Levensbericht Hugo Brandt Corstius

Hij was de absolute kampioen onder-pseudoniemen-schrijven. Hugo Brandt Corstius gebruikte in de loop van zijn schrijvende bestaan, dat bijna zestig jaar besloeg, zeker zestig verschillende namen. Sommige maar één keer, andere een poosje, en het langste was hij Battus en Piet Grijs. Algemeen bekend werden verder onder meer de columns van Stoker, Jan Eter en Maaike Helder. Maar ook achter Gerard Balthasar, Cees Stam, Daan Gramman, Peter Malenkov, Jozef Trapjes en Magriet Vermeer ging Hugo Brandt Corstius schuil.

Dat paste goed bij zijn veelzijdigheid. Brandt Corstius was zowel wis- als taalkundige, maar werd het bekendst als spraakmakend columnist en als de uitvinder van het Opperlands, de speelse variant van het Nederlands. Al die verschillende namen gingen ook uitstekend samen met zijn ongehoord hoge productiviteit. Zelf beweerde hij dat elk pseudoniem een stuk van zijn persoonlijkheid vertegenwoordigde.

Maar die berg pseudoniemen sluit even goed aan bij een zekere ongrijpbaarheid die Brandt Corstius kenmerkte, en een levenslange lol in zijn lezers voor de gek houden. In veel van zijn werk speelt hij met waarheden, hele en halve leugens, draaien en omkeren. En hij houdt van mystificaties. Hij schrijft bijvoorbeeld als Dolf Cohen rustig over Stoker – het ene pseudoniem over het andere. En hij geniet intens als iemand zegt: die Maaike Helder in de Volkskrant, die heeft jouw stijl gepikt. Natuurlijk verraadt hij dan niet dat hij zelf Maaike Helder is.

Hugo Brandt Corstius groeide op in een niet-religieus gezin. Zijn vader Jan (J.C.) Brandt Corstius bedacht tijdens de oorlog samen met zijn vriend Jaap van Praag het Humanistisch Verbond, dat in februari 1946 werd opgericht. Jan Brandt Corstius was neerlandicus, en zou later hoogleraar literatuurwetenschap in Utrecht worden. Hugo’s moeder, Wil Molenaar, was opgeleid als onderwijzeres. De twee ontmoetten elkaar bij de NBAS, de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden, een jeugdbeweging waarin jongens en meisjes als gelijkwaardig beschouwd werden. De abstinentie gold drank, sigaretten en vlees, en ook seks voor het huwelijk. Hugo Brandt Corstius rookte nooit en zou zijn leven lang vegetariër blijven.

Hugo was de middelste van drie kinderen. Zijn broer Frank is twee jaar ouder, zus Liesbeth vijf jaar jonger. Hij was bovengemiddeld slim, en bovengemiddeld dwars. Daar lijkt iedereen het over eens te zijn. Ook ‘buitengewoon geestig’ is een terugkerende typering. Was hij een ADHD’er? Hij vermoedt dat later, als die term in zwang komt (‘Altijd Druk, Heel Druk’ is waar de afkorting voor staat, zal hij als Battus vastleggen). Of was het toch Asperger? De naam van het syndroom dat bij de hoogfunctionerende autist hoort, en dat door Brandt Corstius zelf consequent ‘asperge’ wordt genoemd. In 2003 schrijft hij (als Piet Grijs in Vrij Nederland): ‘Ik ben altijd een asperge geweest. Toen mijn moeder begon te persen, begon ik te pesten. In mijn jeugd werd ik eenvoudig een “lastig kind” of “rotjoch” genoemd, en daar heb ik vrede mee.’

Als kind is hij altijd bezig de puzzels in kranten, ook die van de buren, op te lossen en in te sturen. Menigmaal wint hij een prijs(je). En hij leest, liefst de encyclopedie. Maar hij gaat ook in discussie. Over alles. Stotterend en wel, want stotteren heeft hij voor zover anderen zich herinneren altijd gedaan.

Brandt Corstius groeide op in Utrecht, waar zijn vader lang leraar Nederlands was aan het stedelijk gymnasium, waar ook Hugo naar toe zou gaan. In 1949, hij is nog dertien, wordt hij omdat hij zo lastig gevonden wordt een tijd in huis geplaatst bij Dirk Daalder in Bergen. Daalder is een onderwijzer, redacteur van het blad Het Kind en kinderboekenschrijver die zijn ouders kenden via de NBAS.  Ze dachten er goed aan te doen, maar Hugo vindt de verbanning verschrikkelijk, en komt in de weekenden met de allervroegste trein naar huis.

Hij maakt zijn gymnasium β af in Utrecht, en vertrekt in 1953 naar Amsterdam. Daar gaat hij wiskunde studeren. Dat gaat goed, maar hij blonk er onvoldoende in uit, zei hij er later over. Brandt Corstius wordt lid van het ASC, het Amsterdams Studenten Corps, van het dispuut Breero. Vrijdags is hij meestal op NIA te vinden, de sociëteit. Hij is erg actief, gaat in het bestuur van het dispuut en is van 1956 tot 1957 zelfs preses. Hij duikt ook met enthousiasme in het culturele leven, ziet elke film, iedere toneelvoorstelling.

Daarnaast is hij een liefhebber van literatuur. Zo hield hij levenslang van Simon Vestdijk, over wiens boeken hij al recensies schreef toen ze uitkwamen, en wiens complete oeuvre hij in de vroege jaren negentig nog een keer samen met schrijver Maarten ’t Hart boek voor boek besprak in NRC Handelsblad.

Zoals zovelen van zijn generatie begon Brandt Corstius met schrijven voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures, dat indertijd nog automatisch werd toegestuurd aan iedereen die lid was van de ASVA, de Algemene Studenten Vereniging Amsterdam. De kiem voor veel van zijn latere werk is al terug te vinden in wat hij daar als redacteur tussen 1957 en 1959 maakte. Zelfs de speciale blik op taal die veel later tot de term Opperlands (tegenover Nederlands natuurlijk) zou leiden, is al zichtbaar. Een klein tekstje dat als titel ‘Bestedingsbeperkin’ heeft, legt feilloos uit  – het effect tegelijkertijd demonstrerend –  dat we bes d laatst lette va iede woor kunne weglate.

Vanaf 1959 schrijft hij voor Vrij Nederland. Vaak anoniem of onder pseudoniem, voor de rubriek Vrij Blijvend. Dat is een vergaarbak en een speeltuin, ook voor de andere van Propria Cures afkomstige talenten met wie hij de rubriek een tijd wekelijks vult: de latere Vrij Nederland-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse en tekenaar Peter Vos. Ook houdt hij in Vrij Nederland een tijdje zogenaamd het dagboek van Jan de Quay bij, de minister-president op dat moment, en schrijft hij pastiches op bijna alle kranten

In november 1960 haalt Brandt Corstius zijn doctoraal wiskunde. Zijn bijvakken zijn onder meer wijsbegeerte, wat hij volgt bij filosoof en logicus E.W. Beth (1908-1964), en geschiedenis van de wiskunde, gegeven door wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis (1892-1965), wiens beroemde De mechanisering van het wereldbeeld in 1950 verschenen was.

Voornamelijk om niet in dienst te hoeven, gaat hij direct na zijn afstuderen lesgeven aan het Amsterdams Lyceum. Een ultrakorte carrière als wiskundeleraar, die nog geen schooljaar duurt, volgt. Het is geen succes. Dat zeggen zijn leerlingen, onder wie de latere hersenonderzoeker Dick Swaab, en hij zelf ook.

De volgende zomer vertrekt hij naar Berkeley, University of California. Maar onderweg komt hij terecht in een demonstratie in New Orleans. Het is de tijd van de Freedom Rides, de bustochten door het land als protest tegen de segregatie tussen blank en zwart. De rassenwetten van het Zuiden waren weliswaar officieel afgeschaft, maar in de praktijk bestaan ze nog. Brandt Corstius wordt opgepakt en even vastgezet. Voor Vrij Nederland schrijft hij een tamelijk ironisch stuk over zijn korte detentie. Racisme en discriminatie zullen terugkerende onderwerpen blijven in zijn columns. 

In Berkeley geeft hij een paar uur college en volgt ook zelf colleges bij wiskundige en logicus Alfred Tarski (1901-1983). Toevallig is de wiskundige Adriaan van Wijngaarden (1916-1987) in die periode ook daar. Hij stelt voor dat Brandt Corstius bij het Mathematisch Centrum komt werken, waar Van Wijngaarden hoofd van de rekenafdeling was en een van de grondleggers zou worden van het vak informatica in Nederland.

Van 1962 tot 1970 is Brandt Corstius inderdaad in dienst bij dat onderzoeksinstituut, dat tegenwoordig CWI, Centrum Wiskunde & Informatica, heet. Het zijn opwindende tijden. Op zijn zestigste beschrijft hij hoe hij op zijn 25ste verliefd werd en dat tien jaar bleef op de computer: ‘Je weet zeker dat je je hele leven aan haar gaat wijden. Ze is fantastisch. Ze is mooi. Ze is slim. Ze is grillig. Ze is voorspelbaar. Ze is gul. Ze is onvermoeibaar. Ze is vermoeiend. Ze is duur. Ze maakt je in korte tijd veel wijzer. Zonder ophouden denk je aan nieuwe manieren om het met haar te doen. Ze verrast je telkens weer.’ Hij probeert wiskunde toe te passen op taal. Met de computer kan er ineens van alles dat nooit kon, en ook in de taalkunde zindert het van de nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden. Brandt Corstius stort onder meer zich op een automatisch woordafbreekprogramma voor het Nederlands. Nederlandse kranten gebruiken het vele jaren.

‘Taalkunde is een exacte wetenschap’, luidt een van de stellingen bij zijn proefschrift. Hij promoveert in 1970, op Exercises in Computational Linguistics. Het Engels van zijn proefschrift laat hij nakijken door Ina Mulder, die als Ina Rike (en vanaf een gegeven moment als Ina Rilke) een gelauwerd literair vertaalster werd, en met wie hij in 1987 een relatie zou beginnen – in 1989 trouwden ze. Maar eind jaren zestig leerde Brandt Corstius eerst Tatje Smits kennen, die in de jaren zeventig de moeder werd van zijn kinderen.

Onder meer na klachten over te weinig aanwezig zijn – een constante in zijn universitaire loopbaan – maakt Brandt Corstius in 1970 een overstap naar het instituut voor Neerlandistiek. Hij geeft er computertaalkunde. Tegelijk gaat hij Algemene Taalwetenschap studeren. In 1975 haalt hij zijn doctoraal. En eind jaren zeventig gaat hij zelf bij Algemene Taalwetenschap werken, een halve medewerkersbaan. In 1974 is hij daarnaast aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam benoemd tot buitengewoon lector in ‘de automatische informatieverwerking, in het bijzonder de verwerking van de natuurlijke taal’. Die positie verliest hij uiteindelijk ook door gedoe over hoeveel hij bijdraagt.

Over zijn computerliefde schrijft Brandt Corstius in dezelfde Piet Grijscolumn uit 1995: ‘Rond het jaar 1970 taande mijn verliefdheid. Ik denk dat ik de enige hoogleraar informatica was die nooit een computer aanraakte.’ Desalniettemin maakt hij in de jaren zeventig twee nog altijd opmerkelijk actuele overzichten over het samengaan van rekenen en taal, namelijk Algebraïsche Taalkunde en Computer-taalkunde. De liefde zou pas opnieuw bij hem inslaan bij het verschijnen van woordenboeken op een schijfje,  met al hun nieuwe zoekmogelijkheden: ‘Weer word ik dag en nacht in beslag genomen door een weerspannige tegenspeelster. En ze kent nog meer Nederlandse woorden dan ik!’

Maar dat leverde geen wetenschappelijk werk meer op. De wetenschappelijke productie van Brandt Corstius viel na die overzichtswerken in feite droog. Wie ze leest begrijpt daar wel iets van. Brandt Corstius ontkomt niet aan de constatering dat de taalmogelijkheden met een computer heel snel spaak lopen. En wel op de te ongrijpbare betekeniskant van woorden, zinnen en teksten. De semantiek gooit altijd roet in het eten, vatte hij het samen. Hij was er dan ook vast van overtuigd niet meer mee te zullen maken dat een computer in staat zou zijn taal te begrijpen, of om goed te vertalen van de ene in de andere taal. Dat is uitgekomen.

Intussen was en bleef Brandt Corstius buiten de universitaire wereld wel zeer actief. Hij was overal bij. Alles wat spraakmakend was. Alles dat ging over het gezag ondergraven, de autoriteiten niet meer zomaar hun autoriteit laten uitoefenen. Dus ook bij Zo is ’t toevallig ook nog eens een keer, dat van 1963 tot 1966 op de Nederlandse tv te zien was, en onder meer met het item Beeldreligie, satire op het geloof, voor veel ophef en stormen van protesten zorgde. De tekst die het einde vormde van het programma, en die nooit werd uitgezonden, is van de hand van Brandt Corstius. Het is een soort persiflage op een gesprek met Van Hall, burgermeester van Amsterdam in provotijden, met Mies Bouwman in haar interviewprogramma Mies en scène. Mies Bouwman zelf was toen trouwens al jaren weg bij Zo is ‘t… Ook aan het latere satirische tv-programma Hadimassa leverde Brandt Corstius bijdragen.

En natuurlijk was hij vele jaren te horen op vrijdagmiddag bij de vpro, in het door Joop van Tijn gepresenteerde Welingelichte Kringen, tot het radioprogramma stopte in 1997. Bij de dood van Van Tijn, ook in 1997, beschreef Brandt Corstius hoe het er steevast aan toeging met Joop: ‘Hij zat altijd aan mijn rechterkant. In zijn rechterhand hield hij een pen of een stuk papier. Met zijn linkerarm dirigeerde hij mij. We hebben het er nooit over gehad  – het was gewoon zo. Als hij wilde dat ik iets ging zeggen, stak hij zijn elleboog naar me toe. Als hij wilde dat ik het kalmpjes aan deed, gebaarde hij sussend met zijn hand. Als hij wilde dat ik m’n kop hield, legde hij zijn linkerhand op mijn rechterarm. Meestal gehoorzaamde ik.’

In 1981 komt het succesvolste boek van Brandt Corstius uit, zijn Opperlandse taal- en letterkunde. Het boek waarin hij onder het pseudoniem Battus alles verzameld heeft dat valt onder ‘het Nederlands met vakantie’. Het is van een grote inventiviteit en originaliteit, en het publiek waardeert het erg en koopt het boek massaal.

Eind van datzelfde jaar sterft zijn vrouw Tatje, pas 34 jaar oud, aan melanoom, een agressieve huidkanker. Brandt Corstius blijft achter met een zoontje van drie en twee dochters van vijf en zes. Jelle, Merel en Aaf. Dat gezin vertrekt de zomer daarna naar de Amerikaanse staat Minnesota, naar de hoofdstad St. Paul. Brandt Corstius werkt er aan de universiteit. Hij houdt op met zijn vaste columns en denkt dit maal misschien wel voorgoed geëmigreerd te zijn. Maar na een jaar is hij alweer terug.

Het is de eerste keer dat hij de column die hij als Piet Grijs in 1968 in Vrij Nederland begonnen was een tijdje laat schieten. Halverwege de jaren tachtig houdt hij er zelfs een paar jaar mee op, na een grote ruzie met zijn mede-columniste Renate Rubinstein, die onder de naam Tamar ook wekelijks in VN schrijft.

Ruzie, gedoe. Ook dat hoort bij het leven van Brandt Corstius. Al zijn huisraad wordt in 1966 geveild, nadat hij geweigerd heeft een rekening van negentig gulden te betalen aan de psychiater die hij daarna voor eeuwig ‘Van Poolse Havenstad’ zou blijven noemen (Van Dantzig dus). Hij maakt politicus Hans Wiegel op de radio uit voor ‘lul’, er wordt een later geseponeerd onderzoek ingesteld naar majesteitsschennis, en nog meer.

Twee kwesties hebben zich in het collectief geheugen genesteld. Buikhuisen en de PC Hooftprijs. De eerste lijkt in retrospectief samengebald te zijn tot een lange scheldpartij uit de pen van Piet Grijs, met als uitkomst het ontslag van de criminoloog. Het speelde in werkelijkheid over een aantal jaren en Piet Grijs was zeker niet de enige die bezwaar maakte tegen het plan om delinquenten te onderzoeken op sociobiologische kenmerken (in 1978) en een plan uit 1980 om iets soortgelijks bij kinderen in kindertehuizen te doen. Brandt Corstius zou altijd volhouden dat wat als een misdaad gezien wordt in hoge mate cultureel bepaald is (denk aan zaken als geloofsafval en homoseksualiteit) en ook dat Wouter Buikhuisen zijn ontslag aan zichzelf te wijten had.

Het Buikhuisenverhaal valt als exemplarisch te zien voor de kant van de vetes, de openbaar uitgevochten meningsverschillen en de scheldpartijen. Want Brandt Corstius kon geweldig van leer trekken en was niet te beroerd om op de man te spelen. Dat zit ook achter de weigering van het CDA, in de persoon van Elco Brinkman, om hem de PC Hooftprijs te geven. De jury, nota bene onder voorzitterschap van de door Brandt Corstius voor Roomse gluipkop uitgemaakte Cornelis Verhoeven, besluit in februari 1985 dat Brandt Corstius de prijs van 1984 dient te krijgen. Maar dat gaat niet door. Onder andere het feit dat minister Onno Ruding de Eichmann van zijn tijd werd genoemd door Piet Grijs, in diens column van 3 november 1984 in Vrij Nederland maakte dat Brinkman (dan minister van Cultuur) weigert de prijs toe te kennen. Want Brandt Corstius heeft ‘het kwetsen tot instrument gemaakt’.

Over die PC Hooftprijs ontstaat vervolgens een enorme hoeveelheid commotie. Elke krant, elke journalist schrijft erover, en vrijwel iedereen vindt het een schande. Tot in het buitenland aan toe. Het heeft gevolgen. De prijs verdwijnt een paar jaar en keert dan terug als een niet-staatsprijs. Bovendien gaat het prijzengeld van tien naar vijfentwintig duizend gulden. De eerste die wordt uitgereikt is voor Brandt Corstius. Dat gebeurt op 3 juni 1988.

 Alle controverse ten spijt zijn zijn bijdragen vele tientallen jaren zeer gewild. De nalatenschap van Hugo Brandt Corstius puilt uit van de verzoeken, en ook van de herhaalde verzoeken, aanmaningen, vermaningen en aandringende briefjes. Hugo reageert niet. Hij neemt de telefoon niet op. Hij beantwoordt zijn post niet. Dat is normaal. Hij is er zich van bewust. Het is ook pure opzet, bekent hij een keer in een gezamenlijk schrijven aan drie jubilarissen, de schrijver Remco Campert, uitgever Ary Langbroek en redacteur Bert Poll. ‘Ik besteed bijna mijn hele werkdag met het verspreiden van de mythe dat ik het overal veel te druk voor heb.’ meldt hij ze in september 1989.

Adres en telefoonnummer werden zorgvuldig geheim gehouden. In datzelfde jaar 1989 bleek het secretariaat van Algemene Taalwetenschap zijn adres niet te kennen. Dat was nadat hij er ruim een dozijn jaren werkte. En toch houdt hij jaar in jaar uit overal praatjes en lezingen, presenteert boeken, schrijft inleidingen, maakt werk in opdracht. Zoals De Hoofdredacteur, een boekje ter gelegenheid van het afscheid van hoofdredacteur Harry Lockefeer bij de Volkskrant. Hij schrijft ook een lang verhaal voor het jaarverslag voor kinderen dat BSO in 1989 uitbrengt, het softwarebedrijf van de eigenzinnige Eckart Wintzen (1939-2008).

Ook werkt hij voor meer kranten dan welke journalist of columnist dan ook. De Volkskrant en NRC Handelsblad zijn allebei en tegelijkertijd vaste afnemer, heel uitzonderlijk, maar ook voor Het Parool en Trouw schrijft hij met een zekere regelmaat. Aan Vrij Nederland is hij bijna een halve eeuw verbonden, in 2008 verschijnt de laatste aflevering van de column van Piet Grijs, die dan vier decennia gelopen heeft. Het literaire tijdschrift Tirade kan een tijdje op zijn medewerking rekenen, hij doet mee aan het taboedoorbrekende Gandalf, maar voor Hollands Maandblad schrijft hij het langste. Hij blijft er tot hij het echt niet meer kan pagina’s Opperlan(d)s voor maken (in de uitgebreide versie van zijn boek Opperlandse taal- en letterkunde heet Opperlands ineens Opperlans). Want tellen en rekenen met letters en woorden is hetgeen hem levenslang het meeste plezier verschaft.  Zijn laatste andere bijdrage aan Hollands Maandblad heet ‘Mijn korte leventje’ en is inderdaad een mini-autobiografie.

Zelf zei hij met zijn onderwerpen van een glijbaan af te gaan. Via de wiskunde en de taalkunde kwam hij bij de letteren, en beloofde een biografie van Multatuli te gaan schrijven. Daar lijkt hij nooit erg serieus aan gewerkt te hebben. Het meeste was toch kortebaanwerk. Daar lag zijn kracht. En misschien was hij wel te ongeduldig voor langere dingen. Ongeduld was volgens hemzelf het kenmerk dat zijn hele leven kon verklaren.

Was wat Hugo Brandt Corstius schreef typisch voor Nederland en het Nederlands? Pogingen werk vertaald te krijgen hebben in elk geval weinig opgeleverd. Wel leverde hij een tijdlang bijdragen aan het Amerikaanse tijdschrift Word Ways: The Journal of Recreational Linguistics.

In 1996 ging hij met de VUT, en vanaf het jaar daarna zou Brandt Corstius tot het eind van zijn leven ook een deel van de tijd in Parijs wonen. Daar gaf hij aan de Sorbonne nog drie jaar les aan studenten Nederlands. Maar ook Nederlandse universiteiten vroegen hem soms nog. Hij bekleedde in 1998 de Leornardo Leerstoel van de universiteit van Tilburg, en was in 2003 gastschrijver aan de TU Delft.

De laatste jaren van zijn leven ging Brandt Corstius achteruit, al viel dat de meeste mensen lang niet zo op. Wonderlijk, onaangepast gedrag was normaal geweest, misschien wel zijn handelsmerk geworden. In elk geval was hij altijd wars van alles wat formeel is. ‘Vroeger had ik met iedereen ruzie, maar nu kan ik het me niet meer herinneren,’ zei hij, met een opmerkelijke opgewektheid.

Hij leed waarschijnlijk aan wat semantische dementie genoemd wordt. Dat betekende dat hij ook zijn spraak verloor. Tot hij uiteindelijk niets meer kon zeggen. Geen woord. Niet lang daarna is hij gestorven.

Voor dit levensbericht is geput uit de nalatenschap van Hugo Brandt Corstius, die wordt ondergebracht bij de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. En er is gebruik gemaakt van gesprekken die ik voerde voor de biografie waaraan ik werk, en die in 2019 moet verschijnen. Ook heb ik een paar eigen herinneringen verwerkt.

 

VOORNAAMSTE GESCHRIFTEN

Ik sta op mijn hoofd, Amsterdam 1966 (onder pseudoniem Raoul Chapkis)

Exercises in Computational Linguistics, Amsterdam 1970 (proefschrift)

Algebraïsche Taalkunde, Utrecht 1974

De encyclopedie, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Battus)

Computer-taalkunde, Muiderberg 1978

Televisie, psychiaters, computers en andere griezelverhalen, Amsterdam 1978 (onder pseudoniem Piet Grijs)

Opperlandse taal- en letterkunde, Amsterdam 1981 (onder pseudoniem Battus, uitgebreide editie in 2002 met titel Opperlans! Taal- en letterkunde)

Rekenen op taal, Amsterdam 1983 (onder halfpseudoniem Hugo Battus)

 

PRIJZEN (selectie)

Anne Frank-prijs 1966 voor Ik sta op mijn hoofd van Raoul Chapkis

Cestoda-prijs 1978 voor de moeiteloze beoefening van de Nederlandse taal in al haar genres

Multatuli-prijs 1982 voor Opperlands taal- en letterkunde van Battus

Busken-Huet-prijs 1985 voor Rekenen op taal van Hugo Battus

P.C. Hooft-prijs 1987 voor essays voor zijn hele oeuvre

Nootje: De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde geeft elk jaar een jaarboek uit, met daarin onder meer overzichten van het leven van gestorven leden. In mei 2016 verscheen het Jaarboek 2014-2015 waarin bovenstaande Levensbericht staat.

Een omkering, een draai en een leugen

PIET GRIJS, Célina Smit, Chapkis, Battus en een keer Tamar. VN-columnist Hugo Brandt Corstius was de absolute koning van de pseudoniemen.

Het schijnt allemaal de schuld te zijn van Jan Eijkelboom. Pas later zou die beroemd en bekroond worden als Dordtse dichter, maar eind jaren vijftig waren Eijkelboom en zijn keukentafel het kloppend hart van een nieuw Vrij Nederland in wording. De braafheid moest eraf, het moest anders, en er moest meer gelachen worden.

Eijkelboom (1926-2008) wist ook wel ongeveer hoe. Voordat hij redacteur werd bij Vrij Nederland, was hij redacteur geweest bij het Amsterdamse studentenblad Propria Cures. Daar zoemde, zinderde, bruiste het in die jaren van het talent. Jan Eijk, zoals z’n mede-PC’ers hem noemden, haalde er de ideeën en de mensen vandaan.

Onder wie Rinus Ferdinandusse (1931), die Eijkelboom nu aanwijst als beginpunt voor het soort Vrij Nederland waarvan hij zelf vanaf 1969 lang hoofdredacteur zou zijn. Propria Cures leverde onder anderen ook die andere, latere hoofdredacteur: Joop van Tijn. En de twee mensen die met hun columns de publieke opinie vanaf de jaren zestig continu voedden en nogal eens bepaalden. Renate Rubinstein, toentertijd getrouwd met ook alweer een PC-redactielid, Aad Nuis, was de ene. Als Tamar werd ze de eerste echte columnist in Nederland. Ze zou tot haar dood in 1990 Tamar blijven.

Hugo Brandt Corstius (1935-2014) was de andere. Het langdurigst schreef hij als Piet Grijs. Meer dan eens ook tegen Tamar. Frontale botsingen, verbeten vetes werden het zelfs.  Maar daar ging van alles aan vooraf.

Brandt Corstius’ entree in Vrij Nederland moet gegeven alle connecties wel doorgestoken kaart geweest zijn. Gnuivend zal Jan Eijkelboom op 22 juni 1959 achter zijn typemachine zijn gaan zitten om te tikken: ‘Zeer geachte heer Brandt Corstius, uit publicaties van uw hand in ‘propria cures’ en Hollands Weekblad is ons gebleken dat uw politieke overtuiging min of meer overeenkomt met die welke door ons wordt aangehangen en dat u daarover op onderhoudende wijze kunt schrijven.’

Hugo was op dat moment 23 en nog student wiskunde. Eijkelboom liet hem beginnen met maar liefst twee stukken over het communistisch jeugdfestival in Wenen. Dat doet Brandt Corstius. Niet eens braaf, want de toon is al licht en hier en daar tongue in cheek. Maar al snel begint Vrij Nederland met Vrij Blijvend, een rubriek die een speeltuin en oefenterrein is.

Het is ook een overduidelijke voorloper van wat latere  VN-lezers als Terzijde leerden kennen. Zelfs het zwartomkaderde onderrubriekje ‘om over na te denken’ met woordspelingen zat er meteen bij.

Drie personen maken de rubriek. Behalve Rinus Ferdinandusse en Hugo Brandt Corstius ook de tekenaar Peter Vos. De allereerste Vrij Blijvend bevat al een Nederlandse leeuw  van zijn hand (een met een spiegeltje die zijn manen kamt), in een wat ruwere versie van hoe hij er talloze zou tekenen voor Terzijde, tientallen jaren lang.  Ook Peter Vos kwam van Propria Cures. Mede daarom lijken het eerste en het tweede plakboek-met-eigen-werk van Hugo Brandt Corstius werkelijk als twee druppels water op elkaar. VN was een voortzetting van PC.

In het begin is er de sfeer van samen iets maken, komen ze wekelijks bij elkaar. Dat duurde een jaar of anderhalf, schat Ferdinandusse nu. Daarna werd het ieder voor zich. Zo bleef het. Afstand tot de columnist Piet Grijs was voor Ferdinandusse dé manier om die columnist de totale vrijheid in wat hij schreef te laten behouden, zegt hij. Al deed hij in 1985 nog wel een poging om de clashende Tamar en Grijs in een gezamenlijke brief tot een wapenstilstand te bewegen. Zonder resultaat.

De bijdragen van Brandt Corstius aan Vrij Blijvend waren vaak anoniem, of onder pseudoniem. Uiteindelijk zou hij de absolute koning van de pseudoniemen worden. Ook al een in zijn PC-tijd opgepikte gewoonte. In 1957, in het nummer waarin Brandt Corstius officieel toetreedt tot de redactie, staat bijvoorbeeld een brief van ene Célina Smit. Zij dringt in duidelijke bewoordingen aan op het wegsturen van twee redacteuren: de latere hoogleraar Nederlandse taalkunde Wim Klooster, en de latere VVD-politicus Frits Bolkestein. Célina is Hugo, en het werkt nog ook. De weinig kopij leverende redactieleden worden fluks de PC-redactie uitgezet.

Het eerste Vrij Blijvend-stukje van Brandt Corstius is meteen onder pseudoniem. Niet uit te spreken: CZEBYCEV. De naam van een Russische wiskundige, naar verluidt. Naar het waarom is het nog gissen. Maar het is een fraaie tekst over de poëzie die schuilt in de aanwijzingen op van gemeentewege verschafte warmwaterinstallaties. Een tekst die exact zo verscheen in Propria Cures, een paar jaar daarvoor.  En die later nogmaals gepubliceerd zou worden. Toen onder de naam Raoul Chapkis, in diens bundel Ik sta op mijn hoofd.

Opmerkelijk, want het pseudoniem Chapkis werd pas begin jaren zestig geboren. Het kwam mee terug uit Amerika. Brandt Corstius had daar een vriendin die Abby Chapkis heette, die hij overigens verliet omdat hij uit de brieven van Renate Rubinstein begreep dat die Aad Nuis ging verlaten. Hij was ook al vertrokken omdat hij Renate niet kon krijgen, zo schrijft hij tenminste in een brief aan haar. Dat is nadat ze kortstondig wat hebben gehad, én nadat Renate daar een eind aan heeft gemaakt.

Kwam alle controverse daarvandaan? Zo simpel zal het niet liggen. Maar Renate bleef in zijn gedachten. In de allerlaatste column van Piet Grijs gaat de laatste alinea over Renate, die in 2008 toch al 18 jaar dood was. Hij onthult hoe hij ooit een Tamar-column schreef, op een typische Hugo Brandt Corstius manier: met een omkering, een draai en een leugen, want hij zegt het door te zeggen dat hij het nooit zal zeggen.

Maar het is zo. Naast zijn Vrij Blijvend-stukjes zit in zijn plakboek ook een Tamar, uit maart 1963.

Zelfs Tamar was dus een van zijn pseudoniemen. Al ver voor Piet Grijs geboren werd. Want dat gebeurde pas na de dood van Raoul Chapkis, in 1967.

Hoe hij aan Piet Grijs kwam? Ook uit een verhouding met een Amerikaanse vrouw. Met de naam Pat Gray. Een zwart model en actrice. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Liesbeth Koenen werkt aan een biografie van Hugo Brandt Corstius

NOOT: In september 2015 was het 75 jaar geleden dat het eerste nummer van Vrij Nederland, toen natuurlijk een illegale verzetskrant, verscheen. Een speciaal feestnummer bevatte 75 portretten van mensen die volgens de redactie Nederland in die 75 jaar hebben vernieuwd. Dit was een van die 75 portretten.

Overzicht inhoud e-book Het Vermogen te Verlangen (9 letters)

Dit staat er allemaal in de nieuwe, derde editie van Het Vermogen te Verlangen (9 letters), gesprekken over  taal en het menselijk brein. Samen 51 gesprekken met 55 verschillende mensen. Ik heb een sterretje gezet achter wat er nog niet in de eerdere versies stond:

VOORAFje bij deze derde editie (mei 2014) *

VOORAF (tekst uit 1997)

HET MENSELIJK TAALVERMOGEN Noam Chomsky: “Hoe is het mogelijk dat we zo veel weten, terwijl we zo weinig gegevens hebben”

TAALTHEORIEËN BOUWEN Jan Koster: “Nog steeds weet niemand iets diepzinnigs over pindakaas te zeggen”

DE EUROGRAMMATICA Rik Smits: “‘De brief die ik me afvraag wie gepost heeft’ is gewoon een variatie op een thema”

ONTKENNINGEN Frans Zwarts: “Ontkenningen zijn een soort vlaggetjes voor de taalgebruiker”

AANGEBOREN OF AANGELEERD? Lila Gleitman: “We zeiden: ruk hun oren eraf, trek hun ogen eruit, en kijk wat er gebeurt met hun taal”

GEBARENTAAL Susan Fischer: “Wat voor gruwelijks men ook geprobeerd heeft, gebarentalen zijn onuitroeibaar”

VOELTAAL Marleen Janssen: “Ik voel nog die handjes” *

APENTAAL Laura Ann Petitto: “Dan werd ik wakker omdat er een groot, harig beest op mijn borstkas zat” *

BABYTAAL Patricia Kuhl: “Die zwijgende schatjes zijn als een gek aan het werk” *

RIJPENDE KINDERTAAL Ken Wexler: “Het lijkt wel of de grammatica van kinderen logischer is”

TAALGESTOORDE KINDEREN Jan de Jong: “Wij weet niet hoe moet wij het doen” *

KINDERTAAL PER COMPUTER  Jonathan Kaye: “De toekomst is aan machines die kunnen leren”

WOORDEN BOUWEN Geert Booij: “Speculaasbrokken zijn wel brokken speculaas, maar hondenbrokken geen brokken hond.”

