevoed worden door de toevallige mailcontacten die ik heb. Heel goed mogelijk daarom dat anderen er heel anders over denken, maar ik doe vast een voorzet met wat verzoeken en aansporingen. Daar gaat ie.

• Wilt u meteen vertellen wie u bent? Van wie of wat een bericht komt, wordt belangrijker naarmate de stroom mails aanzwelt. Schiften moet. Maar dagelijks ontvang ik e-mail met vage afzenders als ‘Communicatie’ of ‘Wetenschapsredactie’, of van mij geheel onbekende personen, die pas als ik de mail open namens een bedrijf of instelling blijken te schrijven. En e-mail van iemand met alleen een voornaam zie ik meestal aan voor spam.

• Weer met het oog op het schiften, maar ook belangrijk om dingen terug te kunnen vinden: heel graag lees ik direct waarover het gaat. Dus zet iets in de onderwerpsregel. En graag iets duidelijkers dan ‘memo’, ‘vraagje’ of ‘uitnodiging’. In het mailtje alleen de tekst ‘zie attachment’ is niet genoeg.

• Wees zo vriendelijk nog even over te lezen wat u tikte, en haal de ergste schrijffouten en onbegrijpelijkheden eruit voor u een mailtje verstuurt. 

• Mag ik alstublieft witregels tussen de alinea’s? Dat leest zoveel fijner. 

• Met minder mail zou ik ook erg blij zijn. Dus hou alstublieft op met elektronisch kond te doen van elk wissewasje en iedere personeelswisseling, en stop met dat ge-cc omdat u niet de verantwoordelijkheid wilt nemen iets gewoon zelf af te handelen.

• Knip af en toe eens wat weg. Laten we elkaar niet langer eindeloze slierten eerdere e-mailconversatie toesturen. U gebruikt een oud mailtje voor het adres? Handig, maar mag de oude inhoud er dan wel uit?

• Wilt u me misschien ook niet langer bij elk antwoord opnieuw om de oren slaan met al uw functies, telefoonnummers, adressen en ellenlange disclaimers en mission statements?

• Pers m’n mailbox alstublieft niet barstensvol met ongevraagde plaatjes en andere attachments van vele megabytes. Hoe dan ook krijg ik liever een link naar de webversie dan een aanhangsel – zeker als dat een exacte kopie is van wat er al in het mailtje stond.

• Mag er soms toch ook nog iets per gewone post arriveren? Dat rapport, dat contract dat u meestuurt, zou u dat weer eens zelf willen uitdraaien en ouderwets op de bus doen?

• Kijk vaker dan eens in de drie dagen of u e-mail heeft. Duurt het even voor u kunt antwoorden: laat me dat dan weten.

• Kennen we elkaar niet, weet u dan wel zeker dat u een toon wilt aanslaan alsof dat wel zo is? ‘Hoi’ of ‘Ha’ of ‘Hallo’ verwacht ik alleen van mensen die ik goed ken.

• Toeters en bellen, kleuren en verschillende lettertypes in verschillende groottes: beperk zulke experimenten liever tot kerstgroeten of andere niet-zakelijke berichten. Niet alleen is kermis voor de ogen vermoeiend, u weet ook niet zeker hoe het er in het e-mailprogramma van de ontvanger uitziet.

• En alstublieft, neem eens een fatsoenlijk, niet steeds haperend e-mailadres, bij een goede provider. Wees bovendien niet te schraperig ook iets te betalen voor uw viruscontrole en spamopvanger. Zodat ik niet in elk ontvangen bericht reclame hoef te lezen.

Zeer dankbaar zou ik zijn voor het vervullen van al deze wensen. Maar ik ben ook heel benieuwd naar uw aanvullingen of tegenwerpingen. Reageren kan op nrc.nl/opinieblog. 

Liesbeth Koenen is taalkundige en wetenschapsjournalist. In 2000 schreef ze, samen met Rik Smits, het boek E-mailetiquette

Nootje: dat reageren gebeurde. Zie hier: http://weblogs.nrc.nl/expertdiscussies/wat-is-volgens-u-algemeen-beschaafd-mailen/ 

Magische woorden

Het heeft wel iets vertederends, en iets komisch tegelijk. Het ANP meldt: “2000 was vruchtbaar jaar voor nieuwe woorden”, en allerlei kranten nemen het bericht meteen gretig over, met vermelding van de frequentie waarmee het nieuwverzonnen ‘bereikbaarheidsoffensief’ en het oude ‘vuurwerkbedrijf’ voorkwamen.

Journalisten zijn vaak dol op lijstjes ‘nieuwe woorden’, die nu al ongeveer een decennium op gezette tijden en verschillende manieren tot ons komen. Deze keer is het gewoon reclame voor een boekje van Van Dale, dat dit jaar zijn nieuwjaarsgeschenk voor het gemak ook maar meteen in de handel brengt.

Niks tegen hoor, het bedrijf profiteert simpelweg van het feit dat de techniek de geestesgesteldheid van de mensen ver vooruit gesneld is. Want nog steeds heersen de middeleeuwen volop. Ook vijf en een halve eeuw na de uitvinding van de boekdrukkunst is het gevoel heel sterk dat dingen die zwart-op-wit staan een diepe waarheid vertegenwoordigen. Staat het in een boek dan is het helemaal echt.

Hoe krachtig die magie nog is, blijkt wel uit het enthousiasme van juist journalisten voor opsommingen van woorden die in de krant hebben gestaan. Daar zetten ze ze nota bene zelf in. En het is absoluut niks bijzonders, maar ook weer wel.

Om te beginnen bestaan er helemaal geen vruchtbare en onvruchtbare jaren voor nieuwe woorden. Zolang het Nederlands nog niet is uitgestorven, zal niet alleen elk jaar, maar elke dag, elke minuut supervruchtbaar zijn voor nieuwe woorden. Ze worden bij bosjes gemaakt, aan de lopende band.

Meestal uit oude woorden trouwens. Nieuw, ook in die jaarlijstjes, is zelden werkelijk nieuw. Bestaande elementen worden bij elkaar gebracht. Dat doen we automatisch, vanzelf, het is zelfs onmogelijk om te besluiten dat je geen nieuwe woorden zult verzinnen.

Dat is namelijk een buitengewoon cruciaal onderdeel van wat we ‘een taal kennen’ noemen. Woorden zijn wegwerpdingen die toch niet slijten. Je zet ze ter plekke in elkaar, en soms hou je ze dan een tijdje in de buurt, gebruik je er een vaker, soms ook blijft het bij eenmalig gebruik. De losse onderdelen blijven intussen altijd beschikbaar om weer andere woorden van te maken.

En het is ook heel wel mogelijk dat verschillende mensen hetzelfde woord verzinnen. Toen er vorig jaar in Enschede een vuurwerkfabriek ontplofte, waren er ongetwijfeld een heel stel die de samenstelling ‘vuurwerkramp’ voor het eerst van hun leven maakten. Dat dat woord ook al in woordenboeken stond, doet daarvoor niet ter zake. Ook een journalist zal het niet eerst gaan opzoeken, om te kijken ‘of het wel bestaat’.

Aan de meeste ‘nieuwe’ woorden wordt geen enkele gedachte gewijd. Ze spruiten namelijk helemaal vanzelf voort uit de creativiteit die ieder van ons in zich heeft. En zelfs bij een opvallend en origineel woord als ‘geninabrinkt’ (heeft vorig jaar ook in de krant gestaan) zal de maker hooguit achteraf gedacht hebben: verrek, dat is leuk. Maar het is al gebeurd voor je het weet. Dit voorbeeld laat overigens ook iets zien van de flexibiliteit van ons taalvermogen: van een naam kun je rustig een werkwoord maken. Het van de ene woordsoort een andere maken, en daar tussen heen en weer gaan, doen we ook allemaal.

Niet alleen journalisten dus. Want al die jaarlijstjes geven wel een beetje een vertekend beeld. Ze komen uit de computer rollen, maar wat er in die computer zit, is niet wat u en ik tegen elkaar zeggen, of wat er vorig jaar in alle koffiekamers van Nederland afgekletst is, of op de televisie. Het gaat om geschreven journalistieke teksten. Je hebt tegenwoordig prachtige databanken, waarin een heleboel kranten in digitale vorm staan. Daarin zoeken is een makkie, en zo verschijnen dan die overzichten.

Laat u overigens niet van de wijs brengen. Er komen ook getallen uit de computer, en dat ziet er lekker exact en verschrikkelijk wetenschappelijk uit. “Met 349 scores staat ‘bereikbaarheidsoffensief’ op de eerste plaats”, zegt het ANP-bericht. En daarin is dan niet meer terug te vinden dat er weliswaar gezocht is in veel kranten, maar bijvoorbeeld niet in de Telegraaf.

Zeggen al die nieuwe woorden dan helemaal niks? Jawel, precies dat wat u als krantenlezer al wist: wat er vorig jaar in het nieuws was.

