“Ik wil door de waan en de gekte van de dag heenprikken”

Overal lijkt Frits van Oostrom de eerste en de jongste te zijn. Op zijn 29ste was hij hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden, waar hij met behulp van de eerste ronde Pioniersubsidies zijn grote project ‘Nederlandse Literatuur en Cultuur in de Middeleeuwen’ kon beginnen. Toen NWO in 1995 Spinozapremies ging toekennen, zat hij weer bij de eerste lichting. In 1996 won hij als eerste niet-literator de AKO Literatuurprijs (voor Maerlants wereld, zijn dikke boek over de dertiende-eeuwse schrijver Jacob van Maerlant). Hij was de eerste ‘universiteitshoogleraar’ die in Utrecht werd aangesteld, en nu is hij met zijn 52 jaar de jongste president die de Akademie ooit had. “Ach, ik ben precies even oud als Tony Blair,” vindt hij zelf.

“Je zou eigenlijk even moeten meekijken. Hier, het gaat allemaal over Intelligent Design.” Met een mengeling van geamuseerdheid en lichte ergernis wijst Frits van Oostrom naar de stroom binnengekomen berichten in zijn mailbox.

“Iedereen wil dat ik een standpunt inneem, en dan bedoelen ze natuurlijk allemaal dat ik moet verklaren wat zij vinden.” Nog voor Van Oostroms aanvaardingsspeech als nieuwe Akademiepresident barstte er door toedoen van Maria van der Hoeven, de minister van Onderwijs en Wetenschap, in de media en de politiek een stevig gekrakeel los over evolutie versus ‘Intelligent Design’, het in Amerika bedachte begrip dat het vermoeden van een schepper uitdrukt achter de natuur en de natuurwetten.

Een ministerie is niet de plaats voor een debat over zulke zaken, meent Van Oostrom, en dat tekende de Volkskrant dan ook op uit zijn mond, maar dat iedereen zich er zo verschrikkelijk kwaad over maakt, vindt hij ook weer wat overdreven. Niet zeuren en klagen, maar je realiseren dat je in de wetenschappelijke wereld echt niet slecht af bent, is de boodschap die een paar maal doorklinkt tijdens het gesprek in de fraaie, hoge presidentskamer van het Trippenhuis.

Allerminst rustig

Van Oostrom is een snelle, opgewekte en gedreven prater, die van het ene onderwerp naar het andere buitelt. Zijn presidentschap is allerminst rustig begonnen. Eigenlijk had hij tot september vrijwel al zijn tijd willen besteden aan zijn grote Middeleeuwse literatuurgeschiedenis, waarvan het eerste deel komend najaar verschijnt, maar de wereld trekt zich daar weinig van aan.

Zo is 1 mei is nu eenmaal de vaste ingangsdatum voor een termijn als Akademiepresident, en als bijna meteen daarna bijvoorbeeld de Chinese minister van wetenschap en techniek op bezoek komt dan zal die toch met het nodige protocol ontvangen moeten worden.

En dat blijkt dan nog inspirerend ook. Van Oostrom: “Hij was goed voorbereid, en er gebeurt natuurlijk heel veel in China, op een heel andere schaal. Zo zijn daar net duizend tv-kanalen gesticht. Hij vertelde ook iets waarvan ik dacht: waarom doen wij dat niet? Ze selecteren daar natuurlijk ook voor onderzoeksplaatsen, uit zeshonderd mensen moet er dan uiteindelijk een gekozen ofzo. En net als bij ons bij aio’s en dergelijke gaat dat in rondes, maar in China wordt er bij elke nieuwe ronde een nieuwe commissie ingesteld.”

“Misschien moeten wij dat ook eens proberen, steeds een nieuw gezelschap dat er weer fris tegenaan kijkt. Verder spelen er in China meer dezelfde dingen als hier dan je misschien zou verwachten. De canon bijvoorbeeld: het was voor hem een voorwerp van zorg dat de jonge Chinezen tegenwoordig Confucius niet meer kennen.”

De canon: nog iets dat de komende tijd op Van Oostroms volle agenda zal staan. De vraag wat iedereen eigenlijk zou moeten weten van de Nederlandse historie was de laatste tijd veel in het nieuws, en dat krijgt nu een officieel vervolg. Van der Hoeven heeft Van Oostrom net benoemd tot voorzitter van de commissie die voor het onderwijs zal gaan vastleggen wat nou de centrale dingen uit de Nederlandse (cultuur)geschiedenis zijn, en wat hun verband is met de rest van Europa. Volgend jaar september moet het klaar zijn. In haar aanstellingsbrief heeft de minister het over de behoefte aan een ‘nieuw verhaal Nederland’, en over inzicht naast overzicht.

Bagage

“Ik heb het natuurlijk eerst hier besproken voor ik ja zei, maar ik denk dat het niet gek is voor de Akademie,” vertelt Van Oostrom. Hij weet toch wel dat de hele wereld over hem heen zal vallen, waar zijn canoncommissie ook mee komt? Hij lacht: “Ja, maar je kunt er ook idealistisch tegenaan kijken. Als een vloer in het onderwijs, de bagage die iedereen zou moeten hebben. Het internationale perspectief spreekt me erg aan. Je moet alleen niet zo stom zijn dingen te zeggen als: deze tien boeken moet iedereen lezen. Er moet wel wat ruimte blijven voor de leraren.”

Leraren hebben een zwak plekje bij Van Oostrom. Hij merkt op dat hun ‘lobby’ in Den Haag heel wat minder sterk is dan die van de academische wereld. Terwijl hun positie en het proces van leermeesters en leerlingen (“Dat is altijd mooi, ik wil als president ook meer studentassistenten gaan bepleiten”) onder druk staat. “Iedereen bewonderde altijd een aantal leraren,” zegt hij, “maar tegenwoordig is er zo veel concurrentie.”

“Ik zie het aan mijn kinderen, die naar dezelfde school gaan als waar ik zelf op gezeten heb. Als ik vroeger thuiskwam, had ik niet op zeventien netten alle wereldsterren en sporthelden tot mijn beschikking. De onderwijzer was vroeger toch een beetje het venster op de wereld, zeker voor kinderen uit niet-intellectuele milieus. Ik zou wel voor een monument voor de onbekende onderwijzer zijn. En nog steeds is het zo dat de vonk ergens moet overspringen.”

Weleens een negentje

Dat heeft bij Van Oostrom overigens nog een tijdje geduurd. Dat steeds maar de jongste en de eerste zijn, is niet op school al begonnen. “Welnee,” lacht hij, “op school was ik hooguit de kleinste. Ik heb eigenlijk nooit hard gewerkt. En ik was met een zes of een zeven al prima tevreden, al fietste er ook wel eens een negentje tussendoor. Pas op de universiteit werd ik echt gegrepen, en ben ik me zonder cijfermatige noodzaak gaan uitsloven.”

‘Toen ik vijftien was wilde ik tennisleraar worden, vooral in Zuid-Frankrijk. Al had ik toen wel al lees- en schrijfdrang. Ik heb een groot schoolkrantverleden. Het waren de gloriejaren van Vrij Nederland, waarvoor ik eigenlijk nog iets te jong was, maar waarvan ik veel van de stijl geleerd heb. Mensen als Martin van Amerongen, Joop van Tijn en Dick van de Pol, die minder bekend is, konden verdraaid goed schrijven. Ik denk dat ik zo mijn wat ironische toon heb opgedaan.”

Dat hij uiteindelijk zo diep in de Middeleeuwen terechtkwam, had natuurlijk iets met een docent te maken. “Ik heb gymnasium bèta gedaan,” vertelt hij, “en voor mij was de keus die tussen wiskunde en Nederlands. Merkwaardig, ja, ik ben ook maar een keer iemand tegengekomen die datzelfde had gehad – leuk iemand trouwens. Maar het werd Nederlands, net als bij de meesten uit liefde voor moderne literatuur, wat ik een heel gerechtvaardigde reden vind. Ik had een goede leraar. “

“Toen ik zelf al hoogleraar was in Leiden stonden we op een reünie een keer met allemaal oud-klasgenoten om hem heen, en hij oreerde weer een eind weg, de sfeer van de klas kwam helemaal terug. Hij gaf een analyse van Vestdijks Ierse nachten, zo goed, echt van een hoger niveau was dan je meestal op de universiteit tegenkomt.”

Archiefrat

“Nou kreeg ik uitstekend college moderne letterkunde, onder anderen van Sötemann, maar het was niet zo’n grote verrassing als de Middeleeuwen. Alleen de Reinaert al! Het is een cliché, maar er ging echt een wereld voor me open. Gerritsen gaf dat, die kan dat prachtig. Het internationale, het comparatieve. Van meet af aan lag dat type werk me ook. Die ouwe handschriften, die oude taal, het doorploegen van literatuur. “

“Ik heb zowel liefde voor het object als voor het vak. Ik ben echt geen archiefrat, maar de hele sfeer, het aanslepen van secundaire literatuur, ik hou ervan. Dat is ook mijn sterkste herinnering aan Harvard, waar ik een half jaar als gasthoogleraar heb gezeten. Niet de mensen, maar de boeken. Die staan daar in een open opstelling, en ze zijn systematisch geplaatst. Hier in de UB staan ze op formaat, maar daar wil je onmiddellijk werken.”

Van Oostroms enthousiasme is bijna lyrisch. “Wat ik authentiek fantastisch vind, is dat je je hele leven  kunt wijden aan dat wat je echt interesseert,” zegt hij. “Of het nou een bananenvlieg is of iets anders. Dat is kenmerkend aan wetenschap, en dat de buitenwereld daar wel eens met onbegrip naar staat te kijken, begrijp ik wel. In 2008 bestaat de Akademie twee honderd jaar. Met de voorbereidingen daarvoor zijn we al een tijd bezig. In de commissie zit ook Sonja Barend, juist om ook de wereld buiten de wetenschap erbij te betrekken.”

“We hebben net het motto voor de festiviteiten bepaald. Het wordt ‘de magie van wetenschap’. De nadruk op wetenschap als proces, niet als product. Want al die zegeningen, het maatschappelijk nut, de onmisbaarheid van wetenschap, dat is allemaal beslist waar, maar vraag een onderzoeker waarom hij het doet, dan komen er altijd antwoorden als ‘het is spannend’, en ‘ik word er gelukkig van’.”

Dure plichten

Wat niet wegneemt dat onderzoekers wel degelijk ook dure plichten hebben in de ogen van Van Oostrom. Een paar keer haalt hij “de goede kant van de jaren zestig” erbij. “Als er al een elite moet zijn, dan moet die zijn best doen om zijn kennis goed te gebruiken en uit te dragen. Noblesse oblige.”

En kom hem niet aan met dat je iets niet wilt doen omdat het niet meetelt bij de onderzoeksoutputmeting of iets dergelijks. “Met alle geklaag kunnen we nog steeds zelf uitmaken wat we aan onderzoek en onderwijs doen, waar we onze energie in stoppen” zegt hij, al tekent hij er ook bij aan dat hij zelf altijd erg gelukkig is geweest (“een zondagskind, ja”), en heel ruimhartig behandeld is.

Zo maakte een subsidie van Rick van der Ploeg, toentertijd eigenlijk staatssecretaris met een andere portefeuille, het opzetten van de website www.literatuurgeschiedenis.nl mogelijk. Trots laat hij even zien hoe er elke dag van het jaar een in moderne-nieuwsberichtenstijl geschreven gebeurtenis uit het verleden op de openingspagina te vinden is. Ook is hij vol lof over de universiteit van Utrecht, die de komende drie jaar niet zo veel aan hem zal hebben, terwijl hij er pas sinds 2002 universiteithoogleraar is. “Dat ze me afstaan, spreekt helemaal niet vanzelf,” vindt hij.

Mi lanct na di

Nog een Van Oostromovertuiging: als je onder goede omstandigheden kunt werken, moet je het steeds moeilijker maken voor jezelf. Met zijn nieuwe oude-literatuurgeschiedenis brengt hij die absoluut in de praktijk. In twee delen moet alles, inclusief wat er de afgelopen halve eeuw verschenen is (Van Oostrom: “Ik dreig soms te bezwijken onder de secundaire literatuur”) behandeld worden.

Vanaf het beroemde elfde-eeuwse ‘hebban olla vogala’-versje (‘Hebben alle vogels een nestje gebouwd, behalve jij en ik, waar wachten we nog op?’), waarmee hij vorig jaar het nieuws haalde door te stellen dat hier een vrouw aan het woord is, of dat we hier toch ten minste iets vanuit een vrouwelijk perspectief verteld krijgen, tot aan het weemoedige Egidiuslied (‘Egidius waer bestu bleven. mi lanct na di gheselle myn’) van rond 1400, net voordat de boekdrukkunst werd uitgevonden.

Bij Van Oostroms bestseller-studie van Jacob van Maerlant, dichter en non-fictieschrijver, speelden het geschetste tijdsbeeld, de gewoonten, gebruiken en aanwezige kennis in de dertiende eeuw een minstens zo grote rol als Van Maerlant zelf, van wie weinig bekend is.

Kunnen de lezers van de literatuurgeschiedenis-in-wording iets dergelijks verwachten, en is zijn eigen interesse eigenlijk vooral historisch? “Nou,” zegt hij, “het zit wel vast aan die taal, en ook aan het literaire daarvan. In het boek begin ik elk hoofdstuk met een modern gedicht dat op de een of andere manier ‘rijmt’ op de materie die vervolgens besproken wordt. Dat doe ik om aan te geven dat je oud en nieuw met elkaar in gesprek kunt brengen. “

“Het is de oudste fase van onze taal, en het is toch heel herkenbaar, vooral als je het voorleest. Dat doe ik ook steeds meer, en mensen vinden dat fantastisch. Bij mijn oratie in Utrecht las ik het bijbelverhaal voor over de wonderbaarlijke visvangst in 750 jaar oude taal, en het is volmaakt begrijpelijk. Of neem Hadewychs visioenen: daar hoef je niks meer omheen te vertellen.”

