Stap voor stap naar duizend miljard antistoffen

Ons afweersysteem is zijn vak. Levert dat een andere kijk op de wereld op? Zie je dan steeds overal mogelijke belagers? Menno van Zelm grinnikt even bij dat idee, maar zegt dan toch: ‘Nou, ik was zeven jaar niet ziek geweest, maar afgelopen winter ineens vijf keer. Ik heb een zoon van een jaar, en ik ben er wel over gaan nadenken. Hij is zijn afweer aan het opbouwen, en kennelijk word ik daar ook ziek van. Hoe dat kan? Kinderen zitten aan alles, en vaak dicht op elkaar. Ik denk dat mijn zoon dingen meebrengt die net een beetje anders zijn dan wat mijn afweersysteem al kende.’

Net een beetje anders. Daarin schuilt het probleem en tegelijk de kracht en het mirakel van het immuunsysteem. Dat moet antistoffen maken, en het zijn uitgerijpte B-cellen die dat doen. Van Zelm: ‘Antistoffen neutraliseren bacteriën en virussen en maken ze dood. Elke antistof is anders. En elke B-cel maakt weer een andere.’ Van die B-cellen produceren we er zoveel dat ze samen het duizelingwekkende aantal van meer dan duizend miljard verschillende antistoffen kunnen opleveren.

Van Zelm: ‘Als je bedenkt dat we maar zo’n 19.000 genen hebben, lijkt die variëteit onmogelijk. Maar sinds de jaren zeventig en tachtig is bekend dat elke B-cel die wordt aangemaakt z’n erfelijk materiaal een beetje verandert. Dus kan iedere cel weer net een andere indringer herkennen en daarop reageren.’

Hoe dat kan, hoe dat dan werkt met die DNA-veranderingen, is wat Van Zelm ging onderzoeken voor zijn proefschrift. Hij vond onder meer vijf stadia die een B-cel in het beenmerg doorloopt voordat hij klaar is om iets te gaan herkennen. ‘En voordat hij antistoffen gaat maken, zijn er nog twee of drie of vier stappen.’ Met behulp van het aankleuren van eiwitten en de eerste, heel fraaie, 3D-opnames van de specifieke stadia kon Van Zelm laten zien dat de DNA-wijzigingen niet willekeurig zijn – wat je bij zo’n enorm arsenaal bijna zou denken. ‘In 3D zie je dat het DNA zo gevouwen wordt dat stukjes die dicht bij elkaar moeten komen inderdaad gericht samenkomen.’

Kennis die hij ook inzet voor onderzoek naar patiënten met een ernstige afweerstoornis, die niet of nauwelijks antistoffen maken. Van Zelm: ‘Een op de 20.000 kinderen heeft zo’n stoornis. Bij enkelen ontbreekt, als gevolg van een afwijking in een gen, het eiwit CD19.’ Levensgevaarlijk. Vooralsnog is daar niets anders aan te doen dan patiënten eens in de paar weken een bloedproduct met antistoffen van een groot aantal andere mensen toe te dienen, en ze antibioticakuren te geven. ‘We hebben uitgezocht welk gen afwijkt en ook hoe de afwezigheid van CD19 tot ziekte leidt,’ vertelt Van Zelm. ‘En het werkt ook omgekeerd: we krijgen nu inzicht in waar dat ene eiwit belangrijk voor is, welke processen er nodig zijn bij gezonde mensen.’

En dat allemaal terwijl Van Zelm eigenlijk diergeneeskunde wilde doen. Hij werd twee keer uitgeloot. Gelukkig bleek er bij zijn tweede keus biologie ook zoiets als moleculaire biologie te bestaan. Daar studeerde hij in af, om zich daarna op het Hubrecht Instituut met het beroemde miniwormpje C. elegans bezig te gaan houden. Maar dat was het niet helemaal. Van Zelm:’Ik wilde toch iets dat dichter bij de mens stond, en werken aan een groot biologisch systeem, met netwerken en interacties. Immunologie aan de Erasmus in Rotterdam paste daar perfect bij.’ Wat ze er doen, is groepswerk, benadrukt hij. ‘Maar denk daarbij aan een jong en dynamisch team, niet aan grijze muizen. Dat beeld moet echt veranderen.’

Menno van Zelm
1979
Bioloog/immunoloog
Groepsleider van de unit Moleculaire
Immunologie aan het Erasmus MC Rotterdam

Ontvangt de prijs voor zijn onderzoek naar de cellulaire en moleculaire mechanismen die antistofdeficiënties veroorzaken – ernstige aandoeningen aan het afweersysteem

De zwemmende startmotor van onze afweer

Niemand had ze voor 1973 ooit gezien, maar de speciale afweercellen die medisch onderzoeker Ralph Steinman ontdekte, zouden ons binnenkort wel eens van heel wat ziekte en ellende kunnen verlossen.

Ons afweersysteem ingewikkeld? ‘Nou, dat is maar hoe je ernaar kijkt,’ vindt Ralph Steinman, ‘het is ook nogal elegant.’ En in elk geval zeer veelomvattend. In de ogen van Steinman is dat wat het zo’n aantrekkelijk medisch onderzoeksgebied maakt. ‘Van je nieren weet je precies wat ze doen, net als van je ingewanden, enzovoort. Alle andere organen hebben een duidelijke, toegespitste functie,’ zegt hij – bijna met een beetje dedain. ‘Maar het bereik van je immuunsysteem is enorm. De evolutie zorgt dat er zich altijd nieuwe infecties ontwikkelen, en het immuunsysteem is erop gemaakt daar gelijke tred mee te houden.’

Impact

De inzichten in de werking daarvan hebben volgens hem bovendien nu het punt bereikt waarop een nieuwe generatie veel effectievere vaccins en andere medicijnen vrijwel voor het grijpen ligt. Als Steinman gelijk heeft, zal de impact van de immunologie op onze gezondheid nog heel indrukwekkend worden.

Exact veertig jaar geleden betrad hij als jonge dokter het onderzoeksterrein. Drie jaar later had hij al een heel nieuw type cellen ontdekt, die hem wereldfaam zouden bezorgen. Cellen die een sleutelrol vervullen bij alle afweerreacties. En daar bestaan er veel van. Steinman: ‘Net rond 1970 begon het duidelijk te worden dat ons afweersysteem niet alleen infecties bestrijdt, of met behulp van een vaccin antilichamen kan leren te maken, maar dat het ook op allerlei andere medische gebieden een rol zou kunnen spelen. Bij de afweer tegen kanker bijvoorbeeld. En ook bij ongewilde reacties, zoals je die hebt bij allergieën en auto-immuunziektes als multiple sclerose, of de afstotingsreacties na een transplantatie.’

Zo stond het ervoor. Maar er was een probleem: ‘We begrepen niet hoe je een immuunrespons in gang kon zetten. Hoe begon het? We kenden wel de componenten van bacteriën, of kankercellen of transplantaten die we antigenen noemen – meestal zijn dat proteïnen. Maar als we die proteïnen injecteerden in dieren of mensen riepen we daarmee niet de afweerreactie op die we wilden begrijpen.’

Maar er bestonden wel degelijk al vaccins waarbij dat wel gebeurt. Zoals de inenting tegen kinderverlamming, die voor Steinman zelfs nog een van de redenen was geweest de immunologie in te gaan: ‘Ik ben opgegroeid in het tijdperk dat er nog polio was.’ Vaccins leren het afweersysteem om specifieke antilichamen te maken, die bescherming bieden wanneer we daarna aanlopen tegen de desbetreffende indringer, zoals het poliovirus. In de manier waarop vaccins gemaakt werden, bleek het geheim verstopt te zitten van het aanslingeren van de afweerreactie. Steinman vertelt hoe het indertijd toeging: ‘De methode was: neem de proteïnen waartegen het vaccin moet werken en voeg die toe aan cellen die de immuunreactie maken – die heten lymfocyten. En verder moest je er een mengsel van mysterieuze ‘hulpcellen’ bij doen. En dan werkte het.’

Het was in dat mengsel, waar heel veel verschillende celtypen in zaten, dat Steinman cellen ontdekte die nog nooit door iemand beschreven waren. Bijzondere cellen: ‘Hét kenmerk zijn hun uitlopers, die doen denken aan de armen en benen van een zwemmer die zich een weg baant door het water. Geen enkele andere cel beweegt zich op die eigenaardige manier.’ Het zijn die ‘armen en benen’ die ze hun naam ‘dendritisch’ (vertakkend) hebben bezorgd.

Steinman: ‘Dendritische cellen zijn altijd bezig hun omgeving te peilen. Alsof ze uitkijken naar indringers, en naar de immuuncellen die verzameld moeten worden voor het teweegbrengen van immuniteit. Uiteindelijk zijn ze de missing link gebleken. De dendritische cellen initiëren de afweerreacties. Ze zijn de helpers van moeder natuur. De microben of zelfs de simpele proteïnen die zij oppikken, maken dat dieren en mensen leren om specifiek daarvoor een immuunrespons maken.’

Geloofd werd Steinman in eerste instantie niet. ‘De cellen zijn lastig om mee te werken,’ zegt hij. Hij leerde hoe ze te zuiveren. Heel frequent zijn ze niet, hoewel ook dat relatief blijkt. ‘In onze huid zitten mooie, grote dendritische cellen. Dat zijn er toch nog duizenden per vierkante millimeter. Je zit op zo’n twintig miljoen exemplaren: de bedekking van je achterwerk.’

Overigens waren de dendritische cellen in de huid nou net de enige die wel eerder waren opgemerkt. Ze heetten al Langerhanscellen, naar de negentiende-eeuwse patholoog Paul Langerhans, wiens naam ook voortleeft in de alvleesklier, waar in de ‘eilandjes van Langerhans’ onder meer insuline geproduceerd wordt. Steinman: ‘Maar Langerhans dacht vanwege die vertakkingen dat ze bij het zenuwstelsel hoorden.’

Hoe kan het dat ze verder over het hoofd waren gezien tot dan? Steinman lacht: ‘Ik denk dat niemand erg zorgvuldig gekeken had. En de meesten hielden zich bezig met eigenschappen van het immuunsysteem die spelen nadat het al in actie is gekomen. Met andere gaten in onze kennis. Mijn nadruk op hoe het allemaal begint, was toen uniek.’

Het werd allengs makkelijker om met de cellen te werken, en nu zijn dendritische cellen allang gemeengoed. Ze worden in honderden laboratoria onderzocht. Steinman: ‘We hebben een veel beter begrip gekregen van een groot aantal medische problemen. Hoe afstoting in zijn werk gaat, wat er gebeurt bij allergieën, of hoe tumorcellen herkend en dan afgestoten worden.’

Raadsel

Neem de intrigerende dingen die aan het licht zijn gekomen over getransplanteerde organen. Dat zo’n orgaan afgestoten wordt, is als bekend het grote risico. Patiënten worden levenslang op medicijnen gezet die hun complete afweer onderdrukken, met alle gevaren vandien, en dan nog gaat het lang niet altijd goed. Maar opmerkelijk genoeg blijkt het donororgaan zelf het sein ‘indringer’ te geven. Steinman: ‘Hoe is nog een raadsel, maar na een transplantatie worden de dendritische cellen in het getransplanteerde orgaan in werking gezet. En dan verplaatsen ze zich naar het lichaam van de ontvanger. Kijk, die cellen zijn een soort schildwachten, die de generaals vertellen dat er iets fout is gegaan en dat ze het leger in moeten zetten. Maar in dit geval vertellen ze dus aan de ontvanger dat die het transplantaat moet weigeren. Waarschijnlijk worden er stukjes van het orgaan opgepikt door dendritische cellen van de ontvanger, en zet dat ook de respons in werking.’

‘Als je nu dat begin kunt blokkeren, dan is het probleem opgelost. We proberen ook een immuunrespons te maken die het immuunsysteem juist uitschakelt.’ Maar dan niet in zijn geheel, maar toegespitst op specifieke reacties, zoals de afstoot van transplantaten. Dat lijkt te gaan lukken: ‘Toevallig zijn we net een paper aan het afronden over hoe je medicijnen kunt maken die specifiek op een transplantaat gericht zijn. Inmiddels hebben we laten zien hoe cellen die een respons stilleggen, kunnen standhouden in dieren met een getransplanteerd orgaan. Dat was een groot struikelblok. Maar nu ligt hier een heel nieuw gebied open.’

Maar goed ook

Een echte doorbraak noemt Steinman die ontdekking dat dendritische cellen het afweersysteem niet alleen in gang zetten, maar juist ook stil kunnen leggen, kunnen maken dat er niet gereageerd wordt. ‘Dat is maar goed ook,’ zegt hij. ‘We ademen voortdurend proteïnen in, eten van alles. Als we daar voortdurend immuunresponses op hadden, dan liepen we altijd met chronische ontstekingen rond.’ In dat vermogen van dendritische cellen ziet hij niet alleen mogelijkheden bij transplantaties. ‘Zo’n nieuw type vaccin zou dan bijvoorbeeld ook de auto-immuunreactie af kunnen zetten die bij multiple sclerose de hersenen aantast.’

Heel recent is de eerste officiële goedkeuring van een vaccin dat gebaseerd is op dendritische cellen. Steinman: ‘In dit geval gaat het om een middel waarvan vaststaat dat het een bescheiden verlenging geeft van het leven van mannen met vergevorderde prostaatkanker.’ Dat klinkt nog niet meteen erg spectaculair. Is het probleem hier misschien dat medicijnen in het begin alleen getest mogen worden op erg zieke mensen? ‘Precies,’ antwoordt Steinman, en hij zucht even. Het heeft iets van een catch 22. ‘In het algemeen staan we nu op het punt dat de opgedane kennis van dendritische cellen en het immuunsysteem de kliniek in moet. We zijn echt zo ver dat het toegepast kan gaan worden. Dus hebben we heel veel zogeheten ‘fase 3-studies’ nodig.’ Dan gaat het over het uitproberen van een medicijn op een grote groep patiënten. Lastig en tijdrovend, en bewijzen dat het echt iets doet, is moeilijk. Onder meer dus omdat het vaak om doodzieke mensen gaat, bij wie alle reguliere middelen gefaald hebben.

Maar met het prostaatkankervaccin is het nu wel gelukt. Is het de bedoeling dat straks de halve mensheid zo’n vaccin als voorzorgsmaatregel toegediend krijgt? Steinman: ‘Dat is niet reëel. Neem een ander voorbeeld. Zeg er wordt borstkanker geconstateerd, en het lukt om die te bestrijden. Hoe dan ook, met operaties, chemo. Dan wil je daarna een vaccin kunnen geven dat voorkomt dat die kanker terugkomt.’

Intussen groeit de kennis over Steinmans ontdekking gestaag door. Halverwege de jaren negentig werd de eerste receptor ontdekt die dendritische cellen gebruiken bij het bespeuren van indringers. Nu zijn er al tientallen bekend. Onlangs bleken dendritische cellen ook een rol te spelen bij aderverkalking, en ze hebben een effect op cognitie: als ze ontbreken in de hersenen van muizen, dan worden die dommer.

Dringend

Tegenover Steinmans optimisme over wat ons te wachten staat aan doorbraken en verrassingen, staan een paar dingen die zijns inziens dringend opgelost moeten worden. Ten eerste het praktische punt van de onmogelijkheid het vakgebied nog bij te houden. En dat moet toch: ‘Wie nu begint, heeft al die informatie nodig,’ zegt Steinman. Met een stel collega’s werkt hij momenteel hard aan een oplossing: de immuunwereld moet online. ‘Er moet een webgemeenschap komen, die elkaar op de hoogte houdt. Dat mijn lab hier een keer per week opschrijft waar ze op dat moment enthousiast over zijn, en dat een lab in Amsterdam hetzelfde doet. Et cetera. Op die manier wordt de kennis op een goede manier gedestilleerd.’

Steinman is voor de financiering daarvan onder meer in gesprek met het Nederlandse bedrijf Crucell, dat vaccins en antistoffen ontwikkelt en produceert. Nederland is een sterk immunologieland. Steinman zegt het meer dan eens. Reden dat hij extra blij is met de uit Nederland afkomstige Heinekenprijs.

Het geld van de Heinekenprijs gaat in het fonds waar Steinman en zijn vrouw alle prijzengelden in storten. ‘Deels is dat een belastingtruc,’ zegt hij. ‘Een heel bekende hier. Mijn eigen Rockefeller universiteit draait er ook op. Anders gaat de helft meteen naar de fiscus.’ Nu al kunnen ze jaarlijks tienduizenden dollars aan reisbeurzen voor jonge onderzoekers uitdelen.

Angst

Dat is op zichzelf mooi, maar het lost toch niet het veel bredere probleem op van de financiering van wetenschap. En dat zit Steinman hoog: ‘Er zit een onbalans in de mate waarin we onderzoek ondersteunen. Geweldige jonge mensen met talent zijn er genoeg. Maar we geven aan research maar één procent of nog minder uit van wat ziektes kosten. Dat is een heel klein beetje tegenover al die ellende en angst. Zelfs als je het alleen economisch bekijkt, zijn de budgetten veel te laag. Als je mensen nou eens bij hun jaarlijkse belastingaangifte de gelegenheid zou geven een bedrag te doneren voor onderzoek. Ik denk dat dat heel wat zou opleveren.’ Bij dezen als idee gelanceerd.

Naschrift: In 2011 kreeg Steinman de Nobelprijs voor medicijnen toegekend. Naar later bleek een paar dagen na zijn dood. Vanwege die crue timing ging de uitreiking postuum door, hoewel de Nobelprijs nooit naar dode onderzoekers gaat. Pas toen kwam ook naar buiten dat Steinman zijn eigen werk toegepast had op zichzelf. Naar verluidt wist hij zijn overlijden aan alvleesklierkanker zo een aantal jaren uit te stellen.

Soepele middeleeuwse Koreanen

Een Nederlandse schipbreukeling die er in de zeventiende eeuw dertien jaar vastzat, zorgde dat de wereld Korea ‘Korea’ noemt. Die naam was zijn verbastering van ‘Koryŏ’, een dynastie die vanaf de vroege middeleeuwen zo’n vijfhonderd jaar de macht had op het schiereiland. Een bijzondere periode volgens Remco Breuker, die er – soms explosief – onderzoek naar doet.

De Koreaanse middeleeuwen, bestaan die dan? Breuker lacht en zegt: ‘Het korte antwoord daarop is: ja. Want zo noemen ze het zelf, en zo wordt het ook bestudeerd. Misschien wel door Johan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen, dat wordt daar veel gelezen. Korea is intellectueel en technologisch heel hoog ontwikkeld. Het is zelfs democratischer dan wij zijn: ze gaan er zo met een paar miljoen de straat op als iets ze niet bevalt.’

Het (Zuid-)Korea van nu, het Korea van vroeger, Breuker spreekt met vuur over alles wat met het land of de taal te maken heeft. Terwijl hij er toch min of meer bij toeval zijn vak van maakte. Via het Japans. ‘Die talen lijken veel op elkaar, en Korea en Japan hebben een vervelende gedeelde geschiedenis. Een beetje zoals Indonesië en Nederland. Er wordt op dezelfde manier over gepraat: Japan heeft Korea uitgezogen én geindustrialiseerd. Zelf denk ik daarbij altijd aan wat de schrijver Hwang Sok-yong eens tegen me zei: of je de dief die je hele huis leeggeroofd heeft dankbaar moet zijn dat hij de ladder heeft laten staan.’

De schaduw van de wapens heet het boek van Hwang dat Breuker samen met zijn vrouw Imke van Gardingen vertaalde. Hij beveelt het warm aan, want ‘het haalt de Vietnamoorlog, waar Zuid-Korea in meevocht, uit het Amerikaanse domein’. Vertalen doen de twee in de avonduren in hun gezamenlijke studeerkamer. Breuker: ‘Ik ben gek op literatuur, eigenlijk wilde ik literatuurwetenschap studeren. Dat bleek ik toch niet interessant genoeg te vinden. Maar ik heb wel een vak geleerd, en vertalen voelt als m’n vakmanschap.’

Maar liefde voor geschiedenis is hem aangeboren, zegt hij. Wat hem trof in de relatief weinig bestudeerde Koryŏ-periode, is het pluralisme in de toenmalige maatschappij. ‘Die was gebaseerd op heel verschillende principes. Het Boeddhisme uit India, naast het Chinese Confucianisme en het Daoïsme. Het eerste is totaal niet gericht op het leven nu, maar op uitblussing, waarbij het ik een illusie is. Het tweede staat inmiddels bekend als een heel conservatieve filosofie, maar toen was het puur op de maatschappelijke indeling en het sociale reilen en zeilen gericht – heel wereldlijk dus juist. Van het Daoïsme weten we het minst. Daarin vond men voor beslissingen onder meer argumenten die een beroep deden op het landschap. Voor mij wezensvreemd, maar dat leefde heel sterk. Heel bijzonder dat ze dat allemaal konden verenigen. Pas na vijfhonderd jaar werd alleen het neo-Confucianisme de staatsideologie.’

Een inkijkje in die tijd bieden de bij alle Koreanen nog steeds uit de schoolboeken bekende ‘Tien geboden’ van koning T’aejo, de stichter van de Koryŏ-dynastie. Breuker: ‘Het zijn instructies voor heersers. Hoe ze konden handelen zonder te breken met de eigen historische wortels. Het gaat over zaken als opvolging, de omgang met buurlanden, de bouw van tempels.’

Inzichtgevend, vindt hij. Maar of koning T’aejo ze echt zelf heeft nagelaten, is volgens Breuker zeer de vraag. Hij schreef een detective-achtige monografie, waarin hij van alle geboden aannemelijk probeert te maken dat ze pas later opgeschreven zijn. Zacht gezegd een controversieel idee. Forging the Truth: Creative Deception and National Identity in Medieval Korea was al zes jaar af. Pas deze zomer is het eindelijk uitgegeven, in Australië.

Uitzoeken of het echt waar is

Wie met eigen ogen bekijkt en leest wat er overgebleven is uit de vroege middeleeuwen, vindt volgens historica Rosamond McKitterick een wereld die heel wat minder afwijkt van de onze dan we denken.

Duister en achterlijk was het hier. Nadat de laatste Romeinen vertrokken waren – met medeneming van hun organisatietalent, de vaardigheid fatsoenlijk sanitair aan te leggen en alle verdere beschaving – viel heel Europa in een diep zwart gat. Pas tegen de renaissance begonnen we daar weer een beetje uit te kruipen. Zo wil het cliché het.

Goed, van dat sanitair klopt wel, maar de rest van het bekende beeld heeft Rosamond McKitterick met haar onderzoek naar de vroege middeleeuwen aardig op z’n kop gezet. Zo goed als niemand kon lezen en schrijven, het was een ongeletterde maatschappij? Niet waar, liet ze zien. Karel de Grote een rouwdouw-veroveraar? Nou, de manier waarop hij de zaken in zijn aldoor uitdijende rijk regelde, was weloverwogen en hoogst effectief. Van enig intellectueel klimaat was geen sprake? Toch werd juist toen de kiem gelegd voor wat nog steeds onze ‘canon’ is.

Schommelstoel

Het zijn maar een paar voorbeelden uit de dikke stapel boeken en artikelen die hoogleraar middeleeuwse geschiedenis McKitterick op haar naam heeft. Ze blijkt een en al vriendelijke voorkomendheid te zijn. En op de een of andere manier passen die middeleeuwen perfect bij haar. Er is de fraaie oude voornaam Rosamond, haar verschijning (tijdloze lichtblauwe jurk, lang wit haar, geen make up), en ook de werkomgeving klopt: het in 1596 gestichte Sidney Sussex College in Cambridge. De gevel van toen staat nog, maar daarachter heeft in de negentiende eeuw de toenmalige leiding helaas flink huisgehouden, vertelt McKitterick onderweg naar haar werkkamer. Bezoek wordt er op de schommelstoel gezet, naast een ook al knusse schouw.

Meteen gaat het over haar liefde voor de middeleeuwen. ‘Ik kan me niet anders herinneren dan dat ik erin geïnteresseerd was,’ zegt ze. ‘De schooljuffrouwen klaagden tegen m’n moeder dat ik teveel wist van de middeleeuwen. Dat ik aldoor historische romans las, in plaats van de dingen te leren die ik moest leren. Als ik bijvoorbeeld de boeken van Rosemary Sutcliff las dacht ik: hoeveel is er nou echt waar? Dat wilde ik uitzoeken.’

Uitzoeken of het echt waar is. Het zou een stevige leidraad in haar carrière worden. Slechts twee dingen zijn daar volgens McKitterick voor nodig: teruggaan naar de oorspronkelijke bronnen, en daarbij je gewone gezonde verstand meenemen. Ze herinnert zich nog precies hoe haar enthousiasme voor die bronnen ontbrandde. Natuurlijk wilde ze na school middeleeuwse geschiedenis gaan studeren. McKitterick: ‘Het was in de universiteitsbibliotheek. Daar stond op een plank een rij boeken… Wacht, ik laat het even zien.’

Uit het aanpalende bibliotheekkamertje haalt ze een groot, gebonden boek. ‘Dit vond ik. Alle documentatie van elk bijzonder Latijns manuscript vanaf het jaar 400. Met steeds een afbeelding op ware grootte. De serie is georganiseerd per land en per bibliotheek. Ik was zeventien en begreep voor het eerst dat er boeken uit die tijd bestonden… Dat je aan het handschrift kon zien van wanneer ze waren. Dat er informatie uit de eerste hand bestond!’

De thrill van rechtstreeks contact met het verleden is nooit overgegaan. Al snel maakte McKitterick ook kennis met charters: handvesten en andere wettelijke documenten. Een goudmijn. ‘Uit de negende eeuw waren er wel zevenduizend ofzo,’ zegt ze. Ze gebruikte ze voor haar boek over vroegmiddeleeuwse geletterdheid, The Carolingians and the Written Word, dat haar naar eigen zeggen beroemd maakte. ‘Je kunt zoveel zien aan die charters. Ze werden gebruikt voor allerlei zaken die verankerd lagen in de gemeenschap. Die voor samenhang zorgen.’ Van verkoopaktes tot wetsteksten bekeek McKitterick, manuscripten in het Latijn en in de omgangstaal, ze bracht van alles bij elkaar. En kon toen niet anders dan concluderen dat het geschreven woord echt niet alleen iets voor een paar hoogopgeleide ingewijden was.

En dat was wel het standaardidee. McKitterick: ‘Ik had er een eerste artikel voor een tijdschrift over gemaakt. Dat kreeg ik terug met de mededeling dat het geen zin had hierover te schrijven, want iedereen wist toch dat alleen geestelijken in de vroege middeleeuwen konden lezen en schrijven. Ik moest dus laten zien dat wat iedereen dacht niet waar was.’ Toen het boek er eenmaal was, ging bijna alle aandacht uit naar het laatste hoofdstuk, waarin McKitterick aannemelijk maakt dat ook veel leken schrijfonderwijs kregen. Dat zint haar niet helemaal, want waarom dat gebeurde begrijp je pas goed als je ook de rest van het boek hebt gelezen: boeken en teksten deden ertoe. Niet alleen in religieuze contexten, maar in het functioneren van de hele maatschappij.

Praktische dingen

‘Het wil niet zeggen dat iedereen die teksten las, maar wel dat ze ervan afwisten, wisten dat het belangrijk was,’ zegt ze. ‘Je kon ermee bewijzen dat je een vrij man was, of dat iets jouw bezit was. Dat was de erfenis van de Romeinse periode. Er was geen radicale breuk. Het ging gewoon door. Zo gaat dat: er wordt overgenomen, aangepast, geselecteerd. Tot het Romeinse erfgoed hoort niet alleen het christelijk geloof, maar ook respect voor de wet. En hoe dingen georganiseerd werden, en de manier waarop mensen aankeken tegen zaken: doe je een transactie, dan wil je dat kunnen bewijzen. Daar horen dus documenten bij. Praktische, totaal voordehandliggende dingen als je ze eenmaal ziet.’

Zo zag McKitterick meer. Heel veel vroegmiddeleeuwse teksten zijn in het Latijn geschreven. ‘Iedereen ging er altijd van uit: dat is moeilijk. Alleen geestelijken leerden het,’ vertelt ze. Maar was het inderdaad zo moeilijk, vroeg McKitterick zich af. Hoe zat dat ten westen van de Rijn? Het Latijn ontwikkelde zich na de tijd van de Romeinen natuurlijk tot de handvol verschillende talen die we nog steeds Romaans noemen – zoals het Frans en het Spaans – maar hoever stond het daarmee? McKitterick kwam op een even simpel als ijzersterk idee om daar inzicht in te krijgen. Ze ging naar het lesmateriaal kijken. ‘Ik wilde weten wat voor grammatica’s ze in de negende eeuw gebruikten. Waren die gericht op het leren van een vreemde taal of niet? Dat was de test.’

Eigen taal

‘Op de Britse eilanden bleken ze inderdaad opgezet voor tweedetaal-verwervers. Maar op het vasteland niet. Daar gebruikten ze nog steeds de Romeinse grammatica’s. Dus kregen ze daar kennelijk onderricht over hun eigen taal. Ze moesten alleen leren hoe die formeel te gebruiken, en goed leren spellen. Bij ons is de schrijftaal ook nog altijd formeler dan de spreektaal. Ik denk dat je het daarmee kunt vergelijken. Maar je ziet in de documenten ook gewoner taalgebruik weerspiegeld. En als bijvoorbeeld een en dezelfde naam in een stuk op drie manieren gespeld wordt, dan merk je dat ze min of meer fonetisch schrijven. Ze zetten de klanken die ze gebruiken om in letters.’ Nog meer ondersteuning voor McKittericks stellingname dat Europa helemaal niet zo ongeletterd was. Veel inwoners hoefden om te leren schrijven geen vreemde taal te leren.

Latijn was ook de taal die Karel de Grote (747-814) sprak en schreef met de dignitarissen in zijn uitgestrekte rijk. Hij vormt het onderwerp van McKittericks laatste boek. Charlemagne: the formation of a European identity verscheen in 2008. ‘Doodeng dat ze me vroegen om een boek over een onderwerp waar al 1200 jaar over geschreven wordt. Door iedereen in Europa. Ik zag er enorm tegenop,’ vertelt McKitterick. Al is het anderzijds ook aantrekkelijk je bezig te houden met iemand over wie iedereen op de lagere school al gehoord heeft. ‘Elke taxichauffeur kent hem. Ik heb maar een keer, in een hotel in Heidelberg, een man ontmoet die me vroeg of ik dan niet wist dat Karel de Grote nooit bestaan had, dat hij een verzinsel was,’ lacht McKitterick.

Ze toog aan werk. ‘Ik had geen zin een samenvatting te maken van wat er in de loop der tijd allemaal over hem gezegd was. In het licht van de dingen die ik eerder gedaan had, ging ik alle bronnen opnieuw lezen. Daarna wilde ik dan terug naar de secundaire literatuur. In de veronderstelling dat die zou kloppen. Maar nee. Keer op keer riep ik: ja maar, dat staat er helemaal niet! Je moet terug naar het bewijs. Want mensen schrijven elkaar over. Hypotheses worden feiten, en zo raak je steeds verder af van de bewijsstukken. Uiteindelijk werd dit project razend spannend.’

Roze taart

Gevraagd naar een voorbeeld van iets dat eerder niet bekend was of anders gezien werd, pakt ze het boek erbij. ‘Kijk, zie je deze kaartjes? Er werd altijd van uitgegaan dat je Karel de Grotes reisroutes kon volgen aan de hand van de charters waarop zijn naam stond. Voor elk jaar zijn daar kaarten van gemaakt. Maar als je berekent hoeveel tijd dat gekost moet hebben, krijgt het op een gegeven moment iets belachelijks. Dat hij veel reisde staat vast, maar ik dacht: wat nu als die charters geproduceerd werden in naam van de koning? Zonder dat hij daar altijd bij hoefde te zijn?’ Met dat idee dook ze weer de bronnen in. En kwam met heel wat logischere routekaarten weer boven.

 

Ineens is het de hoogste tijd voor de lunch geworden. Dus snel trappen af en op, en stille tuinen en een boogjesgallerij door. Ook in de statige hoge zaal waar de staf eet, is de geschiedenis ieder moment voelbaar. De pork roast met worteltjes, de Engelse kazen en de roze taart die er gevaarlijk zoet uitziet, worden genuttigd aan lange tafels onder tientallen oude portretten. Na de koffie in een aparte lounge met leesvoer, kussens en open haarden, praten we nog heel even verder over Karel de Grote, ofwel Charlemagne, in het Engels uitgesproken als ‘Sjarleméén’. McKitterick lacht: ‘Net zoals we van champagne ‘sjempéén’ maken hier.’ Wat was het voor man, denkt ze? ‘Slim, niet per se aardig, maar zeer kundig. Enorm energiek en hardwerkend, én hij wist wat hij wou. De manier waarop hij zijn beheerders overal als zijn agent liet optreden was revolutionair.’ Al sloot veel van de organisatie van zijn rijk wel degelijk gewoon aan bij de Romeinse tijd. Ook daar geen radicale breuk.

En haar volgende boek? Dat moet gaan over een onderwerp dat eigenlijk al als een rode stippellijn door al haar werk loopt. Ze is enorm geïntrigeerd door de vraag hoe kennis en ideeën zich door de tijd en de ruimte verplaatsen. ‘Hoe wisten ze bijvoorbeeld welke boeken ze moesten kopiëren? Wat de moeite waard was? En waren ze zich bewust van wat ze deden?’

Bijna lyrisch

Met dat oog kijkt ze aldoor naar wat ze in de diverse bronnen tegenkomt. Bijna lyrisch vertelt ze over lijstjes genoteerde moeilijke woorden, waarin ze het geboorteproces van alfabetische naslagwerken ziet: ‘Je kunt volgen uit welke boeken mensen die woorden halen. Hoe hun denkproces verloopt, hoe ze tot de notie ‘naslagwerk’ komen.’ Ook de manier waarop nieuwe begrippen worden ingepast in wat al bekend was, heeft McKittericks warme belangstelling. Een mooi voorbeeld van iets dat nog moest evolueren, vindt ze de relatie tussen hemel en aarde en de geografie. ‘Dat de aarde een bol is en een evenaar heeft en dergelijke, weten ze dan allemaal. Dat was al via de Grieken en Romeinen bekend. Maar hoe pas je daar nou het christelijke paradijs in? Wat je ziet is dat ze het gaan aanduiden op de kaart.’

Spontaan vat ze tot slot haar boodschap nog een keer samen: ‘Wat ik echt heel, heel graag duidelijk wil maken, is waarom de vroege middeleeuwen zo belangrijk zijn, terug moeten in het bewustzijn. Dat is vanwege de evolutie en doorgifte van ideeën en kennis. Het begon niet pas bij de renaissance.’ Met een vleug verontwaardiging merkt ze op dat sommigen nog steeds spreken over de dark ages, al durven ze dat niet tegen haar. ‘Terwijl juist toen het idee is gevestigd over wat kennis is, wat je moet denken. Het waren monniken uit de late achtste en de negende eeuw in het Frankische rijk die de klassieke beschaving voor ons bewaard hebben. Een reusachtige nalatenschap. De teksten die indertijd gekopieerd werden, vormen nog altijd het hart van wat onze canon is geworden.’

Het jongste KNAW-instituut zoekt wijsheid voor de Wadden

‘Wees wijs met de Waddenzee’ was de tekst op blauwe truien en t-shirts die tientallen met dat enorme, complexe waddengebied dat zich over 400 kilometer kust uitstrekt jaren geleden het straatbeeld al kleurden. Maar wat is wijs? Wat moeten we aan en vol zit met bedreigde bijzondere flora en fauna en geschiedenis? De natuur beschermen of de mensen? In 2003 concludeerde de overheid dat we met beleid en beheer van de Waddenzee in een impasse waren geraakt. Aan de wetenschap om die te doorbreken. Zo kreeg de KNAW een nieuw instituut: de Waddenacademie. Twee jaar na de oprichting praat Waddenacademievoorzitter Pavel Kabat over de vraag hoe we de natuur kunnen behouden en tegelijk ook blijven gebruiken.

Goed, het sloeg niet op wat wij nu de Wadden noemen of de Waddenzee, maar toch is ‘wad’ het oudste Nederlandse woord dat tot dusver in geschriften is gevonden. Het was de Romeinse geschiedschrijver Tacitus die het in het jaar 107 optekende. Nog steeds hangen ‘wad’ en ‘doorwaden’ samen, en daarin zit precies het typerende van het gebied. Telkens als het eb wordt, zijn er droogvallende zandplaten, met daartussen ondiepe of wat diepere geulen. Met bijbehorende fraaie weidse uitzichten over het water en de golvende ribbels in het zand. Dat de bijzondere getijdenwerking heeft geleid tot een bijzondere, maar nogal kwetsbare leefomgeving voor allerlei planten, vogels en schelpdieren, en niet te vergeten zeehonden, zal weinig Nederlanders ontgaan zijn.

actievoeren

Aan aandacht ontbreekt het de Wadden niet, en ook is er geld (het Waddenfonds heeft 800 miljoen beschikbaar) en erkenning. Sinds juni vorig jaar staat de Waddenzee op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Naast bijvoorbeeld de Grand Canyon en de Galapagoseilanden. Erfgoed dat de wereld wil behouden. Maar hoe doe je dat? Simpel is het niet. Dat laten de decennia van discussies, actievoeren en maatregelen in elk geval zien.

Als iemand dat begrijpt, is het Pavel Kabat (1958). Voor iedereen die vindt dat de Wadden zo moeten blijven als ze nu zijn, heeft de voorzitter van de Waddenacademie bij zijn presentaties altijd twee foto’s in petto. Een bij eb, en een bij vloed. ‘Vertel maar welke Wadden je wilt behouden,’ zegt hij dan. Het is een van zijn manieren om steeds dezelfde boodschap te verwoorden: de wadden zijn niet één ding, ze zijn een systeem vol dynamiek. Altijd al geweest.

‘Wat is dat nou? Waarom vraag je daar mij voor?’, was Kabats eerste reactie op de vraag of hij voorzitter wilde worden van de gloednieuwe Waddenacademie. ‘Ik ben hydroloog en klimaatonderzoeker. Ik onderzoek de honderden kilometers grote systemen in de Sahel en het Amazonegebied.’ Hij ging zich inlezen. ‘Toen zag ik snel: hier kan ik wat betekenen. Net zoals in de Amazone gebeurt, kan het onderzoek naar het waddensysteem veel multidisciplinairder, integraler en internationaler. Dingen zoals klimaat, ecologie, geologie en sedimentdynamiek: dat snap ik wel. Er zijn raakvlakken met bijvoorbeeld economie en cultuurhistorie, en het geheel koppelt ook mooi met andere grote projecten en de dertig promovendi die ik heb.’ 

Inmiddels is de in Tsjechië geboren hoogleraar Aardsysteemkunde en Klimaatstudies aan de Wageningen Universiteit helemaal gegrepen door het waddengebied. In het Atlasgebouw, met zijn binnenkant vol opmerkelijke scheve dwarsverbindingen tussen de verdiepingen, praat hij onvermoeibaar, uren achtereen. In zeer vlot Nederlands, waaraan je toch kunt horen dat hij niet uit Nederland komt. Hij is hier sinds 1986, maar hij is hier nooit, lijkt het. Voortdurend vliegt hij de wereld over voor zijn werk als onderzoeker, spreker en adviseur.

Twee dagen van de week wijdt hij aan de Waddenacademie. Het is dan ook geen KNAW-onderzoeksinstituut in de klassieke zin. ‘Het heeft eerder de vorm van een virtueel ‘network of excellence’, zegt Kabat, ‘met wetenschappers en studenten, maar ook beleidsmakers en beheerders.’ Modern dus. Het eigen budget is niet meer dan 1,1 miljoen per jaar. Het kleine bureau in Leeuwarden ondersteunt de vijf hoogleraren die het bestuur vormen.

Hun zeer uiteenlopende portefeuilles laten zien hoeveel kanten er aan het waddenonderzoek zitten. Hoe complex het hele systeem is. Want daar horen bijvoorbeeld ook de ongeveer een miljoen mensen in het gebied bij. De visserij, het toerisme. Voer voor alfa’s, bèta’s en gamma’s. Kabat zelf beheert klimaat, water en ruimtelijke ordening, maar bij de Waddenacademiethema’s horen ook cultuurhistorie, ecologie, geowetenschap en sociale en ruimtelijke economie. De vier andere bestuursleden besteden een dag per week aan de Waddenacademie.

zeegrasvelden

Kabat: ‘Met zijn vijven zijn we het wetenschappelijk geweten.’ Dat spreekt hem aan. Net als het feit dat de politiek de durf heeft gehad te kiezen voor de KNAW, voor een strikt wetenschappelijke invalshoek dus. Want de Waddenacademie vloeit voort uit een overheidsrapport: de Adviesgroep Waddenzeebeleid constateerde ‘dat beleid en beheer van de Waddenzee in een impasse zijn geraakt’.

Kan een Waddenacademie die doorbreken? En werd er trouwens niet al eindeloos veel onderzoek gedaan? Kabat: ‘Ja, maar meestal per discipline, dus nogal versnipperd. Er verschijnen bijvoorbeeld over de waddenecologie honderden papers, proefschriften en rapporten, die dan vooral in de kasten van UB’s en hoogleraren terechtkomen. Maar zo krijg je geen antwoord op de grote vragen waar het hier om gaat: hoe kunnen we als werelderfgoed de natuur behouden en tegelijk ook blijven gebruiken. Daar heb je een multidisciplinaire aanpak voor nodig, een systeembenadering.

Waarbij je ook moet zorgen voor draagvlak in de regio. Dat stellen wij dus ook voor in onze integrale kennisagenda. Maar naast bijval was er inderdaad ook pittige weerstand tegen een Waddenacademie. Universiteiten en onderzoeksinstituten zagen er mogelijke concurrentie in. Maar die maken nu juist deel uit van het grote netwerk dat onderzoek doet. Europa en de wereld gaan daar ook bij horen.’

Dat de wadden geen puur Nederlandse aangelegenheid zijn benadrukt Kabat een paar keer. Om te beginnen lopen ze buiten onze grenzen door, tot in Duitsland en Denemarken. Die hebben bijvoorbeeld ook Waddeneilanden. Door de Waddenacademie beginnen de drie landen nu structureel kennis uit te wisselen in een trilaterale samenwerking. Dat verruimt de mogelijkheden en de blik. ‘Je moet bijvoorbeeld durven zeggen dat de zeegrasvelden misschien beter in het Duitse deel herstellen’, stelt Kabat.

Dat zit als volgt. Zeegras groeit in gebieden waar zoet en zout water samenkomen (in de Waddenzee monden een aantal rivieren uit).Vissen schuilen er, schelpdieren groeien er op, en ze verstevigen het sediment. Waarschijnlijk als gevolg van een ziekte is rond 1930 het grootste deel van de uitgestrekte zeegrasvelden in het waddengebied verdwenen. Al tientallen jaren wordt getracht ze weer terug te brengen. Daarbij wordt langzaam maar zeker duidelijker waar de kans op succes het grootst is. Wie weet wel in Duitsland dus.

Vorig jaar kwamen op initiatief van de Waddenacademie in Hamburg voor de eerste maal directeuren van 25 instituten uit de drie landen bijeen. Voor eind dit jaar staat een Waddenacademiesymposium op stapel, als voorloper van een grote conferentie in 2012. Maar ook in breder Europees verband zijn de Wadden belangrijk. Het waddengebied bevat maar liefst zestig procent van alle getijdengebieden in Europa en Noord-Afrika. Uniek zijn ze niet. Kabat: ‘Wereldwijd zijn er zeventig gebieden die veel lijken op de Wadden. In Bangladesh, Vietnam, Korea, Amerika, overal.’ Wat er geleerd wordt van ‘onze’ wadden, kan dus ook van groot belang zijn voor elders. En andersom.

lichtdoorval

Lukt het? Levert de Waddenacademie nieuwe inzichten op? ‘Ja’, zegt Kabat. ‘De schaal in ruimte en tijd waarop je kijkt is heel belangrijk. Bij grote ingrepen is begrip van het hele systeem echt noodzakelijk. Dan is de vraag: richt je je alleen op de natuur of alleen op de veiligheid? Doordat de bodemberoerende visserij is aangepakt, is de helderheid van het water teruggekomen. Omdat er weer lichtdoorval is, herstellen processen zich, en kan er bijvoorbeeld weer zeegras groeien. Maar onafhankelijk daarvan speelt de vraag van het zeespiegelniveau. Tegen de stijging van het water kun je zandsuppleties uitvoeren, zodat het land en de eilanden niet onderlopen. Maar zelfs als je dat een heel eind verderop doet, betekent dat: weg helderheid. Die twee dingen hangen dus samen. Dat zijn verbanden die tot voor kort nog niet gelegd waren.’

Er is inmiddels meer om op te bogen. Trots neemt Kabat plaats achter zijn computer om te laten zien dat er elke week een toegankelijk stuk over waddenonderzoek verschijnt op de website van de Waddenacademie. De kennis moet ontsloten worden. Hij moet even zoeken, maar dan komt ‘WadWeten’ in beeld, met berichten over onderwerpen die uiteenlopen van de kanoetentrek tot de geschiedenis van het navigeren door de Vliestroom.

Er wordt gewerkt aan een PhD School of Excellence, in nauw overleg met de in voorbereiding zijnde University Campus Fryslân. Straks worden er elk jaar vijftien internationale PhD-studenten geselecteerd, drie per Waddenacademiediscipline. Samen hebben ze een overkoepelend programma. De onderzoekers kunnen aan elke universiteit ter wereld werkzaam zijn. “Maar het verzamelen van gegevens en de verplichte winter- en summerschools, spelen zich expliciet fysiek af in de regio’, zegt Kabat. Waar dan vanzelf, als iedereen bij elkaar is, ook weer de interdisciplinaire aanpak tot zijn recht komt. 

Er is een Waddenacademieprijs ingesteld, afwisselend voor het beste proefschrift en de beste afstudeerscriptie die aan de wadden gerelateerd zijn. Dat leverde bij de eerste uitreiking meteen extra aandacht op voor de intrigerende manier waarop standkrabben met hun eten omgaan: ze slepen het mee naar waar het rustig is. Een ‘afhaalstrategie’ noemt de winnende promovenda Isabel Smallegange dat.

Ook ligt er intussen een stapeltje Waddenacademieuitgaven. Allemaal vol prachtige foto’s. De ‘integrale kennisagenda’ van de Waddenacademie, met ook de aanbeveling de economie en de cultuurhistorie een grote inhaalslag te laten maken, is te vinden in het boek Kennis voor een duurzame toekomst van de Wadden. Het is een overzichtelijk, meestal ook voor buitenstaanders heel goed te volgen verhaal.

Bijzonder is Gedeelde ruimte Het waddengebied in dertig ontmoetingen, het boekje dat bestuurslid Jos Bazelmans maakte. Hij gaat in de Waddenacademie over de cultuurhistorie. Vorig jaar trok hij door het hele waddengebied, en sprak daar bewoners. Niet alleen allerlei bestuurders en onderzoekers, en vissers, agrariërs en recreatieondernemers, maar bijvoorbeeld ook de beheerder van de drenkelingenbegraafplaats op Schiermonnikoog, en de eigenaar van het Wrakkenmuseum op Terschelling. Bazelmans legde alle persoonlijke gesprekken in een paar bladzijden vast. Bij lezing valt ook hier op hoe breed ‘de Wadden’ zijn, en hoe complex, bijvoorbeeld omdat belangen soms tegengesteld lijken.

Toch ziet Bazelmans het duidelijk positief in, en dat geldt ook voor Kabat. Het sleutelbegrip bij alle onderzoeksvragen is en blijft duurzaamheid. Kabat vat dat heel breed op, en is optimistisch over de mogelijkheden om de impasse te doorbreken die er al heel lang bestaat tussen economie aan de ene en natuur aan de andere kant. ‘Je moet denken over de vraag hoe je van natuur geld kunt maken, in combinatie met toerisme’, verklaart hij.

Waarbij wel een basisvraag blijft wat de draagkracht van het systeem is, wanneer bijvoorbeeld de Japanners massaal het waddengebied gaan bezoeken. ‘Maar misschien zien we over twintig jaar een vrij uizicht wel als een ‘dienst’. Is het de mensen geld waard als ze niet naar grote windmolens hoeven te kijken. In het kader van het klimaatdebat heb ik tien jaar geleden al eens gezegd dat koolstof business zou worden. En kijk: nu worden er op de beurs koolstofrechten verhandeld.’

De Waddenacademie is in 2008 in principe voor twintig jaar ingesteld, parallel aan de looptijd van het Waddenfonds. ‘Met alle stappen van de keten die gezet moeten worden, denk ik dat we zeker zo lang nodig hebben’, zegt Kabat.

Volgens bestuurssecretaris Klaas Deen is de Waddenacademie al een nationale vraagbaak aan het worden. Als er maar iets met de wadden is, krijgt hij in het Huis voor de Wadden – daarin is het bureau gevestigd – tegenwoordig prompt telefoontjes en mail van journalisten en burgers.

De Waddenacademie in het kort

Opgericht: 30 juli 2008.

Doel: een gezaghebbend kenniscentrum vormen, gericht op duurzame ontwikkeling van de waddenregio.

Taak: ecologisch, geologisch, economisch, cultuurhistorisch en sociaal-cultureel onderzoek initiëren, coördineren en faciliteren.

Leiding: vijf parttime hoogleraren uit de vijf disciplines hierboven.

Ondersteunend bureau: 3,5 fte in het Huis voor de Wadden in Leeuwarden.

Financiering: het Waddenfonds (ingesteld voor duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee, beheerd door VROM, 1 miljoen euro per jaar) en de provincie Friesland (100.000 euro per jaar).

Website: www.waddenacademie.knaw.nl 

Een streepjescode voor alles wat leeft

Snel weten welke besmetting er in de operatiekamer heerst, meteen nagaan wat daar voor bloemetje bloeit, en restaurateurs betrappen op bedrog in wat ze op de kaart hebben staan. Als straks van miljoenen soorten een DNA-streepjescode bepaald is en in een databank te raadplegen valt, zal dat ongekende gevolgen hebben. En Pedro Crous is een spin in het web dat nu geweven wordt.

Vanochtend heeft hij nog gedaan waar hij het gelukkigst van alles van wordt: kijken naar ‘zwammen’, zoals schimmels in zijn moedertaal het Afrikaans heten. ‘De eerste keer dat ik ze zag was in m’n tweede jaar als student bosbouw – nog nooit had ik zoiets fraais gezien. Ik wist meteen: dit is mijn wereld, dit wordt mijn leven.’ De goedlachse Pedro Crous (1963) spreekt een mooie mix van Afrikaans, Nederlands en Engels, waarin het veel gaat over het ‘koninkrijk van de schimmels’. Hij zwaait zelf sinds 2002 de scepter over het Centraal Bureau voor Schimmelcultures, het ruim een eeuw oude KNAW-instituut in Utrecht dat zich tegenwoordig liever ‘Fungal Biodiversity Center’ noemt.

In de onderzoekswereld zijn Engelse benamingen zo langzamerhand standaard, en daar komt in dit geval nog bij dat schimmels (‘fungi’ in het Latijn) een slechtere naam hebben dan ze verdienen. Zeker, ze kunnen vies en erg gevaarlijk zijn, maar evengoed verrukkelijk en levensreddend. Ook cantharellen en eekhoorntjesbrood zijn schimmels, roquefort en gorgonzola zitten er vol mee, en penicilline is maar één van de antibiotica die door schimmels geproduceerd worden. ‘Maar we houden ook de afkorting CBS, want die is bekend over de hele wereld’, zegt Crous.

In het buitenland denken ze bij CBS natuurlijk niet zoals wij aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, en de bijzondere collectie van het instituut heeft daar een grote naam. Nergens anders is zo’n omvangrijke verzameling levende schimmels te vinden: zo’n 60.000. ‘En bij allemaal hebben we informatie over de vindplaats, waar de schimmel op zat, soms zijn er zelfs schetsjes bijgeleverd,’ vertelt Crous trots. Dat zijn redenen dat het CBS en Crous een centrale rol spelen in een ambitieus project waarvan de uitvoering in dit jaar van de biodiversiteit in volle gang is.

Het gaat om een werkelijk wereldomvattend plan. Dit is het idee: er moet een immense databank komen met genetische en andere gegevens van alle soorten op aarde. Dus elke vis, vogel, vlinder en vlieg, alle knaagdieren, kikkers en krokodillen, de cactussen, orchideeën, dennenbomen en mossen, het plankton en de bacteriën, en nog veel en veel meer, waaronder ook de schimmels. Cruciaal daarbij is het werken met genetische ‘streepjescodes’: een klein stukje DNA waarin genoeg variatie tussen verschillende soorten zit om die soorten aan te herkennen. Zodat je zonder het hele genoom van een larfje of bloem of ziekenhuisbacterie te hoeven uitlezen snel kunt bepalen om welke soort het precies gaat, en of het een bekende of een ‘nieuwe’ soort is.

Aan dat ‘Barcode of Life Initiative’ zitten naast onderzoeksvragen natuurlijk ook heel wat organisatiekanten en veel fondsenwerving vast. De zaken worden inmiddels deels per land, deels per werelddeel, per soortcategorie (vissen, vogels) en in lokale samenwerkingsverbanden aangepakt. Crous is onder meer verantwoordelijk voor de ‘schimmeltak’ van het hele project.

‘Je wordt wel eens gek van de acroniemen,’ verzucht Crous daarover. Het staat inderdaad letterlijk bol van de letterwoorden: iBOL, FUNBOL, BOLD, ECBOL, QBOL, NBOL waarbij BOL telkens voor ‘Barcode of Life’ staat of ook wel ‘Biocode of Life’. Crous: ‘Het concept is in 2003 ontstaan bij de Canadese geneticus Paul Hebert. Zelf onderzoekt hij insecten, onder meer motjes. Hij vond een uniek stukje DNA dat voor snelle soortherkenning kan dienen in het COX1-gen.’

op zijn kop

Dat gen bleek geschikt om als streepjescode te dienen voor het complete dierenrijk. Maar niet daarbuiten. ‘Voor planten zijn er nu twee genen in gebruik voor bladgroenkorrels, chloroplastgenen. Die zijn accuraat tot op 75 procent,’ gaat Crous verder. ‘En wat het ITS-gen heet, lijkt vooralsnog het beste gen voor schimmels te zijn. Daar zijn we hier nog hard aan bezig. De score wordt zeker zo goed als bij de chloroplastengenen. We hebben ook een aantal jaren intensief geprobeerd het COX1-gen in te zetten als streepjescode voor schimmels, maar dat lukt niet.’

En dat terwijl juist de laatste jaren duidelijk geworden is dat schimmels meer gemeen hebben met dieren dan met planten. Voor Crous een van de verrassendste ontdekkingen uit zijn onderzoeksleven. Maar hij verwacht nog veel meer verschuivingen. DNA is bezig het beeld van de natuur dat we hadden op zijn kop te zetten. De ouderwetse taxonomie, die onder meer met goed kijken de soorten en ondersoorten probeerde te onderscheiden, sterft uit. ‘We staan op het punt totaal andere indelingen te krijgen,’ zegt Crous. ‘Er is een vloedgolf van kennis op pad. Alle leerboeken zullen moeten veranderen.’ Het oog blijkt nogal eens te bedriegen: ‘We hebben hier wel eens iemand gehad die een aantal specimens wilde opruimen, omdat ze volgens hem van dezelfde schimmel waren. Gelukkig is dat niet gebeurd: het zijn wel degelijk verschillende soorten.’

honderd pakjes

Alleen DNA kan dus duidelijk maken hoe groot de biodiversiteit nu echt is. En er is nog ongelooflijk veel werk te doen, waar een snelle identificatie met een DNA-streepjescode erg bij kan helpen. Crous schat dat niet meer dan zo’n zeven procent van alle schimmels beschreven is, en van maar een fractie daar weer van is ook het DNA bekend. ‘We krijgen elk jaar honderden pakjes van over de hele wereld. Van aangetast meubilair uit een hotel in Hawaï tot verrotte aardappelen waarvan mensen willen weten wat de oorzaak is. Vaak blijkt het om een nog onbekende schimmel te gaan.’ Die dan dus weer aan de CBS-collectie wordt toegevoegd, en een naam moet krijgen. Dat kan van alles zijn. Crous brengt nog even in herinnering dat er in 2008, bij het tweehonderdjarig bestaan van de Akademie een soort naar de KNAW genoemd is. ‘Eentje die op een broodboom in Zuid-Afrika is gevonden.’

Maar is het niet gevaarlijk? Barst het bij het CBS niet van de enge schimmels in de lucht? Crous: ‘Elke meter lucht bevat duizend schimmelsporen. Altijd. Ook hier voor je, in deze kamer zit het helemaal vol. Maar maak je niet bezorgd, wat er aan plantenmateriaal binnenkomt, gaat eerst in quarantaine.’

Als het gaat om quarantaine, en om alles wat met handel te maken heeft, is heel veel juist wel in kaart gebracht. Er wordt hard aan gewerkt om besmettingen lokaal te houden. Zo mogen citroenen uit bepaalde delen van Afrika niet meer geëxporteerd worden, omdat daar een besmetting met een schimmel heerst. Een Europees onderdeel voor het Barcode of Life-project heet QBOL, waarbij de Q voor quarantaine staat. ‘Dat is een initiatief van onder meer de plantenziektekundige dienst van de universiteit van Wageningen,’ zegt Crous. ‘Wij doen het schimmeldeel, maar het gaat bijvoorbeeld ook om nematodes – kleine wormpjes – en bacteriën en virussen, en wat er allemaal nog meer met handel te maken heeft.’ Crous is zelf bijzonder hoogleraar Evolutionaire fytopathologie (plantziektekunde) in Wageningen, en werd in december voor vijf jaar aangesteld bij de Universiteit Utrecht als hoogleraar ‘Fungal Biodiversity’.

Hij coördineert ook het Europese Consortium (ECBOL) dat zoveel mogelijk organisaties in zoveel mogelijk Europese landen mee wil laten doen. Het is een heel bouwwerk van netwerken aan het worden. In Nederland werken bijvoorbeeld onder meer museum Naturalis en het Nationaal Herbarium in Leiden, en het Amsterdamse Zoölogisch museum en het CBS samen. ‘We hebben gezamenlijk net een grote subsidietoekenning van dertig miljoen binnen om het Nederlandse Centrum voor Biodiversiteit op te richten,’ vertelt Crous.

glorieus

In 2012 moet er een DNA-barcode-database van het CBS on line gaan. Crous: ‘Dat wordt de eerste collectie in de wereld die alles glorieus moleculair heeft ontsloten. De natuurhistorische collecties komen dan op DNA-niveau beschikbaar, wat goed past bij de open-access-trend van het moment voor alle onderzoek. Ik vind het heel mooi dat de KNAW, met hun motto ‘zuiver om de wetenschap’ daaraan meewerkt. Er is een democratisering van de taxonomie gaande. De toekomst is data, databeheer en data ontsluiten. Waar we eerst alleen plaatjes met teksten hadden, komen er nu genoomgegevens bij. Een expert in Engeland of Australië of waar dan ook, kan dan bij de determinatie van een soort in de databank kijken of we die al kennen. Dubbel werk hoeft dan niet meer.’

Toch voorziet Crous ook handel. ‘Nederland moet zichzelf heruitvinden als handelsnatie,’ stelt hij zelfs. En hij loopt warm voor het perspectief dat hij zelf schetst: ‘Veel handel wordt handel in data, dat weet ik zeker. Je hebt nu e-readers. Dan kun je op een woord klikken, en stel je voor dat je dan echt een encyclopedie van het leven binnengaat. Je ziet hoe een soort eruit ziet, maar ook van alles wat ermee geassocieerd is: waar in de bodem iets voorkomt, bij hoeveel regenval. Of je krijgt de schimmel te zien die op een beestje zit. We gaan op een totaal nieuwe manier tegen collecties aankijken. En DNA is de sleutel.’

sushi

De DNA-streepjescode vergelijkt Crous met het nummerbord van een auto. ‘Daarvoor weten we met zo’n barcode genoeg. We zien bij wijze van spreken vanaf de brug om welke soort het gaat. Wie er in de auto zitten, welke kleren ze dragen et cetera, kunnen we nog niet zien. Maar de technologie gaat zo rap vooruit, dat het misschien over vijf jaar al betaalbaar wordt om van veel meer soorten het hele genoom te scannen. Een streepjescode bepalen kost nu ongeveer vier euro, althans het laatste stapje. Een specimen halen uit de vriezer, het DNA isoleren en vermenigvuldigen kost het meeste. We zijn ook allemaal nog steeds op zoek naar betere mogelijkheden. Als we die vinden betekent dat niet dat we van voren af aan moeten beginnen, dat wat we gedaan hebben niks meer waard is. Het wil alleen zeggen dat onze kennis meer diepgang krijgt.’

Waar gaat al die kennis nog meer voor gebruikt worden? Crous: ‘Heel bekend is inmiddels een voorbeeld van een paar schoolmeisjes uit New York, die de sushi die ze geserveerd kregen naar fish-BOL stuurden en lieten onderzoeken. Het was niet de vis die er op de kaart stond. Je kunt hiermee focussen op heel specifieke aspecten van de kwaliteit van het leven. Denk aan een Boeing die op Schiphol landt, en een raar beestje heeft meegenomen. Wat is het? Wel of niet een schadelijke boktor? Het is een soort CSI of nature. Net als in de tv-series kun je snel en accuraat uitvinden waar je mee te maken hebt. Denk ook aan de gezondheidszorg, aan ziekenhuizen, waar je de meeste infecties vindt. Wat voor bacterie waart er rond? Welke schimmels zijn er te vinden in de operatiezaal? Hoe zit het met de luchtkwaliteit? Schimmels in je douche of je keuken kunnen voor allergische reacties zorgen. Maar welke schimmel is het? Hoe zit het met voedselbederf in de supermarkt?’

Kunnen we straks dan allemaal even het CBS bellen over onze badkamer? Crous: ‘Nou, in 2012 zijn we wel de hoofdbron. Alle schimmelnamen in de wereld zijn dan beschikbaar. 2012 wordt een heel belangrijk jaar,’ en lachend: ‘dus we moeten wel zorgen dat alles on line is voor de wereld vergaat. Voorspelde de Maya-kalender niet dat dat op 21 december zou gebeuren?’

Gouden Gids van het leven

Over tien jaar verwacht Crous streepjescode-lezers die je in de hand kunt houden. ‘Nu heb je nog ongeveer een koffer nodig,’ zegt hij. Daarna kan dus in principe iedereen het bos in, een bergketen op, of de woestijn in en de levensvormen ter plekke scannen. Zitten daar niet ook negatieve of rare kanten aan? Als iedereen met een handscannertje rond kan gaan, kun je dan niet ook meteen zien dat buurjongetje Jantje van de melkboer is, en niet van de man die hij zijn vader noemt? En willen we dat wel allemaal weten?

Over die kant van de zaak schokschoudert Crous een beetje. Het is zo te zien niet waar zijn belangstelling of zijn gedachten naar uitgaan. Veel te druk met organiseren en regelen. In april komen alle labmanagers uit Europa bijeen met mensen van het Smithsonian Museum voor een training in het bepalen van DNA-streepjescodes. En alleen al het bijhouden van alles wat er gaande is, is een hele klus. Maar ‘de Gouden Gids van het leven’ – nog een vergelijking die Crous graag gebruikt – gaat er hoe dan ook komen.

Hoe Nederland minder muf werd

De slogan ‘We are here because you were there’ is al decennialang wereldwijd in zwang bij migranten uit voormalige koloniën en hun kinderen en kleinkinderen. Ook in Nederland, waar nu zo’n zes procent van de bevolking ‘hier is omdat wij daar waren’. De afgelopen vijf jaar is er gewerkt aan het in kaart brengen van de gevolgen die de dekolonisatie had en heeft voor de voormalige kolonisator. Nederland werd een ander land. Maar de recente geschiedenis ligt nog vaak gevoelig.

Begin jaren zestig zaten er een paar bruine jongetjes in de klas van Gert Oostindie (1955). Waar die vandaan kwamen, vroeg hij zich niet af. Zo ging dat toen. De verzuiling en de nog heel verse oorlogsherinneringen waren veel belangrijker. Het gereformeerde jongetje Gert speelde zo jarenlang met klasgenootjes van wie hij zich pas veel later realiseerde dat ze Moluks, Indo-Chinees en Afro-Surinaams waren. Kinderen die hier nooit gewoond zouden hebben zonder de Nederlandse koloniën. 

Als projectleider van het onderzoeksprogramma ‘Bringing History Home’ over het postkoloniale tijdperk in Nederland, keek Oostindie met lichte verbazing terug op zijn eigen, voor veel generatiegenoten herkenbare herinneringen. Hij schreef ze op, bij wijze van inleiding op zijn heel leesbaar uitgevallen boek Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen, dat begin december werd gepresenteerd en het voorlopig eindpunt vormt van het project. 

Oostindie (let op: geen puntjes op de e, dus ook geen uitspraak Oostindiejuh) is historicus, hoogleraar Caraïbische Geschiedenis in Leiden en directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), een van drie KNAW-instituten die vijf jaar samenwerkten om in kaart te brengen wat de consequenties waren en zijn van het einde van Nederland als koloniale natie. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en het Meertens Instituut zijn de andere twee, NWO droeg stevig bij aan de financiering. 

Ruim een miljoen van de huidige inwoners van Nederland komt uit een van de koloniën, of is een nazaat. Maar al zaten ze nog zo vaak gebroederlijk bijeen in de klas, er is niet één groep ‘postkoloniale Nederlanders’, benadrukte Oostindie direct tijdens de bijeenkomst in het Trippenhuis, die onder het motto ‘Wij zijn hier, omdat jullie daar waren’ de boekpresentatie opluisterde. 

gevochten

Een paar dagen later, napratend over de middag en verder pratend over zijn boek, wijst hij onder meer op de grote verschillen tussen Suriname en Indonesië, of in dit geval: voormalig Indië. De rol die ‘wij’ er gespeeld hebben, verschilt hemelsbreed. Oostindie: ‘Vrijwel de hele Surinaamse bevolking is daar gekomen door ons. We importeerden slaven en contractarbeiders. En het is zó’n lange geschiedenis, van ruim 300 jaar. Op de enorme bevolking van Indonesië heeft Nederland korter en veel minder diepgaand invloed gehad.’

Cijfers laten dat eenvoudig zien: tegenwoordig woont veertig procent van alle Surinamers in Nederland. Maar er zijn ook onderlinge verschillen. De Hindoestanen onder hen bijvoorbeeld zien zichzelf als een andere groep dan pakweg de marrons (vroeger meestal bosnegers genoemd). Bij de ‘Indo’s’ vormen de Molukkers een duidelijke eigen groep, met een eigen geschiedenis: vrijwel alle 12.500 Molukkers die Nederland in 1951 telde waren militairen uit het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en hun gezinnen. Ze hadden voor Nederland gevochten, en hoopten op terugkeer naar onafhankelijke Molukken. Die zijn er nooit gekomen, ook niet nadat een aantal tweedegeneratie-Molukkers in de jaren zeventig probeerden die af te dwingen met een reeks gijzelingen en treinkapingen. 

Met andere woorden: ‘dé postkoloniale gemeenschap’ is volgens Oostindie een wetenschappelijk construct. Ook al hebben de postkoloniale migranten samen Nederland behoorlijk veranderd. Dat is een centraal punt in zijn boek: Nederland werd beslist minder muf. Nieuwe culturen hielpen de ramen open te zetten.

Intussen was bij de boekpresentatie het hele ‘wetenschappelijk construct’ verzameld, en liet van zich horen. ‘Jullie verloren een kolonie, wij kwamen gewoon naar een ander deel van ons land’, zei Edy Seriese, directeur van het Indische Wetenschappelijk Instituut, met lichte ironie, provocatiezin en tevredenheid over de vondst van deze invalshoek. Eddy Campbell, van het Nederlands Slavernijinstituut, zag het heel anders: de Afrikanen en hun nazaten waren altijd, letterlijk, onderdanen. En voormalig directeur van het Moluks Museum, Wim Manuhutu, wees erop dat de Molukse kapingen meestal een ‘zwarte bladzijde’ genoemd worden, maar dat daarmee die bladzijde ook meteen wordt omgeslagen. 

Als iets deze middag duidelijk werd dan is het dat veel nog steeds gevoelig ligt. ‘Ik heb moeite met het theoretisch kader van het boek’, had de Surinaamse hoogleraar Sociale Cohesie en Transnationale Vraagstukken Ruben Gowricharn daarvoor al gemeld. ‘Impliciet stelt het dat alleen assimilatie ‘normaal’ is, doordat Oostindie spreekt van de ‘postkoloniale bonus’ waarmee de migranten uit de koloniën binnenkwamen.’ In de discussie volgde nog veel verwarring over of nu wel of niet het einde van het postkoloniale tijdperk bereikt was. 

bonus

Oostindie had het zichzelf niet makkelijk gemaakt door geen ruimte in het programma in te bouwen voor nog een reactie van zijn kant. ‘Dat was af en toe een Tantaluskwelling’, vertelt hij achteraf, ‘eerlijk gezegd hoorde ik behalve veel interessants ook nogal wat onzin. Natuurlijk is assimilatie niet de norm in dit boek. Maar het boek daagt uit en dan moet je even ruimte geven voor weerwoord. ‘ Maar neem die ‘postkoloniale bonus’, die hij als begrip introduceert. Het is in zijn ogen een vaststelling, niets anders: ‘De migranten uit de koloniën hadden voordelen boven andere migranten. Niet alleen spraken ze vaak de taal en kenden ze de cultuur, maar ook juridisch waren ze als Nederlandse burgers in het voordeel. Bovendien konden ze cultureel makkelijker eigen ruimte opeisen. En die bonus werkte: postkoloniale migranten integreerden in de regel vrij goed.’

Wat niet wil zeggen dat er met geld gesmeten werd voor de migranten. ‘Doeltreffend, maar zuinig en paternalistisch’ noemt Oostindie de Nederlandse overheid in zijn boek, dat met nuchtere feiten ook het idee van de multiculturele samenleving als mislukking en bodemloze geldput behoorlijk nuanceert. Verhelderend is de vergelijking met andere postkoloniale landen die hij maakt. Bijvoorbeeld als het gaat om dat einde van het postkoloniale tijdperk, waar migrantenorganisaties vaak van zeggen dat het er nog lang niet is. Woede en bitterheid vind je overal, en boosheid bindt en isoleert. Toch zie je in alle landen de ‘postkoloniale identiteit’ bij de tweede en derde generaties onherroepelijk veranderen. Oostindie: ‘De jonge generatie denkt vaak ook: nou opa, rottig voor jullie, maar wij leven nu in een andere wereld. Zo gaat dat.’ 

De identiteit vervluchtigt over de jaren ook doordat er buiten de groep getrouwd wordt (in jargon: door exogamie), wat in Nederland al snel vrij veel gebeurde. Oostindie: ‘Dat miljoen postkolonialen is daardoor een beetje een slag in de lucht.’ Al dan niet trouwen buiten de groep blijkt overal het sterkst af te hangen van religie, niet van etniciteit. Wat je ook terugziet als het gaat om discriminatie. ‘Er is er een hiërarchie’, zegt Oostindie. ‘Postkoloniale migranten kunnen met recht wel klagen over discriminatie, maar dat is niets vergeleken met de vijandigheid tegenover moslims.’ 

zo kil

De Surinamers zijn de afgelopen tijd als probleemgroep juist uit het zicht verdwenen. Wat niet per se tot tevredenheid leidt. Paul Scheffers vertelde bij zijn commentaar op Oostindies boek (‘de post-westerse wereld gaat komen, pas dan krijgen we de echte repercussies te zien van het koloniale tijdperk’) over een zeer boze Surinamer, die bij een van Scheffers talloze lezingen naar aanleiding van zijn multiculturele-drama-artikel had geroepen ‘Niemand heeft het meer over ons!’. 

Strijd om erkenning. Het is de misschien wel de dikste rode draad door de geschiedenis van alle postkoloniale migranten. Erkenning van de eigen identiteit en cultuur, en voor het aangedane leed. Het verwijt dat daar niet genoeg aandacht voor is, is een terugkerend element. Ook een monument voor de slavernij, of geld in de vorm van ‘Het Gebaar’ voor de Indonesische repatrianten die zo kil ontvangen werden, maken daar geen eind aan. 

Oostindie heeft er begrip voor, maar relativeert ook dit. ‘In 1963, toen de slavernij honderd jaar afgeschaft was, kwamen er duizend Surinamers naar de herdenking’, vertelt hij. ‘Er woonden toen 30.000 Surinamers in Nederland. Nu komen er op 1 juli nog steeds duizend mensen, en er leven 300.000 nazaten in ons land, Antillianen en Surinamers. Overigens stamt maar de helft van de Surinamers af van slaven. Je hoort over die 1 juli-bijeenkomsten het verwijt dat witte Nederlanders zich daar niet laten zien. Maar dan denk ik om te beginnen: hoeveel Nederlanders gaan er eigenlijk helemaal naar 4 mei-herdenkingen? En hoe veel Surinamers zie je daar? Hindoestanen komen ook niet op de Arubadag. De onderlinge belangstelling is nu eenmaal niet groot.’ 

‘Nu is het wel zo dat er in Nederland zelden neutraal naar het koloniale verleden wordt gekeken. Ofwel we schamen ons, of we zijn trots. Door gebrek aan kennis zie je ook allerlei simplificaties. Zoals dat de VOC goed en heroïsch was, maar de West-Indische Compagnie met de slavenhandel een schandvlek. Zo eenvoudig lag dat niet.’ 

geborneerdheid

Oostindie probeert het breed te zien, toch hoort hij nogal eens het verwijt dat zijn blik op de geschiedenis te Nederlands zou zijn. Het hindert hem. ‘Ik verzet me tegen het idee van een wit en een zwart perspectief, van de jager en de opgejaagde. Ik schrijf en debatteer veel over de slavernij. In die context is me wel voor de voeten geworpen: ‘je laat toch ook geen nazi over de concentratiekampen schrijven?’ Een beetje begrijpelijk, zo’n verwijt, maar uiteindelijk absurd. In de wetenschap moet je abstraheren. We proberen dingen te begrijpen, ook de emoties. Maar dat wil niet zeggen dat je je als historicus door emoties mag laten leiden. Ach, het ligt allemaal erg gevoelig. Zo hoor ik vaak de klacht dat er in de gevestigde wetenschap niet genoeg aandacht is voor de postkoloniale geschiedenis. Ik heb er zo’n twintig boeken over geschreven. Dat is heel wat aandacht. Maar als ik het doe, ben ik weer te wit, of is mijn perspectief niet antikoloniaal genoeg. Wat wil je dan, denk ik soms.’ 

Heeft het onderzoek voor dit boek zijn kijk op sommige zaken toch veranderd? ‘Natuurlijk. Het onderwerp was me tevoren niet heel vertrouwd, dus ik heb veel geleerd. Ik was soms onthutst over de tenenkrommende geborneerdheid waarmee migranten uit de koloniën vaak werden bejegend. Ook fascineert me de hedendaagse krampachtigheid waarmee over postkoloniale gemeenschappen en identiteiten wordt gesproken, alsof die in steen gehouwen zijn. En natuurlijk de spanning tussen het herontdekken van verdrongen facetten van onze geschiedenis en het vermijden van een balkanisering van het nationale geheugen.’

onderschat

De oogst van het project overziend, is Oostindie tevreden. Ondanks de nodige tegenslagen met onder andere ziekte, en ondanks het feit dat achteraf gezien het instituut voor oorlogsdocumentatie (NIOD) waarschijnlijk een voor de handliggender partner was geweest dan het Meertens Instituut voor Nederlandse taal en cultuur, liggen er nu drie kloeke boeken die voor een breed publiek bedoeld zijn. Ze zijn dan ook verschenen bij een algemene uitgeverij: Bert Bakker. Drie invalshoeken op het onderwerp. Vóór het boek van Oostindie verscheen al Ons Indisch erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit, over de nu ruim 300.000 Indische Nederlanders van bestuurskundige en cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen. En historicus Ulbe Bosma van het IISG inventariseerde en analyseerde voor Terug uit de koloniën. Zestig jaar postkoloniale migranten en hun organisaties de meer dan 2600 sociale, politieke en religieuze organisaties van postkoloniale migranten. Die zijn ook opgenomen in een databank: www.iisg.nl/research/migrantenorganisaties.php

Oostindie: ‘Er zijn ook twee Engelstalige bundels af, en wat andere dingen die ik net op een rijtje heb gezet voor NWO.’ Het blijkt om nog eens tientallen artikelen te gaan voor verschillende tijdschriften en bundels te gaan, waaronder een aantal voor het nog te verschijnen Het blijft gevoelig; Hoe wij ons de Tweede Wereldoorlog herinneren (van Madelon de Keijzer en Marije Plomp). 

Oostindie komt een paar keer terug op het grote belang van leesbaar schrijven. Daar werkt hij zelf altijd hard aan – hij is dan ook verguld met de complimenten over zijn stijl die rijkelijk werden rondgestrooid bij de presentatie – maar het wordt nogal eens onderschat. ‘Geschiedschrijving is ontzaglijk belangrijk’, zegt hij, en hij haalt KNAW-president Robbert Dijkgraaf aan, die er bij de presentatie op wees dat juist de geesteswetenschappen een grote rol spelen in het maatschappelijk debat. Oostindie: ‘In onze hele tak van sport draait het niet alleen om kennis en diepgang, maar ook om het overbrengen van de boodschap. Daarom valt het me op dat kwesties van stijl en toegankelijkheid meestal weinig aandacht krijgen.’ 

Inmiddels zet hij zich alweer op een andere manier in om met zijn kennis ook het algemene publiek te bereiken: ‘De NPS bereidt een vijfdelige tv-serie voor over de slavernij. Ik dien als wetenschappelijk adviseur. Dat vind ik leuk, maar ook belangrijk. Maar natuurlijk gaat daar wel weer commentaar op komen, of er niet iemand anders te vinden was dan die witte man.’ 

Nooit meer hannesen met foto’s en loeps

Maar liefst 4300 keer komt er een kunstwerk ter sprake in de overgebleven brieven van Vincent van Gogh. Op de de onlangs gelanceerde webeditie van die brieven zijn ze telkens met een muisklik te bekijken. Het Huygens Instituut heeft nog veel meer internetmogelijkheden helemaal uitgebuit. Intussen is ook voor andere tekstedities de digitale revolutie niet meer terug te draaien, al blijft het mensenoog onontbeerlijk. Bijvoorbeeld om van ‘geraoedsgefïeldheid’ weer gewoon ‘gemoedsgesteldheid’ te maken.

Met zijn schilderijen werd op straat gespeeld, kinderen maakten er een schortje van om vadertje-en-moedertje te spelen. Vincent van Goghs naakttekeningen zijn vermalen in een Tilburgse papierfabriek, die er een paar dubbeltjes voor gaf. Een eeuw geleden kon je een Van Gogh meenemen als je de marktkoopman die zijn voorraad met geen mogelijkheid kwijt kon een biertje aanbood.

Huiveringwekkende, maar ook overbekende verhalen. Vincent van Gogh is allang het vleesgeworden cliché van de straatarme, mislukte, maar later geniaal gebleken kunstenaar, en weinig levensverhalen zijn zo uitgekauwd: de miskenning, de passie voor het schilderen, de gekte, het afgesneden oor, de zelfmoord. En daarna dan die tot krankzinnige hoogten opgestuwde prijzen voor zijn werk, de tientallen miljoenen voor zijn ‘Irissen’ en zijn ‘Zonnebloemen’.

En toch zijn alle gemeenplaatsen en hypes nog altijd eenvoudig weg te blazen, door Van Goghs eigen woorden te lezen. Het mooie van zijn levensverhaal blijft dat we het op de voet kunnen volgen in zijn brieven, die opmerkelijk goedgeschreven zijn en ruim van schetsen voorzien. Voor wie ze leest, wordt hij van mythe weer mens. Zeker, het gaat in die brieven over de worsteling met zijn kunstenaarschap, over kleuren, de natuur, het werk van andere kunstenaars (‘Schrijf mij ook vooral eens wat je al zoo voor schilderijen gezien hebt in den laatsten tijd & ook of er wat nieuws in etsen of lithographiën is uitgekomen.), maar Vincent informeert ook of zijn broer Theo al geschaatst heeft, en tipt hem: ‘Theo ik moet je toch nog eens recommandeeren om pijpen te gaan rooken, dat is zoo goed als je het land eens krijgt; zooals mij dat tegenwoordig nog al eens overkomt.’ Nog geen twee weken voor hij zichzelf in de borst schiet, schrijft Van Gogh zijn moeder en zus: ‘Tegenwoordig voel ik me kalmer dan verl. jaar, en werkelijk de onrust in mijn hoofd is zoo veel bedaard.’

Boekuitgaven van Van Goghs brieven bestaan al bijna een eeuw, en er is net weer een zeer fraaie uitgekomen. Maar tegelijkertijd kan nu de hele wereld alle 902 bewaard gebleven brieven van en aan Vincent van Gogh zien en lezen. Gratis, en met geweldige extra mogelijkheden: de website vangoghletters.org is state of the art internettijdperk. Dat betekent geen geblader naar noten, maar die desgewenst ter plekke aanklikken. Diep inzoomen op Van Goghs handschrift en zijn honderden schetsen. Meteen de ongeveer 2000 kunstwerken, die samen 4300 maal genoemd worden, naast de tekst zien. Onder elkaar, chronologisch de brieven aan Gauguin in beeld krijgen, of alle brieven uit Amsterdam. In een paar seconden weten dat het woord ‘liefde’ in 114 brieven valt, en ook welke dat zijn.

Die rijkdommen van de digitale wereld lijken alleen nog niet helemaal door te dringen. ‘Recensies praten vooral over de boeken. Het item dat het journaal had, ging eigenlijk ook alleen over de boekuitgave. Op het laatst hadden ze nog een zinnetje: oh ja, het staat ook op het internet.’ Het zint dr. Peter Boot duidelijk niet echt. Hij was bij het Huygens Instituut verantwoordelijk voor de bouw van de website.

Boot (1961) begon als wiskundige, ging werken als informaticus, maar rondde in 2003 ook een studie Nederlandse taal en cultuur af. Ook dr. Karina van Dalen-Oskam (1963) studeerde Nederlands. Zij is onderzoeksleidster van het thema ICT & Teksten van het KNAW-instituut, dat Nederlandse teksten van de Middeleeuwen tot nu bestudeert, annoteert en uitgeeft. Op haar werkkamer – het Huygens zit in hetzelfde gebouw als de Koninklijke Bibliotheek, tegen het Haagse Centraal Station aan – gaat het gesprek over de plannen die vijftien jaar geleden, in samenwerking met het Van Gogh Museum, in gang werden gezet.

Boot: ‘De bedoeling was dat er een mooie, omvangrijke boekuitgave zou komen. Twaalf delen dik, met alle annotaties erin. Drie mensen hebben aan de tekstbezorging gewerkt. Maar naarmate het eind in zicht kwam, bleken uitgevers niet zo happig op zo’n dikke uitgave voor een wetenschappelijk publiek.’ Want op hen was het project van het begin af aan gericht. Wat onder meer inhoudt dat Engels de uitgangstaal moest worden.

Vreemd genoeg dateerde de laatste brievenvertaling in het Engels uit begin jaren vijftig van de vorige eeuw, en waren daar ook nog dingen uit weggelaten of juist verfraaid. Sindsdien doken nieuwe brieven op, en werd er veel meer bekend. De Nederlandse uitgave van 1990 laat meer zien, maar is inderdaad heel Nederlands: Van Goghs Franse brieven – dat zijn er nogal wat, zelfs tegen zijn broer Theo ging hij over in het Frans toen ze allebei in Frankrijk woonden – en de paar Engelse, maar ook zijn Nederlandse werden omgezet in modern Nederlands. Nu is dan alles vertaald in het Engels. Op de website ziet de lezer steeds direct links de vertaling, rechts de (getranscribeerde) originele tekst. Ook de begeleidende teksten met achtergronden en het notenapparaat zijn Engelstalig.

‘Er is toen besloten tot een tweesporenbeleid’, zegt Boot. ‘Op het web een complete wetenschappelijke editie, en ernaast een leeseditie van drie delen. Die is nu in drie talen uitgekomen. Binnenkort verwachten we in Engeland nog veel publiciteit, als een tentoonstelling van de Royal Academy van start gaat.’

Karina van Dalen vult aan: ‘Het speelt zich allemaal toch af in een overgangsperiode, vol experimenten. De tussenfase was een boek met een cd-rom. In Engeland gebeurt dat met hun boekuitgave inderdaad nog, maar het lastige is dat die dingen op een volgende generatie pc’s weer niet meer draaien.’

Het blijkt een algemener probleem voor het Huygens Instituut: het ene digitaal is het andere digitaal niet. Lastig voor de tekstbezorgers, die toch voor de core business van het instituut zorgen. Van Dalen: ‘Ze denken: ik heb het toch in Word aangeleverd.’ Boot: ‘Maar alle op opmaak tekstformaten zijn een probleem. Als je ze probeert te converteren, merk je dat dat zó ingewikkeld is. De noten zijn bijvoorbeeld niet als noten ingebracht, er staan echte tabs in of niet, enzovoort. Geen sprake van dat je het eventjes op het web zet.’

Dat al het werk dat bij het Huygens wordt en al is gedaan op het web komt te staan, is wel de bedoeling. Van Dalen droomt bijvoorbeeld van een dynamische W.F. Hermans-site. ‘Maar daar zit je ook met de rechten’, zegt ze met enige spijt. Intussen is de digitale revolutie niet meer terug te draaien, en komen er steeds meer hulpmiddelen.

Zo is er e-laborate.nl dat ontwikkeld is door het NIWI, het informatie-instituut van de KNAW dat inmiddels is opgegaan in een aantal andere instituten, waaronder naast het Huygens ook DANS en de Virtual Knowledge Studio. Van Dalen komt bij het NIWI vandaan: ‘E-laborate is een website waarop je een teksteditie kunt maken aan de hand van scans. Daar kun je dan op inzoomen, je kunt transcriberen, er annotaties bij zetten. Het handige is dat je niet meer hoeft te hannesen met foto’s en loeps. Je kunt er met veel mensen tegelijk aan werken. En de software is zo eenvoudig, dat je rustig als je een uurtje overhebt nog even een paar kolommetjes kunt doen.’

Hoe het werkt, is voor iedereen te bekijken aan de hand van De Vaderlandsche Letteroefeningen, een literair tijdschrift dat in 1761 begon. Er staan nu 50.000 gescande pagina’s on line, met daarnaast het resultaat van OCR, Optical Character Recognition, een programma dat de letters probeert te herkennen op de plaatjes van teksten. Ook een digitaliseringshulpmiddel, dat voor het voorspelbare, regelmatige drukwerk van tegenwoordig uitstekende resultaten oplevert, ‘maar alles van voor 1850 is dramatisch slecht’, zegt Van Dalen. Dat is te zien: OCR maakt bijvoorbeeld van ‘het menschelyk geslagt’ ‘het menfchelyk geflagt’ en achter ‘geraoedsgefïeldheid’ blijkt als je de scan bekijkt het woord ‘gemoedsgesteldheid’ schuil te gaan. Aan het transcriberen van de teksten kan in principe iedereen die zich aanmeldt meedoen. Je tikt dan de tekst in een hokje naast de OCR-versie.

Dat gezamenlijk e-Laborate gebruiken, brengt een eigen dynamiek met zich mee, vertelt Van Dalen, die met 25 vrijwilligers werkte aan de teksteditie van een Middeleeuwse encyclopedie. ‘Je moet afspraken maken. Bijvoorbeeld dat je maar vijf pagina’s per keer voor jezelf claimt.’ En de sociale controle houdt het productietempo hoog.

Inmiddels vindt e-Laborate steeds meer ingang. Net uit is de webeditie van het prozagedicht Menschen en Bergen van Lodewijk van Deyssel. Van het begin af aan gemaakt met e-Laborate. Het laat volgens Boot en Van Dalen zien dat elk project zijn eigen vragen en op te lossen kwesties oproept. Van Menschen en Bergen zijn veel verschillende versies. Van brieven is er meestal maar een.

Ook net gelanceerd is een webeditie van de brieven van Hugo de Groot. Boot: ‘Die zijn in het verleden al bezorgd. Dat duurde tachtig jaar. Het zijn er ruim 7500, en het kostte een jaar om ze terug te digitaliseren. We hebben ervoor kunnen zorgen dat de digitale versie voldoet aan de behoeften van onderzoekers. Die benaderden ons eerder al met de vraag of ze erbij mochten, omdat ze wisten dat we die bestanden in de kast hadden liggen.’ Er is een register op gemaakt dat ook mensen identificeert. Dat kan niet zomaar automatisch door de teksten te doorzoeken op namen. Boot: ‘Iemand wordt bijvoorbeeld ‘de commandant’ genoemd. Of is het ene moment kroonprins, en later koning. Wie is dat dan? Maar daar hebben we nu ‘named entity recognition’ voor. Algoritmes die zo slim zijn dat ze inderdaad eerder genoemde mensen en dingen kunnen herkennen. Steeds minder is handwerk.’

Al blijft een controlerend oog wel nodig. Even later geeft Boot nog een aardige kluif voor een computerprogramma om op te lossen. ‘In de tijd van Van Gogh was er een kunsttijdschrift dat L’Artiste heette. Maar als hij het opschrijft, bedoelt hij dan het tijdschrift of iemand die kunstenaar is?’

We zijn weer terug bij de aanleiding voor het gesprek: de Van Gogh-site. Veel van het daarvoor gedane werk is onzichtbaar. Boot zorgde bijvoorbeeld voor voldoende servers, omdat hij nog het schrikbeeld voor ogen had van de crash toen de KB live ging met Europeana, de Europese multi-media bibliotheek, die meteen massaal bezocht werd. ‘Maar dat is met de Van Gogh-site nog niet gebeurd,’ zegt hij erbij. Over het ontwerp van de site verklaart hij: ‘Het moet er intuïtief uitzien.’ Van Dalen benadrukt het belang van de bruikbaarheid. Voor boek- en webeditie zijn verschillende designers aan het werk geweest. Wat voor het een werkt, doet het niet vanzelf ook goed bij het ander.

Sommige dingen hebben ook geen van de twee edities gehaald, zoals de zogenaamde diplomatische transcriptie: dan is de tekst voorzien van codes voor zaken als ‘doorgestreept’, ‘toegevoegd’, ‘staat links onder’. Boot: ‘Het is ook niet echt nodig, omdat je zelf alle brieven kunt bekijken. Bij Van Gogh is het mooi dat je vaak kunt zien hoe hij eraan toe was. Als hij geëmotioneerd was, zijn dingen soms drie keer onderstreept.’

Wat is er echt nieuw aan de webeditie? ‘De manier waarop we dingen gecombineerd hebben, en de schaal’, antwoordt Boot na even nadenken. ‘Er zijn niet veel sites met zo veel cross reference, zo veel onderlinge links. En de leeslinten heb ik nooit ergens gezien: bovenaan de kolommen wordt steeds bijgehouden wat de laatste tien brieven waren die je geopend hebt.’ Tevreden is hij ook over de vrijheid voor de gebruiker, die bijvoorbeeld het aantal kolommen dat hij ziet, kan variëren, afhankelijk van de breedte van het scherm. En zo enorm veel middelen waren er niet beschikbaar. Desgevraagd blijkt de website een kleine twee ton te hebben gekost. ‘Het is heel bijzonder dat je zo veel geld voor zoiets krijgt’, voegt Van Dalen daar wel snel aan toe. ‘Maar het is nu dan ook voor iedereen gratis toegankelijk.’

Ze verwachten beiden dat er heel wat nieuw onderzoek gedaan zal worden met behulp van de webeditie. Boot: ‘Die is er voor de brieven, niets anders. Dus gaan we niet en passant alle schilderijen van Van Gogh dateren, of een biografie van hem maken.’ Dat is voor kunsthistorici en andere gebruikers. Die kunnen ook nog een tijd vooruit, denkt Boot. ‘Er ligt een stevige digitale basis. En als over tien jaar het design verouderd is, dan moet je dat vernieuwen, maar het fundament ligt.’

Maar natuurlijk zijn er ook nog wensen. Boot: ‘Wat we tijdens de ontwikkeling hebben laten liggen, heel dom, is de mogelijkheid ook te zoeken in de inleidingen. Maar de tijd was op.’ Intussen gaat de gedachtevorming verder. ‘Bij het Van Goghmuseum praten ze over een digitaal kenniscentrum’, vertelt hij ‘Je zou ook kunnen denken aan de brieven die de familieleden onderling schreven. Wij denken hier na over hoe dat dynamischer kan worden. Met naast de brieven ook andere kennis.’ Daar begint misschien het visioen op te doemen van Koen Kleijn, de recensent van De Groene Amsterdammer die wél heel uitvoerig en enthousiast de webeditie besprak, en ‘het hele universum van de late negentiende eeuw’ opnieuw tot leven zag komen bij de gedachte aan de gekoppelde ontsloten correspondenties van Van Goghs tijdgenoten.

Andersmensigen, de neus van Michael Jackson en eenheidsworst

Van de ideeën van Plato, plastische chirurgie en robots, tot de Embryowet en ‘technodeterminisme’. De Jonge Akademie vond met ‘de maakbare mens’ een onderwerp waar veel leden hun eigen kijk op kunnen geven. Dat deden ze, en het resultaat kan iedereen vanaf eind september lezen in een boek vol ammunitie tegen de vaagheden en veronderstellingen die nu het debat te vaak bepalen.

De neus. De maakbaarheid van het menselijk lichaam begon met de neus. En de eerste pogingen tot plastische chirurgie waren bepaald plastisch: uit een huidlap van de arm maakte de Bolognese arts Gaspare Tagliacozzi in de zestiende eeuw nieuwe neuzen. Een syfilisepidemie had bij veel mensen hun reukorgaan weggevroten. Wat ze er – zonder verdoving – voor in de plaats kregen, was nogal onbetrouwbaar: bij kou werd de nieuwe neus loodgrijs, en hard snuiten kon hem wegblazen.

Maar met zo’n nepneus stond je immorele verleden niet meer direct op je gezicht te lezen. Het verlangen niet op te vallen, lag ook aan de basis van het succes van ‘Nasen Joseph’. Een Berlijnse chirurg, die wereldbekend zou worden met het opereren van de verminkte, kapotgeschoten gezichten van soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, maar zijn bijnaam al eerder kreeg. Zelf iemand die zijn Joodse naam Jakob Lewin veranderd had in Jacques Joseph, opereerde hij talloze neuzen (en oren) van Joden die er niet Joods uit wilden zien.

Die lijn valt gemakkelijk door te trekken naar de neus van Michael Jackson, ook al zijn diens pogingen er met behulp van plastische chirurgie ‘blanker’ uit te gaan zien wereldwijd een afschrikwekkend voorbeeld geworden.

‘Ik was net op vakantie in Iran,’ zegt Bert-Jaap Koops, hoogleraar regulering van technologie in Tilburg, ‘en daar zag ik ook mensen met een plakkertje over de neus. Toen ik ernaar vroeg, bleken veel mensen daar zich te laten opereren om een klassieke, Arische neus te krijgen. De wens om bij de dominante gemeenschap te horen is een algemene tendens. Denk ook aan Aziaten die tegenwoordig hun ogen recht laten zetten. Het is dus niet zo dat we steeds mooier worden door cosmetische chirurgie en dergelijke, maar we gaan steeds meer op elkaar lijken.’

Dat het menselijk uiterlijk steeds ‘maakbaarder’ wordt, houdt het risico van een eenheidsworst in. Het is maar een van de tot nadenken stemmende zaken die aan de orde komen in het eerste product van De Jonge Akademie dat je vast kan houden en aan kan schaffen: het boek De maakbare mens, tussen fictie en fascinatie, dat op 24 september verschijnt. ‘Bij de eerste brainstorm over wat we als Jonge Akademie konden doen, kwam dit onderwerp meteen op,’ zegt Koops, DJA-lid vanaf de oprichting. ‘Bij onze installatie in 2005 heb ik hier al een presentatietje over gehouden.’

kloonzoon

Want een van de ideeën achter De Jonge Akademie is het stimuleren van verbanden tussen verschillende vakgebieden. ‘De maakbare mens’ is typisch zo’n onderwerp dat zich goed van allerlei kanten laat benaderen. Dat gebeurt dan ook in het boek. De neuzengeschiedenis staat erin, maar het gaat even goed over Plato, de ziekte van Huntington, God, toekomstverkenningen, Gulliver’s Travels, verzekeringen en de ‘kloonzoon’ van minister Plasterk. 

Het neologisme kloonzoon komt voort uit de geest van Bert-Jaap Koops (1967), die mede de redactie op zich nam, en zelf ongeveer de belichaming vormt van het interdisciplinaire DJA-ideaal. Hij studeerde wiskunde en literatuurwetenschap, promoveerde op het belangenconflict tussen privacy, beveiliging en opsporing bij het gebruik van cryptografie, en werkt nu bij de Faculteit Rechtswetenschappen van de Universiteit van Tilburg. Hij voelt zich, zegt hij desgevraagd, ‘min of meer jurist, maar wel een met een brede blik’. Het valt allemaal af te lezen aan zijn eigen bijdragen aan De maakbare mens. Liefst drie van de dertien hoofdstukken zijn van zijn hand. Eentje over hoe er over klonen geschreven wordt in literaire fictie, een andere over grondrechten en de maakbare mens, en ook het laatste samenvattende en concluderende hoofdstuk. 

scheve gebitten

Reden om juist met hem over het boek te praten. Het gesprek vindt, tot dikke regendroppels ons naar binnen drijven, plaats op een Amsterdams caféterras, een omgeving die uitstekend blijkt aan te sluiten bij het onderwerp. Stamtafelstof bij uitstek: een van de rode draden in het boek is de manier waarop je tegen het leven aankijkt en hoe dat onze gedachten over ‘maakbaarheid’ bepaalt. Koops: ‘Wat je vindt dat de mens tot mens maakt, verschilt voor iedereen, en hangt sterk af van je levensovertuiging. De christelijk-orthodoxe blik zegt dat de mens door God geschapen is, en laat niet veel ruimte voor eigengereide ‘maakbaarheid’. Maar de ideeën over wat ‘natuurlijk’ is, verschuiven ook. Dat vind ik zo mooi in het hoofdstuk van Theo Mulder, de KNAW-directeur die zich spontaan als gastauteur meldde om over die neuzen te schrijven, maar bijvoorbeeld ook vertelt over voedingsmiddelen die eind negentiende eeuw in een advertentie werden aangeboden met de aansporing ‘Ladies, get plump!’ Ondenkbaar tegenwoordig. Nu moet iedereen juist dun zijn, maar dat is nog maar van een paar generaties geleden. Of denk aan scheve gebitten. Die zie je bij ons nauwelijks meer, we zijn dat in de laatste decennia een afwijking gaan vinden.’ 

religieuze overwegingen

Het gaat snel, en hoewel Koops niet direct een aanhanger is van het ‘technodeterminisme’, dat zegt dat de techniek bepaalt wie we zijn en wat we al dan niet doen, wijst hij op Louise Brown, de eerste reageerbuisbaby ter wereld. ‘Toen die in 1978 geboren werd, was dat echt het toppunt van maakbaarheid. Inmiddels is IVF eigenlijk al een normale manier om een kind te krijgen. Nu gaat de discussie over embryoselectie. Op welke genetische afwijkingen mag je wel en niet testen voordat je een embryo implanteert? Vaak hangt discussie over dit onderwerp samen met de kosten, die men nog wel eens via de band van religieuze overwegingen laag probeert te houden. Het gelijkheidsargument komt ook dikwijls terug. Dat draait vaak ook om kosten: wie kan zich een dure behandeling veroorloven?’ 

samenraapsel

‘Maar je merkt dat Nederland geen debatcultuur heeft. Mijn collega’s in Tilburg hebben de hele argumentatie van staatssecretaris Ross-van Dorp over de Embryowet doorgenomen. Die is soms utilitaristisch, soms gebaseerd op individuele rechten, en dan weer doordrenkt van ‘menselijke waardigheid’. Het is geen ethisch consistente redenering, maar een samenraapsel van argumenten. De Tweede Kamer maalt daar jammer genoeg niet om. Er ligt wel een taak voor de Akademie om de debatcultuur in Nederland op een hoger plan te brengen.’

Wetten en regelgeving zijn natuurlijk Koops’ specialiteit. ‘Wat maakt iets tot een mensenrecht, was de onderzoeksvraag die ik mezelf gesteld heb voor dit boek,’ zegt hij. ‘De kern is dat ons mensbeeld steeds mee-evolueert, tot je bij de cyborgs komt, samensmeltingen tussen mens en machine. Maar een functioneel onderscheid maken tussen cyborg-mensen en robot-androïden is moeilijk. Het gaat elkaar raken. Of robots ons over honderd jaar werkelijk dicht genaderd zullen zijn, kun je weliswaar niet voorspellen, maar het zou goed kunnen. En dan loop je tegen fundamentele juridische problemen aan.’ 

2079

Voor zijn hoofdstuk “Over ‘mensen’ en ‘mensen’rechten” leefde Koops zich uit op een verzonnen krantenbericht uit 2079, dat daar iets van laat zien. In het artikeltje is sprake van een grote demonstratie op de Dam van robots en androïden, die scanderen ‘Want robots zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen’. Derde-generatie androïde Andy02593 wordt aangehaald met de woorden ‘Mijn ingebouwde aan/uit-knop is ontzettend vernederend’, en de minister van Justitie – hij is die kloonzoon van onze huidige minister van onderwijs – is bezig met een wetsvoorstel om rechten voor andersmensigen op te nemen in de Grondwet. 

niet eng

Inderdaad, fictie. Maar fictie is soms het enige dat we hebben, stelt Koops. ‘Voor de toekomstige mens is het ons enige houvast.’ Vandaar ook zijn zoektocht door literatuur over klonen. ‘Daarin wordt net iets verder gedacht dan in de Hollywoodfilms.’ Hij herlas bijvoorbeeld de klassieker Brave New World van Aldous Huxley. ‘Deels gedateerd, maar het is een heel goed, visionair boek,’ zegt Koops enthousiast. ‘Het laat precies zien hoe een totalitaire staat technologie inzet.’ Alle overwegingen uit de echte wereld, lijken ook terug te komen in de verzonnen werelden van de literatuur. Recent is bijvoorbeeld Ishiguro’s Never let me go, waarin klonen gekweekt worden met als doel voldoende transplantatieorganen te creëren. De klonen vormen een gemeenschap, die erg op een pubersamenleving lijkt. Koops: ‘Daar zie je de klonen met gewone puberproblemen worstelen. De vraag is: wie maakt de keuzes die mijn leven vormgeven, en maakt het gekloond zijn daarvoor eigenlijk uit?’ Conclusie die uit de fictie te trekken valt: het palet is zeer breed. Van pure horror tot plausibele uiteenzettingen die laten zien dat klonen helemaal niet eng hoeven te zijn. 

Michael Phelps

Hoe breed het boek ook is, er hadden volgens Koops nog meer onderwerpen goed in gepast. ‘Er staat nu niet veel in over stemmingsinstrumenten, over de rol van de cognitiewetenschappen en psychofarmaca. Belangrijke zaken. De afwegingen die je daarbij maakt geven natuurlijk ook richting aan de industrie.’ 

Het kroeggesprek voert langs nog veel meer. Chemische castratie. De science fiction-serie Startrek, die verplichte kost zou moeten zijn. Doping in de sport en het gelijkheidargument. (Koops: ‘Die Michael Phelps heeft zo’n voorsprong in zijn lichaamsbouw, daar kan geen doping tegenop.’) De door emoties ingegeven afkeer van het tevoren bepalen of je een jongetje of een meisje krijgt: ‘Iedereen hier wil juist dolgraag een jongetje én een meisje,’ zegt Koops, ‘met embryoselectie kun je dat makkelijker regelen, in plaats van het maar blijven proberen tot je ook het andere geslacht krijgt. Net zoals de regelgeving hier het verbiedt om een kind te maken dat het leven van een zwaar ziek broertje of zusje kan redden. Maar een gewilder kind kun je je niet voorstellen.’ 

gemasturbeerd

Dan is er het verkeerde beeld dat het publiek heeft van technische mogelijkheden, door tv-series als CSI. En het vooruitzicht dat steeds meer ouders met een mongooltje daarop aangesproken zullen worden, en de vraag of kinderen die met een te voorkomen afwijking ter wereld komen, straks naar de rechter zullen stappen. We praten over de ontwikkeling dat we alles van iedereen willen weten, inclusief zijn DNA en zijn hersenprocessen. En de veelgehoorde maar toch heus onware bewering dat wie niets verkeerd doet, niets te verbergen heeft: ‘Tot ze je aanzien voor een ander, en je zelf moet bewijzen dat het niet klopt, of tot ze je vragen wanneer je voor het laatst gemasturbeerd hebt’. En het probleem dat je hebt met de dingen ‘eerlijk’ te willen regelen. ‘Wat is eerlijk?’, vraagt Koops. ‘Een Amerikaan zal daar bijvoorbeeld competitiever over denken dan wij.’ 

Genoeg actuele kwesties bij de borrel. Het is droog, en tijd het inmiddels lege café te verlaten. Nog heel even over het boek. Dat is bedoeld voor de algemene, wetenschappelijk geïnteresseerde lezer. Koops: ‘We willen het debat een stap verder helpen. Nu bestaat het vaak uit polarisaties, vaagheden, vooronderstellingen. Daar wilden we iets aan doen.’ En de boodschap? Hij denkt even na, en zegt dan: ‘Denk na. Wie wil je zijn, waar ligt voor jou de grens? Wat wil je wel of niet voor je kind? Vind je dat de overheid beslissingen moet nemen, of wil je je eigen afwegingen maken?’ 

 

Over het boek: 

De maakbare mens, tussen fictie en fascinatie
Samenstelling en redactie: Bert-Jaap Koops, Christoph Lüthy, Annemiek Nelis, Carla Sieburgh, 333 pag., € 19,95.
Verschijnt 24 september bij uitgeverij Bert Bakker.

Activiteiten rond de publicatie:
24 september 16:00-18:00, boeklancering, KNAW, Trippenhuis. Aanbieding van het eerste exemplaar aan KNAW-president Robbert Dijkgraaf en DJA-voorzitter Eveline Crone, lezingen en debat.

 

Eind oktober: debat in debatcentrum LUX, Nijmegen Praat mee over hoe maakbaar de mens mag zijn. Na korte, beeldende presentaties beslist het publiek telkens over het lot van de maakbare mens. Wat is nog acceptabel en waarom?

11 november: Salonlezing, Museum Boerhaave, Leiden Hoe maakbaar is de mens? Christoph Lüthy, Hub Zwart en Bert-Jaap Koops, auteurs van De maakbare mens, spreken over de menselijke identiteit van gisteren, vandaag en morgen.

Meer informatie volgt op www.society-genomics.nl.

Polderpopulisme

Balkenende als populist, en het Senseoapparaat als buigende butler voor de massa. Middenin een ware vloedgolf van openbare debatten, hoofdredactionele commentaren, opiniestukken en columns over het oprukkend populisme in Nederland, organiseerde de KNAW samen met de Jan van Eyck Academie een middag over de stem van het volk.

‘Dialoogbom’ was de goed gekozen titel voor de televisiefragmenten die filmer en grafisch vormgever Rob Schröder aaneensmeedde tot een woeste compilatie. Daar flitsten ze langs, de gezichten die alweer jarenlang steevast in het publieke debat opduiken. Politica Ayaan en columniste Carry, PvdA’er Aboutaleb en LPF’er Sörensen, de Nederlandse imam Abdul-Jabbar van de Ven en de arabist Hans Jansen. En natuurlijk Fortuyn en Van Gogh, en Wilders en Verdonk. De toon was opgewonden (Prem Radhakishun), bang en boos (Afshan Elian) of satirisch (Hans Teeuwen). Tussendoor klonk telkens de kreet ‘kutmarokkanen’.

De dialoogbom (te bekijken op YouTube) draaide terwijl de zaal volliep. De opmaat tot een middag over populisme, die de eerder elitaire Latijnse titel Vox Populi, de stem van het volk, had meegekregen. Maar de omgeving en het gezelschap waren dan ook weinig volks. In het Trippenhuis – de net buiten de spreekwoordelijke Amsterdamse grachtengordel gelegen zetel van de Akademie, die zich juist ‘de stem van de wetenschap’ noemt – probeerde de KNAW-commissie ‘Wetenschap en Kunst’ in samenwerking met de Maastrichtse Jan van Eyck Academie het onderwerp zowel van de kunst- als van de wetenschapskant te laten belichten. Nog net voor de Europese verkiezingen.

Goede kans dat voor de zaal hetzelfde opging als voor het huidige kabinet: dat bestaat voor honderd procent uit hoogopgeleiden. En van de Kamerleden heeft negentig procent een HBO- of universitair diploma op zak. Terwijl dat maar voor zo’n dertig procent van de kiezers geldt. Volgens Mark Bovens, de eerste spreker van de middag, ligt daar de stevige voedingsbodem voor de tegenwoordige populariteit van populistische politieke partijen, waar hij overigens ook de SP onder schaart. Bovens is hoogleraar bestuurskunde, en munter van de term ‘diplomademocratie’.

Hij vatte vlot en helder samen waar die voor staat. In theorie levert een democratie een lekenbestuur op. Je hebt er geen diploma voor nodig. Maar in de praktijk, in het bijzonder in Nederland, is het het domein van hogeropgeleiden geworden. Die domineren ook alle instituties, de belangengroepen, het ambtenarenapparaat. Het middenveld, met de vakbonden en de kerken was vroeger veel sterker vertegenwoordigd. Waar eerst de zuilen als scheidslijn fungeerden, doet opleiding dat nu.

‘Is dat erg?’, vroeg Bovens zich af. ‘Is het niet juist goed als mensen doorgeleerd hebben?’ Om daarna te schetsen hoezeer de voorkeuren, de belangstelling en ook de lasten van lager- en hogeropgeleiden uiteenlopen. Onderwijs, milieu, Europa, kunst en wetenschap, dat is waar hogeropgeleiden zich druk over maken. Voor lageropgeleiden zijn vooral ‘leefbaarheidsissues’ en criminaliteit belangrijk. Ze zien te veel asielzoekers, te veel Europa, te veel Poolse schilders, verlies en verdrukking van ongeschoolde arbeid. Bij de onderwerpen immigratie en integratie staan de twee groepen dan ook diametraal tegenover elkaar. Het als een kwestie van ‘beter uitleggen’ zien, is volgens Bovens te makkelijk. Niet alleen de belangen, ook de lusten en de lasten zijn ongelijk verdeeld. Het geheel levert een scheve politieke agenda op, gebaseerd op de wensen van de hoogopgeleiden, die voor de lageropgeleiden een onherkenbare politiek en daarom afkeer en wantrouwen tot gevolg heeft.

Voilà de kloof die leidt tot wat die hoogopgeleiden ‘populisme’ noemen. Lees: het ongewenste succes van de nieuwe volkspartijen met politieke leiders als Fortuyn en Wilders, die de traditionele volkspartijen (PvdA, VVD, CDA) volgens Bovens in een spagaat dwingen. Hijzelf ziet er een relatief gezonde correctie in, die een stem geeft aan de zorgen en noden van een aanzienlijk deel van de bevolking. En is de SP ook niet gewoon een nette parlementaire partij geworden? Zelfs Wilders is bij uitstek een parlementariër, meent hij.

Hoe bezorgd moeten we zijn? Het was ook de rest van de bijeenkomst een stevige rode draad. Het verontrustst klonk socioloog en jurist Kees Schuyt, die een clou voor het succes van populisten ziet in hun gewoonte om te overdrijven, ‘een hyperbolische beschrijving van de werkelijkheid te geven’. Dat begon naar zijn zeggen bij Fortuyn: ‘met zijn boek De puinhopen van paars, en zijn vergelijking van minister Borst met de nazi Eichmann. Maar het ging over gewone politieke problemen, in een welvarend land, waar dat ‘paars’ na tachtig jaar coalities met de confessionelen een interessante ontwikkeling was.’

Maar waar de Fortuynstemmers nog een zeer gemengd gezelschap vormden – Fortuyn deed het bijvoorbeeld ook goed bij de vastgoedsector, en er zaten veel onervaren jongeren tussen, die die homo wel een geinige man vonden – gaat het met Wilders allemaal een stap verder. ‘Het is een niet-democratische beweging’, stelde Schuyt, onder meer verwijzend naar het feit dat je van Wilders’ PVV geen lid kunt worden. ‘Wilders ontkent de mogelijkheid dat een ander gelijk kan hebben.’ En: ‘Het is allemaal zo weinig creatief, zo plat en scheldend. Wilders is een buutreedner die vergeet dat je alleen met carnaval onzin mag uitkramen.’ De authentieke democratische ervaring moet heruitgevonden worden, verzuchtte Schuyt.

Eerder al had Bart Jan Spruyt, historicus, journalist en zelfverklaarde conservatief, gewaarschuwd dat een democratie kan ontaarden in een ‘ochlocratie’, waarbij alleen de chaotische stem van de massa, die om een sterke leider roept nog te horen valt. Spruyt: ‘Het is het tijdperk van de verbetenen en haatzaaiers versus de zoetgevooisde goedpraters. Althans, zo zien ze elkaar’. De impasse in de discussie doorbreken, vereist volgens Spruyt dat we het populisme niet langer terzijde schuiven: ‘Het woord populisme is een schaamlap, een goedkoop smoesje. Er wordt met hetzelfde dedain over gesproken als Wilders doet over de islam, of Marijnissen over de vrije markt.’ Nodig zijn zelfkritiek, en het inzicht dat het populisme wijst op het wegvallen van het culturele fundament van onze samenleving.

Aan de kunstkant kwamen de hardste woorden van Jonas Staal, die bekendheid kreeg door de ‘rouwmonumentjes’ die hij in 2005 van Geert Wilders maakte in Rotterdam en Den Haag: met foto’s, kaarsjes en knuffels. Wilders daagde hem erom voor de rechter, Staal won uiteindelijk in hoger beroep.’Wij gaan als eersten tegen de muur,’ riep Staal over de gevaren van het populisme.

Dat beeld spreekt, liet ook ontwerpster Cornelia Durka zien, aan de hand van een promotiefilm voor Jürg Haider uit 1994. Er werd geen woord in gesproken, de extreem-rechtse Oostenrijkse FPÖ-voorman was uitsluitend te zien, in stoere en sportieve opnames. En de grafisch ontwerpster Ghalia Elsrakbi wees er onder meer op dat ook Balkenende al een populist is, met zijn optreden in RTL Boulevard en zijn commentaar op de breuk tussen zanger Jan Smit en actrice Yolanthe Cabau van Kasbergen.

Maar het origineelste verband van de middag legde grafisch ontwerper Daniël van der Velden in zijn verhaal over ‘populisme als Dutch Design’. Het overweldigende succes bij de middenklasse van het Senseo-koffiezetapparaat schreef hij toe aan de vorm die het heeft: het lijkt een buiging naar de gebruiker te maken, die zich daarmee in het bezit van een butler waant, zoals ook Fortuyn die had.

Opmerkelijke constante tijdens de bijeenkomst was intussen het daverende gelach dat door de zaal ging bij elk fragment waar Geert Wilders aan het woord was.

Maakbaarheidsjaren

Al hebben ze nog steeds de naam vaak met dingen te komen die ‘iedereen toch wel weet’, de sociale wetenschappen zijn intussen de bepalende factor achter ongeveer elke beleidsmaatregel. Dat was wel anders toen de KNAW vijftig jaar geleden de Sociaal-Wetenschappelijke Raad oprichtte. Oud-raadslid en lustrumspreker Paul Schnabel over de maakbaarheidsgedachte, het Heinsbroeksyndroom en de SWR als grote leerschool.

‘Nee, barretje Hilton bestaat allang niet meer’, lacht Paul Schnabel. Goed, het is dus gewoon de bar van het Amsterdamse Hiltonhotel waar Schnabel graag afspreekt bij een kop thee en een mini-stroopwafeltje. Op zondagmiddag, tussen twee andere afspraken door. Aanleiding voor een gesprek met de drukbezette, maar altijd beschikbare directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, is het vijftigjarig bestaan van de Sociaal-Wetenschappelijke Raad van de KNAW. Die dient politiek en wetenschap nu al een halve eeuw gevraagd en ongevraagd van advies, inventariseert, evalueert en kijkt vooruit – en bestrijkt daarbij alle gedrags- en maatschappijwetenschappen: van antropologie en economie via psychologie en sociologie tot planologie en politicologie.

De socioloog en Utrechtse universiteitshoogleraar Schnabel (1948) maakte er jarenlang deel van uit, en vervult een dubbelrol bij het feestelijke lustrum, dat onder de motto-achtige titel ‘Sociale wetenschappen: stille kracht, sterke macht’ op 1 juli in het Trippenhuis gevierd wordt. Hij is ’s ochtends referent bij een van de workshops die onderzoekers en beleidsmakers met elkaar in debat moeten brengen, en houdt ’s middags een presentatie onder de noemer ‘Alles wat u altijd al dacht te weten….’.

Boven zijn thee vult Schnabel meteen aan: ‘… is dus niet waar.’ Een gevoelig punt onder sociale wetenschappers. Bij de uitkomsten van hun onderzoek is de reactie bovengemiddeld vaak ‘dat wist ik al’ of ‘ja, hèhè’. Of nog erger: men denkt prima te weten hoe het zit, terwijl onderzoek toch echt iets anders laat zien. Schnabel heeft wel een paar vaak gehoorde voorbeelden paraat: ‘De bevolking krimpt. Over twintig jaar is iedereen moslim. En Nederland is heel hard aan het vergrijzen.’

Allemaal niet waar dus. Over die vergrijzing zegt hij: ‘Internationaal bekeken lopen we juist achter. In Duitsland, Spanje, Italië, Zwitserland is nu al twintig procent van de bevolking boven de 65. Dat gebeurt bij ons pas na 2020. En er is ook minder reden je daar grote zorgen over te maken. We hebben hier een betere pensioenvoorziening dan waar ook.’

Voor een relativerend geluid kun je bij Schnabel meestal goed terecht. Maar over de sociale wetenschappen als ‘stille kracht, grote macht’ zegt hij stellig: ‘Elke beleidsnota wordt met onderzoek begeleid. Hoeveel is er van dit, hoeveel van dat, stijgt het, neemt het af, wat gebeurt er in het buitenland? Dat is echt standaard. Du moment dat bijvoorbeeld de discussie over de Glenn Mills-scholen opflakkert, is onderzoek de bepalende factor. Dat maakt uit of de daar gebruikte aanpak van probleemjongeren als een goede oplossing wordt beschouwd. Of neem de integratie. Alle gegevens daarover komen uit onderzoek. Blijkt een groot deel van de Turken en Marokkanen hun bruiden te importeren uit de immigratielanden dan wordt de wet veranderd. Het is zo vanzelfsprekend geworden dat je het je nauwelijks meer realiseert.’

 

Dat was in de begintijd van de Sociaal-Wetenschappelijke Raad wel anders. De stormachtige groei van de sociale wetenschappen moest in feite nog beginnen. Zo kregen de Vrije Universiteit in Amsterdam en de universiteiten van Utrecht en Groningen pas in de jaren 1963 en 1964 een faculteit Sociale Wetenschappen. In 1960 had minder dan zeventien procent van alle academici een graad in ofwel een letterenstudie ofwel de sociale wetenschappen. Dat waren bij elkaar niet meer dan 11.500 Nederlanders. Niet gek dus dat de Sociaal-Wetenschappelijke Raad het eerste decennium van haar bestaan ook de infrastructuur voor het sociaal-wetenschappelijk onderzoek in Nederland sterk stimuleerde. Dat en nog veel meer valt althans te lezen in de korte geschiedenis van de Raad (SWR in de wandeling), die historicus Bram Mellink onder de kop ‘Kennis en kennissen’ maakte voor de 1 juli te verschijnen lustrumbundel.

De SWR, die de eerste KNAW-adviesraad zou worden, was in feite een antwoord op ZWO, stelt hij. De Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek, die we inmiddels kennen als NWO (de term ‘zuiver’ werd in 1988 geschrapt), was in 1950 opgericht. Met als doel een aanzienlijk deel van het geld voor wetenschappelijk onderzoek te verdelen. Dat viel niet bij iedereen goed. Een Akademielid meende indertijd dat de KNAW in een ivoren toren gedreven werd. Tegen haar wil, wel te verstaan, want in de naoorlogse jaren wilden de leden juist graag een Akademie met meer invloed. Maar deze slag werd verloren, en daar ligt dus de kiem van de nog altijd bestaande lichte onderhuidse strijd tussen de twee organisaties.

De instelling van adviesraden, die een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van de Akademie zouden krijgen, moest voor een beetje tegenwicht gaan zorgen, en de stem van de wetenschap luid en duidelijk laten klinken in beleidskringen. Dat de keus als eerste viel op de nog zo jonge sociale wetenschappen, is niet zo vreemd als het misschien lijkt. De Akademie begreep dat ze belangrijk gingen worden. En de overheid was zelf al op zoek naar het type gegevens dat de sociale wetenschappen leveren. Eigenlijk ging het direct al om dezelfde zaken als nu, zij het dat de bewoordingen van toen een hedendaags publiek snel zullen doen glimlachen. Zo vertelt Mellink in zijn geschiedenis over een onderzoek naar ‘de mentaliteit der zgn. massajeugd’, dat in 1953 een negenhonderd pagina’s tellend rapport opleverde met veel aandacht voor de ‘verwilderde’ toestand van de naoorlogse jeugd.

Toch ging de totstandkoming van de beoogde Sociaal-Wetenschappelijke Raad in die jaren vijftig niet zonder slag of stoot, en moest uiteindelijk het laatste zetje komen van Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister die Nederland ooit had. Volgens hoogleraar geschiedenis Klaas van Berkel, de huisbiograaf van de Akademie die druk doende is met het tweede deel van zijn KNAW-geschiedenis, haalde Klompé de minister van Onderwijs over om de benodigde middelen vrij te maken. Zelf was ze minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, een post waar ze zich moest bewijzen, en die wel wat wetenschappelijke ondersteuning kon gebruiken. CRM zou ook heel wat onderzoek genereren.

 

Je kunt je achteraf afvragen waarop vooroorlogse kabinetten hun beleid baseerden (Schnabel: ‘Wetenschappelijk onderzoek in de sociale sfeer kwam pas op gang bij de inrichting van de IJsselmeerpolders’), maar daarna ging het hard met de onderzoeksinstituten en adviesorganen. ‘Het Centraal Planbureau is het oudste,’ vertelt Schnabel. ‘Dat is uit 1945, en stond toen onder leiding van de beroemde econoom Jan Tinbergen, die later nog de Nobelprijs kreeg. Het land lag in puin, en men wilde de zaken centraal regelen. Maar al snel kwam het besef dat er meer dan een planeconomie nodig was. De jaren zestig, de maakbaarheidsjaren, openden de discussie over een centrale raad voor de planning van van alles. Dat is tenslotte, maar dan als adviseur voor de lange termijn, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid geworden, met daarnaast het Sociaal en Cultureel Planbureau dat de vinger aan de pols van de samenleving moest houden.’

Dat SCP begon in 1973, maar heeft vooral sinds Schnabel er in 1998 directeur werd aan bekendheid en ‘smoel’ gewonnen. ‘Dat was ook een beetje mijn opdracht,’ zegt Schnabel luchtig, ‘het onderzoek zelf was al prima’. Maakbaarheid is ondertussen als thema nooit meer verdwenen – maar wel veranderd. ‘Van maakbare samenleving naar maakbare mens’ heet de workshop op het SWR-lustrum waarbij Schnabel referent zal zijn. Hij veert ervan op: ‘In de jaren zestig en zeventig had je de positieve maakbaarheid. De overheid kon de mensen welzijn en geluk brengen. Je had toen ook al die opvoedingsidealen van nurture boven nature. Daar zijn wel steeds meer barstjes in gekomen. Wat je ook probeert als ouder, 95 procent van de meisjes wil met poppen spelen, 95 procent van de jongens met auto’s. Dat gaat vanzelf.’

‘Maar inmiddels zijn we van die positieve maakbaarheid omgeslagen naar een negatieve. We zoeken het in verbieden, straffen, streng optreden, hard aanpakken. Waarbij opvalt dat dat vooral voor anderen moet gelden. Die moeten strenger opvoeden, zich beter gedragen. Het is het Heinsbroeksyndroom, de LPF-minister van ‘ anderen moeten zich aan de regels houden, maar ik bepaal zelf wel hoe hard ik rij in mijn Bentley.’ Hij lacht, maar gaat serieus verder: ‘Er is op het moment een sterke behoefte de ruimte in te perken. Dat is echt een omslag na dertig, veertig jaar zoeken naar ruimte, voor jezelf en voor de ander. Dat hebben we te slordig gedaan, we zijn er te ver in gegaan. De politie is nu bijvoorbeeld zo getraind op niet agressief worden, de-escaleren, niet ingaan op beledigende opmerkingen, enzovoort, dat ze te veel op maatschappelijk werkers zijn gaan lijken. Dat vinden ze zelf ook, dus verschuift de aandacht weer meer naar boeven vangen en de openbare orde.’

‘We veranderen zelf natuurlijk voortdurend. Allerlei idealen verlaten we. Neem de sociale zekerheid: een mooi, maar ook ontmoedigend systeem. Mensen gingen niet meer aan de slag als voluntair als ze geen baan hadden. En bewust baanloos werden ze ook niet gelukkig, werkloosheid is zó slecht voor je. Of neem de individualiseringstrend. Ik vraag het mijn eerstejaars studenten altijd, laat ze hun hand opsteken: Wie is er nog genoemd naar een opa of oma? Dat zijn er steeds minder. Geen eigen kamer thuis zie je alleen nog bij allochtonen, en het aantal kinderen met thuis een eigen badkamer stijgt elk jaar. Op het gebied van vrouwenemancipatie is er, ook vanuit de overheid gestuurd, heel veel gebeurd sinds de jaren zestig. 85 procent van de Nederlanders was er toen tegen dat een moeder zou werken, nu is dat vijftien procent. Nog veel eigenlijk.’

‘Je ziet nu wel een overreactie op wat er niet goed gegaan is. Dan krijg je in de politiek aan de ene kant de SP, die de sociale zekerheden van de jaren zestig wil bewaren, en aan de andere kant de nationalistische PVV. Beide anti-Europees. Maar bij de PVV zie je ook de angst voor het verlies van de vrijheden van de jaren zestig. Wilders ziet de moslims als de vijanden van het moderne, vrije leven. SP en PVV zijn de moderne conservatieven, ze zien de verworvenheden van de twintigste eeuw bedreigd. Daartegenover heb je dan de regenten, de linkse doctorandussen, die de mensen nog eens komen uitleggen wat het juiste standpunt is. Mensen accepteren dat niet meer.’

 

Tot zover Schnabels ultrakorte analyse van de toestand in het land. Toch nog even terug naar de Sociaal-Wetenschappelijke Raad. Wat is in dat hele woud aan adviesorganen nu de positie of de invloed van die Raad geworden? ‘Ik denk dat veel mensen de SWR niet kennen,’ glimlacht Schnabel, ‘het is geen heel zichtbaar orgaan. Maar zo werkt het ook niet. Verwachten dat dingen vanuit de Raad de voorpagina van de krant halen, is niet realistisch. Het maatschappelijk nut is heel lastig te meten. Maar er komen echt hele goede adviezen uit. Onafhankelijk, vaak ook tegen de stroom in. De SWR pleitte er bijvoorbeeld voor het Nederlands als wetenschapstaal mee te laten blijven draaien. Ze waarschuwen om niet alleen op de bèta-manier naar onderzoek te kijken. Je kunt bij de sociale wetenschappen namelijk niet goed dezelfde rangorde maken.’

‘Dat zijn standpunten waarmee ze ook bij de universiteiten komen: pas een beetje op is de boodschap. Judging research on its merits was een uitstekend, gedegen rapport. De hoofdstroom is nu zo sterk: hoe internationaal publiceer je? Welke internationale tijdschriften citeren je? Maar sociale wetenschappen moeten zich ook op de samenleving en de eigen overheid blijven richten.’

Zelf heeft Schnabel in elk geval goede herinneringen aan zijn acht jaren bij de Sociaal-Wetenschappelijke Raad: ‘Het ‘was erg leuk om te doen. In de praktijk werkt het als een interdisciplinaire ontmoetingsplaats. Die zijn er verder niet veel meer. Sociologen, psychologen, juristen, historici, ze werken zonder elkaar nog te kennen, maar ze zitten wel samen in die Raad. Met zijn 25-en, en niemand met een mandaat. Het is een opheffing van de scheidslijnen, op een hoog niveau. Een aantal keer per jaar ga je naar een hotel. Het begint met de avondbijeenkomst op vrijdag, lezingen en discussies, en dat gaat zaterdag tot de middag door.’

‘Het is een clubje, maar tegelijk is het een grote leerschool, waar je prominenten leert kennen, contacten opdoet. Ik werd ervoor gevraagd toen ik directeur van het SCP was geworden. Het is allemaal heel vrij en open en tegelijkertijd soms heel vertrouwelijk. Dat merk je ook bij sommige actualiteiten. Ik herinner me een toelichting op het Srebrenica-rapport van Hans Blom, toen NIOD-directeur. Ook in de Fortuynperiode werd heel open en vrij gepraat over de stand van zaken in Nederland.’

Dat is nou een aardig beeld dat Schnabel schetst. Want wat meldt het verslag van de allereerste plenaire vergadering (die overigens pas in april 1961 werd gehouden)? Dat er sprake was geweest van ‘een openheid voor de andere wetenschappen en een bereidheid tot geven, tot leren en tot samenwerking’. Iets dat de vijftien aanwezige onderzoekers dankbaar had gestemd.

David de Wied (1925-2004)

De eerste woorden in de allereerste Akademie Nieuws waren van hem. ‘Geachte lezer’, begon de KNAW-president in september 1988 zijn aanbiedingsbrief. De toon is formeel, zoals in al zijn geschriften, maar echt formeel was David de Wied niet. Te geestig en te charmant daarvoor. Hij was alleen van de generatie die geen enkele training had gehad in de wetenschappelijk wereld ook voor niet-ingewijden een beetje aantrekkelijk en toegankelijk maken. Maar dat moest wel, vond De Wied.

Niet voor niets kwam er onder zijn bewind, dat liep 1984 van tot 1990, voor het eerst een KNAW-blad dat de buitenwereld inging. Hij was ook degene die, tot vlak voor zijn dood in 2004, bleef aandringen op het leesbaarder maken van de kleine boekjes die de Stichting Biowetenschappen en Maatschappij al sinds 1972 uitbrengt over biomedische onderwerpen. De Wied zat tientallen jaren in het bestuur van die stichting, net zoals hij heel lang lid was van de Raad van Advies van de Stichting Cursussen Wetenschapscorrespondentie, waar academici leren schrijven over hun vak.

Heel graag had hij zelf de geschiedenis van zijn onderzoek op een voor iedereen begrijpelijke manier opgeschreven. Voor zo’n verhaal was er alle reden. De Wied, farmacoloog van oorsprong, publiceerde al over hersenen, geheugen en stoffen in het brein eindeloos ver voordat dat zo in de mode kwam. Hij durfde de dingen in het begin eigenlijk niet eens bij de naam te noemen. Toen hij in 1996 de Heinekenprijs voor de Medische wetenschap kreeg toegekend, vertelde hij in Akademie Nieuws ‘Als mensen zeiden: je houdt je dus met leren en geheugen bezig, dan dacht ik: verrek ja.’.

Aan De Wied danken we het begrip neuropeptide: in de hersenen aangemaakte eiwitfragmenten die als een bepaald soort boodschapperstof werken, en daarmee hersenfuncties kunnen beïnvloeden. Nu de halve bevolking antidepressiva slikt, is bijna niet meer voor te stellen hoe revolutionair dat idee en dus De Wieds werk was.