Met licht kun je alles

Het kan niet, zeiden zijn collega-natuurkundigen, maar Theo Rasing deed het toch: het soort kleine magneetjes waar onze harde schijven mee volzitten naar zijn hand zetten met licht. Het zou honderdduizend keer snellere computers kunnen opleveren. Rasing (1953) is hoogleraar in Nijmegen en onder meer oprichter van het Nanolab. 

Wat wilt u van magneten?

Informatie opslaan of veranderen op een computer doe je door bits om te zetten. Dat gebeurt nu meestal met minimagneetjes. En normaal gesproken heb je een andere magneet nodig om de noordpool en de zuidpool van een magneet om te laten keren. Dat ompolen doe je dan door een klein stroompulsje te geven. Zo’n klein magneetje gedraagt zich als een tolletje, het heeft ‘spin’. Je geeft er een draai aan. Het lukt ons nu om dat zonder andere magneet voor elkaar te krijgen: met licht. Heel korte flitsen, laserpulsen van wat circulair gepolariseerd licht heet. Met de draairichting van het licht kunnen we nu volledig de richting van de magneetjes bepalen. 

Waarom dacht iedereen dat je met licht geen bitjes kunt omzetten?

Dat heeft alles te maken met dat draaimoment. Je kunt uitrekenen hoeveel licht je daarvoor nodig zou hebben. Dat is zóveel dat de magneet zou verdampen. Maar onze weg is anders dan hoe dit tot dusver begrepen werd. De theorie voor wat we doen, is er eigenlijk nog niet. We zijn een experimentele groep, maar inmiddels hebben we de aandacht van goede theoretici getrokken. 

Wat kunnen we verwachten van dat nanolicht?

De grenzen van wat er kan met de huidige elektronica zijn in zicht. Wat wij doen is nanotechnologie, en op die hele kleine schaal komen er nieuwe mogelijkheden. Kijk, als je een stuk ijzer doormidden zaagt, en nog eens, en nog eens, enzovoort, dan blijft het tot op micronniveau dezelfde eigenschappen houden. Maar daaronder, vanaf zo’n honderd nanometer – dan praat je over 0,00000001 meter – wordt alles anders. Magnetische, chemische, eigenlijk alle eigenschappen veranderen plotseling. Daarom is de nanowereld zo interessant.

Met licht kun je niet alleen honderdduizend keer sneller dan nu ompolen, het kost ook nog heel veel minder energie. Het is dus sneller en zuiniger. En er is nog steeds een enorme groei in het verwerken en opslaan van data, onder meer door de spelletjesindustrie. Die games vreten geheugen. Maar ook bij medische toepassingen, denk aan MRI-scans, is de hoeveelheid beelden een bottleneck. En met optische kabels kunnen er veel meer data parallel verstuurd worden. Met licht kun je alles, zeg ik wel eens. 

Gaat u hier eigenlijk rijk van worden?

Als dit tot producten leidt, ben ik een heel gelukkig mens. Er is al een bedrijf mee bezig. We hebben een patent. En een voorbeeld: de sensor die tegenwoordig die magnetische bits uitleest, is gebaseerd op een ontdekking van een Duitser en een Fransman van twintig jaar geleden. Alleen de Duitser had een patent, en die is er zeker niet slechter van geworden.

Zondag spreekt prof.dr. THEO RASING over ‘Nanofysica – Dansende atomen’, 11.00 uur, Paradiso, Weteringschans 6, Amsterdam. Toegang € 10,-. 

NRC Next kopte dezelfde ochtend ‘Duwen met lichtstralen’.

Hard huilen

Net een paar doldwaze uurtjes gehad. Mijn nieuwe grammaticacontrole losgelaten op teksten die ik schreef toen ik nog helemaal uit het blote hoofd moest bepalen of mijn zinsbouw en woordkeus wel deugden.

In de vorige versie van mijn tekstverwerker zat wel al een spellingchecker, ook goed voor menige glimlach (voor ‘Alzheimer’ zag hij liever ‘Alchemie’ en ‘visverwerking’ leek hem beter dan ‘zinsverwerking’), maar nu ik Word 97 gebruik, heb ik er een echte dijenkletser bij gekregen.
Dat wil zeggen: hard lachen wanneer het woord ‘beroemde’ iedere keer de tekst ‘Wederkerend voornaamwoord: Beroemde wordt altijd wederkerend gebruikt’ op je scherm doet verschijnen, is verstandiger dan hard huilen. Beroemde wederkerend gebruikt? Ik begrijp niet eens wat daar staat.

Heeft u moeite met ‘als’ en ‘dan’ uit elkaar houden? Laat ik u troosten, ik verzeker u dat u het beter kunt dan Word 97. Het zou immers niet in u opkomen om van ‘iemand gaf als beschrijving…’ ‘iemand zag dan beschrijving…’ te willen maken. Word 97 wil zelfs ‘Nederlands als moedertaal’ veranderen in ‘Nederlands dan moedertaal’.

Geestig is ook de ongelooflijke verwarring over hoofdletters, iets dat maar zijdelings met grammatica te maken heeft, maar a la. Schrijf je na een dubbele punt een hoofdletter, bijvoorbeeld omdat er citaat begint, dan krijg je te lezen: ‘Gebruik van hoofdletters: Na een dubbele punt schrijft men doorgaans geen hoofdletter.’ Ziet u de interne inconsistentie van deze mededeling? Het wordt nog leuker, want schrijf je na een dubbele punt wél een kleine letter, dan krijg je als commentaar: ‘Gebruik van hoofdletters: Begin de zin met een hoofdletter.’

Maar ja, van waar een zin begint, heeft Word 97 geen flauw benul. Kennelijk heeft de maker van de grammaticacontrole gedacht: da’s simpel, na elke punt. Wat bijvoorbeeld betekent dat ‘prof. dr. van Veenendaal’ ‘prof. Dr. Van Veenendaal’ moet worden. Daarnaast dient dus ook de dubbele punt als markeerder voor het einde van een zin, en (je moet er maar opkomen) het haakje sluiten.

Toch haalt dat het allemaal nog niet bij de absolute abracadabra die telkens onder het kopje ‘Overeenkomst in getal of geslacht’ gebracht wordt. Daar zou het dus echt om grammatica moeten gaan. En dan lees je over de zinsnede ‘die paar straten’ dat ‘die’ en ‘paar’ niet overeenkomen in persoon en/of getal. Breng daar maar eens wat tegen in. Een vraag die begint met de woorden ‘welke gebieden’ levert dezelfde opmerking op: ‘welke’ en ‘gebieden’ komen niet overeen in persoon en/of getal. Oh nee?
Mooi is ook: ‘Als ‘duiven’ het onderwerp is van ‘gaan’, komen onderwerp en persoonsvorm niet overeen in persoon en/of getal.’ Mijn controleur stelt daarom ‘de duiven gaat’ voor. En schrijf je ‘…vertelt hij wat hem het meest verbaasd heeft’ dan luidt het commentaar: ‘als vertelt afhangt van heeft dient dit woord te eindigen op -d’. Voorwaar een indrukwekkend staaltje inzicht in de zinsstructuur.

Een feest is tenslotte het toetje van elke spelling- en grammaticacontrole. Aan het eind verschijnt er een venstertje met ‘Statistiek leesbaarheid’. Het staat vol mooie getalletjes. Hoe lang je zinnen gemiddeld waren bijvoorbeeld (denk nog even aan de moeite die Word 97 heeft te bepalen waar een zin ophoudt) en je woorden. Bovendien wordt hier een heus cijfer uitgedeeld. Voor moeilijkheidheidgraad van je tekst. Dit stukje valt in de categorie ‘tamelijk moeilijk’. Mijn excuses. Als u het daarentegen best te doen vond, bedenk dan dat die waardering uitsluitend gebaseerd is op het aantal woorden per zin en het aantal lettergrepen per woord.

Dat is dan meteen ook het enige dat tenminste nog íets zegt, al is het belang van dat soort lengtes voor de toegankelijkheid van teksten erg relatief. Voor het overige is de ‘grammaticacontrole’ volmaakt waardeloos. Doodordinaire volksverlakkerij. Niet één keer ben ik gewezen op iets dat inderdaad fout was, en andersom passeren ongrammaticale zinnen waarin bijvoorbeeld staat het werkwoord op de verkeerde plaats moeiteloos.

Zou je de Reclame Code Commissie ook handleidingen kunnen laten beoordelen? Want dat Word over mijn schouder kan meelezen en ‘achter de schermen’ mijn tekst controleren, onder meer op eventuele grammaticale fouten, zoals staat in het boekje dat ik erbij kreeg, is niet eens meer misleidend, het is een aperte leugen.