Verrek

Meestal moet dat natuurlijk wel. Van Oostrom geeft handreikingen, waarna iedereen van hem zelf een oordeel mag geven: “Zoals wanneer je Van Os op televisie naast een schilderij altijd een paar dingen hoort vertellen waarbij je denkt: verrek. Je hebt de rol van tolk. Het contrast tussen toen en nu lijkt heel groot. In het begin keek ik ook met bevreemding naar de dertien woorden voor varken die er in het Middelnederlands te vinden zijn, maar naarmate ik langer bezig ben, vind ik de verschillen steeds kleiner, en zie ik veel meer de overeenkomsten, de dingen die van alle tijden zijn.”

Het zal vast goedkomen (“Het decanaat is me ten slotte ook goed bevallen,” lacht hij), maar zijn nieuwe functie bij de Akademie ontlokken Van Oostrom nog niet de juichende bewoordingen die de Middeleeuwse letteren bij hem oproepen.

In zijn aanvaardingsspeech voerde hij zichzelf op als een mengelmoes van de zo graag pretentieloze Het Bureau-hoofdrolspeler Maarten Koning, en de heilige Anselmus van Canterbury, die in 1092 kermend woest tegenstribbelde toen hij tot het bestuursambt van aartsbisschop geroepen werd. Niet zo heel veel mensen feliciteerden hem met zijn uitverkiezing, viel hem op.

“Bij de hoogleraren wist je meteen of ze zelf wel of geen lid waren,” grinnikt hij. “De niet-leden kwamen direct met een ongevraagde tirade over wat er mis is bij de KNAW. Het deed me denken aan wat Dresden, zelf oud-president, indertijd tegen me zei toen ik lid werd: ‘De Akademie ontleent haar identiteit aan de ijdelheid van hen die lid zijn, en de jaloezie van hen die het niet zijn’. Al weet ik natuurlijk ook dat een coöptatiesysteem zijn nadelen heeft. Ik heb ook wel eens promotiecommissies gezien waarin precies de enige vier vrienden van de promotor zaten.”

Tennisclub

Ideeën over hoe het moet en niet moet, heeft hij intussen zat. “Ik wil om te beginnen waar het kan door de waan en de gekte van de dag heenprikken. En we moeten eens zien of er hier en daar reinigend valt op te treden tegen de rapportentaal, het ambtelijk taalgebruik. Ik hou daar zelf helemaal niet van – ik denk dat later uit de archieven de brieven die ik zelf geschreven heb er zo uit te vissen zijn.”

“Minder bureaucratie is ook iets waar ik voor wil staan. Het is overal. Iedereen die wel eens in het bestuur van een tennisclub heeft gezeten, weet dat er op elke ledenvergadering wel iemand opstaat die doet of het reglement het Handvest voor de Rechten van de Mens is. Maar neem bijvoorbeeld de visitaties bij de universiteiten. Op zichzelf een goede zaak, maar het systeem is inmiddels zo doorgeschoten dat niemand er meer blij mee is.”

“Het probleem is dat al het beteugelen en controleren stoelt op veel meer wantrouwen dan terecht is. Ik zal nooit zeggen: doe ons een paar miljard extra en hou verder je mond, maar nu worden onderzoekers de hele tijd gedwongen in een raamwerk vol criteria waarover ze keer op keer verantwoording moeten afleggen.”

“Als je dat ten positieve wilt keren, moet je vaker naar buiten treden, niet alleen als je ergens op aangesproken wordt. Daar zie ik een rol voor de Akademie. Er zijn genoeg dingen die kunnen bijdragen aan een positief beeld en die voor enig vertrouwen kunnen zorgen. Wetenschap is toch een nobele activiteit, iets puurs, omdat het door inhoud gedreven wordt.”

“Wetenschappers kunnen in veel dingen het voortouw nemen, omdat ze elkaar vinden via hun onderzoeksobject. Ik hoop daaraan bij te dragen doordat je als president een hele instelling achter je hebt. Ik werd wel eens gevraagd als incidentele spreker, maar dan ben je toch een beetje de columnist van dienst, waarna iedereen weer over kan gaan tot de orde van de dag. Maar als president kom ik volgende week weer.”

Wethouder-Hekkinggehalte

“Maar dan moet het geen al te archaïsche instelling zijn. Je moet wel pal staan voor traditie en continuïteit, maar we moeten niet aan onze eerbiedwaardigheid bezwijken. Een gevaar dat alle instellingen bedreigt, is dat ze in zichzelf gekeerd raken, vergeten waar ze ook weer voor waren, en een hoog wethouder-Hekkinggehalte ontwikkelen, waardoor ze vooral zichzelf willen promoten. De KNAW is een keurmerk, maar moet niet zelf aldoor met zijn kop vooraan willen staan, zeker niet als het met mijn kop is.”

“Verder is de Akademie er voor verstandige adviezen, dat vind ik belangrijk, en voor de immateriële dingen, de kwaliteitsbeoordeling, ook individueel, wat we doen met allerlei prijzen. Zoals ik het in mijn aanvaardingsspeech zei: als je de VSNU ziet als het skelet van wetenschappelijk Nederland, dan zorgt NWO voor het mollige vlees op de botten, en is de KNAW de ziel.”

De speech die Frits van Oostrom hield bij zijn installatie op 30 mei j.l. is te vinden op www.knaw.nl en wel hier.

‘Er loopt een haarfijne grens tussen een mooie hypothese en jezelf echt belazeren’

De steekproef van onderzoekend Nederland is niet a-select, wel klein. Vier mannen, die onderling allemaal ongeveer een decennium verschillen. Een twintiger, een dertiger, een veertiger, een vijftiger. Alfa, bèta, gamma zijn allemaal vertegenwoordigd, en ook vier universiteiten. Een hoogleraar farmacologie, die directeur is van een onderzoeksschool, een professor in de sociologie die veel onderzoek deed naar de verspreiding van cultuur, een  postdoc-bodemkundige en een geschiedenis-aio. De wetenschap kennen ze van binnenuit, en ze wilden allemaal wel proeflezer zijn van een brochure die de KNAW binnenkort uitbrengt onder de titel Wetenschappelijk onderzoek, Dilemma’s en verleidingen. Dit zijn ze:

Prof.dr. Douwe Breimer, hoogleraar farmacologie, directeur van het Leiden/Amsterdam Center for Drug Research. Standplaats: Leiden

Prof.dr. Harry Ganzeboom, hoogleraar sociologie bij de Capaciteitsgroep Sociologie van de Faculteit Sociale Wetenschappen. Standplaats: Utrecht.

Dr.ir. Jetse Stoorvogel, bodemkundige,  sinds1996 Akademie-onderzoeker. Standplaats: Wageningen.

Drs. Jan-Hein Furnée, historicus, tweede jaar aio, gaat promoveren op negentiende-eeuwse stadscultuur. Standplaats: Groningen.

 

“Die titel Dilemma’s en verleidingen is goed”, zegt de aio van 27, “het wáren ook dilemma’s. Je denkt: ik weet heus wel hoe het hoort, maar dat is dus niet zo. Bijvoorbeeld dat geval van die Mark en die aio die na hem komt…”  Iedereen heeft zo zijn favoriete geval, of beter: een geval dat aanspreekt. De KNAW-brochure geeft er een aan het end van elk van de tien hoofdstukken. Ze behandelen de heel verschillende manieren waarop het fout kan lopen in het wetenschapsbedrijf. En nee, dan gaat het meestal niet om opzettelijk bedrog, om het willens en wetens knoeien met gegevens of anderszins liegen en bedriegen. Het gaat om de dingen op het randje, het grijze gebied, kortom, om het gewone dagelijks leven en het menselijk tekort.

Neem nou die Mark. Staat op het punt te promoveren, proefschrift is al zo’n beetje af, alleen die ene controleproef moet wel nog even doen wat hij eigenlijk al opgeschreven heeft. En het wil niet. En nog eens niet. En weer. Maar op een mooie dag, verdomd als het niet waar is: zijn experiment komt keurig uit. De opmerking van zijn kamergenoot dat het volgens hem een geïnfecteerde celkweek was, waait Mark weg: kan niet waar wezen. Zijn dissertatie is gered. Maar nadat de jonge doctor naar Amerika vertrokken is, wordt hij door de aio die het vervolgproject doet bestookt met e-mail. En wat Mark ook suggereert aan mogelijke fouten bij de uitvoering, het experiment lukt nooit meer. Pijnlijk? Ja. Maar de druk was enorm, en waar gehakt worden vallen spaanders, denkt Mark tegelijkertijd.

Is dit echt een probleem? Hoe zit het hier met de verantwoordelijkheden? En mogen proefschriften dan helemaal geen fouten bevatten? De brochure stelt wel de vragen, maar de lezer mag de antwoorden zelf verzinnen.

“Goede titel”, vindt ook de 56-jarige hoogleraar farmacologie, en leider van een laboratorium. “Het is erop gericht om de jonge wetenschapper, die bijvoorbeeld stage loopt, zich bewust te laten worden van de verleidingen. Bewustmaking is een goede manier om aan preventie te doen.”

Jezelf belazeren

Want er liggen nogal wat verleidingen op de loer. “Een mengvorm van onzorgvuldigheid en zelfbedrog komt heel veel voor, maar er loopt wel een haarfijne grens tussen een mooie hypothese en jezelf echt belazeren,” brengt de hoogleraar sociologie (46) nog een nieuw dilemma op. “Mensen moeten namelijk tegelijk ook in hun werk geloven, achter ideeën aanlopen, dat heeft z’n functie…”

“Door de voorbeelden wordt het heel concreet. Bij ieder punt dacht ik: dit herken ik wel”, vertelt de bodemkundige, die op zijn 34ste al tien jaar onderzoek achter de rug heeft. “Voor mijzelf is selectiviteit een essentieel punt. Je kunt in een wetenschappelijk artikel niet alles vertellen. Hoe kies je? Je kunt ook niet alles onderzoeken. Omdat je aan fondsen vastzit, en dat is steeds sterker het geval, moet je met meer aannames werken. Daar schuilt een gevaar in, maar je krijgt er tegelijk ook interessante discussies van. Als iemand een prikkelende conclusie trekt is dat weer goed voor de wetenschap.”

Jezelf corrigeren

Het ligt allemaal niet zo simpel. “Alles is maar een interpretatie”, zegt de historicus. “Dat besef ik heel erg. In mijn vak gaat het om voorstellen voor een bepaalde ordening. En daarbij draait het juist om een selectieve blik. Maar er zijn grote verschillen in hoe mensen werken. Je hebt er die eerst heel veel bronnen onderzoeken en dan pas met een hypothese komen, maar anderen zoeken meer de bronnen bij de hypothese die ze al hadden. Die spanning is bij de alfa’s denk ik veel groter. Jezelf corrigeren is het enige dat daartegen helpt. Collega’s kunnen het niet oplossen, die bescherming is er niet.”

Maar de socioloog hecht juist veel geloof aan de mogelijkheid tot correctie achteraf binnen het wetenschappelijk forum. “Dat ontbreekt in de brochure”, zegt hij. “In zekere zin is dat juist het belangrijkste instrument. Er met elkaar over praten. Medici zijn daar beter in. Zo zijn de abortus- en de euthanasiepraktijk ontstaan. Men was met elkaar tot consensus gekomen, toen kwam de wetgeving. Wetten codificeren vaak wat er al was. Als zaken niet binnen het forum opgelost kunnen worden, dan houdt in zekere zin de wetenschap op. Ik zie ook niet zo veel in ombudsmannen en vertrouwenspersonen. Dat lijkt mij een hoop rompslomp, en meestal te zwaar geschut.”

‘Hoger beroep’

Ook de hoogleraar farmacologie meent dat in eerste instantie dingen op de werkvloer moeten worden afgehandeld: “Per instelling, dus per industrie of ziekenhuis of universiteit moeten ongeoorloofde handelingen gecorrigeerd worden. Tenzij er het risico op een boemerangeffect is. Maar pas als de eigen instelling er niet meer uitkomt, zou je naar een instantie als de KNAW moeten kunnen gaan, voor een soort ‘hoger beroep’. Ik zou dat ook een Akademietaak vinden. Momenteel wordt erover gesproken.” 

Echt erge dingen lijken overigens maar weinig voor te komen. Geen van de vier kent uit zijn eigen praktijk een echt gruwelijk voorbeeld. “Het ergste wat ik heb meegemaakt was in Costa Rica, waar we onderzoek deden naar bananenplantages”, herinnert de bodemkundige zich. “Samen met een Costaricaanse onderzoekster. Die had van tevoren al de hypothese dat bananenplantages voor veel vervuiling zorgen. Toen dat niet zo bleek te zijn, trok ze zich terug uit het onderzoek. Ik heb trouwens dat soort ervaringen ook wel met de pers. Veel tropenonderzoek gaat tegen de publieke opinie in. Als ik de Volkskrant een briefje schrijf dat het met vervuiling en bananenplantages niet erger is dan met aardappelvelden hier, dan wordt dat niet geplaatst.”

Je broodheer

Onwelgevallige uitkomsten bij onderzoek dat betaald wordt door derden zijn de laatste tijd veel in het nieuws geweest. Volgens de farmacoloog is dat, juist omdat er al zo lang opdrachtonderzoek bestaat in zijn sector, in elk geval op papier allemaal redelijk geregeld door een systeem van kwaliteitswaarborgen, al wil de praktijk soms nog wel eens weerbarstig zijn. Maar voor de socioloog is juist bij dit punt de kans op zelfbedrog hoog. “Opdrachtgevers moeten natuurlijk leren dat ze niets hebben aan naar de mond gepraat worden, maar je onafhankelijk opstellen tegenover je broodheer is niet altijd makkelijk. Ik voel zelf dat dilemma altijd: ruzie met je opdrachtgever is altijd heel anders dan ruzie met een collega.”

