Het eeuwige taalchagrijn

Ze geven het nooit op. Wekelijks zijn ze goed voor minstens een hele kolom in de brievenrubrieken van de dagbladen. Ik noem ze de taalchagrijnen.

Ze zijn boos dat de krant ‘chique’ spelt (dat betekent tabak!) of dat een plaats ‘plek’ genoemd wordt, of dat zelfs Van Dale nu al het woord ‘behartenswaardig’ heeft opgenomen, en altijd is de boodschap dat het bergafwaarts gaat met onze taal en cultuur. Ik volg dat gevecht tegen de bierkaai met een mengeling van geamuseerdheid en ergernis. Het verontruste burgermansfatsoen dat er dikwijls uit spreekt doet me grinniken. Hinderlijk vind ik het volmaakte gebrek aan inzicht in de eigenschappen van taal, en de ontstellende arrogantie om te denken dat je je eigen smaak als norm op kunt leggen aan de rest van het land.

Laatst kreeg ik toevallig een oud boekje in handen van een soort ingezonden-brievenschrijver-in-het-kwadraat. Zo’n zuiver geval van een taalchagrijn had ik nog nooit gezien. Meneer N.C. ten Hagen laat zijn verontwaardiging en woede helemaal de vrije loop.

Mijn eigen geamuseerdheid en ergernis bereikten nieuwe toppen bij het lezen van passages als:  “Tientallen voorbeelden zijn er aan te halen van het stupide negatief-gewauwel van omroepers, verslaggevers, ministers, staatssecretarissen, kamerleden en verder allen die voor radio of televisie hun woordje doen! Het is duidelijk dat die negatievelingen min of meer geschift zijn, maar de waanzin is in Nederland zo verbreid, dat het voor een normale nederlander steeds moeilijker wordt aan de infectie te ontkomen. De nederlander die nog gewoon, normaal en beschaafd nederlands spreekt en schrijft, wordt door de dwazen voor ouderwets, bekrompen of iets van dien aard aangezien! Zij kijken je met kalfsogen aan, als je je best doet je taal zo zuiver mogelijk te spreken of te schrijven, vrij van idiotismen, grammaticale fouten, schuttingwoorden, kwajongens uitdrukkingen en perversiteiten!! … Wat een wanorde in Nederland, wat een schooiers, wat een oplichters, wat een verslaafden en sadisten, wat een vandalen en gedegenereerden, maar vooral wat een schenners van de nederlandse taal!!”

Heilige verontwaardiging heeft altijd iets ontroerends. Ten Hagen weet zo absoluut zeker dat hij gelijk heeft en dat hij alleen maar hoeft uit te spellen hoe verschrikkelijk het in dit land gesteld is, om iedereen te overtuigen. En daarmee het geestelijk verval een halt toe te roepen. Wie zijn 93 pagina’s tellende, in eigen beheer uitgegeven boekje De verloedering van onze nederlandse taal gelezen heeft kán toch niet anders dan onmiddellijk zijn leven beteren. Dat rotsvaste geloof spreekt uit elke pagina, en dat moet Ten Hagen op de been gehouden hebben terwijl hij al die uitroeptekens zat te tikken.

Toen hij eind jaren zeventig zijn aanklacht schreef was Ten Hagen zelf al ver in de zeventig. Waarschijnlijk leeft hij nu niet meer, maar uitgestorven is zijn soort nog lang niet. N.C ten Hagen is exemplarisch voor een grote groep mensen.

De meesten zullen zich in iets bedektere termen uitdrukken, en ik hoop dat het niet allemaal net zulke academici-haters zijn (“die zielige mannetjes en vrouwtjes die zo graag drs. of dra. voor hun naam willen hebben”, “.. juristen of andere lieden met een titel voor hun naam, hetzij professor, doctor, ingenieur of het stumperige drs. missen geheel de kennis des onderscheids. Dat wil zeggen dat zij in ’t geheel niet intelligent zijn.”, “die zogenaamde ontwikkelden of geleerden!!”), maar Ten Hagen vertolkt beslist de gevoelens van een deel van het volk.

Dat volk vindt natuurlijk dat alles minder wordt, maar dat is niet interessant. Veel opvallender vind ik dat bij allen die ten strijde trekken tegen de verloedering van onze mooie moedertaal dezelfde misverstanden leven.

Om te beginnen halen ze altijd taal en spelling door elkaar, een vergissing die bijna de complete gealfabetiseerde wereldbevolking maakt. Ook Ten Haven is er diep van overtuigd dat de spellingsvereenvoudiging van vlak na de oorlog het Nederlands vereenvoudigd heeft. En hij heeft het dan speciaal over het afschaffen van de verplichting om verbuigings-n-en (‘van den ouden man’) te schrijven. (Overigens: bent u zich er van bewust dat het volgens de wet nog steeds toegestaan is ze wel te gebruiken?).

Maar dat die verplichting verdween had er alles mee te maken dat niemand die dingen meer uitsprak. Dat gebeurde hooguit nog bij het voorlezen van teksten, niet in alledaagse conversaties.

Het Nederlands was dus al veranderd, de spelling hobbelde daar achteraan. En zeker: het moet voor al die kinderen die die n-en nooit hoorden, en er dus ook geen intuïties over hadden, een hele opluchting zijn geweest dat ze ze niet langer hoefden te schrijven.

Dat het Nederlands door het verdwijnen van de naamvallen gemakkelijker geworden is, denken veel Nederlanders die nu leven en die Duitse rijtjes hebben moeten stampen. Maar het is flauwekul. Een Duits kind leert heus niet moeizamer Duits dan een Nederlands kind Nederlands.

Maar met deze kwestie zitten we wel bij de kern: de gedachte dat je via het onderwijs – dus van overheidswege – taalveranderingen kunt opleggen danwel tegenhouden is de grootste denkfout van wereldverbeteraars à la Ten Hagen.

De taalgemeenschap is het ongehoorzaamste stuk vreten dat je kunt bedenken. Die luistert nergens naar, alleen naar zichzelf. Neem het verdwijnen van die naamvallen: dat is een flink uit de kluiten gewassen taalverandering. Een die zich volkomen buiten het onderwijs om voltrokken heeft. Die zelfs lijnrecht tegen het onderwijs inging.

Ach, het is natuurlijk ook waanzin om te denken dat je je moedertaal op school leert. Op school leer je lezen en schrijven. En ontleden, de bron van weer zo’n onuitroeibaar misverstand. Hoe vaak zou ik nou al gehoord hebben dat ‘men’ tegenwoordig de grammatica van het Nederlands niet meer kent? Ook bij Ten Hagen is het raak, en net als zovelen met hem concludeert hij dat men dus “onze nederlandse taal” niet meer kent.

Stel je voor, dat zou een mooie boel zijn. Als we werkelijk de grammatica van het Nederlands niet meer kenden dan konden we niet met elkaar praten. Maar dat bedoelen de klagers niet.

Met ‘de grammatica kennen’ willen ze zeggen: in staat zijn woordsoorten en zinsdelen te benoemen. Nuttige vaardigheden soms, daar niet van. Ik geloof dat een beetje inzicht in je eigen taal je bijvoorbeeld beslist kan helpen bij het leren van een andere taal. Maar het gaat om inzicht in de kennis die je al had.

Want wie Nederlands als moedertaal heeft kent daarmee vanzelf de grammatica van het Nederlands. Zo simpel is het echt. Zij het dat die kennis wel oneindig veel complexer en interessanter is dan het grammatica-onderwijs op school laat zien. Aan wat ze je daar leren zou je in het dagelijks leven bij lange na niet genoeg hebben.

En dan nog … , probeer u maar eens voor te stellen hoe het zou zijn om inderdaad bewust zinnen te gaan bouwen aan de hand van schoolgrammaticakennis.

Gaat u een hoofdzin of een bijzin maken, of een samengestelde zin? Wordt het misschien een vraag? Waar komt het onderwerp? Vooraan? Kies daar dan een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord of een naam of een verzelfstandigd werkwoord voor, zet daar al of niet een lidwoord bij, of een aanwijzend voornaamwoord of een paar bijvoeglijke naamwoorden, of construeer eerst een zin die de rol van onderwerp kan nemen, waarvoor dan al die keuzes – en nog meer – ook weer gemaakt moeten worden.

Als je bij het praten zo na moest denken zou je gek worden. Andersom, luisterend, zou het ook niet echt opschieten. Prettig dat je eigen zinnen bouwen en die van anderen interpreteren in het normale leven ongemerkt gaat.

Daarom schenken de Ten Hagens er ook nooit werkelijk aandacht aan. De Ten Hagens denken diep in hun hart dat woorden en uitdrukkingen een taal maken. Die vallen hun op. En het moet gezegd: op dat vlak verandert er ook altijd het meest.

Daar kun je volgens de taalchagrijnen dus ook zien dat het Nederlands ziek is, en “taal-injecties en taal-pillen nodig heeft tegen de voortwoekerende infectie” om Ten Hagen nog maar eens aan te halen. Het Nederlands is volgens hem besmet geraakt met “idiotismen” van domoren, stuntels, kwallen, schooiers, taalverminkers, kortom: onbeschaafde lieden, de geestelijke sadisten in onze samenleving. En dat worden er steeds meer. Ze martelen Ten Hagen en andere “beschaafde, intelligente personen” door onverdraaglijke woorden te bezigen als ‘uiteindelijk’, ‘eigentijds’, ‘persoonlijk’, ‘normaliter’ en ‘hartstikke’. Allemaal “ziektes”.

Grof geschut voor woorden waar nu al helemaal niemand meer problemen mee zal hebben denk ik. En altijd zijn het dezelfde argumenten waar mensen als ten Hagen mee komen: de woorden zijn ‘overbodig’ of ‘onlogisch’. Zeggen dat je iets “met eigen ogen” gezien hebt is dom, want met wiens ogen had je het dan willen doen. Iets “ontzettend leuk” vinden kan niet, want die twee woorden spreken elkaar tegen. “Niet slecht” zeggen tegen iets dat je goed vindt is ook al uit den bozen, want waarom zou je?

Ja, waarom zou je. Voor de variatie meneer Ten Hagen, of uit speelsigheid, of om er de nadruk op te leggen. Eens een ander woord gebruiken, of een woord anders gebruiken geeft de kans iets extra’s te doen, wat creativiteit kwijt te raken.

Goed voor de geestelijke gezondheid, om een onderwerp aan te snijden dat u ook graag van stal mag halen. Ten Hagen vindt zelfs dat er een GEESTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST (hoofdletters van hem) moet komen, om het Nederlands van de verloedering te redden. Voor je het weet heb je Orwells Thought Police in huis. Ondertussen trekt geen taal zich iets aan van reactionaire praat. De taalchagrijnen mogen tot in lengte van jaren humeurig blijven, taal is daar totaal ongevoelig voor. Ten Hagens aller landen: toe, spaar jezelf de moeite en stop je energie eens in iets waar je misschien nog wat voor terugkrijgt. 

Noot: Hierna schreef ik nog één column, maar de volgende O is nooit meer uitgekomen. Einde van een blad dat in zijn onderwerpskeuze z’n tijd nogal ’s vooruit was. Ik heinner me nog dat ik de column wel betaald heb gekregen. Reden te meer hem toch een keer te publiceren. Als extraatje. Hier komtie.

EXTRA

Nooit gepubliceerde column

TAAL

Shampoo in een eeuwigdurende loop

Weet u hoe u uw haar moet wassen? Ik ook. Al jaren. Maar de producent van mijn shampoo denkt dat we het niet weten. Want zo lang als ik me kan herinneren ‑ en ik ben heel trouw aan mijn merk ‑ staat er een gebruiksaanwijzing op iedere fles die ik koop. Ik geloof niet dat de tekst ooit wezenlijk veranderd is, dat zou me opgevallen zijn: op de w.c. en in bad heeft een mens vaak niets beters te doen dan te lezen wat hem toevallig voor ogen komt.

Bijna ritueel lees ik daar dan ook dezelfde woorden honderden keren opnieuw. Schoonmaakmiddelen, wc‑papier, douche‑gel, alles wat maar in een beschreven verpakking zit valt ten prooi aan mijn onbedwingbare leeslust.

Dat zinloze lezen geeft een vervreemdend effect. Voor hele zinnen geldt blijkbaar hetzelfde als voor losse woorden: als je ze maar dikwijls genoeg herhaalt krijgen ze op den duur iets raars. Vooral kinderen spelen dat spelletje graag: vijftig keer achter elkaar erwt of tafel of speelgoedautootje of iets dergelijks zeggen.

Elk woord wordt op die manier ‘gek’, en dat komt omdat het los wordt gemaakt van zijn inhoud. De koppeling vorm‑betekenis gaat meestal zo automatisch dat we ons niet eens bewust zijn van het feit dat woorden allebei die aspecten hebben. Sterker nog: vorm en inhoud zijn zo verbonden dat wie voor het eerst een vreemde taal leert het vaak eigenlijk maar idioot vindt dat Fransen, Duitsers of Engelsen tegen een tafel niet ook gewoon tafel zeggen.

Taalbespeler Battus speelt in zijn Encyclopedie prachtig op die kinderlijke gedachte in door onder het lemma ‘taal’ te vermelden dat onze taal een wonder van vernuft en charme is, wat je onder meer direct kunt zien aan het feit dat wij voor een tafel het handigste en precies raakste woord ‘tafel’ hebben. En zo is het. Voor ons gevoel dan, en zolang we er niet over nadenken of woorden en zinnen isoleren. 

Maar ik geloof nooit dat de schrijvers van teksten op allerlei wc‑ en badkamerproducten zich realiseren dat hun schrijfsels vanzelf holle frasen worden voor veel mensen (ik deel mijn afwijking ongetwijfeld met heel wat anderen). Zij hebben andere bedoelingen.

Aan die van mijn shampooproducent erger ik me al jaren. De gebruiksaanwijzing luidt namelijk alsvolgt: ‘Op vochtig haar inbrengen. Licht inmasseren. Even laten inwerken. Zorgvuldig uitspoelen. Behandeling herhalen.’ Wat de fabrikant wil, is denk ik het volgende: ik moet mijn haar niet één maar twee keer wassen en zo zijn omzet verdubbelen.

Dat is natuurlijk onzin. Als je je haar net gewassen hebt dan is het bij een fatsoenlijke shampoo schoon, en dat is nu net het moment waarop je het niet hoeft te wassen. Een goedkope verkooptruc dus, zij het een waaraan wel meer fabrikanten zich schuldig maken.

Misschien erger ik me daarom uiteindelijk nog het meest aan de fout die de maker van dit toch zo eenvoudige tekstje gemaakt heeft. Hij (of zij, wie zal het zeggen), zegt namelijk niet wat hij bedoelt. Wie deze gebruiksaanwijzing opvolgt staat tot in lengte van jaren  zijn haren te wassen. Het rijtje opdrachten keurig uitvoeren leidt er immers toe dat je iedere keer opnieuw de behandeling herhaalt.

Waren we geen mensen, maar computers dan zouden we met deze voorschriften vast komen te zitten in een eeuwigdurende lus. Tot ons geheugen vol was. Iets dat trouwens bij mensen veel eerder het geval is dan bij computers.

In de structuur van menselijke taal kom je dat ‘Drosteblikjes‑effect’ namelijk ook heel veel tegen  (je kunt bijvoorbeeld binnen een zin een bijzin beginnen, waarin weer een bijzin zit, waarin enzovoort), maar erg ‘diep’ kijken kunnen we meestal niet.

Probeert u de volgende zin maar eens uit te plussen: de tekst op de shampoo die het meisje dat haar haar dat vies was wilde wassen las bevatte een onzinnige gebruiksaanwijzing.

Daar zit het randje van ons geheugen. Meer ‘tussenresultaten’ (het bijhouden van wat bij wat hoort, taal is vaak rekenen) kunnen we blijkbaar niet vasthouden.

Maar ook met die geheugenbeperkingen is het Droste-effect (of: recursie) verantwoordelijk voor een van de belangrijkste kenmerken van menselijke taal: het oneindig aantal mogelijkheden om zinnen te bouwen.

Recursie is echt een natuurverschijnsel. Maar geen gemakkelijk begrip. Dat je iets op zichzelf kunt toepassen, dat je binnen de uitvoering van een procedure diezelfde procedure kunt ‘aanroepen’, is een gedachte waar iedereen in eerste instantie aan moet wennen.

Een verhelderend voorbeeld van een recursieve wet vind ik De Wet van Hofstadter. Die luidt aldus: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, ook al houd je rekening met de Wet van Hofstadter.’ Een perfecte formulering van een overbekende frustratie: je wéét dat het langer zal duren dan je nu denkt, en dan nog valt het altijd tegen.

Hofstadters wet staat in zijn – ten onrechte veelal ongelezen gebleven – tophit Gödel, Escher, Bach. Daarin worden overigens allerlei recursieve structuren en processen besproken. Ook de in de jaren tachtig pas echt populair geworden fractals, die prachtige grillige patronen die zichzelf herhalen en die je terugziet in kustlijnen, bomen, bergen en dergelijke.

Maar recursie zit in de meest simpele dingen: bij gewoon tellen herhaal je ook steeds dezelfde stap, desnoods tot in het oneindige.

De recursie in taal laat Hofstadter jammer genoeg liggen. Terwijl bijvoorbeeld Ray Jackendoffs uitwerking van de X-bar-theorie toch al wereldfaam had op het moment dat Hofstadters boek geschreven werd. Zonde dat onderzoeksresultaten uit het ene specialisme maar heel moeizaam doordringen bij een ander specialisme.