SPELLING

De Groene spelling  samengesteld en ingeleid door Hans Bennis, Anneke Neijt en Ariane van Santen 213 blz., Bert Bakker 1991, f 29,90 ISBN 90 351 0945 7

Het is het onderwerp waar iedereen verstand van heeft: ‘Roep op een saai verjaardagsfeestje dat je de werkwoordsspelling wilt herzien, en binnen enkele minuten ontspint zich een felle discussie met hartstochtelijke voor- en tegenstanders,”  schrijven samenstellers Hans Bennis, Anneke Neijt en Ariane van Santen geheel naar waarheid in de inleiding van De groene spelling.

Die onlangs verschenen bundel biedt meer dan je op grond van de wat soft aandoende titel misschien zou denken. Naar aanleiding van het verschijnen –  in 1989 – van een rapport van de Taalunie dat een aantal spellingswijzigingen besprak (nog niet voorstelde, al reageerde iedereen als gebruikelijk of dat wel zo was) organiseerde de vakgroep Nederlands van de universiteit van Leiden een lezingencyclus over spelling.

Die is nu te boek gesteld. Er is een bont gezelschap aan het woord geweest, en dat heeft heel wat opgeleverd.

Een helder en bijzonder inzichtelijk verhaal over de verschillende schriftsystemen in de wereld bijvoorbeeld, en een goed overzicht van alles wat zich in Nederland op spellingsgebied heeft afgespeeld: de eerste wettelijke regelingen, de geschiedenis en de tekortkomingen van ‘Het Groene Boekje’ (officieel de Woordenlijst van de Nederlandse taal die in 1954 uitkwam), de voorstellen die er sindsdien gedaan zijn, en achterin in de bijlage stukjes tekst waarin je kunt zien wat voor woordbeeld die voorstellen zouden opleveren. Ook is er een uitstekende verklarende woordenlijst toegevoegd.

Zoals altijd bij een bundeling zijn niet alle stukken even goed of interessant, maar je kunt er heel wat basiskennis en dus ammunitie voor saaie feestjes mee opdoen.

Het boekje laat zien dat de kwestie wel-of-geen-spellingswijziging geen eenvoudige is. Met wie moet je rekening houden? Met de komende generaties, of met degenen die al hebben leren spellen? Met de uitgevers misschien die hun fondsen zouden moeten aanpassen?

De auteurs zijn het onderling ook lang niet altijd eens. Sommigen vinden bijvoorbeeld het naast elkaar bestaan van een ‘voorkeurspelling’ (vakantie, produktie, deductie) en een ‘toegelaten spelling’ (vacantie, productie, deduktie) een vloek, anderen zijn minder rigide en zien niet wat daar zo erg aan is.

De origineelste gedachte komt zondermeer van Vincent van Heuven. Die stelt voor om kinderen zoveel mogelijk te laten schrijven wat ze horen. Ze hoeven al die lastige d’s en t’s en c’s en k’s en dergelijke niet te leren omdat tegenwoordig bijna alle teksten die niet voor de eigen vriendenkring bedoeld zijn met behulp van tekstverwerkers gemaakt worden. En die hebben allemaal spellingcheckers die het lastige werk overnemen.

Mij lijkt dat een behoorlijk kortzichtig idee. Zo wijdverbreid is de tekstverwerker-met-spellingchecker nu ook weer niet en juist voor het checken van de d’s en t’s in werkwoordsvormen is enig begrip van wat er staat nodig, en daar is nog steeds geen enkele machine echt goed in.

Bovendien gaat het idee om kinderen fonetisch te laten spellen maar volgens andere regels te laten lezen, lijnrecht in tegen een gegeven dat bij onderzoekjes steeds naar voren komt: mensen wennen vooral aan woordbeelden. Dat verklaart waarom ook de meest ervaren spellers regelmatig ‘gebeurd’ schrijven als het ‘gebeurt’ moet zijn, of omgekeerd. Ze kennen die woordbeelden, dus ziet de foute variant er niet ‘gek’ uit.

Vaste woordbeelden zijn ook belangrijk voor al diegenen die grote moeite met lezen en schrijven hebben: dyslectici. Ook daaraan is een hoofdstuk uit De groene spelling gewijd. Om met hen rekening te houden bij een spellingswijziging was eerlijk gezegd niet direct bij me opgekomen, maar het lijkt me een nuttig idee.

Nuttig, en vaak ook nog aardig, wat kun je meer verlangen van een boek? Dat de informatie degenen die het aanbelangt ook bereikt. Dus: vanaf heden is het journalisten en andere krantenkolommenvullers pas weer toegestaan meningen  over spelling ten beste te geven nadat ze dit boekje gelezen hebben.

Noot: Of de publicatiedatum klopt, kan ik niet met zekerheid zeggen. Vergeten er een op het knipsel te zetten…

Slim is dom

Dat het kan, verbaast me toch altijd: vroeger was iets een gewoon, fijn woord. Maar dan wordt er een tijdje aan de betekenis gesjord, gedouwd en getrokken, en dan merk je ineens aan je nekharen dat er iets veranderd is.

Voortaan gaan die bij een bepaald woord prikken. En in je buik voel je argwaan rommelen.

Ik heb het de laatste tijd met ‘slim’. Merkwaardig, niet? Iedereen wil slim zijn per slot van rekening. Het zijn dan ook juist de slimme dingen waarbij ik me licht ongemakkelijk voel.

Slimme meters, slimme camera’s, slimme stoplichten, slimme ijskasten, slimme auto’s, slimme bommen. De gekste dingen worden ‘slim’ gemaakt.

Het betekent vooral dat er software in zit. Die berekent en verzamelt gegevens, waar vervolgens iets mee gedaan wordt. Wat precies is lang niet altijd te voorspellen. En ‘slimme dingen’ ontbreekt het ook aan wat wij ‘gezond verstand’ noemen. Dat alleen al maakt me huiverig.

Neem nou de relatief simpele ‘slimme meters’, die deze week weer eens in het nieuws waren. Ze houden in de gaten hoeveel energie je wanneer gebruikt.

Maar dat blijken ze niet altijd betrouwbaar te doen. En bij sommige zou er door een constructiefoutje gas kunnen lekken. Daarnaast: gaat het de rest van de wereld wel iets aan wanneer u de kachel hoog zet of ik het licht uitdoe?

Zo wordt het etiket ‘slimme meter’ geplakt op wat je ook ‘foutgevoelig’ of ‘gevaarlijk’ zou kunnen noemen, of ‘bemoeizuchtig’. Om niet te zeggen: dom.

Dit heet tegenwoordig geloof ik ‘framen’, maar de truc is waarschijnlijk net zo oud als mensentaal.

Enfin, slim = dom. Dat doet denken aan 1984. Aan wat George Orwell in dat onverslaanbare boek ‘newspeak’, ‘nieuwspraak’ doopte. Het speelt in een land waar het ministerie van Waarheid (dat propaganda verzint en de geschiedenisboeken voortdurend herschrijft) slogans hanteert als ‘Vrijheid is slavernij’ en ‘Oorlog is vrede’.

Een rijke bron aan nieuwe begrippen, die geen spatje minder populair worden. Ook de ‘Gedachtepolitie’ danken we aan Orwell. En natuurlijk Grote Broer. Big Brother. Die meekijkt.

Extra toepasselijk, want die slimmigheidjes in de dingen lijken de Big Brotherwereld met reuzenschreden werkelijkheid te maken.

Ik hou intussen de kaping van het woord ‘slim’ in de gaten.

Hartje hartje hartje

Wat een gouden greep was dat. Ver terug in de vorige eeuw, in 1977, werd er een advertentiecampagne verzonnen voor New York.

Om toeristen te lokken –  toen nog nergens als plaag beschouwd – gebruikten ze er voortaan dit: I❤NY. De afkorting NY recht onder de I en het (rode) hartje. Het oorspronkelijke schetsje, volgens de overlevering op de achterbank van een taxi gemaakt, bevindt zich intussen in een museum.

Zelden zal iets zo vaak nageaapt zijn. En nu lijkt het wel of iedereen iedereen voortdurend hartjes stuurt.

Van de week grasduinde ik gezellig in een mooi gemaakt boek met een mooi bedachte titel: Het zonderwoorden-boek. Ondertitel: waarom we steeds meer zeggen met emoji.

Doen we dat?

Ik geloof er geen moer van. Geweldig, die emoji (nee, dat komt niet van emotie, maar is Japans voor de woorden voor afbeelding en schriftteken). Maar we zeggen er niet meer mee dan we al deden.

De superpopulaire kleine plaatjes illustreren en versieren wat we beweren. Dat wel. Met toeters en bellen en confetti en champagneflessen bijvoorbeeld. Een schitterende functie.

Belangrijker is dat ze kunnen aanvullen wat wegvalt bij taal-op-schrift: de toon en iemands gezichtsuitdrukking en gebaren. De precieze bedoeling, de intensiteit kun je nu duidelijk maken met toegevoegde knipogende, grijnzende, kussende, zelfs kotsende kopjes, met opgestoken duimen, zonnetjes.