KLANKPATRONEN Mieke Trommelen en  Wim Zonneveld: “Klemtoontoekenning gaat van rechts naar links, maar we praten gewoon van links naar rechts

TOONTALEN Ben Hermans: “Intuïtief weten Limburgers wel dat ze een toontaal spreken”

SPREKEN Willem Levelt: “Het domme systeem doet gewoon wat het altijd doet”

INSLIKTAAL Mirjam Ernestus: “Iedereen hoort dingen die er niet zijn” *

VERDACHTE TAAL Maartje Schreuder: “Bij CSI geven ze je altijd de illusie dat je één bepaalde bron eruit kunt filteren” *

TAAL EN BEWUSTZIJN Ray Jackendoff: “Ons bewustzijn is niet de baas van de hersenen”

TAAL EN INTELLIGENTIE Neil Smith: “Ik wil proberen Chris een taalkundig onmogelijke taal te leren.”

HET SYNDROOM VAN WILLIAMS Annette Karmiloff-Smith: “Taal is dus niet wat ons intelligent maakt”

HET BREIN IN ACTIE Roelien Bastiaanse en Laurie Stowe: “Taal zit niet alleen links.”

HERSENHIKJE N400 Martha Kutas: “Dat je emotionele systeem zo’n rol speelt bij gewone taalverwerking…” *

GETALGEVOEL, LEZEN Stanislas Dehaene: “We onderschatten hoezeer onze cultuur onze hersenen verandert” *

HERSENEN EN BEWUSTZIJN  Larry Weiskrantz: “Niet weten wat je weet, niet weten dat je ziet”

LIEGEN & AANPRATEN Harold Merckelbach: ‘Op de doorsnee crime-scene staan de getuigen direct een verhaal te maken” *

GESPLETEN BREINEN Michael Gazzaniga: “Als je mag kiezen, moet je zien dat je je linker hersenhelft houdt”

DYSLEXIE  Albert Galaburda: “Wees flexibel en geef  een dyslectisch kind keuzes”

AFASIE Ron Prins: “Oh, mijn arme Jacqueline, nu weet ik zelfs jouw naam niet meer”

TAAL EN TIJD Peter Hagoort: “Van milliseconde tot milliseconde volgen wat er gebeurt met het mentale woordenboek”

AFASIE EN ALLEDAAGSE TAALVAARDIGHEID Leo Blomert en Charlotte Koster: “Iemand van zeventig naar huis sturen omdat het toch allemaal geen zin heeft, is flauwekul”

TAAL EN PARKINSON Katrien Colman: “Ik denk dat ze die fout helemaal niet zien” *

DE OORSPRONG VAN TAAL Philip Lieberman: “Taal zoals we die nu kennen, bestaat denk ik zo’n 100.000 jaar”

CREOLENTALEN Derek Bickerton: “Ik denk dat de eerste taal van de mens een soort creolentaal was”

MEERTALIGHEID Pieter Muysken: “De invulmogelijkheden van ons taalvermogen zijn kennelijk heel flexibel”

LUISTERTAAL Jan ten Thije: “Het grote voordeel is, je hoeft het niet te spreken, alleen maar te begrijpen” *

SOCIOLINGUÏSTIEK William Labov: “Het gevoel dat het met de taal gestaag bergafwaarts gaat, is universeel” *

TAALVERANDERING Joop van der Horst: “Ik kies in een restaurant een tournedos, mijn zoon kiest voor een biefstuk” *

QUOTATIEVEN Ingrid van  Alphen (en Peter-Arno Coppen): “We lekken woede via wat eigenlijk vriendelijke woorden zijn” *

TAALVERMENGING Bert Tahitu: “Trein-trein richting Utrecht vertraging’ is een Maleise zin”

DIALECT & VARIATIES Leonie Cornips: “Verliefd op het Heerlens Nederlands” *

DE LOGISCHE BETEKENIS Hans Kamp: “Voordat computers menselijke taal begrijpen zullen we dat eerst zelf moeten doen”

DE VERTAALMACHINE Jan Landsbergen: “De vertaling van ‘zij vroeg haar echtgenoot … ‘ mag niet worden ‘they early hair'”

WOORDEN Hugo Brandt Corstius: “Een woord kán niet vies zijn”

CRYPTOGRAMMATICA Dr. Verschuyl (Henk Verkuyl): “Puzzelen voorziet in een diepe behoefte”

DE WOORDENBOEKENMAKER J.B. Drewes: “Purisme is hetzelfde als nationalisme”

DE VERTALER Gerrit Komrij: “Vertalen is met enorme snelheid duizenden mogelijkheden kunnen verwerken in je hoofd”

VERTALEN IN GEBARENTAAL Tony Bloem en Wim Emmerik: “Een dik boek is anders dik dan een dikke dame”

DE METHODE PAARDEKOOPER P.C. Paardekooper: “De meeste Nederlanders zijn moedertaalmasochisten”

DE MACHT VAN HET WOORD Reinhold Aman: “Het is intrigerend dat woorden vaak harder aankomen dan een vuistslag.”

EXTRA: WOORDEN EN PERSPECTIEF Nogmaals Noam Chomsky:  “De secretaresses, die allemaal lippenstift gebruikten, konden uiterst fijne rood-roze onderscheidingen maken” *

Hugo Brandt Corstius 1935-2014

‘Kwijt’ betekent volgens Piet Grijs: de typische kleur van alle voorwerpen, dingen en zaken die verdwenen zijn. Hugo Brandt Corstius is kwijt.

Niemand die zo scherp kon zijn. Niemand die zo bot kon zijn.

Die twee kwalificaties bleken me ’s nachts spontaan ingevallen te zijn, een paar dagen na de dood van Hugo Brandt Corstius. Ze waren tegenstrijdig en toch klopte het. Precies zoals de wis- en taalkundige columnist het graag zag.

Zijn oog en oor voor taal zijn dus misschien toch een klein beetje besmettelijk, dacht ik hoopvol. Want het gebeurde nadat ik me ondergedompeld had in zijn leven en werk. Twintig boeken bleek ik van Hugo Brandt Corstius te bezitten. De meeste geschreven door Piet Grijs of door Battus, zijn beroemdste en ook  productiefste pseudoniemen. Grijs de typische columnist, de man van de commentaren op letterlijk alles, en de polemieken. Battus de taalafsplitsing wiens blik op het Nederlands ons voorgoed de speelse variant het Opperlands (of Opperlans) heeft opgeleverd.

Ik schafte snel ook nog een paar e-bookversies aan van oude columnverzamelingen (er is opmerkelijk weinig in druk, ik vond alleen Opperlans! uit 2003 en het Opperlans woordenboek uit 2007)  en dook in het universum van HBC.

Waar strikte logica heerst, ook als die uitmondt in onzin. (Maar ja, ‘een onuitroeibaar mankement van de mens is zijn geneigdheid om onzin te bedenken, onzin van anderen te geloven, en onzin aan anderen te vertellen’ las ik in Piet Grijs is gek, een boekje uit 1975.) Waar de schrijver iedere tegenspraak bij voorbaat lijkt te willen afdoen als zinloos. Waar de lezer dikwijls wordt aangesproken, maar vrijwel altijd om hem te vertellen wat ie weet, vindt, niet weet, niet wil.

En waar het werkelijk stikt van de hoogst originele formuleringen en dwarse kijken. Drinkwater is bij HBC  ‘een korte omweg van de Rijn, door buizen, kranen, slokdarmen en nieren.’ Een mier bestaat uit ‘drie billen op een rijtje’ (mieren zijn een terugkerend onderwerp, dat uiteindelijk in het curieuze boekje Mensenarm dierenrijk uit 2010 alle ruimte krijgt). Meuken is ‘vrijen met een driepoot’. In het woord ‘daarom’ ziet hij de ‘voornaamste reden dat de bananen krom zijn, en dat u uw mond moet houden.’ En ‘warenhuis’ heeft als enkelvoud washuis, en als 2de persoon tegenwoordige tijd: bent-huis.

Soms zijn het doordenkertjes, of zie je het niet meteen (zandbak: wat het ene steentje dan tegen het andere vertelt). Heel vaak is de truc een omkering. ‘Etiquette: Op iemands tenen gaan staan alvorens ‘pardon’ te zeggen.’  En er is een totale gefixeerdheid op de letters van woorden. In ‘België’ een helftenwissel zien die ‘giebel’ oplevert. In ‘erover’ een dief van e’s (e-rover dus). En de overeenkomst tussen Agamemnon en Popeye? Namen die zijn opgebouwd uit lettergrepen van drie letters die hetzelfde blijven als je ze omkeert (Aga-mem-non, Pop-eye, palindromische trigrampjes in Opperlands jargon). Je moet het maar zien: dat het woord ‘zijig’ alleen voor mannen gebruikt wordt. Dat je de a in A-bom ook zo kunt opvatten dat de omschrijving ‘iets wat ik ieder geval géén bom is’ klopt. Dat je bij ‘volledig’ en ‘boosaardig’ doorhebt dat die woorden op te delen vallen in tegenovergestelde partjes (vol-ledig, boos-aardig) is al knap. Net als bij ‘lafhartig’. Maar dat je zo’n basaltwoord (bas-alt) ook weet te ontdekken in zulke alledaagsheden als ‘iedereen’ en ‘hoezo’ (ieder-een, hoe-zo), dat is groots.

Geniale gekte blijf ik het vinden. En wat hij verzameld heeft aan Opperlan(d)s is een schat, waarin je steeds weer iets nieuws vindt. Of een parel terugvindt.

Goed, ik ben niet objectief. Ik ben door hem aangestoken. Begin jaren tachtig volgde ik colleges bij HBC. Hij bracht ons, studenten Algemene Taalwetenschap, de beginselen bij van de semantiek, de betekenisleer. En dan vooral dat je er al snel geen bal mee kan. De betekeniskant van taal is akelig ongrijpbaar. Hij liet ons proberen een sluitende omschrijving van een tafel te geven. Lukte niet. En wij dachten vast dat strepen de tijger bepalen, maar ja, als een genetische speling van het lot nou een helemaal effen welpje geboren liet worden, mocht dat dan geen tijger heten?

In die betekenissen was ook zijn wetenschappelijke carrière in feite heel snel gestrand. De wiskundige Brandt Corstius werd in de jaren vijftig een computertaalkundige avant la lettre. Hij schreef een algoritme dat automatisch Nederlandse woorden in lettergrepen kon verdelen voordat er in Nederland ook maar één computer was. Hij moest ervoor naar Amerika om te zien of het werkte. Naar verluidt deed het dat tot op heel aardige hoogte en maakten Nederlandse kranten er lang dankbaar gebruik van.

En toch liep hij ook direct tegen de grenzen aan. Is het een lood-spet of een loods-pet, gaat het bij diplomaatje om een diplomaat-je of een diploma-tje? Dat hangt er maar vanaf. Wat je ook doet, de semantiek gooit roet (in het eten), concludeerde Brandt Corstius. En ook: de dingen die computertaalkundigen zo graag willen (kloppende automatische ontledingen en vertalingen) gaan daarom tijdens mijn leven in de verste verte niet lukken.

Daarvan kunnen we nu vaststellen dat hij gelijk heeft gekregen. Daarachter komen kostte hem slechts een half jaar, beweerde hij tegen computertaalkundige en journaliste Leonoor van der Beek, die de geschiedenis van de computertaalkunde in Nederland in 2010 lezenswaardig, en op tijd, vastlegde in Van rekenmachine tot taalautomaat.

Of  het waar is van die zes maanden valt natuurlijk niet te zeggen, van mystificeren hield HBC ook erg, maar feit is dat hij na zijn proefschrift uit 1970 eigenlijk geen onderzoek meer deed. Zijn beslist fenomenale intelligentie ging daarmee in feite verloren voor de wetenschap, wat ik altijd jammer heb gevonden. En denkelijk was hij tegenwoordig bij gebrek aan ‘output’ ook ontslagen uit de halve medewerkersbaan die hij heel lang hield bij Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Maar zelf beweerde hij geen verschil te zien tussen zijn wetenschappelijk werk en de dingen die hij voor kranten en tijdschriften deed.

Daar zat in zijn geval ook een hoop in. Taal als puzzel bleef het. En de haat-liefde-verhouding met de betekenis bleef ook. Hij maakte de wereld graag wijs dat hij alleen om de vorm gaf. Maar dat was een aantoonbare leugen. Waarom bijvoorbeeld was aiuole een lievelingswoord? Omdat de Italianen aan die rij klinkers met maar één medeklinker een betekenis hebben gehangen. Het betekent bloemperken. En het bestaat. Zijn uitleg van ADHD als ‘Altijd Druk, Heel Druk’ leunt uitsluitend op de betekenis. Enzovoort.

Die taalkant was bijzonder, maar zijn columns gingen echt over alles. Zo denk ik bij het in- dan wel uitruimen van de afwasmachine nog steeds vaak aan een Piet Grijs-verhaal over de onzin van uitruimen. Je kon beter iets eruit pakken als je het nodig had, en als het vies was gewoon weer terug zetten. En dan af toe een wasbeurtje.

Enfin, de redenering was natuurlijk weer van het bekende geen-speld-tussen-te-krijgen kaliber. Maar ik sluit helemaal niet uit dat hij het werkelijk zo deed. Hij wilde zich geen professor noemen en was strikt genomen ook maar kort aangesteld geweest als hoogleraar, maar had wel trekken van een klassieke professor. Zo wist iedereen dat hij zijn truien om de dag binnenstebuiten aanhad. Want zoals hij ze ’s avonds over zijn hoofd had uitgetrokken, trok hij ze de volgende ochtend weer aan. Geen verzinsel, het was echt zo.

En ja, in die columns was Brandt Corstius ook met kennelijk genoegen een pestkop, een uitdager, een drammer. (Drammen: hè toe, kijk nou ook eventjes bij dreinen. Dreinen: ga nu maar weer eens bij drammen kijken.)  De linkse inquisitie, hoorde ik hem dezer dagen noemen, en immoreel. En natuurlijk hebben velen het over de kwestie Buikhuisen, die exemplarisch lijkt te zijn geworden voor de drammer HBC. 

Nou is er net op de plannen van Buikhuisen, onder meer om biologische kenmerken van criminaliteit bij kinderen te gaan onderzoeken, naar mijn smaak nog wel wat af te dingen. Wetenschapsjournalist Hans van Maanen deed dat eerder ook (terug te vinden op hansvanmaanen.org), en ik las afgelopen week zelf nog een stel van de columns uit die periode. Scherp. Zeker. En het zijn er wel erg veel. Maar een hele hoop blijken eigenlijk niet over Buikhuisen, maar over diens wetenschappelijke omgeving te gaan.  

Enfin, van de niet aflatende aanvallen op literatuurcriticus Carel Peeters,  op mede-columnist Renate Rubinstein, op Theo van Gogh (die hij de antisemiet op Zondag noemde) begreep ik eigenlijk veel minder. Ze duurden lang en leken toch vooral om een particuliere grief of hang-up te draaien. Ik ben vergeten wat ie ook weer had tegen de psychiater Van Dantzig, die als Prof. van Poolsehavenstad op blijft duiken in zijn werk. 

Het kan niet plezierig geweest zijn doelwit van zijn felle pen en tong te worden. Al denk ik dat HBC zelf het vaak als een spel zag. Misschien wel omdat hij een ‘asperge’ was, zoals hij het zelf noemde. Of het waar is, weet ik niet, maar Brandt Corstius had over zichzelf de diagnose gesteld dat hij wel eens een slimme autist kon zijn, iemand met Asperger dus. Sommige trekjes, inclusief de verzameldrift, worden daarmee wel begrijpelijker.

De akelige ironie wil dat hij zelf vergat wie zijn vijanden waren. Het is geen geheim dat Hugo Brandt Corstius de laatste periode van zijn leven dementeerde. Hoe dat er voor hem van binnen uitzag is moeilijk te zeggen, maar aan de buitenkant legde hij een grote monterheid aan de dag. “Vroeger had ik met iedereen ruzie,” zei hij met het bruuske bravoure waarmee hij de dingen kon zeggen,  “maar nu niet meer, want ik herinner het me niet meer.”

Zouden de kwesties, oorlogen en schandalen (de geweigerde PC Hooftprijs) zijn wat er uiteindelijk overblijft? Dat zou wel ongehoord zonde zijn van de rest. En dat is een onwaarschijnlijke hoeveelheid. Meer dan vijftig jaar columns als Piet Grijs in Vrij Nederland alleen al moeten miljoenen woorden zijn. Alles even goed? Natuurlijk niet. En laat ik eerlijk zijn, er is ook een hoop dat ik niet goed kan duiden. Vaak denk je: is ie nou serieus? Waar gaat dit over? Meent ie dit? (Hij was een voorstander van het schrijven van ie daar waar we dat ook zo zeggen.)

Maar het werk van HBC prikkelt altijd. Zijn teksten zetten  aan het denken. De mode is nu een andere, maar wie een idee wil krijgen van wat er in Nederland speelde in de decennia waarin Chapkis, Stoker, Eter, Helder, Cohen en bovenal Grijs hun commentaren de wereld in vuurden, ontkomt niet aan die stoet alter ego’s een rol geven.  En die moet ook  alle gesproken columns uit het roemruchte radioprogramma Welingelichte Kringen meenemen.

Ik ben bedroefd dat Hugo Brandt Corstius dood is. Hij leek op niemand, en we zijn hem kwijt.  (De Encyclopedie van Piet Grijs over ‘kwijt’: de typische kleur van alle voorwerpen, dingen en zaken die weg zijn, die verloren zijn, of die verdwenen zijn. Steeds weer blijkt dat kwijte dingen zodra ze gevonden zijn hun oorspronkelijke kleur weer aannemen alsof er niets gebeurd was.)

Noot: Oeps. De Encyclopedie is helemaal niet van Piet Grijs, maar van Battus, zag ik te laat. Ik meld ’t for the record, want het is wel een passende vergissing eigenlijk.

De man die zelfs in zijn eigen stotteren nog taalinteresse zag

Onzin, en er zit toch wat in. Zo is het vaak bij HBC.

Klapzoen en duffel. Je had er de verbluffend originele blik van Hugo Brandt Corstius voor nodig om daar de innerlijke tegenstrijdigheid in te zien. Klap en zoen. Duf en fel. In stopgaren zit zelfs een drietraps basalt-woord, zoals hij het noemde (bas en alt, stop en ga en ren). Hij verzamelde ze. Zoals hij alle taalgekkigheid verzamelde. Of zelf verzon.

Naast het ABC bestaat er ook zoiets als het HBC van het Nederlands, concludeerde ik toen in 2002 de tweede, ultieme editie uitkwam van zijn boek over het Opperlands — ook al een woord dat hij bedacht, voor de speelse tegenhanger van het Nederlands. Dat heette dan wel ineens Opperlans (zonder d), maar met een lettertje meer of minder of anders wist Brandt Corstius altijd raad. Zelfs toen de heerlijke klinkerstapelingen in kraaie-, ooie- en papegaaieëieren hem ontstolen waren, omdat tussen de twee Opperlandsedities de tussen-n ingevoerd was, gaf hij er nog een HBC-draai aan en vertelde over gemene taalkundigen, die gesteund door corrupte politici een vuile streek hadden uitgehaald door te verordonneren dat eieren voortaan neieren genoemd moesten worden.

Battus, maar ook drs. G. van Buuren, een gravin die uitsluitend de wij-vorm bezigde en Talisman (lees: taal is man) waren de taal-alter-ego’s van Brandt Corstius.  Maar zijn taalkant was breder. Wie bijvoorbeeld wil begrijpen waarom de vertaalcomputer nog altijd niet bestaat, leze zijn boek over computertaalkunde — uit 1978.  Het is me helaas nooit gelukt hem het geheime envelopje te ontfutselen met de verzameling speciale zinnen die naar zijn zeggen nog heel lang onvertaalbaar voor een machine zouden blijken.   

Als dat envelopje al bestond, natuurlijk. Want van mystificeren had Brandt Corstius een handje. Daaraan was dan wel weer te danken dat hij zich in 1988 tegen iedere gewoonte in toch uitvoerig liet interviewen voor het wetenschapskatern van deze krant. Door een alter ego. Nou ja, nadat W.F. Hermans schreef over de heel gewone, alledaagse interviewtjes met taalkundigen die Hugo tegenwoordig in een oude Bibeb-jurk afnam onder de naam Liesbeth Koenen, zei hij eindelijk ja op mijn herhaaldelijke verzoeken. We hadden het over de ‘wet van wit en wat’, waarin is vastgelegd hoe klinkerwisselingen steeds dezelfde betekenisverschillen kunnen opleveren. Wat waar is bij ‘zit, zat, zet’ en ‘drink, drank, drenk’, trok hij rustig door naar ‘zin, zan, zen’. Onzin, en toch zit er wat in, zoals vaak bij het HBC.

Het ging ook over zijn stotteren, dat voor hem helemaal samenhing met zijn taalinteresse, en over de vermeende viesheid van het woord neuken. “Een woord kán niet vies zijn,” beweerde hij toen met zijn typerende geen-tegenspraak-duldende stelligheid. Waarvan je toch nooit zeker wist of hij het nou meende.

Afgelopen zaterdag kreeg ik hem nog aan het lachen met memoreren dat zijn aartsvijand Hermans mij ooit nog voor hem had aangezien. Hoe het verder moet met het Nederlands zonder de HBC-blik weet ik even niet.

Tot het einde bezig met z’n ‘syntaksis’

Deze week werd bekend dat taalkundige P.C. Paardekooper op 1 mei is overleden, 92 jaar oud. Generaties schoolkinderen leerden ontleden volgens ‘het systeem Paardekooper’: met streepjes en kriebeltjes en andere tekens onder de zinsdelen. Taalactivist Paardekooper streed ook voor ‘groter als’ en ‘wetenschappelik’.

Hij was charmant, dol op koekjes, en verrukkelijk dwars. Begin 1987 was prof. dr. P.C. Paardekooper net met pensioen, en weer terug in Nederland. Indertijd reden voor een portret in deze krant. Met smaak trok hij daarin van leer tegen België, ‘het land van de dialect-heidenen’ waar je dat  ‘afgrijselijk smerige dialect van Antwerpen’ had en hij zestien jaar lang als ‘ABN-zendeling’ had gewerkt.

En de Nederlanders deugden evenmin. Dat waren ‘moedertaalmasochisten’, die in Kortrijk Frans probeerden te praten, en die met hun voorkeur voor Engelse leenwoorden leden aan ‘anglomanie’.

Eigenlijk hoogst merkwaardige opvattingen voor een taalkundige – die beschrijven de taal, en onthouden zich van oordelen. En toch was Paardekooper met hart en ziel taalkundige. Zijn afkeer van alles wat niet-ABN was, kun je gerust onwetenschappelijk noemen, maar voor de meeste van zijn taalopvattingen vond de taalpoliticus die in hem huisde wel degelijk goede, taalkundige gronden.

Neem die spelling. In 1963, inmiddels een halve eeuw geleden,  was hij de oprichter van de Vereniging voor Wetenschappelike Spelling, die  dus ‘wetenschappelik’ wil schrijven, en ‘hont’. Eén klank, één letter was een simpeler systeem. En we schrijven immers ook ‘huis’, niet ‘huiz’, redeneerde hij.

Zo verdedigde hij ook ‘enigste’, want dat had gevoelsmatig heus een sterkere betekenis dan ‘enige’, dat de schoolmeesters voorschrijven. Hij schreef ’ie’ voor ‘hij’ als je ‘ie’ zegt. En begreep niet wat er tegen ‘Jan z’n jas’ zou zijn. Want dat zegt iedereen. En echt overal droeg hij uit dat het ‘groter als’ moest zijn, niet ‘groter dan’. Dat was een opgelegd verzinsel, en Cats en Vondel en Huygens gebruikten ook ‘als’.

Toch was vooral de Nederlandse zinsbouw uiteindelijk zijn grote liefde. En dat in een tijd dat nog vrijwel niemand daar erg in geïnteresseerd was. Zijn verrassende inzichten en haarscherpe analyses worden nog steeds door iedereen geroemd. Zonder enige twijfel is Paardekooper de breedst gewaardeerde taalkundige die het Nederlands taalgebied ooit gehad heeft. Taalonderzoekers uit alle hoeken kijken altijd eerst even ‘wat Paardekooper ervan zegt’.

Zijn aanpak was nieuw. Hij keek naar zinnen op een manier die nu standaard is: wat kan er wel, wat kan er niet? Dat gaat met uitproberen, wegstrepen, invullen, aanvullen, omkeren.

Zo schreef hij in 1956 al een artikel over ‘een schat van een kind’.  Althans, over die manier van zeggen, de constructie – die je bijvoorbeeld ook bij ‘een boom van een vent’ ziet. Hoe kun je weten of het wel echt een constructie is? Daarvoor ga je puzzelen. Kun je er iets tussen zetten? Dan krijg je bijvoorbeeld ‘Heb je dat niet altijd een schat gevonden van een kind?’ En dat is niet goed. Wat kun je ervoor zetten, of erachter? Kun je een woord vervangen? Prima is ‘kijk zo’n schat van een kind toch ’s’, maar fout: ‘kijk die schat van een kind toch ‘s’. Op die manier pluste hij talloze verschijnselen uit, en bracht patronen van het Nederlands in kaart. 

Daarbij ontwikkelde hij zijn eigen terminologie. Ook daarin liep hij soms voorop. Degenen die op de middelbare school, of op een leraren- of vertalersopleiding leerden ontleden volgens ‘de methode Paardekooper’ kennen vast de categorieën bwbn en vzaz nog: bijwoord/bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel/achterzetsel. Die dingen bij elkaar nemen is nu allang normaal, bwbn en vzaz staan wereldwijd bekend als A en P.

Niet dat dat laatste direct aan Paardekooper te danken is. Er ontstond de afgelopen week enige discussie op internet over of Paardekooper nou school gemaakt heeft of niet. Dus buiten de invloed die hij letterlijk op scholen had, vooral in het zuiden van ons taalgebied overigens.

Er is geen ‘Paardekooperiaanse taalkunde’ ontstaan, maar syntacticus Hans Broekhuis hield een hartstochtelijk pleidooi op Neder-L, het elektronisch tijdschrift voor neerlandistiek,  voor oog voor Paardekoopers impact: ‘feit is dat Paardekoopers werk en vooral zijn Beknopte ABN-syntaksis een verregaande, maar vaak verborgen invloed heeft gehad op de beoefening van de taalwetenschap’, schreef hij onder meer. En Broekhuis heeft recht van spreken. Hij werkt al bijna twintig jaar aan een groot overzicht van de Nederlandse syntaxis. Vaak gebaseerd op het soort testen dat Paardekooper gebruikte, en ingedeeld volgens diens ‘Beknopte’.

En hoewel de laatste editie van die Beknopte ABN syntaksis (let ook op de spelling van syntaxis) niet minder dan 974 pagina’s telde, in onooglijk kleine lettertjes, laat het werk van Broekhuis zien dat die titel correct is. Er is net weer een deel van diens Syntax of Dutch uit.  Uitsluitend over bijvoeglijke naamwoorden en constructies, en het telt toch 635 bladzijden. Ook dat was bijzonder van Paardekooper: hij zag hoe weinig we nog weten.

Uit de overlijdensadvertentie bleek dat Paardekooper in België gestorven is, thuis, na een ziekbed van twee maanden. In het land waar hij een lange haat-liefdeverhouding mee had. Er zijn geen Belgen heette het boekje met zes radiolezingen dat in de jaren zestig enorm veel stof deed opwaaien.

In 1987 vertelde Paardekooper daarover: “Dat ging er natuurlijk over dat je alleen Vlamingen en Walen hebt en dat die twee stukken niet met elkaar kunnen praten. Door een reeks toevallen is dat toen een rel geworden en kreeg ik spreekverboden opgelegd door het Belgische ministerie van Justitie. Twee keer ben ik met vliegende vaandels en slaande trom in een auto met 120 kilometer per uur België uitgezet. Dat was allemaal flauwekul, maar het gaf toch ook het nodige plezier.”

Vervolgens maakte men hem in 1970 toch hoogleraar in Kortrijk, tot zijn kennelijke genoegen. Overigens is Paardekooper na zijn pensionering nog tientallen jaren actief geweest, onder meer op de universiteit van Leiden. Ook de activist bleef. Zo beijverde hij zich voor het behoud van het Zuid-Afrikaans. De annonce in de krant meldde: ‘Tot het einde toe is hij met zijn geliefde syntaksis bezig geweest.’ Zoals hij in 1987 zei: ‘Een taalbeschrijving komt nooit af.’

 

Laten we haar de Venus van Milo noemen

(Naar aanleiding van nieuwe tentoonstelling in Beeldengalerij Het Depot: http://www.hetdepot.nl/nl/home)

Met woorden kan alles. Of nou ja, oneindig veel. Charmeren en sjoemelen, kwetsen en kwellen, ontroeren en ontzetten. Taal is de uitweg die uit onze hoofden rechtstreeks voert naar de binnenkant van anderen. Sinds we kunnen schrijven mag daar bovendien gerust de halve wereld of een heel millennium tussen zitten. Woorden bewaren onze kennis en kundes. En taal stuurt de blik, draait dingen desgewenst diametraal om.

Neem Alison Lapper. Het softenonbabytijdperk was net voorbij toen ze in 1965 zonder armen en zonder onderbenen geboren werd. Een toevallig genetisch foutje, waardoor ze er net zo uitzag als de tienduizenden baby’s wier moeders pillen met thalidomide hadden ingenomen tegen zwangerschapsmisselijkheid. De Britse werd onmiddellijk weggehaald bij haar moeder, en groeide op in een tehuis samen met honderden gehandicapte kinderen in alle soorten en maten.

Ze kreeg er nepledematen aangemeten. Goedbedoeld, maar onbruikbaar, vond ze. Lapper leerde leven zonder. Ze leerde nog veel meer, en werd kunstenaar. Ze werkt onder meer met foto’s, en schildert door de kwast in haar mond te nemen.

Zomergast Adriaan van Dis liet afgelopen seizoen een fragment zien uit een van de documentaires over Alison Lapper. Krachtig en uitgesproken is ze, trots en boos tegelijk. Het ging over een doorslaggevend moment in haar leven: iemand vertelde haar dat ze er net zo uitzag als de Venus van Milo.

Alison had nog nooit gehoord van de beroemdste torso aller tijden. Maar zodra ze er afbeeldingen van zag, raakte ze in een staat van grote opwinding. Dat was zij! De gelijkenis was verbluffend. Maar niemand noemde de Venus van Milo gehandicapt. Of een freak. De Venus werd aanbeden, bewonderd, met lust bekeken.

Ze besefte: dat kan dus ook met mij. En precies dat inzicht, dat je als een variant op what’s in a name zou kunnen opvatten, maakte dat het daadwerkelijk gebeurde. Alison Lapper droeg voortaan met kracht uit dat ze als aantrekkelijk gezien wenste te worden. Ze beeldde zichzelf af. Sprak erover. En morrelde zo aan de betekenis van woorden als ‘schoonheid’ en ‘mismaakt’.

Uiteindelijk werd ze letterlijk een eigentijdse Venus van Milo. In 2005 en 2006 stond haar beeltenis bovenop een van de vier zuilen op Trafalgar Square in Londen. Een beeld van ruim drieëneenhalve meter hoog. De naakte en ook nog hoogzwangere Alison Lapper was  door de Britse beeldhouwer Marc Quinn vervaardigd uit Carrara-marmer – het mooiste en meest vlekkeloze ter wereld, waaruit Michelangelo zijn David ooit beitelde.

Hoe je iets noemt en wat je er nog meer bijvertelt, het kan alles veranderen. Nee, niet per se voor iedereen of in één keer. Er kwam natuurlijk heisa van Alison en haar grote mond. Ook over het beeld was men verdeeld: is het kunst, is het kitsch? Is het emancipatie of een horrorshow? Daar dus ook weer: hoe noem je het?

Een naam geeft houvast. De wereld om ons heen benoemen is een diepgevoelde, typisch menselijke onuitroeibare behoefte. Slimme apen kun je soms honderden begrippen bijbrengen (in gebaren- of symbolentaal, hun strottenhoofd kan geen taalklanken produceren), en die zetten ze dan met graagte en verve in om te krijgen wat ze hebben willen. Iets lekkers te eten. Gekieteld worden.

Maar geen aap doet wat alle kleine kinderen wel doen: wijzen, en vragen, en gretig leren hoe de dingen heten. Ook als er niks te halen valt. Kinderen steken voordat ze naar school gaan om te leren lezen en schrijven  jaar in jaar uit, elke dag, tussen de vijf en tien nieuwe woorden op.  Zonder dwang, zonder stampwerk.

Het zit in onze natuur. De wereldvermaarde Helen Keller, die doof en blind werd als peuter,  beschreef in haar autobiografie het moment dat ze doorkreeg dat de dingen een naam hebben als het moment dat haar leven begon. Ze was bijna zeven, en een volhardende gouvernante doorbrak haar eenzame duisternis door telkens opnieuw in haar hand te spellen. Bij alles wat ze deden. Eerst begreep Helen er niets van, maar  op een mooie dag bij de pomp daagde het haar dat er verband was tussen de aanrakingen van de juf in haar ene hand en het koele spul dat over haar andere hand liep.

Ze was niet meer te houden. De hele weg naar huis moest en zou ze voelen hoe alle dingen heetten.

In het begin moeten anderen het ons laten horen – of, als een of meer zintuigen het laten afweten, het ons laten zien of voelen. Maar dat we al snel meer kunnen dan na-apen is de bodem onder ongelooflijk veel creativiteit. Is er ergens geen naam voor, of kennen we hem niet, dan maken we hem zelf. Verzinnen hem. Bouwen hem uit elementen die we wel kennen, of aan de hand van associaties of analogieën. Bij kinderen vinden we wat er dan uitkomt schattig (verfmens voor schilder, winden voor waaien), bij volwassenen noemen we het poëzie of een andere vorm van kunst.

Dan komt het spel erin. En vaak een vorm van welles-nietes. Je monteert een fietswiel op een krukje en zegt dat het kunst is. Of je neemt een urinoir, signeert het, noemt het ‘Fontein’ en stuurt het in voor een tentoonstelling. Dat maakte Marcel Duchamps een eeuw geleden wereldberoemd. En uiteraard tegelijk wereldverguisd.

De ongekende macht van het woord kende en gebruikte Duchamps zijn kunstenaarsleven lang (hij stierf op zijn eenentachtigste  in het revolutiejaar 1968). Toen hij in het kubisme beweging wilde brengen – letterlijk – maakte hij het schilderij Naakt dat de trap afdaalt (Nu descendant un escalier). De suggestie van bloot zit vooral in de kleur van de blokjes en stukjes waaruit het is opgebouwd. Het is de titel die betekenis geeft. En dus aanstoot. Of hij die maar wilde aanpassen. Dat weigerde Duchamps. Het werk was daarom niet in 1912, maar pas in 1913 voor het eerst te zien.