Hij heeft trouwens nog een opmerkelijk dilemma. Zelf meegemaakt. “In de sociologie werk je vaak met de gegevens van mensen. Dat is altijd moeilijk. Je moet dingen terug kunnen vinden, maar uiteindelijk mag niemand herkenbaar zijn. Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek gaan ze omwille van de vertrouwelijkheid heel zuinig om met hun data. Gegevens worden verminkt, niemand krijgt ze verder. Nou zat ik een keer in de promotiecommissie van iemand die haar onderzoek was begonnen toen ze nog bij het CBS werkte. Daar had ze ook haar data vandaan. Ik vind het in de wetenschap heel belangrijk dat een ander hetzelfde onderzoek nog eens kan doen, controleerbaarheid is een fundament van de wetenschap. Dus ik stelde haar een vraag over het feit dat ik haar gegevens niet kon controleren. Toen bleek het nog erger te zijn: ze kon er zelf niet eens meer bij! Wat moet je daar nou van denken?”

Terugvindbaarheid, reproduceerbaarheid komen in de gesprekken een aantal keren op. De farmacoloog hamert in dat verband op goede procedures in laboratoria. Simpele dingen als goede onderzoeksverslagen bijhouden zijn van levensbelang. Dat onderzoek te herhalen moet zijn, is ook een onderwerp dat de bodemkundige tamelijk hoog zit. “In het blad Nature is dat zo goed”, zegt hij. “Daar worden altijd de complete procedures gegeven aan het eind van het artikel. Dat betekent dat je het altijd na kan doen, maar bij de meeste tijdschriften gaat het anders. Er is nooit genoeg ruimte. En toch worden wetenschappelijke artikelen altijd hoger aangeslagen dan rapporten, terwijl die nou net wél de volledige cijfers kunnen geven.”

Vertrouwen

Een echt hot issue blijkt  alles wat te maken heeft met auteursschap, en plagiaat en collega’s en peerreviews. Kun je je peers en hun reviews wel vertrouwen? Zijn ze niet te vooringenomen, of zullen je collega’s er niet met je ideeën vandoor gaan? Wie mag zijn naam onder een artikel zetten?

Je moet écht bijgedragen hebben, wil je naam onder het artikel komen, is zo’n voorwaarde die een paar keer terugkomt in de gesprekken. Maar wat is echt? “Je moet zelf meegeschreven hebben”, zegt de socioloog, maar hij nuanceert meteen: “Dat betekent wel dat er vaak grote stukken van jouw eigen hand in proefschriften van anderen terechtkomen.” “Wij hebben er regels voor opgesteld”, vertelt de bodemkundige. “Alleen meedoen aan het veldonderzoek is bijvoorbeeld niet genoeg.”

De twee oudsten van de proeflezers zijn opvallend mild over ideeën stelen en plagiaat. “Er komt wel eens iemand bij me”, vertelt de farmacoloog, “en die zegt dan: moet je hier eens zien! Daar heb ik het uitgebreid over gehad met de desbetreffende! Maar als je dat dan gaat onderzoeken, ligt het bij nader inzien meestal genuanceerder. Vooral jongeren zijn geneigd te denken: dít is van mij, daar mag niemand aankomen. Daar zeg ik altijd tegen: kijk eens om je heen, en zie waar je zelf wel niet allemaal gebruik van maakt.”

Geen gouden standaard

“Een plagiaatgeval ligt altijd genuanceerder dan het krantenartikel suggereert”, lacht de hoogleraar sociologie. “En aio’s denken sneller dat ze geplagieerd worden dan hoogleraren. Er is nu eenmaal geen gouden standaard voor wat nu echt een bijdrage is. In de sociologie werk je vaak met dataverzamelingen. Als iemand nou een survey met zo’n verzameling doet, moet dan de verzamelaar er altijd bij als auteur? Ik vind van niet, maar anderen weer wel.”

Bruikbaar vinden ze de brochure intussen allemaal, tot op zekere hoogte althans. Het enthousiastst is de farmacoloog. Hij was degene die erop aandrong bij de Akademie — hij is lid —  iets dergelijks uit te brengen. “In Amerika liep ik een jaar of acht geleden aan tegen een brochure die On being a scientist heet”, vertelt hij. “Daar heb ik er toen direct een honderdtal van besteld, en die heb ik in de aio-opleiding geïntroduceerd. Het leidt altijd tot discussies. In de uiteindelijke versie is deze KNAW-brochure in zijn opzet dicht bij On being a scientist gebleven. Het is een soort vervolg erop, en dat is heel goed, want je hoeft niet opnieuw het wiel uit te vinden. We zullen voortaan de Nederlandse brochure gebruiken, en ik hoop dat hij op grote schaal verspreid zal worden.”

Oude doos

De bodemkundige: “Als het gaat om echt bedrog dan is iedereen zich er wel van bewust dat dat niet kan. Daar is die brochure ook niet voor. Maar als je in de wetenschap begint denkt je alleen maar zelf eerlijk te zijn. Het zegt je allemaal nog weinig. We hebben hier in Wageningen een vak wetenschapsfilosofie waar iedereen van walgt. Dat is geloof ik meteen in het eerste jaar. Voor de grap heb ik gisteren nog eens in een oude doos met spullen daarvan gerommeld, en dan is deze brochure een stuk beter. Hij leest ook gemakkelijk. Misschien is hij nog het geschikst voor aio’s en oio’s, want als je al twintig jaar onderzoek doet dan weet je dit waarschijnlijk allemaal wel.”

De brochure is breed in opzet, en daardoor ook lang. Wel wat erg lang, vinden drie van de vier. Maar ja, de breedte maakt dat elk toch wel iets van zijn gading kan vinden. Want natuurlijk zijn er in de dagelijkse wetenschapspraktijk grote verschillen tussen de vakgebieden.

Naïef beeld

De historicus is daar het uitgesprokenst over: “Het hele verhaal is toch erg gericht op de exacte wetenschappen, en daar wordt ook nog eens een vrij naïef beeld van gegeven. Het is zo langzamerhand toch wel bekend dat de harde wetenschap niet zo hard is. Dat daar bijvoorbeeld ook de hypotheses pas achteraf worden gesteld. Ik aarzel eigenlijk of je aanstaande wetenschappers nu juist deze spiegel voor moet houden. En ik ben een beetje bang dat juist alfa’s daardoor zullen denken: ik ben kennelijk niet wetenschappelijk genoeg bezig. Anderzijds is het weer wel een goede toelichting op wetenschappelijke eisen als volledigheid en verantwoording afleggen.”

Maar ook de socioloog vindt niet zomaar de hele brochure bruikbaar. Hij geeft al jaren colleges over fraude in de wetenschap. “De praktijkvoorbeelden zijn niet zo buitengewoon overtuigend”, zegt hij voorzichtig. “Maar ik denk dat ik er wel een paar zal bewerken voor mijn colleges.”

Alles bij elkaar lijkt de grootste verdienste van Wetenschappelijk onderzoek, Dilemma’s en verleidingen hem te zitten in bewustmaking, en ook in herkenning. Wat des te beter lukt omdat de brochure zo leesbaar is, zeggen ze allemaal. Een compliment dus aan Diopter – Janssens & Van Bottenurg BV, het bureau dat de brochure schreef.

 

Een sympathiek signaal en een knusse sfeer

Het kaftje is roze, de titel staat er in grote wat krullige gele letters op: Men weegt Kaneel bij ‘t lood. Voor f 25,- kan iedereen het bestellen, en het gedichtje van Staring lezen waar de titel uit komt (die betekent zoiets als ‘je moet niet alles met dezelfde maten meten’).

Maar waarschijnlijk zullen niet veel mensen het 55 pagina’s tellende geschrift aanschaffen. Rapporten in opdracht van de regering, zoals dit van de commissie-Vonhoff (officieel de Commissie Toekomst van de Geesteswetenschappen), worden zelden bestsellers.

Dat hoeft ook niet, als ze maar terechtkomen bij degenen die het aanbelangt, zou je zeggen. En wie weet vormen de aanbevelingen en analyses van Vonhoff en de zijnen inderdaad eindelijk de opmaat tot verandering. Staatssecretaris Cohen gaf in juni 1994, in de toelichting bij zijn besluit de commissie in te stellen, zelf een overzicht van de lange rij nota’s, verkenningen en wat dies meer zij, die in de tien jaar daarvoor de toestand in de geesteswetenschappen besproken hadden en die stuk voor stuk ‘knelpunten’ gesignaleerd hadden.

Volgens Cohen was de omvang van de problemen inmiddels zo groot dat er een commissie moest komen ‘van gezaghebbende leden uit samenleving en wetenschap ten einde een duidelijke visie te ontwikkelen op de toekomst van de Geesteswetenschappen’.

Die visie  – in de vorm van genoemd rapport  – kwam er, zelfs ver voor de deadline. De commissie (waarin naast de Groningse Commissaris van de Koningin onder anderen een aantal rectores van universiteiten, een oud-president van de KNAW en  vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven) was bang voor een mosterd-na-de-maaltijd-effect. Immers, de discussie over een stelselherziening in het universitair onderwijs is al begonnen.

De twaalf aanbevelingen waarmee het rapport opent kunnen daar nu dus een belangrijke rol in spelen. Wat in elk geval onmiddellijk opviel en aandacht kreeg bij de verschijning van Men weegt Kaneel bij ‘t lood was aanbeveling twee: ‘Breng binnen de letterenfaculteiten een herkenbaar organisatorisch onderscheid aan tussen de T-opleidingen en de S-opleidingen.’

T- en S-opleidingen? Speculaties over waar die letters voor stonden, mochten niet baten: de commissie gaf het geheim niet prijs. De definitie die ze zelf geeft is nogal vaag, en zonder kennis van de historie niet goed thuis te brengen.

Want waar draait het om? De ‘geesteswetenschappen’ zijn van oudsher de onderzoeksterreinen van de taal- en literatuurwetenschap, de kunst- en andere geschiedenis, de archeologie, de theologie, de filosofie en de logica.

 Ooit was dat een duidelijke ‘afdeling’ op de universiteiten, maar inmiddels hebben zich allerlei ontwikkelingen voorgedaan.

De disciplines zijn steeds meer kruisverbanden aangegaan met andere wetenschappen: archeologen  bijvoorbeeld gebruiken scheikundige dateringstechnieken, kunsthistorici werken samen met natuurkundigen om erachter te komen hoe verf veroudert, en de logica en de taalkunde hebben wiskundige trekjes gekregen en zijn in belangrijke mate deel uit gaan maken van een wereldwijd onderzoeksprogramma. Ook de literatuurwetenschap is veel internationaler gericht en put ondermeer uit de sociologie.

Dan zijn er nog andere maatschappelijke ontwikkelingen. Naast theologie bestaat er tegenwoordig ‘religiewetenschappen’. Maar het zijn niet die veranderingen die de commissie zorgen baren, want ook in de analyse van de geesteswetenschappen die ze in haar rapport geeft, gaat het nergens dáárover.

Groot succes

Wel een probleem ziet ze in de nieuwe opleidingen die in de jaren tachtig werden opgezet. Vakken als ‘Communicatiewetenschappen’, ‘algemene letteren’ en ‘Europese studies’ bleken een groot succes. Dat wil zeggen: ze trokken veel studenten.

Het zijn die vakken die de commissie S-opleidingen noemt (ezelsbrug: lees voor de T in T-opleidingen ‘traditioneel’). Juist omdat veel mensen zo’n nieuw vak wilden studeren, ging er veel minder geld naar de T-vakken: immers, de  hoeveelheid overheidsgeld die er beschikbaar wordt gesteld voor de staf is vooralsnog geheel afhankelijk van de studentenaantallen.

En de geesteswetenschappen hebben niet veel andere bronnen. In de sector taal & cultuur werd in 1992 slechts negen procent van het wetenschappelijk personeel uit niet-overheidsgelden (de ‘derde geldstroom’) gefinancierd. In de andere sectoren was dat tussen de 20 en 42 procent.

In de aanbevelingen zijn het telkens de T-opleidingen die terugkeren: ze moeten de ruimte krijgen, is de teneur, zowel financieel en organisatorisch als in de tijd (‘leertrajecten van zes jaar’). Het gaat om het behoud van de cultuur, om mensen met een roeping, om onderzoekers die niet direct aangesproken hoeven te worden op de repliceerbaarheid van hun werk.

Het rapport ademt in een aantal opzichten een wat ouderwetse sfeer. Dat vindt ook prof.dr. P. den Boer, maar hij wil wel heel graag benadrukken – en hij doet dat verscheidene malen –  dat hij het een “zeer sympathiek politiek signaal” vindt. Den Boer (44) is hoogleraar Europese Cultuurgeschiedenis (“gewoon een traditionele leerstoel”) en verbonden aan een S-opleiding: Culturele studies bij de Universiteit van Amsterdam.

Bovendien is hij lid van de Commissie Geesteswetenschappen van de KNAW. Daarbinnen is uitgebreid gesproken over het wegen van kaneel, en de Akademie heeft inmiddels een reactie aan minister Ritzen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gestuurd.

Den Boer, die momenteel op het NIAS in Wassenaar aan het werk is, wil wel het een en ander kwijt over het rapport.

Knusse sfeer

Allereerst over uitgangspunten en toon van het hele rapport. “Kennelijk heeft de Commissie noodsignalen opgevangen, en met de beste bedoelingen laten ze nu dit geluid aan de politiek horen,” stelt hij. “Je moet het ook echt als een politiek stuk beoordelen, en dat vind ik heel goed.”