Zeker, het zwaaiende handje zegt gedag, dansertjes laten zien dat je vrolijk bent, en zo is er nog een hele hoop leuks te verzinnen. Maar werkelijk onze woorden vervangen? Emoji als een nieuwe taal, ook nog internationaal?

Welnee. Zonder woorden komen we nog steeds helemaal nergens. Ook Het zonderwoorden-boek (de auteur heet trouwens Lilian Stolk) staat er natuurlijk vol mee.

Gelukkig wel. Veel interessante woorden, waarin bijvoorbeeld verteld wordt dat de huilen-van-het-lachen-smiley weliswaar het meest gebruikt wordt wereldwijd, maar ook nogal eens aangezien wordt voor groot verdriet.

Oei. Pijnlijk! Moet je dan weer rechtzetten. Met woorden.

Maken we niet juist overal graag taal van? Zo gaat het zelfs met dat hartje. Van taal (I love…) naar plaatje (I ❤…) ging het weer naar taal. Want nu lees ik aldoor dingen als: ‘Ik hartje mijn verkering’, ‘ik hartje gekke schoenen’.

Echt, ik hartje taal.

Jezelf onderzoeken door het slikken van een laboratoriumchip

Thuis de kwaliteit van je sperma controleren, met een privélaboratoriumpje ter grootte van een euro. Een pil slikken die ‘ziet’ of je darmkanker hebt. Het kan al bijna, volgens technisch natuurkundige Albert van den Berg (1957), die systemen bouwt om gezondheid te meten op de miniminischaal van de nanometer. Hij is universiteitshoogleraar bij het MESA+ instituut van de Universiteit Twente. 

Hoe krijg je een heel laboratorium op een chip?

Op grote plakken silicium of glas maak je in het Nanolab een paar duizend kleine chips, waarin minuscule structuurtjes gemaakt zijn: hele kleine gangetjes waar vloeistof door kan, en hele fijne draadjes, die elektrische spanning meten. Materiaalkosten zijn bijna verwaarloosbaar.

Maar je kan technisch nog zo goed zijn, of iets een commercieel succes wordt is iets anders. Deels zit je met het wat conservatieve medische bolwerk, en er zijn ethische kwesties. We willen bijvoorbeeld de uitslag van een pil die meet of er afwijkend, kwaadaardig DNA in je darmen zit, automatisch door laten geven aan de arts. Darmkanker, maar ook andere vormen van kanker zullen over een aantal jaren zo te screenen worden. 

Waarom een chip voor sperma?

Dan hoeven mannen niet meer met potjes in de weer in het ziekenhuis. Bij tien procent van de stellen die kinderen willen, levert dat problemen op. In de helft van de gevallen ligt dat aan de man. Het gaat om de vorm, de beweeglijkheid en de concentratie van spermacellen. Van alle diersoorten is het sperma van mensen en katten het slechtste – maar zo’n vijftien procent is goedgevormd. Met een heel klein druppeltje de beweeglijkheid bepalen, lukt ons inmiddels. 

Zijn er al ‘lab-chips’ in productie?

We hebben er een ontwikkeld die lithiumconcentraties in het bloed meet. Lithium wordt geslikt door mensen die manisch-depressief zijn, en het bedrijf Medimate heeft dat gecommercialiseerd. Maar die chip werkt voor alle ionen, deeltjes waarvan je de elektrische lading kunt meten: natrium, calcium, kalium. Je kunt er zelfs bier mee onderzoeken: Grolsch en Heineken blijken hun eigen ‘handtekening’ te hebben. Maar dat is voor de gein.

Eigenlijk diezelfde chip is nu net in productie gegaan bij een andere spinoff van onze groep, Blue4Green, om melkziekte bij koeien te ontdekken. Na de geboorte van een kalf moet de melkproductie weer op gang komen, wat bij een deel van de koeien niet gebeurt door calciumgebrek. Ze allemaal calcium geven is geen optie voor een veehouder, want een teveel is slecht voor hun hart. Met die chips en een uitleesapparaat weten ze precies welke koeien melkziekte hebben.

Wat lonkt er in de verte?

We werken ook met levende cellen, die we laten fuseren, om op den duur weefsels op een chip te maken, zoals een nier-op-een-chip. Allerlei processen, bijvoorbeeld de filtering van afvalstoffen, werken ook op nanoschaal. Als je die heel goed kunt meten, geeft dat nieuwe inspiratie die wellicht ooit een draagbare kunstnier oplevert. 

Morgen  spreekt prof. dr. ir. Albert van den Berg over ‘Laboratoria op een chip’. Paard van Troje, Prinsengracht 12, Den Haag.  20.00 uur. Toegang: € 8,50

NRC Next kopte de volgende dag: ‘Slik een chip’.

Dyslexia lures K.O.

Scientific American, maart 1987

In de tijd dat heel Engeland volgeviltstift stond met de kreet … RULES O.K. (voor de puntjes kon iedere plaatselijk ‘gang’ of een andere held ingevuld worden), kocht ik er een button met de mysterieuze tekst DYSLEXIA LURES K.O.! Een woordgrapje dat enige voorkennis vereist: het Nederlandse woord voor dyslexia is ‘dyslexie’, ofwel ‘leesblindheid’.

Mensen die daaraan lijden gooien dikwijls de letters in een woord om wanneer ze schrijven, en ook als ze hardop voorlezen (‘lure’ betekent overigens ‘verlokken’) . ‘Woordblindheid’ is de andere term die wel gebruikt wordt. De Scientific American opent deze maand met een artikel van de psycholoog Frank Vellutino over dit verschijnsel. Hij doet verslag van een hele serie onderzoeken die in ieder geval leiden tot de conclusie dat de benaming woord- of leesblindheid misleidend is. Met ‘zien’ of ‘visuele perceptie’ heeft dyslexie niets te maken.

Vellutino en zijn collega’s lieten bijvoorbeeld twee groepjes kinderen (een met en een zonder leesproblemen) Hebreeuwse lettercombinaties leren. Die letters vormen een ander alfabet dan ons Latijnse en moesten dus puur op basis van hoe ze eruit zagen onthouden worden: de slechte lezers deden dat net zo goed als de gewone lezers.

Veel dyslectische kinderen maken ‘omkeringsfouten’, ze schrijven was bijvoorbeeld als saw. In een ander experiment kregen kinderen die speciaal daar problemen mee hadden, even een aantal tekeningen, woorden en door elkaar gegooide letters en cijfers te zien.

Die moesten ze dan direct kopieren en aan het eind van de test werd hen gevraagd wat nu echte woorden waren. Het bleek dat het reproduceren van de juiste letter op de juiste plaats geen probleem was, zelfs niet als het kind in kwestie een woord niet goed kon benoemen, wat regelmatig gebeurde. Ze schreven dan bijvoorbeeld was keurig over als was, maar lazen het op als saw.

Dyslectische kinderen kunnen dus best allerlei tekens in zich opnemen, onthouden en ‘natekenen’, en Vellutino concludeert dan ook dat het probleem elders moet zitten. Blijkbaar hebben ze moeite met het opslaan en terugvinden van de namen van woorden. Anders gezegd: het zit hem in de talige eigenschappen van woorden: de link tussen een woordvorm en de klank of de betekenis van dat woord wordt kennelijk niet of niet goed gelegd.

Dat dyslexie een echte taalstoornis is, werd nog eens bevestigd door het feit dat de kinderen uit al die testjes niet alleen als ze lezen of schrijven problemen hebben. Ook het gewoon benoemen van dingen (Wat is dat voor dier? Hoe heet die kleur? Hoeveel vingers steek ik op?) gaat trager dan bij gewone kinderen, ze aarzelen of praten erom heen, en vaak maken ze fouten (ze noemen een hond een kat bijvoorbeeld). Ze hebben moeite om zinnen met een complexere structuur te begrijpen of te maken, en dikwijls ontbreekt het gevoel voor ‘of een zin goed of fout is’. Ook lukt het hen niet altijd om ‘functiewoorden’ (als, maar, hun, enzovoort) op de juiste manier te gebruiken.

Dat kan allemaal niet komen omdat kinderen met dyslexie over het geheel genomen minder intelligent zouden zijn. Op testen die niets met taal te maken hebben scoren ze zelfs beter dan hun vlot-lezende leeftijdsgenootjes.

Hun taalproblemen deden mij overigens sterk denken aan die van mensen met afasie. De oorzaak daarvan is altijd te vinden in een hersenstoornis, en er komen steeds meer aanwijzingen dat ook dyslexie een fysieke grond heeft. Vellutino verhaalt over families met een bepaald gen op chromosoom 15, over verschillen in ontwikkeling en functie van de hersenhelften, en over afwijkende zenuwcellen-structuren in de hersenschors.

Voor (ouders van) dyslectici is dat laatste misschien een schok. ‘Aangeboren’ klinkt hetzelfde als ‘niets aan te doen’, maar dat is maar de vraag.