Maar dat was wel zo. De ontdekking dat ACTH 4-10 leergedrag beïnvloedde, leidde tot krantenstukken over ‘de leerpil’, zoals het ging heten in de pers, die zich er zeer kritisch over uitliet. Dat soort manipulatie van de hersenen zou makkelijk misbruikt kunnen worden. Maar een broertje van dezelfde stof heeft het onder de codenaam Org-2766 – het werd geproduceerd door Organon, waar De Wied al sinds 1958 mee samenwerkte – uiteindelijk wel gebracht tot het stadium van dierproeven, en een eerste test onder demente bejaarden.

De ratten konden na een half jaar aantoonbaar beter leren, en ze werden ook socialer in hun gedrag, Maar het effect bij de bejaarden was gering. Volgens De Wied waarschijnlijk omdat de hersencellen van dementen al te beschadigd zijn. Hij zag meer in een proef met mensen met beginnende geheugenproblemen. Maar Organon zette het onderzoek niet voort, en ook elders lijkt er niet veel van terecht gekomen te zijn.

Het was, proefde je, een echte teleurstelling in De Wieds leven. Hij had het na zijn 65ste sowieso niet gemakkelijk met het feit dat hij zijn leerstoel en in feite zijn mogelijkheden om onderzoek te doen had moeten opgeven. Hij had dan nog wel een kamertje op het Utrechtse Rudolf Magnus Instituut waar hij zolang directeur was geweest, en bovendien nog allerlei bestuurs- en adviesfuncties, maar hij bleef het duidelijk zeer onrechtvaardig vinden dat je zo werd afgeschreven als je oud was.

Bij datzelfde interview, op zijn zolderstudeerkamer in Bilthoven, vroeg De Wied me heel direct of ik zijn geschiedenis van zijn onderzoek wilde opschrijven. Het spijt me nog steeds een beetje dat ik toen vond dat ik er niet genoeg van afwist en andere dingen moest doen. Maar nadien is er toch veel vastgelegd. De Wied zelf schreef zijn herinneringen aan zijn KNAW-presidentschap op in een klein boekje dat Van toeschouwer tot scheidsrechter heet. Vooral voor wie erbij was en voor historici een aanrader. Over zijn onderzoek hield hij in 2000 voor het Studium Generale in Utrecht een uitvoerig verhaal, dat hij ‘Over van alles en nog wat’ noemde. Het valt op internet na te lezen (hier).

Maar vorig jaar verscheen dan toch een complete biografie van de hand van Rienk Vermij: David de Wied, Toponderzoeker in polderland. Die doet De Wied veel meer recht. Dat hij behoorlijk kon mopperen en brommen en soms mateloos onzeker leek te zijn staat er ook in. Vermij laat in zijn verhaal de karakterbeschrijvingen, het leven, en het werk van De Wied voortdurend hand in hand gaan, en schetst ook de sfeer die De Wied op zijn lab creëerde. Die leverde zeker de traditie op van de bronzen rat, met een bulletje in zijn poot. Heel wat bij De Wied gepromoveerden moeten hem nog ergens hebben staan.

Van toeschouwer tot scheidsrechter is uitgegeven door de KNAW, David de Wied, Toponderzoeker in polderland door uitgeverij Matrijs.

De familie

En, kun je inderdaad als het erop aankomt nog steeds bij je familie terecht? Aat Liefbroer (what’s in a name) was het in 2003 aan het onderzoeken. Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI), waar Liefbroer hoofd van de afdeling Sociale Demografie is, was toen net een Akademie-instituut geworden. Inmiddels weet Liefbroer meer. Bijvoorbeeld dat we onze familie ook tegenwoordig nog altijd heel belangrijk vinden.

Maar er zijn wel interessante verschillen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Mannen en vrouwen bijvoorbeeld. Liefbroer vertelt er uit de losse pols van alles over aan de telefoon: ‘We hebben gevraagd wat mensen vonden. Moeten ouders hun kinderen steunen, bijvoorbeeld, en kinderen voor hun ouders zorgen? We wilden uitvinden hoe het zit met de familiesolidariteit, en waar je het leert. Wordt het door je herkomst beïnvloed?’

‘Dat laatste viel een beetje tegen. We kunnen de opvattingen hierover maar voor maximaal een kwart herleiden naar de familie waar iemand uit komt. Ook broers en zussen denken zeker niet altijd hetzelfde. Ongeveer iedereen in Nederland onderschrijft dat als iemand echt hulp nodig heeft, ze er altijd zullen zijn. Maar gaat het echt om hulpbehoevendheid dan denken ze er niet meer allemaal zo over. De broers zéggen dat het heel belangrijk is. De mannen hebben sterke normen, weten het precies. De vrouwen zijn terughoudender. Maar als het erop aankomt, doen ze meer dan de mannen. Ze hebben ook vaker grotere netwerken, en het initiatief op contact gaat vaker van hen uit.’

Dat cliché blijkt dus waar. Met het verschil tussen allochtonen en autochtonen ligt het subtieler. Liefbroer: ‘Allochtonen vinden veel sterker dan autochtonen dat kinderen voor hun ouders moeten zorgen. Dat hoort. Maar in hun gedrag zie je dat veel minder terug. Vaak is de eerste generatie ook overleden of terug naar het land van herkomst. De autochtonen zijn minder geneigd tot die norm, zien die verplichting niet zo sterk. Maar ze dóen het wel. ‘Omdat we van elkaar houden’, zeggen ze dan. Of ‘het is toch je vader’. Dus in de praktijk zitten de bevolkingsgroepen veel dichter bij elkaar dan in hun opvattingen. De Surinamers en de Antillianen verschillen op dit punt overigens weer veel minder van de autochtonen dan de Turken en Marokkanen.’

Sinds het interview in Akademie Nieuws 73 is er nog meer uitgezocht. Liefbroer: ‘Een ding is de invloed van het ouderlijk huis. Samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek hebben we onder andere bekeken of als je zelf ook vroeg kinderen krijgt als je ouders vroeg kinderen kregen. Het antwoord is: ja. Maar we zijn geïnteresseerd in de vraag of die invloed zwakker of juist sterker wordt. Je kunt je voorstellen dat we ons door de individualisering minder gelegen laten liggen aan onze ouders. Maar als je naar de cijfers kijkt, blijkt dat die ‘overdracht’ juist sterker wordt. Vooral van de moeder, en zowel op haar zonen als haar dochters. Een verklaring daarvoor kan liggen in het feit dat er vroeger te weinig voorbehoedsmiddelen waren. Ook als je hetzelfde gedrag wilde vertonen als je ouders, liep het nog wel eens anders. Tegenwoordig zijn ouders en kinderen allebei met anticonceptiva opgegroeid. Er is veel meer controle over geboortes, dus is het makkelijker je in dit opzicht te gedragen zoals je wil. En dan lijkt het dus of de overdracht van ouder op kind sterker is geworden. Een grappige trend.’

Nog een andere vraag over de invloed van het ouderlijk huis zag intussen Liefbroer beantwoord: ‘Als kinderen in hun jeugd veel contact hebben met andere familieleden, veel bij opa en oma gaan logeren, ooms en tantes over de vloer hebben, beginnen ze dan zelf eerder aan kinderen? Krijgen ze er meer? Dat blijkt heel duidelijk het geval. Wie op jonge leeftijd al veel familie ziet, krijgt een taste for family, lijkt het. En daarbij gaat het dus niet alleen om je ouderlijk huis, maar om de hele familie.’

Veel van wat Liefbroer vertelt is te danken aan het ‘Kinship Panel’. In 2002 begon een langdurig, grootschalig onderzoek naar familiebanden in Nederland in bijna tienduizend families. En de Netherlands Kinship Panel Study (zie nkps.nl) maakt school, zegt Liefbroer met lichte trots. ‘In Europa zijn ze nu bezig met grote survey over familieverbanden, geënt op onze ideeën. Wij willen hier gaan kijken hoe het zit met de banden tussen Europese landen. Dat is weer een verdere stap. En waar we ook aan werken, is uitvinden of je met beleid het aantal geboortes kunt beïnvloeden, en de leeftijd waarop vrouwen aan kinderen beginnen. Bijvoorbeeld door te zorgen voor meer kinderopvang. Het wordt geprobeerd, bijvoorbeeld in Noorwegen, maar werkt het ook?’

Intussen daalt het gemiddeld aantal kinderen dat een Nederlandse vrouw krijgt al een kwart eeuw niet of nauwelijks. Van 1,8 gingen we naar 1,75 kind. Onder vervangingsniveau, en dat terwijl veel vrouwen voor ze eraan beginnen, zeggen meer kinderen te willen dan ze uiteindelijk krijgen. Maar de totale bevolking groeit nog steeds. Liefbroer verwacht dat we de komende 25 jaar er nog een half à een miljoen inwoners bij krijgen.

De herinneringen van Dirk Struik (1894-2000)

Het was hoe dan ook al nauwelijks te geloven: dat een geleerde wiens honderdste geboortedag met een congres gevierd werd, daar zelf bij aanwezig was. Maar Dirk Struik hield, in grijs pak en op zwart-witte gymschoenen, ook nog een glashelder en zeer onderhoudend verhaal van een uur.

Het was 1994, en hoewel de wiskundige al in 1926 naar Amerika was vertrokken, klonk het Nederlands waarin hij zijn herinneringen vertelde heel gewoon. Hoe Einstein nog de verbintenis tussen hem en zijn vrouw ‘gezegend’ had – met resultaat, zijn huwelijk had zeventig jaar geduurd – en wat een schande het was dat hbs’ers pas in 1917 geen toelatingsexamen voor de universiteit meer hoefden te doen.

Het perspectief van een honderdjarige. Maar als iets opviel, ook een paar dagen later toen hij uitgestrekt op zijn dichtgeslagen hotelbed over zijn wiskundig onderzoek en nog veel meer sprak, dan was het zijn jeugdige, nog hevig in het nu geïnteresseerde geest. En de zachtmoedige beminnelijkheid die ook zijn prachtige craquelé-gezicht uitstraalde. Dat hij zo oud werd, had mede te maken met zijn opmerkelijk positieve levenshouding, denkt wiskundige en wetenschapshistoricus prof. David Rowe, die Struik vaak opzocht in de jaren negentig. In een mailtje schrijft hij: ‘Dirk bezat het vermogen iedereen op te monteren, en ik denk dat wat hij daarop terugkreeg sterk bijdroeg aan zijn optimistische blik. Hij bleef nooit stilstaan bij negatieve dingen. Dus zei hij zelden iets kritisch over andere mensen. Als iemand of iets hem niet beviel dan wilde hij er niet over praten.’

Maar juist daarin ziet Rowe ook de reden dat de memoires waaraan Struik bij zijn honderdste verjaardag systematischer wilde gaan werken nooit afgekomen zijn. Over sommige periodes in zijn leven had hij al gepubliceerd, en Struik schreef wel degelijk nog een aantal hoofdstukken van zijn autobiografie. Rowe stond hem bij, maar een onoverkomelijk probleem bleken de jaren dertig en veertig, toen Struik het stalinisme bleef steunen. ‘Ook toen het steeds duidelijker werd dat dat regime niet te verdedigen viel’, verwoordt Rowe het.

Struik was een overtuigd marxist. En dat hem dat in het McCarthy-tijdperk een veroordeling wegens ‘subversie’ opleverde, is algemeen bekend. Het kostte Struik onder meer tijdelijk zijn aanstelling aan het MIT (Massachusetts Institute of Technology). Indirect was het ook de reden dat hij in 1954 tot KNAW-correspondent werd benoemd. Struik zag daar in elk geval een bewijs van vertrouwen in dat hij toch geen schurk was.

Maar over de decennia voor de McCarthy-jaren ging het in de publiciteit rond Struik meestal niet. En hijzelf kwam er kennelijk niet uit, kon er niet over schrijven. Volgens Rowe hing dat samen met Struiks jongere broer Anton, die begin jaren twintig naar de Sovjet Unie was vertrokken uit idealisme. Dirk Struik had in 1926 behalve een aanbod van MIT, er ook een uit Moskou. Hij en zijn vrouw kozen voor Amerika. ‘Ik denk dat hij tegen zijn broer opkeek, als de politieke held die zijn leven op het spel zette en tragisch aan zijn end kwam’, schrijft Rowe. Terug in Nederland wijdde Anton zich vanaf 1930 met verve aan het communistisch ideaal en de communistische partij. In mei 1941 werd hij opgepakt door de Duitsers. Hij kwam terecht in het concentratiekamp Neuengamme, dat in april 1945 ontruimd werd. Op 3 mei 1945 bombardeerden de Britten de schepen waar de gevangenen aan boord waren gebracht, en Anton Struik was een van de ruim zevenduizend Neuengamme-gevangenen die daarbij omkwamen.

Dirk Struik stierf op 21 oktober 2000, 106 jaar oud. In zijn slaap, zonder ooit echt ziek geweest te zijn. Zijn spullen zijn overgebracht naar het archief van het MIT. Misschien dat iemand nog een keer zijn hele geschiedenis gaat opschrijven. In de tussentijd moeten we het doen met Struiks nog altijd goed leesbare, en veelvuldig bij opleidingen gebruikte Geschiedenis van de wiskunde. Voor het eerst verschenen in 1948 (in het Engels), in minstens achttien talen vertaald, en dit jaar nog eens herdrukt in het Nederlands.

Maar dat is een ongewijzigde heruitgave, dus ongetwijfeld staat het hinderlijke foutje er nog in dat Struik in 1994 spontaan persoonlijk herstelde in mijn exemplaar: Ada en niet Anne Lovelace was een van de voorbereiders voor de computer. Zelf maakte ik destijds ook een voornaamfout. Ik schreef Struik in mijn interview met hem een nicht Mientje toe. In een zeer vriendelijk briefje meldde Struik na ontvangst van Akademie Nieuws dat zijn (eveneens honderdjarige) nicht geen Mientje, maar Dieksken heette. Bij dezen eindelijk hersteld.

De Javatijger

Wij hebben weerwolven, maar de Javanen geloofden in weertijgers, die mensenharten verslonden. Daarover, maar eigenlijk over alles wat maar met Javaanse tijgers te maken had, sprak economisch historicus Peter Boomgaard in 1992 (Akademie Nieuws 18) met groot enthousiasme. De toenmalige directeur van het KITLV (het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land en Volkenkunde van de KNAW dat zelf zijn naam vertaalt als ‘Royal Netherlands Institute of Southeast Asian and Caribbean Studies’) in Leiden wilde dolgraag een boek over het toen al vrijwel uitgestorven beest maken. Inclusief zijn relatie tot de Javanen, tot de cultuur, het landschap. Een integrale geschiedenis, want dat dieren a-historisch zouden zijn, is een misverstand zei hij. ‘Het beest heeft met alles te maken.’

Boomgaard heeft zijn belofte gestand gedaan, wat gegeven zijn bezetenheid van het onderwerp – hij droeg zelfs een schitterende das met tijgers erop – niet veel verbazing hoeft te wekken. In 2001 kwam Frontiers of Fear, Tigers and people in the Malay World, 1600-1950 uit. Natuurlijk mét een hoofdstuk over de weertijger. ‘De tijger als goede buur’ kopte de NRC, en recensent Frans van der Helm, die het ‘een uniek en boeiend geïllustreerd boek’ noemde, gunde na lezing meer diersoorten ‘zo’n gedetailleerd natuur-cultuurhistorisch grafschrift’. In de winkel ligt het inmiddels al niet meer, maar tweedehands blijkt het nog goed te verkrijgen.

Wel jammer dat er tussen de vele KITLV-foto’s die tegenwoordig op het geheugenvannederland.nl te vinden zijn niet een mooie Javatijger zit.

Maar vergeten is het dier nog steeds niet. Nog nadat Boomgaards boek uitkwam, in 1993, werd de Javatijger de nieuwe mascotte van de Charlie-compagnie van het 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel. Sindsdien heet de Charlie-compagnie ‘Tijger-compagnie’.

Ze zaten onder meer in Srebrenica, en in Uruzgan. En als een van de mannen omkomt, heet het dat er een Tijger is gesneuveld.

Belletjes, mobiele medicijnen en de macht van het vergoedingssysteem

Hele kleine belletjes. Dr.ir. Nico de Jong sprak er met grote passie over in 1997 (Akademie Nieuws 41). Spuit iemand minuscule luchtbelletjes in, en je kunt ze op een echo volgen, en zo allerlei dingen in het lichaam zien. Varieer je het ultrageluid waarmee echo’s worden gemaakt, dan heeft dat effect op de vorm van de belletjes, en daarmee weer op het beeld dat eruit komt. 

Het is met andere woorden een in principe simpel, goedkoop en flexibel contrastmiddel. Maar De Jong, een ware pionier op dit gebied, zag nog veel meer in het verschiet voor zijn belletjes. Ze zouden ook wel eens perfecte leveranciers van medicijnen kunnen worden, die hun ‘lading’ pas daar waar ze nodig waren (bijvoorbeeld bij een tumor) los zouden laten.

Hebben de bellletjes inmiddels de voorspelde hoge vlucht genomen? De Jong – nog steeds onderzoeker bij het Rotterdamse Thoraxcentrum, maar inmiddels ook deeltijdhoogleraar ‘Medisch ultrageluid en therapie’ in Twente – klinkt in elk geval nog altijd enthousiast: ‘Wat betreft de luchtbelletjes als medicijnenleverancier zijn we in de dierproeffase. En dat werkt. Wetenschappelijk gezien zijn er grote stappen gemaakt, al is het niet zo hard gegaan als ik indertijd dacht. Op dit moment worden er wereldwijd maar zo’n miljoen potjes met belletjes per jaar verkocht. Dat is niet veel.’

‘Bij mensen worden de bellen op het moment eigenlijk alleen diagnostisch gebruikt voor radiologie en prostaatkanker. Dat ze het bij cardiologie niet vaker inzetten, heeft te maken met het vergoedingssysteem: er is geen budget per patiënt, maar per procedure. Ik verwacht dat dat wel gaat veranderen, en als de patiënt het uitgangspunt is, vliegt het gebruik van belletjes omhoog, want het is heel goedkoop.’

Veel draait om geld: ‘Als je belletjes met een medicijn erin wilt maken kost dat vijfhonderd miljoen dollar en acht tot tien jaar.’ Iets dichterbij is het inspuiten van bestaande medicijnen tegelijk met belletjes. De Jong: ‘Dat heet co-injection. Bellen die vlakbij het medicijn zitten stimuleren de opname omdat ze vibreren. Het verhoogt dus de effectiviteit, en dit zie ik wel binnen vijf jaar op de markt komen.’

‘En sinds een jaar of vijf ontwikkelen we wat molecular imaging heet: we maken de bellen zo dat ze kunnen binden aan bepaalde ziekteprocessen. Met behulp van ultrageluid kunnen we dan de moleculen in beeld brengen van bijvoorbeeld een specifiek eiwit dat bij kanker tot expressie komt. Dat kan je iets vertellen over het succes van een therapie. Daarmee zitten we ook op dierproefniveau.’

Trots voegt De Jong nog toe: ‘We hebben in de tussentijd wel, samen met de Universiteit van Twente, een camera ontwikkeld die uniek in de wereld is. Die kan 25 miljoen beelden per seconde maken. Hij heeft anderhalf miljoen gekost, maar je kunt er die snelle belletjes veel beter mee vastleggen.’

De vleesfabriek

Ze komt meteen aan de telefoon, al is ze met zwangerschapsverlof en net de baby aan het voeden. Nog een kind dus, voor wie de kop opgaat die in 2005 (Akademie Nieuws 82) boven een interview stond met De Jonge Akademie-lid Carlijn Bouten: ‘Straks ben ik de eerste moeder die kan zeggen: ja, vlees komt uit de fabriek’. Bouten doet in haar eigen lab op de Technische Universiteit Eindhoven aan tissue engineering, ‘weefselbouw’. Ze probeert bijvoorbeeld uit stamcellen werkende hartkleppen te kweken, uiteindelijk bedoeld voor mensen met hartklepproblemen. Liefst ‘lichaamseigen’ moeten die kleppen worden, maar dan wel buiten het lichaam gemaakt. 

Een uitvloeisel van dat onderzoek is haar medewerking aan pogingen vlees te produceren waar geen beest aan te pas gekomen is. Vlees uit de fabriek dus, de droom van menig vegetariër. Hoe staat het daarmee? ‘Biefstuk wordt het nog steeds niet’, zegt Bouten, ‘want voor grote lappen moet je er ook bloedvaten en bloed in stoppen.’

Maar dichterbij zijn supermarktschappen met fabrieksvlees wel. Muizenspieren namaken lukt al, varkensspieren komen eraan. ‘De grote doorbraak die moet komen, zit in niet-dierlijk serum’, legt Bouten uit. ‘Er zijn stofjes die weefsel laten groeien, en op dit moment moeten we er nog dierlijk serum bij doen.’ Vooralsnog wordt dat uit gestold bloed gemaakt. Moeizaam en duur. Bouten: ‘Het ei van Columbus waar we op wachten, is die groeifactor in grote hoeveelheden synthetisch te kunnen maken. Ook voor klinisch gebruik is dat trouwens belangrijk. Dierlijk serum is niet risicoloos, er kan bijvoorbeeld Creutzfeldt-Jakob in zitten.’

De ontwikkeling van de hele wereld

‘Nou, laat ik het zo zeggen: we hebben de wereld nog niet overtuigd van onze benadering,’ zegt prof.dr. Jan Luiten van Zanden met een kleine lach. De economisch historicus van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam vertelde in 2006 (Akademie Nieuws nummer 86).te werken aan een heel experimenteel paper. Hij zocht een antwoord op de vraag hoe lang het zal duren voordat er geen ontwikkelingslanden meer zijn. Wanneer is de wereld voor honderd procent ontwikkeld?

Natuurlijk is juist het verleden zijn terrein. Van Zanden beziet de wereldgeschiedenis aan de hand van lonen en prijzen, die hij ‘de DNA-afdruk van de economie’ noemt. Welk loon kregen bijvoorbeeld de arbeiders die de Utrechtse dom bouwden? Werd er duizend jaar geleden voor kennis betaald in het Oosten, dat toen intellectueel vooropliep? En hoeveel brood of rijst kon je van je geld kopen? Zulke gegevens geven inzicht in de dynamiek van de wereldongelijkheid, en wie die begrijpt, kan ook vooruitblikken, zei Van Zanden indertijd.

Is dat inmiddels gelukt? Aan de telefoon vertelt hij: ‘We hebben op wereldschaal in kaart gebracht welke landen horen tot wat de convergentieclub heet. Dat zijn de snel naar elkaar toegroeiende economieën. We hebben daar een model en criteria voor, en die trends kun je doortrekken. Bedenk overigens wel dat ‘ontwikkeld’ niet hezelfde is als ‘rijk’: Indonesië raakte in de jaren zestig echt in ontwikkeling, maar kun je niet rijk noemen.’ Goed. En? Van Zanden aarzelt, want vooralsnog verwerpt de academische gemeenschap zijn conclusies. Maar vooruit: ‘Met onze schattingen kwamen we uit tussen 2060 en 2100. Deze eeuw dus nog, ja.’

De jacht op het walvishart

Zijn avontuurlijke, zij het slechts half geslaagde walvisvaart in het gezelschap van onder meer zijn vriend prins Bernhard was al achter de rug tijdens het interview in 1991 (Akademie Nieuws 12) met prof.dr. Frits Meijler. De in 1925 geboren cardioloog was op dat moment directeur van het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland (ICIN), en zijn collectie elektrocardiogrammen van zoogdieren was bijna compleet. Hij had van de jacht op de enige die nog ontbrak een fraai uitgeven boekje gemaakt, onder de titel Waarom van een walvis?

Letterlijk tientallen jaren besteedde Meijler aan het ontraadselen van een van de mysteries van de zuig-perspomp die het hart is. Het draait om de elektrische prikkel die harten laat samentrekken. Alle harten: de allerkleinste van babymuisjes (dertig milligram zwaar), tot en met de allergrootste van walvissen, die een hart zo groot als een paard hebben. Maar het wonderlijke is dat die elektrische impuls, anders dan je zou denken, er in een twee maal zo groot hart niet twee keer zo lang over doet om de andere kant van het hart te bereiken. Naarmate het hart groter is, duurt het relatief korter. Begrijpen hoe dat precies zit, is ook van praktisch belang, zegt Meijler aan de telefoon. ‘Als je een stoornis in die geleidingstijd hebt, dan heb je een pacemaker nodig. En die zul je bij een kind anders willen afstellen dan bij een reus. ‘

De walvis leek het ontbrekende puzzelstukje voor de exacte relatie tussen prikkelgeleidingstijd en hartgrootte. En ja, nadat er in 1992 bij Newfoundland alsnog een paar goede walvissen-ECG’s waren gemaakt – bij beesten van zo’n 30.000 kilo – werd de achterliggende formule gevonden. Daarin speelde een derdemachtswortel van het gewicht van het hart een hoofdrol, maar voor de details verwijst Meijler graag naar zijn vorig jaar verschenen memoires: Mijn oorlog, mijn hart.

Oorlogsenthousiasme

Het gebeurde tegen de achtergrond van de oorlog tussen Iran en Irak – zelfs de eerste Golfoorlog moest op dat moment nog komen. Maar de vraag is niet minder intrigerend geworden: waarom doen grote groepen mensen soms geestdriftig aan oorlogen mee? In 1988 was het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis een van de organisatoren van een congres over ‘war enthusiasm’. De aankondiging stond in het allereerste nummer van Akademie Nieuws, maar de uitkomsten haalden de kolommen niet.

Marcel van der Linden, nu directeur onderzoek bij het IISG en hoogleraar ‘Geschiedenis van Sociale Bewegingen’ aan de Universiteit van Amsterdam, was er indertijd bij, en stelde de bundel die eruit voortkwam (mede) samen. Die heeft hij er nog even op nageslagen voordat hij aan de telefoon van wal steekt: ‘Wat er toen in ieder geval uitkwam, is dat je het niet kunt opleggen. Het wordt wel geprobeerd, de bevolking mentaal voor te bereiden op een oorlog. Bij de Nazi’s is het in 1939 mislukt, terwijl er in 1914, voor de Eerste Wereldoorlog, een groot enthousiasme was.’

‘Historici blijken het enthousiasme voor de Tweede Wereldoorlog overdreven te hebben. Ze hebben waarschijnlijk te veel naar hun eigen ‘peergroup’ gekeken. Boeren en arbeiders berustten er hooguit in, die gingen echt niet vrolijk zingend de oorlog in. Voor bijvoorbeeld gymnasiasten en studenten lag het anders. We weten dat door de stemmingsberichten van de geheime dienst. Die lieten de Nazi’s in ‘39 en ‘40 opmaken in alle plaatsen in Duitsland. Omdat ze voor intern gebruik waren, waren ze eerlijker dan andere verslagen.’

‘Gewone mensen voelen wel dat van hen de grootste offers worden gevraagd. Dat is ook veel sterker het geval geworden. Door de technologisering van oorlog blijven soldaten steeds meer buiten de strijd. Dat zie je heel duidelijk in de cijfers. In de Eerste Wereldoorlog waren vijf procent van alle gedoden burgers, in de Tweede Wereldoorlog was het al vijftig procent, in de Koreaanse oorlog 84, en de schattingen voor Vietnam zitten tussen de zeventig en de negentig procent.’

‘De Duitse demograaf Gunnar Heinsohn heeft een interessante, maar lastige stelling. Hij verbindt oorlogsenthousiasme aan gezinsgrootte. Naarmate gezinnen kleiner worden, zouden ouders minder geneigd zijn hun zonen de oorlog in te sturen.’

‘Maar we hebben het over sociale geschiedenis, en de vraag is natuurlijk wie er wél enthousiast zijn. In oudere literatuur gaat het om dingen als zucht naar avontuur, vreemde landen zien, prestige, materiële opbrengsten. Dat zal nu op veel plaatsen minder opgaan. Een tweede punt is hoe je de dood en ellende die een oorlog altijd oplevert, tegemoet treedt. Dan blijken er een paar mogelijkheden: ofwel je loochent het. Dan wil je het dus niet zien, het idee van de ‘frischer fröhlicher Krieg’. Ofwel je accepteert de dood, omdat je verwacht beloond te worden met een mooier leven daarna. Dat speelde bijvoorbeeld wel voor een deel van de Iraniërs in de oorlog met Irak. Verder kun je de angst soms onderdrukken bij een heel gemene tegenstander. Denk aan het beroemde motto ‘Liever dood dan rood’.’

Of het enthousiasme voor oorlogen al met al afneemt, durft Van der Linden niet te zeggen. Hij wijst op de natiestaat, die sinds de negentiende eeuw voor identificatie met het vaderland zorgt. En op de industriële onderneming die oorlog geworden is. De productie van wapentuig is een permanente, gigantische industrie. ‘Na de Golfoorlog van 1990-1991 dachten we dat het wel wat minder kon, maar dat is beslist niet waar gebleken.’

Uit de klei getrokken leven

In 2008 won Jack Szostak de Dr.H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica 2008. Reden voor dit interview in Akademie Nieuws. Op 5 oktober 2009 werd bekend dat hij de Nobelprijs voor Medicijnen krijgt, samen met o.a. Elizabeth Blackburn, ook al een Heinekenprijswinnaar. Szostaks onderzoek gaat, anders dan dat van Blackburn, allang niet meer over telomeren, de chromosoomuiteindjes waar de Nobelprijs voor is toegekend.

Dat je voor leven water nodig hebt, gelooft hij niet. Jack Szostak (1952) droomt van dingen bouwen die helemaal anders zijn, met een andere biochemie, niet in water. Maar voorlopig is hij nog bezig een cel te bouwen uit die gewoon hier op aarde had kunnen ontstaan. En hij is al een eind.

Hoe rustiek de tuin van het Palazzo degli Affari in hartje Florence er ook bijligt, de zachte stem van Jack Szostak, die hier een van de keynote speakers is op een internationaal congres over het ontstaan van leven op aarde, komt maar met moeite boven de herrie van een grasmaaier uit. We verkassen naar een ander schaduwrijk plekje, waar de Amerikaanse celbioloog – een vriendelijke, tengere verschijning – rustig verderpraat over zijn werk en drijfveren. ‘Nee,’ grinnikt hij, ‘ik dacht niet toen ik een klein jongetje was al dat ik later wou nabouwen hoe de evolutie begonnen is. Maar ik wist wel al heel vroeg dat ik wetenschapper wilde worden. Mijn vader had in de kelder een soort lab voor me gemaakt. Met de scheikundedozen van toen kon je nog gekke experimenten doen, dingen opblazen enzo.’

Szostaks opmerkelijk veelzijdige loopbaan lijkt terug te voeren op twee overtuigingen . ‘Ik geloof in leren door het bouwen van dingen,’ zegt hij. En: ‘Sommige mensen blijven vanaf hun promotie-onderzoek bij hetzelfde onderwerp, maar ik doe een tijdje iets en dan wordt mijn aandacht oor iets anders getrokken. Ik lees graag, en als ik op iets interessants stuit waarvan de experimenten niet meteen voor de hand liggen, dan stap ik daarop over.’

Hij wil maar zeggen: hij is anders dan Elizabeth Blackburn, met wie hij begin jaren tachtig zijn eerste belangrijke ‘bouwproject’ deed. Ze werkten aan de uiteinden van chromosomen, telomeren geheten. Die zouden een cruciale rol blijken te spelen bij zowel veroudering als kanker. ‘Maar dat is allemaal pas later gebleken,’ zegt Szostak. ‘Wij werkten met tetrahymena, een eencellig wimperdiertje.’ Blackburn groeide uit tot ‘de Koningin van de Telomeren’, waarvoor ze onder meer in 2004 de Heinekenprijs voor de Geneeskunde ontving.

Het begon met een poging om een chromosoom te bouwen. Szostak: ‘Wij hadden dus stukjes DNA die functioneerden als het eind van chromosomen. Andere mensen hadden stukjes die vertelden wat er naar de dochtercellen moest, weer andere labs hadden DNA-stukjes die de verdubbeling van het DNA vóór een deling reguleerden. Er waren inmiddels ook veel genen. We dachten: we hebben alles. We doen het bij elkaar, en dan kijken we of we iets kunnen maken dat zich gedraagt als een chromosoom. Alles werd in een gistcel gestopt, en het resultaat was geweldig! Het werkte niet.’ Hij lacht er vrolijk bij: ‘Dan weet je dus meteen dat er iets ontbreekt. Achteraf zijn er wel verklaringen voor, maar dit is dus de aanpak: zo test je hoe goed je iets begrepen hebt.’

Eerder, als post-doc in zijn eerste lab, vond Szostak iets waar hij ook al zo bij grijnst: ‘Dat was behoorlijk cool, omdat het zo contra-intuïtief was.’ Niet zozeer bouwen als wel kapotmaken bleek daar kennis op te leveren. Dat onderzoek maakt Szostak tot een van de grondleggers van wat nu de knock-out-techniek heet: het uitschakelen van een gen om dan te kijken wat er gebeurt, dus om de functie van dat gen te achterhalen. Het wordt heel veel in muizen gedaan. Szostak legt uit: ‘Het ging om hoe DNA-moleculen met elkaar informatie uitwisselen, dus om recombinatie. De gedachte was eerst: alle DNA bestaat uit twee strengen, de bekende wenteltrap. Als je nu een van die strengen stuk maakt, dan kun je misschien informatieuitwisseling tussen twee DNA-moleculen zien. Maar wat bleek: juist als je het hele DNA kapot maakte, dus alletwee de strengen, dan heb je een heel efficiënte stimulans voor recombinatie. Cellen hebben heel effectieve mechanismen om die kapotte strengen weer in elkaar te zetten. Maar dat doen ze door informatie uit te wisselen met een andere niet-kapotte DNA-molecuul. En die repareer-route kun je gebruiken om nieuwe stukjes DNA te introduceren in cellen, en er stukjes uit te halen. En uiteindelijk om recombinatie te sturen, maar dit was echt het begin pas. Wij ontwikkelden het in gist, en daarna zijn mensen er heel hard aan gaan werken om dat aan te passen aan de recombinatie in muizencellen. En nu kan het ook met menselijke cellen.’

Het was pure nieuwsgierigheid die hem indertijd dreef, zegt Szostak. Pas later werd de volle betekenis duidelijk. Toen hij begon, wist ook nog niemand dat zoveel van wat er gebeurt in wimperdiertjes of gist in principe net zo gaat in de rest van de natuur. Szostak: ‘Daaraan zie je hoeveel biochemie er bewaard is in de evolutie. Dit is hoe de evolutie werkt: gecompliceerdere organismen krijg je niet door de onderliggende biochemie te veranderen, maar door er lagen op te bouwen, die reguleren en controleren.’

Tegenwoordig is die evolutie, en wel het allereerste begin daarvan, Szostaks terrein. Hij probeert te begrijpen hoe de eerste protocellen ontstaan zijn. En alweer: door ze te bouwen. Daarvoor wandelt hij rond in wat de RNA-wereld heet. Een veronderstelde wereld: de aarde zoals die eruit gezien zou hebben voordat er DNA bestond. RNA zou een sleutelfunctie hebben gehad. Szostaklegt uit: ‘De eerste voorstellen daarover dateren al uit de jaren zestig: dat RNA misschien meer dan alleen een bemiddelaar, een tussenliggend iets zou kunnen zijn, maar ook zelf dingen doet. Een katalysator voor reacties kan zijn. En dat het leven daarmee begonnen is.’

Het aantal rollen dat RNA – oorspronkelijk alleen gezien als de boodschappenjongen die de informatie levert aan DNA – blijkt te kunnen spelen, is de afgelopen periode in elk geval spectaculair gegroeid. ‘Ja, dat is nogal verbazingwekkend,’ vindt Szostak. ‘We dachten dat proteïnen al het werk in cellen deden, maar dat is niet zo. RNA kan structuren maken, controleren en reguleren. Het aantal soorten RNA is erg gegroeid. En weten al een jaar of tien dat het ook kan katalyseren. Die katalytische rollen zijn tamelijk beperkt. De belangrijkste is natuurlijk het synthetiseren van proteïnen, in het ribosoom van de cel. Dat heeft waarschijnlijk zijn origine in de RNA-wereld. Andere dingen zijn waarschijnlijk iets recenter, het is moeilijk te zeggen. Proteïnen hebben een aantal functies overgenomen die RNA’s vervulden.’

Het gegeven dat RNA een katalysator kan zijn, trok Szostak zijn huidige onderzoeksveld in. ‘Toen leek een simpele cel mogelijk, met simpele chemie, gedaan door RNA-moleculen, die makkelijker te assembleren zijn dan proteïnen. Dus dat leek een eenvoudige manier om te beginnen.’ Die gedachte én doodgewone klei vormen basisingrediënten voor Szostaks pogingen een protocel te bouwen. Hij relativeert overigens het idee dat hij het begin van alle leven nabouwt. ‘Daar komt de chemie in de hele kosmos bij kijken,’ zegt hij, ‘en de planetaire nevelwolk, de vorming van de planeten, alles wat er aan de oppervlakte gebeurt. De geologie, het ontstaan van mineralen. Pas dan kom je langzamerhand bij de organische scheikunde, met moleculen die op de juiste manier bij elkaar komen, zodat ze iets als een cel kunnen gaan vormen. Daar werk ik aan. Het is maar een klein uitsnede. Maar voor mij is die het interessantste omdat daar de evolutie begon.’

Maar hoe begin je met bouwen? Szostak: ‘We wilden in het lab laten zien dat RNA’s meer kunnen, dat ze een scala aan chemie hebben. En ook dat ze zich heel nauw en specifiek kunnen binden aan allerlei moleculen, biologische of niet. Het blijkt dat als je de goede sequentie van RNA te pakken hebt, je daarmee bijna elke andere molecuul kunt herkennen. Je kunt ook allerlei katalyses doen. En als het kan dan dééd RNA dat misschien allemaal wel vroeg in de evolutie. Van daaruit kun je makkelijker snappen hoe de synthese van proteïnen zich begon te ontwikkelen. Daar begint dan de ontwikkeling tot het niveau van heel gecompliceerde cellen, en wordt de complexiteit van nu eenvoudiger te begrijpen. Het draait allemaal om proteïnen en DNA.’

Hoe ver is Szostak met zijn protocel? Hij doet er zowel heel enthousiast als wat geheimzinnig over. Maar om echt te spreken van een protocel zou er ‘iets van genetisch materiaal’ in moeten zitten, vindt hij, en daar wordt wel aan gewerkt, er zijn vorderingen, maar zo ver is hij dus nog niet. Maar hij is wél ver gevorderd met het bouwen van een membraan. Szostaks ogen lichten op: ‘We kunnen ze onder de microscoop zien groeien en delen. Behoorlijk spannend.’ Ze voeden en delen zich nog op een wat kunstmatige manier, maar een nieuwe publicatie, waar hij niets over wil zeggen, zal dat bezwaar wegnemen.

Voor dit resultaat kwam Szostak terecht bij klei, een mineraal. ‘We zijn eerst gaan kijken naar heel eenvoudige moleculen, bijvoorbeeld vetzuren, die zichzelf assembleren. Ze hebben een leuk membraan. We zijn gaan uitproberen: wat gebeurt er als ze er een kleine molecuul doorheen laten komen, hoe stabiel is dat membraan, wat doet het bij hoge temperaturen, hoe kun je ze laten groeien en delen? We hebben nu membraan-compartimenten in het lab. Nu was eerder elders al gesuggereerd dat klei RNA-moleculen zou kunnen helpen bij het katalyseren van stukjes tot grotere brokken. Een student zei: waarom proberen we die klei niet. En dat werkte! Die klei helpt membranen te vormen en brengt alle componenten bij elkaar.’

‘Maakbare moleculen bedenken is niet moeilijk. Het probleem is er een te verzinnen die interessant is, bijvoorbeeld voor een medicijn, en in ons geval: een molecuul dat een genetisch molecuul zou kunnen zijn. We beginnen dingen vaak op een heel kunstmatige manier te maken. Reken er maar op dat als het ons lukt een echte protocel te bouwen er dan cruciale systemen in zitten die niet natuurlijk zijn. Van daaruit komen dan de ideeën hoe je het ‘natuurlijker’ kunt doen. Dan weet je nog niet of het zo gegaan is, maar je laat zien dat het mogelijk is.’

‘Kijk, wij denken dat alle leven op aarde één gemeenschappelijke oorsprong heeft, met één gemeenschappelijke biochemie. Maar we weten helemaal niet of dat een essentieel aspect is. Mensen zeggen ook vaak dat je voor leven water nodig hebt. Ik denk niet dat dat waar is. Het is het vooroordeel dat leven in één voorbeeld oplevert. Als wij DNA synthetiseren dan doen we dat niet in water, maar in organisch zout. Dat gaat veel sneller en efficiënter. Ik zou graag een breder perspectief op leven zien. Dingen bouwen die helemaal anders zijn, met een andere biochemie, niet in water. Daar denken we over. We zijn er nog niet ver mee, maar het is voorstelbaar.’

Krijgt hij niet te horen dat hij voor God wil spelen? Voelt hij het zich soms? Szostak reageert laconiek: ‘Ach, we willen gewoon begrijpen hoe het op een natuurlijke manier kon gebeuren. En daar hoef je niet meer bij te halen dan gewone scheikunde. Waar we naar op zoek zijn kun je misschien het best omschrijven als de overgang van gecompliceerde scheikunde naar eenvoudige biologie. We proberen een aannemelijk pad te vinden waarlangs het gegaan kan zijn. Van de omstandigheden op aarde van vier miljard jaar geleden begrijpen we lang niet alles. Het is moeilijk je er een voorstelling van te maken, maar er is geen ‘gat’. Je hebt echt geen magie nodig.’

Op bedevaart

Speciale krachten toekennen aan plaatsen en objecten lijkt een algemene menselijke behoefte. Van oudsher zijn het in Nederland vooral katholieken bij wie bedevaartsoorden en pelgrimages populair zijn, maar Peter Jan Margry, onderzoeker bij het Meertens Instituut, ziet wereldwijd een hang naar het bezoeken van sacrale en magische plaatsen. 

Voorop staat een foto uit het Brabantse Meerveldhoven. Een boom behangen met kruisen en wat op het eerste gezicht kerstballen lijken achter een zee aan kaarsen in een kerk. Door de glas-in-loodramen schijnt het licht op het altaar en het beeld van Maria dat in de boom hangt. Peter Jan Margry, auteur van het boek dat onlangs uitkwam en 101 bedevaartplaatsen in Nederland heet, vindt juist deze bedevaartplaats heel symbolisch. ‘Je lijkt een heidens gebruik te zien, een boomverering die is overgaan in katholieke Mariaverering. Bovendien, door ouderdom is de boom al drie of vier keer vernieuwd. Het maakt geen verschil voor de bezoekers. Nieuwe bomen en zelfs nieuwe locaties krijgen telkens nieuwe sacraliteit toegekend.’

De kerstballen op de foto zijn overigens in werkelijkheid zilveren votiefgeschenken, tastbare getuigenissen van verhoorde gebeden. Allemaal onderdeel van het beleven van een religieuze behoefte, waarvan een groot deel ritueel is volgens Margry. ‘Het speelt zich in Nederland nogal af in het verborgene, maar er zijn miljoenen bezoekers van bedevaartplaatsen,’ zegt de in Brabant opgegroeide historicus, die senior-onderzoeker Religieuze Cultuur is bij het Meertens Instituut. Dat Akademie-instituut voor Nederlandse taal en cultuur had tot voor kort op het vlak van bedevaarten – hier een katholiek verschijnsel – iets in te halen. Margry vertelt: ‘Er was hier geen aandacht voor dergelijke religieuze verschijnselen. Ten tijde van de protestantse Voskuil was er sprake van een verzuild onderzoeksperspectief. Han Voskuil, wiens afdeling dit was, moest weinig hebben van de Roomse santenkraam.’

Zo kon lang onbekend blijven hoezeer bedevaarten deel uitmaken van de Nederlandse cultuur. Uit het onderzoek daarnaar, dat tussen 1993 en 2000 uitgevoerd werd met een KNAW-vernieuwingssubsidie, kwamen vier dikke boekdelen voort. Nederland bleek maar liefst 660 bedevaartplaatsen te hebben. En dan waren er ook nog ruim 600 die gediskwalificeerd moesten worden, zoals de gekruisigde ‘baardheilige’ St. Ontcommer in Waalwijk, en het Knegselse mirakelkuiltje met geneeskrachtig water waarvoor maar één mondelinge getuigenis bleek te vinden. In het rijkgeïllustreerde boek voor een breed publiek dat nu verschenen is, staat behalve een instructieve inleiding een selectie van bekende en minder bekende oorden. Van Onze Lieve Vrouw Sterre der Zee in Maastricht, en de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch zullen veel mensen gehoord hebben, maar bijvoorbeeld de koortsboom in Overasselt en Cornelius tegen de stuipen in Bokhoven genieten heel wat minder faam.

Toch neemt de belangstelling toe. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig begon er een herleving volgens Margry. ‘En dankzij de publieke manifestatie van de islam zie je nu andere kerken ook meer het publieke domein betreden,’ zegt hij, en hij voegt eraan toe: ‘Wat geloof is en wat bijgeloof is een normatieve vraag, niet iets voor de wetenschap. Mensen kennen krachten toe aan een plaats, een beeld.’ Hij ziet een algemenere tendens: ‘Het is vaak verbonden met rites de passage. Mensen gaan de Santiagoroute lopen als ze vijftig worden, of net gescheiden zijn, als markering van een betekenisvolle verandering in het leven.’

Margry’s eigen belangstelling gaat inmiddels sowieso verder dan kerkelijke bedevaartplaatsen en de daar vaak bij horende pelgrimages. Hij stelde een ook zojuist uitgekomen boek samen over niet-institutionele ‘heiligdommen’ en pelgrimsoorden. Margry: ‘Je hebt bijvoorbeeld pelgrimages naar de begraafplaats van Jim Morrison, de jonggestorven Doors-legende. Jongeren blijven daar komen, laten gedichten achter. Ze ontlenen kracht aan de charismatische persoonlijkheid van de zanger, vinden een steunpunt in zijn persoon. Het zijn nieuwe vormen van religiositeit. Net als het Kankerbos in Dronten. Je ziet het in de hele wereld. In Palermo heb je een gedenkplaats met bloemen voor de vermoorde ‘mafiarechter’ Falcone, het Vietnammonument in Washington heeft ook die functie gekregen. En denk aan het Graceland van Elvis. Maar er zijn ook soortgelijke heiligdommen voor Soekarno, de eerste president van Indonesië, en voor de vroegere leider van Joegoslavië, Tito.’

 

Peter Jan Margry, Charles Caspers, 101 bedevaartplaatsen in Nederland, Bert Bakker, € 39,95

Peter Jan Margry (ed.) Shrines and Pilgrimage in the Modern World. New Itineraries into the Sacred, Amsterdam University Press, € 42,50

Zie ook: www.meertens.knaw.nl/bedevaart

‘Magisch denken is een stadium waar je doorheen moet’

We hebben allemaal de opgave om uit te groeien boven het geloof dat je de wereld kunt beïnvloeden door je gedachten, vindt natuurkundige Carlo Beenakker. Al moeten we niet de fout maken magie en religie door elkaar te halen. Zelf kan hij ze goed scheiden, een kwestie van zuiver redeneren. Dat Einstein godsdienst kinderachtig noemde, is naïef.

Daar lag hij dan, in de foetushouding in een grote doos, klaar om tevoorschijn getoverd te worden door Hans Klok – met de dodelijke Harry Potterspreuk “Avada Kedavra!”. De truc, waarover hij natuurlijk moet zwijgen als het graf, lukte. In toga stapte Carlo Beenakker het toneel op. En de door schrijfster Jo Rowling bedachte variant op abacadabra bleek in de echte wereld volkomen ongevaarlijk. Precies het punt dat de Leidse hoogleraar theoretische natuurkunde wilde maken. ‘Magie werkt niet. Wetenschap werkt, magie niet,’ vatte hij het samen in de voordracht die hij vervolgens ten overstaan van Koningin en Akademie hield.

Dat juist de veelgelauwerde Beenakker (1960) gevraagd was bij de opening van het jubileumjaar het bijbehorende thema ‘magie van wetenschap’ te tackelen is niet vreemd. Niet alleen geeft hij grif toe dol op show te zijn, getuige bijvoorbeeld zijn optreden voor 1200 jongeren op het Lowlands-festival (over wat science en wat fiction is in de televisieserie Startrek), maar hij heeft al langer uitgesproken ideeën over het thema.

In zijn verhaal haalde Beenakker onder anderen Newton aan, de zeventiende-eeuwse ontdekker van de mechanica en daarmee een van de belangrijkste grondleggers van zijn eigen vak. Die wereldberoemde geleerde laat zien dat de overwinning van de wetenschap nog recenter is dan we soms denken. Want Newton spendeerde een groot deel van zijn tijd aan het zoeken naar de Steen de Wijzen, die ijzer zomaar in goud zou kunnen veranderen.’Isaac Newton was niet de eerste der moderne natuurwetenschappers, maar de laatste der magiërs,’ concludeerde Beenakker. En: ‘De magiër wil de natuurwetten opheffen, door een geheim woord en door persoonlijke denkkracht. De wetenschapper, daarentegen, wil met de natuurwetten meewerken, door ze eerst te begrijpen en dan toe te passen.’

‘Ik denk eigenlijk dat Newton een beetje gek was,’ zegt hij achteraf, in een telefonisch gesprek waarin hij nog een aantal zaken toelicht. ‘Genialiteit en waanzin schijnen dicht bij elkaar te liggen, maar het maakt Newton toch iets minder geniaal.’ De behoefte aan magie is overigens algemeen en van alle tijden volgens Beenakker. ‘Maar magisch denken is een stadium waar je doorheen moet. Elk kind gelooft een tijdlang dat de wereld reageert op zijn gedachten. Bijvoorbeeld dat het regent omdat het verdrietig is. Dat is een primitieve vorm van over de wereld denken. De opgave is daar bovenuit te groeien. Afstand nemen van magie is zoiets als wennen aan met mes en vork eten. Aangeleerd gedrag. Je moet leren dat niet alles een betekenis heeft.’

‘Het gaat ook om redeneringen als “toen ik dat shirt aanhad won ik, dus dan win ik de volgende keer ook als ik het weer aandoe”. Dat is ook magisch denken. Of wat je vaak hoort: dat iets geen toeval kán zijn. In werkelijkheid onthou je de dingen die opvallen. Daar denk je dan systeem in te zien. We zijn ingesteld op zaken interpreteren als oorzaak en gevolg. Het is ook hardwired in onze hersenen: patronen en logische ordeningen zien waar ze niet zijn. Maar een beetje een ontwikkeld mens neemt afscheid van het magisch denken. Op school krijg je hopelijk te zien dat natuurwetten hun eigen gang gaan. Een paar proefjes die je kunt herhalen zijn genoeg. Daar hoef je zelf zeker geen wetenschapper voor te zijn. Van muziek houden zonder een instrument te kunnen bespelen is heel goed mogelijk. Zo hoef je ook geen onderzoeker te zijn om toch de bijbehorende methoden te appreciëren. ‘

Maar de aantrekkingskracht van magisch denken blijft groot, ook eeuwen na Newton. Beenakker merkte het zelf ook weer: ‘Ik heb ook een paar negatieve dingen gezegd over The Secret, dat Amerikaanse boek dat op het moment zo’n grote hit is. Dat stelt dat je vanzelf krijgt wat je wil door er hard genoeg aan te denken. Door het je voor te stellen, word je rijk. En je wordt ook niet dik van te veel eten, maar je komt aan omdat je denkt dat je van veel eten dik wordt.’ Hij lacht: ‘Maar het heeft toch echt alles met calorieën te maken. Mijn voordracht is ook in de NRC verschenen, en hier kreeg ik een stel brieven op. Het was toch juist goed als mensen positief dachten. Nou geloof ik best dat mensen die positief denken gelukkiger zijn, maar je moet het leven toch ook nemen zoals het komt. Je kunt niet met denkkracht de loterij winnen.’

Een ding moet hem intussen van het hart over zijn voordracht. ‘Ik wilde niet ook over religie beginnen,’ vertelt hij, ‘maar ik realiseerde me wel het risico. Als je het te ver doorvoert kunnen mensen gaan denken: hij zegt magie, maar hij bedoelt religie. En dat is niet zo. Dat zijn twee verschillende dingen, die ook goed uit elkaar te houden zijn. Al denk ik wel dat een onontwikkeld religieus besef een substituut kan zijn voor magie. Een kaarsje opsteken bijvoorbeeld, of een kruis slaan voor een penalty. Maar persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat er iets wezenlijks overblijft als je dat allemaal weghaalt. Dan kom je bij het religieus gevoel: dat er meer is dan je natuurwetenschappelijk kunt bewijzen. Als je alles wegstript, ook de rituelen waar mensen nou eenmaal behoefte aan hebben – en waar niets tegen is, je dekt de tafel soms ook mooi. – dan hou je een ding over, en dat is dat God bestaat.’

‘Daar kun je heel zuiver over redeneren. En met diepgang. Er is nu net die brief van Einstein gevonden, waarin hij religie kinderachtig bijgeloof noemt. Dat is erg naïef van hem, hij heeft het niet diep-doordenkend benaderd. En het is wel iets dat je helder door kan denken. Met mijn vrouw, die niet wetenschappelijk geschoold is, kan ik daar heel goed over praten en zuiver redenerend bij de essentie uitkomen. De huidige paus doet dat ook. Ik ben een groot bewonderaar van Benedictus de zestiende, die mij als intellectueel directer aanspreekt dan zijn meer charismatische voorganger. Deze paus heeft een grote diepgang. Als ik denk aan hoe ik en mijn collega’s bij de KNAW discussiëren dan zou hij daar uitstekend tussen passen, hij zou zo een voordracht in het Trippenhuis kunnen houden. Zijn boek Jezus van Nazareth is fantastisch, dat kan ik iedereen heel warm aanbevelen, of je gelovig bent of niet.’

Beenakker wil wel iets meer uitleggen over dat zuiver redeneren: ‘Als de premisse is dat God bestaat, dan kun je proberen meer over God te weten te komen. Het is moeilijk het los te zien van je eigen achtergrond, maar de zuiverheid waarmee verschillende religies het benaderen verschilt. Ik denk toch dat de drie grote monotheïstische godsdiensten het dichtste bij de waarheid zitten. Als je je erin gaat verdiepen zie je dat men in duizenden jaren tot een bepaald inzicht is gekomen. Je ziet ook primitievere manieren om tegen de waarheid aan te kijken. Maar je kunt vragen stellen. Als je hoort dat je in de hemel veertig maagden wachten, dan voel je misschien toch ergens de vraag opkomen: zou dat wel zo zijn?’

Tot slot nog even terug naar de magie en de natuurkunde. Eigenlijk wil Beenakker het woord magie in dat verband liever niet horen. ‘Je kunt natuurverschijnselen wel magisch noemen,’ zegt hij, ‘maar verwondering vind ik dan een veel beter woord. Magisch dekt de lading niet goed. Neem het kwantum. Typisch iets waarvan op het eerste gezicht wel zou zeggen dat is magisch, want een kwantum lijkt tegelijkertijd een deeltje en een golf te zijn. Maar al is het niet mogelijk er intuïtie voor te ontwikkelen, je kunt het wel wiskundig snappen, ermee rekenen. Dan is het onttoverd. Voor mij geldt dat ik me dan nog steeds kan verwonderen, ook als ik de truc doorheb. En het is mogelijk je intuïties op een hoger plan te brengen, dat geeft niks. Mensen zeggen wel vaak dat ze zich niets kunnen voorstellen bij mijn vak, maar zelf heb ik helemaal geen behoefte om er beelden bij te hebben. Die zijn er ook niet. Als ik vertel over de snaartheorie, en daar laat ik een vioolsnaar bij zien dan helpt dat echt niet om de vertaalslag naar het brede publiek te maken.’

====

Beenakkers voordracht verscheen in verkorte vorm in NRC Handelsblad van 17 mei. De complete tekst is na te lezen op http://ilorentz.org/beenakker/cv/Magie/Magie.html.

Een column over dingen in de natuurkunde die magisch lijken maar dat niet zijn is te vinden op de jubileumwebsite www.knaw200.nl.

‘Ik zat soms echt te watertanden’

Letterkunde is vooral een herenclub, Natuurkunde veel meer een forum. Vanaf het begin waren de afdelingen van de Akademie anders van signatuur. De eerste eeuw van de geschiedenis van de KNAW en haar voorloper, het Koninklijk Instituut, zit vol grote namen. Nobelprijswinnaars als Kamerlingh Onnes, Lorentz en Van der Waals die zelf dingen uitzoeken als ze om advies gevraagd wordt. Akademiebiograaf Klaas van Berkel over het belang van de spoorwegen, studentencorpora en andere snippertjes.

 

‘Het moeilijkst te achterhalen is het alledaagse,’ zegt prof.dr. Klaas van Berkel. ‘Maar soms vind je iets in de bronnen. Dan lees je dat men elkaar niet kan verstaan omdat er weer een draaiorgel langskomt. Ook het geratel van wagens maakte kennelijk veel herrie. Er werd een houten bestrating voorgesteld voor de Kloveniersburgwal Die is er niet gekomen, maar dan zie je de Akademieleden ineens voor je daar in het Trippenhuis. En wat te denken van Lely, de man van de Zuiderzeewerken, net minister af, die klaagt over de toiletten en zegt dat hij beter gewend is.’

Cornelis Lely is maar een van de stoet beroemde landgenoten die een beetje van vlees en bloed worden in De stem van de wetenschap, de geschiedenis van de eerste eeuw KNAW die Van Berkel (1953) net afgerond heeft. Hij is hoogleraar Geschiedenis na de Middeleeuwen aan de universiteit van Groningen. Eerder schreef hij onder meer een geschiedenis van de natuurwetenschap in Nederland, en een biografie van de wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis. De vierhonderdjarige historie van de universiteit waar hij werkt, is zijn volgende grote project, maar voor die tijd volgt nog de tweede eeuw Akademie.

Aanleiding is natuurlijk het tweehonderdjarig bestaan van de KNAW, dat dit jaar op heel veel manieren gevierd wordt. Van Berkel is zelf Akademielid sinds 1997. Dat maakt hem naar eigen zeggen een betrokkene van binnenuit. ‘Een postdoc die van buitenaf had gekeken, had er iets heel anders van gemaakt,’ zegt hij. Op zijn werkkamer legt hij graag even uit dat de twee en een half jaar die hij voor het project had niet genoeg waren voor de complete KNAW-historie. ‘Of ik had het op een oppervlakkige manier moeten doen, en dan had het ook in een jaar gekund,’ zegt hij. Nu dook hij diep de archieven in ( ‘ik kwam elke dag wel een onderwerp tegen voor een scriptie of een dissertatie’), die hij deels zelf ging ophalen in Haarlem om ze vervolgens in Groningen in het archief te raadplegen. ‘In een Albert-Heijntas pasten precies twee archiefdozen. Ik mocht er maximaal drie per keer meenemen. Daar ging ik dan de trein mee in. Dat kostte nog een hoop tijd, want ik moest zorgen voor sluiting van het archief in terug te zijn – mee naar huis mochten ze niet.’

Toch zijn de spoorwegen volgens Van Berkel van groot belang geweest voor het succes van de academie. In het eerste hoofdstuk van zijn boek schetst hij hoe rond 1800 er lokaal allerlei genootschappen en verenigingen waren die zich met wetenschap bezighielden. ‘De zaak was verkaveld toen Lodewijk Napoleon in 1808 het ‘Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten’ oprichtte. Hoe het moest, was allemaal niet zo duidelijk. Er was ook concurrentie, bijvoorbeeld van de Maatschappij der Letterkunde, die nu nog steeds bestaat. De kunsten zaten er ook bij, en men dacht in het begin dat het instituut zelf laboratoria en dergelijke moest inrichten. Daar waren ook plannen voor. Het was verder de periode van het uitschrijven van wedstrijden. De lokale genootschappen deden dat ook. Zo zocht men oplossingen voor wetenschappelijke vraagstukken.’

‘Begin negentiende eeuw kón het eigenlijk alleen lokaal zijn. Heen en weer gaan was niet simpel. Van de stad Groningen naar de stad Amsterdam komen kostte 44 uur. Daarvoor moest je over zee, en halverwege overnachten. De spoorwegen hebben op een heel basaal niveau een grote impact gehad. Niet alleen omdat mensen elkaar makkelijker ontmoetten, maar ook manuscripten uitwisselen kon ineens veel sneller. Het gaf een nieuwe dynamiek.’

Ongeveer in diezelfde periode ging het Instituut ten onder. Het was de grote staatsman Thorbecke, de man achter onze grondwet van 1848, die de geldkranen dichtdraaide. Er volgde een gevecht om het bestaan, waarbij ook koning Willem III nog een rol in speelde. Van Berkel: ‘Door Thorbecke had Willem macht moeten inleveren. Via de koninklijke familie heeft het Instituut een paar keer alsnog geld gekregen. Volgens mij niet omdat ze de wetenschap zo belangrijk vonden, maar om Thorbecke dwars te zitten.’ Toch veranderde er daarna veel, toen in 1851 dan toch de huidige Koninklijke Akademie van Wetenschappen in de plaats van het Koninklijk Instituut kwam. De vier Klassen werden afgeschaft, waarmee de schone kunsten verdwenen. Vanaf 1855 waren er voortaan twee afdelingen, Natuurkunde en Letterkunde.

Die vormen nog steeds de grote peilers van de Akademie. Ook voor het geven van adviezen, of het jureren van prijzen. Van meet af aan waren er tot op de dag van vandaag herkenbare verschillen tussen de afdelingen, ontdekte Van Berkel. Buiten de officiële verslagen en dergelijk waren het vooral brieven die hem inzicht verschaften. Juist daar vond hij wat hij in feite als de hoofdlijn van zijn onderzoek ziet: waartoe een academie van wetenschappen? Waarom zou je daar tijd geld in stoppen? Die vraag komt steeds terug. Van Berkel: ‘Willem I wilde niet afschaffen wat Lodewijk Napoleon had gedaan. Er was onzekerheid. Men moest de juiste argumenten vinden. Sommigen zeiden: iedereen heeft er een, dus wij moeten ook, maar uiteindelijk kwam men op een verstandig standpunt, lijkt mij. De Akademie moest de stem van de wetenschap zijn. Dat is ook de titel van het boek, het is de kortste aanduiding van de ontwikkeling. Namens de wetenschap wil de Akademie spreken tegenover de regering en tegenover het publiek.’

‘Bij de afdeling Natuurkunde begrepen ze dat meteen. Maar bij Letterkunde vinden ze: de een doet dit, de ander dat, de leden moeten het dus maar individueel doen. Maar waarom zit je dan bij elkaar? Er is te veel vrees het terrein van een ander te betreden. Dat levert een cultuur van wederzijdse mijding op: we storen elkaar niet, en pas als iets gepubliceerd is, zeggen we er iets over. Bij de afdeling Natuurkunde is het heel anders. Daar is het juist: als A ergens naar kijkt dan is het zeker interessant, en ga ik er ook eens naar kijken. Resultaten willen ze ook snel naar buiten brengen. Binnen tien dagen publiceren, dat kon bij de Akademie. Kamerlingh Onnes doet dat bijvoorbeeld. Maar als iemand zegt: ik ga onderzoek doen naar Willem van Oranje dan is er niemand die hetzelfde zal gaan doen. Je weet bij die letteren vaak niet precies wat de onderzoeksvraag is.’

‘Het Koninklijk Besluit zegt dat de Akademie de wetenschap wil bevorderen, maar dat vind je bij elke academie. Je moet kijken naar wat ze doen, niet naar wat ze zeggen. En Letterkunde en Natuurkunde vullen het heel anders in. Bij Natuurkunde hebben ze meteen het idee: wij moeten een forumfunctie hebben. Bij ons komt alles bij elkaar, we bundelen kennis, beoordelen onderzoek en dat brengen we naar buiten. Het is allemaal heel openbaar, ook niet-leden dragen bij. Veelbelovende assistent krijgen zo de gelegenheid te publiceren. Daar was Kamerlingh Onnes een meester in.’

‘Maar bij de Letterenafdeling moest aanstormend talent wachten tot ze lid waren. Het was meer een soort herenclub. Dames waren er natuurlijk sowieso niet, Marie Curie is in 1913 de eerste vrouw. En die werd buitenlands lid, dus dat maakte niet veel uit. Je merkt ook dat het een mannengezelschap is aan de omgangsvormen, die denk ik deels teruggaan op de studentencorpora. In de brieven kwam ik scabreuze grappen tegen, woordspelingen over het aantal opgeheven leden bijvoorbeeld. Dat geeft je ineens een ander idee: dat deden ze natuurlijk ook als ze elkaar tegenkwamen.’

‘Tot het eind van de periode die ik nu beschreven heb, zie je ook dat de Levensberichten bij Letterkunde heel uitvoerig waren, bijna een complete biografie. Bijeenkomsten werden daar ook mee gevuld. Bij Natuurkunde wijdt men alleen bij een heel belangrijk iemand misschien een paar woorden aan diens dood. Wel hartelijk, maar zakelijk. Bij Letterkunde zit er meer emotie in, een loyaliteit die deels uit het corps is meegenomen. Natuurkunde had minder corpsleden. Maar dat idee van een forum versus een club dat herken je nog steeds. In ieder geval ligt het dicht aan tegen het beeld dat academici zelf ook hebben als je ze ernaar vraagt. Het is een beetje romantisch.’

Vanaf het eerste moment is de adviesfunctie belangrijk geweest. Van Berkel schetst met verve dat de vroegere leden daar graag zelf hun handen voor uit de mouwen staken. ‘Ook Nobelprijswinnaars als Lorentz en Kamerlingh Onnes besteedden daar heel veel tijd aan. Bijvoorbeeld aan een systeem voor luchtverversing in gevangenissen. Of aan de vraag hoe hoog de bliksemafleider op het Rijksmuseum moest zijn. Zij zijn echt de deskundigen, die het moeten zeggen. Als de UvA nu iets aan pakweg Dijkgraaf, de komende Akademiepresident zou vragen, dan zet die er een postdoc op die het gaat uitzoeken. Maar toen had het ook status om het zelf te doen. En dat straalde dan weer af op de Akademie.’

‘Ook iemand als Van der Waals, ook al een Nobelprijswinnaar, legde rond 1900 een loyaliteit aan de dag tegenover de Akademie… bijna onbegrijpelijk. Ik denk dat dat komt omdat hij van zeer eenvoudige komaf was. Dankzij de Akademie hoorde hij er toch bij. Het is heel persoonlijk voor hem. Het is echt z’n leven. Dus doet hij banale klusjes. Je kunt dat niet goed meer navoelen.’

Er zijn meer kleurrijke figuren geweest. Van Berkel: ‘Het was onmogelijk om alles te lezen, maar ik zat soms echt te watertanden bij brieven. Bij die van Robert Fruin bijvoorbeeld. De historicus, een man met enorm gezag, maar een zonderling. Meestal aten de leden samen na een vergadering, die duurde dan van elf tot een. De stroeve Fruin niet, die ging in plaats daarvan door de straten van Amsterdam zwerven. Dan snoof hij het stadsleven op in de Kalverstraat, en dan ging hij weer terug naar Leiden. Maar mensen hebben elkaar het leven ook zuur gemaakt! Dat ze elkaar de ogen wel uit konden krabben, dat de een niet meer kwam als de ander er was. Ook dat lees je vooral in de brieven. Want in de verslagen wordt er toch altijd de stand opgehouden. Soms zijn er ook verslagen van journalisten. Die melden dan bijvoorbeeld iets over bijval van het publiek. Daar lees je in de officiële stukken nooit iets over. Zo verzamel je snippertjes. En soms weet je niet goed wat je leest. Als het in 1816 gaat over tranen die geplengd worden, bedoelen ze dat letterlijk of is het beeldspraak?’

De beschrijving van de eerste eeuw telt al meer dan zeshonderd bladzijden, en Van Berkel denkt dat ook het tweede deel nog spannend genoeg gaat worden. ‘De Akademie is minstens twee keer gered. Er waren serieuze plannen om de zaak op te heffen. Hoe heeft men daarop gereageerd? In de negentiende eeuw kon je er inderdaad wel van uitgaan dat ongeveer iedereen die ertoe deed lid was. Zelfs als je er achteraf naar kijkt, moet je zeggen dat de Akademie representatief was. Maar de wetenschap is exponentieel gegroeid. De grote vraag is: kun je dan toch de stem van de wetenschap blijven? Ook bij het geven van adviezen aan de overheid? Kun je dat verantwoorden? Ik heb al gezien dat een paar mensen dat heel goed doorhadden. Casimir bijvoorbeeld, de eerste president, begin jaren zeventig. Ik ben benieuwd wat hij daar over gezegd heeft.’

Wat hij zelf aantrekkelijk vindt aan het project is onder andere dat de hele wetenschap voorbijkomt. ‘Dat heb je zelden,’ zegt hij. ‘Je duikt een wereld in die je deels kent, maar je ziet hem nu via andere invalshoeken. Dat is hartstikke leuk. Verder hoop ik bij de verjaardag de Akademie ook een kritische spiegel voor te houden.’ 

 

De stem van de wetenschap. Geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Deel 1 1808-1914, uitgegeven door Bert Bakker, verschijnt op 8 mei 2008. 

Zowel heel snel als heel goed gepantserd zijn gaat niet

De Hollandse schelpen van tante Greetje en die uit Florida van zijn Amerikaanse juf deden het ’m. Hij kon ze niet zien, maar de jonge Geerat Vermeij betaste ze urenlang, vond ze prachtig en wou er alles van weten. Zijn handen maakten hem een groot expert op het gebied van schelpdieren en slakken. Hij voelt dat de evolutie één grote wapenwedloop is. Waarbij overigens keer op keer dezelfde wapens ontstaan uit het niets.

Het gaat allemaal met een wonderlijk gemak. Hij neemt je lichtjes bij de elleboog en loopt zonder enige aarzeling treetjes op en af, stapt trefzeker over kabels heen, en gaat probleemloos op alle typen stoelen zitten. ‘Je hebt wel mensen nodig die je alles laten zien. Of eigenlijk laten voelen, maar ik noem het altijd zien.’ Dat is de sleutel volgens Geerat Vermeij, ‘distinguished Professor of Geology’ aan de universiteit van Californië in Davis, wereldvermaard om zijn kennis van schelp- en schaaldieren – en volledig blind. Al sinds hij een klein jongetje was.

Het onderwerp komt onontkoombaar als eerste aan bod.’Ik heb nooit goed kunnen zien,’ vertelt Vermeij, die dat helemaal niet als een groot gemis ervaart. Waarschijnlijk kreeg zijn moeder tijdens de zwangerschap rode hond, net als prinses Juliana toen haar laatste kind op komst was. ‘Ik lag in hetzelfde ziekenhuis in de kamer naast prinses Marijke, we hadden dezelfde arts’ vertelt de bioloog, die Nederland al verliet voordat de zeer slechtziende Marijke haar naam in Christina veranderde.

Pijn en talloze operaties behoren tot zijn vroegste herinneringen. Maar ook kleuren. Ze maken hem nog altijd enthousiast: ‘Nee, dat vervaagt niet. Ik weet bijvoorbeeld nog dat we verschillende reizen naar het Academisch ziekenhuis in Utrecht maakten en dan moesten stoppen voor een oranje deur. En dat de zon ’s ochtends geel en ’s avonds oranje was.’ Hij was nog geen vier toen zijn ouders het besluit moesten nemen zijn ogen te laten verwijderen. Erger voor hen dan voor hemzelf, vindt Vermeij. ‘De eerste paar weken dat ik helemaal blind was, dacht ik: oh, nou goed, helemaal blind. En ik ging gewoon spelen met alles.’

Het betekende wel dat hij naar een blindeninternaat ver weg moest. ‘Heel goed onderwijs,’ zegt hij, ‘maar ik was er niet erg gelukkig.’ Hij was blij als hij het weekend naar huis mocht, waar hem altijd wel iets bijzonders wachtte op tafel, bij zijn bord. Planten, zaden, eikels. ‘Mijn ouders, mijn broer, en ik ook, we altijd natuurmensen geweest,’ verklaart Vermeij met een glimlach. Voorkomend is het woord dat al snel in je opkomt als je hem hoort en ziet. ‘Ik ben een ouderwetse man,’ zegt hij zelf, en daar lijkt iets in te zitten. Anders dan bij de meeste van zijn mede-babyboomers – aan het eind van de dag dat we elkaar ontmoeten bekent hij dat het zijn 61ste verjaardag is – zijn pop en rock enzo niet aan hem besteed. Bach is het summum.

En nee, dat hij beter kan horen dan anderen gelooft hij niet. Het is eerder dat je meer informatie krijgt uit de andere zintuigen als je niet kunt zien. ‘Je moet alles meemaken als je de wereld in moet, en risico’s nemen,’ zegt hij. ‘Ze lieten mij echt altijd alles voelen, ook stekelige rozen bijvoorbeeld. Mijn ouders en broer lazen me allerlei dingen voor, maar ze schreven ook hele boeken over, en ze tekenden van alles voor mij.In braille.’ Daarin maakt hij ook zelf notities, tot op de dag van vandaag, en heel gedetailleerd als het moet.

Tijdens de eenzame internaatperiode ging Geerat Vermeij af en toe op bezoek bij een vriendin van zijn moeder. En daar is het begonnen. Vermeij: ‘Tante Greetje had schelpen uit Terschelling. Toen was ik zeven of acht. Een paar jaar daarna emigreerden we, en in Amerika had ik een onderwijzers die uit Florida schelpen meebracht. Die lagen in de klas, en tijdens de lessen keek ik daar vaak naar. Ja, het was zoiets als uit het raam kijken. Het was toen dat de vonk oversloeg, want ik was gewend aan de ruwe, kalkachtige schelpen van de Noordzeestranden, en die uit Florida waren helemaal glad. Daar begreep ik niks van, maar ik wilde ze heel graag hebben, want ik vond ze zo mooi.’

Het zou Vermeij op het spoor zetten van zijn idee?n over de evolutie als wapenwedloop. Hij heeft twee middelgrote schelpen bij zich. Een is zo’n gladde, een bruin met witte spikkels, met een kleine, helemaal getande opening. Schoonheid kun je voelen, volgens Vermeij. Sterker nog: ‘Schoonheid is heel belangrijk, vind ik. Wat er mooi aan deze is? Nou, dat gladde. Je denkt eerst ze hebben er verf opgedaan ofzo, maar dat is niet zo. En de hele vorm, dat bolle.’ De tweede is een grote slak, een spiraalvormig huis van veel ruwer voelende kalk. ‘De geometrie vind ik buitengewoon mooi,’ legt Vermeij uit. ‘De vormgeving van de schelp begrijpen we overigens nog niet helemaal.’

Hij doet voor hoe hij schelpen – in jargon heten ze allemaal mollusken, dat wil zeggen: weekdieren – onderzoekt. ‘Eerst bekijk ik de vorm, vooral met mijn wijsvinger, of met mijn nagels. En dan kom ik bij de details. Bijvoorbeeld bij deze slak die Chorus giganteus heet, voel ik hier, bij zijn mondopening, een klein uitsteeksel. Dat noem ik de labrale tand. De slak die hierin gewoond heeft, kon hiermee zijn prooi, mosselen en andere dieren, sneller te pakken krijgen.’

Over de labrale tand is heel vaak heengekeken, letterlijk. Maar hij blijkt ongelooflijk veel voor te komen. En zich ook heel vaak ontwikkelen. Vermeij heeft maar liefst zestig los van elkaar ontstane voorbeelden van labrale tanden gevonden. Ontelbare al dan niet fossiele mollusken zijn door zijn handen gegaan – Privileged Hands, bevoorrechte handen heeft hij zijn zeer leesbare autobiografie gedoopt. ‘Ik ben naar musea geweest en heb ze veel zelf verzameld,’ vertelt hij. Uit zijn autobiografie wordt duidelijk dat zijn veldonderzoek soms knap gevaarlijk is.

Die fossielen zijn heel belangrijk. Vermeij ziet ze als de geschiedenis van het leven, maar waarschuwt wel dat de levensboom vol dode takken zit. Je weet nooit wat je mist, waar je niets van teruggevonden hebt. Dingen ontstaan, sterven weer uit, ontstaan nog eens en nog eens. Overigens een punt waarover al heel lang discussie speelt tussen evolutiebiologen. Is het vreselijk toevallig als er iets ontstaat? Zeker niet, zegt Vermeij: ‘Ik denk dat alles in de evolutie al vaker dan een keer is ontstaan. Taal is het enige voorbeeld dat ik ken waar dat niet voor geldt. Maar dat kan nog komen.’

Als je goed kijkt, zie je dat alles er al een keer geweest is, lijkt Vermeij te zeggen. Details zijn belangrijk, benadrukt hij een paar keer. Je moet ook de juiste indeling hebben. En zo komen we bij Linnaeus, de reden dat Vermeij even in Nederland was. Onder de titel Linnaeus 300, the future of his science werd begin oktober in het Trippenhuis met een groot internationaal congres en een kleine tentoonstelling de driehonderdste geboortedag gevierd van de Zweedse arts en bioloog Carl von Linn?, die met zijn Systema Naturae als eerste een systeem beschreef om de natuur in te delen. Op zijn classificaties wordt tot op de dag van vandaag voortgebouwd. De dubbele benamingen, van soort en ondersoort, zoals in homo sapiens zijn aan Linnaeus te danken.

Soorten worden er nog steeds heel veel ontdekt in de natuur. Ook Vermeij, een keynote speaker op het congres, beschreef er een aantal, een stuk of dertig schat hij. ‘Dat is niet veel.’ Met graagte vermeldt hij dat hij zelf een zeeslakkensoort naar Linnaeus vernoemd te hebben: de Linnerita van het genus Nerita. Gastropoden , ‘buikpotigen’ heten zulke slakken officieel, vanwege de spieren waarmee ze zich voortbewegen. Er zijn waarschijnlijk wel 75.000 soorten.

Dat de evolutie in feite een lange wapenwedloop is, ziet Vermeij eigenlijk overal. In de loop van de tijd – en denk daarbij aan miljoenen jaren .— ziet hij steeds meer gladde schelpen met steeds kleinere mondjes ontstaan. Prooien en roofdieren passen zich steeds aan elkaar en hun omgeving aan. Maar het is lastig. Vermeij: ‘Je kan niet zowel heel snel als heel goed gepantserd zijn. Er moeten steeds economische ‘beslissingen’ genomen worden: hoeveel energie besteed ik aan dit of dat? Wat is het compromis? In de economie heb je exact dezelfde principes als in de evolutionaire wapenwedloop. We leven wel in een economisch vreemde tijd, met die wereldwijde groei die op de lange duur toch niet door kan gaan.’

Die steeds gepantserder schelpen die je in de loop van de evolutie ziet ontstaan, dat doen wij mensen ook met onze echte wapenwedloop, denkt Vermeij. Daar wordt het wel naarder van in de wereld. Hij is niet erg optimistisch, ook al merkt hij op dat de natuur leert dat er ook periodes van lange stilstand zijn. En een spurt in de wapenwedloop treedt vooral op in tijden van tamelijke overvloed, of als het warmer wordt.

Geen wonder dat de wapenwedloop van de evolutie volgens Vermeij terug te zien is in de economie.En dat is geen kwestie van analogie, het heeft alles te maken met de natuur, met hoe de wereld in elkaar zit. In 2004 kwam zijn boek Nature, an economic history uit. ‘De regels van het leven en de regels van de economie zijn hetzelfde,’ zegt hij. Je kunt bijvoorbeeld geen economie opzetten zonder concurrentie. En een monopolie werkt op de lange duur niet, net zomin als in de natuur.

Vermeijs broer Arie en diens vrouw zijn ook naar de lezing gekomen. Na afloop spreken ze met onverholen trots over hun broer en zwager. ‘Je moet het niet onderschatten,’ waarschuwt Arie Vermeij over de blindheid van zijn broer Geerat. ‘Mijn moeder zei tegen me: je moet altijd met twee paar ogen kijken.’ Ze schetsen de enorme collectie fossiele en andere schelpen in Californié, en hoe terugvindbaar die opgeborgen zijn, net zoals alles in Vermeijs huis zeer vaste plaatsen heeft. Als oom Geerat komt moeten alle deuren in huis of wel open ofwel dicht zijn, leerden ze hun kinderen. Zijn ze half-open dan loopt hij er tegenaan. Met ontzag: ‘We hebben het wel zien gebeuren. Dat moet echt pijn doen, maar hij geeft absoluut geen krimp dan.’

Mooi, maar uit het lood

Wie waren we vroeger? Depots vol scherven, botten en andere voorwerpen, en hele bergen rapportages kunnen er van alles over vertellen. Al een jaar of vijftien wordt er gegraven in Neerlands bodem als nooit tevoren. In Weert is net nog een grafheuvel uit de IJzertijd blootgelegd in het zand. De archeologie bloeit beslist, maar schiet ook tekort: er is een groot gebrek aan onderzoekers en aan tijd om alle gegevens te interpreteren. En hoe zit het met de prijsvechters die elkaar op de archeologische markt zwaar beconcurreren? Er moeten hoognodig wat dingen veranderen, vindt de Verkenningscommissie Archeologie.

Ze staat in de verte te wenken en te wijzen. Daar, over dat plankiertje, en dan dwars door het kale maïsveld, zo kom je bij de opgraving. Caroline Leeflang (1963) is directeur van Archol, het bedrijf dat hier, net buiten het bebouwdekombordje van Weert, op drie plaatsen sporen uit het verleden blootlegt. Straks staan er op deze akkers woningen, maar nu kan er drie weken lang gegraven worden, aan twee kanten van de weg. “Je weet nooit precies wat er tevoorschijn zal komen,” vertelt Leeflang in het zonnige en winderige veld. “Soms valt het nogal tegen, maar daar staan weer verrassingen tegenover. Zoals die sporen hier uit de IJzertijd.”

Links ligt de IJzertijd, en rechts ernaast, allebei opmerkelijk dicht onder de oppervlakte, zijn restanten Middeleeuwen zichtbaar. Dat moet er voor een leek overigens wel bij verteld worden, want heel veel meer dan wat verkleuringen in het zand valt er niet te zien. “Die donkere strepen, dat is een greppelsysteem,” legt Leeflang uit, “en palen laten ook een verkleuring achter.”

Maar hoe je weet wat wat is? “Nou, over de bouwwijzen uit de verschillende periodes is veel bekend, en ook de vondsten geven je aanwijzingen. Je vindt eigenlijk altijd aardewerk, en daar kun je betrouwbare dateringen mee doen. Sporen worden gecoupeerd, en er worden monsters genomen. Dat kan zijn voor botanisch onderzoek, of voor een C14-datering.” Hoewel ze zelf geen archeologie maar Nederlands studeerde, komt Leeflang vaak genoeg op de opgravingen die Archol doet om veel zaken te herkennen, en om mee te kunnen praten in het jargon.

Dit hier in Weert is een voorbeeld van de archeologiepraktijk in Nederland. Sinds de jaren negentig is die geprivatiseerd. Nu is het dus ook handel, bestaat er concurrentie. Het ‘paarse’ besluit om de archeologie hier commercieel te laten gaan, werd genomen vlak nadat op Malta in Europees verband afgesproken was dat er voortaan standaard bij elk bouwproject rekening zou worden gehouden met archeologische resten.

Uitgangspunt is en blijft weliswaar dat je die het beste kunt laten zitten waar ze zitten (in situ heet dat), maar projectontwikkelaars, gemeentes, de NS, of welke andere ‘verstoorder’ dan ook, moeten tegenwoordig op hun kosten archeologisch onderzoek laten doen voordat er begonnen kan worden aan een winkelcentrum, een Vinexwijk of een spoorlijn. Wordt er waardevol erfgoed aangetroffen dan moet dat ook opgegraven worden. Sinds ‘Malta’, (officieel: het in 1992 geratificeerde ‘Verdrag van Valetta’) is de toestand in archeologieland op bijna alle fronten geweldig veranderd. Om maar een ding te noemen: er zijn nu zo veel onderzoeken en opgravingen dat er een waar stuwmeer aan archeologische gegevens en vondsten ontstaan is. Allemaal bijeengebracht door vele tientallen bedrijven en bedrijfjes, vaak met een eigen specialisatie.

De ‘markt’ gaat zelfs zover dat de ingehuurde graafmachines van gespecialiseerde bedrijven komen. Een stukje van de tweede site wordt toevallig net dichtgegooid. Hier speelt vanmiddag sowieso alle activiteit zich af. Twee stagiaires – archeologiestudenten – zijn druk aan het meten en leggen vervolgens op ruitjespapier op een tekentafeltje heel precies vast wat er te zien valt: een heus grafveld, ook uit de IJzertijd, zo’n 2800 jaar geleden.

In het zand zijn zwartgeblakerde ronde ophopinkjes blootgelegd, een aantal vormen een kring. “Zie je, de akker loopt een beetje bol,” wijst Leeflang. “Dat zegt natuurlijk niet alles, maar daar kun je soms wel al iets uit vermoeden, want grafvelden bestonden uit grafheuvels, met palen eromheen. Het gebeurt ook wel dat boeren toevallig iets gevonden hebben.”

Op basis van dat soort dingen wordt altijd eerst het vooronderzoek gedaan, onder meer met proefsleuven. En ook daarin beconcurreren bedrijven elkaar fel. Archol – de l staat overigens voor Leiden, aan de universiteit daar liggen de wortels van de tien jaar geleden opgerichte BV, die nog steeds heel veel samenwerkt met de Leidse archeologen – voert ook die verkenningen uit. “Maar,” zegt Leeflang, “het is niet meer zo dat het bedrijf dat het vooronderzoek doet ook automatisch het vervolgtraject uitvoert als dat er komt. Daar moeten we in de verslaglegging echt rekening mee houden. Het is steeds weer strijden om projecten.”

Een shake-out. Prof. dr.Douwe Yntema (1948) denkt dat die gaande is onder de archeologiebedrijven. De hoogleraar archeologie, momenteel decaan aan de letterenfaculteit van de Vrije Universiteit in Amsterdam, is voorzitter van de Verkenningscommissie Archeologie van de KNAW, die net een exact honderd pagina’s tellend rapport heeft uitgebracht. Aan de telefoon praat hij honderd uit over de toestand in de archeologie, en helemaal niet in rapportentaal. “Dat er iets grandioos mis is, weet iedereen,” zegt hij. En dat lijkt vooral een samenloop van omstandigheden te zijn. De boel is uit het lood geraakt.

Dat is het idee achter de titel van de Verkenning: De toren van Pisa rechtgezet. Over de toekomst van de Nederlandse archeologie. Yntema: “De voorverkenning hadden we ‘de toren van Pisa’ genoemd: de archeologie in Nederland is mooi, maar uit het lood. En dat bleef maar terugkomen toen we iets probeerden te verzinnen voor de Verkenning. Dat ‘rechtgezet’… je zet het niet zomaar even recht met een rapport natuurlijk.” Maar als een aantal van de aanbevelingen van de commissie wordt opgevolgd, zou dat al een hoop schelen. De grootste scheefgroei ziet Yntema in de verhouding tussen het aantal studenten archeologie en de vaste staf aan de universiteiten, en in de onvolkomenheden van de markt.

Hij schetst hoe vanaf 1990 de stafformatie van de universitaire archeologie sterk kromp, omdat toen de financiering overal afhankelijk werd gemaakt van de studentenaantallen. Maar mede door Malta, dat natuurlijk heel veel werk voor archeologen oplevert, gingen er steeds meer mensen archeologie studeren. De eeuwige bezuinigingen lieten niet toe dat er opnieuw onderzoekers werden aangenomen. Dus nu is er veel te veel werk voor veel te weinig staf. Want de staf moet niet alleen studenten opleiden, de verdere verwerking en interpretatie van alle opgravingen moet ook aan de universiteiten gebeuren.

Yntema: “Nu zijn er griezelig weinig mensen beschikbaar voor de wetenschappelijke synthese. De tijdsdruk is gigantisch. Daar komt het denk ik ook door dat de onderzoeksschool op z’n gat ligt. Dat hebben we met zijn allen laten versloffen, ik ook.” En dat die niet functioneert, draagt weer bij aan het verbrokkelde beeld van de archeologie in Nederland dat uit het rapport oprijst. Daarom moet er snel een ontmoetingspunt, een platform komen, luidt een van de aanbevelingen van de verkenningscommissie. “Voor de wetenschap heb je dat bitter hard nodig,” zegt Yntema. “Als je niet bij elkaar blijft, heb je al gauw niet genoeg kritische massa. Niet in Nederland, laat staan daarbuiten.” Dat de archeologie het nog steeds vrijwel overal met een ‘alfa-financiering’ (lees: weinig geld) moet doen, is ook iets dat gauw dient te veranderen.

Ook Caroline Leeflang hamert op het belang van onderling overleg. Behalve Archol-directeur is ze ook bestuurssecretaris en contactpersoon van de VOiA, de ‘Vereniging van Ondernemers in Archeologie’, die de belangen behartigt van de archeologiebranche (‘van Advisering tot Zoölogisch onderzoek’), en bijvoorbeeld een gedragscode voor de leden heeft opgesteld.

Zij lijkt minder een strikte scheiding te zien tussen de commerciële en de academische archeologie dan Yntema. In elk geval bij Archol. “Wij lunchen met de staf van de Leidse faculteit,” lacht ze, “we doen vanzelf mee aan alle discussies. En we gebruiken de expertise van de Leidse specialisten en laboratoria. Onze focus is daardoor vanzelf wat meer op de academische kant gericht. Maar intussen moet er wel brood op de plank voor Archol, en wat wij leveren is natuurlijk alleen de basis voor wetenschappelijk vervolgonderzoek, niet dat onderzoek zelf.” Dat neemt allemaal niet weg dat ook zij wel degelijk nog meer problemen ziet: “De veldwerkopleiding staat enorm onder druk. Te weinig opleiders voor te veel studenten, ook al worden de talenten voor dit edele handwerk er nog steeds wel uit gehaald.”

Archol is een voorbeeld van hoe het moet, zegt Yntema met zoveel woorden, maar er zit een fiks basisprobleem in de huidige inrichting van het bodemonderzoek: “De markt klopt niet. ProRail of een projectontwikkelaar is alleen geïnteresseerd in de kosten van een opgraving, “ legt hij uit. “Of er een beeldig Romeins dorp ligt, zal ze worst wezen. Het gaat ze om het archeologie-vrij opleveren van de bodem, en dat laten ze natuurlijk het liefst doen door de laagste bieder. Die bezuinigt dan bijvoorbeeld op de eindrapportage. De bedrijven maken tekeningen, voorwerpen worden schoongemaakt, sporen vastgelegd, daar zijn allemaal regeltjes voor. Maar er moet ook een eindrapportage gemaakt worden, waarin het verhaal van de opgraving verteld wordt. Daar hebben ze twee jaar voor, en wij hebben de indruk dat sommige prijsvechters het momenteel laten liggen. Dat zien ze later wel, als een deel van de concurrentie het heeft afgelegd. Of ze komen voor een bak scherven met één velletje. Nu al is vermoedelijk vijftig procent van de rapportages niet geschikt voor verdere verwerking.”

Daar wil Leeflang toch wel iets op afdingen. “Wordt de lat niet te hoog gelegd, denk ik wel eens. Het morele beroep dat er op ons wordt gedaan, is niet helemaal eerlijk. Vol verwachting kijken ze naar ons, maar onze middelen zijn beperkt, en bovendien per definitie niet bestemd voor wetenschappelijk onderzoek. Wij moeten alleen die basisreportages maken, en die moeten natuurlijk in orde zijn, maar daar stellen we met elkaar de normen voor vast. De kennis en het wetenschappelijk talent zitten inmiddels deels ook bij de bedrijven, maar het is een politieke beslissing of we vinden dat de verstoorder ook op het wetenschappelijk vervolgonderzoek moet worden aangesproken. En die klachten die hebben gauw iets van borrelpraat. Je kunt trouwens ook niet verwachten dat elke opgraving nieuwe inzichten en wetenschappelijke publicaties oplevert.”

Dat is eigenlijk maar goed ook, met de bergen vondsten van tegenwoordig. Nog een zeer dringende aanbeveling: voortzetting van het NWO-programma ‘De Oogst van Malta’ dat een begin heeft gemaakt met het verder verwerken van de depots vol vondsten en de kasten vol rapporten.

In Weert liggen in de keet, een Pipo-de-Clown-achtige woonwagen, “de vondstjes”. Scherven, stukjes bot, keurig in plastic zakjes met voorbedrukte etiketten. De put, het spoor en de datum met de hand in te vullen. Er is ook een prototypische archeologische vondst: een prachtig vuurstenen dolkje. Maar dat komt dan weer niet uit de vondstlaag. Dus of het gebruikt is door dezelfde mensen die hun doden verbrandden op de grafheuvel kan nog niemand zeggen.

Kennis van de eigen geschiedenis, dat levert de archeologie op. In het natte Nederland worden leer en hout nog wel eens goed bewaard, dat is bijzonder. En verder zijn dezelfde thema’s als elders momenteel hot: integratie en ecologie. Je zou het niet direct verwachten, maar Yntema en Leeflang zeggen het alletwee. “De Bataven in de Betuwe, hoe Romeins werden die nou? Hun brieven schreven ze in het Latijn. Aan de hand van zegeldoosjes en schrijfmateriaal kun je iets uitvinden over hoe leren schrijven zich verspreidde,” geeft Yntema als voorbeeld. Bij ecologie is bijvoorbeeld de invloed van mensen op het landschap een onderwerp. Leeflang: “Nu met al die discussies over de verrommeling van het landschap, daar kan de archeologie ook een rol in spelen nu het een plek heeft gekregen in de ruimtelijke ordening.”

Beiden vinden dat de archeologie heel wat meer media-aandacht verdient. Sterker nog, het verdrag van Malta schrijft ook het toegankelijk maken van archeologische informatie voor, om zo meer begrip te kweken voor het cultureel erfgoed. Dat zou toch niet zo moeilijk moeten wezen, vindt Leeflang: “Er zijn duizenden amateur-archeologen in Nederland. Nog goed georganiseerd ook. Veel ‘piepers’: mensen die met een metaaldetector werken. Echt, het draagvlak is er. Dus dat in de hele canon-discussie geen archeoloog zich liet horen is gewoon ontzettend jammer.”

Het rapport van de Commissie Verkenning Archeologie, De toren van Pisa rechtgezet. Over de toekomst van de Nederlandse archeologie, is gratis te bestellen of down te loaden op www.knaw.nl.

Terrorisme, hype en veerkracht

Halverwege de middag over terrorisme dringt de gedachte zich onweerstaanbaar op: het gaat eigenlijk helemaal niet over terrorisme. Hij gaat over risico’s, waarschijnlijkheden, afwegingen.

Het begrip risico dook al op in het telefonische voorafgesprekje met de initiator van de themamiddag, emeritus hoogleraar antropologie (en KNAW-lid sinds 1975) André Köbben. “Mijn ideeën berusten op het lezen van de krant, ik ben niet deskundig,” stelt Köbben (1925) nadrukkelijk. “Maar ik zie met grote zorg de geweldige paniek over terrorisme aan. Elk jaar zijn er in Nederland 800 doden in het verkeer en nog veel meer gewonden, en hoeveel slachtoffers van terreur zijn er? Niemand lijkt zich dat te realiseren.”

Voor de themalezingen op 12 februari heeft Köbben twee sprekers uitgezocht. Blijkens zijn inleiding heeft de laatste een warm plekje. In de jaren dat Alex P. Schmid in Leiden bij Köbbens ‘Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen’ een zelfstandig onderdeel leidde dat terrorisme onderzocht, was dat altijd “ondergewaardeerd en onderbetaald”, volgens Köbben. Schmid vertrok, ging onder meer werken bij de VN aan terrorisme-preventie, en is tegenwoordig directeur van het ‘Centre for the Study of Terrorism and Political Violence’ aan de Andrews University in Groot-Brittannië. Hij werkt hard aan een nieuwe editie van zijn handboek over terrorisme.

Terrorisme was dus al ver voor 11 september 2001 zijn onderwerp. Een ouwe rot in het vak. Dat geldt niet voor hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie Herman van Gunsteren (1940), auteur van onder andere The Quest for Control en Het grote ongenoegen: over de kloof tussen burgers en politiek (met Rudy Andeweg). Of alles veranderd is na 11 september, zoals zovelen stellen, waagt hij te betwijfelen, maar dat veel meer mensen over terrorisme zijn gaan praten, dat staat vast. Hij is zelf een voorbeeld, zegt hij aan het begin van zijn lezing, niet zonder milde spot.

Intussen formuleert Van Gunsteren scherp, en proef je als toehoorder ook een onderstroom van boosheid over de tegenwoordige terreurbestrijding. “Een hype waardoor de veerkracht van liberale democratieën wordt ondermijnd” stelt hij. Hij heeft er mooie definities bij: “Als mensen iets gaan doen alleen maar omdat anderen het doen, heb je een hype.” En ‘veerkracht’ noemt hij: “het vermogen om met verrassingen om te gaan, zodanig dat kernwaarden behouden blijven.”

De vrees dat de maatregelen die onze democratie moeten beschermen die hele democratie juist om zeep zullen helpen, kreeg Van Gunsteren al gauw, maar belangstelling wekken voor dat punt lijkt pas de laatste tijd te lukken. We zijn eindelijk in de fase van de bezinning terechtgekomen, meent hij. Maar daaraan vooraf gingen de eerste fase van schrik en woede, en de tweede van het maatregelen nemen tegen terreur. Van Gunsteren laat een aantal zaken nog eens in hoog tempo de revue passeren: de Patriot Act die veel congresleden niet eens lazen voordat ze hem ondertekenden, Maxime Verhagen, de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, die sprak over ‘juridische heilige huisjes opruimen’ om bijvoorbeeld voortaan nergens voor veroordeelde verdachten te kunnen verstoren (Van Gunsteren: “onaanvaardbaar”), Gerrit Zalm die na de moord op Van Gogh het woord oorlog in de mond nam, en nog veel meer.

Van Gunsteren tekent bezwaar aan tegen twee onderliggende veronderstellingen die in het debat over antiterreurmaatregelen een stevige rol spelen: dat er angst onder de bevolking zou heersen, en dat je ter voorkoming van aanslagen de liberale democratie wat in moet perken. “Het zou dan om de balans gaan.” En een groot probleem is wat cognitief psychologen ‘probability neglect’ noemen: mensen beschouwen risico’s als significant als ze zich gemakkelijk voor de geest kunnen halen wat er kan gebeuren, maar hoe waarschijnlijk dat is, daar houden ze nauwelijks rekening mee.

Hij is blij met het feit dat de rechters “hun rug rechthouden” zoals hij het noemt (zo was de rechter er niet van te overtuigen dat Samir A. deel uitmaakte van een organisatie met terroristisch oogmerk), maar vindt samengevat dat het antiterrorismebeleid aanzet tot hypes, groepspolarisatie en burgerbraafheid, wat de veerkracht en het zelforganiserende vermogen van de democratie belemmert. Veelzeggend is de titel van zijn in 2004 uitgekomen boek: Gevaarlijk veilig.

Waar Van Gunsteren er zeer duidelijk een mening op nahoudt en die ook met verve uitdraagt, stelt Schmid zich anders op. Hij onderzoekt onder meer wat experts op het terrein van terreurbestrijding denken en vinden. Dat levert een heleboel lijsten op met onder meer indicatoren om het succes van maatregelen te meten, negatieve en positieve lessen, en een overzicht van in te zetten middelen (van de wet tot en met slachtofferhulp). “Ik stel vragen, ik geef niet de antwoorden,” vat hij het samen na afloop van zijn lezing, die in elk geval door de ook aanwezige minister van Justitie (Ernst Hirsch Ballin is lid van de KNAW) erg gewaardeerd werd.

Kritiek was er ook. De door Schmid opgestelde top tien van effectiefste maatregelen tegen terrorisme volgens experts, wordt aangevoerd door ‘Inlichtingen’. Uit de zaal kwam, naast commentaar op de samenstelling van de respondentengroep (van de 85 kwamen er 41 uit Amerika, acht uit Israël en zeven uit Engeland), de opmerking: “Die top tien is tot stand gekomen door simpelweg op te tellen hoe vaak iets genoemd werd. Een inlichtingendienst heb je nodig, dat zegt natuurlijk iedereen, maar wat zegt dat verder?” De oververtegenwoordiging van Amerika enzovoort klopt wél met het discours van het moment, waarin zij de boventoon voeren, vindt Schmid, die verder grif toegeeft dat het erg lastig is om terreurbestrijders uit Azië en Afrika mee te laten doen aan dergelijk onderzoek.

Zelf was hij soms wel degelijk verbaasd over de uitkomsten, bijvoorbeeld dat zo weinigen het zoeken naar ‘root causes’, oorzaken die aan de wortel liggen, noemden als maatregel tegen terrorisme. Op de vraag of hij optimistisch is over de mogelijkheden om terrorisme te bestrijden, zegt hij dat het heel erg afhangt van welke afwegingen je maakt. Welke prijs ben je bereid te betalen? Hij noemt de door Israël onderschepte zelfmoordterroristen, waar de muur en andere ellende voor Palestijnen tegenover staat. “Soms is de behandeling erger dan de ziekte,” zegt hij. En: “Terrorisme wint niet door wat het zelf doet, maar door de reacties.” Zoals een incident in Sarajevo uiteindelijk door de Eerste Wereldoorlog tien miljoen doden opleverde, zo is nog niet duidelijk waar de lawine die op 11 september in gang is gezet zal eindigen. Anderzijds is hij weer niet zo somber over de effecten van overheidsmaatregelen: al die beslissingen in het parlement, worden die ook uitgevoerd? De soep wordt vaak niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend.

Hij noemt ook de rol van de media, die zelf zeggen te bieden wat de mensen willen. “Dus een hongerstaker op de voorpagina, maar de tienduizenden die verhongeren in India staan nergens.” Maar hij heeft al ervaren dat hij ‘gevaarlijk’ genoemd werd toen hij rond 1980 begon over richtlijnen voor de pers. Wat het effect is van al dat geweld op tv? Hij vraagt het zich af. Intussen maken ook de terroristen afwegingen, al had Bin Laden volgens hem nooit het succes kunnen voorzien. Met een licht cynisch lachje: “Alle coverage op radio, tv, in kranten van 11 september, als je dat omrekent in advertentieruimte, dat is niet te betalen. Dat heeft hij gratis gekregen door negentien mensen op te offeren, en een half miljoen dollar. Maar goed, het heeft hem Afghanistan gekost, en nog meer.” Afwegingen, ze zijn vaak lastig te maken.

“Straks ben ik de eerste moeder die kan zeggen: ja, vlees komt uit de fabriek”

Een helemaal nieuwe hartklep, gekweekt van je eigen cellen. Vlees dat nooit aan een dier heeft vastgezeten. Het lijkt toekomstmuziek, maar het duurt niet lang meer of weefsels die in het laboratorium of de fabriek hun vorm, functie én training hebben gehad, zullen deel uitmaken van het normale leven. Intussen onderzoekt dr. Carlijn Bouten in haar lab ook wat weefsels aankunnen en hoe ze reageren op schade. Waarom doorliggen vaak niet de schuld van de wijkverpleging is.

Als vanzelf valt binnen een minuut de term science fiction, en ook het monster van Frankenstein dringt zich onherroepelijk op. In het laboratorium van dr. Carlijn Bouten (37) zijn ze namelijk al heel ver gevorderd in het maken van reserveonderdelen voor het menselijk lichaam.

Geen namaak, geen kunststof, maar hartkleppen, huid, spieren, kraakbeen gekweekt van echte mensencellen. Tissue engineering, ‘weefselbouw’ heet deze tak van biotechnologie, die op de Technische Universiteit Eindhoven voor het eerst een laboratorium bracht waar met levend materiaal wordt gewerkt.

Het woord vleesfabriek komt pas tegen het eind van het gesprek langs. En dan is het letterlijk bedoeld: Bouten verleent medewerking aan een ook door Economische Zaken gesteund project van zakenman Willem van Eelen met de industrie dat Vitro Meat, ‘reageerbuisvlees’ heet.

Het is een logisch uitvloeisel van haar onderzoek, al heeft ze er heel serieus over na moeten denken. “Ik ontkom niet aan ethische vragen”, stelt ze vast over al haar werk. “Maar vlees waar geen bio-industrie aan te pas komt, zonder hormonen en gekke-koeienziekte, ik zie er meer voordelen dan nadelen in.” En ze lacht: “Ik heb een zoontje van vijf dat net als zo veel kinderen denkt dat alles wat je eet en drinkt uit de fabriek komt. Het is nog maar net begonnen, maar straks ben ik de eerste moeder die kan zeggen: ja, vlees komt uit de fabriek..”

Een malse biefstuk moeten we ons daar overigens niet bij voorstellen. “We kunnen hier heel mooi spieren maken, en ze ook mechanisch trainen, zodat ze dikker worden, maar voor grote dikke stukken heb je ook doorbloeding nodig”, legt Bouten uit. “Het zal dus geen biefstuk worden, wel smeerworst.”

Roots

Het trainen van spieren is een rode draad in de carrière van Bouten, die verheugd is een van de veertig net geïnstalleerde leden te zijn van De Jonge Akademie, waarin de KNAW onderzoekers bij elkaar wil brengen die over de grenzen van vakken willen kijken en hun sporen in het onderzoek al verdiend hebben, maar die nog lang niet aan hun top zijn. Naar de inspiratie uit andere wetenschapsgebieden ziet Bouten uit, want met dat verschijnsel heeft ze een ruime ervaring.

Dat begon al bij haar studie Bewegingswetenschappen, een interdisciplinair terrein, waar functionele anatomie en inspanningsfysiologie haar hoofdvakken waren. Haar “roots” zegt ze zelf, en daar is ze nu weer bij terug.

“Ik wil weten hoe menselijk weefsel zich houdt en zich gedraagt onder mechanische belasting”, vat ze samen. “Welke belasting veroorzaakt onomkeerbare schade, wanneer is er juist sprake van aanpassing, of van herstel?”  Die vragen komen terug bij alle onderzoekslijnen in het lab waarvan Bouten de eerste versie opzette in 1998.

Neem bijvoorbeeld de inmiddels in een ver ontwikkelingsstadium verkerende levende hartkleppen, waarvoor ze enkele jaren geleden een van de grote VICI-subsidies van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) toegekend kreeg. Er bestaan weliswaar al lang kunstkleppen en kleppen van dieren die een slecht functionerende hartklep kunnen vervangen, maar die hebben belangrijke nadelen. “Wat je zoekt, is een prothese die mee kan groeien”, zegt Bouten, “zodat kinderen niet elke keer opnieuw geopereerd hoeven te worden. En je wilt graag een genetische match, om afstoting en verkalking te voorkomen, dus liefst gebruik je cellen van de patiënt zelf. Normale hartkleppen passen zich ook aan veranderende omstandigheden aan: als de bloeddruk omhooggaat bijvoorbeeld, en ze kunnen herstellen als er schade is.”

Ethische ban

Een nieuwe hartklep uit het laboratorium moet dus zo goed mogelijk aan die eigenschappen voldoen. Maar allereerst moet hij vorm krijgen. Daarvoor wordt een mal gebruikt van afbreekbaar materiaal, dat uiteindelijk in het lichaam helemaal zal verdwijnen.

Voor één enkele hartklep zijn intussen enorme aantallen cellen nodig. Bouten geeft met verve een rondleiding door het lab, de ene ijskast na de volgende incubator opentrekkend. Ontelbare flessen met roze vloeistof. “Cellen met groeifactoren, voeding, en kweekmedium, je moet ze trainen”, zegt ze.

Een probleem is dat de cellen vaak genoeg moeten delen. “Een ‘gewone’, volwassen cel deelt maar een beperkt aantal keer, en vaak niet snel genoeg”, heeft Bouten daarvoor al verteld. “We zullen over moeten stappen op multi-potente cellen, anders ben je vier maanden aan het kweken voor één hartklep. Tegen die tijd is de patiënt al lang dood als je pech hebt. Technisch ontkom ik daarom niet aan stamcellen. Omdat ik zelf twee IVF-kinderen heb, gebruik ik liever geen embryonale cellen. Ik heb er geen bezwaar tegen als bron van onderzoek, maar wel als leverancier.”

“Trouwens, cellen uit een embryo zijn nooit de cellen van de patiënt, en je wilt graag lichaamseigen kleppen maken, bijvoorbeeld met behulp van stamcellen uit het bloed. Maar ik vind die ethische ban op embryonale stamcellen dus wel goed.” 

Maar met genoeg cellen, gekweekt op een mal met de goede vorm ben je er nog niet. “Zo’n hartklep gaat meer dan 100.000 keer per dag open en dicht”, vertelt Bouten, “dus wij trainen ze.” Ze laat wat ze “de Ikea-opstelling” noemt zien. Zoals het Zweedse woonwarenhuis bijvoorbeeld zijn kastdeurtjes test door ze ontelbare keren mechanisch te openen en te sluiten, zo beweegt de proefopstelling in het lab de hartklep met een knijppijp in een continu tempo heen en weer. Het ding kan trouwens in zijn geheel een MRI-scanner in.

Bouten: “Alles wat we maken willen we zien. En wel live en levend. Vital imaging heet dat. Het volgen van allerlei processen in de tijd is een van de grote technische uitdagingen, die ervoor moet zorgen dat we precies kunnen zien wat de gevolgen van onze acties zijn, want er is nog weinig bekend over de reacties van een weefsel op belasting. Bij tissue engineering komt sowieso erg veel trial and error kijken. Ook willen we alles in drie dimensies zien en dus gebruiken we confocale microscopie, zodat we optisch plakjes van ons levende weefsel kunnen maken.”

Zwitserse alm

De vorige generatie hartkleppen zit in de proefdierfase, in schapen om precies te zijn. “Die staan op een alm in Zwitserland”, vertelt Bouten vrolijk. Er wordt dus samengewerkt met een Zwitserse groep. De hartkleppen die nu in de dieren zitten,  zijn nog getraind op de manier die het meest voor de hand lijkt te liggen: door ze eindeloos vaak open en dicht te laten gaan, wat ze immers daarna moeten kunnen. Bouten: “Maar nu laten we de klep zachtjes doorbuigen. Dat blijkt de beste manier te zijn om hem sterk te laten worden. Voor het buitenste laagje is het wel goed als je hem open en dicht laat gaan, maar niet voor het hele weefsel.” Trial and error, ze zei het al.

Spiertjes blijken goed te groeien op een soort klittenband en gaan dan ook samentrekken of ‘kloppen’ als je ze elektrisch prikkelt, hartcellen doen dat vaak vanzelf. “Die bloedvaatjes hier houden we continu op 37 graden”, vervolgt Bouten haar toer. “Die moet je steeds mechanisch stimuleren voor de juiste functie en de juiste structuur. We beginnen de wetmatigheden te pakken te krijgen van heel veel weefsels.”

En dat gebeurt niet alleen in zogenaamde bioreactoren –  kweekreactoren waarin weefsels allerlei prikkels krijgen toegediend – of in de proefdieren, er wordt ook veel met rekenmodellen gewerkt. “Ik heb zelf een experimentele achtergrond, maar met numerieke modellering kun je het aantal echte experimenten beperken, en daarmee versnel je het hele proces weer. Je kunt bijvoorbeeld van te voren met behulp van de computer de gevolgen doorrekenen van een aanname over de reactie van een weefsel op een belasting.”

Rooie plekken

Wat weefsel kan hebben, blijft een van de basisvragen. Antwoorden daarop kunnen van grote betekenis zijn voor mensen met doorligwonden, decubitus. Dat is een belangrijk project. “Als postdoc ben ik begonnen daar op celniveau naar te kijken”, vertelt Bouten, en ze schetst een nogal griezelig beeld van de gevaren van decubitus. “Schade ontstaat heel snel. Weefsel wordt geplet tussen je bot en het matras.We hebben daar een diermodel voor, en als je weefsel lokaal belast, kun je dat na twee uur al zien. Denk maar aan als je rooie plekken hebt op je elleboog, omdat je hebt liggen lezen, dat is al een eerste begin van decubitus. Nog omkeerbaar, een kwestie van gaan verliggen.”

“Stadium twee is dat het pijn gaat doen. Wij kijken overigens naar het spierweefsel, niet naar de huid. Dat raakt beschadigd en sterft vervolgens af, wordt necrotisch, als je niets doet. Dat afsterven gaat in veel gevallen van binnen naar buiten; je ziet het aan het huidoppervlak als het kwaad al is geschied. Het is dus niet alleen ‘als je hier drukt, doet het daar pijn’, maar ook ‘gaat het daar dood’. ”

Dat is kennis die in de operatiezaal direct gevolgen zou moeten hebben.  Bouten: “Operatietafels zijn hard. Als je daar uren stil op ligt, en dat gebeurt bij grote operaties, dan levert dat schade op die pas in een later stadium zichtbaar is. Het gebeurt nu vaak dat de wijkverpleging vervolgens de schuld krijgt van iemands doorligplekken, bijvoorbeeld na een heupoperatie, terwijl het tijdens de operatie al mis is gegaan. Zachte operatietafels zouden veel decubitus voorkomen. Daar wordt ook wel over gesproken, maar voordat zoiets echt doordringt…”

Schampere reactie

“Wat wij hier doen is vroege, diepe schade relateren aan markers. Cellen geven signalen af, roepen als het ware ‘help, ik heb het benauwd’ als de schade nog omkeerbaar is. Als we die markers bij patiënten kunnen meten, kunnen we ook de de preventie van decubitus verbeteren. Om diezelfde reden we ook de etiologie van drukwonden. Daar is nog erg weinig over bekend. Vaak wordt er aangenomen dat decubitus het gevolg is van ischemie, verminderde doorbloeding, maar het is eerder een kwestie van vervorming van het weefsel.”

“Er zijn stoffen waaraan je kunt zien dat belasting voor schade heeft gezorgd. Interleukines zijn bijvoorbeeld markers voor huidschade. Creatinekinase zie je omhoog gaan als spierweefsel kapot gaat. Nou blijkt dat een aantal reacties van bijvoorbeeld de huid op chemische stressoren ook ingezet kunnen worden voor het traceren van vroege decubitus. Je kunt er precies dezelfde markers voor gebruiken.”

Het werken op celniveau is duidelijk gesneden koek voor Carlijn Bouten. Toch mooi voor iemand die daar pas als postdoc in Engeland mee begon, en op een zondagochtend iets heel bijzonders zag onder de microscoop: beweging, een soort hapje uit de cel, het leek wel een hondenbot ofzo. De schampere reactie van het labhoofd, die van een doodnormale celdeling niet opkeek, bracht haar tot het voornemen nooit het enthousiasme van een student of collega  zo de kop in te drukken.

En eigenlijk is ze nog altijd onder de indruk van moeder natuur. “Bij de geboorte van mijn kinderen dacht ik: wat zitten we toch eigenlijk te prutsen in het lab. Als je ziet hoeveel moeite de simpelste dingen ons kosten, en als je dan kijkt naar zo’n kind dat in negen maanden helemaal af is.”

 

Van gebalsemde baby tot zwempak

Dat Peter de Grote bij de Hollanders afkeek hoe je steden en schepen moet bouwen is bekend, maar hij haalde ook een empirische kijk op de wereld uit Nederland. Net als de beste tekenaars om de wetenschappelijke collectie van zijn Kunstkamer vast te leggen. Er zijn duizenden waterverftekeningen bewaard gebleven, en ze worden nu voor het eerst samen uitgebracht.

Het was het allereerste, speciaal voor dit doel gebouwde openbare museum in de wereld: de Kunstkamera van tsaar Peter de Grote, die hoorde bij de ook door hem opgezette Academie van Wetenschappen.

Er zijn nog gravures uit de begintijd, en als je daarop ‘inzoomt’ op de vitrines dan kun je precies de opstelling van delen van de collectie zien. Daar het miniatuurmolentje, wat verderop een gebalsemde baby in een glazen kistje.

Peter de Grote, en na hem de Academie, brachten cultuur en wetenschap uit de hele wereld bij elkaar: antieke munten, planten en dieren uit alle windstreken, bijzondere kledingstukken uit China, anatomische preparaten, wetenschappelijke instrumenten, Franse klompen, Siberische kunstvoorwerpen.

In hedendaagse ogen een intrigerende mengelmoes van een ouderwets natuurlijke historie- annex volkenkundig museum, een antiek- en curiosawinkel en een griezelige kermisattractie.

Een aanzienlijk deel van de voorwerpen is allang verloren of zoekgeraakt, veel zelfs al bij een grote brand in 1747, maar dat wil niet zeggen dat ze ook allemaal helemaal verdwenen zijn. Er is namelijk een gerede kans dat ze voortleven in het ‘Papieren Museum’, op een van de meer dan tweeduizend overgebleven waterverftekeningen die tussen ongeveer 1725 en 1760 van de collectie gemaakt zijn. Die tekeningen worden binnenkort voor het eerst allemaal samen uitgebracht op een DVD, de vrucht van jarenlange Nederlands-Russische samenwerking. Edita, de uitgeverij van de KNAW, brengt hem dit voorjaar op de markt, tegelijk met een Engelstalig boek onder de titel The Paper Museum.

De Russische boekversie is er al. Hij ligt op tafel in de kamer van dr. Debora Meijers, bovenin het Kunsthistorisch Instituut aan de Amsterdamse Herengracht. Zij en drs. Renée Kistemaker, die voor het gesprek van het een paar straten verderop gelegen Amsterdams Historisch Museum naar hier gekomen is, zijn de Nederlandse uitvoerders en drijvende krachten achter de hele onderneming.

Luilekkerland

En een onderneming was het. De opluchting bij beiden dat het nu zo goed als achter de rug is, is duidelijk. “Het was heel veel werk”, zegt Meijers (57), die zich vanuit de kunst- en cultuurhistorie gespecialiseerd heeft in de geschiedenis van verzamelingen en musea en verbonden is aan het Huizinga-instituut. “Ze-ven-honderd bladen met afbeeldingen van munten. Toen we daar aankwamen… dat was geen druppel, maar de emmer die de badkuip liet overlopen. Het is vast het luilekkerland voor elke numismaat, maar ik had eerder associaties met de knopen van fourniturenman van de Albert Cuypmarkt”, lacht ze.

Ze zijn dan ook niet allemaal opgenomen in de boekuitgaven. Kistemaker (59) legt uit: “Het zou onbetaalbaar geworden zijn alle tekeningen in boekvorm af te beelden. Daarom is ervoor gekozen om ze wel allemaal, met de bijbehorende teksten, op te nemen op een DVD. Daar zitten ook zoekfuncties op, en je kunt prachtig de details van de tekeningen zien.”

Het thuisbrengen van de afbeeldingen was een heel karwei. Vooral de wetenschappelijke instrumenten plaatsten Meijers en Kistemaker nogal eens voor raadsels. Veel specialisten hebben hulp geboden bij het maken van de uitgaven.

Wat toen de hele wetenschap was, omvat nu talloze terreinen: van anatomie, zoölogie, botanie, astronomie en geografie tot etnografie, oriëntalistiek, archeologie en numismatiek (muntenleer). Sinds de achttiende eeuw is het differentiëren en specialiseren almaar verder gegaan. Daar ligt ook een van de redenen dat de originelen van de nu bijeengebrachte tekeningen op drie locaties in St-Petersburg liggen: het Archief van de Petersburgse afdeling van de Russische Academie van Wetenschappen, de Hermitage en het Russisch Museum. De tekeningen gingen delen van de collectie achterna.

Balsemkunst

Kistemaker schat dat ze de afgelopen dertien jaar zo’n 25 keer in St-Petersburg geweest is, en ook Meijers was er zeven, acht maal te vinden. In zekere zin is dit project een direct uitvloeisel van de grote, zeer succesvolle ‘Peter de Grote en Holland’-tentoonstelling, die in 1996 opende in het Amsterdams Historisch Museum, waar Kistemaker tussen 1991 en 2001 ‘Hoofd museale zaken’ was, en waaraan ze nog steeds verbonden is. Dat Peter de Grote in 1703 aan de oever van de Neva, op van de Zweden veroverd terrein uit het moeras een stad liet stampen die geïnspireerd was op wat hij in Nederland had gezien – inclusief grachten – is gevoeglijk bekend.

“En iedereen heeft het ook altijd over de scheepvaart, waarover hij alles van de Hollanders leerde”, zegt Kistemaker, “maar de empirische benadering kwam ook hier vandaan, al was Peter de Grote zeker geen kamergeleerde. Maar er bleken ook nog meer banden dan we al wisten te zijn met het Papieren Museum.”

Dat Peter de Grote de basis legde voor zijn Kunstkamer met in Nederland aangeschaft materiaal wist men wel. In 1717 kocht hij de complete collectie preparaten (ruim tweeduizend stuks) van de anatoom Frederick Ruysch, een meester in de balsemkunst, wiens werk onlangs nog in Amsterdam tentoongesteld is.

En een nog grotere verzameling naturalia kwam van de destijds wereldvermaarde Amsterdamse apotheker Albertus Seba, een collectie die ook de inspiratiebron vormde voor het classificatiesysteem van de Zweedse natuuronderzoeker Carolus Linnaeus. Maar ook voor het vastleggen van de collecties, wat hij van belang vond voor het bestuderen van het materiaal, haalde Peter de Grote het beste van het beste uit Nederland, onder wie Dorothea Maria Gsell, de dochter van Maria Sybilla Merian.

Meijers vertelt: “Merian was zelf op expedities geweest, nog op haar zestigste, onder andere naar Suriname, en ze had een enorme productie van tekeningen van planten en vooral insecten. Ze liet daar ook een prachtig boek, met ingekleurde gravures van maken, enfin ze was bekend in heel Europa. De lijfarts van Peter de Grote kocht haar collectie op de dag dat ze stierf. En Peter de Grote nam haar dochter in dienst met de opdracht om alle spullen te gaan tekenen.”

Kistemaker vult aan: “Er was indertijd geen enkele traditie om naar het leven te tekenen in Rusland. Er was geen atelierpraktijk, geen kunstacademie, niets. Je kunt zeggen dat dat voor een belangrijk deel geïntroduceerd is via het vastleggen van de wetenschappelijke collectie van de Kunstkamer. Er gingen overigens ook Russen in Nederland in de leer. Voor de Academie van Wetenschappen werden ook veel Duitsers aangetrokken, en die denken dat ze daar aan de wieg gestaan hebben, maar de Nederlandse bijdragen zijn ook heel groot.”

Jammer genoeg is maar van zo’n vijf procent van de tekeningen bekend wie ze maakte. Dat er nog geleerd moest worden, kun je ook duidelijk zien. Sommige tekeningen zijn knullig, onbeholpen, maar andere zijn ware meesterwerkjes.

De waterverfschilderingen van klompen en kleren doen soms sterk denken aan Jopie Huisman, de Workumse voddenkoopman die zulke realistische schilderijen van zijn handel maakte, de planten zijn zeer gedetailleerde stilleventjes die in geen enkel leerboek zouden misstaan, en ook het naschilderen van een scheepje uit kruidnagels is met grote precisie gebeurd.

Nu het boek en de DVD bijna af zijn, lukt het Renée Kistemaker en Debora Meijers weer steeds beter om de charme en de rijkdom van het Papieren Museum te zien, en over wat ze zelf de mooiste tekening vinden, hoeven ze alletwee niet lang na te denken. “De schoen met de plateauzool. Waarschijnlijk Zuid-Amerikaans, en zo te zien is het ingebrand leer. Die komt ook voor op het boek te staan”, zegt Meijers meteen.

“De Chinese donkerblauwe jas. Mooie stof, prachtig getekend”, zegt Kistemaker, “maar de grootste verrassing was het zwempak. Het komt uit de collectie van Seba, en de tekening was al te zien bij de ‘Peter de Grote en Holland’-tentoonstelling. Daar werd het nog een ‘achttiende eeuws vest’ of zoiets genoemd, maar de beschrijving in de achttiende eeuwse catalogus noemt het een kledingstuk ‘ad natandum’, om te zwemmen, dat bovenin gevuld was met kurk.”

Puzzelwerk

Die Latijnstalige contemporaine catalogus is een goudmijn voor het noodzakelijke puzzelwerk, en een belangrijke bron voor de begeleidende teksten bij alle tekeningen van het Paper Museum, waar vooral Bert van de Roemer, die toevallig halverwege het gesprek ook even komt binnenlopen, veel tijd en energie in gestoken heeft.

Uit de catalogus valt op te maken wat de volgorde van de oorspronkelijke opstelling was, maar het geeft ook een beeld van de verdwenen tekeningen. Meijers: “Er waren 58 dozen. Het meeste dat er nu is, zit overigens nog in de oorspronkelijke dozen, wat heel bijzonder is. Er zijn er negentien van over, en ze zien er uit als grote boeken, omkleed met leer. Gebaseerd op wat daar gemiddeld in gaat, schatten we dat er tussen de vier- en vijfduizend tekeningen geweest zijn. En het kan heel goed dat een deel ervan nog opduikt.”

“Alle vlinders zijn bijvoorbeeld weg, en er is een goede kans dat die met de collectie een keer naar elders verhuisd zijn. En de mineralen, en de cameeën en andere gesneden stenen. Het is bekend dat Catharina de Grote daar dol op was. Misschien dat er nog tekeningen liggen in de archieven van de Hermitage.”

Cameeën

Dat Catherina de Grote bij de oprichting van het Hermitage Museum een paar fraaie collecties, waaronder die cameeën, uit de Kunstkamer haalde, laat nog eens zien hoeveel invloed Nederland op de ontwikkeling van kunst en wetenschap in Rusland gehad heeft. Alle gebouwen liggen ook vlak bij elkaar, en alles werd ongeveer tegelijkertijd opgericht. De tekenwerkplaats was in de Academie van Wetenschappen, en de drukkerij werd ook voor wetenschappelijke publicaties gebruikt.

“We zien deze uitgave als een corpus, dat anderen voor verder onderzoek kunnen gebruiken”, zegt Kistemaker, die heel blij is dat NWO het project gesteund heeft, onder andere door de salarissen van de Russen aan te vullen, en de foto’s van de tekeningen te betalen. Meijers: “Maar zonder het Amsterdams Historisch Museum, ook als financieel onderkomen, hadden we het ook niet kunnen doen.”

“De vroeg-moderne verzamelgeschiedenis is een onderwerp waar wij ons al sinds eind van de jaren tachtig mee bezighouden”, zegt Kistemaker. “De bekende tentoonstelling ‘De Wereld binnen Handbereik’ was daar het eerste resultaat van in 1992. Sindsdien heeft ons museum daar internationale bekendheid mee gekregen, en daarom hebben wij dit project gedaan.”

Meijers: “Het materiaal moet je ook in een internationale context interpreteren. Alle hoven presenteerden indertijd in beeld de werken die ze bezaten. Als de drukkers even niets te doen hadden dan werden ze aan het werk gezet, en dan was het eindproduct een rijkgeïllustreerde catalogus die naar een bevriend hof ging. Een voorbeeld is die aan het Deense hof, maar die heeft een stuk minder mooie illustraties. Ook de Franse Lodewijk de Veertiende had niet zo’n prachtig bestand. Nergens is er iets dat lijkt op het Papieren Museum, niets ook dat zo goed gedocumenteerd is. De catalogus was een soort bezoekersgids.”

“Het was een compleet schaduwmuseum”, zegt Kistemaker. Zes jaar heeft het project al met al geduurd. De samenwerking met de Russen is een verhaal apart. Meijers denkt nog wel eens terug aan de uren die de officials haar lieten wachten, terwijl ze eigenlijk zo graag in het archief had gewerkt.

Kistemaker zag met genoegen dat er inderdaad telkens als ze daar waren zoiets als een team ontstond, dat volgens een strak format de beschrijvingen van de tekeningen maakte – en zich onderling verstaanbaar maakte met Engels, Frans, Duits, Italiaans. “Samenwerken is niet normaal in Rusland”, zegt ze. “De hiërarchie is sterk, maar er was een grote openheid om samen iets te doen, en een groot enthousiasme voor het onderwerp.”

The Paper Museum of the Academy of Sciences in St. Petersburg c. 1725-1760, Introduction and Interpretation, Renée E. Kistemaker, Natalya P. Kopaneva, Debora J. Meijers and Georgy L.Vilinbakhov (eds.). ISBN 90-6984-426-5 book/DVD, € 69,-

Noot: hier de pdf-versie van het stuk, met plaatjes.

“Taal is geen logica”

Hoe wordt er gepraat in Nederland en Vlaanderen? Mensen uit 267 plaatsen en plaatsjes vertelden het aan onderzoekers en hun hulpinterviewers. Sjef Barbiers van het Meertens Instituut leidde de zaak. Deel een van een atlas die de rijkdom aan variatie in zinsbouw van de Nederlandse dialecten laat zien, is klaar. ‘Dat kunnen we niet zeggen nie’.

Eigenlijk wijkt dr. Sjef Barbiers in alles af van de klassieke dialectoloog. Om te beginnen spreekt hij zelf geen enkel dialect. “Ik ken dus dat speciale gevoel niet”, zegt hij.

Ook houdt hij zich niet bezig met vragen als waar spreken ze huis uit als hoes, huus, of hois? Of in welke delen van Nederland en Vlaanderen heet een vaatdoek een (variant op) schotelslet? En loopt er een duidelijk grens tussen de gebieden waar ze stekskes en waar ze zwiemele zeggen tegen lucifers?

Toch heeft Barbiers (45) het volgens de Europese wetenschapsorganisatie ESF in zich een wereldleider te worden op het gebied van dialectonderzoek. De komende vijf jaar mag hij daarom aan onderzoek één en een kwart miljoen euro uitgeven, het bedrag dat verbonden is aan de European Young Investigators Award die hij eerder dit jaar won. Dat gaat naar een tot voor kort wat stiefmoederlijk behandeld onderdeel van het dialectonderzoek: de vraag in hoeverre dialecten onderling verschillen in de manier waarop ze zinnen bouwen.

Dat is namelijk Barbiers’ vak: syntaxis. De afgelopen vier jaar gaf hij leiding aan het maken van een overzicht van de zinsbouwvariatie in Nederlandse dialecten. Deel een van de  atlas waar dat allemaal in staat, is vrijwel klaar, net als de website-versie. Het prijzengeld is bedoeld voor een Europees vervolg .

Champions League

Op zijn kamer op het Meertens Instituut, het KNAW-instituut voor onderzoek en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur, vertelt Barbiers met een mengeling van trots en lacherigheid over het winnen van de prijs.

“Het was net de Champions League”, zegt hij. “Want het is een open competitie, waarbij eerst zestien landen geld in een pot stoppen, en dan kunnen ze allemaal aanvragen indienen – met het risico dat alleen projecten uit andere landen winnen. Het gaat getrapt, dus er vallen er steeds meer af. De eerste selectie was bij NWO, die stuurde er dertien door. De strijd ging vervolgens tussen130 aanvragen, een aantal dat op Europees niveau gehalveerd werd, en zo verder. Op een gegeven  moment was het zover dat ik naar Brussel moest om mijn project in dertig minuten te verdedigen. Heel spannend.”

Hij werd dus een van de 25 winnaars. “Ik vind het vooral een grote opsteker dat de concurrentie met de harde bèta’s gelukt is”, zegt hij. “Bijna alles is daarheen gegaan. Uiteindelijk kwamen er twee winnaars uit de sociale wetenschappen, en alleen mijn aanvraag kwam uit de geesteswetenschappen.”

Zo veel systeem

Barbiers heeft Nederlands gestudeerd, en vanaf zijn tweede jaar deed hij eigenlijk niets anders dan theoretische taalkunde. “Er ging een wereld voor me open”, vertelt hij. “Ik dacht: ik spreek deze taal nou zo’n twintig jaar, en het is me nooit opgevallen dat er zo veel systeem achter zit. De eerste keer dat je bijvoorbeeld ziet hoe het ongeveer werkt met de mogelijkheden om ‘hem’ en ‘zichzelf’ te gebruiken. En wat er juist niet kan.”