Maar goed, de X-bar-theorie. Zelf vind ik die van een verpletterende schoonheid, een van de mooiste inzichten in taal die er bestaan. Hij komt ongeveer op het volgende neer: de bouwprincipes voor taal zijn aldoor dezelfde, voor alle soorten basisbouwstenen die je gebruikt. Stukjes bouwsel die je met behulp van die bouwprincipes gemaakt hebt kunnen bovendien zelf weer een gewone basisbouwsteen zijn, waarmee je een groter geheel kunt bouwen.

Ingewikkeld? Tamelijk, maar minder ingewikkeld dan het op het eerste gezicht lijkt. Er zijn namelijk niet veel bouwprincipes, en er bestaan ook maar weinig basisbouwstenen. Je hebt om te beginnen vier hoofdsoorten woorden. Er zijn werkwoorden (standaardafkorting V van Verb), je hebt namen, voornaamwoorden en zelfstandige naamwoorden (aangeduid met N van Noun), dan zijn er bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden (A van Adjective en Adverb) en voor- en achterzetsels (P van Pre- en Postposition).

De categorieën V, N, A, en P hebben een eigenschap gemeen: ze kunnen allevier als uitgangspunt dienen voor het bouwen van een constituent, in het Engels: phrase of P. Zo krijg je VP’s, NP’s, AP’s en PP’s. Dat zijn de elementen waarmee je zinnen kunt maken. Soms bestaan ze uit één woord, vaak ook uit meerdere.

Grove test: een phrase kun je in zijn geheel op een andere plaats in de zin zetten. Neem het volgende voorbeeld: ‘Die bloedmooie jongen zit elke avond in de kroeg op de hoek’. Daarin horen de drie woorden ‘die bloedmooie jongen’ duidelijk bij elkaar, en hetzelfde geldt voor ‘elke avond’ en ‘in de kroeg op de hoek’, terwijl ‘zit’ in z’n eentje een constituent vormt. Je kunt wel zeggen: ‘In de kroeg op de hoek zit elke avond die bloedmooie jongen’, waarbij alle phrases intact zijn gebleven, maar niet ‘In bloedmooie die elke jongen kroeg de zit avond hoek de op’, om er maar eens een geval van walgelijke woordsalade van te maken.

‘Die bloedmooie jongen’ is een voorbeeld van een NP, de N ‘jongen’ wordt het hoofd van de phrase genoemd. Binnen die NP zit een AP die in dit geval maar uit een woord bestaat: de A ‘bloedmooie’.

Bij de PP ‘In de kroeg op de hoek’ is het verschijnsel recursiviteit heel mooi aan het werk te zien. Het voorzetsel ‘in’ is het hoofd. Bij het hoofd hoort een NP: ‘de kroeg op de hoek’, maar die NP bestaat zelf weer uit een hoofd (‘de kroeg’) en een PP ‘op de hoek’, die op zijn beurt ook uit een hoofd (‘op’) en een NP (‘de hoek’) bestaat.

Je kunt daar heel gemakkelijk nog verder in gaan, en er een soort drietrapsraket van maken: ‘in de kroeg op de hoek van de straat’ waarbij je drie van elkaar afhankelijke PP’s hebt, en zelfs een vierde trap laat zich eenvoudig aanhaken: ‘in de kroeg op de hoek van de straat achter de kerk’. PP’s kunnen dus NP’s bevatten (in de kroeg), maar NP’s ook PP’s (de kroeg op de hoek).

De mogelijkheden om al die constituenten te combineren zijn duizelingwekkend. Het lijkt wel of alles in elkaar grijpt.

Maar bij het bouwen van phrases (de verzamelterm luidt XP’s) moet altijd aan ongeveer dezelfde voorwaarden voldaan worden, het gaat allemaal op dezelfde manier. Telkens combineer je een hoofd met een of meer XP’s tot een grotere XP, en uiteindelijk kom je bij de grootste XP: een hele zin.

De bouwvoorschriften kunnen wel van taal tot taal (licht) verschillen. Zo komen bijvoorbeeld de A’s in het Frans meestal rechts van de N te staan (une chose grande), in het Nederlands is het andersom (een groot ding). ‘Het hoofd regeert naar rechts of naar links’ is het majestueus aandoende jargon hiervoor.

Recursie is een machtig en prachtig instrument. Het basisgegeven is begrijpelijk, en geeft daarom ook echt inzicht, terwijl wat je ermee kunt doen letterlijk eindeloos is. Hoog tijd dat de woordenboeken Nederlands van Van Dale en Koenen het woord eens opnemen trouwens.

Het lot van de boodschapper (m/v)

Het raadseltje is al heel oud: vader en zoon krijgen een vreselijk auto-ongeluk en worden alletwee zwaargewond naar het ziekenhuis afgevoerd. De vader overlijdt onderweg. Als de zoon op de operatietafel ligt deinst de chirurg terug en stamelt: “Oh nee, deze operatie kan ik niet doen, dat is mijn zoon.” Rara. Bent u een gore seksist of weet u het antwoord? Douglas Hofstadter, de man van Gödel, Escher, Bach, niet de minste dus, wist het na ongeveer een minuut diep nadenken.

Achteraf schaamde hij zich zo verschrikkelijk dat hij er niet meteen op had kunnen komen dat er ook vrouwelijke chirurgen bestaan, dat hij besloot zijn leven te beteren. Sindsdien schrijft hij sekse-neutraal. Dat wil zeggen, hij vermijdt formuleringen met ‘he’, ‘his’ en ‘man’ of ‘men’ zoveel mogelijk. In plaats daarvan gebruikt hij veel ‘they’ en ‘that person’, of hij omschrijft iemand met behulp van diens positie of functie: ‘the logician’, ‘the letter carrier’ (in plaats van ‘the mailman’).

Hofstadter stopt een hoop tijd en energie in die eenmansactie van ‘m. Hij heeft er ook echt over nagedacht en verwerpt lelijke maar makkelijk uitvoerbare oplossingen als telkens hij of zij schrijven, of die twee woorden consequent afwisselen.

Dat ziet er onnatuurlijk omslachtig uit en leidt de lezer af, vindt ook hij. Dus hij schuift en zoekt en doet van alles om maar niet seksistisch te schrijven. Weliswaar twijfelt hij zelf wel eens aan het nut ervan, maar hij gelooft toch dat er te gemakkelijk over het onderwerp heen gestapt wordt. Het veelgehoorde argument dat woorden als ‘hij’, uitdrukkingen met ‘man’ erin en de aanroep ‘hé jongens’ tegenwoordig net zo goed op vrouwen kunnen slaan, gaat er bij hem niet zomaar in.

Met een analogie probeert hij dat duidelijk te maken en het seksisme in taal bloot te leggen: van seksisme maakt hij racisme. Het moet gezegd, alle man-vrouw-verschillen in taal veranderen in blanke-zwarte-verschillen geeft een tamelijk krankzinnig resultaat. In een bladzijdenlange aanklacht tegen dat gezeur van ‘negristen’ vervangt Hofstadter elk woord met ‘man’ door een woord met ‘white’ (‘mailwhite’, ‘Frenchwhite’, “there is great beauty to a phrase such as ‘All whites are created equal'”), ‘he’ is ‘whe’ geworden etcetera. Om van ‘white’ telkens ‘person’ te maken, zoals de negristen wensen, zou natuurlijk idioot zijn (‘a person Christmas’, ‘egg persons’), is de strekking van het verhaal.

Hofstadters ideeën over dit onderwerp en dat racistische stuk tekst zijn te vinden in zijn boek Metamagical Themas, de bundeling van zijn columns uit Scientific American: een prachtig boek dat even prachtig vertaald is door het trio Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters.

Zij vonden mooie equivalenten in het Nederlands met ‘blank’ voor ‘man’ (‘drieblankschap’, ‘groenteblanke’, ‘op de blanke af’), en ‘persoon’ in plaats van ‘blank’ (‘Oranje-Persanje-Bleu’, ‘de handel in persoonlijke slavinnen’, ‘Aan de persoonlijke top der duinen’).

Hofstadter was er van overtuigd dat juist dit stuk uit zijn boek niet vertaald zou kunnen worden. De vertalers bewijzen in elk geval dat dat wel kan. Maar bewijzen ze nu ook dat het Nederlands een smerig seksistisch taaltje is? Of wijst Hofstadters tekst uit dat het Engels seksistisch is?

Zo simpel is het niet. Analogieën zijn gevaarlijke dingen: ze gaan namelijk nooit helemaal op. Hofstadter gaat er veel te veel van uit dat de betekenis van woorden vastligt. Maar we stellen de betekenis van woorden juist telkens bij, afhankelijk van onze ervaringen met dat woord.

Ik meen eerlijk dat Hofstadter het op de verkeerde plaats zoekt. Dat mensen bij het woord chirurg of wiskundige eerst aan een man denken heeft niet zozeer te maken met hun zwarte seksistische zieltjes, het komt eenvoudig doordat de meeste  chirurgen en wiskundigen mannen zijn. Van allerlei woorden hebben we een soort prototype in ons hoofd.

Als je proefpersonen daarnaar vraagt blijken ze dezelfde prototypes in hun hoofd te hebben voor bijvoorbeeld groenten en vogels. Bij ‘vogel’ komen ze eerst met ‘mus’ en ‘merel’ aanzetten, en zien ze niet meteen een pinguïn voor zich, dat is namelijk een weinig vogelachtige vogel. Vraag je ze om typische groenten, dan scoren bloemkool en worteltjes hoger dan aubergines. Prototypes zijn ondermeer gebaseerd op wat we het meest om ons heen zien, en ze kunnen dus ook flink verschillen van cultuur tot cultuur.

Zo is een vrouwelijke chirurg nog steeds een weinig chirurg-achtige chirurg. Evenals een vrouwelijke voorzitter, top-industrieel of rechter. Degenen die toevallig veel met een vrouwelijke rechter in aanraking zijn gekomen hebben hun prototype ‘rechter’ al bijgesteld, voor anderen zal dat nog even duren. Dat regelt zich vanzelf wel.

Aangenomen althans dat de verdeling van mannen en vrouwen over allerlei posities en functies in de maatschappij daadwerkelijk zal veranderen. Tenslotte hebben wij ook een heel andere voorstelling bij het woord ‘dokter’ dan onze voorouders een paar honderd jaar geleden: dokters kunnen en doen nu andere dingen dan toen. Dat heeft de betekenis van dat woord bijgesteld.

Het is merkwaardig hoe kortzichtig ook verstandige mensen dikwijls zijn als het om taal gaat. Ik erger me vrijwel dagelijks rot aan het feit dat taal altijd de schuld krijgt. ‘Verbeter de wereld, begin bij de benamingen voor dingen’ lijkt voor bosjes goedbedoelende idealisten het motto. Maar het betekenisverschil tussen ‘secretaris’ en ‘secretaresse’ komt alleen maar voort uit de praktijk, het zit ‘m niet in die woorden.

Ze vervangen door andere heeft geen zin als de wereld niet verandert. Doet hij dat wel, dan komen de woorden vanzelf: ik ben secretaris van een stichting. De trend is duidelijk wat dit betreft: de doctoranda is vrijwel verdwenen, ook vrouwen noemen zich tegenwoordig historicus, voorzitter, journalist. De mannelijke vorm wint het ja, maar over een tijdje slaan die woorden voor iedereen zowel op mannen als op vrouwen. Taal past zich aan aan de praktijk. En dat kun je niet omdraaien.

De gedachte dat je de wereld kunt veranderen door taalveranderingen op te leggen (of tegen te houden) is een diepgeworteld misverstand. Laten we de negers geen negers meer noemen maar zwarten! En de blanken witten. Alsof de taxichaufeurs in Amsterdam dan ineens geen racistische taal meer uitslaan (Echt zelf gehoord: “Nee, zo’n groepje zwarten laat ik staan hoor, die zoeken maar een andere taxi”). Alsof je anti-semitisme kunt verhelpen door over ‘joodse mensen’ te gaan praten.

Goedbedoelde domheid. Voor de zoveelste keer wordt de boodschapper vermoord. Precies hetzelfde doen de klagers die maar doorzeuren over de verloedering van onze taal. Al die anglicismen die het Nederlands binnensluipen, die vervuiling moet op alle mogelijke manieren tegengegaan worden! En hoe denken ze dat doen? Met behulp van ingezonden brieven. Want het is allemaal slordigheid en onoplettendheid van dat tuig dat tegenwoordig de kranten vol mag schrijven.

Maar dat is het niet. Iedereen gaat voorbij aan de werkelijke reden dat we nu veel meer Engelse woorden gebruiken dan vijfentwintig jaar geleden. Die heeft alles te maken met zaken als economie en politiek. En met de televisie.

Het is de angelsaksische cultuur die binnendringt. En die brengt woorden met zich mee. Als wij allerlei zaken uit Amerika gaan overnemen, of het nu resultaten van wetenschappelijk onderzoek zijn of oplossingen voor maatschappelijke problemen, of de inrichting van het onderwijs, dan nemen we vaak automatisch ook de Amerikaanse benamingen over (‘black spots’, ‘graduate schools’, ‘management trainingen’). Als we dag en nacht Engels horen in series, popsongs en noem maar op, allicht dat we daar wat van meenemen. De woorden film en sport zijn ook ooit op die manier in het Nederlands terecht gekomen: we hebben hetgeen waarvoor ze staan met naam en al geimporteerd.

Als die angelsaksische invloed al erg is, dan zijn het in ieder geval niet de Engelse woorden die erg zijn. Die passen zich namelijk keurig aan aan hun nieuwe omgeving. Vreemd toch dat juist de taalpuristen nooit oog hebben voor de onvoorstelbare kracht van het taalsysteem dat ze menen te moeten verdedigen.

Zodra een woord geleend wordt, krijgt het met het Nederlandse systeem te maken: werkwoorden krijgen Nederlandse uitgangen (‘surfen-surfte-gesurft’, ‘debuggen-debugte-gedebugt’) en de uitspraak past zich automatisch aan aan hoe wij praten. En hoe langer het woord het uithoudt, hoe Nederlandser het gaat klinken (niemand praat over hemburgers of spreekt het woord computer uit met de extra ademtochten die Engelssprekenden gebruiken).

Enfin, boodschappers doodschieten en oorzaak en gevolg door elkaar halen zijn nu eenmaal een geliefd tijdverdrijf. De oude Grieken dachten al dat alle andere mensen barbaren waren omdat ze geen Grieks spraken. Jammer dat de beschaving sindsdien zo weinig opgeschoten is. 

Manipuleren mag

Wist u dat onze kroonprins al jaren vecht tegen een krokettenverslaving? Alle snackbarhouders in Leiden, waar de prins geschiedenis studeert, hebben onlangs in het diepste geheim bezoek gehad van een employé van het koninklijk huis.

Willem-Alexander is zo verslingerd aan de oerhollandse lekkernij (de kalfskroket is zijn grote favoriet), dat hij vaak ’s nachts zijn huis aan het Rapenburg uitsluipt, op zoek naar een krokettenbakker die nog open is.

Vindt hij er een, dan bestelt hij direct een dozijn kroketten, die hij achter elkaar naar binnen propt. In het ontlopen van zijn bodyguards is Alex, zoals onze toekomstige koning voor vrienden heet, een expert geworden. Een onhoudbare toestand. Daarom heeft onze vorstin opdracht gegeven om alle krokettenverkopers in Leiden en omgeving persoonlijk te benaderen. Hen is gevraagd de prins nooit meer een kroket te verkopen en dit “geheim van Huis Ten Bosch” goed te bewaren. In ruil daarvoor kreeg iedereen f 5000,- zwijggeld uitbetaald. Dat geld moet ook de misgelopen inkomsten goedmaken.

Exclusief voor O wil snackbarhouder J.R. toch vertellen over Willem-Alexanders junkiegedrag. “Ik hou erg veel van ons koningshuis, maar het Nederlandse volk heeft er recht op te weten dat de kroonprins verslaafd is”, zegt R. terwijl hij een portie bitterballen in het vet gooit.

De rest mag u zelf verzinnen. Net als de details over de liefdesrelatie tussen Ruud Lubbers en Hanja Maij-Weggen. En het ware verhaal achter het dreigend failliet van Freddy Heineken. Of bedenk zelf een roddelartikel dat u meer aanspreekt.

De methode is simpel: roer verzinsels en feiten door elkaar. De onderlinge verhouding tussen die twee ingrediënten en de vorm waarin het mengsel gegoten wordt bepalen de geloofwaardigheid van het eindprodukt.

En met dat recept valt grof geld te verdienen. De Story en de Privé zijn het levende bewijs, en ik begrijp dat heel goed. Waarschijnlijk ben ik belachelijk naief, maar ik kan me telkens opnieuw verbazen over ‘de macht van het woord’, om het maar even ruim te definiëren.

Ik vind het namelijk zo moeilijk me eraan te onttrekken. Als ik hoor dat Nancy Reagan het deed met Frank Sinatra, dan maak ik me daar automatisch een voorstelling van, of ik het nou geloof of niet. Al weet ik nog zo goed dat ‘de bladen’ draaien en liegen, toch lees ik bij de sigarenboer iedere week de koppen over liefdesbaby’s, huwelijksdrama’s, geknakte carrières en ander leed.

Ik bewonder Wim Kaasmaker die in het eerste nummer van het fantasievolste blad van Nederland (Peter Mullers De Nieuwe Amsterdammer) zelfs een bericht over winderige oma’s die het Rijksmuseum niet meer in mogen nog een schijn van waarheid wist te geven. Ondanks alle woordspelingen met ‘wind’ die er in het stuk staan.

Het zal allemaal wel met conventies te maken hebben. Ongeschreven regels, waarop een groot deel van de wereld draait.