“Alleen in de analyse schiet het tekort. Het beeld dat er geschetst wordt is deels achterhaald: dat ambachtelijke, die knusse sfeer. Er straalt conservatisme uit. En de argumentatie is niet zo gelukkig. Het gaat bijvoorbeeld uit van een tegenstelling tussen de geestes- en andere wetenschappen die door de mensen die er werken nooit zo geformuleerd zou worden. Overal geldt dat wetenschapsbeleid niets anders kan zijn dan het scheppen van voorwaarden, omdat wetenschap per definitie onvoorspelbaar is.”

“Want zodra iets voorspelbaar is houdt het op wetenschap te zijn, dan wordt het de uitvoering van werkzaamheden. Toevalstreffers vind je overal. Ik sprak eens een farmacoloog die me vertelde dat er in de afgelopen 25 jaar niet één nieuw geneesmiddel op de markt gekomen is dat het resultaat was van wetenschapsbeleid.”

Ook in de drie kantjes tellende brief van de KNAW aan Ritzen wordt erop gewezen dat de overheid een wetenschaps- en cultuurpolitieke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van alle wetenschappen, en dat het voor de toekomst van wetenschap en samenleving essentieel is dat alfa-, gamma- en bètawetenschappen in hun onderlinge samenhang worden beschouwd.

Maar dat neemt niet weg dat juist de situatie in de geesteswetenschappen zorgwekkend  is, en dat er in het rapport ‘met recht’ om beschermende maatregelen wordt gevraagd. “Waarin de geesteswetenschappen vaak wel verschillen van andere is de kleinschaligheid,” legt Den Boer uit, “er is een grote mate van differentiatie, die maakt dat vaak één iemand een specialisme vormt. Dat maakt je kwetsbaar. Daarom zie ik veel in wat grotere verbanden zoals het Huizinga-instituut, waarbinnen je individueel kunt werken.”

Historicus Den Boer vindt ook dat het historisch perspectief in Men weegt kaneel… ontbreekt. “Het lijkt erop of de Commissie-Vonhoff de situatie in 1970 als ‘klassiek’ ziet. Kijk, vanaf ongeveer 1920 zijn alle schoolvakken in het academisch statuut opgenomen. Het was vooral de behoefte aan goed opgeleide leraren voor de middelbare school die toen de inrichting van het universitair onderwijs erg veranderd heeft. En de maatschappij ontwikkelt zich.”

“Op een gegeven moment is er de keuze geweest voor ‘hoger onderwijs voor velen’, ook internationaal is dat gebeurd. Dat kun je niet meer terugdraaien. In de analyse van het rapport vind ik dat perspectief niet terug.”

Beunhazerij

En dan zijn er de S-opleidingen, die Den Boer natuurlijk na aan het hart liggen. Volgens de Commissie-Vonhoff sluiten die aan ‘bij de behoefte om hetzij te komen tot een bredere algemene oriëntering danwel op een meer vakgerichte oriëntering op universitair niveau’. 

Rotterdam, Brabant, Limburg en Twente zouden zich tot die ‘opleidingen met een algemenere doelstelling’ moeten beperken, en bij de ‘klassieke universiteiten’ (Leiden, Groningen, Utrecht, Amsterdam, de Vrije Universiteit en Nijmegen) mogen de S-opleidingen de T-opleidingen vooral niet in de weg staan.

Den Boer is het met die splitsing hartgrondig oneens. “Ik kan me niet voorstellen hoe je zoiets als Culturele studies wilt inrichten als je niet een beroep kunt doen op de oude instituten,” zegt hij. “Als er bij museologie, een van de drie richtingen bij ons, bijvoorbeeld geen kunstgeschiedenis was die ‘geschiedenis van het museum’ geeft, als je niet zou kunnen terugvallen op de know-how en de boekerij van het kunsthistorisch instituut.”

“Wanneer in een bepaalde plaats dat soort oude instituten ontbreekt en je een opleiding uit het niets moet opbouwen, dan wordt het al snel beunhazerij. Of er moet heel veel geld ingestoken worden, en dat is in een tijd van bezuinigingen geen reëel idee.”

“Als je iets ent op een oude, stevige stam, dan komt de zaak eerder tot bloei dan wanneer je een stekje in de kale grond steekt.” Geen gedegen S- zonder T-opleidingen, zegt Den Boer feitelijk. Ook in de Akademie-reactie komt dat punt terug. ‘In de praktijk blijken beide soorten opleidingen vaak nauw met elkaar verweven en er lijkt ook geen aanleiding te zijn om hierin verandering te brengen.’ luidt een zin uit de brief aan Ritzen.

Het idee van de Commissie-Vonhoff om zesjarige T-opleidingen naast vierjarige S-opleidingen te creëren vindt bij Den Boer begrijpelijkerwijze geen warm onthaal: “Twee stromen naast elkaar? Ik zie veel meer in een algemene opleiding van vier jaar, met daarna promotieplaatsen.”

“Dus een echte tweede fase, met twee stromen na elkaar. Stel je voor dat al die docenten ineens twee soorten college moeten gaan geven: in het zelfde vak, maar de ene keer voor de vierjarige opleiding en de andere keer voor de zesjarige. Dat zie ik echt niet voor me. Zo’n tweede fase is veel helderder. Alleen moeten we dan wel af van het idee dat gepromoveerden niet in het middelbaar onderwijs thuishoren. Het zou weer normaal moeten worden met een titel voor de klas te staan. Nu mogen gepromoveerden geen didactische opleiding meer volgen, dat moet veranderen. Dat zou een grote kwaliteitsinjectie in het onderwijs betekenen.”

Splijtzwam

Ondertussen vraagt Den Boer zich wel af of Nijmegen en de VU ‘klassieke universiteiten’ genoemd kunnen worden. “Ze zijn wel heel klein”, zegt hij. “Wat ze daar nog aan voorzieningen hebben… Aan de buitenwacht is ook moeilijk duidelijk te maken waarom je, zoals in Amsterdam, op een steenworp afstand van elkaar twéé instellingen zou moeten hebben.”

“En als je het  historisch wilt bekijken: tussen die klassieke universiteiten zitten wel heel recente. Ze hebben natuurlijk wel een belangrijke rol gespeeld bij de emancipatie van bepaalde groepen. Dit is overigens een splijtzwam. Ik weet niet hoe die in het rapport terecht is gekomen. De keus is uiteindelijk óf overal een beetje van afhalen, óf we heffen één instelling op.”

Het rapport levert genoeg stof tot discussie op, maar Den Boer is het ook met veel dingen zonder meer eens. De budgetfinanciering bijvoorbeeld. Den Boer: “De techniek daarvan begrijp ik niet helemaal, maar volgens mij komt het erop neer dat er een minimum aan infrastructuur gegarandeerd moet zijn voor de geesteswetenschappen, ook als er eens een paar jaar bijna geen studenten aankomen. Een dergelijke maatregel is hard nodig.”

Dat vindt ook de Akademie, hoewel die er in haar reactie aan Ritzen ook op wijst dat het de universiteiten nu al vrijstaat meer middelen uit te trekken voor de geesteswetenschappen, aangezien de afgestudeerden uit alle disciplines samen de hoogte bepalen van de door de overheid  uit te keren ‘lump sum’.

Er zou dus binnen het budget geschoven kunnen worden, maar in de praktijk gebeurt dat niet, dus is ‘overheidssturing’ gewenst. De KNAW vindt het niet op haar weg liggen zich uit te spreken over de mechanismen die daarvoor ontwikkeld moeten worden, maar stelt wel dat een leerstoelenbeleid zoals de Commissie-Vonhoff voorstelt in elke uitwerking van de ideeën onontbeerlijk is.

Gotspe

Met dat laatste punt heeft Den Boer het moeilijker. Het gaat om aanbeveling 10 van het rapport: ‘Laat de ontwikkeling van de kennisinfrastructuur in de gebudgetteerde voorzieningen sturen op het niveau van de leeropdracht (leerstoelenbeleid)’.

Concreet stellen Vonhoff en de zijnen voor dat de zes klassieke universiteiten een gezamenlijke commissie van drie leden met een zittingstermijn van zes jaar instellen, die over elke leerstoel en/of leeropdracht een bindend advies geven.

“Een commissie van drie leden die dat allemaal even gaat beslissen? Dat vind ik een gotspe,” roept Den Boer uit. “Zo’n  centrale dirigistische instelling doet me aan de DDR denken. Daar ben ik het echt absoluut mee oneens. Degenen die al benoemd zijn in een bepaalde discipline horen de nieuwen te benoemen. Coöptatie van kwaliteit door kwaliteit hoort de grondslag te zijn van de totale wetenschappelijke gemeenschap.”

“Je moet alleen geen lokaal samengestelde commissies hebben, maar er mensen uit meer faculteiten in zetten en liefst ook een buitenlander. Dat moet garantie genoeg zijn om te voorkomen dat de druk van onderen – uit de eigen gelederen van een bepaalde faculteit – een nieuwe benoeming bepaalt.”

De selectie van studenten heeft daarentegen wel zijn instemming. “Ik merk bij de studenten dat er echt behoefte is aan zoiets als een motivatiegesprekje,” zegt hij. “Dat klinkt misschien wat soft, maar ze willen, net als iedereen in het leven, graag die aandacht. De tijd daarvoor ontbreekt nu meestal, dus dat zou je goed moeten organiseren. Die selectie zie ik niet op grond van hun cijfers, maar na een soort ‘intakegesprek’,  zoals de commissie voorstelt. Dat lijkt me heel nuttig.”

Ook de Akademie denkt er zo over, zij het dat zij meent dat naast interesse en ambitie van de student ook diens geleverde prestaties mee moeten wegen. Selectie, stelt ze, dient uiterlijk aan het eind van de propedeuse plaats te vinden.

“Helemaal eens” is Den Boer het met de aanbeveling promotiebeurzen in te stellen. “Dat had allang gebeurd moeten zijn,” zegt hij. Promotiebeurzen voorkomen dat er nóg meer wachtgelden betaald moeten worden, een van de grote financiële problemen van de universiteiten op dit ogenblik.

“De gossip in de wandelgangen is dat de letterenfaculteit in Amsterdam ná de reorganisatie meer geld kwijt is dan daarvoor”, meldt Den Boer. “Dat is vanwege de oude regelingen. Allerlei peperdure mensen die nu helemaal niets meer doen voor dat geld. Volgens mij kun je, zolang die wachtgeldregeling blijft bestaan, nog het beste stompzinnig met absolute vacaturestops werken en zorgen dat je via om- of bijscholing mensen aan de slag krijgt daar waar de gaten vallen. Flexibilisering heet dat tegenwoordig, ja.”

“Die flexibiliteit ontbreekt nogal eens bij de zittende klasse. Ik zie bijvoorbeeld niet in waarom iemand met een specialisatie in de vroege Duitse geschiedenis niet een college contemporaine Europese geschiedenis zou kunnen geven, maar veel mensen verschuilen zich achter ‘ik doe hier nu eenmaal alleen dat’. Dat moet toch een keer veranderen. Met onderzoek ligt het anders, dat is een kwestie van persoonlijke toewijding en lange concentratie, daar kun je iemand moeilijk in dwingen.”

De laatste aanbeveling van het rapport gaat over de bibliotheken. “Wat er gebeurd is met de collecties is desastreus,” zegt Den Boer. “Daar is zo gigantisch in gesneden. Series die afgebroken zijn, gaten… De commissie-Vonhoff stelt meer coördinatie tussen de bibliotheken voor. Nou, misschien voor de hele dure dingen, maar collecties houden in zekere zin altijd hun waarde. Zonder de boeken kun je niet werken. Als je nou over onderzoeksklimaat wilt praten, dan moet de boekenvoorziening echt als eerste in orde zijn.” 

Men weegt Kaneel bij ‘t lood kan worden besteld bij SDU DOP, afdeling bestellingen, Postbus 30405, 2500 GK Den Haag, tel: 070-3789830, fax: 070-3789783.

 

 

“Onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek”

Hij is nummer zeven uit tien kinderen, zijn wetenschappelijke hartstocht is te begrijpen hoe we spreken, en privé kan hij niet zonder muziek. Met prof.dr. W.J.M. Levelt heeft de Akademie een president die het speciaal opneemt voor vrouwen, en die kan vertellen dat we twee keer zo snel denken als we spreken.

“Ik heb slechts nieuws voor je”, sprak hij eerder dit jaar tegen zijn zoon, “ik word je werkgever.” Christiaan Levelt, neurobioloog bij het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut begreep het meteen: “Echt waar, word je president van de Akademie?” riep hij enthousiast uit. Het was echt waar, en sinds 1 mei is het ook een feit: na bijna een kwart eeuw KNAW-lid geweest te zijn zonder in die organisatie ooit maar een bestuursfunctie te bekleden, is prof. Pim Levelt begonnen aan een driejarige termijn als president.

Langer zal het ook niet worden. Levelt: “Ik ben nu 63, en je mag niet ouder zijn dan 65 bij het begin van je ambtsperiode. Daarna heb ik dan nog een jaar op mijn instituut.” Zijn instituut, een onderwerp dat steeds terug zal blijken te keren tijdens het gesprek in de statige bestuurskamer in het Amsterdamse Trippenhuis, waar Levelts laptopje bijna detoneert. Al sinds de oprichting in 1980 is Levelt – van huis uit psycholoog en zelf gespecialiseerd in hoe spreken in zijn werk gaat – directeur van het Max Planck Instituut voor psycholinguïstiek in Nijmegen. Het is van een van de weinige buiten Duitsland gevestigde instituten van de Max Planck Gesellschaft, dat je op zijn beurt weer als een van de Duitse wetenschapsacademies kunt zien. 

Levelts ervaringen bij ‘Max Planck’, zoals hij het in de wandeling noemt, komen hem nu al van pas. “Ik weet wat een instituut is, ik snap dat”, zegt hij bijvoorbeeld. Dat onderdeel van zijn nieuwe functie heeft hij meteen voortvarend ter hand genomen. Nog voor zijn aantreden is hij bij alle veertien Akademie-instituten, inclusief dat waar zijn zoon werkt,  kennis gaan maken.