Systeem zit er in alle talen, inclusief de dialecten, die puur taalkundig bekeken niet anders zijn dan standaardtalen. Een veel herhaalde definitie blijft: een taal is een dialect met een leger en een vloot.

Maar de systematiek springt niet meteen in het oog. En traditionele zinsontleding geeft maar een heel beperkt beeld van de bouwmechanismen van taal. “Van je woordenschat ben je je tamelijk bewust”, zegt Barbiers, “van je grammatica niet.”

Toen dialectologen in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw serieus werk maakten van het verzamelen van allerlei gegevens, had eigenlijk bijna niemand zelfs maar door dat zinsbouw een interessant onderzoeksonderwerp was. Meestal bleef het terrein dus beperkt tot klanken en woorden.

Maar onder meer door de atlas, beter bekend als het SAND-project (waarbij SAND staat voor ‘Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten’, het Meertens Instituut werkte eraan samen met de universiteiten van Gent, Antwerpen, Leiden en Amsterdam, en met de Fryske Akademy) is de inhaalslag van de syntaxis in volle gang.

Barbiers legt uit dat dat niet zo gek is. “Inmiddels hebben we een onderzoekstraditie van zo’n vijftig jaar”, zegt hij, refererend aan het moment waarop de Amerikaanse taalonderzoeker Noam Chomsky zijn inzichten begon te publiceren.

“Als het om syntaxis gaat, wordt het vrij snel knap ingewikkeld. Je werkt met formaliseringen en het kost moeite die te volgen. Al denk ik zelf trouwens dat dingen pas echt leuk zijn als je er moeite voor moet doen. In de atlas gebruiken we wel de resultaten uit de theoretische taalkunde, maar we hebben geprobeerd de algemene inleidingen in de verschijnselen ook toegankelijk te maken voor wie niet in syntaxis gespecialiseerd is.”

Bespottelijk

Soms is het wel wennen waar syntaxis over gaat. Barbiers lacht: “Ik herinner me dat ik het bespottelijk vond toen ik hoorde dat iemand een heel proefschrift had geschreven over alleen maar het woordje ‘er’. Die iemand was Hans Bennis, de huidige baas van het Meertens Instituut. Maar toen ik het gelezen had, begreep ik dat er nog veel meer over te zeggen viel.”

“Het gaat om vragen als: in wat voor zinnen móet er ‘er’ staan, wanneer kán het, in welke omgeving wel, in welke niet. Dat is gecompliceerd, het is ook een van de dingen die tweede-taalleerders bijna niet onder de knie krijgen.” Zelf zou hij later in zijn proefschrift een heel hoofdstuk aan alleen maar het woordje ‘pas’ wijden.

Bij de dialecten gaat het vaak ook om op het oog kleine dingetjes. Neem de verdubbelingen: dubbele ontkenningen (dat kunnen we niet zeggen nie), dubbele voegwoorden (‘of dat’), dubbele vraagwoorden (‘wie denk je wie ik gezien heb’), dubbele onderwerpen (het typisch Vlaamse ‘’k ik’, dat anders dan vaak gedacht zeker geen stotteren is), de Nederlandse dialecten zitten er vol mee.

Barbiers: “Dat is onverwacht als je ervan uitgaat dat de functie van zinsbouw is om de betekenis van losse woorden te combineren tot een complexe betekenis. Maar die verdubbelingen dragen niets bij aan de betekenis. Daarmee vormen ze een unieke manier om naar ‘pure syntaxis’ te kijken. Het laat zien dat zinsbouwprincipes ingewikkelder zijn dan ze op het eerste gezicht misschien lijken. Kennelijk zijn die verdubbelingen die geen betekenis toevoegen soms toch nodig.”

Voorspellingen

Nodig binnen het systeem, waarop dialecten een extra licht kunnen werpen. Zo zegt Barbiers het onderwerp waarop hij afstudeerde (hij probeerde te verklaren waarom een zin als ‘over boeken gesproken, ik heb een leuk gelezen’ niet goed klinkt, terwijl ‘over films gesproken, ik heb een leuke gezien’ dat wel doet) beter te begrijpen nu hij gezien heeft hoe het in dialecten ‘werkt’. Hij legt uit: “Als je nauw verwante dialecten onderzoekt, hou je vanzelf een groot deel van de eigenschappen constant. Net als bij experimenten in andere wetenschappen. Je kunt dan zien welke eigenschappen meeveranderen als je één eigenschap verandert.”

“En op die manier kun je ook voorspellingen doen. Net zo goed als voorspeld kan worden dat er een atoom met een bepaald nummer moet zijn voordat iemand het ooit gezien of aangetoond heeft. Een goed voorbeeld zijn die zinnen waarin het vraagwoord verdubbeld wordt, ‘wat denk je wie…’ en dergelijke. Dat die bestaan is iets dat de theorie voorspelde.”

Het feit dat alle Nederlandse dialecten, en trouwens ook de meeste andere talen, dubbele ontkenningen gebruiken doet hem vermoeden dat het een artefact is dat je in het Standaardnederlands bijvoorbeeld niet ‘nooit niet’ mag zeggen. Barbiers: “Je kunt het ook bijna afdwingen. Als je iemand een zin laat afmaken als: ‘Ik ga niet opzij, voor jou niet, en voor niemand…’ dan komt daar bijna altijd nog een ‘niet’ achteraan dan. Het is de normatieve taalkunde die zegt dat dubbele ontkenningen niet logisch zijn, maar taal is geen logica.”

Muurvast

Zoals wel vaker blijkt uit de verzamelde gegevens. Barbiers: “In het Nederlands bestaat een tamelijk wilde zinsbouw, maar de plaats van het werkwoord in bijzinnen ligt muurvast. We hebben het dialect van 267 plaatsen en plaatsjes onderzocht, en in alle 267 is ‘dat Jan leest het boek’ onmogelijk, terwijl het in het Engels prima is.”

Barbiers’ kamer ligt bezaaid met kaarten van het hele Nederlandstalige gebied. De grote doen denken aan de ouderwetse schoolkaarten waarmee je geografische kennis getest werd, alleen zouden scholieren hier wel een heel harde dobber aan hebben: 267 stippen en stipjes zonder plaatsnaam is een hoop.

Maar Gronsveld, Merckegem, Rijckholt, Sint-Truiden, Vaals, voor Barbiers zijn het vertrouwde klanken geworden, en hij weet inmiddels meestal ook precies waar die plaatsjes liggen. “Dat aantal van 267 is ingegeven door praktische overwegingen, zoals geld”, vertelt hij.

Het is in elk geval zeker voldoende om patronen zichtbaar te maken. Neem de kaart waarin verwerkt is welk wederkerend voornaamwoord mensen gebruiken, met andere woorden, wat ze antwoordden op de vraag hoe ze in hun dialect ‘Eduard kent zichzelf goed’ zouden vertalen. Het oosten zegt ook ‘zichzelf’, maar in Friesland en omstreken is het ‘hemzelf’, terwijl in het midden van het taalgebied, in Brabant, Zeeland en Utrecht ‘z’n eigen’ de gebruikelijke vorm is. De berg data overziend is het volgens Barbiers vooral opmerkelijk dat er zoveel syntactische variatie is, nog bestaat. “De informanten waren van de generatie 55 tot 70”,  vertelt hij.  “Veel van begin twintigste eeuw blijkt nog hetzelfde te zijn.”

Hoort u dit?

De organisatie van een groot project als SAND is een enorme klus. Methoden en technieken luisteren bij dit soort onderzoek nauw. Barbiers legt uit: “We hebben consequent gewerkt met hulpinterviewers die zelf dialectsprekers waren. Die kregen dan een ochtend instructies en spraken voorbeeldzinnen in. Niet de onderzoeker, maar zij zeiden voor en stelden de vragen tijdens de interviews. Als je mensen in het Standaardnederlands aanspreekt, is de kans groot dat ze hun eigen taalgebruik aanpassen.”

Nog een truc was om niet te vragen of iets goed of fout was in een bepaald dialect. “We zeiden: komt dit voor? Hoort u dit? Soms krijg je dan trouwens ook antwoorden als: nee, hier zeggen we dat niet, maar een dorp verder hoor je het voortdurend. Bij weer andere dingen konden mensen op een schaal van een tot vijf aangeven hoe normaal iets was.”

Natuurlijk is alles ook digitaal verwerkt. En dat geeft indrukwekkende mogelijkheden waar veel onderzoekers, maar waarschijnlijk ook veel dialectliefhebbers hun vingers bij af zullen likken. De digitale SAND komt binnenkort online (www.meertens.knaw.nl/sand/zoeken), maar Barbiers laat vast het een en ander zien.

Zoeken kan uiteraard op allerlei manieren. Zo kun je bijvoorbeeld met de code C+PRON vragen om alle zinnen met een voegwoord gevolgd door een voornaamwoord. Dan kom je er onder meer achter dat ze in Kerkrade zeggen: ‘Wentver slecht leve, levever niet gelukkig’ (als we slecht leven, leven we niet gelukkig).

Maar zo’n zin is niet alleen uitgeschreven en van taalkundige ‘labels’ voorzien, je kunt ook de context in beeld krijgen (werd er gevraagd om een vertaling, zei iemand het na?) én het oorspronkelijke geluidsfragment horen.

Nog meer kaarten

Dat laatste is uiteraard uitgesloten op papier. “We zeiden vier jaar geleden meteen dat er een digitale versie moest komen”, zegt Barbiers, “maar er was ook de wens er een boek van te maken. Deel een dat nu klaar is, bevat 146 kaarten. Het is een Engels/Nederlands boek, met inleidingen en zo’n 140 pagina’s toelichtingen bij de kaarten. De database heeft de mogelijkheid zelf kaarten te maken, die dan weer toegevoegd worden. Het is een onderzoeksinstrument dat in de loop van de tijd groeit.”

Straks komen nog veel meer kaarten uit de rest van Europa bij, als de SAND voor Europa gemaakt wordt. “Die komt alleen een digitale versie van, met de gegevens van verschillende onderzoeksgroepen”, zegt Barbiers. “Het leuke is ook dat het dikwijls een continuüm is, een dialect houdt niet per se op bij de grens. Het kan gebeuren dat Noord-Limburgers Brabanders tien kilometer verderop niet begrijpen, maar tot ver in Duitsland alles verstaan. Het uiteindelijke doel van dit werk is het inzicht in het taalsysteem vergroten, en daarmee geef je tegelijk een empirische basis aan de intuïties die maken dat je zegt: ‘oh, die komt daarvandaan, dat hoor ik zó’.”

 

Prof. Simon Levin: Patronen begrijpen

Grote grasmaaiers? Een of andere fabrieksmachine? De herrie op het terrein van de Princeton universiteit die zich in de Amerikaanse staat New Jersey bevindt – ongeveer halverwege tussen New York en Philadelphia – dringt zich onmiddellijk op.

Maar bij even beter luisteren blijkt het toch geen mechanisch geluid. Het zijn krekels, overweldigende hoeveelheden krekels. De weg langs gloednieuwe en eeuwenoude gebouwen en laboratoria die van de parkeerplaats voert naar Eno Hall waar prof. Simon Levin werkt, ligt bezaaid met krekellijkjes. De bomen hebben nauwelijks genoeg takken om de beestjes op kwijt te kunnen, het is een spectaculair schouwspel.

roofvijand

“Heb je het gezien?” vraagt Levin (63) dan ook meteen. “Het zijn drie soorten. Elke zeventien of dertien jaar – dat weet ik even niet, het is in elk geval een priemgetal – komen ze tegelijkertijd uit. Ze leven onder de grond, daar gaan ze door een aantal stadia, en vervolgens komen ze boven. Allemaal binnen een paar dagen na elkaar. En na een paar weken zijn ze weer weg.”

Levin haast zich eraan toe te voegen dat hij niet echt veel van de krekels in kwestie afweet, maar het fenomeen boeit hem en er zijn zeer duidelijke raakvlakken met zijn onderzoek: Levin is een mathematicus die zijn wiskundige kennis al ruim veertig  jaar consequent inzet om meer te begrijpen van biologische en ecologische patronen en ontwikkelingen.

Wat die vermogen blijft hem verbazen. “Als je ziet wat de evolutie voor complexe aanpassingen heeft opgeleverd!”, zegt hij. “Dat wij uit een ongedifferentieerde cel groeien. En neem die krekels, waarover de hypothese luidt dat ze alle regelmatigheden doorbreken, nooit in de cyclus van iets anders passen. Dat beschermt ze, samen met hun overweldigende aantallen, geen roofvijand die het van ze kan winnen. Of die aanname klopt weet ik niet. Maar hoe tellen ze? Hoe weten ze dat ze naar buiten moeten komen? Hoe kunnen ze dat tegelijkertijd doen? Het heeft waarschijnlijk iets te maken met temperatuur, en ze communiceren op de een of andere manier met elkaar.”

Je zou kunnen zeggen dat de krekels proberen te vallen buiten het ecosysteem waar ze toch deel van uitmaken. Ze vormen een aardige illustratie van de ongrijpbaarheid van dat begrip. Desgevraagd geeft Levin keurig nog even de standaarddefinitie: “Een ecosysteem is een gezamenlijke groep organismen en hun wisselwerkingen met de omgeving.”

Maar inzichtgevender is het als hij ecosystemen afzet tegen organismen. “Als je bijvoorbeeld van de ene kant van dit land naar de andere rijdt, dan zie je voortdurend veranderingen. Soorten vallen weg, andere komen erbij, het is een continuüm. Ecosystemen zijn geen goed gedefinieerde dingen. Anders dan organismen hebben ze vaak geen grenzen. Kijk je naar een organisme, zoals jij en ik, dan zie je iets dat door de evolutie als eenheid geselecteerd is. Gaat er onderweg in onze ontwikkeling iets fout, dan volgt er een miskraam. Voor een ecosysteem gaat dat niet op. Dat gaat altijd maar door, en soms is er een verandering, maar zelfs als bijvoorbeeld een relatief rijk gebied een woestijn wordt of veel vervuilder raakt, dan nog gaat het door.”

schizofrenie

“Bij ecosystemen gaat het om macroscopische eigenschappen. De karakteristieke patronen die je ziet, zoals de relatieve dichtheid van soorten en de voedselketen, zijn allemaal cruciaal voor het voortbestaan van een bepaald ecosysteem, maar ze zijn niet geselecteerd door de evolutie. Ze zijn een gevolg van de dingen die op individueel niveau spelen.”

Macroscopische eigenschappen, patronen die vanzelf voortkomen uit wat er op een andere schaal speelt. Hoe de ene schaal de andere beïnvloedt, en dát dat voortdurend gebeurt. Dat is de kern van wat breed gezien wordt als Levins belangrijkste bijdrage aan de ecologie. ‘The problem of Pattern and Scale in Ecology’ heette zijn in 1992 verschenen artikel, dat het meest geciteerde van dat decennium uit het hele vak zou worden.

Maar hoe werd het zijn vak? Hoe komt een wiskundige in de ecologie terecht? Levin vertelt: “Net als iedereen die jong is, ging ik doen wat ik leuk vond, wat me gemakkelijk afging. Maar ik besloot al vroeg dat ik geen pure wiskundige wilde zijn, dat ik dan te afgesloten van de echte wereld zou raken. Ik dacht dat de grootste toepassingsmogelijkheden in de biologie zouden liggen, en dat vond ik ook fascinerend. Dus ik begon over biologie te lezen, raakte geïnteresseerd in fysiologie. Mijn eerste biologische paper ging over het transport van natrium door de membramen van rode bloedcellen.”

“Toen ik halverwege de jaren zestig op de Cornell University in Itaca terechtkwam, was ik om twee redenen in ecologische problemen geïnteresseerd, en die dualiteit, die schizofrenie, bestaat nog steeds. Enerzijds is er het intellectuele perspectief. Ik kan volkomen tevreden zijn als ik zit te werken aan de details van een intrigerende evolutionaire puzzel. Die kun je puur als een wiskundig vraagstuk zien, en wat de wiskunde me gegeven heeft, is het vermogen om dingen strikt analytisch te begrijpen. Zoek de regels.”

“Maar daarnaast zag ik veertig jaar geleden de milieucrisis al. Het beroemde Silent Spring van Rachel Carson was al verschenen, er zaten pesticiden in het milieu, en er waren al verschillende collega’s, onder wie Paul Ehrlich, met wie ik tegenwoordig samenwerk aan het bevolkingsvraagstuk.”

 Van Ehrlich, die overigens in 1998 de Heinekenprijs voor Milieuwetenschap ontving, zou in 1968 The Population Bomb verschijnen, dat weer zou dienen als inspiratiebron voor het invloedrijke rapport van de Club van Rome. Het waren de jaren dat voor het eerst op ruime schaal het inzicht doordrong dat de invloed van mensen op de aarde wel eens funest zou kunnen zijn.

“Maar ecologie was nog helemaal geen vak”, zegt Levin. “Er was nog zo weinig te lezen, dat je iedere keer als er iets uitkwam daar meteen enthousiast aan begon. En nu is er zo veel materiaal… “ Hij maakt een gebaar naar de vele planken met boeken in zijn werkkamer, waaronder alle delen van de in 2001 verschenen, maar liefst 4800 pagina’s tellende Encyclopedia of biodiversity waarover hij de hoofdredactie voerde.

egocentrische agenda

Binnen een paar jaar maakte Levin de volledige overstap naar het piepjonge vakgebied, en al snel stond hij op Cornell (in de staat New York) aan het hoofd van de afdeling ecologie. In 1977 werd hij hoogleraar toegepaste wiskunde en ecologie, wat hij tot zijn vertrek in 1992 naar het prestigieuze Princeton bleef.

“Dertig jaar heb ik me voornamelijk met ecologie beziggehouden”, vliegt Levin door de tijd, “maar de laatste tien jaar ben ik bijzonder geïnteresseerd geraakt in de wisselwerking tussen ecologie en sociale systemen, de rol van menselijk gedrag.”

Die ontwikkeling is ook terug te vinden in het boek dat Levin in 1999 schreef over zijn werk en zijn ideeën, en dat heel toegankelijk voor leken is. Het heet Fragile Dominion, wat zowel ‘kwetsbaar grondgebied’ betekent,  als ‘kwetsbare heerschappij’.

Het is erg breed van opzet, en voert bijvoorbeeld langs de verspreiding van ziektes,  de ‘vorm’ die een kudde wildebeesten aanneemt, het gedrag van mensen op feestjes, de klimaatzones in de wereld, en het nut van biodiversiteit binnenin en tussen soorten. Steeds gaat het om patronen, om de manier waarop de natuur zichzelf organiseert.

Maar Levin wil alle patronen die hij doorziet en berekent ook per se begrijpen. “Anders zou er niet veel aan zijn”, lacht hij. Waar komen ze vandaan, hoe ontstaan ze, en waarom doen wij mensen wat we doen? “De wereldwijde milieuproblemen zijn niet het gevolg van het feit dat mensen graag vervuiling willen veroorzaken”, legt Levin uit. “Die problemen zijn er omdat mensen het niet zien, of niet het idee hebben dat hun individuele keuzes veel uitmaken. Ik wil graag het verband snappen tussen individuele beslissingen en collectieve of sociologische patronen.”

“In de hele ecologie ontstaan allerlei patronen doordat individuen hun eigen, egocentrische agenda hebben. Hoe dat werkt, kun je vaak nog beter begrijpen aan de hand van een niet-ecologisch voorbeeld. Neem de aandelenmarkt. Daar zijn studies naar geweest waaruit blijkt dat grote aantallen mensen die aandelen kopen er helemaal geen verstand van hebben. En toch zijn de collectieve beslissingen vaak beter dan die van een expert.”

Als je een patroon wil breken of veranderen, moet je dus de individuen bewerken. Het individu dat tegen Levin zegt ‘ja maar, als ik in mijn eentje ophou met overconsumeren en anderszins het milieu belasten dan maakt dat voor het geheel niet uit’ krijgt als antwoord: “Ik ben gisteren gaan stemmen. En ik denk niet dat mijn stem enig verschil zal maken voor de uitslag. Maar als iedereen het daarom niet zou doen…Voor stemmen is er een bepaalde sociale norm. We zijn erop geconditioneerd dat het onze verantwoordelijkheid is. De norm is niet heel sterk, want veel mensen gaan inderdaad niet stemmen, maar een aantal daarvan voelt zich daar echt schuldig over.”

warm gevoel

Dus is Levin ook geïnteresseerd in de manier waarop sociale normen tot stand komen. Wat wordt als een gemeenschappelijk goed gezien? “Economen hebben al op verschillende manieren geprobeerd om de waarde van natuurlijke systemen over te brengen”, vertelt hij. “Het blijkt heel lastig. De gewone economische wetten werken niet, omdat die dingen er niet in verdisconteerd zijn. Maar vraag je bijvoorbeeld hoeveel iemand over heeft voor, laten we zeggen, het redden van een of ander vervuild meer. Dan zegt zo iemand bijvoorbeeld: tweehonderd euro. En wat blijkt vervolgens: als je daarna vraagt hoeveel hij over heeft voor het redden van tien vervuilde meren, dan komt hij met hetzelfde bedrag. Dan is het te ver weg. Het ‘warme gevoel’ is dan verdwenen.”

Het is dat soort kennis dat je misschien zou kunnen gebruiken om individuen aan te zetten tot ander gedrag, om aldus een ander patroon op te wekken. Maar Levin ziet scherp dat er nogal wat haken en ogen zitten aan de wereld willen veranderen.

“Er zit arrogantie in”, zegt hij, “jij beslist wat de uitkomst moet wezen, en dan ga je proberen gedrag te manipuleren. Dat doen we natuurlijk voortdurend, maar het is wel essentieel om over de ethiek ervan na te denken. Dat levert interessante puzzels op. Jullie in Nederland, wij in de VS zijn bijvoorbeeld duidelijk beter af dan veel andere landen. Wij hebben tv’s, grote auto’s, zij niet. Hebben wij dan de verantwoordelijkheid om naar Bangladesh te gaan en ze daar te vertellen over al die dingen waarvan ze niet wisten dat ze ze nodig hadden? Dat is echt een diep ethisch probleem. Is het eerlijk dat wij die dingen hebben? Aan de andere kant: zijn wij gelukkiger dan zij? Moeten we bijvoorbeeld de voordelen van reclame gaan verspreiden? Adverteren is erop gemaakt om je het gevoel te geven dat je iets mist. Als we vraag naar energie creëren in andere landen maken we de problemen erger.”

‘overvloedig’

Het zijn bekende dilemma’s. Wij lijden aan de ziekte ‘affluenza’, waarin het woord voor ‘overvloedig’ (de affluent society is de welvaartsmaatschappij) en ‘influenza’ samengesmolten zijn. Wat onze drijfveren zijn om te consumeren, wil Levin dus ook graag begrijpen. En hoe groepen zich vormen, hoe stammentwisten de sociale normen creëren die het acceptabel maken dat de een meer heeft dan de ander. Hoe coöperatief gedrag tot stand komt. Hoe we risico’s afwegen, en kosten en baten.

Maar is het allemaal niet erg veel, een onderzoeksprogramma dat de hele wereld lijkt te omvatten? En dan ook nog die wereld willen veranderen? Is dat geen hopeloze zaak? “Ik moet er van uitgaan dat het dat niet is”, zegt Levin. “Het zijn geen optimistische tijden, maar ik denk dat je in elk geval kleine veranderingen kunt bewerkstelligen. En je moet zien kruiwagens te vinden. Om de regering heen werken, en samenwerken met mensen die op een invloedrijke positie zitten en net zo denken als jij.”

En als het om onderzoek gaat, moet je je richten op zaken waar je inderdaad onderzoek naar kunt doen. Levin maakt graag onderscheid tussen dingen die je weet, dingen die je nóg niet weet, en dingen die je niet kunt weten. Wat is bijvoorbeeld onmogelijk? “Chaos is zo’n onderwerp. Een model dat het weer kan voorspellen. Als je kijkt naar ecosystemen dan kun je nooit van tevoren zeggen: over dertig jaar zal er precies op deze plek in het bos dit en dit gebeurd zijn. Maar doe je een stap terug, dan zijn er wel statische eigenschappen waarmee je kunt werken. Klimaatverandering is een onderwerp waar kennis binnen bereik begint te komen.” 

En kennis kan ook ingezet worden, soms op onverwachte gebieden. Levin wil er niet veel over zeggen, maar hij adviseert over bioterrorisme,  en doet dat onder meer aan de hand van wat er bekend is over de verspreidingspatronen van ziekten als SARS.

Levin: “Grote voorraden vaccins aanleggen heeft geen zin. Als ik een terrorist was zou ik komen met iets waar geen voorraad van is. Onze cultuur zou moeten leren van ons immuunsysteem. Dat is er op gemaakt met onverwachte binnendringers om te gaan, past zich aan. Ik denk dat het mogelijk is een flexibel, adaptief immuunsysteem voor de maatschappij maken, met bewaking en opsporing.” Ziektes ziet hij trouwens als een werkelijk gevaar dat de wereld bedreigt, niet alleen omdat er nieuwe opduiken die zich nu veel sneller kunnen verspreiden dan vroeger, maar ook omdat de oude door de toegenomen resistentie tegen antibiotica slechter te bestrijden zijn.

conflicten

En het grootste gevaar? “Eerlijk gezegd: conflicten”, zegt Levin. “Dat is geen ecologisch vraagstuk. Hoewel er vaak wel ecologische en milieu-issues achter zitten, zoals bevolkingsgroei en strijd om hulpbronnen.” 

De boodschap die deze Heinekenprijslaureaat, die overigens verguld is met de prijs, voor de wereld heeft, komt hier op neer: met de ecologie gaat het uitstekend. Een bloeiend veld. Maar degenen die oplossingen verwachten van de wetenschap hebben het volkomen bij het verkeerde eind. Mensen moeten de volgende stap zetten.  

Daan van Golden: Heerenlux en helblauwe kiezels

Als klein jongetje wilde hij tuinman worden. “Vanwege de rust die een tuin uitstraalt, denk ik”, zegt Daan van Golden met de vriendelijke bedachtzaamheid die hem eigen blijkt te zijn.

Rust en vrijheid, die begrippen duiken telkens op: het is waar het Van Golden om begonnen is. Het is ook de sfeer die je proeft in zijn atelier in Schiedam, waar hij een middag lang hoffelijk thee in Turkse glaasjes schenkt, over zijn leven vertelt en vooral veel laat zien. Schilderijen, catalogi, tijdschriften, een diaserie, hij heeft alles bij de hand daar op de ruime zolderetage van het oude schoolgebouw, waarvan de ingang zich in een romantisch aandoende binnentuin bevindt.

Dat laatste tot genoegen van Van Golden, want zijn tuinenvoorliefde heeft hij behouden. Hij weet ook nog hoe het begon, in zijn geboorteplaats Rotterdam: “Ik ben opgegroeid in Katendrecht, in de hoerenbuurt. Er was daar maar een huis gebombardeerd, en als je over een houten omheining keek, kon je dat zien. Ik herinner me de kastanje die daar groeide. Groeien vind ik mooi, nog steeds. Er is hier in Schiedam laatst een beuk naast de kerk gezet. Die zou ik graag heel groot zien worden.” 

weeshuis

Daan van Golden is 68, maar hij heeft iets jongensachtig leeftijdloos. Zijn jeugd zou je schilderachtig kunnen noemen, of hard. “Mijn vader was straatzanger”, vertelt hij. “Mijn ouders gingen scheiden toen ik vier was. Het was een gezin met drie kinderen, en mijn moeder was nog heel jong – ze is maar 38 geworden. Met mijn broertje ben ik toen een tijd in het weeshuis terechtgekomen. Nee, daar heb ik geen heel nare herinneringen aan, behalve dan aan de andijvie die we daar aten. Later woonden we met mijn stiefvader die een café had. Die zag niets in mijn idee om tuinman te worden. Je ging toen naar de ambachtsschool.”

Dus werd het de ambachtsschool, een katholieke. Van Golden: “Ik haalde hoge cijfers voor technische tekeningen, en een pater Jezuïet daar had dat gehoord. Toen werd ik uitgenodigd naar zijn atelier te komen. Hij woonde aan een mooie singel. Ik weet nog goed dat ik er voor het eerst kwam. Je moest met een veerbootje over de Maas. Mijn hele leven al is het oversteken van een rivier een symbool, waarvan ik de betekenis overigens niet weet. In het huis had je lambrizeringen van marmer, en daarboven waren de wanden beschilderd. Dertien, veertien was ik. Ik kwam er alleen, en dat is heel lang doorgegaan.”

De pater in kwestie schilderde, dichtte en componeerde zelf. Hij gaf Van Golden, die op zijn dertiende in de fabriek ging werken, een schilderopleiding. “Ik leerde gouaches maken. Eerst schilderen naar een voorbeeld, uit de Katholieke Illustratie, vervolgens naar het leven. Op de Rotterdamse avondacademie voor beeldende kunsten die ik later deed, had je geen daglicht. Daar werd niet geschilderd. Anatomie, kunstgeschiedenis, tekenen, dat leerde ik er wel. Na de academie ging ik als etaleur solliciteren.”

“Ik kwam terecht bij de Bijenkorf, waar ik zes, zeven jaar gewerkt heb. In die tijd heb ik niet geschilderd, maar het heeft heel veel zin gehad. Ik leerde er met ruimte omgaan. En naar stoffen kijken. Dan werd ik naar de afdeling gestuurd om sjaaltjes en accessoires te halen. Ik heb het er erg naar mijn zin gehad. Ze waren heel aardig bij de Bijenkorf. Ik kreeg bijvoorbeeld betaald verlof om met de scooter naar Istanbul te gaan.”

‘zakdoeken’

Reizen, liefst ver, liefst lang. Het is vanaf dat moment een onlosmakelijk deel van Van Goldens leven. Hij bleef tussendoor nog een tijd freelance als etaleur werken, maar geleidelijk aan ging hij steeds meer schilderen. “Het is heel organisch gegaan”, zegt hij over de overgang naar een bestaan als beeldend kunstenaar – en reiziger. Aan het begin van de jaren zestig maakte Van Golden grote composities, abstract expressionistische gouaches en schilderijen in zwart en wit. De BKR, de toenmalige overheidssubsidie voor kunstenaars in ruil voor werk dat ze maakten, stelde hem lang in staat te werken en reizen, maar geld verdienen – voor hem nog steeds alleen een middel om rust en vrijheid te verwerven – deed hij in de loop van de tijd op allerlei manieren.

Met borden wassen en sinaasappels sorteren in Stockholm bijvoorbeeld. “In zes weken 1800 gulden verdiend”, zegt hij met een stem waarin nog steeds ontzag voor dat bedrag doorklinkt. Dat was in 1962. Hij had op dat moment al door Spanje, Marokko, de Verenigde Staten en Mexico getrokken, en ook ergens rond die tijd woonde Van Golden, samen met zijn vriendin Willy van Rooy, een paar maanden in Parijs.

Daar maakte hij onder meer een straattekening als hommage aan de door hem bewonderde en toen pas overleden ‘conceptuele’ kunstschilderYves Klein. Niet lang daarna begonnen de twee aan een reis die drie jaar zou duren. Via onder meer Iran, Oost-Pakistan, Birma en Hong Kong trokken ze naar Japan.

Van Golden vertelt er met smaak over, of het nog maar pas geleden is. “Om geld te verdienen ging ik figureren in Japanse films. Ik leerde ook Japans, en ik gaf Engelse les.” En er vond een omslag in zijn werk plaats. “Ik wist niet wat ik moest schilderen”, zegt hij erover.

Dus ging hij naschilderen. Heel precies, in lak. Ruitjespatronen, bloemmotieven van zakdoeken, van pakpapier, van een gordijn, een lap stof, wat hij maar tegenkwam. Zo’n twintig doeken maakte hij in Tokyo, die bekend werden onder de verzamelnaam ‘zakdoeken’.

Hij heeft er zelf nog één, die hij erbij haalt. Een geel ruitjespatroon. Hij wijst op het Japanse linnen, dat wat pukkeliger en dunner is dan Nederlands linnen, op de speciale Japanse lak, die hem nog jaren na werd gestuurd door een vriend, op het reliëf van de uiterst fijne, over elkaar heenliggende lijntjes: “Na een zo’n lijntje moet je zes uur wachten voor je verder kunt. Het moet ook plat op tafel liggen, anders loopt het uit.” Het patroon loopt door tot en met de zijkanten van het paneel waarop het linnen gelijmd is.

bedelen

Ambachtelijkheid, oog voor detail en compositie, en het vermogen dingen te zien die een ander niet ziet. Dat zijn de elementen die als een rode draad door Van Goldens kunstenaarschap zijn blijven lopen. “Je moet iets vinden dat je interessant vindt”, legt hij uit. “En dat dan vertalen. Een voorbeeld wordt verf, wordt een schilderij, en daardoor is het bijvoorbeeld die zakdoek niet meer.” Een paar keer zegt hij dat het bezig zijn aan een schilderij leuk werk is, meditatieve arbeid, waar hij van geniet. “Niet meer hoeven te zoeken naar iets, iets moois uitvoeren. Als je dat goed doet, als je in the mood bent dan wordt het iets bijzonders”, zegt hij, en: “Wat je kiest, straalt de concentratie uit die je erin stopt.”

Onder de titel Patterns werden de ‘zakdoeken’ in 1964 tentoongesteld in de Tokyose galerie Naiqua. Van Golden: “Het was een mooie tentoonstelling, waar niks verkocht werd. Voor de terugtocht had ik een budget nodig. Toen ben ik gaan bedelen, in Osaka, de bankierscity. Vrienden hadden een bord voor me gemaakt, met een molen, een boertje, een bloemetje. En een tekst in het Japans waarin werd verteld waar het voor was. Ik had 1800 gulden nodig om kisten te laten maken en de schilderijen naar Nederland te laten verschepen. Dan ging ik zitten bij het centraal station, met dat bord. Het geld stroomde binnen. In drie, vier dagen had ik het bij elkaar. Mensen kwamen ook met allemaal kleine, prachtig ingepakte cadeautjes. En een half jaar nadat we vertrokken waren, kwamen de kisten aan in Nederland. Geweldig was dat.”

Eentje bleef er achter: Van Golden schonk het de Tokyose galerie. Dit jaar dook er een ‘zakdoek’ afkomstig uit galerie Naiqua op bij Sotheby’s. Dat is vast die die ik toen daar heb gelaten, dacht Van Golden. Maar na afloop van de veiling bleek het toch om een indertijd naar Nederland verscheept doek te gaan, dat hij eind jaren zestig voor vijfhonderd gulden had verkocht, en dat daarna enige omzwervingen maakte. Bij Sotheby’s schatten ze de veilingopbrengst van tevoren op 20 à 25.000 euro. Het werden er 146.400, een absoluut record voor Van Golden, die dat wel mooi vindt, maar ook “een beetje onzin”. Hij houdt niet erg van de kunstmarkt, en citeert graag Adriaan Roland Holst met diens ‘De kunst is geen wedstrijd’.

loner

“Ik doe ook nooit mijn best om in het buitenland te exposeren”, zegt hij. Wat niet wegneemt dat zijn werk daar regelmatig te zien is geweest, van Genève, Parijs en Göteborg tot New Delhi, maar bijvoorbeeld ook op de vierde Documenta in Kassel (in 1968), en tijdens de  Biënnale van Venetië in 1999. Pakweg om de tien jaar is er een overzichtstentoonstelling: in het Rotterdamse Boymans-van Beuningen in 1982, in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1991, in het Haags Gemeentemuseum in 2001. Toch is Van Golden ondanks al die klinkende namen niet echt wereldberoemd, zelfs niet in Nederland.

Deels zal dat komen omdat hij liever de niet vast te pinnen loner blijft, die benieuwd is wat er allemaal nog komt, en opgewekt zegt dat hij vast nog eens een heel ander beroep gaat kiezen.

“Vrij veel kunstenaars durven niet te veranderen”, zegt hij. Van Golden is zijn eigen man, die zich intussen erg bewust is van het feit dat er grote voorgangers zijn. Hij zegt: “Als je het over stijl hebt, dan denk ik aan echte schilders als Rembrandt, Renoir, Matisse, die zich hun hele leven in een stijl verder bekwaamden, bij die ene leest bleven. Dat is bij mij niet het geval.”

Van Goldens kunstenaarschap is inderdaad heel breed. Want hij schildert niet alleen heel verschillende dingen (van een indrukwekkende gouden Boeddha tot een bewerking van een foto van Mick Jagger), hij maakt ook collages of ready-made-achtige werken (een ingelijste Japanse lp-hoes van The Beatles), hij fotografeert, en doet dingen ‘in situ’, ter plekke. Zo inspireerde het rivierengebied Agua Azul in Mexico dat hij uit het vliegtuig gezien en gefotografeerd had, hem zeven jaar later (in 1987) om de paden in de Amsterdamse Hortus Botanicus te bedekken met diep-helblauwe kiezelstenen.

taaie verf

En toch loopt er ook een rechtstreekse lijn van de Japanse zakdoeken naar de ‘Heerenlux’-serie waaraan hij met tussenpozen al zo’n dozijn jaren werkt. De schilderijen – in formaten die uiteenlopen van 2 meter bij 1 meter 35, tot 30 bij 25 centimeter – danken hun naam aan het merk verf. “Die vond ik bij een glassnijder. Het is taaie verf. Dat bestaat niet meer, door al die reguleringen gaat de kwaliteit achteruit”, moppert Van Golden.

Het is een mooi, diep, en toch fel rood. De patronen komen van een oorspronkelijk zwart-witte lap,  en Van Golden haalt er telkens iets anders uit, zoemt in, blaast op, herhaalt. In het kleine schilderijtje dat in zijn atelier op een ezel staat, ziet hij een Creoolse danseres. Van een willekeurig patroon iets figuratiefs maken, gewoon door het te zien en vervolgens te schilderen, deed hij eerder, met druipsels van action-painter Pollock, die bij nader inzien beesten of gezichten blijken te bevatten.

Eind vorig jaar had Van Golden na tien jaar opnieuw een ‘Heerenlux’-tentoonstelling in de Antwerpse galerie van Micheline Szwajcer, waar hij graag exposeert. Een detail uit de serie van 1993 (“Vier schilderijen die exact hetzelfde waren”) was nu in drie identieke, grote schilderijen te zien. Een ander fragment schilderde hij in drie groottes. “En ik heb het allemaal in viervoud gemaakt”, vertelt hij. “Als ik dat oermotief blijf opblazen wordt het op den duur wit. Als ik het zou comprimeren eindig je bij zwart.”

Dat zijn productie niet heel hoog ligt, is begrijpelijk. Veel van wat hij maakt is geweldig bewerkelijk, en het minutieuze kopiëren kan ook misgaan, waarna hij weer opnieuw moet beginnen. “Met die vier grote zijn gelukkig geen ongelukken gebeurd”, zegt hij, met nog steeds iets van opluchting. Ze kostten hem desalniettemin een jaar.

Maar ook het inrichten van een tentoonstelling vergt meestal veel tijd. Van Golden wikt en weegt over de opstelling, die dan vervolgens een kunstwerk op zichzelf vormt. Hij legt uit waarom goed ‘schikken’ zo belangrijk is, haalt er een paar catalogi bij en laat zien hoe werk weg kan vallen als het tegenover het verkeerde wordt gezet, of juist tot zijn recht kan komen. Hij windt zich op over de slechte drukkwaliteit in een boek, waardoor elke diepte uit een van zijn ‘zakdoeken’ verdwenen is, wijst in een ander boek aan hoe het ook kan. Ook met publicaties bemoeit hij zich als het even kan intensief, om te zorgen dat het goed wordt. “Editen is belangrijk”, zegt hij.

dressboy

Intussen blijft het zaak tijd vrij te houden voor reizen. Want dat is nooit opgehouden. Na Japan werd het Barcelona, toen Londen. Inmiddels was Van Golden ook gaan fotograferen, en legde hij onder meer zijn vriendin vast, die aan een carrière als model werkte. Daarvoor had hij als dress-boy nog mét haar in het typische jaren-zestig-blad TIQ geposeerd.

Van Golden: “Ik maakte een paar foto’s op ansichtkaartenformaat van haar, die ze naar Helmut Newton stuurde.” Die bevielen de dit jaar overleden wereldberoemde fotograaf. “Het ging heel goed. De eerste de beste keer dat ze voor hem werkte, nam hij haar mee naar de wereldtentoonstelling in Montreal. Een paar maanden later waren ze in Marokko. Daar ontmoette ze een Spaanse figurant, tien jaar jonger dan zij. Toen was het amore. Ze is nog steeds met hem. Ik was er erg verdrietig van.”

Willy van Rooy duikt een paar keer op in het gesprek. Van Golden laat een map met schetsen en tekeningen van haar hand zien, enthousiast haar talent becommentariërend. Ze heeft nooit meer contact gezocht. Misschien, oppert Van Golden, omdat hij indertijd toen hij wat spulletjes van haar opstuurde die verpakte in een levensgrote foto van hemzelf.

het grote geluk

Maar zijn volgende liefde, Marian, noemt Van Golden “een wonder”, die hem op zijn 42ste bovendien “het grote geluk” van zijn leven schonk: zijn dochter Diana. Youth is an Art heette de zeer pakkende tentoonstelling en het boek dat hij maakte van de eerste achttien jaar van haar leven. “Met een paar foto’s per jaar wilde ik het verstrijken van de tijd visualiseren”, zegt hij eenvoudig. En die tijd werd op vele plaatsen in de wereld doorgebracht. Diana ging gewoon mee op reis. Naar Centraal-Amerika, en naar India bijvoorbeeld (“India is mijn land”), opdrachten over Ghandi mee van de vrije school. De achtergronden (een badgelegenheid in Agadir), de lokale kleding, ze geven de serie iets van het verhaal van een sprookjesprinses. Nu is ze groot, en heeft haar vader haar gevraagd voor een keer de rollen om te draaien. Bij dit interview ziet u daarom een portret van Daan van Golden van de hand van Diana van Golden.

Noot: Voor een versie met foto’s en werk zie hier de pdf van Akademie Nieuws.

Eeuwige jeugd en de dood

In 2004 won Elizabeth Blackburn de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de Geneeskunde, reden voor een vraaggesprek in Akademie Nieuws, dat ook in de NRC verscheen. Op 5 oktober 2009 werd bekend dat ze voor hetzelfde onderzoek de Nobelprijs voor Geneeskunde krijgt. Ze deelt hem met haar collega Carol Greider, die ook genoemd wordt in het interview én met Jack Szostak, in 2008 winnaar van de H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica.

‘Noage’, oftewel ‘geen leeftijd’ heet de crème van Dior die prof. Elizabeth Blackburn (56) tegen het einde van het gesprek van een plank vist. Het potje zit nog in cellofaan, en pas nu kijkt ze goed naar wat er allemaal op staat. ‘Rénovateur Jeunesse’, ‘Renewel Serum’. Het cosmeticabedrijf belooft een verjongingskuur, en al benadrukt Blackburn dat ze helemaal niets van doen heeft gehad met het product, het ‘actieve ingrediënt’ in Noage dat door Dior optitelomerase gedoopt is, heeft wel degelijk veel met haar te maken.

De veelgelauwerde, van oorsprong Australische Blackburn, die hier aan de University of California in San Francisco bij de afdeling biochemie en biofysica haar eigen laboratorium heeft, staat buiten de wetenschappelijke wereld ook bekend als de ‘Koningin van de Telomeren’ en de ontdekster van de ‘Bron van de Eeuwige Jeugd’. Telomeren – Grieks voor eind-delen – zijn de uiteinden van chromosomen, de slierten met erfelijk materiaal in celkernen. Dat daar iets bijzonders mee was, werd in de jaren dertig van de vorige eeuw al duidelijk, maar Blackburn was de eerste die eind jaren zeventig met toen gloednieuwe technieken inzicht verschafte in hun structuur: de eindjes bleken te bestaan uit ellenlange herhalingen van een simpel stukje DNA.

Dat bracht een onderzoekssneeuwbal aan het rollen die nog steeds doorgroeit. Zeer tot de verbeelding spreekt de ontdekking dat de lengte van telomeren vaak afneemt met de leeftijd van een organisme (waaronder de mens) en dat telomerase – een speciaal enzym waarvan het bestaan door Blackburn voorspeld én vervolgens bewezen werd – ze kan verlengen. In een wereld waar de obsessie met jong blijven alleen maar groter lijkt te worden, kun je verwachten dat de industrie bovenop dat soort nieuwe kennis springt. Ook ver voordat precies duidelijk is hoe de verbanden liggen, en ongeacht potentiële gevaren (kankercellen barsten bijna allemaal van de telomerase).

“Weet je dat ze vijftig dollar vragen voor zo’n potje!” zegt Blackburn lachend. “Dat heb ik gezien in duty free shops op vliegvelden.” Ze neemt het verder niet erg serieus. “We zien het hier in het lab vooral als een grap. Een puur recreatief bijproduct van ons onderzoek. Het kan mensen misschien hoop geven, wat mooi is, maar ik denk eigenlijk dat ze zich instinctief ver zullen houden van alles met telomerase als ze weten dat dat in kankercellen in grote hoeveelheden voorkomt. Ik heb wel gepraat met de mensen van Dior. Ze zijn gefascineerd door telomerase, en ze doen tests, hebben scheikundige expertise in huis. Maar hoeveel echte wetenschap er nou in zit? Ze mogen alles beweren, zo lang ze maar niets claimen over gezondheid.”

Echte wetenschap, goede wetenschap, die woorden vallen een aantal keer tijdens het gesprek op Blackburns lichte werkkamer in het nieuwe gebouw van waaruit je downtown San Francisco kunt zien liggen – in het vroegere havengebied zal nog decennialang verder gebouwd worden aan de nieuwe Mission Bay-campus. Elizabeth Blackburn, die in Melbourne biochemie studeerde, houdt duidelijk echt van onderzoek doen. Ze spreekt zelfs met warmte over het eencellige wimperdiertje tetrahymen. Dat is de parasiet waarmee haar telomerenonderzoek begon, in het Britse Cambridge waar ze haar PhD haalde bij (dubbele) Nobelprijswinnaar Fred Sanger. “Dat is een schattig organisme, dat lekker in de duistere wateren van vijvers leeft, en kurkentrekkerrondjes maakt bij het zwemmen. Ik vertel altijd graag dat het in zeven verschillende seksen voorkomt. Het is alleen wat conservatief, het komt er op neer dat het homofoob is, want het paart met alle zes de andere geslachten, alleen niet met een exemplaar van zijn eigen geslacht.”

En het heeft erg korte chromosomen. Geen onbelangrijk punt, als je bedenkt dat één mensenchromosoom bijvoorbeeld ongeveer net zo lang is als die mens zelf, zoals Blackburn nog even in herinnering roept. Dat alleen al maakte tetrahymena relatief geschikt om de vroegste technieken voor het kraken van de DNA-code (dat wil zeggen: de volgorde vaststellen van de vier vaste chemische bouwstenen adenine, guanine, cytosine en thymine, beter bekend als A,G,C en T) op los te laten. “Eigenlijk wist toen nog niemand hoe dat moest, maar Fred Sanger begon het net uit te vinden in zijn lab”, schetst Blackburn de toestand halverwege de jaren zeventig. “En ik vond het ontzettend opwindend om welke DNA-sequentie dan ook te kunnen bepalen. Iets dat je in de praktijk kon doen. De uiteinden van de chromosomen waren net iets toegankelijker voor de nieuwe technieken dan de rest.”

Zo werden telomeren haar terrein. Door onder meer het werk in de jaren dertig en veertig van Nobelprijswinnares Barbara McClintock (Blackburn: “Ik heb haar ontmoet, ze is iets van negentig geworden, een geweldig inspirerend iemand”) met maïs was wel duidelijk dat chromosomen zonder hun speciale uiteinden aan elkaar vastplakken, van structuur veranderen of zich anderszins vreemd gaan gedragen. Ze proberen ook om hun telomeren te beschermen en te repareren. “Maar niemand had enig idee van de DNA-structuur”, zegt Blackburn.

Dat de telomeren van tetrahymena bleken te bestaan uit een ellenlange herhaling van steeds hetzelfde korte stukje DNA (namelijk TTGGGG), kwam dus als een verrassing . En al vrij snel werd duidelijk dat het om een bijna universeel principe ging. Blackburn: “Alleen bacteriën, die zijn slim, die hebben cirkelvormige chromosomen, dus geen uiteinden.” Maar de telomeren van planten, dieren, mensen, zijn allemaal lange herhalingen van eenzelfde DNA-sequentie. Bij mensen (en muizen) is het bijvoorbeeld TTAGGG. Gemiddeld bestaat een tetrahymena-telomeer uit zeventig keer hetzelfde patroon(tje), bij mensen gaat het om zo’n tweeduizend ‘TTAGGG’s’.

Maar dat is een gemiddelde. Allerlei onderzoek wees op den duur uit dat de lengte niet alleen varieert tussen soorten, maar vaak ook tussen verschillende cellen binnen een organisme. En er was al het ‘eind-kopieerprobleem’ waar James Watson, een van de ontdekkers van de wenteltrapstructuur van DNA, begin jaren zeventig op gestuit was. Hij had opgemerkt dat de enzymen die een kopie maken van het DNA van een cel niet in staat waren ook het laatste eindje te doen. Na elke celdeling hebben de twee nieuwe cellen dus iets kortere telomeren dan hun ‘moeder’. Daaruit ontstond het idee dat telomeren ook als een soort klok van de levensduur te zien zijn. Raken de telomeren op, dan legt een cel het loodje, want chromosomen kunnen niet zonder die beschermeindjes.

Alleen valt dat niet te rijmen met onder meer het bestaan van eencelligen. Die hebben immers het eeuwig leven, in die zin dat ze in principe tot in eeuwigen dage opnieuw kunnen delen. Toen ook nog (min of meer toevallig) ontdekt werd dat telomeren soms ook geleidelijk langer werden, werd Blackburns vermoeden dat er een enzym moest bestaan dat telomeren kan aanvullen zo sterk dat ze zich helemaal op het vinden daarvan ging richten. “Ik had net een vaste aanstelling gekregen op Berkeley, ik had fondsen, en ik voelde me moedig”, lacht ze. “Dus ik ging experimenten doen, een heleboel. Wacht, ik zal je het laatste laten zien. Jij ziet waarschijnlijk alleen vlekken, maar dit was zo cool.”

Blackburn pakt er een foto van een röntgenfilm bij, die inderdaad voor de niet-ingewijde weinig verheldert. Dus legt ze uit: “Dit zijn tetrahymena. Daar neem je er een hele hoop van, die vermaal je – heel naar – en dan laat je er chemische reacties op los en ga je op zoek naar enzymactiveit. Ik gebruikte stukjes artificieel DNA als aas. Ik wist natuurlijk hoe de telomeren van tetrahymena eruit zien. En bij deze hier wist ik absoluut zeker dat ik beet had.”

Telomerase bestond en het vulde telomeren aan. Waarna er nog een lange weg volgde, die Blackburn grotendeels samen met de vlak daarna in het lab gearriveerde Carol Greider aflegde. Het enzym in kwestie, telomerase gedoopt, bleek heel anders dan andere te zijn. En heel ingewikkeld. “Normaal bestaan enzymen alleen uit proteïnen, maar telomerase is een samenwerkingsverband tussen proteïnen en RNA. Allebei zijn nodig om het telomeren-DNA te maken. Het RNA levert ook het sjabloon waarvan het DNA gekopieerd wordt. Dat is iets dat we eigenlijk alleen kenden van retrovirussen, zoals HIV, iets van slechteriken, maar het blijkt essentieel voor het leven te zijn.”

Er zijn inmiddels drie families bekend die het door een genetisch defect zonder telomerase moeten stellen. “Het komt heel zelden voor”, vertelt Blackburn, “maar het is heel naar. Die mensen gaan op vroeg-middelbare leeftijd dood. Het eerste zie je meestal iets aan hun huid, die wordt niet goed vervangen. En hun immuunsysteem gaat achteruit. Hun beenmerg raakt uitgeput, en waarschijnlijk is het probleem dat hun stamcellen opraken.” Ook worden ze als tieners al grijs, wat volgens Blackburn samenhangt met de kleine stamcellen in je haarfollikels. Die hebben telomerase nodig.

Stamcellen, geslachtscellen, eencelligen, ze hebben gemeen dat ze zich tot in het oneindige moeten kunnen blijven delen. Zonder telomerase lukt dat niet. “We zouden allang uitgestorven zijn, maar we zijn er nog”, voert Blackburn nog een argument voor het bestaan van het enzym aan. Overigens is sinds een tijdje duidelijk dat telomerase anders dan eerst gedacht ook zit in ‘gewone’ cellen, waarvan de telomeren na verloop van een aantal delingen korter worden. “Een heel klein beetje heb je kennelijk nodig om de boel in vorm te houden.”

Telomerase heeft nog lang niet al zijn geheimen prijsgegeven, net zo min als telomeren dat hebben gedaan (Blackburn: “Ik zou heel graag het gevoel hebben dat ik echt begreep wat een telomeer is.”), maar Blackburn somt met plezier wat zaken op die van belang lijken te zijn “vanuit mensenperspectief”. Ja, er is een verband tussen telomeerlengte en hoe oud je wordt, en uit tweelingonderzoek is gebleken dat die lengte ten dele genetisch bepaald is, “in het genetisch rad van fortuin zit”, zoals Blackburn het noemt. Ze vertelt verder: “Er is een groep mensen gevolgd van wie in de jaren tachtig bloed was afgenomen. Ze waren toen al wat ouder, en het bleek dat hun kans te overlijden aan infecties en hart- en vaatziektes groter was naarmate hun telomeren korter waren. Maar wat we niet weten, is hoe lang hun telomeren waren toen ze jong waren.Dat verband kennen we nog niet.”

Misschien dat ze veel stress hebben ondervonden. Blackburn is enthousiast over “heel goed nieuw onderzoek” dat momenteel gedaan wordt naar de invloed van stress op telomeerlengte. Die lijkt er te zijn: langdurige stress maakt telomeren korter. En bij simpele nematoden is laatst aangetoond dat het kunstmatig verlengen van hun telomeren hun leven verlengt. Het opent allemaal perspectieven die nauwelijks te bevatten zijn, maar in telomerase als de bron van eeuwige jeugd gelooft Blackburn absoluut niet. “Aan ouder worden zit veel meer vast. Je hebt ook die oude mensen die nooit iets hebben, en dan ineens overlijden. Aan ouderdom. Ik denk dat dat iets ingebouwds is, dat buiten telomeren en telomerase om gaat. Maar de weg naar de dood kan misschien wel plezieriger gemaakt worden.”

Met telomerase-injecties? Blackburn lacht opnieuw, maar zegt dan toch: “Vroeger vond ik dat alleen maar een belachelijk idee, maar inmiddels kan ik me voorstellen dat je telomeraseniveau opkrikken misschien ooit mogelijk en zinvol wordt. Maar de dosering is heel belangrijk.” Wat ons brengt bij wat misschien haar belangrijkste vondst zal blijken te zijn: het feit dat zo’n negentig procent van alle kankercellen grote hoeveelheden telomerase bevat. “Ze zijn er dol op, ware junkies, ze draaien de knop vol open, en zodra je het weghaalt gaan ze verbazingwekkend snel dood. We hebben onlangs ontdekt dat telomerase kankercellen beter laat groeien. Het is heel onverwacht, en erg opwindend dat het in de context van kanker niet alleen die DNA-verlengingsfunctie heeft”, zegt Blackburn, die uit een familie van dokters komt en zeer hoopt dat haar werk zal leiden tot therapieën.

Die lijken ook serieus onderweg. Blackburn geeft een voorbeeld uit haar eigen lab. “Onze gedachte was: kun je telomerase iets laten maken dat giftig is? Iets waar normale cellen met hun beetje telomerase geen last van hebben, maar dat kankercellen met hun hoge telomeraseniveau dood maakt. We hebben iets gevonden. Het werkt in het lab, en in muismodellen. Maar de weg naar de kliniek is altijd heel lang.”

De vraag is intussen of de weg van telomerase naar schoonheidsklinieken en de industrie even lang zal zijn. Blackburn gruwt bij de gedachte dat haar vinding een soort Haarlemmerolie zou kunnen worden, maar ze ziet ook wel dat er allerlei ethische voetangels aan kleven. Ze brengt in dat verband zelf haar ervaringen op met de door president Bush ingestelde ‘Council on Bioethics’, die haar wereldwijd in het nieuws bracht toen ze er dit voorjaar van het ene op het andere moment uitgezet werd. “Ik ben een symbool geworden van de politieke inmenging in de wetenschap waartegen veel protest klinkt”, zegt ze lachend, “en dat was vast de bedoeling niet.”

Ze had met gemengde gevoelens ja gezegd tegen het verzoek in die adviesraad plaats te nemen. “Maar het was vlak na 11 september 2001, en ik wilde ook graag iets bijdragen.” Dat lukte, zelfs beter dan de opzet was. In het heel diverse gezelschap was Blackburn degene die echt van moleculaire biologie wist, en dus wetenschappelijke uitleg kon geven over politiek hete issues als stamcelonderzoek en therapeutisch klonen. “Er werd serieus gediscussieerd en ook geluisterd. Toen dreigde tegen alle verwachtingen in de helft van de Raad te gaan stemmen voor therapeutisch klonen, wat in zekere zin een soort stamcelonderzoek van embryo’s is.”

De reacties van de voorzitter van de Raad vormen een bijna hilarisch verhaal. Hij besloot de stemming dan maar liever over het instellen van een moratorium te laten gaan. Blackburn: “En daarna bracht hij nooit meer iets in stemming. Ondanks dat hij daartoe verplicht was, en daar voortdurend door een van de andere leden op gewezen werd.” Wat hij wel deed was de rapporten schrijven. Daarover lag Blackburn aldoor met hem in de clinch. “Ik bleef er maar op hameren dat hij de feiten goed moest weergeven. Hij blies bijvoorbeeld de mogelijkheden om stamcellen van volwassenen te gebruiken enorm op. Ik wist dat er bij dat onderzoek iets fout gegaan was, dus ik wees erop dat als je wilt discussiëren je dat in elk geval op basis van goed onderzoek moet doen.” Dat iemand de feiten van ondergeschikt belang bleek te vinden, verbaast haar nog steeds. Het eindigde ermee dat haar plaats in de raad en die van nog een andere voorstander van stamcelonderzoek “niet gecontinueerd” werden, zoals het Witte Huis het uitdrukte. Ze zijn vervangen door verklaarde tegenstanders.

Het is tijd geworden om nog wat foto’s te maken, en ondertussen over de Heinekenprijs te praten. Ondanks de stapels prijzen en eerbetonen die Blackburn al ontvangen heeft in haar leven, lijkt ze er oprecht blij mee. Ze wil er graag iets moois mee doen, zegt ze bij het afscheid. Iets of iemand op weg helpen bijvoorbeeld. “Zo’n bedrag kan misschien net dingen mogelijk maken.” Ze zoekt nog.

Een iets andere versie van dit stuk verscheen op 18 september 2004 ook in NRC Handelsblad, onder dezelfde kop.

Nuttig stoorzendertje

 

Andrew Fire

Pas in het laboratorium, van microscoop naar microscoop lopend en vlot lenzen en preparaatjes verwisselend, lijkt Andrew Fire (1959) echt op zijn gemak. Hier hoort hij thuis. En, oké, ook voor het schoolbord waarheen hij zich na de eerste de beste vraag al begeeft om in hoog tempo college te gaan geven over de bochtige slingerpaden vol obstakels waarlangs wetenschappelijke kennis en inzichten groeien. Niet dat er veel te tekenen of op te schrijven valt, maar het praat makkelijker, zo staand. Zolang er althans geen foto’s gemaakt worden, want dan moet Fire zich vermannen om niet helemaal te bevriezen.

Het is een warme middag op de beroemde Stanford University bij San Francisco, waar je op het hele uitgestrekte terrein geen verdwaald papiertje zult zien, en waar het met een kwartiertje overschrijden van de maximum toegestane parkeertijd van twee uur onmiddellijk onverbiddelijk tot een bon leidt. Eind vorig jaar is Fires laboratorium vanuit het Carnegie Institution of Washington van de Johns Hopkins University in Baltimore naar hier verplaatst. Erfelijkheidsleer, of iets preciezer: de biochemie achter de werking van genen, blijft Fires vak – hij leerde het op het Massachusetts Institute of Technology, in het laboratorium van Nobelprijswinnaar Philip Sharp – maar op Stanford zit hij in plaats van bij embryologie nu bij pathologie, ziekteleer. En ziektes zoals kanker, aids, hepatitis C en genetische aandoeningen uitschakelen of voorkomen, is waar het uiteindelijk om gaat.

“De medische wereld brengt andere expertise mee, dat merk ik nu al”, zegt Fire. Dat er nu mensen uit heel veel verschillende disciplines zijn lab kunnen komen binnenwandelen, bevalt hem. Ooit verliet hij de wiskunde “omdat dat toch wat eenzaam wordt na een tijdje”. Hij vertelt ook waarom: “Je bent aangewezen op je eigen ideeën, er is geen input van de rest van de wereld. Mijn gewaardeerde mentor vertelde me toen ik nog een undergraduate was dat het gemiddelde wiskundige artikel door drie mensen gelezen wordt. En dat is inclusief de auteur.”

Dat laatste gevaar heeft Fire na zijn overstap in elk geval uitstekend weten te ontlopen. Nu al is zijn naam voor zeer velen voorgoed verbonden met het machtige en krachtige verschijnsel dat hij ‘RNA-interferentie’ gedoopt heeft.Waarschijnlijk is het allemaal een verdedigingsmechanisme tegen indringers dat een lange historie in de evolutie heeft. Kort gezegd gaat het om een natuurlijk stoorzendertje, dat heel gericht genen kan uitschakelen. Dat opent, althans in principe, weidse perspectieven.

Zelden is een wetenschappelijke vondst dan ook zo snel zo breed opgepikt. Pas in 1998 verscheen de publicatie die nu overal in de wereld onder meer helpt om erachter te komen wat al die genen die de afgelopen jaren geïdentificeerd zijn nou eigenlijk doen. In 2002 riep het tijdschrift Science de speciale RNA-moleculen die in staat zijn tot interferentie uit tot de doorbraak van het jaar. Er zijn inmiddels farmaceutische bedrijven die zich helemaal op RNA-interferentie richten en vele tientallen miljoenen investeren in de verwachting dat dat werkende, winstgevende medicijnen zal opleveren. Het is opmerkelijk hoe vaak het woord ‘Nobelprijs’ valt in verband met het fenomeen, al wordt naast Fires naam dan ook meestal die genoemd van zijn collega Craig Mello van de University of Massachusetts, een van de co-auteurs van het zelfs op het internet al ruim 1500 maal geciteerde Nature-artikel.

Ook in Fires verhaal duikt Mello geregeld op, maar hij gaat eerst wat verder terug in de tijd voor zijn uitleg over RNA (ribonucleïnezuur). Dat was in de wetenschap tot voorkort toch vooral het wat ondergeschoven kleine broertje van DNA, letterlijk de boodschappenjongen, die zich in celkernen door een bepaald gen in het DNA laat vertellen welke bouwinstructies er doorgegeven moeten worden aan de ribosomen, waarna daar het echte werk, (in jargon: het tot expressie brengen van een gen, dus het maken van de juiste eiwitten) kan beginnen. Maar het wordt steeds duidelijker dat RNA er in soorten en maten is.

Volgens Andrew Fire is het allemaal begonnen in de oersoep. Hij schetst wat bekend staat als de ‘RNA-wereld’. Die was er eerst. Fire: “Een paar miljard jaar geleden vormden zich op aarde door de turbulentie van de temperatuur en zich daar rondbewegende moleculen verschillende mengsels. Meestal waren die vluchtig, maar op een zeker moment was er een vruchtbare bodem, kon zich een of ander molecuul ontwikkelen dat in staat was zichzelf te vermenigvuldigen. En de meeste mensen denken dat dat molecuul weliswaar misschien geen RNA was, maar er wel op leek. Een structuur die zichzelf kan vernieuwen heeft grote potentie, kan in aantallen echt exploderen en impact hebben op het ecosysteem. Het is onderhevig aan Darwiniaanse evolutie.”

In den beginne was er dus iets als RNA, niet iets als DNA, dat je als een volgende fase kunt zien. Fire beschrijft DNA als een relatief veilig opslagmedium voor informatie, dat zelf tot niet zoveel in staat is. “RNA is niet zo stabiel als DNA, maar het kan wel dingen dóen”, gaat hij verder. “En er is nog steeds RNA dat zichzelf kan vermenigvuldigen. We weten dat dat bij veel virussen gebeurt. De gedachte is dat die niet hebben gekozen voor een DNA-levensstijl.”

Een van de belangrijkste verschillen tussen DNA en RNA is dat DNA altijd uit twee strengen bestaat van steeds paartjes elkaar aanvullende bouwstenen (georganiseerd in de nu ruim vijftig jaar bekende dubbele helix), terwijl RNA zijn werk met maar één streng doet, die sense genoemd wordt. De eerste aanwijzing dat ook antisense, de complementaire RNA-streng, een biologisch doel kan dienen kwam begin jaren tachtig. En van virussen was al langer bekend dat ze altijd dubbelstrengs RNA nodig hebben, ook al is het soms maar eventjes, als ze zichzelf kopiëren. Tegelijk is dat wat Fire de Achilleshiel van virussen noemt.

“Je weet als je griep hebt, voel je je helemaal niet lekker”, legt hij uit. “Dat is je immuunsysteem dat aan het werk is, en dat heeft onplezierige effecten. In experimenten met dieren is in de jaren zestig uitgezocht welke component in het bloed daar nou verantwoordelijk voor is. Dat bleek dubbelstrengs RNA te zijn. Maakte niet uit wat voor, ook dubbelstrengs RNA dat in het laboratorium gemaakt is, als je alleen maar dat injecteert, roept het die reactie van het immuunsysteem op waar je je beroerd van gaat voelen.”

Achteraf gezien zijn dat allemaal aanwijzingen die hadden kunnen leiden naar de ontdekking van RNA-interferentie, en Fire is er diep van overtuigd dat die er ook zonder hem geheid gekomen zou zijn, maar indertijd bleef het bij losse observaties. Daar zijn er meer van. Fires beschrijving van de ontdekkingstocht die RNA-interferentie opleverde, zit vol toeval en misverstand. Eerst waren er de petunia’s. Een poging hun paars paarser te maken strandde in gemêleerde en zelfs witte exemplaren. Met andere woorden: in plaats dat hun genen voor paars versterkt werden, werden ze uitgeschakeld. Toen kwamen de eindeloze pogingen om met behulp van antisense genen uit te schakelen, om zo hun functie te kunnen bestuderen. Daaruit ontstond zelfs een hele industrie. Soms lukte het, maar heel vaak ook niet, en het waarom bleef onduidelijk. Soms ook werkten experimenten waarbij sense werd ingezet, het was allemaal raadselachtig.

De les die inmiddels geleerd is, is dat bescheidenheid en voorzichtigheid op hun plaats zijn. Fire: “De mechanismen op basis waarvan die antisense-verbindingen werken blijken nogal gecompliceerd. Mensen denken dat ze slim genoeg zijn om systemen zo te manipuleren dat er maar één effect optreedt, maar in werkelijkheid gebeurt er veel meer. Het systeem zelf reageert zodra je vreemd materiaal inbrengt. Dat moet het ook doen, bijvoorbeeld om virussen te kunnen afweren. Zodra je manipuleert zet je die mechanismen onverwacht in werking. Dat is echt een belangrijke les: een organisme wéét dat ermee gerotzooid wordt, en reageert.”

Wat iedereen in die veelheid van reacties miste, was de cruciale rol die dubbelstrengs RNA speelde. Fire was degene die dat op het spoor kwam. Herinnert hij zich dat moment nog? Hij lacht: “Nou, ik herinner het me een jaar later dan Craig. Het was alle twee de keren na een lezing, dus ik zal in 1997 wel nog een keer op dezelfde gedachte gekomen zijn.” Die gedachte was dat de collega die aldoor zulke merkwaardige, onbegrijpelijke uitkomsten kreeg van haar experimenten met enkelstrengs RNA, waarschijnlijk onbedoeld ook dubbelstrengs RNA had ingebracht. Dat het dus ging om een verontreiniging. Fire: “Mijn hele promotieonderzoek lang ben ik getraind om allerlei RNA-moleculen in een reageerbuis te maken. Dan kun je heel gecontroleerd werken. En een postdoc in mijn lab had de stabiliteit van natuurlijk RNA bestudeerd. Ik wist gewoon dat de effecten die mensen zagen niet zo stabiel konden zijn. Enfin, de effecten verdwenen dan ook toen het materiaal gezuiverd was en alleen nog enkelstrengs RNA bevatte.”

Samen met Craig Mello deed hij vervolgens een reeks experimenten die aantoonden dat dubbelstrengs RNA de verantwoordelijke factor was voor het uitschakelen van specifieke genen. Het is in staat boodschapper-RNA in stukken te knippen voordat het zijn boodschap kan afleveren. Het is dus RNA dat interfereert, vandaar RNA-interferentie. Fire is overigens zelf niet zo erg onder de indruk van zijn ‘heldere moment’. “Er hebben zo veel mensen aan bijgedragen. Dat ik erbij betrokken was is echt gaaf, maar om nou te zeggen dat ik het gedaan heb? Het was alleen maar een scheikundige suggestie die ik deed. Als ik nou meteen het verband met virale infecties had gezien…” Dat verband zou later nog pijnlijk genoeg duidelijk worden, maar in eerste instantie heerste er euforie. Fire lacht: “Je kreeg een soort wormenjaloezie.” Wat Mello en hij met het wormpje C.elegans hadden gedaan, begonnen andere onderzoekers te doen met hun onderzoeksobject: planten, fruitvliegen. En het werkte allemaal geweldig, verklaarde vooral heel mooi ineens allerlei verschijnselen bij planten.

“Maar je wilt natuurlijk dat het ook voor gewervelde dieren, inclusief de mens werkt”, zegt Fire. En dat lukte niet. Daar gooide de algemene, veel te brede ‘indringerrespons’ die van virussen bekend is, roet in het eten. Weg kans om gericht te schieten, bijvoorbeeld op ziekmakende genen. Een hoop onderzoekers gaven de moed al op, maar toen kwam ‘klein interfererend RNA’ in zicht. “Het was al bekend dat een cel wel een heel klein beetje dubbelstrengs RNA kan hebben, zonder dat hij die vijandige reactie geeft. Allerlei groepen zijn daar toen mee gaan spelen. Pas toen begonnen mensen zich te werpen op de biochemie van het mechanisme achter RNA-interferentie.”

Het bleek geen sinecure om een goede structuur te vinden, iets dat niet te klein en niet te groot was, dus wel een specifieke reactie in een cel kan oproepen, maar zonder dat alles op hol slaat. Maar dat machtige instrument kwam er, en wordt nu op grote schaal gebruikt. Daarmee is Fires onderzoeksgroep niet langer het absolute middelpunt van de ontwikkelingen. Hij moet daar zo te horen nog een beetje aan wennen, maar er blijft zat spannends te doen, ook al blijft het werk dat met veel vallen en weinig opstaan gepaard gaat.

Want gericht schieten om een gen het zwijgen op te leggen, dat ‘kleine interfererende RNA’ (siRNA in de Engelse afkorting) op de juiste plek afleveren, blijkt nog niet zo makkelijk, en dan moet ook nog blijken of het wel effectief is. “Het is niet een kwestie van gewoon siRNA in de bloedstroom inspuiten, al zijn sommige weefsels toegankelijker dan andere”, legt Fire uit. “De lever is een voorbeeld van een orgaan dat wel makkelijk dingen opneemt, net als het oog. Je hebt degeneratieve oogziektes waarvoor nu dingen in ontwikkeling zijn, omdat men een goed idee heeft welk gen onderdrukt moet worden. Maar een compacte tumor binnenin iemands lichaam is lastiger te bereiken.”

Waarop de inspanningen gericht worden, hangt natuurlijk ook af van hoe ernstig iets is (Fire: “Voor kaalheid hoef je niet te rekenen op RNA-gerelateerde therapieën”) en of er nu al iets bruikbaars bestaat. Tegen Hepatitis C bestaat geen medicijn, en dat maakt het volgens Fire een goede kandidaat. In het laboratorium zijn ook heel goede resultaten behaald met het HIV-virus, dat zich daarna dan overigens weer aanpaste. “Maar dat wisten we al van HIV”, zegt Fire. Toch ziet hij daar niet snel grote clinical trials uit voortvloeien, omdat er al een algemeen bruikbare therapie bestaat, en er met RNA gauw een hoop bijeffecten optreden. Aan en met RNA valt nog heel veel uit te zoeken, zoveel is duidelijk. Fire verwacht bijvoorbeeld dat verschillende ziektes zullen blijken voort te komen uit veranderingen in de hele machinerie van het RNA-interferentieproces. En hij heeft al een mutant gevonden die helemaal niet reageert op RNA-interferentie. “Die voed je bacteriën met siRNA, en er gebeurt niks”, zegt hij.

Fire heeft nog een toertje door zijn laboratorium gepland. “Zal ik de beesten laten zien?”, vraagt hij. Hij doelt op een constante in zijn leven sinds zijn dagen als postdoc in het lab van de latere Nobelprijswinnaar Sidney Brenner (in het Engelse Cambridge), de nematode C.elegans, het kleine wormpje dat in genen-onderzoekersland inmiddels bijna even populair is als Drosophila melanogaster, de fruitvlieg. Het diertje is in indrukwekkende hoeveelheden aanwezig, kast na kast is ermee gevuld. Fire zweert er dan ook bij, noemt C.elegans met lichte vertedering “een tamelijk onbenullig beestje” en “een prachtig systeem”.

Onder de microscoop doet C.elegans intussen erg zijn best zijn naam waar te maken. Harmonieus en soepeltjes glijden de wormpjes voort. We krijgen een stam te zien die speciaal gekweekt is om de 95 spiercellen van het beestje goed te kunnen bekijken. Dat levert een feeëriek schouwspel op. Fire laat zien hoe je een wormpje op kunt vissen, met een heel dun platinumdraadje dat aan het eind een lusje heeft. En hij legt uit dat het kleuren van stukjes binnenkant van C.elegans gebeurt met GFP, Groen Fluorescerende Proteïne, dat in de natuur een bepaalde kwal doet oplichten. Ah! Bekend verhaal. Het is de techniek die is uitgewerkt door Roger Tsien, de vorige winnaar van de Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica. De twee hebben elkaar vorig jaar ontmoet. “Ik had een hele lijst vragen voor hem”, vertelt Fire. Maar ze spraken niet over de prijs, want daar had Fire voor hij hem kreeg niet eerder van gehoord. Binnenkort gaat hij zich verdiepen in de vraag waarvoor hij hem gaat gebruiken.

Toen Fire in 2004  de Amerikaanse onderzoeker Fire de Heinekenprijs voor chemie won, sprak echt iedereen al over de Nobelprijs. Op 2 oktober 2006 werd bekend dat ie hem dat jaar inderdaad kreeg. Samen met – zoals ook voorspeld – zijn collega Craig Mello.

“Tuberculose is een groot drama aan het worden”

Als het zo doorgaat, sterven we hier straks weer massaal aan longontstekingen, tyfus, kraamvrouwenkoort en andere infecties. De bacteriën die ongevoelig zijn voor antibiotica rukken op, en het is maar helemaal de vraag of er nieuwe medicijnen gaan komen. De noodklok wordt geluid op een themamiddag van de KNAW.

“De kuur helemaal afmaken? Dat is nog blijven hangen uit de tijd dat ik jong was, maar je moet antibiotica slikken tot de infectie over is, en dan stoppen. Ze hebben namelijk effect op álle bacteriën, dus bijvoorbeeld ook op je eigen darmflora. Daar komt nog bij dat je antibiotica uitplast, en het dus in het milieu terechtkomt, al denk ik niet dat de concentratie gauw kwaad kan. Maar eigenlijk ben ik wel blij dat veel mensen als ze zich beter gaan voelen, vergeten verder te slikken.”

Hoogleraar medische microbiologie dr. Christina Vandenbroucke-Grauls (52) haalt onmiddellijk een advies onderuit dat het nou net bijna tot volkswijsheid geschopt had. Het niet afmaken van antibioticakuren leidt op zich niet tot resistentie. En het is ook al niet waar dat je door vaak antibiotica te slikken je eigen risico om er ongevoelig voor te worden erg verhoogt.

Maar wat voor de enkeling goed is of weinig kwaad kan, heeft voor de bevolking als geheel vaak wél vergaande consequenties. En dat is nog maar een van de niet kinderachtige dilemma’s in de strijd om het behoud van werkzame medicijnen tegen bacteriën die gevaarlijke ontstekingen veroorzaken.

De kwestie is uiterst urgent. Vandenbroucke-Grauls is op 21 juni de eerste spreker op een KNAW-themamiddag die de omineuze titel ‘De sombere toekomst van antibiotica’ meekreeg. Het is een moeilijk te bevatten gedachte dat voor nieuwe generaties misschien weer dagelijkse werkelijkheid wordt wat in de westerse wereld eigenlijk alleen nog voortleeft in oude boeken en de overlevering: langzaam wegkwijnende tuberculosepatiënten, kinderen met een longontsteking die op eigen kracht door wat ‘de crisis’ heette heen moeten komen, mensen die sterven aan ontstoken wonden, geslachtsziekten, roodvonk, tyfus, kraamvrouwenkoorts en nog veel meer infectieziekten. Toch is dat waarheen we hard op weg zijn.

Hoe kan dat? Zeker is dat antibiotica niet meer de wondermiddelen zijn die ze waren. Hoewel? Ze zijn dat nooit helemaal geweest. De huidige problemen waren deels van meet af aan te voorzien. Bij de eerste groep van vijftien patiënten op wie in 1942 penicilline, het eerste antibioticum, getest werd, zat al iemand bij wie het niet werkte. Die persoon bleek geïnfecteerd met een bacterie die resistent was tegen penicilline, en overleed.

Ook de allereerste mens die penicilline kreeg toegediend, haalde het niet. Dat was een kwestie van dosering. Het ging om een Engelse politieagent die aan de schram van een rozenstruik gruwelijke infecties en abcessen had overgehouden.

Op 12 februari 1941 begon de behandeling waar hij enorm van opknapte. Waarna zijn toestand toch weer verslechterde. Omdat er niet meer penicilline beschikbaar was – in de begintijd moest er maar liefst tweeduizend liter sap van de schimmel Penicillium chrysogenum gekweekt worden om voldoende penicilline voor één ernstige infectie te winnen – ging hij dood.

“De optimale behandelingstermijn is niet altijd duidelijk. We weten dat het nodig is lang door te gaan bij ernstige of diepgelegen ontstekingen. Dus bijvoorbeeld bij tuberculose, of endocarditis – dan is de binnenkant van het hart ontstoken, of bij ontstekingen in het bot”, vertelt Vandenbroucke-Grauls in haar werkkamer op het VU Medisch Centrum, waar ze, net als aan het Academisch Medisch Centrum, hoofd is van de afdeling Medische Microbiologie en Infectiepreventie. “Maar voor een doorsnee-ontsteking weet niemand het. Ooit is afgesproken een kuur tien dagen te laten duren. Een kwestie van overlevering, traditie en ervaring, waar op zichzelf niets tegen is. Dat dat toch niet altijd hoeft, is nog niet doorgedrongen tot de bijsluiters.”

Ziekenhuisbacterie

“Maar het verkeerde middel, of een middel in een te lage dosering kan wél leiden tot resistentie. Dan krijg je dat de ene bacterie wel doodgaat, en de andere niet. De bacterie die overleeft, wordt resistent.”

Vandenbroucke-Grauls schetst hoe dat gaat: “Antibiotica kunnen verschillende aangrijpingspunten hebben. Sommige verstoren de opbouw van de celwand van de bacterie, andere de vermenigvuldiging van het DNA. Maar dan bouwt een bacterie zijn celwand net een klein beetje anders, en dan werkt het antibioticum niet meer. Er zijn zelfs bacteriën die de antibiotica naar buiten pompen voordat ze hun werk kunnen doen.”

Veel resistente bacteriën bestaan allang, en door mutaties komen er ook nieuwe bij. Ze bestrijden kan op twee manieren volgens Vandenbroucke-Grauls. Allereerst door als het ware de ratrace met ze aan te gaan. Passen de bacteriën zich aan, dan pas je de antibiotica ook weer aan. “Je kunt aan de oude groepen antibiotica sleutelen. Dat is eerst rendabel, maar je weet ook zeker dat ze op termijn weer resistente bacteriën zullen opleveren”, legt ze uit. “Of je ontwikkelt iets heel nieuws. Dat kan, het metabolisme van bacteriën is zo complex dat je op allerlei momenten zou kunnen ingrijpen.”

En een heel nieuwe aanpak lijkt inmiddels bittere noodzaak geworden. Dat heeft alles te maken met het antibioticum vancomycine, het enige middel dat nog ingezet kan worden tegen de beruchte, vooral in ziekenhuizen opduikende MRSA-bacterie.

MRSA staat voor ‘methicilline resistente Staphylococcus aureus’, met andere woorden: het is een stafylokokbacterie die ongevoelig is voor het antibioticum meticilline, dat zelf ook al ontwikkeld was als antwoord op bacteriën die resistent waren voor penicilline. Besmetting met stafylokokken kan vooral bij mensen met een verzwakte conditie heel gevaarlijk zijn. Direct een goed, werkzaam antibioticum kunnen geven (dat wil bijvoorbeeld zeggen als het om de MRSA-bacterie gaat: vancomycine) is van levensbelang. 

Vrije markt

“Ik heb jarenlang met opgetrokken schouders op de klap zitten wachten”, vertelt Vandenbroucke-Grauls. “Vancomycine is al in 1956 uitgevonden, en er werd altijd van gezegd dat resistentie onmogelijk was. Maar omdat ook dat middel in de celwand aangrijpt, wijs ik er al vanaf halverwege de jaren tachtig op dat dit een bron van grote zorg is.”

“Op het laatst ging ik zelf twijfelen: de jaren tachtig gingen voorbij, de jaren negentig, maar het gebeurde niet. Uiteindelijk kwam het er toch van: in 2002 is er voor het eerst een patiënt beschreven die een infectie had met een Staphylococcus aureus die resistent was tegen vancomycine. En de stafylokokken waarmee ze besmet was, hadden hun resistentie overgenomen van enterokokken, dus van een andere bacteriesoort uit de vrije natuur. Aan dat resistentiemechanisme komen minstens vijf genen te pas, dus je denkt dat kan bijna niet, maar drie maanden later werd de tweede patiënt al beschreven. En in Praag, waar ik net bij een conferentie ben geweest, hoorde ik van de derde. Dit is het begin.”

De claim dat resistentie tegen vancomycine onmogelijk was, kwam vooral van de farmaceutische industrie. De totale afhankelijkheid van die industrie is een kernprobleem, benadrukt ook de organisator en dagvoorzitter van de themamiddag prof. Jos van der Meer, hoofd van de afdeling Interne Geneeskunde van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen. Hij is internist en infectioloog, en licht telefonisch wat achtergronden toe: “De industrie heeft niet veel zin om nieuwe antibiotica te ontwikkelen. Een cholesterolverlager maken die je vervolgens veertig jaar moet slikken, brengt veel meer op. Maar ik denk dat je het toch aan de markt moet overlaten. De farmaceutische industrie is de groep die het geld dan kan opbrengen. Kijk maar naar het voormalig Oostblok. Dat heeft tussen laten we zeggen 1945 en 1995 nooit een antibioticum voortgebracht.”

Pearl Harbor

Geld, de economie. Uiteindelijk draait het daar allemaal om, zegt ook Vandenbroucke-Grauls: “Het hele proces is ontzettend duur geworden in vergelijking tot de tijd dat penicilline werd ontdekt. Toen het bleek te werken bij muizen werd het binnen een paar maanden aan mensen gegeven. Nu heb je allerlei clinical trials, en moet je bijvoorbeeld ook bewijzen dat het nieuwe middel beter werkt dan wat er al was.”

“Het gevolg is onder meer dat de farmaceutische industrie antibiotica uitbrengt met het breedst mogelijke spectrum, dus met een zo breed mogelijke werking. Terwijl een smal spectrum, waarbij alleen de bacterie die kwaad doet wordt aangepakt, niet alleen beter is voor de patiënt, maar ook het ontstaan van resistentie tegengaat.”

Is het  eigenlijk niet ongelooflijk dat de commercie bepaalt welke geneesmiddelen er komen? Vandenbroucke-Grauls knikt, schokschoudert even en zegt: “Ja, je zou zeggen dat het een staatszaak zou  moeten zijn, maar de overheid heeft daar vrijwel nooit iets voor gevoeld.”

Ze haalt de geschiedenis van de ontwikkeling van penicilline aan, die officieel begint bij de Schot Alexander Fleming. Penicilline staat te boek als zo ongeveer de beroemdste ‘toevallige’ wetenschappelijke ontdekkingen aller tijden: Fleming zag in de zomer van 1928 tot zijn verbazing dat in een van de petrischaaltjes waarin hij stafylokokken kweekte een aangewaaide schimmel (Penicillium chrysogenum, vandaar penicilline) gegroeid was, waaromheen de stafylokokken verdwenen waren.

“Fleming heeft zich indertijd niet helemaal gerealiseerd wat hij in handen had”, zegt Vandenbroucke-Grauls. “Het waren Florey en Chain, een arts en een biochemicus, die jaren later van Flemings vondst een medicijn probeerden te maken. Maar Engeland was net in oorlog, en er belangstelling op regeringsniveau voor krijgen bleek erg moeilijk. Ze zijn toen naar de Verenigde Staten gegaan.”

Na Pearl Harbor bleek de overheid daar graag bereid te investeren in de ontwikkeling van penicilline. Medicijnen voor soldaten werden van nationaal belang geacht. Het was zelfs het belangrijkste project na het Manhattan-project, waaruit de atoombom voortgekomen is. Vrij snel lukte het om penicilline in flinke hoeveelheden te produceren.

Vandenbroucke-Grauls: “Florey ging vervolgens zelf naar Noord-Afrika, waar hij de troepen penicilline toediende. Het werkte niet alleen tegen infecties van oorlogswonden, maar het was ook een wondermiddel tegen gonorroe. Onder andere daaraan ging het leger ten onder. Dat is toen voorgelegd aan Churchill, en die stuurde een telegram dat ze vooral moesten doen wat het beste was om militair voordeel mee te behalen. Dat hebben ze toen geïnterpreteerd als: ook de soldaten met geslachtsziekte moeten het middel krijgen. Maar dit is wel het enige geval dat ik ken waar de overheid  bepalend was voor de ontwikkeling van een medicijn.”

Sindsdien zijn de belangen van de farmaceutische industrie vaak tegengesteld aan die van de volksgezondheid. Van der Meer maakt zich bijvoorbeeld grote zorgen over wat er na de val van de muur gebeurd is: “De farmaceutische industrie is op grote schaal antibiotica gaan dumpen in het Oostblok. Vaak antibiotica met een zeer breed spectrum waaraan meestal geen behoefte was. En juist die middelen oefenen een sterke selectiedruk uit op de aanwezige micro-organismen, met als gevolg het verschijnen van resistente stammen. De precieze gegevens kun je nergens vinden, maar de toename van resistentie gaat daar buitengewoon snel. Dit soort marketingpraktijken zijn iets waar ik me druk over maak.”

Russische gevangenissen

Vandenbroucke-Grauls heeft uiteindelijk de meeste hoop gevestigd op het ontwikkelen van vaccins. Maar daar zit weer zo’n catch 22: als de industrie vaccins maakt, is het de vraag of dat kosteneffectief is, want als mensen ingeënt zijn worden ze niet ziek en neemt dus de omzet van antibiotica af. Maar gebeurt het niet, dan staat ons heel wat horreur te wachten, bijvoorbeeld met tuberculose.

“Tuberculose is een van de grote drama’s in de wereld aan het worden”, zegt Vandenbroucke-Grauls. “Je moet daar drie middelen tegen slikken, en als je er daar af en toe een van vergeet, of als je te vroeg stopt, zorgt dat voor de ontwikkeling van resistentie. Op dat Europese congres in Praag heb ik weer heel veel gehoord. Wat me bijvoorbeeld is bijgebleven is een streek in Rusland waar de helft van de tbc-gevallen resistent blijkt te zijn. Daar word je koud van. Eerst heb je resistentie voor een paar medicijnen, maar dan ontwikkelt zich multiresistentie. Een bron zijn de gevangenissen, waar mensen bovenop elkaar zitten, en elkaar allemaal besmetten.” 

In hoeverre resistente bacteriestammen de kans krijgen zich te verspreiden hangt natuurlijk sterk af van de omstandigheden. Maar die hangen op hun beurt meestal weer af van de cultuur en opnieuw van geld, de economie, betoogt Vandenbroucke-Grauls: “Er is hier vrij veel ruimte tussen mensen. Ook al is Nederland dichtbevolkt, we wonen niet bovenop elkaar in slechte omstandigheden. Of neem de MRSA-bacterie. Die komt hier relatief heel weinig voor. Ik sprak laatst een Britse arts, en die had in zijn ziekenhuis 150 besmettingen per maand! Wij hadden er in heel Nederland in 2002 vijfhonderd, en in 2003 duizend.”

‘Die toename zit waarschijnlijk deels in een nieuwe richtlijn die meer besmettingen detecteert. Maar het is een economische kwestie. Je hebt hier geloof ik op elke zes patiënten één verpleegkundige. In Italië is dat achttien of iets dergelijks, en ga je in Afrika kijken dan doet de familie de verzorging. Dan heb je vanzelf al veel meer kans een besmetting op te lopen.”

Op de plank

Waarom de cultuur in bijvoorbeeld Nederland en Scandinavië zo behoudend is ten aanzien van antibioticagebruik kan ze niet zeggen, maar het is een feit dat er in heel Zuid-Europa veel meer antibiotica gebruikt worden, en dat het daar dikwijls gewoon in de apotheek te koop is, zelfs als dat officieel niet mag. Vandenbroucke-Grauls: “In Frankrijk moet je met een pil naar huis, anders heb je een slechte dokter.”

Voor de arts zijn er overigens vaak echte dilemma’s, zegt Vandenbroucke-Grauls: “Iemand krijgt koorts, je vermoedt een infectie, maar het kan ook iets heel anders zijn, en je weet bovendien nooit meteen of het een virale of een bacteriële infectie is. Daarvoor moeten er eerst kweken gemaakt worden, en dat kost tijd. Tegen een virale infectie helpen antibiotica niet. Onnodig antibiotica geven draagt bij aan het resistentieprobleem, maar aan het bed speelt dat niet. Voor de patiënt kan het gevaarlijk zijn te wachten. Of die is in elk geval beroerd. Moet je dan toch meteen antibiotica geven voor het geval het een bacteriële infectie is? ”

Het is intussen een keihard feit dat er in andere landen veel meer resistentie voorkomt dan hier. De conservatieve houding (Vandenbroucke-Grauls: “Nederland is een ramp voor de farmaceutische bedrijven.Wij zeggen: mooi, een nieuw middel, dankjewel, en vervolgens zetten we het op de plank”) werpt absoluut vruchten af. Toch is het de vraag hoe lang het nog lukt het aantal resistente bacteriën hier binnen de perken te houden. Neem bijvoorbeeld de uitbreiding van de Europese Unie, waarvan te verwachten valt dat die veel meer mensen uit de Oostbloklanden hierheen zal brengen, omdat ze hier makkelijker kunnen komen werken. En die zullen beslist resistente bacteriën meebrengen.

Dat is onder andere waarom Van der Meer een grote taak voor Nederland ziet. “Omdat het hier relatief goed gaat, lijkt zo’n themamiddag misschien gauw preken voor eigen parochie”, zegt hij, “maar ik denk dat we de rest van de wereld kunnen bekeren. In Zuid- en Oost-Europa moeten de luisteraars zitten. De Nederlandse autoriteiten moeten de andere EU-partners overtuigen.Wij houden het hier echt niet ten eeuwigen dage droog. Er is pionierswerk voor de samenleving te verrichten, waarbij de academische wereld het voortouw moet nemen bij het beïnvloeden van de ‘Verenigde Staten’ van Europa. Wij moeten de discussie op gang brengen, vandaar ook dat het goed is dat het een KNAW-themamiddag is geworden.”

Vandenbroucke-Grauls zal er in iedere geval nog weer een kreet naar de farmaceutische industrie doen uitgaan.

Mini-mini-machientjes bouwen met moleculen

Het terrein van de Nijmeegse universiteit waar de bètafaculteiten gehuisvest zijn, is één grote onoverzichtelijke bouwput. Maar het wordt prachtig, bezweert hoogleraar organische chemie Roeland Nolte in zijn lichte kamer die over een tijdje ook tegen de vlakte zal gaan. Hij haalt er zijn laptopje bij om de futuristisch aandoende computermodellen te laten zien van de gebouwen die er gaan komen. “Met het geregel daarvoor hoef ik me door het Akademiehoogleraarschap dalijk niet meer bezig te houden”, glimlacht hij.

Bouwen, en modellen blijven het thema van gesprek, dat natuurlijk over Noltes onderzoek gaat. Zelf omschrijft hij het als het wetenschapsterrein dat zich bezighoudt met het ‘oneindig complexe’. Nolte ontwerpt en bouwt moleculen. “In vier en een half miljard jaar zijn we van het waterstofatoom gegaan naar de mens”, zegt hij, “en daarmee is het punt bereikt dat we zelf beslissingen kunnen nemen, bouwstenen kunnen maken en namaken waar de evolutie zo lang over deed. Dat is heel bijzonder en ook heel recent.”

Nolte schetst in vogelvlucht de geschiedenis van zijn vak, dat in de achttiende eeuw begon bij de Franse scheikundige Antoine Lavoisier. Die toonde onder meer het bestaan aan van zuurstof, en legde de basis voor het begrijpen van chemische reacties. “Hij is 1794 onder de guillotine geëindigd, het belang van zijn werk werd blijkbaar niet echt ingezien”, zegt Nolte droogjes. “Daarna kwam de ontdekking dat je moleculen kunt máken, met je eigen handen.” Dat gebeurde voor het eerst met ureum, dat je in dieren en planten, en in urine vindt. Het was de Duitser Friedrich Wöhler die in de negentiende eeuw voor die doorbraak zorgde. Nolte: “Toen Wöhler het schreef aan zijn leermeester wilde die het niet geloven. En dat heeft hij tot zijn dood volgehouden.”

Gemakkelijk was het daarmee nog niet. “Over het maken van dat blauw van spijkerbroeken, indigo, hebben ze geloof ik vijftien jaar gedaan”, vertelt Nolte. “Maar de chemie heeft de wereld wel kleur gegeven. Letterlijk. Voor die tijd waren kleurstoffen alleen voor de hele rijken weggelegd.” Medicijnen en plastics zijn andere succesnummers, en inmiddels zijn de structuren die gemaakt kunnen worden langzaam maar zeker zo groot geworden dat ze volgens Nolte beginnen te lijken op de natuur.

Hij laat een plaatje zien van wat je als een mini-mini-machientje kunt beschouwen. Het werd afgelopen augustus in het topblad Nature beschreven, wat het gesprek even brengt op het feit dat Nolte zelf de enige chemicus is die voor het andere zeer gewilde wetenschappelijke tijdschrift Science de eerste schifting van binnengekomen artikelen doet – dat zijn er elke dag een paar. “Wel veel, ja”, zegt hij met een lichte zucht. Maar hij is nu eenmaal zo enthousiast over zijn creativiteit vereisende vak, waarin laboratoria tegelijk werkplaatsen en een soort ateliers zijn. “Met analytisch doorredeneren kom je er niet, wij moeten dingen uitproberen, zien of het werkt.” Tegenwoordig gaat het ontwerpen van modellen voor moleculen meestal op de computer, maar het nanomachientje uit Nature heeft hij ook op de ouderwetse manier laten namaken.

Dat wil zeggen: zoals het in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw nog ging, en zoals Nolte het ruim twintig jaar geleden in Los Angeles leerde van Nobelprijswinnaar Donald Cram. Met behulp van op schaal gemaakte plastic elementjes in rood, wit en zwart die je in elkaar kunt zetten, een soort wetenschappelijke lego. Nolte heeft die (kostbare) bouwstenen geërfd van zijn nu overleden Amerikaanse leermeester. “Ik ben nu 58 en ik vind spelen nog steeds leuk”, geeft hij grif toe.

Maar het model biedt wel degelijk iets extra’s. Nolte: “Dit is een van de eerste machientjes die echt iets dóen. Ik kan het zo laten zien: dit ringdeel hier schuift langzaam langs deze keten, een snoer polymeren, waar het precies omheen past. Het zou als voertuig kunnen dienen om dingen heel lokaal af te leveren. Dit is overigens gemodelleerd naar het DNA-molecuul. We proberen hier voortdurend te kijken hoe de natuur het doet, en ons daardoor te laten inspireren.”

“Die moleculaire technologie, of nanotechnologie moet ontwikkeld worden, het wordt de techniek van deze eeuw. Welke toepassingen er allemaal zullen komen, is nog niet te zeggen. Mini-robotjes? Dat klinkt een beetje futuristisch, maar zo kun je het wel noemen. Dit is bijvoorbeeld ook de enige manier waarop nog kleinere computerchips gemaakt kunnen worden. De mogelijkheden met silicium zijn namelijk aan hun eind gekomen.”

Een sleutelwoord is informatie. “Biochemici proberen te ontrafelen hoe het zit met moleculen die informatie hebben”, legt Nolte uit, “door welke kenmerken ze elkaar bijvoorbeeld herkennen en kunnen vinden. We maken liefst gebruik van hele zwakke krachten in de natuur, die wel voor aantrekkingskracht zorgen, maar niet te sterk. Al doende komen we erachter wat de goede balans is. Net als in de waterbouw of bij het bouwen van vliegtuigen geldt dat we het moeten leren.”

En daarvoor is ook de kennis van anderen nodig. Nolte pleit hartstochtelijk voor veel samenwerking tussen de biologie, de chemie en de fysica. Hij werkt daar zelf hard aan, want de grensvlakken tussen die gebieden zijn naar zijn zeggen interessant: “Het gaat allemaal om hele bouwstenen uit de natuur. Maar de groepen zitten in Nederland nogal verspreid, en dat is een beetje een nadeel.” Toch is het volgens hem alleen een kwestie van financiering vinden en goede programma’s opzetten, want jonge onderzoekers vinden het fantastisch.

Een voorbeeld van de samenwerking die hij bedoelt, is een programma met virussen dat hij recentelijk opgezet heeft. De bij het Akademiehoogleraarschap behorende extra gelden zullen deels daaraan besteed worden. Over de prachtige structuren en eigenschappen van virussen is hij bijna lyrisch. Hij laat weer een plaatje op zijn rijkgevulde laptop zien: het mechanisme waarmee een virus de kern van een cel binnendringt. Het schroeft zichzelf naar binnen, als een kurkentrekker, en zo ziet het er ook uit. “Het zijn echt schroeven! Dat kun je toch bijna niet geloven, dat de natuur dat gemaakt heeft als je dat ziet”, roept Nolte uit. Net zoals de natuur ook de prachtigste vlechtjes van moleculen blijkt te maken.

Hij vertelt nog wat meer over het virussenprogramma: “We willen proberen om virussen te koppelen aan synthetische polymeren, dus plastics, om zo grotere structuren te maken met een functie. De vraag is: wat kun je met een virus als bouwsteen? We bergen er metaaldeeltjes in op, bijvoorbeeld goud, of magnetische deeltjes. Het DNA gaat eruit, en de deeltjes erin, en daarmee proberen we dan een heel speciaal magnetisch en elektronengeleidend systeem te maken. Daar heb je dus kennis uit de biologie en de fysica voor nodig, en er is hier net een laboratorium gekomen waarin je heel hoge magneetvelden kunt opwekken. Dan kijken we hoe die virussen zich richten in reactie daarop. Maar we werken ook, met een moleculair bioloog, aan het combineren van virusdeeltjes met eiwitmoleculen. Daarbij kwamen we dat schroefmechanisme tegen, en dat kan weer inspireren als we zelf dingen willen bouwen.”

Kleine deeltjes gecontroleerd verplaatsen, dat is het doel, en het wordt bereikt door hele bouwstenen uit de natuur te gebruiken. Er zit een grote toekomst in, benadrukt Nolte. “Wie snel rijk wil worden, moet chemie gaan doen”, zegt hij zelfs. “We hebben hier nu al vier bedrijfjes, en dat gaat heel goed. Ze ontstaan overal omdat de grote bedrijven zelf geen onderzoek meer doen. Die bestellen nu allerlei organische verbindingen elders. Bijvoorbeeld voor drug-targetting: het op precies de goed plaats afleveren van medicijnen. Je probeert dan bijvoorbeeld kleine bolletjes met medicijnen te maken die kankercellen weten te vinden. Dat is ook allemaal nanotechnologie. Het is een volwassen vak, nuttig voor de maatschappij.”

Dat nut, en de in Nederland aanwezige kennis hoopt Nolte nog wat meer uit te gaan dragen. Het Akademiehoogleraarschap geeft hem de mogelijkheid eindelijk een of meer aangeboden gasthoogleraarschappen te aanvaarden. Een tijdje in Leuven of Cambridge doorbrengen, en daar contacten te leggen en te verstevigen, is ook goede PR. En natuurlijk komt er meer tijd vrij om onderzoek te doen. “Onderzoek doe je toch wel”, zegt hij daarover, “want ik kan het niet laten. Maar het wordt steeds meer naar je vrije tijd en naar de weekenden geduwd. En vooral mijn vrouw vindt dat begrijpelijkerwijs niet leuk.” 

NOOT: In 2003 stelde de KNAW de eerste vijf zogeheten ‘Akademiehoogleraren’ aan. Onderzoekers van tussen de 55 en 60 die zich vijf jaar lang helemaal op onderzoek en onderwijs mogen richten, verlost van bestuurlijke beslommeringen. De Akademie betaalt hun salaris, ze krijgen een extra onderzoeksbudget, en de universiteit waar ze werken moet in hun plaats een veelbelovend iemand aanstellen. Elk jaar worden er een stuk of vijf van die Akademiehoogleraren benoemd. Nolte zat bij de eerste lichting.

‘Je kunt net zo goed zeggen dat we de opwarming van de aarde juist nodig hebben’

Biologen en geologen hebben elkaars kennis nodig om ‘het systeem aarde’ te kunnen begrijpen. En dat is weer een voorwaarde om iets zinnigs te zeggen over de toestand nu en in de toekomst. Biogeologie is een grensvak in ontwikkeling, waar Nederland volgens een KNAW-verkenningscommissie veel aan bij te dragen heeft. Hoe onze wereld verfijnder en complexer werd.

“Er komen aan de lopende band organische moleculen uit de ruimte. Het is helemaal niet gezegd dat het leven op aarde hier ook begonnen is.” Prof.dr. Bert van der Zwaan (50) lacht erbij, maar meent het niet minder serieus. Om zijn studenten een beetje te provoceren haakt hij graag even aan bij de discussie of er leven op Mars geweest is: “Daar kan ons leven ook vandaan komen. Op een meteoriet afkomstig van Mars zijn een kristallen gevonden – magnetiet – dat overtuigend lijkt op magnetiet zoals dat gemaakt wordt door bacteriën. Die meteoriet is drie en een half miljard jaar oud. Rond die tijd ontstonden de eerste bacteriën op aarde.”

De wat terloopse opmerkingen over buitenaards leven geven een indruk van de uitgestrektheid van het onderzoeksterrein van Van der Zwaan. Hij is de enige hoogleraar biogeologie in Nederland, en bedrijft dat vak aan twee universiteiten tegelijk: die van Utrecht (bij Aardwetenschappen) en die van Nijmegen (bij Biologie). Biogeologie is dan ook, precies zoals het woord doet vermoeden, het interdisciplinaire grensgebied waar geologen en biologen elkaar vinden.

Zeebeestjes
Nut en noodzaak daarvan kan Van der Zwaan makkelijk illustreren aan de hand van een voorbeeld waar de muren in zijn Utrechtse werkkamer vol mee hangen. Prachtige plaatjes van foraminiferen, hele kleine, eencellige zeebeestjes in schitterende geometrische patronen. Van der Zwaan: “Daar zijn er heel veel van, en ze fossiliseren goed. Ze zijn dus makkelijk te vinden, en goed te gebruiken om het verre verleden mee te reconstrueren.” In de olie-industrie wordt er dan ook al lang gebruik van gemaakt. Veel geologisch onderzoek is voortgekomen uit de behoefte aan kennis over ertsen en olie, net zoals biologische kennis dikwijls een medische achtergrond heeft. Dat maakt een ontmoeting tussen de twee vakken niet direct vanzelfsprekend.

Van der Zwaan legt uit: “Van die foraminiferen weten paleontologen veel meer dan biologen. Maar als je het vanuit evolutionair of ecologisch oogpunt wilt bekijken heb je ook biologische kennis nodig. Het gebrek daaraan was echt een groot probleem. Hoe zit het met de reproductie van die beestjes? Hoeveel nakomelingen hebben ze? Kunnen ze tegen zuurstof? Dat was allemaal niet bekend, maar ook de biologen wisten het niet. Dit zijn geen direct belangrijke biologische vragen met bijvoorbeeld een biomedische achtergrond. De grootste vragen in de biogeologie werden vanuit de aardwetenschappen aangestuurd.”

Bijblijven
Het gaat uiteindelijk allemaal om het begrijpen van het ‘Systeem Aarde’. Tussen Aarde en Leven heet het eindrapport van de Verkennings Commissie Biogeologie van de Akademie waarvan Van der Zwaan voorzitter was. Het is net uit, en vormt de aanleiding voor het gesprek over dit vak dat zich sterk aan het ontwikkelen is. De ‘strategische verkenning’, onder meer aan de hand van enquêtes, is in recordtijd gedaan: in acht maanden. Maar daar was wel weer een voorverkenning van de Raad voor Aarde en Klimaat aan voorafgegaan. Van der Zwaan: “Het startpunt was internationaal. De Raad had als uitgangspunt dat er hier iets belangrijks gaande is. En dan is onder meer de vraag of het ook voor Nederland een belangrijk nieuw grensgebied is, en pregnanter: het gaat in het buitenland heel hard, wat kunnen wij doen om bij te blijven?

De vraag van de KNAW was dus hoe we onze positie kunnen behouden danwel verbeteren.”
Het rapport maakt duidelijk dat er in Nederland weliswaar veel gebeurt dat van belang is voor de biogeologie, en dat het gaat om onderzoek van hoge kwaliteit, maar het is allemaal weinig gecoördineerd. Dat moet dus veranderen. En Van der Zwaan neemt het voortvarend ter hand. Op 17 maart aanstaande, tijdens een conferentie over ‘Global Ecology’ in Wageningen gaat het Nationaal Centrum voor Biogeologie informeel van start. Eind dit jaar moet er een officieel begin gemaakt zijn met het goeddeels virtuele onderzoekscentrum, dat wel een penvoerder en een directie krijgt, maar als het aan Van der Zwaan ligt zo min mogelijk extra bureaucratie oplevert.

Darwins tijd
Dat de commissie de naam Darwin Centrum voorstelt, heeft duidelijke redenen, die in het rapport terug te vinden zijn. In Darwins tijd lagen de vakken biologie en geologie veel dichter bij elkaar dan tegenwoordig. De natuur werd in zijn geheel beschouwd. Sterker nog: Darwins eerste publicaties gingen over geologie. Eigenlijk zijn de twee terreinen pas vanaf de Tweede Wereldoorlog ieder een eigen kant opgegaan. Ze onder de naam Darwin weer wat meer verenigen is dus niet zo’n gekke gedachte, maar vanuit biologische kring klinken daar inmiddels enige protesten over. Sommige biologen vinden kennelijk dat de naam Darwin van hen is, of niet geschikt voor een Biogeologisch Centrum. “Daar heb ik me eerlijk gezegd wel aan geërgerd”, merkt Van der Zwaan op, al moet hij er ook wel een beetje om lachen. Hoe dan ook, de bedoeling is dat er snel bijeenkomsten zullen komen en natuurlijk een gezamenlijk onderzoeksplan.

Van der Zwaan hamert op het belang van kwaliteit. “Het was een verkenning nieuwe stijl”, vertelt hij, “waarbij er nadrukkelijk gevraagd wordt naar keuzes. Momenteel is er belangstelling van allerlei kanten, maar wie mee wil doen moet echt binnen het thema vallen, en het onderzoek moet zeer goed tot excellent zijn.”

Maar waar moet het over gaan? Kan Van der Zwaan een beeld schetsen? “Wat we doen speelt op hele grote ruimtelijke schalen, en soms over lange tijden”, zegt hij. “Als je bijvoorbeeld wilt weten hoe het zal gaan met het leven op aarde de komende honderd jaar dan moet je op veel vragen een antwoord hebben. Zijn veranderingen in de oceaan bijvoorbeeld van invloed? Dan kun je kijken naar de koolstofcyclus. Als die verandert, voor opwarming zorgt, sterft er dan leven uit of niet? En hoe snel herstelt het zich? Kun je door menselijk handelen de circulatie in de oceaan echt zo veranderen dat er ongelukken gebeuren met het klimaat? Met andere woorden: hoe zit het met de relatie tussen veranderingen in het CO2-gehalte, het broeikaseffect en de biodiversiteit?”

Wereldvochtigheid
“Het gaat om enorm complexe systemen, waarin je kunt proberen om met behulp van computermodellen vereenvoudigingen aan te brengen. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of je de ontwikkelingen in de bossen en vegetatie op aarde kunt beschrijven met een of twee variabelen. De wereldvochtigheid is daar heel belangrijk voor weten we. Waarschijnlijk is dat de belangrijkste verklarende factor.”

“Wat de biogeologie zo speciaal maakt zijn de schalen waarop de dingen zich afspelen. Maar die verschillen ook erg. Neem weer even die koolstofcyclus. Als je alleen naar Nederland kijkt dan is het broeikaseffect of zich niet zo belangrijk. De zeespiegel is veel belangrijker. Zodra die twee of drie meter stijgt heeft dat enorme gevolgen voor Nederland, maar op wereldschaal maakt het meestal nauwelijks uit. Hoe je van schaal kunt veranderen, de verbinding kunt maken tussen de verschillende schalen, dat is een van de grote onderzoeksvragen.”

“Want je kunt er ook andersom naar kijken. We maken ons druk over het opgelopen CO2-gehalte, maar is dat erg? Is wat er nu gebeurt buitennatuurlijk? Als je over de afgelopen dertig miljoen jaar kijkt zeker niet. Toen was het vijf keer het huidige gehalte, dus je kunt ook zeggen dat het nu absurd laag is. Iedereen heeft het over het broeikaseffect, maar is dat echt zo erg? Op Groenland groeiden er rond 1200 nog druiven, heeft daar toen iemand over geklaagd?”

Woestijnvorming
“Niemand weet overigens wat de precieze effecten van opwarming zijn. Misschien hebben we het juist wel nodig. Water wordt deze eeuw een schaars goed, en een kwart meer neerslag zou de verdroging tegen kunnen gaan. Van een beetje broeikas wordt het lekker nat. Ik zeg dit nu, maar dat is net zo’n legitieme slag in de lucht als de claim dat het broeikaseffect onze grootste bedreiging is. Die verdroging nu zit hem overigens in de consumptie van de mens, en in onoordeelkundige irrigatie. Die leidt tot verwoesting van landbouwgronden en woestijnvorming. En dat stapelen we dan nog eens bovenop een situatie waar we toch al een wat drogere aarde hebben. De oorzaak daarvan ligt vijftien miljoen jaar geleden. Toen begon de zuidelijke ijskap snel te groeien, waardoor de aarde droger werd en er op grote schaal woestijnen ontstonden. Dat je twee ijskappen op de polen hebt is in de geschiedenis van de aarde trouwens heel bijzonder.”

De zeebodem, ijskernen van de polen, bergformaties, de wereld is een groot archief waaruit dingen te leren vallen. Ook dat overgangen soms verbluffend snel kunnen gaan. “Hoe overgangen verlopen is relevante maatschappelijke kennis”, zegt Van der Zwaan, “een systeem kan lange tijd stabiel blijven, en dan komt er een omslag die binnen tachtig jaar voltooid is. Dat gaat zo snel dat je je een hoedje schrikt.”

Reconstrueren wat er vroeger gebeurd is, processen volgen, het is allemaal essentieel voor het begrip van het systeem, en dus ook voor het kunnen voorspellen van wat er gebeurt als je ingrijpt. Welke keten van veranderingen je kunt verwachten. Leidt het uitsterven van de ene soort tot een hele cascade? Hoe zat het wanneer met de stofstromen, de cycli van bijvoorbeeld stikstof, zwavel, ijzer, fosfor, zuurstof? En hoe hingen en hangen die samen met de biodiversiteit? Van der Zwaan: “Als de reconstructies kloppen dan hebben we nu een biodiversiteit die een magnitude hoger ligt dan zestig miljoen jaar geleden. Hoe heeft zich dat ontvouwd? Voor begrip van moderne systemen heb je die evolutionaire kennis nodig.”

Tsjernobyl
Maar ook voor het volgen van de vervuiling in de Adriatische Zee sinds begin vorige eeuw. Van der Zwaan laat staatjes zien, waarin de recente geschiedenis goed valt terug te lezen. Vanaf 1920 werd er kunstmest gebruikt, wat de organische vervuiling sterk deed toenemen, en het zuurstofgehalte verminderde. De vervuiling nam tijdens de Tweede Wereldoorlog af, omdat er toen minder landbouw was. En in 1978 was de vervuiling op zijn hoogtepunt, daarna is men afvalwater eerst gaan zuiveren. We dateren dit jonge archief met het ongeluk in Tsjernobyl, wat onmiddellijk te herkennen is aan een piek in isotopen. Het is allemaal te traceren.

En soms is het nog eenvoudiger te zien. Er hangt een uitvergrote foto aan de muur, met daarop op het eerste gezicht gewoon een schep zand, en een sleutel, die je symbolisch kunt interpreteren, maar die ook een idee van de schaal geeft. Van der Zwaan vertelt en wijst aan: “Het is een spade zand aan het strand, maar kijk, je ziet hier prachtig de overgang tussen twee systemen. Tussen zuurstofrijk en zuurstofarm. Die gangetjes in het zand komen van wormen, en die woelen alleen maar zuurstofrijke grond om. Je ziet daardoor precies de grens.”

Verfijnder
“De eencellige foramiferen waar wij experimenten mee doen, zijn in staat om wel die grens tussen zuurstofarm en –rijk gebied te doorkruisen: ze zijn als het ware de boodschappers tussen de boven- en onderwereld. Ze voeden zich met bacteriën, en hoe harder ze dat doen, des te sneller gaan die bacteriën zich voortplanten. En dat heeft als neveneffect dat biochemische veranderingen en biochemische cycli sneller verlopen.

Hoe dat hele complexe bodemsysteem precies werkt, daar weten we nog weinig van, maar het is wel duidelijk dat het in het verleden anders in elkaar stak. Er waren veel minder gravers die belangrijke voedingsstoffen de grond in brachten en andere weer naar boven vervoerden. Dat gaat nu vele malen efficiënter dan zestig miljoen jaar geleden. En onder andere die toegenomen activiteit in de zeebodem heeft weer gevolgen voor de vruchtbaarheid van de oceanen. Het recyclesysteem is verfijnder, complexer geworden, wat ook de vruchtbaarheid de oceanen heeft doen toenemen.”

Van der Zwaans boodschap is duidelijk. Voor het doorgronden van heden, verleden en toekomst van ons systeem aarde kun je inderdaad een enorm scala aan onderzoekers inzetten. Niet alleen geologen en biologen, maar ook biochemici, microbiologen, ecologen. Als het aan Van der Zwaan ligt zullen ze elkaar binnen het Darwin Centrum allemaal gaan tegenkomen.

‘Als het maar van vlees en bloed is’

Beeldend kunstenaar Aernout Mik wil dat zijn installaties, waarvan video’s vaak een belangrijk onderdeel zijn, de toeschouwer fysiek raken. Agressie naast zachte kussens, het moment na de catastrofe eindeloos uitgerekt en andere scènes uit een niet-vertrouwde vertrouwde wereld. 

Zijn atelier aan de KNSM-laan in de nieuwe Amsterdamse Zeeburgbuurt is hoog. En dat zie je niet alleen, je voelt het zodra je binnenkomt. Dat heeft Aernout Mik (1962) natuurlijk niet speciaal zo gepland voor zijn bezoek, maar het is wel het soort effect dat de beeldend kunstenaar graag bereikt bij zijn publiek. De lichamelijke reacties op zijn werk komen in een gesprek erover steeds terug. 

Alles wat hij maakt werkt vervreemdend, is licht ontregelend, maar daar gaat het hem niet om. Dat is, zegt Mik, alleen maar het gevolg. Vriendelijk en geduldig vertelt hij, laat hij dingen zien. Voor zover dat mogelijk is, want hij is niet het type beeldend kunstenaar dat dingen maakt die je boven de bank hangt, of in de hal neer kunt zetten. En ja, video’s zijn in de loop van zijn carrière wel een steeds grotere rol gaan spelen, maar het is absoluut niet zo dat je een kunstwerk van Mik bekijkt als je gewoon op je eigen televisie een bandje afspeelt. 

“Zo’n videoscherm staat nooit op zichzelf”, legt Mik uit. “Niet alleen kunnen het er vijf tegelijk zijn, die hetzelfde vanuit vijf verschillende camerastandpunten laten zien zodat je bijna gaat tollen, maar het beeld is altijd verwerkt in de ruimte, die daarvoor architectonisch is aangepast. Dat is echt een dimensie van het werk” 

Beelden en ruimte, daar gaat het steeds om, en omdat het medium voor die beelden van alles kan zijn, wil Mik liever geen videokunstenaar heten. Hij maakt trouwens ook dingen waar helemaal geen video aan te pas komt.  

Hooligans 

Hoog tijd voor een voorbeeld. Mik haalt er een foto bij van een sculptuur die in 1991 in het Eindhovense Van Abbe Museum te zien is geweest: een min of meer ingestorte ziekenhuisgang, die vol kussens ligt. Alles, behalve de kussens, is op halve schaal.

Mik: “Dat vind ik een interessante maat, het staat niet zo ver buiten je, zoals bij een maquette. Je begrijpt het nog steeds op het niveau van je eigen lichaam. Dat gaat een relatie aan met de situatie die hier geschetst wordt. Je vraagt je af: zijn hier hooligans aan het werk geweest? De deurhengsels hangen eruit, de ramen zijn kapot, er is hier iets aan voorafgegaan. Iets agressiefs, dat gecombineerd wordt met die zachte kussens, die het agressieve weer ontkennen.” 

Je mag de kunstenaar nooit naar het waarom vragen, maar toch: hoe komt hij op iets dergelijks? Mik heeft wel een antwoord: “Publieke ruimtes vind ik interessant, en hoe publiek en privé in elkaar schuiven. Dat heb je in een museum ook: als je daar binnenstapt ben je niet in een privéruimte, het heeft een sociaal effect. Ik heb een tijdje veel gedaan met kussens en dingen die met slapen te maken hadden. Het zien van dat materiaal heeft ook iets heel privés. Dat private van het  tactiele interesseerde me, wanneer dat verschijnt op een plek waar juist publieke codes gelden.” 

Vage notie 

Interessant, dat interesseert me, die woorden komen steeds terug als Mik iets over de inhoud van zijn werk vertelt. Hij kijkt een beetje verrast als je hem daarop wijst, maar inderdaad, zo ligt het wel. Wat hij doet ziet hij ook als een soort research. Hij onderzoekt de mogelijkheden van dingen die hem op de een of andere manier aantrekken, en nee, een specifieke boodschap heeft hij niet.

“Ik begin meestal met een heel vage notie”, vertelt hij over het ontstaan van een nieuw kunstwerk. “Het kan een handeling zijn, of de factor tijd, of een enscenering, of een staat van ontreddering, een voorwerp, waar ik iets mee wil. En eerst komt het niet dichterbij, maar op een dag weet je waar je moet beginnen. Het moet altijd iets worden waarin het lichamelijke aanwezig is. Als het maar ook van vlees en bloed is. Het mag nooit alleen een hersenexercitie zijn.” 

Aards, de zintuigen moeten meedoen, en ook contrasten met viezigheid, rotzooi, chaos zijn elementen die hem van meet af aan intrigeerden. Ooit begon hij met performances in het land: “Vaak in alternatieve ruimtes, die we dan zeven uur lang schoonmaakten. Iets ranzigs werd getransformeerd met behulp van de dweil. Een vloer die onder duivenpoep zat bijvoorbeeld. Die kwam langzaam tot leven, op een goed moment ruik je het hout.” 

Niets geleerd 

Dat was in de tijd dat Mik zijn opleiding volgde aan de Minerva Academie in Groningen en daar absoluut niet vond wat hij zocht. “Ik heb er niets geleerd”, zegt hij nog steeds verontwaardigd over het leerprogramma. “Dus ging ik al heel snel zelf op zoek, los van de academie.”

Want hij wist dan wel niet wat hij wilde, hij was na eerst drie jaar rechten gestudeerd te hebben (“Ik heb mijn hele jeugd heel veel getekend en geschilderd, maar bij mij thuis ging je naar de universiteit”) wel extreem gemotiveerd. “Het was een fysieke noodzaak”, zegt hij over die overstap. “Toen ik begreep dat je echt iets moest gaan doen met die studie kreeg ik het erg benauwd, stikte ik.” 

Maar de intellectuele magerte van de kunstopleiding maakte dat hij er al snel toch nog een paar jaar filosofie naast ging studeren. Inmiddels zou hij wel weer iets zien in een rechtenstudie, omdat de onderlinge verhoudingen tussen mensen hem veel meer zeggen: “Na school ben je zo jong, bezig met jezelf, niet echt in de samenleving geïnteresseerd. Nu zie ik beter hoe we allemaal in die samenleving staan. Wat me bezighoudt zijn mensen als onderdeel van een groep.” 

En dat zie je terug is zijn video’s. Op een van de vijf televisies die naast elkaar staan opgesteld in zijn atelier toont hij in hoog tempo een aantal fragmenten. Om een indruk te krijgen van zijn werk is dat ook genoeg. Meestal gaat het om opnames die een minuut of twintig duren, maar een verhaal zit er nooit in. Geen begin, verloop, eind. Het zijn situatieschetsen, maar altijd van niet-voorkomende situaties.

Of toch? Je moet goed kijken. Miks video’s zitten vol heel gewone dingen, beelden waaraan je oog gewend is. Maar steeds klopt er iets niet. “Je wordt belemmerd in je interpretatie”, zegt Mik, “je ziet echo’s van echte dingen, een vertrouwdheid zonder dat het echt vertrouwd is.” 

Schrik

Neem inderdaad alle springende en anderszins bewegende mensen en honden in het bos. Voeren zij een rituele pogo uit rond een boom? Zijn ze aan het fitnessen? Laten ze de hond uit? Dat is het allemaal niet. Ze doen wat Aernout Mik verzonnen heeft, dat wil zeggen: ze doen wat ze denken dat hij bedoelde. Mik “Ik schrik altijd als ik iets terugzie. Zeker in eerste instantie. Pas als ik wat meer afstand heb zie ik dat het eindresultaat toch nooit zo heel ver afstaat van de voorbereidingen.” 

Die worden steeds uitgebreider. “Het zijn nu hele producties”, zegt hij, al werkt hij nog steeds liever niet met professionele acteurs. Toen hij begon met opnames in een loods van een meubelfabriek waar Aziatische mannen als zombies rondlopen, en steeds van buiten beeld slappe klevende plakken rubber tegen zich aan gegooid krijgen, was het nog te overzien (dat was Fluff, een van de twee producties waarvoor hij in 1997 de Sandbergprijs kreeg).

Ook ging het nog wel in Kitchen, met enkel een steriele keuken die het toneel is voor in slow motion worstelbewegingen uitvoerende oude mannen, die afwisselend bijna-agressief en bijna-hartelijk tegen elkaar zijn.

Maar Softer Catwalks in Collapsing Rooms uit 1999 laat een telkens opnieuw instortend huis zien, waar mensen onaangedaan doorheen lopen, alsof ze het niet doorhebben. Het is met vloeiende camerabewegingen gefilmd.

Catastrofes 

“Ik ben gefascineerd door het beeld van het catastrofale”, zegt Mik. “Dat is  zowel iets bedreigends als iets bevrijdends, en die tweeledigheid wil ik behouden, versterken zelfs. Het verstilde en heldere moment nadat er iets gebeurd is, wat een grote intensiteit oplevert, wil ik isoleren, centraal stellen.”

Dat heeft hij ook gedaan met Middlemen, dat zich afspeelt op de beursvloer, overduidelijk na de crash (Mik: “We waren daar net voor 11 september mee klaar. Dat was wel heel merkwaardig.”). Overal papiertjes, en heel veel verdwaasde mannen in geruite jasjes. Eentje van hen heeft naast zich een tweelingbroer zitten, bij nadere beschouwing een bewegende pop.

Er zijn nog meer na-de-rampachtige video’s. “Het is ook een staat waarbij er ineens een grotere nabijheid tussen mens en omgeving ontstaat”, verklaart Mik zijn voorkeur voor dit soort scènes nader. 

Over waardering en belangstelling voor zijn werk heeft Mik intussen nooit veel te klagen gehad. “Ik hing al in het Stedelijk in Amsterdam voor ik was afgestudeerd”, zegt hij. “Aan de ene kant is dat te vroeg, aan de andere kant heb ik daardoor ook nooit gedacht: ik ben binnen.”

Tegenwoordig maakt zijn werk deel uit van de vaste collectie daar, net als van die van nog een paar grote Nederlandse musea. Maar hij heeft ook opmerkelijk veel succes in het buitenland. Mik was vertegenwoordigd op de biënnales in Sao Paolo, Venetië  en Melbourne, hij was te zien in Kyoto, Toronto, Londen, Stockholm, New York, Berlijn, Barcelona, enfin, waar niet. 

Het is bijna te veel. De Heinekenprijs voor de kunst biedt de winnaar (naast de geldprijs van 50.000 euro) ook een uitgave met iemands werk en een overzichtstentoonstelling aan. Er komt inderdaad een vooral op het buitenland gericht boek dat Elastic gaat heten, maar van een tentoonstelling heeft hij afgezien. Onder de titel Primal gestures, minor roles was in 2000 in het Van Abbe Museum nog vrijwel Miks hele oeuvre in een totaalinstallatie te bezichtigen. 

In two minds 

En zijn agenda loopt nog steeds over. Met de Toneelgroep Amsterdam is hij aan een project onder de naam In two minds bezig (“dat wordt een voorstelling of een toneelstuk waarin het draait om een combinatie van ‘live’ en gefilmd beeld”), en voor de komende tijd staan onder meer Hong Kong, Litouwen, Italië, Los Angeles, München en Wenen op het programma.

Mik: “Nee, dat is niet zo mooi als het klinkt. Ik zie maar weinig, zeker nu ik thuis een kind van twee heb hou ik heel strakke reisschema’s aan. Ter plekke is het altijd erg hard werken, want het is nooit een kwestie van een paar dingen ophangen ofzo. Elke ruimte moet aangepast, en dat gaat toch het beste als ik er zelf bij ben.” 

De video gaat uit. Mik wordt thuis verwacht. Een vraag dringt zich nog op na het zien van al die fragmenten: houdt hij nou juist wel of helemaal niet van mensen? Verkeerde vraag. Met een lachje zegt hij: “Dat ze er zijn. Dat is al verbijsterend genoeg.”

Trucs met moleculen

(In 2002 won Roger Tsien de Dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica. Op 8 2008 oktober werd bekend dat hij een van de drie winaars was van de Nobelprijs voor Scheikunde. Twee Japanners en hij kegen hem voor hun werk met Groene Fluorescerende Proteïne (GFP), het molecuul dat de kwal Aequorea victoria groen laat oplichten. In 2002 vertelde Tsien al wat je daar allemaal mee kunt doen.)

 

De moleculen die de Amerikaanse schei- en natuurkundige Roger Tsien maakt zijn spionnen of saboteurs, die moeten rapporteren wat er in cellen gebeurt. Hij hanteert de verfkwast en andere trucs in de hoop ooit te begrijpen hoe onze hersenen werken.

Tussen kerst en nieuwjaar is hij meestal in het lab te vinden dat hij de rest van het jaar eigenlijk alleen leidt. Weer eens zelf aan het werk, achter een idee aan, iets uitzoeken dat is blijven liggen. “Maar”, lacht prof. Roger Tsien (1952), “dan herinner ik me ook altijd weer hoe moeilijk het is, en ben ik blij met jongere onderzoekers die veel bedrevener zijn dan ik. En die wél weten waar alles ligt.” Afgelopen kerstvakantie heeft hij geprobeerd kleurstoffen te maken die in cellen kunnen oplichten als je er infrarood licht op schijnt.

Tsien, die schei- en natuurkunde studeerde, wuift het een beetje weg: “Het zijn geen serieuze projecten, want ik weet dat ik geen tijd heb het goed te doen. Het zijn restjes die me intrigeerden, en ik hoop altijd dat ik ze over kan doen aan iemand anders als blijkt dat het begint te werken. Of dat lukt? Ze denken dat ik te gek ben, en meestal hebben ze gelijk.”

Met het infrarood kwam hij niet ver. “De bedoeling was om iets te maken waarmee je dieper in mensen kunt kijken”, legt Tsien uit. “Infrarood licht penetreert, anders dan gewoon licht. De cellen bleken de kleurstof wel te absorberen, maar de meeste lichtten niet op. Waarschijnlijk hadden anderen dat ook al eens ontdekt, en er dus niets over gepubliceerd. Je moet de dingen toch zelf uitvinden.”

Kwal
Het zou een volgend stapje geweest zijn in Tsiens loopbaan waarin kleurgevende moleculen een hoofdrol spelen. Zijn werk met de zogeheten Groene Fluorescerende Proteïne (GFP), een molecuul dat verantwoordelijk bleek te zijn voor het in het donker groen oplichten van de kwal Aequorea victoria, is het bekendste. Hij wist zelfs, uitgaande van het GPF (“liefst beginnen we niet bij nul, maar maken we gebruik van de natuur, of van wat anderen al gemaakt hebben”) nieuwe kleuren te maken: moleculen die geel of blauw oplichten als je er met een lampje op schijnt. Maar het grondwerk daarvoor is door anderen gelegd, benadrukt hij. “Ik ben wel de regisseur van een uitvoering van dat toneelstuk, maar ik heb het niet zelf geschreven”, geeft hij zijn eerste analogie ten beste.

Hij heeft er ook een voor de functie van de moleculen die in zijn laboratorium gemaakt worden. “Het zijn spionnen en soms ook saboteurs”, zegt hij. “Je stuurt ze erop uit om te kijken wat er gebeurt in een cel, of je laat ze daar iets doen. Dat onze moleculen zo populair zijn komt deels doordat ze de cellen niet kapotmaken. Wat wij hier onderzoeken is de doorgifte van signalen in cellen, net zoals duizenden andere onderzoekers doen.”

Vernietigen
“Dat moleculen bouwen gebeurt op veel minder plaatsen, maar we maken ze niet zomaar, het een moet het ander helpen. Dus zijn ze gericht op begrijpen en volgen hoe biologische signalen gevormd worden in de cel, waar ze zijn, wanneer ze plaatsvinden. Tegenwoordig zijn er ook meer genetische mogelijkheden, zodat je algemene vragen over proteïnen kunt stellen: waar worden ze geboren, waar gaan ze dood, waar gaan ze heen, met wie praten ze. We kunnen nu ook heel snel proteïnen vernietigen, zodat je kunt kijken hoe de rest van de gemeenschap zonder ze verder gaat, hoe er gereageerd wordt.”

“Overigens doen we hier wel veel metingen, maar dat is niet zo bijzonder. Wij proberen het gereedschap te maken waarmee iedereen dat kan. Dan geven we een paar, hopelijk fatsoenlijke voorbeelden, en dan gaan we weer wat nieuws uitvinden. Een beetje zoals Thomas Edison de film uitvond, twee primitieve verhaaltjes vastlegde, en toen weer naar iets anders ging. Hij was zelf geen Spielberg, maar zonder hem hadden we geen Spielberg.”