Een van die regels is dat je er normaal gesproken van uitgaat dat je gesprekspartner niet staat te liegen. In de taalwetenschap staat dat uitgangspunt bekend als een van de samenwerkingsprincipes van Grice. Maar die principes (de andere zijn kort samengevat dat je niet nodeloos veel, of duister of over irrelevante dingen praat, en dat je ervan uitgaat dat degene die je tegenover je hebt dat ook niet doet) bedacht Grice in de jaren zeventig voor gesprekken. Bij woorden op papier wordt het een tikje anders, maar blijkbaar hebben we wel de neiging die principes over te dragen op geschreven teksten, – ze als criterium te gebruiken.

Schrijver en lezer zijn toch op de een of andere manier gesprekspartners. Dat hoor en lees je terug in de oordelen van (al dan niet professionele) lezers. “Die brief is wel goed Frans, alleen die uitweiding over de geschiedenis van onze stichting doet er in dit geval niet toe. Dat hoort er niet in thuis.”  “Meneer van der Heijden, u heeft een meesterwerk geschreven, maar u heeft er teveel woorden voor nodig. Met honderd bladzijden minder had u f 50.000 kunnen verdienen, nu gaat de AKO-prijs aan uw neus voorbij.”  “Aardig stukje dat je gemaakt had voor ons partijblad, ik kon alleen de passage over de noodzaak de kinderbijslag af te schaffen niet volgen.” “Heb je al die artikelen over het enige echte Troje gelezen? Wat een onwaarschijnlijke flauwekul.”

Andersom werkt het natuurlijk ook. Lof gaat naar degene die helder, overtuigend en to the point schrijft. Ik geloof dat slechts een hoogst enkeling er een speciale voorliefde voor duister proza of ‘hermetische’ poëzie op nahoudt. Al verwachten we moeilijk te doorgronden taalgebruik natuurlijk eerder in een roman of dichtbundel dan in het hoofdartikel van de Volkskrant.

De plaats of het decor waarbinnen een tekst te vinden is, speelt een grote rol bij het leveren van een oordeel. Zelfs al voordat je begint te lezen (of te luisteren, maar dat gebeurt weer in iets andere decors) neem je een aantal decorstukken snel in je op. Wat is dit voor tekst? Waar komt hij vandaan, waar staat hij, wie is er aan het woord? Het antwoord op die vragen kleurt de bril waarmee je leest.

Ervaren lezers hebben voor alles een verwachtingspatroon: voor hoofdartikelen, voor officiële brieven, voor recensies, voor novelles, voor de wijkkrant, voor autobiografieën, voor sprookjes, voor elk genre dat ze kennen.

Binnen het genre blijven de samenwerkingsprincipes overigens nog steeds belangrijke criteria. Een science fiction verhaal moet wel intern consistent zijn, in een autobiografie mag niet te veel gelogen worden, een novelle hoort niet wijdlopig te zijn.

Toch ligt hier de goudmijn voor de manipulator. In die verwachtingspatronen. Schokkend vond ik het om een tijdje terug te lezen dat de nieuwste trend bij bedrijven het aanmelden van nepvacatures is. Stel je voor: sta je als werkeloze op het arbeidsbureau (dat zich overigens krankzinnig genoeg nu alweer jaren Jobcentre noemt) in de bakken banen te bladeren, loop je het risico dat de prachtbaan die je ziet helemaal niet bestaat. Dan krijg je op je sollicitatie een briefje thuis “dat er intern een oplossing gevonden is”.

Dat allemaal omdat het bedrijf zo nodig de arbeidsmarkt wilde aftasten. Een ordinair geval van liegen, in een context waar je dat niet verwacht.

En om nog even terug te komen op de samenwerkingsprincipes bij het spreken: dat geldt ook voor beweren dat je een bom bij je hebt in het vliegtuig, terwijl daar geen sprake van is. Ieder jaar opnieuw duiken er berichten op in de kranten over vliegtuigen die vanwege zo’n gek terug naar huis moesten.

Het nieuwste misbruik dat er van ‘de macht van het woord’ gemaakt wordt is bijten of steken met een naald onder het uitroepen van de kreet “ik heb aids”. Nogal een gore truc. Want een besmetting is tenslotte niet helemaal onwaarschijnlijk wanneer je een junkie bent. Voor de agenten die dit overkomt moet het een nachtmerrie wezen.

Ook ‘de bekende hoogleraar’ (his words, not mine) tekstwetenschap Teun van Dijk probeert zijn woorden geloofwaardigheid te geven door gebruik te maken van de omgeving waarin hij zich bevindt: de Wetenschap.

Al jarenlang stuurt hij met jargon doorspekte maar verder totaal ongefundeerde beschuldigingen de wereld in (het komt er geloof ik altijd op neer dat iedereen een racist is), en altijd weer zijn er mensen die hem geloven, al was het alleen al “omdat zo’n man natuurlijk toch niet voor niks professor is”. In de kwestie Komrij (die volgens Van Dijk de werkelijke auteur is van De ondergang van Nederland, een boek dat waarschuwt voor een moslim-machtsovername) is de tekstprofessor geheel door het dolle heen geraakt. Toen bekend werd dat er daadwerkelijk een proces zou komen naar aanleiding van Komrijs aanklacht tegen Van Dijk wegens smaad, liet de hoogleraar weten dat hij nog steeds geen enkel overtuigend argument had gehoord waarom Komrij niet onder de naam Rasoel had geschreven.

Daarmee zette hij een stap die in ieder geval voor sommigen net iets te ver buiten de verwachtingspatronen ligt. Een dergelijke omkering van de bewijslast is ook werkelijk te dwaas voor woorden.

Van Dijk werd prompt uitgefoeterd en -gelachen in het taalprogramma van NOS-radio en in Jan Blokkers column in de Volkskrant. Toch hadden de kranten allemaal zonder verder commentaar (had nou eens even wat collega’s uit de taalwetenschap geraadpleegd, jongens, dan had je kunnen horen hoezeer deze man de risé van het complete vakgebied is, en dat er bosjes taalwetenschappers rondlopen die zich doodergeren aan de slechte naam die die Van Dijk hun vak bezorgt) de reactie van de professor in een berichtje gezet.

Toch leidt het manipuleren van feit en fictie in de juiste context niet tot misbruik en leugens, of de Privé, maar juist tot veel onvergetelijk fraais. Ook de literator is nu eenmaal een manipulator. Pas geleden verschenen er vrijwel tegelijk twee boeken die ik zeer de moeite waard vind, en die allebei met de werkelijkheid spelen: Apenliefde van Theodor Holman en Het zwaard van de kreeft van Margreet Jansen en Henk Pröpper. Ze berusten beide op de realiteit. Ze zijn schrijnend, ellendig en om te lachen (Holman het vaakst), maar ook helder, to the point en geloofwaardig.

Apenliefde lijkt het echtst: het is een verzameling korte stukjes in de ik-vorm die leven en liefdes van een gescheiden vader beschrijven. Herkenbaar en geloofwaardig op elke bladzijde. Nu heeft Holman werkelijk een dot van een dochter van acht, en ook een ex en een moeder, en andere personages uit Apenliefde bestaan ook echt. Toch houdt hij bij hoog en bij laag vol dat geen van de dingen die hij beschrijft ook daadwerkelijk zo gebeurd is. Hij heeft erbij verzonnen, samengeklapt, verdraaid en verfraaid.

Het zwaard van de kreeft wordt gepresenteerd als een novelle, in de hij- en de zij-vorm, maar het beschrijft in werkelijkheid de liefde tussen de twee auteurs. Die mondt uit in een definitieve scheiding omdat zij doodgaat aan kanker. Waar gebeurd ja, en nee, geen eng of sentimenteel boek om te lezen. Natuurlijk is er ook in dit geval uitgedund en vergroot en verkleind, maar Pröpper zegt dat de Janna en Rik in het boek vrijwel compleet de Margreet en de Henk uit de werkelijkheid zijn. Sommige manipulatoren van de realiteit verdienen een enorm lezerspubliek.

Heimelijke toorn

Gek is dat. Vroeger waren cryptogrammen moeilijk. Toen ik jong was werd er met eerbied gesproken over een buurman die ze oploste: zo iemand hoorde tot een speciale, extreem intelligente mensensoort. Tegenwoordig zitten er in de lulligste radioprogramma’s telefoonspelletjes waarbij de luisteraars een prijs kunnen verdienen met de goede oplossing van een cryptogram.

Ook in televisiequizzes zie ik ze voorbij komen, en echt, al die kandidaten zijn er vaak verdomd knap in. Niet alleen in cryptogrammen trouwens. Het valt me al een tijdje op dat ik nauwelijks de televisie meer kan aanzetten of er is het een of andere taalspelletje bezig. Lingo, Boggle, Scrabble, Rad van Fortuin, De Puzzelkampioen, Jackpot, Tien voor Taal, echt alle gezindten (hoe heette die quiz van de EO nou ook alweer, ze waren nota bene een van de eersten) doen eraan mee. Je moet je soms – ok, net iets te vaak – door een verschrikkelijke spelleider heenbijten, maar dat is de moeite waard, want al die spelletjes samen zijn bijzonder inzichtgevend.

Op de televisie loopt namelijk volgens mij een groot, lang psycholinguistisch experiment over woorden. En de kijkers thuis vormen daarbij een soort controlegroep: omdat zij mee moeten kunnen doen, moeten de spelletjes gebruik maken van een type kennis dat we allemaal gemeen hebben.

En met woordkennis is dat het geval. We kennen natuurlijk niet allemaal dezelfde woorden, maar we delen wel de manier waarop ze in ons geheugen zitten. In die taalspelletjes wordt voortdurend het bewijs geleverd dat de structuur van ons mentale woordenboek stukken praktischer is dan die van gewone dictionaires in boekvorm.

Die zijn alleen met behulp van een nogal onnatuurlijk criterium te raadplegen: het alfabet. Terwijl wij in ons hoofd op alle mogelijke manieren kunnen zoeken. Op categorie, op klank, op betekenis, op pure vorm, op associatie. We hebben een netwerk waar voorlopig geen computerjongen of -meisje van durft te dromen.

De programmabedenkers zullen het niet zo in de gaten hebben, maar dat netwerk met al zijn toegangen is hun basismateriaal. En het aardige is dat ze, in hun verlangen de kijkers steeds weer iets nieuws te bieden, voor het oog van de wereld de grenzen en mogelijkheden van dat woordenweb aan het aftasten zijn.

Zelfs zijn ze in staat er nieuwe draadjes bij te spinnen, of bestaande connecties te verstevigen. Want de bouwprincipes voor ons mentale woordenboek mogen dan voor iedereen gelijk zijn, het bouwen zelf gaat als het goed is een leven lang door, en er zijn verschillende onderdelen die je speciaal kunt trainen.

Door puzzelen bijvoorbeeld. Een tijdverdrijf waarbij het al gauw om gecompliceerde zoekactiviteiten gaat. Wie regelmatig alleen maar een eenvoudige kruiswoordpuzzel invult, raakt al getraind in het zoeken op betekenissen en categorieën, gecombineerd met het zoeken op vorm en klank.

En dat alles met fabelachtige snelheid. Als ik u de betekenisomschrijving tijdsaanduiding geef, u vertel dat het een woord van drie letters moet zijn, waarvan de derde een u is, dan weet u zelfs zonder zo’n overzichtelijk kruiswoorddiagrammetje onmiddellijk dat de oplossing uur is. Alle kans dat u het een flauwe, doodgemakkelijke opgave vindt. Toch heeft u uit misschien wel honderdduizend woorden (de O-lezer is niet van de straat) op basis van een paar aanwijzingen zonder merkbare moeite het goede gevonden.

Behalve met eenvoudige synoniemen (woord van zes letters voor maar is echter, gaan is lopen, kamer is vertrek etcetera) wordt er in puzzels veel met categorieën (of hyperoniemen) gewerkt: opgaven als vogel of beroep. Het aantal mogelijke goede antwoorden is dan heel groot, maar toch zijn we ook in dat geval in staat snel de weg te vinden, dikwijls met behulp van een paar al bekende letters en omdat we weten hoe lang het gezochte woord is.

Blijkbaar is al die kennis op de een of andere manier beschikbaar. Woorden zitten dus in groepjes in ons hoofd: groepjes planten, dieren, maar ook categorieën als “dingen die je kunt lezen”, “manieren waarop je je kunt voortbewegen”, “zoete eetwaren”, “kunstvormen”, bij elk van die omschrijvingen kan iedereen spontaan een rijtje woorden opzeggen.

Dat mag banaal klinken, maar het is werkelijk een grote prestatie, zeker als je ook nog bedenkt dat zo’n categorie vrijwel altijd een subcategorie van weer een of meer andere categorieën is, en tegelijkertijd zelf vaak ook weer een of meer subcategorieën bevat. Een manier om je voort te bewegen is bijvoorbeeld “rijden”, en daarbinnen vallen weer “autorijden”, “paardrijden”, “fietsen”. En ook die zijn weer op te splitsen: een vorm van fietsen is “wielrennen”. En om het helemaal ingewikkeld te maken zitten nogal wat woorden in verschillende (sub)categorieën: wielrennen bijvoorbeeld hoort zowel bij “rijden” als bij “sporten”.

En toch kan een minimale aanwijzing al genoeg zijn om precies bij de goede knoop in het woordenweb terecht te komen. Een bijzonder sterk geval zag ik een tijdje terug in Hans van der Togts Rad van Fortuin. De opgave was beroep. Een kandidaat zag alleen maar t….-……t… en riep onmiddellijk uit: treinconducteur.

Knap werk al hielp dat streepje een beetje mee, en had de meneer het geluk dat de eerste letter bekend was. Proefjes in het laboratorium hebben namelijk duidelijk gemaakt dat zodra we de beginklank van een woord horen, alle woorden die met die klank beginnen eventjes “geactiveerd” worden. Iemand hoort een “k”, en prompt wordt elk woord dat met een k begint een flits van een seconde wakker gemaakt, klaar gezet. Naarmate een woord verder uitgesproken wordt (het gaat echt om miliseconden), vallen er kandidaten af: bij “kap” zijn “kantoor” en “karren” alweer afgevallen, maar “kapitaal” en “kapitein” staan nog klaar.

En het gaat werkelijk om de beginklank. Daar kom je bijvoorbeeld achter door proefpersonen een plaatje te laten zien, en ze dan te vragen dat plaatje zo snel mogelijk te benoemen. Toon je een tafel, en laat je ze tegelijkertijd het woord “takel” horen dan zeggen ze sneller “tafel” dan wanneer je ze het woord “wafel” laat horen, dat toch ook erg op “tafel” lijkt. Enfin, wie wel eens een puzzel invult weet dat het hebben van de beginletter het halve werk is.

Het spelletje Lingo maakt gebruik van dat activeringsprincipe. Wie daar aan meedoet krijgt maar weinig aanwijzingen. Er moet zomaar in het wilde weg geraden worden naar een woord van vijf letters waarvan in eerste instantie alleen de eerste gegeven wordt.

Dus je ziet bijvoorbeeld alleen “s”, en dan zeg je “strak” of “sterk” of “sloop”. Stel dat het goede antwoord “stier” is en je hebt “sterk” gezegd, dan wordt aangegeven welke letters goed zijn en op de goede plaats staan (de “s” en de “t” in dit geval) en welke letters wel in het gezochte woord voorkomen, maar ergens anders thuishoren (hier: de “r” en de “e”). Het tempo waarin spelers het goede woord te pakken krijgen is vaak fenomenaal. En alleen maar met de vorm als “ingang”.

Echt iets nieuws op taalspelletjesgebied zit in Jackpot. Daar wordt “geassocieerd”. En ook dat doen we blijkbaar op dezelfde manier. Bij de woorden “rood”, “vuur” en “ladder”, denken de meeste mensen aan brandweer, en bij “bedekking”, “huis”, “rood” aan dakpan.

Dit spelletje laat pas goed zien hoe ingenieus verknoopt dat woordennetwerk in elkaar zit. Spelers krijgen maximaal acht “associaties” om bij het goede woord te komen. En drie blijkt vaak al genoeg te zijn. “Gras, “glad”, “gif” leidt tot adder, “lotus”, “vuurwerk”, “eten” tot Chinees. En dat is voor iedereen te volgen. Eigenschappen (“rood”), uitdrukkingen (bij blaar bijvoorbeeld “billen”), synoniemen (bij adder “slang”): de associaties lopen langs vele wegen.

Ook cryptogrammen moeten vaak aan de hand van associaties opgelost worden. Maar het leuke van cryptogrammen is dat je ook nieuwe verbanden moet leggen. Verbindingen in het web die er nog niet waren. Het cryptogram is in zekere zin inderdaad het ultieme en ook lastigste taalspelletje.

Zo’n beetje alle organisatieprincipes van het mentale woordenboek kunnen een rol spelen, maar je weet bij een opgave niet van tevoren welke van die principes je nodig hebt. Goede antwoorden kunnen bereikt worden via categorieën of synoniemen (een hele mooie vind ik altijd de oplossing gier voor “vogelmest”, waar “vogel” een categorie is en “mest” een synoniem van de omschrijving), via uitdrukkingen of andere betekenisassociaties (tuinen is het antwoord op “erin lopen is het werk van hoveniers”) en ook via de vorm die daarvoor vaak losgemaakt wordt van de betekenis.