Vrijer

Levelt: “Je bent op dat moment nog wat vrijer in je gesprek. Ik ben ook overal open ontvangen. Het is me heel goed bevallen.” Hij kijkt erbij of hij er inderdaad plezier aan beleefd heeft, en gaat verder: “Ik kan niet voorkomen dat ik voortdurend die organisaties met elkaar vergelijk. En dat leidt dan tot… gedachten, ideeën. Dit zal denk ik het minst moeilijke deel van mijn functie zijn om greep op te krijgen.”

In het feit dat zijn eigen instituut – waar met behulp van uiteenlopende technieken talloze experimenten gedaan worden die inzicht moeten geven in hoe we taal leren, produceren en verwerken – bij uitstek interdisciplinair is, ziet Levelt ook aanknopingspunten: “Ik heb hier bij de Akademie te maken met die twee clusters: levenswetenschappen en geesteswetenschappen. Daartussen is echt sprake van een cultuurverschil. Ik ken dat, bij het Max Planck Gesellschaft moet ik ook verantwoording afleggen aan zowel de Biologisch-Medizinische sectie als aan de Geisteswissenschaftliche.”

Bij de twee Akademieafdelingen Natuurkunde en Letterkunde is er weinig plaats voor leden die werkzaam zijn op een gebied dat put uit verschillende vakken. Een rechtstreeks gevolg van het coöptatiesysteem. Levelt:  “Op een gegeven moment wordt iemand emeritus, en dan wordt er gezocht naar een nieuw lid op ongeveer hetzelfde terrein. Zo mis je op den duur nieuwe ontwikkelingen. Er is wel wat beleidsruimte bij beide afdelingen voor sectie-overstijgende leden, maar het is weinig, en bij de afdeling Letterkunde is hij gewoon veel te klein.”

Mooi en trendy

“Overigens vind ik interdisciplinariteit niet op zichzelf nastrevenswaardig. Het klinkt gauw mooi en trendy, maar wanneer je de basisdisciplines niet voor de volle honderd procent beheerst dan heb je er nog niks aan. Maar er zijn wel veel vakken zo ontstaan, zoals de biofysica, en natuurlijk de psycholinguïstiek. Soms groeit er een nieuwe wetenschap uit, en soms worden vakken tot elkaar gereduceerd, maar feit is dat belangrijke problemen vaak onoplosbaar blijven wanneer je niet van verschillende disciplines gebruik maakt.”

Zoals de vraag hoe de ‘kennisverwerkende mens’ in elkaar zit. Het zeer breed en sterk groeiende onderzoeksgebied dat de koepelterm ‘cognitiewetenschap’ gekregen heeft, is er zo een waarvoor in de KNAW op dit moment in feite geen ruimte is. “Er is geen sectie, geen adviesraad, helemaal niets”, zegt Levelt. Terwijl het terrein floreert en zo belangrijk is. Levelt loopt er helemaal warm voor: “Hoe doe je kennis op, hoe geef je het door, hoe transformeer je het, kun je er bestanden in een machine van maken? Dat is allemaal hoogst actueel. Het is een heel conglomeraat aan wetenschappen dat in onze kennismaatschappij niet weggedacht kan worden.”

Eenzijdig menu

“Er moeten secties en adviesraden bij komen in die multidisciplinaire hoeken. Ook over informatica wordt gesproken.” Dat zou ook gevolgen hebben voor de ontmoetingsfunctie van de Akademie, waarvan Levelt zegt: “Dat is het enige aspect dat ik al kende. Ik heb het altijd enig gevonden, en nog. Ik heb al die jaren natuurlijk wel een beetje een eenzijdig menu gehad bij de afdeling Letterkunde. Iedereen gaat toch zijn vaste gangetje naar bijeenkomsten en lezingen van zijn eigen afdeling. Ik verheug me erop om voortaan bij de vergaderingen van alletwee de afdelingen en hun besturen te zitten.”

Levelt voorziet niet veel problemen op dit vlak. Rest nog de adviesfunctie van de Akademie. “Dat is nieuw voor me, dat moet ik leren”, zegt hij. “Het betekent leren opereren met gemeenschappelijke belangen. En die liggen altijd wel ergens. Of het nu om de VSNU, of om NWO, of het ministerie of wat dan ook gaat. Soms zijn overeenkomsten makkelijk te vinden, soms concludeer je: daar spelen heel andere overwegingen een rol. En dan is er maar een beperkte coalitie mogelijk. Persoonlijke contacten zijn in elk geval heel belangrijk. Wat dat betreft komt het heel goed uit dat degenen aan het hoofd van de VSNU en NWO en ik elkaar al lang kennen. En ik heb het gevoel dat iedereen zonder geheime agenda’s werkt.”

Verwaarlozing

Ondertussen strooit Levelt overigens al lustig rond met adviezen. In zijn rede, in een hele reeks interviews, en ook nu weer wordt hij bijvoorbeeld niet moe te wijzen op de verwaarlozing van talent in de wetenschappelijke wereld. Zoals oudere onderzoekers die zo bedolven raken onder bureaucratie dat ze aan onderzoeken niet meer toekomen, en vrouwen die afhaken omdat er geen goed beleid gevoerd wordt.

Over die laatste groep maakt hij zich bijzonder druk. Levelt: “Het is treurig gesteld met het vrouwenbestand, en je komt er niet vanaf met zeggen: het is nu eenmaal overal zo. Dat is namelijk niet waar. Je hebt hier nog steeds niet meer dan vijf procent vrouwelijke hoogleraren. In Frankrijk heb je er iets van drie keer zoveel, in Duitsland twee keer. Ik heb wel eens horen zeggen dat dat te maken heeft met de oorlog, toen in Frankrijk en Duitsland de vrouwen de economie veel meer hebben overgenomen dan in Nederland.”

Privémiddelen

Er is zeker iets aan te doen, denkt Levelt. Hij vertelt weer over het Max Planck Instituut, waar op kleine schaal vrouwen als ze dat willen drie jaar kunnen thuisblijven nadat ze een kind hebben gekregen. Hun baan blijft bestaan, en het gevolg is dat ze behouden blijven voor de wetenschap, en vaak ook tijdens die periode bijvoorbeeld een dag in de week wel degelijk doorwerken en zo bijblijven. Maar iets dergelijks overal invoeren gaat niet een-twee-drie. Levelt: “Max Planck heeft privémiddelen. De wettelijke regeling staat het niet toe het zo te doen. Maar zo’n experiment kan wel een voorbeeldfunctie hebben.”

Net zoals de ene vrouw een voorbeeldfunctie voor de andere kan hebben. “Mijn ervaring bij Max Planck is dat vrouwen vaak niet verder gaan als er geen uitdager is”, vertelt Levelt. “Er moet een begeleider zijn die zegt: je bent echt goed, en godverdorie, dóe dat onderzoek nou. Die persoonlijke benadering is belangrijk. Blijkbaar hebben vrouwen niet genoeg gehoord dat ze goed zijn. En er zijn ook echt vrouwelijke hoogleraren nodig als rolmodel voor het jongere niveau.”

Het is bijna een ouderwets gesprek. Blijkbaar veranderen de dingen maar langzaam, ook al ziet Levelt wel enige verbetering, zelfs in het aantal vrouwelijke Akademieleden. En de tijd dat het een hoge uitzondering was dat een vrouw natuurkunde ging studeren, zoals zijn moeder aan het begin van twintigste eeuw deed, is echt voorbij. Levelt is nummer zeven van tien kinderen. “Een goed katholiek gezin, ja”, lacht hij, “dat kun je ook al zien aan de hoeveelheid voorletters die ik heb.”

Dat zijn moeder haar vak nooit beoefend heeft na haar trouwen hoeft geen verbazing te wekken. Levelt: “Maar het was voor mij heel gewoon om mijn moeder als ik iets niet snapte mijn wiskundeboek onder de neus te houden terwijl ze in de soep stond te roeren of iets dergelijks. Dat dat bijzonder is realiseer je je pas later.” Zijn vader was scheikundige, en heel wat kinderen zijn in de wetenschap terechtgekomen. Net zoals er van Levelts eigen drie kinderen nu twee onderzoeker zijn.

Levelt groeide dus niet op met het idee dat wetenschap iets raars of verwegs was. Werd er thuis aan de eettafel met regelmaat over gepraat? Hij lacht: “Ik herinner me vooral lawaai. Het was schreeuwen dus dat we deden.”  We praten toch even door over praten, het onderwerp dat Levelt al heel lang met hartstocht bestudeert. Hij heeft er altijd intrigerende feiten over paraat: dat we twee à drie woorden per seconde uitspreken, maar dat dat in een heftig gesprek wel op kan lopen tot zeven. Dat we zo’n honderd spieren en spiertjes gebruiken als we praten. En nog gaat het te langzaam.

Dat zou je althans op kunnen maken uit recente metingen. Heel veel van wat er in de psycholinguïstiek wordt gedaan, draait om het meten van reactietijden, waarvoor de technieken in de loop van de tijd zeer verfijnd zijn. En inmiddels kun je behalve wannéér desgewenst ook nog zien waar in iemands hoofd er iets gebeurt. Terugkerend element is het benoemen van plaatjes.

Snelle geest

Levelt: “Ik onderzoek hoe snel je een woord produceert. Normaal, als je iemand een plaatje van bijvoorbeeld een boom laat zien, duurt het zo’n zevenhonderd milliseconden voor hij begint dat woord uit te spreken. Dat heb je dus nodig om een woord te vinden en ook de bijbehorende vorm ‘klaar te zetten’. Maar je kunt dat ook storen, lastiger maken. Door bijvoorbeeld tegelijk met het laten zien van die afbeelding het woord ‘boot’ te laten horen, of ‘kast’. Het blijkt dat ‘boom’ zeggen sneller gaat als je ze ‘boot’ laat horen dan als je ze ‘kast’ laat horen. Met andere woorden: de productie wordt beïnvloed door de perceptie. We weten nu kwantitatief hoe dat zit, maar hoe het precies in zijn werk gaat, en hoe perceptie en productie samenhangen is nog een andere vraag.”

Om daar weer iets meer van te snappen wordt er op het instituut ook gekeken naar de ‘monitoring functie’. Levelt legt uit: “Je luistert altijd naar jezelf. En als er iets fout gaat in je overte spraak kun je heel snel stoppen en corrigeren. Maar je hebt ook je interne spraak. Die vertelt je wat er fout zou zijn geweest als je wat er al ‘klaarstond’ gezegd had. Het verschil kun je horen aan het verschil tussen ‘Nu ga je rechts, eh.. links af’ en ‘Nu ga je ..eh, links af’. Ook dat blijk je te kunnen beïnvloeden. Je kunt het externe kanaal uitzetten, door iemands oren te vullen met ruis, zodat hij zichzelf niet meer hoort praten. Dat geeft een ander type correcties dan wanneer je andere soorten dingen laat horen.”

“Nu doen we ook experimenten met interne spraak waarbij we echt naar binnen kijken. We meten hoe snel iemand reageert als we een plaatje laten zien. En het blijkt dat dat ongeveer twee keer zo snel gaat als overte spraak. Hoe snel we ook kunnen praten, onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek. De geest is snel, het vlees is zwak, zou je dat kunnen samenvatten. Daarom lees je ook veel sneller dan je kunt praten. En opgenomen spraak kun je met een factor vier inkrimpen. Ruw gezegd: als je de frequentie hetzelfde laat, en elke vierde periode eruit gooit, dan nog kun je wat je overhoudt prima verstaan.”

Er zijn nog meer intrigerende projecten. Bijvoorbeeld eentje over het produceren van vaste uitdrukkingen (idioom en vaste woordcombinaties), die misschien wel de helft van onze woordenschat uitmaken, en het onderdeel vormen dat je in een vreemde taal nou nooit goed onder de knie krijgt.

Maar we moeten ook nog over Levelts andere hartstocht praten: muziek. Daarin is hij een amateur, zegt hij, maar wel een die thuis een groot orgel en een kleine concertzaal heeft. Dat zijn vrouw musicus is, is daar natuurlijk ook debet aan. Zelf speelt Levelt vanaf zijn jeugd fluit, en sinds een jaar of vijftien traverso, een barokfluit waar hij lyrisch over is. “Alle klassieke barokmuziek is daarvoor gemaakt, tot Schubert aan toe”, verklaart hij. “En een moderne fluit, zo’n brutaal, luid instrument, naast een klavecimbel, dat kán echt niet in de intieme ambiance van kamermuziek.”

Genieten doet hij overigens ook van de verbanden tussen die muziek en zijn vak. “Het is veel retorica”, zegt hij. “Kenmerkend voor  barokmuziek is dat het allemaal vraag-antwoordspelletjes zijn. Het gaat om de kunst van het overtuigen, en dat is natuurlijk heel oud, gaat nog verder terug dan Aristoteles. Versterkingen, pauzes, ervoor zorgen dat je de emotie oproept bij de ander, maar hem als speler niet zelf hebt,  het zijn overtuigingsmiddelen die je in heel oude geschriften al kunt lezen.”

Wie hem de komende drie jaar tegenkomt is dus gewaarschuwd: Levelt kent zijn klassieken, ook al is hij een HBS’er. Zoals ook blijkt uit wat hij tot slot nog even zegt: “Ik wil als Akademie-president vooral niet de suggestie wekken dat ik  alles weet. Ik moet juist een kennismakelaar zijn: zorgen dat ik de aanwezige kennis aanspreek en organiseer. En er zijn ook veel dingen waar ik niks over vind.”

 

“De middelen die er zijn worden goed besteed, maar we hebben meer middelen nodig”

Nee, fundamenteel onderzoek is nu niet direct een onderwerp waarmee je stemmen trekt. De staatssecretaris geeft het grif toe. Net zoals hij onmiddellijk bereid is te zeggen dat het slecht, zelfs “gevaarlijk slecht” staat met het peil van de investeringen in wetenschap en technologie. In zijn oplossingen klinkt iets van een refrein uit My fair lady door: ‘als ’t effe kan, ja dan..’