Dronkeman
Tsien lijkt het allemaal tamelijk pragmatisch te beschouwen. Hij is zich bewust van de beperkingen die de wereld en tijd waarin hij toevallig leeft opleggen. “Het is als de dronkeman die onder de lantaarnpaal met zijn sleutels in de weer is: je werkt daar waar het licht is. En dat is niet per se de plek die je het meest interesseert, waar het echte mysterie zit.”

Voor hemzelf zit dat in de werking van onze hersenen, en dat is ook waar hij zijn onderzoek begon. Met smaak en een klein vleugje heimwee vertelt hij over de tijd van zijn dissertatieonderzoek dat hij in Engeland deed, in Cambridge, waar hij uiteindelijk ruim negen jaar zou blijven. “Je hebt daar een veel grotere vrijheid dan hier zou kunnen”, zegt hij. “Ik was al in drie projecten min of meer vastgelopen, en de tijd drong. Toen ben ik toch met een vierde begonnen, en mijn promotor vond dat allemaal prima.”

Tsien was op de gedachte gekomen kleurstoffen te maken die gevoelig zijn voor calcium. “Dat heb ik echt zelf bedacht, en daarvan weet ik niet of iemand anders er op gekomen was”, zegt hij. Daar is uiteindelijk een heel succesvolle reeks uitgekomen, waar veel onderzoekers gebruik van hebben gemaakt. Het verband met zijn interesse in de menselijke hersenen zit hierin: calcium is een van de twee universele signalen binnenin hersencellen (de andere heeft met elektriciteit te maken).

Straaltje
Tsien legt uit: “Iedere keer dat een van je neuronen praat met een ander neuron doet hij dat omdat er een klein straaltje calcium in de cel wordt toegelaten, en dat calcium zet het vrijgeven van neurotransmitters in gang, die in feite de boodschap overbrengen. En hoeveel neurotransmitters je ook hebt, ze gebruiken allemaal calcium. Calcium is ook van groot belang voor herinneringen. We denken nu dat het de switch is die herinneringen zowel kan versterken als verzwakken. Inmiddels hebben we trouwens de kleurstoffen niet meer nodig, we kennen nu het gedrag van calcium, en we hebben nog meer trucs: we kunnen het calciumniveau zelfs op elk moment dat wij dat willen omhoog brengen.”

Uiteindelijk wil Tsien antwoord op de grote vragen: “Hoe vinden we uit waar in mijn hersenen straks de herinnering aan jouw gezicht zit? Of aan een muziekdeuntje? Dat je ook kunt reproduceren. Hoe doe je dat? Of hoe zit het met Engels tegenover het Nederlands? De vraag is: kun je een technologie ontwerpen waar je iets mee kunt? Een begin kunt maken. Je hebt een truc nodig, en het zal een moleculaire truc moeten zijn. Je kunt mensen niet openmaken en dan al hun neuronen in de gaten houden. En de nieuwe scantechnieken, zoals MRI, zijn toch vrij grof. Maar stel je bijvoorbeeld voor dat je alle net aangemaakte synapsen, dus de verbindingen tussen hersencellen, zou kunnen laten zien?. Er zijn al mensen die net-nieuwe neuronen kunnen laten oplichten.”

Verfkwast
“Enigszins analoog daaraan is iets dat wij ontwikkeld hebben. In geïsoleerde cellen kunnen we het verschil tussen jonge en oude proteïnen zien. ook al zijn ze moleculair precies hetzelfde, wij kunnen vertellen of ze vier of acht uur oud zijn. Dat doen we met een verfkwast. Daarmee verven we alle exemplaren tot een bepaald moment groen, en dan halen we de kwast weg. De proteïnen die daarna gemaakt worden krijgen dus geen kleur, tot we met een rode verfkwast langskomen. We hebben gezorgd dat de rode verf niet pakt op de groene, dus worden dan alleen de nieuwe proteïnen rood. Het is een beetje gevaarlijk om over ideeën voor de toekomst te praten, maar misschien kunnen we voor nieuwe synapsen net zo iets ontwerpen.”

Tsien vindt zichzelf wel loslippig genoeg geweest. Tijd voor de rondleiding. In 1989 betrok hij het toen gloednieuwe laboratorium, hier aan de universiteit van Californië in San Diego. Het is ook echt van hem: bij elke deur hangt een bordje ‘Tsien Lab’ en dat staat ook op de witte jassen waarvan er een rek klaarhangt. Vijftien mensen werken er inmiddels, maar er zijn ook allerlei samenwerkingsverbanden met labs even verderop. De financiering komt van de Howard Hughes Medical Institute Foundation, ooit door de superrijke excentriekeling Hughes opgericht. “Dat was voor hij gek werd”, lacht Tsien. “Het is een van de grootste stichtingen in het land. Er zijn drie à vierhonderd van die laboratoria als deze.” Het geld is niet gegarandeerd, nadat je voor zo’n functie gevraagd bent moet je elke vijf jaar verantwoording afleggen aan het bestuur.

Zeepkist
Op de vraag of hij nog iets ter sprake wil brengen reageert hij enthousiast. “Ja. Voor de zeepkist heb ik altijd een praatje klaar. Het helpt wel niet, maar ik geloof er toch in, je weet maar nooit of iemand het oppikt”, zegt hij. Dit is wat hem hoog zit: “ Die technologie die wij hier ontwikkelen voor medicijnen, zou je ook kunnen gebruiken om te kijken welke stoffen in het milieu giftig zijn. We maken ons nu zorgen over alles als het gaat om verontreiniging, maar dat komt doordat we niet weten wat wel en wat niet slecht is. De middelen om daarachter te komen, ook bijvoorbeeld hoe het zit met mengsels – in de grond zitten soms wel honderd scheikundige verbindingen die op elkaar kunnen inwerken – zijn dichterbij dan men zich realiseert.”

“Er is alleen geen sociaal mechanisme dat ervoor kan zorgen dat die technologie er inderdaad komt. Je kunt er namelijk geen geld mee verdienen, en er is geen bedrijf dat wil weten dat wat ze er gebruiken misschien wel giftig is. De overheid weet niet hoe dit aan te pakken, die houdt zich vooral bezig met bijwerkingen van stoffen. En in onze maatschappij, die nu eenmaal een kapitalistische is, gebeurt het dan niet.”

“Neem de hormoonontregelaars die in het milieu terecht zijn gekomen, en die bijvoorbeeld dieren ‘vrouwelijker’ maken. Het zou niet moeilijk en ook goedkoop zijn iets te maken dat die ontregelaars kan opsporen. Maar niemand wil hier van weten. Sterker nog, degenen die wel probeerden er geld mee te verdienen kregen rechtszaken aan hun broek. Wat je nodig hebt is een nieuwe ‘sociale uitvinding’. Banken en joint ventures enzo zijn dat ook. Zelf ben ik daar helemaal niet goed in, maar er moeten ook mensen bestaan die juist daar een talent voor hebben.” Tsien blijft hopen dat zo iemand een keer een interview met hem leest.

‘HEPJEM?, VATJEM?’

Het kwam niet doordat hij zo mateloos beroemd en rijk was, het was een karakterkwestie: ook als klein jongetje was Freddy Heineken al helemaal niet dol op gezelschappen. Maar ja, kinderpartijtjes hoorden erbij.

Hij maakte er dus maar het beste van, zoals hij zijn dochter en enige kind Charlene later vertelde. Ze lacht bij de herinnering: “Hij nodigde gewoon toch een heleboel mensen uit, en dan vroeg hij aan iedereen een boek. Mijn vader las als een gek, zijn leven lang. In bad, in bed, altijd en overal, en hij las echt álles. Van de Libelle tot The Lancet. Hij had een aangeboren nieuwsgierigheid, sprong in gesprekken ook altijd van de hak op de tak – waar mensen soms nogal aan moesten wennen. Er was werkelijk maar heel weinig waarvan hij zei: dat kan me nou niks schelen. Hij is ook nooit echt ouderwets geworden en wilde nog wel honderd jaar leven.”

Maar in de loop van 2001 ging de gezondheid van Alfred Henry Heineken achteruit. Hij kreeg onder meer een paar tia’s (door hemzelf “tiaatjes”genoemd) te verwerken, een soort lichte herseninfarctjes, wat hem er overigens niet van weerhield om vervolgens aan de telefoon te dollen over de hometrainer waar hij van zijn dokter op moest. Hij vond het maar een stom apparaat, zo’n fiets die nergens heen ging. Zijn spraak was intussen op geen enkele manier aangetast: het was hetzelfde volstrekt unieke geluid, dat zich misschien nog het best laat omschrijven als een razendsnel, brommend gemompel.

Die driedubbele snelheid en dat nauwelijks articuleren hebben in de loop der tijd velen tot wanhoop gebracht. Opperste concentratie was in elk gesprek met Heineken bittere noodzaak. Niemand kwam weg met doen alsof hij hem verstaan had. Heineken checkte namelijk aan een stuk door of je hem nog wel volgde. Met onderzoekende blikken, die geen wegkijken toestonden, met de snelle vragende tussenwerpsels “hepjem?” en “vatjem?”. Dat laatste sloeg dan vaak op een gevatte woordspeling, of op de clou van een mop, liefst een schuine. Nooit droogde de stroom ad remheden op.

Van dikdoenerij was hij volkomen wars, dat is een van de terugkerende elementen in de herinneringen van degenen die met hem te maken hadden. Heineken hield niet van moeilijk doen, was, zei hij ook zelf, een recht-voor-z’n-raap Amsterdammer, tegen wie je veel kon zeggen, als je maar niet ging knipmessen. Hij wilde juist graag iets terughoren, testte zijn gesprekspartners, althans, zo beleefden die het dikwijls. Zijn eigen positie was ondertussen wel zo onaantastbaar dat hij zich veel kon veroorloven. Hij had er ook lol in om de serieuze, naar zijn zeggen vaak in het grijs gestoken Akademieleden bij de jury’s van de Heinekenprijzen aan het lachen te krijgen met een grap die eigenlijk niet kon, of om recht onder een groot bord ‘Niet roken’nog eens op te steken, of om speciaal voor een bezoeker de koningin even te bellen – telefoon op de speaker – met de vraag of ze vandaag al een beetje lekker geregeerd had.

Gefrustreerde arts-onderzoeker
Maar ondanks alle kwajongensachtigheid, alle grollen, en ook al het vrolijke geflirt met de vrouwen die hij tegenkwam, beschreef hij zichzelf keer op keer als in wezen uiterst serieus. Met alle successen – het was immers onder zijn leiding dat Heineken bier in het grootste deel van de wereld een topmerk werd – was hij toch liever Einstein dan bierbrouwer geweest, vertelde hij meer dan eens. “Waarschijnlijk ben ik een gefrustreerde arts-onderzoeker”, zei hij ook. “Ik had graag het geneesmiddel tegen kanker uitgevonden.”

Heinekens bewondering voor wetenschappelijk onderzoekers, vooral die uit de medische hoek, was groot. “Hij vond altijd dat zulke mensen niet genoeg waardering krijgen”, vertelt zijn dochter, die zich nog herinnert hoe het gezin onderweg naar een vakantie in Frankrijk een bezoek bracht aan professor De Duve in het Belgische Leuven. “We gingen in zijn lab kijken, met allemaal muisjes en ratjes. Dat vond mijn vader prachtig. Die wilde altijd graag eens iets anders horen.” Christian De Duve, die in 1974 de Nobelprijs voor medicijnen zou krijgen, was een van de eerste winnaars van de naar Heinekens vader vernoemde Dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica, die in 1964 voor het eerst werd toegekend.

Toen Heineken eind jaren tachtig besloot nog een aantal prijzen voor wetenschapsbeoefenaren in te stellen, moest er dus zeker een komen voor geneeskunde. Niet lang daarna volgden de vakgebieden geschiedenis (Heineken: “Ik begrijp niet hoe je überhaupt een boek kunt lezen als je geen geschiedenis gehad hebt”) en milieuwetenschappen. Samen met de eerder ingestelde kunstenprijs vormen ze sinds 1990 de Heinekenprijzen, die alleen in de voorletters verschillen. Naast de Dr. H.P. (Heinekens vader was een gepromoveerd chemicus) kwamen er vier Dr. A.H. Heinekenprijzen. Een ere-doctoraat van de universiteit van Rochester had Heineken zijn titel bezorgd. Het maakte iets goed van zijn eeuwig latent aanwezige spijt nooit een academische opleiding te hebben gevolgd.

Nobele Alfred
Maar eigenlijk hadden de prijzen wat Heineken zelf betreft pas na zijn dood zijn naam mogen krijgen. Hij vond het maar gênant om bij de uitreiking op de eerste rij in de zaal te moeten zitten en dan voortdurend Heineken-dit en Heineken-dat te horen. “Ik zie meneer Nobel al staan die een Nobelprijs weggeeft”, foeterde hij in 1989 nog, maar ook toen waren het in de wandeling in feite al de Heinekenprijzen geworden.

En Alfred Heineken wilde de vergelijking met Alfred Nobel ook best maken. Sterker nog, het verbaasde hem indertijd dat hij nog steeds geen krantenartikel over de prijzen had gelezen dat als kop ‘Nobele Alfred’had gekregen, een suggestie die later wel degelijk met graagte door een aantal journalisten is overgenomen.

Van valse bescheidenheid had Heineken meestal geen last, maar het ging hem in dit geval niet om de naam van het bier, noch om die van hemzelf. Die zaten zelfs een beetje in de weg, herinnert Heinekens naaste medewerker (“manusje van alles”, zegt hij zelf) Jos Buijs zich, die intensief betrokken is geweest bij alles rond de Heinekenprijzen. “Toen de H.P. Heinekenprijs begon, was het wetenschapscircuit niet gecharmeerd van sponsoring”, vertelt hij. “Maar Heineken wilde dat het selecteren serieus ging, dat je daar geen gedoe over zou krijgen.

Vandaar dat hij bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen terechtkwam. Maar als die de jurering op zich wilde nemen, ook van alle prijzen die daarna kwamen, mocht het allemaal niet te erg naar bier ruiken. Dat soort angsten is uiteindelijk pas in de jaren negentig verdwenen.”

Andere rijkaards
Het prijzengeld – afkomstig uit stichtingen die met Heinekens eigen kapitaal zijn opgezet – is niet kinderachtig: na wat bijstellingen kwam dat voor alle wetenschapsprijzen terecht op 150.000 dollar, voor de kunstenprijs op 50.000 euro (plus een boek of uitgave en een tentoonstelling). Zag Alfred Heineken zichzelf als een moderne mecenas? “Nou”, zegt Buijs, “toen ik dat woord voor het eerst zag verschijnen, had ik het idee dat hij daar wel eens negatief op zou kunnen reageren, maar dat was ook weer niet zo. Hij zag kunst en wetenschap in elk geval als een belangrijk onderdeel van het menselijk gedoe, feitelijk vond hij dat je zonder beide niet goed rond kon komen. De beoefenaren stimuleren vond hij inderdaad een taak voor iemand met veel geld. Hij zei dat ook rechttoe-rechtaan: ‘Andere rijkaards zouden dat ook eens moeten doen. Ze hebben geen idee hoeveel plezier je ervan hebt.’”

Dat plezier zat hem onder meer in ontmoetingen met de winnaars. Vooral van de afscheidsdineetjes met de laureaten, die in de praktijk de enige gelegenheid boden om nou eens echt uitvoerig door te praten, genoot hij. Dan was ook al het geknor weer vergeten. Want mopperen en brommen hoorden net zo bij Heineken als zijn grappen en zijn onverzadigbare nieuwsgierigheid. Deels was het een manier om mensen aan het werk te houden, en als dat achter de rug was, was hij meestal de eerste om tevreden op te bellen.

Theenet
Heinekens telefoontjes waren beroemd. Zijn ‘belnet’was enorm. Uren per dag zat hij aan de lijn. Er was ook het minder uitgebreide ‘theenet’ van degenen die uitgenodigd werden om op het Pentagon, zijn kantoor aan het Amsterdamse Weteringcircuit, een paar eigenhandig door hem ingeschonken koppen thee te komen drinken, en heel wat mensen met wie hij de conversatie om de een of andere reden interessant vond werden op de lunch of een diner getrakteerd in de l’Europe, het hotel bij de Munt dat zijn bezit was.

Intussen hield hij tijd om zich met ongeveer alles te bemoeien. Dat er binnen het concern heel weinig zonder zijn goedkeuring gebeurde, is genoegzaam bekend, maar ook bij de hele organisatie rond de Heinekenprijzen gonsde zijn stem mee. Als het even kon was hij zelf bij de jurybesprekingen.

Heineken besliste niet mee over de winnaars, maar hij had wel degelijk zijn eigen voorkeuren. Volgens prof. Rob Reneman, president van de Akademie van 1996 tot 2002, en daarvoor een aantal jaren voorzitter van de jury voor de prijs voor de geneeskunde, probeerde hij die jury regelmatig op zijn eigen handige, charmante wijze te beïnvloeden. “Ach jongen, ik probeer het alleen maar”, zei hij dan. Meestal was het ook zo dat Heinekens eigen uit de 35 à veertig kandidaten samengestelde prioriteitenlijstje de uiteindelijke winnaar bevatte.

Reneman, die bevriend met hem raakte en Heineken een paar weken voor diens dood op 4 januari 2002 nog sprak over de voortgang van de Heinekenprijzen (“Maak je geen zorgen, het is in orde, ik heb het zakelijk allemaal netjes geregeld”), was iedere keer weer onder indruk van Heinekens geweldige inzicht in mensen.

Sterrenbeelden
Die herinnering hebben ook anderen aan hem. Belangrijk hulpmiddel voor Heineken zelf was daarbij overigens iemands sterrenbeeld. Hij had een heilig geloof in horoscopen. Niet dat hij zich ooit liet leiden door voorspellingen, het ging hem om de karakters. Heineken beweerde iemands sterrenbeeld bijna altijd goed te kunnen raden. Zelf was hij een schorpioen, een beest dat prikken uitdeelt en zich dan snel weer terugtrekt. Dat klopte perfect. Het klopte eigenlijk altijd. Zijn medewerker Buijs verklaart het als volgt: “Het was zijn aandeel in het bovennatuurlijke. Iedereen, ook iemand zoals hij die in God noch gebod geloofde, heeft ergens wel een klein hoekje dat zegt ‘maar je kan niet alles snappen’. De horoscopen waren zijn religie.”

Kleurloosheid kon Heineken in elk geval niet verweten worden. Kleuren en vormen bepaalden ook zijn kunstsmaak. Naar verluidt vond hij de besprekingen van de jury voor de kunstenprijs het leukst. Prof. Henk van Os, voormalig directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum, en jarenlang voorzitter van de jury voor de kunstenprijs, zegt het zo: “Kunst hoort bij mensen zoals Heineken. Hij was geen groot verzamelaar, Freddy Heineken kocht iets als hij daar zin in had. Een Jan Steen, een Madonna. Hij had een prachtige vijftiende eeuwse Sienese Madonna, en hij hield ook van Jan Sluiters. In een kunstenaar waardeerde hij net als in de wetenschapper creativiteit en inventiviteit.”

Echt verliefd
“Hij kon echt verliefd worden op een schilderij”, vertelt zijn dochter, “dat kon figuratief zijn, maar ook een met leuke driehoekjes en vierkantjes. Uiteindelijk komt het neer op dat hij hield van mooie dingen. Het had ook te maken met het waarderen van orde. Mijn vader was een heel ordelijk persoon, die altijd alles keurig in vakjes had opgeborgen enzo. Dat strekte zich bijvoorbeeld ook uit tot dat hij zich ergerde aan een dode bloem in een plant. Daar ging hij dan zelf iets aan doen. En soms was kunst ook een beetje een sport voor hem: jonge, nieuwe kunstenaars eruit pikken. Hij was heel tevreden als hij een talent gezien had vóór iemand anders.”

Net zoals hij zijn Appels en Picasso’s, zijn Wilminks en zijn Chagall had aangeschaft op het moment dat die nog behoorlijk betaalbaar waren. Heinekens grootste belangstelling ging uit naar schilderijen, en ook van beeldhouwkunst kon hij genieten, waarbij een fraai vormgegeven vrouwenlichaam hem in het bijzonder kon bekoren, maar de door hem ingestelde kunstprijs rouleert en gaat telkens naar een andere kunstvorm, waaronder ook vormgeving, fotografie en videokunst. De bedoeling, net als bij de wetenschapsprijzen: iemands werk onder de aandacht brengen, diegene stimuleren. Heineken zag dan ook liever niet dat de prijzen gingen naar mensen die aan het eind van hun carrière waren, al gebeurde dat soms toch (kon hij weer mopperen).

Metroplan
De juryvergaderingen leverden soms ook nog wat extra’s op. Contacten bijvoorbeeld, die konden helpen de gedachtesprongen van Heinekens snelle geest onderbouwing te geven. Dingen uitvinden, oplossingen bedenken, daar hield hij van. Het is het eerste wat in zijn dochter opkomt als ze haar vader wil karakteriseren: “Hij was in zijn hart een uitvinder, iemand met een onderzoekende geest.”

En een pragmaticus, zeggen weer anderen. Heineken bruiste van de ideeën. Voor zijn geboortestad bijvoorbeeld. In de jaren zestig bedacht hij al een metro- en spoorplan voor Amsterdam, waarbij de historische binnenstad helemaal intact gelaten kon worden. De lijnen zouden onder de grachten en andere waterwegen door moeten lopen. Het gemeentebestuur heeft er nooit serieus naar gekeken, en brak onder heftige protesten en rellen in de jaren zeventig wel degelijk stukken van het alleroudste deel van Amsterdam af ten behoeve van een metrolijn.

Dan was er het gat in de ozonlaag, dat hem hevig intrigeerde. Jurylid prof. E.K. Duursma van de Heinekenprijs voor de Milieuwetenschappen, herinnert zich hoe het onderwerp jaar na jaar opkwam na afloop van de vergaderingen. Heinekens gedachte was simpel: als we dat gat nou zelf gemaakt hebben, zou er dan niet ook een manier bestaan om het weer dicht te krijgen? Op een goed moment zei Duursma dat hij het wel eens na wilde kijken voor hem.

Hij vertelt: “Ik heb 3400 literatuurpublicaties doorgekeken, allemaal schijfjes van NASA. Alles over het ozongat was te vinden, maar het ging niet een keer over dichtmaken.” Op verzoek van Heineken ging Duursma tegen betaling van onkosten (“Ik wilde liever niet echt voor hem werken en mijn onafhankelijkheid bewaren”) op onderzoek uit.

Hij kwam onder meer terecht bij het instituut van Sacharov, organiseerde een bijeenkomst van Russen en Amerikanen, om uiteindelijk tot de conclusie te raken dat het ozongat dichten inderdaad mogelijk was. Cfk’s zijn de boosdoeners, die breken de ozonmoleculen af, maar met microgolfgeneratoren zou je opstijgende cfk’s kunnen vernietigen. “Dat is alleen veel te duur”, vat Duursma kort samen. En voor de economische kant van dingen was Heineken altijd gevoelig. Geld verspillen of aan onzin uitgeven was er niet bij.

Groten en kleintjes
Wat niet wegneemt dat veel mensen zich hem als uiterst correct in de zakelijke omgang herinneren. Zo ook dr. H.W. van den Doel, die met opmerkelijk veel plezier terugdenkt aan de tijd dat hij Heinekens idee voor een Verenigde Staten van Europa voorzag van wat wetenschappelijke ammunitie. Het plan ging in 1992 onder naam Eurotopia de wereld in. Het kwam erop neer dat Europa verdeeld zou worden in 75 landen, met elk niet meer dan tien à vijftien miljoen inwoners. Frankrijk werd bijvoorbeeld in zessen gedeeld, en Duitsland werd in elf staten opgedeeld.

Van den Doel: “Heinekens achterliggende gedachte was dat kleinere landen altijd bang voor de grote zouden blijven. Frankrijk en Duitsland waren in zijn ogen bijvoorbeeld veel te groot, zodat je altijd de groten tegen de kleintjes houdt. Kleine landen zijn ook beter te besturen, vond hij, en daar sprak ook de ervaring met zijn eigen bedrijf mee. Het is heel gemakkelijk om daar grappig over te doen, zo van ‘rijke man heeft geld te veel en wil ook eens wat’, maar het was helemaal zo gek niet. Frankrijk is ook maar bedacht tussen pakweg 1870 en 1900, in 1860 sprak twee procent van Italië Italiaans. Met behulp van het onderwijs is dat totaal veranderd, en zoiets zou je heel goed nog eens kunnen doen. Er is geen rationele reden om vast te houden aan de oude staten.”

“Dat schreef ik dan op, en daar veranderde hij dan weer wat in. Het was ook allemaal niet bloedserieus, Heineken zag het zelf deels als een spel, om de mensen een beetje aan het denken te krijgen. Nadat hij bij de voetbalwedstrijd Feijenoord-Monaco naast prins Reinier had gezeten, belde hij de volgende ochtend op dat het toch niet zo’n goed idee geweest was om Monaco in de Provence te laten verdwijnen. Dus zetten we Monaco weer terug op de kaart.”

“Desalniettemin riep het plan wel wat op. Nadat de eerste druk van de Eurotopia-brochure uit was, werd Griekenland zeer boos, omdat we een Groot-Macedonië hadden getekend. Ik kan me herinneren dat we dat met typex weer ongedaan hebben gemaakt voor de tweede druk. Enfin, het was een voorzetje, iets om over te praten. En hij kreeg er wel brieven op van bijvoorbeeld de oude George Bush en van Bill Clinton, die toen overigens nog gouverneur in Arkansas was.”

Goedgekomen
Graag had Heineken Van den Doel nog iets anders zien doen: “Hij heeft me echt achtervolgd met het verzoek om een wereldgeschiedenis in pakweg honderd bladzijden te schrijven, die dan bij Albert Heijn bij de kassa zou moeten liggen.” Dat was een heel oude wens van Heineken, die het met de kennis van geschiedenis zeer droef gesteld vond.

Van den Doel was te druk met andere dingen, maar uiteindelijk is dit toch goedgekomen, vertelt hij: “Hij bleef daarmee bezig, en op een gegeven moment kwam er een boek uit van de Amerikaan David Fromkin, The Way of the World. We hebben daar eindeloos over geboomd in café Keijzer, ook met een uitgever. Het bracht inderdaad de wereldgeschiedenis in kort bestek, al was het niet ideaal en eindigt het geloof ik bij de Verenigde Staten als toppunt van de beschaving, maar goed. Heineken heeft toen een uitgave van de vertaling medegefinancierd, en die Fromkin ook naar Nederland gehaald. Hij was daar heel tevreden over.”

En dat boek ging dan, net als eerder bijvoorbeeld het Eurotopiaplan en een cd met door Heineken zelf gecomponeerde liedjes, naar al zijn relaties. Het is een van de laatste verrassende pakjes geweest die hij rondstuurde.

De bevroren geschiedenis van de aarde smelt weg

De ijskappen bovenop de bergen in de tropen zitten tjokvol gegevens over de omstandigheden op aarde in vroeger tijden. Maar ze verdwijnen momenteel in hoog tempo. Prof. Lonnie Thompson zet alles op alles om archieven aan te leggen voordat het verleden is weggesmolten.

Zomaar een berg beklimmen, voor zijn plezier? Er verschijnt een vriendelijk, maar ook meewarig glimlachje op het gezicht van de geoloog die laatst nog een zaal vol dokters vertelde over de 798 dagen die hij doorbracht op hoogten boven de 18.000 voet (tegen de vijf en een halve kilometer). Het is duidelijk, prof. Lonnie Thompson ziet helemaal niks in de bergsport. Hij gaat alleen maar naar boven omdat daar heel bijzondere archieven te halen vallen: ijs, voor Thompson bevroren tijd.

Dat hij een soort medisch wonder is, zou je niet direct zeggen als je hem ziet. Thompson is op het oog een doodgewone vijftiger (hij is van 1948), vrij klein van stuk, en verre van een bodybuilder-type. Maar al bijna dertig jaar blijkt hij in staat om zonder zuurstofflessen en zonder ziek te worden wekenlang bijvoorbeeld bovenin de Himalaya te werken, ook op hoogtes van meer dan zeven duizend meter. “Ach”, zegt hij nuchter, “er is nou eenmaal bijna niets bekend van hoe mensen zich aanpassen aan grote hoogtes. Ik heb nergens last van. Ik krijg geen hoofdpijn meer, geen bloedneuzen.”

Niet alleen fysiek levert hij topprestaties, ook logistiek verricht Thompson mirakelstukjes. Hij haalt zijn ijsarchieven namelijk het liefst uit de tropen. Daar heeft hij uitstekende argumenten voor, al zag hij die zeker niet onmiddellijk. “Toen ik begin jaren zeventig net onderzoeksassistent geworden was hier in Columbus, op de Ohio State University, kreeg ik voor het eerst een ijskap van Antarctica te zien”, vertelt hij. “Ik weet nog dat ik dacht: ijs, moet ik daarmee werken? Er is niet veel ijs op aarde, dus dat kan niet belangrijk zijn. Maar ja, als assistent kreeg ik betaald, dus je doet het.”

Jaarringen
Thompson realiseerde zich vervolgens al snel dat er veel meer ijs bestond dan alleen op de Noord- en de Zuidpool. In 1974 had hij zijn eerste expeditie naar een tropische gletsjer, de Quelccaya ijskap in Peru. De mogelijkheden die uitgeboorde ijskernen boden waren inmiddels tot hem doorgedrongen. IJskernen zijn in zeker opzicht te vergelijken met de jaarringen in bomen, ze gaan alleen al snel veel verder terug in de tijd (in de Himalaya zelfs tot meer dan 700.000 jaar) en je kunt er veel meer aan aflezen: de precieze hoeveelheid neerslag per jaar, de temperatuur, vulkanische activiteit, hoeveel en wat voor stof er in de lucht zat. En juist in de tropen kunnen er ook hele insecten ingevroren zijn, en zaden en stuifmeel.

“Zeventig procent van de mensheid leeft in de tropen”, gaat Thompson door met redenen geven om juist daar te boren. “Klimaatverschijnselen als El Niño en de moessonregens heb je niet op de polen. Maar van de moesson zijn wel meer dan anderhalf miljard mensen elk jaar afhankelijk voor hun oogst. El Niño – dat is die elke vier à zeven jaar terugkerende verschuiving van warm zeewater die van Indonesië, over de Grote Oceaan naar Zuid- en Noord-Amerika gaat – verstoort de neerslag, de visserij, kan bosbranden veroorzaken in Indonesië en Australië, overstromingen in Californië. Buiten de seizoenen is dit het belangrijkste klimaatverschijnsel, en het bestaat al heel lang.”

Inca’s
Dat je het verloop exact kunt aflezen uit de ijskernen levert heel uiteenlopende kennis op. Thompson: “In Zuid-Amerika kun je terug naar de tijd van de pre-Inca’s en de Inca’s, toen er geen geschreven taal was. Je ziet culturen die vier-, vijfhonderd jaar stabiel waren en dan ineens, heel abrupt verdwijnen. Waarom was nooit duidelijk. We hebben archeologen en antropologen kunnen laten zien dat dat samenviel met hele zware El Niño’s.”

De samenwerking met totaal andere vakgebieden biedt meer oplossingen van raadsels. Zo is er ruim 4000 jaar geleden iets gebeurd dat zijn weerslag heeft gehad op grote delen van de aarde. Culturen die verdwenen in Zuid-Amerika, in Afrika, in het Midden-Oosten, de Indus Vallei, Egyptische bronnen die spreken van verschrikkelijke droogte en hongersnood, van mensen die hun eigen kinderen opaten. Wat er precies aan de hand was, is nog niet bekend, maar de ijskernen laten een lange periode met heel veel stof zien. Thompson is ervan overtuigd dat het ijs het geheim nog een keer prijs zal geven, dat het in de samenstelling van het stof moet zitten.

Van nature
Maar de ijskernen zijn ook van groot belang voor het heden en de toekomst, omdat ze duidelijk kunnen maken wat normaal is. Welke cyclussen bestaan er, welke variatie zit er van nature in het systeem? Bestaan er bijvoorbeeld ook mega-El Niño’s? Hoe reageerden planten vroeger op klimaatveranderingen, op grote droogten? Om te weten wat we kunnen verwachten, moeten we terug in de tijd, zegt Thompson keer op keer, en dat kan uitsluitend met behulp van de ijsarchieven.

En die verdwijnen. In een angstwekkend hoog tempo smelten ze weg. Voor het gesprek met Lonnie Thompson heeft zijn vrouw Ellen al foto’s laten zien die hangen in een van de gangen van het Byrd Polar Institute waaraan ze gezamenlijk leiding geven. Dat ze er allebei zijn is overigens een uitzondering: meestal is er wel eentje op expeditie (Ellen Thompson: “Ik doe de polen, Lonnie de tropen”), zodat de ander dan de zaken op het instituut kan regelen, en vroeger, toen ze nog klein was, voor hun dochter zorgen. De plaatjes spreken voor zich: in enkele tientallen jaren is de Quelccaya ijskap schrikbarend geslonken. Enorme stukken berg zijn bloot komen te liggen. Er is door het smeltwater zelfs een heel meer ontstaan.

Onherroepelijk
Ook op de Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika, verdwijnt het ijs onherroepelijk. Thompson: “De eerste kaart is van 1912. Toen was er nog 12,1 vierkante kilometer ijs, nu nog 2,6. Meer dan tachtig procent van het ijsgebied is weg. Het krimpt aan de zijkanten, maar ook aan de bovenkant. Toen we hier twee jaar geleden gingen boren vonden we twee meter onder de oppervlakte de sporen van een thermonucleaire test, die in 1951 gedaan is, de enige keer dat zoiets boven zeeniveau gebeurd is. Maar in het jaar daarna is de sneeuw bijna anderhalve meter lager geworden, vanaf volgend jaar is die laag verdwenen.”

En daarmee het ijkpunt. Want dat is een van de terugkerende problemen met de ijskernen: hoe weet je waar in de tijd je zit? Je kunt wel de verschillende jaren onderscheiden, maar om welke jaren gaat het? Daar kan gelukkig van alles voor dienen, ook onderlinge vergelijkingen van ijskernen van verschillende plaatsen, en met bijvoorbeeld een C14-test kun je precies de ouderdom van insecten en plantenresten bepalen. Maar dan moeten ze er wel nog zijn.

De komende paar jaar zijn van doorslaggevend belang, waarin in hoog tempo gewerkt moet worden. Het team, dat er bovendien zelf intussen niet jonger op wordt (Thompson: “Ik denk niet dat ik dit na mijn zeventigste nog steeds doe, hoewel..”), heeft al eerder drie boringen binnen een jaar gedaan: in Rusland, in Bolivia en China. Dat kan dus. Dertien ‘hot spots’ heeft Thompson gelokaliseerd, plaatsen waar over een paar jaar niets meer te halen valt. Nu nog wel, maar het kost geld. Dertien keer een miljoen dollar is er nodig. Relatief gezien een schijntje, maar via de gewone aanvraagprocedures is zo’n bedrag niet te vinden.

Er moet dus hulp van elders komen. Thompson praat er overal over, tot op het Witte Huis aan toe. Iedere keer opnieuw legt hij uit dat het geen politieke kwestie is: of de invloed van mensen er nu de oorzaak van is of niet, de aarde warmt op. En dat maakt dat die grote haast nodig is om de archieven te redden. Want je wilt de gevolgen van plotselinge klimaatwijzigingen kennen, ook als wij daar zelf de oorzaak van zijn. Niet dat Thompson daarover twijfelt: als je het ijs van afgelopen duizend jaar bekijkt blijkt overal dat de laatste vijftig jaar het warmste zijn van allemaal, de grootste temperatuurstijging te zien geven.

Als geoloog weet Thompson ook precies hoe gemakkelijk soorten weggevaagd worden van de aarde. Ook dat vertelt hij politici graag: “Het systeem kan heel goed voor zichzelf zorgen. Dat overleeft wel, ook als we niet ingrijpen. De vraag is alleen of wij het overleven.”.

Hij is overigens optimistisch. “Het lijkt misschien wel of er niets gebeurt, of zelfs dat het erger wordt, maar op een gegeven moment is er geen keus meer. Wat er nu met de ijskappen in de tropen aan de hand is, het afbreken van grote stukken ijs in Antarctica, het zijn de tekenen dat het systeem aan het veranderen is. Dat dringt op een gegeven moment door de ene of andere gebeurtenis door. Het is een kwestie van psychologie: mensen moeten tot hun keuzes gedwongen worden, en dan krijg je ook een heel plotselinge omslag. De geschiedenis zit vol met van die voorbeelden, van Pearl Harbor tot de Berlijnse Muur.”

Sprookjeswereld
Het is tijd voor de grote rondleiding door het instituut. De vrieskamer in. Het is er ruim zeventig graden kouder dan buiten. De ijskernen worden standaard bewaard bij veertig graden onder nul. Gek genoeg is dat zelfs met blote armen en benen heel goed een paar minuten uit te houden, maar de medewerker die er bezig is draagt een prachtig eskimopak, compleet met capuchon-met-bontrandje. Het heeft iets van een sprookjeswereld. Eindeloze rekken met zilverkleurige kokers, waarin de stukken ijskern zitten, ijspegels aan het plafond, glibberige vloeren. Dit is het grote archief dat geheid nog wel een paar belangrijke publicaties bevat volgens Thompson: “Als je ergens heengaat waar nog nooit iemand geweest is, is de kans groot dat je iets vindt dat in Nature of Science terechtkomt”.

Overigens zijn de vrieskamers toe aan uitbreiding. Daar zal de Heinekenprijs aan kunnen bijdragen, maar Thompson is ook bezig met het opzetten van een ‘Foundation’, die moet garanderen dat het archief in stand blijft, ook als hij er niet meer is. “Wij zien wel hoe belangrijk dit is”, lacht hij, “maar als het voortbestaan af zou gaan hangen van bureaucraten…”

In het voorkamertje van de vriesruimte worden de ijskernen in plakjes gesneden. Een precies, en uiterst saai karweitje. “Degenen die dat werk doen krijgen altijd voorrang als we een team samenstellen om ijs te gaan boren. Dat motiveert enorm,” lacht Thompson. De helft gaat overigens weer terug de ijskast in, om te wachten op nieuwe analysetechnieken, waarmee je nog meer aan het licht kunt brengen. Thompson verwacht dat het binnenkort mogelijk zal zijn ook de geschiedenis van branden af te lezen uit het ijs: “Dan weet je hoe vaak het Amazonegebied gebrand heeft voordat er mensen waren. Wat is de natuurlijke cyclus?”

Ouderwets
Verderop ruikt het naar een ouderwetse werkplaats, en het blijkt inderdaad zo te zijn dat werkelijk alles zelf bedacht en gemaakt wordt door het team van Thompson. Niet alleen de machine die vierentwintig uur per dag, dag in dag uit, ijsmonsters analyseert, maar ook al het materiaal voor de expedities. Niemand had toen ze begonnen ooit boven in de bergen ijskernen geboord. De oorspronkelijke gedachte dat je gewoon de spullen en technieken kon gebruiken die ontwikkeld waren voor de poolstreken was een fikse misrekening. De eerste expeditie liep stuk op het feit dat de boor niet naar boven te krijgen was: veel te groot en zwaar. Zo ontstond de eerste demontabele boor, die werkt op zonne-energie.

Opslag en vervoer zijn in de tropen natuurlijk ook een enorm punt. Maar Thompsons inventiviteit en organisatietalent zijn grenzeloos. Hij zit vol prachtige verhalen: over per heteluchtballon afgevoerde ijskernen, over een vuilnisbelt in Tanzania waar hij een grote vriezer vond, overgebleven van een mislukt visserijproject, over een stukgegane generator en een vriendelijke Hollander in den vreemde, die Thompsons verzamelde materiaal toen wekenlang met zijn eigen generator koelde, over de wolken in Tibet die het gebruik van zonne-energie in de weg zaten, en nog veel meer.

Inmiddels heeft hij zijn vierenveertig expedities in vijftien verschillende landen achter de rug. Het heeft zijn blik op de mensheid geen kwaad gedaan. Hij geeft hoog op van de vriendschappen, de individuele samenwerkingsverbanden, de belangeloze medewerking van toevallige bewoners. Zijn conclusie: “Ze willen ons tegenwoordig wel eens anders doen geloven, maar echt, uit welke cultuur ze ook komen, alle mensen zijn overal hetzelfde.”

Onder de kop ‘Bevroren tijd’ verscheen een ingekorte versie van dit interview in Het Parool van 20 september 2002.

“Onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek”

Hij is nummer zeven uit tien kinderen, zijn wetenschappelijke hartstocht is te begrijpen hoe we spreken, en privé kan hij niet zonder muziek. Met prof.dr. W.J.M. Levelt heeft de Akademie een president die het speciaal opneemt voor vrouwen, en die kan vertellen dat we twee keer zo snel denken als we spreken.

“Ik heb slechts nieuws voor je”, sprak hij eerder dit jaar tegen zijn zoon, “ik word je werkgever.” Christiaan Levelt, neurobioloog bij het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut begreep het meteen: “Echt waar, word je president van de Akademie?” riep hij enthousiast uit. Het was echt waar, en sinds 1 mei is het ook een feit: na bijna een kwart eeuw KNAW-lid geweest te zijn zonder in die organisatie ooit maar een bestuursfunctie te bekleden, is prof. Pim Levelt begonnen aan een driejarige termijn als president.

Langer zal het ook niet worden. Levelt: “Ik ben nu 63, en je mag niet ouder zijn dan 65 bij het begin van je ambtsperiode. Daarna heb ik dan nog een jaar op mijn instituut.” Zijn instituut, een onderwerp dat steeds terug zal blijken te keren tijdens het gesprek in de statige bestuurskamer in het Amsterdamse Trippenhuis, waar Levelts laptopje bijna detoneert. Al sinds de oprichting in 1980 is Levelt – van huis uit psycholoog en zelf gespecialiseerd in hoe spreken in zijn werk gaat – directeur van het Max Planck Instituut voor psycholinguïstiek in Nijmegen. Het is van een van de weinige buiten Duitsland gevestigde instituten van de Max Planck Gesellschaft, dat je op zijn beurt weer als een van de Duitse wetenschapsacademies kunt zien. 

Levelts ervaringen bij ‘Max Planck’, zoals hij het in de wandeling noemt, komen hem nu al van pas. “Ik weet wat een instituut is, ik snap dat”, zegt hij bijvoorbeeld. Dat onderdeel van zijn nieuwe functie heeft hij meteen voortvarend ter hand genomen. Nog voor zijn aantreden is hij bij alle veertien Akademie-instituten, inclusief dat waar zijn zoon werkt,  kennis gaan maken.

Vrijer

Levelt: “Je bent op dat moment nog wat vrijer in je gesprek. Ik ben ook overal open ontvangen. Het is me heel goed bevallen.” Hij kijkt erbij of hij er inderdaad plezier aan beleefd heeft, en gaat verder: “Ik kan niet voorkomen dat ik voortdurend die organisaties met elkaar vergelijk. En dat leidt dan tot… gedachten, ideeën. Dit zal denk ik het minst moeilijke deel van mijn functie zijn om greep op te krijgen.”

In het feit dat zijn eigen instituut – waar met behulp van uiteenlopende technieken talloze experimenten gedaan worden die inzicht moeten geven in hoe we taal leren, produceren en verwerken – bij uitstek interdisciplinair is, ziet Levelt ook aanknopingspunten: “Ik heb hier bij de Akademie te maken met die twee clusters: levenswetenschappen en geesteswetenschappen. Daartussen is echt sprake van een cultuurverschil. Ik ken dat, bij het Max Planck Gesellschaft moet ik ook verantwoording afleggen aan zowel de Biologisch-Medizinische sectie als aan de Geisteswissenschaftliche.”

Bij de twee Akademieafdelingen Natuurkunde en Letterkunde is er weinig plaats voor leden die werkzaam zijn op een gebied dat put uit verschillende vakken. Een rechtstreeks gevolg van het coöptatiesysteem. Levelt:  “Op een gegeven moment wordt iemand emeritus, en dan wordt er gezocht naar een nieuw lid op ongeveer hetzelfde terrein. Zo mis je op den duur nieuwe ontwikkelingen. Er is wel wat beleidsruimte bij beide afdelingen voor sectie-overstijgende leden, maar het is weinig, en bij de afdeling Letterkunde is hij gewoon veel te klein.”

Mooi en trendy

“Overigens vind ik interdisciplinariteit niet op zichzelf nastrevenswaardig. Het klinkt gauw mooi en trendy, maar wanneer je de basisdisciplines niet voor de volle honderd procent beheerst dan heb je er nog niks aan. Maar er zijn wel veel vakken zo ontstaan, zoals de biofysica, en natuurlijk de psycholinguïstiek. Soms groeit er een nieuwe wetenschap uit, en soms worden vakken tot elkaar gereduceerd, maar feit is dat belangrijke problemen vaak onoplosbaar blijven wanneer je niet van verschillende disciplines gebruik maakt.”

Zoals de vraag hoe de ‘kennisverwerkende mens’ in elkaar zit. Het zeer breed en sterk groeiende onderzoeksgebied dat de koepelterm ‘cognitiewetenschap’ gekregen heeft, is er zo een waarvoor in de KNAW op dit moment in feite geen ruimte is. “Er is geen sectie, geen adviesraad, helemaal niets”, zegt Levelt. Terwijl het terrein floreert en zo belangrijk is. Levelt loopt er helemaal warm voor: “Hoe doe je kennis op, hoe geef je het door, hoe transformeer je het, kun je er bestanden in een machine van maken? Dat is allemaal hoogst actueel. Het is een heel conglomeraat aan wetenschappen dat in onze kennismaatschappij niet weggedacht kan worden.”

Eenzijdig menu

“Er moeten secties en adviesraden bij komen in die multidisciplinaire hoeken. Ook over informatica wordt gesproken.” Dat zou ook gevolgen hebben voor de ontmoetingsfunctie van de Akademie, waarvan Levelt zegt: “Dat is het enige aspect dat ik al kende. Ik heb het altijd enig gevonden, en nog. Ik heb al die jaren natuurlijk wel een beetje een eenzijdig menu gehad bij de afdeling Letterkunde. Iedereen gaat toch zijn vaste gangetje naar bijeenkomsten en lezingen van zijn eigen afdeling. Ik verheug me erop om voortaan bij de vergaderingen van alletwee de afdelingen en hun besturen te zitten.”

Levelt voorziet niet veel problemen op dit vlak. Rest nog de adviesfunctie van de Akademie. “Dat is nieuw voor me, dat moet ik leren”, zegt hij. “Het betekent leren opereren met gemeenschappelijke belangen. En die liggen altijd wel ergens. Of het nu om de VSNU, of om NWO, of het ministerie of wat dan ook gaat. Soms zijn overeenkomsten makkelijk te vinden, soms concludeer je: daar spelen heel andere overwegingen een rol. En dan is er maar een beperkte coalitie mogelijk. Persoonlijke contacten zijn in elk geval heel belangrijk. Wat dat betreft komt het heel goed uit dat degenen aan het hoofd van de VSNU en NWO en ik elkaar al lang kennen. En ik heb het gevoel dat iedereen zonder geheime agenda’s werkt.”

Verwaarlozing

Ondertussen strooit Levelt overigens al lustig rond met adviezen. In zijn rede, in een hele reeks interviews, en ook nu weer wordt hij bijvoorbeeld niet moe te wijzen op de verwaarlozing van talent in de wetenschappelijke wereld. Zoals oudere onderzoekers die zo bedolven raken onder bureaucratie dat ze aan onderzoeken niet meer toekomen, en vrouwen die afhaken omdat er geen goed beleid gevoerd wordt.

Over die laatste groep maakt hij zich bijzonder druk. Levelt: “Het is treurig gesteld met het vrouwenbestand, en je komt er niet vanaf met zeggen: het is nu eenmaal overal zo. Dat is namelijk niet waar. Je hebt hier nog steeds niet meer dan vijf procent vrouwelijke hoogleraren. In Frankrijk heb je er iets van drie keer zoveel, in Duitsland twee keer. Ik heb wel eens horen zeggen dat dat te maken heeft met de oorlog, toen in Frankrijk en Duitsland de vrouwen de economie veel meer hebben overgenomen dan in Nederland.”

Privémiddelen

Er is zeker iets aan te doen, denkt Levelt. Hij vertelt weer over het Max Planck Instituut, waar op kleine schaal vrouwen als ze dat willen drie jaar kunnen thuisblijven nadat ze een kind hebben gekregen. Hun baan blijft bestaan, en het gevolg is dat ze behouden blijven voor de wetenschap, en vaak ook tijdens die periode bijvoorbeeld een dag in de week wel degelijk doorwerken en zo bijblijven. Maar iets dergelijks overal invoeren gaat niet een-twee-drie. Levelt: “Max Planck heeft privémiddelen. De wettelijke regeling staat het niet toe het zo te doen. Maar zo’n experiment kan wel een voorbeeldfunctie hebben.”

Net zoals de ene vrouw een voorbeeldfunctie voor de andere kan hebben. “Mijn ervaring bij Max Planck is dat vrouwen vaak niet verder gaan als er geen uitdager is”, vertelt Levelt. “Er moet een begeleider zijn die zegt: je bent echt goed, en godverdorie, dóe dat onderzoek nou. Die persoonlijke benadering is belangrijk. Blijkbaar hebben vrouwen niet genoeg gehoord dat ze goed zijn. En er zijn ook echt vrouwelijke hoogleraren nodig als rolmodel voor het jongere niveau.”

Het is bijna een ouderwets gesprek. Blijkbaar veranderen de dingen maar langzaam, ook al ziet Levelt wel enige verbetering, zelfs in het aantal vrouwelijke Akademieleden. En de tijd dat het een hoge uitzondering was dat een vrouw natuurkunde ging studeren, zoals zijn moeder aan het begin van twintigste eeuw deed, is echt voorbij. Levelt is nummer zeven van tien kinderen. “Een goed katholiek gezin, ja”, lacht hij, “dat kun je ook al zien aan de hoeveelheid voorletters die ik heb.”

Dat zijn moeder haar vak nooit beoefend heeft na haar trouwen hoeft geen verbazing te wekken. Levelt: “Maar het was voor mij heel gewoon om mijn moeder als ik iets niet snapte mijn wiskundeboek onder de neus te houden terwijl ze in de soep stond te roeren of iets dergelijks. Dat dat bijzonder is realiseer je je pas later.” Zijn vader was scheikundige, en heel wat kinderen zijn in de wetenschap terechtgekomen. Net zoals er van Levelts eigen drie kinderen nu twee onderzoeker zijn.

Levelt groeide dus niet op met het idee dat wetenschap iets raars of verwegs was. Werd er thuis aan de eettafel met regelmaat over gepraat? Hij lacht: “Ik herinner me vooral lawaai. Het was schreeuwen dus dat we deden.”  We praten toch even door over praten, het onderwerp dat Levelt al heel lang met hartstocht bestudeert. Hij heeft er altijd intrigerende feiten over paraat: dat we twee à drie woorden per seconde uitspreken, maar dat dat in een heftig gesprek wel op kan lopen tot zeven. Dat we zo’n honderd spieren en spiertjes gebruiken als we praten. En nog gaat het te langzaam.

Dat zou je althans op kunnen maken uit recente metingen. Heel veel van wat er in de psycholinguïstiek wordt gedaan, draait om het meten van reactietijden, waarvoor de technieken in de loop van de tijd zeer verfijnd zijn. En inmiddels kun je behalve wannéér desgewenst ook nog zien waar in iemands hoofd er iets gebeurt. Terugkerend element is het benoemen van plaatjes.

Snelle geest

Levelt: “Ik onderzoek hoe snel je een woord produceert. Normaal, als je iemand een plaatje van bijvoorbeeld een boom laat zien, duurt het zo’n zevenhonderd milliseconden voor hij begint dat woord uit te spreken. Dat heb je dus nodig om een woord te vinden en ook de bijbehorende vorm ‘klaar te zetten’. Maar je kunt dat ook storen, lastiger maken. Door bijvoorbeeld tegelijk met het laten zien van die afbeelding het woord ‘boot’ te laten horen, of ‘kast’. Het blijkt dat ‘boom’ zeggen sneller gaat als je ze ‘boot’ laat horen dan als je ze ‘kast’ laat horen. Met andere woorden: de productie wordt beïnvloed door de perceptie. We weten nu kwantitatief hoe dat zit, maar hoe het precies in zijn werk gaat, en hoe perceptie en productie samenhangen is nog een andere vraag.”

Om daar weer iets meer van te snappen wordt er op het instituut ook gekeken naar de ‘monitoring functie’. Levelt legt uit: “Je luistert altijd naar jezelf. En als er iets fout gaat in je overte spraak kun je heel snel stoppen en corrigeren. Maar je hebt ook je interne spraak. Die vertelt je wat er fout zou zijn geweest als je wat er al ‘klaarstond’ gezegd had. Het verschil kun je horen aan het verschil tussen ‘Nu ga je rechts, eh.. links af’ en ‘Nu ga je ..eh, links af’. Ook dat blijk je te kunnen beïnvloeden. Je kunt het externe kanaal uitzetten, door iemands oren te vullen met ruis, zodat hij zichzelf niet meer hoort praten. Dat geeft een ander type correcties dan wanneer je andere soorten dingen laat horen.”

“Nu doen we ook experimenten met interne spraak waarbij we echt naar binnen kijken. We meten hoe snel iemand reageert als we een plaatje laten zien. En het blijkt dat dat ongeveer twee keer zo snel gaat als overte spraak. Hoe snel we ook kunnen praten, onze echte beperkingen als spreker zitten in onze trage motoriek. De geest is snel, het vlees is zwak, zou je dat kunnen samenvatten. Daarom lees je ook veel sneller dan je kunt praten. En opgenomen spraak kun je met een factor vier inkrimpen. Ruw gezegd: als je de frequentie hetzelfde laat, en elke vierde periode eruit gooit, dan nog kun je wat je overhoudt prima verstaan.”

Er zijn nog meer intrigerende projecten. Bijvoorbeeld eentje over het produceren van vaste uitdrukkingen (idioom en vaste woordcombinaties), die misschien wel de helft van onze woordenschat uitmaken, en het onderdeel vormen dat je in een vreemde taal nou nooit goed onder de knie krijgt.

Maar we moeten ook nog over Levelts andere hartstocht praten: muziek. Daarin is hij een amateur, zegt hij, maar wel een die thuis een groot orgel en een kleine concertzaal heeft. Dat zijn vrouw musicus is, is daar natuurlijk ook debet aan. Zelf speelt Levelt vanaf zijn jeugd fluit, en sinds een jaar of vijftien traverso, een barokfluit waar hij lyrisch over is. “Alle klassieke barokmuziek is daarvoor gemaakt, tot Schubert aan toe”, verklaart hij. “En een moderne fluit, zo’n brutaal, luid instrument, naast een klavecimbel, dat kán echt niet in de intieme ambiance van kamermuziek.”

Genieten doet hij overigens ook van de verbanden tussen die muziek en zijn vak. “Het is veel retorica”, zegt hij. “Kenmerkend voor  barokmuziek is dat het allemaal vraag-antwoordspelletjes zijn. Het gaat om de kunst van het overtuigen, en dat is natuurlijk heel oud, gaat nog verder terug dan Aristoteles. Versterkingen, pauzes, ervoor zorgen dat je de emotie oproept bij de ander, maar hem als speler niet zelf hebt,  het zijn overtuigingsmiddelen die je in heel oude geschriften al kunt lezen.”

Wie hem de komende drie jaar tegenkomt is dus gewaarschuwd: Levelt kent zijn klassieken, ook al is hij een HBS’er. Zoals ook blijkt uit wat hij tot slot nog even zegt: “Ik wil als Akademie-president vooral niet de suggestie wekken dat ik  alles weet. Ik moet juist een kennismakelaar zijn: zorgen dat ik de aanwezige kennis aanspreek en organiseer. En er zijn ook veel dingen waar ik niks over vind.”

 

“Het was of ik de hartslag van de eeuwigheid hoorde”

 

De unieke en kostbare collecties van de Bibliotheca Philosophica Hermetica van de Amsterdammer J.R. Ritman vormen het belangrijkste deel van diens bijdragen aan de Nederlandse wetenschappen die hem nu de Akademiepenning opleveren. Ritman besteedde de winsten van zijn bedrijf in wegwerpservies voor de luchtvaart als een hedendaagse Lorenzo of Cosimo de Medici aan kunst en vooral aan de prachtigste boeken. En hij heeft ook een missie.

Glans, schittering, spiegeling. Bij de rondgang door het kantoor van zakenman, rozenkruiser en bibliotheekstichter Joost Ruben Ritman, wordt het oog er onweerstaanbaar naartoe getrokken. Het zeventiende eeuwse pand aan de Bloemgracht in Amsterdam is van binnen grotendeels bekleed met blinkend nieuw marmer. Ook Ritmans eigen bureau is gemaakt van reflecterend materiaal, en op een wel heel uitgekiende plek gezet: Ritman werkt ongeveer aan de voet van de Westertoren, maar ziet juist altijd de top van dit Amsterdamse symbool weerkaatst in zijn werkblad. Op deze zonnige voorjaarsdag is het een betoverend en ook bevreemdend gezicht.

Licht en duister wisselen elkaar ook af. Aansluitend aan een in oude staat teruggebrachte kamer vol zware, donkerbruine lambriseringen en gebrandschilderde glas-in-loodruitjes heeft Ritman (61) een ronde ruimte met een lichtkoepel laten bouwen. In de nok een carillon, dat even later zal spelen. “Dat hoort echt hier, in hartje Amsterdam, vindt u niet?”, zegt Ritman met zichtbaar plezier. In het midden, omringd door witmarmeren zuilen staat een kopie van Giam Bologna’s ranke Hermes, de Griekse god met de vleugeltjes aan zijn voeten.

Geen toeval

Dat is geen toeval, zoals niets dat is in Ritmans universum. We praten omdat dit jaar de zilveren Akademiepenning, bedoeld voor ‘personen die zich zeer verdienstelijk hebben gemaakt voor de bloei van de wetenschappen in Nederland’ aan hem is toegekend. De KNAW wil Ritman daarmee eren als schepper van de Bibliotheca Philosophica Hermetica, en als mecenas van de Nederlandse wetenschap en cultuur (zo droeg Ritman bij aan de restauratie van de Westerkerk).

De wetenschappelijke bibliotheek, waarmee Ritman in 1957 een begin maakte, ging in 1984 open voor publiek, en staat sinds 1994 op de lijst van beschermd Nederlands cultuurbezit. Jarenlang, tot aan 2000, heeft Ritman een strijd gevoerd tegen de ING Bank om zijn befaamde collectie te kunnen behouden, en waren hij en zijn bibliotheek veelvuldig in het nieuws. Maar dat is allemaal voorbij, en hij heeft duidelijk geen behoefte het er nog eens over te hebben. Zijn adembenemende verzameling van zo’n 20.000 filosofische en religieuze boeken en handschriften is veiliggesteld.

Ze bevinden zich in wat Ritman het “hermetisch vierkant” noemt: een compleet huizenblok aan de Bloemgracht, Prinsengracht en Bloemstraat, waaronder zijn eigen geboortehuis. De term ‘hermetisch’, ook in de naam van de bibliotheek, wekt op het eerste gezicht wat verwondering voor een man en een instelling die er juist alles aan doen eeuwen-, zelfs meer dan een millennium oude bronnen in de openbaarheid te brengen. Maar het woord is afgeleid van Hermes, om precies te zijn van ‘Hermes Trismegistus’, ofwel ‘de driewerfgrote Hermes’, auteur van het Corpus Hermeticum, een verzameling geschriften uit de late oudheid.

Het hermetisch opene

Deze Hermes is geen historische figuur, maar een mythische, waarin de Griekse Hermes en de Egyptische god Toth samenkomen. Ritman noemt de geschriften en die van andere Hermetische filosofen bronnen van wijsheid, van universele kennis, die door allerlei oorzaken steeds weer uit het zicht verdwenen, zoek raakten. Hij ziet het als zijn taak voor het ‘hermetisch opene’ te zorgen. Met zijn bibliotheek, met tentoonstellingen over de hele wereld.

De Hermetica heeft in de westerse cultuurgeschiedenis een veel grotere doorwerking gehad dan over het algemeen bekend is, het behoort tot de wortels van de renaissance . Maar waar draait het gedachtegoed om? Ritman vertelt er graag, bijna lyrisch over: “Het gaat om het goddelijke in het alles, om de samenhang tussen microkosmos en macrokosmos. ‘Wie zichzelf kent, kent het al’ is een heel bekend axioma. Met mijn bibliotheek wil ik de samenhang laten zien tussen zintuiglijke waarneming tegenover innerlijke gevoelsverwerking. Alleen de vijf zintuigen zijn niet genoeg. Het gaat erom dat je begrijpt wat je ziet en er iets mee doet. Dat is waar het in de kunst, de wetenschap en de religie om gaat. En de mens is de verbindende schakel tussen alles.”

En die heeft dan ook een opdracht, is Ritmans stellige overtuiging, ook als rozenkruiser. De  rozenkruisers ontstonden vier eeuwen geleden als een beweging die allerlei waarden wilde reformeren, maar vooral een innerlijke verandering van de mens voorstond. Hun ideeën leidden deels tot de theosofie en de antroposofie, maar ook de beweging zelf bestaat nog steeds, en vereist van de degenen die ertoe behoren “enige discipline” zoals Ritman het uitdrukt: “Ik ben geheelonthouder, vegetariër, rook niet, en eten doe ik om te leven, niet andersom.”

Ontspoord

Ritman denkt dat tijd rijp is om de universele wijsheden van de Hermetica weer ingang te doen vinden. “We zijn de laatste honderd jaar toch een beetje van God losgeraakt”, zegt hij. “Wetenschappelijk zijn we nogal ontspoord, en als je kijkt wat we met moeder aarde hebben uitgevoerd is dat bar en boos. We moeten terug naar schone, lucht, schone aarde, schoon water, en schoon vuur. Met niet-schoon vuur bedoel ik kernenergie. Bij de klassieken was alles nog ondergeschikt aan de wetmatigheden van de vier elementen. Daarna is de mens zelf doorgegaan en de oorsprong vergeten.”

Voor hemzelf begon het allemaal toen hij zestien was. “Ik wil nog net niet zeggen dat ik in het bad zat en ‘Eureka’ riep”, lacht hij, “maar zoiets was het wel.” Ritman herinnert zich het moment nog haarscherp, en als rechtgeaarde Amsterdamse jongen zat hij op de fiets toen het gebeurde. Onderweg naar het Leidse Plein, vanaf zijn school aan de Nieuwe Looiersstraat. “Plotseling werd ik wakker. Het was of ik de hartslag van de eeuwigheid hoorde. Ik zag een samenhangend verband tussen alles wat leeft. Het gaat om dezelfde energie, dezelfde ‘sapstroom’ noem ik het altijd maar. Het was een moment van stilte dat sterker was dan alle herrie eromheen, en ik wist: hier heb ik iets te pakken. Dit is een oproep naar iets dat ik innerlijk al wist. Toen ben ik begonnen om me heen te kijken en ik ben op reis gegaan. In het zuiden van Frankrijk is het begin van de bibliotheek ontstaan.”

Ritman ziet allerlei lijnen lopen uit de oudheid en Byzantium, via Florence en Venetië in de renaissance, en het zeventiende eeuwse Amsterdam naar nu. Zo redde de Venetiaanse kardinaal Bessarion bij de val van Constantinopel vele Hermetica-handschriften, zorgde hij voor vertalingen in het Latijn, waardoor de invloed van de erin vervatte denkbeelden verder kon. In de vijftiende eeuw was er in Italië, bij het ontstaan van de renaissance een vergelijkbaar klimaat als in het Amsterdam van de zeventiende eeuw. Ritman: “Het juk kon afgeworpen, er was ruimte voor nieuwe denkbeelden. Wat mij ongelooflijk ging boeien was dat ik erachter kwam dat alles wat er gaande was in Europa in Amsterdam gedrukt werd. Alle literatuur.Van binnen- maar ook van buitenlandse auteurs. Het was hier een vrijplaats, waar vrijheid van de pers heerste. Het laatste vacuüm in Europa”

Juist in dezelfde buurt waar we ons bevinden was heel veel gaande. We gaan naar buiten. Ritman loopt, wijst, en groet en passant even zijn kleindochter die net uit een van de huizen komt. “Ik heb zeven kinderen en vijftien kleinkinderen” vertelt hij met onverholen trots. Maar verder gaat het met verhalen over Bruno die door de inquisitie veroordeeld werd voor de inzichten die hij deels uit de Hermetica had opgedaan. Ritman: “Het was een voortzetting van Copernicus, hij was tot het inzicht gekomen dat de aarde om de zon draaide, en dat was tegen de kerkleer”. Bruno werd op het Piazza dei Fori, vertaald: het Bloemenplein in Rome op de brandstapel gezet. “En nu zijn we hier op de Bloemgracht, en staat hier de bibliotheek”, zegt Ritman stralend. Nee, toevallig is dat niet, want toeval bestaat niet. 

Zo is er veel meer op en rond dit punt in de stad gebeurd. Ritman: “De gebroeders Blaaue maakten daar hun kaarten. Het was de tijd van de VOC en dat alles in kaart werd gebracht. En even verderop zat Rembrandt. Nederland was ook enorm vooraanstaand in de wetenschap toen.”

De rondleiding door de bibliotheek, ook het deel met de incunabelen en handschriften dat niet voor het publiek toegankelijk is, is bijna duizelingwekkend. Zo veel, en zo veel bijzonders. Opdrachtexemplaren van Lorenzo de Medici, de Roman van de Roos, Geheime Rozenkruisers. En vaak de schitterendste tekeningen, miniaturen en andere verluchtigingen. In zwart, maar ook heel veel in kleur. “Als mijn kinderen over stripboeken beginnen, zeg ik altijd dat ik het eerste stripboek heb”, zegt Ritman, bladerend door een uiterst kostbaar boek dat geheel uit tekeningen bestaat. 

Alle panden gaan we af. Het hele hermetisch blok, ook langs het huis waar hij trouwde en dat waar zijn eigen uitgeverij ‘In de Pelikaan’ geboren werd. Trappen en trapjes op, trappen en trapjes af. Hier de Hermetica, daar de Alchemie, de Rozenkruisers, de Mystiek. Dat zijn de vier hoofdverzamelgebieden. Allemaal onderwerpen die met elkaar verbonden zijn. En er is nog veel meer. Van esoterie en vrijmetselarij tot symboliek en William Blake. Om een echt idee te krijgen zijn talloze bibliotheekbezoeken nodig.

We gaan terug naar gelambriseerde kamer uit 1625. Ritman is verguld met de toekenning van de Akademiepenning. “Ik streef geen eredoctoraat na”, zegt hij, “dat spreekt me helemaal niet aan. Maar dit is een erkenning waar ik heel blij mee ben. Ik noem het ook een herkenning. We hebben hier dagelijks contact met vierhonderd instellingen en personen waarmee we kennis uitwisselen. Er is nu aan de Universiteit ook de leerstoel Hermetica, in ’99 hadden we de tentoonstelling in Florence, in 2000 een in Rome, en nu wordt de laatste hand gelegd aan een tentoonstelling over Bessarion die in de Bibliotheca Marciana, aan het San Marcoplein in Venetië te zien zal zijn.” Ritman klinkt tevreden. Hij heeft veel bereikt, vaak tegen de stroom in. “Ik ben nooit opzij gegaan voor agressie”, zegt hij tot slot glimlachend.

Het bezoekadres van de Bibliotheca Philosophica Hermetica is Bloemstraat 13-19 in Amsterdam. Telefoon: 020-6258079 of 020-6259096, fax: 020-6200973, e-mail: bhp@ritmanlibrary.nl. Geopend van maandag tot en met vrijdag van 9.30 uur tot 17.00 uur (maar tussen half een en half twee gesloten, en tevoren een afspraak maken wordt op prijs gesteld). Tentoonstelling tot 31 mei: ‘De Schepping in focus, Platonische, Gnostische, Joods-Christelijke en Hermetische scheppingsverhalen in handschriften en oude drukken uit eigen bezit’. Meer informatie op www.ritmanlibrary.nl.

“Indonesië en Nederland moeten allebei nog dekoloniseren”

De ‘affaire Pronk’ — die ten onrechte zo heet — is voorbij, maar het koloniale denken nog lang niet, zegt prof. dr. Henk Schulte Nordholt. Hij is coördinator van een groot wetenschappelijk samenwerkingsprogramma tussen Nederland en Indonesië, over Indonesië in de overgangsfase. Het taboe op de Nieuwe Orde wordt doorbroken, betjak-rijders vertellen hun levensverhaal, studenten huilen bij het zien van de oude communistische leiders. Een tevreden onderzoeksleider aan het woord.

“Het hing bij ons thuis niet vol met Wajang-poppen, en er kwamen meestal gewoon aardappels op tafel, geen rijst.” Henk Schulte Nordholt (48) lacht. Hij wil maar zeggen dat het niet vanaf zijn vroegste jeugd vaststond dat Indonesië zijn onderzoeksterrein zou worden, ook al was zijn vader er bestuursambtenaar en zijn er ook elders in de familie allerlei banden met de vroegere Nederlandse kolonie.

Daardoor kreeg hij wel min of meer vanzelf een bovengemiddelde belangstelling mee voor het land, maar van Schulte Nordholt vallen verder zeker geen tempo doeloe– en andere nostalgische sentimenten te verwachten. Nou ja, hij wil nog wel even vertellen van het genoegen dat hij heeft beleefd aan het wonen en onderzoek doen op Bali, waar begin jaren zeventig nog lang niet overal elektriciteit was, en waar hij zich in de jaren tachtig met zijn gezin ver van de toeristengebieden hield.

Maar ons gesprek in het Spinhuis in hartje oud-Amsterdam, waar het afdeling Antropologie en Sociologie van de UvA gevestigd is, gaat keer op keer over de harde noodzaak van dekolonisatie. En het zijn zowel de Nederlanders als de Indonesiërs die volgens hem de geschiedschrijving moeten dekoloniseren.

Scheidslijnen

Schulte Nordholt is historicus en bijzonder hoogleraar Aziatische geschiedenis aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, maar in Amsterdam zit hij ook bij antropologie. Hij vertelt dat met kennelijk genoegen. In strikte scheidslijnen tussen vakgebieden gelooft hij niet erg, en dat komt goed uit voor zijn werk als de coördinator van twee van de zes onderdelen van een in 2000 begonnen breed opgezet onderzoeksverband tussen Nederland en Indonesië. In Nederland is de KNAW organisator en financier van het programma.

‘Indonesia in Transition’ is het kopje waaronder vier samenhangende projecten vallen, waaraan onder Schulte Nordholts leiding nu ruim een jaar gewerkt wordt in zowel Nederland als Indonesië. Gelijkwaardigheid van de partijen is het uitgangspunt. Schulte Nordholt: “Er doen zo’n twintig mensen aan mee, jonge en senior onderzoekers, en het is gelijk verdeeld over de twee nationaliteiten. Het idee is ook dat beide landen evenveel geld bijdragen, maar daar wordt nu iets minder streng de hand aan gehouden. Het is in Indonesië natuurlijk toch veel moeilijker middelen voor zoiets als dit te vinden.” 

Gezellig ziek

Vorig jaar is iedereen al een paar weken bijeen geweest voor een workshop in de universiteitsstad Yogyakarta op Java. “Dat heeft uitstekend gewerkt”, vertelt Schulte Nordholt, die zich een tevreden coördinator noemt, opgewekt, “aldoor samen in een hotel, gezellig ziek worden van hetzelfde eten.” De slotconferentie in 2004 zal in Amsterdam bij de Akademie gehouden worden.

Sinds kort heeft Schulte Nordholt ook het juridische programma onder zijn vleugels: “Dat heeft een jaar achterstand opgelopen, maar is nu echt begonnen. In de samenwerking zal daar misschien nog het lastigste zijn elkaars ‘taal’ te leren begrijpen. Juristen en sociale wetenschappers hebben nogal verschillende manieren van kijken. Bij dit onderdeel zullen we ons vooral op de juridische praktijk moeten richten, niet zozeer op de formele regelgeving.  Die Indonesische praktijk is heel anders dan hier. Alles heeft zijn prijs daar. Er is in feite geen zuivere rechter te vinden, corruptie maakt nu eenmaal onlosmakelijk deel uit van het systeem.” 

Geschiedvervalsing

Schulte Nordholt: “Het opzetten van dat wetenschappelijke programma Nederland-Indonesië was het einde van wat tien jaar geleden ten onrechte ‘de affaire Pronk’ is gaan heten, toen alle samenwerking  met Indonesië werd stilgelegd.  Dat Pronk de schuld daarvan kreeg is geschiedvervalsing. De aanleiding was een schietpartij in Oost-Timor. Dat deed hij niet, hij reageerde er alleen netjes op. Bovendien was Ritzen minister van Onderwijs en Van den Broek minister van Buitenlandse Zaken, en viel het dus ook onder hun verantwoordelijkheid.”

Maar lastig was het op het gebied van wetenschappelijk onderzoek ook daarvoor al. Schulte Nordholt schetst een deel van de geschiedenis: “Begin jaren zeventig was er een einde gekomen aan de grote stilte. In Nederland heeft men volstrekt de boot gemist. De Amerikanen namen het met hun ‘area studies approach‘ helemaal over, want hier dacht men dat het niks kon wezen als je niet grondig getraind was in Leiden, zoals de traditie wou. Het gevolg was dat we met een eiland aan koloniale kennis zaten, waar niets mee gebeurde. Onderzoekers gingen zich in plaats daarvan op Afrika en de niet-westerse sociologie richten, al vonden de Indonesiëkenners elkaar min of meer ondergronds nog wel. Na een staatsbezoek van Juliana en Bernhard werd er een cultureel akkoord gesloten en toen is men vanuit Nederland heel voorzichtig van alles gaan bestuderen. Behalve de Nieuwe Orde.”

Taboe

Dat onderwerp blijkt aan twee kanten behoorlijk taboe. Over de zeer gewelddadige overname van de macht in 1965 door generaal Soeharto, waarbij minstens een half miljoen mensen is omgekomen, is in Indonesische geschiedenisboeken nauwelijks iets terug te vinden. En ook niet over wat eraan vooraf ging: dat gaat niet veel verder dan de mededeling dat er een communistische coup voorkomen werd. “Maar dat was helemaal geen afscheidingsbeweging”, zegt Schulte Nordholt. Die Nieuwe Orde heeft dan ook geduurd tot een paar jaar geleden, toen Soeharto moest aftreden.

Schulte Nordholt is zelf ook uit de voorzichtige onderzoekstraditie voortgekomen, maar nu ziet hij een nieuwe generatie groeien die het gaat overnemen. En die deels onderdak heeft gevonden in het ‘Indonesia in Transition’-programma. De benaming is sinds de start niet minder waar geworden, Indonesië is en blijft op ongeveer alle terreinen aldoor hevig in beweging en waar het heengaat is vaak niet duidelijk. Dat is ook wat Schulte Nordholt het meest intrigeert: “Hoe zal het eruit zien in 2010? Alle elementen daarvoor moeten nu aanwezig zijn. Waarvan zullen we straks zeggen dat het achteraf zonneklaar was waar het heenging?”

Wat nog niet wil zeggen dat voorspellingen onmogelijk zijn. “Soms zie je echt een prefab-conflict”, zegt Schulte Nordholt. “Deels is het recente geweld etnisch, deels religieus bepaald. Zo zijn ze nu op veel plaatsen de christenen aan het buitensluiten, die van oudsher een bevoorrechtere positie hadden. Je kunt de gebieden zo aanwijzen. Dat het in 2000 in Kalimantan misging kon je echt aan zien komen.”

Kremlin-watchers

Het door Schulte Nordholt zelf op verzoek geschreven onderzoeksprogramma is gericht op het op de voet volgen van gebeurtenissen in allerlei regio’s. “We willen niet de zoveelste generatie Kremlin-watchers opleiden,” zegt hij. “Onder Soeharto ging het echt op die manier. Wij vinden het belangrijk ook regionaal te kijken, niet alleen naar Jakarta. Dat neemt trouwens niet weg dat we vorig jaar in de bundel van onze workshop ook een artikel hadden van mensen die over de laatste dagen van de toen net afgezette president Wahid konden vertellen.”

De actualiteit speelt bij alle onderdelen van het KNAW-programma een rol. ‘Omgaan met de crisis in Indonesië’ is de veelzeggende naam van een van de vier projecten, een ander gaat onder meer over de rol van de media. De studentenopstand die Soeharto uiteindelijk verdreef staat te boek als de eerste internetrevolutie, en het onderzoek richt zich inderdaad bijvoorbeeld op de manier waarop de studenten elektronisch met elkaar praten, maar Schulte Nordholt wil graag benadrukken dat het niet alleen om de allermodernste media gaat: “Je moet dat niet te modieus bekijken” zegt hij. “Bij nader inzien bleken voor de studenten hun mobiele telefoons nog belangrijker dan de e-mailgroepen. En juist in al die regio’s speelt de radio een grote rol. Daar zit iedereen met zo’n transistor tegen zijn oor. Daar gaan we zeker ook aandacht aan besteden. Verder wordt er gekeken naar het beeld dat gegeven wordt in speelfilms en in reclames.”

Jaren vijftig

Over het project ‘Rethinking Regionalism’ legt Schulte Nordholt uit: “Het idee van een natiestaat was echt iets van de jaren vijftig, de tijd dat de Nederlanders net verdwenen waren en Soekarno aan de macht was. De ‘eenheid’ in die veelheid aan bevolkingsgroepen en godsdiensten en talen was daarvoor altijd met geweld afgedwongen. Die historie gaat ver terug, en nog steeds is het leger een enorme machtsfactor in het land.”

“Presidenten kunnen zich in feite niet handhaven zonder de steun van het leger, ook de huidige Megawati Soekarnopoetri niet. Zij wil overigens, in de voetsporen van haar vader, wel weer meer aan de eenheid van het land doen, maar het idee van een natie, die breed gedragen wordt, was alleen in de jaren vijftig populair. Gaandeweg is het geloof in de democratie verdwenen. Vergeet ook niet dat er eigenlijk alleen onder Soekarno geëxperimenteerd is met de democratie, en zijn eerste zorg lag daar ook niet.”

Ook weer samenhangend met het regionalisme/decentralisatieproject is er nog het onderzoek naar het idee van de ‘Civil Society’ in Indonesië. Schulte Nordholt: “Dat begrip kom je veel tegen, maar het betekent lang niet overal hetzelfde. In essentie gaat het om wie namens wie mag spreken in de maatschappij. Binnen de Islam denken ze daar heel anders over dan elders. Het komt voort uit de NGO’s, de niet-gouvernementele organisaties, waarvan je er heel veel, echt honderden hebt in Indonesië. Dat zijn de netwerken van de samenleving. Maar het gaat niet automatisch over in democratie. Waar het wel heen gaat is niet te zeggen, dit is echt een open-ended project.”

Tranen

Intussen is veel van wat er in de recente historie in Indonesië allemaal speelde nauwelijks meer bekend, een van de redenen dat Schulte Nordholt stelt dat het land zijn eigen geschiedenis moet gaan (her)schrijven, wil het ooit een kans maken. De behoefte dat te doen bespeurt hij genoeg, ook al trekt er nu alweer een beginnende bewolking over de nieuwe openheid. Maar de eerste massagraven uit het begin van de Nieuwe Orde zijn opgegraven. En hij vertelt over een Indonesische student, die van de week in tranen was bij het zien van een film over de communistische leiders eind jaren vijftig. Schulte Nordholt: “Ik geef een groep over politiek geweld, en die student kon er nauwelijks over uit: ‘Zo zagen ze er dus uit, die politieke leiders hebben echt bestaan!’ Materiaal is overigens wel te vinden als je goed zoekt, ook in Nederland.”

Betjak-rijder

En het materiaal moet ook gemaakt: de geschiedenis moet opgetekend worden.  Enthousiast verhaalt Schulte Nordholt over hoe dat nu gebeurt in Indonesië: “De boodschap is ook een beetje dat het hele volk zelf mee moet doen. Tijdens de training in Yogyakarta hebben we geoefend en dat gaat heel goed. Dan koop je bijvoorbeeld een ochtend van een betjak-rijder, zo iemand met een fietstaxi, en dan laat je die zijn levensverhaal vertellen. Heel uitvoerig, met details over hoe het eruit zag, hoe je dan naar school liep en nog veel meer. Ook hier in Nederland blijken mensen als ze eenmaal over het eerste idee heenzijn dat het toch niet interessant is graag te vertellen over hun Indiëtijd.” De aldus opgetekende staaltjes oral history zullen vervolgens vergeleken worden met  kranten en andere media uit de beschreven tijd. Hoe schreef men op het moment zelf over gebeurtenissen?

Maar ondertussen heeft ook Nederland nog heel wat dekolonisatiewerk te verrichten. De manier waarop er tegen onze Indiëtijd en de periode daarna wordt aangekeken deugt in de ogen van Schulte Nordholt nog helemaal niet. Ook wij moeten onze geschiedenis (her)schrijven. “Vorig jaar zat bij geschiedenis het onderwerp ‘350 jaar relaties Indonesië-Nederland’ in het eindexamen. Alsof er gelijkheid was! Ik heb dat allemaal goed gevolgd, omdat mijn zoon toen toevallig eindexamen deed. Dan zei ik: ja, leer het maar zo, want dat willen ze horen, maar dat je nog steeds de vraag tegenkomt ‘wat ging er bij ons mis dat Indonesië onafhankelijk geworden is?’ laat iets zien van hoe koloniaal er  nog gedacht wordt. Nog altijd wordt er ook over ‘excessen’ en ‘incidenten’ gesproken, niet over oorlogsmisdaden.”

 

HET WETENSCHAPPELIJK PROGRAMMA NEDERLAND-INDONESIË 2000-2004

Buiten het ‘Indonesia in Transition’-programma, en de samenwerking op juridisch gebied zijn er nog vier grote thema’s waarbinnen Nederland en Indonesië momenteel gezamenlijk onderzoek doen.

Onder ‘Toegepaste wiskunde’ vallen onder meer mathematische modellen van de kustwateren en industriële mathematica.

De koepelterm ‘Religieuze Studies’ herbergt bijvoorbeeld onderzoek naar religieus gezag, en mystiek (fatwa’s, de Tarekat– en Dakwah-bewegingen), en naar de rol van onderwijs.

De invulling van het thema ‘Biotechnologie’ is werken aan de verbetering van een aantal gewassen, waaronder rijst, tomaat en cassave.

Binnen het thema ‘Infectieziekten’ tot slot wordt samengewerkt aan onder andere tuberculose, tyfus, lepra en resistentie tegen antibiotica.  

Uitvoerige informatie over alle onderdelen van het programma is te vinden op de speciale website: www.knaw.nl/indonesia.

‘Als je temperatuur stijgt, begin je wakker te worden’

Het verband vinden tussen slaap, licht en donker, warmte en kou, ouder worden en cognitieve functies zoals vooruit kunnen denken, is in heel kort bestek het programma waarvoor dr. Eus van Someren van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek een ‘Vernieuwingsimpuls’ kreeg toegekend. De passies van een psycholoog en popster.

“Beesten gaan dood als ze niet slapen”, zegt dr. Eus van Someren, “maar waaraan weten we eigenlijk niet. Hun hele energiehuishouding verandert: ze koelen af, gaan tegen de klippen op eten, steeds meer, uiteindelijk krijgen ze wonden aan hun huid. Het is heel naar.”

\Slaap is een van de twee grote passies in het leven van neuropsycholoog Van Someren (41): “Ik heb niet het gevoel dat ik naar mijn werk ga als ik me met slaap bezighoud”, glimlacht hij. Althans, met mensenslaap, want zelf onderzoek met ratten doen beviel hem maar matig. Inmiddels heeft hij alle gelegenheid zijn hartstocht uit te leven. Slaap en hersenen, en hun effecten op het functioneren in het dagelijks leven van oudere mensen, daarom draait het in het zeer brede onderzoeksprogramma waarvoor hij eerder dit jaar een zogeheten ‘NWO Vernieuwingsimpuls’ (groot: anderhalf miljoen gulden) kreeg toegekend.

Oude mensen
Dat oude mensen vaak slecht slapen is bekend, dat dementerenden hun dag- en nachtritme kwijtraken ook. Slecht slapen is aantoonbaar slecht voor zowel je lichamelijke als je geestelijke gezondheid. Maar over onder meer de achterliggende mechanismen, en de gevolgen voor dingen als concentratie en geheugen, én de mogelijkheden slaappatronen te beïnvloeden, valt nog heel veel te ontdekken. En als dat lukt zou dat het leven van grote groepen van de bevolking aanmerkelijk kunnen verbeteren. Vanwaar Van Someren al dat onderzoek het beste kan coördineren wordt overigens nog bekeken. Voorlopig blijft hij werken bij het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH), het Akademie-instituut van prof. Dick Swaab dat vastgebouwd is aan het Amsterdamse Academisch Medisch Centrum.

Daar praten we, in een kamertje naast het slaaplaboratorium. Waarom slaap? Van Someren: “Omdat het een enorme verandering in het hele functioneren van de hersenen oplevert. Je doet het een derde van de tijd, en we begrijpen er nog maar weinig van.” Slaapt hij zelf soms slecht? Hij moet er een beetje om lachen, want de vraag viel natuurlijk te verwachten. Inderdaad: Van Someren wil nog wel eens wakker liggen.

Rauw, Hees en Teder
Desgevraagd noemt hij zichzelf zowel een ochtend- als een avondmens, wat goed past bij het dubbelleven dat hij leidt. ’s Avonds en ’s nachts is hij regelmatig on the road. Want Eus van Someren is al sinds 1988 gitarist van The Scene, de veel onderscheiden Nederlandstalige rockband van Thé Lau (lijflied: Rauw, Hees en Teder, hits onder meer Iedereen is van de wereld en Helden, dat SIRE vorig jaar gebruikte voor een tv-spotje in de campagne ‘De maatschappij dat ben jij’).

“Er waren tijden dat ik wel tweehonderd optredens per jaar had, maar dat is nu een stuk minder”, vertelt hij. Zijn medebandleden zijn er allang aan gewend dat Van Someren achterin de auto altijd artikelen over neurologie en aanverwante vakliteratuur zit te lezen. Voor hem dé manier om niet te hoeven kiezen tussen zijn twee jongensdromen: op het podium staan en wetenschapper worden.

Van Somerens achtergrond is breed. Voordat hij bij psychologie (specialisatie: psychonomie, in het bijzonder psychofysiologie en neuropsychologie) terechtkwam, studeerde hij een jaar natuurkunde, iets dat hem bijvoorbeeld goed van pas kwam bij de opzet van zijn huidige onderzoek naar het verband tussen temperatuur en slaap.

Alles tegelijk
Hij legt uit: “In de hersenen gebeurt ontzettend veel als het om slaap gaat, en een tijdlang probeerde iedereen aan te tonen dat die of die kern cruciaal voor het initiëren van slaap zou zijn, of dat een bepaald peptide of een andere transmitter het belangrijkste was. Dat is nu over, want het is gebleken dat meerdere kernen meedoen, en dat er een heel netwerk van celgroepen en transmitters aan het werk is. Alles tegelijk dus.”

Twee hersengebiedjes bevatten in elk geval neuronen die speciaal erg belangrijk zijn voor de overgang tussen waken en slapen. Er is de biologische klok, die te vinden is in de zogenoemde Supra Chiasmatische Nucleus, die vlak boven het punt zit waar de twee oogzenuwen elkaar kruisen in de hersenen. De biologische klok reguleert het dag- en nachtritme, en reageert dan ook op licht en donker.

Van Someren: “Die klok lijkt ontregeld bij ouderen, en helemaal bij dementerenden. Dat was al langer duidelijk uit hersenmateriaal dat door Swaab is bestudeerd. Zijn idee is ook het bekende use it or lose it. Vandaar ontstond de gedachte dat je met behulp van licht de klok zou kunnen stimuleren. Om te voorkomen dat hij slechter gaat werken, of zelfs om te zorgen dat de werking zou verbeteren. Die hypothese ben ik op kleine schaal gaan toetsen in een verpleegtehuis. Ik heb gekeken bij dertig mensen. En het bleek dat wie het minste licht kreeg de grootste slaapstoornissen had. Extra licht verbeterde het slaappatroon.”

Vooruit denken
Dat onderzoek gaat nu in een wel representatieve versie nogmaals gedaan worden, waarbij er ook wordt gekeken naar de effecten op de langere termijn: blijft het werken? Is het klinisch relevant? Als de ritmes beter worden, functioneren mensen dan ook beter overdag? Van Someren is vooral geïnteresseerd in cognitieve functies die te maken hebben met de prefrontaalkwab in het voorste deel van de hersenschors. “Die heb je nodig om je aandacht ergens op te vestigen”, zegt hij, “maar ook voor complexere taken, zoals een aantal stappen vooruit denken.”

Naarmate je ouder wordt, word je slechter in die dingen, maar de verschijnselen kennen jonge mensen ook: als je ze langdurig wakkerhoudt, krijgen ze concentratiestoornissen, moeite met woorden vinden en zo meer. Dat intrigeert Van Someren. Wat is het precieze verband met slaap, als je bedenkt dat ouderen minder en minder goed slapen dan jongeren? En dementen helemaal hun dag- en nachtritme verliezen? Het staat bovendien vast dat slaap een rol speelt bij het vastleggen van geheugensporen. Wie in bepaalde slaapfases gestoord wordt, kan slechter onthouden wat hij geleerd heeft. Ook de volgorde van slaapfases blijkt van belang. Bij mensen met een depressie blijkt die vaak verstoord: van een ondiepe slaap gaan ze rechtstreeks naar de REM-slaap, die zijn naam dankt aan de snelle oogbewegingen (Rapid Eye Movements) die we dan allemaal maken.

Vuurfrequentie
Slaap raakt dus aan van alles. Ook aan iemands temperatuur. Van Someren: “Het zijn evolutionair oude dingen. Dat slaap-waakritmes afhangen van licht en donker is begrijpelijk, maar er is ook een warm-koudcyclus.” In een stukje hersenen in de buurt van de hypothalamus, dat in jargon wordt afgekort tot POAH, verandert de vuurfrequentie van de neuronen bij veranderingen in temperatuur. Het is het ‘temperatuur-regelcentrum’, en ook dat gebiedje is van cruciaal belang voor de slaap.

“Net als licht en donker kun je ook de temperatuur vrij eenvoudig van buitenaf manipuleren”, zegt Van Someren. En dat is wat er momenteel in het slaaplaboratorium gebeurt. Proefpersonen krijgen een soort ruimtepak aan, vol meetapparatuur en buisjes met vloeistof die warmer en kouder gemaakt kan worden. Het is een lief kamertje waar de nachten doorgebracht worden, maar is daar slapen met zo’n raar pak aan niet erg moeilijk? Van Someren: “Dat blijkt erg mee te vallen”, en lachend: “We hebben zelfs regelmatig dat mensen hun excuses aanbieden de volgende dag en zeggen: thuis slaap ik nooit zo goed.” Ouderen vinden die mee willen doen aan het onderzoek is overigens heel makkelijk, alleen het vinden van jonge, gezonde proefpersonen blijkt een punt.

Toch moeten de resultaten van die verschillende groepen natuurlijk tegenover elkaar gezet worden. Maar nu is al duidelijk dat het met die temperatuur anders zit dan gedacht. “Iedereen ging er altijd van uit dat de kerntemperatuur, dus hoe warm of koud iemand van binnen is, het belangrijkste was”, legt Van Someren uit. “Het blijkt dat huidtemperatuur een minstens zo grote rol speelt.” Dat temperatuurswisselingen en slaap samenhangen was al eeuwen bekend, en is ook niet zo verrassend: wie erg moe is, krijgt het koud, warmte maakt slaperig. Ook dat handen en voeten optreden als ‘radiatoren’ voor de warmtehuishouding klinkt meteen aannemelijk.

Avondmensen
Maar echt onderzocht is het allemaal niet, het is tot nu toe bij correlaties gebleven. Het slaaplab bij het Herseninstituut is de enige plek ter wereld waar iemands temperatuur tijdens het slapen zo subtiel en precies beïnvloed kan worden. “Toen ik in de thermofysiologie dook, zag ik dat de blik tot dusver erg beperkt was geweest”, zegt Van Someren. “Er is ook een samenhang met de vraag of de radiatoren open of dicht zijn bijvoorbeeld, en met de timing van de biologische klok. Wanneer de temperatuur in je lichaam begint te stijgen als je slaapt, dan begin je langzaam wakker te worden. Jonge mensen kunnen dan nog maar twee, maximaal drie uur doorslapen, maar oude mensen worden na anderhalf uur onherroepelijk wakker.”

“Er zit daarin ook een verschil tussen ochtend- en avondmensen. Avondmensen gaan niet alleen later slapen, maar de hoeveelheid slaap die verschoven wordt, is extremer dan je zou verwachten. Het is niet simpel een kwestie van ‘opschuiven’, het onderlinge verband tussen het temperatuurritme en het slaapritme verschilt tussen ochtend- en avondtypes. Je hebt trouwens ook ziektes waarbij mensen ofwel nooit voor vieren hun bed in komen, ofwel om zeven uur ’s avonds hun ogen al absoluut niet meer open kunnen houden. Dat lijkt erfelijk te zijn, want je hebt hele families die ofwel aan het een ofwel aan het ander lijden.”

‘Tremorhorloge’
Bij het onderzoek gaat Van Someren ook Parkinson-patiënten betrekken. Een aantal jaren geleden ontmoette hij er veel, toen hij werkte aan een soort ‘horloge’ dat de ernst, de frequentie en de duur registreert van de tremor (het beven) die bij het ziektebeeld hoort. “Dat apparaatje helpt bij de diagnose en om de medicatie beter af te stellen”, zegt hij. “Patiënten komen maar eens in de zoveel tijd bij de dokter, en zijn dan nerveus of juist niet, of hebben een goede of slechte dag. Maar als je gegevens hebt over een hele periode kan de arts bijvoorbeeld zien: oh, ’s ochtends moet bij u de dosering omhoog, of het kan wel een tabletje minder.”

Dat tremorhorloge is nog niet echt in productie, al zijn de mogelijkheden het zover te krijgen nog niet uitgeput. Maar Van Someren leerde nog iets anders: “Parkinson-patiënten vinden zelf het feit dat ze ’s nachts slecht slapen en dus overdag vaak slaperig zijn een van de ergste drie gevolgen van hun ziekte. Dat is een beetje een vergeten hoekje. Andere klachten springen meer in het oog. Maar als we iets aan die slaap zouden kunnen bijdragen zou dat heel mooi zijn.”

Dat geldt ook heel sterk voor dementerenden. Als die ’s nachts gaan dwalen verhoogt dat de kans dat ze binnen een jaar in een verpleeghuis of anderszins worden opgenomen met een factor tien. Dat komt deels doordat juist dat aspect van de ziekte zo zwaar is voor hun partners en familie: die komen zelf niet meer aan slaap toe, en dat is naast de toch al lastige taak overdag dikwijls het breekpunt.

Nut
Over het maatschappelijk nut van het interdisciplinaire onderzoek, waarbij onder anderen neuro-anatomen, neurologen, psychiaters, farmacologen en mathematici uit een handvol verschillende landen betrokken zijn, hoeft Van Someren geen twijfels te hebben. En ook buiten de al bestaande samenwerkingsverbanden gebeurt er van alles dat zijn belangstelling heeft. “Ik was net in Uruguay op een heel groot slaaponderzoekerscongres”, vertelt hij op de valreep, “en daar hoorde ik een heel inspirerend verhaal over de moleculaire biologie bij slaap. Van de achterliggende biologie van de processen is nog niet veel bekend. Maar ik vind het zelf altijd allemaal pas interessant worden als er ook een hypothese is.”

Hij verwacht verder dat er binnen afzienbare tijd misschien wat clous voor de functie van slaap zullen komen uit genetisch onderzoek, en hoopt dat de technieken voor beeldvorming zo zullen verbeteren dat bijvoorbeeld reacties in de biologische klok meteen zichtbaar gemaakt kunnen worden. “Dat ding is ongeveer een millimeter groot”, verklaart hij, “en veranderingen zie je nu alleen in grove structuren.” Het komt er vast nog van, maar voorlopig moet Van Someren aio’s gaan werven. “Het is even wennen”, zegt hij met een half weemoedig lachje, “eerst was het er een, dalijk vier. Het wordt een leven van veel meer geregel en gemanege.”

“Elk conflict wordt hier gedempt met geld”

Nederland en de wereld zijn ingrijpend aan het veranderen, maar dat de aandacht daarbij aldoor uitgaat naar de moslims is onzin, zegt hoogleraar godsdienstwetenschappen Peter van der Veer. Net als het Verlichtingsidee dat godsdienst altijd onvrijheid inhoudt. Dat Nederland een traditie van tolerantie heeft, waagt hij te betwijfelen. We zijn vooral rijk.

“Eigenlijk zou ik niet een maatschappij weten waarin godsdienst niet een heel belangrijke rol speelt”, zegt prof.dr. Peter van der Veer. Toch werd er bij de faculteit sociale wetenschappen in Amsterdam wat vreemd naar hem gekeken toen hij er hoogleraar Godsdienstwetenschappen werd en de inmiddels alom geprezen, zelfs als excellent beoordeelde onderzoeksgroep ‘Godsdienst en Maatschappij’ opzette.

De ook elders wel heersende moeite om godsdienst als een gewoon maatschappelijk verschijnsel te zien, heeft volgens Van der Veer, zelf van 1953, alles te maken met de jaren zestig: “Nergens is de secularisatie zo snel gegaan als in Nederland. En de combinatie van de ontkerkelijking en de hele vrijheidsbeweging van de jeugd hebben ervoor gezorgd dat godsdienstonderzoek in de sociale wetenschappen hier slecht ontwikkeld is.”

De aanleiding voor het gesprek in Van der Veers werkkamer in het Amsterdamse Spinhuis, met uitzicht op langsvarende bootjes over de Oudezijds Achterburgwal, is dat hij binnenkort de Dr. Hendrik Mullerprijs krijgt uitgereikt. Dat is een in 1990 ingestelde tweejaarlijkse wetenschapsprijs (groot: f 40.000,-) voor gedrags- en maatschappijwetenschappen die door de Akademie wordt toegekend. Het gaat deze middag veel over Nederland, ook al richt zijn onderzoek zich meestal op India, en ook op voormalig kolonisator Engeland. Van der Veer studeerde Indo-Iraans, beheerst onder meer Sanskriet en Hindi, en deed begin jaren tachtig veldonderzoek in India naar pelgrimage.

Plat

“Maar tijdens mijn verblijf kwam de focus te liggen bij hindoe-moslimgeschillen”, vertelt hij. “Er was daar een moskee waarvan de Hindoes zeiden: daar heeft een tempel van ons gestaan. Die moskee moet plat. In 1992 is dat uiteindelijk ook gebeurd. De Hindoes werden daarbij gesteund door de politieke partij die nu de grootste van India is. Ik raakte toen vanzelf verzeild in allerlei historische vragen. Over het kolonialisme, over wat natie en godsdienst met elkaar te maken hebben en de overeenkomsten en verschillen tussen India en Engeland.”

Daarover gaat ook zijn laatste boek, dat dit jaar uitkwam: Imperial Encounters, Religion and Modernity in India and Britain. In het negentiende-eeuwse Engeland werd heftig gediscussieerd over de beste manier waarop India tot het niveau van de Britten kon worden opgetild, dat was immers the white man’s burden. Dat de blanke superieur was aan de rest van de wereld stond vast. Godsdienst was uiteraard een belangrijk element in de debatten.

De officiële politiek was ‘religieuze neutraliteit’, maar waar de Britse staat in eerste instantie de inheemse religies in India steunde, hield men daar onder druk van de Evangelisten mee op, waarmee, zo zou je kunnen zeggen, de zwaarst gelovigen bijdroegen aan de scheiding van ‘kerk’ en staat. De verhoudingen en onderlinge invloeden waren, zo blijkt uit Van der Veers studie, behoorlijk complex, en hebben ook allerlei hervormingen binnen de godsdienstige stromingen van India zelf in gang gezet. Die op hun beurt weer een weerslag hadden op de Indiase samenleving.

Slavernijdebat

Een terugkerend thema bij Van der Veer is in elk geval de bestrijding van het idee dat godsdienst altijd onvrijheid in zou houden. “Dat is een gedachte uit de Verlichting”, legt hij uit. “Maar heel veel van wat wij nu als onze vrijheden beschouwen is door religieuze bewegingen gestimuleerd. Neem het debat over de slavernij. De anti-beweging was puur christelijk. Dat was een vorm van massamobilisatie die zich richtte tegen de staat.”

“Of kijk naar de democratie in de Verenigde Staten. Daar hebben juist de Quakers en dergelijke een grote rol in gespeeld. Al die settlers ontvluchtten Engeland omdat ze vrijheid van godsdienst wilden. Natuurlijk hoopten ze vooral hun eigen zaakje te kunnen propageren, en dat is altijd een van de problemen: stel dat dat lukt, en dat zo’n godsdienstige groep de macht krijgt, zouden ze dan die vrijheid voor anderen continueren? Dat hangt erg af van de context. Het grootste deel van de vorige eeuw, tot aan de eerste Paarse coalitie, zijn wij hier geregeerd door het CDA en de voorgangers daarvan. Heeft dat zo’n enorme onvrijheid gecreëerd?”

Nieuwe regenten

Of de ‘bevrijding’ in de jaren zestig wel zo’n bevrijding was, kun je je inmiddels ook afvragen. Grinnikend zegt Van der Veer: “Ik kom uit Groningen, en ik herinner me nog goed dat indertijd Max van den Berg en Jacques Wallage daar een coup pleegden tegen de oude regenten van toen nog de ARP en de CHU. Hoe anders is het nu eigenlijk? Ze maken inmiddels deel uit van een nieuwe klasse regenten. Ik ben er zelf allemaal heel anders over gaan denken. Geloof in dat het toch allemaal de goede kant opgaat? Nee, ik ben niet zo’n vooruitgangsdenker, elke vrijheid brengt vanzelf nieuwe onvrijheden met zich mee.”

Dat het toen allemaal zo razendsnel ging, vindt overigens volgens Van der Veer zijn oorzaak in de verzuiling die in Nederland erg ver ging. “De kerken hadden een deel van de staatstaken”, zegt hij. “Maar Drees is in de jaren vijftig begonnen de welvaartsstaat op te bouwen, en die heeft daarmee de ontkerkelijking in de hand gewerkt. Als je voor je oudedagsvoorziening afhankelijk bent van de kerk, dan ga je wel, maar als dat niet mee zo is…”

Toch is het met de scheiding van kerk en staat nog niet helemaal gelukt, lijkt het soms. Van der Veer heeft zich zeer verbaasd over de actie van premier Kok eerder dit jaar, toen hij de imams in Nederland een openbare reprimande gaf vanwege hun uitlatingen over homoseksualiteit. Van der Veer mengde zich in de discussie met een artikel op de opiniepagina van NRC Handelsblad, waarin hij het korte geheugen van de Nederlanders hekelde: voor de jaren zestig konden homoseksuelen op erg weinig tolerantie rekenen. Van der Veer: “Het zijn toch die gevoeligheden uit de jaren zestig, denk ik.”

Moslimgevaar

Misschien geloven we nog niet hard genoeg dat de toen verworven vrijheden ons niet meer worden afgenomen? Dat lijkt hem zeker een mogelijkheid, en dat zou deels de angst voor het ‘moslimgevaar’ kunnen verklaren. Daar ziet hij overigens geen tekenen van, er is bijvoorbeeld geen grote moslimpartij in Nederland.  Sowieso zijn de spanningen hier heel laag. “Als je dat vergelijkt met Amerika, maar ook Frankrijk”, zegt hij, “daar is het echt te snijden. Wij zijn niet zo scherpslijperig. Zo’n hoofddoekjesdebat wordt hier ook heel beschaafd gevoerd, vind ik. Ondertussen doen we het wel slechter dan anderen als het gaat om de sociale absorptie van migranten. De werkeloosheid is zo groot, dat moet echt beter. Maar Nederland is heel rijk, elk conflict wordt hier gedempt met geld. Dit is een suburb van de wereld, een heel makkelijk land.”

De veelgeroemde, vaak genoemde Nederlandse traditie van tolerantie bestaat volgens Van der Veer dan ook voor een goed deel uit desinteresse die we ons toevallig financieel kunnen veroorloven. “Over die traditie kun je je echt afvragen: is dat wel zo?”, merkt hij op. “Denk maar aan een vrij recent verleden: we wilden Indië absoluut niet opgeven,  terwijl op dat moment ongeveer overal ter wereld het zelfbeschikkingsrecht van volkeren erkend werd.”

Ver familielid

 Dat de buitenlanders nu vaak als een bedreiging worden gezien door de samenleving heeft volgens Van der Veer een paar merkwaardige kanten. “Het heeft ongelooflijk lang geduurd voordat Nederland zichzelf als een immigratieland wou zien”, zegt hij, “terwijl dat natuurlijk al heel lang het geval was. Het gekke is dat je zou verwachten dat migratie hier goed begrepen zou worden, want wie heeft er nou niet een ver familielid in Canada of Australië? En vergeet de koloniën niet, waar ook grote groepen mensen heentrokken.”

Van der Veers idee is dat de grote maatschappelijke veranderingen, die wel degelijk gaande zijn, allemaal geprojecteerd worden op de immigranten. Verlangen dat de dingen weer zo worden als vroeger is volgens hem nutteloos. “Al probeer je je grenzen nog zo dicht te houden, het valt niet tegen te houden dat de wereld heel erg aan het veranderen is.”

“Het idee van de natiestaat, die homogeen is, waar je één taal en één cultuur hebt,  is aan het verdwijnen. Niet alleen in Nederland. Je krijgt steeds meer verschillende groepsculturen die niet zoveel met elkaar hebben. Dat is echt waar. En het interessante is dat er zo gefocust wordt op de moslims als groep, terwijl er allerlei andere groeperingen ook steeds belangrijker worden. Je hebt net zo goed een homoseksuele subcultuur, en de milieubeweging. Er zijn allerlei mogelijke verbanden, netwerken, die zich op basis van ideologische of esthetische voorkeuren organiseren. De staat als verbindend element wordt minder belangrijk.”

Boekenweekgeschenk

“Je ziet dat op allerlei manieren. De euro is natuurlijk echt meer dan een symbool, maar ook het feit dat de CPNB vorig jaar het boekenweekgeschenk door Rushdie liet schrijven laat veel zien. Dat dat kon, ook al kwamen er wel negatieve reacties op, is opmerkelijk. Juist taal, waarvan gezegd wordt dat je alleen in je eigen taal je emoties kunt uiten, dat vertalingen eigenlijk nooit recht doen aan het origineel, et cetera. Het hóeft dus nu kennelijk niet meer in de Nederlandse taal. Overigens zijn Nederlanders in hun visie daarop altijd wat beperkt: een groot deel van de wereldbevolking spreekt meer dan een taal, en dat gaat heel goed.”

Van der Veer ziet als het ware twee bewegingen momenteel: er is sprake van veel meer lokale én veel meer mondiale betrokkenheid. De politieke partijen hebben de grootste moeite gelegitimeerd aan de macht te blijven, want er wordt steeds minder gestemd, maar op plaatselijk niveau zetten mensen zich met graagte in voor actiegroepen over het openbaar vervoer, of de Markerwaard of wat dan ook. Ook het succes van de ‘Leefbaar Plaatsnaam’-partijen wijst daarop.

“Daarnaast globaliseert de zaak”, zegt hij. Een recent erg bekend voorbeeld zijn de anti- globalisten, die laatstelijk in Genua de aandacht van de hele wereld op zich vestigden. Maar Van der Veer bespeurt ook veel  activisme  van migranten: “Je hebt bijvoorbeeld in heel Europa Koerden, en die trommelen elkaar binnen een dag op. Wat mij interesseert is de invloed die migranten hebben op de politiek en de issues in hun moederland. Internet is daar heel interessant voor. Het is op zich geen nieuw verschijnsel, maar de mogelijkheden zijn inmiddels zoveel groten dan ze waren.”

Buitenposten

Zo groot dat Van der Veer zijn eigen ‘veldwerk’  tegenwoordig ook voor een belangrijk deel achter de computer doet. Hij onderzoekt momenteel de invloed van Indiase ingenieurs, die over de hele wereld heel gewild zijn, op wat er in India speelt. Van der Veer: “Dat zijn echt de buitenposten van de nationale staat. Die ingenieurs, die trouwens allemaal erg religieus zijn, organiseren zich via websites, chatgroepen en meer. Ze zetten religieuze acties op, en hebben ook connecties met India. Veel  van mijn onderzoek gaat per e-mail.  Dat scheelt veel tijd, en dat is maar goed ook, want met alle bestuursfuncties die ik tegenwoordig heb, ontbreekt het me daar vaak aan. Hoe ik aan die ingenieurs kom? Op dezelfde netwerkmanier. Ik heb in India gezeten, ken daar mensen, en die kennen wel een geëmigreerde ingenieur, die weer een ander kent. Enzovoort. Mooi is dat, ja.”

Nog een paar aanbevelingen heeft Van der Veer tot slot ook. Het draait allemaal om kennis, en daar liggen taken voor het onderwijs en de journalistiek. “De geschiedenislessen zouden over de wereldgeschiedenis moeten gaan”, stelt hij, zoals hij eerder ook al deed in een reactie op Paul Scheffers artikel vorig jaar in NRC Handelsblad over de mislukte multiculturele samenleving.

Van der Veer: “Dat het voor het inburgeringsproces nodig is de vaderlandse geschiedenis te onderwijzen aan degenen die van buiten Nederland komen is een verkeerd idee. Nederland heeft een relatie met een veel bredere wereld, ook altijd gehad. Juist de koloniën, die nu altijd een klein apart hoofdstukje krijgen, horen tot de kern. Ze hebben heel grote gevolgen gehad, voor de Gouden Eeuw, voor de welvaart, noem maar op. Dat bredere perspectief zou iedereen moeten krijgen. Dat maakt het voor buitenlanders ook gemakkelijker om aansluiting te vinden.”

Instant-emoties

De rol van media zou hij ook graag anders zien. Over het debat naar aanleiding van Scheffers stuk zegt hij, hoofd even schuin: “Was er een debat dan?”. Dat is niet wat hij bedoelt met een taak voor de media: “Kranten draaien te veel op instant-emoties. Ze spelen echt een rol in het creëren van issues. Wat ik niet goed begrijp is dat er niet veel meer nieuwsgierigheid is onder journalisten. De wil om uit te zoeken hoe het echt zit, achter dingen aan te gaan. Laatst stond er een goed stuk in de NRC over cricket. Dat is onder Pakistanen echt een volkssport, geen elitetoestand. Dat botst met de elitetraditie die die sport heeft. Hoe doen ze dat? Hoe wordt daarmee omgegaan? Daar ging het over. Zo’n artikel levert kennis op, is nuttig. Dat dat niet veel meer gebeurt, vind ik jammer.”

‘De CITO-scores zijn nog erfelijker bepaald dan het IQ’

Kersvers KNAW-lid prof. dr. Dorret Boomsma stond aan de wieg van het Nederlands Tweelingregister, waarin de gegevens van tegen de 30.000 twee- en meerlingen zijn opgeslagen. Een ware goudmijn voor onderzoek naar waar we aanleg voor hebben, en wat omgevingsbepaald is. In de kans op angststoornissen en depressiviteit, en op hart- en vaatziekte zit bijvoorbeeld een grote erfelijke component, net als in hoevéél je rookt als je rookt. Intelligentie lijkt ‘aangeborener’ te worden naarmate je ouder wordt, maar of je in god gelooft zit niet in je genen.

Geen tweeling die aan haar aandacht ontsnapt natuurlijk, maar zelf voelt prof. dr. Dorret Boomsma er niet veel voor om mensen zomaar aan te spreken. Haar man (“Die leeft erg mee”) had het laatst wel nog aan een moeder gevraagd: ‘Is die tweeling wel ingeschreven bij het Nederlands Tweelingregister?’. Of ze dat waren vertelt het verhaal niet, maar ze bleken toevallig wel heel in de verte familie te zijn.

Goed, er is dus een verre verwante tweeling, wat nauwelijks anders kan als je bedenkt dat een op de tachtig bevallingen in Nederland een tweeling oplevert, maar Boomsma (43) komt beslist niet uit een familie van tweelingen. Ze is er geen en heeft er geen. Tweelingen zijn gewoon haar werk, en ze zijn geen doel, maar een middel. “Soms zelfs het enige middel”, zegt ze. “Vooral als het gaat om relatief zeldzame ziektes.” Studies met tweelingen waren bijvoorbeeld doorslaggevend voor het onderzoek naar de oorzaken van multiple sclerose en autisme. Voor de gespleten lip is ook de hoop op tweelingen gevestigd.

Boomsma is hoogleraar in de Biologische Psychologie, en voor wie wil weten hoe de verhouding ligt tussen ‘aangeboren’ en ‘aangeleerd’ als het gaat om menselijk gedrag is er geen rijkere bron dan tweelingen. Alleen al het feit dat je ze in twee soorten hebt: de eeneiige en de twee-eiige maakt ze geweldig onderzoeksmateriaal.

Feiten
Immers, de eerste groep heeft exact dezelfde erfelijke eigenschappen, én groeit onder dezelfde omstandigheden op, terwijl de tweede groep eigenlijk ‘gewone’ broertjes en zusjes van elkaar zijn, die toevallig precies even oud zijn. Ook zij worden dus onder gelijke omstandigheden groot. Verschillen tussen de eeneiige en de twee-eiige groep leveren een niet-aflatende stroom ammunitie voor het nature-nurture-debat, dat volgens Boomsma steeds minder aan de hand van ideologieën en steeds meer met behulp van feiten gevoerd wordt. Feiten waarvan zij er inmiddels heel wat heeft aangedragen.

In haar kamer op de Vrije Universiteit in Amsterdam, waar ze ook afstudeerde en promoveerde (beide cum laude) praat Boomsma graag over haar onderzoek, alleen het verhaal over het nut van tweelingen daarbij heeft ze nu zo vaak moeten vertellen dat ze het nauwelijks meer haar mond uit krijgt, bekent ze wat besmuikt.

Alom geroemd
“De enige andere groep die voor ons soort onderzoek van belang kan zijn, zijn geadopteerde kinderen”, vertelt ze, “maar dat is toch lastiger. Ze zijn moeilijker te vinden en je hebt niet de vergelijkingsmogelijkheden die er met tweelingen vanzelf zijn.” Maar de opbouw van het nu alom geroemde Nederlands Tweelingregister was en is ook geen sinecure. Samen met haar voorganger prof. Orlebeke, begon Boomsma er in 1985 mee. Inmiddels bevat het gegevens van tegen de 30.000 tweelingen, en een paar honderd andere meerlingen, waaronder zelfs twee vijflingen.

“Het moeilijke is een a-selecte groep samenstellen”, legt Boomsma uit. “Wanneer je bijvoorbeeld alleen via advertenties in kranten mensen vraagt zich aan te melden dan krijg je nooit een echte doorsnede van de hele bevolking.” De bevolkingsregisters zouden natuurlijk uitkomst kunnen bieden, maar dat bleek nog niet zo eenvoudig. Boomsma: “Ik geloof dat één enkele uitdraai van de burgerlijke stand in Amsterdam tóen al tienduizend gulden kostte. Zo veel geld hadden we helemaal niet. Toen kwam de gedachte op om zelf een register op te gaan bouwen. Uiteindelijk hebben we overigens wel alle Nederlandse gemeentes aangeschreven met het verzoek ons hun adressen van tweelingen te geven. Zo’n tweehonderdvijftig van de ongeveer zeshonderd hebben dat gedaan. Zo zijn we vooral ook aan oudere tweelingen gekomen. Ik geloof dat we indertijd gevraagd hebben om iedereen tussen de dertien en de twintig. We hebben op dit moment zo’n zeven duizend tweelingen van ouder dan zestien in het bestand.”

Felicitatiedienst
Voor de hele jonge werd iets buitengewoon slims en praktisch verzonnen. “Zoals die dingen altijd gaan, ging het via een toevallige connectie”, vertelt Boomsma. “We zetten al vele jaren de felicitatiedienst in, je weet wel, dan komt er vlak na de geboorte van een kind zo’n hostess met een koffertje met spullen. In het koffertje voor tweelingen zit ook een folder over het register en een inschrijfformulier.”

Ongeveer zestig procent stuurt dat formulier in. Dat betekent: voortaan elke twee jaar lange vragenlijsten invullen. Over gedrag en school en gezondheid en nog veel meer. Verschillende leeftijdsgroepen krijgen deels verschillende vragen. De bereidheid onder tweelingen en hun ouders om mee te doen aan onderzoek is volgens Boomsma relatief hoog. In het nu opgebouwde bestand zijn alle bevolkingsgroepen goed vertegenwoordigd, en dat kinderen vanaf hun geboorte gevolgd worden is uniek in de wereld. Er zijn meer tweelingenregisters, vooral die in Scandinavië zijn goed, zegt Boomsma, maar toegankelijke gegevens uit totaal andere culturen ontbreken vooralsnog jammer genoeg.

IQ
Een hele reeks opmerkelijke uitkomsten hebben de vragenlijsten inmiddels opgeleverd. Dat IQ voor een groot deel erfelijk bepaald is, was al bekend, maar niet dat dat sterker wordt naarmate je ouder wordt. In elk geval in Nederland, waar iedereen behoorlijk wat opleiding volgt. Dat genen pas op latere leeftijd tot expressie komen is overigens niet bijzonder: denk maar aan de puberteit, waarvan de kenmerken pas rond je twaalfde beginnen. Boomsma: “We doen hier IQ-onderzoek van vijf tot vijftig. Bij kinderen van vijf kun je maar dertig procent toeschrijven aan erfelijkheid, bij vijftig is dat opgelopen tot tachtig procent. De invloed van de omgeving neemt dus af. Dat zie je bij meer cognitieve vaardigheden.”

“We hebben net een onderzoek naar CITO-scores afgerond. Dat gaat dus om twaalfjarigen aan het eind van de lagere school. Het blijkt dat die scores nóg erfelijker bepaald zijn dan het IQ. Bij de eeneiige tweelingen kwam het voor tachtig procent overeen, dat is dezelfde overeenkomst die ze hebben in lichaamslengte. Wij vonden dat een heel bijzondere uitslag, maar de krant die we erover inlichtten vond dat kennelijk niet. Enfin, we zijn nu bezig met het voorbereiden van de publicatie.”

De genetica van cognitieve vaardigheden, zoals leren en geheugen, is maar een van de terreinen waarop Boomsma zich beweegt. Het maken van MRI-scans en het meten van hersengolven horen er ook toe. Eeneiige tweelingen blijken vrijwel dezelfde hersenkronkels te hebben, en ook hun EEG-patronen zijn bijna identiek. Boomsma: “We kijken ook naar volume, de verhouding grijze en witte stof, en we hopen binnenkort ook functionele MRI’s te gaan inzetten, waarbij je dus hersenreacties meet.”

Vatbaarheid
Het ontstaan van ‘psychopathologie’, zoals angsten en depressies, maar ook hyperactiviteit (ADHD-achtige stoornissen) en aandachtsproblemen, is een ander onderzoeksgebied. “Wat je niet zou verwachten is dat tot drie jaar de invloed van de ouderlijke opvoeding daarop klein is. Bij driejarigen wint de eigen aanleg het, pas in de fase tussen drie en zeven gaat het ouderlijk milieu een rol spelen. Bij volwassenen is die invloed weer sterk afgenomen. Depressies blijken echt een kwestie van aanleg. Dat betekent dat de impact van wat paps en mams of anderen je hebben aangedaan afhangt van je genetische kwetsbaarheid. Voor veel mensen, zeker ook de naaste familie, is dat een opluchting. Het is natuurlijk een bekend gegeven dat de een de vreselijkste dingen kan meemaken en ze afschudden, terwijl de ander levenslang somber blijft. Dat is dus een kwestie van genetische vatbaarheid. De genen daarvoor proberen we op te sporen.”

Dan is er nog het onderzoek naar de invloed van stress op hart- en vaatziekten, dat ook Boomsma’s dissertatieonderwerp was. Ook de kans op die ziektes bleek weer veel met aanleg te maken te hebben, en Boomsma heeft intussen ook een verband gevonden met angst en depressie. “De kans dat je een hartaandoening overleeft is kleiner als je aan depressies lijdt”, vertelt ze. “Of er een oorzakelijk verband ligt, is niet zeker. Het kan ook altijd zijn dat een derde factor beide dingen beïnvloedt.”

Roken
Misschien heeft het allemaal ook met nicotineverslaving te maken, nog iets dat Boomsma onderzoekt – ze heeft inmiddels meer dan honderdvijftig publicaties op haar naam staan. Het is bekend dat wie depressief is vaak heel veel rookt, een vorm van zelfmedicatie denkt men inmiddels. Of je gaat roken is overigens niet erfelijk bepaald, hoeveel sigaretten degenen die eenmaal begonnen zijn opsteken, blijkt heel erg erfelijk te zijn. Boomsma denkt dat er heel goed sprake kan zijn van een algemene gevoeligheid voor verslavingen: “Bijna alle zware drinkers roken ook”, zegt ze.

Voor een wereld waarin alle risico’s bij je geboorte al voor je uitgespeld zijn is Boomsma intussen absoluut niet bang. Ze ziet eigenlijk alleen maar voordelen. “Mensen willen juist graag weten waar ze aan toe zijn, is mijn ervaring. En het is ook zinvol. Er is bijvoorbeeld een bekende genvariant, als je die hebt moet je zéker niet gaan roken, want dan ben je op je veertigste dood aan longemfyseem. Als je weet dat je aanleg hebt voor alcoholisme kun je besluiten helemaal niet te gaan drinken. Of neem PKU, waarover laatst een discussie liep over de hielprik. Als je baby’tjes daarop test dan kun je ze op tijd op dieet zetten. Dat levert het verschil op tussen een normale ontwikkeling en mentale geretardeerdheid.”

Dus hoopt Boomsma dat tweelingen nog heel veel genidentificaties zullen vergemakkelijken. Het aantal tweelingen stijgt trouwens explosief, maar dat is niet zo gek zegt ze: “Rond 1900 – vanaf die tijd hebben we in Nederland gegevens – was het ongeveer hetzelfde. Tegenwoordig krijgen veel vrouwen pas laat, na hun vier-, vijfendertigste hun eerste kind, en dat vergroot de kans op tweelingen. Maar vroeger gingen vrouwen gewoon door met kinderen krijgen. Na je veertigste de laatste was normaal. Daar zaten dus veel tweelingen tussen. Een tijdje terug waren we weer op hetzelfde niveau van een eeuw eerder. Maar de curve gaat nu wel extra omhoog, en dat heeft te maken met de IVF-technieken en dergelijke.”

Maar de tijd van grote hoeveelheden meer-dan-tweelingen die in de jaren zeventig begon door hormoontoediening is inmiddels over. Zijn de doses hormonen beter uitgewogen? “Ja, dát,” zegt Boomsma, “maar het komt ook door gedeeltelijke abortussen. Niemand heeft het daar erg graag over, maar het gebeurt wel.”

Gigantische klus
Het bijhouden van het Tweelingregister en de hele organisatie eromheen – denk alleen al aan adreswijzigingen – is in de afgelopen vijftien jaar uitgegroeid tot een gigantische klus, die nog steeds helemaal op Boomsma’s afdeling wordt uitgevoerd. Er zijn vrijwilligers (moeders van tweelingen), maar toch verzucht Boomsma: “Eigenlijk moet het een keer door een instantie worden overgenomen.”

Het bestand is echt bijzonder, en levert onverwachte nieuwe gegevens op. “De artsen op de VU waren heel verbaasd”, vertelt Boomsma. “Die onderzoeken natuurlijk altijd hun patiënten, mensen die behandeld worden. Wij vragen naar hele families, en dan blijkt het dat lang niet iedereen die iets heeft naar de dokter gaat. Zware astmapatiënten, veel mensen met angsten en depressie zien nóóit een dokter.”

Couveusekinderen
Ze vindt ook dat het register nog veel vaker gebruikt zou kunnen worden: “Laatst kwam dat onderzoek naar buiten over de ontwikkeling van te vroeg geboren baby’s. Dat was zelfs aanleiding om voortaan kinderen die met vierentwintig of vijfentwintig weken geboren worden niet meer te behandelen, omdat hun vooruitzichten te slecht zijn. Maar wij hebben hier ook die gegevens. Er zitten heel veel couveusekinderen tussen, en we volgen ze allemaal op de voet. We moeten nog veel meer gaan samenwerken.”

We praten ook nog even over haar pasverworven Akademielidmaatschap, waar ze natuurlijk verheugd over is. “Maar het voelt wat onwezenlijk”, zegt ze. “Allerlei mensen zijn daarmee bezig geweest zonder dat je er iets van weet. Zelf heb je er niets mee te maken.” En lachend: “Ik begrijp nu iets van de verzoeken die ik kreeg om een cv in te leveren, waarbij de mensen dan absoluut niet konden zeggen waar het voor was.” Van wat het lidmaatschap zal inhouden heeft ze nog weinig idee, en dat ze nog steeds een van de weinige vrouwen in het gezelschap zal blijken te zijn kan haar niet verbazen. “Ach”, klinkt het laconiek, “het is toch algemeen bekend dat er in Nederland extreem weinig vrouwen op hoogleraars- en andere onderzoeksposities zitten. De Akademie is daar dan een afspiegeling van.”

Het is vrijdagmiddag laat. Boomsma wordt naar de borrel geroepen. Daar komen we pas toe aan het enige onderzoek tot dusver waaruit geen enkele erfelijke aanleg bleek: dat naar religiositeit. Het geloof in God is niet aangeboren, maar het blijkt wel goed te zijn voor je gezondheid en welbevinden. Tot dusver heeft geen enkel kerkgenootschap deze wetenschap opgepikt. Advertenties met ‘Godsdienst, goed voor u’? Nee, dat idee kan haar niet aanspreken.

“Gist in je brood is nodig, schimmel erop is vies”

Je kunt er ziek van worden, maar juist ook beter. We eten en drinken ze, en er zijn er waar we automatisch van walgen. Het rijk van de schimmels en de gisten is veelzijdig, veelvormig en nog grotendeels onontgonnen. In het net verhuisde Centraal Bureau voor Schimmelcultures wordt niet alleen een grote collectie in stand gehouden, maar ook uitgezocht wat een schimmel schadelijk maakt en wat juist niet.

“Nee”, grinnikt dr. Teun Boekhout, “op feestjes klinkt het niet zo goed. Wat doe je? Ik onderzoek schimmels en gist.” Maar het aardige is dat hij daarna onmiddellijk om zich heen kan wijzen. Het nut van zijn onderzoeksterrein ligt altijd wel voor het opscheppen, en inschenken. Bier, wijn, brood, kaas, champignons, elk rechtgeaard feest biedt hapjes en drankjes die niet zouden bestaan zonder de bijdragen uit het grote rijk van de fungi.

Zo luidt de minder onaantrekkelijke, Latijnse naam voor schimmels en gisten. Wie ze onderzoekt heet ook wel mycoloog. De bumperstickerrage van een aantal jaren geleden is ook aan deze beroepsgroep niet voorbijgegaan. Mycologists have more fungi, luidt de tekst op zo’n sticker die nog ergens op een kast geplakt zit in een van de werkkamers van het Centraal Bureau voor Schimmelcultures waar Boekhout (46) werkt. Als ze ergens veel fungi hebben is het inderdaad daar. Het bewaren en verkopen van zo’n 40.000 verschillende levende schimmels en gisten is een van de taken van het Akademie-instituut dat al in 1904 is opgericht. Onderzoekers uit de wetenschap en de industrie zijn de afnemers.

Doordringen

Maar de ‘fun’ van fungi zit hem voor Boekhout  niet direct in het verzamelen, al begon de moleculair bioloog zijn carrière in het Rijksherbarium in Leiden, waar hij meewerkte aan de dikke Paddenstoelenflora van Nederland. Ook later zocht en verzamelde hij paddestoelen, in Colombia in de bergen, iets wat deel uitmaakte van onderzoek naar het ecosysteem daar. En oké, bij Castricum waar hij een caravan heeft staan, wil hij nog wel eens wat morieljes plukken. Maar verder doordringen in wat ook wel het Vijfde Rijk genoemd wordt, omschrijft misschien toch het beste waar hij zich dagelijks mee bezighoudt.

Een stapel loodzware boeken met titels als The Yeasts  heeft hij klaargelegd voor het gesprek. Het zijn standaardwerken, waarin vele soorten van de organismen beschreven worden die geen dieren zijn, geen planten, geen bacteriën en geen virussen. De plaatjes zijn vaak een lust voor het oog: fungi hebben de schitterendste vormen. Maar ondertussen is er nog heel veel onbekend over schimmels en gisten.

Vies

Vast staat dat je zoiets als ‘goeien’ en ‘kwaaien’ hebt. “Het is wat ambivalent”, drukt Boekhout het uit, “gist in je brood is nodig, schimmel erop is vies.” Het is grappig te zien dat hij dat laatste zelf ook nog altijd echt vindt. Later komt hij nog een keer terug op hoe beschimmeld brood ruikt, en hoe dat tegenstaat. Er bestaan dus ziekmakende schimmels, en daar zijn onze neuzen op geconditioneerd, maar ook erg belangrijke betermakende, zoals penicilline en andere antibiotica. “Dan heb je ook nog de vleesvervangers, zoals tofu, tempeh, en quorn, en de eetbare paddestoelen”, gaat hij verder.  “Er is een enorme variatie aan vormen en toepassingen.”

En er zijn zo veel fungi. Misschien wel anderhalf miljoen soorten. “Dat is een schatting”, zegt Boekhout, “in ieder geval is zeker dat we maar een fractie kennen. Je hebt megasoorten en kleinere soorten, en allemaal hebben ze hun eigen ecologische niche, hun eigen voorkeuren.” Nog niet zo lang geleden bleek het grootste levende organisme ter wereld een honingzwam te zijn. “Die strekte zich eindeloos uit onder de grond. Dat was toch een leuk bericht.”

Afbreken

In het grote ecosysteem vervullen fungi een cruciale rol. Bomen zijn afhankelijk van paddestoelen. Boekhout: “Ze vormen grote netwerken van draadjes die voedingsstoffen leveren. De suikers die een boom maakt met fotosynthese gaan naar de schimmels onder de grond. Zo komen ze van de ene boom naar de andere.” En ze ruimen de rotzooi op. “Huiszwam in je huis is een ramp”, zegt Boekhout, “want je krijgt het nauwelijks weg. Maar ze doen natuurlijk binnen hetzelfde als buiten: materiaal afbreken, dor en dood hout wegwerken. Ook in het tropisch regenwoud is de interactie tussen arme bodems, verterende bladeren en hout, en bacteriën en andere kleine beestjes heel belangrijk. In een samenwerkingsverband tussen Colombia en Amsterdam wordt daar onderzoek naar gedaan.”

Met Colombia zijn er banden, maar ook dichter bij huis werkt het CBS samen. Sinds kort zelfs heel dichtbij. In november trok het instituut in het vroegere pand van het Hubrechtlaboratorium of NIOB (Nederlands Instituut voor Ontwikkelingsbiologie), dat zelf naar een nu aangrenzend nieuw gebouw verhuisde aan de Utrechtse Uppsalalaan. Dat betekende het einde van twee afzonderlijke CBS-vestigingen. De ooit in grote ouderwetse villa’s begonnen en later uitgebreide afdelingen in Baarn en in Delft waren allang veel te klein.