Net als bij kruiswoordpuzzels kom je daarbij soms oude bekenden tegen. Nogal wat woorden eindigen in het Nederlands op “teren” of “eren”. In de opgaven van Jan Meulendijks zie je daarom vaak de omschrijving “zwart maken” (verteren is “niet hier zwart maken”) of “prijzen” (“artikelen juist prijzen” is goederen). Het feit dat aan een vorm meer betekenissen kunnen vastzitten is ook heel bruikbaar. Een “gezonder beroep” is bijvoorbeeld fitter, en “opnieuw op de been” weerstaan.

Wie niet ziet hoe cryptogrammen “werken”, maar dat toch wil weten, moet beslist het boekje Cryptogrammatica van puzzelwoordenboekenmaker Dr. Verschuyl (in het dagelijks leven professor Verkuyl geheten) lezen. Daarin worden alle typen opgaven en antwoorden op een rijtje gezet. En weten hoe het werkt, helpt echt.

Mijn ervaring is dat je kunt leren cryptogrammen op te lossen, en te zien aan al die televisiespelletjes waar ze tegenwoordig in zitten weet de halve Nederlandse bevolking inmiddels ook hoe het moet. Zouden we toch slimmer worden van televisie?

NOOT 1: De ingenieuze kop bij dit stuk (een cryptogram van cryptogram) is bedacht door de onvolprezen David van ’t Reve, de enige redacteur die ik ooit meemaakte die letterlijk voor een te veranderen komma nog even overlegde met de auteur.

NOOT 2: Ik stuurde dit artikel in voor de prijsvraag ‘Wat je altijd hebt willen schrijven, maar nooit mocht’, die was uitgeschreven door de Vereniging van Wetenschapsjournalisten in Nederland (VWN). Het kreeg de tweede prijs.

Dit is geen klein meisje

Dom. Weer geen poging gedaan vijfenveertigduizend gulden in de wacht te slepen. We zijn al ver na de deadline voor de ECI schrijfwedstrijd, waarmee dit najaar voor de tweede maal ruim een ton aan prijzen te verdienen valt. Dit keer moet het van de boekenclub over ‘De lezer tussen woord en beeld gaan’.

Raar onderwerp dacht ik meteen toen ik het aangekondigd zag in de kranten: de lezer zit toch altijd tussen woord en beeld in? Wat is lezen anders dan de connectie leggen tussen een aantal afgesproken vormpjes, beelden dus, en de woorden in je hoofd?

Niet dat dat onbelangrijk of vanzelfsprekend is. Zelf vind ik het een van de interessantste raadsels in de geschiedenis: hoe is de gedachte onstaan dat datgene wat je hoorde en zei vastgelegd kon worden in beelden? En waarom is dat zo’n vijfeneenhalf duizend jaar geleden pas voor het eerst gebeurd?

Volgens de geleerden is taal op z’n laatst dertigduizend jaar geleden ontstaan, en de meesten schatten dat het nog veel langer daarvoor gebeurde. Vanwaar dat gat? En waarom ontstond schrift alleen op sommige plaatsen? Let wel: onafhankelijk van elkaar, en op verschillende manieren, met verschillende methoden.

Nog steeds kun je grofweg stellen dat er twee benaderingswijzen zijn: of je legt de klank vast (dat kan ook per lettergreep), of de betekenis. Wij doen het eerste, de Chinezen doen met hun karakters het tweede. Soms is het ook een mengelmoesje: dat schijnt bij hiërogliefen het geval te zijn. Die prachtige geschilderde of gebeitelde plaatjes (zelfs de kleuren zijn dikwijls bewaard gebleven) kunnen zowel staan voor een klank als voor een heel woord.

Maar hoe zit dat nu precies met die koppeling tussen beeld en woord? Is daar iets bijzonders mee? Er zijn zoveel wegen waarlangs je een woord kunt bereiken. Alle zintuigen kunnen helpen.

Je kunt bijvoorbeeld zowel ruiken, zien, voelen als proeven dat iets een appel is. En zelfs horen dat iemand een hap neemt kan genoeg zijn om uit te roepen ‘dat is een appel’. Maar ‘appel’ is een misleidend voorbeeld. Bij de meeste woorden is er geen sprake van dat ze alle zintuigen kunnen prikkelen. En ‘zien’ kun je alleen concrete zaken of activiteiten. Je kunt geen ‘ideeën’ zien, of ‘het’, of ‘mogen’.

Althans, niet rechtstreeks. Er zijn maar twee kanalen waarlangs letterlijk alle woorden ons kunnen bereiken: we kunnen ze horen en lezen.

En bij alletwee geldt dat er een omweg nodig is. Trillingen in de lucht of tekentjes op papier of iets anders, moeten gekoppeld worden aan iets dat in ons hoofd zit.

Lezers en luisteraars zijn dus voortdurend aan het decoderen. De behendigheid die daarin bereikt kan worden maakt dat we dat meestal vergeten. Aan de moeite die het ons kostte onze moedertaal te leren bewaren we vrijwel geen herinneringen, en ervaren lezers denken over het algemeen echt niet meer terug aan de tijd dat ze met hun tong uit hun mond woordjes zaten te spellen.

Toch blijkt in de praktijk dat begrijpen wat je leest lastiger te leren is dan begrijpen wat je hoort. Er zijn in dit land honderdduizenden mensen die leesonderwijs op school hebben gehad, maar die daar niet genoeg van opgestoken hebben om er in het dagelijks leven profijt van te hebben. Maar met gesprekken voeren hebben ze natuurlijk geen enkel probleem.

Misschien dat de moeilijkheid hem zit in de overstap maken van spellen naar woordbeelden. Dat hir iets rars aan de hand is ziet iedere getrainde lezer van het Nederlands letterlijk in één oogopslag. Het woordbeeld klopt niet. De afspraak die voor de Nederlandse spellingswijze gemaakt is, wordt geschonden. En as ik nouw wat fooneetiesur gaa spelluh, dan kompt musschien duh herinnurring aan duh laagurruh school weer boovuh.

Het in de loop der jaren opgebouwde en verfijnde automatisme valt op dat moment weg, het moet ineens weer ‘bewust’. Onbekende woorden kunnen datzelfde effect hebben. Het is met lezen – en ook schrijven – als met het leren van een figuur uit de rumba of de cha-cha-cha. Eerst moet je alle afzonderlijke bewegingen langzaam voorgedaan krijgen, je moet stapje voor stapje oefenen, en pas daarna ben je in staat het figuur als een geheel te zien en uit te voeren. De meeste dansschoolleerlingen leren dat met wat horten en stoten wel, maar een enkeling blijft over zijn voeten struikelen en raakt verstrikt wanneer alles in een vloeiende beweging moet gaan. Hij krijgt geen ‘beeld’ van het figuur als geheel.

‘Beeld’? Daar zit ‘m natuurlijk de truc van de ECI-titel. Met het woord ‘beeld’ kun je echt alle kanten op. Lezen is niet alleen een kwestie van beelden omzetten in woorden, een woord kan zelf ook weer nieuwe beelden oproepen. ‘Waterijsje’, ‘hemelbed’, ‘rennen’: de woorden lezen is voldoende om ze te ‘zien’.

En meerdere woorden bij elkaar kunnen één beeld oproepen. Onontkoombaar zelfs. Probeer nu maar eens géén klein meisje is een rood jasje met een rode ballon in haar hand voor u te zien. Andersom kan een beeld ook weer een woord, of een gedicht, of wie weet een complete roman oproepen. Tussen woorden en beelden zijn de gekste wisselwerkingen denkbaar. En vooral in de kunsten is daar flink mee geëxperimenteerd en gespeeld.

Al die abstracte schilderijen waar niks figuratiefs in te ontdekken viel en die dan toch ‘man met hond’ of ‘stilleven’ als titel hadden. En natuurlijk Margritte’s tekening van een pijp waarbij stond dat het geen pijp was. Woorden kunnen zo leuk het verwachtingspatroon doorbreken, of een ander licht werpen op wat je ziet.

Zo herinner ik me nog altijd de pagina vol komma’s (ik geloof van K. Schippers, in ieder geval kwam het uit de jaren zestig) waaronder stond: zoek het donderkopje tussen de komma’s. De oplossing stond een aantal bladzijden verder: een pagina met nog maar een komma.

En tegenwoordig heb je Malsen die voor de achterpagina van de NRC honderden getekende cryptogrammen gemaakt heeft: plaatjes waarin hij bijvoorbeeld gebruikt maakt van de verschillende betekenissen die woorden als ‘stuk’ of ‘stoot’ of ‘middel’ hebben.

Een woord simpelweg vervangen door een beeld kan ook een mooie manier zijn om aandacht te trekken.

De firma Albert Heijn doet dat. Daar wilden ze blijkbaar eens af van de kreet ‘Albert Heijn blijft op de kleintjes letten’. Wekenlang kregen we advertenties te zien waar het woord ‘kleintjes’ vervangen was door een foto van iets eetbaars waar gemakkelijk een verkleinwoord van te maken was: frietjes, tartaartjes, spruitjes. Daarna dachten ze dat we de truc wel doorhadden en gingen ze door met teksten als ‘wij staan (foto van een grote sesambol) van de bolletjes’. Zo’n puzzeltje geeft de lezer het aangename gevoel dat hij niet achterlijk is: hij heeft ‘m door. Enfin, Albert Heijns reclamebureau maakt al jaren slimme advertenties.

Maar de wisselwerking tussen woord en beeld gaat nog verder. Een van onze sterkste leermechanismen is de niet te stuiten neiging om nieuwe informatie te verbinden met de dingen die we al wisten. Ook als het nergens op slaat proberen we zaken in te passen of aan de een of andere kapstok te hangen.

‘Associëren’ is het woord dat we voor die bezigheid gebruiken. En dat doen we heel vaak onbewust. Een heel probleem voor fabrikanten die een nieuw produkt willen uitbrengen. Zo’n produkt moet een naam krijgen die geen verkeerde associaties oproept. Het menselijk reconstructievermogen zit dan al gauw in de weg. Dat reconstructievermogen zorgt dat we ook in lawaaiige omgevingen gesprekken kunnen volgen, en dat onleesbare handschriften met wat moeite nog wel te ontcijferen zijn.

Maar het zorgt er ook voor dat de naam ‘Kingsford’ voor houtskool niet geschikt is. Mensen denken daarbij aan pepermunt, zo is onderzocht. De merknaam ‘Lenco’ (platenspelers) doet ze aan drop denken, en ‘Biv’ (een anti-aanbakmiddel) onder andere aan worstjes. Het kan niet anders of dat moet komen door King-pepermunt, Venco-drop en Bifi-worstjes. Het beeld van het nieuwe woord roept het beeld van het oude woord op, zelfs zonder dat we dat in de gaten hebben. De naam ‘Stender’ (voor alcoholarme Grolsch) schijnt het juist weer erg goed te doen: dat brengt de woorden ‘standing’ en ‘sterk’ in gedachten.

Associëren is een krachtig hulpmiddel. Bouw dat maar eens in een computer in. Enfin, die zou in Italië waarschijnlijk ook niet zeer tegen zijn zin met een beker warme melk in zijn handen komen te staan, zoals mij eens overkwam, omdat hij dacht dat ‘caldo’ vast wel ‘koud’ zou betekenen. ‘Valse vrienden’ heten die nep-ezelsbruggetjes heel terecht (‘manchmal’ betekent niet ‘menigmaal’, ‘invalid’ is niet hetzelfde als ‘invalide’, een ‘pasteur’ is geen ‘pastoor’).

Ik denk eigenlijk niet dat de inzendingen voor de ECI-prijsvraag over al deze woord-beeld-tegenstellingen en -overeenkomsten zullen gaan. Ik schat dat ze gaan over de rijke verbeelding van dichters. Over de evocatieve kracht van Lucebert bijvoorbeeld. Of over het beeld dat de lezer van een romanfiguur had, en dat bij de verfilming geheel geschonden raakte. En dat we dus met z’n allen ‘Eline Vere’ en ‘Mieters’ moeten boycotten.

Of misschien blijken er – wat god verhoede – wel meer types rond te lopen als professor Mieke Bal die in de schilderijen van Rembrandt allerlei vrouwonvriendelijk ontuchtigs ‘leest’. Of misschien heb ik wel helemaal ongelijk, en komt er net als de vorige keer (toen de titel, brrr, gruwel, ‘Gaat het Nederlands teloor?’ moest luiden) onverwachts een prachtig en origineel essay uit.

Dat stuk, geschreven door Jet Wester, met de titel ‘De Tao van taal, of: Chanel no. 5 en het Geval Nederlands’ kan ik van harte aanbevelen bij iedereen die eens iets leuks en interessants over spelling wil lezen. Feitelijk ging dat trouwens ook over woorden en de beelden die je daarvan in je hoofd hebt.

Morgen we gaan naar zee

Mooie dingen zijn niet altijd zomaar met het blote oog te zien. Soms moet je ze zichtbaar maken. Door vanuit de goede hoek te kijken, of door eerst een laagje weg te scheppen. Vaak zijn het anderen die de schoonheid van iets voor het eerst voor je blootleggen.

Zelf ben ik levenslange dank verschuldigd aan degenen die mij de elegantie toonden die schuilgaat achter doodnormale zinnetjes, dagelijkse borreltafelgesprekken, simpele mededelingen.

Dolgraag wil ik hier de lof zingen van de syntaxis, de grammatica. Maar als ik dat woord laat vallen schrikt u natuurlijk weer zo.

Een doffe ellende is het: zodra er ergens over grammatica gesproken wordt blijkt er zelfs voor de meest open geesten onmiddellijk een soort glasgordijn te kunnen schuiven dat het zicht akelig belemmert. Verkeerde associaties en nare jeugherinneringen alleen al vertroebelen de blik zo erg dat rechtstreeks en fier door het gordijntje heenkijken lastig is.

Want midden in beeld doemt de dubbelverbonden voorwerpsbepaling op, in de linkerooghoek zit het naamwoordelijk deel van het gezegde en rechts flitsen rode onvoldoendes voorbij, terwijl over dat alles heen de grauwsluier van de faalangst ligt.

Maar zelfs als u dol was op ontleden (en in elke klas zaten wel een paar van zulke uitzonderingen) dan nog is u vrijwel zeker nooit een blik gegund op dat fraaie landschap met inzichtgevende doorkijkjes dat ik in gedachten heb.

In dat landschap staan, naast een paar andere dingen, bomen. Geen echte, maar een soort gestileerde. Ze worden ook meestal op hun kop getekend: de stam waar alles aan onspruit (dat is een complete zin) staat bovenaan, en die vertakt zich steeds verder, telkens in tweeen, tot je uiteindelijk de woorden als blaadjes aan de uiteinden van de laatste takken ziet zitten.

Ik vind die bomen zo mooi omdat je maar een heel beperkt aantal boommodellen hebt, gebaseerd op een paar bouwprincipes, terwijl je daar toch iedere mogelijke zinnige of onzinnige mededeling mee kunt construeren. Lastig en abstract? Zeker. Het feit dat u in de praktijk een meester bent in het toepassen van die bouwmodellen (en het is natuurlijk maar een model: er groeien geen bomen in uw hoofd), wil nog niet zeggen dat u ze vanzelf bewust en naar believen kunt manipuleren.

Om iets van syntaxis, of anders gezegd: zinsbouwprincipes te begrijpen moet je voor de overzichtelijkheid allerlei zaken even los kunnen laten. Zo moet je er om te beginnen aan wennen dat zinnen niet uit woorden bestaan, maar uit posities.

Voorbeeld? Goed. In het Nederlands staat het verbogen werkwoord (op school heette dat de persoonsvorm) in hoofdzinnen op de tweede positie. Dus, in de zin ‘Meisjes in gebloemde bloesjes kunnen altijd rekenen op mijn warme belangstelling’ staan er in die eerste positie maar liefst vier woorden, ‘kunnen’, het verbogen werkwoord, staat in zijn eentje op de tweede positie.

‘Meisjes in gebloemde bloesjes’ vormen samen een tak, die in dit geval in zijn geheel de functie van onderwerp heeft. Maar in die eerste positie kunnen ook allerlei andere dingen staan. Het Nederlands is daar nogal makkelijk in.

Beginnen met het lijdend voorwerp? Geen punt: ‘Koffie verkeerd drink ik altijd op zaterdagochtend.’ Het meewerkend voorwerp? Ook prima: ‘Haar vertel ik nooit meer iets.’ Willekeurige tijdsaanduidingen (‘Morgen gaan we naar zee’) of andere bepalingen (‘Ziek fietst hij ook gewoon naar school’), het gaat allemaal goed.

Die zinnen blijven perfect grammaticaal zolang het verbogen werkwoord maar op de tweede positie komt. Zet je het ergens anders dan krijg je al snel woordsalade of een soort buitenlanderspraak: ‘Haar ik vertel nooit meer iets’ of ‘Ziek hij ook gewoon naar school fietst’. Uitzondering op deze het-verbogen-werkwoord-in-hoofdzinnen-op-de-tweede-plaats-regel zijn vragen en bevelen: zulke zinnen vereisen dat het werkwoord naar de eerste positie gaat (‘Gaan we morgen naar zee?’, ‘Vertel haar nooit meer iets!’).

Waarom is praten over posities of boomtakken nu mooier dan alleen maar praten over woorden of categorieën als onderwerp en lijdend voorwerp? Heel eenvoudig: omdat het je de kans geeft de even inhoud te laten voor wat hij is. Je kunt takken verplaatsen, of omdraaien, er verschillende soorten woorden aan hangen en kijken wat dat oplevert. Je kunt heel gemakkelijk experimenteren en  ineens als het ware rekenen met taal.