Nog steeds weet niemand precies hoe taal en hersenen samenhangen, en Vellutino is ook voorzichtig met conclusies. Wel is duidelijk dat tijd en energie beter niet gestoken kunnen worden in een leesprogramma dat probeert de ‘visuele perceptie’ te verbeteren.

Er-vroeg-bij-zijn en een intensieve, persoonlijke training lijken voorlopig het beste te helpen. Die training moet dan gericht zijn op twee dingen: aanleren bij welke complete woordvormen welke betekenissen horen, èn oefenen in het herkennen van de juiste klank bij een lettergreep. In spiegelschrift schrijven (dat komt ook veel voor bij kinderen met dyslexie) zal dan waarschijnlijk vanzelf verdwijnen, net zoals dat bij gewone kinderen gebeurt zodra ze een bepaald schrijfniveau bereiken.

In zijn artikel vat Vellutino trouwens ook de experimenten van veel andere onderzoekers samen, en het is opmerkelijk en bijzonder positief om te zien hoe al een aantal jaren taalkundigen, psychologen en neurologen met succes steeds meer gebruik maken van elkaars onderzoeksresultaten.

Zoals gebruikelijk in de Scientific American is Vellutino’s artikel vreselijk compact, maar ook vreselijk goed en informatief. Eind vorig jaar verscheen er in de serie Readings from Scientific American een bundeling van elf stukken, (gepubliceerd tussen 1973 en 1986), onder de titel Language, writing and the computer. Dat boek telt niet meer dan 124 pagina’s (die samen maar liefst f 60,20 kosten), maar er staat zo onwaarschijnlijk veel nuttigs en interessants in, dat ik het warm aanbeveel bij iedereen die zich voor de onderwerpen uit de titel interesseert.

Ook deze maand staat er trouwens weer een lezenswaardig artikel over computers in het blad. Onder de kop Optical Neural Computers vertellen Yaser Abu-Mostafa en Demitri Psaltis over de pogingen die momenteel in het werk gesteld worden om de computer ongeveer zo te laten werken als onze zenuwcellen, dat wil zeggen: informatie moet dan op een heleboel punten tegelijk binnen kunnen komen, want alleen zo kunnen ingewikkelde patronen (is dit een boom of niet?) herkend worden.

En als er eens een informatiepunt (een ‘zenuwcel’ zeg maar) ontbreekt of kapot gaat, dan mag dat niet het hele systeem platgooien. Men denkt het flessehals-probleem (informatie kan nooit tegelijk, maar alleen beetje na beetje, dus achter elkaar, binnenkomen) en het gebrek aan flexibiliteit van de huidige generatie computers, te kunnen oplossen door met lichtbundels en hologrammen te werken. Anders dan de elektronen-bundels van nu kunnen lichtbundels elkaar wel kruisen zonder dat ze daardoor veranderen. Fascinerende, zij het lastige, lectuur.

Verder nog in het maartnummer: de structuur van het polio-virus (in drie dimensies), het koelen en opvangen (in magnetische flessen) van atomen, monocultuur in de landbouw, het splijten van continenten (in de Rode Zee is een nieuwe oceaan aan het ontstaan), de warmteregeling van bepaalde nachtvlinder-soorten in de winter, en een opgegraven mesolithisch kamp in Denemarken.

Nootje: dit is geloof ik het enige stuk dat ik ooit telefonisch heb doorgegeven. Geen idee meer waarom. Dat had een paar gevolgen. Dyslexia was bijvoorbeeld dyslectia geworden, maar hilarisch genoeg was Optical Neural Computers veranderd in Optical mural computers. Optische murale computers. Wat je je daar nou toch bij voor zou kunnen stellen?

BABELONIA

Neo-Babelonia, a serious study in contemporary confusion door Larry Gonick. 147 blz., Veen/BSO 1990 f 19,90. ISBN 90 204 1929 3 

Drie keer heb ik het nu gelezen. Drie keer heb ik gelachen,instemmend gegromd, bewonderend geknikt. En telkens heb ik me afgevraagd hoe je Larry Gonicks briljante beeldverhaal Neo-Babelonia, a serious study in contemporary confusion recht kunt doen in een recensie. Want die moet nu eenmaal uit woorden bestaan, terwijl woorden in dit boek niet zonder beelden kunnen, en vaak zelf beelden zijn.

Kijk, dat klinkt meteen alweer ingewikkeld, en het boek is nu juist glashelder. U moet voorlopig maar aannemen dat de tekeningen knap, verhelderend en buitengewoon geestig zijn.

Gonicks boek gaat over Nieuw-Babelonië, de nieuwe spraakverwarring. Maar ook over de oude. In nog geen 150 pagina’s behandelt hij zo’n beetje alle oude, huidige en toekomstige aspecten en vormen van taal en communicatie.

Hij put daarvoor uit elke denkbare bron: van de bijbel tot Alice in Wonderland, van de theorieën van Chomsky over taal, tot die van mcLuhan over de rol van de media. Geschiedenis, biologie, psychologie, informatica,Gonick weet ze aaneen te smeden zonder dat zijn verhaal een onoverzichtelijke chaos wordt. 

Een klein mannetje, C. Arthur Tune (‘Call me ‘Art’‘ zegt hij) voert ons binnen in Nieuw-Babelonië. Daar staat een grote bijbelse toren centraal, die behalve alle natuurlijke talen ook dode, programmeer- en heel veel andersoortige talen herbergt, naast post-bijbelse begrippen als psycholinguistiek, symbolisme en de computer.

Het eerste en grootste deel van het verhaal dat na de introductie volgt, gaat over taal. Gonick gaat eerst ‘back to the roots’, naar onze ‘reptile roots’. En waar Piet Vroon in zijn Tranen van de krokodil  de krokodil als exemplarisch voor onze oudste, emotionele hersendelen (ons limbisch systeem) neemt, gebruikt Gonick de dinosaurus.

Die zit nog ergens in ons hoofd, en in de tekeningen van Gonick plopt hij er van tijd tot tijd uit: zo kunnen de monden van twee mensen heel andere zaken belijden dan de dinosaurussen op hun hoofd die tegelijkertijd ook een conversatie hebben (man tegen vrouw op party: ‘Kent u Penelope van inkoop?’ Zij: ‘Penelope wie?’, tegelijkertijd de mannetjesdinosaurus: ‘Zin om in het moeras te rollebollen?’ de vrouwtjesdinosaurus: ‘Ik zou wel willen, maar mijn mens is getrouwd ..’).

Ideeën over het ontstaan van taal, het verschil tussen symbolisch en iconisch, dubbelzinnigheden in zinnen (denk even na over ‘Time flies like an arrow’), logica: Gonick bespreekt het allemaal in een paar pagina’s. En slaagt erin zijn lezers aldoor bij de les te houden met behulp van grapjes, kleine commentaren en zijn eigen afkeer van grote woorden en jargon.

‘Taalinflatie’ kan ook op zijn spot rekenen: ‘markt’ werd ‘supermarkt’, toen ‘hypermarkt’ en in Amerika heb je al de ‘Shopper’s World’. De volgende stap wordt volgens Gonick ‘the absolutely full-service Shopper’s Universe’ (vrouw met boodschappenkarretje tegen winkelbediende: ‘Waar vind ik de salami?’ Winkelbediende: ‘Op Jupiter’).  Hoe de communicatie duidelijk en effectief te houden wordt vervolgens ook nog even uitgelegd.

Het tweede deel van het boek gaat over ‘beelden’: over hoe we kijken, over pictogrammen, het alfabet, de boekdrukkunst, de televisie.

Alles leidt uiteindelijk tot het toverwoord informatie,waar ‘taal’ en ‘beeld’ beide een voorbeeld van zijn. De computer heeft het op zijn geweten dat we daar anders tegenaan zijn gaan kijken. Natuurlijk worden ook de mogelijkheden en voorlopige onmogelijkheden van de computer besproken. 

Larry Gonick maakte zijn beeldverhaal in opdracht van het softwarebedrijf BSO, dat vorig jaar een symposium hield waar veel van de hedendaagse verwarring die in Neo-Babelonia behandeld wordt, ter sprake kwam. Die oorsprong verklaart het opduiken van het werk en de namen van een aantal sprekers op het symposium aan het eind van het boek. Maar waarschijnlijk valt dat niet eens op als je het niet weet: BSO verdient een compliment voor zijn hand van kiezen. En Gonick is een gouden greep.

Geautomatiseerde hersens

Op mijn wasmachine zit een knopje ‘handwas’. Klinkt als een ingebakken tegenstrijdigheid, maar sinds ik dat apparaat heb, zie ik voor het eerst regelmatig de bodem van mijn wasmand. Mijn gasfornuis kan ook de afwas doen (heus), en schenkt mij daardoor dagelijks een leeg aanrecht. Mijn tandenborstel is elektrisch, mijn radio zoekt zelf de zenders op, mijn vriezer is mijn voorraadkast, mijn koffie wordt gezet door een machine, sneetjes brood krijgen met mijn rooster vanzelf iedere gewenste bruinte, en mijn slagroomkloppertje heeft het allang afgelegd tegen een mixer.