Trilzwammen

Van oorsprong richtte ‘Delft’, de vestiging waar Boekhout vandaan komt, zich vooral op de gisten, ‘Baarn’ op de schimmels. Waarin verschillen die twee nu eigenlijk? Dat blijkt niet altijd precies aan te geven. Boekhout: “Het basisidee is dat gisten eencellige schimmels zijn. Meestal gaat dat ook op, maar de grens is niet altijd precies aan te geven. De Candida albicans, die infecties van de huid en de slijmvliezen kan veroorzaken, is bijvoorbeeld dimorf, tweevormig: ze kunnen ook draden vormen, en dat is een kenmerk van schimmels. In dat dimorfe zit hem overigens vaak het ziekteverwekkende van fungi. En als je trilzwammen buiten verzamelt dan planten ze zich daar meiotisch, dus seksueel voort. Maar binnen worden de sporen gist. In de natuur kunnen gisten a-seksueel zijn, maar doe je het met zo’n gistsoort na in een laboratorium dan kan er ook een seksuele variant met draadvorming ontstaan.”

Soorten zijn vaak erg verwant, waarbij dan de ene variant ziekteverwekkend (pathogeen in jargon) is, maar de andere niet. Over de soorten is door de nieuwe DNA-technieken de afgelopen tijd veel ontdekt. Samenwerking met het NIOB, dat immers veel genetisch onderzoek doet, ligt nu dan ook voor de hand. De vroegere taxonomen hebben het met hun indelingen van de soorten vaak wel goed gezien — hun intuïtieve veronderstellingen waren zo gek niet — maar er zijn ook verrassingen. Boekhout, enthousiast: “We hebben nu tien jaar die DNA-sequentietechnieken, en één soort blijkt er dan wel tien te zijn soms. Het heeft werkelijk tot vernieuwde inzichten geleid, en dat zal het nog een hele tijd blijven doen.”

Waar men vroeger dacht dat er zoiets was als ‘de brandschimmels’, blijken de zwarte vlekjes die je op heel uiteenlopende planten kunt aantreffen genetisch gezien mijlenver uit elkaar te liggen, ook al ziet het er onder de microscoop allemaal hetzelfde uit. Het is zelfs duidelijk geworden dat niet alle gisten afstammen van één gemeenschappelijke voorvader. In de loop van de evolutie is gist dus verschillende keren, onafhankelijk van elkaar ontstaan.

Er zijn inmiddels zo’n 2300 gistsoorten beschreven, maar daarvan zijn er maar ongeveer zeven honderd erkend als soort. In de tropen is er nog nauwelijks iets verzameld en geïnventariseerd. Met andere woorden: het terrein begint eigenlijk net ontgonnen te worden.  En dat terwijl Antonie van Leeuwenhoek toch al in 1684 in een brief aan de Royal Society in Londen wees op ‘animalcula’ (beestjes) die hij had aangetroffen in gefermenteerde mout.  Hij moet de eerste geweest zijn die gist zag.

Baby’s

Maatschappelijk nut heeft dat soortenonderzoek ook beslist. Een van de fungi waar Boekhout zich in zijn eigen onderzoek mee bezighoudt heet Malassezia, dat onder meer betrokken is bij de vorming van roos op het hoofd. “Dat blijkt een vetbehoeftige te zijn”, legt hij uit. “Het Institut Pasteur in Parijs vond uit dat er zeven verschillende soorten zijn. Welke roos veroorzaakt wil de industrie natuurlijk graag weten. Je ziet trouwens een wereldwijde stijging van de interesse in Malassezia, want het komt ook veel voor in ziekenhuizen. Het kan ziekenhuisinfecties veroorzaken. Te vroeg geboren baby’s zijn er vaak gevoelig voor. Die krijgen vet toegediend, waar de Malassezia van houdt. Dan kunnen ze sepsis krijgen, levensgevaarlijk.”

Boekhout onderzoekt ook andere ziekteverwekkende schimmels. Exact uitvinden waarin de verschillen met niet-ziekmakende varianten zitten is een belangrijk aspect van zijn werk.

De cryptococcus is nog een akelige gist, die zelfs in mensenhersens kan gaan zitten en dan hersenvliesontsteking veroorzaken. “In Afrika is dat echt een megaprobleem”, vertelt Boekhout. “Wij onderzoeken waar en hoe de cryptococcus voorkomt. Hij zit bijvoorbeeld ook in duivenmest. In Brazilië,  in São Paulo, vind je hem in de bomen.”  Soorten uit elkaar rafelen, en de kennis die dat oplevert gebruiken om ziektes te voorkomen of genezen, dat is het doel.

Maar ook in de ecologische sfeer zijn er praktische toepassingen te over met fungi. Geen wonder dat het CBS ook samenwerkt met het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, dat Boekhout in de wandeling “Heteren” noemt. In de landbouw kun je weer gebruik maken van biologische bestrijding van schimmels met behulp van parasieten. Voor het overige is er nog erg veel duister. Boekhout geeft nog een voorbeeld: “Met behulp van de elektronenmicroscoop zien we ook heel opvallende dingen. Bij de dwarswanden in de schimmeldraden zitten speciale celorganellen: de porenkap. Wat daar de functie van is? We hebben geen idee.”

Maar naast alle hightech spelen amateurs op het terrein van de fungi ook nog steeds een belangrijke rol. “Die hebben veldboekjes”, zegt Boekhout, “en zijn goed gedocumenteerd. Die boekjes zijn gebruikt om de veranderingen in de Nederlandse Paddestoelenflora vast te stellen. Op basis daarvan wordt vaak het beleid in de natuurbescherming gebaseerd. Ze vinden ook van alles. Mij zou het niet verbazen als op een dag het seksuele stadium van de cryptococcus binnengebracht werd door een amateur.”

We maken nog een toertje door het vers gerenoveerde gebouw, waar ongeveer zestig mensen werken. Laboratoria met buisjes, kantoren met beeldschermen. De ruimte waar schimmels bewaard worden in vloeibare stikstof (min 196 graden Celsius) en in vriezers (op min 129 en min 80 graden) doet denken aan een grote instituutskeuken. Enorme metalen ketels die herrie maken. Elke schimmel heeft zo zijn eigen gebruiksaanwijzing. De collectie op peil houden is een fikse organisatie. Vaak moet er overgeënt worden. Boekhouts Malassezia’s bijvoorbeeld eens in de vier weken.

Romantiek

Wat verderop zijn er klassieke uitstalkasten met eindeloze rijen reageerbuisjes, allemaal met weer een andere soort uit de collectie. Het materiaal waarop schimmels het best gedijen verschilt ook. Meikers is vaak geschikt, net als aardappelextract. Er staan grote flessen vol van dat spul dat je volgens Boekhout het beste zelf kunt maken. Ergens anders staan kleine plantenpotjes met inktzwammetjes. “Je zou ze zo kunnen verkopen om in de vensterbank te zetten”, lacht Boekhout. In deze omgeving is nog iets op te snuiven van de begintijd van het CBS, en de jaren twintig, toen een collectie gisten nog kon worden uitgeruild voor wat erlenmeyers — van die glazen kolven die toen nog maar net waren uitgevonden. 

Voor die romantiek is ook Boekhout niet ongevoelig, maar dat de toekomst er anders uitziet leidt geen twijfel. Vlak daarvoor nog had hij met trots de website van het CBS laten zien. Elke dag wordt er een update gemaakt, omdat er weer zo veel gensequenties bijgekomen zijn. Voer voor onderzoekers van allerlei slag. Tienduizend bezoekers per week trekt de site inmiddels. En die dikke standaardwerken — op de nieuwe versie van The Yeasts zal Boekhouts naam als een van de samenstellers vermeld staan — verdwijnen binnenkort, want dan worden ze vervangen door cd-roms, of door databases op internet.

Eenmaal weer buiten lijkt het herfst, ook al is het lente. Duister en regen. Echt paddestoelenweer. Het is allemaal nog wat kaal, maar het pad naar de ingang die het instituut deelt met het Hubrechtlaboratorium voor ontwikkelingsbiologie is zo te zien net af. Binnenkort zal het grote bord ‘Centraal Bureau voor Schimmelcultures’ dat nu toch tegen de muur leunt wel een vaste plek krijgen.

“Geld moet talent volgen, niet andersom”

De maatschappij wil graag onderzoekers die niet alleen een diepe maar ook een brede kennis bezitten. Daarom zou het volgens een advies van de KNAW goed zijn als promovendi voortaan verplicht werden om de opleidingen die onderzoekscholen bieden daadwerkelijk te volgen. Het versterken van de positie van onderzoekscholen vereist wel de nodige middelen, onder meer om topstudenten binnen te kunnen halen met een in de Verenigde Staten al functionerend systeem van ‘opleidingsbeurzen’. Werkgroepsvoorzitter prof. P. van der Vliet legt uit.

“Dat je gegrepen bent door het vak, als student al hebt meegedraaid, de sfeer geproefd van de groep, waar ook buitenlanders rondlopen en waar iedereen bij wijze van spreken elkaar het laatste nummer van Nature en Science uit de handen rukt. Dat je voelt ‘hier gebeurt het’.” Prof. Peter van der Vliet (59) schetst met veel verve het ideaalbeeld van — en voor — promovendi, de ‘rijzende sterren’ uit de titel van het rapport waarover ons gesprek gaat.

Het is een onlangs uitgebracht KNAW-advies en heet voluit: Rijzende sterren. Om de kwaliteit van de onderzoekersopleiding. Daarin valt te lezen hoe het niveau van de jonge onderzoekers die in onderzoekschoolverband aan hun proefschrift werken omhoog zou kunnen, en er staan aanbevelingen in voor de versterking van de positie van onderzoekscholen. De werkgroep die dat allemaal bedacht stond onder voorzitterschap van Van der Vliet. Zelf is hij directeur van het Centrum voor Biomedische Genetica, een van zes ‘toponderzoekscholen’ die Nederland sinds een tijdje kent. Het is een samenwerkingsverband van maar liefs vijftien onderzoeksgroepen van zes onderzoekscholen op vier verschillende universiteiten.

Sturen

Het aantal gewone, door de KNAW erkende onderzoekscholen is intussen nog steeds groeiende. De laatste stand is 114 stuks. Van der Vliet: “Inmiddels valt ongeveer driekwart van het onderzoek binnen een onderzoekschool. Dat is mooi, maar er zijn nog veel mogelijkheden onbenut, onder andere omdat die scholen niet de bijbehorende middelen hebben gekregen om de zaak ook te sturen.”

Van der Vliet blijkt uiteindelijk nogal fikse veranderingen voor te staan, maar om die te kunnen plaatsen moeten we eerst terug in de tijd. Naar het moment waarop de twee-fasenstructuur op universiteiten werd ingevoerd. Dat begon in 1982 en met die tweede fase liep het van meet af aan niet zoals bedoeld. De doctoraalfase (fase een) werd overal ingekort tot vier jaar, met voorspelbare gevolgen voor de breedte en diepte van de kennis die een doctorandus daarna had. Wie echt de wetenschap in wilde, zou een tweejarige vervolgopleiding krijgen. Inderdaad: de tweede fase.

Maar in de praktijk kwam er het Aio-stelsel. Door de universiteit betaalde ‘assistenten in opleiding’ en door NWO gefinancierde ‘onderzoekers in opleiding’, die geacht werden alles tegelijk te doen: verder opgeleid worden, zelf promotieonderzoek doen en ook onderwijs geven. Het onderwijs dat ze zelf kregen werd al gauw  voor een groot deel in onderzoekschoolverband gegeven.

Op de hei

Want vanaf 1990 wordt er steeds meer onderzoek per thema georganiseerd, dwars door faculteiten en universiteiten heen. Van der Vliet legt uit: “Op die manier is het makkelijk om dingen in breder verband te zien. Daarvoor gaan de promovendi vaak ook met succes in retraite op de hei. Daar komen dan mensen van allerlei disciplines, liefst ook uit verschillende landen, bij elkaar. En aio’s moeten ook met sprekers kunnen praten. Het aanbieden van een opleiding is echt een van de belangrijkste taken van de onderzoekscholen.”

Maar jonge onderzoekers hebben naar zijn zeggen soms een duwtje nodig om dat onderwijs ook daadwerkelijk te volgen. Dat hele nieuwe stelsel heeft namelijk vergaande gevolgen gehad. Een dissertatie is nu vrijwel nooit meer een levenswerk, maar eerder een ‘proeve van bekwaamheid’. En het promotieonderzoek dat daaraan vooraf gaat is meestal niet langer een kwestie van een toevallige hoogleraar met een specifiek terrein die als ‘meester’ optreedt tegenover zijn ‘gezellen’, de promovendi.  

Van der Vliet: “Per jaar zijn er nu ongeveer vijfentwintig honderd promoties. Dat houdt in dat er zo’n tienduizend promovendi rondlopen. Wij hebben hier in het Utrechts Medisch Centrum alleen al elk jaar rond de honderd promoties.” Interdisciplinaire samenwerking is overigens voor hemzelf allang gesneden koek. Hij promoveerde dertig jaar geleden, in Utrecht, op onderzoek naar chromosoom-eiwitten in gist. “De medici,  biologen en chemici werken hier al heel lang samen”, zegt hij met kennelijk genoegen.

Starheid

Maar in de niet-bètavakken is de invoering van onderzoekscholen vaak  reden om voor het eerst samenwerking in breder verband te zoeken. Volgens Van der Vliet kan er veel ondergebracht worden in thema’s. “We moeten af van de starheid”, vindt hij. “Flexibiliteit is voor onderzoek van groot belang, en vaak kun je de missie van een bepaalde onderzoekschool wel wat oprekken.”

Ondertussen is ook voor een proeve van bekwaamheid vier jaar niet erg lang. Van der Vliet: “De druk op promovendi is vaak hoog. Er moet gepubliceerd, productie gemaakt, en als het onderwijs dan niet precies aansluit, wordt er gemopperd, en dan komen ze niet altijd. Daarom raden wij aan om van die vier jaar er een half verplicht te besteden aan onderwijs dat ook nuttig is voor het promotie-onderzoek. Dat met succes afronden, moet een voorwaarde worden om toegang tot de promotie te krijgen.”

Is dat niet erg schools? Gaan we zo niet de kant uit van opleiden van de wieg tot het graf? “Nou, het is niet de opzet er echt schoolbanken van te maken,” zegt Van der Vliet met een lachje. “Het gaat om een brede en diepe kennis van een vakgebied. De maatschappij wil graag dat iemand wat breder opgeleid is.” Willen de goeden dat dan niet uit zichzelf al? “Met iets meer incentives, prikkels, wordt dat makkelijker”, antwoordt Van der Vliet diplomatiek.

Niet voor nop

“Kijk, aio’s moeten liever niet kunnen zeggen: ‘Oh, het is niet verplicht? Laat dan maar.’ Die onderwijsprogramma’s worden niet voor nop gemaakt en gegeven.  Maar je communicatie moet ook goed zijn, en je moet iets aantrekkelijks bieden. Wij hadden hier laatst in het kader van de toponderzoekschool bijvoorbeeld twee dagen lezingen, en dan zitten er vier-, vijfhonderd mensen in de zaal.”

Behalve van zo’n verplichte opleidingsfase zouden er volgens het advies ook prikkels moeten uitgaan van extra mogelijkheden voor topstudenten. “Ze worden ook wel braio’s genoemd, briljante aio’s”, lacht Van der Vliet. En dan serieus: “Als er in de politiek gesproken wordt over kennisinfrastructuur is het opleiden van toponderzoekers nog te veel ver-van-m’n-bed. Je hebt het eigenwijze type student nodig, dat de beste plek zoekt en zelf beslist waar het interessantste onderzoek wordt gedaan.”

Op de persoon

“Daarom moeten er mogelijkheden komen die meer op de persoon gericht zijn. Nu is het vaak: er is een plaats, en daar zoek je iemand bij. Wij pleiten daarom voor de invoering van wat in Amerika training grants heten, opleidingsbeurzen waar een competitief element in zit. Goede onderzoekscholen kunnen dergelijke beurzen aanbieden aan de beste studenten, die dan ook de mogelijkheid moeten hebben zelf een onderzoekslijn uit te stippelen. Geld moet talent volgen, niet andersom.”

En achter goede studenten moet je al vroeg aan. “Ik vind dat onderzoekscholen daarom moeten participeren in de master-opleidingen die nu gaan beginnen,” zegt Van der Vliet. “Een deel daarvan moet bestaan uit onderzoek. Op die manier ontstaat een continuüm van student tot aan ervaren onderzoeker. Studenten moeten kunnen zien waar er iets leuks gebeurt, en daar dan een eigen gebied in zoeken.”

Vol lab

“Decanen moeten zich minder met bureaucratische zaken bezighouden, en meer aan scouting moeten doen, talent opsporen, mensen binnenhalen. Je moet ook weten wie er in het buitenland zitten, en dan moet het niet zo zijn dat het lab vol is en er niemand meer bij kan. Dat is in andere landen ook niet zo. Hier gaat het: we hebben nu honderd hoogleraren, en voor de honderd en eerste is geen ruimte. Er moet een persoonsgericht beleid komen met meer mobiliteit en flexibiliteit.”

“Met de thematische groepering van onderzoek lopen we wél voor op het buitenland. In Frankrijk heb je wel wat instituten, en in Duitsland hebben de Max Planck Instituten nu ook plannen in die richting, maar we zouden onze voorsprong in Europa verder moeten uitbouwen via een systeem van accreditering. Dat is een van onze aanbevelingen.Wetenschap wordt internationaal gestuurd en Nederland moet erop inspringen. Dat kan bij goed wetenschapsbeleid, dus bij de juiste voorwaarden voor personeel en infrastructuur.”

Eigen middelen

“Ik denk dat daarvoor de keuzes lokaal bepaald moeten worden. Lokale onderzoekscholen zullen ook vaak beter kunnen werken. Wel moet er meer beleidsruimte ontstaan voor de onderzoekscholen, zodat de wetenschappelijk directeuren sturend kunnen optreden. De decaan heeft wel de vrijheid om geld toe te kennen aan de scholen, maar dat wringt dan vaak, omdat de keus gaat tussen de eigen faculteit en de onderzoekschool. Het is natuurlijk toch vreemd dat bij de opzet van het stelsel van onderzoekscholen die scholen geen eigen middelen toegekend hebben gekregen. Die zijn echt nodig om het onderzoek goed te kunnen sturen.”

“Er zijn in Nederland maar twee gevallen waar de faculteit de onderzoeksmiddelen gedelegeerd heeft aan de directeuren van onderzoekscholen. Een in Maastricht en een in Twente. De faculteit zegt dan: we vertrouwen het hun toe, want zij weten wat er gaande is. Ik denk dat het daar naartoe moet: dat de onderzoekscholen het wetenschapsbeleid gaan bepalen. Dan houden de faculteiten budgetrecht maar ze delegeren de onderzoeksgelden. Keuzes moeten veel meer bottom up gemaakt worden. Je moet natuurlijk wel kunnen blijven afrekenen op kwaliteit en prestaties.”

Bang voor meer bureaucratie hoeven we daarbij volgens Van der Vliet niet te zijn. Hij moet daar zelf in elk geval niet veel van hebben. “Aan het budget van het Centre for Biomedical Genetics waar ik directeur van ben besteed ik hooguit twee weken per jaar”, lacht hij. “Dat gaat om veertig miljoen, en het past allemaal op twee velletjes van een Excel-spreadsheet.”

Goede groepjes

Toch valt nog steeds een kwart van het onderzoek in Nederland niet binnen een onderzoekschool. Van der Vliet: “Je hebt ook kleine goede groepjes, rond één goede hoogleraar. Daar zit natuurlijk de angst dat op een gegeven moment de financiering wegvalt. Maar er moeten zeker ook mogelijkheden blijven om buiten de onderzoekscholen om te promoveren.”

“Daar hebben we ook in de werkgroep over gesproken. Die was heel breed van opzet, met de islamist, een politicoloog, een aardwetenschapper, een chemicus en ook nog met een immunoloog van Harvard als adviseur. Ik ben er min of meer toevallig voorzitter van geworden geloof ik, omdat ik net de vergadering van de afdeling Natuurkunde voorzat op het moment dat er een KNAW-notitie besproken werd waarin een uitvoerig verzoek gedaan werd voor een advies over de onderzoeksopleidingen. Het waren goede discussies, waarbij je merkt dat de kloof tussen alfa, bèta en gamma echt niet zo groot is. Het bleek eigenlijk vrij eenvoudig om het eens te worden.”

En verder, verder zou wetenschap toch echt een andere positie in onze maatschappij moeten krijgen. “Er is hier geen enkele professionele lobbyist voor wetenschappelijk onderzoek,” roept Van der Vliet bijna uit. “Dat is toch gênant.” Opnieuw kunnen we volgens hem nog een voorbeeld nemen aan Amerika. Enthousiast haalt hij er een vrij recente aflevering van het blad Science bij, met daarin een interview met — toen nog net — president Clinton. Van der Vliet prijst diens kennis van zaken, en is jaloers op het belang dat de Amerikaanse leider kennelijk hecht aan wetenschap. Nee, Kok ziet hij zoiets niet gauw doen… “Toch is politiek draagvlak vereist voor een brede wetenschappelijke infrastructuur, en die is nodig willen we de top bereiken. Immers: het wortelgestel bepaalt de omvang van de eik,” besluit hij.

 

‘Er bestaan geen puur menselijke genen’

Gevierd wormpjesonderzoeker, publieksvoorlichter met uitgesproken meningen, Spinozaprijs-winnaar. Het Utrechtse Hubrecht Laboratorium heeft in geneticus Ronald Plasterk een energieke en ook ambitieuze nieuwe directeur gevonden. Al valt zijn vak uiteindelijk eenvoudig samen te vatten: “Het zijn allemaal variaties op thema’s, het is net Bach.” Wel zag hij graag een productielijnbenadering, in een op te richten Genoom Instituut

Natuurlijk staat er op zijn bureau een fikse uitvergroting van het piepkleine, 959 cellen tellende wurmpje C. elegans. Prof Ronald Plasterk (43) heeft zijn lievelingsbeestje letterlijk en figuurlijk meegenomen van zijn vorige werkgever, het Nederlands Kankerinstituut, naar het Hubrecht Laboratorium voor ontwikkelingsbiologie, waarvan hij sinds afgelopen februari directeur is. Zijn benoeming was nog nauwelijks rond, of hij bleek een prachtige bruidsschat mee te nemen: Plasterk won de Spinozaprijs, goed voor drie miljoen aan onderzoeksgeld.

Op zijn kamer valt een ingelijste, overigens inhoudelijk niet bijster interessante brief te bewonderen die Charles Darwin schreef aan Ambrosius Hubrecht, naar wie het instituut – een van de oudste van de KNAW – genoemd is. Maar Plasterk zelf trekt met gemak alle aandacht naar zich toe. Hij blaakt. Van energie, vertellust en van zelfvertrouwen. Waar andere geïnterviewden achter een uitspraak al gauw roepen dat die off the record was, moedigt de geneticus de verslaggeefster juist aan om van alles op te schrijven.

Zompige modder
De nieuwe directeur kon meteen in een nieuw, maar ook nu nog niet helemaal af gebouw trekken: om het te bereiken moet de bezoeker door zompige modder, langs bouwmaterieel en allerlei containers. Het instituut bevindt zich nog steeds in de Uithof in Utrecht, en wel pal naast het oude laboratorium, dat momenteel klaargemaakt wordt voor weer een ander Akademie-instituut: het Centraal Bureau voor Schimmelcultures. Bouwvakkers en professoren delen voorlopig nog gebroederlijk de kantine.

Wie weet zit daar nog eens een krantenstukje in voor Plasterk, die naast zijn wetenschappelijke leven ook een, soms onstuimig, openbaar bestaan leidt. Daar zitten aantrekkelijke kanten aan, vindt hij: “Schrijven heeft mijn leeshouding veranderd. Waar anders het leven zo uit de kraan het putje in loopt, pak je nu dingen vast. Je denkt voortdurend: kan ik dit gebruiken?” Plasterk had jarenlang een column in Intermediair, en tegenwoordig schrijft hij wekelijks op de opiniepagina van de Volkskrant. Plasterk: “Ik vind taal leuk, en ik schrijf makkelijk. Die stukjes kosten me meestal maar een half uur. Maar dan heb ik er natuurlijk wel al een tijd over lopen nadenken.”

God, de Bijlmerenquête, Greenpeace, alles en iedereen kan een veeg uit de pan verwachten van Plasterk, wiens columns onlangs onder de titel Leven uit het lab door Prometheus zijn uitgegeven. Een beetje televisiekijker zal bovendien zijn gezicht kennen van ferme discussies en heldere uitleg.

Hij heeft ook een vaste gesproken column: eens in de twee weken in het discussieprogramma Buitenhof. “Dat is leuk om te doen”, zegt hij daarover, “een ander maakt maakt misschien een gezonde boswandeling op zondagochtend, maar ja, ze serveren daar na afloop een lekkere lunch.” Veel programmamakers zijn dol op hem, omdat hij in gewone-mensentaal praat en nooit te beroerd is een oordeel te geven. Zelf vindt hij het zijn taak als onderzoeker om waar hij kan tekst en uitleg te geven.

Gepeuter
Vaak gaat het dus over genetisch onderzoek, Plasterks vak. Vandaag ook. “Dat ik hier nu als geneticus binnenkom is een mooie ironie”, zegt hij. “Eind de jaren zeventig zagen we niet zoveel in de geitensokken-biologen. Het echte fundamentele, baanbrekende werk zat ’m natuurlijk in DNA-onderzoek. En wat die geitensokken deden met hun gepeuter aan embryo’s enzo, loste niks op. Wij onderzochten de basisgeheimen. Nu is het een beetje full circle en komen we met de hoed in de hand aan diezelfde geitensokken vragen wat ze twintig jaar geleden zeiden.”

Nu het aflezen van stukjes DNA zo makkelijk geworden is dat volgens Plasterk “elke boerenheikneuter” het kan, wordt er hard aan de volgende stap gewerkt. Het verband tussen erfelijk materiaal en tot welke verschijningsvormen dat in de echte (biologische) wereld leidt. In jargon: hoe kom je van genotype naar fenotype. Plasterk: “Ecologie en populatiebiologie laten je de boekhouding van de evolutie zien. Kijk, de DNA-sequentie van de mens die nu bijna af is, levert je alleen een mozaïek op, een type-exemplaar. Waarin zitten dan de verschillen tussen mensen? Dat is pas de echt interessante vraag. Wat is de precieze bijdrage van het DNA aan het verschijningstype? Een gen maakt een eiwit, stuurt dat een kluitje cellen in en dat levert een boel nét andere resultaten op.”

Mixed blessing
Uitzoeken welk gen wat doet is de grote klus voor de genetica. “Tegenwoordig is functional genomics het toverwoord”, vertelt Plasterk, “en dat is bijna synoniem met ontwikkelingsbiologie.” Hij is dus wel op zijn plaats bij het Hubrechtlaboratorium, al vindt hij het directeur zijn “een mixed blessing“. Bij het Nederlands Kanker Instituut in Amsterdam, waar hij vanaf 1987 werkte, was hij hoofd van de sectie Moleculaire Biologie.

Zelf onderzoek doen houdt hij ook op zijn nieuwe positie hoog in het vaandel. “Dit is een kleiner lab”, zegt hij, “en ik wil van het onderzoek geen restpost maken. Op de meeste goede internationale laboratoria blijft de directeur zelf onderzoeker. Dat geeft ook een andere, inhoudelijke vorm van gezag.” Lachend: “Als iemand zegt iets niet op tijd af te kunnen hebben, kan ik makkelijker zeggen: dacht je dat ik het niet druk had.”

Zijn onderzoeksplannen dus maar. Plasterk droeg veel bij aan het onderzoek naar de Caenorhabditis elegans dat een paar jaar geleden het eerste beestje was waarvan de volledige DNA-samenstelling en alle genen (het bleken er 19099) bekend waren. Hoe klein het ook is, in de ogen van Plasterk kan het eigenlijk alle essentiële dingen wel: zich voortbewegen, eten, ruiken, paren en zelfs leren – geef je hem een paar keer achter elkaar een tik op zijn kop dan reageert hij er niet meer op. Eerder al veranderde hij het DNA van elegans zo dat het zijn aangeboren afkeer van koper verloor, maar nu gaat hij op jacht naar iets anders: zijn omgang met virussen.

I-love-you-virus
“Kijk”, zegt hij, “Als Pia Dijkstra in het journaal vertelt dat er nu virusprotectiesoftware is tegen het I-love-you-virus dan is het eigenlijk te laat. Die software loopt per definitie achter. Bij ons is het anders, de pc crasht onherstelbaar, wij niet. Ongeveer de helft van het menselijk genoom bestaat uit virussen. Het kon haast niet anders of we hebben daar het een of andere protectieprogramma voor, en dat hebben we inderdaad gevonden.”

En er is alle reden om op zoek te gaan bij C. elegans, gezien de grote kans dat dat ook kennis oplevert over de mens. “De evolutie heeft maar een beperkt repertoire”, legt Plasterk nog eens uit. “Het zijn allemaal variaties op thema’s, het is net Bach. Als er iets nieuws gebeurt, vergroot dat alleen de complexiteit. Anderhalf procent van ons genetisch materiaal verschilt van dat van de chimpansees: zij hebben langere staarten en nog zo wat. Maar er zijn geen typisch menselijke genen. Dezelfde signaalmoleculen vind je in elegans en in de mens. Ze hebben alleen niet altijd hetzelfde effect. Het is net als wanneer je een akkoord hoort: is dat van Bach of van The Beatles? Dat valt niet te zeggen, dat wordt pas in de context duidelijk.”

Rare terreinen
Planten kennen het virussenthema ook. Plasterk: “In de natuur kan dat protectieprogramma kennelijk vaak gelijke tred houden met nieuwe virussen die zich voordoen. Zonder dat zou de evolutie ook nooit zover hebben kunnen komen, dan waren we er helemaal niet. Bij planten is al zoiets ontdekt, zogenaamde transposons, rondspringende stukken DNA. Het verschil tussen virussen en een eigen gen is dat een virus in meer dan een kopie voorkomt en op onverwachte plaatsen in het DNA kan integreren. Transposons of virussen kunnen uitgeschakeld worden door mechanisme dat we nu aanduiden als gene-silencing. Het is inmiddels bekend van allerlei rare terreinen, waar we vroeger nooit mee te maken hadden. Zoals dat van de fungi.”

Ook in samenwerking met de nieuwe buurman, het Bureau voor Schimmelcultures, ziet hij dus mogelijkheden. ‘Het vijfde rijk’ heet de wereld van gist, paddestoelen en ander schimmels die gemeen hebben noch plant, noch dier te zijn. “Aan dat Bureau hing vroeger een beetje de geur van ouderwetse collectievorming”, zegt Plasterk, en dat hij daar sowieso niet veel van moet hebben, zal ook even later blijken als hij zich eigenlijk liever niet laat fotograferen temidden van de Hubrecht-collectie oude glazen potten met zeer uiteenlopende embryo’s in formaline. “Maar men heeft daar nu de overstap gemaakt naar onderzoek naar biodiversiteit. En mooi is natuurlijk dat je tegenwoordig de taxonomieën, de biologische classificaties, echt kunt gaan checken. Zijn ogenschijnlijke verwantschappen echt, zitten ze ook in de genen?”

Er is enorm veel werk aan de winkel, en Plasterk vindt dat er hoognodig een nieuw onderzoeksinstituut bij moet komen: het Genoom Instituut. En wel hier in Nederland, dat een voorbeeld aan Engeland zou moeten nemen: “Dat Blaire daar naast Clinton stond om aan te kondigen dat het menselijk genoom in kaart was gebracht, komt door het Sanger Centre daar. Dat heeft het sequencen uitgevonden. Ik ben er toevallig vorige week geweest, samen met Jannie Nüsslein.”

Nüsslein maakte naam met haar genetisch ontwikkelingsonderzoek naar het bekende fruitvliegje Drosophila, en kreeg er in 1994 zelfs de Nobelprijs voor Geneeskunde en Fysiologie voor, maar ze is ook degene die een geschikte opvolger voor Drosophila vond in het zebravisje, een dier wervelkolom, dat onder genetici heel snel populair is geworden. Het Hubrecht Laboratorium experimenteert er nu zo’n vijf jaar mee. Plasterk: “We vonden dat na de fruitvlieg en de worm nu het hele genoom van de zebravis bekend moet worden. Ik dacht: daar moet het Sanger Centre van overtuigd, en dat is gelukt. We hebben net gehoord dat over twee jaar het totale DNA afgelezen zal zijn.”

Eerst schieten
Maar dat soort grootschalig genoomonderzoek zou dus ook in Nederland moeten kunnen, vindt hij. De techniek is inmiddels zo ver en zo snel dat er echt een nieuw vakgebied ontstaat, dat een eigen instituut zou moeten hebben. “Er is bijna een productielijn-benadering mogelijk”, zegt hij enthousiast. “En je kunt bijvoorbeeld ook wat ik de Amerikaanse methode noem toepassen: eerst schieten dan pas vragen stellen. Alles is nu zo snel en goedkoop dat je met een chemische stof willekeurige, ongerichte mutaties kunt veroorzaken bij bijvoorbeeld ratten. Dan ga je het gen in duizend dieren aflezen, en kijk je dan pas, dus achteraf wat je geraakt hebt.”

“Op een gegeven moment is de tijd rijp voor dingen”, zegt Plasterk, “en ik denk echt dat dit het goede moment is om hier een goed Genoom Instituut te starten.” Licht mopperend gaat hij verder: “Volgens mij is er hier na het RIOD geen echt, fysiek onderzoeksinstituut meer gestart. Wat er bij is gekomen zijn allemaal virtuele instituten, want daar kun je het met alle universiteitssteden altijd makkelijk over eens worden. Maar zodra je iets centraals wilt in de onderzoekswereld gaat alles hier al gauw met loopgraven en schuttersputjes: boven je hoofd schieten naar elkaar. Ik snap best dat ze in Den Haag denken dat het allemaal ruzie is in de wetenschap.”

Voor de verandering eens met zijn allen ergens achter gaan staan, is volgens Plasterk hard nodig en hij is optimistisch genoeg om ook te geloven dat dat kan: “Een Genoom Instituut zou de komende decennia een prominente rol in het vakgebied kunnen spelen.”

Genoteerd
Ambities voor het Hubrecht Laboratorium heeft Plasterk ook: “Schrijf maar op: dit moet hét centrum van Nederland voor modelorganismen worden. Voor wormen, vissen, kikkers, muizen kun je hier terecht. En je kunt steeds van het ene naar het volgende dier.” Goed, het staat genoteerd.

We maken tot slot nog een rondgang door de laboratoria waar het echte handwerk gebeurt, waar Plasterk trouwens zelf ook van houdt. “Experimenteren is het belangrijkste dat er bestaat. Ik heb niet zo’n hoge pet op van theoretische biologen. Niet lullen maar buisjes vullen”, verwoordt hij een van zijn motto’s. Hij heeft lol in het verzinnen van opstellingen en oplossingen. “Ik ben een beetje een techneut”, vertelt hij, “en dit is natuurlijk een praktisch vak. Je zou het allemaal ook met olifanten kunnen doen, maar dat schiet niet op. Je moet het hebben van modellen die makkelijk te kweken zijn.”

Met over onze schoenen een soort witte plastic badmutsen wandelen we rond en bekijken ze. Er zijn massa’s kleine zebravisjes die in hun aquaria schoksgewijs van hoek naar hoek schieten, en bakken met voorwereldlijk aandoende albinokikkers. Maar we komen ook langs robots die het handmatig pipetjes vullen hebben overgenomen. Plasterk wijst er met trots op. Hij is hier in zijn element.

Dat neemt niet weg dat hij nog wel een grote wens heeft. Plasterk: “Wat ik het liefst zou willen weten is: als je nou een telefoonnummer onthoudt, waar blijft dat dan? Hoe werkt dat? Hoe denken we? Hoe ontwikkelen we ons, ook intellectueel? Dat zijn de grote vragen uit de biologie, waar een heleboel bij elkaar komt.”

Door je geheugen-onderdrukkingsgenen stop je niet alles wat je tegenkomt in je geheugen

We zullen op den duur wel wennen aan de gedachte dat wat we meemaken aantoonbare, fysieke sporen nalaat in onze hersens, zegt prof. Eric Kandel. Hoe dat precies gebeurt, is wat hij zocht en vond. Dat ging via Pavlov-reflexen in zeeslakjes, en is nu al aangeland bij muizen met een veel beter geheugen dan normaal.

Hij omschrijft het beestje zelf als een slijmerig hoopje, en ja, dat mensen moeite hebben te geloven dat hun geheugen net zo werkt als dat van het zeeslakje aplysia, dat snapt hij best. Ooit, toch al weer zo’n kleine veertig jaar geleden, kwam prof. Eric Kandel (70) bij dit diertje terecht omdat het de grootste zenuwcellen ter wereld heeft. Die lieten zich dus relatief makkelijk onderzoeken. Zijn geloof dat je toch echt bij het simpelste organisme moet beginnen om iets te kunnen leren over ingewikkelder levensvormen staat nog steeds onwankelbaar overeind.

Kandel is wereldberoemd omdat hij tot het moleculaire niveau doordrong van wat we ‘leren’ noemen. Bij het zeeslakje ontdekte hij de keten van reacties in zenuwcellen waarmee dingen zijn geheugen binnenkomen en daar voor langer of korter vastgelegd worden. Toen het later op precies dezelfde manier bleek te gaan bij fruitvliegjes en bij muizen kon hij er zeker van zijn een heel algemeen mechanisme gevonden te hebben, dat zich vast en zeker ook in mensenhoofden afspeelt.

Aan de lijst prijzen en andere eerbetonen die Kandel al ten deel zijn gevallen komt bijna geen eind. Nu komt daar de Dr. A.H. Heinekenprijs voor Geneeskunde bij, een van de vijf tweejaarlijkse prijzen voor wetenschap en kunst die bekostigd worden uit een fonds van biermagnaat Freddy zelf. Op 29 september krijgt hij de 150.000 dollar (zo’n 375.000 gulden) uitgereikt door prins Claus tijdens een zitting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Kandel is het type man dat zich bewust is van zijn prestige, maar er allang niet meer op hoeft te wijzen. Zijn lach is uitbundig, met gierende uithalen, zijn postuur klein en tenger en de gastvrijheid waarmee hij ontvangt groot. De lunch die meteen gebracht wordt op zijn werkkamer op de Columbia Universiteit in New York is buitengewoon Amerikaans: tuna en turkey sandwiches. Zelf houdt Kandel het op een klein bekertje yoghurt, maar de interviewster heeft moeite hem te overtuigen dat een zo’n tonijnding ruimschoots voldoende is, en de fotograaf mag niet vertrekken zonder een kalkoenboterham en een blikje coke in zijn tas.

Hij noemt zich een “moleculair bioloog die werkt aan het geheugen”, maar zijn achtergrond is veel breder. Hij begon met literatuur en geschiedenis te studeren, daarna volgden een medicijnenstudie en de specialisatie psychiatrie. Daar groeide al snel zijn behoefte meer van het geheugen te begrijpen. Maar de psychoanalyse is nog steeds zijn oude liefde, zegt hij, wat mooi is voor iemand die in Wenen geboren werd. Kandel was negen toen de familie na de Anschluss en net voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak uit Oostenrijk naar Amerika vertrok, en daarmee ontkwam aan de jodenvervolging.

Een gevoel van grote vrijheid is wat hij zich vooral herinnert van de beginperiode in New York. Er zaten allemaal linkshandige kinderen in zijn klas, iets dat in Oostenrijk niet mocht bestaan, en je kon in het nog tamelijke landelijke Brooklyn op straat spelen en rolschaatsen. “Zelfs voordat Hitler kwam heerste er een benauwend burgerlijk klimaat in Wenen”, zegt hij, “wat je echt belemmerde in je spontaniteit.” Meer dan zestig jaar later is de herinnering nog heel levendig, zie je aan zijn gezicht.

Het geheugen is natuurlijk ons gespreksonderwerp. Welke herinneringen bewaart iemand, wat verdwijnt in de mist van het verleden? “Volgens mij”, zegt Kandel “is de vraag vooral wat je nog méér onthoudt, eerder dan wat je onthoudt. Want dat laatste is redelijk te voorspellen. Het zit er bijvoorbeeld wel in dat we ons dit interview zullen herinneren, want dat duurt een tijd en we doen het niet elke dag, maar wat er verder zal blijven hangen van de gebeurtenissen van vandaag…?”

Een andere manier om die vraag te formuleren is: wat zal de andere kant van onze hippocampus bereiken? Van dat zeepaardvormige stukje brein dat binnenin je slaapkwabben zit is nog steeds lang niet alles bekend. Het moet een soort verwerkingsstation zijn. In elk geval is het niet de plaats waar dingen binnenkomen, noch een opslaggebied voor herinneringen. En zeker is dat het onmisbaar is voor de aanmaak van wat expliciete herinneringen genoemd worden: de dingen waarvan je weet dat je ze geleerd of meegemaakt hebt. Vaardigheden zoals fietsen en dansen kun je wel leren zonder hippocampus.

Feiten die op een nogal gruwelijke manier aan het licht gekomen zijn dankzij de wereldberoemde patiënt H.M., die nooit zal weten hoe beroemd en belangrijk hij is. Epilepsieaanvallen beheersten zijn leven voordat in 1953 zijn hippocampus verwijderd werd. De aanvallen zijn weg, maar inmiddels herkent H.M. zichzelf niet meer in de spiegel, omdat hij alleen nog alles weet van vóór de operatie en nu 47 jaar ouder is. Ondertussen is hij wel bedreven geraakt in onder meer het schrijven in spiegelschrift omdat men hem daarmee heeft laten oefenen, maar hij zal bij elke sessie blijven zeggen dat hij zoiets nog niet eerder gedaan heeft.

Dat soort vaardigheden komt in ons impliciete geheugen terecht. En toch, op een dieper niveau, blijken expliciet en impliciet leren niet zoveel van elkaar te verschillen. Zo gaat het altijd om veranderingen in synaptische verbindingen, de contactpunten tussen zenuwcellen. De gedachte dat je daarin het mechanisme achter onthouden zou moeten zoeken was er al veel langer, maar Kandel was de eerste die bewees dat synaptische verbindingen inderdaad veranderd konden worden, plastisch waren. “Het was zelfs verbazingwekkend gemakkelijk dat te doen”, zegt hij, “maar ik was helemaal niet blij met die uitkomst. Want ik had het laten zien in geïsoleerde cellen van een zeeslakje, en ik had geen enkele aanwijzing dat dat ook maar iets met gedrag te maken zou kunnen hebben.”

Zo werd Kandel zeeslakkentrainer. De kieuwreflex van het beestje was het uitgangspunt, en die bleek heel goed te beïnvloeden. Geef je hem kleine elektrische schokjes, dan gaat die kieuw steeds sneller en vollediger naar binnen, aai je hem daarentegen alleen maar zachtjes met een penseeltje dan reageert hij daar al gauw niet meer op. ‘Gevoeligmaking’ en ‘gewenning’ heet dat.

Maar ook echte klassieke conditionering op zijn Pavlovs lukt: het verband leren leggen tussen twee dingen (na de bel volgt eten) en daarom al bij de eerste reageren (kwijlen bij de bel). Bij de aplysia bleek een heel zacht schokje als ‘bel’ te kunnen fungeren, wanneer het gevolgd werd door een sterkere schok. Na een keer of tien trekt het beestje bij het eerste schokje zijn kieuw veel sneller en vollediger in dan het normaal gesproken zou doen als reactie op zo’n klein stroompje.

Bovendien bleek de aplysia ook over een langetermijngeheugen te beschikken. Na vier dagen achtereenvolgende met zo’n sessie van tien schokjes blijven zijn reacties ten minste drie weken lang hetzelfde, niet alleen voor wat betreft het ‘Pavlov-experiment’, maar ook de gevoeligmakings- en gewenningstrainingen worden onthouden.

“Nu is het mooie van de aplysia dat zijn specifieke cellen makkelijk te herkennen zijn”, vertelt Kandel. “Ze zijn zelfs individueel te identificeren. Dat betekende dat we dezelfde cel voor en na de training konden bekijken om te zien of er iets veranderd was. Zo werd het mogelijk voor het eerst iets te zeggen over geheugen op celniveau. Toen we dat in detail hadden uitgewerkt bleek dat de synapsen inderdaad veranderden en dat de duur van die verandering gelijk opging met de duur van de geheugenopslag!”

Het bewijs was geleverd dat synaptische verbindingen inderdaad cruciaal zijn voor geheugen. Die verbindingen kunnen zowel sterker als juist zwakker worden. “Daarna konden we afdalen naar het chemisch niveau,” vertelt Kandel verder. “De volgende stap, je ziet je kinderen groot worden.”

Kandel ontdekte een aantal reactieketens en de proteïnen en genexpressies die daarin de hoofdrol spelen. Voor het kortetermijngeheugen bleek het om een andere ‘chemie’ te gaan dan voor het langetermijngeheugen. Kandel spreekt van een wissel die als het ware omgezet wordt. Heel intrigerend is dat het in gang zetten van het langetermijn-traject deels bestaat uit het uitschakelen van genen die geheugenopslag tegenhouden. “Die heb ik geheugenonderdrukkingsgenen genoemd”, zegt Kandel. “Je stopt niet alles wat je tegenkomt in je geheugen. En dat zit hem in die onderdrukkingsgenen. Heel recent hebben we ontdekt dat als je ze weghaalt in een muis, die zich vervolgens veel meer herinnert. Dat is echt interessant.”

Dat zal niet gauw iemand willen ontkennen, sterker nog, de implicaties van zulk onderzoek zijn nauwelijks te overzien. Het muizenbrein met zijn hippocampus lijkt immers in veel opzichten op het onze. Kunnen we straks geheugenwonderen kweken, leerpillen maken? Memory, from Mind to Molecules heet het prachtig uitgegeven en behoorlijk toegankelijke boek dat Kandel samen met zijn collega Larry Squire schreef. Is het nu inderdaad zover? Snappen we de menselijke geest op moleculair niveau? “Nou”, formuleert Kandel voorzichtig, “je kunt niet echt verwachten dat je die kloof in twintig of dertig jaar dicht. We staan aan het begin van een enorme berg nu, en of we de top zullen halen, of we uiteindelijk alle aspecten van menselijk gedrag biologisch zullen kunnen verklaren, durf ik niet te voorspellen”

Maar de moleculaire biologie heeft de toekomst. Vooral omdat keer op keer blijkt dat de natuur weinig fantasie heeft, of anders gezegd: alles draait op precies dezelfde stofjes, reacties en principes. Eigenlijk zitten we dus net zo in elkaar als gist? “Ja precies! Dat vind ik echt de kracht van de moleculaire biologie”, zegt Kandel enthousiast. “Zelfs de chemie van zenuwcellen, die dus verantwoordelijk zijn voor het geheugen is niet zoveel anders dan die in heel andere cellen. En wat betreft het impliciete en het expliciete geheugen: dat werkt op moleculair niveau in wezen op exact dezelfde manier, het verschil zit hem in de routes die worden afgelegd tussen de zenuwcellen. Waar je uitkomt is van belang.”

Dat alles wat we meemaken en onthouden letterlijk sporen nalaat in onze hersenen is ondertussen voor veel mensen een onbehaaglijke gedachte. “Inderdaad,” roept Kandel uit, “Als je ze vertelt dat het hart een pomp is, vinden ze dat geen punt, maar zodra het om iets mentaals gaat, wat dan ook, raken ze van streek. Want dan denken ze: het is biologisch, dus is het allemaal van tevoren bepaald. Mensen hechten aan hun vrije wil, maar ze realiseren zich te weinig dat ze die tóch wel hebben, althans, met zijn gewone beperkingen. Ik kan bijvoorbeeld niet vliegen, maar wel nu opstaan en weglopen of over een totaal ander onderwerp beginnen. Dat blijft heus zo, hoeveel meer we ook begrijpen van onze hersenen.”

“Bovendien halen mensen biologie en genetica door elkaar. Van genetica begrijpen ze vaak niet dat die uit twee delen bestaat. Je hebt de genen waar je mee geboren wordt, die je hebt meegekregen van je ouders en die in elke cel van het lichaam zitten. Maar in al die cellen wordt altijd maar een deel van de genen geactiveerd. Sommige zijn aan, de meeste uit. En bij alle ‘mentale’ dingen die we doen, zoals hier zitten praten, komt gen-expressie kijken. Voor dingen in je geheugen stoppen is er een hele keten van gen-activeringen nodig. Op den duur zal men daar allemaal wel minder angstig tegen aan kijken.”

En ook Kandels eerste liefde, de psychoanalyse zal eraan moeten geloven. “Het gaat helemaal niet goed met dat vak”, zegt Kandel. “En dat komt omdat het niet wetenschappelijk onderbouwd wordt. De psychiatrie moet meer van de neurobiologie gaan leren. Ik heb daar een paper over geschreven voor het American Journal of Psychiatry, onder de titel ‘Een nieuw intellectueel denkraam voor de psychiatrie’. Ze hadden daar nog nooit zoveel reacties op een stuk gehad. Niet allemaal positief natuurlijk”.

Hij lacht, en gaat dan serieus verder: “Ik vind het aannemelijk dat psychotherapie werkt. Dat gesprekken met iemand die je vertrouwt een verandering in gedrag kunnen bewerkstelligen. Dat er dus langetermijnveranderingen optreden in de hersens. Kijk, praten en medicijnen grijpen aan op hetzelfde systeem. Er is zelfs al een studie geweest naar twee groepen patiënten die leden aan dwanggedachten en dwanghandelingen. Een behandeling met prozac leverde hetzelfde goede resultaat als psychotherapie. De ontwikkeling van therapieën en medicijnen zal veel meer hand in hand gaan in de toekomst. En ik hoop dat de imaging-technieken, waarmee je in levende hersens kunt kijken nog veel krachtiger worden. Zodat ze op den duur tegen mij kunnen zeggen: dat superego van jou is een beetje groot, dat gaan we even bijschaven.” Weer die luide lach.

De psychoanalytici zullen nog meer horen van Eric Kandel. De rol van de amygdala, de amandelvormige kern die in de buurt van de hippocampus zit, bij angst en paniek is zijn nieuwste belangstellingsgebied. “In de amygdala zit een deel van je impliciete geheugen”, zegt Kandel, “en we weten dat het alles te maken heeft met paniekaanvallen en fobieën. Hoe gaat het leren van angst in zijn werk? Dat kun je heel goed met behulp van diermodellen uitzoeken, anders dan andere geestesziekten – hoe zou een schizofrene muis eruitzien? Zonder gekheid, we zijn echt op weg naar een moleculaire ziekteleer van de hersenen.”

NOOT: Het Parool publiceerde dit artikel ook, op 5 oktober 2000, onder de titel ‘Sporen van het geheugen’. Pal daarop bleek Kandel de Nobelprijs voor Geneeskunde gewonnen te hebben. Vervolgens verscheen het interview nog een keer, dit keer in Vlaanderen, in De Standaard, op 16 oktober 2000. De kop luidde toen ‘Een spoor door de hersenen’.

“Nederland was de eerste maatschappij die op een moderne manier achter ging lopen”

Prof. Jan de Vries mag graag een heilig geschiedenishuisje omgooien. Onze Gouden Eeuw een en al bloei van creativiteit? Ach, er zat ook een economische kant aan. In de achttiende eeuw gebeurde er hier niets, was alles even saai? Daar heeft De Vries nog wel een paar kanttekeningen bij. De industriële revolutie kwam niet uit de lucht vallen, en dat moeders vroeger thuiszat en vader de kost verdiende is ook al niet waar.

Bestaat er een Hollandser naam dan Jan de Vries? De meestvoorkomende achternaam in ons land, met wat zeker in zijn generatie — hij is geboren in 1943 —  nog de gewoonste jongensnaam was. En toch is de winnaar van de Heinekenprijs voor Historische Wetenschap een Amerikaanse professor in Berkeley, waar hij zowel aan de economische als de historische faculteit van de University of California verbonden is.

Economische geschiedenis is dan ook zijn specialisme. Vooral die van Europa na de middeleeuwen tot aan de negentiende eeuw, de vroeg-moderne tijd in zijn eigen jargon. Daarbij komen De Vries’ Nederlandse roots hem goed van pas. Want natuurlijk heeft hij die, en ze zijn behoorlijk sterk. Wij voeren ons gesprek in het Nederlands dat De Vries tot zijn vierde gewoon gesproken moet hebben, maar daarna grotendeels verloor, omdat zijn ouders tot de vele emigranten behoorden die meenden dat het ter bevordering van de integratie verstandiger was alleen Engels tegen hun kinderen te praten.

Eerste moedertaal

De Vries’ Amerikaanse accent getuigt daar nog van, maar dat is vrijwel het enige. Contacten met Nederlandse collega’s, onderzoek in Nederlandse archieven en maar liefst driemaal een verblijf in Wassenaar op het NIAS  (Netherlands Institute for Advanced Study in te Humanities and Social Sciences) bezorgden hem zijn eerste moedertaal als het ware terug.

Dat was allemaal niet omdat De Vries per se Nederland wilde onderzoeken, maar omdat Nederland op allerlei terreinen een leidende rol speelde binnen Europa, en hij als student al geïntrigeerd raakte door economische invloeden op de Europese geschiedenis. De Vries: “Het gaat bij algemene geschiedenis wel altijd over de economische invloeden op de politiek, maar dat is niet genoeg. Dat besefte ik voor het eerst toen ik een boek over de Amerikaanse economische geschiedenis las waarin de rol van veel meer zaken behandeld werd.  Het ging bijvoorbeeld ook over de bevolkingsopbouw en over de agrarische geschiedenis. Dat betekende voor mij dat je je dus los kunt maken van alleen die politieke geschiedenis en dan toch een voldoende analytische en brede studie doen.”

Voedsel en goederen

Sindsdien publiceert De Vries zelf studie na studie, over onderwerpen die uiteenlopen van broodprijzen tot trekschuiten, van werkmanssalarissen tot landschappen. Hij bracht ook boeken uit voor niet-vakgenoten, zoals het samen met Ad van der Woude geschreven Nederland 1500-1815. De eerste ronde van moderne economische groei.

Bergen buitengewoon lastig werk verzette hij voor zijn onderzoek naar de urbanisatie (verstedelijking) van Europa na de middeleeuwen. Hoe is de verstedelijkte maatschappij waarin we inmiddels allemaal leven tot stand gekomen? De Vries zocht antwoord op vragen als: hoeveel mensen woonden er wanneer in welke stad? Hoe ging dat, waar kwamen nieuwe inwoners vandaan, wanneer kwamen er nieuwe distributievormen voor voedsel en goederen?

De gegevens lagen natuurlijk niet netjes klaar in oude bevolkingsregisters en wat dies meer zij. De Vries moest cijfers afleiden uit weer andere cijfers, gegevens combineren, schattingen doen. Hoe hij te werk is gegaan wordt  uit de doeken gedaan in zijn boek European Urbanization, 1500-1800, dat tabellen en andere overzichten bevat over 379 steden, van Bergen tot Warschau. De Vries zocht en vond modellen om de demografische ontwikkelingen om te zetten in een geschiedenis van de urbanisatie.

Vluchten

Voordat hij daarmee begon waren er hooguit losse stadsgeschiedenissen, maar op die ‘urban history’ aanpak heeft De Vries de nodige kritiek. “Aan de biografie van één bepaalde stad heb je niet zoveel”, zegt hij. “Het gaat om het systeem, de context waarbinnen zo’n stad functioneerde. Was er een netwerk van steden, die onderling contact hadden, handel dreven? Het scheelt ook nogal of urbanisatie optreedt doordat mensen vluchten voor de slechte economische omstandigheden op het platteland, of dat doordat er werkkrachten nodig zijn in een bloeiende stad. De ene stad met 50.000 inwoners kan er totaal anders uitzien dan de andere, afhankelijk van de geschiedenis. Welke functies heeft de stad, hoe is de relatie met de omgeving, welke hiërarchieën bestaan er?”

De Vries kwam tot een paar opmerkelijke conclusies. Zo bleek dat snelle bevolkingsgroei en snelle stedenontwikkeling bijna nooit samengingen. De urbanisatie was goeddeels een onafhankelijk proces. De Vries: “Door het onderzoek ben ik gaan spreken van een Europees stedennetwerk dat al ontstaan was vóór – en als voorbereiding van – de industriële revolutie, in plaats van als gevolg daarvan.  En dat heeft m tot nieuwe inzichten gebracht over de vroeg-moderne tijd in het algemeen.”

Andere wereld

Europa was namelijk op weg naar de industriële revolutie, stelt hij. “Het begin daarvan wordt altijd gelegd in Engeland, aan het eind van de achttiende eeuw, onder koning George de derde, bijna op het jaar nauwkeurig. Technologische vernieuwing, het bekendst is de stoommachine, maakte het toen mogelijk de productiekosten te verlagen, en iedereen zag dat altijd als dé grote, plotselinge doorbraak naar de moderne tijd. Daarna werd de hele wereld anders.”

Maar daarvoor was hij al begonnen anders te zijn. En Nederland zat oorspronkelijk in de voorhoede. “Heel belangrijk was dat er in de Lage Landen een redelijk open markteconomie werd toegepast, met ruimte voor technologische en organisatorische ontwikkelingen die er in de omringende landen nog niet was”, legt De Vries uit. “In de zestiende en zeventiende eeuw ontstond er zo al een netwerk van steden, met moderne trekken. Er werd efficiënt gehandeld en er was een relatief vrij verkeer van mensen en informatie. En kijkzelfs een eenvoudig boerenbedrijf in een markteconomie is toch iets heel anders dan een agrarische sector waarin feodale verhoudingen heersen. Wat ik dan ook wilde laten zien is dat simpele veranderingen en eenvoudige mensen de economische groei kunnen bevorderen, en dat die groei een belangrijke ‘voorgeschiedenis’ heeft.”

Saaie boel

Zoals in Nederland, dat weliswaar in de achttiende eeuw zijn leiderschapsrol verloor, maar daarom nog niet stilzat. De Vries: “Industriële productie wás niet de enige groei-impuls. De technologische vernieuwing kwam weliswaar in Nederland niet goed op gang, maar men zocht wel degelijk elders compensatie. Ik wil het woord stagnatie, waarmee altijd aan die tijd gerefereerd wordt, niet gebruiken. Het was misschien niet zo spectaculair wat er gebeurde, maar de economie ontwikkelde zich wel. De agrarische sector was in de zestiende en zeventiende eeuw al vrij modern, en in de achttiende eeuw reageert die op de mogelijkheden in omringende landen. Nederland werd toen van een land waar de voedselimport de export overtrof het omgekeerde. En de laatste 200 jaar is het een netto-exportland gebleven.”

“Mijn eigen opvattingen hierover zijn overigens in de loop van de jaren wel wat veranderd. Ik dacht ook dat er een starheid ingetreden was in die achttiende eeuw, dat de economie daarom faalde en dat het allemaal pas weer opengebroken werd in de Franse tijd en daarna. Nu denk ik dat Nederland de eerste maatschappij was die te kampen kreeg met moderne vormen van achterlijk worden. Niet dat ze terugzakten naar een primitieve samenleving, dat bedoel ik niet. maar de grenzen waar ze tegen aanliepen waren volgens mij juist het product van de groei die er wel degelijk bestond. Het was geen saaie boel, men was zich er ook van bewust dat er iets moest gebeuren, en deed allerlei frustrerende pogingen tot verandering.”

Elders

Het zat dus tegen, onder meer in de handel. De Vries: “In de zeventiende eeuw speelde Nederland op alle grote markten van Europa een rol van betekenis, maar in de eeuw daarna werd de ene na de andere markt moeilijker toegankelijk voor Nederlandse goederen. Door verhoogde tarieven, staten die sterker werden en nog meer. Dus gingen ze het ergens anders zoeken:  in de Oost, uiteraard, maar ook in Afrika en  de Nieuwe Wereld, allemaal gebieden waar flinke groei in zat, waardoor de handel drie of vier keer zo groot werd als in de Gouden Eeuw.  Maar nooit ging het met Nederland zo goed als met zijn concurrenten.”

Eén probleem was dat de industriële productiekosten te hoog waren geworden. Dat klinkt erg modern, want daar hebben we nog altijd last van. “Precies”, zegt De Vries, “daarom zeg ik dat er in de achttiende eeuw sprake was van een moderne vorm van achteruitgang.”

Kunstproductie

Ook in de kunstsector wilde het toen niet goed genoeg lukken. De Gouden Eeuw was definitief voorbij, maar ook daar zat het volgens De Vries anders mee dan de standaardgeschiedenislessen vertellen. Hij praat er met smaak over, al voegt hij er haastig aan toe geen deskundige op kunsthistorisch gebied te zijn. “Maar met wat collega’s heb ik pogingen gedaan de kunstproductie in de Gouden Eeuw en daarna vanuit de economie te beschrijven”, zegt hij.

“Kunstschilders produceerden net als andere ambachtslieden grotendeels voor de markt. Het ging echt niet alleen om mecenassen en rijke edellieden die veel geld te besteden hadden. Daar was ik me al van bewust, maar ik wilde graag weten wat de consequenties daarvan waren. Hoe zat het met de organisatie van kunstproducties? Gingen ze proberen om leuke genrestukken aan de gewone man te slijten? Nieuwe technieken inzetten?”

“Het bleek dat je met simpele begrippen uit de bedrijfskunde heel goed de ontwikkelingen kon beschrijven. Zo was er sprake van procesdifferentiatie, concurrentie, productdifferentiatie. Er werden nieuwe marktsegmenten aangeboord, ook anderen dan de kleine gegoede kring werden aangespoord om in hun huis een schilderij aan de muur te hangen.”

Fijnschilders

“Landschappen en genrestukken waren in de zeventiende eeuw eigenlijk iets nieuws. Er kwamen ook andere technieken. Je kreeg kunstschilders die heel snel werkten, die in een dag een schilderij maakten, daar een gulden of twee voor opstreken en zo een boterham verdienden. En daarnaast kreeg je echte fijnschilders, die juist heel lang aan een stuk werkten. Enfin, al die dingen kwamen in feite binnen één generatie tot ontwikkeling, ongeveer tussen 1620 en 1650. In diezelfde periode ging ook het aantal schilders sterk omhoog, het werd een grotere economische tak van bezigheid.”

“En daarna kreeg je de ommekeer, de instorting van de markt .  In 1680 was er nog maar de helft van het aantal schilders over en toen veranderde gelijk ook de manieren van werken weer: het brede assortiment kromp weer in. Hoe dat kon en hoe de hele organisatie van die bedrijfstak in elkaar zat boeide mij. Een echt antwoord op de vraag wat er in de maatschappij en de economie gebeurde heb ik niet. De achteruitgang van de economie speelde wel een zekere rol, maar ook was de markt verzadigd. Er waren gewoon al zoveel schilderijen.”

Huizinga-esk

“Wat er wel kwam was invloed uit het buitenland. Maar wat daar gemaakt werd sprak vooral de rijksten en meestontwikkelden aan. De verfijnde, aristocratische stijl, met classicistische invloeden paste niet goed bij de Nederlandse geest. Dat klinkt misschien wat Huizinga-esk, maar  Nederland was, vooral onder invloed van de Reformatie, een land van soberheid en degelijkheid. Dat zag je in alle vormgeving terug en dat klimaat paste niet bij de achttiende-eeuwse verfijning die toen in de mode kwam. Nederland raakte dus ook op dat terrein zijn leidinggevende rol kwijt.”

Maar we gingen wel hard meedoen aan wat De Vries de industrious revolution, de revolutie van de vlijt, gedoopt heeft. “Naast de macro-economische ontwikkelingen, gebeuren er ook op microniveau dingen”, legt hij uit. “Vanaf ongeveer 1650 tot aan de negentiende eeuw, dus voorafgaand aan de industriële revolutie, gingen mensen veel harder werken. Overal in noordwest Europa, en je zag het ook in de oorspronkelijke dertien koloniën van Noord-Amerika. Er werden meer uren gemaakt, en meer gezinsleden gingen geld verdienen. Het waarom is niet zo eenvoudig te achterhalen, maar het consumptieve gedrag van individuen veranderde, er was een verlangen naar goederen, een andere levensstijl. Het gezin werd dus een andere economische eenheid.”

“De voorgeschiedenis van het gezin wordt tegenwoordig meestal niet goed begrepen. Dat moeder thuis ging zitten, de kinderen naar school gingen en vader kostwinner werd was een reactie op de industrialisatie. Dat was toen iets nieuws. Het is dus zeker niet zo dat we altijd een patriarchale maatschappij hebben gehad. Kijk, het gaat in golven, de hele geschiedenis. We zijn geneigd alles lineair te zien, maar dat klopt niet. Als ik de simpele benaderingen van verleden-heden-toekomst een beetje kan openbreken ben ik tevreden.”

“Onomkeerbare dingen zouden we nooit meer moeten doen”

Zonder schoon water kan niemand, maar toen Poul Harremoës zich met waterverontreiniging ging bezighouden was wetenschappelijke onderzoek ernaar iets nieuws. Ook daarna zou hij nog vaak voorop lopen in milieuaangelegenheden. Zijn laatste voorspelling: MtBE, een van de vervangers van lood in benzine, wordt een grote kwestie, en binnen een paar jaar verboden.

Degenen die anderhalve eeuw geleden dachten dat cholera besmettelijk was, hadden natuurlijk gelijk, maar ze verloren het pleit. Dat werd namelijk gewonnen door de aanhangers van de theorie dat slechte lucht er de oorzaak van was. Prof. Poul Harremoës (66) kan met smaak vertellen over de ontstaansgeschiedenis van zijn instituut voor milieuwetenschappen en techniek, dat deel uitmaakt van de Technische Universiteit van Denemarken in Lyngby.

Het werd door de ‘slechte-luchtaanhangers’ opgericht in 1865, nadat in 1854 een cholera-epidemie in twee maanden tijd vijf procent van de bevolking van Kopenhagen om had gebracht. “Niemand wist waarom iedereen doodging”, vertelt Harremoës, die dit jaar de Heinekenprijs voor Milieuwetenschappen krijgt,  aan de telefoon. “Er was wel een vaag idee dat het misschien iets te maken had met water, maar dat was heel controversieel. Interessant genoeg was het wel de aanleiding om voor het eerst waterleidingen en een riool aan te leggen. Een voorbeeld van op de verkeerde gronden een goede oplossing kiezen.” Lachend gaat hij verder: “Maar daar hebben we hier geen beleid van gemaakt hoor.”

Harremoës klinkt als een opgewekt man, die als je hem vraagt hoe zijn naam in het Deens uitgesproken wordt (‘moës’ is gewoon moes, ‘Harre’ heeft een langgerekte a, maar een r hoor je niet of nauwelijks) spontaan ook nog nadoet wat Engels- en Franstaligen ervan maken. Hij staat aan het hoofd van zo’n tachtig mensen, en dat is erg veel als je bedenkt dat het instituut een eeuw na zijn oprichting uit precies één persoon bestond. In 1969 arriveerde Harremoës er, net toen het milieu een hot topic begon te worden.

Oorlog

“Maar ik hoor niet tot de groep jeugdige milieuactivisten uit de jaren zestig”, legt hij uit. “Ik ben een product van de oorlog, dus ik werd ingenieur om de wereld op de ingenieursmanier, met bouwen beter te maken. Ik studeerde grondmechanica — eerst hier, en later ook een jaar aan het Massachussets Institute of Technology in Boston — wat te maken heeft met de funderingen voor bruggenbouw. Maar daarna kwam ik erachter dat wat er in het water gebeurde veel interessanter was.”

Begin jaren zestig wilde Harremoës eens iets anders, en werd daarmee een van de eerste onderzoekers ter wereld die met behulp van radioactieve merkstoffen de vervuiling van zeeën en rivieren in kaart brachten. Dat was gloednieuw. Zoals wel meer. Harremoës: “Je had wel de traditionele kwesties. Dat je van bacteriën ziek kon worden was natuurlijk bekend, en ook dat organisch materiaal een grote rivier helemaal zwart kon maken. Maar dat een teveel aan voedingsstoffen een probleem kon zijn niet. Vooral door de agrarische sector waren meren, kanalen en sloten overvoed geraakt. Er kwam zoveel biomassa in terecht dat het water het niet meer kon verwerken, en letterlijk verzuurde.”

Zeep

“En toen kreeg je ook de metalen en de chemicaliën uit de industrie. Het begon met zeep. Wat je in de keuken bij de was en de afwas gebruikte en daar uitstekend werkte, eindigde aan het eind van de afvoer in bergen schuim. Bij de waterzuiveringsbedrijven, in rivieren, sloten, overal waar afvalwater terechtkwam stond schuim. Toen zijn daar afbreekbare stoffen voor in de plaats gekomen. Duitsland was in 1963 het eerste land dat wettelijke maatregelen nam. Dat was de eerste keer in de geschiedenis dat men afzag van chemicaliëngebruik ten behoeve van het milieu.”

Er zouden er nog veel meer volgen, maar dit was op een moment dat Cfk’s en PCB’s nog lang geen bekende begrippen met een akelige bijsmaak waren. “Toen ik begon was het milieu iets in de marge”, zegt Harremoës. “Je met zaken als afvalwater bezighouden stond niet echt in hoog aanzien. En ik had eerlijk nooit kunnen voorzien dat milieuaangelegenheden in enkele tientallen jaren tijd zo in het middelpunt van de aandacht zouden komen te staan. Tegenwoordig draait alles om drie dingen in de politiek: de economie, sociale kwesties en het milieu.”

Optimist

Harremoës, zoveel is duidelijk, is een optimist. “Zeker”, bevestigt hij, “Ook bedrijven kijken nu echt fundamenteel anders aan tegen milieuvervuiling, zijn bereid er werkelijk iets aan te doen. En wie dat anders ziet verwijs ik altijd even naar Oost-Europa. Dan zie je het verschil.”

Zonder positieve blik had hij vast het eindeloos lobbyen en adviseren niet volgehouden. Niet alleen in de Deense politiek is zijn invloed groot geweest, maar tot in Rio de Janeiro, Turkije, China en Australië is zijn hulp ingeroepen bij waterverontreinigingsvraagstukken. Daarbij is ook zijn visie van belang dat je de watersystemen in steden (riolen, waterbehandeling, lozingen) als één geïntegreerd geheel moet zien, waarop je waarschijnlijkheidsberekeningen kunt en volgens hem ook moet loslaten.

Het aantal congressen, symposia en andere bijeenkomsten dat hij voorzat of organiseerde, of waar hij nog weer anderszins aan bijdroeg, grenst aan het ongelooflijke. Hij is erelid van de nu 8000 leden tellende IWA, de International Water Association. Als voorzitter van de voorloper van deze organisatie zorgde hij dat er overal ter wereld gespecialiseerde onderzoeksgroepen opgericht werden, en dat er gespecialiseerde seminars kwamen.

Kroonprins

Dat heeft weer een groot effect gehad op de internationale samenwerking op het gebied van alles wat met watermanagement te maken heeft. En ja, natuurlijk weet hij van de activiteiten van onze kroonprins op dat terrein, al heeft hij hem nog niet ontmoet. “Ik heb hem horen spreken”, vertelt hij, “En hij wist echt waar hij het over had, wat lang niet altijd het geval is bij eregasten die een lezing komen houden.”

Die ‘internationalisering’ van het vak vindt Harremoës zelf een van zijn belangrijkste bijdragen, maar nog belangrijker was uiteindelijk dat hij de wetenschap in het milieuonderzoek introduceerde. “Dat klinkt misschien vreemd nu,” zegt hij,  “maar toen ik begon was het een buitengewoon pragmatisch vak. Het was allemaal weten-hoe, maar geen weten-waarom. Maar als je niet weet waarom, kun je niet echt weten wat je moet doen. Dat is veel te gevaarlijk. Ik vond dat we op zoek moesten naar een fundamenteel begrip van de oorzaken van watervervuiling, en daar dan de technologie op te baseren. Dat heeft veel moeite gekost, het was een lang proces vol conflicten.”

Ongepoetste tanden

Zijn eigen wetenschappelijk onderzoek richtte zich onder andere op biofilms, en daarmee zette hij een stroom research van anderen in gang. Hij legt uit wat het zijn: “Biofilms zie je eigenlijk overal. Als je in het water zo’n slijmerige steen tegenkomt: dat is biofilm, een laagje organisch materiaal, dat dikker of dunner kan zijn. Je krijgt het ook op je tanden als je ze niet poetst. Maar het ontstaat evengoed op plastic of metaal. Die biofilm sluit af, en dat heeft invloed op de biologische processen die zich daar afspelen. De biomassa moet af te breken materie ín kunnen. Enfin, kennis daarover is op allerlei manieren biotechnologisch in te zetten, en dat gebeurt onder meer in waterbehandelingssystemen, om vervuiling te voorkomen. Het is echt een nieuw onderzoeksveld geworden.”

Spontaan doet Harremoës ook een voorspelling. Binnen een paar jaar is in Europa MtBE, een organische chemische verbinding die het lood in veel benzine vervangen heeft, verboden. Harremoës: “Een deel van de benzine bevat nu ethanol, en dat is geen probleem, maar de rest bevat MtBE en dat lekt uit de tanks, komt onverbrand auto-uitlaten uit. In Amerika is het net verboden. Geloof me, dit wordt een heel heet politiek hangijzer binnenkort.”

Genegeerd

Harremoës was de politiek al vaker voor. “In de jaren zeventig werd stikstof nog helemaal genegeerd als vervuiler.”, vertelt hij. “Het duurde tien jaar voordat ze onze voorspelling wilden erkennen dat stikstof een grote rol speelt bij de voedselverrijking van zeewater. Op dat moment waren wij klaar met het ontwikkelen van een nieuwe techniek om stikstof uit afvalwater te halen. Denitrificatie heet dat, een biologisch proces.”

Die geschiedenis, maar ook het MtBE-geval zal worden behandeld in een boek waaraan Harremoës op dit moment, samen met anderen, werkt. Late Lessons from Early Warnings gaat het heten. Onderwerp: hoe komt het dat milieulessen vaak pas zo laat getrokken worden? Harremoës: “We gaan precies na wanneer er voor het eerst voor iets gewaarschuwd werd, wanneer dat geaccepteerd werd en hoe lang het vervolgens duurde voor er maatregelen werden genomen. Dat is nog best delicaat: wie wist wat en wilde dat niet weten?”

Zelf leerde Harremoës ook een belangrijke les uit het verleden: er zijn veel te vaak verrassingen geweest. Het gebrek aan kennis is groter dan gedacht. “Steeds meer ben ik me gaan bezighouden met de dingen die we niet weten”, zegt hij. “Ik geloof ook minder in computer- en andere modellen dan twintig jaar geleden. In de praktijk gaan ze vaak niet op, blijkt het nog ingewikkelder. Je houdt op met vervuilen, en toch verdwijnt de vervuiling niet, bijvoorbeeld. Dat gebeurde laatst met een meertje. Een visbioloog raadde toen aan het helemaal leeg te halen, en er nieuwe vis in te doen. Toen was het goed.”

Apparaatjes

Gelukkig hoeven we ons in ons deel van de wereld volgens Harremoës niet zo veel zorgen te maken over voldoende schoon water. Het watergebruik moet wel teruggebracht, maar dat kan makkelijk zegt hij. Simpele waterbesparende apparaatjes, die zorgen dat we als we de wc doortrekken geen tien, maar vier liter doorspoelen, of die ons met de helft van het water even lekker laten douchen zetten al flink zoden aan de dijk. “Het watergebruik in Kopenhagen is de laatste jaren met twintig procent afgenomen,” zegt hij met lichte trots. Daarnaast ziet hij brood in het opnieuw gebruiken van afvalwater.

Bij ons gaat het misschien de goede kant op, elders ligt het heel anders. Water is in grote delen van de wereld zowel schaars als van slechte kwaliteit. De grootste bedreiging is volgens Harremoës de totaal uit hand gelopen bevolkingstoename. “De druk op natuurlijke reserves en op het milieu kan op allerlei plaatsen vernietigende effecten hebben,”  klinkt het bezorgd.

Piepklein radertje

En verder moet er natuurlijk een mentaliteitsverandering komen. Maar dat ligt soms nog niet zo gemakkelijk, zoals Harremoës heel duidelijk merkt bij zijn jaarlijkse colleges in Thailand, die ook gevolgd worden door Chinezen, Japanners, Indonesiërs, Iraniërs en nog veel meer. “Allemaal verschillende culturele achtergronden. Het hele spectrum van de wereldgodsdiensten zit daar”, vertelt hij enthousiast. “En daar moet je een beetje voorzichtig mee zijn. Kijk, de Christelijke visie komt erop neer dat de mens zijn omgeving de baas is. Maar een Hindu denkt het omgekeerde, die voelt zich maar een piepklein radertje in het grote geheel der dingen. Die zien echt niet zomaar het belang van een duurzame economie.”

“Ik wil geen preken afsteken. Ik wil juist dat ze zelf conclusies gaan trekken op basis van de feiten die ik geef. Maar de meesten zijn gewend te denken dat de professor de waarheid in pacht heeft. Die komen pasklare oplossingen en uitkomsten vragen. Maar ik wil mijn studenten daar nou net zo graag bijbrengen dat analyse een instrument is, om zelf je mening mee te vormen.”

Voorlichting en educatie blijven nog lang belangrijk. Ook over de ‘onzekerheid’ bij al het wetenschappelijk onderzoek. Harremoës houdt een warm pleidooi voor alleen nog flexibele, robuuste maatregelen. Zodat je later alsnog kan bijstellen als blijkt dat je uitgangspunten niet volledig of verkeerd waren. “Onomkeerbare dingen zouden we nooit meer moeten doen”, zegt hij. “Niet meer terug te draaien zijn bijvoorbeeld niet-afbreekbare stoffen als PCB’s, en de woestijnvorming in de Sahara. Er moet echt een verschuiving optreden in het denken, op alle niveaus. Dat vereist veel meer zorg.”

En openheid, dat is ook van groot belang, onmisbaar zelfs. “Reken maar dat de Russische waterspecialisten konden voorspellen dat het helemaal mis zou gaan met het Aralmeer”, zegt Harremoës. “Die zijn heus niet achterlijk, maar ze konden niets zeggen. Dat is ook waarom Oost-Europa zo vervuild is en zo achterloopt. Leg nooit degenen die je hadden kunnen waarschuwen het zwijgen op.”

“Het ging net zo in gist als in een hersencel!”

Soms heeft onderzoek trekjes van een lang uitgesponnen detective, of een jacht naar de schat. Dr. James Rothman vond aanwijzingen, werd op dwaalsporen gezet, kreeg nieuwe puzzelstukjes in handen, legde ze naast weer andere en haalde uiteindelijk de buit binnen: de ontdekking hoe binnenin cellen opdrachten op de goede plaats terechtkomen. Gaat dat nog eens helpen uitzaaiingen bij kanker te voorkomen?

“Het was iets waar elke onderzoeker een moord voor zou doen, een resultaat dat je maar eens in je leven kan verwachten.” Het klinkt wat ingehouden — hij is niet zo exuberant — maar dr. James Rothman (49) glundert nog steeds bij de herinnering. Tegelijk hoor je in zijn stem een heel klein beetje spijt dat die ene keer al geweest is, achter hem ligt.

Het kan niet anders dan overweldigend zijn om na heel veel jaren beetje bij beetje kennis verwerven ineens alles op zijn plaats te zien vallen en te weten: dit gaat op voor alles wat leeft, voor iedere planten- en dierencel die ook maar iets voorstelt. Zonder dit is leven uitgesloten.

Rothmans onderzoeksterrein ligt binnenin cellen. Een wereld op zich, met eigen wetten en eigen beperkingen. De centrale vraag: hoe is die zaak georganiseerd, hoe weet een cel wat hij moet doen? En niet een keertje, maar steeds weer. In zijn sobere kamertje in het New Yorkse Sloan-Kettering Institute voor kankeronderzoek  waarvan hij vice-voorzitter is, stelt Rothman het zo: “Als je de piramides van Gizeh ziet, denk je dat is fantastisch, wat een geweldige organisatie. Maar dat is maar één keer gebeurd, terwijl een cel innerlijk zo georganiseerd moet zijn dat hij steeds opnieuw het goede doet, en steeds opnieuw kan delen. Dat is nog eens extra gecompliceerd.”

 Gegrepen

 Het was eind jaren zestig, en Rothman studeerde medicijnen. De elektronenmicroscoop was net een beetje gewoon geworden, en werd nu op ruime schaal gebruikt in het biologisch onderzoek. “Pas op dat moment werd de rol van alle verschillende compartimenten in cellen precies geïdentificeerd”, vertelt Rothman. “Ik was er geheel door gegrepen.”

Naast een kern hebben cellen nog een heel stel onderdelen, die allemaal omgeven zijn door een membraan. Rothman: “Dat elke cel een buitenmembraan heeft om het cytoplasma en alles wat erin zit bij elkaar te houden, snapt iedereen, maar ook binnenin rondom ieder compartiment zit er een. Die compartimenten in een cel heten overigens organellen.”  En om die te ‘bereiken’ moet je als het ware door hun membraan heen.

Rothman legt uit: “In een cel is er één enkele fabriek, het ribosoom. Daar worden alle enzymen gemaakt, en enzymen zijn de proteïnen die chemische reacties in gang zetten. Dat kan van alles zijn en is ook afhankelijk van het type cel. In de pancreas gaat het bijvoorbeeld om de aanmaak van insuline, voor de ontwikkeling van organen heb je groeifactoren nodig, en de doorgifte van signalen tussen zenuwcellen gaat met behulp van neurotransmitters. Op de een of andere manier moet cellen dus al die organellen herkennen en zorgen dat de goede enzymen op de goede plaats komen, zodat de juiste chemische reacties kunnen optreden.”

Pakketje

Het proteïnevervoer binnen een cel gaat per blaasje. Die blaasjes vormen zich als een soort ballonnetjes of zakje uit het membraan van het ribosoom, ze botten als het ware uit, en laten dan los. Er zijn veel verschillende soorten blaasjes en ze bevatten vaak duizenden moleculen die op de juiste bestemming moeten worden afgeleverd. Die aflevering geschiedt door wat membraanfusie genoemd wordt: het blaasje fuseert met het membraan van het organel waar het wezen moet. De inhoud van het pakketje kan dan naar binnen, en vervolgens gaat het blaasje weer terug naar waar het vandaan kwam, waar het weer nieuwe lading kan ophalen enzovoort. Maar hoe blaasjes weten waar ze moeten zijn en hoe die fusie in zijn werk gaat, was een van de grote vragen uit de biologie.

Dat werd Rothmans speurtocht. “Ik wilde toen ik eind jaren zeventig een eigen lab kreeg verder dan het niveau van de microscoop”, vertelt hij, “want wat je daardoor ziet is altijd statisch.” Hij vond een manier om het proces van blaasjesvorming, transport en membraanfusie in de reageerbuis, dus buiten de cel te laten plaatsvinden, daarna kon hij ook de skepsis bij vakgenoten overwinnen.

Pulp

Lachend zegt hij: “Biochemici zijn gewend nogal bot te werk te gaan. Je neemt wat materiaal, mengt en prakt het tot pulp en vervolgens hoop en bid je dat je niet alles hebt kapotgemaakt  en dat wat je overhoudt niet alleen maar een bijproduct is van wat je net gedaan hebt. Maar in de loop van de jaren tachtig hebben we eerst onszelf — uiteraard — en toen de rest van de wereld helemaal overtuigd dat we dat complexe proces inderdaad  voortaan in de reageerbuis konden reproduceren. Dat heeft heel veel deuren geopend, ook voor ander onderzoek.”

 Daarmee was alleen nog niet de opeenvolgende reeks chemische reacties gevonden die ten grondslag ligt aan dat hele blaasjes-mechanisme. “Toen we eenmaal een opstelling hadden die werkte, konden we op zoek naar bij het fusieproces betrokken enzymen. Maar er zijn heel veel enzymen”, gaat Rothman verder. “Het eerste dat we door een gelukkig toeval ontdekten was een molecuul dat we NSF hebben genoemd. Dat bleek noodzakelijk te zijn in het proces.”

 “Maar niet, zoals we eerst dachten, voor de eigenlijke membraanfusie. Dat fuseren bleek namelijk ook zonder NSF te kunnen. Uiteindelijk kwamen we erachter dat je NSF nodig hebt voor het steeds maar doorgaan van het proces. Zonder NSF zou zo’n blaasje op het membraan blijven zitten en nooit meer terug kunnen.  Het is een soort pendeldienst, en NSF is nodig om weer een nieuw rondje te maken.”

Alle organismen

Cruciaal was het moment waarop, door anderen, datzelfde NSF in gistcellen gevonden werd. Rothman ontdekte vervolgens het gen dat in gist codeert voor NSF, dus als het ware de opdracht voor de aanmaak geeft. Rothman: “Het einde van het liedje was dat duidelijk werd dat dezelfde proteïnen in alle organismen betrokken zijn bij dat steeds weer terugkerende transport. Dat fusieproces was iets algemeens!”

Een doorbraak, maar er lagen nog genoeg frustraties op de loer. Rothman en zijn team (hij maakt keer op keer duidelijk dat er van eenmansprestaties geen sprake is) isoleerden nog een andere proteïne, die ze SNAP doopten. Ook die kwam in het complete eukaryotische rijk voor, dat wil zeggen: in alle dieren en planten, en was essentieel voor het hele fusieproces. “Maar opnieuw was de frustratie dat ook SNAP niet direct bij de membraanfusie betrokken was”, herinnert Rothman zich. “Het was wel belangrijk, maar niet de essentie. Samen met NSF verzorgt het die recycling van de blaasjes.”

Uit vissen

“Toen zijn we maar uit vissen gegaan, en hebben we NSF en SNAP als aas gebruikt. We dachten waar die ook aan binden op het membraan, dat móet een algemeen fusieprincipe zijn, gezien de brede activiteit van die twee. Dat werkte. We vonden een set proteïnen op het membraan die we SNARE hebben genoemd, van ‘SNAp-REceptor’.” Dat organelmembranen receptoren hadden was eerder niet bekend.

Dertig jaar heeft Rothman er allemaal hard aan gewerkt, maar telkens blijken geluk hebben en toevalligheden onmisbare factoren. Hij benadrukt dat zelf: “Als ik nou indertijd een vooruitziende blik had gehad dan had ik nu verteld: we dachten dat we het principe hadden gevonden voor synaptische doorgifte — de doorgifte van signalen tussen hersencellen — en daarom deden we het volgende experiment…. Maar zo was het dus helemaal niet. We begonnen gewoon hersenmembranen te gebruiken omdat we die toevallig op het lab hadden en er flink wat SNAP en SNF in voorkwam, dus waarom die niet? We zetten drie proteïnen uit die wel bekend waren, maar waarvan  we niet wisten wat ze precies deden.”

Muurvast

Een gouden greep. Ze bleken eindelijk de echte sleutel tot membraanfusie te bevatten. Niet alleen in hersencellen, waar ze dus de aflevering van pakketjes neurotransmitter mogelijk maken, maar naar uiteindelijk bewezen kon worden in alle cellen. Rothman spreekt van het ‘SNARE-complex’ dat het werk doet. Een van de drie proteïnen is gelokaliseerd op het blaasje, de andere twee op het membraan. Ze passen alleen maar op elkaar. Hebben ze elkaar gevonden dan is de fusie een feit. Ze zitten vast, muurvast zelfs. Rothman: “Even terzijde: dat NSF en SNAP waar we mee begonnen, zijn de proteïnen die de zaak weer uit elkaar halen, waardoor het blaasje dus weer loskomt van het membraan. Dat bleek hun precieze functie.”

Toen hij het fusieproces in hersencellen uitgevist had, kwam voor Rothman zijn finest hour. De drie SNARE-proteïnen uit de hersencellen moesten vergeleken worden met proteïnen in andere typen cellen. Rothman: “Heel veel mensen deden al dit soort onderzoek. Er was letterlijk een hele catalogus van genen en sequenties, maar er bestond weinig inzicht in welke proteïnen een rol speelden bij membraanfusie.”

Het grote uitproberen en vergelijken begon. En keer op keer zouden elders al beschreven proteïnen sprekend op SNARE blijken te lijken. Daarbij gaat het telkens om paren. Elk type blaasje heeft zijn eigen SNARE-proteïne, die alleen kan binden aan bepaalde ‘doel’-SNARE-proteïnen op de organelmembranen. Zo weet het dus de weg, komt het alleen op de juiste plaats zijn pakketje afleveren. Wie alle blaasjes-proteïnen kent én hun bijpassende doel-proteïnen, kent het stratenplan van de binnenkant van de cel. Want het blaasjestransport vindt alleen plaats tussen ‘verwante’ proteïnen.

Exploderende ideeën

De baanbrekende link werd gelegd in 1993, en Rothman weet het nog exact. “De laatste resultaten kreeg ik om tien voor elf per telefoon doorgegeven, en om elf uur moest ik een lezing geven. Over iets totaal anders. Ik schijn het er nog redelijk vanaf gebracht te hebben, maar in mijn hoofd explodeerden ondertussen de ideeën. Want wat ik net gehoord had kwam erop neer dat membraanfusie in gist of in een hersencel precies hetzelfde is! Dat we dus waarschijnlijk echt een heel algemeen mechanisme hadden blootgelegd.”

“Het was geweldig. Een moment dat ik zonder aarzelen nog wel eens zou willen beleven, maar dat heel zeldzaam is. Het gebeurt ook bijna nooit dat je in een klap verschillende onderzoeksterreinen bij elkaar brengt.”

Koortsachtig werd er vervolgens gewerkt. Terwijl verdere resultaten nog binnenstroomden schreven Rothman en zijn team al aan een artikel voor het belangrijkste vakblad Nature. Het werd natuurlijk de coverstory, en het verscheen binnen een paar weken nadat het was aangeboden, zeer uitzonderlijk. Bij elkaar in een lijstje op Rothmans kamer hangen onder meer het kladje waarop hij aan de telefoon de gegevens noteerde, de brief aan Nature en een inmiddels al geheel vervaagde fax van de Nature-redacteur over correcties en aanvullingen. Nog nagenietend vertelt Rothman: “Ik had een skivakantie gepland die ik me niet wou laten afnemen. Gelukkig vond ik ergens in een hut een fax. Dan kwam ik de berg af en dan lag er weer een.”

Virussen

Een dergelijk alomtegenwoordig proces ontdekken is op zich al mooi genoeg vindt Rothman, gewoon om je nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit te bevredigen, maar daarnaast ziet hij ook allerlei medische toepassingen in het verschiet. Bijvoorbeeld omdat gebleken is dat virussen cellen binnendringen met gebruikmaking van onderdelen van het membraanfusiemechanisme. Ze hebben zich als het ware aangepast. Er blijken bovendien inmiddels grote overeenkomsten te zijn tussen fusie binnenin en aan de buitenkant van cellen, die immers ook een buitenmembraan hebben. “En virussen hebben maar één fusie nodig”, zegt Rothman, “Dan zijn ze binnen en kunnen ze bij het genetisch materiaal van de cel komen, en zichzelf gaan repliceren. En weer en weer.”

Virussen lijken veel meer op ‘ons’ dan bacteriën. “Waarom zijn antibiotica zo’n succes?”, zegt hij, “Omdat ze bacteriën aanvallen en die zijn principieel verschillend van onze eigen cellen. Virussen zijn veel subtieler.” Maar hun geheimen moeten ze de laatste tijd een voor een prijsgeven. Dat biedt perspectieven in de strijd tegen bijvoorbeeld HIV — het aids-virus — en influenza, dat ons griep bezorgt.

Maar met een beetje geluk zullen ook uitzaaiingen bij kanker het onderspit gaan delven. Want gaat het daarbij uiteindelijk niet steeds om cellen en celonderdelen die de weg kwijt zijn? “Het gaat om routes die proteïnen afleggen, en daar kunnen onbalansen in ontstaan”, vat Rothman samen. “En kanker is de ultieme onbalans. In groei, in differentiatie, maar ook in ‘sociaal gedrag’. Cellen komen terecht op plaatsen waar ze niet horen, dat noemen we dan uitzaaiingen, en in feite is dat het gevaarlijkste aan kanker. Met meer kennis van proteïnen en hun routes kunnen je veel gerichter met medicijnen werken, en hopelijk beter gaan voorspellen wat bij wie werkt.”

“Interpreteren wat we zien begint al in het netvlies”

“Twee enorme ogen en een klein rotstaartje”, veel meer is een embryonaal zebravisje niet, vat dr. Arthur Bergen (39) vrolijk samen. Nu staat er nog maar een klein aquariumpje in het laboratorium, maar  binnenkort zullen er flinke scholen van de gestreepte beestjes rondzwemmen bij het IOI, het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut, waar onderzoek wordt gedaan naar de werking van het menselijk oog en oogziektes. De zebravisjes moeten daarbij gaan helpen, en trouwens, goudvissen doen dat al.

Hebben wij dan vissenogen? Bergen en zijn collega dr. Maarten Kamermans (44) kijken elkaar even aan en lachen. “Het antwoord hangt af van aan wie je het vraagt”, zegt Kamermans opgewekt.  “Natuurlijk zijn er verschillen tussen mensen en vissen, maar veel is wel degelijk hetzelfde of vergelijkbaar.” Bergen vult aan: “Als je bedenkt dat het ‘master gene’ voor oogontwikkeling hetzelfde is bij de fruitvlieg als bij de mens…” Kamermans: “In sommige opzichten lijken we meer op vissen dan op bijvoorbeeld muizen, die nachtdieren zijn.” Dat neemt niet weg dat transgene muizen de andere belangrijke proefdieren zijn op het IOI, dat vorig jaar een nieuw gebouw betrok vlak achter het Amsterdams Medisch Centrum.

Het gaat de beide biologen om netvliezen. Dat is hun terrein, al verschilt hun invalshoek. Bergen leidt de groep die onderzoek doet naar erfelijke oogziekten, voormalig KNAW-fellow Kamermans voert  degenen aan die erachter proberen te komen hoe signaaldoorgifte in het netvlies in zijn werk gaat.

Binnenbekleding

Het netvlies, Latijnse term retina. De meesten van ons leerden op school dat het bestaat uit kegeltjes en staafjes, en dan had je ook nog zoiets als de gele vlek. Zo is het ook. De binnenbekleding van de achterwand van de oogbol bestaat uit grote hoeveelheden lichtreceptoren: bij de mens zo’n 120 miljoen staafjes en zes miljoen kegeltjes. Alleen met de kegeltjes kun je kleur zien, en goed details waarnemen. De gele vlek, of macula, is het middelste stukje netvlies, het deel waarmee we focussen en dat uitsluitend uit heel dicht op elkaar gepakte kegeltjes bestaat. De staafjes zijn absoluut noodzakelijk om ook in het duister dingen te kunnen ontwaren.

Maar wie dacht daarmee wel zo’n beetje te weten wat het netvlies doet, heeft het verschrikkelijk mis. Op de tafel in de kamer van Bergen waar we praten liggen twee hele dikke gebonden boeken. “Dat gaat allemaal over het netvlies, het is een wetenschap op zich, ” zegt hij. “Er is ook nog een derde deel.”  Zo veel informatie alleen al over het eerste stukje van wat we zien noemen. Bergen: “Nou, over wat eraan voorafgaat bestaan net zulke dikke pillen. Bijvoorbeeld over het hoornvlies en hoe het licht naar binnen valt door de pupil. Ook dat is een hele wetenschap.”

Bergen en Kamermans wijzen erop dat het oog nogal eens met een camera vergeleken wordt, maar dat is een kortzichtige  visie. Camera’s registreren wel, maar interpreteren kunnen ze niet. En dat is nou net wat het visuele systeem wel doet. Dat zit dan ook behoorlijk ingenieus in elkaar. Het eerste deel is het netvlies dat aan de achterkant van het oog licht en alle informatie via de oogzenuw de hersenen in  stuurt. De zenuwvezels van de twee ogen kruisen elkaar op een punt dat bekend staat als het chiasma (opticum), waar beide zenuwstrengen in tweeën splitsen.

Grauw

De helft van de informatiestroom blijft in de hersenhelft waar hij begon, maar de andere helft maakt de oversteek naar de tegenoverliggende hersenhelft. Dat lijkt een veiligheidsmechanisme. Vandaar gaat het verder, via een vastliggende route, die uitkomt bij de visuele cortex aan de achterkant van het hoofd. Daar bevindt zich zowel een soort verzamelpunt, V1 genoemd, als gespecialiseerde stukjes hersenschors voor bijvoorbeeld kleurverwerking en het verwerken van bewegingen. Gaan die laatste kapot dan wordt de wereld grauw, of verdwijnen en verschijnen bewegende dingen of mensen aldoor in en uit beeld.

Hoe interpreteren nu precies in zijn werk gaat, is nog steeds niet bekend, maar Kamermans benadrukt dat het al begint in het netvlies. Dat is dan ook hersenweefsel – dat dus neuronen bevat. De retina is ons eerste of ons laatste stukje hersenen, het is maar hoe je het bekijkt. “Wij zien kleuren als constant”, legt Kamermans uit, “ook daarin verschillen we van een camera. Wit papier is voor ons altijd wit, ongeacht de kleur van het omgevingslicht. Daar is een correctie voor nodig, en er werd altijd gezegd dat die in het brein moest plaatsvinden. Maar het blijkt dat kleurenconstantheid al in de eerste synaptische laag van het netvlies geregeld wordt.”

Kamermans spreekt met ontzag over het oog: “Bedenk maar eens hoe moeilijk het is een foto goed te belichten. Het oog kan zich echter moeiteloos aanpassen van sterren in een pikdonkere nacht tot een zonovergoten strand; dat loopt van één foton tot een een met twaalf nullen. Ook het selecteren van dat bereik vindt al plaats in die eerste laag.”

Ziekte definiëren

Op tafel ligt een kleurenplaatje van de lagen waaruit het netvlies is opgebouwd. Bergen, die zijn onderzoekswerk samenvat als “ziektes van het netvlies definiëren als moleculen”, wijst aan: “Dit is het retinaal pigment epitheel, dan krijg je de fotoreceptoren, dus de staafjes en de kegeltjes. Die worden overigens constant afgebroken en weer aangemaakt. Het stukje daarna, met onder andere de horizontale en bipolaire cellen, is vooral Maartens terrein. Bij de interactie tussen die lagen zijn honderden tot duizenden moleculen betrokken, en daarbij komen we elkaar vanzelf tegen, of we nou willen of niet.”

Licht omzetten in hele kleine elektrische stroompjes die de oogzenuw ingaan, dat is wat er kort samengevat in het netvlies gebeurt. Daar ligt een heel doorgiftesysteem aan ten grondslag, dat deels afwijkt van wat er al bekend was over zenuwcellen. Kamermans: “We hebben een nieuwe vorm van neurale communicatie gevonden. Meestal verloopt het contact tussen neuronen via de synapsen waardoor een neurotransmitter, een boodschapperstof, wordt doorgegeven die een reactie in de volgende cel uitlokt waarbij de spanning binnen de celmembraan verandert.”

Subtieler

“Wat wij nu hebben ontdekt is een subtielere vorm van communicatie, zonder neurotransmitter,  waarbij alleen de spanning aan de buitenkant van de cel verandert. Dat maakt wel dat er kanaaltjes in het membraan opengaan waardoor er calcium de cel instroomt. Waarschijnlijk gebeurt datzelfde ook elders in de hersenen. Maar het is moeilijk te meten. We hebben het kunnen zien bij een cel met maar één synaps, wat heel bijzonder is, want het zijn er normaal gesproken een heleboel.”

De eiwitten die daarbij een rol spelen zullen nu in de zebravisjes bestudeerd gaan worden. “Het is niet de bedoeling een grote screening te gaan doen”, legt Kamermans nog even uit. “We werken samen met een ander Akademie-instituut, het Hubrechtlaboratorium voor ontwikkelingsbiologie. Ik verwacht dat ze daar al allerlei mutanten hebben waar wij ons voordeel mee kunnen doen. We zijn aan het oefenen. Inmiddels kunnen we in drie minuten een netvliesje van een zebravis prepareren. Dat kunnen we dan nog vier en een half uur levend houden voor onze experimenten.”

Larfjes

Maar de goudvissen,  die Kamermans al eerder voor onderzoek gebruikte, zullen ook nodig blijven, al was het maar omdat zebravisjes voor sommige dingen te klein zijn. Dat er in de afgelopen pakweg tien jaar zoveel bekend geworden is van werking en functie van het netvlies heeft veel met nieuwe technieken in de moleculaire biologie te maken. Het is bijvoorbeeld mogelijk heel selectief dingen uit een cel te halen of er juist in te doen. Zelfs één enkele cel uit een kweek schieten en die dan moleculair biologisch onderzoeken kan. Maar ook de elektrofysiologische activiteit van een heleboel cellen tegelijk. Dat is nu alleen iets waar de techniek bij zebravisjes nog tekort schiet: de netvliezen zijn te klein, er is domweg niet genoeg ruimte. Bij de larfjes is het nog lastiger, en toch zal daar soms mee gewerkt moeten worden.Bergen: “Sommige blinde mutanten leven maar een dag of twaalf, omdat ze hun voer niet zien en dus niet eten.”

Blinde babyvisjes, ach. Kleurenblind blijken vissen ook al te kunnen zijn. In het laboratorium waar we later even rondkijken, en waar opvallend veel onderzoek in complete duisternis moet plaatsvinden, staan goudvissenkommen met uitzicht op lampjes. De vissen zijn makkelijk te conditioneren (“Dat doet iedereen thuis ook met zijn busje voer waar ze meteen op afzwemmen”, zegt Kamermans laconiek), en je kunt ze leren op verschillende kleuren licht  te reageren. Zo kun je dus ook ontdekken of ze kleurenblind zijn. Bergen: “Met de zebravisjes zal het allemaal een beetje anders gaan, want die leven echt in scholen.”

Heel geschikt

In tegenstelling tot de goudvis zijn zebravissen heel geschikt voor genetisch onderzoek.. Nieuwe generaties zijn in een mum van tijd gekweekt en er zijn grote aantallen verschillende mutanten. Niet voor niks worden ze de nieuwe fruitvliegjes genoemd. “Het is de C. elegans van de  gewervelden”, zegt Bergen, refererend aan het kleine wurmpje waarvan vorig jaar de complete genetische code bekend werd. Van het zebravisje is ook al veel vastgelegd. De volledig genetische code zal, zo wordt geschat, in 2004 opgehelderd zijn. Beide onderzoekers haasten zich overigens om nog eens op te merken dat je aan de genetische code alleen niet veel hebt. “Dan begint het pas”, zeggen ze in koor.

Plaats én functie van een gen vaststellen, dan komen er wel mogelijkheden in zicht. Het is de specialiteit van Bergen. In het juninummer van Nature Genetics is net een artikel verschenen over de identificatie van het gen dat betrokken is bij PXE, Pseudoxanthoma elasticum, een relatief zeldzame ziekte, die de elasticiteit van bindweefsel vermindert. Ook die van het netvlies, waarin scheuren ontstaan die uiteindelijk het gezichtsvermogen sterk aantasten. De identificatie is ook van belang voor huidziekten, en voor hart- en vaatziekten, zoals vroegoptredende aderverkalking, waar PXE-patiënten ook vaak aan lijden.

Bergen is heel enthousiast over de vondst, want het blijkt ook nog om een type gen te gaan waar bij het kankeronderzoek veel belangstelling voor bestaat. Het is een van de zogeheten ‘Multi Drug Resistance genen’ die de functie van moleculaire pomp hebben. Ze zijn in staat bepaalde geneesmiddelen uit een cel te pompen, en zouden dus als gevolg kunnen hebben dat cellen resistenter worden voor sommige anti-kankermiddelen. Bergen werkt dan ook al samen met een aantal hart- en vaatonderzoekers, en met kankeronderzoekers.

Nachtblindheid

Vorig jaar identificeerde zijn groep een gen dat een bepaald type Retinitis Pigmentosa tot gevolg kan hebben. En aan die ziekte, door kenners aangeduid als R.P., lijden maar liefst 25.000 mensen in Nederland. “R.P. heeft heel veel vormen, en er zijn tenminste 25 genen bij betrokken, die heel ingewikkeld op verschillende manieren samenwerken”, vertelt Bergen. Bij R.P. gaat het netvlies langzaam maar zeker te gronde. “Het begint met nachtblindheid, dat kan een eerste teken zijn. Daarna wordt iemands gezichtsveld langzaam maar zeker steeds kleiner, alsof hij door een steeds smaller wordende koker kijkt. Bij ongeveer de helft van erfelijke oogziekten in Nederland gaat het om Retinitis Pigmentosa.”

Bergen wil op zoek gaan naar overeenkomstige genen bij de zebravisjes, zogenaamde homologen.  Maar over gentherapie spreekt hij voorzichtige woorden, en dat doet Kamermans ook. Na het eerste enthousiasme is men in onderzoeksland een beetje terughoudender geworden, want de verwachte mooie resultaten bleven uit. Kamermans: “Je grijpt toch in in een complex, teruggekoppeld systeem. Er zijn heel weinig voorbeelden van waar dat goed gaat. Ik kan alleen insuline voor diabetespatiënten bedenken, maar dan nog: daar is de patiënt zelf de voortdurende ‘check’ op of het wel goed gaat.”

Wereld van verschil

Toch zou juist het oog, dat zich zo aan de buitenkant bevindt en bovendien een bijzonder afweersysteem heeft wel een geschikte plaats voor gentherapie kunnen blijken, denkt hij. “En de gevaren van het werken met afgezwakte virussen – vectoren worden ze genoemd – die een gen binnen in de cel moeten brengen, zijn de laatste paar jaar heel veel verminderd. Dat is echt een wereld van verschil,” voegt Bergen toe.

En je moet je eisen misschien ook niet te hoog stellen, vindt hij. “Vier procent van de mensen boven de zestig lijdt aan ouderdoms-maculadegeneratie, waarbij dus de gele vlek steeds slechter functioneert, en patiënten niet meer scherp kunnen zien. Dat heeft allerlei oorzaken, maar je bent er wel genetisch voor gepredisponeerd. We hebben inmiddels een stamboom die uniek is in de wereld, van een familie waarin die leeftijdsgebonden maculadegeneratie heel veel voorkomt. Dat geeft ons een goede kans de genen die erbij betrokken zijn te vinden. Dat hoeft niet meteen tot gentherapie te leiden, maar stel dat je iets zou vinden waardoor je het begin van de ziekte tien jaar zou kunnen uitstellen. Dat maakt voor miljoenen mensen in de wereld verschrikkelijk veel uit.”

Ouders in spe

Genidentificatie betekent wel vaak direct dat je kunt nagaan of twee mensen kans lopen een kind met een bepaalde oogziekte te krijgen. Een op de tweeduizend Nederlandse baby’s komt met een aangeboren visuele handicap ter wereld. Nogal wat van die ziektes treffen alleen jongetjes. Maar vrouwen die zelf kerngezond zijn, kunnen wel draagster van het gen zijn. Bij allerlei genen kan het van belang zijn  beide ouders in spe te onderzoeken. De identificatie van een ziektegen heeft ook als gevolg dat het mogelijk wordt na te gaan of een foetus gezond is, of ziek, of alleen  drager van de ziekte. Allemaal informatie die vergaande consequenties kan hebben:  van besluiten nooit aan kinderen te beginnen tot het afbreken van een zwangerschap. In die opzichten heeft het genetisch onderzoek wel directe toepassingen.

Ziek en gezond hebben natuurlijk alles met elkaar te maken. Het een helpt het ander te begrijpen, en andersom. Kamermans: “Mij gaat het om functie. Hoe werkt het? Daar ligt ook onze expertise. Je hebt die hele cascades van eiwitten, en ik wil weten wat er gebeurt als je die modificeert, daarin ingrijpt. Kijk, we kennen het systeem nu redelijk, en ik wil het op bepaalde, goed gedefinieerde plekken een duwtje geven. Door bijvoorbeeld te verhinderen dat een bepaald gen tot expressie komt.”

De zebravisjes, gemuteerde en gewone, moeten de weg naar de climax helpen bereiden. Het zal nog jaren duren, maar de complete kaart van genetische variatie in relatie tot functie komt eraan.

Contractonderzoek: Bepaalt wie betaalt?

Al snel zijn er op de borrel na afloop alleen nog een paar journalisten overgebleven, die praten met de aanstichter van de lange, vorige maand door de KNAW gehouden themabijeenkomst over contractonderzoek: prof. André Köbben, inmiddels met emeritaat, maar geen spatje minder fel over de onderzoekswereld. Het gesprek gaat over de gewone, dagelijkse gang van zaken bij onderzoek-in-opdracht. Althans, Köbbens stelling is dat wat hij en Henk Tromp vorig jaar in hun boek De onwelkome boodschap beschreven veel blootlegt van hoe het normaal gesproken toegaat tussen onderzoekers en hun opdrachtgevers.

De invloed van de betalende instantie op wat er van resultaten naar buiten gebracht wordt, bleek groot. Soms leidt dat tot een heus conflict, dat dan de kranten bereikt en de onderzoeker zijn baan kan kosten, maar veel gebruikelijker is het dat er onderhandeld wordt, vatte Köbben die ochtend nog eens samen voor een opmerkelijk volle zaal in het Trippenhuis. Het draait meestal uit op compromissen: ‘ik zal dit en dit in het onderzoeksverslag weglaten als dat kan blijven staan’.

Köbben is nog steeds een beetje beduusd van de heftigheid van de reacties op het boek, maar schetst ze helder. Degenen uit de bestuurs- en managementhoek bagatelliseren de zaak, anderen zeggen ‘het zal wel gebeuren, maar bij ons komt dat niet voor’, en verder zou het alleen om een verzameling losse anekdotes zonder enige bewijskracht gaan. Maar volgens Köbben zijn percentages echt niet te berekenen. Over het meeste hoor je eenvoudigweg nooit iets, maar het is één grote onderhandelingshuishouding, waarbij bijvoorbeeld de kansen nog eens voor dezelfde opdrachtgever onderzoek te mogen verrichten een stevige rol spelen.

De psychologische en sociologische mechanismen waar Köbben het in feite over heeft, laten zich niet gemakkelijk vastpinnen, maar in de loop van de themadag komen er ook harde cijfers en voorbeelden langs. Vaak bijna terloops, middenin de merendeels wat academische discussies. Zoals dat maar liefst een kwart van de totale inkomsten van universiteiten nu uit contractonderzoek komt, en dat het ontwikkelen van medicijnen volledig ondenkbaar is zonder geld, veel geld, van de industrie. Bij academische financiering is er tussen de nul en de 25 gulden per patiënt beschikbaar, terwijl de farmaceuten 500 tot 1500 gulden per patiënt leveren.

De invloed van de industrie heeft tenminste twee aanwijsbare gevolgen. Onderzoek naar wat er gebeurt als je geen medicijnen geeft, is weinig populair, net als dat naar het afbouwen van medicatie.  De vice-voorzitter van de Gezondheidsraad en hoogleraar huisartsgeneeskunde J.A. Knottnerus vertelt dat in zijn praatje, en komt bovendien met de uitslag van een onderzoek naar zeventig recent verschenen studies. In 96 procent van de gevallen waar nieuwe medicijnen een positief effect bleken te hebben, was er een relatie met de industrie. Toeval? Maar wat te denken van de uitslag van 44 studies naar geneesmiddelen tegen kanker. Wanneer die door de farmaceutische industrie betaald waren, bleken ze acht keer minder vaak tot een ongunstige conclusie te leiden dan bij non-profit studies.

Ook een praktijkverhaal van de hoogleraar neurologie J. van Gijn geeft te denken. Hij was een tijdje voorzitter van een ‘Data Monitoring and Safety Committee’, dat de onafhankelijkheid van door de industrie gefinancierd onderzoek moet garanderen in de laatste onderzoeksfase, bij de zogeheten clinical trials. Maar de industrie bleek zich zozeer te bemoeien met de gang van zaken — zelfs met hoe vaak het comité naar de gegevens mocht kijken — dat Van Gijn zich genoodzaakt zag af te treden. Wie zijn opvolger werd, weet hij niet, maar dat die gevonden is staat voor hem vast.

Tegen het eind van de dag verlevendigen de professoren Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, en Willem Wagenaar, rector-magnificus van de universiteit van Leiden de discussie door wat tegengas te geven. Volgens Schnabel maakt het allemaal niet zoveel uit welke geldstroom een onderzoek betaalt. Het zijn ongeveer dezelfde mensen die het doen, de verschillen in vrijheid zitten vooral in wat wel en niet gepubliceerd kan worden.

Wagenaar gaat nog een stapje verder. Al die vrijheden die je bij fundamenteel onderzoek zou hebben, bestaan volgens hem helemaal niet.  Je houdt bijvoorbeeld altijd beperkte middelen en je bent zeker niet volledig vrij in je te onderzoeken onderwerpen. Omdat er maatschappelijke taboes bestaan, net als discipline-interne. Commercieel onderzoek kan zelfs grote voordelen hebben: de opdrachtgever wordt vaak niet gehinderd door de ‘bedrijfsblindheid’ die in een vakgebied kan heersen.

Als ook het bedienend personeel is verdwenen, en er alleen nog wat verweesde glaasjes staan, besluiten we het nu doodstille Trippenhuis te verlaten. Op de stoep nemen we afscheid. De conclusie? Köbben heeft gepleit voor een vertrouwenspersoon, liefst onder te brengen bij de Akademie. Ook het woord ombudsman is een paar keer gevallen. Er zal verder over gesproken worden. De jonge radiojournalist, die zonder vooropgezet plan eens kwam kijken, weet ook nog niet helemaal wat hij er nu allemaal van moet denken. Een beetje hoofdschuddend loopt hij de gracht af.

‘Er loopt een haarfijne grens tussen een mooie hypothese en jezelf echt belazeren’

De steekproef van onderzoekend Nederland is niet a-select, wel klein. Vier mannen, die onderling allemaal ongeveer een decennium verschillen. Een twintiger, een dertiger, een veertiger, een vijftiger. Alfa, bèta, gamma zijn allemaal vertegenwoordigd, en ook vier universiteiten. Een hoogleraar farmacologie, die directeur is van een onderzoeksschool, een professor in de sociologie die veel onderzoek deed naar de verspreiding van cultuur, een  postdoc-bodemkundige en een geschiedenis-aio. De wetenschap kennen ze van binnenuit, en ze wilden allemaal wel proeflezer zijn van een brochure die de KNAW binnenkort uitbrengt onder de titel Wetenschappelijk onderzoek, Dilemma’s en verleidingen. Dit zijn ze:

Prof.dr. Douwe Breimer, hoogleraar farmacologie, directeur van het Leiden/Amsterdam Center for Drug Research. Standplaats: Leiden

Prof.dr. Harry Ganzeboom, hoogleraar sociologie bij de Capaciteitsgroep Sociologie van de Faculteit Sociale Wetenschappen. Standplaats: Utrecht.

Dr.ir. Jetse Stoorvogel, bodemkundige,  sinds1996 Akademie-onderzoeker. Standplaats: Wageningen.

Drs. Jan-Hein Furnée, historicus, tweede jaar aio, gaat promoveren op negentiende-eeuwse stadscultuur. Standplaats: Groningen.

 

“Die titel Dilemma’s en verleidingen is goed”, zegt de aio van 27, “het wáren ook dilemma’s. Je denkt: ik weet heus wel hoe het hoort, maar dat is dus niet zo. Bijvoorbeeld dat geval van die Mark en die aio die na hem komt…”  Iedereen heeft zo zijn favoriete geval, of beter: een geval dat aanspreekt. De KNAW-brochure geeft er een aan het end van elk van de tien hoofdstukken. Ze behandelen de heel verschillende manieren waarop het fout kan lopen in het wetenschapsbedrijf. En nee, dan gaat het meestal niet om opzettelijk bedrog, om het willens en wetens knoeien met gegevens of anderszins liegen en bedriegen. Het gaat om de dingen op het randje, het grijze gebied, kortom, om het gewone dagelijks leven en het menselijk tekort.

Neem nou die Mark. Staat op het punt te promoveren, proefschrift is al zo’n beetje af, alleen die ene controleproef moet wel nog even doen wat hij eigenlijk al opgeschreven heeft. En het wil niet. En nog eens niet. En weer. Maar op een mooie dag, verdomd als het niet waar is: zijn experiment komt keurig uit. De opmerking van zijn kamergenoot dat het volgens hem een geïnfecteerde celkweek was, waait Mark weg: kan niet waar wezen. Zijn dissertatie is gered. Maar nadat de jonge doctor naar Amerika vertrokken is, wordt hij door de aio die het vervolgproject doet bestookt met e-mail. En wat Mark ook suggereert aan mogelijke fouten bij de uitvoering, het experiment lukt nooit meer. Pijnlijk? Ja. Maar de druk was enorm, en waar gehakt worden vallen spaanders, denkt Mark tegelijkertijd.

Is dit echt een probleem? Hoe zit het hier met de verantwoordelijkheden? En mogen proefschriften dan helemaal geen fouten bevatten? De brochure stelt wel de vragen, maar de lezer mag de antwoorden zelf verzinnen.

“Goede titel”, vindt ook de 56-jarige hoogleraar farmacologie, en leider van een laboratorium. “Het is erop gericht om de jonge wetenschapper, die bijvoorbeeld stage loopt, zich bewust te laten worden van de verleidingen. Bewustmaking is een goede manier om aan preventie te doen.”

Jezelf belazeren

Want er liggen nogal wat verleidingen op de loer. “Een mengvorm van onzorgvuldigheid en zelfbedrog komt heel veel voor, maar er loopt wel een haarfijne grens tussen een mooie hypothese en jezelf echt belazeren,” brengt de hoogleraar sociologie (46) nog een nieuw dilemma op. “Mensen moeten namelijk tegelijk ook in hun werk geloven, achter ideeën aanlopen, dat heeft z’n functie…”

“Door de voorbeelden wordt het heel concreet. Bij ieder punt dacht ik: dit herken ik wel”, vertelt de bodemkundige, die op zijn 34ste al tien jaar onderzoek achter de rug heeft. “Voor mijzelf is selectiviteit een essentieel punt. Je kunt in een wetenschappelijk artikel niet alles vertellen. Hoe kies je? Je kunt ook niet alles onderzoeken. Omdat je aan fondsen vastzit, en dat is steeds sterker het geval, moet je met meer aannames werken. Daar schuilt een gevaar in, maar je krijgt er tegelijk ook interessante discussies van. Als iemand een prikkelende conclusie trekt is dat weer goed voor de wetenschap.”

Jezelf corrigeren

Het ligt allemaal niet zo simpel. “Alles is maar een interpretatie”, zegt de historicus. “Dat besef ik heel erg. In mijn vak gaat het om voorstellen voor een bepaalde ordening. En daarbij draait het juist om een selectieve blik. Maar er zijn grote verschillen in hoe mensen werken. Je hebt er die eerst heel veel bronnen onderzoeken en dan pas met een hypothese komen, maar anderen zoeken meer de bronnen bij de hypothese die ze al hadden. Die spanning is bij de alfa’s denk ik veel groter. Jezelf corrigeren is het enige dat daartegen helpt. Collega’s kunnen het niet oplossen, die bescherming is er niet.”

Maar de socioloog hecht juist veel geloof aan de mogelijkheid tot correctie achteraf binnen het wetenschappelijk forum. “Dat ontbreekt in de brochure”, zegt hij. “In zekere zin is dat juist het belangrijkste instrument. Er met elkaar over praten. Medici zijn daar beter in. Zo zijn de abortus- en de euthanasiepraktijk ontstaan. Men was met elkaar tot consensus gekomen, toen kwam de wetgeving. Wetten codificeren vaak wat er al was. Als zaken niet binnen het forum opgelost kunnen worden, dan houdt in zekere zin de wetenschap op. Ik zie ook niet zo veel in ombudsmannen en vertrouwenspersonen. Dat lijkt mij een hoop rompslomp, en meestal te zwaar geschut.”

‘Hoger beroep’

Ook de hoogleraar farmacologie meent dat in eerste instantie dingen op de werkvloer moeten worden afgehandeld: “Per instelling, dus per industrie of ziekenhuis of universiteit moeten ongeoorloofde handelingen gecorrigeerd worden. Tenzij er het risico op een boemerangeffect is. Maar pas als de eigen instelling er niet meer uitkomt, zou je naar een instantie als de KNAW moeten kunnen gaan, voor een soort ‘hoger beroep’. Ik zou dat ook een Akademietaak vinden. Momenteel wordt erover gesproken.” 

Echt erge dingen lijken overigens maar weinig voor te komen. Geen van de vier kent uit zijn eigen praktijk een echt gruwelijk voorbeeld. “Het ergste wat ik heb meegemaakt was in Costa Rica, waar we onderzoek deden naar bananenplantages”, herinnert de bodemkundige zich. “Samen met een Costaricaanse onderzoekster. Die had van tevoren al de hypothese dat bananenplantages voor veel vervuiling zorgen. Toen dat niet zo bleek te zijn, trok ze zich terug uit het onderzoek. Ik heb trouwens dat soort ervaringen ook wel met de pers. Veel tropenonderzoek gaat tegen de publieke opinie in. Als ik de Volkskrant een briefje schrijf dat het met vervuiling en bananenplantages niet erger is dan met aardappelvelden hier, dan wordt dat niet geplaatst.”

Je broodheer

Onwelgevallige uitkomsten bij onderzoek dat betaald wordt door derden zijn de laatste tijd veel in het nieuws geweest. Volgens de farmacoloog is dat, juist omdat er al zo lang opdrachtonderzoek bestaat in zijn sector, in elk geval op papier allemaal redelijk geregeld door een systeem van kwaliteitswaarborgen, al wil de praktijk soms nog wel eens weerbarstig zijn. Maar voor de socioloog is juist bij dit punt de kans op zelfbedrog hoog. “Opdrachtgevers moeten natuurlijk leren dat ze niets hebben aan naar de mond gepraat worden, maar je onafhankelijk opstellen tegenover je broodheer is niet altijd makkelijk. Ik voel zelf dat dilemma altijd: ruzie met je opdrachtgever is altijd heel anders dan ruzie met een collega.”

Hij heeft trouwens nog een opmerkelijk dilemma. Zelf meegemaakt. “In de sociologie werk je vaak met de gegevens van mensen. Dat is altijd moeilijk. Je moet dingen terug kunnen vinden, maar uiteindelijk mag niemand herkenbaar zijn. Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek gaan ze omwille van de vertrouwelijkheid heel zuinig om met hun data. Gegevens worden verminkt, niemand krijgt ze verder. Nou zat ik een keer in de promotiecommissie van iemand die haar onderzoek was begonnen toen ze nog bij het CBS werkte. Daar had ze ook haar data vandaan. Ik vind het in de wetenschap heel belangrijk dat een ander hetzelfde onderzoek nog eens kan doen, controleerbaarheid is een fundament van de wetenschap. Dus ik stelde haar een vraag over het feit dat ik haar gegevens niet kon controleren. Toen bleek het nog erger te zijn: ze kon er zelf niet eens meer bij! Wat moet je daar nou van denken?”

Terugvindbaarheid, reproduceerbaarheid komen in de gesprekken een aantal keren op. De farmacoloog hamert in dat verband op goede procedures in laboratoria. Simpele dingen als goede onderzoeksverslagen bijhouden zijn van levensbelang. Dat onderzoek te herhalen moet zijn, is ook een onderwerp dat de bodemkundige tamelijk hoog zit. “In het blad Nature is dat zo goed”, zegt hij. “Daar worden altijd de complete procedures gegeven aan het eind van het artikel. Dat betekent dat je het altijd na kan doen, maar bij de meeste tijdschriften gaat het anders. Er is nooit genoeg ruimte. En toch worden wetenschappelijke artikelen altijd hoger aangeslagen dan rapporten, terwijl die nou net wél de volledige cijfers kunnen geven.”

Vertrouwen

Een echt hot issue blijkt  alles wat te maken heeft met auteursschap, en plagiaat en collega’s en peerreviews. Kun je je peers en hun reviews wel vertrouwen? Zijn ze niet te vooringenomen, of zullen je collega’s er niet met je ideeën vandoor gaan? Wie mag zijn naam onder een artikel zetten?

Je moet écht bijgedragen hebben, wil je naam onder het artikel komen, is zo’n voorwaarde die een paar keer terugkomt in de gesprekken. Maar wat is echt? “Je moet zelf meegeschreven hebben”, zegt de socioloog, maar hij nuanceert meteen: “Dat betekent wel dat er vaak grote stukken van jouw eigen hand in proefschriften van anderen terechtkomen.” “Wij hebben er regels voor opgesteld”, vertelt de bodemkundige. “Alleen meedoen aan het veldonderzoek is bijvoorbeeld niet genoeg.”

De twee oudsten van de proeflezers zijn opvallend mild over ideeën stelen en plagiaat. “Er komt wel eens iemand bij me”, vertelt de farmacoloog, “en die zegt dan: moet je hier eens zien! Daar heb ik het uitgebreid over gehad met de desbetreffende! Maar als je dat dan gaat onderzoeken, ligt het bij nader inzien meestal genuanceerder. Vooral jongeren zijn geneigd te denken: dít is van mij, daar mag niemand aankomen. Daar zeg ik altijd tegen: kijk eens om je heen, en zie waar je zelf wel niet allemaal gebruik van maakt.”

Geen gouden standaard

“Een plagiaatgeval ligt altijd genuanceerder dan het krantenartikel suggereert”, lacht de hoogleraar sociologie. “En aio’s denken sneller dat ze geplagieerd worden dan hoogleraren. Er is nu eenmaal geen gouden standaard voor wat nu echt een bijdrage is. In de sociologie werk je vaak met dataverzamelingen. Als iemand nou een survey met zo’n verzameling doet, moet dan de verzamelaar er altijd bij als auteur? Ik vind van niet, maar anderen weer wel.”

Bruikbaar vinden ze de brochure intussen allemaal, tot op zekere hoogte althans. Het enthousiastst is de farmacoloog. Hij was degene die erop aandrong bij de Akademie — hij is lid —  iets dergelijks uit te brengen. “In Amerika liep ik een jaar of acht geleden aan tegen een brochure die On being a scientist heet”, vertelt hij. “Daar heb ik er toen direct een honderdtal van besteld, en die heb ik in de aio-opleiding geïntroduceerd. Het leidt altijd tot discussies. In de uiteindelijke versie is deze KNAW-brochure in zijn opzet dicht bij On being a scientist gebleven. Het is een soort vervolg erop, en dat is heel goed, want je hoeft niet opnieuw het wiel uit te vinden. We zullen voortaan de Nederlandse brochure gebruiken, en ik hoop dat hij op grote schaal verspreid zal worden.”

Oude doos

De bodemkundige: “Als het gaat om echt bedrog dan is iedereen zich er wel van bewust dat dat niet kan. Daar is die brochure ook niet voor. Maar als je in de wetenschap begint denkt je alleen maar zelf eerlijk te zijn. Het zegt je allemaal nog weinig. We hebben hier in Wageningen een vak wetenschapsfilosofie waar iedereen van walgt. Dat is geloof ik meteen in het eerste jaar. Voor de grap heb ik gisteren nog eens in een oude doos met spullen daarvan gerommeld, en dan is deze brochure een stuk beter. Hij leest ook gemakkelijk. Misschien is hij nog het geschikst voor aio’s en oio’s, want als je al twintig jaar onderzoek doet dan weet je dit waarschijnlijk allemaal wel.”

De brochure is breed in opzet, en daardoor ook lang. Wel wat erg lang, vinden drie van de vier. Maar ja, de breedte maakt dat elk toch wel iets van zijn gading kan vinden. Want natuurlijk zijn er in de dagelijkse wetenschapspraktijk grote verschillen tussen de vakgebieden.

Naïef beeld

De historicus is daar het uitgesprokenst over: “Het hele verhaal is toch erg gericht op de exacte wetenschappen, en daar wordt ook nog eens een vrij naïef beeld van gegeven. Het is zo langzamerhand toch wel bekend dat de harde wetenschap niet zo hard is. Dat daar bijvoorbeeld ook de hypotheses pas achteraf worden gesteld. Ik aarzel eigenlijk of je aanstaande wetenschappers nu juist deze spiegel voor moet houden. En ik ben een beetje bang dat juist alfa’s daardoor zullen denken: ik ben kennelijk niet wetenschappelijk genoeg bezig. Anderzijds is het weer wel een goede toelichting op wetenschappelijke eisen als volledigheid en verantwoording afleggen.”

Maar ook de socioloog vindt niet zomaar de hele brochure bruikbaar. Hij geeft al jaren colleges over fraude in de wetenschap. “De praktijkvoorbeelden zijn niet zo buitengewoon overtuigend”, zegt hij voorzichtig. “Maar ik denk dat ik er wel een paar zal bewerken voor mijn colleges.”

Alles bij elkaar lijkt de grootste verdienste van Wetenschappelijk onderzoek, Dilemma’s en verleidingen hem te zitten in bewustmaking, en ook in herkenning. Wat des te beter lukt omdat de brochure zo leesbaar is, zeggen ze allemaal. Een compliment dus aan Diopter – Janssens & Van Bottenurg BV, het bureau dat de brochure schreef.

 

“Het Internet brengt juist de vrijheid van drukpers weer terug”

Soms lijkt het door de hype over het Internet wel eens anders, maar de digitale droomwereld, waarin je via je computer een willekeurige vraag stelt, waarna razendsnel het gewenste antwoord op je scherm verschijnt, bestaat niet. Ook niet voor onderzoekers. Wel worden er pogingen gedaan dat paradijs dichterbij te brengen, onder andere door het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten, het NIWI. In de kille dagelijkse praktijk valt dat niet altijd mee, want nog steeds pakt tot dusver eigenlijk alles wat met automatisering te maken heeft anders uit dan verwacht.

“Daar hebben we het al over gehad bij mijn sollicitatie”, lacht dr. Gaspard de Jong (1950), de nog erg verse directeur  van het NIWI, “al tien jaar lang zijn alle verwachtingen en schattingen niet uitgekomen. Elektronische tijdschriften zouden het helemaal gaan overnemen bijvoorbeeld, maar zo hard gaat het helemaal niet. Voorlopig hebben we dit jaar nog vijftien procent meer fotokopieën van artikelen in gedrukte tijdschriften geleverd dan vorig jaar, een groei die niemand verwachtte.”

Documentenleverantie is een van de belangrijkste taken van het NIWI, dat alleen al door zijn eigen collecties uit een zeer breed scala aan bronnen kan putten. Het instituut is twee jaar geleden ontstaan uit vijf Akademie-instituten die stuk voor stuk wetenschappelijke informatie samenbrachten en toegankelijk maakten.

Wie waar welk

Elke neerlandicus bijvoorbeeld kent de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap, samengesteld door het Bureau voor de Bibliografie van de Neerlandistiek, historici konden terecht bij het Nederlands Historisch Data Archief en voor de sociale wetenschappers was er het SWIDOC (het Sociaal Wetenschappelijk Informatie- en Documentatie Centrum). Voor de vraag wie waar welk onderzoek doet in Nederland, bestond al de databank van het Nederlands Bureau voor Onderzoek Informatie en daarnaast maken ook de Bibliotheek KNAW, die vooral veel biomedisch werk bevat, en de afdeling Documentatie en Literatuuronderzoek van de voormalige Stichting voor Onderwijsonderzoek deel uit van het NIWI.

Behalve de bibliografen van de Neerlandistiek, die voor hun werk erg afhankelijk zijn van het depot van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, zit iedereen nu in de oude Coca Colafabriek aan de Joan Muyskenweg in Amsterdam, waar ook het Meertens Instituut gehuisvest is. De start van het NIWI is niet helemaal gladjes verlopen. Vooral de financiën kwamen niet snel genoeg op orde. De Jong klinkt er vrij luchtig over: “Het bleek eigenlijk vooral te gaan om een gebrekkige kwaliteit van de financiële informatie, en ik geloof dat dat een KNAW-breed punt is. Het is vaak ingewikkeld, men loopt gauw achter, en als je vijf organisaties samenvoegt, krijg je de problemen vijf keer. Het denken over de rol en taken van het NIWI is wat afgeleid door de bedrijfsmatige problemen, maar dat is nu over.”