En dat heeft grote voordelen. Je doorbreekt een cirkel omdat je niet langer alle aspecten van taal ook met behulp van taal hoeft te beschrijven. Formaliseringen brengen een wetenschap altijd verder, en dat geldt bij uitstek voor de taalwetenschap, waar de formaliseringen in de afgelopen tientallen jaren voor een grote sprong voorwaarts hebben gezorgd. Nadeel is dat formules en abstracties veel mensen afschrikken. Zeker als het gaat om iets dat ze nabij staat, en nabijer dan taal kan haast niet.

Al jaren verwonder ik me over de heftige gevoelens die je kunt oproepen alleen al door taal op te splitsen in iets simpels als vorm (bouwstenen en bouwprincipes) en inhoud (de betekenis van toevallige woorden en zinnen).

De weerstand die daartegen bestaat geeft je soms het gevoel dat je een indecent voorstel doet. Terwijl toch niemand er meer moeite mee heeft dat de werking of de bouw van de bloedsomloop, het zenuwstelsel, het skelet etcetera afzonderlijk beschreven worden.

Iedereen weet dat al die onderdelen samen ons overeind houden, ‘het menselijk lichaam’ vormen. Voor de overzichtelijkheid is het vaak handig je te beperken tot een schematische voorstelling van bijvoorbeeld de bloedsomloop. Behalve misschien een doorgewinterde holist zal niemand het idee hebben dat zijn lichaam daarmee tekort wordt gedaan. Je weet best dat angst, schrik of heftige verliefdheid je hart nog steeds sneller zal doen kloppen. Zo is er natuurlijk ook geen sprake van dat een schematische voorstelling van zinsbouwprincipes afbreuk zou doen aan ons vermogen een mededeling ontroerend, fraai of tenenkrommend te vinden.

Afstand nemen van je eigen individuele geval geeft nu eenmaal een andere blik. Eentje die je bijvoorbeeld laat zien hoe ingenieus het menselijk lichaam in elkaar zit. Dat doet taal ook. En het aardige is dat je daarbij nog een stapje verder kunt gaan.

Allereerst moet je natuurlijk individuele verschillen binnen je eigen taal tijdelijk opzij zetten: ook wie in Nederland met een zachte g praat, en iedereen die ‘liggen’ zegt waar u ‘leggen’ wilt horen en omgekeerd, zet het verbogen werkwoord in hoofdzinnen op de tweede positie. Dat fundament is voor iedereen gelijk. En die werkwoordspositie is natuurlijk maar een heel klein voorbeeldje.

Er zijn altijd veel meer overeenkomsten dan verschillen tussen de sprekers van een bepaalde taal. Maar daarnaast zijn er ook grote overeenkomsten tussen verschillende talen. Als het gaat om de bouwprincipes tenminste. Het zijn de woorden en klanken die ons het zicht daarop benemen.

Bij het leren van een vreemde taal gaat de meeste energie in eerste instantie ook zitten in het woordenlijsten stampen en uitspraak oefenen. Begrijpelijk en terecht: daar zitten de grote verschillen. En om begrepen te worden hoeft je grammatica niet altijd perfect te zijn.

Neem een zinnetje als ‘Morgen we gaan naar zee’. Wie Nederlands als moedertaal heeft zal een dergelijke fout nooit maken, maar hij zal de mededeling wel altijd begrijpen. Wie zou het dan wel zo zeggen? Het is typisch een zinnetje dat afkomstig zou kunnen zijn van een Engelsman of een Amerikaan die redelijk Nederlands spreekt (het accent mag u er zelf bij bedenken).

Hoe komt dat? Doordat het Engels niet onze werkwoord-op-de-tweede-positie-regel heeft. Het Engels heeft een andere regel, eentje die zowel Engelssprekenden die Nederlands willen leren als Nederlanders die Engels leren in verwarring brengt. De regel luidt eenvoudig dat in het Engels het onderwerp beslist op de positie vóór het verbogen werkwoord moet staan.

Het resultaat van het toepassen van die regel zorgt voor de verwarring. Veel zinnen, zowel in het Nederlands als in het Engels beginnen met het onderwerp. En in alletwee de talen moet dan, om verschillende redenen, het verbogen werkwoord volgen. Want in het Engels staat het onderwerp nu eenmaal altijd op de positie voor het werkwoord, en in het Nederlands moet het werkwoord op de tweede positie komen.

Nu heeft niemand zijn eigen taal op die manier geleerd. Geen ouder die tegen zijn kind zegt: ‘Denk erom Thomas, altijd je persoonsvorm op de tweede plaats zetten hoor’, of ‘Well, Thomas, don’t forget, first your subjects and then the finite verb’.

Welnee, Thomas heeft voordat hij dergelijke opdrachten zelfs maar zou kunnen begrijpen allang door hoe het in zijn taal zit. Onbewust wel te verstaan. En als hij later Engels of Nederlands leert gaat hij er zodra hij iets bekends hoort voor het gemak (en alweer: onbewust) maar even van uit dat het in die vreemde taal net zo zit als in zijn moedertaal. ‘Jan wil koffie ’s morgens’ wordt ‘John wants coffee in the morning’ en vice versa. Makkelijk zat, denkt Thomas: ze doen het hier net als thuis.

Nog altijd vraag ik me af waarom ik in vredesnaam taalkunde heb moeten studeren om eens een keer expliciet te horen hoe het zit met werkwoorden en onderwerpen in het Engels en Nederlands. Wat een onderwerp en een werkwoord was had ik tenslotte al op de lagere school geleerd. Waarom verschenen er dan op de middelbare school nooit eens zinnetjes op het bord waar posities in aangegeven werden? Gewoon, 1, 2, 3, etcetera. Nederlands en Engels onder elkaar.

En dan vraag ik nog niet eens om bomen, die echt inzicht in de opbouw van zinnen kunnen geven. Die bijvoorbeeld ook dat gekke Frans, waar ze voortdurend het bijvoeglijk naamwoord achter, in plaats van gewoon vóór het zelfstandig naamwoord willen zetten, een stuk inzichtelijker hadden gemaakt: kwestie van een andere opsplitsing van een takje. Had ik meteen iets kunnen leren over de schoonheid en elegantie van onderliggende structuren.

Mag ik u zeggen?

‘Ken je die bak van de ketchupfles die nog een keer wilde spetteren? Je kijkt er naar.’  Een poster op de glasbak om de hoek. De poster spreekt mij aan. Met jij. Daar hebben de schrijver van de postertekst en ik nooit iets over afgesproken.

Netzomin als het Zweedse woonwarenhuis Ikea me ooit gevraagd heeft of het me mag tutoyeren. Toch staren mij daar, als ik weer eens zo’n goedkope boekenkast kom kopen, overal borden met ‘je’ aan. ‘Hier laat je je wagentje achter’ , ‘Aan deze kassa kun je betalen’ en soortgelijke mededelingen shockeren me tot mijn eigen verbazing telkens opnieuw. Op de labeltjes aan de meubels staat zoiets als ‘als je dit wilt kopen, ga dan naar de balie, dan word je verder geholpen’. Wend ik me inderdaad tot het baliepersoneel, dan word ik ineens consequent met u aangesproken.

Dit land is aan een gigantische verwarring ten prooi. Leg maar eens aan een buitenlander die Nederlands probeert te leren uit wanneer tutoyeren hier gebruikelijk is. Alle kans dat u er niet uitkomt.

Zeg je ‘je’ en ‘jij’ tegen familie, vrienden en collega’s? Tegen mensen die ongeveer net zo oud zijn als jezelf bent? Nee, zo eenvoudig is het in ieder geval niet. Voor wie boven de vijftig is, ligt het meestal sowieso anders: vijftigers en daarboven hebben vaak nog een automatische piloot die spontaan op ‘u’ overschakelt bij het ontmoeten van nieuwe mensen, ook hebben ze in 99 van de 100 gevallen nooit ‘jij’ tegen hun ouders mogen zeggen.

Een opvoeding die in gemengde gezelschappen van oud en jong nog verdomd lastig kan zijn, omdat het daar regelmatig voorkomt dat twee personen van de oudere generatie beiden getutoyeerd worden door een broekie, – bijvoorbeeld omdat dat onder broekies nu eenmaal usance geworden is, en de vijftigers in de dagelijkse omgang geen ouwe zak willen lijken – terwijl ze tegen elkaar ‘u’ en ‘meneer zus’  of ‘mevrouw zo’ zeggen.

En ook voor de oorlogse en na-oorlogse generatie hangt het er maar vanaf. Waar vanaf? Ik denk van drie dingen: van de reden waarom je iemand (aan)spreekt, van het type dat je bent en/of voor je hebt, èn van hoe aardig gesprekspartners elkaar vinden.

Maar dat levert zoveel variabelen op, dat je er alleen open deuren mee kunt voorspellen: als je ruzie hebt met het winkelpersoneel is u zeggen wel zo verstandig, net zoals wanneer je voor de rechter moet verschijnen, maar blijkt het winkelmeisje echt met je mee te willen denken over welke jurk het mooiste staat, dan ligt tutoyeren voor de hand.

Tot zover gaat alles goed. Maar er zijn zo veel tussengevallen…  Wat zeg je als dertiger tegen de groenteman waar je dagelijks komt en die in de veertig is? Mijn ervaring is dat je er samen een soort spelletje van maakt: wij spelen dat we de groenteman en de mevrouw die boodschappen komt doen zijn. Dus de groenteman zegt overdreven vriendelijk en een ietjepietsje te hard: ‘Ja, mevrouw, zègt u het maar.’ En dan kom ik, net iets te tuttig: ‘Nou, groenteman, ik had zo gedacht dat we vandaag maar weer eens spinazie moesten eten.’ Een of twee zinnen verder gaan we dan op normale toon door en zeggen we dingen als ‘ja zeg, wat had je dan gedacht?’ en ‘dankjewel’.

En zo gaat het niet alleen met mij, en ook niet uitsluitend bij de groenteman. Gewoon, automatisch zonder nadenken u zeggen gebeurt volgens mij steeds minder vaak. Zelfs als ik zo’n vijftien jaar na dato een leraar van de middelbare school tegenkom waar ik vijf jaar lang probleemloos ‘meneer’ en ‘u’ tegen heb ik gezegd, dan blijk ik hem nu uitsluitend nog een tikje spottend ‘meneer Verlaan’ te kunnen noemen, terwijl hij continu met ‘zeker, mevrouw Koenen’ antwoordt.

Ligt het aan mij? Nee. Het onderwerp houdt me al jaren bezig, en ik heb inmiddels heel wat mensen naar hun ervaringen gevraagd. Bij vrijwel iedereen heerst moordende onzekerheid. Er is niets, geen enkele vuistregel, waar je op terug kunt vallen. Ik ken iemand die toen ze 33 werd vond dat ze nu oud genoeg was om iedereen die ‘je’ en ‘jij’ tegen haar zei per definitie terug te tutoyeren. Of ze zich daar in de praktijk altijd aan houdt waag ik te betwijfelen. Stel, ze ontmoet op een dag iemand als Duisenberg, en die zegt ‘Ach, wat aardig, jij werkt bij Economische Zaken begrijp ik’, zou ze dan echt terugzeggen: ‘Ja, en jij zit bij De Nederlandsche Bank, is het niet?’

Er is de afgelopen decennia veel veranderd. Vroeger stelden vrouwen zich voor met ‘(me)juffrouw’ of ‘mevrouw’ en alleen jonge meisjes gaven hun voor- en achternaam, dat laatste beslist met de bedoeling dat die voornaam ook gebruikt zou worden. Dat is helemaal over: vrouwen van bijna alle leeftijden kunnen zich nu voorstellen met hun voornaam, en dat betekent beslist niet vanzelf dat je ze daarna ook inderdaad met ‘Elselien’ of ‘Johanna’ mag aanspreken.

Jongens en mannen stelden zich overal en altijd voor met niet meer dan hun achternaam (wat tenminste nog eens tot komische botsingen kon leiden tussen de heren Appel en Moes, waarbij Appel er diep van overtuigd was dat Moes hem voor de gek hield – waar gebeurd) en die naam was ook onder collega’s vaak hun aanspreektitel: ‘Terhulst, kun jij die offerte even doen?’,  ‘Zeg, Minderweg, kom jij naar Christa’s verjaardag?’.

Meerderen op het werk waren altijd ‘u’, evenals je verder onbekende dienstverleners (die toen geloof ik nog niet zo heetten). Dat begreep ik onder meer uit Levenskunst voor jonge mensen (van Mr. A.M.J. Deinse, Elsevier, 1963): ‘taxichauffeurs, bedienend personeel in bussen, trams e.d. en in restaurants e.d, huishoudelijk personeel, leveranciers enz. behoort men niet te tutoyeren.’ 

Denkend aan Amsterdamse taxichauffeurs, trambestuurders en het gemiddelde horecapersoneel daar, barstte ik in hoongelach uit toen ik dat de eerste keer las. De ‘Levenskunst’ voorziet op geen enkele manier in het probleem dat zich het vaakst voordoet: zij tutoyeren jou. En wat doe je dan? Ach, vaak wil je ook de lulligste niet wezen. Je laat het maar zo, en zelf wissel je af, of je laat het in het midden. Het aantal formuleringen waarin rechtstreeks aanspreken en dus vous- of tutoyeren vermeden kan worden is fabelachtig groot, en varieert van ‘merci’ of ‘dank’ tot het gebruiken van het onpersoonlijke of algemene ‘je’ (‘Ja, met zoiets ben je ook niet echt geholpen, hè.’), of, ook heel handig: jullie (‘Hebben jullie ook gewoon een garnalencocktail?’).

Uren conversatie zijn zonder een direct ‘jij’ of ‘u’ te vullen: ‘Ik voel me de laatste tijd niet zo lekker.’ ‘Oh, en hoe komt dat?’ ‘Kweenie.’ ‘Waar zit de pijn? En wat zegt de dokter? Kan die er niks aan doen?’ ‘Ach, hoe gaat dat? Dokters weten ook niet alles, en je voelt je in zo’n spreekkamer ook niet vrij om eens uitgebreid je verhaal te doen…’ ‘Ja, ik ken ‘t, dat heb je daar inderdaad.’ enzovoort, enzovoort.

Vermijden op papier is stukken lastiger. Daar begint het probleem al bij de aanhef. ‘Levenskunst’ raadt voor het zakelijk schriftverkeer nog Zeer of Hooggeachte Heer/Mejuffrouw Coster (naast Hooggeachte Mevrouw, zonder achternaam) aan, of simpelweg Mijne Heren.

Nog steeds gaat het in brieven vormelijker toe dan bij een daadwerkelijke ontmoeting. Zeer Geachte kom je daarom ook nog steeds tegen, evenals merkwaardigerwijs Mijne Heren (mijne heren in den lande, mag ik u erop wijzen dat er tegenwoordig te veel vrouwen in zaken zitten om die aanhef te rechtvaardigen). Geachte mevrouw Coster is tegenwoordig geen probleem meer. De Mejuffrouw is bijna geheel uitgestorven, alleen mijn bank richt zijn correspondentie nog steeds aan Mejuffrouw Koenen.

Wel signaleer ik al een tijdje een nieuwe aanspreekvorm, die blijkbaar tussen vormelijk en persoonlijk in moet liggen: steeds vaker krijg ik brieven waarboven Geachte Liesbeth Koenen staat. Ik begin er al een beetje aan te wennen. Soms vervolgt de briefschrijver dan met ‘u’, soms met ‘jij’.

Aan de telefoon gebeurt het nog wel eens dat gesprekspartners halverwege of bij een tweede gesprek van ‘u’ overschakelen op ‘jij’. En dat heeft volgens mij alles te maken met de graad van gemoedelijkheid die de conversatie weet te bereiken.

Zelf heb ik al een paar maal mee mogen maken dat iemand met schuine strepen ging praten: ‘mag ik u/je vragen..’ Dat biedt in ieder geval een opening om een afspraak te maken, en die krijg je meestal niet. Want wel of niet tutoyeren wordt pas gemakkelijk wanneer er duidelijkheid is, een soort overeenkomst. Alleen wordt die overeenkomst dikwijls stilzwijgend gemaakt: je maakt kennis (iedereen noemt voornamen), schudt handen, en je schat even met een schuine blik. En in de meeste gevallen zit je dan wel goed. Helemaal gemakkelijk zijn in dat geval natuurlijk de echt steile of vormelijke types: dan wordt het ‘u’ aan beide kanten, en daarmee uit.

En toch en toch en toch. ‘U’ is niet meer gewoon ‘beleefd’, het draagt ook altijd de component ‘afstand’ in zich mee. Vandaar dat geworstel en die onzekerheid. Kiezen voor tutoyeren of niet heeft werkelijk gevolgen voor de atmosfeer van een gesprek.

Op de televisie zijn daar soms aardige staaltjes van te zien. Adriaan van Dis raakt nog wel eens in de knoop (‘Ja, nee, ik zeg toch maar u, tutoyeren wil onder deze omstandigheden niet lukken’) en ik zag Ischa Meijer een keer met Rob de Nijs, die helemaal de kluts kwijtraakte omdat Meijer voor de camera ineens ‘u’ bleek te zeggen, en ‘meneer de Nijs’. Van Dis en Meijer maken gebruik van de afstand die met ‘u’ gecreëerd wordt, en die vanzelf een zekere objectiviteit suggereert.

Ik kan u verzekeren dat ook nogal wat geschreven interviews waarin men elkaar vousvoyeert in werkelijkheid heel wat ouwe-jongens-krentenbrood-achtiger verliepen. Ach, je weet hoe dat gaat, hè? 

Wat is er dat er is?