Alleen vanwege de woorden die erbij zouden komen te hangen. Een wonderlijk vroegtijdig nipplegate. Niet heel veel later zong Margritte zijn eigen liedje van schijn en werkelijkheid, door onder een onmiskenbare pijp te schrijven dat het geen pijp was. En dat was natuurlijk waar.

Duchamps niet zo erg naakte naakt inspireerde beeldend kunstenaar Gerhard Lentink, die in zijn werk soms nog weer een stap verder gaat. Hij verstopt de taal op ingenieuze manieren. Je ziet het wel, maar als er niet meer bij wordt verteld, weet je niet wat je ziet. Lentink gebruikt bijvoorbeeld de dubbele betekenis van ‘klinkers’, en laat letters door de lucht vliegen, in plaats van stenen. Daarmee wijst hij even op het verschijnsel homonymie, waar we uitzonderlijk goed mee uit de voeten kunnen.

Zo goed dat we meestal helemaal niet merken dat een woord meer betekenissen heeft (in deze laatste zin kunnen bijvoorbeeld goed, niet, merken en meer ook iets anders zijn). Dat klinkers ook nog taal zijn, maakt het extra dubbelzinnig.    

Maar Gerhard Lentink haalt de woorden ook graag uit elkaar en  gebruikt ze om iets nieuws mee in elkaar te zetten. Zijn Walters Huis bijvoorbeeld (te zien in een ziekenhuis in Dordrecht) heeft houten muren die helemaal zijn opgebouwd uit de tekst van Liberté, een liefdesgedicht van Paul Éluard. En daar begint ook de frustratie.  

Want kun je eenmaal lezen, dan wil je, moet je en zal je ook. Alles wat er langs komt, neem je in je op. Reden dat het zo slim is van de fabrikanten van kleding, damestassen en sportschoenen om hun naam erop te zetten. Groter of kleiner, bijna iedereen wil weten wat er staat. Hoe automatisch dat gaat, merk je als het op geen enkele manier lukt. Opschriften en straatnaambordjes in verre landen kunnen je ineens analfabeet maken. Als je pakweg het Chinese of Arabische schriftsysteem niet kent, dan heb je ook geen enkel aanknopingspunt meer.  

Er is dus ook taal die je niet kent. Je weet vaak niet eens: staat er werkelijk iets? Je vermoedt het. En dat irriteert en intrigeert tegelijk. De enorme rok van Lentinks beeld Sappho wil je ook zo graag lezen.

Maar de Griekse letters geven hun geheim niet vanzelf prijs. Hier biedt alleen uitleg uitkomst: Sappho’s rok is gemaakt van de woorden van een van de fragmenten die overgeleverd zijn van de beroemde dichteres van het eiland Lesbos. Aan wier woonplaats de wereld dan weer het woord lesbisch te danken heeft. Als je dat allemaal weet, al die context erbij hebt, dan zie je een ander beeld. Ook als je de tekst nog steeds niet kunt lezen. Maar dat kan dan weer elders, in vertaling.

Want dat is nog een ander indrukwekkend kunstje van het menselijk taalvermogen: dat we van de ene taal naar de andere kunnen. Ook dat helpt het aantal benoemmogelijkheden onnoemelijk groot te houden.

NOOT: Hier een pdf van het blad. Stuk begint op pagina 8. Met afbeeldingen van alles waar het over gaat.

Een wirwar van letters

Geintje uit begin jaren tachtig, toen iedereen met buttons liep: in Londen verkochten ze speldjes met Dyslexia lures ko erop. Vertaald: Dyslexie lokt knock-out. Een onzinnige tekst, die je pas snapt als je weet dat op alle andere buttons stond:  ‘Huppeldepup rules ok’.  ‘Huppeldepup is de baas, en zo hoort het!’

Gooien dyslectici inderdaad de letters door elkaar? Is dat het punt? Soms ja. Eu’s kunnen ue’s worden, ui’s iu’s, b’s en p’s worden gespiegeld, letters vallen weg. Dus strand wordt gelezen of geschreven als stand, van leugen maken dyslectici luegen, van buiten biuten.

Ondanks heel veel onderzoek en even zovele therapieën is nog altijd niet goed duidelijk wat dyslexie – wat ze vroeger ook woordblindheid noemden – precies is, noch welke delen van de hersenen erbij betrokken zijn. Een goede kandidaat-verklaring is dat er op klankniveau in de hersenen iets niet gaat zoals het zou moeten. Ook het omzetten van klanken in tekentjes en andersom is dan verstoord.

Als kleuters moeite hebben met rijmpjes, kan dat een aanwijzing zijn dat er leesproblemen op komst zijn. Dyslexie is iets dat sterk in de familie kan zitten, en het komt meer voor bij jongens dan bij meisjes. Een gegarandeerde remedie is nog niet gevonden, maar oefenen helpt en bijna iedereen krijgt in de loop van de tijd toch minder moeite met lezen en schrijven.

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stukje bij. Het haalde de NRC-pagina’s niet, maar in de De Standaardbijlage was wel alle ruimte.

Hele, halve en kapotte hersenen

Ons vermogen om te spreken en taal te begrijpen hebben we te danken aan cruciale gebieden in de linker hersenhelft. Maar ook de rechterhelft speelt een rol. 

In een Zuid-Hollands verpleeghuis woonde jarenlang een oude dame die op alles ‘jammm!’ zei. Luid en langgerekt klonk ze. Het was het enige dat ze nog uitbracht. Net als bij de man die als Monsieur Tan de geschiedenis is ingegaan, was er bijna niets over van haar spraakvermogen. Monsieur Tan zei alleen nog ‘tan’. Hij was een patiënt van Paul Broca, de Franse arts die zijn geval in 1861 beschreef. Het gedeelte van meneer Tans hersenen dat na diens dood stuk bleek te zijn, heet sindsdien het gebied van Broca.

Zo’n gebied van Broca hebben we allemaal. Het zit in de linker hersenhelft, ergens tussen slaap en oor. En vlak naast de motorische cortex, een strook hersenschors die de spieren aan het werk zet. Daarom gaan taalproblemen die ontstaan door een hersenbeschadiging vaak samen met verlammingsverschijnselen aan de rechterkant van het lichaam. De linker hersenhelft bestuurt immers de rechterkant van ons lichaam, en omgekeerd. Wat de effecten van bijvoorbeeld een beroerte precies zijn, verschilt van geval tot geval. Alles hangt af van hoe groot de beschadiging is, en ook van waar wat precies zat. Want hoewel mensenhersenen in grote lijnen allemaal ongeveer hetzelfde zijn ingericht, zijn er van persoon tot persoon soms toch aanzienlijke verschillen.

Broca’s gebied is onmisbaar voor het in elkaar zetten en weer uit elkaar halen van taal: het bouwen van woorden en zinnen en andersom het ontleden van de woorden en zinnen van een ander gebeurt in dat gebied.

Maar taal is meer dan dat. Iets verder naar achteren en wat lager ligt het gebied van Wernicke, ook in de negentiende eeuw ontdekt en voor gewoon taalgebruik al even cruciaal. Je hebt het nodig voor het vinden van de juiste woorden, met de juiste betekenissen.

Alle taalproblemen die iemand oploopt doordat zijn hersenen beschadigd raken, vallen onder de verzamelterm afasie. Dat betekent zoiets als niet-spreken. Maar de meeste afasiepatiënten spreken wel degelijk. Sommigen praten moeizaam en hakkelend, maar zijn min of meer goed te begrijpen. Anderen babbelen als de beste, maar spreken in raadselen (‘nieke bekka ikke dieka’). Veel van hen schieten bij het zoeken van woorden geregeld net mis. Ze zeggen ‘woener’ tegen ‘schoenen’ of ‘tante’ terwijl ze ‘oom’ bedoelen. Beschadigingen aan je gebied van Broca of Wernicke zijn dus gevaarlijk voor je taal, al pakt het bij iedereen net weer even anders uit.

Tegelijk wordt wel steeds duidelijker dat ook het denkwerk in je voorhoofd bij normale taal hoort. Allerlei circuits werken samen als je praat of luistert. Dat valt nu goed te scannen of te meten via elektroden. Zo weten we ook dat je hersens een afwijkinkje laten zien in het patroon van hersengolven als ze iets onverwachts horen, zoals ‘hij nam een slokje waterval’, of ‘ze at brood met sokken’.

Een echt bizarre afwijking heet Witzelsucht: bij een beschadiging in een gebiedje vóór in je hoofd kun je een niet te stuiten flauwegrappenmaker worden. Je gaat dan ook ongepaste opmerkingen maken, maar dat heb je niet door. Wie aan Witzelsucht lijdt vindt zichzelf aldoor een groot succes. Voor de omgeving is het helemaal niet grappig.

Onze linker hersenhelft is dus de kletsmajoor. Die praat. Maar rechts kan ook wel wat taal verwerken. De rol van de rechter hersenhelft is intrigerend. Bij een beschadiging rechts wordt het bijvoorbeeld moeilijk om figuurlijk taalgebruik en beeldspraak te begrijpen. Als je alles letterlijk neemt, is dat in het dagelijks leven knap lastig. De rechter hersenhelft heb je ook nodig om grappen te snappen, en om een verhaal samenhangend na te vertellen.

Soms moet de balk die de hersenhelften met elkaar verbindt, het corpus callosum, worden doorgesneden, meestal omdat iemand aan een ondraaglijke vorm van epilepsie lijdt. Dat doorsnijden dempt de toevallen, maar het heeft nog een paar opmerkelijke gevolgen. Om te beginnen merkt de patiënt er niets van, die voelt zich niet gespleten. Pas als je met testjes in de weer gaat en slimme meetapparatuur, blijken zulke split-brain-patiënten inderdaad twee losse hersenhelften te hebben, die elkaar geen rechtstreekse informatie kunnen geven.

Wordt de pratende linkerhelft van zo’n patiënt op onwetendheid betrapt, dan gaat hij smoesjes verzinnen. Als iemand via zijn rechter hersenhelft bijvoorbeeld de opdracht te lezen krijgt: sta op en loop weg, dan doet hij dat. Maar als hem dan gevraagd wordt waarom hij nou weggaat, antwoordt zijn linker hersenhelft niet: nou, er stond toch dat dat moest? In plaats daarvan komt er een zelfbedachte uitvlucht, bijvoorbeeld: ik heb dorst, ik ga even iets te drinken pakken.

Wat kun je aan afasie doen? Zo snel als maar enigszins mogelijk is beginnen met oefenen is belangrijk, vooral niet gaan afwachten. Als niet meteen duidelijk is hoe: probeer het met liedjes, aftelversjes, vaste rijtjes als de dagen van de week, en met voorzeggen en ‘meezeggen’.

Het grootste nieuwe inzicht sinds de tijd van Broca is dat hersens helemaal niet voorgoed klaar en onveranderlijk zijn als je de volwassenheid bereikt. Elke hersencel kan talloze vertakkingen hebben, en er een leven lang nieuwe bij maken. Dus: omwegen, nieuwe wegen kweken zijn de hoop op redding als er schade is. Of in elk geval op verbetering. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Alle kinderen zijn talenwonders

Talenwonders kennen tientallen talen. En elke volgende gaat makkelijker, zeggen ze. Waarin hem die talenknobbel zit of waaruit die bestaat, is niet echt duidelijk. Er is in de hele wereld maar één geval bekend van iemand die een heel laag IQ heeft, maar een enorm talent voor talen, de Britse Christopher Taylor. Zijn jas dichtknopen gaat hem boven de pet, maar hij kan even gemakkelijk met Grieks en Turks overweg als met Hindi en Nederlands. Hij heeft al veel met taalkundigen samengewerkt, maar dat heeft nog geen geheel nieuw licht op de zaak geworpen.

Wel is glashelder dat er aanzienlijke verschillen in taaltalent zijn tussen kinderen en volwassenen. Kinderen zuigen talen nog op als een spons. Met twee, drie, zelfs vier tegelijk. Dat feit begint een beetje door te dringen. Het aantal kinderen onder de twaalf dat les krijgt in een vreemde taal, groeit zowel in Nederland als in Vlaanderen. Bij de Duitstalige gemeenschap in België krijgen zelfs driejarigen al les in een tweede taal.

Maar pas op. Een taal goed leren doen kinderen pas als ze hem vaak genoeg horen en kunnen gebruiken, én als ze er de zin van inzien. Motivatie is een van de voorwaarden voor succes. Daarvoor kan dan weer belangrijk zijn in hoeverre een taal in aanzien staat in de omgeving van een kind.

Zitten die talen elkaar niet in de weg dan? Heel veel ouders zijn daar bang voor, maar dat is nergens voor nodig. Eigenlijk zijn alle kinderen talenwonders. Misschien duurt het ietsje langer, en het lijkt soms een poosje of een kind dingen door elkaar haalt, maar dat gaat allemaal vanzelf over.

Tegelijk is ook duidelijk dat het geen zin heeft kinderen een meertalige opvoeding te geven als je er daarna weer mee ophoudt. Ze hebben dan wel een sponsbrein voor talen, maar even snel druipt zo’n taal er weer uit weg als hij niet vaak genoeg meer langskomt. Ze kunnen na een paar maanden al alles kwijt zijn.

Voor volwassenen ligt het anders. Dat sponsvermogen neemt langzaam af met de jaren. Begin je op je zevende met een nieuwe taal dan leer je hem al niet meer zo perfect en tot in alle finesses als gebeurt wanneer je er van de wieg af mee opgroeit. Vanaf zo ongeveer je zeventiende ben je in dit opzicht volwassen. Dat wil zeggen dat je veroordeeld bent tot stampwerk, wil je een nieuwe taal goed leren. Accentloos wordt het dan bijna nooit meer. Maar wat je je eigen maakt, blijft meestal wel bewaard, al is van tijd tot tijd oppoetsen en de roest wegborstelen aan te bevelen.

Tweetaligheid is niet per definitie een blijvende toestand. Emigranten die helemaal overstappen naar de taal van het nieuwe land, raken soms hun moedertaal langzaam maar zeker weer kwijt. Dan lijkt hoe ze praten deels op kindertaal: ze zeggen weer dingen als ‘slaapte’ voor sliep en ‘vraagde’ voor vroeg. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Rechts is de baas in het Nederlands

In het Nederlands heeft de rechterkant van een samenstelling het voor het zeggen, die bepaalt de woordsoort en de betekenis. Een wetmatigheid waar je leuk mee kunt spelen.

Ook al geven koeien koeienmelk en moeders moedermelk, dat wil nog niet zeggen dat baby’s babymelk geven, of dat je koffie zou kunnen melken voor je koffiemelk. Zo is een verjaardagstaart ter ere van een verjaardag, maar een appeltaart niet ter ere van appels. Omgekeerd zitten er in bruidstaart geen bruiden, maar zit er in chocoladetaart gelukkig wel chocola. Toch is het allemaal melk en allemaal taart.

Iedereen die met het Nederlands is opgegroeid, voelt perfect aan dat het eerste woord iets zegt over het laatste. Een conferentietafel is een soort tafel, maar een tafelconferentie een type conferentie, net als een kruimaardappel een soort aardappel is, en aardappelkruim een soort kruim. Met andere woorden: het woord dat achteraan komt, rechts staat dus, bepaalt in samenstellingen waar we het over hebben.

Voor Nederlandstaligen lijkt dat volkomen logisch, en bij het Duits en het Engels gaat het al net zo, maar in bijvoorbeeld het Frans doen ze het helemaal omgekeerd. Daar heet leidingwater ‘eau de conduite’ en een waterleiding is een ‘conduite d’eau’. Ze zetten er ook graag het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort: Sartre schreef met zijn toneelstuk Les mains sales ‘de handen vuile’ in plaats van ‘de vuile handen’.

Maar bij ons is de rechterkant de baas. Die verordonneert ook of er ‘de’ of ‘het’ bij moet: het is de waterleiding en het leidingwater omdat het de leiding en het water is. Om diezelfde reden is ’t het administratiekantoor, maar de kantooradministratie.

Rechts bepaalt bovendien bijna altijd tot welke soort een woord behoort. Keigaaf, gifgroen, spindun en apestoned mogen dan allemaal beginnen met een zelfstandig naamwoord, zolang een woord eindigt op een bijvoeglijk naamwoord is het hele woord dat ook. Net zoals beeldhouwen, atoomsplijten en thuiswerken werkwoorden zijn, ook al zijn beeld, atoom en thuis dat helemaal niet.

Maar links is het vrije gedeelte. Daar kan eigenlijk alles. Natuurlijk, er komt kennis van de wereld bij kijken. Daardoor weten we dat je een tenniselleboog en een voetbalknie krijgt van tennissen en voetballen, maar een wipneus niet van wippen, en een loopoor, hamertenen en schaamlippen ook niet van lopen, hameren en je schamen. Maar met wat fantasie zou dat allemaal best kunnen: al die hollers hebben hele harde muziek op bij hun rondjes door het park. Dat eindigt met een loopoor. Een onhandigerd laat de klauwhamer steeds uit zijn klauwen vallen, op zijn voeten. Bont en blauwe hamertenen zijn het gevolg. Verzin zelf iets over wipneuzen en schaamlippen.

Dat is het mooie: we hebben het vermogen steeds nieuwe taaldingen te bouwen. Of oude te herinterpreteren. We kunnen bijvoorbeeld een groenteman verzinnen die net als groentesoep gemaakt is van groenten. De Italiaanse schilder Arcimboldo werd daar in de zestiende eeuw al wereldberoemd mee. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

 

Meer talen, goed voor u?

Wie meer dan een taal kent, boft. En niet alleen omdat het handig is en toegang geeft tot meer werelden. Bij meertaligen begint Alzheimer gemiddeld vier jaar later. En het heeft er alles van weg dat je er slimmer van wordt. Want het werkgeheugen van mensen die meer dan één taal spreken kan meer aan, en bij sommige concentratietestjes doen ze het gemiddeld beter dan ééntaligen.

Maar let op. Die fraaie, gunstige effecten zijn gemeten bij mensen die in hun dagelijks leven veelvuldig gebruik maken van die verschillende talen. Het staat dus niet vast dat de extra voordelen ook opgaan voor bijvoorbeeld iedereen die een redelijk mondje Engels spreekt tegen de toeristen in zijn stad, of die ooit voor een vakantieliefde een cursus Spaans deed. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stukje bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

De spraakmitrailleur

Praten vergt een hoop hersenactiviteit. Er komen zo’n honderd spieren en spiertjes aan te pas, die allemaal aangestuurd worden vanuit onze hersenen. Een waanzinnige hoeveelheid rekenwerk maakt dat wij tussen de twee en zeven woorden per seconde uitspreken, gemiddeld 180 per minuut – dat is ruim 10.000 woorden per uur. Die woorden worden vaak als een harmonica in elkaar geduwd. ‘Wat zal ik er eens van zeggen’ komt er dan ongeveer uit als ‘zakkrusfasseggu’ of zelfs ‘sakseggu’.

We staan daar allemaal nooit bij stil, maar iemand die sneller of langzamer praat dan het gemiddelde valt heel erg op. Spelletje: gok hoeveel woorden Matthijs van Nieuwkerk per minuut doet in zijn intro bij De Wereld Draait Door (en time het op Uitzending Gemist) – iets dat ’m vast niet zou lukken als ie niet voorlas trouwens. Lezen kunnen we sowieso sneller dan praten: gemiddeld wel 300 woorden per minuut. We kunnen woorden en zinnen dus veel sneller verwerken dan ze zelf produceren. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Honderden woorden zijn nog geen taal

Zelfs iemand die niet kan zien en horen, blijft enthousiast dingen een naam geven. Geen enkel dier doet dat, zelfs de slimste mensaap niet. Geen behoefte aan.

Een grote benoemdrift. Dat hebben wij mensen. Van kleins af aan kraaien we wijzend met een garnalenvingertje ‘die!’, en zodra we iets meer kunnen zeggen, willen we van alles weten hoe het heet. Voor de beroemde Helen Keller, die als peuter zowel doof als blind geworden was, begon haar leven pas toen ze doorkreeg dat de dingen een naam hebben. Keller kon taal alleen voelen. Maar de eerste de beste dag dat ze begreep dat het koele spul dat over haar ene hand liep, kon worden aangeduid met elkaar opvolgende strijkages in de andere (haar gouvernante spelde W-A-T-E-R in haar hand), danste ze van enthousiasme. Meteen vroeg ze van alle dingen onderweg de naam.

Het is een opmerkelijk verschil tussen ons en andere primaten, zoals chimpansees. Letterlijk praten kunnen die niet, daar hebben ze de keel niet voor, maar er zijn serieuze pogingen ondernomen ze taal bij te brengen met behulp van symbolen of gebaren. Met opmerkelijke resultaten. Dat apen met hard oefenen wel een paar honderd verschillende woorden konden leren ‘zeggen’, laat zien hoe slim ze zijn. Alleen gaat het niet vanzelf, spelenderwijs, zoals bij mensenkinderen. Die hebben tegen de tijd dat ze naar school gaan hun moedertaal al bijna helemaal in de vingers, mensapen moeten voor de eerste beginselen al naar ‘school’.

En dan nog ontstaat er bij apen nooit zo’n ‘woordexplosie’ als bij kinderen, die na de eerste ongeveer vijftig woorden ineens in een duizelingwekkend tempo verdergaan en vele tientallen woorden per week oppikken. Gewoon voor de gein dingen benoemen lijken apen ook al niet te doen.

Wat doen ze dan wel? Misschien wel de bekendste aap aan wie mensentaal onderwezen werd, was Nim Chimpsky, een naamgrapje op de taalkundige Noam Chomsky. Het verhaal van Nim is het best gedocumenteerde apentaalexperiment ooit. Alle gebarentaallessen die de kleine Nim kreeg, werden opgenomen op video. Na een paar jaar waren al zijn onderwijzers en de erbij betrokken onderzoekers dolenthousiast: Nim praatte echt. Twee, drie, vier woorden achter elkaar. Nim draaide er zijn hand niet om voor zinnen te gebruiken. De principes van de zinsbouw zijn de heilige graal van menselijke taal. Als een aap die wist te ontdekken, dan was dat werkelijk revolutionair en sensationeel.

Maar daarna bewezen al die opnamen hun nut. Voor het eerst werden de videobanden systematisch bekeken en uitgeschreven. Het viel bitter tegen wat Nim kon. Bij nadere beschouwing bleek hij vooral zijn docenten na te praten. Structuur zat er niet of nauwelijks in zijn gebarenreeksen. Hij gebruikte zijn kennis vooral om iets te krijgen: een appel, of iets anders eetbaars. Of om gekieteld te worden. Niet voor een spontane zinvolle conversatie met de mensen waar hij tussen leefde.

Dat is wat we eigenlijk zo graag zouden willen. Praten met dieren spreekt tot onze verbeelding. Sprookjes en stripverhalen zitten niet voor niets vol met sprekende beesten. Wat gaat er om in die koppies? Je zou kunnen zeggen dat de taalexperimenten dat voorgoed duidelijk hebben gemaakt: Weinig. Een aap wil lol en wat lekkers. En dat is hem genoeg. 

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Natuurlijk is taal aangeboren!

Klets zoveel je wil tegen je konijn en je kat, spreek de tuinkikker en de huismuis dagelijks toe, hou nooit je mond tegen je hond, het maakt niet uit: ze gaan nooit terugpraten. Maar de eerste de beste baby komt na ongeveer een jaar geheid met een eerste woordje – en dan twee, drie, honderd. Dat gebeurt zelfs als je totaal niet reageert op de geluiden die uit het kindermondje komen. In culturen waar iedereen vindt dat een baby nog niks kan zeggen en dat je dus ook niks tégen de baby hoeft te zeggen, leren kinderen even goed hun moedertaal als elders.

De manier waarop dat gaat, is ook overal ongeveer hetzelfde. De fases in ultrakort bestek zijn: eerst gebrabbel, dan de eerste losse woordjes (die, bal), dan gaan peuters twee woorden combineren (sok uit, poes stout), daarna drie (papa boekje lezen), en dan kan niemand het meer bijhouden. Alle kinderen, in alle talen, maken als ze ongeveer drie zijn een woordexplosie door. Allemaal denken ze ook tot hun vijfde of zelfs zesde dat ‘de man wordt door de hond gebeten’ hetzelfde betekent als ‘man bijt hond’. Taal groeit volgens zijn eigen regels en in zijn eigen tempo. Het ene kind gaat wat sneller dan het andere, maar als ze er nog niet aan toe zijn kun je proberen ze te iets te leren zoveel je wil, een kleintje aapt je dan hooguit braaf na, zonder begrip. Fameus is deze dialoog tussen moeder en kind:

Kind: mag ik de bord? Moeder: het bord. Kind: mag ik de bord? Moeder: nee, je zegt het bord. Kind: mag ik de bord? Moeder: het bord. Kind: het bord, mag ik nou de bord?

Het is een kwestie van moeder natuur haar werk laten doen.

Hoe sterk het aangeboren taalvermogen is, zie je heel goed aan degenen die niet kunnen horen wat anderen zeggen. Overal ter wereld zijn onder doven gebarentalen ontstaan, die los staan van de gesproken talen in de buurt. Het zijn gewone, complete talen, waarin je moppen kunt tappen, over verleden jaar kunt filosoferen of een sprookje vertellen. Ze ontstaan ook nog steeds, en het blijken dan de kinderen te zijn die uit de contacttaal waarmee het begint een echte complete taal weten te smeden.

Naar alle waarschijnlijkheid hebben kinderen op ongeveer dezelfde manier ook de hand gehad in het ontstaan van talen zoals het Sranantongo en het Papiaments. Er zijn veel van die zogeheten creolentalen, met een bittere ontstaansgeschiedenis. De slavenhandel dwong mensen met uiteenlopende moedertalen bij elkaar. Dan ontstonden er contacttalen, met beperkte mogelijkheden. Het waren de volgende generaties die er veel meer van maakten. Kinderen pikken taalelementen op en kunnen die dan op andere manieren gaan gebruiken, zodat er een taal ontstaat met een volwaardige grammatica en woordenschat.

Dat valt allemaal toch echt alleen te verklaren als taal aangeboren is. 

(Maar lees ook ‘Natuurlijk is taal aangeleerd’: http://www.liesbethkoenen.nl/archief/natuurlijk-is-taal-aangeleerd/)

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

Natuurlijk is taal aangeleerd!

Iedereen die wel eens naar Spoorloos kijkt, kan het zien. Dat programma zit vol kinderen die hun moeder niet kunnen verstaan. Ze zijn als baby of peuter naar Nederland gehaald, en nu is Nederlands hun moedertaal, ook al spreekt hun eigen moeder Spaans, Maleis of Chinees. Je taal erf je niet.

Zeg je hallo, hello, ’allo, ola, ciao, aloha, namaste of merhaba? Het betekent allemaal hetzelfde, maar het ligt er maar aan of je iemand wil groeten in het Nederlands, Engels, Frans, Spaans, Italiaans, Hawaiiaans, Hindi of Turks. De Engelsen noemen een kruk ‘stool’, de Russen zeggen ‘stol’ tegen een tafel, het Franse ‘mer’ is geen meer, maar zee, het Duitse ‘See’ geen zee maar meer. Al die willekeurige koppelingen tussen klanken en betekenissen ken je echt niet vanzelf, die moet je leren.

Het barst van de subtiele details die je van je omgeving moet leren: de zachtheid van de g, de neuzigheid van de n, de oe-heid of au-heid van je oo. Bij het eerste woord van een Nederlander hoort een Vlaming al dat het geen landgenoot is, en andersom. Welke klanken je hoort, is ook al van je omgeving afhankelijk. Voor Japanners en Chinezen is wat wij toch heel duidelijk horen als een r en een l precies hetzelfde. Japanse en Chinese dreumesen van twee horen het verschil trouwens nog wel. Dit is dus meer afleren dan aanleren, maar het blijft leren.

Woorden hebben dikwijls een gevoelswaarde. Na de val van Antwerpen in 1585 vluchtte de Vlaamse crème de la crème naar Holland, en 427 jaar later doen de woorden ‘zenden’, ‘reeds’ en ‘wenen’ die zij meebrachten in wat nu het Standaardnederlands is nog altijd formeler aan dan ‘sturen’, ‘al’ en ‘huilen’. Maar niet voor veel Vlamingen. Dat verschil in deftigheid tussen Nederland en Vlaanderen zit niet in de woorden en kunnen we daarom niet vanzelf kennen, dat moet je worden bijgebracht.

En hoe kun je weten of een woord in bepaalde milieus not done is? Toch alleen maar doordat je het geleerd hebt? Zeg je ijskast of koelkast, broek of pantalon, huis of woning en eet je liever taartjes of gebakjes? En ga je naar het toilet, de wc of de plee? Nou ja, dat laatste hangt deels af van tegen wie je het hebt. Ook het oudgeld-volk dat onderling plee pleegt te zeggen, doet dat niet overal. En ook dat moet je leren: wat je waar kunt zeggen.

Vind je het dolletjes, meesterlijk, te gek, onwijs gaaf, vet cool of chill? Dat hangt weer af van hoe oud je bent. Want je leert de modewoorden van je eigen generatie. Die steeds veranderen, dus dat kan al nooit aangeboren zijn.

Zolang plaats, tijd en je sociale status bepalen hoe je praat, kan taal niet aangeboren zijn.

(Maar lees ook ‘Natuurlijk is taal aangeboren’: http://www.liesbethkoenen.nl/archief/natuurlijk-is-taal-aangeboren/}

Noot: NRC en De Standaard deden een week lang heel veel aan taal. De Standaard kwam elke dag met een losse bijlage, de NRC vulde vier pagina’s van de gewone krant. De laatste dag ging over ‘Taal in je hoofd’. Daar hoort dit stuk bij. Grappig genoeg zijn sommige dingen voor het Vlaams vertaald. Ik geef de Nederlandse versies hier.

In de toren van Babel zijn vele kamers

Het merendeel van de wereldbevolking kent waarschijnlijk meer dan één taal. Maar hoe leer je je kinderen twee moedertalen? En helpt tweetaligheid tegen alzheimer? Een dik overzichtsboek en een symposium bieden antwoorden op deze en vele andere vragen. 

‘Mijn dochter van acht begint nu steeds vaker in het Duits te antwoorden.’ Niels Schiller vertelt het met een mengeling van vaderlijke trots en enthousiasme voor zijn vakgebied. De hoogleraar psycho- en neurolinguïstiek is even met allebei zijn dochters – de jongste is bijna vier – in zijn geboorteland Duitsland. Maar ook in Nederland, waar hij in 1994 naartoe kwam, praat Schiller altijd Duits tegen ze. Daar is hij heel consequent in. ‘Willen ze dat ik een boekje voorlees? Prima, maar wel een Duits boekje. En als we samen een dvd kijken, is het altijd een Duitse dvd,’ zegt hij aan de telefoon. In heel goed Nederlands, dat desalniettemin in elke zin verraadt wat zijn moedertaal is.

Voor zijn dochters zal het anders zijn. Die hebben straks als het goed gaat twee moedertalen: het Nederlands van hun moeder en van het land waar ze wonen, en het Duits van hun vader. Allebei accentloos en vloeiend. Twee Talen, één BeTalen heet het symposium over tweetalig opgroeien dat komende vrijdag bij het Leiden Institute for Brain and Cognition gehouden wordt, en dat Niels Schiller organiseert. Ook ouders zijn er welkom.

Juist die hebben nogal eens twijfels of het nou wel goed is voor zo’n kind. Is het niet veel te lastig, en zitten die talen elkaar niet verschrikkelijk in de weg?  Politici en anderen die zich met de inrichting van het onderwijs bezighouden, denken dat laatste juist vaak zeker te weten. ‘Soms zie je een kleine vertraging in de taalontwikkeling, of lijken kinderen een tijdje in de war te zijn, maar heus, dat komt goed,’ zegt Schiller. ‘Zolang je maar zorgt voor genoeg kwaliteit en kwantiteit, en consequent bent in je taalaanbod. Daarom praat ik altijd Duits, en ga ik regelmatig alleen met de kinderen naar Duitsland. Want ze weten natuurlijk dat ik ook Nederlands versta, dus de druk om Duits te praten is niet zo hoog.’

Vast staat dat kinderen met gemak twee of zelfs nog meer talen kunnen leren. Zonder het stampen waartoe volwassenen veroordeeld zijn. Hoe dat precies komt, en wanneer hun vermogen om talen als een spons op te nemen verdwijnt, is onderwerp van flink wat debat. Dat er speciale eigenschappen van kinderhersenen bij komen kijken, denkt iedereen. Sommige onderzoeken leggen bij vijf jaar al een grens, andere komen uit op een jaar of zeventien. Bepaalde onderdelen van een taal (de klanken, subtiele grammaticale zaken) lijken gevoeliger voor leeftijd dan andere (woorden leren) voor het bereiken van een native speaker-niveau. Het is waarschijnlijk een luik dat langzaam dicht gaat, maar wel altijd op een kier blijft, want een nieuwe taal leren kun je je leven lang. En hoe meer je er al kent, des te makkelijker gaat de volgende.

Kan er dan niets kwaad? Jawel. Ook uit alle onderzoek dat hoogleraar experimentele psycholinguïstiek Annette de Groot onlangs in een rijk en breed overzichtsboek beschreven heeft, rijst deze stelregel: beter één taal goed leren dan twee maar half. ‘Je taalontwikkeling ondersteunt je denkontwikkeling’, zegt De Groot. Mis gaat het als kinderen zich onder sociale druk gedwongen voelen een overstap te maken van de taal die thuis gesproken wordt naar de taal van de rest van de omgeving.

Perfect tweetalig worden kan gelukkig een hele tijd. In de praktijk betekent dat bijvoorbeeld, dat gebrekkig Nederlands tegen je kind praten een slecht idee is. Ook ‘voorschoolse’ taallessen zijn niet nodig, wanneer een kind vanaf zijn vierde genoeg Nederlands hoort en voorgelezen krijgt en dergelijke. Een Nederlandstalige school en Nederlandstalige vriendjes zijn daarvoor voldoende. Ouders kunnen beter hun eigen moedertaal gebruiken. Dat is ook voor henzelf aangenamer.