Hoger tempo

De weg is vrij om heel hard aan het werk te gaan, want dat moet, vindt De Jong. En het moet allemaal in een hoger tempo. “Een betrouwbare dienstverlener”, dat is de hoofdfunctie die hij voor zich ziet voor het NIWI. Organisaties die dat willen, zullen straks bij het instituut terecht kunnen voor kennis en ervaring bij het toegankelijk maken van wetenschappelijke informatie. Voor het Internet en andere ‘nieuwe media’ zoals de populaire kreet luidt, is daarbij natuurlijk een hoofdrol weggelegd. De Jong heeft al gesproken met een aantal andere KNAW-instituten over het digitaliseren van hun collecties en archieven. “Ik denk dat er meer samengewerkt kan worden,” zegt hij. “We willen natuurlijk niemand verplichten om bij het NIWI af te nemen, maar we moeten duidelijk maken dat we iets goeds te bieden hebben.”

“Ik denk ook dat de ‘eigen’ gegevens van het NIWI steeds minder belangrijk zullen worden. De dienstverlening aan anderen met collecties zal toenemen. Wel is het prettig dat we zo breed samengesteld zijn. Dat levert contacten in veel werelden op. Echte integratie tussen de verschillende instituten zal vanzelf voortkomen uit het uitwerken van strategische plannen. Zolang iedereen blijft doen wat hij altijd al deed, heeft het geen nut je druk te maken over de buren. Dat komt pas bij nieuwe dingen.”

Duizenden jaren

En die zullen er genoeg komen. “Er is aanwijsbaar iets veranderd in de wetenschappelijke wereld”, zegt De Jong, “en op grote schaal.” Het digitale denken begint gewoon te worden. Maar er moet wel nog onwaarschijnlijk veel ingehaald worden. De Jong: “We hebben duizenden jaren gegevens verzameld. Er ligt dus nog een schone taak. Ontsluiten heeft de eerste prioriteit. Hoe maak ik wat ik heb digitaal? Daar kunnen wij bij helpen, al ligt de verantwoordelijkheid voor wat er toegankelijk gemaakt moet worden natuurlijk bij de collectiebezitters. Wij kunnen gereedschap leveren, en soms misschien ook mensen. Je hebt iemand nodig die duizenden documenten oppakt en vervolgens inscant.”

“Maar daarnaast heb je wat ik de laboratoriumfunctie noem. Hoe kun je effectief zoeken in je gedigitaliseerde materiaal? Je hebt zoekhulpmiddelen nodig. Trefwoorden bijvoorbeeld, thesaurustermen. Maar dat blijft heel lastig, want onderzoekers stellen bijna per definitie nieuwe vragen. Anticiperen op die vragen kan eigenlijk niet. Overigens is het niet de bedoeling dat het NIWI zelf software gaat ontwikkelen. Wij willen alleen laten zien wat je, al dan niet gratis, kunt krijgen.”

Scherpe prijs

De Jong wijst op de bijzondere positie van het NIWI. “Er zijn weinig organisaties die iets dergelijks doen. De UB’s bijvoorbeeld hebben geen middelen, die hebben al moeite genoeg hun collecties op peil te houden, en die hebben ook een heel eigen klantenkring. Wij zijn geen bibliotheek, we hebben er toevallig ook een binnen het instituut, maar die heeft vooral een achterwachtfunctie voor de UB op biomedisch terrein. Er komen niet dagelijks stoeten mensen boeken lenen. In feite hebben we geen echte klantenkring. Dus hebben we ruimte voor dienstverlening. Bovendien hebben we geen winstoogmerk, daarom kunnen we voor een scherpe prijs werken. Nu is men vaak nog aangewezen op bedrijven die niet alleen veel hogere tarieven berekenen, maar die ook vaak niet voldoende kennis in huis hebben over wetenschappelijke informatie.”

Zelf zou het NIWI meer willen weten over het informatiegedrag van wetenschappers. “Daarover hopen we onderzoek binnen te halen”, vertelt De Jong. “Welke invloed heeft de veranderde toegankelijkheid van data? Kijkt men inderdaad via het Internet nog even een paar extra tijdschriften door? Het zou heel goed kunnen zijn dat de overvloed juist averechts werkt. Zoeken is vaak ingewikkeld. Daar komt nog bij dat tegenwoordig veel in grote haast, onder een hoge werkdruk moet. Dan krijg je dat mensen alleen nog de paar toptijdschriften inkijken in de bibliotheek, die toch al met een verschraald aanbod moet werken.”

Massaal opzeggen

Het is al jaren hét grote probleem van alle wetenschappelijke bibliotheken: de aldoor stijgende prijzen van tijdschriften, terwijl de budgetten dat in de verste verte niet bij kunnen benen. De uitgevers hebben dikwijls een monopoliepositie en prijsverhogingen van dertig, veertig procent zijn heel gebruikelijk. Het punt waarop heel veel bibliotheken op onaanvaardbaar weinig tijdschriften een abonnement hebben, is al bereikt. Hoe die neerwaartse spiraal te doorbreken? Allerlei organisaties beraden zich op het moment op een tegenactie. De machtsmiddelen zijn beperkt. Ook als alle wetenschappelijke bibliotheken hun abonnement op een bepaald tijdschrift massaal opzeggen, spreek je nog steeds over een handje vol. Dat zet niet direct  zoden aan de dijk.

De Jong ziet toch allerlei mogelijkheden. “Alle tijdschriften van één uitgever, zou wel iets uitmaken”, zegt hij. “En je moet het mondiaal bekijken. Bibliothecarissen moeten onderling informatie gaan uitwisselen. In Amerika doen ze dat al, maar hier is men eerder geneigd zijn mond te houden, denkt men ‘ik heb een goede deal’. En er is echt een beweging onder wetenschappers in gang gekomen.  Vooral vanuit de Derde Wereld heb je een steeds sterkere roep om gratis toegankelijkheid van wetenschappelijke informatie. Daar is een bibliotheek een onbetaalbare luxe, maar misschien kunnen ze een stap overslaan, en direct via het Internet bediend worden.”

Troep publiceren

De opkomst van elektronische tijdschriften duurt wel langer dan verwacht — volgens De jong onder meer omdat degenen die zitten waar beslissingen moeten worden genomen, zoals in de redacties van tijdschriften, horen tot de oudere generatie die het minst met het Internet opheeft — ze gaan er wel degelijk komen. “Als een paar van de betere tijdschriften daar hun gezag aan verlenen, dan zou het wel eens heel snel kunnen gaan,” schat De Jong. “Ik zie daar ook een taak voor de KNAW. Er is geen enkele reden waarom je elektronisch niet dezelfde kwaliteit zou kunnen leveren als op papier. Gelegenheid tot troep publiceren was er altijd al. Het Internet brengt juist de vrijheid van drukpers weer terug. Het is echt een revolutie omdat het drempels verlaagt.”

De Jong weet ook hoe je het zo kunt financieren.  Kijk”, legt hij uit, “we betalen nu ook de tijd die het kost om artikelen te reviewen. Hoeveel extra zou het nou kosten als je gaat uitgeven via het net? Nu worden de kosten van publicaties gedekt door advertenties en abonnementen. Abonnementen hou je. Natuurlijk kun je een elektronisch tijdschrift makkelijk illegaal doorsturen, maar dat heb je met software ook. Het is deels een kwestie van fatsoen. Ik denk dat er een verschuiving moet optreden naar de onderzoekers. Die hebben vaak het grootste belang bij een publicatie. Daarom zou ik er voor zijn een review charge in te voeren. Dat je pakweg duizend dollar betaalt om te mogen worden beoordeeld. Dat lijkt misschien veel, maar in verhouding tot een heel onderzoek is het niet duur. En nog een voordeel is dat men dan wel uitkijkt met insturen, dat winkelen bij redacties. Je raakt bovendien misschien af van de groeiende gewoonte om met het oog op een langere publicatielijst ‘the least publishable units’ uit te brengen.”

“Een beetje een probleem zou kunnen zijn dat tijdschriften nu dikwijls gekoppeld zijn aan het lidmaatschap van een vereniging. Daar zullen die verenigingen iets op moeten verzinnen, dan moeten ze maar meer gaan bieden, dat kan best. Maar met een elektronisch tijdschrift bespaar je natuurlijk ook heel veel kosten. Geen drukken, verzenden, porto. Je hebt alleen nog de staf van je bureau nodig.”

Kwakzalvers

De Jong vindt de peer review erg belangrijk. “In Amerika is er een plan van de directeur van de NIH, de National Institution of Health, voor een centrale server met artikelen op biomedisch gebied. Ze willen alleen faciliteiten bieden, dus ook kwakzalvers zouden er hun stukken op kunnen zetten. Daar lopen nu verhitte discussies over op het Internet. Mijn eigen ervaring is dat artikelen beter worden van het commentaar van anderen.”

De Jong, die zelf beleid en management in de gezondheidszorg als achtergrond heeft, en de laatste paar jaar werkte als Algemeen directeur van het iRv Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap in Hoensbroek, was maar liefst twaalf jaar hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg. “Je treedt op als filter”, zegt hij daarover. “En met het Internet kan er nog meer. Je kunt commentaren bij de artikelen zetten, en commentaren bij commentaren. Dat kan dan doorgroeien.”

Op de website van het NIWI (www.niwi.knaw.nl) is te zien welke collecties en archieven via het net toegankelijk zijn, en wat het kost (abonnementen meestal tussen de vijfhonderd en 2500 gulden per jaar, dat laatste voor heel grote netwerken). Ook zijn er talloze links te vinden naar andere organisaties, van het Bisschop Bekker Instituut dat onderzoek naar geestelijk gehandicapten bevordert tot het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek, van de Nationale Ombudsman tot de New Scientist, het NIPO en het CBS. Ook NIWI-producten, zoals de inhoudsgaven van biomedische en maatschappijwetenschappelijke tijdschriften, staan hier in de etalage.

 

 

 

 

“Is dit de geur van de film?”

Presentatrice Paula Patricio dartelend door groene Hollandse weiden, met achter zich aan een ellenlang rood-wit lint, zoals de politie bij afzettingen gebruikt. Dat lint stond voor ons DNA, het beeld was vrolijk en de uitleg glashelder. Een rondje DNA heette de serie korte televisieprogramma’s die door heel veel mensen gezien werd, een hoge waardering kreeg en nu nog steeds op talloze scholen vertoond wordt. Maar toen bioloog en filmmaker Jan Vink in 1993 met het plan kwam om voor een breed publiek nou eens aantrekkelijk en begrijpelijk uit te leggen hoe het staat met onze kennis van de genetica, moest hij eerst een jaar leuren door Hilversum. Terwijl Vink toch met een aardige buidel subsidiegeld binnenkwam, de omroep hoefde maar een kwart zelf te financieren.

Nu eert het bij de KNAW ondergebrachte Van Walreefonds Vink, onder andere vanwege die serie, met de tweejaarlijkse prijs voor ‘de beste journalistieke prestatie op het gebied van de medische wetenschappen’. Eerder gingen de f 25.000,- naar Ria – Vinger aan de Pols – Bremer, NRC Handelsbladwetenschapsredacteur Wim Köhler en geneticus prof. H. Galjaard. De jury, onder leiding van prof. Paul Schnabel, koos met algemene stemmen zijn werk uit dertien inzendingen van verschillend pluimage. Men vond zijn ‘vertalingen’ van de uitkomsten van medisch onderzoek en medische ontwikkelingen van hoog niveau.

Ambitieus jong ventje

Al meer dan zijn halve leven brengt Vink, die net 50 is, wetenschap in beeld. Onderwijzer was hij toen hij begon. “Maar je mag nooit de onderwijzer uithangen”, zegt hij. “Film moet altijd uitdagen, open eindigen. Het mag voor de kijker niet voorspelbaar zijn.”

Begin jaren zeventig solliciteerde hij bij Teleac dat de series Natuurkunde is overal en Chemie is overal wilde gaan maken. “Daar trof ik een ambitieus jong ventje, een sterrenkundige met een opvallend accent. Hij heette Chriet Titulaer”, grinnikt Vink, “en met hem werken was heel inspirerend.” Vink herinnert zich uit zijn Teleactijd scènes in een zwembad dat met een handje ijzerchloride blauw gekleurd werd, en spectaculaire opnames met een kooi van Faraday waar het hoogspanningslaboratorium van de KEMA de bliksem in liet slaan. Op het moment dat hij even de kooi uitgestapt was, dat wel, maar zo werd het niet in beeld gebracht.

“Alles leek rond, maar het hoofd van het laboratorium wilde het niet doen met mij in de kooi”, zegt hij, “en daarna zat ik met een dilemma, een gewetensconflict omdat ik van mensen die de uitzending gezien hadden te horen kreeg dat ik zo dapper was. Dat was wennen. Nu truc ik alles bij elkaar.”

Lesboeren

Vorig jaar maakte Vink voor Teleac nog Wetenshoppen, dat onverwacht hoog scoorde.”Maar dan continueren ze dat weer niet”, verzucht Vink, die ook vindt dat ze bij Teleac soms te veel op lesboeren zijn gaan lijken. Hij stapte indertijd over naar Horizon, het nu bijna legendarische wetenschapsmagazine van de NOS, waarvan hij zowel presentator als redacteur was. Vele jaren stond hij met één been in Hilversum en een ander in een klaslokaal — eerst van een basisschool, daarna van een HAVO en een pedagogische academie. In de avonduren studeerde hij biologie.

Televisie en films maken leerde Vink in de praktijk, maar in 1986 volgde hij er toch nog een opleiding voor, aan de Media Academie in Hilversum. Een paar jaar daarvoor had hij het onderwijs voorgoed verlaten. Over hoe je iets goeds over wetenschap moet maken heeft hij inmiddels uitgesproken ideeën. “Als het scenario maar goed is”, zegt hij. “Dat is een gouden wet.”

En een goed scenario krijg je maar op een manier: je verschrikkelijk goed inwerken. “Je moet de materie zelf heel goed kennen. Pas dan kan je een leuk programma maken”, legt Vink uit. “Want dan kun je kiezen, en wordt het spannend. Degenen die met mij aan een productie meedoen kennen ook alle ins en outs van de problematiek waar het over gaat. Met een goed scenario wordt de rest dan gewoon vakwerk. Goede teksten, vormgeving, muziek, montage. Ik heb nooit discussies op de set, en ook bij de montage is een halve blik vaak genoeg. Je moet alleen voortdurend kijken: is dit de geur van de film?”

Kill your darlings

Ook moet je bereid zijn je darlings te killen. Vink vond bijvoorbeeld dat hij twee scènes moest vermoorden die hij voor In de familie had opgenomen, een video die hij met zijn eenmansbedrijf Science Productions maakte in opdracht van een vereniging met een onmogelijk lange naam: de ‘Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties betrokken bij erfelijke en/of aangeboren aandoeningen’ (in de wandeling vrolijk afgekort als V.S.O.P.), die hem later zou voordragen voor de Van Walree Prijs. “We hadden uren opgenomen in het Wilhelminapark in Utrecht”, lacht Vink, “met heel veel licht, want het was ’s nachts, speciale politie-ontheffingen en weet ik wat al niet meer. Daar is niets van inde film terechtgekomen. Daar werd de film beter van. De kijker heeft natuurlijk geen boodschap aan het feit dat jij ergens dagenlang aan gewerkt hebt.”

Het moet goed zijn, dat is het enige dat telt. Vink garandeert zijn opdrachtgevers dat hij doorgaat tot ze tevreden zijn. En hij is blij met zijn onafhankelijkheid. “Je werkt harder, maar je bepaalt zelf de kwaliteit van je eindproduct. En het scheelt in gezeur. Met je eigen bedrijf heb je niet te maken met een of andere afdeling die voortdurend roept ‘dat is niet begroot’. Ik kan nu zelf beslissen dat een dure draaidag voor niks is geweest.” Wat niet wegneemt dat de budgetten waarmee hij moet werken zelden of nooit ruim zijn, maar dat kan weer tot creatieve oplossingen leiden. Ongeveer de helft van wat  Vink maakt, biedt hij zelf aan, voor de andere helft komen ze naar hem.

Scheefgetrokken

“De V.S.O.P. wilde een jongerenmagazine over DNA-onderzoek in het dagelijks leven. Ik ben toen in de materie gedoken, heb met artsen, patiënten, onderzoekers gepraat, en ik dacht al snel: dat DNA dat zal wel, dit gaat over dilemma’s. Over de wetenschap die de patiëntenwereld binnenkomt. Dat je denkt: jezus mina, wat zou ik doen in zo’n geval? En daar moet je drama van maken. Het mag niet scheefgetrokken worden door een te grote hoeveelheid informatie. Je moet iets hebben dat discussie oplevert. De V.S.O.P. snapte dat meteen, dat was het leuke.”

Dus liet Vink amateur-acteurs twee casussen uit de praktijk naspelen. Drie broers, wier vader een erfelijke vorm van schildklierkanker krijgt, moeten eerst beslissen of ze zich wel willen laten testen, en daarna met de uitkomsten verder zien te leven. Het ene broertje dat het genetisch defect niet geërfd heeft, blijkt het daar moeilijk mee te krijgen. Hij voelt zich een buitengesloten in gezelschap van de drie andere mannen die het verder zonder schildklier moeten doen.  Nadruk op de psychologisch kant ligt ook bij het meisje dat bang is dat in haar familie een erfelijke vorm van borstkanker voorkomt. “Die film blijkt op allerlei niveaus raak te zijn”, zegt Vink met lichte trots. “Op scholen wordt hij veel gedraaid, maar eerstejaars psychologie en huisartsen in de nascholing krijgen hem ook te zien.”

De prijs is Vink ook speciaal toegekend voor deze video, én voor het laatste dat van hem op de televisie te zien was: een serie discussieprogramma’s over medisch-ethische zaken onder de titel Het souterrain. Dit keer kreeg Vink ongeveer negentig procent van de financiering van te voren rond, en nog was het moeilijk een omroep te vinden. Het werd het IKON uiteindelijk.

Hedy d’Ancona

Met wetenschap op tv lijkt het er in Vinks lange carrière bepaald niet beter op geworden. “Vroeger hadden omroepen nog een boodschap, die wilden allemaal iets”, luidt een deel van zijn verklaring. “Nu wordt er direct afgerekend op de kijkcijfers, en een programma krijgt niet meer een paar seizoenen de kans. En die heb je wel nodig. Programma’s moeten groeien.” Verder blijkt Hedy d’Ancona een onuitwisbare invloed in Hilversum achtergelaten te hebben. 

“Een paar jaar geleden won ik met Govert Schilling de TROS/PWT-scenariowedstrijd”, vertelt Vink. “Daar hoorde bij dat het winnende scenario ook uitgevoerd zou worden. Wel, dat is nooit gebeurd. De TROS dacht namelijk het geld daarvoor van het Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties te krijgen. We zijn daar ook wezen praten, en men vond het ook een heel aardig scenario. Maar toen Hedy d’Ancona dat fonds oprichtte werd ‘cultuur’ zo gedefinieerd dat wetenschap erbuiten viel. Enfin, we hebben daarna nog van alles geprobeerd, van Discovery tot de Wereldomroep, maar zonder budget bleek het een onmogelijke opgave.”

Het Klokhuis

Maar stel nu eens dat het budget géén probleem zou zijn, dat Vink helemaal zelf mocht verzinnen wat hij wilde maken? Hij weet het meteen. Een volwassen versie van een van de dingen waar hij met de meeste liefde aan gewerkt heeft: Het Klokhuis dat nog steeds dagelijks op het derde net wordt uitgezonden, na het Jeugdjournaal. Vink was een van de initiatiefnemers voor dit hogelijk gewaardeerde kinderprogramma, en ook de warmste pleitbezorger om er een stevige portie wetenschap in te stoppen. Hij werkte er jaren aan mee.

“Wetenschap, cultuur en de samenleving in de vorm van sketches, dat hebben we afgesproken toen we begonnen”, zegt Vink, nog steeds enthousiast. “We wilden geen reportages, maar hele kleine documentaires. Dus dan gingen we het hebben over het grondwater in Nederland, maar ja, dat kun je natuurlijk niet zien. Dan lieten we presentator Bas Westerweel  met een aanhangwagen met een kuub zand aan komen rijden bij de Utrechtse heuvelrug. Die bak kieperden we om, en dan wees Bas: ‘Kijk, we staan nu hier, dit is die heuvelrug. Wat nou als het gaat regenen?’ En dan pakte hij een grote gieter, goot die over die hoop zand, enfin, die manier van doen is het handelsmerk van Het Klokhuis geworden.”

En elementen daaruit kwamen ook terug in Een rondje DNA, dat liet zien dat een dergelijke aanpak niet tot kinderachtige televisie hoeft te leiden. Acteurs inzetten en liedjes kan wat Vink betreft ook prima voor volwassenen. “Een magazine dat de actualiteit op afstand volgt, en dat goed gemaakt wordt”, stelt hij zich voor. Dat betekent in elk geval dat het niveau van een reportage, waarbij een cameraploeg eens komt kijken wat er aan de hand is, overstegen moet worden. Het zwaartepunt moet voor Vink altijd bij de voorbereiding liggen. “Alleen dan kun je een invalshoek kiezen en dat maakt het pas leuk. Dat is bij een krantenstuk ook zo.”

“Het is echt onzin dat wetenschapsprogramma’s saai en moeilijk zouden zijn. Dezelfde wetten gelden als voor alle films. Je kunt bijvoorbeeld maar heel weinig communiceren met film. En je moet aldoor zorgen dat het niet saai wórdt. Wat je dikwijls ziet is dat ze wetenschappers over de verkeerde dingen aan het woord laten. Je moet niet pakweg Galjaard laten uitleggen wat een chromosoom is, dat kun je beter zelf doen.”

Pit

“Vaak is het ook aardiger om de aio’s een verhaal te horen vertellen dan hun professor. Bij hen zit de pit, de fascinatie, de fantasie nog. En een zekere onbesuisdheid. Maar de neiging is altijd meteen naar die professor te stappen, die vervolgens het gevoel heeft dat iedereen meeluistert. En dan krijg je die grijze teksten, die enorme zorgvuldigheid van formuleren die wel een tweede natuur lijkt geworden. Dan was het zulk leuk onderzoek, hebben ze zulke mooie dingen gevonden, als ze het dan vertellen denk ik: mijn moeder is allang afgehaakt. Ik zeg niet dat je nooit met een professor moet gaan praten, maar het automatisme zou eruit moeten.”

Misschien komt het droommagazine er nog wel eens. Ook dan zal Vink talenten willen stapelen. Want hoe blij hij ook met de prijs is, er moet hem toch iets van het hart: “Zonder nou meteen in termen van de jaren zeventig te vervallen, film maken is een groepsproces. Ik kan het niet in mijn eentje.”

“De hersenen praten voornamelijk met zichzelf”

Het ding kan sneller reageren dan wij zelf. Het lijkt nog het meest op een uit de klauwen gegroeide helm van zo’n anderhalve meter hoog, het heet een MEG-apparaat, en het maakt nu tweeduizend afbeeldingen per seconde van de hersenen. “Dat zou je op kunnen voeren tot achttienduizend, maar dat heeft geen zin, want zo snel werken onze hersenen niet,” zegt dr. Bob van Dijk (42), directeur van het MEG-centrum, een nog jong KNAW-instituut dat gevestigd is op de benedenverdieping van de polikliniek van het VU-ziekenhuis in Amsterdam.

Kijken wat er binnenin een hoofd gebeurt. De mogelijkheden daarvoor zijn de laatste decennia explosief gegroeid. Levende hersens kun je op allerlei manieren aan het werk zien tegenwoordig, en elke techniek heeft zijn eigen voor- en nadelen. Cruciale punten zijn hoe precies je de plaats kunt bepalen waar activiteit te zien is, of je de reactietijd exact kunt meten, en ook of het voor patiënten of proefpersonen een ingrijpende procedure is. De MEG is op dit moment de supertop van de technologie, en scoort uitstekend op alle punten. 

Geen magneet

De afkorting staat voor MagnetoEncefaloGrafie, waarin de Griekse woorden voor ‘magnetisme’, ‘hersenen’ en ‘schrijven’ zijn terug te vinden. “Magnetisme klinkt gauw een beetje eng”, zegt Van Dijk, “maar er komt geen magneet aan te pas. Juist niet. Alle magneten moeten heel ver uit de buurt blijven. Het apparaat meet namelijk het natuurlijke magnetisme. Dat is maar héél weinig. Wat je hersenen produceren is ongeveer een miljardste van het gewone aardmagnetische veld. En het mooie is dat we hiermee heel precies weten wat we meten. Neuronen, de zenuwcellen in de hersenen, geven signalen aan elkaar met behulp van elektrische stroompjes, die via de synapsen worden doorgegeven. Magnetisme en elektrische stroomdichtheid zijn heel direct aan elkaar gerelateerd, het gaat om een soort bijproduct van elektrische stromen. Dat wordt dus gemeten en die waarden worden omgezet in afbeeldingen.”

Wat die in elk geval laten zien, is dat er hard gewerkt wordt. Van Dijk: “Dat is misschien nog wel het opvallendste: spontaan is er erg veel actie. De hersenen praten voornamelijk met zichzelf, en heel weinig met buiten. Wanneer je een reactie oproept, bijvoorbeeld door iemand een testje te laten doen, dan gaat de activiteit hooguit een paar procent omhoog of omlaag.”

Hard signaal

Waar dat gebeurt, is tot op een paar millimeter nauwkeurig te zien. In de met vloeibaar helium gevulde ‘helm’ wordt op maar liefst 180 verschillende punten het signaal gemeten. Het gaat daarbij om 151 verschillende plekjes op de schedel. Een proefpersoon hoeft alleen maar zijn hoofd in de helm te steken. Soms moet hij liggen, soms zitten, maar hij krijgt niets ingespoten, wordt niet bestraald of wat dan ook.

Met andere technieken gebeurt dat vaak wel. Pet-scans bijvoorbeeld kunnen iets beter lokaliseren waar activiteit toeneemt, maar het wanneer is veel moeilijker te meten, en je krijgt er altijd een licht radioactieve stof voor geïnjecteerd. Net als bij zogeheten fMRI’s zijn veranderingen in de bloedstroom de basis voor de afbeeldingen. “We weten niet precies wat zulke veranderingen zeggen”, vertelt Van Dijk. “Bij de MEG is alles altijd interpreteerbaar. Het is gewoon een hard signaal. Je hebt ook geen referentie nodig om te kunnen beginnen met meten, en je hoeft geen grote hoeveelheden plaatjes te ‘middelen’ voor een beeld.”

Zonder schedel

Als het nodig is, kunnen MEG-gegevens ook gecombineerd worden met andere technieken, bijvoorbeeld ook met de al veel langer bestaande EEG’s (ElektroEncefaloGrammen, hetzelfde als ECG’s, maar dan niet voor het hart), die de elektrische hersenactiviteit op verschillende punten aan de buitenkant van de schedel meten en weergeven in lijntjespatronen. De MEG mag je volgens Van Dijk zien als een soort super-EEG. “Met een MEG is het of je een EEG maakt van de hersenen zelf, zonder dat er een schedel tussenzit,” vergelijkt hij de twee. Maar er zijn niet alleen maar voordelen.

Om te beginnen is de apparatuur duur. Vier en een half miljoen heeft het apparaat gekost. Daarvan zijn er, inclusief een subsidie van NWO, twee en een half door de KNAW betaald, en die is ook eigenaar. Daarnaast doen er drie academische ziekenhuizen mee: dat uit Utrecht, en in Amsterdam het AMC en het VU-ziekenhuis, waar het centrum ook gevestigd is. Betaling vooraf heeft gebruiksrechten achteraf gegeven. Een half uur in de MEG kost vijfhonderd gulden. De deelnemende partijen hebben voor heel wat uren vooruitgefinancierd.

Kluisdeur

In de loop van 1997 is het apparaat geïnstalleerd, maar de hele zaak werkend krijgen was niet eenvoudig. Het is bijzonder lastig om alle storing buiten te houden, zeker in een ziekenhuisomgeving vol elektronische apparatuur. De deur naar het kamertje waarin de MEG staat, lijkt sprekend op een enorme kluisdeur. “Er zijn zeven verschillende metalen lagen in verwerkt”, vertelt Van Dijk. Alles moet goed geïsoleerd zijn, en ook de mensen die het kamertje betreden moeten zich ontdaan hebben van sieraden en andere mogelijke stoorzenders. In eerste instantie ging het aldoor niet goed, naar later bleek omdat de bijna vuistdikke strengen kabels, die vanuit de machine naar een kamer een eind verderop lopen, precies zo lang waren dat de ‘piepers’ die in het ziekenhuis gebruikt worden interfereerden met het signaal uit de MEG. “Voordat je daarachter komt, dat duurt wel even”, verzucht Van Dijk.

De hoeveelheid rekenwerk die verricht moet worden, is indrukwekkend. De kabels eindigen in een meer dan manshoge constellatie van 180 verschillende computers, voor elk meetpunt in de helm één. Van Dijk: “De gegevensstroom komt binnen op zeven graden, hier aan de onderkant. Aan de bovenkant komt er lucht van vijftig graden uit. Pas na die voorbewerking, waarbij het merendeel van de data wordt weggegooid, kun je in een gewone computer aan het werk met de relevante gegevens.”

Hi-tech geknutsel

En nog steeds wordt er heel wat hi-tech geknutseld. Hoewel hun aantal op het moment snel groeit, zijn er maar weinig soortgelijke apparaten. Veel moet dus nog uitgevonden worden. Zoals manieren om de hersenen informatie van buiten te laten verwerken zónder dat er ergens een magneet tussen zit. Luidsprekertjes gebruiken, is uitgesloten. Dat wordt opgelost met een stethoscoop. Ook een monitor mag het kamertje niet in. Tot voor kort werd er daarom met een simpel laag-resolutie LCD-scherm gewerkt, en nu is er een ingenieus systeem met spiegels. “Pas over een jaar of tien kan iedere dokter er zonder meer mee aan de slag”, zegt Van Dijk, “dan hoef je niet langer te weten hoe het werkt.”

Hijzelf moet dat nog wel. Een van de aantrekkelijke kanten van zijn baan vindt hij dat alle aspecten van de fysica aan bod komen, er komt zelfs een kleine beetje quantummechanica bij kijken. Van Dijk is natuurkundige, eentje die liever zijn kennis inzet in de echte wereld, dan dat hij zelfverzonnen problemen oplost, zo besloot hij ooit. Hij promoveerde op een natuurkundige beschrijving van kleuren zien. Dat we dat kunnen, zit voor een groot gedeelte in de kegeltjes in ons netvlies, en veel minder in onze hersenschors dan wel gedacht werd. Van Dijk: “Er is een geneesmiddel tegen tuberculose dat een tijdelijke stoornis in het kleurzien geeft. Ik kon laten zien dat dat allemaal om effecten op het netvlies ging, en dat het dus geen probleem met de oogzenuw was, of een corticaal probleem.”

Heel visueel

Maar over zien en die cortex vertelt Van Dijk ook graag en enthousiast. Het is één van de terreinen waarop het MEG-apparaat voor onderzoek ingezet wordt. “Mensen zijn heel visueel”, zegt Van Dijk. “Ongeveer de helft van de cortex is betrokken bij het verwerken van visuele informatie. Wat we onder andere volgen met de MEG, dat is onderzoek vanuit het AMC,  is de ontwikkeling: hoe bij kinderen vanaf een jaar of vier de relatie tussen waarnemen en de activiteit in de hersenen verandert. Het duurt heel lang, wel ongeveer tot je vijfentwintigste, voordat de visuele schors helemaal uitontwikkeld is. Pas heel langzaam kom je uiteindelijk bij de kenmerkende responsies uit. Je hersenen moeten heel veel ingewikkelde berekeningen leren maken. Wanneer je bijvoorbeeld met je hoofd in de richting van een raam gaat, dan wordt, om te voorkomen dat je je stoot, de beweging een aantal keren uitgerekend.”

Onderzoek wordt er ook gedaan naar de ziekte van Alzheimer, die op dit moment nog steeds pas met zekerheid kan worden vastgesteld na iemands overlijden. Van Dijk: “De VU heeft een project over dementie. Ze kijken hier naar drie aspecten. Naar de spontane hersenactiviteit, waarvan we door EEG’s al wisten dat die anders is dan bij gezonde mensen. Je ziet dat verschillende gebieden wat meer in isolatie gaan opereren, dat er minder spreiding van activiteit is. Met de MEG kun je dat verifiëren en nauwkeuriger meten. Daarnaast wordt er gekeken naar de taalbenoemingsfunctie. Mensen krijgen plaatjes te zien en moeten zeggen wat daarop staat. Vaak kunnen ze niet op het goede woord komen. Als je ze vergelijkt met controles, dan zit er veel meer spreiding in de responstijd. De hersenen reageren soms te laat. Dat kun je zien. Daarnaast wordt het korte-termijngeheugen getest. Patiënten krijgen vijftig niet al te frequente woorden te lezen, en daarna krijgen ze paren woorden, en dan moeten ze zeggen of ze het linker- of het rechterwoord al eerder gezien hebben. Die taak voeren ze slechter uit dan controles, maar op de MEG zien we geen verschil.”  

Wie het MEG-apparaat wil huren, kan een voorstel indienen. Projecten worden in eerste instantie bekeken door Van Dijk, en vervolgens beoordeeld door een wetenschapscommissie. Van Dijk begeleidt de meeste research persoonlijk. “Dat betekent dat ik me telkens heel snel in een bepaald gebied moet inwerken”, zegt hij, “en dat is erg leuk. Het is ook echt nodig, omdat de meeste onderzoekers nog niet weten wat er nu precies wel en niet kan met de MEG.”

Spikes

Op het ogenblik gaat maar tien procent van de MEG-uren naar klinische toepassingen. Voorkomen dat essentiële hersengebieden bij een operatie verloren gaan, is een belangrijke functie. Van Dijk: “Een op de drie epilepsiepatiënten is niet met geneesmiddelen te behandelen. Dat kan grote gevolgen hebben. Sommige mensen hebben zo veel toevallen dat ze alleen nog maar in bed kunnen liggen. Een symptoom van epilepsie is afwijkende elektriciteit in de hersenen. Plotseling zie je zogeheten spikes, een hele scherpe activiteit. Het is heel ongezond voor de hersenen, dus als het kan, wordt er geopereerd. In Nederland hebben die operaties een slagingspercentage van tachtig à negentig procent. Het Academisch Ziekenhuis in Utrecht is echt hét centrum voor die chirurgie.”

“Voor een operatie zijn er twee voorwaarden. De epilepsie moet focaal zijn, dat wil zeggen: vanuit een bepaald punt beginnen. En dat moet een stukje zijn dat je kunt missen. Gek genoeg kun je het grootste deel van je cortex missen, maar je wilt natuurlijk niet dat je iemands taalgebied aantast. Waar dat precies zit – dat is niet bij iedereen op exact dezelfde plek – kun je van tevoren vaststellen. Onder andere met een MEG. Ook bij tumoroperaties is het heel belangrijk dat je een ‘atlas’ van iemands cortex hebt. Welke gebieden zitten ernaast? Dat je weet: hier moet het even langzaam en voorzichtig, want hier zitten de vingers, zegt de MEG. Je kunt daardoor ook radicaler snijden.”

Het MEG-centrum is in eerste instantie voor drie jaar ingesteld. Daarna wordt er geëvalueerd. Wil het apparaat rendabel worden, dan zouden er eigenlijk meer klinische toepassingen moeten komen. Van Dijk: “Het zou goed zijn als we nog een ziektebeeld hadden waarvoor we iets kunnen betekenen. Als er niet meer komt dan loop je ook kans dat de fabriek failliet gaat. Ik zie wel mogelijkheden in de psychiatrie. Er wordt allerlei onderzoek gedaan naar aandachtsstoornissen. Ik denk dat de MEG voor een duidelijker diagnostiek kan zorgen.”

Het grootste probleem blijft volgens Van Dijk dat we niet weten hoe de hersenen werken. Het is verreweg het meest complexe orgaan dat we hebben. Op de valreep vertelt hij wat hem het meest verbaasd heeft in de anderhalf jaar dat het MEG-centrum nu open is: “Mensen verschillen onderling zo weinig. Als je om je heen kijkt, lijkt gedrag zo diffuus, maar bij iedereen zie je exact 110 milliseconde nadat iemand een woord leest een heel specifieke reactie. Het gaat allemaal zo getimed!”

“Ik wil er hier een zoemende bijenkorf van maken”

Verandering één: de naam. Het is niet meer het P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, maar het Meertens Instituut, zoals het in de wandeling altijd al heette. De nieuwe samenvatting van wat ze er doen luidt: Onderzoek en documentatie van Nederlandse taal en cultuur.

Verandering twee: de locatie. Geen oud grachtenpand in hartje Amsterdam meer, maar een oude Coca Colafabriek met volop parkeergelegenheid aan de rand van de stad. Toch is het geen kille, grauwe kantooromgeving geworden. Op alle verdiepingen zijn in het oog springende rode draperieën te vinden, enorme gordijnachtige lappen van telkens een andere stof, in telkens een andere tint. Ze nodigen uit tot aaien, even voelen. In het vergaderkamertje, nu al algemeen aangeduid als de Casa Rosso, zijn er ook stukken langharig, lichtgevend rood tapijt op de wanden aangebracht.

De meningen over de inrichting zijn verdeeld. Ook aan de uiterst moderne lichtsensoren moeten sommigen nog wennen: wie te lang niet beweegt, komt vanzelf in het donker te zitten, en moet dan even opspringen om het licht weer aan te laten gaan.

Verandering drie: er is sinds 1 september weer een directeur, theoretisch taalkundige dr. Hans Bennis. Die heeft de leiding over alle andere veranderingen. Het Meertens Instituut heeft woelige tijden achter de rug. Na problemen trad prof.dr. Jaap van Marle vorig jaar terug als directeur, en begon een commissie onder voorzitterschap van de historicus prof. dr. W. Frijhoff zich te beraden over de toekomst van het instituut, waarbij ook de vraag of die er überhaupt wel was op tafel kwam. Het antwoord daarop luidde: jazeker. Maar er moeten wel heel wat zaken anders. Ondertussen leek het (P.J.) Meertens Instituut de laatste jaren niet uit het nieuws te slaan. 

Standaardbabbel

Dus meteen maar even over Het Bureau, de naam waaronder J.J. Voskuil het instituut opvoert in een serie succesvolle, maar voor wie erin voorkomt vaak weinig vleiende autobiografische romans.

Is de nieuwe directeur het al helemaal zat om daarover te moeten praten? “Nee hoor”, zegt Bennis (47) vrolijk, “Ik ben wel blij met die man. Laat hij maar lekker doorschrijven. Zonder Voskuil haalde het Meertens niet telkens de krant. Veel meer mensen dan vroeger kennen het tegenwoordig. Wie een culturele belangstelling heeft – en dat is overigens toch lang niet iedereen hoor, heb ik gemerkt – heeft ervan gehoord. Dat heeft voordelen, want het geeft je een opening om dingen te vertellen. Ik word alleen soms een beetje moe van de standaardbabbel: dat Voskuil het over een andere tijd heeft, dat het natuurlijk toch een roman is, enzovoort. Als ik de mensen hier hoor vertellen over hem, dan blijkt dat het beeld dat hij van zichzelf geeft in die boeken helemaal niet klopt. In werkelijkheid nam hij het allemaal wel degelijk serieus. Hij was toch het genie van de afdeling Volkskunde, heeft die echt opgebouwd.”

Deel een van de cyclus heeft Bennis inmiddels uit. “Stilistisch vind ik het goed”, zegt hij, “het is alleen allemaal nogal uitgerekt, en daarom wat saai. Het is een soort soap, een Medisch Centrum West uit de jaren zestig. Ik herken natuurlijk wel dingen. Voskuil had inderdaad een afkeer van publiceren. De hele cultuur hier is nog steeds een introverte, een van weinig lawaai maken richting wetenschap. Wat dat betreft moet er een omslag komen, zodat het in plaats van een ‘sorry-een-mens-moet-toch-wat’-houding’ voor iedereen ‘Kijk, ik zit op het Meertens’ wordt. Dat gaat komen. Ik denk dat het niet moeilijk zal zijn veel te veranderen.” 

Reuze trots

Want er zijn mogelijkheden te over volgens Bennis. Om te beginnen alleen al de collecties van het Meertens. “We hebben hier databases, te mooi voor woorden”, zegt hij met onverholen enthousiasme. “Laatst hielden we een open dag. Daar kwamen vier-, vijfhonderd man op af, ik was reuze trots. Die konden bijvoorbeeld met behulp van de Namenbank onderzoek doen naar hun eigen achternaam. En de popliedjes in dialect en de Moppenbank waren ook een groot succes. De hele vertelcultuur zit in een fantastische databank, met bijvoorbeeld verhalen die doktoren van hun patiënten opgetekend hebben.”

En dat is maar een fractie. Vorig jaar verscheen er onder de mooie titel Gouden eieren een inventarisatie van alles wat het instituut in huis heeft. Een greep: 200.000 uit de volksmond opgetekende en van kaarten overgenomen veldnamen, foto’s van koekplanken en gevelstenen, geluidsopnamen van Amerikanen van Nederlandse afkomst, van het Nederlands in Duinkerken, van Laag en Hoog Maastrichts én Maastrichts Algemeen Nederlands, soldatenfolklore, grote hoeveelheden microfiches met krantenknipsels vanaf 1930 over volkskundige zaken, vooral nieuwe tradities, carnavalsonderzoek, bidprentjes, het archief van de Stichting Magie en Tovenarij, het Volksliedarchief met beginregels, refrein en melodieaanduiding van 100.000 Nederlandse liederen, de complete laatste volkstelling uit 1947. Natuurlijk is er een bibliotheek met boeken en tijdschriften, en overal staan nog ladenkasten tjokvol systeemkaartjes. 

Beroemde nageboortes

“Alle bakken moeten het Internet op”, verwoordt Bennis een van de plannen om meer naar buiten te treden. “Als overheidsinstelling zijn we daar ook toe verplicht, vind ik. Het publiek moet toegang hebben tot dat materiaal. Zodat ze straks thuis de geschiedenis van hun familienaam kunnen uitzoeken, en nog veel meer. Er moet alleen een enorme inhaalslag gemaakt worden, want het meeste wat we hebben zit niet in de computer. Daar zal beslist extra geld voor moeten komen. Voor je alleen al Voskuils werk gedigitaliseerd hebt… die vele meters inmiddels beroemde kaartjes met gegevens over de gebruiken rond de nageboortes van paarden en andere volkskundige zaken. Over dat woord volkskunde wordt trouwens nog een beetje gesputterd. Het is uit de ondertitel van het instituut verdwenen, maar sommigen hier zien het als een soort geuzennaam, waar helemaal niet die ouderwetse en in hedendaagse ogen ook ongewenste associaties van ‘volksaard’ enzo aan vastkleven.”

Veel moet op de schop, zoveel is duidelijk. Bennis zegt het met zoveel woorden: “Echt alles moet hier gereorganiseerd. Het is tamelijk ongelooflijk, maar in de 68 jaar dat dit bureau bestaat, is er nog nooit een onderzoeksplan geweest. Inmiddels is de grond omgeploegd, kan er begonnen worden. En nu komt iedereen zijn doos met onvervulde wensen van de afgelopen twintig jaar bij mij omkieperen. Kijk, de structuren die er waren, werken niet meer. Ik gooi dus alles overhoop. Ook de financiële structuur. Die is nu nog hetzelfde als veertig jaar geleden, wat onder meer betekent dat ik moet tekenen voor elk reisje dat iemand naar België wil maken. En er lopen nogal wat samenwerkingsverbanden met Vlamingen.” 

Thema ‘Feest’

“Beslissingen moeten gedecentraliseerd worden. Onderzoek wordt georganiseerd per thema, en die thema’s moeten zo breed mogelijk zijn, over grenzen heen kijken. Daar hoort ook een eigen begroting bij, die dan bij de instituutsleiding ingediend kan worden. Daarna is men zelf verantwoordelijk. Net zoals het hele Meertens een lump sum krijgt om alles van te doen, ben ik van plan dat ook met de thema’s te gaan doen. We hebben bijvoorbeeld bij volkskunde al het thema ‘Feest’. Dat gaat van Kerst tot bruiloften, en daar zitten veel invalshoeken aan vast. Volgens mij zit daar de meerwaarde van het Meertens Instituut: echt goede vakmensen uit verschillende gebieden naar één onderwerp laten kijken. Dus én een goede cultureel antropoloog, én een goede sociolinguïst, én een historicus, én een syntacticus. We hebben gelukkig al veel goede mensen, maar het moeten er nog meer worden.”

Meer onderzoek zo inrichten dat zowel taal als cultuur aan bod komen, was een van de aanbevelingen van de commissie-Frijhoff. Een voorbeeld van dat soort onderzoek, dat ook Bennis voor ogen staat, is een NWO-project in de zeer multi-culturele Utrechtse wijk Lombok, waar het Meertens Instituut inmiddels bij betrokken is. Bennis: “Dat gaat over integratie. We gaan daar de wijk in om met mensen te praten over welke talen ze spreken, en of ze bijvoorbeeld Sinterklaas vieren. Het is een leuke vraagstelling: in hoeverre gaan talige en culturele aanpassing hand in hand? Wat is de correlatie? Je kunt je voorstellen dat als iemand Sinterklaasgedichten schrijft de acculturatie compleet is, dat je zo iemand dan als het ware het stempel ‘Nederlander’ kunt geven.” 

Taalstrijd

Natuurlijk blijven dialecten een belangrijk onderwerp, al zullen ze voortaan vooral gezien worden als onderdeel van de aandachtsgebieden ‘taalstructuur’ en ‘sociale inbedding en ontwikkeling van taalvariëteiten’. “Er is sprake van een dialect-renaissance”, vertelt Bennis. “Je hebt het succes van het zingen in dialect, dat met Normaal begonnen is, en er is cabaret, denk maar aan Herman Finkers in het Twents, en veel klassieke toneelstukken worden met succes in dialecten opgevoerd. Maar daarnaast schijnt zich op allerlei plaatsen een normatieve taalstrijd tussen de generaties dialectsprekers af te spelen. Dialect is weer in opkomst bij de jeugd, maar die zet zich af tegen het dialect zoals dat in allerlei heemkundeverenigingen juist door de ouderen bewaard wordt.”

“Maar de tijd van dialectkaarten waarop dan met allemaal van die v’tjes staat aangegeven waar ze wel en niet ‘ontbijtkoek’ of ‘peperkoek’ zeggen, is toch een beetje voorbij aan het raken. Daar gaat het niet om. Je wilt de verscheidenheid in de cultuur zien te vangen, en de bewegingen die er zijn. Dat is veel interessanter. Langzaam maar zeker moeten we dus het traditionele in kaart brengen afstoten, ook al is het zonde om de geschiedenis kwijt te raken.”

De geschiedenis is een beetje een teer punt. “Waarschijnlijk zullen we ons hier tot het heden moeten gaan beperken”, zegt Bennis. “We hebben gewoon niet genoeg staf voor alles. Maar dat is wel erg. Als wij er hier mee ophouden dan is er niet één instantie in Nederland meer die zich met historische taalkunde bezighoudt. Er is nergens een hoogleraar, en er blijft dus heel veel braak liggen. Ik vind dat een schande. Ik ben dan ook van plan om voortaan bij iedereen die ik spreek het gesprek te eindigen met ‘Overigens ben ik van mening dat de historische taalkunde een fatsoenlijke plek moet krijgen’.” 

Ans en Hans

De kans dat hij dat inderdaad gaat doen, lijkt groot. Bennis is niet bang zijn mening krachtig te verwoorden. En glashelder is hij meestal ook. Een recent voorbeeld valt te lezen in het laatste nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde, dat helemaal gevuld is met besprekingen van de Algemene Nederlandse Spraakkunst, kortweg de ANS, waarvan eind 1997 een ingrijpend herziene editie verscheen.

Hans Bennis’ bijdrage, onder het kopje ANS en Hans op avontuur (voor de te oude en te jonge lezers: Ans en Hans waren ondeugende stripfiguren in het Hitweek-tijdperk), eindigt aldus: ‘Vanuit taalkundig perspectief is dit boek een anachronisme. Het biedt de lezer inhoudsloze categoriseringen, een nutteloos begrippenapparaat, en een chaotische hoeveelheid feiten. Wat mij betreft kan iedere liefhebber van de taalkunde van het Nederlands dit boek gerust in de winkel laten staan.”

Zelf is Bennis zeker zo’n liefhebber. En het is natuurlijk zijn vak. Hij studeerde, na een kandidaats Nederlands, Algemene taalwetenschap in Amsterdam. Vanaf 1982 was hij verbonden aan de universiteit van Leiden, eerst als docent, daarna hoofddocent, en de laatste jaren bovendien als wetenschappelijk directeur van het mede door hem opgezette onderzoeksinstituut Holland Institute of Generative Linguistics, in de wandeling het HIL

Kleine woordjes

Bennis is de man van de kleine woordjes. In taalkundig Nederland werd hij beroemd door zijn onderzoek naar bijvoorbeeld er en het en om en dat. Waar kunnen die wel en niet staan in een zin, waar móeten ze beslist staan, wat is hun functie? Zinsbouw, of syntaxis, is zijn specialisatie, maar hij heeft evengoed colleges gegeven over bijvoorbeeld betekenisleer, klankleer, taalfilosofie, taalverwerving, dyslexie en zelfs spelling.

Een paar jaar geleden zat hij in de commissie die ‘taalkunde als schoolvak’ moest voorbereiden. De plannen op de middelbare school taalkunde te gaan onderwijzen zijn (overigens om ook voor Bennis onduidelijke redenen) in de ijskast verdwenen, en daarmee ook het schoolboek waar Bennis al aan werkte.

Wel op stapel staat De Zin, een boek over de syntaxis van het Nederlands voor studenten, waarvan er ook een interactieve versie op het Internet moet komen. Een groot deel van zijn publicaties tot dusver maakte hij samen met zijn vriend en collega Teun Hoekstra. ‘Bennis en Hoekstra’ is een begrip geworden. Ten tijde van het gesprek is Hoekstra nog maar net overleden, pas 45 jaar oud, na lang ziek geweest te zijn. Bennis spreekt bedroefd en met warmte over hem. “Syntaxis zonder Teun is voor mij eten zonder zout”, zegt hij.

Maar hij verwacht op het Meertens Instituut op een gegeven moment wel weer aan onderzoek toe te komen. “Ik ga natuurlijk naar syntactische variatie kijken”, klinkt het stellig, “naar de mogelijke volgordes met ‘dat’. Het is ook voor een onderzoeker een enige baan. En ik wil er hier een zoemende bijenkorf van maken, waar voortdurend mensen van buiten binnen komen, en andersom. We zijn al bezig een programma te maken dat een ‘minor’ wordt, een keuzevak, voor studenten Nederlands en Culturele studies aan de UvA, met drie colleges cultuur en drie colleges taalvariatie.”

“En het is hier natuurlijk perfect voor wie een sabbatical heeft. Meer samenwerking met de universiteiten lijkt me geen enkel probleem. Al was het alleen al omdat daar tegenwoordig zo bezuinigd wordt dat ik nu al allerlei mensen met mooie plannen op de stoep heb gehad. Ik ben nog nooit zo populair geweest.” 

Brieven aan de Toekomst

Bennis geniet zo te zien oprecht. Dat hij dit werkelijk wilde gaan doen, staat wel vast: hij liet er een hoogleraarschap in Leiden voor schieten. Ondertussen doet hij nu aldoor dingen waarvan hij zijn leven lang niet gedacht had ze ooit te zullen doen: “Ik heb kennis gemaakt met de bisschop van Den Bosch, ik heb op een ouwe schuit gezeten ter ere van het vijftigjarig bestaan van het Zuiderzeemuseum. Ik ben al bij de Heilig Landstichting geweest, en het Openluchtmuseum. Daar werken we mee samen, net als met het instituut voor Volkscultuur. We maken onder meer afspraken over wie wat doet. Zo verzamelen wij eigenlijk geen spullen, maar het Openluchtmuseum natuurlijk wel.”

“Met z’n drieën doen we ook het project ‘Brieven aan de Toekomst’. Dat was die actie eerder dit jaar. Iedereen werd gevraagd op 15 mei een brief te schrijven met wat hij die dag deed, om later een uitvoerig beeld te hebben van het dagelijks leven nu. Er zijn er meer dan 50.000 binnengekomen. Volgend jaar op 15 mei komt er een selectie uit. Daar wordt hier hard aan gewerkt, de brieven worden uitgetikt, en dat schijnt af en toe behoorlijk zwaar te zijn: veel mensen schrijven over ellende en verdriet. Enfin, op de open dag in februari is er voor het eerst iets van te zien.”

Maar jammer genoeg niet van de brieven die de meeste nieuwsgierigheid wekken, want die zitten achter slot en grendel, en blijven dat voorlopig ook. In een speciaal afgesloten deel van de bibliotheek staan twee grote dozen: de brieven waarvan de schrijvers bepaalden dat ze pas over vijftig of honderd jaar opengemaakt en gelezen mogen worden…

Op zoek naar het brein van de cel

Canada, Toronto, het Mount Sinai Hospital, tien uur ’s ochtends. Een man met een kratje vol paperassen en fotolijstjes komt het al half lege laboratorium uitlopen. Opgerolde mouwen, voortvarende pas, hier wordt driftig verhuisd. Maar de verhuizer lijkt wel erg op een foto die te zien valt op de Internet–site van het ziekenhuis waar we zijn.

Enigszins verbaasd laat hij zich tegenhouden bij de deur. Ja, hij is inderdaad Tony Pawson. Mensen uit Amsterdam? Voor de Heinekenprijs? Ach, dat is waar ook, totaal vergeten! 

Het blijkt allemaal niets uit te maken. Binnen tien minuten zitten we, met koffie, in Pawsons nog volkomen kale nieuwe werkkamer, en is hij begonnen aan een geestdriftig college. Hij begeleidt zijn verhaal met zoveel gebaren en schetsen op de geleende blocnote, dat zijn koffie er steenkoud van wordt.

Het gaat over de basis van alle leven: over cellen. Hoe die in elkaar zitten, op welke manieren ze met elkaar communiceren, hoe ze ‘weten’ wat ze moeten doen. De van oorsprong Britse prof.dr. Anthony James Pawson (1952) is hoofd van de afdeling Moleculaire Biologie en Kankeronderzoek van het Samuel Lunenfeld Onderzoeksinstituut dat in het Mount Sinai Hospital gevestigd is, en de winnaar van de dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica.

Jongensachtig

Het komt allemaal doordat hij op school niet genoeg heeft opgelet, beweert de moleculair bioloog met een jongensachtige lach, die in het gesprek steeds zal opklinken. Pawson: “Ik wist niet goed hoe het hoorde, dat je geacht werd op een bepaalde manier tegen de interne organisatie van cellen aan te kijken. Toen ik in 1986 voor het eerst mijn onderzoek presenteerde voor collega’s stond er een gerenommeerde onderzoeker op – ik zal zijn naam niet noemen – en die zei: ‘Wat u zegt is ketterij! En als u gelijk heeft dan moeten we onze hele kijk op de biologie omgooien.’ Hij bedoelde het natuurlijk als kritiek, maar op dat moment dacht ik: hé, ik ben echt iets op het spoor.”

Inmiddels staan Pawsons bevindingen in alle leerboeken. In essentie komt het hierop neer: de doorgifte van informatie in cellen is niet simpelweg een kwestie van alleen een rechtlijnige opeenvolging van actie–reactie–actie–reactie enzovoort. Het lijkt eerder op een soort netwerk, of een spinneweb, waarbinnen min of meer eigenstandig opererende ‘modules’ een cruciale rol spelen. Maar om dat te snappen moeten we terug naar de oorsprong, zegt hij.

Kink in de kabel

Pawson: “We beginnen het leven allemaal als één enkele cel. Die moet groeien, delen, er moeten nieuwe cellen gemaakt en die moeten zich bovendien kunnen specialiseren, anders krijg je alleen maar een klomp. Het moeten bijvoorbeeld bloedcellen kunnen worden, zenuwcellen, levercellen en nog veel meer. Hoe ze dat doen, weten we niet. Dat is een van de fundamentele raadselen van de biologie.”

‘Wat we wel weten, is dat dat hele ontwikkelingsproces vraagt dat de cellen in ons lichaam met elkaar communiceren. Dat is een basisonderscheid tussen meercellige organismen – ook hele simpele – en bijvoorbeeld bacteriën en gist. En zoals met alle communicatie, binnen elke relatie gaat, ís er altijd de mogelijkheid dat er een kink in de kabel komt, dat de zaken niet goed overgebracht worden. Veel ziektes waaraan we lijden hebben daarmee te maken. Virussen bijvoorbeeld, kunnen dat communicatiesysteem als het ware inpikken en dan gebruiken voor hun eigen doeleinden.”

“Met die communicatie begint het aldus. Stel, je hebt twee cellen. Dan kan de één een signaalmolecuul loslaten voor de ander. Een eenvoudig voorbeeld is insuline – dat trouwens in de jaren twintig hier in Toronto ontdekt is –  maar er zijn tienduizenden moleculen die dit doen. De schatting is: ongeveer tien procent van alle proteïnen die gemaakt worden.”

En normaal gesproken zijn die signaalmoleculen proteïnen, ofwel: eiwitten. Pawson legt voor de duidelijkheid ook nog even uit hoe we daar ook alweer aan komen: “In de celkern zitten de chromosomen, dus wat we van onze ouders erven. Die chromosomen bestaan uit DNA–moleculen en ze zijn als het ware ‘onderverdeeld’ in genen. Nou doet dat DNA zelf niks, het draagt alleen informatie. De standaard-analogie is dat het een soort blauwdruk is, een code die vertaald kan worden in eiwitten. Elk gen maakt zijn eigen eiwit, en die doen alles. Als het DNA het bouwplan is, dan bouwen de eiwitten het huis kun je zeggen.”

Oren van de cel

“Wil nou insuline zijn doelcel bereiken, dan moet die doelcel zelf ook een bepaald eiwit maken: een insulinereceptor. Zonder receptoren, ‘ontvangers’,  kunnen cellen niet reageren op de boodschappen van andere cellen.”

“Receptoren zijn een soort oren van de cel. Ze zitten aan de buitenkant, en vormen de verbinding met de binnenkant, de celkern. Op basis van wat de kern ‘hoort’, reageert die. Hij gaat bijvoorbeeld groeien. Dit soort communicatie is van belang voor alle gewone fysiologische processen.”

En dat kan dus ook fout gaan. Een signaalmolecuul zet als het ware de aan/uit–knop van de receptor op ‘aan’. Hoe dat precies in zijn werk gaat, is een van de dingen die Pawson onderzocht heeft.

Maar het schakelaartje kan ook door andere oorzaken in de aan–stand terecht komen, en dat kan desastreuze gevolgen hebben. Door mutaties in een gen kunnen er bijvoorbeeld veel te veel receptoren aangemaakt worden, dan groeien ze in groepjes, en kan de volgorde van de aminozuren (waaruit alle eiwitten zijn opgebouwd) een subtiele verandering ondergaan, waardoor de receptoren op ‘actief’ worden gezet, ook al is er helemaal geen signaal geweest.

“Net of de cel stemmen hoort”, zet Pawson de communicatie-analogie door. Als het gaat om receptoren die de cel moeten aanzetten tot groeien en delen (dan heten die receptoren overigens ineens ‘groeifactoren’), dan krijg je dus ‘ten onrechte’ groeiende en delende cellen. Zo’n proces ligt vaak ten grondslag aan het ontstaan van kanker.

Beslissen

“Mutaties en andere catastrofes kunnen leiden tot allerlei afwijkingen, bijvoorbeeld in het afweersysteem,” zegt Pawson, “en natuurlijk hoop je dat een beter begrip van die dingen je ooit de mogelijkheid geeft erin in te grijpen. De vraag die wij stelden was: wat gebeurt er in een cel als die receptoren geactiveerd worden? En denk er daarbij wel aan dat een gewone cel heel veel verschillende signalen, uit verschillende bronnen ontvangt, niet alleen maar een insulinemolecuul ofzo.”

“Op de een of andere manier moet de informatie geïntegreerd worden, en moet de cel beslissen wat hij gaat doen, hoe hij zich wil gedragen. Dat roept de vraag op: is er een binnen die cel een informatieverwerkend proces? Of je kunt zeggen: wat voor ‘brein’ dat de informatie interpreteert, zit er in een cel?”

Daar begon iets van te dagen toen ze aan de slag gingen met een bepaalde groep receptoren, waar al het een en ander van bekend was. Pawson: “Die receptoren – insuline is er daar een van –  zetten aan tot een activiteit in de cel die we tyrosine kinase noemen. Tyrosine is een aminozuur, en de chemische samenstelling daarvan kan door kinases veranderen: die brengen er namelijk fosfaten op aan. Dat is de functie van alle kinases, het zijn groepjes enzymen, dus eiwitten die voor bepaalde typen chemische reacties zorgen.”

“Die veranderde samenstelling van tyrosine leidt tot een ander gedrag. En later komen dan andere enzymen de fosfaten er weer afhalen. Dat is dus zo’n schakelaar. En dat wisten we allemaal al in de jaren tachtig. Wij wilden weten: wat doen die fosfaten dan?”

Pawson kwam tot een vreemde ontdekking. Wanneer de receptoren waar het om ging in groepjes bij elkaar zaten, dan bleken ze vooral fosfaten aan te brengen op zichzelf. De gebiedjes op de tyrosine–aminozuren waar géén fosfaten zaten, bleken het belangrijkste doelwit van de kinases. “Het is bijna incestueus”, lacht Pawson. “De kinases brengen fosfaten aan op hun eigen tyrosine. Dat was een grote puzzel. En die bracht ons bij het SH2–domein.”

Legoblokjes

Het SH2–domein. De oorsprong van die weinig  tot de verbeelding sprekende naam zijn in de nevelen van de geschiedenis verdwenen, maar het is wel waar Pawson zijn roem en reputatie aan te danken heeft. Het bleek het eerste van een hele reeks domeinen of ‘modules’, en daarmee de eerste aanwijzing dat eiwitten die binnenin de cellen werken en die informatie overbrengen helemaal uit modules zijn opgebouwd.

Pawson vergelijkt ze het liefst met legoblokjes. “Stukjes die je er in hun geheel uit haalt, met een speciale functie, die ze ergens anders precies zo kunnen vervullen.” SH2 is een structuur die bestaat uit ongeveer honderd aminozuren, en heel veel eiwitten hebben zo’n domein.

Maar wat doet een SH2–domein dan? Pawson: “SH2 herkent tyrosine–aminozuren direct, dat wil zeggen, als er tenminste fosfaten op zitten. Die werken als het ware als een magneet, en creëren een ‘bindingsplaats’. SH2 komt er dus alleen op af als een receptor al geactiveerd is, en dat zet dan weer een keten reacties in de kern in gang. Dit is het type domein dat dingen bij elkaar brengt, maar je hebt er ook die chemische reacties tot stand brengen, bijvoorbeeld een domein dat we SH3 genoemd hebben.”

“Maar locatie is alles, net als op de huizenmarkt. De manier waarop informatie in de cel georganiseerd is, hangt uiteindelijk af van het bij elkaar brengen van eiwitten, en dat had niemand gedacht.”

Goede domein

“En er is nog iets. Dat lijkt even verwarrend, maar het is heel interessant. Die domeinen doen nog meer. Ze herkennen niet alleen de tyrosine–aminozuren met fosfaten, maar óók de paar aminozuren die direct na de tyrosine komen.”

“Je hebt verschillende SH2–domeinen, die allemaal gemeen hebben dat ze op die fosfaten op tyrosine afkomen, maar ze verschillen in hun mogelijkheden de aminozuren daarachter te herkennen. Dat geeft je ook een element van specificiteit: dit herkenvermogen zorgt ervoor dat alleen het goede domein aan de receptor zal binden. Dit is dus een soort code. Want of de receptor de ‘signaalroutes’ binnenin de cel al dan niet activeert, hangt af van de aminozuren die in de buurt zitten van dat tyrosine–met–fosfaten.”

“De verschillende domeinen ‘lezen’ dus informatie op de receptoren, en als wat ze zien ze bevalt dan gaan ze erop af. En dit is toch echt wel opwindend. Je moet natuurlijk niet overdrijven, maar het doet denken aan het aflezen van de genetische code in het DNA. Er zijn momenten dat ik denk dat we net zoiets te pakken hebben.”

“Het punt is namelijk ook dat je niet zo veel hebt aan het kennen van de lineaire volgorde van alle aminozuren. Die zitten op heel complexe manieren opgevouwen, maar die domeinen kunnen die lineaire informatie wél aflezen.”

Soortgelijke processen en mechanismen bleken zich overal voor te doen. Het aantal verschillende domeinen groeit nog steeds. Er blijken onder andere heel veel SH2–domeinen te zijn. Sommige reguleren groei, andere differentiatie en weer andere het metabolisme van de cel.

En de domeinen zijn de sleutel tot de manier waarop informatie verwerkt wordt door cellen. “Het gaat door een soort netwerk”, zegt Pawson, “of een web van eiwitten die op elkaar inspelen, en dat doen ze via die modules. Zo werkt het. Er zijn inmiddels heel veel voorbeelden van.”

Naar believen

“Dat je die modules op allerlei plaatsen kunt inzetten, is natuurlijk praktisch. Als je het vanuit de cel bekijkt dan is het net of die zegt: als je nou één ding zou willen, oké, maar als ik al die verschillende dingen tegelijk moet doen, dat wordt me te gecompliceerd, dan zet ik gewoon die kant-en-klare domeinen in. Het is een beetje een ruwe, maar wel doeltreffende aanpak. We sturen die modulen naar believen rond, naar daar waar ze gebruikt kunnen worden.”

“Ach, hoe werkt biologie? Je begint met een zootje, een zwarte doos, en je vraagt je af: zijn er fundamentele principes aan het werk? Ik denk dat dit er een is, dat dit ons vertelt wat de basismanier is waarop de dingen gedaan worden. En welke rol een dergelijk simpel principe speelt binnen complexe gebeurtenissen is de volgende vraag. Daar zijn we net mee begonnen.”

Pawson mijmert nog even door over zijn vak: “Biologische informatie is eindig. Het ligt natuurlijk voor de hand, maar niet iedereen had eraan gedacht. Momenteel wordt de volgorde uitgezocht van alle genomen, dus van al het DNA van een organisme. Van het bekende onderzoekswormpje de nematode weten we het inmiddels al helemaal, maar met de mens schiet het ook op.”

“Als je dat eenmaal hebt dan heb je in principe alle informatie die je nodig hebt. Het zou je dus ook alle eiwitten en alle modules moeten geven. Dat moet gebruikt worden om echt uit te zoeken hoe de cel in elkaar zit, en ook om ingewikkelder vragen te lijf te gaan. Hoe zorgt dit alles bijvoorbeeld voor biologische diversiteit, hoe stuurt het de vorming van de hersenen aan, of hoe laat het cellen op insuline reageren?”

‘Proteoom’

“Je kunt je voorstellen dat we naast het genoom uiteindelijk ook het ‘proteoom’  zullen kennen: de complete set proteïnen. Dat proteoom zal heel groot zijn, als je bedenkt dat elk gen meerdere eiwitten kan maken, en dat wij allemaal zo’n 80.000 genen hebben [NOOT: dat zou een veel te hoge schatting blijken, LK]. Aan die 80.000 ‘informatie-eenheden’ heb je sowieso niet genoeg. Wij hebben tien-tot-de-macht-twaalf zenuwcellen in onze hersenen. Daar komt je niet als elk eiwit of elke module maar één ding doet. Het móet in combinaties werken.”

Zenuwcellen zijn Pawsons nieuwe doelwit. Hij weet al dat het SH2–domein bij die cellen niet een directe verbinding met de celkern legt, maar contact maakt met het ‘skelet’ van de cel. En er zijn twee soorten signaalmoleculen: ‘aantrekkingsmoleculen’ en ‘afstotingsmoleculen’.

De rest gaat uitgezocht worden in het nieuwe laboratorium waarheen er net vandaag verhuisd werd. Dat lab mag ook rekenen op een deel van de Heinekenprijs.

“Het is een beetje een merkwaardige periode nu,” zegt Pawson, rondkijkend op de nieuwe verdieping, en met een mengeling van verbazing en melancholie in zijn stem. “Inmiddels is het allemaal zo geaccepteerd… Het is net of je een kind hebt dat door iedereen geadopteerd wordt. Tot voor kort vlogen we er meteen op af als iemand weer een nieuw domein ontdekt had ofzo, maar nu gebeurt er zoveel dat ik niet meer overal zelf achteraan kan. Dat is ook jammer.”

“Als de wereld eraan toe is, kunnen veranderingen razendsnel gaan”

Zinderende zon, en het is nog niet eens half negen. De lucht is zo ijl dat je hem bewust, met diepe teugen naar binnen moet halen, maar Paul Ehrlich is hier, in de Rocky Mountains op een hoogte van bijna drie duizend meter, volledig in z’n element. Eigenlijk staat hij te popelen om naar z’n geliefde vlinders te gaan, want onverwacht is het een prachtdag voor veldwerk.

Maar dat weerhoudt hem er niet van nog even door te praten, en onder meer een glasheldere, maar ingrijpende boodschap voor de mensen in Nederland te formuleren. Het is dezelfde boodschap die hij nu al meer dan dertig jaar overal uitdraagt: Hou het op één kind. Twee is het absolute maximum. Wil je er meer: adopteer.

Prof. dr. P.R. Ehrlich, hoogleraar Biologie en ‘Populatiestudies’ aan de universiteit van Standford, vader van één dochter, krijgt dit jaar de dr. A.H. Heinekenprijs voor Milieuwetenschappen. Omdat hij onvermoeibaar onderzoek blijft doen naar en blijft vertellen over de gevaren die het voortbestaan van de mens en de planeet bedreigen. De effecten van overbevolking en overconsumptie zijn de belangrijkste.

Letterlijk duizenden keren heeft Ehrlich de media al te woord gestaan. Zijn bijna zestig pagina’s tellende publicatielijst laat zien dat hij ook graag buiten academische kringen treedt: artikelen voor Reader’s Digest, Der Spiegel en The New York Times wisselen die voor wetenschappelijke tijdschriften als Science, Nature of Evolution af.

Levensgenieter

Maar hij is niet het type geharde, betweterige milieu-activist. Eerder een levensgenieter, die met zijn 66 jaar niet aan pensioen moet denken “Ik ben van plan om doodgeschoten te worden door een jaloerse echtgenoot, als ik 106 ben”, zei hij de avond daarvoor al vrolijk, tijdens een door hemzelf georganiseerd etentje in een van de restaurants van het vriendelijke en keurige toeristenplaatsje Crested Butte.

Ehrlich komt er regelmatig, want elke zomer brengt hij enkele maanden door in en bij het Rocky Mountain Biological Laboratory, dat een paar honderd meter hoger ligt, en waar hij ook zijn eigen cabin heeft.

Hij kiest de wijn uit, en raadt van harte de eland die op de kaart staat aan. “Ik ben nu eenmaal een carnivoor,” zegt hij. “In de crisisjaren, toen ik opgroeide, werd hoe goed het ging met een gezin afgemeten aan of er zondags rosbief op tafel kwam. Maar ik ben in de loop van de tijd wel veel minder vlees gaan eten. Onder andere door de lange gesprekken met Gretchen.” Gretchen is Gretchen Daily,  een voormalige studente van Ehrlich, en duidelijk zijn beoogd opvolgster in de milieulobby. Zij zit achter een grote vegetarische salade, en ook Ehrlichs vrouw,  mede-activiste en vele-malen-mede-auteur Anne dineert mee.

De twee leerden elkaar kennen tijdens potjes bridge, aan de universiteit van Kansas  waar Anne studeerde (ze is nu onderzoeker aan de Biologiefaculteit van Stanford) en Paul aan het promoveren was. Het kaarten schoot erbij in vanaf het moment dat ze ontdekten allebei hevig geïnteresseerd te zijn in milieuvraagstukken. Het was de tijd dat DDT nog een veelgebruikt bestrijdingsmiddel was. Het gebeurde hen wel dat een bezoekje aan de drive-in-bioscoop ruw verstoord werd doordat ze een lading DDT ‘tegen de muggen’ over zich heen kregen. Maar Paul had al eerder met DDT te maken gehad.

Succesvolle Prikkebeen

Vlinders zijn de fladderende rode draad in zijn leven. Zijn eerste publicatie, nu vijftig jaar geleden, ging erover, en nog steeds schrijft hij over ze, én onderzoekt ze. Hij was nog maar een puber toen hij, tijdens een zomerkamp, voor het eerst op vlinderjacht ging. “Maar het bleek onmogelijk om ze in New Jersey, waar ik toen woonde, te kweken”, vertelt hij, en hij legt direct het geheim achter een succesvolle Prikkebeen uit: “Perfecte exemplaren vang je namelijk niet met een netje, die kweek je zelf op. En zodra de vleugels helemaal uitgespreid zijn, en je dus een spiksplinternieuwe hebt, dan maak je hem dood en stopt hem in je pronkkastje.”

“Vlinders zijn bijzonder geschikte beestjes om mee te experimenteren, juist omdat amateurs over de hele wereld op ze jagen. Verzamelaars weten precies welke planten ze eten. Er is geen enkele groep dieren waarvan we gedetailleerdere informatie over hun voeding hebben, over de manier waarop ze met planten interacteren. Het artikel dat ik daarover met iemand anders schreef, is nog steeds mijn meest geciteerde publicatie.”

Maar ook in New Jersey was het kwistig rondspuiten van gif tegen muggen heel gewoon, met als gevolg dat het vlinders-kweken nergens meer wilde lukken.

De relatie tussen vlinders en milieu werd dus al vroeg gelegd en Ehrlich heeft al een aantal vlinderpopulaties uit zien sterven door de immer oprukkende mens. Voor hem zijn zijn biologisch onderzoek en zijn milieu-activisme nog altijd twee loten aan dezelfde stam. Uiteindelijk gaat het immers allemaal om hetzelfde ecologisch systeem.

Indertijd ging zijn promotieonderzoek over DDT-resistentie bij insecten, en toen hij op Stanford colleges over de evolutie ging geven, verschoven de verhoudingen binnen de lesstof vanzelf :”Ik begon met negen keer een college over waar we vandaan kwamen, en dan een keer over waar het naartoe gaat, maar dat laatste aandeel werd steeds groter”, vertelt hij.

Inspiratiebronnen

In 1968 verscheen Ehrlichs beroemdste boek: The Population Bomb, en inderdaad, dat sloeg in. Zijn uiteenzettingen over de gevolgen van de explosief groeiende wereldbevolking  (op dat moment waren er drie en een half miljard mensen) trokken enorm veel aandacht. Het boek werd in allerlei talen, waaronder het Nederlands, vertaald, en was een van de inspiratiebronnen voor het beroemde rapport van ‘de Club van Rome’.

Dertig jaar later ligt er een hele stapel verontrustende, maar altijd leesbare en met persoonlijke ervaringen gelardeerde boeken. Meestal zijn het co-producties – heel vaak met Anne, en Gretchen Daily is de derde auteur van een van hun laatste uitgaven, The Stork and the Plow – en in essentie staat er steeds hetzelfde in. De voorbeelden verschillen, het accent ligt de ene keer op een ander aspect dan de andere, cijfers krijgen een update, maar het blijven dezelfde waarschuwingen en aansporingen.

Ehrlich vat het nog eens beeldend samen: “We zijn als die vent die van een gebouw met honderd verdiepingen naar beneden springt en bij de twintigste verdieping roept: ‘Tot dusver gaat alles fantastisch’. Kijk, we zitten nu al op zes miljard mensen, dat is veel meer dan wat we op basis van onze inkomsten kunnen volhouden. We zijn een spilzieke erfgenaam, die telkens weer een cheque komt innen, maar nooit kijkt naar de betalingsbalans.”

“Want we gebruiken ons kapitaal op: ons bouwland, ons grondwater, onze natuurlijke hulpbronnen. En de biodiversiteit: de planten, dieren en micro-organismen die in feite de werkzame onderdelen zijn van het hele systeem dat alle levensfuncties  in stand houdt. Het doorslaggevende punt is dat de mensen niet begrijpen dat we totaal afhankelijk zijn van de diensten van het ecosysteem dat we botweg in mootjes hakken. We zijn bezig de tak af te zagen waar we zelf op zitten.”

Amerikaanse baby

De hele zaak valt samen te vatten in een formule, die Ehrlich al in The Population Bomb gaf: I=PAT. Het effect (I van impact) dat een economie op het milieu heeft, is gelijk aan de omvang van de bevolking (P van population) maal hun gemiddelde consumptie (A van affluence: rijkdom), maal het niveau van de beschikbare technologie (T). Hoe je al die factoren in exacte cijfers moet vangen, is niet helemaal duidelijk, maar iedereen kan snappen dat het voor het milieu veel kwalijker is als veel mensen in een hoog-geïndustrialiseerde samenleving veel consumeren, dan wanneer een kleine bevolking met weinig technologie een relatief arm bestaan leidt.

In een voorbeeld van Ehrlich: een pasgeboren Amerikaanse baby (“Het is geen baby, maar een superconsument”, is een van zijn bekende one-liners) zal in zijn leven vijfentwintig keer meer negatieve gevolgen voor het milieu hebben dan een Indiase.

Hoewel, begrijpt inderdaad iedereen dat? Ehrlich is natuurlijk ook voor doemdenker en onheilsprofeet uitgemaakt. Feit is dat niet alle voorspellingen uit zijn eerste boek over bijvoorbeeld massale hongersnoden precies zo zijn uitgekomen, maar ondertussen sterven er nu wel meer mensen van de honger dan dertig jaar geleden. Een ander feit is dat zelfs als vanaf vandaag de totale wereldbevolking streng aan geboortebeperking gaat doen, die bevolking toch nog een hele tijd gigantisch doorgroeit, zoals Ehrlich keer op keer voorrekent.

Degenen die denken dat het allemaal wel meevalt, maken een denkfout. Ehrlich heeft het al tientallen jaren over the Netherlands Fallacy, ‘de drogredenering over Nederland’, die hij voor een journalist uit dat land graag nog eens uitlegt: “Er wordt vaak naar het dichtbevolkte Nederland verwezen: zo veel miljoen mensen op zo’n klein stukje land, en het gaat er uitstekend! Waarom zou het niet overal zo kunnen zijn?”

“Het antwoord is natuurlijk: de Nederlandse bevolking leeft niet van wat Nederland te bieden heeft. Ze importeren ik weet niet wat allemaal van overal elders. De enige reden dat ze zo prettig kunnen leven, is dat de rest van de wereld niet zo dichtbevolkt is. Nederlanders zouden zich moeten realiseren dat ze afhankelijk zijn van diensten van de hele rest van de wereld. Trouwens, zelfs als je alleen maar naar het geld kijkt: als straks de dijken verhoogd moeten worden als gevolg van de opwarming van de aarde, dan is dat niet goedkoop. Juist de Nederlanders moeten dat toch snappen.”

O.J. Simpson

De aandacht die vooral de laatste jaren gaat naar tegenstemmen die bijvoorbeeld zeggen dat onze natuurlijke hulpbronnen onuitputtelijk zijn, of dat het niet erg is dat er zo veel soorten uitsterven, en dat de technologie wel oplossingen zal bieden, zijn Ehrlich een doorn in het oog.

Gevraagd naar zijn grootste frustratie in al die decennia lobbyen komt hij met de media: “Toen ik correspondent was voor NBC News heb ik van mijn producent vaak gehoord hoe dat gaat. Daar zitten ze ’s ochtends bij de redactievergadering echt te bidden dat er een trein zal ontsporen die terecht komt op een kindercrèche, die geleid wordt door de nieuwe vriendin van O.J. Simpson. Dan is hun dag goed.”

“De journalistiek is altijd uit op drama en controverses. Dus als één iemand beweert dat wat tweeduizend wetenschappers zeggen niet waar is, dan roepen ze: dat is nieuws! Of die vent ergens verstand van heeft, doet er niet toe. Hij kan door de hele wetenschappelijke wereld als een idioot worden gezien, maar de journalistiek zál het debat gaande houden.”

Het zit de Ehrlichs zo hoog dat ze er hun laatste boek, met de veelzeggende titel Betrayal of Science and Reason, How Anti-Environmental Rhetoric Threatens our Future, aan gewijd hebben, en dat inderdaad gaat over de manieren waarop het wetenschappelijk denken en redeneren in het maatschappelijk debat vaak buiten spel worden gezet.

Een ander punt is natuurlijk dat we juist graag gerustgesteld worden. De boodschap dat we op weg zijn naar het einde is geen prettige. “We proberen het voor elkaar te krijgen met de verkeerde diersoort,” laat Ehrlich zich op een gegeven moment zuchtend ontvallen. We zijn immers uit de evolutie gekomen als wezens die ogenblikkelijke bevrediging zoeken. Pakken wat je pakken kunt, en wel nu, want je weet niet of er straks nog wat te halen valt. Dat grote delen van de wereld allang niet meer zo in elkaar zitten, moet je de bevolking keer op keer blijven vertellen. Voorlichting, educatie, het zijn uiteindelijk de enige wapens die activisten in handen hebben.

Tergend langzaam

Maar helpt het? Worden de mensen wijzer? “Als je vroeg genoeg begint ze te onderwijzen wel,” zegt Anne Ehrlich. Gaat het wel snel genoeg dan? “Oh, het gaat heel snel,” antwoordt ze cynisch, “alleen niet de goede kant op.”

“Van mijzelf uit gezien gaat het allemaal tergend langzaam,” valt haar echtgenoot in, “maar aan de andere kant heb ik tijdens mijn leven dit wel een echt issue  zien worden. En ik denk toch dat ons werk invloed gehad heeft op de bevolkingsgroei. Het geboortecijfer is in landen als Amerika  in feite heel snel teruggelopen. De overconsumptie is een groter probleem, het is lastiger mensen te overtuigen dat ze met minder genoegen moeten nemen, dat je bijvoorbeeld niet altijd de auto hoeft te nemen, en dat je heel veel dingen lang kunt gebruiken.”

Ehrlich is een aartsoptimist, maar het moet gezegd, hij heeft een paar tot de verbeelding sprekende argumenten. “Als de wereld eraan toe is, dan kunnen veranderingen razendsnel gaan”, zegt hij. “Ik heb zelf aan het begin van de oorlog, althans, toen Amerika mee ging doen, gezien dat alles in een klap veranderde. De maatschappij kon toen ook ineens helemaal anders ingericht worden.”

“En vergeleken met toen ik een kind was, heeft de zwarte bevolking nu echt een machtspositie veroverd. Het is nog steeds niet wat het wezen moet, maar het verschil is enorm. Of kijk naar de positie van vrouwen, die is toch heel anders dan in pakweg 1950. Of nog recenter: de val van het communisme, waar niemand op gerekend had. Echt, het kan heel snel gaan. Als maar genoeg mensen zien dat het zo niet langer gaat, dat we voorbij de draagcapaciteit van de aarde zijn. Niemand weet wat er gaat gebeuren als er geen drastische maatregelen komen, maar dan hebben we het onszelf aangedaan.”

‘Dolfijnloze’ tonijn

De laatste tijd proberen de Ehrlichs en vooral Daily ook economen en het bedrijfsleven te bewerken. Lastig blijft het, want de gemiddelde econoom die zegt dat de economische groei nu echt een keer moet ophouden, wordt door zijn vakgenoten niet serieus genomen.

Maar in economische groei zouden consequent de kosten voor het milieu verrekend moeten worden. “Dat is toch wat we als onze taak zien,” zegt Ehrlich, “onderzoeken en in kaart brengen welke factoren allemaal een rol spelen in het totale ecosysteem. Soms komen daar verrassende dingen uit: we hebben bijvoorbeeld ontdekt dat een gevarieerd landschap vaak belangrijker is voor het voortbestaan van een vlindersoort dan alleen een groot gebied. Met dat soort kennis kunnen we adviezen geven over te beschermen gebieden. Net zoals we bij ons grote project in Costa Rica, waar ik ook elk jaar twee maanden ben, nu uitzoeken of het economisch ‘werkt’ om op een ecologisch verantwoorde manier aan bosbouw te doen, en dan ‘ecologisch verantwoord hout’ te verkopen aan de rijke landen. Zoals je nu ook ‘dolfijnloze’ tonijn hebt.”

Het gesprek op de berg is bijna afgelopen. Ehrlich wijst erop dat het geld van de Heinekenprijs naar dit schitterend gelegen laboratorium zal gaan. Opdat studenten er onderzoek kunnen doen. En nogmaals benadrukt hij dat er inmiddels een nieuwe, goed opgeleide generatie is, die prachtig werk doet, en die de fakkel van hem over moet nemen. Voor hun kinderen, en zijn kleinkinderen.

‘Van alcohol krijg je echt geen maagzweer’

Het is allang totaal uit de hand gelopen. “Het heeft mijn leven overgenomen”, zegt dr. Barry Marshall, de man die erachter kwam dat negentig procent van alle maagzweren veroorzaakt wordt door een bacterie, en dus te genezen is met antibiotica.

Dat was zo’n vijftien jaar geleden. Nu verschijnen er elke dag drie à vijf artikelen over de inmiddels wereldberoemde bacterie Helicobacter pylori, en hebben zo’n vijfduizend mensen er een fulltime onderzoeksbaan aan. Marshall te pakken krijgen was een heidense klus, en een ontmoeting viel onmogelijk te regelen. Dus vertelt de winnaar van de dr. A.H. Heinekenprijs voor Geneeskunde over zijn onderzoek via de telefoon, vanaf de andere kant van de wereld, zijn Australische geboorteplaats Perth.

Marshall (1951) klinkt als een opgewekte man. Moedig is hij ook. Om zijn vermoeden te bevestigen dat de Helicobacter pylori een onmiddellijke ontsteking van de maag teweeg brengt, nam hij er ooit zelf een flinke slok van. En inderdaad: drie dagen braken en een gastritis waren het gevolg. Gastro-enteroloog Marshall hoorde bij de helft van de wereldbevolking die geïnfecteerd is met de spiraalvormige Helicobacter. Het was een grote stap in de richting van het bewijs dat maagzweren meestal een bacteriële oorzaak hebben. 

Succesvolle zakenlui
Een maagzweer krijg je van stress, onregelmatig leven, slecht eten, drinken, roken. Dat was tot voor kort wat iedereen dacht, ook de dokters. Maagzweren, en ook zweren aan de twaalfvingerige darm zijn nare dingen. Ze kunnen tot bloedingen en perforaties leiden, en het was vaak lastig er iets aan te doen. Eindeloos diëten, operaties waarbij stukken maag weggehaald worden, en nog veel meer ellende. Bovendien, als stress de oorzaak is, dan moet je die wegnemen. Marshall: “Zo ging het ook. Ik heb heel veel succesvolle zakenlui gezien van rond de vijftig, tegen wie de dokter gezegd had dat ze hun zaak maar moesten verkopen en met pensioen gaan. Maar na een antibioticakuur kunnen ze weer twintig jaar voort. Daar zijn ze heel gelukkig mee, veel mensen houden ook juist van stress.”

Het is bijna een wonderdokter-verhaal. Een middel vinden tegen een zo veelvoorkomende kwaal is maar weinigen gegeven. Marshall was nog met zijn opleiding bezig toen de patholoog Robin Warren hem voor het eerst Helicobacter pylori liet zien. Warren had de nieuwe bacterie aangetroffen bij patiënten met gastritis. Op zichzelf al heel bijzonder: er werd altijd aangenomen dat de maag steriel was, omdat dat bacteriën niet tegen maagzuur kunnen.

Warren en Marshall begonnen een uitvoerig onderzoek onder honderd patiënten. Bij heel veel mensen met gastritis troffen ze de bacterie aan, maar het verband met zweren was bijna honderd procent. Dat wil zeggen: patiënten met een twaalfvingerige-darm-zweer bleken allemaal met Helicobacter rond te lopen, en bij de maagzweerpatiënten was het percentage tachtig. Bij de rest bleek de maagzweer toegeschreven te kunnen worden aan een andere, al langer bekende oorzaak: veel aspirine of aspirine-achtige middelen slikken.  

Topspecialisten
Marshall: “Zo’n verband kán toeval zijn. Zelf vermoedde ik dat Helicobacter de onderliggende oorzaak was, maar iedereen vertelde me dat mensen met zweren de bacterie oplopen, juist omdát ze die zweer hebben. Het was dus een kip-en-ei-kwestie. Hoe dan ook, al had ik maar één procent kans dat mijn hypothese juist was, dan nog leek het me de moeite waard erachteraan te gaan.

Ik ben toen mensen met antibiotica gaan behandelen, en na een jaar had ik niemand meer bij wie de maagzweer of de zweren in de twaalfvingerige darm niet over wilden gaan. Terwijl in die tijd topspecialisten zich het hoofd braken over de behandeling van ongeneeslijke zweren. Enfin, toen bekend werd dat er een dokter was met een middel tegen maagzweren kregen we honderden patiënten in het ziekenhuis. Het was waanzin. En in die tijd had ik nog niet zo’n goede behandeling, er waren vaak meer pogingen nodig. Om de Helicobacter weg te krijgen, heb je een zware kuur nodig, met minstens twee verschillende antibiotica.”

Maar om de medische stand te overtuigen (Marshall: ‘Dokters zijn allemaal conservatief”) was er meer nodig. “In die tijd zat ik ’s avonds vaak in de bibliotheek oude medische tijdschriften te lezen”, vertelt Marshall. “En een Nederlandse patiënt gaf me uiteindelijk wat ik zocht. Het was een artikel over iemand die door een endoscopie, waarbij ze naar binnen kijken in je maag en een stukje weefsel weg kunnen nemen, een gastritis had opgelopen. Er stonden plaatjes bij, en ik zag het direct: dat was Helicobacter. Door dat Nederlandse artikel wist ik dus hoe het eruit zag bij een acute infectie.”  

Bijna geopereerd
“Toen heb ik zelf die slok genomen, en ontwikkelde ik dus inderdaad een gastritis. Ik was overigens maar twee weken ziek, en dat viel me eigenlijk een beetje tegen. Ik had gehoopt er meer over te kunnen publiceren. Maar ik weet van iemand die later hetzelfde gedaan heeft, en die had zo’n pijn dat ze hem bijna geopereerd hadden, omdat ze dachten dat hij een blinde-darmontsteking had. Ik denk dat er heel wat arme mensen hun appendix zijn kwijtgeraakt vanwege Helicobacter, terwijl ze alleen maar antibiotica nodig hadden.”

Maar wat doet de Helicobacter nou precies? Marshall: “De meeste bacteriën die je binnenkrijgt worden gedood door het zuur in je maag. Maar Helicobacter maakt ammonia aan om zich heen, en is daardoor niet erg gevoelig voor dat zuur. Hij kan dus rustig op de binnenkant van je maag gaan zitten. En hij heeft bovendien zelf aan de buitenkant bepaalde kleverige eiwitten, die vastplakken aan maagcellen. Daardoor kan hij zich ingraven onder het maagslijm. Die slijmlaag is ongeveer een halve millimeter dik, en zit hij daar eenmaal onder dan is hij helemaal onbereikbaar voor het maagzuur, en kan beginnen epitheelcellen van de maagwand op te eten. Ze hebben het er heerlijk, en op zichzelf is dit een tamelijk onschuldig proces. Eerder een soort roos in je maag dan iets gevaarlijks.”

“Wat er daarna gebeurt is nog een groot punt. Je zou kunnen zeggen dat je lichaam allergisch kan worden, en een ontstekingsreactie ontwikkelt, die om de een of andere reden heviger is in de twaalfvingerige darm dan in de maag. Daar krijg je meestal ook de eerste zweren. Maar waarom de een wel en de ander geen zweren ontwikkelt, is niet helemaal duidelijk. De cijfers liggen ongeveer zo: een derde van de geïnfecteerden heeft nergens last van, een derde krijgt een gastritis, en het laatste derde ontwikkelt zweren. Ik denk zelf dat er ook een verband is met kanker, maar dat is nog niet bewezen.”  

Alcohol
De bekende maagzweer-oorzaken van vroeger kunnen volgens Marshall wél een rol spelen als je de bacterie eenmaal hebt. “Maar van alcohol krijg je echt geen maagzweer. Matige drinkers genezen er zelfs eerder van dan geheelonthouders. Een liter bier per dag schijnt optimaal te zijn. Dan verdrinken ze ofzo.”

Dat je maagzweren kunt genezen met antibiotica is inmiddels heel breed doorgedrongen. Controverse is er nu nog over wat je moet doen met mensen die alleen gastritis hebben. Zien of die de bacterie dragen, is ondertussen niet moeilijk meer: er zijn verschillende ademtesten ontwikkeld (onder ander in Nederland), zodat een endoscopie niet meer nodig is. Maar de kuur is zwaar, iets dat je over het algemeen alleen geeft aan mensen met een zware longontsteking.

Marshall: “Dubbelblind onderzoek heeft niet bewezen dat patiënten zonder maagzweren er veel aan hebben. Die gaan allemaal vooruit, ook als je ze een placebo geeft. Maar ik denk dat het uiteindelijk toch terugkomt. Dat onderzoek ik nu, ik doe een vervolgonderzoek van een jaar, waarin patiënten elke avond gebeld worden door de computer. Die kan iedereen ter wereld bellen. Wacht, ik geef wel even een demonstratie. Voor de lol.”

Vijftien jaar geleden bouwde Marshall nog zijn eigen computers, en in dit staaltje moderne onderzoekstechniek heeft hij kennelijk groot plezier. Het werkt zelfs middenin het telefoongesprek: een stem op een bandje die vriendelijk groet, je verzoekt telefoontoetsen in te drukken en een rijtje vragen over buikpijn en stoelgang afwerkt.  

Baby-boomgeneratie
De cijfers over Helicobacter zijn wel onrustbarend. Maar je kans om een besmetting op te lopen is erg afhankelijk van socio-economische omstandigheden. Armoe, dicht op elkaar wonen, vies water drinken zijn bijvoorbeeld allemaal factoren die tegen je werken. Hygiëne is naar alle waarschijnlijkheid het punt waar het om draait. Inmiddels is dan wel bekend dat ruim de helft van de mensheid besmet is met Helicobacter pylori, maar de percentages per land verschillen enorm. In Nederland is het niet meer dan zo’n dertig procent, en vanaf de baby-boomgeneratie is het vrijwel helemaal verdwenen, maar in bijvoorbeeld Zuid-Amerika lopen vaak zeven van de tien mensen ermee rond.

Ook degenen die niet bevattelijk zijn voor een bepaalde Helicobacter, komen in arme landen heel dikwijls weer een nieuwe vorm tegen, en die kan wel precies aansluiten bij hun weefsel en bloed. Dat blijkt ook uit onderzoek. Een vaccin zou juist voor zulke bevolkingsgroepen een uitkomst zijn. Daar wordt momenteel aan gewerkt, en het is wat Marshall betreft een van de belangrijkste dingen die moeten gebeuren, maar hij verwacht dat het nog wel tien jaar zal duren voor het in de handel is. Wellicht kan het zelfs ingebracht worden in voedsel, zoals bananen.

Cultuurkwestie
Officieel is Marshall nu nog verbonden aan de universiteit van Virginia, in Charlottesville. In Perth zal hij een groot vijfjarig onderzoeksproject gaan leiden, waarbij vooral gekeken gaat worden naar de soms al geconstateerde resistentie van de Helicobacter voor bepaalde antibiotica. Ontwikkelt die zich verder, en zo ja, hoe? Daarvoor moeten patiënten langere tijd gevolgd worden. Ja, hij is blij terug te gaan.

“Dat is een cultuurkwestie”, zegt hij. “Ook al spreek je ook Engels, en zie je er net zo uit als iedereen, je voelt je toch in het nadeel ten opzichte van een Amerikaan die zijn leven lang in Amerika gewoond heeft. Het zijn subtiele dingen, maar die maken dat het makkelijker en prettiger is in je geboortestad te wonen.”

“Maar Perth ligt wel heel geïsoleerd. De volgende stad is al twee duizend kilometer weg. Ik ben dus blij dat ik veel kan reizen, en ik kan dat ook verantwoorden. Als ik een lezing geef over Helicobacter voor duizend medici, en die behandelen daarna allemaal twintig patiënten met antibiotica, dan heeft zo’n trip een groot effect. Daarnaast ben ik heel gelukkig met de nieuwe media. Die maken het heel gemakkelijk om samen te werken met de internationale wetenschappelijke wereld. Ik krijg zóveel e-mail en faxen. Die kan ik vaak meteen doorsturen naar specialisten.”

Marshall is ook zelf de man achter een Internet-site (http://www.helico.com) waar sinds 1994 achtergrondinformatie over de Helicobacter pylori wordt gegeven en geïnteresseerden en patiënten de antwoorden op veelgestelde vragen kunnen vinden.  

Tien geboden
In Virginia steunt Marshall wat onderzoek, en de Heinekenprijs geeft hem de mogelijkheid dat ook in Perth te gaan doen. Maar er zit nog een mooie kant aan dit soort waardering. Pawson: “Dat gaat in alle landen zo. Als de mensen van een grote prijs horen dan zeggen ze: oh, dan moet het wel waar zijn. Ineens wordt wat je al tijden zegt zoiets als de tien geboden. En de publiciteit is belangrijk.”

Een boodschap voor het Nederlandse volk heeft Marshall desgevraagd tenslotte ook: “Als iemand zegt: wat mooi dat genezen van een maagzweer nu op deze manier kan, dan zeg ik het volgende. De laatste vijftien jaar hebben duizenden mensen meegedaan aan onderzoeksprogramma’s. Dat was niet altijd leuk. Ze kregen de verkeerde antibiotica, moesten endoscopieën ondergaan, weer iets nieuws proberen enzovoort. Maar daar kan nu iedereen van profiteren. Ik vind daarom dat mensen een beetje genereus zouden moeten zijn als ze gevraagd wordt om mee te doen aan een onderzoek. Er zijn er te veel die graag de voordelen meepikken, maar dan vinden dat ze het te druk hebben om zelf te helpen meer kennis te vergaren.”

Op 3 oktober 2005 werd bekendgemaakt dat de Nobelprijs voor Geneeskunde is toegekend aan Marshall en Warren voor hun Helicobacter-onderzoek.

“Ze denken dat wij almachtig zijn”

Niemand wil menselijke klonen maken, maar de discussies en emoties lopen sinds Schotse Dolly huizenhoog op. Helemaal begrijpen doen de hoogleraren Berns en De Laat dat niet. Maar ze denken wel dat het publiek betere informatie moet krijgen. Een taak voor de Akademie? Of voor een samenwerkingsverband met de universiteiten en NWO? Naar aanleiding van het wetenschappelijk debat over klonen een gesprek over doorgefokte sierhondjes, gevaarlijke keukenmessen en bakjes met nut.

Eerst nog maar een keer de belangrijkste boodschap: klonen bij mensen is absoluut niet aan de orde.

De hoogleraren dr. A.J.M. Berns en dr. S.W. de Laat worden er een beetje moe van dat telkens te moeten herhalen, ook al zijn ze van goede wil, en vinden ze het hun plicht om het publiek te vertellen hoe het zit. “Maar wat mij begint te ergeren is dat er zoveel media in Nederland zijn die hetzelfde willen weten,” zegt De Laat (53), directeur van het Hubrechtlaboratorium voor Ontwikkelingsbiologie. “Het begint erg repetitief te worden,” beaamt Berns (ook 53), die hoofd is van de afdeling Moleculaire Genetica van het Nederlands Kanker Instituut.

Het continue uitleggen en geruststellen begon vorig jaar. Toen stonden ineens alle schijnwerpers gericht op de Schotse Dolly, een gekloond schaap dat vernoemd was naar de voluptueuze Dolly Parton, omdat het als een uiercel begonnen was.

Althans, de kern van een volwassen uiercel van één schaap was getransplanteerd in een eicel van een ander schaap waar de kern juist uitgehaald was, en daaruit had zich in een draagmoeder een gewoon lammetje ontwikkeld. Dat lammetje was inmiddels uitgegroeid tot een gezond schaap.

Het bijzondere en het nieuwe zat hem in het feit dat uit de kern van een volwassen, gedifferentieerde (in dit geval: uier)cel een compleet individu ontstaan was. Klonen – of kloneren zoals sommigen uit het vak zeggen – in de beste science-fictiontraditie. Konden we voortaan uit één cel van een teennagel van Elvis een verse King kweken? De techniek was nu kennelijk voorhanden. Vlak nadat Dolly op het toneel verschenen was, kondigde een Amerikaan dan ook aan binnenkort een kliniek voor menselijke klonen te openen.

Weggehoond

De man, gepensioneerd natuurkundige Richard Seed, werd weggehoond door deskundigen, maar genereerde een ongehoorde hoeveelheid publiciteit. Sindsdien duiken de klonen iedere keer opnieuw op. Er kwamen natuurlijk Kamervragen en discussies in het parlement, en Minister Borst van Volksgezondheid besloot dat het onderwerp kloneren bij uitstek geschikt was om het eerste maatschappelijke medisch-ethische debat aan te wijden.

Al eerder was besloten dat de overheid burgers dient te informeren en hun meningsvorming moet stimuleren over medische ontwikkelingen die ethische vragen oproepen. Samen met Onderwijsminister Ritzen schreef Borst het Rathenau Instituut en de KNAW aan. Zij moesten de ammunitie voor het debat gaan leveren.

In de oude Tweede Kamer hield het Rathenau Instituut eind maart een hoorzitting, waarvoor naast wetenschappers uit heel uiteenlopende disciplines ook ‘leken-belangstellenden’ waren uitgenodigd. Begin april werd er bij de Akademie, op instigatie van de Commissie Dierproeven, Transgenese en Biologie van de KNAW,  een (besloten) wetenschappelijk debat gehouden. De Laat en Berns waren daar twee van de sprekers. De Laat was eerder ook een van de deelnemers aan de openbare discussie.

Gedaanteverandering

De bedoeling is dat het publieke debat nu verder vanzelf doorloopt, en dat de Akademie binnenkort in een verslag aan de ministers laat weten wat de stand van zaken in de wetenschap is en ook hoe er in die wereld over kloneren gedacht wordt.

Afgaande op wat Berns en De Laat vertellen, is  lang niet alles eenduidig, of eenvoudig. Zo ligt het er bijvoorbeeld maar aan wat je onder een kloon wilt verstaan. Het is in feite ook niets nieuws.

“Kloneren gebeurt al vijftig jaar,” zegt De Laat. “Er zijn hele en halve Nobelprijzen mee gewonnen. En zelfs dat je latere, al wat gedifferentieerde cellen tot ontwikkeling kunt brengen, wisten we eigenlijk al. Daarbij ging het om kikkers. Het was al gelukt een volwassen larve te krijgen, wat een ontwikkelingsbioloog echt een uitontwikkeld iets vindt ten opzichte van een eicel. Verder dan de larve kwam men niet, maar je hebt bij kikkers die gedaanteverandering, en het kan natuurlijk best dat daar nog een speciale truc in zit.”

De Laat vindt ook dat de aandacht zich te veel op alleen Dolly richt. “De Dolly-mensen bouwden voort op hun eerdere onderzoek, waar al een aantal zéér baanbrekende conclusies uit te trekken waren.”

“Het dogma in de hoofden van biologen dat je het kernmateriaal van cellen die al een ontwikkelingsgang hebben doorgemaakt nooit meer kunt ‘reprogrammeren’, is weerlegd. We dachten altijd dat het bij dieren heel anders was dan bij planten. Want bij planten kan ik uit elke cel weer een nieuw plantje maken, de halve tuinbouw is op dat principe gebaseerd, maar nu worden er cellijnen gekweekt uit zogeheten embryonale fibroplasten – dus al ontwikkelde, gedifferentieerde cellen – van zoogdieren. Een paar jaar geleden had niemand daar een cent voor gegeven.”

Berns heeft wat minder moeite met de exclusieve aandacht voor Dolly, al zijn de twee het in de grond min of meer over alles eens. Op de vraag of de menselijke kloon dichterbij gekomen is door het Schotse schaap formuleert hij bedachtzaam: “Het is een verrassende observatie, daar kan geen misverstand over zijn. Niemand dacht dat het kon, en het moet overigens nog blijken dat het herhaald kan worden.”

Ook dat is nog een puntje in de discussie: het is niet voor de volle honderd procent zeker dat Dolly uit een gewone uiercel ontstaan is. De onderzoekers ging het daar niet om, en daardoor is het bewijsmateriaal niet bewaard.

Berns: “De vraag is een beetje wie zich nu geroepen voelt het opnieuw te proberen.” De Laat: “Ik denk dat ze het zelf gaan doen in Schotland.” “Ze moeten eigenlijk wel”, reageert Berns. “Maar dan onder meer gecontroleerde omstandigheden. Maar ik denk dat we wel moeten erkennen dat de transplantatie van de kern van een cel die uit een veel ouder dier komt, mensen toch veel meer aanspreekt dan het werken met embryo’s.”

Proeftuintje

De Laat: “Maar voor toepassingen is dat niet wezenlijk. Dat wordt in de discussies niet altijd erkend. Ook als die uiercel van Dolly uit een zogeheten epitheliale stamcel afkomstig zal blijken te zijn, heb ik toch een bron van cellen waaruit ik zou kunnen kloneren bij de mens.”

“Epitheliale stamcellen heb je ook in je huid en je darmen: die kunnen twee dingen, óf delen, óf zich ontwikkelen tot een huidcel of een darmcel. Je kunt dus zeggen dat die cellen niet echt gedifferentieerd zijn, maar dat maakt voor het gebruik niet veel uit.”

Dat wil alleen nog niet zeggen dat je langs die weg nieuwe mensen moet of wilt gaan maken. “Voorafgaand aan de Akademiediscussie was iedereen het er al over eens dat je daar dus niet aan begint bij de mens”, zegt De Laat. “We beschouwen mensen niet als proefkonijn. Je praat over onverantwoorde risico’s, je wilt een mens niet in dat stadium als proeftuintje beschouwen. En de kans op succes, op zelfs maar één succesvol gekloneerd wezen is zo klein… laat staan dat je het zou kunnen herhalen.”

“En zelfs dan,” gaat Berns verder, “denk eens aan de mogelijke risico’s voor het individu waarmee het lukt, ook op latere leeftijd…” Maar was dat niet ook zo bij de eerste reageerbuisbaby? Hebben alle IVF-technieken niet voorgoed een doos van Pandorra geopend?

“Ja, dat is een heel goed punt,” antwoordt De Laat. “Voordat we de IVF-klinieken openden, is er geen discussie gevoerd of we dat wel moesten doen. Het is allemaal meteen in de etalage gezet, en iedere keer als er weer iets bedacht wordt waardoor je misschien de succes-rate kunt verhogen, neemt elke kliniek het over, want anders ben je niet meer interessant voor je klanten. Dat is het marktmechanisme, en die markt kun je creëren.”

Berns: “Maar dat is wel een mechanisme dat me zorgen baart en dat ingewikkeld ligt. Als je nu terugkijkt naar de eerste harttransplantatie, dan zouden we zeggen: dat was een volledig onverantwoorde zaak, dat had die Barnard nooit mogen doen. Maar het heeft wel iets op gang gebracht waardoor nu geweldig veel mensenlevens geholpen worden.”

Parkinsonpatiënten

Een markt voor menselijke klonen zien ze niet ontstaan, al was het maar omdat niemand de productontwikkeling in wil. Die verzekering komt tijdens het gesprek iedere keer terug. Maar ook wordt duidelijk dat het in theorie wel zou kunnen. Berns begrijpt niet helemaal dat mensen daar zo bang voor zijn: “Op iedere straathoek kunnen hele enge dingen gebeuren. Met een broodmes kun je iemand vermoorden, daarom zeggen we toch ook niet dat niemand een broodmes in de keuken mag hebben?”

Maar we komen toch terecht bij een definieerprobleem. Wat is een kloon? Onder biologen heet het kweken van identieke cellijnen allang kloneren. En op celniveau zien beiden zeker mogelijkheden om ziektes te bestrijden of te voorkomen.

In het Hubrechtlaboratorium heeft men al – toevallig – cellen gekweekt die dopamine produceren, het hersenstofje dat Parkinsonpatiënten niet meer aan kunnen maken. “Je weet niet of dat ook bij mensen zou lukken”, zegt De Laat, “maar stel dat je bijvoorbeeld zo’n epitheliaalcel terug zou kunnen differentiëren, en dat daaruit dan een zenuwcel ontstaat die vervolgens dopamine produceert, dan volg ik een weg waar ik verder niks bij nodig heb. Dat kan allemaal als het ware in een bakje.”

Pedant

Gekloonde cellen zouden ook levers en harten als het ware kunnen ‘revitaliseren’. Onderzoek naar al dit soort toepassingen verbieden, lijkt inderdaad vreemd. Berns en De Laat zouden er zeker niet voor zijn om alles dat in de wetenschap met ‘kloneren’  wordt aangeduid te verbieden.

Wel vinden ze dat je grote terughoudendheid moet betrachten bij het in de baarmoeder terugplaatsen van “gerommeld materiaal”, zoals teruggedifferentieerde cellen uit embryo’s. Het verbod dat daar op dit moment op geldt is volgens hen dan ook op zijn plaats. “Over tien jaar ofzo, wanneer we meer weten, zouden daar opnieuw over moeten praten in de maatschappij,” zegt Berns. “Bovendien, wat voor normen kunnen wij opleggen aan een volgende generatie? Dat is pedant. Wij accepteren toch ook niet meer wat onze voorouders in de vorige eeuw vonden?”

Hoe zit het met andere ethische kanten? Voor de inbreng en ideeën van de Dierenbescherming kunnen de heren weinig begrip opbrengen. “Met een term als ‘de intrinsieke waarde’ van het dier hebben wij wat problemen”, zegt Berns. “Ik geloof althans dat ik hier wel wij mag zeggen, hè?”

Hij krijgt onmiddellijk toestemming van De Laat, die zegt de emotionele discussie niet goed te begrijpen: “Er is niet iets wezenlijk anders bij het toepassen van kerntransplantatietechnieken, als je het vergelijkt met elk ander type onderzoek waarbij we dieren nodig hebben om vragen te beantwoorden.”

Huisdierenbegraafplaatsen

Zou misschien een rol spelen dat er nu veel gevoeliger over dieren gedacht wordt dan vroeger? Huisdierenbegraafplaatsen met echte grafstenen en een opbaarruimte schijnen tegenwoordig een enorm succes te zijn. “Ja. Eerlijk gezegd neemt dat ook wel eens ziekelijke vormen aan,” antwoordt Berns met een zucht. “Dan gaat het me niet om zaken als de intensieve veeteelt, waar je inderdaad serieuze kanttekeningen bij kunt zetten. Maar daarnaast zie je zo veel dieren die tot genoegen van hun eigenaar misbruikt worden. Neem de sierfok van hondjes, die met vreselijke afwijkingen doorgefokt worden en die dan uiteindelijk inderdaad op die begraafplaatsen terechtkomen. Dat zijn toch wel onsmakelijke uitwassen.”

De Laat: “Ik heb met open mond zitten luisteren bij die Rathenaudiscussie. En ik heb er wel iets geleerd. Ergens in het programma kwam de voorzitter van de vereniging van hemofiliepatiënten aan het woord. Die maakte volstrekt duidelijk wat voor belang patiënten hebben bij dit soort ontwikkelingen. Het was een heel goed verhaal, ik vind die man prachtig.”

“Maar meteen daarna kwam een mevrouw van de Dierenbescherming. En van wat die zei, dacht ik: hoor ik dat allemaal goed? Het kan toch niet waar zijn dat iemand dit zegt. Maar op de vragen die natuurlijk kwamen, had ze een volstrekt eenduidig antwoord, waardoor ik ineens de opstelling van deze mensen helemaal begreep. Ze zeggen: ‘Wij vertegenwoordigen uitsluitend het belang van het dier, want die kunnen niet voor zichzelf spreken. Iets anders doen we niet. Dat er andere belangen spelen, snappen we, maar het is niet onze rol ons daarmee bezig te houden.’ Mijn conclusie was toen: zo bereik je dus niks, ook niet voor die dieren. Want je krijgt nooit een constructieve discussie.” Berns valt in: “Je kunt geen compromis sluiten.”  

Bak met nut

De discussie leidt uiteindelijk tot twee conclusies. De angst voor onethisch onderzoek is zo groot, dat de mogelijkheden voor fundamenteel onderzoek in het gedrang komen. “Ik voel de druk stijgen”, zegt De Laat. “Tot dusver is het nog steeds goed gegaan, maar tegenwoordig moeten we ook verantwoording afleggen aan de centrale Commissie voor Bio-ethiek, die onder het ministerie van Landbouw valt.”

“We waren al gewend aan lokale commissies, waarin ook vertegenwoordigers uit de maatschappij zaten, en iedereen vond dat dat goed liep. En nu is er dus helemaal los daarvan een nieuw circuit opgezet. Eigenlijk zegt dat: er mag niets, tenzij…”

“Het grote gevaar zit hem erin dat je steeds het nút van je onderzoek naar voren moet schuiven, op het kunstmatige af. Kennelijk is er een weegschaal, met rechts de bak met nut en dan links de hoeveelheid dieren die je gebruikt. Donder je genoeg in de nutschaal dan kun je er nog wat dieren bij doen. Maar dat is de dood in de pot voor fundamenteel onderzoek.”

Berns: “Maar fundamenteel onderzoek is een groot nut.” De Laat: “Alles is een afgeleide van eerder fundamenteel onderzoek. Je kunt zeggen dat al het kankeronderzoek, het hele Kankerinstituut eruit voortgekomen is.”

“Politici zouden daar wel eens wat meer oog voor mogen hebben,”  merkt Berns op. “Ja, en wij hebben zelf geen puf, of misschien voelen we ons ook wel te goed om die lobby te doen,” verzucht De Laat. “Wij hebben ook niet zoals de Dierenbescherming een staf van vijftig man ofzo, die gesubsidieerd wordt om dat te doen.”

Maar die kan er misschien wel komen, en dat is de tweede conclusie, die beiden toch nog verzoent met het feit dat ze deze ochtend opnieuw moesten komen opdraven. “We zitten hier nou bij het Bureau van de Akademie,” zegt De Laat, en je ziet het hem allemaal ter plekke bedenken. “Er is hier een piepkleine Pr-afdeling, een handjevol mensen. Waarom is die niet groter? Of waarom slaan bijvoorbeeld de universiteiten, NWO en de Akademie de handen niet ineen, en zorgen voor een instantie die goede voorlichting geeft?”

Getikt

Ze zijn alletwee gegrepen door dit idee. Want enerzijds is de ergernis over de sensatiebeluste media fiks, maar er bestaat daarnaast ook begrip. De Laat: “Het is ook veel ingewikkelder dan wij denken. Bij de Rathenaudiscussie was ook een Kamerlid van wie ik de hele dag had gedacht: die is goed op de hoogte, mooi dat zulke mensen in de Kamer zitten. Maar tijdens de theepauze zei hij iets waardoor ik dacht: je snapt er niets van!”

“Men dicht de wetenschapper te veel kennis en macht toe. Ze denken in de maatschappij dat wij almachtig zijn. Zodra een journalist iets woests zegt, denkt het publiek dat wij het wel waar kunnen maken.”

Berns: “Maar randfiguren in de wetenschap, zoals die Seeds met zijn kliniek, versterken dat natuurlijk wel. Dan kunnen wij wel zeggen: die is getikt, en dat is hij ook, maar bij zoiets spectaculairs staan natuurlijk alle media om je heen. Degelijke informatie bereikt zoals het nu gaat niet het grote publiek.”

“Het zit niet in de genen”

Alle media zijn erop gesprongen, maar nu het complete verhaal achter de Science-publicatie over het ontstaan van Alzheimer. Dr. Fred van Leeuwen over streepjescodes, Radio-gaga van Queen, en het topje van de ijsberg.

Vier jaar lang heeft dr. Fred van Leeuwen stijf zijn mond dicht moeten houden, en nu golft de publiciteit in volle heftigheid over hem heen.

De neurobioloog die al sinds 1974 bij het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek (NIH) van de KNAW werkt, lijkt er een tikje beduusd van, maar de trots overheerst toch voorlopig. Niet zo gek. Het gebeurt niet vaak dat Nederlands onderzoek de cover haalt van Science, waarschijnlijk het prestigieuste wetenschappelijk tijdschrift ter wereld. Een groep onderzoekers onder Van Leeuwens leiding kreeg dat vorige maand voor elkaar.

En het ging ook nog over een onderwerp waarvan iedereen kan zien dat het belangrijk is: het ontstaan van de ziekte van Alzheimer, de belangrijkste veroorzaker van dementie.

Alle media sprongen er dus op, voor Van Leeuwen (48) een soort snelcursus ‘onderzoek uitleggen aan leken’. “Toen ik in de TROS-nieuwsshow zei dat je het erfelijk materiaal van mensen kunt zien als een streepjescode die bestaat uit drie miljard streepjes, en dat er iets fout ging bij het aflezen konden ze zich er iets bij voorstellen,” vertelt hij.

De krantenkoppen spraken onder meer van DNA dat een leesbril nodig heeft, over vertaalfouten en over boodschappers die de schuld kregen. “‘Vertaalfout’, zoals de NRC schreef, is niet goed,” zegt Van Leeuwen, “Trouw had ‘klein leesfoutje met grote gevolgen’. ‘Leesfout’ drukt inderdaad het beste uit waar het om gaat.”

Koffie en borrels

Waar gaat het om? Om dat te begrijpen moeten we allereerst terug in de geschiedenis. Naar het begin van de jaren zestig, Amerika, Vermont, het plaatsje Brattleboro. Van Leeuwen: “In 1961 ontdekte een gepensioneerde wetenschapper daar wat we nu de Brattleboro-rat noemen. Het is een rattenstam met een genetische afwijking, die tot gevolg heeft dat de hersenen van die ratjes geen vasopressine kunnen maken.”

En dat heeft vergaande consequenties. Vasopressine is een neuropeptide, een soort hormoon, dat onder meer zorgt dat water in het lichaam niet rechtstreeks van de nieren doorstroomt naar de blaas.

Bij de Brattleboro-ratten gebeurt dat wel. Daarom drinken ze aan een stuk door, en elke dag plassen ze maar liefst zeventig procent van hun lichaamsgewicht uit.

Overigens maken ook mensenhersens vasopressine aan, zoals iedereen na een paar koppen koffie of een paar borrels kan constateren: cafeïne en alcohol remmen de werking van vasopressine, met als gevolg een snellere doorstroming dan anders.

Hoewel het gen dat verantwoordelijk is voor de vasopressineaanmaak defect is bij Brattleboro-ratten, trof Van Leeuwen in de jaren tachtig toch hele kleine beetjes van het bewuste stofje in hun hersenen aan.

De hoeveelheid bleek te groeien naarmate de ratten ouder waren, al werd het nooit zoveel dat hun waterhuishouding er zichtbaar beter door ging functioneren.

“Dat was heel opmerkelijk,” zegt Van Leeuwen, “bij hun geboorte is er geen spoor van te vinden, maar tijdens hun leven blijken die ratten alsnog in staat vasopressine te maken.”

Hoe kon dat? “Eerst dachten we dat het het gevolg was van spontane veranderingen (mutaties) in het DNA. Maar die ontstaan hoofdzakelijk bij het delen van cellen, en hersencellen (of neuronen) kunnen nu eenmaal niet delen.”

Bouwstenen

Wat hersencellen wel kunnen, en ook aldoor doen, is grote hoeveelheden eiwitten produceren. Dat is van immens belang voor het goed functioneren van zenuwcellen. Neuropeptiden als vasopressine zijn kleine eiwitten.

Voor het maken van een eiwit moeten er instructies gegeven worden aan de celonderdelen waar het in elkaar gezet wordt. Die ‘assemblage’ vindt plaats op de ribosomen, waarvan er in elke cel een hele hoop zitten. De instructies voor de volgorde van de  bouwstenen (de aminozuren) die samen het eiwit gaan vormen, ontvangen die ribosomen van het zogeheten ‘boodschapper-RNA’, dat zelf wordt afgelezen van het DNA.

Dat boodschapper-RNA moet de juiste ‘tekst’ bevatten, die uit slechts vier verschillende letters is opgebouwd: A, C, G  en U. Die letters zijn in werkelijkheid de afkorting van vier verschillende zogeheten ‘basen’ (bepaalde organische verbindingen) die als ketens (de ‘tekst’) in het DNA liggen, en samen de genetische code vormen.

Het boodschapper-RNA geeft dus de juiste lettercombinaties door aan de ribosomen, die op basis daarvan hun eiwitten maken.

Het vervolgonderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met Peter Burbach van het Rudolf Magnus-instituut in Utrecht. Van Leeuwen: “Wat er bij die Brattleboro-ratten gebeurde was wel een mutatie, maar dan in het RNA.. De resultaten konden we alleen maar verklaren door een ‘leesfout’ van het boodschapper-RNA. Een fout die zorgde dat weer goed kwam. Puur toeval.”

Radio-gaga

Verkeerd afgelezen instructies leidden dus per ongeluk tot correcte instructies, waardoor er toch vasopressine gemaakt kon worden.

Men ging op zoek naar waar de fout precies zat, welke letters werden verkeerd afgelezen? “Het bleek hem te zitten in het GAGAG-motief,” vertelt Van Leeuwen, “uit een stukje code dat oorspronkelijk die repeterende volgorde had, viel geregeld een ‘GA’ weg. Met als gevolg dus die toevallige correctie. Toen zijn we verder gaan denken.”

“Als via deze weg op zichzelf correct erfelijk materiaal veranderd kan worden, dan kan dat natuurlijk ook fout uitpakken. Een verandering ten kwade, in plaats van ten goede. Maar dat GAGAG-motief  – we hebben hier vaak gedacht aan dat liedje van Queen, All you hear is Radio-gaga – zit ook in andere genen.”

De brainwave kwam tijdens een middag praten met Peter Burbach. Zouden RNA-mutaties misschien ook voorkomen in genen die betrokken zijn bij de ziekte van Alzheimer?

De oorzaak van Alzheimer is grotendeels een raadsel. Dat oplossen zou kunnen helpen een medicijn te ontwikkelen, en daar komt steeds meer behoefte aan. Nu al zijn er waarschijnlijk twintig miljoen mensen op de wereld die er aan lijden, waarvan 130.000 in Nederland, en meestal lijdt hun hele omgeving mee.

En naarmate er meer en oudere bejaarden komen, komen er ook meer demente bejaarden. Voorzichtige schatting van de kosten op dit moment voor Nederland: dertien miljard gulden per jaar.

Verschrompelen

Nu wordt er natuurlijk al heel veel jaar intensief onderzoek naar Alzheimer gedaan, en dat heeft een aantal interessante gegevens  opgeleverd.

Maar nog steeds kan Alzheimer alleen na iemands dood met zekerheid vastgesteld worden: pas dan kun je in de hersenen (vooral in frontale hersenschors waarmee je ‘plant’, en in de hippocampus die van cruciaal belang is voor het geheugen) de karakteristieke plaques en tangles zien.

Dat zijn eiwitophopingen in de hersencellen, die het functioneren van die cellen bemoeilijken. De meeste gaan niet dood, maar ze ‘verschrompelen’, worden inactief en verliezen hun verbindingen met andere cellen.

Des te meer een ramp omdat er in de hersenen, anders dan elders, nooit nieuwe cellen aangemaakt kunnen worden. Neuronen kunnen immers niet delen.

Alzheimerpatiënten worden door die aangetaste hersencellen soms totaal andere mensen. Niet alleen vergeten ze de vreemdste dingen (ze kennen vaak hun kinderen niet meer, maar kunnen zich ook niet meer aankleden), ze krijgen dikwijls ook een heel ander karakter. De ernst van de dementie kan erg verschillen, en er is aangetoond dat die samenhangt met de hoeveelheid tangles.

Van Leeuwen: “De afgelopen tijd is het meeste Alzheimer-onderzoek gericht geweest op de erfelijke vormen. Dat is overigens maar bij tien procent van de gevallen zo, zo’n zeventig procent zijn wat we, nogal verwarrend ‘sporadische gevallen’ noemen. Maar in die families kun je rond je dertigste al kans lopen te dementeren.”

“Men zoekt de oorzaak van Alzheimer in mutaties van het DNA, van de genen. Tien jaar geleden is uitgezocht dat in de plaques een eiwit voorkomt dat afgekort β-APP heet.”

“De Baptisten, zoals we ze dus noemen, geloven heilig dat daar het hele probleem zit: ze stellen dat eiwit centraal, denken dat het toxisch is en dat daardoor de plaques en tangles ontstaan, waarna de hersencellen doodgaan.”

“Er zijn in sommige families ook mutaties voor gevonden, maar men is in die jaren niet zoveel verder gekomen. En er zijn een paar problemen: dat eiwit vind je soms ook bij niet-dementen, en soms was iemand wel dement, maar wordt er geen β-APP aangetroffen, bovendien gaan de neuronen meestal niet dood. Naast de Baptisten heb je trouwens ook nog de Tauïsten, voor wie de sleutel ligt in een eiwit dat τ, de Griekse letter ‘tau’ heet.”

Meteen raak

“Wij zijn gaan kijken naar dat β-APP, en nog een eiwit waarvan we wisten dat het geassocieerd was met Alzheimer: ubiquitine. In alle twee bleek het GAGAG-motief voor te komen.”

“Maar zouden die soms ook diezelfde leesfout opleveren? Daar kom je achter met behulp van antilichamen. Hoe dat gaat? Nou, je laat een firma het ‘verkeerde’, dus door de mutatie voorspelde, eiwit maken, dat spuit je in in konijnen, en die maken dan antilichamen. Die kun je eruit halen, en dan heb je een serum dat je op de dunne coupes van Alzheimer-patiënten kunt druppelen. Dan kun je zo zien of de plaques en tangles dat verkeerde eiwit bevatten. Nou, het was meteen raak.”

De afwijkende eiwitten zaten er. En toen kwamen het grote zwijgen en de noeste arbeid. Van Leeuwen: “We concludeerden: het moet een leesfout zijn. Want het DNA van de twee genen die coderen voor die eiwitten is goed. Dus moet er in de tussenliggende stap iets verkeerd zijn gegaan. Maar om de boodschap ‘het zit niet in de genen’ met overtuiging te kunnen brengen, moesten we heel zorgvuldig tewerk gaan.”

“Vier jaar lang zijn we bezig geweest. Duizenden coupes heb ik drie keer bekeken, om helemaal zeker te zijn. We hebben ook  een hele grote groep onderzocht. Meestal kijk je naar vier, vijf patiënten, wij hebben de hersenen van uiteindelijk veertig mensen bekeken: Alzheimer-patiënten die in een vroeg stadium en anderen die in een laat stadium van de ziekte waren, niet-demente bejaarde ‘controles’, en een aantal Downsyndroom-patiënten, van wie bekend is dat ze veertig jaar eerder Alzheimer ontwikkelen.”

“Bij allemaal hadden de afwijkende eiwitten zich opgehoopt in de zenuwcellen van de hippocampus en een aantal andere hersengebieden. Een score van honderd procent! Alleen bij jonge hersenen, en in één van Downpatiënten vonden we ze niet, maar die patiënt was volgens de verpleeghuisarts ook niet dement geweest.”

Behalve bij het Herseninstituut is het onderzoek uitgevoerd aan de universiteiten van Nijmegen, in samenwerking met Gerard Martens, en in Rotterdam samen met Frank Grosveld. “Dat had als voordeel dat er korte lijnen waren, waardoor er veel interactie was,” zegt Van Leeuwen. “Maar het was ook met het oog op belangen die op de langere termijn spelen. En er gaat een boel geld om in die wereld, de belangen zijn echt groot. Je moet dus uitkijken.”

“Soms ben je je gegevens al kwijt als je ze ter beoordeling opstuurt. En je kunt bepaalde dingen wel patenteren, maar vaak gaat het om een idee dat iedereen met de snelle technieken van tegenwoordig kan uitvoeren.”

Andersom

De eerste contacten met de industrie zijn inmiddels gelegd, maar ondertussen loopt ook het onderzoek verder naar de beantwoording van een belangrijke vraag. Wanneer je consequent verkeerde eiwitten vindt, juist in de afwijkingen van de hersenen waarvan je zeker weet dat ze alles met Alzheimer te maken hebt, dan ben je geneigd te denken: hier ligt een causaal verband.

Het boodschapper-RNA heeft leesfouten gemaakt, met als gevolg die plaques en tangles, met als gevolg daar weer van Alzheimer. Maar het kan natuurlijk ook andersom zijn: dat de leesfouten een gevolg zijn van Alzheimer, niet de oorzaak. V

an Leeuwen: “We gaan dat hele proces nu nabootsen in transgene muizen, waarin een menselijk gen is aangebracht. Ze zijn al geboren. En daarnaast kun je ook ‘in vitro’ experimenteren, met behulp van een cellijn waarin het afwijkende gen is aangebracht. Dat gebeurt in Nijmegen.”

Maar Van Leeuwen is optimistisch over de uitkomst. Bijvoorbeeld omdat de ‘GA-deletie’ ook in de hersenen van niet-demente bejaarden voorkomt. Daar zou ook een eerste toepassing kunnen liggen: de foute eiwitten zouden heel goed een vroege ‘markeerder’ kunnen blijken te zijn. “Al kun je er maar mee vaststellen dat iemand géén Alzheimer aan het ontwikkelen is,” zegt Van Leeuwen. Maar weten wat er fout gaat is natuurlijk de eerste stap richting ‘voorkomen dat het fout gaat’.

Nog meer aanwijzingen in de goede richting komen van andere patiëntengroepen: die met Multiple Sclerose en Parkinson. Allebei ziektes die wel het zenuwstelsel aantasten, maar waar je meestal niet van dementeert. Er werd geen afwijkend β-APP of ubiquitine aangetroffen.

Proofreading

Dat sluit overigens niet uit dat MS of Parkinson zou kunnen samenhangen met leesfouten in andere boodschapper-RNA’s. Er zijn immers heel veel meer genen dan β-APP en ubiquitine.

Dat op die manier überhaupt genen ineens ‘fout’ tot expressie kunnen komen, is buitengewoon interessant. Misschien wel het interessantste resultaat van al Van Leeuwens onderzoek. “Het mechanisme waardoor dat GA eruitvalt kennen we niet,” zegt hij, “maar daar willen we wel naar gaan kijken. We weten inmiddels dat naarmate de code vaker en sneller wordt afgelezen, het aantal fouten toeneemt.”

“Voor het DNA  heb je wat we ‘proofreading’ noemen, een soort kwaliteitscontrole die ook in de loop van een leven afneemt. Misschien is er ook een dergelijk mechanisme bij het RNA. En het lijkt erop dat het RNA zich een beetje verslikt in die repeterende patronen.”

En daar wordt nu ook al verder naar gezocht. Het GAGAG-motief kan zo ongeveer overal zitten. Het is inmiddels ook aangetroffen in een gen dat betrokken is bij het onderdrukken van kanker (een tumorsurpressorgen). En ubiquitine bevat naast GAGAG- ook CTCT-motieven, weer zo’n zichzelf herhalend patroon. “Daar zie je dezelfde fout: soms valt er een CT uit,” vertelt Van Leeuwen.

“Dat ubiquitine is een heel interessant molecuul,” gaat hij verder. “Het heeft te maken met het opruimen van afvalproducten. In het begin blijft dat wel goed gaan, maar als de cel te veel opgevuld raakt met verkeerde eiwitten dan gaat hij waarschijnlijk minder functioneren.”

“En dat klopt met het ziekteverloop tijdens Alzheimer: dat duurt vijf à tien jaar. Enfin, er is ongelooflijk veel te onderzoeken, zelfs zoveel dat we het niet allemaal zelf kunnen behappen. Alhoewel er in samenwerking met anderen veel valt uit te voeren. Die motieven zouden inderdaad wel eens het topje van de ijsberg kunnen zijn.”

“Bestaat er een communistische voetbalvereniging in Praag?”

 “Je hebt in Nederland een soort ‘tweede-generatie-religieuzen’, niet-gelovige kinderen van gelovige ouders die toch CDA stemmen.” De verzuiling als beschrijvend principe voor het stemgedrag van Nederlanders is volgens dr. Paul Nieuwbeerta iets te gauw bij het oud vuil gezet: “Je zou het misschien niet denken, maar klasse doet er op dit moment veel minder toe dan religie. “

“Kijk, ongeveer de helft van degenen die mogen stemmen, zullen nooit op het CDA of klein rechts stemmen. Dat heeft met hun afkomst te maken, hun ouders deden het ook niet. Maar een deel van de mensen die zelf van het geloof zijn afgestapt, doet bij verkiezingen hetzelfde als zijn religieuze ouders deden. Daarom verloopt de neergang van het CDA minder snel dan je zou verwachten. Pas in 1967 zag je voor het eerst iets van de ontzuiling in de verkiezingsuitslagen.”