Ooit zong Wim T. Schippers “Jij kunt rink’len mijn bèhèhèl, rinkel mijn bel!” Hij wilde laten zien dat tophits als You can ring my bell onzinnige teksten hebben, en dat lukte hem heel goed door ze stomweg letterlijk te vertalen (sterk was ook: “Ik wil dat je mij wil, ik heb nodig dat je me nodig hebt” voor “I want you to want me, I need you to need me”).

Wat is dat toch met letterlijke vertalingen? Waarom zijn die vaak zo onweerstaanbaar komisch? Hoe komt het dat middelbare scholieren gierend “Hoe ben jij?” (How are you?) tegen elkaar zeggen of “Wat is er dat er is?” (Qu’est que c’est?). Of andersom: “Forget it but” en ‑ onder gymnasiasten ‑ “penis aqua rosa” (lulletje rozenwater)? Wat maakt een grap eigenlijk grappig?

Lachen doen we om afwijkingen of tegenspraken. Dingen die ons op de een of andere manier een licht ongemakkelijk gevoel bezorgen, zaken die botsen in je hoofd. Een deftig pratende meneer, keurig in het pak, die ons een blik op zijn buik gunt doordat hij vergeten is het onderste knoopje van zijn overhemd dicht te maken kan rekenen op gegniffel. Iemand die een theemuts als hoed gebruikt ook. De verkeerde dingen worden gekoppeld, en god weet waarom: daar moeten we om lachen.

Over humor valt heel wat te twisten, maar grappen hebben denk ik toch één kenmerk gemeen: naarmate je ze vaker hoort of ziet roepen ze een minder sterke reactie op. Anders dan in het verkeer zijn botsingen in je hoofd telkens een beetje minder hard, ook al botsen dezelfde elementen.

Naarmate je ouder en wijzer wordt, lijkt het, verliezen herhalingen hun aantrekkingskracht: kinderen kunnen nog tot stomvervelens toe dezelfde mop vertellen en daar om blíjven schaterlachen, de meeste ouderen lukt dat niet meer. (Er zijn van die uitzonderingen, maar dat is gelukkig een minderheid.)

En natuurlijk spelen van die factoren als cultuur, opleiding en intelligentie ook een niet uit te vlakken rol. De Japanners schijnen zich bijvoorbeeld rot te lachen bij de aanblik van iemand die zich pijn doet, maar toen Jongbloed en Joosten op tv wat thuisvideootjes vertoonden van Japanse kinderen die bijna hun nek braken, was de Nederlandse kijker woedend over zoveel gebrek aan smaak.

Een van de dingen die ik altijd onthouden heb van de lange zomervakanties waarin ik vroeger als koffiejuffrouw werkte was het volgende merkwaardige verschijnsel: vertelde een van ‘de meisjes’ (zo noemden ze zichzelf ook) tijdens de pauze een verhaal waar om gelachen werd, dan volgde automatisch en wel onmiddellijk een ietwat verkorte versie van hetzelfde verhaal, waarop de anderen opnieuw met smakelijk gelach reageerden.

Schaapachtig en lichtelijk jaloers op die dubbele pret zat ik daar dan bij. Ik begreep er niets van. Een verschil in cultuur?  Opleiding? Of intelligentie? Dat laatste is een gevaarlijke suggestie, en ik weet ook eerlijk niet of het ‘m daar in zit, maar het staat voor mij vast dat humor en intelligentie met elkaar te maken hebben.

Met domheden is het als met klemtonen: het is onmogelijk om ze met apparatuur te meten, maar blijkbaar hebben we er het goede oor voor, want je herkent ze in de praktijk meestal zonder mankeren.

Dat heel wat mensen gewoon te stom zijn om sommige grappen te snappen weet natuurlijk iedereen, maar dat mag je in onze cultuur eigenlijk nooit zeggen, laat staan publiceren.

Individuele verschillen, waar ze ook uit voortkomen, en de vraag hoe vaak je om hetzelfde kunt giechelen even daargelaten: lachen doet iedereen om foute koppelingen.

Die kunnen heel letterlijk zijn (André van Duin knoopt zijn jas scheef dicht) of wat verder weg liggen. Bij letterlijke vertalingen gebeurt er in feite iets tamelijk ingewikkelds.

Om daar foute koppelingen te maken of te zien, moet je eerst leren te ontkoppelen. Dat wil zeggen: je moet inzien dat bij taal altijd sprake is van een koppeling tussen vorm en inhoud, en dat die twee niet onlosmakelijk verbonden zijn, al voelt dat vaak wel zo. Dat geldt allereerst voor woorden: je hebt geleerd tegen een theelepeltje ‘theelepeltje’ te zeggen, tegen een boek ‘boek’ en tegen een idee ‘idee’. In je hoofd zijn de vorm van die woorden en hun betekenis, met alle associaties die daar bij horen als het ware versmolten tot een geheel. Maar dat je een stoel een stoel noemt is alleen maar een conventie. Toeval.

Dat ontdek je als je vreemde talen gaat leren. Italianen noemen een theelepeltje cucchiaino (spreek uit: koekjajíeno), Turken een boek kitap (Arabieren doen dat trouwens ook, maar die schrijven het weer anders), en vrijwel alle Indo‑europeanen gebruiken een woord dat op idee lijkt voor ‘idee’.

Anders gezegd: een koppel vorm en betekenis kan er in verschillende talen hetzelfde uitzien, maar meestal is dat niet zo. Wat bij wat hoort is in principe volmaakt willekeurig.

Een bekende vorm uit de ene taal kan ook best bij een andere betekenis in een tweede taal horen. Een Engels woord als ‘worst’ en de stamtijd ‘cut‑cut‑cut’ is daarom op Nederlandse scholen vaak zo’n succes. Flauw? Ja, u bent de middelbare‑schoolleeftijd waarschijnlijk ontgroeid. En bovendien gewend geraakt aan het Engels. U kent die botsing zolangzamerhand wel.

Sterker nog: er is eigenlijk geen sprake meer van een botsing. Wanneer je namelijk een vreemde taal echt in de vingers begint te krijgen ontstaan er nieuwe vorm‑betekenis‑versmeltingen. Dan hoef je niet meer iedere keer een koppeling te maken (tussen de Nederlandse vorm, de betekenis en de bijbehorende buitenlandse vorm), maar kun je het als een geheel uit je geheugen trekken.

Het mechanisme van de foute koppeling die op de lachspieren werkt blijft echter intact: als ik u nu vertel dat ‘nök’ (spreek uit: neuk) Hongaars is voor ‘vrouwen’, dan begrijpt u wat ik bedoel.

Vorm en betekenis scheiden is op zichzelf genomen wel te doen. Uiteindelijk is iedere scholier prima bij te brengen dat ze tegen een typisch Frans stokbrood in Frankrijk geen stokbrood zeggen maar ‘baguette’.

Lastiger is dat er ook binnen de betekenis vaak weer koppelingen blijken te zitten. Wat wij allemaal een stokbrood noemen, noemen de Fransen niet allemaal ‘baguette’. Die kennen ook nog een ‘flûte’ bijvoorbeeld, en een ‘ficelle’. Om die verschillen te begrijpen moet je de verschillende elementen van de betekenis van ‘stokbrood’ uit elkaar halen. Dat kunnen we in principe best, ook al kost het soms even moeite. En je moet het natuurlijk verteld krijgen of merken.

Toch: dat het geen continue chaos in ons hoofd is mag verbazing wekken. Al die betekeniselementen die in verschillende talen aan verschillende vormen vastzitten. Maar met een beetje training kun je daar binnen je eigen taal al oog voor krijgen.

Iedereen kent ook het verschijnsel homoniem: één vorm heeft meer dan een betekenis (bal, bank, natuurlijk). Soms komen die betekenissen uit elkaar voort (bank, natuurlijk), soms hebben ze helemaal niks met elkaar te maken (bal). Iedereen kent ook het verschijnsel synoniem: één betekenis gekoppeld aan verschillende vormen, zij het dat er altijd minstens een subtiel verschilletje in betekenis of gebruik is.

Daaraan kun je zien dat bij het bepalen van de betekenis bijvoorbeeld begrippenparen als ‘eufemistisch‑ronduit’ (heengegaan‑dood) of ‘duur‑gewoon’ (dermatoloog‑huidarts) belangrijk zijn. Maar uit welke onderdelen je een betekenisgeheel kunt samenstellen heeft nog nooit iemand precies kunnen formuleren.

Zo heb je ook koppelingen van betekenissen waar de ene taal wél een vorm aan verbindt, en de andere niet. In het boek They Have a Word For It bracht Howard Rheingold een aantal jaren geleden wat woorden bij elkaar voor begrippen die het Engels niet heeft.

Er staat verschrikkelijk veel geleuter in dat boek, dat ten onrechte niet vertaald werd met ‘Zij hebben er een woord voor’, maar onder de titel Koro (Chinees; zelfst.nw.) De hysterische overtuiging dat je penis steeds kleiner wordt op de Nederlandse markt gebracht is, dat neemt echter nog niet weg dat het een aardige collectie begrippen bevat. Hele bekende, die we in het Nederlands overgenomen hebben, zoals ‘contre‑coeur’ en ‘Weltschmerz’, en daarnaast zaken als ‘razbliuto’ wat Russisch schijnt te zijn voor het gevoel dat je koestert voor een vroegere geliefde.

Battus bedacht in zijn Encyclopedie een stel van die woorden zelf, (Maam: dat gedeelte van het menselijk gelaat dat bij binnenkomst tegen de gastheer of ‑vrouw wordt aangeschoven) en in Kunt u Breukelen? gaf Justus van Oel, in navolging van een Engels voorbeeld, Nederlandse plaatsnamen een nieuwe functie door aan bekende vormen een nieuwe betekenis te geven (Kudelstaart: (zn) Lange pluk nekhaar die door oudere mannen over het hoofd wordt gelegd en op het voorhoofd vastgeplakt).

Bij Van Oel is er ook weer sprake van een foute koppeling, en dat maakt zijn boekje grappig. Maar het feit dat we al die dingen kunnen ontkoppelen en dan weer nieuwe verbindingen laten aangaan maakt wel dat we in staat zijn van de ene taal naar de andere te vertalen. En niet alleen op woordniveau.

Een stapje hoger kom je bij de uitdrukkingen. Die maken dat je het Nederlandse woord ‘pijpestelen’ in het Engels soms moet vertalen met ‘cats and dogs’. En ‘peuleschil’ met ‘piece of cake’. Anders gezegd: combinaties van woorden kunnen ook gekoppeld zijn aan één betekenis. Daaraan voorbijgaan geeft vaak dolkomische botsingen in je hoofd.

Je moet alleen natuurlijk wel weten dat je je in het Engels geen ‘accident’ kunt werken om te genieten van Rudy Kousbroeks Engelse vertaling van Kleinduimpje (te vinden in De logologische ruimte). De ene taal zegt de dingen anders dan de andere, en dat is volgens mij een van de aardigste redenen om vreemde talen te leren: het geeft je enerzijds meer inzicht in je eigen taal, en daarnaast trek je een enorm arsenaal aan mogelijke foute koppelingen open. En lachen, dat weet iedereen, is gezond.

Wie niet horen kan moet maar zien

Ben‑je‑liever‑doof‑of‑blind is een geliefd denkspelletje bij kinderen. Vroeger koos ik na “aan één oor doof, aan één oog blind”, wat natuurlijk niet telde, uiteindelijk toch maar voor doof.

Want dan kon je tenminste een beetje zelfstandig blijven: lezen, schrijven, gewoon rondlopen, en praten kan ook nog steeds. Wist ik veel dat perfect liplezen principieel onmogelijk is (doe maar eens het rijtje wat‑vat‑fat‑wit‑vit‑fit‑fut‑vut‑vod voor de spiegel). En ik wist al helemaal niet dat ik in dat geval een vreemde taal zou moeten leren, een taal die maar weinig mensen kennen: gebarentaal, in mijn geval Nederlandse gebarentaal, de moedertaal van de doven in dit land.

Doof‑ en blindheid worden dikwijls in een adem genoemd, maar eigenlijk zijn ze helemaal niet te vergelijken. Het is maar de vraag of in het land der doven éénoor koning zou zijn. Hij zou zich om te kunnen regeren in ieder geval toch van de taal van zijn onderdanen moeten bedienen.

Aan zijn vermogen een taal te verstaan zou hij niets hebben. Sterker nog: hij zou nooit leren praten, want hij zou als kind automatisch gebarentaal geleerd hebben. Voor doven is het maar gelukkig dat ons taalvermogen niet in onze spraakorganen en onze oren zit, maar kennelijk in ons hoofd.

Is het auditieve kanaal afgesloten dan staat het visuele kanaal nog steeds wijd open (Wie niet horen kan, moet maar zien is de prachtige titel van een boekje over gebarentaal). Kun je niet horen én niet zien, dan blijkt het zelfs mogelijk om taal te voelen: doofblinden praten door tekens op de handen van een ander te maken en ze luisteren door diezelfde tekens op hun eigen handen te voelen.

Zet een stel mensen bij elkaar en ze vinden of maken een gemeenschappelijke taal. Dat is wonderlijker dan het op het eerste gezicht misschien lijkt. Ons taalvermogen zit blijkbaar zo in elkaar dat er, indien noodzakelijk, een nieuwe taal mee gecreëerd kan worden.

Dat gebeurde bijvoorbeeld veelvuldig in het koloniale tijdperk op plantages en dergelijke. Voor die plantages werden er van alle kanten slaven aangevoerd. Slaven die dus ook allemaal verschillende talen spraken.

Gek genoeg was het nooit zo dat één taal het dan won van de andere en de voertaal werd. Nee, op de plantages ontstonden nieuwe talen (in taalkundejargon heten ze creolentalen, en er wordt geschat dat het er tussen de 100 en de 150 zijn). In Suriname bijvoorbeeld het Sranan Tongo, dat inmiddels ook in Nederland door een flinke groep mensen gesproken wordt.

En soms ontstaan er gebarentalen. De Indianen van de “Great Planes” bijvoorbeeld leidden allemaal een zelfde soort leven waarbij ze elkaar op ponyjacht of bij de handel tegenkwamen.

Maar verschillende stammen spraken ook compleet verschillende talen: op de Great Planes ontstond een gezamenlijke Indianen‑gebarentaal, die er naar het schijnt nog steeds is en inmiddels ook gebaren voor zaken als auto’s en telefoons heeft. In Nederland bestaan er nog steeds Trappistenkloosters waar de oudere broeders zich de gebarentaal herinneren die gebruikt werd in de eeuwen dat toetreden tot orde betekende dat je maar een dag per jaar mocht praten.

Bij de Indianen en de Trappisten gaat het om een soort hulptaal die bij gelegenheid ingezet wordt (de Trappisten mochten ook alleen over het hoogstnoodzakelijke gebaren).

Nooit zijn dergelijke gebarentalen iemands moedertaal. De dovengemeenschappen op de wereld hadden wat dat betreft een lastiger taak: ze moesten een complete taal, waarin ze alles konden zeggen, ontwikkelen. Niemand die weet hoe ze het gedaan hebben, maar feit is dat waar doven bij elkaar leven er een gemeenschappelijke gebarentaal is.

Let wel: overal een andere, zoals je ook overal verschillende gesproken talen hebt. Maar het is altijd een taal waarin grappen gemaakt worden, gescholden wordt, waarin gebaarders over de liefde en democratie kunnen gebaren, en over de toekomst en het verleden, kabouters en eenhoornen. Het is, kortom, altijd een taal als elke andere taal. En gebarentalen overleven ook wanneer het gebruik ervan verboden wordt, zoals in veel doveninstituten lange jaren het geval is geweest.

Dat kwam deels doordat men tot zo’n dertig jaar geleden overal aannam dat gebarentalen geen ‘echte’ talen waren. Een geloof dat nog steeds niet uitgeroeid is, zelfs niet onder doven: die is vaak jarenlang voorgehouden dat gebarentaal een minderwaardig en rudimentair communicatiemiddel is. De kortzichtigheid van horenden heeft veel kwaad gedaan.

Of eigenlijk is het natuurlijk een algemeen menselijk trekje: we zijn nu eenmaal geneigd te denken dat anderen net zo in elkaar zitten als wij en ongeveer dezelfde dingen denken en doen. En waar gebruiken horenden gebaren voor? Om wat ze zeggen een beetje kracht bij te zetten, of om naar concrete dingen te wijzen.

Vandaar dus de gedachte dat je in gebarentaal niet over abstracte zaken kunt praten. Maar het zit hem niet in de toevallige taal, het zit hem in ons: wíj kunnen het over abstracte of zelfs onmogelijke dingen hebben, of dat nu met behulp van een gebaar, een gesproken woord, of geschreven tekst is. En we verschillen daarin echt van de apen.

Een van de mooie dingen van de ontdekking dat gebarentalen gewone talen zijn die een ongewoon kanaal gebruiken, was dat eindelijk de mogelijkheid ontstond met zekerheid iets over het taalvermogen van apen te zeggen. Want leren spreken konden die sowieso niet, daar hebben ze nu eenmaal het strottehoofd niet voor. Het idee eens te kijken hoever je met gebarentaal kon komen was zondermeer briljant. Het heeft beroemde apen opgeleverd (Koko en Washoe bijvoorbeeld) die inderdaad in staat bleken een aantal gebaren te onthouden en te gebruiken.

Maar taal leerden ze niet. Dat wil zeggen: ze gingen elkaar nooit sterke verhalen vertellen, of hun onderzoekers vragen hoe die erop gekomen waren ze in een laboratorium te zetten, noch informeerden ze bij moederaap wat oma eigenlijk voor type geweest was.

Waarom dat niet gebeurde weten we natuurlijk niet precies. Wat apen in ieder geval duidelijk níet onder de knie krijgen, zijn de bouwprincipes die ons een levenlang in staat stellen steeds maar weer nieuwe dingen te zeggen en te begrijpen.