 

DE HUIS STAAT NIET IN HEERLEN

Voor buitenlanders die Nederlands willen of moeten leren is het een crime. Ook prinses Máxima zei het al: een van de moeilijkste dingen van het Nederlands zijn de lidwoorden. Wie er even op let, ziet al gauw het probleem. Want hoezo hebben we ‘het huis’ naast ‘de woning’? Waarom zeggen we ‘het paard’ maar ‘de koe’?

Daar komt bij dat welke van de twee het is, gevolgen heeft voor allerlei woorden in de buurt, zelfs als er geen ‘de’ of ‘het’ te bekennen valt: in goed Nederlands praat je bijvoorbeeld over ‘een mooi huis’ en ‘een mooi paard’, tegenover ‘een mooiE woning’ en ‘een mooiE koe’. Terwijl het wel weer ‘het mooiE huis’ en ‘het mooiE paard’ is.

Verwarrend? Het is nog erger: bij ‘het’ hoort ‘dit’ en ‘dat’, maar ‘de’ gaat samen met ‘deze’ en ‘die’: dat/dit huis, dat zicht biedt op deze/die koe, die altijd keihard loeit. En om het helemaal duizelingwekkend te maken, worden alle de-woorden (driekwart van het geheel) ineens het-woorden zodra je ze verkleint: ‘het koetje staat naast een leuk woninkje.’ Ga er maar aanstaan.

Over het leren van ‘de’ en ‘het’ terwijl je tegelijk met een andere taal opgroeit, gaan twee lezingen bij het symposium. Hoogleraar Franse taalkunde Aafke Hulk komt onder meer met cijfers over Marokkaans- en Turks-Nederlandse kinderen. Als die tien zijn, gaat het bij ongeveer de helft van de het-woorden nog verkeerd. Anders dan volwassenen maken ze maar een kant uit fouten: het-woorden worden de-woorden. ‘De leuke meisje’ is bijna exemplarisch voor wat ‘allochtonen-Nederlands’genoemd wordt. Ten onrechte, kinderen van bijvoorbeeld ex-pats doen exact hetzelfde.

Maar Hulk keek ook naar kinderen die alleen Nederlands leren: ‘Die maken dezelfde fouten. En dat duurt zeker tot ze zeven zijn, terwijl Franse kindjes al met drie, vier jaar le en la en un en une goed doen.’ Of het na hun tiende met de tweetaligen alsnog goedkomt, is niet bekend. Het zou best kunnen van wel. Een kleine aanwijzing komt van een Marokkaans-Nederlandse jongere in Rotterdam die tegen een onderzoeker zei: ‘Natuurlijk weet ik best dat ‘t ‘het huis’ is, maar je dacht toch niet dat ik dat hier op straat kon zeggen?’ Groepstaal (met de bijbehorende groepsdruk) kan de feitelijke taalkennis van jongeren flink vertekenen.

Turks en Marokkaans hebben overigens geen of een heel ander lidwoordensysteem. Daar valt dus niet tweetaligs aan te vergelijken. Maar Leonie Cornips van het Meertens Instituut vond iets verrassends in haar geboorteplaats Heerlen. Het Heerlens dialect werkt in dit opzicht net als het Duits (der, die, das, en bijpassende verbuigingen), en dat lijkt het Nederlands leren positief  te beïnvloeden. Want Heerlense kinderen van vier à vijf die alleen maar Nederlands leren, doen niet meer dan tien procent van de het-woorden goed. Nederlands-Heerlens opgroeiende kinderen zitten op dat moment al op dertig procent.

 

SLEUTEL IS HARD ÉN LIEF 

Alzheimer blijft langer weg bij mensen die meer dan een taal gebruiken. Op ingewikkelde reactietestjes waarin ze conflicterende informatie moeten negeren of onderdrukken, scoren meertaligen duidelijk beter. Hun werkgeheugen blijkt in het algemeen meer aan te kunnen dan dat van eentaligen. En ook de controle over andere zaken die de hersenen moeten uitvoeren, is scherper. Het continu moeten onderdrukken van de talen die je op dat moment niet spreekt – want dat is hoe het lijkt te gaan in meertalige hoofden – levert kennelijk serieuze voordelen op.  

Hoe ziet dat er van binnen uit? Daar valt nog lang niet alles over te zeggen. Heel wat delen van de hersenen doen mee. Wel lijken zich wanneer iemand er een taal bij aan het leren is,  in eerste instantie aparte gebiedjes per taal te ontwikkelen in het gebied van Broca, dat cruciaal is voor taal. Maar dat effect is niet meer terug te vinden bij een ongeveer even goede beheersing van de talen in kwestie. En bij wie tweetalig opgroeit, zitten die talen vanaf het begin dwars door elkaar heen. Dat we ze desalniettemin meestal haarscherp uit elkaar kunnen houden, is een staaltje hersenkrachtpatserij.

En er is nog meer. Wat Annette de Groot tijdens haar lange tocht door onderzoeksresultaten ontdekte en  heel intrigerend vindt, is de net iets verschoven blik op de wereld die verschillende talen kunnen bieden. Op soms heel onverwachte manieren. ‘Voorwerpen die helemaal niets met gender, geslacht, te maken hebben, zoals een sleutel, roepen toch meer mannelijke of meer vrouwelijke associaties op, puur afhankelijk van de vraag of de namen van die voorwerpen toevallig mannelijk of vrouwelijk zijn’, vertelt ze. Zo denken Duitsers bij ‘Schlüssel’ (‘der’, mannelijk) aan ‘metaal’, ‘hard’, ‘gekarteld’, maar Spanjaarden bij ‘clave’ (‘la’, vrouwelijk) aan ‘klein’, ‘blinkend’, ‘lief’. Maar hoe zit het dan als je allebei die talen kent? De Groot: ‘Er zijn wel aanwijzingen dat de inhoud van concepten bij tweetaligen naar elkaar toe kan groeien. Maar er zijn ook mensen die tussen twee verschillende denkwerelden lijken te switchen, afhankelijk van de taal die ze op dat moment gebruiken. Wat ik mooi vind, is dat je niet vast zit aan één eenmaal verkregen wereldbeeld.’

Voor het (afgezien van titel overigens Engelstalige!) symposium Twee Talen, één BeTalen op vrijdag 20 mei zie www.libc-presents.nl

Het boek van Annette de Groot, gericht op studenten en collega’s, heet Language And Cognition In Bilinguals And Multilinguals, an introduction. 528 pag., Psychology Press, € 52,99. 

Voor de antwoorden van taalkundigen op 217 praktische vragen over meertalig opvoeden van ouders, zie de vraagbaken op www.ouders.nl

Nootje: clave blijkt niet het gewone woord voor sleutel, het ding, in het Spaans. Mijn schuld. Doordat het zo op het Italiaanse chiave lijkt meende ik het goede woord meteen gevonden te hebben. Dank aan degenen die me er op wezen.

 

MAM, IK LUISTER NAAR GRIEKSE SONGS. DAT MAG’

Een strijdpunt in veel pubergezinnen. Voor alle ouders die niet willen geloven dat hun kind met een IPod op, of YouTube op de achtergrond, erg opschiet met die Franse woordjes, en voor alle scholieren die zeggen dat het juist beter gaat dan: het is onderzocht. En het zit als volgt. Studeren op een vreemde taal gaat inderdaad beter met muziek aan. Zolang die althans instrumentaal is. Wordt er gezongen in een onbekende taal, dan maakt wel of geen achtergrondmuziek niets uit. Maar kun je de woorden wel verstaan dan leidt dat, of je wil of niet, af en gaat het leren juist slechter. 

 

EENTALIGHEID IS MYTHE

Naar alle waarschijnlijkheid kent het merendeel van de wereldbevolking meer dan een taal, helemaal als je ‘passief’ kennen (zelf alleen een streektaal spreken bijvoorbeeld, maar wel een officiële landstaal begrijpen) meerekent. Dat geldt ook al heel lang voor Nederland. Dat wij geneigd zijn ons land vooral als eentalig te beschouwen, komt volgens sociolinguïste Leonie Cornips door de negentiende-eeuwse nadruk op natievorming, waarbij een land liefst samen moest gaan met een volk, en vooral: één taal. Maar er waren ook toen talloze dialecten, er was het Fries, en de elite die Frans sprak. Nu helpt elke buschauffeur alle toeristen in meer of minder steenkolen-Engels, en hebben onderwijs en radio en tv het Standaardnederlands inderdaad  de standaard gemaakt.

 

FRANS SPREKEN? DRINK!

Om je enigszins te kunnen redden in een taal, moet je naar verluidt minimaal 3000 veelgebruikte woorden kennen. Wil je een tekst goed snappen, dan is het genoeg als je 95 procent van de woorden kunt thuisbrengen. En zonder basiskennis van de grammatica lukt dat natuurlijk niet.

Maar dat maakt de vraag ‘hoeveel talen spreek je?’ nog altijd niet simpel te beantwoorden. Dat mondje schoolduits, of dat camping-Spaans, telt dat ook  mee? Op vakantie wel, maar voor onderzoek naar twee- of nog meertaligheid worden eigenlijk steevast proefpersonen gevraagd, die die talen in het dagelijks leven ook echt naast elkaar gebruiken. Dus of de voordelen van meertaligheid ook gelden voor emigranten die hun eerste taal allang niet meer gebruiken, of voor mensen die ooit vlot Frans of Duits spraken,  is niet duidelijk.

Wel lijkt het erop dat je een roestig geworden taal altijd weer kunt afborstelen, ook al heb je hem tijdenlang niet gehoord of gesproken. Met een uitzondering: als kinderen abrupt verstoken raken van hun moedertaal-tot-dan-toe, bijvoorbeeld omdat ze geadopteerd worden door mensen in een ander  land, dan wint de nieuwe moedertaal het, en lijkt de oude voorgoed vergeten te worden. 

Ook vastgesteld: een paar glazen alcohol doen wonderen voor je spreekvaardigheid in een vreemde taal. Je denkt niet alleen dat die vooruit gaat, het is ook zo.

Een echte verstrooide professor

Martien Cohen Stuart maakte onderzoek naar soft matter tot een van de meest vruchtbare wetenschapsvelden in Wageningen. Zowel in muziek als in wetenschap gelooft de markante hoogleraar in de kracht van samenwerking. ‘Ik hou van de rijkdom van een ensemble.’ 

In de normale wereld kook je een ei en dan wordt het hard. Vervolgens hoef je echt niet bang te zijn dat je bij je ontbijt alsnog een rauw of een snotei opent. Maar in de wereld van Martien Cohen Stuart ligt dat anders. Die kwam tot genoegen van zijn toen schoolgaande zoon nog wel eens thuis met dat soort ‘hele leuke nieuwe trucjes’. Goed, van dat ei was een beetje een grapje, maar gestolde eiwitten weer vloeibaar maken, is wel precies het type onderzoek dat Cohen Stuart faam heeft bezorgd.

Schuim en emulsies, vloeibare kristallen, het al dan niet vochtig worden van oppervlakken – rond zulke zaken bruist zijn carrière. De paraplu waaronder alles schuilt, heet in het vak soft matter: ‘spul dat je ergens uit kan knijpen’, vat Cohen Stuart  het zelf samen. En altijd draait het om ‘de krachten tussen moleculen, wat die met elkaar hebben’. Daar meer van begrijpen, juist ook van hun collectieve gedrag  — hij spreekt zelfs van ‘de sociologie van moleculen’ – is het uitgangspunt bij wat Cohen Stuart en zijn heel brede Wageningse leerstoelgroep Fysische Chemie en kolloïdkunde doen.

En bij wat ze maken. Want nieuwe (macro)moleculen vormen nogal eens de output. Materie met een combinatie van eigenschappen die geboren is op de tekentafel. En tegenwoordig ook dood spul dat gecombineerd wordt met levend materiaal. ‘DNA is tenslotte ook een molecuul’, verklaart Cohen Stuart. Wat voor de buitenwereld nog klinkt als science fiction, valt  voor hem onder het weer naar elkaar groeien van de natuurwetenschappen. ‘De chemische industrie maakte pas een apart vak van scheikunde.’ Is het vervagen van de grenzen tussen leven en dood niet een beetje eng? ‘Zo kijk ik er eigenlijk nooit naar’, zegt hij, met een lichte verlegenheid.

SOCIALE MUSICUS

In het dagelijks leven is het gewoon onderzoek. Veeleisend onderzoek, dat grote hoeveelheden van zijn tijd en aandacht opslokt. Vrienden, familie, collega’s, iedereen ziet in Martien Cohen Stuart de typische wetenschapper. Ook al heeft hij, naast z’n vrouw Marina, nog een echt grote liefde: muziek. Voor iemand die uiteindelijk besloot om toch maar niet het conservatorium te gaan doen, speelde hij op zeer hoog niveau: het Nationaal Jeugdorkest, het Nederlands Studentenorkest. Fagot. ‘Dat kan ik iedereen aanraden’, lacht hij ‘want daar is de concurrentie veel kleiner dan bij de meeste instrumenten.’ Tegenwoordig speelt hij in een kwintet, dat regelmatig optreedt voor publiek. ‘Ik ben altijd een sociale musicus geweest. Ik hou van de rijkdom van een ensemble.’

Ook in de wetenschap is hij geen solist. Maar wel creatief. Beslist iemand met ideeën, die hij zelf ‘een goede intuïtie’ en ‘ideetjes’ noemt. Als zo’n ideetje, zeg over gesynthetiseerde polymeren met een plus- en een minstukje, blijkt te kloppen, ja, dat zijn de beste momenten in het vak. Hoe succesvol hij erin is, valt onder meer af te lezen aan de tientallen aio’s die bij zijn leergroepstoel rondlopen, aan de werkverbanden van Japan tot Duitsland, en aan het feit dat hij al ongeveer alle grote NWO-subsidies wist te verkrijgen. En onlangs was er nog de toekenning van 2,5 miljoen euro door de  European Research Council.

Hoe doet Cohen Stuart dat?  In elk geval door verwachtingen te hebben van de mensen met wie hij werkt, en daar verder niet veel woorden aan vuil te maken. Het spreekt bijvoorbeeld vanzelf dat wie een potentieel interessant idee is tegengekomen, op een conferentie of waar dan ook, dat komt delen met de rest. De cultuur is: bij elkaar binnenlopen, een balletje over iets opgooien, dat best de helft van de keren doel mag missen. Vrijuit spreken en van gedachten wisselen, dat hoort, vindt hij, ook erg bij Wageningen, en de interdisciplinariteit die daar weer bij hoort.

HOOFD BIJ HET WERK

En Cohen Stuart weet hoe je de dingen moet brengen. Dus bij de optredens van het kwintet leidt hij steevast de muziekstukken in, naar hartenlust citerend uit de wereldliteratuur, van Shakespeare tot Kees Stip. Wordt er bij de leerstoelgroep iets specifieks met ijzermoleculen gedaan, dan verzint hij een goede reden om van ‘iron ladies’ te spreken. Maar hij heeft het goed verwoorden van zaken wel moeten leren ‘Mijn eerste zes, zeven subsidieaanvragen, dat ging niet best’, zegt hij.  

In zijn begintijd als hoogleraar dreigden ook draconische bezuinigingsmaatregelen. Het voelde als een zware verantwoordelijkheid. Hij werd er ook kwaad van. De enige periode dat zijn werk hem wel eens wakker hield. Slecht slapen deed hij verder alleen toen zijn vrouw rond kerst 2006 ineens in razend tempo alle gevoel in haar benen kwijtraakte. ‘Toen heb je zelfs een maand niet gewerkt’, zegt Marina Karsten, die samen met haar man ontvangt bij de brandende houtkachel in de uitbouw van hun vrijstaande huis vol trappetjes en hoekjes. Lopen kost haar nog steeds moeite, en ze heeft een fulltime baan als hoofd ruimtelijke ordening van Veenendaal -Wageningen  (ook zij deed ‘Wageningen’) moeten inruilen voor een bestaan waarin wandelen en zwemmen en andere therapie de hoofdmoot vormen.

Niet eenvoudig, ook niet naast een man die weliswaar door velen als ‘ontzettend aardig’ en zelfs ‘lief’ wordt beschreven, maar wiens hoofd nu eenmaal meestal bij dat werk zit. ‘Dat was ook met de kinderen wel eens een punt’, zegt zijn vrouw. Maar de twee zoons zijn alweer een tijdje het huis uit. De een heeft natuurkunde, de ander scheikunde gestudeerd. Hun portretten hangen boven de prettig rommelige boekenkast. Dat zijn ouders de hele week werkten en veel weg waren, heeft in elk geval Diemer, de jongste, nooit dwarsgezeten, vertelt hij aan de telefoon. En op zaterdagmorgen was er de huiselijke geur van de sigaar of pijp die zijn vader op vrijdagavond rookte. Op zondagochtend klassieke muziek bij het ontbijt. ‘Dat was wel deprimerend voor een kind,’ grinnikt hij.

MATIÈRE MOLLE

Hij herinnert zich ook dat zijn vader goed en graag uitlegde. Met enthousiasme. Het moet hetzelfde enthousiasme waardoor hij naar verluidt bijna danst als hij voor publiek spreekt over ‘zijn’ soft matter, overigens ook de titel van het tijdschrift dat hij aanvoert als hoofdredacteur. ‘Wij zelf bestaan ook uit zachte materie’, merkt hij met zichtbaar genoegen op. En dan te bedenken dat dat hele begrip nog niet bestond toen hij aan zijn ouderwets zeer langjarige studie scheikunde begon. Het was de Franse Nobelprijswinnaar Pierre-Gilles de Gennes, grondlegger van het vakgebied genoemd, die in de jaren tachtig in z’n lab sprak van matière molle. Cohen Stuart:  ‘Een benaming met een knipoog, want matière molle heeft een seksuele bijklank.’

En hij kan het weten, want Cohen Stuart groeide op met het Frans en met Frankrijk. Na schooltijd kon hij zijn moeder, gezeten naast de spreekwoordelijke grote pot thee met kaakjes, vaak aantreffen met het correctiewerk dat haar baan als lerares Frans met zich meebracht. En ’s zomers trok het gezin in de deux chevaux van het grote huis in Den Haag  naar een tijdelijk tentenbestaan in Frankrijk. Martien met zijn twee zussen achterin. Wild kamperen bij de boer, bij wie zijn moeder met haar Frans altijd alles voor elkaar kreeg.

Francofiel is hij gebleven. En in 2003 kochten ze in Normandië een grange, een vakwerkschuur. Er komen foto’s op tafel, naast het glas wijn dat inmiddels is ingeschonken. Het ding is 25 meter lang, negen meter hoog, en er horen vijf hectaren bij, een boomgaard met honderd bomen. Een megaproject. ‘Ik ga in zoiets wel mee’, vertelt zijn vrouw, ‘maar ik stap er niet zo onbezorgd in als hij. En ik had er geen rekening mee gehouden dat je lichaam wel eens in de weg kon gaan zitten. Bij Martien is het een kwestie van durven beginnen aan iets waarvan je nog niet weet hoe het moet, en erop te vertrouwen dat je al doende ergens komt.’

Ook dat tekent waarschijnlijk de onderzoeker. Ondanks zijn ‘huiselijke’ kant, die zich bijvoorbeeld ook uit in graag koken, ‘liefst telkens iets anders, een beetje experimenteren’, voldoet Cohen Stuart beslist aan een paar van die echte  verstrooide-professor-clichés. Hij wil nog wel eens een afspraak vergeten. En plant rustig een buitenlandse reis als zijn vrouw jarig is. Hij geeft nu eenmaal absoluut niets om vormelijkheid, noch om kleding. Daar is hij zelfs fameus om. Had zijn kwintet afgesproken om allemaal op te treden in een zwarte broek of rok met daarboven een felgekleurde bloes, dan verscheen hij rustig in een T-shirt of een houthakkersbloes. Maar dat hebben ze hem afgeleerd. 

Met dank aan: Josie Zeevat (secretaresse), Diemer Cohen Stuart (jongste zoon), Renske Carrière (oudste zus), Frans Leermakers (collega-onderzoeker), Irene Hagenaars-Bos (kwintetgenote) en Marina Karsten (echtgenote).

 

Martien Cohen Stuart 

1948: geboren  

Opgegroeid in Den Haag, middelste van 3 kinderen

1975: doctoraal studie Scheikunde in Groningen

1976: begin relatie echtgenote Marina Karsten, waaruit 2 zonen zijn geboren

1980: Promotie in Wageningen

Sindsdien werkzaam bij Fysische Chemie en kolloïdkunde, vanaf 1996 als hoogleraar.

2009: Wetenschappelijk directeur Dutch Polymer Institute (DPI), 1 dag per week

2010: toekenning ERC Advanced Grant

Lid Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

Lid Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen

Voorzitter Stichting Kamermuziek Wageningen

Voorzitter Van Uvenstichting Wageningen (zorgt voor uitleen bladmuziek en muziekinstrumenten aan studenten)

Nootje: Vond mijn eigen voorstel voor een kop: ZACHT SPUL, HARDE WETENSCHAP, leuker dan het cliché over de professor. Er bleek ook een Engelse vertaling van dit stuk gemaakt te worden. Dat kreeg gelukkig de andere kop. Het staat hier http://resource.wur.nl/en/wetenschap/detail/the_hard_science_of_soft_matter

Het jongste KNAW-instituut zoekt wijsheid voor de Wadden

‘Wees wijs met de Waddenzee’ was de tekst op blauwe truien en t-shirts die tientallen met dat enorme, complexe waddengebied dat zich over 400 kilometer kust uitstrekt jaren geleden het straatbeeld al kleurden. Maar wat is wijs? Wat moeten we aan en vol zit met bedreigde bijzondere flora en fauna en geschiedenis? De natuur beschermen of de mensen? In 2003 concludeerde de overheid dat we met beleid en beheer van de Waddenzee in een impasse waren geraakt. Aan de wetenschap om die te doorbreken. Zo kreeg de KNAW een nieuw instituut: de Waddenacademie. Twee jaar na de oprichting praat Waddenacademievoorzitter Pavel Kabat over de vraag hoe we de natuur kunnen behouden en tegelijk ook blijven gebruiken.

Goed, het sloeg niet op wat wij nu de Wadden noemen of de Waddenzee, maar toch is ‘wad’ het oudste Nederlandse woord dat tot dusver in geschriften is gevonden. Het was de Romeinse geschiedschrijver Tacitus die het in het jaar 107 optekende. Nog steeds hangen ‘wad’ en ‘doorwaden’ samen, en daarin zit precies het typerende van het gebied. Telkens als het eb wordt, zijn er droogvallende zandplaten, met daartussen ondiepe of wat diepere geulen. Met bijbehorende fraaie weidse uitzichten over het water en de golvende ribbels in het zand. Dat de bijzondere getijdenwerking heeft geleid tot een bijzondere, maar nogal kwetsbare leefomgeving voor allerlei planten, vogels en schelpdieren, en niet te vergeten zeehonden, zal weinig Nederlanders ontgaan zijn.

actievoeren

Aan aandacht ontbreekt het de Wadden niet, en ook is er geld (het Waddenfonds heeft 800 miljoen beschikbaar) en erkenning. Sinds juni vorig jaar staat de Waddenzee op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Naast bijvoorbeeld de Grand Canyon en de Galapagoseilanden. Erfgoed dat de wereld wil behouden. Maar hoe doe je dat? Simpel is het niet. Dat laten de decennia van discussies, actievoeren en maatregelen in elk geval zien.

Als iemand dat begrijpt, is het Pavel Kabat (1958). Voor iedereen die vindt dat de Wadden zo moeten blijven als ze nu zijn, heeft de voorzitter van de Waddenacademie bij zijn presentaties altijd twee foto’s in petto. Een bij eb, en een bij vloed. ‘Vertel maar welke Wadden je wilt behouden,’ zegt hij dan. Het is een van zijn manieren om steeds dezelfde boodschap te verwoorden: de wadden zijn niet één ding, ze zijn een systeem vol dynamiek. Altijd al geweest.

‘Wat is dat nou? Waarom vraag je daar mij voor?’, was Kabats eerste reactie op de vraag of hij voorzitter wilde worden van de gloednieuwe Waddenacademie. ‘Ik ben hydroloog en klimaatonderzoeker. Ik onderzoek de honderden kilometers grote systemen in de Sahel en het Amazonegebied.’ Hij ging zich inlezen. ‘Toen zag ik snel: hier kan ik wat betekenen. Net zoals in de Amazone gebeurt, kan het onderzoek naar het waddensysteem veel multidisciplinairder, integraler en internationaler. Dingen zoals klimaat, ecologie, geologie en sedimentdynamiek: dat snap ik wel. Er zijn raakvlakken met bijvoorbeeld economie en cultuurhistorie, en het geheel koppelt ook mooi met andere grote projecten en de dertig promovendi die ik heb.’ 

Inmiddels is de in Tsjechië geboren hoogleraar Aardsysteemkunde en Klimaatstudies aan de Wageningen Universiteit helemaal gegrepen door het waddengebied. In het Atlasgebouw, met zijn binnenkant vol opmerkelijke scheve dwarsverbindingen tussen de verdiepingen, praat hij onvermoeibaar, uren achtereen. In zeer vlot Nederlands, waaraan je toch kunt horen dat hij niet uit Nederland komt. Hij is hier sinds 1986, maar hij is hier nooit, lijkt het. Voortdurend vliegt hij de wereld over voor zijn werk als onderzoeker, spreker en adviseur.

Twee dagen van de week wijdt hij aan de Waddenacademie. Het is dan ook geen KNAW-onderzoeksinstituut in de klassieke zin. ‘Het heeft eerder de vorm van een virtueel ‘network of excellence’, zegt Kabat, ‘met wetenschappers en studenten, maar ook beleidsmakers en beheerders.’ Modern dus. Het eigen budget is niet meer dan 1,1 miljoen per jaar. Het kleine bureau in Leeuwarden ondersteunt de vijf hoogleraren die het bestuur vormen.

Hun zeer uiteenlopende portefeuilles laten zien hoeveel kanten er aan het waddenonderzoek zitten. Hoe complex het hele systeem is. Want daar horen bijvoorbeeld ook de ongeveer een miljoen mensen in het gebied bij. De visserij, het toerisme. Voer voor alfa’s, bèta’s en gamma’s. Kabat zelf beheert klimaat, water en ruimtelijke ordening, maar bij de Waddenacademiethema’s horen ook cultuurhistorie, ecologie, geowetenschap en sociale en ruimtelijke economie. De vier andere bestuursleden besteden een dag per week aan de Waddenacademie.

zeegrasvelden

Kabat: ‘Met zijn vijven zijn we het wetenschappelijk geweten.’ Dat spreekt hem aan. Net als het feit dat de politiek de durf heeft gehad te kiezen voor de KNAW, voor een strikt wetenschappelijke invalshoek dus. Want de Waddenacademie vloeit voort uit een overheidsrapport: de Adviesgroep Waddenzeebeleid constateerde ‘dat beleid en beheer van de Waddenzee in een impasse zijn geraakt’.

Kan een Waddenacademie die doorbreken? En werd er trouwens niet al eindeloos veel onderzoek gedaan? Kabat: ‘Ja, maar meestal per discipline, dus nogal versnipperd. Er verschijnen bijvoorbeeld over de waddenecologie honderden papers, proefschriften en rapporten, die dan vooral in de kasten van UB’s en hoogleraren terechtkomen. Maar zo krijg je geen antwoord op de grote vragen waar het hier om gaat: hoe kunnen we als werelderfgoed de natuur behouden en tegelijk ook blijven gebruiken. Daar heb je een multidisciplinaire aanpak voor nodig, een systeembenadering.

Waarbij je ook moet zorgen voor draagvlak in de regio. Dat stellen wij dus ook voor in onze integrale kennisagenda. Maar naast bijval was er inderdaad ook pittige weerstand tegen een Waddenacademie. Universiteiten en onderzoeksinstituten zagen er mogelijke concurrentie in. Maar die maken nu juist deel uit van het grote netwerk dat onderzoek doet. Europa en de wereld gaan daar ook bij horen.’

Dat de wadden geen puur Nederlandse aangelegenheid zijn benadrukt Kabat een paar keer. Om te beginnen lopen ze buiten onze grenzen door, tot in Duitsland en Denemarken. Die hebben bijvoorbeeld ook Waddeneilanden. Door de Waddenacademie beginnen de drie landen nu structureel kennis uit te wisselen in een trilaterale samenwerking. Dat verruimt de mogelijkheden en de blik. ‘Je moet bijvoorbeeld durven zeggen dat de zeegrasvelden misschien beter in het Duitse deel herstellen’, stelt Kabat.

Dat zit als volgt. Zeegras groeit in gebieden waar zoet en zout water samenkomen (in de Waddenzee monden een aantal rivieren uit).Vissen schuilen er, schelpdieren groeien er op, en ze verstevigen het sediment. Waarschijnlijk als gevolg van een ziekte is rond 1930 het grootste deel van de uitgestrekte zeegrasvelden in het waddengebied verdwenen. Al tientallen jaren wordt getracht ze weer terug te brengen. Daarbij wordt langzaam maar zeker duidelijker waar de kans op succes het grootst is. Wie weet wel in Duitsland dus.

Vorig jaar kwamen op initiatief van de Waddenacademie in Hamburg voor de eerste maal directeuren van 25 instituten uit de drie landen bijeen. Voor eind dit jaar staat een Waddenacademiesymposium op stapel, als voorloper van een grote conferentie in 2012. Maar ook in breder Europees verband zijn de Wadden belangrijk. Het waddengebied bevat maar liefst zestig procent van alle getijdengebieden in Europa en Noord-Afrika. Uniek zijn ze niet. Kabat: ‘Wereldwijd zijn er zeventig gebieden die veel lijken op de Wadden. In Bangladesh, Vietnam, Korea, Amerika, overal.’ Wat er geleerd wordt van ‘onze’ wadden, kan dus ook van groot belang zijn voor elders. En andersom.

lichtdoorval

Lukt het? Levert de Waddenacademie nieuwe inzichten op? ‘Ja’, zegt Kabat. ‘De schaal in ruimte en tijd waarop je kijkt is heel belangrijk. Bij grote ingrepen is begrip van het hele systeem echt noodzakelijk. Dan is de vraag: richt je je alleen op de natuur of alleen op de veiligheid? Doordat de bodemberoerende visserij is aangepakt, is de helderheid van het water teruggekomen. Omdat er weer lichtdoorval is, herstellen processen zich, en kan er bijvoorbeeld weer zeegras groeien. Maar onafhankelijk daarvan speelt de vraag van het zeespiegelniveau. Tegen de stijging van het water kun je zandsuppleties uitvoeren, zodat het land en de eilanden niet onderlopen. Maar zelfs als je dat een heel eind verderop doet, betekent dat: weg helderheid. Die twee dingen hangen dus samen. Dat zijn verbanden die tot voor kort nog niet gelegd waren.’

Er is inmiddels meer om op te bogen. Trots neemt Kabat plaats achter zijn computer om te laten zien dat er elke week een toegankelijk stuk over waddenonderzoek verschijnt op de website van de Waddenacademie. De kennis moet ontsloten worden. Hij moet even zoeken, maar dan komt ‘WadWeten’ in beeld, met berichten over onderwerpen die uiteenlopen van de kanoetentrek tot de geschiedenis van het navigeren door de Vliestroom.

Er wordt gewerkt aan een PhD School of Excellence, in nauw overleg met de in voorbereiding zijnde University Campus Fryslân. Straks worden er elk jaar vijftien internationale PhD-studenten geselecteerd, drie per Waddenacademiediscipline. Samen hebben ze een overkoepelend programma. De onderzoekers kunnen aan elke universiteit ter wereld werkzaam zijn. “Maar het verzamelen van gegevens en de verplichte winter- en summerschools, spelen zich expliciet fysiek af in de regio’, zegt Kabat. Waar dan vanzelf, als iedereen bij elkaar is, ook weer de interdisciplinaire aanpak tot zijn recht komt. 

Er is een Waddenacademieprijs ingesteld, afwisselend voor het beste proefschrift en de beste afstudeerscriptie die aan de wadden gerelateerd zijn. Dat leverde bij de eerste uitreiking meteen extra aandacht op voor de intrigerende manier waarop standkrabben met hun eten omgaan: ze slepen het mee naar waar het rustig is. Een ‘afhaalstrategie’ noemt de winnende promovenda Isabel Smallegange dat.

Ook ligt er intussen een stapeltje Waddenacademieuitgaven. Allemaal vol prachtige foto’s. De ‘integrale kennisagenda’ van de Waddenacademie, met ook de aanbeveling de economie en de cultuurhistorie een grote inhaalslag te laten maken, is te vinden in het boek Kennis voor een duurzame toekomst van de Wadden. Het is een overzichtelijk, meestal ook voor buitenstaanders heel goed te volgen verhaal.

Bijzonder is Gedeelde ruimte Het waddengebied in dertig ontmoetingen, het boekje dat bestuurslid Jos Bazelmans maakte. Hij gaat in de Waddenacademie over de cultuurhistorie. Vorig jaar trok hij door het hele waddengebied, en sprak daar bewoners. Niet alleen allerlei bestuurders en onderzoekers, en vissers, agrariërs en recreatieondernemers, maar bijvoorbeeld ook de beheerder van de drenkelingenbegraafplaats op Schiermonnikoog, en de eigenaar van het Wrakkenmuseum op Terschelling. Bazelmans legde alle persoonlijke gesprekken in een paar bladzijden vast. Bij lezing valt ook hier op hoe breed ‘de Wadden’ zijn, en hoe complex, bijvoorbeeld omdat belangen soms tegengesteld lijken.

Toch ziet Bazelmans het duidelijk positief in, en dat geldt ook voor Kabat. Het sleutelbegrip bij alle onderzoeksvragen is en blijft duurzaamheid. Kabat vat dat heel breed op, en is optimistisch over de mogelijkheden om de impasse te doorbreken die er al heel lang bestaat tussen economie aan de ene en natuur aan de andere kant. ‘Je moet denken over de vraag hoe je van natuur geld kunt maken, in combinatie met toerisme’, verklaart hij.

Waarbij wel een basisvraag blijft wat de draagkracht van het systeem is, wanneer bijvoorbeeld de Japanners massaal het waddengebied gaan bezoeken. ‘Maar misschien zien we over twintig jaar een vrij uizicht wel als een ‘dienst’. Is het de mensen geld waard als ze niet naar grote windmolens hoeven te kijken. In het kader van het klimaatdebat heb ik tien jaar geleden al eens gezegd dat koolstof business zou worden. En kijk: nu worden er op de beurs koolstofrechten verhandeld.’