Toen ik op mijn negentiende het huis uit ging, had ik niet één van die dingen. Mijn huishouden is steeds verder geautomatiseerd geraakt, en niemand die er iets bijzonders in ziet. Ook zelf ben ik meestal razendsnel over de eerste kick heen bij weer een nieuw apparaat, ondanks dat ik nota bene nog levendige herinneringen heb aan de gevaarlijk stomende zinken wasketel waarin mijn moeder de zware lakens met een wit-uitgeslagen houten tang heen en weer roerde, aan het groene ‘oog’ waaraan je kon zien hoe de radio langzaam opwarmde, aan het voorzichtig ‘opschenken’ van de koffie, aan hoge stapels toast die afgekrabd moest worden omdat ie weer eens te laat met de hand was omgekeerd, en aan de hele middagen en lamme armen die het maken van een eenvoudige cake kostte. Allemaal vervlogen inspanningen, je vraagt je af waar we in vredesnaam alle veroverde tijdwinst gelaten hebben.

Maar ik heb nóg een staaltje automatisering in huis, dat ook een hoop tijd en ergernis kan schelen, en waaraan het een stuk lastiger wennen is. Het gaat dan ook om de automatisering van mijn hersens, en die zijn traag in snappen dat ze geautomatiseerd kunnen worden. Maar dat is precies wat je met het internet kan doen.

Hoe? Simpel voorbeeld. Ik zit naar een film te kijken, met een acteur die ik absoluut vaker gezien heb, maar waar ook weer, als wie of wat ook weer? Vroeger bleef ik me dat een filmlang afvragen, iets dat vreselijk afleidt. Nu wip ik even naar mijn computer, tik de filmnaam in de zoekmachine, plus de naam die de acteur in die film heeft. Et voilá, daar is zijn echte naam. Nog heel even verder zoeken en ik heb alle films waarin ie nog meer heeft gespeeld, ik zie foto’s, enfin, binnen de kortste keren weet ik waar ik hem van kende.

Dat dat kan, vind ik revolutionair. Kijk, het internet als bron van kennis die je nog niet had (en als handige corrector) is al zo fantastisch, maar dat je kennis die je wel hebt maar onmogelijk meer op kunt diepen tóch terug kunt halen, is een soort wonder.

Ik heb dat nu al heel wat keren beleefd, en de voldoening is groot, maar ik ben ook nog aan het leren hoe de knoppen van dit magische apparaat het handigst te bedienen zijn. Welke zoektermen gebruik je waarvoor? Wat werkt, wat niet?

Wat ik intussen graag zou willen weten: dat dit kan, wat zegt dat eigenlijk over kennis, en over onze hersenen?

LOL + LOL

Nog steeds schrijft ze consequent verw8 en n8, en ook kr8ig. En ik vind het nog altijd leuk.

Tegenwoordig komt haar post elektronisch binnen, maar in de tijd dat het ouderlijk gezag nog zo groot was dat we minimaal de schijn van huiswerk maken moesten ophouden – we waren net vijftien – schreven we elkaar achter onze bureaus brieven met de hand. Omdat we in parallelklassen zaten, vond voor schooltijd de uitwisseling plaats van onze huiswerkvervangers vol verw8ingen en dingen die ge4d moesten.

Arme leraren. Het maakte niet uit wat ze deden of probeerden, alles was interessanter dan welke leerstof ook. Het was het eerste jaar dat de vrouw van Job Cohen Nederlands gaf, onder meer aan mij. Een vak dat ik later nog jarenlang zou studeren, maar toen ging al mijn aandacht tijdens de lessen naar de brieven van mijn hartsvriendinnetje, of naar mijn buurman, over wie die brieven dan weer gingen.

Het is een rare gewaarwording dat die lerares nu de voorpagina’s haalt als ‘de zieke vrouw van’, terwijl voor mij de nieuwe burgemeester van Amsterdam dus ‘de man van’ is. Ik kan het de pers niet echt verwijten, maar publiekelijk teruggebracht te worden tot iemand met alleen maar een gezondheid lijkt me gruwelijk. Zelf zie ik een aardige, voor de klas nog wat onzekere jonge vrouw voor me, die haar lenzen per ongeluk droog liet koken op de wc van een aftands pensione in Rome. Het beeld dat kranten je geven over zaken waar je al voorkennis over had pakt vrijwel nooit goed uit.

Ho, ik ontspoor. Dit is een luchtig stukje over het versieren en bekorten van informele schrijfcontacten met rebus8ige afkortingen. Daar is met al dat snelle e-mail- en chatverkeer veel meer markt voor dan toen ik op school zat. En het strekt zich ook verder uit dan de schooljeugd. Die heeft voor zijn natuurlijke speelsheid en grote voorliefde voor geheimschriften alleen nog het rijk alleen in de SMS-berichtenwereld, waar volgens mij geen volwassene aan meedoet.

Maar die zitten tegenwoordig allemaal wel achter beeldschermen waar ze berichten intikken en binnenkrijgen, vaak zelfs on line, zodat snelheid er erg toe doet. En ik heb sterk de indruk dat de creativiteit nog te wensen overlaat. Je ziet wel jatwerk uit het Engels, en dat is niet onbegrijpelijk. Er bestaan veel meer Engelssprekenden dan Nederlandssprekenden die kunnen helpen verzinnen, en bovendien hebben die bofkonten een paar erg bruikbare toevalligheden.

Twee cijfers die voor drie heel frequente voorzetsels staan (2 en 4 voor to, too en for) bijvoorbeeld, en een letter waarmee twee persoonlijke voornaamwoorden gespeld kunnen worden (U voor jij en jullie, zo kreeg je de popgroep U2), terwijl hun ik (I) van zichzelf al maar een lettertje telt. Dat schiet op, net als het feit dat er nauwelijks vervoegd wordt in het Engels. Als je hun C (voor zien) tegenover onze Z zet, dan kunnen zij daar dus meer mee dan wij. UC?

En toch is er alle reden ons te laten inspireren door wat ze in het Engels doen. Hebben wij immers niet FF T ZZ (inderdaad: effe thee zetten)? Veel mensen kennen die, maar waarom niet ook eens geschreven over een boterham met KK, en eten we met kerst geen HH?

Het is even wat zoeken en uitproberen, maar neem de N en de R die voor de heel veelvoorkomende woordjes ‘en’ en ‘er’ gebruikt kunnen worden. Je kan NX schrijven, in plaats van ‘niks’, en D voor ‘deed’. Er liggen mogelijkheden in de V en de W. Je kunt ge9 zijn met Wmoed en ver3t LLlange SS in MM te planten. Ik geef maar een willekeurig voorbeeld. Niet mee eens? Kl88 bij de bAA, en zelf in de kerstvakantie leukere zinnetjes bedenken.

Er ligt trouwens nog een groot terrein braak: dat van de afkortingen voor mededelingen die bestaan uit een rijtje beginletters. Die heb je in het Engels ook bij bosjes. De populairste daarvan in de Nederlandse elektronische kletswereld is LOL, die voor Laughing Out Loud staat, maar het natuurlijk zo goed doet omdat ‘lol’ en hardop lachen graag samengaan.

‘Lol’ is ook wat je leest als je het getal 707 op een rekenmachientje op zijn kop leest. Ik vraag me af of nog steeds elke nieuwe generatie scholieren de som lol+lol=hihi ontdekt. Het was indertijd een groot suc6.

Stemmen in een zwart gat

Als Amsterdams provinciaaltje kom ik er natuurlijk rijkelijk laat mee, maar sinds 7 maart loop ik me de hele tijd af te vragen hoe het godsmogelijk is dat we tegenwoordig als er verkiezingen zijn allemaal onze stem in een black box stoppen. Want dat is wat zo’n stemmachine toch echt is.

Elektronisch stemmen is, nu ook de hoofdstad meedoet, geloof ik in het hele land ingevoerd, en werkelijk alles alles alles is er verkeerd aan. Want hoe kun je ooit nog controleren of een stemming wel klopt? Een democratie kan toch niet afhangen van de werking van een computerprogramma? Plus de programmeurs erachter?

Fouten, storingen, fraude. Ze liggen op de loer, en je hoeft niet eens te merken dat er sprake van is. Dat kan toch niet?

Zie het even zo. Stel u de volgende omkering voor: niet wij sturen waarnemers om te kijken of de verkiezingen ergens eerlijk verlopen, maar die waarnemers komen bij ons over de vloer. Wat zouden ze zeggen dan? Zouden ze niet alle reden tot wantrouwen hebben? Gewoon, omdat er niks meer waar te nemen valt?

Ik had hier wel eens eerder een beetje over nagedacht – het sterkst na de eerste verkiezing van de tweede Bush – maar de lijfelijke belevenis heeft me klaarwakker geschud. Het elektronisch stemmen vond ik eigenlijk in alle opzichten een heel onplezierige ervaring.