Het hoogste dat een aap in dit opzicht heeft weten te bereiken is het combineren van twee gebaren om daar iets anders mee aan te duiden (zoiets is maar een paar keer geregistreerd en het standaardvoorbeeld is dat van de aap die ‘water’ en ‘vogel’ gebaarde toen hij de een of andere eend zag).

Overigens geen geringe prestatie, apen zijn echt slim. Maar hadden ze werkelijk net zo’n taalvermogen en wij, dan zouden ze natuurlijk allang gebarentalen ontwikkeld hebben, net als de doven.

Als je doof bent is je grootste pech misschien wel niet dat je niet kunt horen. Je grootste pech is dat er niet méér mensen doof zijn. Eén op de 155 kan zelfs al genoeg zijn om een complete gemeenschap gebarentaal te laten leren. Vanzelf.

Dat cijfer komt van Nora Ellen Groce, die een onderzoek heeft gedaan naar doofheid en gebarentaal op een Amerikaans eiland: Martha’s Vineyard. Martha’s Vineyard werd in de 17e eeuw bevolkt door een groepje Engelse kolonisten. Die brachten een recessief gen voor doofheid mee. Ze vormden zo’n gesloten gemeenschap dat binnen een paar generaties iedereen familie was van iedereen, en de inteelt zorgde voor een abnormaal groot aantal doven, gemiddeld een op de 155 dus, maar een op de tien is ook wel voorgekomen.

Tot het begin van deze eeuw kende in een paar plaatsjes op het eiland iedereen gebarentaal. Groce zocht de hele geschiedenis uit en ging praten met de mensen die zich de tijd dat alle horenden tweetalig waren nog herinnerden. Ze heeft het allemaal beschreven in een boek dat Everyone Here Spoke Sign Language heet, en dat zeer de moeite waard is.

Omdat er zoveel doven waren, werd doof zijn normaal. Omdat iedereen gebarentaal kende konden doven aan alles meedoen. Je vond ze in alle beroepen en niemand dacht er, zo uit de verhalen te lezen, erg bij na dat ze niet konden horen.

Horenden onderling gebruikten hun kennis ook. Buurvrouwen op boerderijen die een flink eind uit elkaar lagen, luidden als ze elkaar iets wilden vertellen een klok, dan pakten ze hun verrekijkers en wisselden vervolgens in gebarentaal de laatste roddels uit. De voordelen van gebarentaal in de klas en de kerk laten zich ook raden. In drukke, lawaaierige omgevingen en over grotere afstanden is gebarentaal veel praktischer dan gesproken taal.

Als er meer doven waren dan zou gebarentaal vast en zeker een verplicht vak op school worden. Ook nu is dat idee volgens mij het overwegen waard. Hoe knap sommige doven ook zijn in liplezen, hoe verstaanbaar enkelen ook leren spreken: een dove zal zich nooit zo thuis kunnen voelen in een gesproken taal als een horende.

Iedere dove leeft daardoor in meerdere of mindere mate in een isolement. Terwijl de horenden prima gebarentaal kunnen leren, en daarmee dat gruwelijke isolement doorbreken. Voor wie horend geboren wordt is het ook een soort oudedagsverzekering. Stel dat je op een gegeven moment doof wordt, dan is dat in een gemeenschap waar iedereen, inclusief jijzelf, gebarentaal kent, werkelijk minder erg dan blind worden.

Ritme, rijm en rammanas

Het was geen grap, hij zei het volstrekt ingenu: “O? Oh ja, dat is dat blad dat niks voorstelt.” Geen domme man toch.

En verstandig dus maar dat O de dubbelzinnige slogan ‘het blad dat nergens op lijkt’ voorlopig heeft laten vallen. Want over het algemeen onthouden we wel de boodschap van wat ons meegedeeld wordt, maar de precieze vorm blijft niet bewaard. Bij een misinterpretatie is het daarom ook echt mis. Iets navertellen, betekent reconstrueren op basis van de betekenis: als het goed is heeft u wat hier boven staat best begrepen, maar er is geen sprake van dat u het woordelijk kunt herhalen.

Lastig is dat soms wel. Hoe vaak zegt of hoort u niet zeggen: “God, hoe zeidie dat nou precies? Hij drukte het zo prachtig uit. Het was zoiets als …, maar dat was het niet.”

Wonderlijk hoe het geheugen werkt: je proeft een bepaald woord als het ware, maar het lukt niet die smaak aan een vorm te koppelen. Toch is koppeling het toverwoord als het gaat om herinneren. De dingen die geen link met iets anders hebben zijn het lastigst te onthouden.

Bij de Postbank weten ze dat ook. Daar worden ze tegenwoordig beroerd van de stapels aanvragen voor nieuwe giromaatpassen van stomkoppen zoals ik die hun pincode vergeten zijn. Daarom hebben ze een folder met ezelsbruggetjes gemaakt. Van ganserharte wordt de giromaatpasgebruiker daarin aanbevolen in zijn pincode een datum, jaartal, huisnummer, confectiemaat of iets anders vertrouwds te zien. Lukt dat niet, dan kun je altijd nog proberen er een sommetje van te maken, of geheimtaal: 1 = a, 2 = b etcetera.

Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik dat foldertje voor mijn zomervakantie (net een nieuw pasje gekregen) uitvoerig bestudeerd had. Maar van mijn pincode viel niks te maken.

Twee weken in de zon bleken dan ook ruimschoots voldoende om hem totaal te vergeten. Althans, ik wist nog dat hij met een zes begon, en dat er nog een zes in zat, en een een. Op het postkantoor maakte ik de rij wachtenden achter me gevaarlijk ongeduldig, maar tot een reconstructie waar ook de apparatuur in geloofde is het niet meer gekomen. Machines willen helaas precisie, gelukkig zijn mensen vaak wel bereid te begrijpen wat je bedoelt.

Want ook woorden en uitdrukkingen worden nogal eens half of net verkeerd onthouden. Toch is er dan altijd die link: iets lijkt op een ander woord of een andere uitdrukking. Dat lijken op kan zowel in de vorm (meestal), als in de betekenis en de vorm samen zitten. Het maandblad Onze Taal schijnt overspoeld te worden met door lezers opgevangen malapropismen: “Marokkanen vieren Rammanas” en “De eenden zijn gestorven aan bolsjewisme” zijn typisch voorbeelden van “vormfouten”, bij “Zij willen met een schone lijst beginnen” speelt ook de betekenis mee.

Een heel fraai vorm‑betekenis‑malapropisme bracht de Veronica‑omroepster een tijdje terug: die meldde dat veel patiënten probaat van een behandeling hadden. Over Veronica gesproken: werkelijk gezegd schijnt ook deze te zijn: “Als ik nu maar niet wéér de pinup‑code van mijn giromaatpasje vergeet.”

Van fouten kun je leren. Bijvoorbeeld dat associatie een belangrijke rol speelt bij onthouden. Zij het dat te veel associatie ook weer niet goed is. Over onthouden en vergeten en repoduceren zijn in de loop van de tijd al heel wat aardige experimenten gedaan.

Ik las daar onder meer over in Human Memory, theory and practice van Alan Baddeley, een interessant boek dat dit jaar is uitgekomen (bij Lawrence Erlbaum Associates). Beginpunt voor allerlei onderzoek is de beroemde ‘vergeet‑curve’ van Hermann Ebbinghaus.

Die bestaat al meer dan een eeuw. Ebbinghaus leerde lijstjes van dertien willekeurige lettergrepen uit zijn hoofd. Zodra hij die twee keer achter elkaar goed kon opzeggen liet hij ze rusten. Om vervolgens zijn kennis met verschillende tussenpozen (beginnend bij na twintig minuten en eindigend bij na 31 dagen) te testen.

Altijd was hij een deel vergeten. Hoeveel hing, zoals je kunt verwachten, samen met hoe lang geleden hij de rijtjes uit het hoofd geleerd had. Hoeveel hij nog wél wist berekende hij aan de hand van de tijd die het om kostte om zijn geheugen weer op te frissen.

Het aardige van Ebbinghaus’ onderzoek is dat het laat zien dat kennis in de eerste paar uur dramatisch daalt, maar dat het verschil tussen wat je na 24 uur of na een maand nog weet gering is.

Iets dergelijks schijnt ook het geval te zijn met vreemde talen die we geleerd hebben, maar vervolgens niet meer gebruiken. In de eerste twee jaar zakt er razendsnel zo’n zestig procent van onze woordenkennis weg, maar de dan overgebleven veertig procent herinneren we ons tientallen jaren daarna nog steeds. Naar analogie van permafrost (de eeuwig bevroren stukken grond in arctische gebieden) wordt dat permastore (‘eeuwige opslag’) genoemd.

Of die permastore altijd veertig procent bedraagt waag ik trouwens te betwijfelen. Dat cijfer kwam uit een onderzoek dat over Spaans en Engels ging: beide talen met nogal wat dezelfde (namelijk Latijnse) stammen. Zelfs zonder ooit de andere taal geleerd te hebben moet je dan heel wat woorden kunnen raden volgens mij.

Iets wat absoluut niet lukt tussen pakweg Nederlands en Turks. Zelf heb ik een paar jaar terug een nogal intensieve cursus Turks gedaan. Vergeten sensatie uit mijn schooljaren: die eerste paar honderd woorden van al die vreemde talen die ik moest leren.

Niet te doen! Je kon wel aan de gang blijven, ze wilden er gewoonweg niet in. De rijtjes Turks maakten me in eerste instantie net zo wanhopig. Alleen wist ik inmiddels dat het op den duur toch wel zou lukken. Bekende truc: opschrijven. En nog eens opschrijven, die rare woorden. Dat helpt om je een beeld te vormen, en beelden helpen.

Dat is met experimentjes ook aangetoond: als je mensen expliciet de opdracht geeft zich bij een rijtje woorden een duidelijke voorstelling te maken (bijvoorbeeld bij ‘recht’ een blinddoek, bij ‘kracht’ een sterke man, etcetera), dan zijn ze beter in staat dat rijtje te reproduceren dan wanneer ze geen koppeling met een bepaald beeld hebben gemaakt.

Iemand die daar ijzersterk en onnavolgbaar in was, is beroemd geworden door de Russiche neuroloog Lurija: S., de man met Een teveel aan geheugen. Een Nederlandse vertaling van Lurija’s beschrijving van dit ‘neuropsychologische geval’ verscheen pas dit jaar (bij Bert Bakker).

Een verbijsterend boekje om te lezen. S. was in staat om willekeurig welke reeksen getallen of woorden dan ook te onthouden. En niet even, maar ook twintig jaar lang (Lurija volgde hem dertig jaar). S. vertelde ook hoe hij dat deed. Reeksen lettergrepen, of een tekst in een vreemde taal riepen in hem een overweldigende rij beelden en andere associaties op. Met die beelden en associaties zette hij als het ware een ‘weg’ in zijn geheugen uit, die hij dan later weer kon ‘bewandelen’: van beeld naar beeld.

Niet te begrijpen voor een gewoon mens, maar uiterst intrigerend. Te benijden was S. trouwens niet: alle woorden, ook als hij ze helemaal niet hoefde te onthouden, wierpen direct grote hoeveelheden beelden en andere sensaties op, waardoor hun betekenis vaak bedolven werd. Niet onbegrijpelijk dat iemand die alles direct vóór zich zag, de grootste moeite had om het overdrachtelijk gebruik van woorden te snappen.

Normale mensen kunnen in mindere mate ook last hebben van interferentie: dat het een het ander in de weg zit in je hoofd. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer je mensen een rijtje adjectieven uit hun hoofd laat leren, en je geeft ze daarna nóg een rijtje, vol met synoniemen van de woorden uit de eerste reeks. Die eerste reeks goed oplepelen gaat iemand in dat geval veel slechter af dan wanneer je hem in de tussentijd niets laat doen, of een rijtje onzinlettergrepen laat leren.

Twee dingen zijn natuurlijk sinds mensenheugenis dé grote hulpen bij uitstek als het gaat om het letterlijk reproduceren van teksten: ritme en rijm. En met ‘rijm’ bedoel ik dan ook maar even dingen als stafrijm (beter bekend onder de naam allitteratie) en klinkerrijm (assonantie). Homerus staat er al vol mee.

Hoewel letterlijke letterlijkheid toch echt een probleem voor het menselijk brein blijft: dertig jaar geleden werden de traditionele ‘bards’ in Joegoslavië onderzocht, directe afstammelingen van de Homerische traditie. Ze waren ervan overtuigd dat ze hun verhalende gedichten woordelijk van buiten kenden. En toch bleken ze in de praktijk telkens kleine variaties aan te brengen, die weliswaar vorm en inhoud niet werkelijk aantastten, maar die toch bewezen dat ze hun verhaal telkens opnieuw construeerden.

Alleen met kleine stukjes gaat het goed. Ritme en rijm sámen blijven het beste hangen. Kleine kinderen weten dat ook al: die zijn dol op rijmpjes die zich in een lekker dreinend ritme laten opzeggen (“Líesbeth Kóenen hóudt van zóenen” was qua ritme én rijm perfect).

Daarnaast vind je in onze cultuur eigenlijk alleen nog in de reclame overblijfselen van de orale traditie. “Met melk meer mans” is een prachtcombinatie van staf‑ en klinkerrijm, “Chief Whip op ieders lip” brengt klinker‑ en gewoon rijm samen. De voorbeelden liggen voor het oprapen.

Wedden dat u zich nog steeds kunt herinneren “Bij wie ook weer?”. Het zijn dikwijls de verschrikkelijkste kreten, maar ze zitten geramd in ons geheugen. Woordspelingen in reclames zijn gevaarlijker, maar daar had ik het straks al over gehad.

Geleerde taalangst

Iedereen die schrijft of vaagweg iets met taalkunde of het vak Nederlands te maken heeft kent het: het kleine stapje terug van de nieuwe gesprekspartner die zojuist vernomen heeft hoe je aan de kost komt, het licht gebogen hoofd en het gestamelde ‘dan mag ik wel op mijn woorden letten’ danwel ‘ik ben zo slecht in taal’. Angst voor de deskundige giert van hun gezicht.

Hinderlijk moment, dat mij al honderden malen ‑ tenminste in stilte ‑ heeft laten verzuchten: ‘Wat is het toch jammer dat ze je op school niet leren hoe knap je bent.’ Want als er nou op de wereld één ding is waarin iedereen ongeveer even goed is, dan is het taal. Ware bouwmeesters van de meest ingenieuze constructies zijn we, en al vanaf pakweg ons zevende jaar hebben we alle bouwprincipes onder de knie.

Voor rekenen moet je naar school. Zelfs een eenvoudige staartdeling vereist specifiek onderricht, maar elk kind dat in een Nederlandstalige omgeving opgroeit weet dat is deze zin niet goed.

En dat komt niet doordat iemand hem verteld heeft dat de verbogen vorm van het werkwoord in het Nederlands achteraan in de bijzin hoort te staan. Zulke dingen leer je niet, die weet iedereen ook zonder dat hij ze kan benoemen. Evenzogoed kan een Italiaan best uit de voeten met de mededeling De brief die ik mij afvraag wie gepost heeft is een liefdesbrief (als er Italiaanse woorden voor ingevuld worden tenminste), maar voelt iedere Nederlander op zijn klompen aan dat er iets hevig rammelt aan die zin.

Dit soort foute zinnen die ook elke Nederlandstalige onmiddellijk als fout herkent, zijn bij bosjes te maken. En toch doet niemand dat. Alleen taalkundigen, omdat die er zo makkelijker achter kunnen komen wat er nu precies wel en niet kan in een taal. Voor de gewone taalgebruiker geldt: je moedertaal kennen houdt in dat je automatisch het onderscheid tussen goed en verkeerd kent.

Zijn er dan geen verschillen in taalkennis? Natuurlijk wel, alleen zijn de overeenkomsten oneindig veel groter. Verschillen vind je vooral aan de marge, in kleine dingen. Zo heeft de een een grotere woorden‑ en uitdrukkingenschat dan de ander.

Ik ken mensen voor wie ‘hypokritisch’ een Nederlands woord is, en ‘een advocaat in de armen nemen’ een uitdrukking. En voor velen is er geen enkel verschil tussen ‘niet in het minst’ en ‘niet in de laatste plaats’. Maar dat verandert niets aan het voertuig dat er voor die woorden gebruikt wordt: de grammatica, de structuur waarbinnen je je in het Nederlands kunt bewegen. De principes die maken dat het beroemde onzinzinnetje De vek blakt de mukken afgezien van de inhoud perfect Nederlands is voor iedereen die Nederlands spreekt.

Zeker, ook in de grammatica rommelt er wel eens iets aan de marge, maar alweer: het gaat om minuscule verschilletjes.

Ik schat dat inmiddels de meerderheid van de Nederlanders niets vreemds meer ziet in een zin als ‘De deelnemers aan de Nijlcruise worden verzocht op het dek hun schoenen uit te doen’. Maar ‘Hun hebben daar helemaal geen zin in’ heeft het nog niet zover geschopt.

Bij taalveranderingen (vooruit nog één keer dan: een onbegrepen en volmaakt onstuitbaar proces dat in elke taal plaatsvindt) heb je altijd een overgangsperiode: voor de ene groep is de verandering al een feit, voor de andere is de verandering een fout.