De Waddenacademie is in 2008 in principe voor twintig jaar ingesteld, parallel aan de looptijd van het Waddenfonds. ‘Met alle stappen van de keten die gezet moeten worden, denk ik dat we zeker zo lang nodig hebben’, zegt Kabat.

Volgens bestuurssecretaris Klaas Deen is de Waddenacademie al een nationale vraagbaak aan het worden. Als er maar iets met de wadden is, krijgt hij in het Huis voor de Wadden – daarin is het bureau gevestigd – tegenwoordig prompt telefoontjes en mail van journalisten en burgers.

De Waddenacademie in het kort

Opgericht: 30 juli 2008.

Doel: een gezaghebbend kenniscentrum vormen, gericht op duurzame ontwikkeling van de waddenregio.

Taak: ecologisch, geologisch, economisch, cultuurhistorisch en sociaal-cultureel onderzoek initiëren, coördineren en faciliteren.

Leiding: vijf parttime hoogleraren uit de vijf disciplines hierboven.

Ondersteunend bureau: 3,5 fte in het Huis voor de Wadden in Leeuwarden.

Financiering: het Waddenfonds (ingesteld voor duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee, beheerd door VROM, 1 miljoen euro per jaar) en de provincie Friesland (100.000 euro per jaar).

Website: www.waddenacademie.knaw.nl 

Alleen thuis

Vraag Nederlanders hoe ze met elkaar willen leven en in hun antwoord klinkt huisje-boompje-beestje. Maar wat ze willen is niet altijd wat ze krijgen.

Het allergelukkigst zeggen we te worden van een nieuwe liefde. De eerste baby staat op nummer twee. ‘Gezondheid’ en ‘gezin’ staan trouw bovenaan bij wat Nederlanders de belangrijkste dingen in het leven vinden. We wonen graag in paren. Bijna alle volwassenen hebben dat minstens een tijdlang gedaan, en als het aan de jongeren ligt, gaat dat niet veranderen ook: 96 procent verwacht later te gaan samenwonen of trouwen. En kinderen moeten er ook beslist komen – zeker 92 procent denkt ze te gaan krijgen. We vinden massaal dat je op je familie moet kunnen rekenen. 

Wie een aantal recente bevolkingsonderzoeksgegevens op een rij zet, krijgt een tamelijk conservatief Nederland te zien, dat sterk aan huisje-boompje-beestje gehecht is. Maar wat de inwoners zouden willen, is niet altijd wat ze krijgen. Bovendien blijkt lang niet alles wat ze denken werkelijk het geval te zijn. Wensen, ideeën en gevoelens verbinden met cijfers en andere feiten, gebeurt bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) in Den Haag, onder meer aan de hand van het grote familie-interviewproject ‘the Netherlands Kinship Panel Study’, dat in 2002 begon en waaraan ook de Universiteit van Amsterdam en die van Utrecht en Tilburg meedoen.

De gestage stroom kennis over de inwoners van Nederland die daar nu al jaren uit komt, laat de grote trends zien, maar nuanceert ze ook, en is soms simpelweg verrassend. Meer individualisering blijkt bijvoorbeeld juist niet tot meer eenzaamheid te leiden. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, was er een eeuw geleden een hoger percentage kinderloosheid dan nu. Nogal wat clichés kloppen niet: zo beginnen meer vrouwen dan mannen aan de befaamde ‘tweede leg’, zijn het niet de bejaarden die het grootste risico lopen eenzaam te worden, en hebben allochtone meisjes minder bezwaar tegen werken als de kinderen nog heel klein zijn dan autochtone.

1 HUISHOUDENS

Hoe staat Nederland er op het moment dan wel voor? Waar gaat het precies heen met zaken als de individualisering en de vrouwenemancipatie? Een ding is zeker. De verbanden waarin we leven worden almaar kleiner. De huishoudens krimpen en krimpen. Broertjes en zusjes hebben nog maar zelden een heleboel andere broertjes en zusjes. Het echt grote gezin (minstens acht kinderen) sterft uit, maar zelfs thuis met z’n vieren zijn, is nu heel uitzonderlijk. Wel groeien kinderen op met meer opa’s en oma’s dan vroeger, omdat die tegenwoordig veel ouder worden. Gecombineerd met het lage kindertal leidt dat zelfs tot het doordenkertje dat nu heel wat kleinkinderen meer grootouders hebben dan die grootouders kleinkinderen bezitten.

Maar met z’n allen een huis delen doen we nauwelijks nog. Helemaal alleen wonen is de trend. Op dit moment zijn er meer eenpersoonshuishoudens dan gezinnen waar de kinderen nog thuis wonen: 2,6 miljoen tegenover ruim twee miljoen. Ook het aantal koppels (opnieuw ruim twee miljoen, de meeste getrouwd) is geringer dan het aantal alleenstaanden. Er zijn minstens tien (studenten)steden waar ongeveer de helft van de bevolking in zijn of haar eentje een huishouden voert. In Groningen is het zelfs 58 procent, in de hoofdstad 56. Landelijk gaat het om meer dan een derde.

Van oudsher blijven rijke vrouwen en arme mannen het vaakst alleen. Dat hoogopgeleide vrouwen moeilijker aan een echtgenoot komen is bijna een gemeenplaats, maar tegenwoordig blijven ook hoogopgeleide, carrièregerichte mannen vaker alleen. Pearl Dykstra, tot voor kort NIDI-onderzoekster, inmiddels hoogleraar empirische sociologie aan de Erasmusuniveristeit in Rotterdam, wijt dat aan het verlangen van de meeste hedendaagse vrouwen dat hun man ook eens een bed verschoont of een kind onder de douche zet. Ze hebben niet zo’n zin om als facilitair bedrijf voor leven en werken van hun echtgenoot op te treden.

Hoe dan ook, van elke vijf vrouwen woont er een alleen, net als van elke zes mannen. Dat overschot aan alleenstaande vrouwen komt direct voort uit het feit dat ze gemiddeld ouder worden. Is er dus een overmaat aan eenzame oude vrouwtjes? Letterlijk half Nederland denkt van wel. Die is ervan overtuigd dat het merendeel van de bejaarden zich eenzaam voelt. Gelukkig hebben ze ongelijk.

2 EENZAAMHEID

Met eenzaamheid – een behoorlijk taboe-onderwerp – zit het wat ingewikkelder. De kans erop na je tachtigste is inderdaad aanzienlijk. Maar ook jong zijn is bepaald niet zaligmakend. Pubers en begin-twintigers lopen net zoveel kans op eenzaamheid als tachtig-plussers. Toch ligt het grootste risico niet bij hen, maar bij mensen van middelbare leeftijd die geen partner hebben.

Desgevraagd zegt steevast tien procent van de bevolking zich op het moment eenzaam te voelen. Al met al heeft een op elke drie Nederlanders in zijn leven een tijdlang last van eenzaamheid. Meestal na iets ingrijpends: iemand van wie je houdt gaat dood, het werk houdt op, je voelt je verloren na een verhuizing. Het wordt erger als daar nog iets bij komt: ziekte, armoe.

Opmerkelijk genoeg lijkt individualisering een positief effect op eenzaamheid te hebben. In landen met een sterke familietraditie zoals Spanje en Italië zijn de mensen eenzamer dan hier. De Scandinavische landen, die nog wat verder geïndividualiseerd zijn dan Nederland, kennen juist de minste eenzaamheid. Volgens sommige onderzoekers zou een verklaring daarvoor erin kunnen liggen dat mama, opa en tante in het noorden niet zoveel van hun familie verwachten als in het zuiden. Ze zijn al langer aan dat individualisme gewend.

3 ONDERLINGE HULP

Maar solidair met hun familie voelen de inwoners van Nederland zich wel, en heel belangrijk vinden ze familie ook. Hoe vaak ze die zien, blijkt deels af te hangen van hoe hoog ze opgeleid zijn. Lager opgeleiden komen vaker bij elkaar over de vloer, al kan dat ook komen omdat ze vaker dichter bij elkaar wonen. Maar de lager opgeleiden voelen zich wel degelijk ook harder geroepen familieleden te steunen.

Intussen is zeggen niet altijd hetzelfde als doen. Vooral mannen spreken fermere taal dan ze waarmaken. Hulpbehoevende ouders helpen moet, vinden ze bijvoorbeeld. Vrouwen zijn terughoudender als je ze ernaar vraagt. Maar als het erop aankomt, en die hulp nodig is, doen ze meer dan de mannen. Ze houden sowieso meer contact. Ook onder allochtonen zijn denken en doen niet altijd hetzelfde. Bij de Turken en de Marokkanen leeft een grotere verplichting hun familie bij te staan dan bij autochtonen, precies zoals je zou verwachten. Toch ziet Aat Liefbroer, hoofd sociale demografie bij het NIDI en hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, in de onderzoeksdata weinig verschil met wat ze in de praktijk doen.

4 FAMILIEPROBLEMEN & ECHTSCHEIDINGEN

Hoe sterk de banden over het algemeen ook zijn, van een en al happy families is natuurlijk geen sprake. Een op elke acht Nederlanders voelt zich niet geaccepteerd door z’n familie. Meestal gaat het dan om onprettige families, waar bijvoorbeeld alcoholisme, incest of ander geweld speelde. Ook de zwarte schapen – die dat overigens zelf volgens Aafke Komter, de Utrechtse bijzonder hoogleraar ‘Vergelijkende studies van maatschappelijke solidariteit’ die hen onderzocht, meestal een te negatieve benaming vinden – hebben fikse problemen. En dat maakt ze meer de outcast dan misschien voordehandliggender dingen als iemand trouwen die de familie niet moet, of homoseksueel zijn.

Ook echtscheidingen leveren uiteraard heel wat verstoorde verhoudingen op. Dat pakweg een op de drie huwelijken ooit strandt, is algemeen bekend. Minder doorgedrongen is dat toch niet meer dan twaalf procent van alle volwassen Nederlanders een echtscheiding achter de rug heeft. Niet iedereen is op een huwbare leeftijd, en ‘Liz Taylor zit er acht keer in’ legt Pearl Dykstra het altijd uit aan haar studenten. Voor kinderen zijn gescheiden ouders ook niet zo ‘normaal’ als je soms zou denken: negen procent maakt voor z’n 21ste mee dat zijn ouders uit elkaar gaan.

Dat gaat zelden in pais en vree. In de eerste twee jaar na een scheiding zegt 67 procent van de vrouwen dat het contact met hun ex vijandig is, tegenover 58 procent van de mannen, die het kennelijk niet altijd doorhebben of het anders voelen dan hun ex-vrouw. Tien jaar na een scheiding heeft de helft helemaal geen contact meer met elkaar. Maar van de exen met kinderen gaat na verloop van tijd veertig procent weer harmonieus met elkaar om. Nieuwe partners hebben een tweeledig effect: ze maken de bestaande contacten prettiger, maar zorgen ook voor minder contact.

De befaamde ‘tweede leg’ komt, anders dan het cliché wil, meer bij vrouwen voor dan bij mannen, en sowieso slechts bij drie procent van alle ouders. Het idee dat stiefkinderen en eenoudergezinnen typisch iets van deze tijd zijn, is een ander misverstand. De oorzaak verschilt deels wel: vroeger gebeurde het vaker dat een van de ouders stierf, waarna er al dan niet hertrouwd werd.

5 KINDERLOOSHEID

Ook de gedachte dat de kinderloosheid nu zo hoog is, en zo hard groeit behoeft nuancering. Dat beeld wordt bepaald door de jaren vijftig en zestig, die een grote uitzondering waren. We hadden toen het laagste kinderloosheidcijfer uit de hele bekende geschiedenis. Van de vrouwen die geboren zijn tussen 1960 en 1964 (het jongste bevolkingscohort van wie je mag aannemen dat er geen kinderen meer komen) is 17 procent kinderloos. Maar bij de vrouwen die in de eerste decennia van de vorige eeuw werden geboren, ligt dat rond de twintig procent.

In de jaren dertig waren daar ook bezorgde conferenties over. Die laten wel zien dat het inmiddels geaccepteerder is zonder ‘kinderwens’, zoals het nu heet, door het leven te gaan. Onderzoekers van toen kwamen tot de conclusie dat de dames die geen kinderen wilden (er werd indertijd meer aan geboortebeperking gedaan dan wij ons nu realiseren) zelfzuchtige, neurotische types waren. Nu keurt overigens nog steeds twaalf procent van de Nederlanders vrijwillige kinderloosheid af (ter vergelijking: in de Scandinavische landen ligt dat rond de zes procent, in de Zuid-Europese rond de twintig).

De kinderloosheid stijgt inmiddels al tientallen jaren niet erg hard, en ook de echtscheidingscijfers lijken, na de echte grote golf uit de jaren zeventig en tachtig, nu al een tijd stabiel. Maar er is wel een kleine kentering gaande. Scheiden wordt, grof gezegd, meer voor de dommen. Op VMBO’s zijn er meer kinderen met gescheiden ouders dan op VWO’s. Dykstra heeft nog geen duidelijke verklaring. Weten hoogopgeleiden beter met conflicten om te gaan? Trouwen ze heel bewust? Is het omdat ze later aan kinderen beginnen?

De hoogopgeleiden stellen de eerste zwangerschap het langst uit, maar later aan een gezin beginnen gebeurt over de hele linie. Daarom leek het aantal kinderen lange tijd meer naar beneden te gaan dan het geval was. Cohortcijfers (bijvoorbeeld alle vrouwen geboren tussen 1960 en 1970) zijn niet hetzelfde als periodecijfers (bijvoorbeeld alle kinderen geboren in de jaren tachtig). Die periodecijfers liepen terug naar 1,7 kind per vrouw, maar uiteindelijk komen we nu toch uit op 1,9 kind. Dat blijft beneden het ‘vervangingsniveau’, dat op 2,07 kind ligt.

Is het geboortecijfer in Nederland al een kwart eeuw redelijk stabiel, het kindertal is vanaf 1870 wel degelijk gaan dalen. Daar komt de veelbesproken vergrijzing vandaan.

6 VERGRIJZING & DE TOEKOMST

We zitten inmiddels op vijftien procent van de bevolking die ouder is dan 65 – overigens een lager percentage dan in de rest van Europa: de naoorlogse geboortegolf duurde hier lang. De top gaan we bereiken in 2038, dan is een kwart van de Nederlanders 65-plus. Waren we een eeuw geleden met z’n allen gemiddeld nog 28, nu is het 39, en zijn we op weg naar een gemiddelde leeftijd van 45. Maar met een beetje geluk zijn we ook op weg naar een duurzame bevolking. Die zou bestaan uit tien miljoen Nederlanders, en als we zo doorgaan bereiken we dat aantal rond het jaar 2500. Dat duurt nog even, en ver voor die tijd groeien we waarschijnlijk nog van de huidige 16,5 miljoen inwoners naar 17,5 miljoen.

Hoe de samenleving eruit gaat zien, wat we normaal gaan vinden, is lastiger te voorspellen. Veranderingen gaan vaak traag, of stellen eigenlijk niet zoveel voor. Neem de homoseksuele stellen met kinderen. Onder de mannen vind je die nauwelijks, en er zijn ook niet meer dan 2500 lesbische koppels met een of meer kinderen. Alleen dat je voor een kind moet trouwen, denken we zo langzamerhand niet meer, ook al hebben samenwoners een 2,5 keer zo grote kans om uit elkaar te gaan als gehuwde stellen. In 2007 werd voor het eerst de helft van alle eerste kinderen geboren uit niet-getrouwde ouders.

Intussen worden waarden en normen nog altijd in het gezin overgedragen. Ook de verkeerde of de nare dus, merkt Dykstra daarbij op. Het idee ‘zoals het thuis gaat, hoort het’ lijkt ons ingebakken te zitten. Kregen je ouders je vroeg, dan zit het erin dat je zelf ook jong aan kinderen begint. Wie opgroeide met een hoop familie om zich heen – dikwijls ooms en tantes over de vloer, veel logeren bij opa en oma – krijgt de smaak te pakken en begint zelf al jong aan kinderen en krijgt er meer. Kinderen van gescheiden ouders lopen een veel grotere kans dat hun huwelijk geen standhoudt. Vaders die de was doen en de stofzuiger hanteren, krijgen zonen die dat ook doen. Dochters van werkende moeders werken meer uren dan dochters van moeders die thuis zaten.

7 WERKEN

Alleen werken Nederlandse moeders nog steeds zo weinig. De Nederlandse vrouw blijft kampioen kleine baantjes. De ‘mamadag’ naast de modieuze ‘papadag’ bestaat niet. En liefst 51,5 procent van de bevolking vindt het maar niks als moeders met kleine kinderen een full time baan hebben. Cijfers die alleen te vergelijken zijn met het voormalig Oostblok. In Oekraïne is 59 procent ertegen, maar in bijvoorbeeld Portugal slechts achttien.
De reden voor het vrouwelijke arbeidsconservatisme is volgens Pearl Dykstra waarschijnlijk dat de bittere noodzaak vaak ontbreekt. Het minimumloon is hier een gezinsloon, gebaseerd op het idee dat één kostwinner in het levensonderhoud van het hele huisgezin moet kunnen voorzien. Dat is elders niet zo.

Toch betekent ‘meer werken’ niet ‘minder tijd hebben voor de kinderen’. Het leidt in de praktijk tot minder vrije tijd. Sinds 1975 is het aantal uren dat ouders aan hun kinderen besteden juist gestegen, in heel Europa. Met één uitzondering: de hard core kostwinner, de vader wiens echtgenote thuisblijft. Die is minder tijd aan zijn kinderen gaan besteden.

Inmiddels willen in Nederland alle jongeren later taken gaan delen, zij het de meisjes iets liever dan de jongens. Opmerkelijk genoeg voelen allochtone meisjes meer voor werken als ze kinderen hebben dan autochtone. Voor wie bezorgd is over de invloed van allochtonen op onze samenleving valt te melden dat de verschillen met de autochtone bevolking eigenlijk alleen maar gestaag afnemen. Nu al bestaat tachtig procent van de hele grote gezinnen uit (meestal protestantse) autochtone Nederlanders. En bijna de helft van de Marokkaanse jongeren wil eerst samenwonen en dan pas trouwen. 

Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut van de KNAW (www.nidi.nl) brengt zelf het toegankelijke blad Demos uit (www.nidi.knaw.nl/nl/demos). De Netherlands Kinship Panel Study (NKPS, zie ook www.nkps.nl) heeft tussen 2002 en 2007 in twee rondes bij ruim 9500 mensen gegevens verzameld over familieverbanden in Nederland. Dat gebeurt met behulp van vragenlijsten en (diepte-)interviews. Naast een hoofdrespondent uit een huishouden doen voor zover aanwezig ook diens partner, een willekeurig gekozen broer of zus, een willekeurig gekozen vader of moeder, en maximaal twee willekeurig gekozen kinderen van 15 jaar en ouder mee aan het onderzoek. Om betrouwbare vergelijkingen te kunnen maken tussen autochtonen en allochtonen is er een extra steekproef getrokken uit vier grote migrantengroepen (Surinamers, Antillianen, Turken, Marokkanen). Bovendien is in de opzet van het NKPS aangesloten bij soortgelijke onderzoeken in andere landen, zodat internationale verschillen en overeenkomsten gemakkelijker zichtbaar worden. Nu net is de subsidie toegezegd voor een derde onderzoeksronde, waarin men de familieleden in de databank opnieuw wil ondervragen en zo dus blijven volgen in de tijd.

Het dubbelleven van Noam Chomsky

Hij is de meest geciteerde persoon van alle levenden op aarde. Maar Noam Chomsky leeft eigenlijk ook twee levens: een als de grote taalgeleerde, en het andere als de grote mensenrechten- activist. Zijn invloed is ongekend groot. De meesten zien ofwel god ofwel de duivel in hem. Zondag 7 december wordt hij 75.

Hij praat altijd zacht, maar vandaag heeft hij wel heel weinig stem. Dat Noam Chomsky (spreek uit: Noom Tsjomskie) onvermoeibaar zou zijn, blijkt onderdeel van de mythe. De Einstein van de taalkunde, de Darwin van onze tijd, de belangrijkste intellectueel op aarde, de extremistische Amerikahater, de sekte-goeroe, en wat wordt hij allemaal nog meer genoemd, is bekaf.

Hij komt net terug uit Illinois, waar hij temidden van de maïsvelden duizenden mensen heeft toegesproken over onder meer de oorlog in Irak. Maar ook vandaag volgen de afspraken elkaar in hoog tempo op. Een Zwitserse cameraploeg moet zijn spullen nog inpakken als ik arriveer, de student na mij staat ook alweer te wachten als Chomsky’s secretaresse op de deur van zijn werkkamer klopt ten teken dat mijn tijd om is. De opgewekte Bev Stohl waakt namelijk streng over zijn agenda, waarin tegenwoordig niemand meer dan een uur krijgt toebedeeld.

Het kan niet meer anders. “De laatste twee jaar, sinds 11 september, is het echt verschrikkelijk”, zegt Chomsky, en hij zucht erbij. “Ik ben elke avond alleen al een uur bezig om uitnodigingen voor lezingen en interviews af te slaan.” Aan e-mail beantwoorden gaan iedere dag zes, zeven uur heen. Daarnaast schrijft hij de ene beschouwing na de andere, en komen er voortdurend nieuwe of herziene boeken van hem uit. Het moeten er alles bij elkaar meer dan honderd zijn – zelf houdt hij het niet bij – en ze weerspiegelen het dubbelleven dat Chomsky al meer dan veertig jaar leidt.

In het ene leven is hij de wereldvermaarde hoogleraar van het MIT (Massachusetts Institute of Technology) in Cambridge bij Boston, die het vak taalkunde een totaal nieuwe draai gegeven heeft doordat hij er een zoektocht naar het menselijk taalvermogen van maakte, waaraan inmiddels duizenden en duizenden onderzoekers in vele tientallen landen meedoen. En die in dat vakgebied nog steeds een grote spil en richtinggever is.

Zijn tweede, activistische leven laat zich minder vlot samenvatten. Misschien komt het er in essentie op neer dat Chomsky het verschijnsel macht analyseert, becommentarieert en bovenal bekritiseert. De macht van regeringen – vooral die van zijn eigen land de Verenigde Staten – de macht van de commercie, de macht van de media.

Lijnen trekkend uit het verleden en nieuwe ontwikkelingen op de voet volgend, legt hij al decennialang keer op keer uit hoe die machten volgens hem werken. En hamert hij op de vaak ingrijpende, desastreuze consequenties voor bevolkingen, of het nu Vietnamezen, Koerden, Palestijnen, Oost-Timorezen, Irakezen, Zuid-, Midden- of Noord-Amerikanen zijn. Om die mensen gaat het hem. Gevraagd naar hoe hij de andere, niet-taalkunde-Chomsky zelf noemt, zegt hij, licht afwerend: “Mens. Het gaat over dingen die belangrijk zijn voor mensen. En dat sommigen zoals ik zich daarmee bezighouden is niets bijzonders, dat niet iedereen het doet, dát is verbazingwekkend.”

Altijd weer benadrukt Chomsky dat wat hij doet en kan allemaal niet zo bijzonder is. Hij ziet bij zichzelf hooguit één talent dat niet iedereen heeft: “Ik kan heel gemakkelijk omschakelen van het ene naar het andere, wat het ook is, en dan gewoon doorgaan waar ik gebleven was. Met sommige vrienden die dat ook hebben, kan ik ook na tien jaar de discussie op exact hetzelfde punt voortzetten.”

Maar de combinatie van een ijzersterk geheugen en een benijdenswaardig concentratievermogen lijken toch echt onvoldoende verklaring voor de enorme invloed die hij op het denken en handelen van zeer uiteenlopende mensen over de hele wereld heeft.

Ook kan daarin niet de oorzaak liggen van de heftigheid van de reacties die hij oproept. In beide levens (“Ja, het voelt volkomen als een dubbelleven,” zegt hij) ontmoet hij voornamelijk ofwel mateloze bewondering ofwel intense haat. Chomsky is god of de duivel, voor de meesten is er geen tussenweg.

Aan een imposant uiterlijk of opvallende stijl valt het allemaal niet af te lezen. Chomsky is op het oog een wat verlegen, vrij tengere man in een trui. Bijna 75 is hij nu. Dat zie je, en hij zelf voelt het ook, maar het zegt hem weinig. Op de vraag of hij zich vanwege die aanstaande verjaardag wilde laten interviewen, mailde hij terug: “75? Ja, dat zal wel. Had er nog niet aan gedacht.”

Officieel is hij al een jaar of vijf met pensioen, maar daar denkt hij zo te zien ook niet aan. Nog steeds zet hij onder het praten zijn voeten op de opengeschoven onderste la van zijn aftandse, afgeladen volle bureau, en laat hij zijn handen aldoor spelen met een papiertje of iets dergelijks.

Zijn ijdelheid gaat niet veel verder dan dat hij voordat de fotografe hem komt vastleggen zijn haar nog even laat knippen door zijn vrouw Carol, die hij al bijna zijn hele leven kent en met wie hij op zijn 21ste trouwde.

Maar zodra hij begint te spreken, begrijp je meteen wél iets van zijn beroemd- en beruchtheid. Chomsky klinkt rationeel, cerebraal en afstandelijk, en tegelijk indringend en zeer begaan met het onderwerp, wat dat ook is. Bloedserieus is hij, ook al breekt er op de onverwachtste momenten een glimlach door. Behalve zacht, praat hij opmerkelijk snel en supergeroutineerd.

In drie gesprekken is er maar een vraag waar hij even stil van valt, langer dan een halve seconde over nadenkt: of hij nog weet hoe hij in wetenschap geïnteresseerd is geraakt. Er volgt een bekentenis. “Ik heb in mijn leven dingen gedaan waar ik niet trots op ben”, zegt hij. “Eentje heb ik nog nooit iemand verteld, behalve mijn vrouw waarschijnlijk. In de derde klas van de lagere school moesten we een onderwerp voor een werkstuk over wetenschap bedenken. Ik weet niet meer wat ik uitkoos, astronomie ofzo, maar dat werkstuk heb ik grotendeels overgeschreven uit de Encyclopaedia Britannica. Mijn eerste geval van plagiaat. En ik dacht wel dat dat niet de bedoeling zou zijn, maar ik heb het niet tegen de onderwijzeres gezegd, al denk ik dat die het wel doorgehad heeft.”

Een onvoldoende, of juist een hoog cijfer leverde het niet op. “We kregen geen cijfers,” zegt Chomsky, die nog altijd heel hoog opgeeft van de vrije school die hij als kind – in Philadelphia, waar hij opgroeide – bezocht. “Pas op de middelbare school begreep ik dat ik goed kon leren. Die vraag kwam eerder gewoon nooit op. Ik wist wel dat ik een klas had overgeslagen, maar dat betekende vooral dat ik de kleinste van de klas was, die als we spijbelden bij de bioscoop altijd voor iedereen de kaartjes moest kopen omdat ik als enige nog door kon gaan voor tien ofzo.”

Na die ene keer was niet alleen Chomsky’s belangstelling voor wetenschap gewekt (“Zodra ik oud genoeg was om alleen met de metro te gaan, gingen mijn beste vriendje en ik middagenlang naar het wetenschapsmuseum om op knopjes te drukken en rare dingen te zien”), maar hij had ook geleerd dat de dingen zelf uitzoeken een stuk bevredigender was.

Hij is er diep van overtuigd dat een schoolsysteem zonder prestatiedruk, dat leerlingen alleen stimuleert hun eigen nieuwsgierigheid achterna te gaan, een totaal andere, veel prettiger wereld zou opleveren, met beter geïnformeerde mensen dan nu het geval is.

Tot op vandaag is de enige boodschap die hij heeft: denk zelf, kijk zelf, oordeel zelf, beslis zelf. Daar ligt precies zijn eigen grote talent. Chomsky is iemand die heel goed een stapje achteruit kan doen en zich dan afvragen wat hij nu eigenlijk ziet. Daardoor stelt hij vragen die anderen niet stellen. Het is geen toeval dat in al zijn geschriften, of ze nu over taal of over macht gaan, met enige regelmaat Marsmannetjes opduiken. Wat zouden die zien, als ze van een afstandje naar ons keken?

Wel, bijvoorbeeld dat alle kinderen gaan praten. Overal ter wereld. En dat ze dat in exact hetzelfde tempo doen. Tegen de tijd dat ze zes of zeven zijn, hebben ze het onder de knie, ongeacht de taal in kwestie. Ze hoeven er ook niet voor naar school, het gaat vanzelf, in wat voor cultuur ze ook opgroeien. Een Marsmannetje concludeert dan dat mensen een aangeboren taalvermogen hebben. En een nieuwsgierig Marsmannetje zou willen weten waaruit dat bestaat, wat al die mensen gemeen hebben. Hoe, iets anders geformuleerd, hun ‘universele grammatica’ er uit ziet.

Het is inmiddels bijna niet meer voor te stellen dat die gedachte tot rabiate reacties leidde. Tientallen jaren lang werd er verbeten strijd om gevoerd. Taal iets biologisch? Vogels krijgen vleugels, mensen taal, zoals Chomsky het graag kort samenvatte? Het kon en mocht niet waar zijn. Het waren de omgeving en de opvoeding die het hem deden.

De veranderende tijdgeest heeft dit conflict min of meer vanzelf de wereld uit geholpen. Dat veel dingen genetisch bepaald worden, is absoluut geen taboe meer, zoals in de jaren zestig en zeventig. En dat onze hersenen over allerlei gespecialiseerde functies beschikken is ook algemeen geaccepteerd.

Het is een beetje in de vergetelheid geraakt dat Chomsky een groot deel van de weg vrijmaakte voor de nu zo bloeiende ‘cognitie-’ en ‘neurowetenschappen’, die steeds meer van onze hersenfuncties blootleggen, tegenwoordig ook met behulp van ingenieuze apparatuur waarmee je in levende en werkende hersens kunt kijken. Dat was nog ondenkbaar in de hoogtijdagen van de Amerikaanse behavioristische psycholoog B.F. Skinner. Hij was wereldberoemd geworden met onder andere zijn experimenten met duiven, die hij allerlei vaak ingewikkelde trucjes aanleerde door ze consequent te belonen als ze het goed deden.

Gedrag kon je op die manier precies zo ‘conditioneren’ als je het hebben wilde. Het uitgangspunt van het Behaviorisme, dat begonnen was bij het hondje van Pavlov, was dat je ook niet meer nodig had om gedrag te verklaren. Leren was een kwestie van actie-reactie, stimulus-respons.

In 1957 kwam Skinners boek Verbal Behavior uit waarin hij, zoals de titel al verraadt, taal verklaarde als een vorm van gedrag. Kinderen werden in wezen net zo getraind als je met duiven kon doen. Ze leerden taal door hun ouders te imiteren, want die beloonden hen als ze het goed deden – met aanmoedigen en prijzen. Fouten werden systematisch verbeterd tot het wel goed ging. En had je eenmaal taal geleerd, dan zat de wereld de rest van je leven vol met ‘stimuli’ die ‘verbale responsen’ opriepen.

De vernietigende recensie die Chomsky in 1959 over dat boek schreef, luidde het einde van het Behaviorisme in, en het begin van Chomsky’s wereldfaam.

Wat hij inbracht waren de dingen die nog steeds het fundament van zijn werk vormen. Zoals dat een van de bijzonderste eigenschappen van taal nou net is dat de mogelijkheden letterlijk eindeloos zijn. Zelfs als je zou willen, dan zou je nog niet alle zinnen van een taal kunnen opsommen. Want in elke zin kun je weer een nieuwe zin beginnen, en altijd kun je er nog weer een extra woord in stoppen. Er is geen sprake van dat een bepaalde stimulus een vaststaande, voorspelbare respons oplevert.

Wie bijvoorbeeld een plaatje ziet, kan daar op talloze manieren iets over zeggen. Of hij zegt niets. Bovendien kan iedereen op elk moment zomaar over iets willekeurigs beginnen, zelfs over iets dat niet eens bestaat. Dat alle ouders voortdurend hun kinderen verbeteren of juist prijzen, is domweg niet het geval, en toch leren – echt ernstige handicaps even daargelaten – alle kleintjes praten.

En imitatie kan ook onmogelijk verklaren dat alle kinderen hetzelfde soort fouten maken. Ze zeggen bijvoorbeeld ‘geslaapt’ en ‘geëten’, en ‘dakken’ en ‘schippen’, wat ze van hun ouders niet horen, maar wat sterk doet vermoeden dat ze de regels te pakken hebben, alleen de uitzonderingen nog niet.

Een stap vooruit in de wetenschap begint vaak met het stellen van achteraf beschouwd nogal voor de hand liggende vragen. “Het is nog niet zo lang geleden dat niemand zich afvroeg waarom een bal naar beneden valt en niet naar boven als je hem loslaat,” zegt Chomsky.

Bij hemzelf kwamen de vragen op nadat hij zich gestort had op het Hebreeuws, dat hij van huis uit had meegekregen – zijn ouders waren joodse immigranten uit de Oekraïne en Rusland die al jong naar Amerika kwamen, en beiden Hebreeuws studeerden. “Ik had eigenlijk geen enkele achtergrond in taalkunde,” vertelt Chomsky. “Ik wist alleen iets over historische Semitische grammatica doordat ik het werk van mijn vader over middeleeuws Hebreeuws had gelezen. Op de universiteit kwam ik de analyses van het structuralisme tegen, en die methode ging ik toepassen op het modern Hebreeuws.”

Indertijd was het structuralisme de taalkundige hoofdstroom in Amerika. Het leverde uitvoerige klank- en woordvormbeschrijvingen van heel uiteenlopende talen op.

Maar niet wat Chomsky zocht. “Mij verbaasde het dat als je goed keek naar al dat gedetailleerde materiaal, het toch in wezen niet meer dan opsommingen waren,” zegt hij met een stem waarin nog steeds enige verbazing doorklinkt. “Maar als je bijvoorbeeld wilde weten hoe je in een taal een vraag kon maken, dan vond je bijna niks.”

“Het was wat dat betreft niet zoveel anders dan traditionele grammatica’s. Daar staan wel heel veel gegevens in, maar die vooronderstellen het taalvermogen van de lezer. Die kent de principes al, waardoor hij wel ongeveer begrijpt wat er bedoeld wordt. En dat is ook zo. Het heeft dus wel een functie, net als woordenboeken. Die geven de betekenis van woorden, denken we. Tot je je gaat afvragen wat de betekenis van een woord is, dan zie je dat woordenboeken eigenlijk alleen maar aanwijzingen geven. Voor het dagelijks gebruik van mensen genoeg, maar tegelijk is zelfs iets simpels als een ‘koe’ een uiterst gecompliceerd concept. Pas als je wilt weten hoe het kan dat we uit de voeten kunnen met traditionele grammatica’s en woordenboeken kom je bij de interessante vragen.”