Het gesprek in de werkkamer van mr. M.J. Cohen, staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, ‘belast met het hoger onderwijs- en wetenschapsbeleid’, gaat voor een goed deel over fundamenteel onderzoek en natuurlijk uiteindelijk over geld. Wie zal wat betalen? En waarom? Cohen (46) zoekt het in “bruggen bouwen”, en “kanalen graven”, en als het even kan dan moeten de partijen elkaar ergens halverwege ontmoeten.

“Ik zit op een snijpunt”, zegt hij. “Ik ben natuurlijk opgegroeid met het debat over fundamenteel onderzoek aan de universiteiten. Ik weet heel goed hoe er daar over gesproken wordt, het belang dat eraan gehecht wordt.”

Achter hem hangt een kleurige tekening van Maastricht, de stad waar hij rector magnificus was tot hij in juli 1993 een tikje halsoverkop naar Zoetermeer kwam om zijn voorganger-van-acht-dagen Prof. R. in ’t Veld op te volgen. Op dat moment had hij een lange bestuurlijke carrière achter de rug. Als student rechten in Groningen was hij al lid van het bestuur van de juridische faculteit. Voor zijn partij was hij ook actief. Onder zijn leiding kwam bijvoorbeeld het PvdA-rapport ‘Hoger onderwijs in de jaren negentig’ tot stand.

“Nu ik hier zit”, zegt hij, “en omgekeerd uitvoerig beïnvloed wordt door de politiek, zie ik nog beter dan eerst wat hier de problemen zijn. Het verhaal over onderzoek en maatschappelijke vraag wordt toch anders. Ik wil graag duidelijk maken dat ik er tussenin zit.”

Gegrepen worden

Dat fundamenteel onderzoek belangrijk is staat voor Cohen buiten kijf. Hij geeft desgevraagd ook een mooie definitie van het begrip: “Gegrepen worden, om vaak hoogstpersoonlijke redenen, door zaken waar je het antwoord niet op weet, en waar je dan probeert achter te komen. En dat zonder in beginsel gehinderd te worden door de vraag of het nou ergens toe doet dat je het antwoord op die vragen weet.”

Toch valt inmiddels uit bijna alle onderzoeksinstellingen de klacht te beluisteren dat er nu juist voor dat soort onderzoek door alle bezuinigingen niet genoeg ruimte meer is. “Ja”, reageert hij, “er wordt op veel terreinen geklaagd. Ik zou het niet eens weten… Ik denk dat als je gaat kijken hoe de financiering nu zich verhoudt tot enkele decennia geleden, dat je dan wel eens tot heel interessante conclusies zou kunnen komen. Maar er ligt een probleem, dat valt niet te ontkennen, en we proberen daar nu ook het nodige aan te doen.”

Hoe? Cohen ziet een oplossing in het dichter bij elkaar brengen van fundamenteel onderzoek en de maatschappelijke vraag: “Vanuit wetenschappelijk oogpunt hoeft het nauwelijks betoog dat zulk onderzoek belangrijk is”, zegt hij, “maar maatschappelijk wordt het vaak ingewikkelder. De relatie is vaak zwak: het kan wel honderd jaar duren voordat onderzoeksresultaten een toepassing in de samenleving vinden. Je weet dat niet van tevoren. Naar mijn idee kan die relatie worden versterkt, en dan moet ik de term strategisch onderzoek laten vallen. Want je kunt dat doen via onderzoek op terreinen die nu relevant zijn en waarvan je van tevoren kunt zien dat het waarschijnlijk iets op zal leveren. “

“Neem een thema als veroudering. Dat zien we om ons heen. Zelfs mede dankzij de wetenschap neemt het aantal ouderen toe. Er liggen daar enorm veel vragen, van alfa tot en met bèta. Wat is er dan tegen je juist op zoiets te richten? En er zijn meer van die terreinen: het milieu en ruimteonderzoek bijvoorbeeld. Daar ligt een verbindingslijn, zonder dat je trouwens onmiddellijk moet stellen ‘dit zijn de vragen en ik wil daar die antwoorden op hebben’, want dat weet je niet. Het interessante is nou net als die anders worden dan je zou verwachten.”

Antennes

Verbindingslijnen, kanalen. En liefst iedereen moet er aan meedoen. Cohen pleit ervoor dat onderzoekers antennes kweken voor strategisch onderzoek. “Als je ontzettend veel geld van de samenleving krijgt dan is het toch niet zo gek dat in het achterhoofd te houden”, stelt hij. Maar ligt daar niet een cultuurprobleem?

 “Ja”, zegt Cohen, “en dat is een van de dingen waar het ministerie mee bezig is: de wisselwerking tussen onderzoekers en het bedrijfsleven. De kanalen daartussen moeten verder gegraven worden. Daarvoor is ook de relatie tussen dit ministerie en Economische Zaken belangrijk. Maar het zijn verschillende werelden, en je loopt tegen problematische vragen aan, zoals: wanneer is onderzoek voor het bedrijfsleven interessant? Vooral als een bedrijf er exclusief over kan beschikken.”

Dat probleem met de industrie komt nog een paar maal terug. De programma’s van de Europese Unie worden immers ook geacht bijdragen te leveren aan de bloei van de industrie. “Maar Europa realiseert zich heel goed dat dat onderzoek in de precompetitieve sfeer moet blijven”, stelt Cohen gerust, “je moet geen dingen doen die leiden tot voordelen voor bepaalde industrieën, en voor andere weer niet. Dat laat wel onverlet dat er nog ontzettend veel te doen is aan het creëren van een draagvlak waarbij Europa als zodanig veel beter gebruik van onderzoeksresulaten kan gaan maken. “

“De vraag is of je op dat niveau heel veel geld in fundamenteel onderzoek moet stoppen. Je kunt ook zeggen: het is veel belangrijker de communicatie binnen Europa te verbeteren, en te investeren in hoge-snelheidstreinen, communicatienetwerken, glasvezelkabels. Europa moet het toch hebben van de kwaliteiten op het gebied van kennisinfrastructuur, en dat kan alleen door de samenwerking te vergroten. Daarvoor is onderlinge samenwerking wezenlijk.”

Kennisinfrastructuur, het is een tongue twister van jewelste, en ook een beetje een toverwoord. Het partijprogramma van de PvdA spreekt over versterking van die structuur en van de kwantiteit van onderzoek en ontwikkeling in ons land. Cohen staat er van harte achter. “Met dat peil is het wat mij betreft gevaarlijk slecht gesteld”, zegt hij. “Bij de overheid is het teruggelopen, maar ook de particuliere investeringen zijn achteruitgegaan. We hebben daar enig onderzoek naar gedaan: bij de grote industrieën, met name bij Philips, zijn forse klappen gevallen. Voor een deel is het wel begrijpelijk dat er op onderzoek bezuinigd wordt, maar het is toch een beetje de kip met de gouden eieren slachten als je denkt aan het belang van de kennisinfrastructuur.”

Trash

Oplossingen moeten weer van verschillende partijen komen. Cohen: “Het moet een gezamenlijke krachtsinspanning zijn. En juist om die reden vind ik de hele discussie over de vraag naar fundamenteel of strategisch onderzoek zo belangrijk. Maar ik hoop natuurlijk ook dat er in de volgende regeringsperiode meer geld vrijgemaakt zal worden, dat dat punt gemaakt kan worden. En dat daar vervolgens nog een robbertje over geknokt zal moeten worden lijkt me helder, gezien de verkiezingsprogramma’s waarin aanzienlijke bezuinigingen zijn opgenomen.”

Ook Cohen vindt kennelijk dat het met de bezuinigingen iets te ver gegaan is. “De tijd ligt achter ons dat we nog slecht onderzoek kunnen wieden. Er is in de afgelopen jaren veel trash verdwenen, maar als er nu bezuinigd moet worden gaat dat ten koste van goed onderzoek. Dat betekent dat het beleid om goed onderzoek te stimuleren vrucht heeft afgeworpen.”

Hij vat samen: “De middelen die er nu zijn worden goed besteed, we hebben alleen meer middelen nodig. Uit de verhalen die ik hoor maak ik op dat het onderzoek dát er gebeurt van hoge kwaliteit is. Dat is ondermeer het effect geweest van de beoordelingen. En ja, dat onderzoekers klagen over de bureaucratie die dat met zich meebrengt.. Kijk, die wordt natuurlijk nooit minder, dat is een prijs die je moet betalen. En er wordt toch aan meegewerkt door de onderzoekers. De kunst is de bureaucratische elementen te beperken, en daar wordt ook aan gewerkt. “

“Als je je realiseert hoe het in het begin ging met de Voorwaardelijke Financiering, dan is er een duidelijk verschil. Nu werkt de VSNU aan een onderzoeksbeoordeling waarbij geprobeerd wordt de bureaucratische last te beperken: gewoon, wel vertellen wat je gedaan hebt, én – en dat vind ik zelf heel aardig – wat de belangrijkste publikaties van de groep zijn. Dan kijk je rechtstreeks naar de inhoud. Kwaliteit is het belangrijkste, en daar gaat het goed mee. NWO kijkt nu zelfs niet meer alleen naar kwaliteit. Wat er binnenkomt aan onderzoeksaanvragen is allemaal uitstekend. Je kunt nu ook andere criteria toepassen.”

Eerste tranche

Terug op het stokpaardje van de maatschappelijke relevantie. Maar waar moeten de uitstekende onderzoeksvoorstellen die niet direct strategisch zijn heen? “Er is natuurlijk nog steeds een hele grote eerste geldstroom”, zegt Cohen. 

Die voortaan ten dele bij de Onderzoekscholen terecht zal komen. Hoe zit het daar met de kwaliteit? Lijkt het er niet op dat iedereen daar een plaats in krijgt? Cohen: “Dat wil ik nog wel eens zien. De eerste tranche was natuurlijk de top of the hill, dat die er allemaal door zijn gekomen ligt voor de hand. Het is interessant wat er nu gaat gebeuren. Ik hoop dat de KNAW hoge criteria blijft stellen. Zo’n Onderzoekschool moet iets toevoegen. In de eerste plaats ten aanzien van de onderzoekersopleiding, dus de schoolgedachte, maar er moet ook gekeken worden of de universiteiten werkelijk bereid zijn voor onderzoekscholen financiën ter beschikking te stellen. Niet zomaar, maar dat ze echt zeggen ‘we beschermen dat, ook als het straks minder wordt’. We moeten kijken hoe dat gaat.”

We zijn bij de functies van de Akademie terecht gekomen. Cohen heeft er het volgende over te zeggen: “Kenmerkend voor de KNAW is toch dat het een privaat gezelschap is van zichzelf coöpterende onderzoekers, en dat moet vooral zo blijven.”

Maar ze krijgt wel over steeds meer zaken iets te zeggen: onderzoekscholen, evaluaties, nu de verkenningen. Zit daar niet iets raars aan? Loop je met zo’n coöptatiesysteem niet het risico dat sommige vakgebieden een scheve vertegenwoordiging krijgen? “Hoe zou het anders moeten?”, vraagt Cohen.

“Kijk, over politieke vragen moet de KNAW ook niet veel zeggen, niet veel willen zeggen. Wél over vragen van kwaliteit, de inrichting van kwaliteit. In beginsel is het de enige club die daar met gezag uitspraken over kan doen. Het spreekt voor zichzelf dat je heel precies moet zijn met het toedelen van vragen aan de Akademie. Die moeten op dit terrein liggen. En dan moet ze met een zekere distantie uitspraken doen. Zoals laatst over de spelling, dat beviel me wel.”

Levensvatbaarheid

Ook over de Akademie-instituten wil Cohen nog iets kwijt: “Daar is een ontwikkeling geweest, maar nu moeten we nog een paar stappen verder. De relatie met de universiteiten is van belang. Je hebt een verwevenheid nodig ter versterking van de infrastructuur, zonder dat je meteen zegt: laten we de boel overhevelen. De instituten hebben op zichzelf een eigen levensvatbaarheid. Maar als ze op zichzelf staan dan moeten ze streven naar topkwaliteit, anders hebben ze geen bestaansrecht. Daar moet in de toekomst naar gekeken worden. Er valt nu niet veel meer over te zeggen.”

Wel over de gevolgen van het ‘besturen op afstand’. Cohen moet een beetje lachen over klachten op dat terrein. En je moet de zaken wel scheiden. Neem bijvoorbeeld de overdracht van alle gebouwen aan de instellingen zelf, zonder dat er extra geld voor bijvoorbeeld onderhoud beschikbaar is. “Mijn taxatie is dat de universiteiten daar heel tevreden mee zijn”, zegt hij. “Toevallig heb ik van de week net de zegenende werking gezien. Ik bracht een bezoek aan de Rietveld Academie. In het HBO is die overdracht al eerder geweest, en de Rietveld liep deze zomer tegen een leegstaand fabriekscomplex aan dat zo goed beviel dat ze het van de ene op de andere dag gehuurd hebben. Dat was vroeger volstrekt onmogelijk geweest: dan had je midden in de zomer O. en W. moeten bellen. Je hebt nu een enorme flexibiliteit. Dat je tegelijk zegt: er is eigenlijk te weinig geld voor, dat staat ernaast. De financiering is een probleem. Ja. Daar moeten oplossingen voor komen.”