Ten eerste dus vanwege het gevoel dat je stem een groot zwart gat in verdwijnt. Maar ook vond ik het verwarrend. Je schijnt bijvoorbeeld blanco te kunnen stemmen met zo’n machien, maar ik heb niet gezien hoe. Overzicht ontbreekt ook anderszins: eerst kies je een partij en verdwijnen alle andere partijen voorgoed uit zicht. Daarna druk je dan nog eens op een knop voor de persoon die je binnen die partij wil hebben.

Wat überhaupt niet meer kan, denk ik althans, is een ongeldige stem uitbrengen. Krassen zetten door alle partijen. Met je rode potlood hartjes tekenen. In koeienletters ‘zakkenvullers’ schrijven. Elke creativiteit en mogelijkheid tot individuele expressie is gesmoord.

En waarom wordt mij met de stemmachine ook alle privacy afgenomen? Hoezo moet ik open en bloot, door iedereen van alle kanten bekeken, mijn keus maken? Waarom staan de stemmachines niet in stemhokjes, waar je nog even na kan denken, diep in je eigen hart kijken? Op het naaktstrand heb ik me nooit zo naakt gevoeld als vorige week in het stemlokaal.

Na de verkiezingen regende het berichten met extra redenen het black-box-stemmen ferm af te wijzen. Een stroomstoring in Buitenveldert was er geweest. Daar sta je dan. Amsterdam Anders/de Groenen kwam drie stemmen tekort voor een zetel. Vroeger was een hertelling dan aangewezen. Maar dat heeft geen zin. Uit de machines rolt namelijk steevast dezelfde uitslag.
Doodgriezelig vond ik het verhaal van de brievenschrijver in Het Parool die er niet bij mocht zijn toen de stemmachine werd afgesloten.

Enfin, hij deelde mijn schrik en angst voor dit systeem dat oncontroleerbaarheid paart aan een heilig vertrouwen in techniek. Het een is gevaarlijk, het ander ook nog dom. En die apparaten zijn bovendien veel duurder dan het rode potloodje

Het grootste raadsel: waarom vindt (vrijwel) iedereen het toch zo prachtig? En sorry, dat beetje tijdwinst op de verkiezingsavond is geen reden.

 

Updateje november 2006: Okee, we krijgen het rode potlood even terug. Mooi succes van wijvertrouwenstemcomputersniet.nl. Toch vrees ik dat het principële punt niet gezien wordt, en dat we dus straks wél ‘veilige’ (mag er eens een tijdje een verbod op dat woord misschien?) computers krijgen.

Post en wraak

Van de week kondigde de PTT Post weer eens een verslechtering van de dienstverlening aan. Voortaan loopt u een veel grotere kans dan voorheen dat de postbode pas om drie of vier uur ’s middags uw brievenbus vult.

Ik kan u verzekeren dat dat prima zal lukken, toevallig heeft men in mijn eigen buurt al een grote ervaring opgedaan met deze werkmethode. Maar u zult het helemaal niet erg vinden, wist een woordvoerder, want de meesten van u zijn toch niet thuis overdag.

Die PTT toch, altijd een goed verhaal klaar. Weet u nog dat het versturen van een kaartje ineens net zo duur werd als het versturen van een brief? Dat was veel gemakkelijker en overzichtelijker voor ons. Ook verschrikkelijk handig waren wat later velletjes van tien postzegels voor het buitenland. Het kostte ineens wel een kwart meer om iets over de grens te sturen, maar daar sprak de PTT wijselijk zo weinig mogelijk over. Sinds begin dit jaar is er voor dat buitenland trouwens ook nog een ondoorzichtig systeem met ‘priorityzegels’ bij gekomen. Enfin, bestudeert u vooral een keer de folder ‘Tarieven en kwaliteit’.

Eisen aan uw brievenbus en het formaat van uw pakjes en brieven, het verdwijnen van talloze postagentschappen en postkantoren, het opheffen van de lichting van tien uur ’s avonds, nu ja, er komt geen end aan de manieren waarop de PTT de service weet te verminderen. Hoe lang is het inmiddels geleden dat er twee postbestellingen per dag waren? Ik word prompt overvallen door een oma-vertelt-gevoel als ik daarover begin.

Toch durf ik te voorspellen dat de grote ommekeer binnen tien jaar daar zal zijn. Het aantal ‘poststukken’ zoals het geloof ik in PTT-jargon heet, zal dramatisch afnemen. Want u gaat massaal aan de e-mail. Ik zal u uitleggen waarom. Dat wil zeggen: degenen onder u die de elektronische post nog niet zelf ontdekt hebben.

Samen met onder meer de pil en de contactlens behoort e-mail tot de grote zegeningen van deze eeuw. Het is doodeenvoudig, spotgoedkoop en er kan veel meer dan de klassieke post ooit zal bieden. Neem een vervelend karweitje als iemands adres overtypen als je zijn post wilt beantwoorden. Dat hoeft niet meer als diegene je een e-mailtje heeft gestuurd. Een druk op de ‘antwoord-knop’ en hup, het staat er al, geheid foutloos.

Die knop doet nog iets: hij geeft je vanzelf een kopie van wat de ander je schreef. Voor de duidelijkheid wordt de tekst in de kantlijn overal gemarkeerd met het tekentje >. Je kunt dan rechtstreeks reageren op iemands woorden. De gedeeltes waar je niets op terug te zeggen hebt, zijn in een oogwenk te verwijderen. E-mail heeft natuurlijk ook alle voordelen van de tekstverwerker: doorstrepen, uitgummen, tipexen, dat hoeft allemaal niet. Net zomin als een envelop pakken, een postzegel plakken, naar de brievenbus lopen. Als de brief klaar is, stuur je hem vanuit je stoel meteen weg. En het mooie is: zodra e-mail verstuurd is, is het ook bezorgd bij de geadresseerde. En het maakt niet uit waar ter wereld die woont.

In een paar seconden je post in Amerika, Australië of Afrika. De PTT doet daar al gauw tien dagen over. Anders dan bij telefoneren, spelen tijdsverschillen geen rol. Kijken of er iets in je elektronische postbus zit, doe je als het jou uitkomt. Ideaal. Het is dus nog mooier dan vroeger, toen een ’s ochtends gepost briefkaartje ’s middags aankwam. Met e-mail kun je elkaar dag en nacht direct antwoorden.

Ondertussen herleeft er een oude traditie. Ik schrijf tegenwoordig weer met vrienden en bekenden. Maar ook voor het zakelijk verkeer is e-mail bijzonder handig. Ook al omdat je alles wat er maar in een computer kan mee kunt sturen met je e-mailbericht: plaatjes, programma’s, teksten. Kwestie van de ‘aanhechtknop’ aanklikken. En er kan nog meer. Iets dat je binnen hebt gekregen, kun je meteen doorsturen naar een ander. En hetzelfde briefje kan bovendien in honderd- of voor mijn part duizendvoud rondgestuurd worden.

Bijkomend voordeel voor wie het leuk vindt, is dat er automatisch een wonderlijk dagboek op je harde schijf groeit. Als je zoals ik zowel voor de lol als voor het werk e-mailt, dan krijg je vanzelf een chronologisch geordend archief van zaken- en privéleven. Je kunt er nog op trefwoord in zoeken ook. Mocht u nog twijfelen over de aanschaf van een computer en een Internetaansluiting: bedenk dat het uw wraak op de PTT kan zijn.

Identiteit op internet heeft al meer effect dan het eigen ik

De gevolgen van nieuwe technologie zijn haar onderwerp. Sociaal wetenschapper Caroline Nevejan (1958) is zelf van de no future generatie, en werkte als ontwerper en onderzoeker aan veel kunst- en nieuwemediaprojecten. Op het moment is ze verbonden aan de Technische Universiteit Delft en kroonlid van de Raad voor Cultuur en Kunsten.

 

Wat was dat voor tijd van al die krakers?

In Utrecht is nu de tentoonstelling God Save The Queen – Kunst, kraak, punk: 1977-1984. Ik heb die periode beleefd als een van solidariteit en veel vrije ruimte. We namen zelf het heft in handen, en moesten nieuwe vormen van bestuur uitvinden, bijvoorbeeld voor de woongroepen. De menselijke ervaring en de sharing economy zijn voor mij de belangrijke begrippen die daarbij horen. Het was een bijzondere tijd. De kerken werden massaal verlaten, over de trauma’s van de oorlog was er nog stilte, en tegelijk was het de bevrijding van de utopieën van de jaren zestig. No more heroes voor ons. 

En wel hacken.