Waarom zo, en niet anders, welke zin kun je wel maken en welke juist niet, en waarom dan, werden leidende vragen. Waarom kunnen in het zinnetje ‘Jan ziet hem’ Jan en hem onmogelijk dezelfde persoon zijn, maar is dat in ‘Jan hoopt dat Piet hem ziet’ geen enkel probleem? En waarom heeft niemand daar moeite mee? Waarom kun je niet zeggen ‘Jan vroeg wie Piet hem zag?’.

Maar eenvoudige vragen leiden niet vanzelf tot eenvoudige antwoorden. Sterker nog, als de Chomskyaanse taalkunde (beter bekend onder de technische naam generatieve grammatica) iets heeft duidelijk gemaakt, dan is het wel dat ons taalvermogen veel complexer en ingenieuzer is dan iemand ooit doorhad.

Het duurde trouwens ook even voor Chomsky het zelf begreep. Hij probeerde in het Hebreeuws regelmatigheden en principes te vinden, maar dacht nog lang dat het eigenlijk meer een hobby van hem was.

Tot hij op een dag – het is een beroemd verhaal – op een schip midden in de Atlantische Oceaan zich, beroerd en zeeziek al, ineens realiseerde dat dat werk aan de zijlijn dat hij uit particuliere interesse deed het échte werk was dat gedaan moest worden. Hij maakte wat hij nu een “rudimentaire generatieve grammatica” van het Hebreeuws noemt, én wist uiteindelijk anderen te interesseren.

Fijntjes lachend zegt hij: “Er is veel mythologie over dat generatieve grammatica zich alleen op het Engels baseerde, maar het eerste proefschrift ging over het Turks, er werd meteen gewerkt aan het Russisch en het Frans, toen kwamen de Germaanse talen en het Japans, en daarna was het niet meer bij te houden. De boel explodeerde. En elk antwoord leverde zo weer vijf nieuwe vragen op. Maar je kon die vragen wel voor het eerst stellen!”

Het enthousiasme en de opwinding van het begin van de Chomskyaanse revolutie lijken bij Chomsky zelf nooit verloren geraakt te zijn. Inmiddels zijn we vele fases verder, want ook de nieuwe antwoorden op de nieuwe vragen leverden weer nieuwe vragen, die op hun beurt, enzovoort.

En iedere keer werd de blik op taal weer bijgesteld, en daarmee het kader waarbinnen nieuwe inzichten werden binnengehaald. Voor wie er wel eens iets van gehoord heeft: het werken met ‘transformaties’ werd vervangen door ‘principes en parameters’, die op hun beurt weer opgingen in het ‘minimalisme’.

De bijbehorende methoden en technieken zijn zonder meer lastig, en dus moeilijk toegankelijk. Dat zal er een van de oorzaken van zijn dat velen de indruk hebben en Chomsky ook verwijten dat hij iedere keer zijn hele theorie weer uit het raam gooit. Hij moet daar een beetje om lachen: “Rare gedachte is dat, dat je je mening niet mag herzien. Maar het is gewoon een voortgaand proces, dat heb je bij wetenschap.”

Toch is er ook veel hetzelfde gebleven, en Chomsky is de eerste om dat te benadrukken. “We wisten in de jaren vijftig meteen dat als we een principe vonden, dat eigenlijk op zou moeten gaan voor alle talen,” legt hij uit.

“Er móet een algemeen bouwplan voor taal zijn, en dat kan niet ongelooflijk ingewikkeld zijn, anders kunnen niet alle kinderen het zo gemakkelijk leren. Tegelijk zie je als je van dichtbij naar taal kijkt zo eindeloos veel puzzels, zo’n rijkdom aan details, zoveel variëteit, zo’n complexiteit dat die twee met elkaar in tegenspraak lijken. Het kan niet waar zijn dat taal veel gecompliceerder is dan we dachten, er moet ook iets heel simpels aan de hand zijn. Dat is een probleem voor de taalkunde dat nog steeds niet goed opgelost is.”

Maar er gloort wel hoop. Zelfs zoveel dat Chomsky tegenwoordig speculeert over veel verder strekkende vragen. “Mijn collega’s vinden het een bizarre gedachte,” lacht hij, “maar je kunt je afvragen of er misschien algemene, ook elders geldende organisatieprincipes bestaan voor complexe systemen, die als je ze toepast op taal vanzelf leiden tot veel van de kenmerken die we zien. Taal kan ook heel goed alleen een stom toeval zijn, hoor, maar er ís een mogelijkheid dat het maar één voorbeeld van iets algemeners is.”

En in die gedachte ziet Chomsky voor het eerst, heel voorzichtig, een mogelijk aanknopingspunt om over de evolutie van taal na te gaan denken.

Daar heeft hij zich steeds verre van gehouden, en ook dat is hem veel verweten, maar hij had steevast hetzelfde antwoord: dat wat je er ook over zei niets anders kon zijn dan pure speculatie. Sprookjes. Wij waren er immers niet bij toen taal ontstond, er zijn geen bandopnames van bewaard gebleven, en ook de nieuwe inzichten in ons taalvermogen leverden vooralsnog hiervoor geen handvat op.

Nu ziet hij dat dus wel: stel dat inderdaad organisatieprincipes met vaste karakteristieken een grote rol spelen, dan perkt dat de mogelijkheden voor waar taal vandaan gekomen kan zijn behoorlijk in, en komen gerichtere vragen daarover binnen bereik. “Kan ik ook eens een sprookje vertellen,” glimlacht Chomsky sardonisch. Erg veel meer wil hij er niet over kwijt. “Dat er vijftig-, zestigduizend jaar geleden met de hominiden iets gebeurd is, lijkt duidelijk,” zegt hij. “Allerlei archeologische vondsten wijzen daarop. En het moet een kleine verandering geweest zijn, want zo werkt de evolutie.”

Ideeën voor wat dat dan geweest kan zijn, kunnen misschien ook komen uit de groeiende kennis over onze hersenen, erkent hij, en uit vergelijkingen met andere soorten, zoals apen: “Wat apen lijken te missen is onze mogelijkheid voor ‘oneindigheid’, niet alleen in taal, maar ook bij tellen. Drie, vier, vijf dan houdt het op. Wij kunnen oneindig doortellen, telkens weer ‘plus een’. Zo’n operatie noem je recursief. Je neemt een plus een, en bij de uitkomst ‘plus’ je weer een, enzovoort. Taal werkt ook zo, zij het met andere regels dan ‘plus’. Dat recursieve zou een kleine evolutionaire verandering geweest kunnen zijn, en misschien is het ook zo’n algemeen principe van complexe systemen.”

Niets liever zou Chomsky willen dan zich aldoor met dergelijke vragen bezighouden, alleen maar zijn taalkundeleven leiden. De zucht waarmee hij zegt “Ik wou dat de wereld wegging” is heel diep.

Maar hij vindt dat hij geen keus heeft. Het is in zijn ogen een kwestie van fatsoen, simpele morele principes om steeds opnieuw alle vormen van menselijk lijden aan te kaarten. “Het is ziek om dat niet te doen,” zegt hij zelfs.

Dus wonen we in een zieke wereld? “Ja, en hij is er helemaal op ingericht om het zo te houden. Overal is er maar één boodschap die er echt ingehamerd wordt: het hoogste wat het leven te bieden heeft is passief consumeren. Denk vooral niet zelf na, stel geen vragen over hoe je leven en de wereld in elkaar zitten, en maak je niet druk om het lot van anderen.”

“Ik zag het bij mijn kleinkinderen al gebeuren als ze twee waren. Je moet eten, drinken, kopen, en verder kun je je bezighouden met sport, persoonlijke relaties, seks. En het werkt, het is allemaal heel effectief. Pubers brengen nota bene hun vrije tijd in winkelcentra door, zwaarlijvigheid is echt een grote bedreiging geworden. Natuurlijk wordt er gemikt op dingen waar we gevoelig voor zijn. Maar ook het hele schoolsysteem is goeddeels gericht op gehoorzaamheid kweken en zorgen dat je je conformeert. Wie zich om welke reden dan ook niet aanpast, valt al gauw buiten de boot.”

Het is niet toevallig, stelt Chomsky vaak, dat de pr-industrie in Amerika en Engeland ontwikkeld zijn. In het vrije westen is propaganda de enige manier waarop bedrijfsleven en politiek hun macht kunnen uitoefenen. En dat doen ze inmiddels met ongekend succes. “De staaltjes die we hebben gezien rond de oorlog in Irak zijn echt ongelooflijk,” zegt Chomsky, nog steeds verbaasd. “Laatst zei Bush wéér dat Saddam banden met El Qaeda had. Dat hij daarmee wegkomt, terwijl zelfs de CIA heeft gezegd dat daar geen sprake van is, laat zien hoe ver het gaat. En mensen worden zo bang gemaakt! Overal elders vinden ze Saddam een rotzak, maar de Amerikanen zijn bang voor hem.”

Al vanaf het begin van de Vietnamoorlog is Chomsky’s kritiek op de Amerikaanse buitenlandse politiek zeer fel, omdat in zijn ogen de immense gevolgen van al dan niet openlijk gepleegde interventies voor de plaatselijke bevolkingen, nooit de aandacht krijgen die gerechtvaardigd zou zijn.

Bij wat hij erover zegt, baseert hij zich altijd op openbare bronnen, zaken die gedocumenteerd zijn. Rapporten van de CIA, officiële regeringsstukken, hij verwijst er keer op keer op keer naar. Voor wie ernaar wil kijken, is ook exact te volgen hoe dingen ontstaan zijn. “Het huidige marktsysteem is bewust opgelegd,” vertelt Chomsky bijvoorbeeld.

Hij mag er ook graag op wijzen hoeveel moeite het kostte tijdens de negentiende eeuwse industrialisatie in Amerika om mensen zo gek te krijgen dat ze hun vrijheid opgaven en ‘loonslaven’ werden.

“Toen dat eenmaal gelukt was, ging men in de jaren twintig van de vorige eeuw bewust praten over de controle die buiten het werk uitgeoefend kan worden,” zegt hij. Uit diezelfde tijd stamt het begrip Manufacturing consent: eensgezindheid, instemming moest ‘gefabriekt’ worden.

Het is de titel van een van Chomsky’s beroemdste boeken, dat onder meer precies uitmeet hoe selectief de media zijn in waar ze wel en niet, en veel of weinig over berichten. En de selectie is direct in verband te brengen met de belangen van de Amerikaanse industrieën en politieke machthebbers.

Opzet en slechtigheid is het meestal niet. Degenen die meewerken aan ‘manufacturing consent’ zijn zich daar zelden van bewust, dat is inherent aan hoe het werkt.

“Iedereen heeft goede redenen te doen wat hij doet, denkt hij,” zegt Chomsky, “en niemand vindt zichzelf een naarling. In de spiegel kijken is ook heel moeilijk. Het meegaan met de grote stroom is geïnternaliseerd, en wie besluit er tegen in te gaan loopt serieuze risico’s. Niet dat je hier wordt doodgeschoten, zoals in veel dictaturen, maar sancties zijn er wel. Voor je carrière, je aanzien, je inkomsten. En het is niet iets dat je even kunt doen, waarna je weer terug kunt naar je tv. Zien wat er allemaal gebeurt, hoeveel mensen lijden, is onplezierig. Er iets tegen proberen te doen kost inspanning.”

Maar als pr nou zo goed werkt, en hij wil de wereld veranderen, waarom verpakt Chomsky dan zijn eigen boodschap niet wat meer? Waarom gebruikt hij bijvoorbeeld geen one-liners en grappen, iets waarmee filmer en schrijver Michael Moore ongehoord succes heeft? “Ik heb maar een boodschap,” zegt Chomsky, “en daaraan valt niets te verpakken: zoek het zelf uit. Gebruik je eigen gezonde verstand. Ik wil niet de wereld verbeteren, maar ik wil dat de mensen de wereld verbeteren. Van Michael Moore weet ik niet zoveel, maar iemand zou zijn publiek eens moeten onderzoeken. Ik zag hem heel toevallig bij Oprah, en ik heb ook Bowling for Columbine in de bioscoop gezien. Alletwee de keren zat het publiek te klappen en te joelen. Dus of bijvoorbeeld de lijst met aantallen doden die Amerika in allerlei landen op zijn geweten heeft, echt doordringt vraag ik me serieus af.”

Chomsky blijft intussen een onverbeterlijke optimist. Niets kan hem ervan overtuigen dat de mens hopeloos slecht zou zijn ondanks de gruwelen waar hij zich continu mee bezighoudt.

Zelfs persoonlijke ervaringen niet, zoals het zien van een documentaire over de atoombom op Hiroshima in nota bene een pornobioscoop waar het publiek juichte bij de verminkte slachtoffers, of het leven in de Kibboets, wat hij vijftig jaar geleden een tijdje met plezier deed, maar waar hij tegelijk gek werd van de groepsdruk.

Wat ik ook in die richting opbreng, Chomsky reageert met een vrijwel onzichtbaar schouderophalen, een lachje, of hij zet zijn onderzoekersstem op: “Over de menselijke natuur is weinig bekend. Iedereen kan zowel een heilige als een folteraar worden.”

Bovendien ziet hij verbeteringen. “Veertig jaar geleden zag je hier in de gang alleen blanke mannen in pakken, dat is nu totaal veranderd,” zegt hij. “Er is maar een ding dat altijd werkt: doorgaan. Volhouden. Of het nou gaat om de slavernij, vrouwenrechten, milieuvragen. Het gaat langzaam, maar het werkt wel. En steeds is het moeilijkste punt dat mensen zich zelf bewust moeten worden van de dingen die ze geïnternaliseerd hebben, gewoon vinden.”

Noemt hij zich nog steeds een anarchist? “Ja, in de dezelfde zin als ik altijd gedaan heb. Ik vind dat mensen hun leven in eigen handen moeten kunnen nemen. Ik zie het als de menselijke aanleg om in denken en handelen in beginsel sceptisch tegenover hiërarchieën en overheersing te staan. Die zijn niet zomaar gegeven, ze moeten zich rechtvaardigen. In hoeverre een wereld mogelijk is zonder hiërarchieën, waarin mensen zelf hun zaken regelen, weet ik ook niet.”

Voor een anarchist moet het zwaar zijn dat zoveel mensen een goeroe in hem zien, hem verafgoden, willen dat hij ze vertelt wat ze moeten doen. Chomsky gruwt inderdaad van persoonsverheerlijking.

Maar over de gevolgen van de haat die hij ook oproept, doet hij wegwuiverig. Hij weigert zich veel aan te trekken van alle ‘hate mail’ en doodsbedreigingen, van het feit dat under cover agenten hem geregeld (“tegen mijn wil”) begeleiden als hij ergens optreedt, of dat zijn post soms een tijdje wordt opgevangen en gescreend omdat de politie zelf aanwijzingen voor op hem geplande aanslagen heeft.

“Wat mensen in andere landen doen is echt levensgevaarlijk. Daar heb ik grote bewondering voor,” zegt hij. “Ik heb het geluk in het vrijste land ter wereld te wonen, waar de vrijheid van meningsuiting beschermd wordt tot het moment dat ik ‘schiet’ tegen jou zeg als we samen een winkel gaan beroven en jij je geweer hebt gericht. Verder mag je alles zeggen. Elders zijn er altijd wel wetten tegen ‘staatsondermijning’, of ‘belediging’ of iets dergelijks. Doe je dan iets dat de staat niet bevalt, dan kun je geen kant op.”

Je kunt Chomsky “met reden de belangrijkste intellectueel ter wereld” noemen, schreef The New York Times ooit, en velen schreven het over. Maar het vervolg van het citaat: “Als dat dan zo is, hoe kan hij dan zulke vreselijke dingen schrijven over de Amerikaanse buitenlandse politiek?” wordt zelden door iemand anders dan Chomsky zelf herhaald.

Je vindt Chomsky’s stukken dus zelden of nooit op de opiniepagina’s van de Times of andere grote Amerikaanse kranten. Maar via zijn indrukwekkende productie voor allerlei tijdschriften, zijn boeken en tegenwoordig internet weet hij toch steeds meer mensen te bereiken. In veel buitenlanden is hij een held, voor wie soms tienduizenden uitlopen als hij komt spreken. Voor iemand die toen hij begon al blij was als er buiten de organisatie iemand kwam luisteren, is ook dat een bewijs dat doorgaan zin heeft.

 

‘HEPJEM?, VATJEM?’

Het kwam niet doordat hij zo mateloos beroemd en rijk was, het was een karakterkwestie: ook als klein jongetje was Freddy Heineken al helemaal niet dol op gezelschappen. Maar ja, kinderpartijtjes hoorden erbij.

Hij maakte er dus maar het beste van, zoals hij zijn dochter en enige kind Charlene later vertelde. Ze lacht bij de herinnering: “Hij nodigde gewoon toch een heleboel mensen uit, en dan vroeg hij aan iedereen een boek. Mijn vader las als een gek, zijn leven lang. In bad, in bed, altijd en overal, en hij las echt álles. Van de Libelle tot The Lancet. Hij had een aangeboren nieuwsgierigheid, sprong in gesprekken ook altijd van de hak op de tak – waar mensen soms nogal aan moesten wennen. Er was werkelijk maar heel weinig waarvan hij zei: dat kan me nou niks schelen. Hij is ook nooit echt ouderwets geworden en wilde nog wel honderd jaar leven.”

Maar in de loop van 2001 ging de gezondheid van Alfred Henry Heineken achteruit. Hij kreeg onder meer een paar tia’s (door hemzelf “tiaatjes”genoemd) te verwerken, een soort lichte herseninfarctjes, wat hem er overigens niet van weerhield om vervolgens aan de telefoon te dollen over de hometrainer waar hij van zijn dokter op moest. Hij vond het maar een stom apparaat, zo’n fiets die nergens heen ging. Zijn spraak was intussen op geen enkele manier aangetast: het was hetzelfde volstrekt unieke geluid, dat zich misschien nog het best laat omschrijven als een razendsnel, brommend gemompel.

Die driedubbele snelheid en dat nauwelijks articuleren hebben in de loop der tijd velen tot wanhoop gebracht. Opperste concentratie was in elk gesprek met Heineken bittere noodzaak. Niemand kwam weg met doen alsof hij hem verstaan had. Heineken checkte namelijk aan een stuk door of je hem nog wel volgde. Met onderzoekende blikken, die geen wegkijken toestonden, met de snelle vragende tussenwerpsels “hepjem?” en “vatjem?”. Dat laatste sloeg dan vaak op een gevatte woordspeling, of op de clou van een mop, liefst een schuine. Nooit droogde de stroom ad remheden op.

Van dikdoenerij was hij volkomen wars, dat is een van de terugkerende elementen in de herinneringen van degenen die met hem te maken hadden. Heineken hield niet van moeilijk doen, was, zei hij ook zelf, een recht-voor-z’n-raap Amsterdammer, tegen wie je veel kon zeggen, als je maar niet ging knipmessen. Hij wilde juist graag iets terughoren, testte zijn gesprekspartners, althans, zo beleefden die het dikwijls. Zijn eigen positie was ondertussen wel zo onaantastbaar dat hij zich veel kon veroorloven. Hij had er ook lol in om de serieuze, naar zijn zeggen vaak in het grijs gestoken Akademieleden bij de jury’s van de Heinekenprijzen aan het lachen te krijgen met een grap die eigenlijk niet kon, of om recht onder een groot bord ‘Niet roken’nog eens op te steken, of om speciaal voor een bezoeker de koningin even te bellen – telefoon op de speaker – met de vraag of ze vandaag al een beetje lekker geregeerd had.

Gefrustreerde arts-onderzoeker
Maar ondanks alle kwajongensachtigheid, alle grollen, en ook al het vrolijke geflirt met de vrouwen die hij tegenkwam, beschreef hij zichzelf keer op keer als in wezen uiterst serieus. Met alle successen – het was immers onder zijn leiding dat Heineken bier in het grootste deel van de wereld een topmerk werd – was hij toch liever Einstein dan bierbrouwer geweest, vertelde hij meer dan eens. “Waarschijnlijk ben ik een gefrustreerde arts-onderzoeker”, zei hij ook. “Ik had graag het geneesmiddel tegen kanker uitgevonden.”

Heinekens bewondering voor wetenschappelijk onderzoekers, vooral die uit de medische hoek, was groot. “Hij vond altijd dat zulke mensen niet genoeg waardering krijgen”, vertelt zijn dochter, die zich nog herinnert hoe het gezin onderweg naar een vakantie in Frankrijk een bezoek bracht aan professor De Duve in het Belgische Leuven. “We gingen in zijn lab kijken, met allemaal muisjes en ratjes. Dat vond mijn vader prachtig. Die wilde altijd graag eens iets anders horen.” Christian De Duve, die in 1974 de Nobelprijs voor medicijnen zou krijgen, was een van de eerste winnaars van de naar Heinekens vader vernoemde Dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en Biofysica, die in 1964 voor het eerst werd toegekend.

Toen Heineken eind jaren tachtig besloot nog een aantal prijzen voor wetenschapsbeoefenaren in te stellen, moest er dus zeker een komen voor geneeskunde. Niet lang daarna volgden de vakgebieden geschiedenis (Heineken: “Ik begrijp niet hoe je überhaupt een boek kunt lezen als je geen geschiedenis gehad hebt”) en milieuwetenschappen. Samen met de eerder ingestelde kunstenprijs vormen ze sinds 1990 de Heinekenprijzen, die alleen in de voorletters verschillen. Naast de Dr. H.P. (Heinekens vader was een gepromoveerd chemicus) kwamen er vier Dr. A.H. Heinekenprijzen. Een ere-doctoraat van de universiteit van Rochester had Heineken zijn titel bezorgd. Het maakte iets goed van zijn eeuwig latent aanwezige spijt nooit een academische opleiding te hebben gevolgd.

Nobele Alfred
Maar eigenlijk hadden de prijzen wat Heineken zelf betreft pas na zijn dood zijn naam mogen krijgen. Hij vond het maar gênant om bij de uitreiking op de eerste rij in de zaal te moeten zitten en dan voortdurend Heineken-dit en Heineken-dat te horen. “Ik zie meneer Nobel al staan die een Nobelprijs weggeeft”, foeterde hij in 1989 nog, maar ook toen waren het in de wandeling in feite al de Heinekenprijzen geworden.

En Alfred Heineken wilde de vergelijking met Alfred Nobel ook best maken. Sterker nog, het verbaasde hem indertijd dat hij nog steeds geen krantenartikel over de prijzen had gelezen dat als kop ‘Nobele Alfred’had gekregen, een suggestie die later wel degelijk met graagte door een aantal journalisten is overgenomen.

Van valse bescheidenheid had Heineken meestal geen last, maar het ging hem in dit geval niet om de naam van het bier, noch om die van hemzelf. Die zaten zelfs een beetje in de weg, herinnert Heinekens naaste medewerker (“manusje van alles”, zegt hij zelf) Jos Buijs zich, die intensief betrokken is geweest bij alles rond de Heinekenprijzen. “Toen de H.P. Heinekenprijs begon, was het wetenschapscircuit niet gecharmeerd van sponsoring”, vertelt hij. “Maar Heineken wilde dat het selecteren serieus ging, dat je daar geen gedoe over zou krijgen.

Vandaar dat hij bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen terechtkwam. Maar als die de jurering op zich wilde nemen, ook van alle prijzen die daarna kwamen, mocht het allemaal niet te erg naar bier ruiken. Dat soort angsten is uiteindelijk pas in de jaren negentig verdwenen.”

Andere rijkaards
Het prijzengeld – afkomstig uit stichtingen die met Heinekens eigen kapitaal zijn opgezet – is niet kinderachtig: na wat bijstellingen kwam dat voor alle wetenschapsprijzen terecht op 150.000 dollar, voor de kunstenprijs op 50.000 euro (plus een boek of uitgave en een tentoonstelling). Zag Alfred Heineken zichzelf als een moderne mecenas? “Nou”, zegt Buijs, “toen ik dat woord voor het eerst zag verschijnen, had ik het idee dat hij daar wel eens negatief op zou kunnen reageren, maar dat was ook weer niet zo. Hij zag kunst en wetenschap in elk geval als een belangrijk onderdeel van het menselijk gedoe, feitelijk vond hij dat je zonder beide niet goed rond kon komen. De beoefenaren stimuleren vond hij inderdaad een taak voor iemand met veel geld. Hij zei dat ook rechttoe-rechtaan: ‘Andere rijkaards zouden dat ook eens moeten doen. Ze hebben geen idee hoeveel plezier je ervan hebt.’”

Dat plezier zat hem onder meer in ontmoetingen met de winnaars. Vooral van de afscheidsdineetjes met de laureaten, die in de praktijk de enige gelegenheid boden om nou eens echt uitvoerig door te praten, genoot hij. Dan was ook al het geknor weer vergeten. Want mopperen en brommen hoorden net zo bij Heineken als zijn grappen en zijn onverzadigbare nieuwsgierigheid. Deels was het een manier om mensen aan het werk te houden, en als dat achter de rug was, was hij meestal de eerste om tevreden op te bellen.

Theenet
Heinekens telefoontjes waren beroemd. Zijn ‘belnet’was enorm. Uren per dag zat hij aan de lijn. Er was ook het minder uitgebreide ‘theenet’ van degenen die uitgenodigd werden om op het Pentagon, zijn kantoor aan het Amsterdamse Weteringcircuit, een paar eigenhandig door hem ingeschonken koppen thee te komen drinken, en heel wat mensen met wie hij de conversatie om de een of andere reden interessant vond werden op de lunch of een diner getrakteerd in de l’Europe, het hotel bij de Munt dat zijn bezit was.

Intussen hield hij tijd om zich met ongeveer alles te bemoeien. Dat er binnen het concern heel weinig zonder zijn goedkeuring gebeurde, is genoegzaam bekend, maar ook bij de hele organisatie rond de Heinekenprijzen gonsde zijn stem mee. Als het even kon was hij zelf bij de jurybesprekingen.

Heineken besliste niet mee over de winnaars, maar hij had wel degelijk zijn eigen voorkeuren. Volgens prof. Rob Reneman, president van de Akademie van 1996 tot 2002, en daarvoor een aantal jaren voorzitter van de jury voor de prijs voor de geneeskunde, probeerde hij die jury regelmatig op zijn eigen handige, charmante wijze te beïnvloeden. “Ach jongen, ik probeer het alleen maar”, zei hij dan. Meestal was het ook zo dat Heinekens eigen uit de 35 à veertig kandidaten samengestelde prioriteitenlijstje de uiteindelijke winnaar bevatte.

Reneman, die bevriend met hem raakte en Heineken een paar weken voor diens dood op 4 januari 2002 nog sprak over de voortgang van de Heinekenprijzen (“Maak je geen zorgen, het is in orde, ik heb het zakelijk allemaal netjes geregeld”), was iedere keer weer onder indruk van Heinekens geweldige inzicht in mensen.

Sterrenbeelden
Die herinnering hebben ook anderen aan hem. Belangrijk hulpmiddel voor Heineken zelf was daarbij overigens iemands sterrenbeeld. Hij had een heilig geloof in horoscopen. Niet dat hij zich ooit liet leiden door voorspellingen, het ging hem om de karakters. Heineken beweerde iemands sterrenbeeld bijna altijd goed te kunnen raden. Zelf was hij een schorpioen, een beest dat prikken uitdeelt en zich dan snel weer terugtrekt. Dat klopte perfect. Het klopte eigenlijk altijd. Zijn medewerker Buijs verklaart het als volgt: “Het was zijn aandeel in het bovennatuurlijke. Iedereen, ook iemand zoals hij die in God noch gebod geloofde, heeft ergens wel een klein hoekje dat zegt ‘maar je kan niet alles snappen’. De horoscopen waren zijn religie.”

Kleurloosheid kon Heineken in elk geval niet verweten worden. Kleuren en vormen bepaalden ook zijn kunstsmaak. Naar verluidt vond hij de besprekingen van de jury voor de kunstenprijs het leukst. Prof. Henk van Os, voormalig directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum, en jarenlang voorzitter van de jury voor de kunstenprijs, zegt het zo: “Kunst hoort bij mensen zoals Heineken. Hij was geen groot verzamelaar, Freddy Heineken kocht iets als hij daar zin in had. Een Jan Steen, een Madonna. Hij had een prachtige vijftiende eeuwse Sienese Madonna, en hij hield ook van Jan Sluiters. In een kunstenaar waardeerde hij net als in de wetenschapper creativiteit en inventiviteit.”

Echt verliefd
“Hij kon echt verliefd worden op een schilderij”, vertelt zijn dochter, “dat kon figuratief zijn, maar ook een met leuke driehoekjes en vierkantjes. Uiteindelijk komt het neer op dat hij hield van mooie dingen. Het had ook te maken met het waarderen van orde. Mijn vader was een heel ordelijk persoon, die altijd alles keurig in vakjes had opgeborgen enzo. Dat strekte zich bijvoorbeeld ook uit tot dat hij zich ergerde aan een dode bloem in een plant. Daar ging hij dan zelf iets aan doen. En soms was kunst ook een beetje een sport voor hem: jonge, nieuwe kunstenaars eruit pikken. Hij was heel tevreden als hij een talent gezien had vóór iemand anders.”

Net zoals hij zijn Appels en Picasso’s, zijn Wilminks en zijn Chagall had aangeschaft op het moment dat die nog behoorlijk betaalbaar waren. Heinekens grootste belangstelling ging uit naar schilderijen, en ook van beeldhouwkunst kon hij genieten, waarbij een fraai vormgegeven vrouwenlichaam hem in het bijzonder kon bekoren, maar de door hem ingestelde kunstprijs rouleert en gaat telkens naar een andere kunstvorm, waaronder ook vormgeving, fotografie en videokunst. De bedoeling, net als bij de wetenschapsprijzen: iemands werk onder de aandacht brengen, diegene stimuleren. Heineken zag dan ook liever niet dat de prijzen gingen naar mensen die aan het eind van hun carrière waren, al gebeurde dat soms toch (kon hij weer mopperen).

Metroplan
De juryvergaderingen leverden soms ook nog wat extra’s op. Contacten bijvoorbeeld, die konden helpen de gedachtesprongen van Heinekens snelle geest onderbouwing te geven. Dingen uitvinden, oplossingen bedenken, daar hield hij van. Het is het eerste wat in zijn dochter opkomt als ze haar vader wil karakteriseren: “Hij was in zijn hart een uitvinder, iemand met een onderzoekende geest.”

En een pragmaticus, zeggen weer anderen. Heineken bruiste van de ideeën. Voor zijn geboortestad bijvoorbeeld. In de jaren zestig bedacht hij al een metro- en spoorplan voor Amsterdam, waarbij de historische binnenstad helemaal intact gelaten kon worden. De lijnen zouden onder de grachten en andere waterwegen door moeten lopen. Het gemeentebestuur heeft er nooit serieus naar gekeken, en brak onder heftige protesten en rellen in de jaren zeventig wel degelijk stukken van het alleroudste deel van Amsterdam af ten behoeve van een metrolijn.

Dan was er het gat in de ozonlaag, dat hem hevig intrigeerde. Jurylid prof. E.K. Duursma van de Heinekenprijs voor de Milieuwetenschappen, herinnert zich hoe het onderwerp jaar na jaar opkwam na afloop van de vergaderingen. Heinekens gedachte was simpel: als we dat gat nou zelf gemaakt hebben, zou er dan niet ook een manier bestaan om het weer dicht te krijgen? Op een goed moment zei Duursma dat hij het wel eens na wilde kijken voor hem.

Hij vertelt: “Ik heb 3400 literatuurpublicaties doorgekeken, allemaal schijfjes van NASA. Alles over het ozongat was te vinden, maar het ging niet een keer over dichtmaken.” Op verzoek van Heineken ging Duursma tegen betaling van onkosten (“Ik wilde liever niet echt voor hem werken en mijn onafhankelijkheid bewaren”) op onderzoek uit.

Hij kwam onder meer terecht bij het instituut van Sacharov, organiseerde een bijeenkomst van Russen en Amerikanen, om uiteindelijk tot de conclusie te raken dat het ozongat dichten inderdaad mogelijk was. Cfk’s zijn de boosdoeners, die breken de ozonmoleculen af, maar met microgolfgeneratoren zou je opstijgende cfk’s kunnen vernietigen. “Dat is alleen veel te duur”, vat Duursma kort samen. En voor de economische kant van dingen was Heineken altijd gevoelig. Geld verspillen of aan onzin uitgeven was er niet bij.

Groten en kleintjes
Wat niet wegneemt dat veel mensen zich hem als uiterst correct in de zakelijke omgang herinneren. Zo ook dr. H.W. van den Doel, die met opmerkelijk veel plezier terugdenkt aan de tijd dat hij Heinekens idee voor een Verenigde Staten van Europa voorzag van wat wetenschappelijke ammunitie. Het plan ging in 1992 onder naam Eurotopia de wereld in. Het kwam erop neer dat Europa verdeeld zou worden in 75 landen, met elk niet meer dan tien à vijftien miljoen inwoners. Frankrijk werd bijvoorbeeld in zessen gedeeld, en Duitsland werd in elf staten opgedeeld.

Van den Doel: “Heinekens achterliggende gedachte was dat kleinere landen altijd bang voor de grote zouden blijven. Frankrijk en Duitsland waren in zijn ogen bijvoorbeeld veel te groot, zodat je altijd de groten tegen de kleintjes houdt. Kleine landen zijn ook beter te besturen, vond hij, en daar sprak ook de ervaring met zijn eigen bedrijf mee. Het is heel gemakkelijk om daar grappig over te doen, zo van ‘rijke man heeft geld te veel en wil ook eens wat’, maar het was helemaal zo gek niet. Frankrijk is ook maar bedacht tussen pakweg 1870 en 1900, in 1860 sprak twee procent van Italië Italiaans. Met behulp van het onderwijs is dat totaal veranderd, en zoiets zou je heel goed nog eens kunnen doen. Er is geen rationele reden om vast te houden aan de oude staten.”