En dat er nu zoveel meer wordt overgelaten aan de Colleges van Bestuur? Die nu bijvoorbeeld zonder naar de rest van het land te kijken hun eigen hoogleraren aanstellen, met alle risico’s voor een waan-van-de-dag-beleid? Verbazing en lichte verontwaardiging klinken er nu in Cohens stem door: “Het is interessant dat in deze redenering het heil blijkbaar van O. en W. moet komen, terwijl de vorige gedachtegang was dat het daar nu juist niet lag. We wilden het toch zo? CvB’s moeten natuurlijk afwegingen maken, hun autonomie vormgeven. Maar ik heb niet de indruk dat het nu zo slecht gaat met de benoemingen van hoogleraren. Adviezen van zusterfaculteiten spelen een zware rol. De beleidsvrijheid is toegenomen, en dat was ook precies de bedoeling.”

De vraag of hij terug wil komen in een volgend kabinet vindt Cohen de moeilijkste van allemaal, ook al is het hem “prima bevallen.” Hij aarzelt: “Er zijn voors en tegens. Ik weet het echt nog niet.”

“Het Internet brengt juist de vrijheid van drukpers weer terug”

Soms lijkt het door de hype over het Internet wel eens anders, maar de digitale droomwereld, waarin je via je computer een willekeurige vraag stelt, waarna razendsnel het gewenste antwoord op je scherm verschijnt, bestaat niet. Ook niet voor onderzoekers. Wel worden er pogingen gedaan dat paradijs dichterbij te brengen, onder andere door het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten, het NIWI. In de kille dagelijkse praktijk valt dat niet altijd mee, want nog steeds pakt tot dusver eigenlijk alles wat met automatisering te maken heeft anders uit dan verwacht.

“Daar hebben we het al over gehad bij mijn sollicitatie”, lacht dr. Gaspard de Jong (1950), de nog erg verse directeur  van het NIWI, “al tien jaar lang zijn alle verwachtingen en schattingen niet uitgekomen. Elektronische tijdschriften zouden het helemaal gaan overnemen bijvoorbeeld, maar zo hard gaat het helemaal niet. Voorlopig hebben we dit jaar nog vijftien procent meer fotokopieën van artikelen in gedrukte tijdschriften geleverd dan vorig jaar, een groei die niemand verwachtte.”

Documentenleverantie is een van de belangrijkste taken van het NIWI, dat alleen al door zijn eigen collecties uit een zeer breed scala aan bronnen kan putten. Het instituut is twee jaar geleden ontstaan uit vijf Akademie-instituten die stuk voor stuk wetenschappelijke informatie samenbrachten en toegankelijk maakten.

Wie waar welk

Elke neerlandicus bijvoorbeeld kent de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap, samengesteld door het Bureau voor de Bibliografie van de Neerlandistiek, historici konden terecht bij het Nederlands Historisch Data Archief en voor de sociale wetenschappers was er het SWIDOC (het Sociaal Wetenschappelijk Informatie- en Documentatie Centrum). Voor de vraag wie waar welk onderzoek doet in Nederland, bestond al de databank van het Nederlands Bureau voor Onderzoek Informatie en daarnaast maken ook de Bibliotheek KNAW, die vooral veel biomedisch werk bevat, en de afdeling Documentatie en Literatuuronderzoek van de voormalige Stichting voor Onderwijsonderzoek deel uit van het NIWI.

Behalve de bibliografen van de Neerlandistiek, die voor hun werk erg afhankelijk zijn van het depot van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, zit iedereen nu in de oude Coca Colafabriek aan de Joan Muyskenweg in Amsterdam, waar ook het Meertens Instituut gehuisvest is. De start van het NIWI is niet helemaal gladjes verlopen. Vooral de financiën kwamen niet snel genoeg op orde. De Jong klinkt er vrij luchtig over: “Het bleek eigenlijk vooral te gaan om een gebrekkige kwaliteit van de financiële informatie, en ik geloof dat dat een KNAW-breed punt is. Het is vaak ingewikkeld, men loopt gauw achter, en als je vijf organisaties samenvoegt, krijg je de problemen vijf keer. Het denken over de rol en taken van het NIWI is wat afgeleid door de bedrijfsmatige problemen, maar dat is nu over.”

Hoger tempo

De weg is vrij om heel hard aan het werk te gaan, want dat moet, vindt De Jong. En het moet allemaal in een hoger tempo. “Een betrouwbare dienstverlener”, dat is de hoofdfunctie die hij voor zich ziet voor het NIWI. Organisaties die dat willen, zullen straks bij het instituut terecht kunnen voor kennis en ervaring bij het toegankelijk maken van wetenschappelijke informatie. Voor het Internet en andere ‘nieuwe media’ zoals de populaire kreet luidt, is daarbij natuurlijk een hoofdrol weggelegd. De Jong heeft al gesproken met een aantal andere KNAW-instituten over het digitaliseren van hun collecties en archieven. “Ik denk dat er meer samengewerkt kan worden,” zegt hij. “We willen natuurlijk niemand verplichten om bij het NIWI af te nemen, maar we moeten duidelijk maken dat we iets goeds te bieden hebben.”

“Ik denk ook dat de ‘eigen’ gegevens van het NIWI steeds minder belangrijk zullen worden. De dienstverlening aan anderen met collecties zal toenemen. Wel is het prettig dat we zo breed samengesteld zijn. Dat levert contacten in veel werelden op. Echte integratie tussen de verschillende instituten zal vanzelf voortkomen uit het uitwerken van strategische plannen. Zolang iedereen blijft doen wat hij altijd al deed, heeft het geen nut je druk te maken over de buren. Dat komt pas bij nieuwe dingen.”

Duizenden jaren

En die zullen er genoeg komen. “Er is aanwijsbaar iets veranderd in de wetenschappelijke wereld”, zegt De Jong, “en op grote schaal.” Het digitale denken begint gewoon te worden. Maar er moet wel nog onwaarschijnlijk veel ingehaald worden. De Jong: “We hebben duizenden jaren gegevens verzameld. Er ligt dus nog een schone taak. Ontsluiten heeft de eerste prioriteit. Hoe maak ik wat ik heb digitaal? Daar kunnen wij bij helpen, al ligt de verantwoordelijkheid voor wat er toegankelijk gemaakt moet worden natuurlijk bij de collectiebezitters. Wij kunnen gereedschap leveren, en soms misschien ook mensen. Je hebt iemand nodig die duizenden documenten oppakt en vervolgens inscant.”

“Maar daarnaast heb je wat ik de laboratoriumfunctie noem. Hoe kun je effectief zoeken in je gedigitaliseerde materiaal? Je hebt zoekhulpmiddelen nodig. Trefwoorden bijvoorbeeld, thesaurustermen. Maar dat blijft heel lastig, want onderzoekers stellen bijna per definitie nieuwe vragen. Anticiperen op die vragen kan eigenlijk niet. Overigens is het niet de bedoeling dat het NIWI zelf software gaat ontwikkelen. Wij willen alleen laten zien wat je, al dan niet gratis, kunt krijgen.”

Scherpe prijs

De Jong wijst op de bijzondere positie van het NIWI. “Er zijn weinig organisaties die iets dergelijks doen. De UB’s bijvoorbeeld hebben geen middelen, die hebben al moeite genoeg hun collecties op peil te houden, en die hebben ook een heel eigen klantenkring. Wij zijn geen bibliotheek, we hebben er toevallig ook een binnen het instituut, maar die heeft vooral een achterwachtfunctie voor de UB op biomedisch terrein. Er komen niet dagelijks stoeten mensen boeken lenen. In feite hebben we geen echte klantenkring. Dus hebben we ruimte voor dienstverlening. Bovendien hebben we geen winstoogmerk, daarom kunnen we voor een scherpe prijs werken. Nu is men vaak nog aangewezen op bedrijven die niet alleen veel hogere tarieven berekenen, maar die ook vaak niet voldoende kennis in huis hebben over wetenschappelijke informatie.”

Zelf zou het NIWI meer willen weten over het informatiegedrag van wetenschappers. “Daarover hopen we onderzoek binnen te halen”, vertelt De Jong. “Welke invloed heeft de veranderde toegankelijkheid van data? Kijkt men inderdaad via het Internet nog even een paar extra tijdschriften door? Het zou heel goed kunnen zijn dat de overvloed juist averechts werkt. Zoeken is vaak ingewikkeld. Daar komt nog bij dat tegenwoordig veel in grote haast, onder een hoge werkdruk moet. Dan krijg je dat mensen alleen nog de paar toptijdschriften inkijken in de bibliotheek, die toch al met een verschraald aanbod moet werken.”

Massaal opzeggen

Het is al jaren hét grote probleem van alle wetenschappelijke bibliotheken: de aldoor stijgende prijzen van tijdschriften, terwijl de budgetten dat in de verste verte niet bij kunnen benen. De uitgevers hebben dikwijls een monopoliepositie en prijsverhogingen van dertig, veertig procent zijn heel gebruikelijk. Het punt waarop heel veel bibliotheken op onaanvaardbaar weinig tijdschriften een abonnement hebben, is al bereikt. Hoe die neerwaartse spiraal te doorbreken? Allerlei organisaties beraden zich op het moment op een tegenactie. De machtsmiddelen zijn beperkt. Ook als alle wetenschappelijke bibliotheken hun abonnement op een bepaald tijdschrift massaal opzeggen, spreek je nog steeds over een handje vol. Dat zet niet direct  zoden aan de dijk.

De Jong ziet toch allerlei mogelijkheden. “Alle tijdschriften van één uitgever, zou wel iets uitmaken”, zegt hij. “En je moet het mondiaal bekijken. Bibliothecarissen moeten onderling informatie gaan uitwisselen. In Amerika doen ze dat al, maar hier is men eerder geneigd zijn mond te houden, denkt men ‘ik heb een goede deal’. En er is echt een beweging onder wetenschappers in gang gekomen.  Vooral vanuit de Derde Wereld heb je een steeds sterkere roep om gratis toegankelijkheid van wetenschappelijke informatie. Daar is een bibliotheek een onbetaalbare luxe, maar misschien kunnen ze een stap overslaan, en direct via het Internet bediend worden.”

Troep publiceren

De opkomst van elektronische tijdschriften duurt wel langer dan verwacht — volgens De jong onder meer omdat degenen die zitten waar beslissingen moeten worden genomen, zoals in de redacties van tijdschriften, horen tot de oudere generatie die het minst met het Internet opheeft — ze gaan er wel degelijk komen. “Als een paar van de betere tijdschriften daar hun gezag aan verlenen, dan zou het wel eens heel snel kunnen gaan,” schat De Jong. “Ik zie daar ook een taak voor de KNAW. Er is geen enkele reden waarom je elektronisch niet dezelfde kwaliteit zou kunnen leveren als op papier. Gelegenheid tot troep publiceren was er altijd al. Het Internet brengt juist de vrijheid van drukpers weer terug. Het is echt een revolutie omdat het drempels verlaagt.”

De Jong weet ook hoe je het zo kunt financieren.  Kijk”, legt hij uit, “we betalen nu ook de tijd die het kost om artikelen te reviewen. Hoeveel extra zou het nou kosten als je gaat uitgeven via het net? Nu worden de kosten van publicaties gedekt door advertenties en abonnementen. Abonnementen hou je. Natuurlijk kun je een elektronisch tijdschrift makkelijk illegaal doorsturen, maar dat heb je met software ook. Het is deels een kwestie van fatsoen. Ik denk dat er een verschuiving moet optreden naar de onderzoekers. Die hebben vaak het grootste belang bij een publicatie. Daarom zou ik er voor zijn een review charge in te voeren. Dat je pakweg duizend dollar betaalt om te mogen worden beoordeeld. Dat lijkt misschien veel, maar in verhouding tot een heel onderzoek is het niet duur. En nog een voordeel is dat men dan wel uitkijkt met insturen, dat winkelen bij redacties. Je raakt bovendien misschien af van de groeiende gewoonte om met het oog op een langere publicatielijst ‘the least publishable units’ uit te brengen.”

“Een beetje een probleem zou kunnen zijn dat tijdschriften nu dikwijls gekoppeld zijn aan het lidmaatschap van een vereniging. Daar zullen die verenigingen iets op moeten verzinnen, dan moeten ze maar meer gaan bieden, dat kan best. Maar met een elektronisch tijdschrift bespaar je natuurlijk ook heel veel kosten. Geen drukken, verzenden, porto. Je hebt alleen nog de staf van je bureau nodig.”

Kwakzalvers

De Jong vindt de peer review erg belangrijk. “In Amerika is er een plan van de directeur van de NIH, de National Institution of Health, voor een centrale server met artikelen op biomedisch gebied. Ze willen alleen faciliteiten bieden, dus ook kwakzalvers zouden er hun stukken op kunnen zetten. Daar lopen nu verhitte discussies over op het Internet. Mijn eigen ervaring is dat artikelen beter worden van het commentaar van anderen.”

De Jong, die zelf beleid en management in de gezondheidszorg als achtergrond heeft, en de laatste paar jaar werkte als Algemeen directeur van het iRv Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap in Hoensbroek, was maar liefst twaalf jaar hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg. “Je treedt op als filter”, zegt hij daarover. “En met het Internet kan er nog meer. Je kunt commentaren bij de artikelen zetten, en commentaren bij commentaren. Dat kan dan doorgroeien.”

Op de website van het NIWI (www.niwi.knaw.nl) is te zien welke collecties en archieven via het net toegankelijk zijn, en wat het kost (abonnementen meestal tussen de vijfhonderd en 2500 gulden per jaar, dat laatste voor heel grote netwerken). Ook zijn er talloze links te vinden naar andere organisaties, van het Bisschop Bekker Instituut dat onderzoek naar geestelijk gehandicapten bevordert tot het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek, van de Nationale Ombudsman tot de New Scientist, het NIPO en het CBS. Ook NIWI-producten, zoals de inhoudsgaven van biomedische en maatschappijwetenschappelijke tijdschriften, staan hier in de etalage.

 

 

 

 

Contractonderzoek: Bepaalt wie betaalt?