Vanuit een gecombineerde sociologische en politicologische invalshoek kijkt Nieuwbeerta (34) naar wat er gebeurt in democratieën. Wie stemt op wie? Waar ligt dat aan? Wat verandert er in de loop van de tijd? In hoeverre verschillen verschillende landen van elkaar? 

Zijn proefschrift uit 1995 had als titel, in vertaling: ‘De democratische klassenstrijd in twintig landen, 1945-1990’. Dat ging over de westerse landen, inclusief de Verenigde Staten en Canada, en Australië. Vanaf juli dit jaar zal Nieuwbeerta echter zijn blik vooral op het oosten gaan richten. Dan begint hij als Akademie-onderzoeker een speurtocht naar de ‘Sociale scheidslijnen en politieke stabiliteit in de opkomende Oost-Europese democratieën’, zoals het in de aanvraag heet.

Op het ogenblik werkt hij half voor NWO (waarvoor hij  ook zijn promotieonderzoek deed), als onderzoeker, en half voor de vakgroep Sociologie van de universiteit van Utrecht, als docent.

Onderwijshobby

Doceren vindt hij leuk. Nieuwbeerta deed na zijn doctoraal bestuurskunde de lerarenopleiding voor maatschappijleer en voor economie, en gaf les op de HAVO en het VWO. “Maar mijn onderwijshobby moet nu maar een tijdje in de ijskast”, lacht hij. “Om iets goed uit te zoeken is het prettig om daar echt voor vrijgesteld te worden. Studenten staan altijd op je stoep, college geven gaat per definitie voor. Zo’n Akademie-onderzoekerschap is tegenwoordig een van de weinige manieren om een tijd in onderzoek te duiken.”

“Ik ben er dus heel blij mee dat ik die gelegenheid krijg, al zal ik nog wel iets blijven doen in het onderwijs. Ik blijf graag betrokken bij de vakgroep hier, die deel uitmaakt van de Onderzoeksschool ICS.”

Zijn onderzoek komt overigens niet voort uit een levenslange belangstelling voor Oost-Europa. “Ik ben geen dr. Clavan, nee”, zegt hij. “Ik heb wel eens een tijdje in Oost-Europese landen gezeten, maar dan blijf je toch een beetje een toerist.”

“Nee, ik wil Oost-Europa graag gebruiken om theorieën te testen, om vergelijkingen te maken met het westen. Waarom zijn de democratieën daar zo instabiel? Dan heb je ergens een liberale partij, maar die splijt dan weer uiteen in vijf partijtjes. De oorspronkelijke communistische partijen zijn ook versplinterd. Er is vaak wel aansluiting gezocht bij de westerse partijen, en deels kopiëren ze die dan, maar het werkt allemaal niet hetzelfde.”

Klassegebonden stemmen

Een van de hoofdvragen van Nieuwbeerta is welke invloed sociale scheidslijnen hebben op het stemgedrag. “In het Engels heb je dat makkelijke woord ‘class voting'”, zegt hij, “dat wordt in het Nederlands ‘klassegebonden stemmen’. De algemene tendens die ik in de westerse landen aantrof sinds de Tweede Wereldoorlog, is dat dat overal afneemt. En de afname is het sterkst in die landen waar het meest klassegebonden gestemd werd, wat vooral in de Scandinavische landen en in Engeland het geval was.”

“Het idee is dat een democratie stabieler is, naarmate er meer sociale scheidslijnen zijn die elkaar kunnen overlappen. Klasse en religie zijn belangrijke scheidslijnen, maar etniciteit en taal kunnen ook een rol spelen.”

“Een arbeider die tegelijk katholiek is, zal minder sterk gericht zijn op de arbeidersbelangen alleen. Dat levert een wat ‘rustiger’ democratie op. Tenzij iedereen in een land dezelfde godsdienst heeft, dan is dat geen sociale scheidslijn. Je ziet dat die scheidslijnen minder worden. Er is een steeds grotere middenklasse, en opleiding wordt een steeds belangrijker indicator voor wat iemand stemt. Maar tegelijkertijd groeien op het ogenblik de inkomensverschillen weer. Het is de vraag wat voor effect dat op het stemgedrag zal hebben.”

Doorschieten

“Wat ik interessant vond van mijn vergelijking tussen die twintig landen, was een theorie die niet uitkwam. In de literatuur wordt altijd gezegd dat sociale mobiliteit gepaard gaat met een bepaald stemgedrag. Sociale stijgers zouden zich heel sterk aanpassen en als het ware ‘doorschieten’ en nog rechtser gaan stemmen dan hun klassegenoten. Ze zouden zich ook meer aanpassen dan de ‘sociale dalers’ .”

“Daar blijkt niets van. Wat je in werkelijkheid ziet, is dat ze zich langzaam aanpassen aan hun nieuwe klasse. Naarmate ze ouder worden, neigen ze meer naar de klasse waar ze inmiddels bijhoren. Die hele beschrijving van het westen wil ik nu dus graag uitbreiden met Oost-Europa.”

Nieuwbeerta’s huidige onderzoek richt zich ook al op die contreien. “De sociale structuur in Oost-Europa is na de omwenteling natuurlijk enorm veranderd”, zegt hij. “Iemand kan nu arbeider zijn, terwijl hij daarvoor partijbons was. Er komen allerlei nieuwe beroepen. De hele banksector bijvoorbeeld was er vroeger niet, privébedrijven ook niet. De inkomensverschillen waren altijd klein, die zijn dramatisch toegenomen. We onderzoeken op het moment onder meer de bindingen met het oude communistische systeem. Zijn die er? En hoe liggen ze?”

“Een van de dingen die daaruit komen is dat zeker niet alle oude partijleden nu op de communistische partijen stemmen. Maar degenen die er indertijd uitgewerkt werden, aan de zijlijn werden gezet, juist wél. Dat lijkt heel raar, maar dat waren natuurlijk de mensen met idealen, waarvoor ze juist gevochten hebben.”

Gebruikelijke blokken

“Kijk, in principe zie je in de Oost-Europese politiek de gebruikelijke blokken met sociaal-democraten, confessionelen en liberalen, maar daarnaast is er nog altijd een communistisch blok van vaak zo’n twintig procent van de kiezers. Bij ons in het westen zijn de communisten na ’89 vrijwel verdwenen. Hoelang ze in Oost-Europa een component in de politiek zullen blijven, is de vraag.”

“Ik verwacht wel dat ze uiteindelijk daar ook op vijf, zes grotere partijen zullen uitkomen, dat al die kleine splinterpartijtjes zullen verdwijnen. Voor de bevolking is het met heel veel partijen erg moeilijk om te bepalen op wie ze moeten stemmen. Je ziet ook dat de elite nog een positie zoekt. Hoe krijg je een grote partij van de grond?”

“Aansluiting zoeken bij het westen lost niet alles op. Onze politiek heeft zich eind vorige eeuw georganiseerd rond klassentegenstellingen. De tegenstellingen van nu, in de post-industriële Oost-Europese samenlevingen zijn heel anders.”

De laatste tijd heeft Nieuwbeerta zich al beziggehouden met sociale ongelijkheid in Oost-Europa. “We hebben gekeken naar de effecten van de culturele en materiële status van ouders op de opleiding en carrière, en de materiële en culturele consumptie van hun kinderen. Je verwacht namelijk een extra dimensie.”

‘Zorgen partijbonzen beter voor hun kinderen? Een verbintenis aan de partij blijkt inderdaad een effect te hebben: de kinderen schoppen het verder dan anderen. Als je even doordenkt, dan begrijp je dat ook: het is een kwestie van ‘sociale overdracht’, de ouders zaten ook al in de betere beroepen. Maar als het communisme volgens de letter gewerkt zou hebben, dan zou er geen ongelijkheid mogen zijn, en zou het ouderlijk milieu geen invloed mogen hebben.”

“Die is er wel degelijk, ongeveer op hetzelfde niveau als in de westerse landen. Maar bijvoorbeeld bezittingen doorgeven was onmogelijk, of in ieder geval een stuk lastiger dan hier. Onze hypothese was: zoeken Oost-Europese ouders misschien andere kanalen om dingen door te geven? Geven ze meer culturele kennis door? Gaan ze meer naar het museum of theater? En heeft dat effecten op de opleiding van de kinderen? Onze voorlopige conclusie is dat die effecten inderdaad iets groter zijn dan in West-Europa.”

Communistische voetbalvereniging

“Het is bij alles een kwestie van gradaties. Natuurlijk zijn allerlei verschillende dingen van invloed, en je kunt vaak ook raden welke, maar de vraag is onder welke omstandigheden welke factoren belangrijker zijn dan andere. Dat is wat de sociologie wil uitzoeken.”

Tot voorspellingen over wat hij nog meer zal vinden is Nieuwbeerta niet makkelijk te verleiden. “Ik wil vooral een beschrijving maken, proberen te verklaren hoe de wereld in elkaar zit. Het puzzelen en het steeds dieper ingaan op dingen is het leuke van onderzoek doen. Je telkens opnieuw afvragen: we denken dit nu wel, maar is het wel echt waar?  Waarom is het niet anders?\”

“Wat ik er graag nog bij zou doen, is kijken naar de invloed van de organisatiestructuren in Oost-Europa. Op welke gronden zijn de vakbonden georganiseerd? Bestaat er een communistische voetbalvereniging in Praag? En zo ja, was die er al, of is die net opgericht?  En in hoeverre heeft het bestaan van dat soort organisaties invloed op de politieke stabiliteit of instabiliteit? Die dingen zou ik graag ook bij mijn onderzoek betrekken.”

“We proberen ook een vragende houding bij de leerlingen aan te brengen”

Moeten geschiedenislessen op school je vooral kennis bijbrengen, of zijn vaardigheden zoals het zelf werken met bronnen belangrijker? Onder andere daarover ging het op een studiedag die de commissie geesteswetenschappen organiseerde. Lerares Riemke Leusink vertelt over de dagelijkse schoolpraktijk, en de zorgen: “We hebben het hier over zestig procent van de Nederlandse jeugd die straks na zijn veertiende geen geschiedenis meer krijgt.”

“Ik was zelf van de generatie die braaf alles leerde. Waarschijnlijk kon ik bij mijn eindexamen in 1971 meer jaartallen en feiten opzeggen dan leerlingen van nu. Maar ik ben het daarna allemaal weer vergeten. En als je kijkt naar het werkstuk dat ik toen maakte. Ik heb het nog wel eens overgelezen. Een puur Libelleverhaal over Ghandi. En toen, en toen, en toen. Nog niet het begín van een analyse.” Drs. Riemke Leusink (45) geeft geschiedenis aan het Christelijk Gymnasium in Utrecht en zit in het bestuur van de Vereniging van Geschiedenisleraren in Nederland (VGN).

Wonen doet ze in Amersfoort, in een gedeelte van een oud klooster met een grote tuin waar geiten, kippen en andere beesten zo te zien een aangenaam leven hebben.

In de kamer die daar uitzicht op biedt, praten we na over de studiedag Geschiedenis op school en aan de universiteit waar Leusink vorige maand sprak, en die door de commissie geesteswetenschappen van de KNAW georganiseerd was. Een van kernvragen was: moet je kinderen op de middelbare school nou vooral kennis bijbrengen of zijn vaardigheden belangrijker?

Aan de telefoon had initiatiefnemer en hoogleraar Europese Cultuurgeschiedenis Pim den Boer (“Nee, je stoort niet. Ik zat hier eerlijk gezegd naar Goede tijden, slechte tijden te kijken. Eigenlijk voor mijn dochter, die weg moest, maar ik ben vast de eerste professor die je dit hoort toegeven.”) al zijn bezorgdheid geuit over de ‘thematisering’ van het geschiedenisonderwijs in Nederland: “Neem nou Memo, dat is een heel dik en heel aantrekkelijk schoolboek, met veel plaatjes.”

“Net uit, en begrijp me wel, het is echt een goed boek. De hele geschiedenis, vanaf de oudheid tot nu wordt erin behandeld. Maar niet chronologisch, alles gaat aan de hand van thema’s, zoals ‘religie’ en ‘slavernij’.”

“Op zichzelf is daar niet veel tegen, maar de zaak is echt overgethematiseerd. Het gevolg is dat er over goden en slaven in de oudheid van alles verteld wordt, maar er is niets te vinden over de Griekse democratie, het Romeins Recht, of de Romeinse wegen. De Franse Revolutie wordt ook niet behandeld. Napoleon, de Vrede van Versailles, het nationaliteitsprincipe, alles wat de kaart van Europa zo veranderd heeft, zo’n overzicht wordt nergens gegeven.”

Universiteitje spelen

Een probleem is volgens Den Boer dat geschiedenisleraren zo ongelooflijk hun best doen de les leuk te houden, iets waar je de leraar wiskunde nou nooit over hoort. Wat hem betreft moeten leerlingen bepaalde dingen gewoon weten, ze moeten een simpel chronologisch kader met praktische kennis bijgebracht krijgen: “Maar de scholen willen ook een beetje universiteitje spelen, veel met bronnen werken enzo. En dat er niet bij voorbaat consensus bestaat over de invulling van zo’n chronologisch kader vind ik geen argument. Dat hadden ze in de negentiende eeuw ook niet. En laat de discussie over wat de grote lijn moet zijn maar gevoerd worden.”

“Ja,” zegt Leusink met een lichte zucht, “een bekende klacht uit de wetenschappelijke wereld is dat die eerste jaars studenten niks meer weten.”

“Maar een heel breed overzicht kun je tóch niet geven. De geschiedenis is zo groot, en er is zo weinig tijd. Ondertussen krijgen leerlingen echt nog steeds heel veel feitenkennis aangeboden, en we gaan veel meer de diepte in dan vroeger gebeurde. Onder meer door middel van bronteksten.”

‘We behandelen op school bijvoorbeeld Rusland in de negentiende eeuw. Dat gaat dan over de tsaren, de orthodoxe kerk, het ontbreken van een bourgeoisie, nou ja, dat hele verhaal. Horigheid en lijfeigenschap horen er ook bij, en daarmee oefenen leerlingen dan met bronteksten. Er is een reisverslag uit die tijd, en er zijn advertenties uit de krant, waarin lijfeigenen worden aangeboden.”

“Daardoor gaat het onderwerp veel meer leven: het stond echt zo in de krant toen. En ze gaan zo ook nadenken over die tijd.”

Graascultuur

“Geef je ze alleen een leestekst, dan biedt dat te weinig een uitdaging, dat is die kinderen te passief. Ze zijn echt anders dan vroeger, kritischer ook, al is mijn ervaring wel dat het heel erg per leeftijd varieert. Vijftig minuten stilzitten en luisteren is vooral voor de derde- en vierdeklassers erg veel gevraagd. Tegenwoordig hoor je veel over de ‘graascultuur’: een beetje van dit, dan weer een hapje van iets anders.”

“Zo zijn ze inderdaad, en ik vind zelf dat dat ook wel iets leuks heeft. Overigens krijgen de hoogste klassen van tijd tot tijd hoorcolleges, met z’n vijftigen luisteren. Dat moeten ze ook leren. We proberen de overstap van leerlingen naar het studentenleven een beetje te vergemakkelijken. Daarnaast splits ik soms een groep van 26 in tweeën. Dan gaat de ene helft naar de studieruimte – dan is natuurlijk meteen de discussie of je dat moet controleren, de school ligt in een gezellig deel van de Utrechtse binnenstad, maar goed –  en met de andere helft doe ik een werkcollege. Dat vinden ze prachtig.”

“We zoeken een evenwicht tussen kennis en vaardigheden. In de brugklas behandelen we het oude Egypte. Daar zijn heel leuke jeugdboeken over. In groepjes van vier moeten ze antwoorden op een hoofdvraag en een aantal deelvragen vinden. Hoe dachten de Egyptenaren over leven na de dood, bijvoorbeeld.”

“Ze moeten daarvoor samenwerken, en dan ontstaat er gegarandeerd ruzie. Dat vertel ik ze van te voren, maar samenwerking is wel iets dat ze moeten leren. Ze krijgen ook een gezamenlijk cijfer. De opdrachten zijn heel divers: tijdsbalken tekenen, tekst uit een boek reproduceren, maar we proberen ook een vragende houding bij ze aan te brengen. Duidelijk te maken dat we niet alles zeker weten.”

“En dan moeten ze bedenken wat voor aanvullende informatie je nodig zou hebben. We behandelen bijvoorbeeld de slag bij Kadesj. Die was in 1300 voor Christus, toen Ramses II de Hittieten wilde verdrijven.”

“De graftekst van Ramses II vermeldt dat hij die slag gewonnen heeft, maar bronnen van de Hittieten zeggen dat ook. Nou is er ook verdrag tussen die twee partijen bewaard gebleven, en daarin wordt alles zo’n beetje fifty-fifty verdeeld. Wat zijn dan de feiten? Een pre-wetenschappelijke houding is voor veel kennis gewoon nodig.”

Een vuur ontsteken

Leusink spreekt er allemaal met liefde en enthousiasme over. Haar lezing tijdens de studiedag eindigde ze dan ook met het oude adagium ‘onderwijzen is niet een emmer leeggieten, maar een vuur ontsteken’. En al zijn er heus onderwerpen waar de leerlingen met lange tanden aan werken – zoals de opstand van de Nederlanden tegen Philips – geschiedenis is het mooiste vak om te geven.

“Omdat je met heel veel kinderen praat over de samenleving,” zegt Leusink, “en de waarden die daaraan ten grondslag liggen, en dat dan in vergelijking met andere tijden en andere landen. Het denken in tijdsdimensies, het relativeren van je eigen cultuur, dat is belangrijk. Bovendien heb je enorm veel variatiemogelijkheden. Als je Frans geeft, moet je toch altijd op een gegeven moment weer uitleggen wat de subjonctif is.”

De hele discussie speelt in een periode dat er nogal wat veranderingen gaande zijn. Op het nippertje is geschiedenis gered als verplicht vak in de bovenbouw van het VWO, of: in de tweede fase, zoals het binnenkort gaat heten.

Eerst zou alleen een combivak geschiedenis en maatschappijleer verplicht worden. Het gevolg is dat de aansluiting tussen de zogeheten ‘basisvorming’, die nu vijf jaar bestaat, en de tweede fase die op sommige scholen in 1998 maar op de meeste in 1999 ingevoerd zal worden, niet helemaal vlekkeloos is. “Er is nu een brede commissie ingesteld die een longitudinaal curriculum moet samenstellen”, vertelt Leusink.. “Uit de evaluatie van de basisvorming kwam dat er op onderwijskundig gebied nog onvoldoende veranderd is. Ik denk dat de tweede fase daar een impuls aan gaat geven. Maar hoe die er precies uit gaat zien is nog niet helemaal duidelijk. Het is een kwestie van trial and error, en sommige scholen zijn al verder dan andere.”

“De meeste leraren vinden die hele tweede fase, met enige voorzichtigheid, een goede ontwikkeling. Maar het vereist zowel een andere didactiek als een andere vorm als een andere inhoud. Daarvoor is nu twee uur per docent beschikbaar.”

“Maar hoe gaat dat: al die uren gaan naar twee mensen, die alles moeten bedenken, terwijl in feite iedere docent die uren eraan zou moeten kunnen besteden. Ze moeten allemaal met die tweede fase gaan werken. Kijk, over een jaar of vier, vijf zullen we hier beter mee uit de voeten kunnen, weten we hoe het zit met die nieuwe vakken. Nu is het heel veel extra werk, maar op den duur moet het juist een ontlasting zijn.”

Meer aanvoelen

Over de samenwerking met de universiteiten is Leusink redelijk positief: “Het staat nog een beetje in de kinderschoenen,” zegt ze, “maar op dit moment neemt de belangstelling uit de academische wereld enorm toe, uit wat je met een zwaar woord opportunisme kunt noemen.”

“Ze schreeuwen om leerlingen, en willen die graag over de drempel helpen. Dus er komt nu in Utrecht na een bèta-dag ook een alfa-dag voor leerlingen. Ze hebben een boek ‘Hoe maak ik een scriptie’ gemaakt, en soms komt iemand een gastles geven, wat overigens – zeker in de lagere klassen – niet altijd meteen een succes hoeft te wezen.”

‘En dingen organiseren kost heel veel tijd en moeite, terwijl het programma sowieso overladen is. Als ik al zie hoe lastig een eenvoudig uitstapje naar de universiteitsbibliotheek voor elkaar te krijgen is! Maar ik heb wel het gevoel dat we elkaar tegenwoordig wat meer aanvoelen. En zo’n studiedag als laatst helpt daar alleen maar aan mee. Wat mij opviel is dat de standpunten heel wat minder ver uit elkaar liggen dan we wel eens denken.”

Maar over paar dingen heeft Leusink, en de hele Vereniging van Geschiedenisleraren in Nederland met haar, grote zorgen: “De overheid wil graag vakkenintegratie. Dat is goedkoper, en makkelijker met roosteren. Maar de VGN verzet zich daar fel tegen, omdat men bang is dat dat op termijn de ondergang van het vak zal betekenen. Overigens zijn we er wel voor dat de schotten tussen de vakken verdwijnen. Daar werken we ook aan. We hebben op school een project van vijf weken over de Eerste Wereldoorlog gehad. Daaraan deed niet alleen geschiedenis mee, maar ook de moderne talen, en kunstgeschiedenis, en economie.”

De Nederlandse jeugd

“Maar het belang van het vak wordt veel te weinig ingezien. Wist je dat het voor geen een studie verplicht is, zelfs niet als je geschiedenis wilt gaan studeren! En echt heel erg is dat geschiedenis op het VBO, het Voorbereidend Beroeps Onderwijs, en de Mavo na de tweede klas helemaal dreigt te verdwijnen. In sommige ‘leerwegen’, zoals dat dan gaat heten, zit het nog wel in combinatie met een ander vak, maar we hebben het hier over zestig procent van de Nederlandse jeugd die straks na zijn veertiende geen geschiedenis meer krijgt. Ik heb zelf jarenlang, met veel plezier, op een VBO/Mavo lesgegeven, en dat zou echt doodzonde zijn.”

“Hoeveel vervuiling kan een systeem aan?”

Groene erwtensoep, zo ziet veel zoet water eruit in Nederland. “Het ecosysteem is echt veranderd”, zegt prof. dr. Riks Laanbroek van het NIOO in Nieuwersluis. Hij vertelt over hoe dat komt, en waarom het niet verandert, maar hij legt ook uit wat de aardappeltjes van het schedefonteinkruid hebben aan de woelende poten van de kleine zwaan. Het blijkt dat watervlooien vis die er niet meer is nog steeds ruiken, en dat een meer verkouden kan zijn.

“Er is van alles misgegaan met het zoete water in Nederland. Op veel plaatsen is het groene erwtensoep geworden. De stikstof- en de fosfaatlozingen uit de jaren zestig en zeventig, en nog een aantal andere dingen, hebben het ecosysteem echt veranderd.”

Prof. dr. Riks Laanbroek begint vanzelf middenin de zaken waar het in zijn dagelijks werk om draait: het onderzoeken van zoetwaterorganismen in hun onderlinge samenhang  en in relatie tot hun omgeving. Het bijbehorend jargon omvat twee woorden: ecologie, of onder vakbroeders ook wel oecologie (de term voor de wisselwerkingen tussen alle organismen en hun milieu) en limnologie (de natuurkunde, scheikunde en biologie van zoetwaterorganismen daarbinnen).

Laanbroek is sinds 1993 directeur onderzoek van het Centrum voor Limnologie, de Nieuwersluise afdeling van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO), waar ook het ‘hoofdkantoor’ van dit KNAW-instituut gevestigd is. In de tuin vol kastanjebomen, waar op de dag van het gesprek zon en mist aldoor om voorrang met elkaar strijden, staat nog steeds de prachtige oude villa Vijverhof, maar Laanbroeks werkkamer bevindt zich in het nieuwbouwgedeelte.

“Onze vraagstellingen liggen buiten”, zegt Laanbroek (46), “en daar vallen dingen op. Bijvoorbeeld dat het ecosysteem niet het vermogen heeft gehad zo te reageren dat het oude evenwicht hersteld werd. We zitten nog steeds met een algenplaag, of eigenlijk zijn het cyanobacteriën, die ook wel blauwwieren genoemd worden, al is het geen wier.”

“Die cyanobacteriën doen het heel goed op fosfaten, en door lozingen uit de agrarische sector, de huishoudens en de industrie zit de bodem daar vol mee. Dat fosfaat komt vrij, en is voedsel voor de cyanobacteriën. Maar die gaan op een gegeven moment dood, en zakken dan naar de bodem. In Nederland zijn er veel ondiepe meren waar de wind grote invloed heeft.”

“In de Loosdrechtse Plassen en het Tjeukemeer bijvoorbeeld, komt het water door de wind  in beweging, en krijg je opwervelingen die het licht wegnemen. Vroeger hadden we een stabiel ecosysteem met onderwaterplanten, maar we zijn nu naar een nieuw systeem gegaan, met grote hoeveelheden cyanobacteriën die het licht wegnemen, zodat er geen planten meer op de bodem kunnen groeien. Als je dat waarneemt dan raak je geïnteresseerd in de mechanismen die dat bepalen.”

Zout water

Want schoon zoet water is letterlijk van levensbelang. “De vraag ernaar wordt steeds groter,” legt Laanbroek uit. “Naarmate er meer mensen komen, is er meer zoet water nodig. Voor van alles. Niet alleen om te drinken en wassen en dergelijke, maar ook voor de industrie en voor agrarische activiteiten.”

“En er komen steeds meer problemen, ook in Europa. In Portugal en Spanje bijvoorbeeld, is de laatste jaren erg weinig regen gevallen. Als je dan toch aldoor het zoete water wegpompt, dan wordt het op een gegeven moment van onderaf weer aangevuld met zout water. Dat is daar nu aan het gebeuren. En in Hongarije en Slowakije zijn er problemen met de Donau, die vervuild is. Een duurzaam beheer van zoetwater-ecosystemen wordt steeds noodzakelijker. Binnen de EU zien ze dat nu ook. Daar zijn wij ook bij betrokken. Ik was laatst op een EG-vergadering, en in het volgende Europese onderzoeksprogramma – dat zijn die kaderprogramma’s – wordt zoet water een groot punt.”

“Om water te kunnen recycelen heb je kennis nodig van het ecosysteem, moet je de grenzen waartussen het zich beweegt kennen. Hoeveel vervuiling kan een systeem aan? Wanneer is de zaak nog terug te draaien? Om dergelijke fundamentele vragen gaat het.”

“Overigens is in grote delen van Europa de industrie inmiddels goed op weg met het recycelen van water, alleen in de landbouw is daar nog geen sprake van. Daar laten ze alles in de sloot weglopen, vanwaar het uiteindelijk in zee verdwijnt. En dan zijn er de rioleringssystemen in de steden. Een paar nieuwe projecten werken nu met twee soorten kranen in huis, waardoor je de wc kunt doorspoelen met regenwater, in plaats van dat er telkens vele liters goed drinkwater worden weggespoeld.”

Ruzies om licht

Het belang van het type onderzoek dat vanuit Nieuwersluis plaatsvindt, is duidelijk. Laanbroeks eigen hart ligt het meest bij de fundamentele vragen. Telkens als hij vertelt over de samenhang en het op elkaar inwerken van verschillende organismen lichten zijn ogen even op.

Hij schetst nog even het NIOO: “De bedoeling is dat het instituut zo veel mogelijk leefmilieus ‘dekt’: dus zowel grond als water als lucht. In Heteren richten ze zich daarbij op individuen, en de vestiging in Yerseke houdt zich bezig met grootschalige stromen, patronen van koolstof, stikstof en nog een heleboel meer.”

“Bij limnologie hier draait alles om communities, leefgemeenschappen of combinaties van populaties. Daarbinnen zitten natuurlijk individuele organismen, die reageren op impulsen. Je hebt de genetische kant: een deel van een populatie kan door een mutatie veranderen. Als dat gebeurt, hoe zit dat dan? Waarom redt een mutatie het? Wat is de samenhang met populaties van andere organismen die daar ook zitten? Je wilt de interacties begrijpen, de ruzies om licht en voedsel, en dergelijke, en de gevolgen daarvan voor het ecosysteem.”

“Een mooi voorbeeld is de plant-dierinteractie. Een van de drie werkgroepen hier doet daar onderzoek naar, onder leiding van Marcel Klaassen. Het is nog een jonge groep die heel specifiek naar de kleine zwaan kijkt. Die vogel overwintert hier, maar broedt in Siberië.”

“In het voorjaar trekt hij daarheen, en elk najaar komt hij weer terug naar West-Europa. Dat haalt hij alleen niet in één keer. Hij maakt onder meer tussenstops in Denemarken en de Baltische Zee. Daarvoor moet hij goed kunnen plannen. Hij mag niet te vroeg in Siberië arriveren, als alles nog ijs is, maar ook niet te laat, want er moet voldoende tijd zijn de jongen groot te brengen, en de zomer duurt daar maar kort.”

“Dat is de energetica van de zwaan. Een deel van die beesten is gemerkt, en we kunnen ze dus volgen. In het Lauwersmeergebied kunnen ze tegenwoordig op de week nauwkeurig voorspellen wanneer de zwanen arriveren.”

Schedefonteinkruid

“Maar er zit ook een duidelijke plantenkant aan dit onderzoek. Die zwanen voeden zich voor hun reis met zogeheten tubers. Dat zijn heel energierijke knolletjes van het schedefonteinkruid, een onderwaterplant die –overigens steeds minder – voorkomt in de ondiepe wateren in Nederland. Die tubers groeien onder de grond, als een soort aardappeltjes.”

“Nu is een van de vragen wát nu bepaalt dat de planten op een bepaald moment die knolletjes gaan aanmaken. Het schedefonteinkruid ‘overwintert’ ermee: de plant sterft na het vormen van de aardappeltjes af, en die lopen dan in het volgende seizoen weer uit. Het moment hangt onder andere af van de lengte van de dag, blijkt. En de productie sluit dus goed aan bij het tijdstip waarop de zwanen moeten vertrekken om, met die tussenstops, toch op tijd in Siberië te zijn. Maar het is een grappige interactie. Want je vraagt je natuurlijk af hoe dit systeem stand kan houden: wat is het belang van de plant bij opgegeten worden door die zwanen?”

“Wel, dat zit ‘m in het feit dat het schedefonteinkruid een pionierplant is, die in het sediment graag zijn eigen gang wil gaan. De grote poten van de zwaan woelen het sediment op, maar hij gaat niet door totdat alle knolletjes op zijn. Voor degene die overblijven, betekent dat dat ze weinig concurrenten hebben, en dus rustig kunnen gaan ‘pionieren’. Het schedefonteinkruid heeft dus met andere woorden ook baat bij deze populatiebeïnvloeding.”

Varkensmest uit Brabant

Nieuwe ontwikkelingen zijn er ook bij de oudste onderzoeksgroep in Nieuwersluis, waar de interactie tussen verschillende organismen wel héél duidelijk is: het bestuderen van wie wie eet, ofwel het voedselketenonderzoek.

“Vanaf het begin van de zestiger jaren tot het begin van de jaren negentig heeft het Limnologisch Instituut een aantal meren gemonitort,” vertelt Laanbroek. “Daardoor kennen we de randvoorwaarden van de Loosdrechtse plassen, het Tjeukemeer en in iets mindere mate het IJselmeer, heel goed. Het gaat om dingen als hoe snel koolstof wordt omgezet in een meer, hoe lang het duurt voordat stikstof is doorgevoerd. Daarmee wil je de consequenties van menselijk handelen kunnen inschatten. Als je bijvoorbeeld de varkensmest uit Brabant nou eens in Loosdrecht zou dumpen, wat zou er dan gebeuren met het hele ecosysteem?”

“In principe zit het zo: je hebt het (plantaardige) fytoplankton, dat onder meer bestaat uit algen en die cyanobacteriën, en dat wordt gegeten door het (dierlijke) zoöplankton, dat op zijn beurt weer als voedsel dient voor vissen die zelf weer door andere vissen gegeten worden.”

“We willen bijvoorbeeld weten in hoeverre de kwaliteit van het fytoplankton het succes van het zoöplankton bepaalt. Watervlooien of daphnia’s, zijn binnen dat zoöplankton een belangrijk onderzoeksobject, omdat je ze makkelijk kunt kweken in een laboratorium.”

“Zo hebben we de afgelopen jaren gekeken naar de effecten van verzadigde vetzuren. Er waren aanwijzingen in de buitenlandse literatuur dat die een rol speelden in het plankton. Dus hebben we met verzadigde vetzuren verrijkte algen aangeboden aan daphnia’s, en vervolgens hun aantallen nakomelingen geteld. Het bleek dat die vetzuren weliswaar een rol spelen, maar dat de fosfaten nog steeds veel belangrijker zijn.”

Vreetdruk

“Maar we kijken ook verderop in de voedselketen, naar de relatie tussen het zoöplankton en vis. De daphnia bedenkt allerlei dingen om aan de vreetdruk van de vissen te ontkomen.”

“Ze moeten een precair evenwicht zien te houden. Als ze klein zijn, zien de vissen ze kennelijk niet, en worden ze niet opgegeten. Maar ze moeten ook weer niet té klein zijn, want dan zijn juist heel geschikt voer voor allerlei ongewervelden.”

“En er zijn verschillende soorten watervlooien. Je hebt er die doen aan ‘verticale migratie’. Watervlooien zitten in diepere plassen het liefst bovenaan, bij de oppervlakte, waar de actieve algen zijn en het licht, maar ja, daar zitten de vissen ook. Sommige soorten en klonen lossen dat op door overdag naar de bodem te zakken, en ’s nachts, als de vissen ze niet kunnen zien, naar boven te komen om te eten. Maar waarom doen niet alle soorten en klonen dat? Zit er dan toch ook een nadeel aan dat migreren? Daarmee raak je aan heel fundamentele vragen, en met de antwoorden kun je wel bijdragen aan een goed beheer van de watergebieden.”

Interessant vindt Laanbroek ook het nog nieuwe onderzoek naar wat infochemicals genoemd worden. “Een Nederlands woord hebben we nog niet echt,” zegt hij, “het is Engels voor chemische stoffen die een informatiebron zijn. Hoe ze precies werken, weten we nog niet, maar die watervlooien ruiken of er ergens vis zit.”

“Vissen scheiden een stof af waar daphnia’s op reageren, bijvoorbeeld met dat migreren. Hoe weten we dat nou? Ze doen het ook in een aquarium waar we de vis uit gehaald hebben. In ‘viswater’ reageren watervlooien alsof die vissen er gewoon zijn. En in de interactie tussen algen en het zoöplankton spelen infochemicals ook een rol. Sommige algen gaan samenklonteren in de buurt van zoöplankton, zodat het als het ware te grote happen worden voor dat plankton. Waaruit die infochemicals bestaan, is nog niet duidelijk. Is het feces? Ellen van Donk gaat daar nu onderzoek naar doen.”

Haperen

Laanbroek, die ook bijzonder hoogleraar bodemmicrobiologie in Nijmegen is,  leidt zelf de derde werkgroep, die microbiële gemeenschappen onderzoekt. “We kijken dus naar microben,” vertelt hij. “De opbouw, de structuur, de diversiteit, de functie van de microbiële gemeenschap.”

“We veronderstellen bijvoorbeeld dat die cyanobacteriën slecht afbreekbaar zijn. Want waarom verdwijnen ze niet? Kennelijk hapert er iets, het oude ecosysteem met de waterplanten wil maar niet terugkomen. Wat zit er in de gemeenschap dat voorkomt dat de cyanobacteriën worden afgebroken?”

Het is pas sinds kort dat bacteriën en bacteriepopulaties uit de natuur goed onderzocht kunnen worden. Sinds de moleculaire genetica bestaat, en sinds je bacteriën kunt kleuren, en ze kunt tellen met een ‘flowcytometer’, is duidelijk geworden hoeveel nadelen er kleven aan laboratoriumonderzoek.

Laanbroek: “Het is gebleken dat we met het kweken van kolonies in het lab hooguit een of twee procent van de bacteriën uit het systeem halen. Degene die het goed doen in een petrischaal maken maar een heel klein deel van het geheel uit.”

“In plaats van honderd miljard heb je een miljard bacteriën op de plaat. Of die ook het belangrijkste zijn voor het ecosysteem is maar helemaal de vraag. De moleculaire genetica schiet hier te hulp. DNA kun je uit het water halen, vervolgens vermenigvuldig je het, en daarmee kun je dan een ‘fingerprint’ maken. Daarmee krijg je een overzicht van de DNA-patronen in een bepaald water op een gegeven ogenblik. Op andere momenten kun je dat dan herhalen. Sinds eind ’95 hebben we hier gelukkig de laboratoriumfaciliteiten om zelf die fingerprints te maken. Dat laten doen is erg duur.”

Met die nieuwe methoden kwam men erachter dat de bacteriegemeenschap in het water in de Loosdrechtse Plassen het hele jaar tamelijk constant is, maar dat er in het IJselmeer een grotere heterogeniteit bestaat. “In Medemblik is de samenstelling van het water weer anders dan in de Markermeer,” vertelt Laanbroek. “Er zijn verschillende soorten cyanobacteriën, en die blijven ook niet het hele jaar op dezelfde plaats. Er zit dynamiek in alle bacteriën, blijkt. We kunnen met koolstofmetingen ook nagaan of ze meer algen of meer in het water beland afval van landplanten binnenkrijgen. Dat helpt ook weer een beeld te krijgen van de structuur van de gemeenschap.”

Verkouden meer

“Intrigerend is ook de rol van virussen. We willen de situatie in het veld bestuderen, maar die bootsen we soms na in het lab, in zogenoemde enclosures, afgesloten vaten. Vorig jaar hadden we in november water uit Loosdrecht opgevist, en dat hebben we toen opgewarmd naar zomertemperatuur, en we hebben het zomerlicht gegeven.”

“Toen raakten we van de ene op de andere dag ineens de cyanobacteriën kwijt, zoals je soms ook in de meren ziet gebeuren. Ineens is de troebele soep helder, een enorme verandering in het patroon van de bacteriën.”

“Via de elektronenmicroscoop zagen we toen dat het water vol virussen zat. Iemand hier had het erover dat het meer verkouden was. Hoe het precies in zijn werk gaat, begrijpen we nog niet, en ingrijpen op het systeem door virussen uit te zetten lijkt geen goed idee. Maar misschien kan dit op den duur helpen om afgesloten waterreservoirs schoon te houden.”

Naast de cyanobacteriën onderzoekt de groep van Laanbroek nog een gemeenschap: “Dat zijn de nitrificerende bacteriën. Het mooie daarvan is dat ze overal zitten, maar van de pakweg 10.000 soorten bacteriën die we kennen zijn er misschien maar twintig nitrificerend, en dat kunnen we nu in het veld zichtbaar maken, in het lab lukte dat slecht.”

“Wat is nitrificeren? Wel, deze bacteriën kunnen ammoniak omzetten in nitraat. Ammoniak en nitraat zijn allebei vormen van stikstof. Ammoniak is een immobiel ion dat zich in de bodem bevindt, en daar betrekkelijk goed zit, bij wortels enzo. Krijg je nou te veel ammoniak, bijvoorbeeld door overbemesting, dan raakt de bodem verzadigd, en wordt ammoniak omgezet in nitraat. Nitraat is een niet-immobiel, negatief geladen ion, en dat gaat naar het oppervlaktewater. Daar krijg je dan eutrofiëring, voedselverrijking, en dat heeft al die extra algen tot gevolg. Nitraat in het grondwater verontreinigt het drinkwater. En bij die nitrificatie komen ook broeikasgassen vrij. Die processen willen we dus graag goed begrijpen. In ieder geval weten we inmiddels dat infochemicals ook bij nitrificerende bacteriën een rol spelen. Daar ligt echt een mooi nieuw terrein.”

“Het lijkt er toch erg veel op dat onze hersenen voor de primitieve gedeeltes net zo georganiseerd zijn als bij ratten”

“Iedereen kent dat effect: je zet wat mensen bij elkaar in een zaaltje, je doet het licht uit om dia’s te vertonen en in dat halfduister zakt binnen de kortste keren de helft van het publiek weg. Zeker als je ook nog een saaie spreker hebt. Het punt is dat het signaal via je biologische klok ‘wakker blijven, licht!’ verdwenen is.” 

De biologische klok, een klein hersengebiedje dat vlak boven de oogzenuw, aan de onderkant van de hypothalamus zit, is een bijzonder invloedrijk instrument, waarop prof. dr. Ruud Buijs van het NIH, het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek, nog lang niet uitgekeken is.

Het NIH doet al vele jaren onderzoek naar de suprachiasmatische nucleus, of SCN, zoals de klok in jargon heet. Zowel bij mensen als bij dieren. Buijs (48) leidt bij het Akademie-instituut de dierexperimentele onderzoeksgroep, prof. Dick Swaab staat aan het hoofd van het ‘humane’ onderzoek, maar de laatste jaren wordt geprobeerd die twee researchgebieden te integreren.

“Dat klinkt makkelijker dan het is,” zegt Buijs. “Bij dieren kun je op allerlei manieren ingrijpen, bij mensen natuurlijk niet. Bovendien geeft de vraag in hoeverre je dieren en mensen mag en kunt vergelijken me altijd zorgen.”

Maar dat mensen én dieren een biologische klok hebben staat vast, en dat hij belangrijk is ook. Zo bestaat er absoluut een samenhang tussen een niet goed functionerende klok en onder meer de slaapproblemen bij de ziekte van Alzheimer en winterdepressies.

De bioloog Buijs legt uit: “De SCN is een kerntje met een eigen, endogeen ritme van ongeveer vierentwintig uur. Wat je ziet, is dat de activiteit van de cellen in dat gebiedje fluctueert. Overdag zijn er meer cellen actief dan ’s nachts, en ’s nachts zijn er ook andere cellen actief. Dat ritme zit er helemaal vanzelf in.”

“Het is ons jaren geleden al gelukt om de biologische klok uit de hersenen van een rat te verwijderen en dan nog weken in zijn eentje te laten ‘doortikken’. Licht is alleen een signaal, waarmee je de klok kunt synchroniseren. Hoe een dier reageert op licht is overigens afhankelijk van of het om dagdieren of nachtdieren gaat. Je kunt heel duidelijk merken dat ratten nachtdieren zijn. Als we hier is het laboratorium het licht aandoen dan gaan ze slapen.”

De factor tijd

De invloed van de biologische klok reikt echter veel verder dan alleen het bepalen of een dier gaat slapen of niet. Hóe ver precies is nog lang niet duidelijk, maar de groep van Buijs heeft onlangs twee zeer uiteenlopende onderzoeken gedaan die een idee van het belang van de SCN geven.

Ook voor de mens, maar daarvoor moeten we eerst weer terug naar de rat. Buijs: “In de hypothalamus wordt allerlei informatie verzameld. Vanuit het lichaam van de organen, dus het hart en de nieren, enfin de hele santenkraam, maar ook van de hersensystemen die belangrijk zijn voor de verwerking van emoties, zoals de amandelkern en de hippocampus.”

“Binnen de hypothalamus heb je verschillende kernen waar wij onderzoek naar doen. De biologische klok is er daar een van, een andere is de zogeheten PVN, de paraventriculaire kern – de meest namen voor hersengebieden zijn helaas niet spannend. Die PVN blijkt het punt te zijn waarop al die informatie, uit de organen, over de emoties maar ook uit de biologische klok samenkomt. Die wordt daar geïntegreerd, en op basis daarvan kan dan vanuit de PVN de opdracht gegeven worden om stresshormonen aan te maken.”

“De factor tijd speelt daarbij een belangrijke rol. Het blijkt dat het tijdstip van de dag waarop je een rat stress te verduren geeft, uitmaakt voor de hoeveelheid stresshormoon die wordt afgegeven. ’s Nachts is het minder dan overdag.”

Hoe kun je dat allemaal onderzoeken? “Bij het geven van stress willen we het liefst de natuurlijke situatie zo dicht mogelijk benaderen. Daarom plaatsen we ratten eenvoudig in een nieuwe omgeving. En als we ze echt willen pesten, zeg maar, dan zetten we ze in een bak water waar ze niet uit kunnen. Daar zie je ze op reageren: door in het bloed de stresshormoonniveaus te meten, zie je hoe ze stress ervaren op verschillende momenten van de dag.”

“Om te kijken wat er binnenin de hersenen gebeurt, hebben we ook technieken die heel goed werken. Als we willen zien hoe de SCN communiceert met de hersenen kunnen we van buitenaf een zogeheten tracer inspuiten, precies in die PVN. Als je de ratten dan een paar dagen later doodmaakt, kun je zien welke verbindingen er vanuit de SCN met andere gebieden zijn. Dus waar die kern naartoe projecteert.”

Vrouwtjesratten

“Het bleek dat de verbindingen vanuit de biologische klok niet helemaal in, maar rond de PVN eindigden, terwijl we toch zagen dat de tijdfactor invloed had op de hoeveelheid stresshormoon waartoe de PVN opdracht gaf. Een elektrofysioloog hier in onze groep heeft toen kunnen aantonen dat er wél een verbinding bestaat, niet via de cellichamen, maar alleen via de dendrieten, de uitlopers van de cellen.”

“Overigens was het interessant dat wat de stressreactie betreft er een groot verschil zit tussen de mannetjes- en de vrouwtjesratten. De vrouwtjes produceerden in een nieuw kooitje veel meer stresshormoon dan de mannetjes. Wat dat precies betekent, weten we niet, maar het is wel iets om goed in de gaten te houden.”

“Natuurlijk kun je dergelijke technieken niet op mensen toepassen, en omdat we toch willen weten hoe de menselijke hersenen in elkaar zitten moesten we op zoek naar een fatsoenlijke techniek om hetzelfde bij mensen te kunnen onderzoeken. Mensen hebben ook een biologische klok en een PVN, maar of er sprake is van dezelfde verbindingen weet je daarmee nog niet. Toen zijn we gaan kijken of we dezelfde traceertechniek konden toepassen na de dood. Dat lukte.”

“Als je plakjes hersen van een rat die hooguit een paar uur dood is op de goede manier bewerkt – je moet er onder meer zuurstof aan toevoegen –  dan kun je die ook die tracer inspuiten, en zie je in de uren daarna het transport naar andere gebieden.”

Restjes ziel

De volgende stap was dezelfde procedure bij mensenhersenen toepassen. En ook dat bleek te werken. Het is mogelijk in hersenen van mensen die tussen de vier en negen uur dood zijn eenzelfde tracer in de biologische klok te injecteren, die vervolgens de tracer transporteerde naar de PVN. Er liggen met andere woorden dezelfde verbindingen als bij ratten.

“Mijn conclusie is niet dat er leven na de dood is,” zegt Buijs, “maar er is wel transport. Of in die uren de laatste restjes ziel uit je lichaam vertrekken, daar kan ik niets over zeggen. Dat is hoogstens een probleem voor theologen. Gek genoeg lijkt de manier waarop je doodgegaan bent uit de maken voor de kans op succes bij deze procedure. Je hebt grotere aantallen nodig om het echt te kunnen zeggen, maar het gaat vaak goed met mensen die aan Alzheimer leden. Dikwijls kun je het al zien aan de hersenen als ze binnenkomen of het zal lukken of niet.”

“Telkens opnieuw zie je dat er parallellen zijn tussen ratten en mensen. Het lijkt er toch erg veel op dat onze hersenen voor de primitieve gedeeltes net zo georganiseerd zijn als bij ratten. Het zijn ook de delen die evolutionair gezien behoorlijk oud zijn.”

Bij zijn weten is zijn groep de eerste die dit soort reacties in dode mensenhersenen heeft weten te bewerkstelligen, maar bij het tijdschrift Nature dacht een van de referees er anders over. Het artikel over dit onderzoek werd geweigerd. Buijs schouderophalend: “Tja, als ze het belang niet willen of kunnen zien, dan is dat jammer, maar dan houdt het op. We hebben het nu ergens anders aangeboden.”

En het volgende artikel waarin een hoofdrol is weggelegd voor de biologische klok is ook al klaar. Buijs is geïntrigeerd door de samenhang tussen tijd en stress. “Op basis van de literatuur en andere zaken die ik tegenkwam, had ik al lang het idee dat er een relatie is tussen de biologische klok en hypertensie, hoge bloeddruk. Daarvoor wilde ik heel graag de hersenen onderzoeken van mensen die aan hypertensie zijn overleden, meestal gebeurt dat uiteindelijk door een hartinfarct. Maar dat lukte aldoor niet.”

“Nog steeds is het heel moeilijk aan hersenen van overledenen te komen. Bijna niemand heeft een codicil, en de meeste cardiologen voelen er niet veel voor om meteen aan de familie te vragen of ze instemmen met een hersenobductie. Dat is natuurlijk emotioneel ook heel lastig, dat begrijp ik wel. Maar toen kwam er anderhalf jaar geleden een brief van een Russische onderzoeker van het cardiologisch instituut in Moskou, hetzelfde waar Jeltsin geopereerd. Valeri Goncharuk wilde aan de hypothalamus werken, of we daar belangstelling voor hadden. Ja dus.”

Weekendtas

“Hij heeft toen van de Akademie een gastonderzoekersbeurs gekregen, en in juni vorig jaar stond hij op Schiphol, met een weekendtas met zes hypertensieve hersens, en zes controles. Bij de douane mag je zo door, als je dat vertelt. Ik zeg ook wel eens dat ik rattenbloed bij me heb, dat werkt ook uitstekend.”

“Die zomer hebben we hier de analyses gedaan, en er waren schitterende verschillen in de biologische klok tussen de hoge bloeddrukpatiënten en de controles. De hypertensieven bleken veel minder vasopressinecellen te hebben. Vasopressine is een neuropeptide, wat onder andere een rol speelt bij de overdracht van informatie van de biologische klok naar de rest van de hersenen.”

“Maar als je zulke veranderingen in de biologische klok ziet, dan is natuurlijk meteen de vraag of je naar een oorzaak of een gevolg kijkt. Nu krijgen in Nederland alle hoge bloeddrukpatiënten medicijnen, maar in Rusland kunnen de meeste mensen dat niet betalen. Degenen van wie Goncharuk de hersenen meebracht, hadden geen medicijnen gehad. In zijn volgende weekendtas zaten behandelde hersens, dat zullen wel hoge partijtypes geweest zijn, en die bleken ook afwijkende klokken te hebben. Dat doet je vermoeden dat die klok al in een heel vroeg stadium een rol speelt. En medicijnen helpen daar in ieder geval niet voor.”

Nu wil Buijs het andersom doen: van de mens wil hij naar de rat. “Mijn vraag is: als ik ratten op latere leeftijd een hoge bloeddruk geef – dat kan met een farmacon – zie ik dan veranderingen in de SCN? Als dat zo is, is hoge bloeddruk waarschijnlijk een oorzaak van zulke veranderingen.”

“Aan de andere kant proberen we in te grijpen in de vroege ontwikkeling van de rat. Als de moederrat in een bepaalde periode van de zwangerschap stress ondervindt, worden haar kinderen al geboren met een hoge bloeddruk. We willen dan kijken of de SCN veranderd is, en zelfs mogelijk de schuldige is.”

“Kijk, tijd speelt kennelijk een rol in de manier waarop je met emoties omgaat. Misschien wordt er bij hypertensieven een signaal verkeerd overgedragen, waardoor je verkeerd bent ‘ingesteld’ om goed met stress te kunnen omgaan. De meeste hartaanvallen gebeuren vroeg in de ochtend. Tijd is echt een factor. Dus is je biologische klok erbij betrokken.”

“Wat ik denk is dat hoge bloeddrukpatiënten niet in staat zijn goed voorbereid aan de dagelijkse activiteitenperiode te beginnen. Als je wakker wordt, worden er andere opdrachten gegeven dan wanneer je slaapt: voor de aanmaak van hormonen, voor hoe hard je nieren moeten werken, voor het functioneren van van alles in je lichaam.”

Donker en licht

En ook voor hoe hard je hart moet kloppen. “We hebben laatst een pilotje gedaan,” zegt Buijs, “waarvoor we bereidwilligen binnen het instituut gerekruteerd hebben die een dag lang hun hartslag hebben gemeten tijdens rust. Als uitgangspunt hebben we de hartslag na het wakker worden genomen, en die lag rond de vijftig, vijfenvijftig slagen per minuut.”

“In de twaalf uur daarna ging dat flink omhoog, maar ’s nachts duikt het omlaag. Tegen de ochtend is het op zijn laagst. Maar er is ook een verschil tussen donker en licht. Als iemand zijn ogen dichthoudt en daarna weer opendoet, dan gaat de hartslag omhoog. Bij fel licht gaat hij zelfs nog verder omhoog. Licht is een activiteitssignaal voor mensen. Het is dus niet raar dat dat een verhoging van de hartslag geeft.”

“Ik zou willen weten hoe dat zit met mensen met een hoge bloeddruk, nu ik weet dat ze een afwijkende biologische klok hebben. Reageren die meer of minder op licht? Je kunt je voorstellen dat ze niet reageren, en daarom dan slecht zijn voorbereid op activiteit, maar misschien reageren ze ook juist sterker op licht. Ik weet het niet. Het zal lastig zijn mensen te overtuigen van het belang van onderzoek naar het verband tussen hart, vaten en hersens.”

“Maar die verbanden zijn er natuurlijk sowieso. Als je een konijn een geluid laat horen, zie je de doorbloeding in zijn oren toenemen. Zo simpel liggen de dingen vaak.”

In reggae bijvoorbeeld ís de eerste tel er nooit, maar je hoort hem wel

Een dansende schoen met menselijke trekjes, ritmes die spannend worden door gaten, en het aangeboren vermogen om mee te klappen. Over zulke zaken gaat het in het onderzoek van ex-Akademie-onderzoekers dr.ir. Peter Desain en dr. Henkjan Honing, die  besloten van “beter begrijpen wat muziek is” hun levenswerk te maken. Op weg naar een ‘theorie van het al’ in de muziek.

Jammer, de dansende schoen is nog niet uitgepakt. Naar verluidt is het een klein wondertje om te zien.

Psycholoog en informaticus dr. Peter Desain en musicoloog dr. Henkjan Honing hebben namelijk een puur menselijke eigenschap nagebouwd: de schoen pikt in no time een ritme op, en tapt dan mee. Aan een nieuw ritme past hij zich al even snel aan, dat wil zeggen: soms ‘aarzelt’ hij eventjes, net als wij.

“Beter begrijpen wat muziek is”, dat willen Desain en Honing, en die schoen laat daar iets van zien. Het is nu een klein decennium geleden dat ze – na een aantal jaren vergaand ‘hobbyisme’ – besloten hun levenswerk te maken van inzicht proberen te krijgen in hoe mensen muziek waarnemen en verwerken. Van muziekcognitie dus.

Alletwee hebben ze net een KNAW-fellowship van vijf jaar achter de rug (“Daar waren we erg gelukkig mee, we hebben zó veel kunnen doen”, roepen ze in koor), en in september begint officieel het ideale vervolg daarop: een Pionierproject met de mooi alliterende naam ‘Music, Mind, Machine’, die het onderzoeksgebied heel kort samenvat.

Hoe interdisciplinair het terrein is, valt ook af te lezen uit het feit dat twee verschillende NWO-stichtingen het project betalen. Maar de industrie draagt ook bij, en er zal gewerkt worden aan toepassingen en prototypes. De groep zal  uit tien mensen bestaan. Thuisbasis is het NICI, het Nijmegen Instituut voor Cognitie en Informatie.

Pianola

In de kelders van het universiteitsgebouw waar dat gevestigd is, wordt nog hard gewerkt aan een opstelling. “Daar komt een elektronisch drumstel, en in deze hoek komt een Yamaha-vleugel, waarmee je kunt opnemen en op hetzelfde instrument weer terugspelen. Een soort pianola, maar dan aangestuurd door de computer.”

Onder de net aangelegde kabelgoten en een paar bouwlampen staan Desain (41) en Honing (38) te stralen in wat voorlopig een duister hok is. Het geluiddichte kamertje dat er vlak naast ligt, is al bijna af.

“Met die schoen willen we een beperkte Turing-test gaan doen”, vertelt Honing, zich kennelijk nu al verheugend. De algemene Turing-test is een ultieme toets voor intelligentie, bedacht door de briljante Brit Alan Turing, die als eerste in principe de mogelijkheid van kunstmatige intelligentie inzag. Een machine doorstaat de test, wanneer je – communicerend via een beeldscherm – niet meer uit kunt maken of er aan de andere kant een ander mens zit, of een machine.

Honing: “Dergelijke programma’s bestaan natuurlijk nog steeds niet, maar in een beperkte Turing-test ,die over slechts één domein handelt (zoals bijvoorbeeld wijnkennis, schaken, en nu dan de tel in muziek meetikken), blijkt de computer soms al redelijk succesvol. In muziekcognitie-onderzoek gaat het niet zozeer om een succesvol werkend computerprogramma, maar om de inzichten die de constructie van zo’n programma ons geeft in menselijke perceptie.”

Aangeboren vermogen

“Muziek lijkt een universeel verschijnsel te zijn. Dat wil zeggen, je vindt het in alle culturen, maar er zijn in de hele wereld heel veel soorten muziek”, zegt Desain, de bedachtzaam formulerende van de twee, “en boventoon-zang uit Tibet is natuurlijk heel iets anders dan westerse klassieke muziek. Generaliseren is gevaarlijk. Maar meeklappen, de tel herkennen, dat is waarschijnlijk een aangeboren vermogen.”

Ritme is maar een onderdeel van de muzikale structuur, en structuur is een absoluut sleutelwoord voor het begrijpen van muziek. “Wat wij proberen, is alle componenten van expressie, die deze muzikale structuren uitdrukken, uit elkaar te peuteren”, legt Honing uit.

Hoe? Onder meer met de inzet van muziektechnologie. Als je gaat manipuleren blijkt al snel dat muziek ingewikkelder is dan je zou denken. Zo is er in veel muziekprogrammatuur een tempoknop, waarmee je een stuk muziek sneller of langzamer kunt afspelen.

Honing: “Wat ligt er nou meer voor de hand dan te denken dat je dan gewoon een snellere uitvoering van hetzelfde stuk krijgt? Maar dat is niet zo. Het klinkt verschrikkelijk. Een heel ander effect dan wanneer je een mens vraagt iets sneller of langzamer te spelen.”

Desain: “Het heeft te maken met de expressie in muziek. Kijk, expressie is alles wat níet in de partituur staat. Dus kleine versnellingen, harder en zachter spelen, het aanhouden van een noot, de fijne details kortom, die ook maken dat uitvoeringen enorm kunnen verschillen, en dat je een stijl of een bepaalde pianist kunt herkennen. Het blijkt ook reproduceerbaar. Wanneer je een pianist vraagt een stuk nog eens precies zo te spelen, dan kán hij dat, meetbaar. We zijn bij ons onderzoek echt onder de indruk geraakt van de ongelooflijke beheersing van musici. En als het tempo wordt veranderd, wordt de expressie op een ingewikkelde wijze aangepast.”

Versiering

“Waar zit ‘m dat nou allemaal in? Wij denken dat het heel erg gelinkt is aan de structuur van muziek. En dan gaat het enerzijds om de mentale representatie, dus wat heeft de uitvoerende in zijn hoofd, en anderzijds om de musicologische kant. Klopt het muziektheoretisch? Wat voor type interpretatie is het? Vraag je een pianist een stuk sneller te spelen, dan blijkt bijvoorbeeld dat een bepaalde voorslag – dat is een nootje dat eigenlijk alleen een versiering is bij een andere noot – in dat geval even lang duurt als in de langzamere versie. Verkort je dat nootje ook, dan klopt het ineens niet meer. Met dat soort kennis kun je software maken met meer weet van muziek, van de perceptuele processen die kennelijk een rol spelen. Een betere tempoknop is dan best mogelijk.”

En soms komen de vakgebieden ineens prachtig samen. “Bij die voorslagen zagen we iets bijzonders”, vertelt Honing. “In een versnelde uitvoering bleken sommige inderdaad korter te duren, maar andere bleven precies even lang. Dat begrepen we niet goed. Maar in de musicologie wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten voorslagen. Die bleken dus in de uitvoering terug te vinden te zijn.”

Desain en Honing willen het liefst een ‘theorie van het al’ over muziek formuleren. Door verschillende vakgebieden te combineren, en door verschillende bestaande modellen, die tot hun ergernis allemaal alleen maar één bepaald aspect van muziek beschrijven, naast elkaar te leggen, hopen ze daar ooit te komen. En het allermooiste zou zijn te begrijpen wat muziek met je doet, waarom bijvoorbeeld het Allegretto van de zevende symfonie van Beethoven iemand telkens weer tranen in de ogen kan bezorgen, of waarom de een jazz fantastisch vindt, terwijl de ander het afdoet als zenuwenmuziek.

Reggae

Dat valt voorlopig buiten hun onderzoeksdomein, maar ze hebben er wel ideeën over. Elkaar naadloos aanvullend, vertellen ze: “Wat het dichtst in de buurt komt van een antwoord op de vraag wat iedereen nou zo mooi aan muziek vindt, waarom het emotie kan oproepen, is dat er verwachtingen opgebouwd en geschonden worden. We hebben een eigen theorie daarover op het domein van ritme, die voorspelt wanneer we een volgende slag verwachten, en in welke mate. In de ervaring van muziek is dat heel belangrijk. Je weet: nu komt er een tel, ik moet zo en zo dansen.”

“Maar kómt die tel niet, dan maakt dat het ritme heel spannend. Zo’n gat, een syncope heet dat, hóór je. Dat is bijvoorbeeld karakteristiek voor reggae: de eerste tel ís er nooit. Maar je hoort hem wel, en blijft hem verwachten. Ook bij de honderdste keer dat je naar hetzelfde nummer luistert.”

“Dat verklaart ook waarom je hetzelfde ritme in een andere context niet als hetzelfde herkent. Zelfs als je het weet, lukt dat niet. Staat er een ander stukje muziek voor, dan wekt dat een andere verwachting, en dat patroon van verwachtingen wordt gebruikt bij de interpretatie van het nieuwe materiaal dat je hoort.”

Binnen het Pionier-project zullen er met die geschonden verwachtingen ook experimenten gedaan worden met het registreren van reacties in de hersenactiviteit. Dokters meten hersenactiviteit al sinds jaar en dag met EEG’s: elektro-encefalogrammen. Via elektroden op het hoofd wordt de activiteit in de hersenen weergegeven in golfpatronen.

De cognitiewetenschappen maken inmiddels met graagte gebruik van die techniek. De golfpatroontje blijken namelijk heel karakteristieke pieken of dalen te vertonen bij bepaalde opdrachten, bijvoorbeeld als je mensen een vreemde woordcombinatie (patat met hond, brood met sokken) laat lezen. Zo’n schending van wat je betekenisverwachtingen kunt noemen, geeft ook bij iedereen dezelfde uitslag van de metertjes, en wel na 400 milliseconden. Of er iets soortgelijks valt te meten bij het schenden van ritmeverwachtingen, zal dus binnen het Music- Mind- Machine-programma uitgezocht worden.

Nog spannender

Ondertussen zinderen Desain en Honing van nog meer plannen en ideeën. “We willen ook een ritmisch lexicon en een zoekmachine daarvoor maken”, zegt Honing enthousiast. “Waarbij je iets in kan spelen en de computer antwoordt met een bekend ritme, dat daar perceptueel zo dicht mogelijk bij ligt. Ook kan je zoeken naar ritmische varianten op bijvoorbeeld de samba of iets dat daar juist het verst vanaf ligt. Of je zoekt naar een nóg syncopischer, dus nog spannender patroon. Met dat soort dingen kun je ook onderwijs echt leuk maken, dat vinden we ook belangrijk.”

Muziek weergeven in woorden blijft lastig. Je moet het horen. Desain en Honing zijn daarom heel gelukkig met de mogelijkheden van de nieuwe media, bijvoorbeeld het Internet. Daar kun je een stukje tekst heel simpel laten volgen door een stukje geluid. Wie meer wil weten dan in een zwart-op-wit-verhaal verteld kan worden: het adres van hun site, waarop de tekst van al hun artikelen met geluidsvoorbeelden te vinden is, is http://www.nici.kun.nl/mmm .

“Chemotherapie kun je dan veel preciezer toedienen”

Minuscuul kleine luchtbelletjes horen binnenkort tot de medische praktijk van alledag, volgens dr.ir. Nico de Jong, die technieken ontwikkelt voor het verbeteren van de echografie. “Belletjes zijn echt een heel leuk medium,” zegt hij. In combinatie met ultrageluid kunnen ze dienen als ongevaarlijke contrastvloeistof, maar ook als heel precieze medicijnenleverancier. Over bruisende harten.

“Je kent zo’n echo wel van zwangere vrouwen,” zegt dr.ir. Nico de Jong (42) wijzend op het zwart-wit beeldschermpje dat hij al had klaargezet, en waarop nu bewegende beelden-met-veel-sneeuw zijn te zien.

Het is inderdaad de eerste associatie die bovenkomt: ‘een echo’ is tegenwoordig voor de meeste mensen een afbeelding van een baby in wording, de eerste ‘foto’ van de kleine.

Maar we bevinden ons in het Thorax Centrum van het Dijkzigt Ziekenhuis in Rotterdam, waar medische apparatuur en technieken voor de borstkas ontwikkeld worden, en de bewegingen op de monitor zijn niet van een kind in een baarmoeder, maar van een kloppend hart. Een bruisend hart zelfs.

Dat bruisen heeft alles te maken met De Jongs onderzoeksterrein, waar hij met groot enthousiasme over praat: minuscuul kleine luchtbelletjes en hun almaar groeiende toepassingsmogelijkheden voor de medische wetenschap. Bijvoorbeeld bij de echografie.

De ingespoten belletjes werken daar als een contrastvloeistof: je kunt er de route die het bloed aflegt mee volgen, en zo zien of het hart of een ander orgaan naar behoren functioneert.

Ze zijn dus nuttig voor het stellen van diagnoses. Maar belletjes kunnen ook een transportmiddel zijn voor medicijnen, die dan heel precies op hun plek van bestemming (zeg: een kwaadaardige tumor) afgeleverd kunnen worden. Dat is althans de theorie, in de praktijk zijn er nog wel een paar problemen op te lossen.

Vuursteentjes

De Jong legt eerst het principe van echografie uit: “Het gaat om het terugkaatsen van geluid, zoals het woord natuurlijk al zegt. Geen gewoon geluid, maar ultrageluid, dat wij met onze oren niet kunnen horen.”

“Wat je ervoor nodig hebt is een piëzo-element, het materiaal van vuursteentjes in een aansteker, waarmee je, door er druk op uit te oefenen, een spanninkje kunt genereren.”

“Bij medisch ultrageluid gaat het om frequenties van zo’n drie Megahertz, dat wil zeggen: drie miljoen trillingen per seconde, veel te hoog voor ons gehoor, want het menselijk bereik ligt tussen de 15 trillingen en de 20.000 trillingen per seconde. Ultrageluid plant zich extra goed voort in waterachtige substanties. Nou bestaan wij voor iets als 90 procent uit water, dus we geleiden uitstekend.”

“Met een speciaal apparaatje op de borst kun je ultrageluid produceren. Dat zendt het geluid uit, en vangt vervolgens op wat er terugkomt: de echo. Als het geluid door een homogeen medium gaat, dan zie je niets, is er geen weerkaatsing. Maar bijvoorbeeld botten, spieren en bloed geven wél reflectie.”

Dat wil zeggen: bloed is relatief homogeen, en weerkaatst dus niet zo goed. Alleen de bloedplaatjes ‘scatteren’ heet het in jargon, en daar kunnen minieme luchtbelletjes uitkomst bieden. De Jong: “In de cardiologie wordt al zo’n 20 of 25 jaar gebruik gemaakt van belletjes bij wijze van contrastvloeistof (dat is het natuurlijk niet, maar dat woord is zo ingeburgerd), in combinatie met echografie. Dan gaat het erom vast te stellen of er misschien een gat zit tussen de linker- en de rechterventrikel in het hart. De bedoeling is dat het bloed eerst via de longen gaat. Als dat niet zo is dan heb je een defect.”

“Hoe doen cardiologen dat nou? Ze spuiten fysiologisch zout in, dat ze eerst even geschud hebben, zodat er belletjes ontstaan zijn. Als alles in orde is, dan stroomt het bloed met die ingespoten belletjes eerst door de longen. Grotere belletjes worden daar afgevangen, en dan zie je ze niet meer op de echo van de linkerventrikel van het hart. Zie je ze wel, dan weet je dat het fout zit.”

“Dat is natuurlijk maar een heel beperkte toepassing. Wat je zou willen weten, is hoe het zit met de echte bloedvoorziening van het hart, dus van de hartspier, maar ook van andere organen, zoals de lever, de nieren.”

“Eigenlijk is het nogal lastig dat ontwikkelingen vaak in de cardiologie beginnen. Daar is namelijk relatief veel geld beschikbaar, vaak vanuit de industrie. Maar een hart beweegt zo, terwijl een lever lekker stil ligt, net als de nieren.”

“Maar goed, mede door de farmaceutische industrie is het onderzoek naar luchtbelletjes de laatste drie, vier jaar in een stroomversnelling geraakt. De stabiliteit is een probleem met dit type contrastmiddel: belletjes lossen op. Dat moet je zien te voorkomen, en dat probeert men door er een wandje omheen te maken. Dat moet stabiel zijn, maar wel biologisch afbreekbaar natuurlijk.”

Berlijns water

En dat klinkt eenvoudiger dan het is. Op tafel staat een klein flesje. “Kijk,” zegt De Jong, “dat is van de firma Schering in Berlijn. Daar zijn ze in 1980 al met dit onderzoek begonnen, en pas sinds een paar maanden is er een middel op de markt. Het was heel moeilijk iets te ontwikkelen.”

“Dit werkt met een suikerlaagje, dus in feite heb ik hier een flesje suiker met Berlijns water. Dat kost dan f 180,-. Het wordt nog niet veel gebruikt, maar het is het enige dat er op de Nederlandse markt te krijgen is momenteel.”

Maar dat kan niet echt lang meer duren. De belletjes hebben de toekomst. De Jong vertelt dat er tussen 1990 en nu zo’n vijftien à twintig firma’s over de hele wereld gekomen zijn die zich bezighouden met de ontwikkeling van contrastbelletjes.

Eéntje is het Noorse farmaceutisch bedrijf  Nycomed, dat De Jongs onderzoek is gaan financieren na afloop van diens tijdelijke aanstelling bij het ICIN (Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland), een samenwerkingsverband van cardiologieafdelingen uit het hele land, dat sinds 1993 onder de KNAW valt. De Jong, die natuurkunde gestudeerd heeft aan de Technische Hogeschool in Delft, werkt al sinds 1980 aan de verbetering van echocardiografie-apparatuur en -technieken. En altijd in samenwerking met clinici. “Het komt niet zo heel veel voor, dat artsen meedenken,” zegt hij.

Maagdelijk

In 1993 promoveerde De Jong op een proefschrift over de ‘akoestische eigenschappen van ultrageluids contrastvloeistoffen’, zoals de titel in vertaling luidt. Een van zijn stellingen: ‘Het verkopen van lucht, mits speciaal verpakt, kan lucratief worden.’ 

“Het gebied was nog heel maagdelijk toen ik begon,” vertelt hij, “er was nauwelijks literatuur over. Ik had me ook nooit voorgenomen om te promoveren, maar nu gebruiken PhD-studenten in Amerika mijn boekje als basis. Je wordt automatisch bekend.”

Vandaar ook dat De Jong een van de organisatoren was van een relatief klein, maar internationaal congres over ultrageluids-contrastmiddelen dat eind januari in Rotterdam gehouden is, en waar “een mix van technici en clinici” bij elkaar kwamen.

Het verbeteren van de reflectiviteit van contrastbelletjes is momenteel het grootste probleem. De Jong: “Die is nog niet goed genoeg. Het volgen van het bloed in de hartspier of de organen lukt nog niet. Maar als je de scattering van het bloedsignaal kunt versterken, dan zijn de mogelijkheden om diagnoses te stellen heel groot.”

“Dat kun je dan bijvoorbeeld ook in de radiologie en de neurologie gebruiken. Neem bijvoorbeeld een hersenbloeding. Voor de behandeling is het heel belangrijk te weten of een bloedvat gesprongen is, of verstopt. Dat moet je snel kunnen zien, en dat zou met belletjes en ultrageluid volgens mij binnen een paar jaar mogelijk moeten zijn.”

Ballonnen

“Belletjes zijn echt een heel leuk medium om te bestuderen,” gaat hij verder, “en de combinatie met ultrageluid is ideaal.” Dat komt onder meer doordat je de frequentie van dat ultrageluid kunt variëren. Afhankelijk daarvan verandert het signaal dat terugkomt.

De Jong: “Bij de juiste frequentie gaan de belletjes resoneren. Je kunt je die belletjes voorstellen als ballonnen. Met behulp van ultrageluid kun je ze een beetje indrukken of juist weer laten uitzetten. Uitwijkingen veranderen met de frequentie.”

“Je kunt zelfs frequenties terug laten komen die je niet uitzendt. Dat zijn de zogeheten hogere harmonische frequenties. Weefsel heeft dat niet. Als je daar een frequentie van drie Megahertz op loslaat, komt er ook altijd drie Megahertz terug, maar bij die belletjes kun je ook op zes Megahertz kijken. Dan zie je dus geen weefsel,  maar alleen nog de contrastbellen. En daarmee kun je dan uitsluitend het bloed volgen.”

“Maar hoe luchtbelletjes vibreren, hangt ook af van de omgevingsdruk. Is die druk bijvoorbeeld twee keer zo hoog, dan krijg je een ander signaal terug. Als je precies weet hoe dat werkt dan zou je tijdens de hele hartcyclus in real time  de variatie in druk in de hartspier op verschillende plekken kunnen meten. En dat wil iedereen. Maar er kan nog veel meer.”

“Die belletjes lossen op in het medium waarin je ze inspuit, afhankelijk van de concentratie andere gassen die zich daarin bevinden. Theoretisch zou je aan de hand daarvan het zuurstofgehalte van dat medium, dus bijvoorbeeld bloed, moeten kunnen meten.”

En luchtbelletjes zijn een heel onschuldig contrastmiddel. Het is alleen een kwestie van ze klein genoeg houden voor de haarvaatjes. Die zijn zeven micron (dat wil zeggen: zeven duizendste millimeter) dik, en pas bij een doorsnede van de belletjes van tien micron kan het gevaarlijk worden.”

“Daarmee heb je ruimte genoeg voor het aanbrengen van een stevig wandje om het belletje, stevig genoeg om er medicijnen in te stoppen. En daar liggen volgens De Jong grote mogelijkheden. “Met ultrageluidsdruk moet het mogelijk zijn precies te sturen op welk moment je de belletjes laat oplossen, en waar je dus de medicijnen loslaat,”  zegt hij, en er klinkt lichte opwinding in zijn stem door. “Local drug delivery  heet dat. Als je denkt aan chemotherapie dan betekent dat dat je het veel preciezer dan nu kunt toedienen, en dat je bovendien met veel minder medicatie toekunt. Dus de werking kan dan effectiever zijn, terwijl je ook veel minder nare bijverschijnselen hebt, omdat je veel minder van die stoffen binnenkrijgt.”

Maar dat is nog een beetje toekomstmuziek. Voorlopig zal De Jong zich bezighouden met een gezamenlijke studie van de verschillende cardiologiecentra, een ICIN-project dat moet leiden tot “goede plaatjes”, zoals hij het uitdrukt.

“De echo-apparatuur zal moeten worden aangepast. Nu is het nog zo dat er maar bij dertig tot veertig procent van de patiënten iets te zien is van hun hartspier. Het beeld verschilt heel erg. Soms zit er een long voor, en het echoresultaat hangt ook af van de afstand tussen de ribben, want daar moet je tussendoor. Maar over een half jaar moet het gebruik van die contrastbelletjes en ultrageluid klinisch getest zijn. En als er dan geen goede beelden uitkomen, dan moeten we stoppen, want dan houdt de financiering  op.”

De eeuwige dreiging, ook al klaagt hij niet over de samenwerking met de farmaceutische industrie.

De Jong geeft tot slot een kleine rondleiding over de afdeling. Overal apparaten en computers, maar achter één van de deuren is leven: twee onderzoekers en een big zijn er hard aan het werk. De reacties van de big, die in een soort grote trappelzak loopt, worden via een veelheid aan draden en draadjes nauwlettend geregistreerd.

“Er wordt hier veel met biggen gewerkt”, vertelt De Jong, “en als ik ze hoor en ruik voel ik me helemaal thuis.” Voor hij bij het Thorax Centrum kwam, werkte De Jong een jaar op de boerderij van zijn ouders. Hij besloot er uiteindelijk toch vanaf te zien veehouder te worden. “Als je eenmaal aan onderzoek geroken hebt, is het moeilijk dat weer te vergeten,” glimlacht hij.

 

 

“De Nederlandse wetenschap is een van de beste ter wereld”

Hij heeft hem pas half opgemaakt, zijn Descartes-Huygensprijs, maar gelukkig smaakte dr. Michel Devorets verblijf in Delft beslist naar meer. Devoret (43) lijkt niet het van nature uitbundige type, maar zijn werkkamertje in het even buiten Parijs in Saclay gelegen Centre d’Etudes Atomiques, waarvan hij directeur is, loopt bijna over van zijn enthousiasme. De samenwerking met de mensen van de Technische Universiteit in Delft verloopt geweldig, Nederland is in veel opzichten een ideaal land, en van die prijs is hij zich weer helemaal jong gaan voelen.

Vruchtbare Frans-Nederlandse samenwerking op wetenschappelijk gebied belonen, dat is de bedoeling van de in 1995 ingestelde Descartes-Huygensprijs. Devoret is de eerste Fransman die hem gewonnen heeft. De ministers van wetenschappen van de twee landen hebben ingesteld dat voortaan elk jaar zowel een Nederlander als een Fransman f 50.000,- mag besteden aan een gastonderzoekerschap van zes maanden in het andere land. De KNAW  kiest de Franse winnaar, de Académie des Sciences draagt de Nederlandse voor.

De prijs gaat afwisselend naar onderzoekers op het terrein van de natuurwetenschappen, de levenswetenschappen en de alfa- en gammawetenschappen. Devoret is een natuurkundige die zich vooral bezighoudt met de negatief geladen ondeelbare deeltjes die in elk atoom in de schil rond de kern te vinden zijn: elektronen, liefst enkele en misschien binnenkort ook paren.

Droom

“Ik wil één ding meteen duidelijk maken, niet om te vlijen ofzo,” opent Devoret, “maar de Nederlandse wetenschap is een van de beste ter wereld. Op mijn terrein zijn de mensen zeker zo goed als de Amerikanen, als ze al niet beter zijn. Het contact met Nederland is voor ons ook heel gemakkelijk. Zelfs de afstand valt mee: Delft is vanuit hier dichterbij dan Grenoble.” Al sinds eind jaren tachtig werken onderzoekers uit Saclay samen met de groep van prof.dr.ir. J.E. Mooij in Delft.

Devoret: “Die houden zich ook bezig met enkele elektronen. Onze werkzaamheden vullen elkaar aan. In Delft zijn ze bijvoorbeeld heel goed in het bouwen van apparatuur waarmee je hele kleine elektrische signalen kunt meten.” Samen verwezenlijkten ze zelfs wat Devoret “de droom van iedere natuurkundige” noemt: stroom door slechts één molecuul laten gaan.

“Je hebt twee typen natuurkunde en natuurkundigen”, legt hij uit. “De moleculaire en de vaste-stoffysici. Van die moleculen zijn er miljarden, dat is een soort soep. En we weten wel hoe ieder individu in die soep eruit ziet, maar we zijn niet in staat ze te reguleren, de bouwstenen te ‘beheersen’. In de vaste-stoffysica wordt er gewerkt met elektronica. Daar maken we transistors, weerstanden, dat soort dingen. Elektronische instrumenten of ontwerpen waarbinnen we de eigenschappen van de afzonderlijke componenten goed kennen en kunnen beheersen, maar die componenten zijn heel groot.”

“De connectie tussen die ‘kleine’ en die ‘grote’ natuurkunde is nu pas gelegd. We hebben nu namelijk elektronica waarbinnen elke component maar één molecuul is, die op één bepaalde plaats zit, en die op een bepaalde manier gebruikt wordt. We gaan nu elektronische circuits maken met componenten die uit moleculen bestaan. Die limiet halen is een grote uitdaging, want daarmee zit je echt aan de grens van de mogelijkheden om nog verder te verkleinen.”

Overlappende wolken

Wat je daarmee zou kunnen doen, is nog niet duidelijk, maar dat zal wel blijken, denkt Devoret. De ‘elektronen-draaideur’ of de ‘elektronen-sluis’ die door Delft en Saclay ontwikkeld is, heeft in elk geval al een nieuwe standaard voor stroom opgeleverd.

“We kunnen stroom nu meten met een accuratesse die eerder onmogelijk was”, zegt Devoret met groot enthousiasme. Maar hoe werkt dat dan? “Kijk”, legt hij uit, “als je stroom door een draad laat gaan, dan komen er heel veel elektronen langs. Die elektronen laten zich moeilijk vangen, want ze komen niet per stuk langs, maar in een soort elkaar ook nog overlappende wolken. Ze tellen is dus heel lastig, maar door die sluis weten we nu voor het eerst exact hoeveel stroom er langs komt, zonder ook maar een elektron te missen.”

Kan hij iets vertellen over de werking van die sluis? “Het werkt op een combinatie van twee dingen,” begint Devoret. “Eentje is makkelijk: afstoting. Elektronen vermijden elkaar zo veel mogelijk. En naarmate ze dichter op elkaar zitten stoten ze elkaar harder af. Dat kun je gebruiken om te proberen ze een voor een door een uiterst kleine elektrode te laten gaan. Met heel geavanceerde microtechniek kan dat.”

“In feite is het dezelfde techniek die je voor alle geïntegreerde schakelingen gebruikt, maar we zitten wel helemaal op het randje van de mogelijkheden.”

“Het andere ingrediënt is veel mysterieuzer en lastiger uit leggen: we moeten iets doen aan die neiging van elektronen om in wolken op te treden, en zich overal heen te verspreiden. Een elektron is een deeltje dat niet graag op dezelfde plek blijft, het is een soort geest.”

“Die geestachtige eigenschappen bevechten we met wat een ‘tunnel-junctie’ genoemd wordt. We laten de elektronen door een laag gaan, een barrière waarbij ze écht moeten kiezen of ze aan de ene of de andere kant willen wezen. Met dat tunneleffect vermijden we dat verspreiden van die wolk. Het idee is dat tunnelbarrières de elektronen dwingen een positie te kiezen, en ín die barrières bevindt zich een soort sluis. De juncties zijn de deuren, en de ruimte is zo klein dat er geen twee elektronen tegelijk in passen.”

“We dwingen een elektron dus naar één plek, en een tweede elektron past er niet in, omdat die de eerste zo sterk zou ‘terugduwen’. Wat we moeten doen is de deuren op een slimme manier openen en sluiten. Op die manier zit er altijd óf geen óf één elektron in de sluis, en zo kun je ze een voor een tellen als er stroom passeert.”

Twee voor twee is de volgende stap. “Dat is nu de grote wedstrijd,” lacht Devoret. “Met paren elektronen werken. Als ze gepaard zijn kunnen ze als supergeleider optreden. We proberen dezelfde effecten te krijgen door elektronen twee aan twee te manipuleren. Het experiment hebben we de ‘Quantum-Ark van Noach” genoemd. Noach liet de beesten ook in paren binnengaan.”

Onder meer daaraan zal hij werken terwijl hij het tweede deel van zijn prijs opmaakt, want hij is pas een paar maanden in Delft geweest. “We konden vorig jaar geen half jaar blijven, omdat mijn vrouw lesgeeft,” legt hij uit, “maar van de zomer komen we terug.”

Devoret en zijn hele gezin –  hij heeft twee kinderen van zeven en negen –  hebben kennelijk genoten van hun verblijf in Delft. Ze wilden Nederland echt leren kennen, dus gingen de kinderen naar de plaatselijke Montessorischool (Devoret: “Ze huilden bij het afscheid, en ze schrijven hun vriendjes nog steeds”), werden de Deltawerken bezocht, en een heleboel musea – waaronder het huis van Christiaan Huygens – en zag het hele gezin de film De Jurk.

“Ik wil heel graag nog eens benadrukken hoeveel plezier ik in die prijs heb, persoonlijk en wetenschappelijk,” zegt Devoret. “Zonder dat zou ik waarschijnlijk ooit wel een sabattical in Delft hebben doorgebracht, omdat ons onderzoek zo complem,entair is, maar nu kon het eerder en onder heel goede omstandigheden.”

“In totale vrijheid kunnen werken, weg van alle bestuurstaken en dergelijke waaraan ik hier niet kan ontsnappen, het was of ik weer jong was. Maar dan wel met al mijn kennis en ervaring van nu. Het is heel goed dat die prijs bestaat, want juist een tijd naar het buitenland gaan, is altijd lastig te regelen.”

Openluchtmuseum

“En Nederland is een land waar ik graag heenga. Het is tegenwoordig een beetje mode in Frankrijk om te zeggen dat alles in Nederland veel beter geregeld is, maar nu ik weer terug ben is mijn indruk nog meer dan eerst dat dit een land in chaos is. Niets is georganiseerd, Frankrijk is uit zijn evenwicht. de eeuwenoude cultuur is niet aangepast aan de moderne tijd. Op een bepaalde manier was Nederland veel beter voorbereid. Het is al heel lang geïndustrialiseerd.”

“We waren bijvoorbeeld in het openluchtmuseum in Arnhem, en daar zie je dan hoe zuivelproducten al in de jaren dertig industrieel geproduceerd werden. En al die lichten die je ’s nachts in de kassen ziet, dat zijn allemaal familiebedrijven, dus kleinschalige productie op industriële wijze. In Frankrijk heb je zoiets niet, daar zijn het alleen maar óf hele grote bedrijven, of amateurs.”

“Gewoon evolueren lijkt hier niet te kunnen, alles moet via crises. Zelfs in de politiek zie je dat. Veel mensen zijn enorm bezorgd over het systeem, omdat het leidt tot triomfen voor extreem rechts.”

In Nederland is Devoret vooral het gevoel voor samenwerking opgevallen. “Het is een echte consensusmaatschappij,” zegt hij, “individuen zijn er wel belangrijk, maar in Frankrijk is dat veel meer het geval. Ook de aanpak van wetenschappelijk onderzoek is heel anders. In Nederland worden bepaalde gebieden geselecteerd en die krijgen dan fondsen.”

“Dat is een sterk punt. Minder mensen hebben ook een vaste positie. Hier zie je veel meer gebrek aan motivatie, omdat iedereen voor het leven ergens zit.”

Illegaal

En er is nog een groot punt van ergernis: de Franse taalpolitiek. Devoret, die prima Engels spreekt, haalt een folder over een pas gehouden congres uit de kast en zegt: “Dit is volkomen illegaal. Alles in het Engels, en ook de Fransen hebben alleen lezingen in het Engels gehouden.”

“Dat mag niet, maar het is volkomen onmogelijk je aan de wet te houden als je een internationale conferentie wilt organiseren. Goede Franse wetenschap heeft een hoge prioriteit, alleen dan kunnen we ideeën exporteren, maar daar heb je wel een medium voor nodig, en het Engels is nu eenmaal de taal van de wetenschap. Voor ons is het dé manier om te communiceren met Nederlanders, Duitsers, Japanners. Iedereen hier in Saclay moet zijn proefschrift in het Engels schrijven, maar ik ontmoet daar nog steeds veel weerstand tegen bij collega’s in besturen enzo. Enfin, dit zal op den duur hoe dan ook veranderen.”

Tijd voor de lunch, in een verderop gelegen restaurant. Het hele laboratorium gaat mee. De voertaal aan de lange tafel: Engels.

“Ik ben waarschijnlijk trizofreen ofzo”

Het moet een van de origineelste visitekaartjes ter wereld zijn. Karel Martens (1939) heeft voor zijn relaties altijd een paar telefoonkaarten op zak. De gewone, standaard PTT-serie, waarde één gulden, en ja, je kunt hem gebruiken.

Achterop staan zijn naam en adres enzo, maar het is ook in een ander opzicht een visitekaartje: Martens heeft de kaart ontworpen.

Het is de kleinste van een hele serie, en er staan de grootste cijfers op. En al die bellers in Nederland die nu al jarenlang ‘zijn’ kaarten gedachteloos in de sleuf stoppen, weten vast niet dat ze een versleutelde vorm van een deel van het Wilhelmus in de hand hebben.

Dat hoeven ze ook niet te weten, een ontwerp moet niet op een oneigenlijk manier aandacht vragen, vindt Martens, die dit jaar de dr. A.H. Heinekenprijs voor de Kunst (groot: 100.000 gulden) voor al zijn werk krijgt.

Bij de boeken die hij maakt is hij altijd terughoudend met wat de typografie tot uitdrukking brengt. “Uiteindelijk is typografie een dienende aangelegenheid. Een tekst behoort per slot gelezen te kunnen worden. Als de aandacht al te zeer wordt afgeleid, is er iets aan de hand”, zegt hij, en hij trekt een vergelijking: “Het is net als met je gezondheid. Als alles in orde is, vraagt het geen aandacht. Pas als je ergens een pijntje krijgt, merk je dat een goede gezondheid niet zo vanzelfsprekend is. Zo kan leesbaarheid ook hinderlijk in de weg worden gestaan door een al te grote aanwezigheid van typograaf.”

Vanzelfsprekend

Martens heeft in de loop van zijn carrière voor heel veel boeken omslagen en typografie ontworpen. Proberen vorm en inhoud met elkaar in overeenstemming te brengen, is daarbij voor hem telkens de opdracht.

Maar hoe doe je dat? En hoe weet je dat het gelukt is? Martens zucht even, en denkt na over een formulering, want over zijn vak praten is niet eenvoudig. “Je weet het nooit zeker,” zegt hij, “en al helemaal niet als een ontwerp net af is. Pas na verloop van tijd kun je zien of iets waardevol is, of het wil beklijven.”

“Het is allemaal een kwestie van balans. Er zijn regels. Zeker. Zoals er regels zijn voor het maken van een goede foto, of voor een film. Maar die leveren niet per definitie een goed resultaat op.”

‘De monniken zijn met boekontwerpen begonnen, en het is nog steeds monnikenwerk om een goed boek te maken. Om iets vanzelfsprekend te laten zijn, moet je er vaak veel aan sleutelen. Er is bijvoorbeeld de verleiding er iets spectaculairs van te maken, maar daar mag je niet te veel aan toegeven, want dan wordt al snel de aandacht afgeleid.”

Maar hoe gaat hij zelf te werk? Neem die telefoonkaart, die nogal wat belangstelling in de pers trok toen het ontwerp in 1995 een eervolle vermelding kreeg bij de uitreiking van de Designprijs Rotterdam. Hoe begin je aan zoiets?

Martens: “Die kaart was een opdracht, en daar zaten een paar voorwaarden aan vast. Het moest de standaardkaart worden, dus hij moest neutraal zijn en een paar jaar meekunnen. Er mocht geen afbeelding op staan. Bovendien moest het een serie worden, die in principe uitbreidbaar is.”

“Dat betekent dat je moet kunnen zien dat de kaarten familie van elkaar zijn. Cijfers, nummers en getallen fascineren me. Voor mij hebben ze iets magisch. Wat mij intrigeert in telefoneren, is dat je met het intoetsen van een aantal cijfers met de hele wereld in contact kunt komen. Dus moesten het cijfers worden. Dan krijg je het ordeningsprobleem. En er kwam nog bij dat de kaarten in maximaal vier drukgangen gemaakt moesten kunnen worden.”

In code

Martens ging uit van primaire kleuren, maar doordat de cijfers over elkaar heen worden gedrukt, zijn er in de serie toch allerlei schakeringen te zien.

Aan de ene kant van de telefoonkaart staat telkens de waarde en wat informatie over het gebruik, aan de andere kant staan de over elkaar gedrukte rijtjes cijfers, steeds kleiner en steeds meer naarmate de waarde van de kaart oploopt.

 “Ik moest combinaties voor die cijfers bedenken,” legt Martens uit, “en in eerste instantie wilde ik het ‘random’ doen. Maar toen bedacht ik dat het om een nationale kaart ging, en er in dat verband iets meer met de ordening te doen zou kunnen zijn. Ik heb iemand gevraagd, met behulp van de computer, de letters van het alfabet om te zetten in cijfercombinaties.”

“De tekst van het Wilhelmus is nu voor de ordening het uitgangspunt geweest. In code bevat iedere kaart een deel ervan. Dat heeft soms onverwachte gevolgen. Er ontstaan nu combinaties naast elkaar die organischer overkomen dan wanneer je dat per keer, verstandelijk zou bepalen.”

Maar Martens is minstens even sterk gefascineerd door letters als door cijfers. Bijna lyrisch spreekt hij over het mirakel van de eindeloze mogelijkheden van die 26 letters: “Ieder woord krijgt daardoor zijn eigen specifieke karakter of gezicht. Ieder moment worden er in de wereld weer unieke combinaties toegepast. Dat is toch een wonder!”

Benul

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst is het boek in zijn verschijningsvorm weinig veranderd. Het berust nog steeds op dezelfde conventies.

Toch is Martens’ vak zeker niet hetzelfde gebleven. En het lijkt wel of er juist tijdens zijn leven op alle fronten pijlsnelle ontwikkelingen te zien zijn. Tijdens zijn opleiding aan de Akademie voor beeldende Kunsten in Arnhem, eind jaren vijftig, bestond de specialisatie ‘Typografie en boekverzorging’ daar nog niet. “Wat ik deed heette ‘Reclame-illustratief,’, vertelt hij. “Inmiddels is het benul van het belang van boekverzorging groter geworden.”

Tussen 1961 en 1975 ontwierp Martens veel voor uitgever Van Loghem Slaterus. “Die uitgeverij werd geleid door het echtpaar Van Tricht,”, zegt hij, en er klinkt enige heimwee in zijn stem door, “die een grote betrokkenheid hadden bij de boeken die ze uitgaven. Vanaf het begin werd ik bij het proces betrokken. Je had te doen met alle aspecten van het maken van boeken. Van het contact met de auteur tot de uiteindelijke uitvoering.”

 Dat het was precies de gang van zaken die Martens voor ogen staat. “In een opdrachtsituatie zijn drie factoren van belang”, verklaart hij. “De opdrachtgever, de ontwerper en de inhoud van de opdracht.”

“Om tot een goed produkt te komen, zal de verhouding tussen opdrachtgever en ontwerper goed moeten zijn. Ze moeten elkaar verstaan en vertrouwen, en beiden zullen affiniteit met de opdracht moeten hebben. Die drie componenten samen vinden was altijd al zeldzaam, maar het wordt steeds  lastiger, omdat opdrachtgevers steeds vaker managers geworden zijn.”

 Pamflettencultuur

In 1975 stapte Martens over naar de Socialistische Uitgeverij Nijmegen. Niet dat hij in dienst kwam, hij is al 35 jaar als zelfstandige werkzaam. “Dat was niet altijd een vetpot”, zegt hij nog behoorlijk opgewekt, “maar een plezierig klimaat om in te werken, vind ik ook een vorm van honorering. Bij de SUN was de samenwerking ideaal. Daar werden aldoor plannen gemaakt, en eindeloze discussies gevoerd over waar de boeken over gingen, over het publiek waarvoor ze bedoeld waren.”

Martens verzorgde talloze boeken en hun omslagen voor de SUN. Veel mensen zullen zijn ogenschijnlijk simpele, strakke ontwerpen, vaak  in wit, rood en zwart zijn tegengekomen. Werk van Adorno en Brecht, boeken over het Marxisme, de arbeidersbeweging, kunstgeschiedenis, Aletta Jacobs, het nagelaten werk van Pé Hawinkels, en nog veel meer.

“Het aardige was ook dat de mensen bij de SUN uit een pamflettencultuur kwamen”, zegt Martens, “terwijl ik nog echt van het tijdperk van het lood ben. Die dure technieken konden ze bij de SUN natuurlijk helemaal niet betalen.”

Misschien dat de nieuwe technieken nog wel de grootste veranderingen hebben opgeleverd voor Martens. Ja, hij is inmiddels aan de computer, maar hij praat ook met kennelijk genoegen over het ouderwetse zetwerk.: “Lood werd gezien als het summum. Als je een oud boek onder de loep neemt dan kun je nog het zogeheten kraalrandje om de letter zien. Door de onregelmatige indruk in het papier is iedere letter uniek en ontstaat er als het ware een reliëf. Zo’n pagina werd bijna een sculptuur.”

“Bij de SUN begon het allemaal met de typemachines. Daarna kreeg je de eerste IBM-Composer (de ‘golfball’ typesetter). Wat daaruit kwam leek weer een beetje op een echte letter. Dat werd dan allemaal op papier getypt, en vervolgens fotografisch op de offsetplaat gebracht.”

“Die letter had wat knulligs, maar dat had ook een bepaalde charme. Inmiddels zijn er zo veel meer mogelijkheden. Je kunt nu met een computer, als je zou willen, zelfs die kraalrandjes weer aanbrengen.”

Stereotypen

Over de digitale grafische mogelijkheden van tegenwoordig is Martens gemengd enthousiast. “Allerlei resultaten zijn veel makkelijker te bereiken,” legt hij uit, “niet dat daar iets tegen is, maar je  ziet wel dat stereotypen eerder terugkomen.”

“De toegankelijkheid is natuurlijk enorm vergroot. Dat is een voordeel. Veel grotere groepen mensen, iedereen die iets maakt, elke secretaresse, kan door de computer met heel behoorlijke vormgeving komen.” 

Zijn studenten kunnen inmiddels niet meer zonder. Sinds 1977 geeft Martens ook les. Tot 1994 deed hij dat in Arnhem, aan de Akademie waar hij zelf zijn opleiding kreeg, en sinds 1995 is hij begeleider aan de ontwerpafdeling van de Jan van Eyck Akademie in Maastricht.

Les geven wil hij het eigenlijk niet noemen. “Ik breng de studenten een beetje techniek bij, maar het is vooral ze stimuleren in wat ze zelf aan oorspronkelijks in zich hebben,” zegt hij. “Ik vind dat heel bevredigend. Je bent deelgenoot van iemands ontwikkeling. Dat is spannend, en bovendien heel goed voor mijn persoonlijke ontwikkeling.”

Kinderen

Een oordeel vellen over zijn eigen werk, of ‘favorieten’ kiezen, vindt Martens maar lastig. “Je kunt wel achteraf zeggen dat bepaalde dingen belangrijker waren dan andere,” zegt hij aarzelend, “maar je wordt zelf nooit een buitenstaander.”

“Het gebeurt me wel dat ik iets na verloop van tijd terugzie en dat ik dan denk ‘dat was toch niet zo kwaad’. Het vervelende is als ik één ding noem, dan is het net of ik een van mijn kinderen verkies boven de anderen. Maar bij het werk dat ik voor de SUN heb gedaan heb ik wel het gevoel dat er iets noodzakelijks aan de hand was. Het heeft te maken met betrokkenheid van alle partijen. Het was toch allemaal een avontuur in die tijd.”

Met de SUN onderhield Martens altijd contact, al werkte hij tussen 1981 en 1991 niet voor ze. De laatste jaren dus weer wel.

Waar hij nooit mee ophield is zijn vrije werk. ‘Papier’ en ‘drukken’ zijn daarin steeds terugkerende thema’s. “En kleur,” zegt Martens. “Dat fenomeen boeit me zeer. Wat je met drie basiskleuren allemaal kunt doen.”

Zijn voorkeuren zijn ook terug te zien in de lange lijst tentoonstellingen waaraan hij deelnam, of die geheel aan zijn (vaak ook toegepast) werk gewijd waren. Zo waren zijn papierreliëfs in de Pulchri Studio in Den Haag te bezichtigen, en deed hij mee aan de tentoonstellingen ‘Holland in vorm’ in het Amsterdamse Stedelijk Museum, en ‘A is geen A’ in het Van Reekummuseum in Apeldoorn.

“Ik ben waarschijnlijk trizofreen ofzo,” zegt hij lachend. “Vrij werk, toegepast werk en studenten begeleiden, ik wil het geen van drieën missen. Het voedt elkaar ook, en je kunt troost zoeken bij het een als het bij het ander niet lukt. Bovendien ben je geloofwaardiger voor studenten als je niet alleen lesgeeft, maar zelf ook werk maakt.”

‘Veelvormigheid’

Behalve voor papier, letters, cijfers en kleuren heeft Martens een grote belangstelling voor architectuur, die zich onder meer uit in het feit dat hij al vijf jaar verantwoordelijk is voor de verschijningsvorm van Oase.

Gevolg: wie een abonnement neemt op dat tijdschrift voor architectuur  (Martens: “Het wordt door jonge architecten gemaakt.”), heeft binnen de kortste keren een rijtje totaal verschillende boekjes op de plank staan. Een tijdschrift waaraan je niet meteen kunt zien dat het een tijdschrift is. De ‘veelvormigheid’ van de verschillende afleveringen is indrukwekkend.

Dat vond het Amsterdamse Fonds voor de Kunst blijkbaar ook. In 1993 kende het Martens de prestigieuze H.N. Werkmanprijs voor vormgeving toe, wat weer een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam opleverde. Het werk voor Oase doet hij met plezier, en dat hangt weer af van de betrokkenen, en de drie componenten die voor een goed eindprodukt kunnen zorgen.

Martens is buitengewoon gelukkig met zijn uitverkiezing en de daaruit blijkende waardering voor zijn werk, maar hij was er ook volkomen door verrast. “Ik werd opgebeld door de president van de KNAW, en ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit van de Akademie van Wetenschappen gehoord had,” zegt hij een tikje gegeneerd. “Ik dacht in eerste instantie ook dat het een grap van studenten was. Toen ik begreep dat het allemaal waar was, was ik heel blij. En wat ik erg leuk vind is dat er ook een boek bij de prijs hoort. Jaap van Triest, een oud-leerling van mij, gaat dat maken. Het wordt een tweetalig boek over mijn werk.”

“Of dat veranderd is in de loop der jaren? Ik denk dat ik wat vrijer geworden ben. Mijn aanvankelijke geloof in objectieve informatieoverdracht ben ik kwijtgeraakt. Maar ook de maatschappij is veranderd.”

“Prijzen van produkten en diensten moeten de waarheid vertellen”

Helemaal naar Amerika vliegen, en weer terug, alleen maar voor een interview met iemand die de A.H. Heinekenprijs voor nota bene het Milieu krijgt, kan natuurlijk niet. Het gesprek met prof. Herman Daly vindt dus plaats aan de telefoon. Hij klinkt vanuit de universiteit van Maryland als een bedachtzaam man, zeker niet het type fanatieke of zweverige milieu-activist.

Toch moet het een lastige positie zijn. Daly (1938) was zijn tijd nogal vooruit. Een econoom die zich druk maakte over het milieu zag je begin jaren zeventig niet vaak. Daly publiceerde toen al over zaken als milieukosten en ‘duurzaamheid’.

Nu staan de kranten er vol van, en weet zo’n beetje iedereen wel dat ‘het milieu’ heel belangrijk is. Brave burgers bezoeken bereidwillig de glasbak, de papierbak, het batterijenbakje enzovoort.

Alleen, dat helpt niet. Althans, niet genoeg. En al vér voordat de problemen opgelost zijn, is er in de wereld een behoorlijke milieumoeheid opgetreden. Wie wil er nog over de ozonlaag horen? Wie volgt de discussies over het al dan niet bestaan van het broeikaseffect nog op de voet?

Daly zucht even, als hij het punt voorgelegd krijgt. “Ik bespeur het ook, ja,” zegt hij, “vermoeidheid over dat gezeur over het milieu. Laatst had ik ook een student die me kwam vertellen dat hij mijn colleges niet meer wilde volgen, want hij werd er helemaal depressief van. ‘Ik ben pas negentien, en ik wil niet de ellende van de hele wereld op mijn schouders’, zei hij, en ik begreep dat eigenlijk wel.”

“Het moeilijkste is inderdaad dat je op individueel niveau best een paar dingen kunt doen (een beetje meer recycelen, de verwarming een graadje lager enzovoort), en de meeste mensen willen zich die moeite wel getroosten, maar om de zaken echt aan te pakken, zijn er radicale veranderingen nodig. En daarbij stuit je op lastige ethische kwesties, die men tot dusver uit de weg is gegaan.”

Hard weghollen

 ‘Groei’ is het centrale punt in Daly’s redeneringen. “Voor politici is de verleiding zo groot om de oplossing voor alle problemen te zoeken in economische groei,” stelt hij. “We zijn er allemaal op gericht. Onze waarden, waar we hard voor werken. Het probleem is dat er zo veel sociale onrechtvaardigheid in de wereld bestaat.”

“Groei lijkt de oplossing. De gedachte is al heel lang dat iedereen op een golf mee de hoogte in gaat: of je arm bent of rijk, als de economie groeit dan is iedereen beter af.”

“Zolang je dat gelooft, hoef je niet na te denken over delen en herverdelen van rijkdom, of over bevolkingspolitiek. Dat zijn vraagstukken waar politici liefst hard voor weghollen, omdat ze zo gevoelig liggen.”

Maar in feite bestaat economische groei al niet meer in de ogen van Daly. Dat het anders lijkt, komt alleen maar doordat milieukosten niet meegerekend worden.

Daly: “Als we die wel meetelden, dan zouden we zien dat de kosten van vervuiling en uitputting van bronnen groter zijn dan de opbrengsten van de produktieverhoging van nog meer hebbedingen. Zelfs in de Verenigde Staten hebben we het punt al bereikt waar de groei van ons Bruto Nationaal Produkt ons niet rijker maakt. Mijn hypothese is dat de huidige groei  in het Nationaal Produkt de milieukosten sneller vergroot dan dat het de produktieopbrengsten verhoogt. Met andere woorden: de groei is oneconomisch geworden.”

Rente

Daly wijst er graag op dat zijn uitgangspunten neerkomen op gewone, klassieke economische principes. Die houden onder meer in dat je alle kosten moet meerekenen.

Ook ‘duurzaamheid’ is niets nieuws. “In de definitie van inkomen zit dat allang ingebakken,” zegt hij. “Inkomen is het maximum dat een individu of een gemeenschap in een bepaalde periode kan consumeren om dan aan het eind van die periode nog even goed af te zijn als aan het begin.”

“Met andere woorden: je moet in de volgende periode evenveel kunnen produceren als in de voorafgaande. Je mag geen produktiecapaciteit consumeren, die moet intact blijven. Je moet leven van de rente, niet van je kapitaal.”

“Mijn mening is dat we momenteel niet alleen van de rente leven. We zijn onze capaciteit voor onze toekomstige produktie aan het verminderen. En dat komt doordat natuurlijk kapitaal niet in onze definitie van toekomstige produktie zit.”

“We tellen alleen het door de mens gemaakte kapitaal, en we vergeten de produktiecapaciteit op peil te houden. Dus hakken we bossen om, pompen we oliebronnen leeg, doen we aan overbevissing, enzovoort, en tellen we dat allemaal alsof het inkomen is. Alsof het duurzaam is, wat duidelijk niet het geval is. Dat is alles bij elkaar een heel conservatief economisch standpunt.”  

Eindeloos exploiteren

Maar kan duurzaamheid eigenlijk wel bestaan? Raken onze natuurlijke hulpbronnen niet sowieso een keer uitgeput? “Je hebt twee typen hulpbronnen,” legt Daly uit, “aanvulbare en niet-aanvulbare. Bomen, vissen en dergelijke kunnen we eindeloos blijven exploiteren als we de hoeveelheden die we ervan nemen, inperken. Je moet het duurzame rendement eruit halen.”

“Dat bestaat niet voor dingen als aardolie en mineralen. Die zijn niet aan te vullen. Wat moet je dan? Eén oplossing is ‘quasi-duurzaamheid’. Dan neem je een deel van de nettowinst uit niet-duurzame bronnen, en die investeer je in het dichtstbijzijnde wél aanvulbare vervanger. Dus je bouwt een voorraad vervangbare dingen op, terwijl je de onvervangbare opmaakt.”

“Neem bijvoorbeeld aardolie. Wat is nou precies een goede vervanger waarin je zou moeten investeren? Dat is een probleem. Je hebt het standpunt van de zogeheten ‘zwakke duurzaamheid’ dat zegt: alles kan als vervanger optreden, zolang het maar een waarde heeft. Stop je geld gewoon ergens in, het maakt niet uit.”

“Maar ik denk zelf dat je daarnaast ‘sterke duurzaamheid’ nodig hebt. Ga je uit van het sterkste soort duurzaamheid, dan zou je in het geval van aardolie moeten investeren in een andere vloeibare brandstof. Bijvoorbeeld in alcohol van suikerriet. Maar ook het verbeteren van de efficiency waarmee we die aardolie gebruiken is een vorm van sterke duurzaamheid. Als we investeren in technische verbeteringen is dat óók een vervanging. Over dit punt wordt hevig gediscussieerd.”

De waarheid

Alleen met behulp van sterke duurzaamheid kun je bereiken wat Daly in een klassiek geworden boektitel een ‘steady state’-economie genoemd heeft. Een soort gesloten, stabiel systeem.

‘Ecologische economie’ (een economie waarin ecologische aspecten verdisconteerd worden) is de andere kreet die voorgoed aan zijn naam verbonden zal blijven. Nog onopgelost is voorlopig hoe je ecologische of milieukosten moet berekenen.

Daly vindt dat zulke kosten in de prijs van produkten en diensten verwerkt moeten worden. “Prijzen moeten de waarheid vertellen, ze horen de offers die gevraagd worden te reflecteren”, zegt hij.

Maar hoe tel je? Hij heeft er een pragmatisch antwoord op. “Het is natuurlijk lastig. Om goed te kunnen meten moet je heel veel filosofische en technische problemen oplossen. Maar zoals het nu gaat, zeggen we dat de milieukosten nul zijn. Op welke gronden zeggen we dat de waarde van dingen als natuurlijke hulpbronnen nul is? Nul is een getal als ieder ander, en het komt me voor dat we een betere schatting kunnen maken. Al zijn de middelen niet perfect, een betere benadering van de werkelijkheid is zonder meer mogelijk.”

Maar wie moet er beginnen? Als één land ineens milieukosten gaat doorberekenen, dan is dat heel slecht voor de export. Daly: “Het is inderdaad makkelijker om te praten over een steady state-economie voor de hele wereld, omdat je dan niet met in- en export zit.”

“Die nadruk op vrije wereldhandel is een echte vijand van de gezondheid van het milieu. Er is veel te veel handel, dat moet teruggebracht.”

“Dat kan best. De aardbeien uit Californië die we hier aan de oostkust het hele jaar kunnen krijgen, smaken toch naar bordkarton. Maar een aanpak waarin je de hele wereld betrekt, is politiek niet haalbaar. Waarschijnlijk zullen uiteindelijk verschillende landen richting een duurzame economie moeten gaan.”

En daar moet het noordelijk halfrond mee beginnen? “Ja”, zegt Daly, “het gaat natuurlijk op voor alle landen, maar het Noorden is rijker, heeft minder armoede te overwinnen, dus groei is er minder urgent. Je moet een onderscheid maken tussen groei en ontwikkeling. Groei is een kwantitatieve toename, ontwikkeling is een kwalitatieve verbetering. Vooruitgang moet in het Noorden een kwalitatieve verbetering gaan betekenen, en dat moeten ze willen delen met het Zuiden. Want alleen zo kan het Zuiden geholpen worden om minder hulpbronnen te gebruiken, of ze effectiever in te zetten.”

Preken

De verhouding tussen Noord en Zuid zou volgens Daly moeten uitlopen in een soort pact. Het moet van twee kanten komen, was ook zijn boodschap aan de Wereldbank, waaraan hij van 1988 tot 1994 verbonden was. “Daar vonden ze dat duurzame ontwikkeling alleen relevant was voor het Zuiden”, vertelt hij. “Dus de landen waar ze iets over te zeggen hadden. Zoals u weet leent de Wereldbank geld van het Noorden aan het Zuiden. En je kunt wel preken tegen je schuldenaren, maar niet tegen je geldverschaffers.”  

Daly heeft een aantal jaren in Brazilië gewerkt, en is daar zeer doordrongen geraakt van het probleem van de bevolkingstoename.

Daar zit zo’n moreel vraagstuk dat iedereen het liefst uit de weg gaat. Maar mogen wij ons met het kindertal van de Brazilianen bemoeien? “Ik zou willen dat de Wereldbank dat deed”, zegt Daly, “maar ik zie er weinig van. Het zit nu zo. Als het Noorden tegen het Zuiden zegt: ‘Spaar de hulpbronnen, hou op met zoveel kinderen te krijgen’, dan zegt het Zuiden terug: ‘waarom zouden wij onze bevolkingsgroei indammen om hulpbronnen te sparen? Als we dat doen slokken jullie die vervolgens met je overconsumptie meteen op.’  En dan kan het Noorden roepen: ‘Hoor eens, als wij ons best doen minder te consumeren, dan worden die bronnen opgeslokt door jullie overbevolking.’ “

Onverantwoordelijke voortplanting

“Beide kanten hebben dan gelijk, dus moet je tot een overeenkomst komen. Het Noorden moet serieus werken aan beperking van de consumptie, en het Zuiden aan beperking van de bevolkingsgroei. Overigens is het niet helemaal een Noord-Zuidkwestie.”

“In elk van geval in de Verenigde Staten hebben we ook een onderklasse die waarin veel onverantwoordelijke voortplanting plaatsvindt, en in het Zuiden is er een elite waarbinnen zich heel wat onverantwoordelijke consumptie afspeelt.”

Maar hebben de Chinezen dan gelijk met hun bevolkingspolitiek van maar een kind per gezin? “Met 1,3 miljard inwoners konden ze het probleem niet langer vermijden”, antwoordt Daly. “In feite hebben ze te lang gewacht. Het Marxistische standpunt is heel lang gebleven dat elke nieuwe mond die erbij kwam een paar handen meebracht. Hoe meer mensen er kwamen, des te beter het was. Tot het echt niet meer ging. Misschien dat er een minder drastische oplossing mogelijk geweest was, als ze het eerder hadden aangepakt.”

“Want wat er nu gebeurt, heeft een enorme sociale verandering tot gevolg. Het betekent dat je niet alleen geen broers en zusjes hebt, maar ook geen ooms en tantes, enzovoort.”

Grootscheeps propageren

“Landen zullen toch zelf met een bevolkingspolitiek moeten komen. In de VS hebben we een vreemde positie om vanuit te preken. Wij hebben zelf geen bevolkingspolitiek. Het geboortencijfer is vanzelf teruggelopen.” Vanzelf? Zonder een zekere welstand, zonder het wegvallen van de noodzaak om kinderen als oudedagsvoorziening te hebben, en zonder voorbehoedsmiddelen lukt dat nergens. “Dat is zo,” zegt Daly, “en er is momenteel in het hele Noorden een tendens om de sociale zekerheid te verminderen. Ik vraag me wel eens af wat dat op den duur voor het geboortencijfer zal gaan betekenen.”

“Verder ben ik er een groot voorstander van om voorbehoedsmiddelen grootscheeps te propageren als een van de mensenrechten. Dat is iets waar iedereen toegang toe moet hebben.”

Van de katholieken mag dat nog steeds niet. “Ach,” zegt Daly, “die blijven wel oppositie voeren, in steeds krachtiger bewoordingen, maar de mensen in katholieke landen luisteren er niet naar. Neem Italië, dat heeft het laagste geboortencijfer van de hele moderne wereld. Een kind is daar erg duur. Het is toch een kwestie van geld.”

Dus: het moet economisch aantrekkelijk worden om weinig kinderen te hebben. Dus: je hebt rijkdom nodig, dus economische groei. Wie kan die spiraal doorbreken? Is dat een taak voor de Verenigde Naties? Maar daar zitten ook weer politici.

Daly: “Ja, en politici willen nu eenmaal nooit verder kijken dan de volgende verkiezing. Ik weet niet of we de juiste instituties hebben, maar de VN zou zeker kunnen beginnen met het uitwerken van zo’n wederzijdse overeenkomst waar ik het over had. Kijk, er verandert wel wat. Ik heb bij de Wereldbank in die jaren toch het bewustzijn over iets als duurzaamheid zien groeien. Alleen, gezien de urgentie van het probleem gaat het allemaal veel te langzaam.”

Volle wereld

“We zijn van een lege wereld in een volle wereld terechtgekomen, dat wil zeggen: vol van ons. De rest hebben we omgezet in onszelf, en in onze spullen. We bezetten we nu een kwart van de hele aarde, inclusief de zeeën, wanneer je de door planten omgezette zonne-energie, die al het leven op aarde onderhoudt, als uitgangspunt neemt. Neem je alleen het land dan bezetten we zelfs veertig procent, maar laten we even die 25 nemen. Dat percentage verdubbelt zich ongeveer elke veertig jaar.”

“Dat betekent dat we over tachtig jaar op honderd procent zitten. Dan hebben we de hele aarde in beslag genomen. Dat is tegenwoordig maar één mensenleven weg. Alleen een radicaal andere manier van denken, kan dat voorkomen. We moeten nu morele vragen beantwoorden over herverdeling, over bevolkingsaanwas, maar ook over onze verantwoordelijkheid ten aanzien van andere soorten en ten aanzien van de toekomst.”

Wordt hij er nooit moedeloos van? “Jazeker wel”, zegt Daly, “maar ik vind dat je plicht hebt een hoopvolle pessimist te zijn.”

Het kwart miljoen van de Heinekenprijs is in elk geval een opsteker. “Het is dapper dat ze mij gekozen hebben, want ik ben niet de populairste persoon ter wereld,” merkt hij op. “Dat ze mij als vertegenwoordiger van de ecologische economie uitverkoren hebben, is voor de hele beweging bemoedigend. Persoonlijk ben ik heel blij dat de prijs van de Nederlanders komt, omdat die nogal vooroplopen in de milieupolitiek.”

Mmh. Als Nederland het voorbeeld voor de hele wereld moet wezen, dan moet er nog heel wat gebeuren. Daly lacht: “Okay, dat moet ik u toegeven. Maar ik hou hoop. Ik heb al meer onverwachts meegemaakt. Ik had ook nooit gedacht dat de Berlijnse Muur zou vallen.”

“Als ik de werking van een auto onderzocht, zou ik een mutant willen vinden die ervoor zorgt dat de auto sneller gaat”

Hij begint er zelf over, direct nadat hij een korte, diplomatieke vergelijking gemaakt heeft tussen Engels en Nederlands bier: het is toch wel erg mooi om een Heinekenprijs te krijgen wanneer je zo’n beetje al je onderzoek doet aan de hand van gist.

“Maar,” preciseert hoogleraar microbiologie Paul Nurse wat later op de middag, “ons type gist vind je niet in bier, ik geloof dat ze het in Jamaica in de rum stoppen, en in goedkope Franse wijn kun je het tegenkomen.”

We staan dan over een paar petri-schaaltjes met ‘zijn’ gist gebogen, want tegen die tijd zijn we toegekomen aan een rondleiding door het laboratorium van het in het hartje van Londen gevestigde Imperial Cancer Research Fund, waarvan Nurse directeur is.

Een deur met een ruit waarvoor een heel klein luxaflexje hangt, is de enige scheiding tussen het lab en de werkkamer van Nurse, die op 27 september de dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica ontvangt. In die werkkamer wordt de thee vanzelf met melk geserveerd, en praat Nurse (1949) met verve en vrolijkheid over de grondslagen van het leven.

Want daar komt het op neer. “Sinds 1973 – dat is al meer dan twintig jaar, vreselijk als je erbij nadenkt,” realiseert hij zich, “werk ik aan gist. En dat heeft één reden. Als student dacht ik: de basiseigenschap van alles wat leeft is dat het zich kan voortplanten. En de simpelste manier zie je bij een enkele cel. Die gaat van één naar twee cellen. Dat is een fundamentele eigenschap van het leven.”

“Ik ben dus geïnteresseerd in reproduktie. En indertijd dacht ik: als ik begrijp hoe dat gaat bij gist, dan wordt het makkelijker te snappen hoe het bij andere cellen werkt. Daar kreeg ik gelijk in.”

Een droom

Dat kun je wel zo stellen. Nurse zou een paar van de basismechanismen voor de deling van élke cel blootleggen, althans: elke cel waarin het kernmateriaal bij elkaar gehouden wordt door een kernmembraan, de zogeheten eukaryoten.

Alle planten en dieren (inclusief mensen) vallen daaronder, behalve blauwwieren en bacteriën. Dat zijn onderzoek zou uitdraaien op het vinden van heel algemene principes kwam voor Nurse niet helemaal onverwacht.

“Ik herinner me wel gesprekken daarover,” mijmert hij, “dat we dachten dat wat we vonden bij gist misschien wel relevant voor mensen zou kunnen zijn. Ik geloofde het niet echt, het was meer een droom, iets dat in de verte schitterde. Dat had ik wel vanaf het begin. Maar als je het rationeel bekijkt: zoveel geluk heeft een mens normaal gesproken niet.”

Het geluk zat hem onder meer in nieuwe technieken. Toen Nurse begon, moest het nog allemaal met de klassieke genetica gebeuren. Pas eind jaren zeventig, begin jaren tachtig werd het mogelijk afzonderlijke genen te identificeren, te isoleren. Maar voor het uitgangspunt maakt dat niet uit. Want als je wilt begrijpen hoe cellen delen, hoe begin je dan? Wel, daar waar het fout gaat. “Je zoekt mutanten”, zegt Nurse, “afwijkende cellen, die niet goed delen. Daar zit de sleutel.”

Levensvatbaar

En om te kunnen begrijpen op welk slot die past, moet er eerst iets verteld worden over de celcyclus. Nurse: “Om überhaupt van één cel naar twee te komen, moeten bepaalde dingen altijd gebeuren. Anders zijn die twee nieuwe cellen niet levensvatbaar. Het meest essentiële materiaal zijn de chromosomen, het erfelijk materiaal dat de genen bevat.”

“Bij iedere reproduktie heb je de volgende twee dingen. Ten eerste moet er van al die chromosomen een kopie worden gemaakt. Dat kopiëren of repliceren van het DNA heet de S-fase, waarbij die S – heel saai – voor ‘synthese’ staat. Daarna moeten die gerepliceerde chromosomen gescheiden worden, om er twee dochtercellen uit te laten ontstaan. Dat proces heet mitose, en we noemen dat de M-fase. Dit is niks nieuws, want dat was allemaal al tussen pakweg 1850 en 1950 beschreven.”

“Wat ik uiteindelijk vond was de sleutel voor het in gang zetten van die gebeurtenissen, én de sleutel die ervoor zorgt dat alletwéé die dingen, dus zowel de S- als de M-fase, optreden in elke celcycus.” Dat is een indrukwekkend eindresultaat, en Nurse wil heel graag vertellen over de weg daarheen, omdat je er zo prachtig aan kunt zien dat onderzoek zich slecht laat voorspellen.

Dat punt zit hem hoog, want hij komt er een paar maal op terug. Nurse is een directeur die niet wil dicteren. “Nieuwsgierigheid moet de drijfveer zijn”, zegt hij, “ik zoek goede mensen, en die laat ik hun neus achterna gaan. Je kúnt goed onderzoek niet afdwingen, je moet de creativiteit de ruimte geven, anders sterft die af. Da Vinci en Vermeer hadden ook niet een of andere commissie die ze vertelde wat ze precies moesten doen.”

En hij wijst naar het hoekje Italiaanse reprodukties en het hoekje Vlaamse en Hollandse kunst, die de muren van zijn kamer opsieren.

Hollen

“Het onderzoeksproces is interessant,” gaat hij verder, “ook al heb je achteraf altijd de neiging te hollen naar het eind. Hoe ging dat nou bij ons? Dat isoleren van die mutanten is een heel krachtig instrument. Er zijn héél veel genen die allemaal verschillende activiteiten in cellen reguleren.”

“Neem gist, dat heeft tussen de vijf- en de tienduizend genen. Dat is relatief weinig, maar toch een heleboel om in te gaan zoeken. Overigens heeft de mens er tussen de vijftig- en de honderdduizend [NOOT: het zouden er nog veel minder blijken te zijn, LK]. Dat is maar tien keer zoveel als gist, terwijl we toch graag denken dat we meer dan tien keer zo interessant zijn als een gistcel.”

“Maar goed. We verwachtten dat er een beperkt aantal genen verantwoordelijk was voor die celcyclus. Hoeveel? Het zouden er vast geen honderden zijn, maar iets tussen pakweg de een en de tien. Hoe identificeer je die nu?”

“Onze oorspronkelijke aanpak was de meest voor de hand liggende. Die was nuttig, maar niet doorslaggevend. Ik zocht naar mutanten die niet goed deelden, die niet in staat waren de S-fase of de M-fase te ondergaan. Daarmee vond ik tussen de vijftig en honderd genen die een rol speelden in die processen.”

“Dan heb je de spelers, maar welke zijn cruciaal? Daarvoor moet je een ander soort vragen gaan stellen. Ik vergelijk het wel eens met de werking van een auto. Stel dat je erachter probeert te komen hoe die werkt. Dan kun je allerlei defecten vinden die tot gevolg hebben dat een auto niet meer rijdt. Als je de wielen eraf haalt, of de motor eruit, dan doet hij het niet meer. Haal je daarentegen een deur weg, dan verandert er niet veel. Dus die methode levert wel wát informatie op, maar als je wilt weten waar het regelingsmechanisme zit, dan heb je er niet genoeg aan de auto te laten stoppen.”

Gaspedaal

“Als ik de werking van de auto onderzocht, zou ik een mutant willen vinden, een defect dat ervoor zorgt dat de auto juist sneller gaat. Op die manier zou ik bij het gaspedaal kunnen uitkomen, en erachter kunnen komen dat naarmate je dat pedaal dieper indrukt, de auto harder gaat rijden.”

“Dus in plaats van dat je eenvoudigweg de machine kapot maakt, probeer je hem op een andere manier te laten werken, een manier die iets onthult over de controle over het geheel. Dus ik zat op een gegeven moment mutanten te zoeken die sneller deelden dan normaal.”

“Cellen groeien altijd, maken massa, en als ze een bepaalde grootte hebben, gaan ze delen. Ik keek dus naar cellen die deelden voordat ze groot genoeg waren. Ongelooflijk simpel. Met behulp van die mutanten kon ik een heel beperkte set genen definiëren, die overlapte met mijn oorspronkelijke verzameling..”

“Zo. Nu heb ik het verteld alsof ik ervoor ging zitten en het van te voren allemaal zo bedacht had. Maar dat is niet waar. Wat ik eigenlijk deed was onder de microscoop zoeken naar cellen die niet wilden delen, en dus heel groot werden. Maar af en toe zag ik ineens een cel die bij een veel kleinere omvang deelde.”

“Pas toen ben ik de kleintjes gaan verzamelen, en kon ik er die logica van net op loslaten. De natuur had het in voorraad, en mij viel het op. Vandaaruit kon ik verder, en het bleek een cruciale stap te zijn. Langs deze weg vond ik een gen dat ik cdc2 noemde. Cdc stond voor ‘cel-delings-cyclus’, en het was toevallig het tweede gen dat ik identificeerde.”

“Zo gaat dat met die namen. Als je dat gen uitschakelt, deelt de cel niet meer. Een mutant van datzelfde gen versnelde het delen juist. Die heb ik een leukere naam gegeven: de wee-mutant. Ik werkte op dat moment in Schotland, en wee is Schots voor ‘klein’.” (en Engels voor ‘plasje’ en ‘piesen’, redactie)

Stomverbaasd

“Dat gen hadden we dus gevonden, en toen deden we totaal onverwacht een tweede ontdekking. Je hebt dus die twee belangrijke fases in de celcyclus: de S-fase en de M-fase, en dat zijn heel verschillende soorten gebeurtenissen. Je zou verwachten, dat is de normale gang van zaken, dat je genen hebt die belangrijk zijn voor het een, en weer andere genen die belangrijk zijn voor het ander.”

“Tot onze grote verrassing was ons gen belangrijk voor allebei. Ik was stomverbaasd.”

“Daar zat ik met dat cdc2-gen, en het was absoluut noodzakelijk voor de S-fase, maar het reguleerde óók het in gang zetten van de M-fase.”

“En uiteindelijk bleek het zelfs nog een derde belangrijke functie te hebben. Dat is iets lastiger uit te leggen. Kijk, een gistcel is niet erg opwindend. Hij heeft niet veel mogelijkheden.”

“Eentje is dus dat hij zichzelf kan reproduceren, maar hij kan als hij wil nog iets: samengaan, versmelten met een cel van de andere sekse. Dan ontstaat er wat in jargon een ‘diploïde zygote’ heet, die ook weer gaat delen.”

“Maar de beslissing om zich te vermenigvuldigen, op een van die twee manieren, moet op een bepaald moment in de cyclus genomen worden. Ik kwam erachter dat dat nét voordat dat cdc2-gen in werking trad gebeurde. Als ik, met behulp van een mutant, de zaak vlak voor de S-fase blokkeerde, dan ging de cel niet alleen die S-fase niet in, maar je bracht hem op die manier af van élke vorm van reproduktie. Ook die seksuele verbintenis ging hij niet meer aan. Al die eigenschappen bleken in één gen te zitten.”

Bak gistcellen

En vervolgens bleek dat ene gen ook nog eens overal in de natuur terug te vinden te zijn. Over de manier waarop hij daar achterkwam, kan Nurse plastisch vertellen: “Toen we eenmaal dat gen gevonden hadden, werd het belangrijk te weten hoe het precies werkte. Nou bestaat een gen uit DNA, en rond 1980 ontstond voor het eerst de techniek om stukjes DNA te isoleren en te klonen.”

“We hebben toen een boel tijd besteed aan een methode om het DNA dat we in een reageerbuis hadden, zover te krijgen dat het door een gistcel kon worden opgenomen.”

“En toen dat gelukt was, was het simpel. We namen een bak vol gistcellen met een defect cdc2-gen, die dus niet konden groeien, en ook niet konden delen. Daar kieperden we het in kleine stukjes gehakte DNA – misschien wel 30.000 fragmenten – overheen, en dan was het een kwestie van afwachten waar een kolonie nieuwe cellen zou groeien. Want daar had het correcte DNA (dat we ‘gemerkt’ hadden, zodat we het terug konden vinden) dan het kapotte stukje vervangen, anders zouden ze niet zijn gaan delen. In die ontstane kolonie hebben alle cellen het goede gen, en dat kun je dan weer terug isoleren.”

“Dat geeft een entree. Je kunt dan bijvoorbeeld de genetische code uitzoeken. Elk gen bestaat uit een lange aaneenschakeling van vier aminozuren: A,C, T en G. De volgorde daarvan is de code voor wat een gen doet. We hebben toen de hele volgorde van dat cdc2 uitgezocht, en dat was indertijd gloednieuw. Heb je die volgordes of sequenties eenmaal, dan kun je ze vergelijken met andere genen. Zo zijn we ook andere dingen op het spoor gekomen.”

Stoutmoedige gedachte

“Maar we wilden zo graag weten of wat we gevonden hadden ook ergens anders relevant voor was. Toen hebben we ons uit de naad gewerkt voor een bizar experiment, waarvan niemand dacht dat het zou werken, en iedereen zei dat het krankzinnig was. Inmiddels wordt het veel gedaan, maar toen was het een veel te stoutmoedige gedachte.”

“Namelijk deze: als er nou eens een menselijk gen was dat hetzelfde doet? Het enige dat we hoefden te doen om daar een antwoord op te krijgen was menselijk DNA nemen, dat op dezelfde manier als het gist-DNA in stukjes hakken en dat dan bovenop die defecte gistcellen leggen.”