“Dat schreef ik dan op, en daar veranderde hij dan weer wat in. Het was ook allemaal niet bloedserieus, Heineken zag het zelf deels als een spel, om de mensen een beetje aan het denken te krijgen. Nadat hij bij de voetbalwedstrijd Feijenoord-Monaco naast prins Reinier had gezeten, belde hij de volgende ochtend op dat het toch niet zo’n goed idee geweest was om Monaco in de Provence te laten verdwijnen. Dus zetten we Monaco weer terug op de kaart.”

“Desalniettemin riep het plan wel wat op. Nadat de eerste druk van de Eurotopia-brochure uit was, werd Griekenland zeer boos, omdat we een Groot-Macedonië hadden getekend. Ik kan me herinneren dat we dat met typex weer ongedaan hebben gemaakt voor de tweede druk. Enfin, het was een voorzetje, iets om over te praten. En hij kreeg er wel brieven op van bijvoorbeeld de oude George Bush en van Bill Clinton, die toen overigens nog gouverneur in Arkansas was.”

Goedgekomen
Graag had Heineken Van den Doel nog iets anders zien doen: “Hij heeft me echt achtervolgd met het verzoek om een wereldgeschiedenis in pakweg honderd bladzijden te schrijven, die dan bij Albert Heijn bij de kassa zou moeten liggen.” Dat was een heel oude wens van Heineken, die het met de kennis van geschiedenis zeer droef gesteld vond.

Van den Doel was te druk met andere dingen, maar uiteindelijk is dit toch goedgekomen, vertelt hij: “Hij bleef daarmee bezig, en op een gegeven moment kwam er een boek uit van de Amerikaan David Fromkin, The Way of the World. We hebben daar eindeloos over geboomd in café Keijzer, ook met een uitgever. Het bracht inderdaad de wereldgeschiedenis in kort bestek, al was het niet ideaal en eindigt het geloof ik bij de Verenigde Staten als toppunt van de beschaving, maar goed. Heineken heeft toen een uitgave van de vertaling medegefinancierd, en die Fromkin ook naar Nederland gehaald. Hij was daar heel tevreden over.”

En dat boek ging dan, net als eerder bijvoorbeeld het Eurotopiaplan en een cd met door Heineken zelf gecomponeerde liedjes, naar al zijn relaties. Het is een van de laatste verrassende pakjes geweest die hij rondstuurde.

‘Er loopt een haarfijne grens tussen een mooie hypothese en jezelf echt belazeren’

De steekproef van onderzoekend Nederland is niet a-select, wel klein. Vier mannen, die onderling allemaal ongeveer een decennium verschillen. Een twintiger, een dertiger, een veertiger, een vijftiger. Alfa, bèta, gamma zijn allemaal vertegenwoordigd, en ook vier universiteiten. Een hoogleraar farmacologie, die directeur is van een onderzoeksschool, een professor in de sociologie die veel onderzoek deed naar de verspreiding van cultuur, een  postdoc-bodemkundige en een geschiedenis-aio. De wetenschap kennen ze van binnenuit, en ze wilden allemaal wel proeflezer zijn van een brochure die de KNAW binnenkort uitbrengt onder de titel Wetenschappelijk onderzoek, Dilemma’s en verleidingen. Dit zijn ze:

Prof.dr. Douwe Breimer, hoogleraar farmacologie, directeur van het Leiden/Amsterdam Center for Drug Research. Standplaats: Leiden

Prof.dr. Harry Ganzeboom, hoogleraar sociologie bij de Capaciteitsgroep Sociologie van de Faculteit Sociale Wetenschappen. Standplaats: Utrecht.

Dr.ir. Jetse Stoorvogel, bodemkundige,  sinds1996 Akademie-onderzoeker. Standplaats: Wageningen.

Drs. Jan-Hein Furnée, historicus, tweede jaar aio, gaat promoveren op negentiende-eeuwse stadscultuur. Standplaats: Groningen.

 

“Die titel Dilemma’s en verleidingen is goed”, zegt de aio van 27, “het wáren ook dilemma’s. Je denkt: ik weet heus wel hoe het hoort, maar dat is dus niet zo. Bijvoorbeeld dat geval van die Mark en die aio die na hem komt…”  Iedereen heeft zo zijn favoriete geval, of beter: een geval dat aanspreekt. De KNAW-brochure geeft er een aan het end van elk van de tien hoofdstukken. Ze behandelen de heel verschillende manieren waarop het fout kan lopen in het wetenschapsbedrijf. En nee, dan gaat het meestal niet om opzettelijk bedrog, om het willens en wetens knoeien met gegevens of anderszins liegen en bedriegen. Het gaat om de dingen op het randje, het grijze gebied, kortom, om het gewone dagelijks leven en het menselijk tekort.

Neem nou die Mark. Staat op het punt te promoveren, proefschrift is al zo’n beetje af, alleen die ene controleproef moet wel nog even doen wat hij eigenlijk al opgeschreven heeft. En het wil niet. En nog eens niet. En weer. Maar op een mooie dag, verdomd als het niet waar is: zijn experiment komt keurig uit. De opmerking van zijn kamergenoot dat het volgens hem een geïnfecteerde celkweek was, waait Mark weg: kan niet waar wezen. Zijn dissertatie is gered. Maar nadat de jonge doctor naar Amerika vertrokken is, wordt hij door de aio die het vervolgproject doet bestookt met e-mail. En wat Mark ook suggereert aan mogelijke fouten bij de uitvoering, het experiment lukt nooit meer. Pijnlijk? Ja. Maar de druk was enorm, en waar gehakt worden vallen spaanders, denkt Mark tegelijkertijd.

Is dit echt een probleem? Hoe zit het hier met de verantwoordelijkheden? En mogen proefschriften dan helemaal geen fouten bevatten? De brochure stelt wel de vragen, maar de lezer mag de antwoorden zelf verzinnen.

“Goede titel”, vindt ook de 56-jarige hoogleraar farmacologie, en leider van een laboratorium. “Het is erop gericht om de jonge wetenschapper, die bijvoorbeeld stage loopt, zich bewust te laten worden van de verleidingen. Bewustmaking is een goede manier om aan preventie te doen.”

Jezelf belazeren

Want er liggen nogal wat verleidingen op de loer. “Een mengvorm van onzorgvuldigheid en zelfbedrog komt heel veel voor, maar er loopt wel een haarfijne grens tussen een mooie hypothese en jezelf echt belazeren,” brengt de hoogleraar sociologie (46) nog een nieuw dilemma op. “Mensen moeten namelijk tegelijk ook in hun werk geloven, achter ideeën aanlopen, dat heeft z’n functie…”

“Door de voorbeelden wordt het heel concreet. Bij ieder punt dacht ik: dit herken ik wel”, vertelt de bodemkundige, die op zijn 34ste al tien jaar onderzoek achter de rug heeft. “Voor mijzelf is selectiviteit een essentieel punt. Je kunt in een wetenschappelijk artikel niet alles vertellen. Hoe kies je? Je kunt ook niet alles onderzoeken. Omdat je aan fondsen vastzit, en dat is steeds sterker het geval, moet je met meer aannames werken. Daar schuilt een gevaar in, maar je krijgt er tegelijk ook interessante discussies van. Als iemand een prikkelende conclusie trekt is dat weer goed voor de wetenschap.”

Jezelf corrigeren

Het ligt allemaal niet zo simpel. “Alles is maar een interpretatie”, zegt de historicus. “Dat besef ik heel erg. In mijn vak gaat het om voorstellen voor een bepaalde ordening. En daarbij draait het juist om een selectieve blik. Maar er zijn grote verschillen in hoe mensen werken. Je hebt er die eerst heel veel bronnen onderzoeken en dan pas met een hypothese komen, maar anderen zoeken meer de bronnen bij de hypothese die ze al hadden. Die spanning is bij de alfa’s denk ik veel groter. Jezelf corrigeren is het enige dat daartegen helpt. Collega’s kunnen het niet oplossen, die bescherming is er niet.”

Maar de socioloog hecht juist veel geloof aan de mogelijkheid tot correctie achteraf binnen het wetenschappelijk forum. “Dat ontbreekt in de brochure”, zegt hij. “In zekere zin is dat juist het belangrijkste instrument. Er met elkaar over praten. Medici zijn daar beter in. Zo zijn de abortus- en de euthanasiepraktijk ontstaan. Men was met elkaar tot consensus gekomen, toen kwam de wetgeving. Wetten codificeren vaak wat er al was. Als zaken niet binnen het forum opgelost kunnen worden, dan houdt in zekere zin de wetenschap op. Ik zie ook niet zo veel in ombudsmannen en vertrouwenspersonen. Dat lijkt mij een hoop rompslomp, en meestal te zwaar geschut.”

‘Hoger beroep’

Ook de hoogleraar farmacologie meent dat in eerste instantie dingen op de werkvloer moeten worden afgehandeld: “Per instelling, dus per industrie of ziekenhuis of universiteit moeten ongeoorloofde handelingen gecorrigeerd worden. Tenzij er het risico op een boemerangeffect is. Maar pas als de eigen instelling er niet meer uitkomt, zou je naar een instantie als de KNAW moeten kunnen gaan, voor een soort ‘hoger beroep’. Ik zou dat ook een Akademietaak vinden. Momenteel wordt erover gesproken.” 

Echt erge dingen lijken overigens maar weinig voor te komen. Geen van de vier kent uit zijn eigen praktijk een echt gruwelijk voorbeeld. “Het ergste wat ik heb meegemaakt was in Costa Rica, waar we onderzoek deden naar bananenplantages”, herinnert de bodemkundige zich. “Samen met een Costaricaanse onderzoekster. Die had van tevoren al de hypothese dat bananenplantages voor veel vervuiling zorgen. Toen dat niet zo bleek te zijn, trok ze zich terug uit het onderzoek. Ik heb trouwens dat soort ervaringen ook wel met de pers. Veel tropenonderzoek gaat tegen de publieke opinie in. Als ik de Volkskrant een briefje schrijf dat het met vervuiling en bananenplantages niet erger is dan met aardappelvelden hier, dan wordt dat niet geplaatst.”

Je broodheer

Onwelgevallige uitkomsten bij onderzoek dat betaald wordt door derden zijn de laatste tijd veel in het nieuws geweest. Volgens de farmacoloog is dat, juist omdat er al zo lang opdrachtonderzoek bestaat in zijn sector, in elk geval op papier allemaal redelijk geregeld door een systeem van kwaliteitswaarborgen, al wil de praktijk soms nog wel eens weerbarstig zijn. Maar voor de socioloog is juist bij dit punt de kans op zelfbedrog hoog. “Opdrachtgevers moeten natuurlijk leren dat ze niets hebben aan naar de mond gepraat worden, maar je onafhankelijk opstellen tegenover je broodheer is niet altijd makkelijk. Ik voel zelf dat dilemma altijd: ruzie met je opdrachtgever is altijd heel anders dan ruzie met een collega.”

Hij heeft trouwens nog een opmerkelijk dilemma. Zelf meegemaakt. “In de sociologie werk je vaak met de gegevens van mensen. Dat is altijd moeilijk. Je moet dingen terug kunnen vinden, maar uiteindelijk mag niemand herkenbaar zijn. Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek gaan ze omwille van de vertrouwelijkheid heel zuinig om met hun data. Gegevens worden verminkt, niemand krijgt ze verder. Nou zat ik een keer in de promotiecommissie van iemand die haar onderzoek was begonnen toen ze nog bij het CBS werkte. Daar had ze ook haar data vandaan. Ik vind het in de wetenschap heel belangrijk dat een ander hetzelfde onderzoek nog eens kan doen, controleerbaarheid is een fundament van de wetenschap. Dus ik stelde haar een vraag over het feit dat ik haar gegevens niet kon controleren. Toen bleek het nog erger te zijn: ze kon er zelf niet eens meer bij! Wat moet je daar nou van denken?”

Terugvindbaarheid, reproduceerbaarheid komen in de gesprekken een aantal keren op. De farmacoloog hamert in dat verband op goede procedures in laboratoria. Simpele dingen als goede onderzoeksverslagen bijhouden zijn van levensbelang. Dat onderzoek te herhalen moet zijn, is ook een onderwerp dat de bodemkundige tamelijk hoog zit. “In het blad Nature is dat zo goed”, zegt hij. “Daar worden altijd de complete procedures gegeven aan het eind van het artikel. Dat betekent dat je het altijd na kan doen, maar bij de meeste tijdschriften gaat het anders. Er is nooit genoeg ruimte. En toch worden wetenschappelijke artikelen altijd hoger aangeslagen dan rapporten, terwijl die nou net wél de volledige cijfers kunnen geven.”

Vertrouwen

Een echt hot issue blijkt  alles wat te maken heeft met auteursschap, en plagiaat en collega’s en peerreviews. Kun je je peers en hun reviews wel vertrouwen? Zijn ze niet te vooringenomen, of zullen je collega’s er niet met je ideeën vandoor gaan? Wie mag zijn naam onder een artikel zetten?

Je moet écht bijgedragen hebben, wil je naam onder het artikel komen, is zo’n voorwaarde die een paar keer terugkomt in de gesprekken. Maar wat is echt? “Je moet zelf meegeschreven hebben”, zegt de socioloog, maar hij nuanceert meteen: “Dat betekent wel dat er vaak grote stukken van jouw eigen hand in proefschriften van anderen terechtkomen.” “Wij hebben er regels voor opgesteld”, vertelt de bodemkundige. “Alleen meedoen aan het veldonderzoek is bijvoorbeeld niet genoeg.”

De twee oudsten van de proeflezers zijn opvallend mild over ideeën stelen en plagiaat. “Er komt wel eens iemand bij me”, vertelt de farmacoloog, “en die zegt dan: moet je hier eens zien! Daar heb ik het uitgebreid over gehad met de desbetreffende! Maar als je dat dan gaat onderzoeken, ligt het bij nader inzien meestal genuanceerder. Vooral jongeren zijn geneigd te denken: dít is van mij, daar mag niemand aankomen. Daar zeg ik altijd tegen: kijk eens om je heen, en zie waar je zelf wel niet allemaal gebruik van maakt.”

Geen gouden standaard

“Een plagiaatgeval ligt altijd genuanceerder dan het krantenartikel suggereert”, lacht de hoogleraar sociologie. “En aio’s denken sneller dat ze geplagieerd worden dan hoogleraren. Er is nu eenmaal geen gouden standaard voor wat nu echt een bijdrage is. In de sociologie werk je vaak met dataverzamelingen. Als iemand nou een survey met zo’n verzameling doet, moet dan de verzamelaar er altijd bij als auteur? Ik vind van niet, maar anderen weer wel.”

Bruikbaar vinden ze de brochure intussen allemaal, tot op zekere hoogte althans. Het enthousiastst is de farmacoloog. Hij was degene die erop aandrong bij de Akademie — hij is lid —  iets dergelijks uit te brengen. “In Amerika liep ik een jaar of acht geleden aan tegen een brochure die On being a scientist heet”, vertelt hij. “Daar heb ik er toen direct een honderdtal van besteld, en die heb ik in de aio-opleiding geïntroduceerd. Het leidt altijd tot discussies. In de uiteindelijke versie is deze KNAW-brochure in zijn opzet dicht bij On being a scientist gebleven. Het is een soort vervolg erop, en dat is heel goed, want je hoeft niet opnieuw het wiel uit te vinden. We zullen voortaan de Nederlandse brochure gebruiken, en ik hoop dat hij op grote schaal verspreid zal worden.”

Oude doos

De bodemkundige: “Als het gaat om echt bedrog dan is iedereen zich er wel van bewust dat dat niet kan. Daar is die brochure ook niet voor. Maar als je in de wetenschap begint denkt je alleen maar zelf eerlijk te zijn. Het zegt je allemaal nog weinig. We hebben hier in Wageningen een vak wetenschapsfilosofie waar iedereen van walgt. Dat is geloof ik meteen in het eerste jaar. Voor de grap heb ik gisteren nog eens in een oude doos met spullen daarvan gerommeld, en dan is deze brochure een stuk beter. Hij leest ook gemakkelijk. Misschien is hij nog het geschikst voor aio’s en oio’s, want als je al twintig jaar onderzoek doet dan weet je dit waarschijnlijk allemaal wel.”

De brochure is breed in opzet, en daardoor ook lang. Wel wat erg lang, vinden drie van de vier. Maar ja, de breedte maakt dat elk toch wel iets van zijn gading kan vinden. Want natuurlijk zijn er in de dagelijkse wetenschapspraktijk grote verschillen tussen de vakgebieden.

Naïef beeld

De historicus is daar het uitgesprokenst over: “Het hele verhaal is toch erg gericht op de exacte wetenschappen, en daar wordt ook nog eens een vrij naïef beeld van gegeven. Het is zo langzamerhand toch wel bekend dat de harde wetenschap niet zo hard is. Dat daar bijvoorbeeld ook de hypotheses pas achteraf worden gesteld. Ik aarzel eigenlijk of je aanstaande wetenschappers nu juist deze spiegel voor moet houden. En ik ben een beetje bang dat juist alfa’s daardoor zullen denken: ik ben kennelijk niet wetenschappelijk genoeg bezig. Anderzijds is het weer wel een goede toelichting op wetenschappelijke eisen als volledigheid en verantwoording afleggen.”

Maar ook de socioloog vindt niet zomaar de hele brochure bruikbaar. Hij geeft al jaren colleges over fraude in de wetenschap. “De praktijkvoorbeelden zijn niet zo buitengewoon overtuigend”, zegt hij voorzichtig. “Maar ik denk dat ik er wel een paar zal bewerken voor mijn colleges.”

Alles bij elkaar lijkt de grootste verdienste van Wetenschappelijk onderzoek, Dilemma’s en verleidingen hem te zitten in bewustmaking, en ook in herkenning. Wat des te beter lukt omdat de brochure zo leesbaar is, zeggen ze allemaal. Een compliment dus aan Diopter – Janssens & Van Bottenurg BV, het bureau dat de brochure schreef.

 

De beste boeken van 1997

Niet zo veel gelezen, en wat ik las was meestal niet zo veel. Of te oud voor dit jaaroverzichtje. Ik mag niet eens Wim Wennekes’ ontzettend leuke en originele en leerzame Gouden Handel (Atlas, f 69,90) hier noemen. Had ik het maar meteen in 1996, toen het verscheen, moeten lezen. Net als Geweten van René Appel (Bert Bakker f 34,90), waarin de eigen wereld waarin pubers verkeren, een oude misdaad en een hervonden liefde samen een niet-neer-te-leggen verhaal opleveren. Sterk tot de laatste bladzijde. Jammer, het is te laat, al kan ik ter verdediging aanroepen dat het boek pas in 1997 genomineerd werd voor de Gouden Strop.

Wel mag ik u aanraden de herinneringen van Sytze van der Zee aan zijn jeugd en zijn NSB-ouders te kopen (Potgieterlaan 7, Prometheus, f 29,90). Lees het en huiver over de good guys, wier kortzichtigheid tot genadeloze meedogenloosheid leidt. Maar misschien heeft u liever een tussendoortje? Het lekkerste komt dit jaar van Tim Krabbé en heet De grot (Bert Bakker f 29,90). Niks óver lezen, zelf doen.

De beste boeken van 1996

Van alle genres wat. Hanny Michaelis schrijft poëzie die ik snap. Ben blij dat haar Verzamelde gedichten (Van Oorschot, f 55,-) dit jaar verschenen.

Marianne Wiggins (de ex van Rushdie) sleepte me met haar Eveless Eden (Harper Collins f 46,45) mee in een hartstochtelijke romance tussen een journalist en een fotografe die speelt tegen de achtergrond van recent wereldgeweld.

Good Natured (Harvard University Press, f 53,45) van Frans de Waal is opnieuw een prachtboek over apen en mensen (ook vertaald en met gruwelijk lelijk omslag uitgegeven bij Contact onder de titel Van nature goed, f 69,90).

Het enige echt leuke taalboek dat ik tegenkwam was Dubbel Dutch, praktische handleiding voor anderstaligen die Nederlands leren (BoekWerk, f 36,50) van vertaler Kevin Cook. De frisse blik van een goed ingevoerde Brit op het Nederlands brengt je en passant ook heel veel Engels bij.

De beste boeken van 1995

Héle goeie boeken veranderen je een beetje. Dat gebeurde me dit jaar het duidelijkst bij Graven in het geheugen, de mythe van de verdrongen herinnering van de Amerikaanse psychologe Elizabeth Loftus (Veen, f 49,90). Sinds ik dat uit heb, zie ik aldoor de geheugenvervormingsmechanismen bij anderen, en twijfel ik vaak aan mijn eigen herinneringen. ‘Een verontrustend boek’ staat er op de achterflap. Ja, maar iedereen zou het moeten lezen.

De verpletterendste openingszin in jaren stond in Timothy Mo’s Brownout on Breadfruit Boulevard (Paddleless Press, f 41,40): “When the shower of shit, which he welcomed, spattered over his chest and belly Professor Pfeidwengeler was thinking of his worst enemy, Dr Ruth Neumark.” Drama in iedere denkbare vorm op de Filippijnen. Geen eenvoudig boek, wel prachtig.

S-1 van Bram van Stolk (Meulenhoff, f 29,90) laat zich wel zó uitlezen. Van Stolk schrijft mooi weemoedig, net tegen het sentimentele aan, over homo’s en het leger.

Gelachen heb ik het meest om Mariska Mourik, De ijszee op, (Contact, f 34,90), mooi neergezette dochter-van-een-feministe- en broer-zusverhoudingen.

Enige leuke taalboek: het Geoniemenwoordenboek (Nijgh en Van Ditmar, f 34,90) van Ewoud Sanders, die zich steeds verder ontworstelt aan de nep-formaliteit van bijna alle woordenboeken, zonder met popi flut te komen.

Overigens ben ik van mening dat Hugo Brandt Corstius meer populair-wetenschappelijk werk zou moeten schrijven. Men leze zijn Water en vuur (Aramith, f 10,-).

Een sympathiek signaal en een knusse sfeer

Het kaftje is roze, de titel staat er in grote wat krullige gele letters op: Men weegt Kaneel bij ‘t lood. Voor f 25,- kan iedereen het bestellen, en het gedichtje van Staring lezen waar de titel uit komt (die betekent zoiets als ‘je moet niet alles met dezelfde maten meten’).

Maar waarschijnlijk zullen niet veel mensen het 55 pagina’s tellende geschrift aanschaffen. Rapporten in opdracht van de regering, zoals dit van de commissie-Vonhoff (officieel de Commissie Toekomst van de Geesteswetenschappen), worden zelden bestsellers.

Dat hoeft ook niet, als ze maar terechtkomen bij degenen die het aanbelangt, zou je zeggen. En wie weet vormen de aanbevelingen en analyses van Vonhoff en de zijnen inderdaad eindelijk de opmaat tot verandering. Staatssecretaris Cohen gaf in juni 1994, in de toelichting bij zijn besluit de commissie in te stellen, zelf een overzicht van de lange rij nota’s, verkenningen en wat dies meer zij, die in de tien jaar daarvoor de toestand in de geesteswetenschappen besproken hadden en die stuk voor stuk ‘knelpunten’ gesignaleerd hadden.

Volgens Cohen was de omvang van de problemen inmiddels zo groot dat er een commissie moest komen ‘van gezaghebbende leden uit samenleving en wetenschap ten einde een duidelijke visie te ontwikkelen op de toekomst van de Geesteswetenschappen’.

Die visie  – in de vorm van genoemd rapport  – kwam er, zelfs ver voor de deadline. De commissie (waarin naast de Groningse Commissaris van de Koningin onder anderen een aantal rectores van universiteiten, een oud-president van de KNAW en  vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven) was bang voor een mosterd-na-de-maaltijd-effect. Immers, de discussie over een stelselherziening in het universitair onderwijs is al begonnen.

De twaalf aanbevelingen waarmee het rapport opent kunnen daar nu dus een belangrijke rol in spelen. Wat in elk geval onmiddellijk opviel en aandacht kreeg bij de verschijning van Men weegt Kaneel bij ‘t lood was aanbeveling twee: ‘Breng binnen de letterenfaculteiten een herkenbaar organisatorisch onderscheid aan tussen de T-opleidingen en de S-opleidingen.’

T- en S-opleidingen? Speculaties over waar die letters voor stonden, mochten niet baten: de commissie gaf het geheim niet prijs. De definitie die ze zelf geeft is nogal vaag, en zonder kennis van de historie niet goed thuis te brengen.

Want waar draait het om? De ‘geesteswetenschappen’ zijn van oudsher de onderzoeksterreinen van de taal- en literatuurwetenschap, de kunst- en andere geschiedenis, de archeologie, de theologie, de filosofie en de logica.

 Ooit was dat een duidelijke ‘afdeling’ op de universiteiten, maar inmiddels hebben zich allerlei ontwikkelingen voorgedaan.

De disciplines zijn steeds meer kruisverbanden aangegaan met andere wetenschappen: archeologen  bijvoorbeeld gebruiken scheikundige dateringstechnieken, kunsthistorici werken samen met natuurkundigen om erachter te komen hoe verf veroudert, en de logica en de taalkunde hebben wiskundige trekjes gekregen en zijn in belangrijke mate deel uit gaan maken van een wereldwijd onderzoeksprogramma. Ook de literatuurwetenschap is veel internationaler gericht en put ondermeer uit de sociologie.

Dan zijn er nog andere maatschappelijke ontwikkelingen. Naast theologie bestaat er tegenwoordig ‘religiewetenschappen’. Maar het zijn niet die veranderingen die de commissie zorgen baren, want ook in de analyse van de geesteswetenschappen die ze in haar rapport geeft, gaat het nergens dáárover.

Groot succes

Wel een probleem ziet ze in de nieuwe opleidingen die in de jaren tachtig werden opgezet. Vakken als ‘Communicatiewetenschappen’, ‘algemene letteren’ en ‘Europese studies’ bleken een groot succes. Dat wil zeggen: ze trokken veel studenten.

Het zijn die vakken die de commissie S-opleidingen noemt (ezelsbrug: lees voor de T in T-opleidingen ‘traditioneel’). Juist omdat veel mensen zo’n nieuw vak wilden studeren, ging er veel minder geld naar de T-vakken: immers, de  hoeveelheid overheidsgeld die er beschikbaar wordt gesteld voor de staf is vooralsnog geheel afhankelijk van de studentenaantallen.

En de geesteswetenschappen hebben niet veel andere bronnen. In de sector taal & cultuur werd in 1992 slechts negen procent van het wetenschappelijk personeel uit niet-overheidsgelden (de ‘derde geldstroom’) gefinancierd. In de andere sectoren was dat tussen de 20 en 42 procent.

In de aanbevelingen zijn het telkens de T-opleidingen die terugkeren: ze moeten de ruimte krijgen, is de teneur, zowel financieel en organisatorisch als in de tijd (‘leertrajecten van zes jaar’). Het gaat om het behoud van de cultuur, om mensen met een roeping, om onderzoekers die niet direct aangesproken hoeven te worden op de repliceerbaarheid van hun werk.

Het rapport ademt in een aantal opzichten een wat ouderwetse sfeer. Dat vindt ook prof.dr. P. den Boer, maar hij wil wel heel graag benadrukken – en hij doet dat verscheidene malen –  dat hij het een “zeer sympathiek politiek signaal” vindt. Den Boer (44) is hoogleraar Europese Cultuurgeschiedenis (“gewoon een traditionele leerstoel”) en verbonden aan een S-opleiding: Culturele studies bij de Universiteit van Amsterdam.

Bovendien is hij lid van de Commissie Geesteswetenschappen van de KNAW. Daarbinnen is uitgebreid gesproken over het wegen van kaneel, en de Akademie heeft inmiddels een reactie aan minister Ritzen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gestuurd.

Den Boer, die momenteel op het NIAS in Wassenaar aan het werk is, wil wel het een en ander kwijt over het rapport.

Knusse sfeer

Allereerst over uitgangspunten en toon van het hele rapport. “Kennelijk heeft de Commissie noodsignalen opgevangen, en met de beste bedoelingen laten ze nu dit geluid aan de politiek horen,” stelt hij. “Je moet het ook echt als een politiek stuk beoordelen, en dat vind ik heel goed.”

“Alleen in de analyse schiet het tekort. Het beeld dat er geschetst wordt is deels achterhaald: dat ambachtelijke, die knusse sfeer. Er straalt conservatisme uit. En de argumentatie is niet zo gelukkig. Het gaat bijvoorbeeld uit van een tegenstelling tussen de geestes- en andere wetenschappen die door de mensen die er werken nooit zo geformuleerd zou worden. Overal geldt dat wetenschapsbeleid niets anders kan zijn dan het scheppen van voorwaarden, omdat wetenschap per definitie onvoorspelbaar is.”

“Want zodra iets voorspelbaar is houdt het op wetenschap te zijn, dan wordt het de uitvoering van werkzaamheden. Toevalstreffers vind je overal. Ik sprak eens een farmacoloog die me vertelde dat er in de afgelopen 25 jaar niet één nieuw geneesmiddel op de markt gekomen is dat het resultaat was van wetenschapsbeleid.”

Ook in de drie kantjes tellende brief van de KNAW aan Ritzen wordt erop gewezen dat de overheid een wetenschaps- en cultuurpolitieke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van alle wetenschappen, en dat het voor de toekomst van wetenschap en samenleving essentieel is dat alfa-, gamma- en bètawetenschappen in hun onderlinge samenhang worden beschouwd.

Maar dat neemt niet weg dat juist de situatie in de geesteswetenschappen zorgwekkend  is, en dat er in het rapport ‘met recht’ om beschermende maatregelen wordt gevraagd. “Waarin de geesteswetenschappen vaak wel verschillen van andere is de kleinschaligheid,” legt Den Boer uit, “er is een grote mate van differentiatie, die maakt dat vaak één iemand een specialisme vormt. Dat maakt je kwetsbaar. Daarom zie ik veel in wat grotere verbanden zoals het Huizinga-instituut, waarbinnen je individueel kunt werken.”

Historicus Den Boer vindt ook dat het historisch perspectief in Men weegt kaneel… ontbreekt. “Het lijkt erop of de Commissie-Vonhoff de situatie in 1970 als ‘klassiek’ ziet. Kijk, vanaf ongeveer 1920 zijn alle schoolvakken in het academisch statuut opgenomen. Het was vooral de behoefte aan goed opgeleide leraren voor de middelbare school die toen de inrichting van het universitair onderwijs erg veranderd heeft. En de maatschappij ontwikkelt zich.”

“Op een gegeven moment is er de keuze geweest voor ‘hoger onderwijs voor velen’, ook internationaal is dat gebeurd. Dat kun je niet meer terugdraaien. In de analyse van het rapport vind ik dat perspectief niet terug.”

Beunhazerij

En dan zijn er de S-opleidingen, die Den Boer natuurlijk na aan het hart liggen. Volgens de Commissie-Vonhoff sluiten die aan ‘bij de behoefte om hetzij te komen tot een bredere algemene oriëntering danwel op een meer vakgerichte oriëntering op universitair niveau’. 

Rotterdam, Brabant, Limburg en Twente zouden zich tot die ‘opleidingen met een algemenere doelstelling’ moeten beperken, en bij de ‘klassieke universiteiten’ (Leiden, Groningen, Utrecht, Amsterdam, de Vrije Universiteit en Nijmegen) mogen de S-opleidingen de T-opleidingen vooral niet in de weg staan.

Den Boer is het met die splitsing hartgrondig oneens. “Ik kan me niet voorstellen hoe je zoiets als Culturele studies wilt inrichten als je niet een beroep kunt doen op de oude instituten,” zegt hij. “Als er bij museologie, een van de drie richtingen bij ons, bijvoorbeeld geen kunstgeschiedenis was die ‘geschiedenis van het museum’ geeft, als je niet zou kunnen terugvallen op de know-how en de boekerij van het kunsthistorisch instituut.”

“Wanneer in een bepaalde plaats dat soort oude instituten ontbreekt en je een opleiding uit het niets moet opbouwen, dan wordt het al snel beunhazerij. Of er moet heel veel geld ingestoken worden, en dat is in een tijd van bezuinigingen geen reëel idee.”

“Als je iets ent op een oude, stevige stam, dan komt de zaak eerder tot bloei dan wanneer je een stekje in de kale grond steekt.” Geen gedegen S- zonder T-opleidingen, zegt Den Boer feitelijk. Ook in de Akademie-reactie komt dat punt terug. ‘In de praktijk blijken beide soorten opleidingen vaak nauw met elkaar verweven en er lijkt ook geen aanleiding te zijn om hierin verandering te brengen.’ luidt een zin uit de brief aan Ritzen.

Het idee van de Commissie-Vonhoff om zesjarige T-opleidingen naast vierjarige S-opleidingen te creëren vindt bij Den Boer begrijpelijkerwijze geen warm onthaal: “Twee stromen naast elkaar? Ik zie veel meer in een algemene opleiding van vier jaar, met daarna promotieplaatsen.”

“Dus een echte tweede fase, met twee stromen na elkaar. Stel je voor dat al die docenten ineens twee soorten college moeten gaan geven: in het zelfde vak, maar de ene keer voor de vierjarige opleiding en de andere keer voor de zesjarige. Dat zie ik echt niet voor me. Zo’n tweede fase is veel helderder. Alleen moeten we dan wel af van het idee dat gepromoveerden niet in het middelbaar onderwijs thuishoren. Het zou weer normaal moeten worden met een titel voor de klas te staan. Nu mogen gepromoveerden geen didactische opleiding meer volgen, dat moet veranderen. Dat zou een grote kwaliteitsinjectie in het onderwijs betekenen.”

Splijtzwam

Ondertussen vraagt Den Boer zich wel af of Nijmegen en de VU ‘klassieke universiteiten’ genoemd kunnen worden. “Ze zijn wel heel klein”, zegt hij. “Wat ze daar nog aan voorzieningen hebben… Aan de buitenwacht is ook moeilijk duidelijk te maken waarom je, zoals in Amsterdam, op een steenworp afstand van elkaar twéé instellingen zou moeten hebben.”

“En als je het  historisch wilt bekijken: tussen die klassieke universiteiten zitten wel heel recente. Ze hebben natuurlijk wel een belangrijke rol gespeeld bij de emancipatie van bepaalde groepen. Dit is overigens een splijtzwam. Ik weet niet hoe die in het rapport terecht is gekomen. De keus is uiteindelijk óf overal een beetje van afhalen, óf we heffen één instelling op.”