Al snel zijn er op de borrel na afloop alleen nog een paar journalisten overgebleven, die praten met de aanstichter van de lange, vorige maand door de KNAW gehouden themabijeenkomst over contractonderzoek: prof. André Köbben, inmiddels met emeritaat, maar geen spatje minder fel over de onderzoekswereld. Het gesprek gaat over de gewone, dagelijkse gang van zaken bij onderzoek-in-opdracht. Althans, Köbbens stelling is dat wat hij en Henk Tromp vorig jaar in hun boek De onwelkome boodschap beschreven veel blootlegt van hoe het normaal gesproken toegaat tussen onderzoekers en hun opdrachtgevers.

De invloed van de betalende instantie op wat er van resultaten naar buiten gebracht wordt, bleek groot. Soms leidt dat tot een heus conflict, dat dan de kranten bereikt en de onderzoeker zijn baan kan kosten, maar veel gebruikelijker is het dat er onderhandeld wordt, vatte Köbben die ochtend nog eens samen voor een opmerkelijk volle zaal in het Trippenhuis. Het draait meestal uit op compromissen: ‘ik zal dit en dit in het onderzoeksverslag weglaten als dat kan blijven staan’.

Köbben is nog steeds een beetje beduusd van de heftigheid van de reacties op het boek, maar schetst ze helder. Degenen uit de bestuurs- en managementhoek bagatelliseren de zaak, anderen zeggen ‘het zal wel gebeuren, maar bij ons komt dat niet voor’, en verder zou het alleen om een verzameling losse anekdotes zonder enige bewijskracht gaan. Maar volgens Köbben zijn percentages echt niet te berekenen. Over het meeste hoor je eenvoudigweg nooit iets, maar het is één grote onderhandelingshuishouding, waarbij bijvoorbeeld de kansen nog eens voor dezelfde opdrachtgever onderzoek te mogen verrichten een stevige rol spelen.

De psychologische en sociologische mechanismen waar Köbben het in feite over heeft, laten zich niet gemakkelijk vastpinnen, maar in de loop van de themadag komen er ook harde cijfers en voorbeelden langs. Vaak bijna terloops, middenin de merendeels wat academische discussies. Zoals dat maar liefst een kwart van de totale inkomsten van universiteiten nu uit contractonderzoek komt, en dat het ontwikkelen van medicijnen volledig ondenkbaar is zonder geld, veel geld, van de industrie. Bij academische financiering is er tussen de nul en de 25 gulden per patiënt beschikbaar, terwijl de farmaceuten 500 tot 1500 gulden per patiënt leveren.

De invloed van de industrie heeft tenminste twee aanwijsbare gevolgen. Onderzoek naar wat er gebeurt als je geen medicijnen geeft, is weinig populair, net als dat naar het afbouwen van medicatie.  De vice-voorzitter van de Gezondheidsraad en hoogleraar huisartsgeneeskunde J.A. Knottnerus vertelt dat in zijn praatje, en komt bovendien met de uitslag van een onderzoek naar zeventig recent verschenen studies. In 96 procent van de gevallen waar nieuwe medicijnen een positief effect bleken te hebben, was er een relatie met de industrie. Toeval? Maar wat te denken van de uitslag van 44 studies naar geneesmiddelen tegen kanker. Wanneer die door de farmaceutische industrie betaald waren, bleken ze acht keer minder vaak tot een ongunstige conclusie te leiden dan bij non-profit studies.

Ook een praktijkverhaal van de hoogleraar neurologie J. van Gijn geeft te denken. Hij was een tijdje voorzitter van een ‘Data Monitoring and Safety Committee’, dat de onafhankelijkheid van door de industrie gefinancierd onderzoek moet garanderen in de laatste onderzoeksfase, bij de zogeheten clinical trials. Maar de industrie bleek zich zozeer te bemoeien met de gang van zaken — zelfs met hoe vaak het comité naar de gegevens mocht kijken — dat Van Gijn zich genoodzaakt zag af te treden. Wie zijn opvolger werd, weet hij niet, maar dat die gevonden is staat voor hem vast.

Tegen het eind van de dag verlevendigen de professoren Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, en Willem Wagenaar, rector-magnificus van de universiteit van Leiden de discussie door wat tegengas te geven. Volgens Schnabel maakt het allemaal niet zoveel uit welke geldstroom een onderzoek betaalt. Het zijn ongeveer dezelfde mensen die het doen, de verschillen in vrijheid zitten vooral in wat wel en niet gepubliceerd kan worden.

Wagenaar gaat nog een stapje verder. Al die vrijheden die je bij fundamenteel onderzoek zou hebben, bestaan volgens hem helemaal niet.  Je houdt bijvoorbeeld altijd beperkte middelen en je bent zeker niet volledig vrij in je te onderzoeken onderwerpen. Omdat er maatschappelijke taboes bestaan, net als discipline-interne. Commercieel onderzoek kan zelfs grote voordelen hebben: de opdrachtgever wordt vaak niet gehinderd door de ‘bedrijfsblindheid’ die in een vakgebied kan heersen.

Als ook het bedienend personeel is verdwenen, en er alleen nog wat verweesde glaasjes staan, besluiten we het nu doodstille Trippenhuis te verlaten. Op de stoep nemen we afscheid. De conclusie? Köbben heeft gepleit voor een vertrouwenspersoon, liefst onder te brengen bij de Akademie. Ook het woord ombudsman is een paar keer gevallen. Er zal verder over gesproken worden. De jonge radiojournalist, die zonder vooropgezet plan eens kwam kijken, weet ook nog niet helemaal wat hij er nu allemaal van moet denken. Een beetje hoofdschuddend loopt hij de gracht af.

In shock over Jan Peter

Ben nog steeds in shock, merk ik. Jan Peter en ik hebben een gedeeld verleden. Ik wist het eerlijk niet, maar sinds ik erachter ben moet ik er telkens aan denken.

Het komt allemaal door die serie die nu loopt in Vrij Nederland. De gehele JP wordt week na week besproken, ook van toen ie nog helemaal geen MP, niet eens in spe, was.

Eén foto heeft me als een mokerslag getroffen. Ik bladerde onbevangen door het blad en dacht op een goed moment zo vaagweg: die jongen ken ik, geloof ik, waarvan ook weer? 
Het bleek Balkenende te zijn, op z’n 32ste. Lenzen, ander kapsel, echt, je zou hem op straat absoluut niet herkennen. Maar ik herkende ’m wel, van de studentenvereniging waar we tegelijk lid van geweest blijken te zijn. Het was een Pascal-lulletje!

Want die jongens van het dispuut Pascal vonden wij oersaai en braaf. Losers eigenlijk. En passé. Het hoekje rechts-achter op de sociëteit (nou ja, het was een duistere en nogal gore kelder, zij het wel op de Herengracht) daar vond je de laatste resten conservatief Nederland.
Pakken en dassen en wat brallen, en dat ook nog in disputen die uitsluitend uit jongens bestonden. Jongens die angstvallig onder mekaar bleven. In de tweede helft van de jaren zeventig waren die dingen eigenlijk ondenkbaar geworden.

Dachten we. Wij van de vrolijke, informele, maatschappijkritische, onkerkelijke, nogal eens slabakkende, onszelf ontplooiende en bovendien gemengde disputen. Wij waren aan de winnende hand. De wereld was voorgoed veranderd. Dat een enkeling dat nog niet doorhad, ach, pech voor hem.

Het artikel in VN schetst intussen een verenigingsleven in de Jan Peterjaren van bidden en zooien. Balkenendes dispuut Pascal ging later op in het VU-corps, staat er ook. Daar klopt allemaal geen hout van.

Zijn en mijn en nog een heleboel andere disputen waren juist opgegaan in wat vrij vertaald ‘ons vriendenclubje’ heette. Het VU-corps was afgeschaft. Voortaan was er IAN, Institutio Amicitiae Nostrae. Voor wie niet naar het corps wou, geen bal wou worden of zijn. Dat was het idee. Vandaar dat er met mij een hele hoop andere UvA-studenten rondliepen op sociëteit Lanx. Waar echt nimmer nimmer gebeden werd.

Maar ik kan niet anders dan constateren dat er in mijn beeld van toen dingen niet kloppen. Was het te rooskleurig, te naïef? Feit is dat IAN allang weer het VU-corps geworden is. Feit is dat mijn eigen Areiopagos allang weer een jongensdispuut geworden is. Feit is dat het bidden hand over hand toeneemt, net zoals veel te veel andere conservatieve krachten groeien als een gek.

Tegelijk denk ik al sinds zijn aantreden als MP juist over Balkenende dat hij stukken naïever is dan ik. Dat hij een veel te rooskleurig en simplistisch beeld van de wereld heeft. Wat buitengewoon gevaarlijke kanten heeft. Maar ik begin dat nu wel beter te begrijpen. Dat is ook waar mijn shock vandaan komt. Niet van dat ik een generatiegenootje van de minister-president ben en hem vroeger wel eens gezien heb, maar van het feit dat zo’n Pascal-lulletje de koers van het land bepaalt.

Niet doorslaan

Kreeg ik weer eens op m’n kop van u. Waarom in vredesnaam dat hele dikke boekwerk waarover ik het had in het Engels moest. Het ging nota bene over het Nederlands. Belachelijk!

Nou ja, ik begreep de gedachte wel. Zelf had ik net een petitie getekend tegen de trend om alle onderwijs op de universiteiten in het Engels te geven. Vanwege de studenten uit andere landen praat en schrijft en discussieert en leest iedereen bij een rap groeiend aantal studies alleen maar in English. Vanaf dag een.

Heeft dat dan geen grote voordelen? Goed voor de internationalisering en dus vast ook de economie? Goed voor ieders Engels, voor de sfeer? Jawel, ook.

Maar als je nog helemaal thuis moet raken in een vak, dan is het een groot voordeel als je in je moedertaal vragen mag stellen, redeneringen kunt opzetten, werkstukken en scripties moet maken.

De vrijheid en wendbaarheid die je in die moedertaal hebt, voel je nou eenmaal niet in andere talen (ja, tenzij je zo’n bofkont bent die met meer dan een moedertaal is opgegroeid). En dat gemak geeft meer ruimte voor precies begrijpen en je exact uitdrukken, voor nuances, voor verhelderende vergelijkingen, voor alles wat je als student nodig hebt.

Dus alles in het Nederlands? Nee, dat is doorslaan. Iets anders zijn de boeken en de artikelen die je moet lezen.

Want weten wat anderen onderzochten, bedachten of gevonden hebben is de bodem onder elke studie. En ja, dat kan alleen als er een gezamenlijke voertaal bestaat. In de praktijk is dat nu meestal het Engels.

Daarom: als je zelf wil meebouwen aan de altijd maar groeiende berg kennis-met-dwarsverbanden die we wetenschap noemen, dan zul je wél een stap verder moeten gaan, en leren ook in het Engels te schrijven. Maar dat vind ik dus iets voor later.

Niet mijn schuld trouwens dat die Syntax of Dutch die ik laatst noemde niet de Zinsleer van het Nederlands heet. Wel mijn schuld dat ik er niet bij vertelde dat hij bedoeld is voor vakgenoten.

Dat mogen ook moedertaalsprekers zijn van bijvoorbeeld het Duits, Swahili, of Papiaments. En ja, gek genoeg leveren die ons soms meer begrip van het Nederlands op.

Slavinken

Al tachtig jaar bestaat het pond niet meer. Afgeschaft. En het ons ook. Dat gebeurde in de IJkwet van 1937. Kilo’s en grammen heette het voortaan.

Maar ja. U weet hoe dat is afgelopen. Nog steeds bestellen we massaal een pondje jongbelegen en twee ons schouderham in blokjes. En nooit worden we dan niet-begrijpend aangekeken.

De gedachte dat je woorden zomaar van bovenaf kunt opleggen of juist schrappen is nog steeds merkwaardig wijdverbreid. U hoorde vast ook dat de VVD Europese regels wil voor ‘een verbod op vleesnamen voor vegetarische producten’.

Dus weg met de vegaworst en het vegetarische gehakt, want dat is maar misleidend.

Dat hebben ze geweten. Geloei en gehoon barstten los in alle media. En slavinken en berenhappen dan? Dat waren zeker geen misleidende woorden!

En hebben we andersom niet de vleestomaat, de spekkoek, de boterham en de lammetjespap, waar juist geen dier bij komt kijken? Mocht alcoholvrij bier nog wel bier genoemd worden als we zo gingen beginnen?

De VVD (de Volkspartij voor Verbieden en Demagogie las ik) kreeg ongenadig op z’n lazer, en ze hadden het niet eens zelf bedacht daar. De benaming ‘schnitzelgate’ was een succes voordat het hier begon: een Duitse minister had eerder al vegaschnitzelverbodverlangens.

Met een vegaschnitzel is de truc inderdaad dat hij sprekend lijkt op een schnitzel. In dat lijken-op zit namelijk een krachtig, maar tegelijk zeer alledaags woordenmaakmechanisme. Daarom hebben we vruchtvlees en vleestomaten. Het lijkt op vlees. Zoals een dropveter lijkt op een veter. En kokosmelk net melk is om te zien.

Maar vegetariërs eten met smaak vleestomaten, geen mens strikt zijn schoenen met dropveters, en lactose-intolerantie is voor niemand een beletsel een slokje kokosmelk nemen.

Neem kattenstaarten, kattenogen en kattentongen. Dat zijn niet alleen onderdelen waaruit die beestjes zijn opgetrokken, maar – achtereenvolgens – ook pluimvormige planten, lichtreflectoren op de weg en bepaalde koekjes en chocolaatjes. Moeite die zaken uit elkaar te houden? Daar heb ik nog nooit van gehoord.

We komen om in de woorden die de lading niet letterlijk dekken. Dat is heel gewoon.

En bovendien iets waar we onze creativiteit in kwijt kunnen. Tijgerbrood. Oesterzwam. Hagelslag. Bokkenpootjes. Vergelijken levert ons verrukkelijke woorden op. En lekker eten.