In de krakersomgeving was het allemaal een kwestie van materiaal en kennis delen. Daar paste het in. Het eerste internet werd vanaf midden jaren tachtig via de universiteiten door sociale bewegingen gebruikt. Het was om  netwerken van mensen met elkaar te verbinden. De contacten met het ANC in Zuid-Afrika liepen bijvoorbeeld zo. Hacken betekende oorspronkelijk alleen maar iets uitvinden. Ik heb nog een prachtig breed debat over hacken georganiseerd in Paradiso waar de UNESCO bij was, en ook jongens die nog voor de KGB hadden gewerkt.   

Wat is er misgegaan?

De financiële crisis van nu is toen eigenlijk begonnen. Het denken over geld veranderde. Geld om het geld werd oké. Geld raakte losgezongen. De muur viel en het wilde kapitalisme won. Dit gaat om hele fundamentele vragen. De notie rechtvaardige prijs vind je al bij Aristoteles. Voor bestuurders en ontwerpers zijn nu dezelfde dingen relevant. En de manier waarop we aanwezig zijn in de wereld is aan het schuiven. Deels is het volledig uit de hand gelopen.

Hoezo?

Op dit moment heeft mijn data-identiteit al meer effect dan mijn persoon. Dat kennen we bijna allemaal: je staat voor een computerscherm en daarachter zit iemand die zegt: nee hoor, hier staat dat u geen zwart haar heeft. Of iets dergelijks. Dat scherm wint van mijzelf. En ik weet niet wie daarvoor verantwoordelijk is. Tegen wie kan ik zeggen: je liegt?

Dit is een ontwrichtende dynamiek. Combineer je dat met moderne media en het echo-effect, dan is al snel de bron helemaal niet meer duidelijk. Er is nu een soort internet dat ik voor een groot deel links laat liggen. Het is de babbelfase, waarvan de implicaties niet te overzien zijn. Kinderen die nu dingen posten, wat gaat dat over 35 jaar betekenen? Data moeten echt zo opgeslagen gaan worden dat de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid weer duidelijk worden. Dat betekent de zaken anders inrichten.

Dinsdag 20 maart spreekt dr. Caroline Nevejan over ‘Van kraken en hacken tot ontwerp en bestuur’. 20.00 uur. Aula Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht. Toegang: gratis.

 ‘Nee hoor, in de computer staat dat u zwart haar heeft’ zette NRC Next boven dit stuk.

Hoe volg je de rode koffer over een vliegveld?

Het ding weegt maar drie gram, en lijkt sprekend op een libelle. Wiskundige Hester Bijl (1970) gebruikt een robotvliegtuigje om uit te rekenen hoe vleugels vliegen mogelijk maken. Ze is hoogleraar Numerieke Stromingsleer aan de Technische Universiteit in Delft.

 

Wat is dat voor vliegtuigje?

Het heet de Delfly, en het is het resultaat van een opdracht aan tien studenten hier in Delft. Die moesten iets verzinnen om een rode koffer over een vliegveld te volgen. Ze kwamen met een op afstand bestuurbaar minivliegtuigje, met een cameraatje erin, en natuurlijk een motortje en een batterij. Een echte ‘vlieg op de muur’. Dat het zo op een libelle lijkt, met flappende vleugels, is proefondervindelijk ontstaan. Vier vleugels werkte het beste. Twee aan elke kant, en ze bewegen zich twee aan twee, als het ware in tegenfase. We werken met een verbeterde versie van hun concept. Dat vliegen willen we beter begrijpen.

Weten we dan niet hoe vliegen in zijn werk gaat? 

In de vorige eeuw kwamen biologen voor het eerst met een beschrijving van flappend vliegen. Maar daar kwam uit dat bijen niet kunnen vliegen. Er ontbrak dus een onderdeel in de verklaring. Om het vliegen van allerlei beestjes tot in detail te begrijpen is er meer kennis nodig over snelheden, bewegingspatronen en vleugelvervormingen.

Er zijn ook nog steeds biologen mee bezig, maar mijn vak is rekenen aan luchtstromen rond vleugels. Van belang blijkt bijvoorbeeld wat we de voorrandwervel noemen: de lucht gaat niet alleen maar glad over oppervlaktes, maar hij kan ook in een rondje draaien en dan een soort lagedrukgebiedje vormen, dat extra stuwkracht omhoog geeft.

Hoe bereken je zoiets?

Het gaat om gewone natuurkundige principes: ook voor iets dat in een luchtstroom beweegt, geldt het behoud van massa, en energie en impulsmoment. Dat passen we toe op elk stukje luchtstroming. We kunnen alleen benaderingen berekenen. Daarvoor verdelen we zowel de ruimte als de tijd in blokjes. Die kun je groter en kleiner maken. Wat gebeurt er bijvoorbeeld in een tienduizendste seconde met de snelheid en de druk in een bepaald stukje van de ruimte? Of in een miljoenste? Afhankelijk van de opdelingen kun je nauwkeuriger worden.

Maar het gaat om heel ingewikkelde berekeningen, die bovendien gauw te veel rekentijd kosten. Daarom proberen wij slimme dingen te verzinnen. Met dat flappen bijvoorbeeld verandert ook de vorm van de vleugels steeds. Moet je dan steeds een nieuwe blokjesverdeling maken, of kun je de zaak slim mee laten bewegen?  Met die vraag zijn we nu bezig.

Zegt dat nou ook iets over de flappen van een vliegtuigvleugel?

Vliegtuigen zijn echt anders. De snelheid en de afmetingen van de vleugels maken een groot verschil. Het werkt dan allemaal anders. Zou je de Delfly zo groot als een vliegtuig maken dan krijg je zoiets als een meeuw die door stroop vliegt. 

Zondag 22 april spreekt prof. dr. ir. drs. Hester Bijl over ‘Gevleugelde wiskunde’. 11.00 uur Paradiso, Weteringschans 6, Amsterdam. Toegang: € 11,-. Studenten € 5,-  Bestellen: 020-623545  of www.verstigt.nl.

NRC Next zette ’s ochtends boven dit interview: ‘Robotvliegtuigje met vier flappende libellevleugels’.

De hinderpaal taal

Droombeeld: alle wetenschappelijk onderzoek van alle tijden en talen staat on line. Liefst samen met lekker veel bronnen en ruwe gegevens. Dus niet alleen boeken en artikelen, maar ook kleitabletten en papyrusrollen, oude dagboeken en labaantekeningen, en nog oneindig veel meer. En dan tik of spreek je wat zoektermen in, en floep, daar verschijnt in je eigen taal wat de Japanners erover te zeggen hebben, wat er in Engeland in de fameuze zeventiende eeuw over is opgeschreven en welke conclusies Indiase onderzoekers trekken. Je komt vanzelf uitsluitend terecht bij gegevens die ertoe doen, en overal vind je handzame samenvattingen.

Nu de echte wereld. Een Telegraafbericht op internet over een zware zeebeving toont direct daarnaast een advertentie voor een fijn cursusweekend overleven op de Rucphense heide. Laatst vond een vriendin een brief op de mat, gericht aan ‘Lieve inwoners van de busje Eeghenlaan en het busje Eeghenstraat ‘. Ook de rest van het schrijven (‘de inbreker ging door onze rug tuin’, ‘verhuur alstublieft ons weten’) begon pas enigszins begrijpelijk te worden toen ze zich realiseerde dat het om een computervertaling uit het Engels ging (van is busje, back achter en rug, en let zowel laat als verhuur).

De automatische omzetting van achttiende-eeuwse artikelen uit De Vaderlandsche Letteroefeningen met Optical Character Recognition (te vinden bij e-laborate.nl) maakt van ‘het menschelyk geslagt’ ‘het menfchelyk geflagt’ en achter ‘geraoedsgefïeldheid’ blijkt bij controle gewoon ‘gemoedsgesteldheid’ schuil te gaan. Verbaasd lees ik deze week in een mailtje ‘Ok zit Nietzsche boot niks op 40000 vortex te mailen.’ De volgende dag volgt gelukkig de uitleg: het is wat je na autocorrectie van iPhone overhoudt van ‘Ik zit niet voor niks op 40000 voet te mailen.’ Spellingcheckers vinden tegenwoordig flessentelefoon, geelhork en opmuizen prima woorden. En ook tegen een computer praten, levert nog altijd hilarische resultaten op.

Ze liggen voor het opscheppen. Bij de weidse vergezichten op een ideale digitale wereld staat kortom een ding gigantisch in de weg: taal. Computers begrijpen er nog steeds geen bal van. Intussen wordt ons al sinds 1945 ‘binnen vijf jaar’ de vertaalcomputer beloofd. Er wordt gesleuteld en gedaan, en soms lijkt het nog heel wat. Maar het fundament ontbreekt. We weten zelf veel te weinig over ons ingenieuze taalvermogen.

Het rare is intussen dat alleen taalkundigen dat lijken te beseffen. Taal is ons kennelijk zo eigen, is zo gewoon, dat het voor niet-ingevoerden meestal een makkie lijkt. Of weet iemand een betere verklaring voor het onbegrijpelijke feit dat taalonderzoek niet allang op elke universiteit vooraan staat zodra de onderzoeksgelden worden verdeeld?