“Het duurde even voor we dat konden, maar toen bleek het vrijwel meteen te werken. Daarna haalden we dat menselijk gen eruit, en zochten de sequentie uit. Die bleek heel erg op die van gist te lijken. Het menselijk gen kon het gistgen ook helemaal vervangen.”

“Ineens hadden we gistcellen gemaakt die konden groeien met een menselijk gen. We konden bestuderen hoe een menselijk gen werkte in gist.”

“En dat ene experiment laat al zien dat de basisbesturingsprocessen overal hetzelfde zijn. Dat is later ook zo uitgekomen, toen is men overal gaan kijken, en is dit een groot onderzoeksterrein geworden.”

“Maar dat was wel een fantastisch gevoel. Uiteindelijk is gebleken dat mensen niet één enkel cdc2-gen hebben, maar een kleine familie van waarschijnlijk drie aan elkaar gerelateerde genen, waarvan de een meer gespecialiseerd is in het in gang zetten van de M-fase, een andere is voor de S-fase, en de derde doet zoiets als ‘je ervoor klaarmaken’. Mensen hebben dus meer specialisatie dan gist, maar die drie genen kunnen elkaar wel vervangen.”

“Waarom? Daar kun je over speculeren, en het leuke is dat niemand kan bewijzen dat je ongelijk hebt. Misschien is het gewoon onze complexiteit. We hebben wel hetzelfde basisplan, maar we moeten op veel meer prikkels reageren, en onze cellen zijn veel diverser.”

“Als we ons snijden moeten cellen gaan delen, maar we willen niet dat onze neus tot in het oneindige doorgroeit. Dat is een erg gecompliceerd programma.”

Chemo-preventie

Het is duidelijk, wat Nurse doet is fundamenteel onderzoek van het zuiverste water. In hoeverre het toepasbaar is voor kankeronderzoek (hij werkt tenslotte voor het vrijwel geheel op giften draaiende Koninklijk Kanker Onderzoek Fonds) is nog lang niet altijd duidelijk, maar dat het verkeerd delen van cellen bij kan dragen aan kankervorming ligt voor de hand.

“Kanker is enorm ingewikkeld, want eigenlijk zijn het honderden verschillende ziektes,” zegt Nurse. “Ik denk er wel eens over na dat je misschien iets gemeenschappelijks kunt vinden als je genetische veranderingen als uitgangspunt neemt. Dan zou je ook eerder kunnen ingrijpen, chemo-preventie in plaats van chemotherapie toepassen.”

De trend in de hele biochemie is richting universele principes. Maar die geven nog niet altijd antwoord. Ook de vraag waarom zenuwcellen anders dan alle andere cellen niet kunnen delen “is wel al gesteld, maar nog niet beantwoord,” vat Nurse samen.

Het zijn ook anderen die eraan werken, Nurse heeft zich inmiddels op een nieuw basisprincipe gestort: hoe komen cellen aan hun vorm? Ook nu begint hij weer bij afwijkingen, weer in gist. Hij heeft al een paar types. We mogen ze onder de microscoop bewonderen: kleine rondjes, T-mutanten en bananen-mutanten. “Levende dingen moeten zichzelf organiseren in de ruimte en in de tijd. Ik wil weten hoe ze dat doen.”

Als Nurse dat uitvindt, zal hij nog een prijzenkast (“Nee, ik hou de deurtjes dicht, anders staat het zo protserig”) voor nog meer glimmende medailles en bekers moeten aanschaffen.

Nootje: Nurse won in 2001 met twee anderen de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde.

“Als mensen zeiden: je houdt je dus met leren en geheugen bezig, dan dacht ik: verrek ja”

Het kan nog steeds: uitzoeken of de stof met de codenaam Org-2766 echt werkt. Org-2766 is een soort broertje van het middel dat zo’n 25 jaar geleden bekend werd als ‘de leerpil’.

Er is inmiddels eerder meer dan minder reden om het spul eens opnieuw te testen: het aantal mensen dat ervan zou kunnen profiteren, groeit vanwege de vergrijzing met de dag. En volgens emeritus hoogleraar farmacologie David de Wied, die Org-2766 aan het begin van de jaren zeventig samen met Organon-chemicus dr. H.M. Greven ontwikkelde, gaat het om een betrekkelijk eenvoudig uitvoerbaar onderzoek.

Dit zou er moeten gebeuren: “Benader alle huisartsen,” zegt hij,  “en laat die de pil voorschrijven aan iedereen van pakweg boven de vijftig die komt met klachten in trant van ‘dokter, ik vergeet de laatste tijd zoveel’. De helft krijgt de echte stof, de andere helft een neppil, en de huisartsen mogen niet weten welk van de twee ze voorschrijven.”

“Blijf dat een of twee jaar doen, en laat patiënten ondertussen vier keer per jaar terugkomen voor een algemeen lichamelijk onderzoek, en het beantwoorden van een vrij simpel vragenlijstje. Dingen als ‘wat heb je verleden week maandag gedaan?’. Kijk dan wat de resultaten zijn.”

De Wied (1925) krijgt dit jaar de dr. A.H. Heinekenprijs voor de Geneeskunde, maar hij weet nog steeds niet of zijn onderzoek ooit een geneesmiddel zal opleveren. Om daarachter te komen met behulp van grote, ook op andere plaatsen in de wereld uitgevoerde clinical trials kost geld, veel meer dan het kwart miljoen van de prijs.

Dat de firma Organon dat er niet in wilde steken, is een grote teleurstelling voor De Wied. Hij komt daar niet van harte, maar toch eerlijk voor uit, al zegt hij onmiddellijk Organon niets kwalijk te nemen. “Ze waren van mening dat ze er al veel geld in hadden gestopt, en vonden het genoeg. Je kunt daar bezwaar tegen hebben, en dat heb ik ook, zeker als je weet dat het tegenwoordig op zijn minst 500 miljoen dollar kost om een nieuw middel op de markt te brengen. Maar het is niet jouw geld,” zegt hij. “Ik troost me met het feit dat we belangrijke bijdragen hebben geleverd aan het hersenonderzoek in de wereld.”

De verhouding met het bedrijf is in elk geval altijd goed gebleven: De Wied is er tot op de dag van vandaag adviseur.

Oude ratten

En toch is het jammer. “We zien het bij oude ratten zo duidelijk,” zegt De Wied met een mengeling van spijt en enthousiasme in zijn stem, “als ze deze stof een half jaar hebben gehad, is hun leergedrag en ook hun sociale gedrag beter dan bij dieren die de stof niet hebben gehad. De interactie, hun sociale gedrag lijkt meer op dat van jongere ratten. Oude ratten zoeken bijvoorbeeld veel minder contact.”

Dat was ook het opvallendste aan het onderzoek dat Organon wél uitvoerde. De Wied: “Dat Org-2766 is wel op een behoorlijke manier uitgetest bij dementie. Daar had ik bezwaar tegen, omdat zo’n dement brein er waarschijnlijk niet meer echt gevoelig voor is. Veel cellen functioneren dan niet meer.”

“Als het om de hersens gaat, kun je alleen maar proberen zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheden die er nog in zitten. Want na de embryonale fase kun je geen nieuwe zenuwcellen meer maken. Vandaar dat adagium: use it or lose it, als je het niet gebruikt, raak je het kwijt. Ook uit veel andere experimenten is in de loop der jaren gebleken dat Org-2766 de regeneratie van beschadigd zenuwweefsel kan bevorderen. Daarom lijkt het me verstandiger het onderzoek bij die vijftig-plussers met beginnende geheugenproblemen uit te voeren.”

“Overigens had het middel toch bij zo’n 25 procent van de onderzochte demente bejaarden effect. Als er iets te zien was, waren dat niet vaak leer- of geheugeneffecten – dat hebben we nooit beweerd – maar effecten op hun sociale gedrag en hun stemming. Ze werden socialer, gedroegen zich beter  en voelden zich beter.”

Zenuwprikkels

Om wat voor miraculeus goedje gaat het dan? Wel, De Wieds naam, en, zo zegt hij zelf,  die van het hele Rudolf Magnus Instituut voor Farmacologie in Utrecht (waar hij van 1963 tot aan zijn pensionering in 1990 directeur was) zal altijd verbonden blijven aan het begrip neuropeptide, een type boodschapperstof dat in de hersens wordt gemaakt, en waarvan het grote belang in Utrecht ontdekt werd.

Org-2766 is zo’n neuropeptide. Nu draaien hersenen – en wij dus ook – in feite helemaal op chemie en elektriciteit. De vele miljarden zenuwcellen, of neuronen,  staan via hun uitlopers met elkaar in contact. Hormonen, neurotransmitters en neuropeptiden zijn de (chemische) stoffen die bepalen of, hoe en waar (elektrische) zenuwprikkels tussen de neuronen worden doorgegeven. En dat bepaalt weer hoe een organisme – zeg een rat of een mens – reageert, zich gedraagt, zich voelt.

Het is een ingenieus samenspel van (ketens van) reacties. Neuronen kunnen wel of niet vuren, maar ook harder of zachter. Je hebt zenuwbanen waarlangs reacties lopen, ‘circuits’ die bij een bepaalde functie zijn betrokken. En er kunnen nieuwe verbindingen tussen neuronen ontstaan.

De kennis over al dit soort dingen, over wat wat in gang zet en waarom en wanneer, is nog steeds beperkt, maar wel veel groter dan toen De Wied zijn carrière begon.

De term neuropeptide gebruikte hij in 1971 voor het eerst. Kan hij uitleggen wat het is, en wat het verschil is met hormonen en neurotransmitters?

De Wied: “Overal in het lichaam werken hormonen. Bekende zijn de stresshormonen, zoals corticosteroïden, en de geslachtshormonen. De endocriene organen (de bijnierschors bijvoorbeeld, en de geslachtsorganen) vormen die hormonen, maar ze worden tot  hun produktie aangezet door hormonen die gemaakt worden in de hypofyse, het zogeheten hersenaanhangsel. Die hypofysehormonen zijn peptiden.”

“Vroeger leerden wij het altijd zo: hormonen worden in de endocriene organen gevormd, vervolgens worden ze afgegeven aan het bloed, en dus doen ze hun werk ergens anders. Maar inmiddels weten we dat heel veel cellen peptide hormonen maken, en dat ze ook op korte afstand en ter plekke kunnen werken, zelfs heel dichtbij: op het neuron waaraan ze als het ware worden afgeleverd.”

Depressies

“Neurotransmitters zorgen voor de overdracht van de elektrische prikkel van het ene neuron naar het volgende. Het zijn stoffen die gemaakt worden in de zenuwcel. Ze zijn verwant aan aminozuren en worden afgegeven aan de uiteinden van de cel, de synapsen. Daar zitten ze ook allemaal in pakketjes, die via de zogeheten synaptische spleet de ‘sprong’ naar de volgende cel maken.”

“Je hebt verschillende categorieën van die directe prikkeloverdragers. Je hebt er bijvoorbeeld die heel snel een stimulerende of een remmende invloed kunnen uitoefenen. Andere werken wat langzamer. Hele bekende zijn noradrenaline, dopamine en natuurlijk serotonine, dat erg in is omdat men tegenwoordig aanneemt dat het een belangrijke rol speelt bij depressies.”

“Zulke opvattingen zijn nogal onderhevig aan de mode, het is een beetje de waan van de dag. Telkens wordt er gedaan of één neurotransmitter alles doet, maar er zijn er altijd een heleboel tegelijk aan het werk.”

“De neuropeptiden zitten ook in het neuron, en worden ook daar gemaakt. Ze kunnen wel als neurotransmitter werken, maar gewoonlijk ‘moduleren’ ze de prikkeloverdracht alleen. Je zou kunnen zeggen dat ze assisteren bij die overdracht. Ze zitten meestal samen met neurotransmitters in pakketjes. Die pakketjes liggen wat verder van de synaptische spleet, en ze worden alleen afgegeven bij extra inspanning van het brein. Neuropeptiden blijven langer werkzaam dan neurotransmitters.”

“Dat is van belang voor allerlei gedrag dat enige tijd neemt: denk maar aan het zoeken naar water en voer bij honger en dorst, of aan het verdedigen van het territorium, of aan paren. Gedrag dat op een bepaald moment de voorrang moeten krijgen. Neuropeptiden beïnvloeden de gevoeligheid van het neuron voor een neurotransmitter, door die gevoeligheid groter of juist kleiner te maken.”

Morfine-achtig

“Er zijn nu een stuk of vijftig genen bekend die coderen voor verschillende peptiden. Elk neuron dat peptiden vormt, brengt er daar een of twee van tot expressie. Daardoor wordt er een groot eiwit – we noemen dat een voorloper-eiwit – aangemaakt, dat op zich biologisch inactief is. Maar er zit wel allerlei biologische activiteit in verpakt.”

“Neem bijvoorbeeld ACTH, dat is het hormoon dat de bijnierschors aanzet tot de produktie van corticosteroïden. Wij hebben ontdekt dat die verbinding ook van invloed is op het leerproces, en er zitten daarnaast bèta-endorfine in – morfine-achtige stoffen – en verschillende hormonen die invloed hebben op de pigmentstofwisseling. Soms verschillen de voorloper-eiwitten die door hetzelfde gen tot expressie gebracht worden. Dat is afhankelijk van de cel waarin ze worden aangemaakt, maar zeker niet altijd. Voor het voorloper-eiwit van dat ACTH bijvoorbeeld, maakt het niet uit of het in de hypofyse of in een zenuwcel wordt gemaakt. De verdere verwerking is wél altijd afhankelijk van de cel waarin dat gebeurt.”

“Want het hangt vervolgens van de enzymen af wat er uit een voorloper-eiwit ontstaat. Enzymen splitsen eiwitten – daarom vind je ze in wasmiddelen.”

“En wat eruit komt, heeft ook te maken met waar dat eiwitsplitsende proces plaatsvindt, en het milieu waarin dat gebeurt.  De discussie loopt nog steeds over de vraag of de hormonen die in het lichaam allerlei processen beïnvloeden, dezelfde stoffen zijn die in de hersenen als neuropeptiden werkzaam zijn. Daar zijn wel aanwijzingen voor, maar het is ook zo dat neuropeptiden nog verder verwerkt, verder ‘omgezet’ worden Dat wil zeggen: ze worden enzymatisch gesplitst in verbindingen die óf dezelfde invloed hebben op het neuron als het hormoon waaruit ze afkomstig zijn, óf een meer gespecialiseerde. Maar dat is nog niet afdoende bewezen.” 

Toverwoorden

De Wied is nog maar net terug uit Amerika ten tijde van het gesprek, dat we op zijn werkkamer in zijn huis in Bilthoven voeren. Hij sprak er op een conferentie over de kansen op het ontwikkelen van stoffen die de cognitie verbeteren.

‘Cognitie’ en ‘cognitieve vaardigheden’ zijn nu al meer dan een decennium de grote toverwoorden voor zo’n beetje alles wat zich in onze hersenschors afspeelt, waaronder het  leervermogen. Met zijn onderzoek was hij zijn tijd vooruit, maar hij zelf dacht in eerste instantie ook niet in dat soort termen. “Daar was ik ook niet op uit,” benadrukt hij. “Ik had het altijd over de acquisitie en de extinctie van geconditioneerd gedrag, dus het verwerven en weer uitblussen ervan. Voor mij ging het om de hormonale beïnvloeding van het brein, en dat gedrag was niet meer dan een test om de activiteit van dat brein te meten.”

“Als mensen dan wel eens zeiden: je houdt je dus met leren en geheugen bezig, dan dacht ik: verrek ja. Maar de studie van leren en geheugen was niet mijn primaire doelstelling.”

“Ik kwam er alleen op den duur niet onderuit. Toen ik een keer een aantal gastcolleges zou geven aan het London University College zei mijn gastheer: ‘nou moet je echt eens ophouden met dat acquisitie en extinctie, zeg nou maar gewoon leren en geheugen. Je zal zien, dan zit de zaal vol.’ Dat was ook zo.”

“Maar ik vond het beladen woorden. Ik had ook niet de kennis om goed over die processen na te denken. Dat deden de psychologen toen ook niet. Het was de tijd van het behaviourisme: je stopte er iets in, en dan kwam er iets uit, maar wat er van binnen in de tussentijd gebeurde daar hielden maar weinig mensen zich mee bezig.”

“Wij waren nou juist dáárin geïnteresseerd. We wisten heel goed dat die neuropeptiden invloed hadden op het brein, maar wáár dat dan plaatsvond, en wat er dan precies gebeurde, dát wilden we weten.”

Connecties

Nog steeds is De Wied lichtelijk terughoudend. “Nee, ik kan niet zeggen wat ‘leren’ en ‘geheugen’ zijn,” antwoordt hij desgevraagd, “al weet ik er wat meer van dan vroeger. Maar je reduceert het tot eenvoudige modellen, waarmee onderzoek kan worden gedaan, zoals de ‘lange-termijn potentiatie’, LTP.”

“Dat is een heel mooi model voor geheugen. Het idee is dat geheugen het maken van connecties is tussen de cellen. Als je, in een stukje hersenweefsel, een zenuwcel snel achter elkaar prikkelt, dan zie je wanneer je die cel een volgende keer normaal prikkelt, dat het antwoord van het volgende neuron – dus de cel die ermee verbonden is – groter is geworden.”

“Die respons, dat signaal kun je meten. Verandert de respons dan is er een verandering ontstaan in de samenstelling van de synaps. Synapsen hebben het vermogen te veranderen, ze hebben plasticiteit. De synaps van de cel die je hoogfrequent geprikkeld hebt, reageert daarna gevoeliger, geeft de prikkel gemakkelijker door. Hij heeft ervaring opgedaan.”

“Men neemt aan dat die ‘plastische’ verandering bij leren en geheugen een rol spelen. Er ontstaan contacten die daarvoor slechts zwak of niet aanwezig waren: er is een netwerk ontstaan, een geheugenspoor.”

“Dat is voor ons weer interessant vanwege ons onderzoek met vasopressine, een neuropeptide waarvan we weten dat het een belangrijke rol speelt bij het geheugen.”

“Ratten die door een hormonale afwijking geen vasopressine kunnen maken, hebben last met leren. En het blijkt dat vasopressine ook invloed heeft op die lange-termijn potentiatie: je kunt bij deze dieren wel LTP opwekken, maar het wordt niet vastgehouden, het verdwijnt weer snel. Behandel je zo’n beestje dan met vasopressine, dan zie je dat de LTP normaal wordt. Wij nemen daarom aan dat dit soort peptiden ervoor zorgt dat informatie die eenmaal binnengekomen is, langer blijft ‘rondzingen’, en daardoor meer kans heeft opgeslagen te worden, een geheugenspoor te vormen.”

“Maar daarmee heb ik nog niet veel gezegd over wat het geheugen is. Ik kan alleen opmerken dat het leer- en geheugenproces een complex gebeuren is waaraan het hele organisme meedoet: het autonome zenuwstel – dus hart- en vaatstelsel, ademhaling, maag-darmkanaal, noem maar op. En het sensorische systeem: we kijken, luisteren, voelen, ruiken, proeven. Dat betekent dat grote delen van het brein meedoen aan het vormen van zo’n spoor, en dat er veel factoren betrokken zijn bij wat wij één geheugen noemen. Meer weet ik hier niet van.”

De Wied, onder meer oud-president van de KNAW en in het bezit van toch al gauw een handvol eredoctoraten, heeft al talloze prijzen en andere eerbewijzen ontvangen. Was hij desalniettemin gelukkig te horen dat hij nu ook nog de Heinekenprijs voor Geneeskunde krijgt? “Ja, natuurlijk. Ik vind het een geweldige eer, en heel plezierig,” zegt hij, “niet alleen voor mij, maar voor het hele Rudolf Magnus Instituut.”

Toch is zijn allergrootste voldoening altijd uit twee andere dingen gekomen. De samenwerking met anderen (“Ik heb nu bijna duizend publikaties op mijn naam staan, en daar staan driehonderd verschillende co-auteurs boven. Met een groot aantal daarvan heb ik een relatie opgebouwd die verder gaat dan de buitenkant.”) én de vreugde van iets nieuws ontdekken, de laatste gegevens te kunnen vertellen.

Dat dat nu niet meer kan, vindt hij verschrikkelijk. Niet dat hij zich verveelt – er wordt hem nog genoeg gevraagd – maar het emeritaat noemt hij een straf. “Ik heb nog steeds ideeën,” zegt hij, “maar ik kan er niets meer mee doen, want in mijn vak heb je daar mensen en een lab voor nodig. Daar praten we met collega’s wel over: in Amerika is het veel beter geregeld, misschien dat we de staat hier toch nog een keer gaan aanklagen voor leeftijdsdiscriminatie.”

 

 

“Wij als arrogante oogartsen zeggen natuurlijk dat de oogzenuw de dikste hersenzenuw is die we hebben”

“Wilt u koffie? Ik heb denk ik de beste koffie van de Akademie.” In een hoek van de kamer van prof.dr. P.T.V.M. de Jong, sinds ruim een jaar directeur van het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut van de KNAW, staat een apparaat dat even later met veel kabaal twee koppen verse koffie produceert.

De ontvangst is dus hartelijk, ondanks dat De Jong (53) niet echt stond te springen om een gesprek. Het is ook bij hoge uitzondering dat hij toestemming heeft gegeven voor het maken van een portret (“Ik heb een keer tegen iemand die bleef aandringen gezegd dat ik misvormd was.”).

Waarom houdt hij niet van interviews? “Dan moet ik diplomatiek zijn, dat is niet mijn sterkste kant. En er liggen altijd zoveel gevoeligheden,” verzucht hij. Maar van enige weerzin blijkt niets zodra hij vertelt over zijn vak.

En over hoeveel daarin nog te doen is. “Naarmate je verder komt, realiseer je je steeds hoe weinig we nog weten,” zegt De Jong. “Ik schaam me soms voor mezelf en voor mijn patiënten. Van de belangrijkste oorzaken van slechtziendheid weten we nauwelijks iets.”

“Neem staar. Dat is goed te opereren, maar elk jaar komen er in de wereld vier tot zes miljoen blinden bij, doordat ze niet geopereerd worden.”

“Zelfs in Nederland gebeurt dat nog. In Rotterdam, waar ik hiervoor werkte, is een groot epidemiologisch onderzoek gedaan naar oogziekten. Maar liefst zeven procent van de blinden uit de onderzochte bevolkingsgroep was blind geworden door staar. Staar is sowieso de belangrijkste oorzaak van slechtziendheid. De ziekte was al voor onze jaartelling bekend, maar het mechanisme dat erachter zit, kennen we niet.”

“Slijtage of degeneratie van de gele vlek is in onze westerse wereld een nog belangrijker oorzaak van slechtziendheid. Met je gele vlek, je macula, kun je details zien zoals bij lezen en gezichten herkennen.”

“‘Er zijn twee vormen van ouderdomsdegeneratie van de gele vlek, een ‘droge’ en een ‘natte’ vorm. Bij die laatste kun je in een paar weken blind worden. Maar waar die degeneratie vandaan komt, hoe dat in zijn werk gaat, weten we niet.”

Stereoboeken

“Of neem het visueel systeem als geheel. Kijken doe je niet alleen met je ogen. Vanuit je ogen lopen grote zenuwstrengen de hersenen in die uitkomen bij de visuele schors, en die zit aan de achterkant van je hoofd.”

“Eerst was het idee dat de beelden nadat ze daar verwerkt zijn, weer naar andere delen van de hersenen gaan, maar zo ligt het niet helemaal. Wat precies het beeld bepaalt, weten we niet. Op welk moment onderdelen van de informatie tot bewustwording leiden, wordt bij onze afdeling visuele systeemanalyse onderzocht.”

“Zo is daar ook gebleken dat al op het niveau van het netvlies bepaalde informatie geselecteerd wordt voor doorzending naar de hersenen. De mechanismen waarmee we kijken zijn nog lang niet duidelijk. Een goed voorbeeld zijn die ‘stereoboeken’ die zo in de mode zijn. Soms kan het een minuut duren voordat je het stereo-effect ziet. Ineens springt het er dan uit. Hoe dat werkt weten we niet.”

“Er zijn zoveel manieren waarop je gezichtsvermogen aangetast kan zijn. Je hebt mensen die ‘kokerzien’, die alleen in het midden van hun gezichtsveld nog goed kunnen zien. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij wie lijdt aan retinitis pigmentosa. Bij die ziekte degenereert je netvlies langzaam maar zeker.”

“En bij degeneratie van de gele vlek zie je juist in het midden niet goed, maar daarbuiten weer wel. Iedere keer blijkt dat dingen ingewikkelder zijn dan we dachten. Zo heb ik vroeger geleerd dat er vier soorten retinitis pigmentosa waren, en daarop heb ik ook altijd mijn diagnoses gesteld.”

“Maar door de bevindingen uit de moleculaire biologie zullen we de tekstboeken moeten herschrijven. Van de genetica valt nog heel veel te verwachten. Op dit ogenblik zijn er al negentien genen met soms zo’n dertig à veertig mutaties per lokalisatie gevonden die verantwoordelijk kunnen zijn voor retinitis pigmentosa. Over een tijdje hebben we misschien wel vijftig verschillende soorten, in plaats van die vier van vroeger.”

Onbewust zien

Aan al deze zaken, en aan nog veel meer, wordt gewerkt op het IOI. De Jong zet het op een rijtje: “Visuele systeemanalyse, dus hoe zien in zijn werk gaat, is één groep. Binnenkort krijgen we de beschikking over een nieuw apparaat dat KNAW gaat kopen: een neuromag. ‘Mag’ staat voor magnetometer. Het is een heel gevoelig apparaat. Je krijgt een soort helm met vloeibaar stikstof om je hoofd, en dan kun je nog preciezer dan we al konden de activiteit in de hersenen registreren met behulp van een magneetveld.”

“Daarmee kun je bijvoorbeeld experimenteel onderzoek doen naar het proces van visuele bewustwording. Er zijn mensen die na een hersenbloeding in sommige delen van het gezichtsveld niets meer zien, maar als je ze bepaalde proefjes laat doen, blijkt daaruit dat ze in die delen tóch iets kunnen waarnemen. Ze zijn het zich alleen niet bewust, of kunnen het beeld niet interpreteren.”

“Als je nu met behulp van die neuromag exact kunt bepalen wáár in de hersenen activiteit optreedt wanneer je zo iemand bepaalde opdrachten geeft, dan kunnen we meer gaan begrijpen van wat ‘bewust zien’ is. Dat onderzoek gebeurt met participanten in de Onderzoekschool Neurowetenschappen, onder meer met de beide universiteiten in Amsterdam, met de academische ziekenhuizen in Utrecht en Nijmegen en met twee epilepsiecentra.”

“Dan is er de afdeling oogheelkundige immunologie. Die concentreert zich op oogontstekingen. Oogontstekingen zijn vaak moeilijk te behandelen, omdat het oog een beetje vreemd is uitgerust. Ontstekingsstoffen komen er niet gemakkelijk in, en richten dus niet gemakkelijk schade aan, maar daar staat tegenover dat genezingsprocessen moeilijker op gang komen dan in andere delen van het lichaam.”

“Onstekingsmediatoren spelen ook een belangrijke rol bij sommige vormen van glaucoom, dat is hoge oogdruk. Er is hier een in de wereld unieke proefopstelling ontwikkeld om die interacties te bestuderen.”

De afdeling oftalmomorfologie bestrijkt het hele spectrum van de bouw van het normale oog tot de genexpressie binnen een enkel kegeltje in het netvlies. Daar valt nog steeds veel aan te ontdekken. Er is net een mooie publikatie uitgekomen met nieuwe bevindingen over het zenuwverloop in normale hoornvliezen, wat je honderden jaren na Boerhaaves microscoop niet meer zou verwachten. Veel van dat onderzoek is mogelijk doordat we intensief samenwerken met de Hoornvliesbank binnen onze muren.”

De diepte in

“En tenslotte is er de afdeling oftalmogenetica, samen met visuele systeemanalyse de oudste in het IOI, die kijkt naar de erfelijke kanten van het oog. Daar wordt in een samenspel van klinisch geneticus, moleculair bioloog en oogarts de genetische basis onderzocht van erfelijke oogziekten. We verwachten dat het lokaliseren van genen en het bestuderen van de eiwitten die daarvan afgeleid worden, niet alleen tot meer inzicht zal leiden, maar op termijn ook tot de ontwikkeling van betere behandelingen.”

“Daarbij maken we dankbaar gebruik van de indertijd door Delleman gestarte databank van erfelijke oogaandoeningen. Zo laat het zich nu aanzien dat retinitis pigmentosa en ouderdomsmaculadegeneratie voor een deel een gemeenschappelijke basis hebben.”

“Interdisciplinair onderzoek breidt zich steeds meer uit binnen het hele IOI. Onlangs hebben we met alle vier de afdelingen gesproken over netvliesonderzoek. Dat werd een heel stimulerende discussie omdat vanuit de verschillende disciplines heel eigen ideeën werden aangedragen. De reorganisatie van de topstructuur van het IOI, die overigens net goedgekeurd is door het KNAW-bestuur, heeft ook als een van de uitgangspunten: interdisciplinair met het onderzoek meer de diepte in.”

“Ook hebben we inmiddels een paar maal gesproken met Swaab en Buijs van het NIH (het Herseninstituut) over intensivering van de contacten. Onze nieuwbouw komt naast hen te liggen. Binnenkort wordt daarmee begonnen, onder meer omdat het AMC de ruimte waar we nu zitten nodig heeft.”

“Ik zie zeker mogelijkheden voor samenwerking met het Herseninstituut. Wij als arrogante oogartsen zeggen natuurlijk om te beginnen dat het oog zo belangrijk is, wat ook blijkt uit het feit dat de oogzenuw de dikste hersenzenuw is die we hebben.”

“Concreter: de macula is ook gevormd uit zenuwweefsel. En bij het NIH hebben ze technieken om degeneratie van zenuwweefsel, onder meer van Alzheimerpatiënten, te bestuderen. Over de schutting kijken is goed. Zo vallen puzzels soms ineens in elkaar.”

Dagelijkse problemen

Er komen eigenlijk alleen maar vragen bij, lijkt de boodschap van De Jong. Hij komt een paar keer terug op de lastige definitie van ‘fundamenteel onderzoek’. “De KNAW wil graag dat de instituten zich meer op fundamenteel onderzoek richten. Wat dat inhoudt, is een discussie waar ik me niet echt in wil mengen, maar mijn idee is dat er vanuit de dagelijkse problemen al zo veel fundamentele vragen te stellen zijn. Bovendien brengt het interuniversitaire karakter van het instituut een stuk dienstverlening naar de participerende instituten met zich mee, en vanuit beide invalshoeken is het onderzoek volgens bepaalde mensen per definitie al niet meer fundamenteel.”

“Ook is het belangrijk op de verschillende universiteiten onderzoeksprojecten te houden. Er zijn goede netwerken. Dat werkt allemaal stimulerend, net als de samenwerking met België. We hebben contacten met Vlamingen en Walen, dus de voertaal op vergaderingen is Engels. Dat gaat heel goed. De Belgen zullen meer projecten in gaan dienen, en er is nu ook subsidie van Onderwijs en Wetenschappen om de banden met omringende landen te versterken. Er komen regelmatig mensen hierheen. We wisselen gegevens uit.”

De Jong is optimistisch over alle mogelijkheden, ook al is de reorganisatie hem soms niet licht gevallen. “In het bedrijfsleven doet een interimmanager dat vaak, maar ik blijf hier”, legt hij uit.

“Gelukkig was ik het eens met de meeste ideeën van de commissie die het voorwerk gedaan had, en ik zat al tien jaar in wetenschappelijke raad van het IOI. Er zal nog gewerkt moeten worden aan de deregulatie die de Akademie wil. Zonder formatie-uitbreiding en met budgetten die al jarenlang bevroren zijn is er natuurlijk een grens aan de mogelijkheden Ik hoop dat we niet al te veel met bureaucratie overstelpt zullen worden.”

Tegen elkaar uitgespeeld

Tot slot moet hem nog één ding van het hart: “Ik vind dat onderzoekers vaak tegen elkaar uitgespeeld worden. Het systeem van produktiemeting van onderzoekers is niet goed. De produktie wordt in sommige evaluatiesystemen alleen bepaald aan de hand van de eerste auteur, of het eerste instituut die voor een publikatie verantwoordelijk zijn. Je krijgt steeds meer input-outputvergelijkingen, en multidisciplinair onderzoek wordt nu afgestraft.”

“Het meetsysteem hoort aan iedereen recht te doen. Ik heb aan de KNAW gevraagd een gremium te vormen dat zich daarover kan buigen. Ik hoop echt dat hier iets aan verandert, vooral voor iedereen die prettig samenwerkt in goed multidisciplinair onderzoek.”

‘Hadewych zingen gaat je niet in je kouwe kleren zitten’

We hebben het nog nauwelijks kunnen hebben over de laatste cd  waaraan hij heeft meegewerkt, of er wordt een nóg recenter produkt van de hand van dr. Louis Grijp zijn werkkamer binnengebracht. Vers van de pers: een stapeltje exemplaren van Zingen in een kleine taal. De positie van het Nederlands in de muziek.

De titel van dit themanummer van het Volkskundig Bulletin, dat het P.J. Meertens Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde drie keer per jaar uitbrengt, vat in een keer het onderzoeksterrein van Grijp samen.

De smaakvol uitgevoerde illustratie op het omslag laat iets zien van de breedte: tegen een witte achtergrond in rood een muziekbalk met een stukje uit Rozemond die lagh en sliep, een lied uit de bundel Zang-Wortel die in 1653 verscheen. Daaronder, in blauw, nog een muziekbalk. Dat blijkt een fragment uit 1994 van Doe effe normaal, een nummer van de Achterhoekse popgroep Normaal.

Grijp (41) werkt sinds 1990 bij het Meertens Instituut als ‘onderzoeker Nederlandse liedcultuur’, maar hij was al veel langer een trouw bezoeker van het grote pand aan de Keizersgracht. “Dit was echt het Walhalla”, zegt hij, wijzend op de wand kaartenbakken achter zich. “Daarin kun je de geschiedenis van heel veel Nederlandse liederen terugvinden. Met behulp van de doorverwijzingen kun je als het ware de ‘overgrootvader’ van het lied over Reintje de Vos traceren.”

“Ik ben hier erg vaak aan het zoeken geweest. Op een gegeven moment ging het opvallen: die jongen die aldoor in die bakjes kwam kijken.”

Melodieën bij teksten terugvinden is Grijps specialiteit. “Veel is ‘op de wijze van'”, legt hij uit, “want de meeste mensen konden – en kunnen – geen noten lezen.”  Daarom begon hij met de aanleg van wat eerst een ‘voetenbankje’ was, maar inmiddels een volwassen voetenbank: een computerbestand met nu ongeveer 19.000 liederen uit de 16e en de 17e eeuw waarvan de melodie bekend is.

De ‘voeten’ zijn versvoeten, dat wil zeggen: rijm- en lettergrepenschema’s. Past een liedtekst waarvan de bijbehorende muziek niet bekend is op een wél bekend versvoetenschema, dan is het zeer waarschijnlijk dat je met een contrafact te maken hebt: een liedtekst die geschreven is op een bestaande melodie.

Wilde en tamme zangster

In zijn proefschrift uit 1991, Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw. Het mechanisme van de contrafactuur, zet Grijp dat allemaal uiteen. De voetenbank bleek een krachtig hulpinstrument. Voordat Grijp aan zijn onderzoek begon, waren er bijvoorbeeld van het beroemde Groot Liedboeck van Bredero uit 1622 nog 22 melodieën niet bekend. Met behulp van de voetenbank vond hij er alsnog negen terug.

Op die manier kwam ook de wijs van Vondels ‘Rommelpot vant Hanekot’ weer boven water. Overigens is niet alleen de vorm belangrijk: bij een contrafact sluit de inhoud van een liedtekst dikwijls aan bij het lied waarop het gebaseerd is.

“Maar je hebt nog een vorm van terugvinden”, vertelt Grijp. “Bij de tweede soort gaat het om reconstrueren. Van meerstemmige muziek werden vroeger de verschillende stemmen in stemboekjes opgeschreven. Je moet je voorstellen dat de bas en de tenor en de bovenstem ieder een eigen boekje hadden. Ieder had zijn eigen partij voor zijn neus. Daar kan er wel eens een van kwijtraken, en die kun je dan opnieuw maken.”

Gepassioneerd praat hij over Joan Albert Ban. “Je kunt zeggen dat ik helemaal in de ban van Ban ben geraakt”, zegt hij lachend. “Dat was een priester uit de 17e eeuw, die nog voortleeft in de Banstraat hier in Amsterdam. Hij maakte madrigalen, minnezangen, voor drie stemmen. Als daar de bovenstem van weg is, dan is dat een ramp. Het is of je iemands gezicht kwijt bent.”

“Dat was bijvoorbeeld gebeurd met Bans muziek bij het Onderscheyt tussen een wilde en een tamme zangster, een bekende liedtekst van Tesselschade, die beroemde dochter van Roemer Visscher. Vorig jaar was haar vierhonderdste geboortedag, en ter ere daarvan is er van alles georganiseerd. Tesselschade maakte deel uit van de Muiderkring rond P.C. Hooft, en daarom is er onder meer een cd gemaakt Muziek uit de Muiderkring. We hebben daar ook opgetreden.”

“Van de bovenstem van dat bewuste lied was nog één minuut over, omdat Ban die in een brief had overgeschreven. De rest heb ik er toen bijgemaakt, en ik had een extra reden om daar mijn best op te doen: mijn dochter heet Tessel.”

Lustpriëlen

Muziek uit de Muiderkring is er maar één uit de flinke rij cd’s die Grijp bovenop een kast heeft staan. Hij is wat je noemt een ‘toegepast muziekwetenschapper’. Met het steeds deels van samenstelling wisselende ensemble Camerata Trajectina (Italiaans en Latijn voor ‘Utrechts Muziekgezelschap’) ontrukte hij al heel veel oude liederen aan de vergetelheid.

Zijn rol is niet alleen die van de theoreticus, hij speelt zelf ook altijd mee: luit en citer. “Ik vind het prachtig om de wetenschap met muziek te combineren”, zegt hij. “Het zijn ook echt fantastische musici. We proberen zoveel mogelijk spul te doen dat buiten de gewone concertkaders valt. Het soort muziek dat vroeger op schuitjes over de Amstel werd gespeeld en gezongen, en in lustpriëlen, of aan de oever van ’t Spaarne.”

“Alles wat iedereen die voor zijn plezier wilde zingen vroeger zong. Teksten van Hooft, van Cats, van Bredero, van Huygens. Cats maakte bijvoorbeeld liedteksten op Franse melodieën voor Haagse juffers die graag iets zedigs wilden zingen. Maar veel liedjes gingen toch om het versieren van meisjes. En daarnaast had je natuurlijk de geestelijke liederen voor alle gezindten.”

‘Geestelijk’ is niet hetzelfde als saai of braaf. “Als je liederen van de doopsgezinden hoort, schieten de tranen je in de ogen”, vertelt Grijp. “Veel van hen werden om zeep geholpen in naam van God. De doopsgezinden waren de volgelingen van Menno Simonszoon, en in Amerika heb je nog een hoop Mennonieten. Met de Camerata gaan we daar binnenkort ook op tournee, zoals we vaker doen.”

“Er zijn heel veel doopsgezinde liederen, maar de ‘martelaarsliederen’ vormen de kern. En die zijn echt gruwelijk. Die vertellen dan bijvoorbeeld  het verhaal van een simpele jongen, die om zijn geloof door de politie aan zijn handen wordt opgehangen en die wordt volgegoten met een emmer pis.”

Bavianen en slijkgeuzen

“Maar het leuke van liedjes vind ik dat ze zo ongeveer alle gebieden van het maatschappelijk en cultureel leven bestrijken. Wat voor tentoonstelling of jubileum er ook is: er valt altijd wel een liedje bij te vinden. Het eerste Camerata-programma hebben we halverwege de jaren zeventig gemaakt. Dat waren Geuzenliedjes, en dat sloeg enorm in.”

“Het bleek echt een toverformule. In ’81 had je het Hooftjaar, en vanaf dat moment hebben we vrij consequent allerlei jubilea gevolgd: Willem van Oranje in 1984, Constantijn Huygens in ’87, Coornhert in ’90. Dat heeft allemaal tot programma’s en platen of cd’s geleid. Vrij recent is Bavianen en Slijkgeuzen verschenen. Dat is de titel van een boek van de historicus Van Deursen, en ons programma was het muzikale vervolg op zijn werk.”

“Het gaat allemaal over de Remonstranten en de ‘vrije wil’. De Remonstranten werd verweten dat ze heulden met de roomsen, omdat ze niet in volledige predestinatie geloofden: wie goed deed kon nog een beetje aan zijn lot ontsnappen. De liederen gaan onder meer over Van Oldenbarneveldt die geen gratie van Maurits kreeg, en over Hugo de Groot en de boekenkist, en over de Dordtse Synode.”

De laatste Camerata-cd past in elk geval in het seizoen. Cantiones Natalitiae, kerstliederen uit de tijd van Rubens heet hij. Het zijn 27 liedjes, deels in het Nederlands, deels in het Latijn. Succesnummers als ‘Herders hy is gheboren’ en ‘Hoe leyt dit kindeken’ blijken al in de 17e eeuw ontstaan te zijn.

“Mooi dat hij uit is”, zegt Grijp, “ik had hem nog niet gezien. We hebben dat ding opgenomen toen de mussen zo’n beetje van het dak vielen. Overigens is het wel een beetje een a-typisch produkt. Meestal moet ik veel meer onderzoek doen, in dit geval hoefde ik eigenlijk alleen een collega te raadplegen die alles over die liederen weet.”

‘Aardigh Martijntje’

Maar er zijn meer toepassingen van Grijps werk. Hij haalt een loodzwaar boek vol schitterende kleurenreprodukties tevoorschijn: The Hoogsteder Exhibition of Music and Painting in the Golden Age, waar hij aan meewerkte. “Het is een catalogus van kunsthandel Hoogsteder. Van alle schilderijen uit de Gouden Eeuw gaat ongeveer tien procent over muziek. Een getrouwe afspiegeling van de werkelijkheid gaven die overigens niet. Ik ben nagegaan of wat er wordt afgebeeld wel denkbare of zinvolle combinaties van instrumenten zijn.”

“Dat zijn het allemaal, maar er ontbreken ook gangbare dingen, zoals een gambaconsort, zeg maar het 17e eeuwse equivalent van een strijkkwartet. En wat je ook nooit ziet zijn vier blokfluiten ofzo, ik denk dat schilders het niet interessant vonden een paar keer hetzelfde te schilderen.”

Grijp maakte ook een cd rond de blinde beiaardier Jacob van Eyck. “Dat is een wereldberoemd blokfluitcomponist uit de Gouden Eeuw”, verklaart hij. “Je hebt maar weinig composities alleen voor blokfluit, dus die man wordt nog steeds tot in Japan gespeeld. De oorspronkelijke melodieën zijn bij zijn liedteksten gezocht. ‘Aardigh Martijntje’ zit daar bijvoorbeeld tussen, over het Amsterdamse hoerenleven.”

“Het zijn allemaal teksten over mensen van vlees en bloed. Die speelde men vroeger op het Janskerkhof in Utrecht, waar je toen allemaal iepen en linden had. De Utrechtse jeugd verzamelde zich daar ’s avonds om in de lommer te knuffelen en te doen.”

Grijp vertelt over het verleden of hij er zelf bij geweest is. Ooit, nog als student muziekwetenschap, viel hij voor Valerius’ Nederlandtsche Gedenck-clanck. Zo is het begonnen. “Dat is nu ongeveer het beroemdste liedboek aller tijden, maar toen nog helemaal niet”, zegt hij.

“Wat mij zo aansprak was dat bij alle liederen de begeleiding voor luit en citer wordt gegeven. Kijk maar: niet in een notenschrift, maar in een zogeheten ‘greepschrift’, waarbij de lijntjes de snaren voorstellen. Er staan van die evergreens in als ‘Merck toch hoe sterck’. De Gedenck-clanck was een adaptatie voor de elite van het Geuzenliedboek, dat echt iedere soldaat en matroos kende. Die liedjes gingen over de Tachtigjarige Oorlog, en de boekjes waren voor drie stuivers te koop. Valerius, een rederijker uit Veere, deed alles wat daarin stond wat godvruchtiger en beschaafder over.”

Voor al zijn onderzoek kreeg Grijp in oktober de penning van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis uitgereikt. “Eerst was dat een jaarlijkse penning, nu een  driejaarlijkse, dus ik voel me extra gecoiffeerd”, zegt hij vrolijk.

Cultureel verzet

Maar Grijp houdt zich niet alleen met de geschiedenis bezig, op het Meertens Instituut telt ook het heden. Sinds een tijdje werpt hij zich op het regionale lied. Linken en doorlopende lijnen met het verleden en het Nederlandse lied zijn er wel.

“Ik heb in feite alle uitersten gezien”, zegt Grijp, “van de middeleeuwen tot nu.” Uit die middeleeuwen vond hij ondermeer de muziek terug bij het werk van de mystieke dichteres Hadewych, waarvan totvoorkort niemand wist dat er melodieën bij hoorden. “Dat zingen gaat je niet in de kouwe kleren zitten”, merkt hij op. “Maar wat me aanstaat in het lied is dat het een levende vorm is, die in essentie in al die eeuwen niet veranderd is. Bijna altijd gaat het over de liefde of over God. Het is een waanzinnig constant fenomeen.” 

Nog iets keert telkens terug. Grijp: “In je eigen taal zingen was altijd al een daad van cultureel verzet. De elitemuziek was altijd in een vreemde taal. De grachtengordeldieren van vroeger luisterden de hele Renaissance naar Franse muziek, in de Gouden Eeuw was het Italiaans, toen werd het weer Frans en Duits in de Romantiek, en tegenwoordig is het Engels, zelfs voor de ‘serieuze’ muziek.” 

Tegenwoordig betekent ‘zingen in je eigen taal’ steeds vaker ‘zingen in een regionale taal’. Grijp: “De regionale identiteit en het dialectlied leven enorm. Ik merk dat er veel behoefte is aan artikelen, lezingen. De regionale omroepen spelen er een grote rol in. De algemene ontwikkeling is ook van dialecten naar regiolecten, en die omroepen zijn natuurlijk een ideaal podium voor plaatselijke muziekgroepen.”

“Op het moment ben ik bezig het verschijnsel in kaart te brengen. Daar moet ik flink de provincie voor in. Om met lokale kenners te praten, maar ook om de muziek aan te schaffen. Waarschijnlijk het enige dat je níet in Amsterdam kunt kopen, alleen Normaal en sinds kort Rowwen Hèze dringen wat verder door.”

“Ik begin wel al een beeld te krijgen. In de liedjes zit veel nostalgie. Vaak gaan ze over het dorp en het dialect, en het agrarische gebeuren. Soms ook over het ‘verwerpelijk toerisme’. Je hebt ook wat ik maar de ‘Normaal-achtigen’ noem. Normaal was in 1975 met ‘Oerend hard’ een voortrekker. Zelf heb ik dat nummer pas op mijn veertigste ofzo gehoord, moet ik bekennen, maar ik probeer echt voor alle muziek open te staan.”

“Er is momenteel een soort anti-Randstad, anti-Westerlingen trend. ‘Boerenmuziek’ is een Geuzennaam aan het worden. Wat ik heel leuk vind is dat die regionale groepen zich de internationale stijlen toeëigenen: je hebt plaatselijke hardrock, country, rap. Maar oudere vormen leven ook nog steeds heel sterk.”

“Binnenkort wil ik achter het fenomeen ‘revue’ aan. In plaatsen als Hengelo hebben ze eens per jaar een revue, met conferences over de lokale ontwikkelingen en nog veel meer. Dat schijnt een groot succes te zijn.”

“Schouten dacht: we moeten toch iets doen om aan te tonen dat we niet geloven dat hij een schurk is”

Het eerste dat opvalt zijn de zwart-witte sportschoenen onder het grijze pak.

Prof.dr. Dirk Struik blijft er een uur op staan nadat hij naar het spreekgestoelte is gelopen. Dat hij zelf de gastspreker is op een symposium dat Dirk Struik 100 heet, vindt hij heel normaal.

Hij lijkt dan ook in niets op het clichébeeld van het mummelende honderdjarige baasje aan wie het feest, de slingers en het burgemeestersbe­zoek voorbijgaan.

Struik is gewoon wiskundige. De geschiedenis van de wiskunde is al heel lang zijn terrein, en het aardige is dat hij daar verhoudings­gewijs zelf nogal wat van meegemaakt heeft. Hij mag er graag over vertellen.

In vertellen en optreden schept hij sowieso genoegen. Met verve en het juiste gevoel voor theater steekt hij van wal met een gedichtje over zijn geboorteplaats Rotterdam. Dan zijn vroegste herinnering: dat hij zijn vader vroeg wat ‘boerenoorlog’ betekende.

Dat moet in 1900 geweest zijn. Een eeuw oud zijn geeft een ander perspectief op de dingen. Nog steeds is hij verontwaardigd dat “pas in 1917” het toelatingsexamen voor hbs’ers voor de universiteit werd afgeschaft.

Persoonlijke en vakmatige herinneringen lopen door elkaar. De grote geleerden van deze eeuw waren ook Struiks vrienden. Enthousiast vertelt hij over de colleges van de natuurkundige Paul Ehrenfest in Leiden: “Dat waren onvergetelijke lessen. Die man kon Einstein uitleggen wat Einstein zelf eigenlijk bedoelde.”

“Einstein wist dat ook, en die ging dus vaak naar hem toe. Op een dag ging ik op bezoek bij Ehrenfest, want ik was geëngageerd met een heel mooi meisje, en ik wilde haar aan hem voorstellen. Toevallig was Einstein er, en Ehrenfest vroeg hem onze verbintenis te ‘zegenen’.”

“Dat deed hij, en ik moet haast wel denken dat het effect heeft gehad. We zijn zeventig jaar getrouwd geweest. Vorig jaar is mijn vrouw overleden. Ze heeft een mooi leven gehad, ze is 99 geworden, maar het is toch jammer dat ze hier niet is…”

Heksenjachten

‘Mariage’, het huwelijk, is een van de drie M’s die Struiks leven bepaald hebben, zo stelde hij zelf eens.  ‘Marxism’ en ‘Mathematics’ zijn de andere twee.

Dat die biografische samenvatting in het Engels gegeven wordt, heeft alles te maken met het feit dat Struik in 1926 naar Amerika, naar het  MIT (Massachusetts Institute of Technology) in Boston vertrok.

Hij woont er nog, hoewel ze het hem er niet altijd gemakkelijk hebben gemaakt. Als marxist (“een leraar op de hbs leerde me over het socialisme”) kwam hij in de problemen tijdens het McCarthy-tijdperk met de heksenjachten op iedereen die maar naar ‘rood’ zweemde.

“Ik hou er niet van om verder over die tijd te praten,” zegt hij als we elkaar een week na het symposium (waar hem ter afsluiting nog een kristallen kunstwerk met veel M’en werd aangeboden) op zijn hotelkamer in Amsterdam ontmoeten.

“Zeker niet als ik hier in Nederland ben. De bezetting was veel erger.” Thuis, een paar jaar geleden, toen Simon Rozendaal hem voor Elsevier opzocht, wilde hij er wel over vertellen. Het komt er in het kort op neer dat hij in 1951 veroordeeld werd voor ‘subversie’ en pogingen om de regeringen van Massachusetts en de Verenigde Staten omver te werpen.

Aanleiding vormde ondermeer dat hij in commissies ter bevordering van de Amerikaans-Russische relatie zat, en dat hij protesteerde tegen de politionele acties van Nederland (een bevriende natie tenslotte) in Indonesië.

Een hoge borgsom bevrijdde hem uit de gevangenis, maar MIT schorste hem als hoogleraar. Ondanks protesten van veel prominenten, onder wie Einstein, duurde het tot 1956 voor de veroordeling nietig werd verklaard en Struik zijn baan weer terugkreeg.

Het is geen toeval dat Struik juist in die tijd, nu exact veertig jaar geleden, tot correspondent van de KNAW benoemd werd.

Inmiddels is hij ongetwijfeld de oudste correspondent die de Akademie rijk is, en in tegenstelling tot vele anderen staat zijn naam nog steeds niet in het rijtje ‘rustende’ leden. “Een eretitel,” noemt hij het, “die verder niets inhoudt. Ik geloof dat het Schouten was die indertijd dacht ‘we moeten toch iets doen om aan te tonen dat we niet geloven dat hij een schurk is’. Het was een bewijs van vertrouwen.”

Scheppende wiskunde

J.A. Schouten was hoogleraar wiskunde in Delft, en de man bij wie Struik – na eerst nog heel even leraar geweest te zijn – in 1917 als assistent terechtkwam.

Later werd hij Schoutens medewerker. In die jaren was Struik nog volop in staat tot wat hij “scheppende wiskunde” noemt. ‘Tensoren’ waren hun terrein.

“Tensorvergelijkingen zijn een deel van de zogeheten vectorrekeningen, die eind vorige eeuw ontdekt werden,” legt hij uit. “Het beginsel daarvan is dat je met dingen opereert die eruit zien als pijltjes. Een vector is een lijnelement met een richting erin. Die dingen kun je optellen, aftrekken, vermenigvuldigen.”

“Maar je kunt ook andere concepten bedenken, waarbij je meer dan alleen lengte en richting nodig hebt. Bijvoorbeeld: hoogte, breedte en lengte, of een draairichting.”

“Of iets dat door zes of negen verschillende ‘coördinaten’ gedefinieerd wordt. Dan krijg je iets dat gecompliceerder is dan een pijltje.”

“En alles wat je kunt bedenken komt in de praktijk voor, in de elektrodynamica bijvoorbeeld, om stromen en spanningen te definiëren.”

“Er zijn een hele hoop dingen op ‘or’, rotor, deviator, en eentje is de tensor. Die geeft je een manier om tamelijk ingewikkelde relaties in de wiskunde of de natuur uit te drukken.”

“De tensorrekening is belangrijk voor de natuurkunde, Einstein had de theorie nodig voor de ontwikkeling van zijn zwaartekrachttheorie, die later weer ontwikkeld is tot de algemene relativiteitstheorie.”

“Ik heb geprobeerd om de tensorrekening zuiver wiskundig te ontwikkelen. En het mooie van tensoren is dat je ze onafhankelijk van de coördinaten kunt denken. Ze drukken dus beter uit wat er in de natuur gebeurt, want daar heb je ook geen coördinatenstelsel.”

In de jaren vijftig liet Struik het zuiver wiskundig onderzoek voor wat het was. “Dat bijna niemand dat na een bepaalde leeftijd nog kan, heeft waarschijnlijk te maken met het vermogen je te concentreren,” zegt hij. “Na hun zestigste zie je mensen verslappen. Als ze nog iets doen zijn ze eigenlijk zichzelf aan het herhalen. Maar aan de geschiedenis kan je wat doen zolang je wilt, heb ik ontdekt, als je tenminste nog niet helemaal afgetakeld bent.”

“En ik had het geluk dat geschiedenis van de wetenschap na de tweede wereldoorlog een respectabel onderwerp geworden is. Vroeger zag men het belang van de ontwikkeling van een vak niet zo. Ik heb mijn hele leven wiskunde als iets levends gezien, iets dat niet vastgevroren zit in leerboeken, en dat heb ik van Ehrenfest geleerd.”

Struiks overstap naar de geschiedenis van de wetenschap leverde twee klassiekers op die nog steeds herdrukt worden: Yankee Science in the making, Science and Engineering in New England from Colonial Times to the Civil War, waarin aan de hand van de sociale en economische achtergronden een beeld wordt gegeven van de ontwikkeling van wetenschap en techniek in Nieuw-Engeland toen dat nog een kolonie van Engeland was, en Concise History of Mathematics, dat vele malen vertaald werd, in het Nederlands als Geschiedenis van de Wiskunde.

“Kijk, wiskunde heeft zijn eigen dynamica, wiskunde brengt wiskunde voort,” zegt hij over dat boek, “en daarnaast hebben de ontwikkelingen in de sterrenkunde en de natuurkunde invloed, maar ik heb ook geprobeerd de sociologische factoren die erop inwerken weer te geven. Dat maakt het wat minder droog.”

Madonna met kind

In de boeken vind je Struiks vertrouwen in het socialisme terug, dat hem tot op de dag van vandaag de overtuiging geeft dat de mens goed is, en dat het de omstandigheden zijn die van een fatsoenlijk persoon een onfatsoenlijk exemplaar maken, “ook al word je dan wel eens teleurgesteld”.

Zo zijn het ook vaak maatschappelijke omstandigheden die inwerken op de wiskunde. “De staat heeft dikwijls wiskunde nodig om economische, en wat erger is, militaire problemen op te lossen,” zegt hij. Dat bij de oude Grieken de wiskunde zo tot bloei kwam hangt volgens hem samen met het ontstaan van stadstaten.

Maar wiskunde is overal: seizoenswisselingen, zonsopgangen en -ondergangen, het bijhouden van voorraden of de resultaten van de jacht,  al die dingen hebben een directe sociale betekenis, en in allerlei culturen hebben ze bijgedragen aan het ontstaan en de ontwikkeling van de wiskunde.

Struik ziet meer verbanden: de ontdekking van het perspectief werd bijvoorbeeld door Italiaanse schilders gebruikt om de godsdienst te verheerlijken, “want ze moesten wel overal een madonna met kind of zoiets in stoppen”, zegt hij.

“En Christiaan Huygens wilde met zijn boek over slingeruurwerken – een goed wiskundig boek – de mogelijkheden verbeteren om de lengtemeridianen op zee te bepalen. Omdat dat nog niet kon gebeurden er de vreselijkste ongelukken. Daar lagen handelsbelangen, en militaire belangen. Enfin, dat slingeruurwerk heeft op zee nooit gewerkt omdat die schuiten te veel schommelden, pas halverwege de 18e eeuw werd de chronometer uitgevonden.”

“Tegenwoordig is men bezig naar de historische oorsprong van de wiskunde te kijken. Je wilt weten hoe men op wiskundige ideeën gekomen is, maar je hebt vaak geen geschreven bronnen.”

“De eerste wiskunde die we bij de Sumeriërs aantreffen was al heel ontwikkeld. Daarom is er nu veel aandacht voor culturen die geen schrift hebben, en die we vroeger primitief plachten te noemen. Dat zijn ze niet, ook daar vind je wiskundige ideeën. Als je bijvoorbeeld de prachtige zandschilderijen ziet die bij sommige rituelen van de Navaho-Indianen gemaakt worden… Die zijn heel ingewikkeld. Soms moet een figuur in één beweging getekend worden, soms mag het stokje een keer uit het zand gehaald. Moet het in één keer, dan kun je een pentagram maken, maar voor de zeshoek van de joden moet je een keer loslaten.”

“Die mensen hebben ideeën die wij als wiskundigen herkennen. En daar zijn duizenden jaren aan vooraf gegaan. Ooit moeten onze voorouders begrepen hebben dat er een correspondentie bestaat tussen vier stenen en vier appels: het abstracte getal vier, dat los staat van de dingen.”

Het is duidelijk: Dirk Struik is op alle fronten ‘bij’, ook al kan hij tegenwoordig nog maar een paar uur per dag werken. Voor iemand die 68 jaar geleden naar Amerika is vertrokken is zijn Nederlands verbijsterend goed.

Alleen heel soms kan hij niet op een woord komen, en de enige andere weggever is zijn gebruik van het woordje ‘zo’, waar in het Nederlands ‘dus’ gewoner is. “Je moedertaal is heel kostbaar”, zegt hij, “want het is de toegangspoort tot een hele cultuur. Ik ben altijd in het Nederlands blijven corresponderen met familie, en ik heb hier nog gewoond: van 1962 tot ’63 ben ik hoogleraar in Utrecht geweest. En ik ben Nederlandse boeken blijven lezen. Dezer dagen heb ik de Camera Obscura weer eens ter hand genomen. De familie Kegge: hoe warm het was, en hoe ver. “

Zijn taalgebruik is zelfs naar de heersende mode ‘politiek correct’. Hij spreekt over “wat we vroeger negers noemden en nu zwarte mensen”, zegt aldoor “wat geleerde heren en ook wel dames bedachten,” en als de verslaggeefster hem tot slot vraagt haar exemplaar van ‘Geschiedenis van de Wiskunde’ te signeren zegt hij: “Ja natuurlijk, en dan kan ik gelijk even een fout daarin verbeteren die me bij het lezen van de drukproeven ontsnapt is. Het is een pijnlijke fout, vooral als je met een vrouw spreekt: in plaats van Ada Lovelace heb ik gesproken van Anne Lovelace. Dat vind ik helemaal niet aardig.”

Na het interview zal hij naar de Achterhoek vertrekken, waar een deel van zijn familie woont. “Ik ga naar nicht Mientje, een oude boerin, die is ook honderd,” vertelt hij. Geïsoleerd voelt hij zich niet: “Ik ben in de gelukkige toestand niet zonder vrienden te zijn, zoals zo veel andere honderdjarigen die hun tijdgenoten verliezen. Ik heb vrienden in alle generaties, hier heb ik nu ook weer nieuwe gemaakt. En ik heb natuurlijk mijn collega’s.”

Een van zijn Nederlandse vrienden heeft er net op aangedrongen dat hij “wat systematischer” aan zijn autobiografie gaat werken. Struik voelt er wel voor: “Mijn Nederlandse ervaringen heb ik jaren geleden al opgeschreven, en van de Amerikaanse sommige episodes, onder andere over de McCarthy-periode. Dat is vertaald als De zaak Struik. De laatste maanden heb ik herinneringen aan mijn vrouw opgeschreven. Misschien dat ik er met wat hulp aan toekom álle herinneringen vast te leggen. Tenslotte heb ik het voorrecht gehad met de echte creatieve geesten samen te werken.”

NOOT: Dirk Struik zou 106 worden. Toen hij stierf schreef ik een klein stukje voor de NRC, en voor het honderdste nummer van Akademie Nieuws zocht ik onder meer uit of er nog iets terecht was gekomen van die memoires. En zet ik een fout uit bovenstaand interview recht. De nicht heette niet Mientje, maar veel mooier: Dieksken.

“In de wetenschap is er sprake van een officiële belazercultuur”

Hij ontvangt in de Perzische rozentuin, een aangename ommuring met groen en water en Perzische tegeltjes. Het is een prachtige ochtend, maar zelf heeft drs. Pek van Andel natuurlijk weer niet de rust te gaan zitten.

De lof zingend van het NIAS beent hij heen en weer. De rozentuin is de nieuwste aanwinst van het ‘Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences’, zoals de naam van het Akademie-instituut in Wassenaar voluit luidt. Het is een geschenk van een tevreden ex-fellow. Van Andel noemt het NIAS, waar onderzoekers een tijdje ongestoord kunnen werken, al dan niet als lid van een onderzoeksgroep, “een godsgeschenk”, en “een plaats waar je in je persoonlijke gekte wordt gestimuleerd.”

Hij wordt dit jaar vijftig, maar op zijn tachtigste is hij waarschijnlijk nog even jongensachtig als nu. Van Andel is niet zo gemakkelijk te plaatsen. De drs voor zijn naam komen van een doctoraal medicijnen, vrije studierichting. Op het aanvraagformulier voor het NIAS vulde hij bij ‘past positions’ in: onderzoeker/experimentator/uitvinder/docent bij de Afdeling Experimentele Chirurgie aan de universiteit van Groningen.

Op het moment zit hij in de WW. “Ik mag officieel alleen na vijven en in het weekend iets doen hier”, meldt hij stralend, “maar de dame die me dat vertelde zei er gelukkig niet bij of ze vijf uur ’s ochtends of ’s middags bedoelde.” 

Champagnekurk

Werkloos of niet, Van Andel bruist altijd van de ideeën. Zo vond hij een eenvoudig en goedkoop kunsthoornvlies uit, dat vanwege zijn vorm de naam ‘champagnekurk’ kreeg, en dat in India inmiddels standaard wordt gebruikt. In 1992 kreeg hij er de Wubbo Ockels prijs voor. Over zijn plan de Betuwelijn aan te leggen als een ‘afgezonken spoorlijn’ in de Waal is waarschijnlijk het laatste woord nog niet gezegd. Net als over allerlei andere zaken, schreef hij er een aantal artikelen over voor NRC Handelsblad.

Van Andel was ook de drijvende kracht achter het plan om met de tegenwoordig beschikbare Magnetic resonance imaging of MRI-techniek voor het eerst in de geschiedenis een duidelijke afbeelding te maken van de menselijke coïtus.

Dat plan is inmiddels uitgevoerd, en het al vele eeuwen gangbare beeld in de medische wetenschap blijkt niet te kloppen. Afbeeldingen uit hedendaagse leerboeken lijken opvallend veel op de beroemde tekening ‘de copulatie’ die Leonardo da Vinci in 1505 maakte: een geërecteerde penis in een vagina wordt steeds in een schuine hoek getekend.

In werkelijkheid blijkt het mannelijk lid tijdens een coïtus in de zogeheten ‘zendelingenhouding’ (vrouw op haar rug, man erbovenop liggend) bijna parallel te liggen aan de ruggegraat van de vrouw. Het artikel dat Van Andel samen met anderen over die MRI-bevindingen schreef, ging ten tijde van het interview al vele maanden van wetenschappelijk tijdschrift naar wetenschappelijk tijdschrift.

‘Niets voor ons’, luidde tot dusver telkens de reactie. Van Andel zelf heeft daar wel plezier in. Zelfs als het puur klinisch wordt aangepakt is seks kennelijk nog een controversieel onderwerp.

Opmerkingsgave

Hij mag dan graag controversieel wezen, het is moeilijk niet aangestoken te worden door zijn enthousiasme. Van Andels grote missie is een onderwerp dat perfect bij hem past: serendipiteit, een begrip dat hij zelf het liefst omschrijft als ‘de kunst een ongezochte vondst te doen’.

Van Andel zit op het NIAS om over dat fenomeen een boek te schrijven voor de Cambridge University Press. Het zal tegelijk zijn proefschrift zijn. “Het woord serendipity is in 1754 bedacht door de Engelsman Horace Walpole”, vertelt hij. “Hij baseerde het op een sprookje over de prinsen van Serendip, die door hun opmerkingsgave en slimme redeneringen van alles ontdekten.”

Al vele jaren verzamelt Van Andel gevallen van serendipiteit. Het is een verschijnsel dat je overal tegenkomt: in de wetenschap, de techniek, de kunst, maar ook in het dagelijks leven. We zijn omringd door zaken die als toevallige vondst begonnen: van de gele plakbriefjes die zo’n succes zijn, tot nylon. Zonder serendipiteit geen stethoscopen, penicilline of röntgenfoto’s. Picasso zou nooit een ‘blauwe periode’ gehad hebben als hij niet van de nood (hij had alleen nog maar blauwe verf in huis én geen geld) een deugd gemaakt had.

Van Andel: “Je moet er een oog voor hebben. Serendipiteit heeft iets van een paardesprong: je doet een stapje opzij van het standaardpatroon.”

Toch zitten er ook in serendipiteit zelf weer patronen. Van Andel heeft er nu achttien ontdekt, die elkaar overigens ook kunnen overlappen. ‘Geslaagde fouten’ en ‘analogieën’ zijn voorbeelden van die patronen. Op zijn NIAS-werkkamer staat een lange rij ordners, naast boeken met titels als Creativiteit, Groote strijders tegen ziekte en dood en Liegen met en zonder opzet. “Ik kwam hier met een hele eend vol”, vertelt hij, “fiets op het dak, en allemaal dozen met voorbeelden. Ik heb ze niet geteld, maar het moeten er tussen de twee- en drieduizend zijn. Ik ben een maand bezig geweest met archiveren.”

Nu ligt er een eerste concepttekst voor het boek. De opzet van het NIAS werkt. Van Andel: “Het geheim is dat je de routine van mensen doorknipt. Het is een soort krijgslist: je geeft mensen de illusie dat ze vrij zijn, maar je fokt elkaar wel op. Je geeft een rondje aan de bar als er zoveel bladzijden afzijn bijvoorbeeld. Het is hier een jeugdherberg voor volwassenen. Met alle bijbehorende relaties, maar daar gaat men zeer discreet mee om.”

Geheel in stijl kwam Van Andel het NIAS “via een achterdeur” binnen. “Ik weet dat je het toeval soms een handje moet helpen”, lacht hij. Normaal gesproken wordt een aanvraag pas na minstens een jaar gehonoreerd, maar Van Andel bedacht dat er misschien wel eens iemand uitviel. “Dat bleek het geval”, zegt hij, “dus toen kon ik heel snel terecht.”

Zijn boek moet iets krijgen van een moppentrommel, ook al gaat het zeker niet om zomaar anekdotes. Wie een aantal serendipiteitsgevallen leest krijgt automatisch een andere blik op hoe bijvoorbeeld de wetenschap werkt, en op wat creativiteit nou eigenlijk is. 

Van Andel: “Het kan mij niet zoveel schelen of ik een geval van serendipiteit tegenkom in een sprookje, een apocrief verhaal of een goed gedocumenteerd wetenschappelijk verslag. Het gaat me om het mechanisme.” Uit al die bronnen komen de verhalen. Er is het sprookje van de Chinese prinses die een kopje hete thee dronk, toen er uit de boom een zijderups viel. Nog altijd worden zijderupsen op sommige plaatsen in heet water gelegd, om het afwikkelen van de zijdedraad te vergemakkelijken.

Er is het wellicht apocriefe verhaal van Laurens Janszoon Coster die in de vijftiende eeuw voor zijn kleinkinderen letters uitsneedt uit hout. Toen die in het zand vielen en daar een afdruk achterlieten bedacht hij het idee van de boekdrukkunst. Een medewerker stal zijn spullen en bracht ze naar Gutenberg, die vervolgens met succes de uitvinding claimde. En Antoni van Leeuwenhoek werd het zat om alleen insekten en blaadjes onder de microscoop te bekijken. Hij nam een druppel water en zag dat die vol ‘dierkens’ zat. De bacteriologie was geboren.

Worgman

Van Andel is zeer gelukkig dat hij nu de gelegenheid krijgt in alle rust (“ze leggen je hier echt in de watten”) zijn boek te schrijven, maar de neiging in de rest van de wetenschappelijke wereld om originaliteit te marginaliseren, maakt hem bedroefd.

“Ik was laatst op een bijeenkomst waar Borgman, de voorzitter van NWO, een verhaal hield dat aio’s en oio’s vooral geen zijpaden mogen bewandelen bij hun onderzoek”, vertelt hij. “Ik ben opgestaan en ik heb gezegd ‘Meneer Borgman het kost me moeite u geen meneer Worgman te noemen.’ Onderzoek gaat namelijk vrijwel nooit ‘volgens het boekje’. Ik heb Casimir wel eens horen zeggen dat als je terugkijkt op vier jaar onderzoek, en het is precies zo gegaan als je gepland had, dat je onderzoek dan niet gewaagd genoeg was.”

“In de wetenschap is er sprake van een officiële belazercultuur van twee kanten. Het is geen complot ofzo, maar als je gewoon eerlijk bent en zegt ‘ik zie wel wat ik vind’, dan krijg je niets gefinancierd. Dus doen mensen aanvragen op basis van resultaten die ze grotendeels al in de la hebben liggen. Het ‘witte’ geld dat ze daarmee binnenkrijgen gebruiken ze dan ook om ander ‘zwart’ onderzoek te doen naar iets dat ze werkelijk interesseert. Komt daar iets uit, dan kan dat op dezelfde manier weer nieuw ‘wit’ geld opleveren.”

“Het is een schijnstructuur. En originaliteit wordt zo weggepoetst. Ook uit de wetenschapsverslagen. Daarom wil ik een warm pleidooi houden om mensen hun troetelzondes te laten doen. Juist de maverick, de solist aan de zijlijn, mag niet uit de boot vallen. Daarom zou ik ook zo graag zien dat de Akademie haar gezag zou doen gelden om mensen die onbetaald wetenschappelijk werk doen te steunen.”

Noot: Vrijwel nooit is er van hogerhand ingegrepen in mijn KNAW-interviews. Dit is de uitzondering die die regel bevestigt. De MRI-seks ging het bestuur te ver. De passage daarover haalde Akademie Nieuws nooit. Achteraf gezien geweldig jammer. De Akademie had de primeur kunnen hebben van wat een klassiek onderzoeksresultaat is gebleken. Van Andel kreeg er de Ig-Nobelprijs voor zelfs. Hier een klein filmpje, ook met de MRI-beelden. http://www.youtube.com/watch?v=OVAdCKaU3vY 

Hierboven, meld ik voor de zekerheid, dus de ongecensureerde versie van het interview. Het is inmiddels zo lang geleden dat hopelijk niemand er meer aanstoot aan zal nemen.

“De middelen die er zijn worden goed besteed, maar we hebben meer middelen nodig”

Nee, fundamenteel onderzoek is nu niet direct een onderwerp waarmee je stemmen trekt. De staatssecretaris geeft het grif toe. Net zoals hij onmiddellijk bereid is te zeggen dat het slecht, zelfs “gevaarlijk slecht” staat met het peil van de investeringen in wetenschap en technologie. In zijn oplossingen klinkt iets van een refrein uit My fair lady door: ‘als ’t effe kan, ja dan..’

Het gesprek in de werkkamer van mr. M.J. Cohen, staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, ‘belast met het hoger onderwijs- en wetenschapsbeleid’, gaat voor een goed deel over fundamenteel onderzoek en natuurlijk uiteindelijk over geld. Wie zal wat betalen? En waarom? Cohen (46) zoekt het in “bruggen bouwen”, en “kanalen graven”, en als het even kan dan moeten de partijen elkaar ergens halverwege ontmoeten.

“Ik zit op een snijpunt”, zegt hij. “Ik ben natuurlijk opgegroeid met het debat over fundamenteel onderzoek aan de universiteiten. Ik weet heel goed hoe er daar over gesproken wordt, het belang dat eraan gehecht wordt.”

Achter hem hangt een kleurige tekening van Maastricht, de stad waar hij rector magnificus was tot hij in juli 1993 een tikje halsoverkop naar Zoetermeer kwam om zijn voorganger-van-acht-dagen Prof. R. in ’t Veld op te volgen. Op dat moment had hij een lange bestuurlijke carrière achter de rug. Als student rechten in Groningen was hij al lid van het bestuur van de juridische faculteit. Voor zijn partij was hij ook actief. Onder zijn leiding kwam bijvoorbeeld het PvdA-rapport ‘Hoger onderwijs in de jaren negentig’ tot stand.

“Nu ik hier zit”, zegt hij, “en omgekeerd uitvoerig beïnvloed wordt door de politiek, zie ik nog beter dan eerst wat hier de problemen zijn. Het verhaal over onderzoek en maatschappelijke vraag wordt toch anders. Ik wil graag duidelijk maken dat ik er tussenin zit.”

Gegrepen worden

Dat fundamenteel onderzoek belangrijk is staat voor Cohen buiten kijf. Hij geeft desgevraagd ook een mooie definitie van het begrip: “Gegrepen worden, om vaak hoogstpersoonlijke redenen, door zaken waar je het antwoord niet op weet, en waar je dan probeert achter te komen. En dat zonder in beginsel gehinderd te worden door de vraag of het nou ergens toe doet dat je het antwoord op die vragen weet.”

Toch valt inmiddels uit bijna alle onderzoeksinstellingen de klacht te beluisteren dat er nu juist voor dat soort onderzoek door alle bezuinigingen niet genoeg ruimte meer is. “Ja”, reageert hij, “er wordt op veel terreinen geklaagd. Ik zou het niet eens weten… Ik denk dat als je gaat kijken hoe de financiering nu zich verhoudt tot enkele decennia geleden, dat je dan wel eens tot heel interessante conclusies zou kunnen komen. Maar er ligt een probleem, dat valt niet te ontkennen, en we proberen daar nu ook het nodige aan te doen.”

Hoe? Cohen ziet een oplossing in het dichter bij elkaar brengen van fundamenteel onderzoek en de maatschappelijke vraag: “Vanuit wetenschappelijk oogpunt hoeft het nauwelijks betoog dat zulk onderzoek belangrijk is”, zegt hij, “maar maatschappelijk wordt het vaak ingewikkelder. De relatie is vaak zwak: het kan wel honderd jaar duren voordat onderzoeksresultaten een toepassing in de samenleving vinden. Je weet dat niet van tevoren. Naar mijn idee kan die relatie worden versterkt, en dan moet ik de term strategisch onderzoek laten vallen. Want je kunt dat doen via onderzoek op terreinen die nu relevant zijn en waarvan je van tevoren kunt zien dat het waarschijnlijk iets op zal leveren. “

“Neem een thema als veroudering. Dat zien we om ons heen. Zelfs mede dankzij de wetenschap neemt het aantal ouderen toe. Er liggen daar enorm veel vragen, van alfa tot en met bèta. Wat is er dan tegen je juist op zoiets te richten? En er zijn meer van die terreinen: het milieu en ruimteonderzoek bijvoorbeeld. Daar ligt een verbindingslijn, zonder dat je trouwens onmiddellijk moet stellen ‘dit zijn de vragen en ik wil daar die antwoorden op hebben’, want dat weet je niet. Het interessante is nou net als die anders worden dan je zou verwachten.”

Antennes

Verbindingslijnen, kanalen. En liefst iedereen moet er aan meedoen. Cohen pleit ervoor dat onderzoekers antennes kweken voor strategisch onderzoek. “Als je ontzettend veel geld van de samenleving krijgt dan is het toch niet zo gek dat in het achterhoofd te houden”, stelt hij. Maar ligt daar niet een cultuurprobleem?

 “Ja”, zegt Cohen, “en dat is een van de dingen waar het ministerie mee bezig is: de wisselwerking tussen onderzoekers en het bedrijfsleven. De kanalen daartussen moeten verder gegraven worden. Daarvoor is ook de relatie tussen dit ministerie en Economische Zaken belangrijk. Maar het zijn verschillende werelden, en je loopt tegen problematische vragen aan, zoals: wanneer is onderzoek voor het bedrijfsleven interessant? Vooral als een bedrijf er exclusief over kan beschikken.”

Dat probleem met de industrie komt nog een paar maal terug. De programma’s van de Europese Unie worden immers ook geacht bijdragen te leveren aan de bloei van de industrie. “Maar Europa realiseert zich heel goed dat dat onderzoek in de precompetitieve sfeer moet blijven”, stelt Cohen gerust, “je moet geen dingen doen die leiden tot voordelen voor bepaalde industrieën, en voor andere weer niet. Dat laat wel onverlet dat er nog ontzettend veel te doen is aan het creëren van een draagvlak waarbij Europa als zodanig veel beter gebruik van onderzoeksresulaten kan gaan maken. “

“De vraag is of je op dat niveau heel veel geld in fundamenteel onderzoek moet stoppen. Je kunt ook zeggen: het is veel belangrijker de communicatie binnen Europa te verbeteren, en te investeren in hoge-snelheidstreinen, communicatienetwerken, glasvezelkabels. Europa moet het toch hebben van de kwaliteiten op het gebied van kennisinfrastructuur, en dat kan alleen door de samenwerking te vergroten. Daarvoor is onderlinge samenwerking wezenlijk.”

Kennisinfrastructuur, het is een tongue twister van jewelste, en ook een beetje een toverwoord. Het partijprogramma van de PvdA spreekt over versterking van die structuur en van de kwantiteit van onderzoek en ontwikkeling in ons land. Cohen staat er van harte achter. “Met dat peil is het wat mij betreft gevaarlijk slecht gesteld”, zegt hij. “Bij de overheid is het teruggelopen, maar ook de particuliere investeringen zijn achteruitgegaan. We hebben daar enig onderzoek naar gedaan: bij de grote industrieën, met name bij Philips, zijn forse klappen gevallen. Voor een deel is het wel begrijpelijk dat er op onderzoek bezuinigd wordt, maar het is toch een beetje de kip met de gouden eieren slachten als je denkt aan het belang van de kennisinfrastructuur.”

Trash

Oplossingen moeten weer van verschillende partijen komen. Cohen: “Het moet een gezamenlijke krachtsinspanning zijn. En juist om die reden vind ik de hele discussie over de vraag naar fundamenteel of strategisch onderzoek zo belangrijk. Maar ik hoop natuurlijk ook dat er in de volgende regeringsperiode meer geld vrijgemaakt zal worden, dat dat punt gemaakt kan worden. En dat daar vervolgens nog een robbertje over geknokt zal moeten worden lijkt me helder, gezien de verkiezingsprogramma’s waarin aanzienlijke bezuinigingen zijn opgenomen.”

Ook Cohen vindt kennelijk dat het met de bezuinigingen iets te ver gegaan is. “De tijd ligt achter ons dat we nog slecht onderzoek kunnen wieden. Er is in de afgelopen jaren veel trash verdwenen, maar als er nu bezuinigd moet worden gaat dat ten koste van goed onderzoek. Dat betekent dat het beleid om goed onderzoek te stimuleren vrucht heeft afgeworpen.”

Hij vat samen: “De middelen die er nu zijn worden goed besteed, we hebben alleen meer middelen nodig. Uit de verhalen die ik hoor maak ik op dat het onderzoek dát er gebeurt van hoge kwaliteit is. Dat is ondermeer het effect geweest van de beoordelingen. En ja, dat onderzoekers klagen over de bureaucratie die dat met zich meebrengt.. Kijk, die wordt natuurlijk nooit minder, dat is een prijs die je moet betalen. En er wordt toch aan meegewerkt door de onderzoekers. De kunst is de bureaucratische elementen te beperken, en daar wordt ook aan gewerkt. “

“Als je je realiseert hoe het in het begin ging met de Voorwaardelijke Financiering, dan is er een duidelijk verschil. Nu werkt de VSNU aan een onderzoeksbeoordeling waarbij geprobeerd wordt de bureaucratische last te beperken: gewoon, wel vertellen wat je gedaan hebt, én – en dat vind ik zelf heel aardig – wat de belangrijkste publikaties van de groep zijn. Dan kijk je rechtstreeks naar de inhoud. Kwaliteit is het belangrijkste, en daar gaat het goed mee. NWO kijkt nu zelfs niet meer alleen naar kwaliteit. Wat er binnenkomt aan onderzoeksaanvragen is allemaal uitstekend. Je kunt nu ook andere criteria toepassen.”

Eerste tranche

Terug op het stokpaardje van de maatschappelijke relevantie. Maar waar moeten de uitstekende onderzoeksvoorstellen die niet direct strategisch zijn heen? “Er is natuurlijk nog steeds een hele grote eerste geldstroom”, zegt Cohen. 

Die voortaan ten dele bij de Onderzoekscholen terecht zal komen. Hoe zit het daar met de kwaliteit? Lijkt het er niet op dat iedereen daar een plaats in krijgt? Cohen: “Dat wil ik nog wel eens zien. De eerste tranche was natuurlijk de top of the hill, dat die er allemaal door zijn gekomen ligt voor de hand. Het is interessant wat er nu gaat gebeuren. Ik hoop dat de KNAW hoge criteria blijft stellen. Zo’n Onderzoekschool moet iets toevoegen. In de eerste plaats ten aanzien van de onderzoekersopleiding, dus de schoolgedachte, maar er moet ook gekeken worden of de universiteiten werkelijk bereid zijn voor onderzoekscholen financiën ter beschikking te stellen. Niet zomaar, maar dat ze echt zeggen ‘we beschermen dat, ook als het straks minder wordt’. We moeten kijken hoe dat gaat.”

We zijn bij de functies van de Akademie terecht gekomen. Cohen heeft er het volgende over te zeggen: “Kenmerkend voor de KNAW is toch dat het een privaat gezelschap is van zichzelf coöpterende onderzoekers, en dat moet vooral zo blijven.”

Maar ze krijgt wel over steeds meer zaken iets te zeggen: onderzoekscholen, evaluaties, nu de verkenningen. Zit daar niet iets raars aan? Loop je met zo’n coöptatiesysteem niet het risico dat sommige vakgebieden een scheve vertegenwoordiging krijgen? “Hoe zou het anders moeten?”, vraagt Cohen.

“Kijk, over politieke vragen moet de KNAW ook niet veel zeggen, niet veel willen zeggen. Wél over vragen van kwaliteit, de inrichting van kwaliteit. In beginsel is het de enige club die daar met gezag uitspraken over kan doen. Het spreekt voor zichzelf dat je heel precies moet zijn met het toedelen van vragen aan de Akademie. Die moeten op dit terrein liggen. En dan moet ze met een zekere distantie uitspraken doen. Zoals laatst over de spelling, dat beviel me wel.”

Levensvatbaarheid

Ook over de Akademie-instituten wil Cohen nog iets kwijt: “Daar is een ontwikkeling geweest, maar nu moeten we nog een paar stappen verder. De relatie met de universiteiten is van belang. Je hebt een verwevenheid nodig ter versterking van de infrastructuur, zonder dat je meteen zegt: laten we de boel overhevelen. De instituten hebben op zichzelf een eigen levensvatbaarheid. Maar als ze op zichzelf staan dan moeten ze streven naar topkwaliteit, anders hebben ze geen bestaansrecht. Daar moet in de toekomst naar gekeken worden. Er valt nu niet veel meer over te zeggen.”

Wel over de gevolgen van het ‘besturen op afstand’. Cohen moet een beetje lachen over klachten op dat terrein. En je moet de zaken wel scheiden. Neem bijvoorbeeld de overdracht van alle gebouwen aan de instellingen zelf, zonder dat er extra geld voor bijvoorbeeld onderhoud beschikbaar is. “Mijn taxatie is dat de universiteiten daar heel tevreden mee zijn”, zegt hij. “Toevallig heb ik van de week net de zegenende werking gezien. Ik bracht een bezoek aan de Rietveld Academie. In het HBO is die overdracht al eerder geweest, en de Rietveld liep deze zomer tegen een leegstaand fabriekscomplex aan dat zo goed beviel dat ze het van de ene op de andere dag gehuurd hebben. Dat was vroeger volstrekt onmogelijk geweest: dan had je midden in de zomer O. en W. moeten bellen. Je hebt nu een enorme flexibiliteit. Dat je tegelijk zegt: er is eigenlijk te weinig geld voor, dat staat ernaast. De financiering is een probleem. Ja. Daar moeten oplossingen voor komen.”

En dat er nu zoveel meer wordt overgelaten aan de Colleges van Bestuur? Die nu bijvoorbeeld zonder naar de rest van het land te kijken hun eigen hoogleraren aanstellen, met alle risico’s voor een waan-van-de-dag-beleid? Verbazing en lichte verontwaardiging klinken er nu in Cohens stem door: “Het is interessant dat in deze redenering het heil blijkbaar van O. en W. moet komen, terwijl de vorige gedachtegang was dat het daar nu juist niet lag. We wilden het toch zo? CvB’s moeten natuurlijk afwegingen maken, hun autonomie vormgeven. Maar ik heb niet de indruk dat het nu zo slecht gaat met de benoemingen van hoogleraren. Adviezen van zusterfaculteiten spelen een zware rol. De beleidsvrijheid is toegenomen, en dat was ook precies de bedoeling.”

De vraag of hij terug wil komen in een volgend kabinet vindt Cohen de moeilijkste van allemaal, ook al is het hem “prima bevallen.” Hij aarzelt: “Er zijn voors en tegens. Ik weet het echt nog niet.”

Piraterij, heffingen en de fiscalisering van het auteursrecht

“Het is mooi dat het vak auteursrecht nu een plaatsje heeft in de Akademie”, zegt Prof.mr. D.W.F. Verkade, een van de vijftien vers verkozen KNAW-leden. In zijn vak is er heel wat gaande dat zijn “auteursrechthart”, zoals hij het noemt, stevig raakt, en waarbij ook de gemiddelde burger niet buiten schot blijft.

Dat auteursrecht vormt al 25 jaar Verkades vakgebied. Eerder werkte hij in Amsterdam en Nijmegen aan de universiteit, nu is hij hoogleraar in Leiden, waar hij zijn studie begon. ‘Informatierecht en het recht van intellectueel eigendom, in het bijzonder het auteursrecht’ luidt zijn leeropdracht voluit. Verkade (49) combineert de theorie al heel lang met een advocatenpraktijk.

Over beide wil hij graag vertellen, steeds zorgvuldig en voorzichtig formulerend op de wijze die juristen aangeboren lijkt te zijn. Voor Verkades gesprekspartner vormt het interview een buitenkansje. Hij heeft natuurlijk een auteur tegenover zich. Twee zelfs, en hij blijkt onmiddellijk bereid zijn visie te geven op een paar voorbeelden uit het dagelijks leven van de verslaggeefster en de fotograaf.

Zo is er de schrik van elke journalist die niet in dienstverband werkt: je hebt een mooi plan, legt het voor aan een redactie en daar zegt men ‘prima idee, dat gaan we een van onze eigen mensen laten doen’. Het gevoel van machteloosheid dat dat oproept blijkt terecht.

Verkade: “Daar kun je niet veel aan doen. We hebben onlangs een paar rechtszaken gehad over concepten van tv-programma’s bijvoorbeeld. De theorie, waar ik het ook mee eens ben, is dat de loutere ontdekking, het loutere idee niet beschermd is, vanwege de gedachtenvrijheid, de ideeënvrijheid. De rechtspraak laat dat ook zien.”

“Bescherming begint pas daar waar er sprake is van een eigen persoonlijke vormgeving of uitdrukking van het idee. Dus pas als er ook in de uitwerking van een concept wordt nagevolgd, kan de grens overschreden worden. Dat wordt per geval beoordeeld, en soms heb je op een nieuw gebied wat precedenten nodig. Daarna worden dergelijke zaken dan vaak geschikt, omdat de advocaten over en weer wel weten hoe het zit.”

 Ivo Niehe

 “Wat duidelijk niet mag is bijvoorbeeld een interview publiceren onder een andere naam, ook niet als het een beetje bewerkt is.” En als Ivo Niehe iemand in zijn programma haalt met wie er vlak daarvoor een vraaggesprek in de krant stond, een gesprek waar Niehe bij wijze van introductie hele stukken uit citeert, zonder bronvermelding?

“Daar hebt u misschien wel een case“, zegt Verkade. “Wanneer hij dezelfde verhaallijn aanhoudt… Kijk, u hoeft in zo’n geval de ontlening niet te bewijzen, hij moet bewijzen dat het niet zo is. Als het stuk gepubliceerd is, dan moet je aannemen dat hij het makkelijk kon kennen. Hij hoort met wat hij doet kranten te lezen.” Ook de fotograaf heeft kansen volgens Verkade. Die trof onlangs een tekening in de krant aan, in viervoud zelfs, naar een foto die hij een paar jaar geleden gemaakt had. “Net zomin als je een tekening mag fotograferen, mag je een foto tekenen”, legt Verkade uit, “daar kun je dus altijd een zaak van maken.”    

Piraterij

Het laatste geval is al in der minne geschikt, maar een middagje praten met Verkade maakt wel duidelijk dat je als auteur alleen – en dat kun je ook zijn van onder meer beeldende kunst, architectuur, film, muziek, toneel, ballet, en tegenwoordig ook computerprogramma’s – meestal niet sterk staat. Wanneer er groepsbelangen op het spel staan is er meer mogelijk, en op dat punt is de wet ook aangepast.

Verkade: “Er is veel bijgekomen sinds ik begon. Mooie arresten en een heleboel nieuwe, aanvullende wetgeving. Over piraterij bijvoorbeeld. Daarmee bedoel ik het willens en wetens op grote schaal kopiëren en verkopen van dingen in de muziekbranche, de videobranche, en tegenwoordig ook computersoftware.”

“Echte misdaad dus. Op dat gebied is de wet veranderd. De sancties zijn zwaarder en de onderzoeksmogelijkheden voor het Openbaar Ministerie zijn wat makkelijker, ook buiten ‘betrapping op heterdaad’. En er zijn nu groepsacties mogelijk: je kunt nu als club van belanghebbenden, dus als Vereniging voor de fonografische industrie of als Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond in kort geding optreden voor je leden. Vroeger kon je alleen voor je eigen zaak opkomen.”

“En dan de computerprogramma’s. Het is nu net door de Tweede Kamer dat die onder het auteursrecht vallen. Dat was betwist. Inderdaad een beetje raar. Mijn eerste grote publikatie in 1969 ging daar al over. Aangenomen dat een computerprogramma een eigen, persoonlijk gebonden karakter kan hebben is er geen enkele reden dat niet te doen: programmeurs zeggen dat dat zo is, en je krijgt ook verschillende resultaten voor dezelfde opgave, afhankelijk van de programmeur. De eerste kamer moet het nu nog aannemen, maar er lag al lang een richtlijn uit Brussel, dus dat voorstel staat als een huis. De laatste jaren komt er overigens steeds meer uit Brussel. Dat maakt de marges voor de wetgever hier heel smal.”

Bedenkingen

Ziet Verkade een deel van die veranderingen als tamelijk positief, voor het overige baren de nieuwe tijden met hun bijbehorende nieuwe wetgeving hem nogal wat zorgen. Ook over de computerwetgeving heeft hij zijn bedenkingen: “In de nieuwe wet wordt het gebruiken van een computerprogramma als een verboden handeling aangemerkt”, legt hij uit, “terwijl tot dusver onder de auteurswet gebruik op zichzelf vrij was. Je mag zaken niet verveelvoudigen en openbaar maken, maar ze wel voor jezelf gebruiken, zo veel als je wilt.

“Bij computerprogramma’s is het wettelijke uitgangspunt nu geworden dat dat niét mag. Dat is een heel principiële verandering, die ook praktische gevolgen heeft. Het leveringscontract kan bijvoorbeeld bepalen dat je voor méér, of een iets ander gebruik dan aanvankelijk beoogd was, toestemming moet vragen aan de leverancier. Of dat je verplicht bent met die leverancier een exclusief onderhoudscontract te sluiten. Als je dat niet nakomt pleeg je dan ineens auteursrecht-inbreuk, met alle, zelfs strafrechtelijke gevolgen vandien. Het lijkt me dat de wetgever hier te ver doorgeschoten is.”

De trend is wat Verkade betreft heel duidelijk: het auteursrecht wordt steeds minder auteursrechtelijk. Er komen heffingen gebaseerd op schattingen, en dat staat los van het daadwerkelijk gebruik van zaken waarop auteursrecht rust.

“Een paar jaar geleden hebben we de cassetteheffing gekregen”, zegt Verkade, “blanco video- en audiotapes zijn sindsdien met een paar kwartjes belast. Dat markeert een omwenteling. Wat mensen met cassettes doen is natuurlijk niet te controleren, maar nu betaal je ook voor materiaal dat je misschien gebruikt om de bruiloft van je nichtje vast te leggen, of een gesprek zoals dit op te nemen. En op veel klassieke muziek bijvoorbeeld zijn de rechten al lang vervallen. Zoiets kenden we nog niet, en dat is vrijwel stilzwijgend ingevoerd. Het heeft mij overigens indertijd verbaasd dat de consumentenorganisaties niet harder protesteerden.”

Verruwing

Niet alleen voor de burger, ook voor de auteurs zitten er merkwaardige kanten aan de heffingen. Verkade: “Dat geld gaat in een pot, een fonds. Dat verdeelt het dan onder de rechthebbenden. Tot 1 juli van dit jaar ging het allemaal naar de auteurs, lees: vooral de componisten, de muziekuitgevers, platenmaatschappijen en ook filmmaatschappijen. Sinds 1 juli kennen we nu de ‘wet op de naburige rechten’. Dat betekent dat ook uitvoerende kunstenaars en de omroepen nu een eigen recht hebben.”

“Maar die verdeling is natuurlijk heel lastig, je moet schatten, benaderen. Dat gebeurt dan ondermeer op basis van verkoopstatistieken en hoe vaak iets op de radio te horen is geweest. En verder zijn er steekproeven, en hoe beter die zijn, hoe meer van het geld daarin gaat zitten. Het is hoe dan ook een verruwing. En je kunt als auteur in dit systeem niet eens meer tegen iemand zeggen: jij mag het wel gratis.”

“Het individuele verdwijnt hier. Terug naar de auteursrechtelijke basis klopt dat niet. Het is in feite een stukje fiscalisering, en dat bevalt me niet helemaal. Maar ik heb ook niet zo gauw een alternatief. Laatst heeft het constitutionele hof in Australië de invoering van zo’n heffing ongrondwettig verklaard, dat zegt toch wel iets. Misschien krijgen we hier ook nog wel zulke proefprocessen.”

Fotokopieën

Ook voor fotokopieën komt er een regeling aan die gebaseerd is op schattingen en steekproeven. “Men vond het iets te ver gaan om het papier of de apparaten te belasten”, zegt Verkade, “dus is er een systeem bedacht waarbij ieder bedrijf en elke instelling moet opgeven hoeveel kopieën er in totaal gemaakt zijn. En dan is er weer een stichting die schat hoeveel daarvan auteursrechtelijk relevant is. Het lijkt me een lastige activiteit. Het moet weer met steekproeven, en het zal per branche verschillen. Maar dan nog, het ene accountantsbureau is het andere niet. Voor privépersonen geldt die regeling overigens niet.”

De nieuwe technologie maakt het er alles bij elkaar in elk geval niet gemakkelijker op. Soms zijn er ook duidelijk tegenstrijdige belangen. Verkade wijst er op dat de meeste wetenschappelijke auteurs liever gelezen dan betaald worden. Ze vinden het dus niet erg als er kopieën van hun werk in omloop zijn, maar dat betekent weer minder verkochte boeken en tijdschriften, dus een groter risico voor de uitgever.

Verkade: “We hebben van de week op een vergadering van de Vereniging voor Auteursrecht gepraat over document delivery: het leveren van kopieën van artikelen uit tijdschriften. Een mooie service, maar als het zo kan loop je kans dat steeds minder mensen een abonnement op een heel tijdschrift nemen. Dan wordt het misschien op den duur voor uitgevers onmogelijk ze te maken.”

Privacy probleem

Met uitgevers zouden auteurs en lezers weer geen problemen hebben als je alles per elektronische post gaat doen. “Maar”, zegt Verkade, “stel dat je al dat wetenschappelijk werk in een grote elektronische catalogus stopt, dan heb je weer geen zeef. En auteurs vinden het toch leuk om in hét Nederlands tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis ofzo hun eitje te leggen. Dan zou je weer selectiecommissies kunnen opzetten, die zorgen dat de grootste rommel niet wordt opgenomen. De KNAW zou dat bijvoorbeeld kunnen doen, misschien met een klassificatie erbij. Zo’n systeem zou trouwens nog een privacy probleem kunnen opleveren: dan is ineens helemaal bekend hoe vaak ik uw stukjes lees. Dus dan moet je dat weer afschermen, en dat kost tijd en geld.”

Echt gemakkelijk heeft Verkade het niet met alle ontwikkelingen, maar hij weet wel waarom auteursrecht zo’n mooi vak is: “Je kunt het beschouwen als een van de financieringsmechanismen voor het tot stand komen van culturele, literaire en wetenschappelijke produkties. Daarbij gaat het ook nog eens om een onstoffelijk produkt – dat is voor juristen interessant – dat nooit standaard is. En je krijgt vaak te maken met interessante mensen.”

“Ik wil dat wij écht excellent zijn”

Een bloedrode zon met daaronder een donkerblauw golfje, een lichtblauw golfje en een streep groen. Het logo van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek doet een beetje denken aan dat van de Waddenzee.

“Volgens de ontwerper is die rode stip geen zon, maar een symbool voor ‘de cel’, waaruit al het leven opgebouwd is”, zegt Prof.dr. W. van Vierssen, directeur van het instituut, dat officieel sinds 1 januari 1992 bestaat. Wie weet waaruit het NIOO ontstaan is, begrijpt ook de rest van de symboliek: donkerblauw staat voor half-zoet-half-zout water en zeewater, lichtblauw zijn de binnenwateren en groen is het land.

De kleuren staan voor drie centra die tot voor kort aparte Akademie-instituten waren. Allemaal hielden ze zich bezig met oecologie (‘ecologie’ zeggen anderen): het bestuderen van de relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.

Of simpel gezegd: wat hangt met wat samen in de natuur. Het Delta Instituut in Yerseke keek naar de gevolgen van de Deltawerken voor flora en fauna. Het heet nu Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (‘estuarium’ is ‘riviermond’, de plaats zoet en zout water in elkaar overgaan, mariene staat voor ‘zee-‘). In Nieuwersluis, waar nu ook de hoofddirectie van het nieuwe NIOO gevestigd is, bevond zich het Limnologisch Instituut, inmiddels omgedoopt tot Centrum voor Limnologie. De limnologie onderzoekt zoete binnenwateren. Achter het Centrum voor Terrestrische (‘land’-) Oecologie ging het Instituut voor Oecologie in Heteren schuil. De instituten dateerden alle drie uit de jaren vijftig.  

Nu vormen ze dan één NIOO. Maar behalve een fusie kregen de instituten ook nog een peer review en een bezuiniging van twee en een half procent te verwerken. Daarnaast kwam de Akademie met een strategienota. Die vier dingen zijn de basis voor een fikse reorganisatie die nog steeds gaande is.

De leiding daarvan ligt in handen van Van Vierssen. “Ik zat al langer in de wetenschapscommissie van het Limnologisch Instituut”, vertelt hij, “en toen Parma, de directeur, met de VUT ging, heb ik een half jaar lang een dag per week min of meer op de winkel gepast.” Van Vierssen (41) is aquatisch (water-)oecoloog en hoogleraar aan het International institute for infrastructural hydraulic and environmental engineering, het IHE, in Delft. “Ik heb daar nu een zogenaamde 0-punts aanstelling”, zegt hij, “voorlopig voor twee jaar, daarna zien we verder. Ik kom wel nog regelmatig in Delft, en ik begeleid een aantal onderzoekers.”

Emotioneel

Het besluit NIOO-directeur te worden en de reorganisatie (“een noodzakelijk maar ook een naar en emotioneel proces”) uit te voeren is hem niet echt licht gevallen. Met kennelijk enthousiasme spreekt hij over zijn werk in Delft: “Het was een leuke baan. Het instituut verzorgt post-academisch onderwijs voor mensen uit de derde wereld. Er worden allerlei cursussen gegeven, altijd lopen er zo’n vierhonderd cursisten rond. We hebben heel hard gevochten voor het ius promovendi, het recht om mensen een doctorstitel te verlenen, en ik denk dat dat nu gaat lukken. Ik heb ook heel veel kunnen reizen.”

Maar aan de fusie en reorganisatie zitten grote voordelen vindt hij: “Als je verschillende expertises kunt combineren dan wordt het makkelijker om beleid te maken, en nu heb je de kans. Oecologie is natuurlijk een vakgebied dat maatschappelijk goed ligt. Maar er is veel milieuonderzoek dat wetenschappelijk niet helemaal je dat is, omdat het in feite politiek onderzoek is. Nu is daar niets op tegen, maar we zijn een Akademie-instituut. Het gaat ons om fundamenteel onderzoek, met als het kan een strategisch randje. Strategisch onderzoek noem je het soort toepassingen dat een horizon van een jaar of vijf heeft.”

“De historie van de drie instituten was, onder meer wat dat betreft, niet hetzelfde. Heteren heeft een echte populatie-traditie. Daar doen ze bijvoorbeeld heel fundamenteel onderzoek naar de koolmezenstand. Aan toepassingen hebben ze pas laatste jaren veel gedaan, bijvoorbeeld met hun onderzoek naar de gevolgen van zure regen.”

“Het Delta Instituut had van oorsprong tot taak de gevolgen van de Deltawerken te monitoren: een hele duidelijke toegepaste opdracht. De laatste jaren is men zich al expliciet op fundamenteel onderzoek naar oecosystemen gaan richten. Binnen het Limnologisch Instituut was er altijd al veel interesse voor toegepast onderzoek.

“Wat er gebeurde was dikwijls zeer nuttig, maar de wetenschappelijke haalbaarheid van van de uiteindelijke onderzoeksdoelen was vaak wat te hoog ingeschat. Men wilde dan bijvoorbeeld een heel meer bestuderen. Maar op bepaalde zoetwatermodellen zijn we nu wel een beetje uitgestudeerd in de oecologie, voor de prakijk hebben ze hun nut inmiddels wel bewezen. We willen ons op het Centrum voor Limnologie nu concentreren op de samenhang tussen een beperkt aantal populaties binnen het oecosysteem, dat wil zeggen op het zogenaamde community niveau. We hebben het begrip ‘oecosysteem’ wetenschappelijk wat meer ingeperkt, en geprobeerd een verdeling van de vragen over de drie centra te maken.”

Van Vierssen is graag bereid een rondleiding te geven door het Centrum voor Limnologie, maar waarschuwt direct dat het maar om een stukje van het NIOO gaat. Het onderzoek van dr. Wolf Mooij, die deel uitmaakt van de werkgroep ‘voedselketens’, past gelukkig goed in het geheel.

Bij de aquaria in de kelder van het centrum vertelt Mooij over de sterke relatie die er bestaat tussen de snelheid waarmee vissen groeien en de temperatuur van het water waarin ze zich bevinden. Omdat vissen koudbloedig zijn komt hun stofwisseling bijna stil te liggen als het koud is, (een baars kan wel een jaar overleven zonder te eten in water van vier graden), maar gaat hun metabolisme juist omhoog als het warmer wordt. In warm water hebben vissen daarom veel meer voedsel nodig.

Werd dit verschijnsel eerst bekeken op verschillen tussen vissoorten, nu wordt er binnen een soort gekeken. De vraag is welke invloed de relatie tussen groei en temperatuur heeft op de natuurlijke selectie. Daarvoor wordt een computersimulatie gemaakt. De volgende stap is kijken op DNA-niveau. “Hi-tech onderzoek voor oecologische doeleinden”, zegt Van Vierssen een tikje trots.

Tevreden

De vakgenotenbeoordeling leverde in juni 1992 een rapport op met 120 aanbevelingen en stellingen. “Die moeten in een paar jaar geïmplementeerd worden”, zegt Van Vierssen. “Kijk, het is natuurlijk niet zo dat het NIOO beoordeeld is. De drie centra zijn apart bekeken: het functioneren van de vaste staf, de samenhang van het werk in de werkgroepen, er is gekeken naar citatie, dat soort dingen. In grote lijnen ben ik tevreden met de manier waarop we beoordeeld zijn. Nu is het dus zaak de goede dingen die er al waren te versterken en de slechte te beëindigen. Het NIOO is tenslotte niet met mij begonnen, zeg ik altijd, er was al heel veel.”

 “In de nieuwe organisatiestructuur gaan we evolutionair biologisch werk meer combineren met de pure mechanistische benadering. We willen weten hoe het werkt in de natuur, maar uiteindelijk ook waarom het werkt zoals het werkt. Dat is een ontwikkelingsvraag, dan kom je terecht bij natuurlijke selectie en survival of the fittest. Op dat punt heeft Heteren nu al een grote naam.”

Een goede naam, ook internationaal, vindt Van Vierssen heel belangrijk. “Iedereen roept dat hij excellent is tegenwoordig”, zegt hij, “maar ik wil dat wij dat écht zijn. Naast de honderdvijftig man vast personeel lopen er hier honderd tijdelijke mensen rond. Er gaat jaarlijks achttien of negentien miljoen gulden doorheen, met beurzen en contracten meegerekend. Dan is de enige maatvoering een internationale. Dat heeft wel gevolgen. Als je in het centrum van het onderzoek wilt meedraaien dan is communiceren belangrijk. Je moet jezelf onderwerp willen laten maken van kritiek, je moet in de wind willen gaan staan. Als je naar buiten treedt dan vindt iedereen iets van je.”

Dus moet je zorgen dat je goed geoutilleerd bent, lijkt de boodschap van Van Vierssen te zijn. Ook in materieel opzicht. Nieuwersluis heeft net een grootscheepse verbouwing achter de rug. Voor het Centrum voor Limnologie is er een nieuw gebouw gekomen, dat heel goed is ingericht, vindt Van Vierssen: “Daar is niet op beknibbeld. We kregen hier laatst de directeur van het prestigieuze Max Planck Institut für Limnologie op bezoek, en die viel echt van verbazing bijna uit de bus toen hij aankwam. De beheerder en het secretariaat van het Centrum voor Limnologie gaan binnenkort ook naar het nieuwe gebouw, dat is psychologisch verstandiger.” 

Daarna zit op de benedenverdieping van de prachtige oude villa die ooit het startpunt vormde van het Limnologisch Instituut, alleen nog de NIOO-directie. Daarboven blijft de bibliotheek gevestigd, en sinds kort zijn er op de zolder kamers voor studenten. Van Vierssen: “Een aio of oio kan onmogelijk hier in de buurt iets huren. De prijzen zijn veel te hoog.”

En het NIOO wil ze graag hebben. “Het gebouw moet vól zitten”, verkondigt Van Vierssen met vuur, “en dat is nog niet zo.” Een aantal aio’s komt uit het buitenland. Van Vierssen: “We hadden  al iemand uit Duitsland, en nu hebben we een Fin aangenomen. Voor senior-onderzoekers hebben we hier binnenkort ook een goede accommodatie. Er worden hopelijk mooie appartementen gebouwd. Daar is in het verleden ook wel over gepraat, maar als je wilt dat de echt goede mensen hier komen dan moet je ze naast de wetenschap nog iets meer iets bieden. Zo iemand zegt anders ‘ik kan ook naar Barcelona, daar kan ik ook nog aan het strand liggen’.”

E-mail

Internationalisering, goede onderzoekers, daar hamert Van Vierssen op. “Dat hoeft niet altijd te betekenen dat iedereen voortdurend op reis moet”, zegt hij, “heel veel kun je via e-mail, de elektronische post doen.”

Maar in de nieuwe functieomschrijving voor een senior-onderzoeker staat wel dat hij of zij een jaar in het buitenland gewerkt moet hebben. Ook verwacht van Vierssen dat senior-onderzoekers na vijf jaar een eigen onderzoekslijn hebben opgezet. Op zijn bureau ligt een dik rapport, waarin 125 nieuwe functieomschrijvingen staan. Sommige van de pijnlijkste beslissingen rond de reorganisatie moeten nog vallen.

Van Vierssen: “Er moeten twintig mensen uit, wie is nog niet bekend. Zo’n reorganisatie is een emotionele gebeurtenis, die niet te lang moet duren. In december en januari moet het af zijn. Het mag dan voor het voortbestaan van het onderzoek noodzakelijk zijn, op individueel niveau kan een beslissing afschuwelijk uitpakken. Gelukkig hebben we goede regelingen bedongen, men kan in drie jaar afscheid nemen. Een aantal mensen is ook al in goede harmonie vertrokken. Die zien ook weer andere toekomstmogelijkheden.”

“Mijn taak hier nu is vooral veel praten. Ik ben er erg voor om onderzoekers veel vrijheid te geven, maar dat kan alleen als er spelregels zijn. De wetenschappelijke afdeling en de algemene zaken zijn nu uit elkaar gehaald. De hoofden vallen onder mij, en dat is nieuw en soms wennen. Maar met een paar goede spelregels kan er heel veel.”

“Het viel me mee hoeveel invloed de verschillende bewindslieden hadden”

Een van de aardigste plaatjes in het boek is misschien wel het ideale schoolbankje, of ‘de rijksmodelbank’. Het werd ontworpen in overeenstemming met alle voorschriften uit het bouwbesluit, artikel 17, van 1921.

De geschiedenis van het ministerie van Onderwijs (toen nog: Kunsten) en Wetenschappen herbergt meer onverwachte aardige details, maar er is ook heel veel dat vertrouwd klinkt. Veel zaken blijken sinds de oprichting nooit meer veranderd is. Een bron van aanhoudende zorg, 75 jaar ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1918-1993 is dan ook de titel die Hans Knippenberg en Willem van der Ham bedachten voor hun boek over de driekwart eeuw dat het departement bestaat. “Ik heb nog nooit zo’n dik boek geschreven,” bekent Knippenberg (48) over de pil die meer dan negenhonderd bladzijden telt.

Dinsdag 28 september kreeg minister Ritzen het eerste exemplaar aangeboden. Het plan voor het boek werd bedacht door zijn voorganger Deetman.

“Die had de wens dat het een onafhankelijke geschiedschrijving zou worden,” vertelt Knippenberg, “vandaar dat hij in overleg trad met de KNAW om te kijken of daar de wetenschappelijke verantwoordelijkheid ondergebracht kon worden. De Akademie stelde een begeleidingscommissie in, en die gaf in eerste instantie de opdracht aan de heer Messing, een economisch historicus. Hij is toen in 1988 begonnen, maar na twee jaar moest hij de opdracht om persoonlijke redenen weer teruggeven. Toen zijn ze bij mij gekomen, en ik heb er eerlijk gezegd wel even over na moeten denken.”

Sociaal-geografen

Knippenberg (“Ik ben eigenlijk helemaal geen historicus, maar sociaal-geograaf”) besloot ja te zeggen op twee voorwaarden: dat hij, om tijd over te houden voor het project over nationalisme in Europa dat hij leidt, niet full time aan het project zou hoeven te werken, en dat hij (dus) assistentie zou krijgen.

Die kwam in de vorm van Willem van der Ham. “Ik heb hem zelf gekozen,” vertelt Knippenberg, “hij is ook sociaal-geograaf en ik kende zijn kwaliteiten. Hij heeft bij mij een scriptie over een historisch onderwerp sgeschreven. Ik dacht dat hij me goed zou kunnen aanvullen. Hij is toen half time in dienst gekomen, en begin 1990 zijn we echt van start gegaan. Omdat het de bedoeling was dat het boek ook zou gaan over het departement in relatie tot de maatschappelijke ontwikkelingen vond ik dat wij als sociale wetenschappers wel gerechtigd waren dit project uit te voeren.”

Saillante details 

De bijdragen van Willem van der Ham, die door ziekte niet bij het gesprek kan zijn, waren zo groot dat Knippenberg de begeleidingscommissie voorstelde hem officieel co-auteur te maken. Zo geschiedde. “Toen we begonnen waren er nog geen teksten,” vertelt Knippenberg, “dus het was behoorlijk pittig, drie jaar keihard werken. We hebben gelukkig alle medewerking van het ministerie gekregen: een werkkamer daar, toegang tot de archieven, en we mochten met iedereen praten. We hebben alle ministers vanaf Diepenhorst gesproken, en ook de meeste staatssecretarissen. Ik vond dat een van de aardigste onderdelen van het project. Over het algemeen was men ook vrij open, en bereid te praten, al gold dat nog meer voor alle ambtenaren.”

Voor de liefhebber zijn er dan ook zeker saillante details en aardige anekdotes in Een bron van aanhoudende zorg te vinden. Zoals de herinneringen van oud-minister De Koning aan de toenmalige VVD-bewindsman op het departement van onderwijs, Pais, die soms boos uit de ministerraad liep als hij zijn zin niet kreeg. De Koning vertelde Knippenberg en Van der Ham: “Ik vind het altijd nog onvergetelijk dat Tuynman, die toen nestor van het kabinet en de VVD-minister was, opstond en riep: Arie, doe geen gekke dingen! Alsof hij regelrecht de hofvijver in zou lopen. Maar de volgende dag was hij weer terug, dus dat viel allemaal nog wel mee.”

Ook wordt in het boek verteld hoe de spotprenten Deetman op een dag te veel werden, waarna hij zijn abonnement op Trouw opzegde.Knippenberg: “Ministers en staatssecretarissen zijn publieke figuren, daarmee kun je je iets meer permiteren: ze zijn het gewend, het hoort bij hun functie. Met ambtenaren ligt het anders. Recente geschiedschrijving is wat dat betreft toch lastig: het gaat vaak om personen die nog leven en nog in functie zijn.”

“We hebben zelfs de affaire met in ’t Veld, en de nieuwe staatssecretaris Cohen nog opgenomen, mét foto. Je moet zorgvuldig zijn en je afvragen of je mensen niet echt schaadt. Er zijn op het laatste moment ook wel wat kleine aanpassingen geweest. Op het ministerie werd men op het laatst ook wat nerveus over wat er allemaal in dat boek zou komen te staan. Na alle openheid en medewerking die we gekregen hadden was dat wat vreemd. De minister was bang voor eventuele politieke gevolgen. Of die er kunnen zijn? Ik denk dat het wel meevalt. Het meest gevoelige punt was in elk geval de kwestie van de studiefinanciering. De rol van de politieke leiding daarin heeft heel veel onrust op het departement gebracht.”

Sterke persoonlijkheden

“Het werken aan het boek werd eigenlijk steeds leuker”, zegt Knippenberg, “Je weet steeds meer, hebt steeds meer overzicht. Ook al was het werk in opdracht, ik heb er aldoor plezier in gehouden. We hadden een grote vrijheid.”

“Vooral de wisselwerking tussen het departement en de maatschappij boeit me. Veranderingen hebben toch telkens hun wortels in de samenleving. Wat me meeviel was de invloed die de verschillende ministers hadden op het beleid en veranderingen op het departement zelf. Het waren bijna allemaal sterke persoonlijkheden, die kennelijk in staat waren hun zin door te drukken, ook als er wat ambtenaren het niet met hen eens waren. En het was interessant te merken dat er altijd problemen met de financiën geweest zijn, net als klachten over verkokering.”

Het boek laat inderdaad zien dat er vanaf de allereerste minister – dominee J.Th. de Visser, die de eerste leider van de Christelijk Historische Unie (CHU) zou worden – budgetoverschreidingen waren. Dat is nooit meer helemaal overgegaan. Bezuinigingen waren een bron van aanhoudende zorg voor elke aantredende bewindvoerder.

Nederland was laat met het oprichten van een apart ministerie voor Onderijs, Kunsten en Wetenschappen. “Dat kwam door de verzuiling,” legt Knippenberg uit. “De verzuiling en de latere ontzuiling zijn voor de geschiedenis van het departement altijd heel belangrijk geweest, en in feite speelt het tot op de dag van vandaag een rol. Vandaar dat we dat onderwerp als een van de invalshoeken voor onze geschiedschrijving genomen hebben.”

Veel alfabeten

“In het begin van de 19e eeuw waren we juist voor op anderen in Europa. Wij hadden een Agent voor Nationale Opvoeding, eigenlijk de eerste minister van onderwijs, en dat was toen uniek. In de Franse tijd kwamen ze uit andere landen kijken hoe wij het geregeld hadden, met een inspectie die alles controleerde enzo.”

“Het onderwijs, zeker het hoger onderwijs, was toen vooral voor een kleine elite natuurlijk, maar Nederland had een vrij hoog percentage alfabeten, ook in de tijd van de Republiek. Dat had iets te maken met de protestantse overheid: voor protestanten is het heel belangrijk de bijbel te kunnen lezen. Enfin, de schoolstrijd is hier heel heftig uitgevochten. Alle gezindten wilden hun eigen vorm van onderwijs. Pas in de nieuwe grondwet van 1917 werd de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs vastgelegd. Daarin is veel belangrijks geregeld, ondermeer het algemeen kiesrecht.”

Mammoetwet

“Vandaar dat het tot 1918 geduurd heeft voordat onderwijs weggehaald werd bij Binnenlandse Zaken, maar men bleef beducht dat de schoolstrijd opnieuw op zou laaien. Dat is heel lang een rem op hervormingen gebleven. Telkens dook die angst voor ‘staatspedagogiek’ weer op. En die verhinderde dat er inhoudelijk veel gedaan kon worden.”

“Zelfs bij de stemming over de Mammoetwet van Cals, in 1963, was de CHU nog tegen, omdat ze vonden dat het bijzonder onderwijs te veel over één kam geschoren werd met het openbaar onderwijs. En pas in die wet werden de doorstroommogelijkheden binnen het onderwijs vastgelegd, terwijl er al aan het begin van de eeuw een commissie was die dat moest regelen. De lager-onderwijswet uit 1920, waarin ondermeer die financiële gelijkstelling uitgewerkt werd, een van de eerste taken van het nieuwe ministerie, heeft het ook heel lang uitgehouden. Pas sinds de Wet op het Basisonderwijs uit 1985 is het echt anders.”

 Nazificatie

 De Duitsers was het tijdens de bezetting niet gelukt de verzuiling te doorbreken. In het hoofdstuk ‘Collaboratie, aanpassing en verzet’ valt te lezen hoe het een hinderpaal voor de ‘nazificatie’ van Nederland was. Het bijzonder onderwijs zou moeten worden afgeschaft vonden de Nationaal-Socialisten, maar zover kwam het niet.

Knippenberg: “Na de oorlog is de ontzuiling mislukt. Pas eind jaren zestig zijn er wat bressen geslagen, maar begin jaren zeventig, als de democratisering zijn intrede doet, zie je weer allerlei verzuilde overlegstructuren ontstaan. Maatschappelijk zette de ontzuiling toen wel door, maar in het onderwijs had dat weinig effect. Iemand als Van Kemenade stuitte toen hij minister werd nog op heel veel tegenstand van confessionele zijde. De signatuur van de bewindslieden op onderwijs was ook meestal confessioneel. Ik geloof dat er maar zeventien van de 75 jaar een niet-confessionele minister was, en dan nog werd er altijd een confessionele staatssecretaris als een soort waakhond naastgezet. Nu met Ritzen is er voor het eerst een PvdA-minister met een PvdA-staatssecretaris.”

Talent

De democratisering is een van de andere invalshoeken die de schrijvers kozen. “Dat is natuurlijk typisch iets van na de oorlog,” zegt Knippenberg. “Aan de ene kant had je de interne democratisering: de medezeggenschap van ouders, studenten enzovoort over het onderwijs, maar daarnaast was er de externe democratisering. De vraag werd: hoe krijg je mensen uit alle lagen van de bevolking zoveel mogelijk naar alle lagen van het onderwijs?”

“Het gezichtspunt was dat er geen talent verloren mocht gaan, en dat heeft geleid tot een enorme toename van eerst het voortgezet en later het hoger onderwijs. En dat gaf weer een gigantische druk op de middelen, de kosten rezen echt de pan uit. Toen werd duidelijk dat het zo niet langer kon en kwamen de eerste ideeën voor studieduurverkorting, efficiënter omgaan met de middelen, herstructurering, enzovoort.”

“Het plan Posthumus werd opgesteld, en tegelijk ging ook de interne democratisering door: bestuurshervormingen, ondermeer door de de WUB, de Wet op de Universitaire Bestuurshervormingen. Je moet niet vergeten dat er echt sprake was van een culturele revolutie. De maatschappelijke veranderingen, de Maagdenhuisbezetting en al die dingen meer hadden hun weerslag op het departement.””

“Op de inhoud van wat ze deden, maar ook op de organisatie. In eerste instantie was het ministerie toch vooral een uitvoerend lichaam. De gedachte dat onderwijs ook maatschappelijke veranderingen kan bewerkstelligen, en dat je mensen zo lang mogelijk op school moest zien te houden, zorgde ervoor dat er andersoortige ambtenaren kwamen. Voor het eerst traden er sociale wetenschappers binnen.”

“De grote exponent daarvan was natuurlijk Van Kemenade, begin jaren zeventig. Je had toen de McKinsey-reorganisatie die tot gevolg had dat er aparte beleidsafdelingen kwamen voor de ontwikkeling van de inhoud van het onderwijs. Daardoor veranderde het ministerie van karakter. Het boterde ook lang niet altijd tussen de ‘oude’ juristen en administratieve krachten waarop het departement van oudsher dreef en al die nieuwe sociale wetenschappers. Dat waren soms harde botsingen. Overigens heeft ook het vertrek van de Kunsten het karakter  veranderd. Sommige ambtenaren vertelden ons dat ze dat heel jammer hebben gevonden.”

“Maar het gaat allemaal een beetje in golven. Bij die reorganisatie werden de beleidsvoorwaarden sterk gescheiden van de rest, dat verdwijnt dan weer op een gegeven moment, en nu willen ze die scheiding weer invoeren. Wat in elk geval niet lijkt te veranderen is de verkokering en de bureaucratie, onze derde invalshoek. Gebrek aan integratie tussen de verschillende onderdelen was er voor de oorlog, toen er zo’n 150 ambtenaren op het ministerie werkten, en het was er ook in 1985, toen het er meer dan 3000 waren. Het eigen-winkel-effect, dat vooral verdedigen van eigen belangen, is iets van alle tijden. Het is moeilijk te doorbreken, en met de omvang heeft het kennelijk niet veel te maken”

Lessen

Er valt natuurlijk nog heel veel meer op te steken uit het boek, maar een van de lessen – bijvoorbeeld voor nieuwe bewindvoerders – is volgens Knippenberg toch zeker dat je niet al te optimistisch moet zijn over de kans dat je met reorganisaties allerlei euvels kunt oplossen.

Is hij tevreden over het eindresultaat? Knippenberg aarzelt even: “Ik ben nauwelijks in staat er objectief tegenaan te kijken. We hebben erg ons best gedaan de leesbaarheid op peil te houden. De eerste reacties zijn in elk geval positief, en dat geeft me wel hoop. Zelf denk ik dat het wel een aardig boek geworden is, ik durf hier wel mee naar buiten te komen. En het is natuurlijk heerlijk dat het af is.”

“Het is nog geen honderd generaties geleden tot Homerus. Weinig hè?”

Ze ging indertijd klassieke talen studeren omdat je dan in een klap twee talen leerde. Bovendien zaten er standaard nog een paar interessante vakken aan vast, zoals archeologie en geschiedenis. Dr. Ineke Sluiter (33) heeft geen spijt. Ze is zelfs dolenthousiast, over de oudheid, over haar aanstelling als Akademieonderzoeker en natuurlijk over de prijs van het Prins Bernhard Fonds die de aanleiding voor het gesprek vormt.

“Ik weet eigenlijk niet precies waarvoor ik hem gekregen heb”, zegt ze, “het zal vooral voor mijn proefschrift zijn.” Dat proefschrift ging, zoals al haar onderzoek, over “de geschiedenis van de antieke taalkunde”, zij het dat ze die term voorzichtig hanteert: “De taalkunde toen was iets anders dan wij er nu mee bedoelen,” legt ze uit. “Het stond niet los van de letterkunde bijvoorbeeld. Vaak komt het er op neer dat ik de geschiedenis van het klassieke onderwijs bestudeer.”

De jury, onder voorzitterschap van Prof. Harm Pinkster, hoogleraar Latijnse taal- en letterkunde, vond dat haar werk de prijs van f 15.000,- verdiende. Het Prins Bernhard Fonds stelt jaarlijks datzelfde bedrag beschikbaar, afwisselend voor onderzoek op drie terreinen: taalkunde, letterkunde, en geschiedenis en wijsbegeerte danwel godgeleerdheid. Dit jaar was de taalkunde aan de beurt. 

“Ik vind het heel leuk dat ze dat gebied van mij, dat zo moeilijk plaatsbaar is, in aanmerking hebben willen laten komen”, zegt Sluiter. “Dit soort onderzoek gebeurt ook alleen maar hier in Amsterdam aan de Vrije Universiteit. Ik was heel verrast toen ik die brief openmaakte, want je weet niet eens dat je in de race bent. Wat ik met het geld ga doen? Opmaken.”  De uitreiking bij de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in Haarlem, die verantwoordelijk is voor de toekenning, is inmiddels achter de rug. Een geslaagde bijeenkomst, waar maar een klein bezwaar aan kleefde. Sluiter, lachend: “Ze moeten nog leren dat de prijs ook naar vrouwen die niet zo lang zijn kan gaan. Ik kwam nauwelijks boven het spreekgestoelte uit.”

Doorkijkluikje

Sluiter noemt zichzelf een generalist. “Die geschiedenis van het antieke onderwijs heeft vertakkingen naar alle kanten in het veld”, vertelt ze. “Ik ben heel blij met die invalshoek, want zonder dat zou ik stuurloos door die hele oudheid zwerven. Nu kom ik heel veel onderwerpen tegen. Teksten die gaan over medische zaken, maar ook over droomuitlegging bij­voorbeeld. En allemaal bekijk ik ze op dat ene aspect. Dat is mijn doorkijk­luikje op de antieke maatschap­pij.”

Sluiter bestudeerde de invloed van het antieke onderwijs op onder andere het werk van de beroemde medicus Claudius Galenus, die de lijfarts van Marcus Aurelius was in de tweede eeuw na Christus. “Indertijd had iedereen dezelfde school gehad,” zegt ze, “dus dan verwacht je dat ze hun kennis zullen toepassen, en dat ze bijvoorbeeld allemaal zullen zeggen, ‘hé, dat woord is een adverbium’. Maar zo is het niet helemaal. Ik zeg wel eens dat ik een open deur heb ingetrapt waarachter van alles zat.”

“Neem Galenus. Die bouwde voort op het werk van Hippocrates, wiens eed dokters nu nog altijd zweren. Galenus heeft heel veel medische, en ook andere geschriften geschreven. Je had toen twee typen dokters: de kwakzalvers die het ruwe werk deden, zoals vingers afzetten enzo, maar daarnaast was er een groep die wetenschappelijk pretendeerde te zijn.”

“En die medici gebruikten  ook de filosofie en de retorica: ze moesten overtuigend vertellen. Het belangrijkste was dat ze correct voorspelden. Als een patiënt doodging zonder dat de dokter dat van tevoren gezegd had, dan liep hij grote kans klanten te verliezen. Enfin, Galenus schrijft dus een commentaar op zijn voorganger Hippocrates, hij gebruikt diens autoriteit. Zelf is hij verder, er zit in zijn geschriften een uitgewerkte theorie van hemzelf. En het is prachtig om te zien hoe hij het in een polemiek allemaal zo probeert te manoeuvreren dat men het oneens is met Hippocrates, niet met hem.”

Mooi Grieks

“Het ging Galenus natuurlijk om medische zaken, maar nu is het gekke dat hij in zijn commentaar op Hippocrates de techniek gebruikt die hem is geleerd in verband met Homerus. Hij zit met dat literair-analytisch instrumentarium en vraagt zich dus bijvoorbeeld af of Hippocrates wel mooi Grieks schrijft. Hij zou moeten concluderen dat Hippocrates geen mooi en vaak niet eens correct Grieks schrijft. In plaats daarvan legt hij de nadruk op andere kwaliteiten als begrijpelijkheid en beknoptheid. Maar dat zijn natuurlijk nog steeds stijlkwaliteiten.”

”Diezelfde oplossing zie je bij de vroeg-Christelijke schrijvers. Ook die zitten met het instrumentarium van de Homeruscommentatoren. Huns ondanks stellen vragen naar de kwaliteit van het Grieks van de Bijbel. Dat Grieks wijkt erg af van het literaire Grieks van hun tijd. Ook zij concentreren zich dus maar op die stilistische punten waar de Bijbel wel goed scoort. Zo kunnen ze trouw blijven aan hun ‘schoolmodel’.”

Het antwoord op de vraag of iets ‘mooi’ danwel ‘correct’ is mag dan tegenwoordig juist in verschillende takken van de wetenschap gezocht worden, volgens Sluiter lijkt onze schoolgrammatica nog heel veel op die van toen.

“De meest merkwaardige mensen hebben zich in de loop der tijd met grammatica beziggehouden. Iedereen schreef er weer een stukje bij, maar ik denk heel vaak: komt dat híer al vandaan? Het is nog geen honderd generaties geleden tot Homerus. Weinig hè? Al die eeuwenlang is iedereen met hetzelfde begrippenkader opgevoed. Alleen is het Griekse werkwoord dat als voorbeeld voor de vervoegingen gebruikt wordt in de loop der tijd veranderd. Eerst was het het werkwoord ‘slaan’, mijn moeder kreeg nog het rijtje met ‘opvoeden’ (‘paideuoo’), en wij hebben ‘losmaken’ (‘luoo’) geleerd.”

Woordspelletjes

Griekenland is in alle opzichten de bakermat van onze taalbeschouwing. Sluiter: “Bij Homerus vind je al allerlei dingen. Etymologieën van woorden, verklaringen van namen. En vóór hem moet er ook al sprake geweest zijn van het observeren van taalverschijnselen, al was het nog zo naïef. Er was bijvoorbeeld een metriek ontwikkeld, nou, dat moet op een vorm van observatie berusten. Dingen als woordspelletjes, raadsels, anagrammen, assonantie daar zijn mensen gevoelig voor. Iedereen heeft een soort naieve taalkunde in zich. En de Grieken hadden natuurlijk een alfabet ontwikkeld. Dat moet ber