Goed. Moedertaalsprekers delen dus een enorme berg kennis. Daarnaast heb je dan wat persoonlijke en groepsverschillen (sommigen zeggen ‘ik kan jou’, anderen ‘ik ken jou’), en geregeld verandert er iets voor iedereen (zetten we achter een werkwoordsstam aar dan maken we daarmee tegenwoordig een woord dat een persoon aanduidt die de handeling van het werkwoord in kwestie uitvoert, vandaar dat gijzelaar en martelaar nu voor verwarring zorgen).

Dat alles staat de onderlinge verstaanbaarheid zelden in de weg. Objectief gezien zou je zeggen: niets aan de hand, nergens iets om je druk over te maken. En toch zindert overal de angst en onzekerheid.

Waarom? Omdat er op nogal wat plaatsen in de maatschappij straf staat op afwijken van het S tandaardnederlands. Dat wil zeggen: op een heel klein rijtje afwijkingen: liggen en leggen door elkaar halen, ‘hun hebben’ zeggen, en zo zijn er nog een paar, sommige subtieler dan andere (motivatie en motivering betekenen niet hetzelfde), maar je hoort bijvoorbeeld nooit eens iemand klagen over het schandelijke aantal versprekingen dat er in het Nederlands gemaakt wordt. Je verspreken, een zin hernemen mag meestal wel.

Wat beslist niet mag is een bepaald woord niet kennen. Waaruit bestaat de straf? Uit afgaan, uit voor dom en onopgeleid versleten worden. Dat heeft uiteindelijk niets te maken met taal, maar alles met sociologie. Ben je, ‑ ik neem maar even een uitgemolken voorbeeld ‑ dom als je groter als zegt? Het is zonder meer verstandiger dat in bepaalde gezelschappen niet te doen, maar dan hebben we het over sociale intelligentie, niet over inherente domheid.

Maatschappelijke druk vermag heel wat. De meeste mensen onttrekken zich daar niet gemakkelijk aan. Ook al zoeken ze heel verschillende uitwegen voor hun angst en onzekerheid.

Ontwijken en ontkennen zijn natuurlijk standaardreacties uit de psycholo/iatrie. Je laat bijvoorbeeld niet merken dat je een woord niet begrepen hebt (of dat je de BBC maar zeer ten dele kunnen volgen), of je waagt je liefst nooit aan het schrijven van een brief (over de sociale impact van spelfouten wil ik het hier even niet hebben). Wie zo zijn angst bestrijdt is vooral zichzelf tot last.

Veel erger zijn degenen die hun angst overschreeuwen. Dat zijn de ingezonden‑brieven‑schrijvers en de onverbeterlijke eeuwige verbeteraars. Of hun angst precies dezelfde is als die van de ontwijkers zou ik niet durven zeggen, maar bang zijn ze. Bang dat ze een bepaald woord nog eens in de krant zullen lezen, als de dood dat iets dat ze niet kennen of niet zó kennen geaccepteerd zal raken. Vol vrees dat het anders is of wordt dan zij geleerd hebben.

Enig conservatisme is de meeste mensen eigen. Het gevoel dat de dingen vroeger beter, mooier en prettiger waren heeft denk ik te maken met het volgende: als klein kind vind je alles normaal, neem je vrijwel alles for granted. Terwijl je opgroeit maak je je een taal en een wereldbeeld eigen. Je vergroeit daar letterlijk mee.

En je weet nog niet dat bijna alles om je heen voor verandering vatbaar is. Dat vertelt niemand erbij. Als de wereld er dan later toch anders uit gaat zien, zit er weinig anders op dan je zo goed en zo kwaad als het gaat aanpassen. Je doet dus mee aan nieuwe modes, koopt ook een video of een groene bloemkool. Maar iedereen wil graag een paar dingen uit het verleden vasthouden.

En voor sommigen zijn dat dus taalgebruiken. De angst‑overschreeuwers denken voor hun behoudzucht een machtig wapen in handen te hebben: DE REGELS. Zoals zij ze op school geleerd hebben. Die moeten dus goed en eeuwig waar zijn.

De regels die bijvoorbeeld zeggen dat ‘hele rare woordjes’ niet mag. Dat moet ‘heel rare woordjes’ zijn. Niet dat de ingezonden‑brieven‑schrijvers dat zelf ooit zo zouden zeggen, ook al denken ze van wel, maar dat zijn nu eenmaal DE REGELS van de meester op school. (Ik geef maar even het jongste voorbeeld uit de nooit lang stilstaande stroom reacties die ik al jaren op artikelen krijg. Het is een geliefd volksvermaak kan ik u vertellen: een stuk uitscheuren of ‑knippen en met in rood of fluorescerend geel aangestreepte vermeende fouten terugsturen aan de auteur.)

Ik heb slecht nieuws. De Grote Boze Gruwelgrammaticus die in toorn ontsteekt en bliksem werpt bij het horen van een grammaticale afwijking van DE REGELS bestaat niet.

Het is nog veel erger: DE REGELS bestaan niet eens. Een uitputtende beschrijving van de grammatica van het Nederlands, of van welke taal dan ook is nog nooit geschreven. Al zou hij nog zo graag willen, er is geen leraar die de regels van het Nederlands onderwijzen kan. Domweg omdat hij ze niet kent. Ja, hij kent ze wel, maar alleen onbewust.

Over hele kleine stukjes kan hij wel iets zeggen. Jammer genoeg beperkt hij zich daarbij meestal tot de stukjes die andere schoolmeesters helemaal zelf bedacht hebben: het verschil tussen ‘heel’ en ‘hele’ bijvoorbeeld, en natuurlijk het onderscheid tussen ‘hen’ en ‘hun’ waar we nu al letterlijk eeuwenlang mee geplaagd worden.

Dat ‘hen’ vierde en ‘hun’ derde naamval zou zijn, is een bedenksel uit de zeventiende eeuw. Het naamvallensysteem was toen al uit het Nederlands verdwenen, de ‘gevoeligheid’ van de taalgebruiker voor naamvallen dus ook. Al vele tientallen generaties scholieren moeten daarom een merkwaardig regeltje gewoon maar stomweg uit het hoofd leren.

Het verwarrendste is nog wel dat je naast ‘ik heb het hun gegeven’ moet schrijven ‘ik heb het áán hen gegeven’, want na het voorzetsel aan  mag ineens niet meer de derde naamvalsvorm komen, maar moet het de vierde naamval zijn. Ik ken niemand die ‘hen’ en ‘hun’ moeiteloos op de voorgeschreven manier gebruikt.

De schoolmeester die met dat voorschrift kwam was overigens vermoedelijk Christiaen van Heule. In zijn Nederduytsche Grammatica oft Spraec‑konst (uit 1625) valt er althans voor het eerst iets over te lezen, meldt Joop van der Horst in zijn zeer leesbare Korte geschiedenis van de Nederlandse taal

P.C. Hooft, die uit bewondering voor de klassieken zelf dikwijls een soort letterlijk vertaald Latijn schreef, nam het hen‑hun‑onderscheid van Van Heule over. Zijn invloed reikt tot aan de schoolmeesters van vandaag, ook al is het hem niet gelukt tevens een hem‑hum‑onderscheid (‘ik heb het hum gegeven’) in te voeren.

Ach, vertelden hedendaagse schoolmeesters hun leerlingen nou maar eens hoe knap ze zijn, dat hun moeite met ‘hen’ en ‘hun’ vanuit het Nederlandse taalsysteem bezien alleen maar volmaakt begrijpelijk is, en dat ze best mogen vertrouwen op hun eigen kennis en intuïties over wat goed en fout is.

Tenslotte vormt die kennis, en niets anders, het uitgangspunt voor taalkundigen die de regels van de grammatica van een taal willen vinden. Een fatsoenlijk taalkundige is dan ook de laatste die een gesprekspartner op een feestje ervan zal betichten dat hij ‘slecht in taal’ is.

Nooit is er iemand doodgegaan

Ongesteld. Het woord had een magische klank toen we een jaar of tien waren. Een klas vol meisjes op een nonnenschool: we waren het nog niet, maar we zouden het binnen afzienbare tijd worden. Het woord zoemde samen met onze ongrijpbare verwachtingen rond op de achterste rijen.

Onder de klep van de schoolbanken bevond zich in die vijfde klas voor het eerst een woordenboek. Dat hadden we allemaal moeten aanschaffen: een eenvoudige pocket, het zal een prismaatje geweest zijn.

Scherp is het beeld van over hun tafeltjes gebogen meisjesruggen. Stiekem en warmwordend zochten we ongesteld op. Het stond erin. Maar niet in de betekenis die wij ervan kenden. Ons woordenboekje kende alleen de ongesteldheid die leden van het koninklijk huis nog wel eens wil treffen. Zie je wel: ongesteld worden moest wel iets heel geheimzinnigs wezen.

Twintig jaar geleden was menstrueren iets waarover in het openbaar vooral gezwegen werd. Dat is nog steeds niet helemaal over. In maandverband‑ en tamponreclames valt inmiddels geregeld het woord maandverband of tampon (zij het zeker niet altijd: Kotex heeft momenteel een spotje op tv waarin alleen aldoor gevraagd wordt of we nou echt helemaal niets zien aan de mevrouw in beeld), maar over menstrueren of ongesteld zijn heeft geen enkel reclamebureau het. Terwijl dat toch bepaald geen schuttingwoorden zijn.

Er bestaat zelfs geen schuttingwoord voor. Daar zit een verschil tussen menstrueren en andere taboezaken die met het menselijk lichaam te maken hebben. Normaal gesproken heb je de keus uit drie soorten woorden: plat, medisch of eufemistisch (pik, penis, fluitje, ‑ neuken, copuleren, naar bed gaan ‑ stront, fecaliën, ontlasting).

Vooral de laatste categorie is altijd rijk en naar believen voor eigen gebruik uit te breiden. Voor menstrueren bijvoorbeeld zijn er volstrekt willekeurige uitdrukkingen in omloop als ‘oma is op bezoek’ en ‘de vlag hangt uit’. Per partner, familie of vrienden/vriendinnenclubje kunnen de termen wisselen (ik ken twee vriendinnen die jarenlang het neutrale werkwoord ‘fietsen’ gebruikten voor masturberen). 

Toch is er sinds ik op de lagere school zat echt iets veranderd. De schoolwoordenboeken van Wolters en Jacob Dijkstra geven merkwaardigerwijs voor ongesteld nog steeds uitsluitend ‘een beetje ziek’ en ‘onwel’, maar de nieuwste uitgave op dit terrein, het Basiswoordenboek Nederlands van Van Dale (overigens in veel opzichten een van leukste woordenboeken die er in Nederland bestaan) doet daar niet meer aan mee.

Woordenboekenmakers hebben een andere taakopvatting gekregen. Ze vinden tegenwoordig dat ze moeten registreren. Niet meer en niet minder. Gevolg: woorden als kut en neuken zijn in elk woordenboek (en dat worden er steeds meer: voor de middelbare school‑ en huis‑tuin‑en‑keuken‑markt zijn er nu al vier verschillende handwoordenboeken in omloop) te vinden. 

Het is een rare gedachte dat allerlei woorden eeuwenlang alleen van mond‑tot‑mond gingen. Tenminste: dat moeten we aannemen. Hun gangen zijn niet goed na te gaan. En wat je ook vindt in oude liefdesbrieven, pornografische verhalen of scheldkannonades: je weet nooit of er niet nog veel méér was. Zou het recente officieel registreren van schutting‑ en scheldwoorden gevolgen krijgen voor hun gebruik en betekenis? Een eenvoudig spelletje Scrabble, waarbij van oudsher het woordenboek als scheidsrechter gebruikt wordt, kan er nu al heel anders uitzien dan vroeger.

Volgens Hugo Brandt Corstius bestaan er helemaal geen taboewoorden meer. Alleen combinaties van woorden kunnen nog taboe zijn. Zijn mooie allitererende voorbeeld: ‘de kut van de koningin’ (andere voorbeelden zijn gemakkelijk te bedenken: ‘de lul van Lubbers’, ‘pis van de paus’, etcetera). In de jaren zestig plaatste het blad Gandalf dat alles plaatste een tekst met die woorden niet. Maar Brandt Corstius’ stelling werd ontkracht door het feit dat NRC Handelsblad het interview waarin hij hierover vertelde zonder mankeren afdrukte. Er volgden ook geen ingezonden brieven.

Die volgden wel toen in datzelfde NRC Handelsblad de oplossing van een cryptogram concentratiekamp bleek te zijn. Een woord waar niemand over zal struikelen als het in een krantenartikel staat.

Maar een cryptogram is een taalspelletje, en concentratiekampen zijn lugubere dingen. Die twee botsen blijkbaar te hard voor sommige mensen.

Wat dat laat zien is dat woorden alleen in een bepaalde context taboe zijn. Zo is ‘dood’ een doodnormaal woord. Toch kan ik me niet herinneren ooit in een rouwadvertentie gelezen te hebben dat er iemand dood was. In rouwadvertenties wordt gesproken van ‘overleden’, ‘ontvallen’, ‘heengegaan’, ‘afscheid moeten nemen’, ‘ingeslapen’, ‘rust gevonden’, enfin, de variaties zijn eindeloos, maar nóóit is er iemand doodgegaan. Ook in condoleancebrieven is het woord dood taboe.

Hoe hard woorden aankomen is dus afhankelijk van de omstandigheden én van tegen wie je het hebt. Wat dat betreft is er weer eens niets nieuws onder de zon. Tegen de dominee mag je niet vloeken (daarom zegt Tom Egberts, onze blonde NOS Sport‑held, op de televisie geen godverdomme, want je weet niet wie er allemaal zitten te kijken, maar thuis wel, zoals hij laatst in de Haagse Post bekende).

En ik kan hier om mijn punt te illustreren rustig opschrijven dat negers racistisch zijn, vrouwen oerstom en homo’s ziek. Pas als ik dat als socioloog, psycholoog of dokter, óf in een uitzending voor politieke partijen ga verkondigen krijg ik problemen.

Dat ik op deze voorbeelden kom is overigens niet toevallig. Bevolkingsgroepen in hun geheel een bepaalde eigenschap toedichten is typisch een taboe van tegenwoordig. Over het al dan niet in een woordenboek opnemen van het woord ‘jood’ in een negatieve betekenis (‘onbetrouwbare handelsman’) laait er telkens opnieuw een discussie op. Terwijl tegen lemma’s als ‘kutzwager’ of ‘kankertrut’ niemand protesteert.

Het scheldwoordenboekje dat Hans Heestermans vorig jaar uitbracht bevat geen ‘etnofaulismen’ zoals hij ze noemt (wel ‘aidslijer’ trouwens). In rap tempo zijn de gastarbeiders ‘buitenlandse werknemers’ geworden, en ‘etnische minderheden’ en tegenwoordig heten ze meestal ‘allochtonen’. De angst iets verkeerds te zeggen zit er zo diep in dat velen de gewoonte hebben aangenomen om over ‘Turkse mensen’ of ‘Surinaamse mensen’ of ‘Joodse mensen’ te praten. Kennelijk realiseren ze zich niet dat dat (letterlijk) discriminerend is zolang je niet ook van ‘Nederlandse mensen’ en pakweg ‘Amerikaanse’ en ‘Duitse mensen’ spreekt. 

Toch is er met taboes iets raars aan de hand. Of niet zozeer met taboes als wel met de menselijke geest denk ik. Zaken die zwart op wit staan zijn om de een of andere reden schokkender dan diezelfde zaken wanneer ze uitgesproken worden. Wij konden best praten over ongesteld worden, maar dat woord kon volgens de heersende norm niet zomaar sec in een woordenboek staan. (Een woordenboek geeft de woorden natuurlijk in principe contextvrij, ook al staan er vaak wel aanduidingen als spreektaal of plat of vulgair bij.) Een ordinaire scheldbrief is moeilijker te verteren dan een ordinaire kijfpartij waarbij dezelfde ruziemaker gewoon tegenover je staat.

Het is net alsof iets wanneer het opgeschreven is, wáárder wordt. We hebben liever een schriftelijk dan een mondeling contract, al is dat laatste net zo rechtsgeldig. Het bladzijden lang neerkalken van de naam van een geheime liefde geeft ook zo iets prettig tastbaars ineens. Zien is geloven?

Misschien is beeld inderdaad indringender dan geluid. Als we luisteren krijgen we zo’n 180 woorden per minuut binnen. Lezen we daarentegen dan gaat dat gemiddeld met een snelheid van 300 woorden per minuut. Dat betekent dat we in principe een geschreven taboe sneller in ons opnemen dan een gesproken taboe. En toch komt het harder aan?

Zelfs een opgeschreven gesproken taboe is al te erg. Toen Sjon Hauser een tijdje terug door de NRC geinterviewd was omdat hij een mooi boek over Thailand had geschreven, verscheen er boven het artikel als kop een citaat waarin het werkwoord ‘lullen’ voorkwam. En ja hoor: ingezonden brieven, waarin prachtige alternatieven voor lullen werden gegeven. Dat was niet minder dan een verzoek om censuur.

Een vies woord opschrijven kost sommigen onder ons ook nog steeds moeite. Een dame van de PTT bleek laatst volgens een berichtje in de Volkskrant niet in staat de telegramtekst Lieve geile timmerman, gefeliciteerd van Hans en Gerrit‑Jan op te nemen. Althans, “dat tweede woord” kon ze zelfs na overleg met haar meerderen niet verzenden.

Zien raakt ons harder dan horen. Het journaal is dat in ieder geval met me eens: avond aan avond vertelt het ons hoeveel doden er nu weer gevallen zijn door instortende gebouwen, op elkaar klappende auto’s en schietende soldaten. Blijkbaar kunnen we dat allemaal verwerken. Maar beelden van een ‘zwaargewonde’ of een ‘verminkt lijk’ krijgen we zo goed als nooit te zien.