Het rapport levert genoeg stof tot discussie op, maar Den Boer is het ook met veel dingen zonder meer eens. De budgetfinanciering bijvoorbeeld. Den Boer: “De techniek daarvan begrijp ik niet helemaal, maar volgens mij komt het erop neer dat er een minimum aan infrastructuur gegarandeerd moet zijn voor de geesteswetenschappen, ook als er eens een paar jaar bijna geen studenten aankomen. Een dergelijke maatregel is hard nodig.”

Dat vindt ook de Akademie, hoewel die er in haar reactie aan Ritzen ook op wijst dat het de universiteiten nu al vrijstaat meer middelen uit te trekken voor de geesteswetenschappen, aangezien de afgestudeerden uit alle disciplines samen de hoogte bepalen van de door de overheid  uit te keren ‘lump sum’.

Er zou dus binnen het budget geschoven kunnen worden, maar in de praktijk gebeurt dat niet, dus is ‘overheidssturing’ gewenst. De KNAW vindt het niet op haar weg liggen zich uit te spreken over de mechanismen die daarvoor ontwikkeld moeten worden, maar stelt wel dat een leerstoelenbeleid zoals de Commissie-Vonhoff voorstelt in elke uitwerking van de ideeën onontbeerlijk is.

Gotspe

Met dat laatste punt heeft Den Boer het moeilijker. Het gaat om aanbeveling 10 van het rapport: ‘Laat de ontwikkeling van de kennisinfrastructuur in de gebudgetteerde voorzieningen sturen op het niveau van de leeropdracht (leerstoelenbeleid)’.

Concreet stellen Vonhoff en de zijnen voor dat de zes klassieke universiteiten een gezamenlijke commissie van drie leden met een zittingstermijn van zes jaar instellen, die over elke leerstoel en/of leeropdracht een bindend advies geven.

“Een commissie van drie leden die dat allemaal even gaat beslissen? Dat vind ik een gotspe,” roept Den Boer uit. “Zo’n  centrale dirigistische instelling doet me aan de DDR denken. Daar ben ik het echt absoluut mee oneens. Degenen die al benoemd zijn in een bepaalde discipline horen de nieuwen te benoemen. Coöptatie van kwaliteit door kwaliteit hoort de grondslag te zijn van de totale wetenschappelijke gemeenschap.”

“Je moet alleen geen lokaal samengestelde commissies hebben, maar er mensen uit meer faculteiten in zetten en liefst ook een buitenlander. Dat moet garantie genoeg zijn om te voorkomen dat de druk van onderen – uit de eigen gelederen van een bepaalde faculteit – een nieuwe benoeming bepaalt.”

De selectie van studenten heeft daarentegen wel zijn instemming. “Ik merk bij de studenten dat er echt behoefte is aan zoiets als een motivatiegesprekje,” zegt hij. “Dat klinkt misschien wat soft, maar ze willen, net als iedereen in het leven, graag die aandacht. De tijd daarvoor ontbreekt nu meestal, dus dat zou je goed moeten organiseren. Die selectie zie ik niet op grond van hun cijfers, maar na een soort ‘intakegesprek’,  zoals de commissie voorstelt. Dat lijkt me heel nuttig.”

Ook de Akademie denkt er zo over, zij het dat zij meent dat naast interesse en ambitie van de student ook diens geleverde prestaties mee moeten wegen. Selectie, stelt ze, dient uiterlijk aan het eind van de propedeuse plaats te vinden.

“Helemaal eens” is Den Boer het met de aanbeveling promotiebeurzen in te stellen. “Dat had allang gebeurd moeten zijn,” zegt hij. Promotiebeurzen voorkomen dat er nóg meer wachtgelden betaald moeten worden, een van de grote financiële problemen van de universiteiten op dit ogenblik.

“De gossip in de wandelgangen is dat de letterenfaculteit in Amsterdam ná de reorganisatie meer geld kwijt is dan daarvoor”, meldt Den Boer. “Dat is vanwege de oude regelingen. Allerlei peperdure mensen die nu helemaal niets meer doen voor dat geld. Volgens mij kun je, zolang die wachtgeldregeling blijft bestaan, nog het beste stompzinnig met absolute vacaturestops werken en zorgen dat je via om- of bijscholing mensen aan de slag krijgt daar waar de gaten vallen. Flexibilisering heet dat tegenwoordig, ja.”

“Die flexibiliteit ontbreekt nogal eens bij de zittende klasse. Ik zie bijvoorbeeld niet in waarom iemand met een specialisatie in de vroege Duitse geschiedenis niet een college contemporaine Europese geschiedenis zou kunnen geven, maar veel mensen verschuilen zich achter ‘ik doe hier nu eenmaal alleen dat’. Dat moet toch een keer veranderen. Met onderzoek ligt het anders, dat is een kwestie van persoonlijke toewijding en lange concentratie, daar kun je iemand moeilijk in dwingen.”

De laatste aanbeveling van het rapport gaat over de bibliotheken. “Wat er gebeurd is met de collecties is desastreus,” zegt Den Boer. “Daar is zo gigantisch in gesneden. Series die afgebroken zijn, gaten… De commissie-Vonhoff stelt meer coördinatie tussen de bibliotheken voor. Nou, misschien voor de hele dure dingen, maar collecties houden in zekere zin altijd hun waarde. Zonder de boeken kun je niet werken. Als je nou over onderzoeksklimaat wilt praten, dan moet de boekenvoorziening echt als eerste in orde zijn.” 

Men weegt Kaneel bij ‘t lood kan worden besteld bij SDU DOP, afdeling bestellingen, Postbus 30405, 2500 GK Den Haag, tel: 070-3789830, fax: 070-3789783.

 

 

De beste boeken van 1994

Op taalgebied hoeft alleen Genie. An abused child’s flight from silence genoemd (Harper Collins, f 44,80, houterig vertaald als Genie, een mishandeld kind ontvlucht de stilte, Anthos, f 29,90) van journalist Russ Rymer, die helaas niet genoeg in de taalkunde doordrong voor een werkelijk goed boek over het lot van dit meisje dat haar hele jeugd opge­slo­ten zat, en niet had leren praten.

Las veel over apen en hersenen. Beste apenboek was van de Nederlandse etholoog Frans de Waal: Peacemaking among Primates (belachelijk genoeg uitverkocht), dat ook het verzoengedrag van mensen nog even mee­neemt. Van de hersenboeken wil ik Simon LeVays The Sexual Brain noemen (MIT Press, f 56,65, net vertaald als Het seksuele brein, Bert Bakker, f 34,90) en Conver­sations with Neil’s Brain van William Calvin en George Oje­mann (Addison-Wesley, f 55,70, verschijnt februari als Ontdekkingstocht door de hersenen, Bert Bakker ± f 49,90). Eerste gaat over hormo­nen en man/vrouw- en homo/hetero-ver­schillen (LeVay doet overigens of Swaabs Hersenin­stituut niet bestaat), tweede neemt een fictieve neurolo­giepatiënt als uitgangspunt om heel veel uit te leggen over hersenfuncties.

Was verder verrast door de originaliteit van Helga Ruebsamens De Dansende Kater (Querido, 21,95), las in no-time Asbestemming (Querido, f 35,-) van Van der Heijden (ondanks dat het me soms te bloemrijk is) en vond Ishiguro’s The remains of the day (Faber & Faber, f 21,95) briljant.

‘Ober, de biefstuk klinkt vals’

Joseph S. heeft nooit echt zijn draai kunnen vinden in het leven. De belangrijkste reden daarvoor lag merkwaardig genoeg in zijn fenomenale geheugen. De Rus die aan het begin van deze eeuw geboren werd, ont­hield letter­lijk alles.

Elke geheugentest doorstond hij glans­rijk. Willekeurige lijsten met woor­den, let­ters of cijfers, krankzinnig ingewikkelde wortelverge­lijkingen die niets bete­kenden, stukken tekst in vreemde talen, Joseph bekeek ze even of hoorde ze aan, en herhaalde het dan foutloos. Indien gewenst zelfs van achteren naar voren. En dat niet alleen vlak na de test, maar ook vijfentwintig jaar later nog.

Hemzelf was het nooit opgevallen dat er iets bijzonders aan de hand was. Toen Josephs bureauchef hem vroeg waarom hij niet net als zijn collega-journalisten aantekeningen maakte als hij een lijst opdrachten en adressen kreeg, was hij verbaasd. Onthield dan niet iedereen alles wat er tegen hem gezegd werd?

Joseph liet zich naar het plaatselijke psychologisch laboratorium sturen, waar hij A.R. Lurija trof, de man die later de beroemdste neuropsycholoog van de Sovjet-Unie zou worden en die tientallen jaren contact met S. hield.

Lurija had al gauw door dat S. niet eenvoudigweg het beeld van een bepaalde reeks cijfers of letters in zich opnam om dat dan weer te reproduceren. Nee, voor S. was de wereld een totaal andere dan voor normale mensen. Alles wat hij hoorde riep meteen licht‑ en kleursensaties op. Ook proefde of rook hij soms de dingen die hij hoorde. “Wat heeft u een brokkelige, gele stem”, zei hij dan bijvoorbeeld. Geluiden konden er uitzien als ‘lijnen’ of ‘spatten’. Duidelijke grenzen tussen gezicht, gehoor, gevoel en smaak bestonden voor S. niet. Zijn zintuigen liepen als het ware door elkaar, een verschijnsel dat synesthesie heet.

De hele dag door werd S. bijna overspoeld door zintuigelijke sensaties. Dat kon bijzonder hinderlijk zijn. Zo kon hij onmogelijk lezen onder het eten, omdat de smaak van het eten de betekenis van wat hij las in de weg zat. Als Lurija hem snel een verhaal voorlas dan raakte hij in de war.

Anderzijds hielpen al die gewaarwordingen hem juist om de dingen te onthouden. Joseph had de gewoonte de opgeroepen beelden ergens ‘neer te zetten’. Hij stelde alles op in een denkbeeldige ruimte waar hij dan later weer doorheen kon ‘wandelen’. Vaak verzon hij daar een heel verhaal bij. Zo herinnerde hij zich dan een bijvoorbeeld een rijtje lettergrepen. Als hij toch wel eens iets vergat, dan kwam dat meestal door een onhandige opstelling: een beeld van iets lichts tegen een lichte muur bijvoorbeeld, maakte dat hij dat over het hoofd zag als hij terugging in zijn herinnering.

Joseph S. eindigde nogal ongelukkig als geheugenkunstenaar. De kracht van de beelden, geuren, kleuren en smaken die elke belevenis in hem wakker maakte, was zo groot, dat de werkelijkheid dikwijls naar de achtergrond gedrongen werd. Hij hield daardoor het gevoel dat alles maar ‘tijdelijk’ was.

Hoeveel mensen er synesthetisch zijn is niet bekend, maar de meesten worden er niet zo ongelukkig van als S. Wie het is houdt er meestal wel stijf zijn mond over dicht: de buitenwereld denkt al gauw dat je gek bent of onder de verdovende middelen zit.

Het was dan ook door toeval dat de Amerikaanse neuroloog Cytowic erachter kwam dat zijn vriend Michael vormen proefde. De twee waren in de keuken, waar Michael kip klaar stond te maken. Toen hij een hapje nam hoorde Cytowic hem ineens zeggen: “Hè get, er zitten nog niet genoeg punten op”. Michael schrok er zelf van: anders liet hij nooit iemand merken dat elke smaak bij hem een bepaalde vorm opriep. Hij kon die vorm als het ware aanraken met zijn handen, ook al wist hij heel goed dat er in werkelijkheid niets was om aan te raken. Maar in zijn jeugd had hij al geleerd dat anderen hem niet begrepen als hij zei: “Met die ronde smaak kan ik die kip onmogelijk aan m’n gasten voorzetten.”

Cytowic raakte geïntrigeerd en besloot een studie van het verschijnsel synesthesie te gaan maken. Michael werd zijn proefpersoon, letterlijk: Cytowic liet hem een hele reeks smaken van zoet naar zuur proeven, een heleboel keer, en telkens in een andere volgorde. Iedere keer opnieuw ervoer Michael bij dezelfde smaak dezelfde vorm. Zoet was rond, zuur puntig, maar een smaak kon ook ‘glad en zacht als marmer’ aanvoelen. De sensatie was soms overweldigend: Michael voelde dan een soort golf door zijn armen naar zijn handen gaan, maar bij andere smaken voelde hij alleen een lichte prikkeling in zijn vingertoppen.

Beeldspraak, denkt een normaal mens al snel, maar dat is het niet. Cytowic liet ook proefpersonen die niet synesthetisch waren aangeven welke vormen ze met welke smaken associeerden. Anders dan Michael kwamen die met een nogal willekeurige verdeling. Andersom begreep Michael niets van beeldspraak als ‘dat is een scherpe kaas’. Dat vormen proeven kon hij ook niet bewust oproepen of uitschakelen: het gebeurde, telkens weer, of hij nou wilde of niet. Iets dat alle synestheten vertellen: ze kunnen er niets aan doen, het overkomt ze.

Er zijn verschillende soorten synesthesie. Meestal gaat het om beelden die opgeroepen worden doordat iemand iets hoort, proeft of voelt. Zeldzamer is het dat iemand iets ziet of hoort dat een gevoel teweegbrengt. Het horen van kleuren komt het meest voor, en het zijn soms niet de geringsten die dit verschijnsel aan den lijve ondervinden. Vladimir Nabokov, schrijver van de wereldhit Lolita, bijvoorbeeld hoorde kleuren, net als zijn moeder (soms lijkt synesthesie erfelijk te zijn).

En het schijnt dat de grondlegger van de klassieke natuurkunde, sir Isaac Newton, bij elke muzieknoot een kleur hoorde. De Russische componist Alexander Skrjabin ervoer weer kleuren bij bepaalde muzieksleutels. Hij ontwierp daarom een kleurenklavier: als je daar op speelde werd er bij bepaalde akkoorden een bepaalde kleur geprojecteerd op een scherm. Het was de voorloper van het nog altijd populaire lichtorgel.

Nogal wat kunstenaars zijn op zoek geweest naar parallellen tussen bijvoorbeeld kleuren en klanken. Franse symbolistische dichters als Rimbaud en Baudelaire speelden er ook mee, maar die waren zelf naar alle waarschijnlijkheid niet synesthetisch.

En al waren ze het wel geweest: de ene synestheet is meestal de andere niet. Waar voor de een de muzieknoot A altijd rood is, of het cijfer drie steeds weer groen, is voor een ander de A juist blauw, of de drie geel. Hun leven lang. Wel schijnt een opvallend hoog percentage bij de O wit te zien, bij de U geel/bruin en bij de I wit/grijs. Vaak werkt het als geheugensteun. Iemand die kleuren hoort kan zich bijvoorbeeld afvragen ‘hoe die vrouw met die groene stem ook weer heette’.

Het is lastig het je voor te stellen, maar voor alle synestheten gaat het om levensechte, bijzonder sterke sensaties. Dat bracht Cytowic op een gedachte. Hij was op zoek naar een verklaring voor het verschijnsel. Want hoewel er al meer dan honderd jaar gevallen van synesthesie beschreven worden, is er over de oorzaak nooit veel idee geweest. Van die sterke gevoelssensaties, dacht Cytowic, die zitten meestal in het limbische deel van je hersenen, waar waarschijnlijk ook je herinneringen opgeslagen worden. Dat limbische brein is evolutionair gezien relatief oud, ouder dan de zogenaamde temporale cortex waar meestal van die nieuwe ‘abstracte’ vaardigheden als ‘redeneren’ en ‘taal’ gelocaliseerd worden.

Cytowic had het idee dat het limbische deel van de hersenen als het ware ‘opgevoerd’ wordt bij een synesthetische ervaring, terwijl de cortex juist even op een laag pitje wordt gezet. Dat idee had hij ondermeer omdat er iets dergelijks gebeurt als je de drug LSD slikt, en onder invloed van LSD worden mensen vaak ineens synesthetisch. Maar ook Michaels normale dagelijkse gebruik van cafeïne, nicotine en alcohol wees in die richting. Michael begon de dag met koffie en sigaretten: dat stimuleert de cortex. ’s Avonds na een paar stevige borrels, die de cortex juist minder actief maken, waren zijn synesthische ervaringen veel intenser dan ’s ochtends.

De ultieme test was een PET-scan. Daarop kun je, door de bloedstroom te volgen, precies zien in welk deel van het brein op een bepaald moment het hardste ‘gewerkt’ wordt. Michaels PET-scan verbijsterde Cytowic: tijdens een synesthetische ervaring was er zo weinig bloed te bespeuren in zijn cortex dat hij eigenlijk zwaar gehandicapt zou moeten zijn. De synesthesie speelde zich inderdaad helemaal af in dat oude, limbische brein. Cytowic’s conclusie: mensen als Michael hebben iets bewaard dat bij de rest van ons tijdens de evolutie verdwenen is. Ze zijn dus een soort levende fossielen.

Toch is dat zeker niet het hele verhaal. Cytowic baseert zich maar op één scan van iemand met een zeldzame vorm van synesthesie. In Londen wordt er onder leiding van Simon Baron-Cohen al jaren onderzoek gedaan naar de meest frequente vorm van synesthesie: het zien van kleuren als je iets hoort, voelt of ruikt. Daar werd onder anderen de schilderes Elizabeth Stewart-Jones getest. Alle woorden hebben voor haar een kleur, maar welke lijkt volkomen willekeurig te zijn. Want woorden die qua betekenis dicht bij elkaar liggen (man, mannelijk, masculien) hebben toch allemaal een andere kleur, maar ook woorden die bijna hetzelfde klinken maar iets heel anders betekenen (bijvoorbeeld moon, moan en mean) hebben verschillende kleuren. 

Maar de relatie tussen taal en kleur blijkt soms wel een neurologische basis te hebben. Ook in Engeland kwam de PET-scan eraan te pas, en ditmaal bij meerdere mensen. Wat bleek? Bij het horen van woorden werd er niet alleen een belangrijk ‘taaldeel’ van de hersenen van de synesthetische proefpersonen actief, maar er stroomde ook bloed naar het stukje brein dat verantwoordelijk is voor ‘kleuren zien’. Er ligt bij hen dus een neurologische verbinding, of misschien moet je zeggen: er ontbreekt een barrière. Bij een controlegroepje ‘gewone’ proefpersonen werd alleen het ‘taaldeel’ actief toen ze woorden hoorden.

Zien doen we met onze visuele cortex, een stukje hersenschors dat zich aan de achterkant van ons hoofd bevindt, en niet in het dieper gelegen limbisch systeem. Misschien dus dat er bij verschillende soorten synesthesie sprake is van verschillende verschijnselen. Voorlopig blijft het raadselachtig, en kunnen de neurologen vooruit. In Nederland schijnt jammer genoeg nog niemand zich erop geworpen te hebben.

Literatuur:

A.R. Luria, Een teveel aan geheugen, Uitgeverij Bert Bakker 1990

Richard E. Cytowic, The man who tasted shapes, G.P. Putnam’s Sons, New York 1993

Die warboel in hoofden en genitaliën

Voor seks heb je nauwelijks verstand nodig. Een theelepeltje neuronen in de hypothalamus is genoeg, en dat is sinds de oertijd al zo. Maar hoe liggen seks en sekse vast in onze hersenen? En welk gedrag volgt daaruit? Liesbeth Koenen traceerde het ‘nature/nurture’-debat over de liefde bij biochemici, filosofen, culturele antropologen en de Margriet-gezinstherapeuten. ‘Mannen en vrouwen hebben tegenstrijdige belangen. Ze hebben ook verschillende hersenen die andere stofjes produceren. En dat is waarom alle clichés over de man-vrouwverhoudingen waar zijn.’

In kroegen en op feestjes kun je hem in het wild aantreffen: de copuleerblik. Twee of drie seconden staart een man of vrouw met wijdopen ogen aandachtig naar een mogelijke kandidaat. De beoogde partij zal het meestal merken en terugkijken, waarna degene die begon de blik neerslaat.

De volgende stap is het even razendsnel nadenken door de aangestaarde: reageer ik of reageer ik niet? Dat nadenken, en de spanning breken, gaan gepaard met gefriemel aan een oorlelletje, een trui rechttrekken of een andere zinloze beweging. Daarna kan het alle kanten op: je kunt besluiten de ander te negeren, of je besluit voorlopig aan het spelletje mee te doen en glimlacht of zegt wat.

En soms, heel soms, zal het blijken liefde op het eerste gezicht te zijn.

Iets gênants

Toen ik dit scenario tegenkwam in Over de liefde van de Amerikaanse ethologe Helen Fischer, dacht ik: ‘ja, zo gaat dat. En ik geloof eigenlijk dat ik dat zelf ook geregeld doe’. Je dat realiseren heeft iets gênants, maar het gebeurt vanzelf, en het is voorbij voor je het weet.

De copuleerblik stamt dan ook nog uit de oertijd. Apen hebben hem ook. Het is niet meer dan het vliegensvlug uitwisselen van informatie tussen cellen in het deel van je hersens waar je mee ziet, en cellen in de hypothalamus, een theelepeltje hersenweefsel dat niet alleen een sleutelrol speelt bij seks, maar ook bij andere ‘basisfuncties’ als eten en drinken, je bloedsomloop, je lichaamstemperatuur, stress, groei, emotionele reacties en nog veel meer. Eén blik kan de zenuwcellen (of neuronen) activeren die betrokken zijn bij het ontstaan van seksuele opwinding.

Het is allemaal biologie en chemie die zich in niet meer dan een fractie van je hersenen afspeelt. Om neurobioloog Simon LeVay in The sexual brain aan te halen: voor seks heb je nauwelijks hersens nodig.

Goh, leuke vent

Toch zijn we er met ons verstand altijd wel degelijk op de een of andere manier bij. En dat is nou precies waarom ik boeken als die van Fischer en LeVay zo interessant vind. Ze vertellen alletwee op hun eigen manier iets over hoeveel we nou eigenlijk zelf in de hand hebben.

Ik bedoel, je werpt onbewust een copuleerblik op iemand, en ineens merk je dat je naar iemand toegetrokken wordt, ook letterlijk. Je denkt: goh, leuke vent, leuke meid, daar wil ik bij in de buurt zijn. Een kwestie van wat geactiveerde neuronen in je hypothalamus.

Tegelijk kun je denken: maar dit kan absoluut niets worden, want ik moet met deze persoon zaken doen, of mijn echtgenoot zit naast me, of nog iets heel anders. Ook een positief beantwoorde copuleerblik leidt lang niet altijd tot copuleren. Het verstand heeft dan gewonnen.

Maar je kunt er niet helemaal op vertrouwen. Ook al neem je je nog zo voor niet verliefd te worden, het kan je toch gebeuren. Dat kan goed aflopen, en iets moois worden (dan maar verliefd op je bazin of je cliënt bijvoorbeeld), maar ook een drama.

Golven van verlangen

In hoeveel echtelijke overspelruzies wordt er niet wanhopig geroepen ‘schat, ik kon het niet helpen, het was sterker dan ik, het overkwam me’? Dat overspel vaak (hoe vaak?) uitkomt, heeft denk ik ook alles te maken met de heftigheid van de gevoelens. Een verliefde heeft alle trekjes van een verslaafde. Golven van verlangen naar de ander kunnen je totaal in beslag nemen. En er hoort ook bij dat je grote risico’s neemt.

De straf is vaak buitenproportioneel: je baan moeten opgeven, een ontwricht gezin, een doodongelukkige partner waar je echt heus nog steeds veel van houdt. Hoe komt een mens zo gek?  

Fischer en Levay werpen er een beetje licht op. Ze vullen elkaar heel aardig aan. Fischer zoekt verklaringen voor ons liefdesgedrag in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens. Ook onze culturen zijn vaak direct terug te voeren op de evolutie, stelt ze.

Neem de copuleerblik: een ijzersterke reden om vrouwenhoofden met sluiers te omhangen. Immers, wil je als man de zekerheid dat jij je voortplant, en niet een andere kerel, dan moet je je vrouw weg zien te houden van anderen. En de voortplantingsdrift zit er diep in. LeVay kijkt in The sexual brain als het ware naar het eindresultaat van de evolutie: hoe liggen seks en sekse vast in onze hersenen? Wat speelt er zich af in je hoofd? En welk gedrag volgt daaruit?

Verloving mooie waarborg

Overigens vindt ook LeVay in de biologie de grondslag voor cultuurverschijnselen. Zo is de in heel veel samenlevingen bestaande gewoonte om een huwelijk vooraf te laten gaan door een verlovingstijd, een mooie waarborg tegen een al zwanger vrouwtje trouwen. Hoe kun je dat anders weten? Aan mensenvrouwtjes kun je niet zien of ze vruchtbaar zijn: vrouwen worden niet loops. Hoelmanvrouwtjes wel. Hoelmannen of langoeren zijn een apesoort waar het er nogal cru aan toegaat. Als daar een nieuw mannetje in de troep de macht overneemt probeert hij alle jongen te vermoorden, ook de kleintjes die de eerste maanden na de machtsovername worden geboren.

Want wat zal je het nageslacht van een ander op gaan zitten voeden. Bijkomend voordeel is dat de vrouwtjes als hun kind dood is al snel weer loops worden. Maar ze zullen er wel alles aan doen de kindermoord te voorkomen.

De Darwinistische gedachte daarachter is dat ze al geïnvesteerd hebben is zo’n kleintje en dat er bij een nieuw mannetje niet meer van hun erfelijk materiaal doorgegeven zal worden dan bij de vorige al gebeurd was. Verspilde moeite en energie dus.

Schijnloops

De evolutie zorgde voor een aardig energiesparend mechanisme. Als ze al zwanger zijn kunnen hoelmanvrouwtjes de zaak vernachelen: sommige worden dan schijnloops. Ze vertonen alle uiterlijke tekenen van vruchtbaarheid, paren met het nieuwe mannetje en baren vervolgens toch het kind van een ander. Het nieuwe mannetje trapt daarin en laat de baby met rust.

Het is bij mensen vaak niet anders. Zo’n verlovingstijd geeft nog enige garantie, maar hoe zit het daarna? Het schijnt dat de huidige DNA-technieken nogal eens voor familiedrama’s zorgen. Zelfs een simpele bloedtest kan al genoeg zijn om duidelijk te maken dat je papa je papa niet is.

Ondanks het taboe erop lopen er heel veel vrouwen met zo’n ‘kleine waarheid’ rond. Waarom dat taboe, en waarom gebeurt het toch?   Het komt hierop neer: mannen en vrouwen hebben tegenstrijdige belangen. Ze hebben dan ook verschillende hersenen die andere stofjes produceren. En dat is waarom alle clichés over man-vrouwverhoudingen waar zijn.

Alles draait om waarborging van het eigen nageslacht, het eigen erfelijk materiaal (daaruit komt ook de onuitroeibare neiging familie voor te trekken voort). Mannetjes moeten zien hun zaad zo vaak mogelijk in een vrouwtje te krijgen. Daarom willen ze zo vaak. Ze hebben er verder toch geen last van: mocht het raak zijn dan draagt het vrouwtje de last van de zwangerschap.

Viriele types

Voor haar zijn ook de gevaren. Het is dus zaak dat die vrouwtjes een beetje uitkijken wiens zaad ze toelaten. Ze moeten in hun genen al feeling voor viriele types hebben: de genen van vrouwtjes die mannen kozen waarmee het slecht vermenigvuldigen was, hebben het domweg niet gehaald.

Maar omdat alles op één kaart zetten zo zijn eigen risico’s met zich meebrengt is er bij vrouwen ook een ingebakken neiging tot vreemdgaan. Dat moet stiekem (en dat schijnt het ook in vrijwel alle culturen te gaan) omdat mannen zo veel mogelijk zekerheid willen hebben dat een baby van hun is.

Daar is nog een extra reden voor: de zorg voor het kind. Fischer gelooft dat de kern voor monogame relaties waarbij man en vrouw beiden bijdragen leveren aan de (op)voeding, gelegd is toen hominiden (echte mensen waren het nog lang niet) tussen de vier en zes miljoen jaar geleden door honger gedreven de savannes van Afrika op gingen.

Vervolgens gingen ze rechtop lopen, naar het schijnt om beter voedsel te kunnen vervoeren, en ontwikkelden ze zich tot jagers-verzamelaars. Op de savanne had je geen bomen en struikgewas om je in te verschuilen. Daar kon je dus ook niet de kinderen rustig laten spelen, en met die kleintjes ontstond er een groot probleem.

Hulpeloze kinderen

Pakweg een miljoen jaar geleden had homo erectus zoveel hersens gekregen dat kinderen eigenlijk te vroeg geboren moesten worden. Zouden ze zich langer in de baarmoeder ontwikkelen dan kon hun hoofdje niet meer door het geboortekanaal. Daarom zitten we nu nog steeds met verhoudingsgewijs zeer hulpeloze kinderen. En daarom nu hadden vrouwen voortaan een man nodig.

Want daar op die savannes was het leven hard. Als vrouw moest je je kind voortdurend op een arm meeslepen. Ga dan nog maar eens op jacht, en spring maar eens lekker de hele dag over konijneholen en haal maar eens vlot een bessenstruik leeg.

Een man die bescherming en extra voedsel bood werd noodzaak. In elk geval zo lang als het kind nog gedragen moest worden en de borst kreg. Daarna kon hij wel weer weg, en Fischer zegt dat hij dat ook deed, en nog steeds doet. Om die reden vind je in heel veel culturen een echtscheidingspiek na ongeveer vier jaar. En zolang men vruchtbaar is begint bijna iedereen vervolgens weer aan een nieuwe relatie.

Ik vat het allemaal wat grofstoffelijk samen, maar die sociobiologische verklaringen roepen bij mij altijd een zeker wantrouwen op. Het is me vaak te simpel. De evolutie berust op een samengaan van toeval en omgevingsfactoren. Maar in boeken als dat van Fischer wordt het voorgesteld alsof het absoluut niet anders had kunnen zijn dan het nu is.

Taboe op incest

Ik denk als ik haar lees: had er niet een heel andere sociale structuur uit kunnen komen? En sommige dingen snap ik niet, bijvoorbeeld waarom vrouwen jaloers zijn. Voor de doorgifte van je eigen erfelijk materiaal maakt het immers geen moer uit of je man zijn genen ook nog doorgeeft aan een ander. En nog een vraag: als het taboe op incest inderdaad zo universeel is en zo mooi evolutionair verklaarbaar (je moet genen mengen voor de beste resultaten) waarom komt het dan toch zoveel voor?

Mijn wantrouwen wordt in het geval van Fischer nog eens extra gevoed door het feit dat ze er voortdurend vrolijk op los fantaseert. Over hoe de Neanderthalers vast al in elkaars armen lagen te rollebollen, en hoe onze voorouders 35.000 jaar geleden zeker al regels met betrekking tot seksuele trouw hadden ingesteld, enzovoort. Vaak berust het absoluut nergens op. Tenminste, ik zou niet weten waarom onze voorouders zich per se zo gedragen zouden hebben als de !Kung in Afrika nog steeds doen. Het kan natuurlijk, ja.

Die crisis na vier jaar (met die ontdekking haalde Fischer de Oprah Winfrey show nog) berekent Fischer op basis van cijfers sinds 1941, in 63 culturen. Wat is nou vijftig jaar? Interessant is wel dat de piek onafhankelijk is van het echtscheidingspercentage, dat van cultuur tot cultuur verschilt en ook in de tijd verandert. Maar binnen de bekeken culturen vind je al grote uitzonderingen.

Islamitische landen

In islamitische landen ligt de echtscheidingspiek al na een jaar, volgens Fischer omdat daar zo veel huwelijken gearrangeerd worden: binnen een jaar blijkt dan wel of het werkt of niet. In haar eigen land loop je na twee à drie jaar de grootste kans op een scheiding. Fischers verklaring: zo lang duurt een verliefdheid ongeveer.

Ja, ammehoela, dat is in andere culturen net zo had ze al verteld. Want de overgang van verliefdheid naar liefde zit hem, zo meent men, in de overgang van de produktie in de hersenen van een amfetamine-achtige stof (PEA genaamd) naar een morfine-achtige stof (endorfinen). Van alert ‘kicken’ naar kalm geluk, zou je kunnen zeggen. Na twee of drie jaar gebeurt dat vanzelf.

Maar ook al geloof ik Fischer vaak niet helemaal, en al zitten er nogal wat herhalingen in het boek, het is toch de moeite waard om te lezen. Net als LeVays The sexual brain, dat veel minder speculatief is. Het is een bijzonder interessant boek, maar wel verdomd lastig. Steroïden, hormonen, allerlei plekjes in de hypothalamus en ratten spelen er de hoofdrol in. Veel onderzoek is gloednieuw.

Vrouwtje default-optie

Als je bijvoorbeeld bedenkt dat ze pas in 1991 het gen gevonden hebben (op het Y-chromosoom natuurlijk) dat een foetus ertoe aanzet zich als mannetje te ontwikkelen. Als dat gen er niet is word je een vrouwtje: het is de default-optie van de natuur.

Man-vrouwverschillen zitten niet alleen in uiterlijkheden, verschillende organen en verschillende hormonen, maar ook in de hersenen. En het begint allemaal al heel vroeg. Sekse-typisch gedrag bijvoorbeeld wordt rond de geboorte al bepaald. Daar is een zogenaamde ‘kritische periode’ voor: ratten die je voor of meteen bij de geboorte castreert zullen geen mannetjesgedrag (vrouwtjes beklimmen en dergelijke) vertonen, zelfs niet als je ze mannelijk hormoon geeft.

Dien je ze vrouwelijk hormoon toe dan gaan ze zich wel als vrouwtjes gedragen (met gekromde rug staan). Mannetjes die je een paar dagen later castreert kun je met behulp van mannelijk hormoon wel tot ‘gewone’ mannetjes omvormen. Op vrouwelijk hormoon reageren ze niet.  

Aanstaande rattenmoeder

LeVays boek barst van de beschrijvingen van dit soort experimenten. Intrigerend vind ik ook onderzoek naar de gevolgen van factoren van buitenaf. Geef je, ook weer in een kritieke periode, een aanstaande rattenmoeder een flinke portie stress (je zet haar bijvoorbeeld dagelijks drie keer een poos in fel licht) dan zullen haar zonen minder ‘mannelijk’ dan gewoonlijk zijn: ze beklimmen minder vaak vrouwtjes, en zijn meer geneigd de vrouwelijke paarstand aan te nemen.

Het idee is dat de stress het mannelijk hormoonniveau in de foetus beïnvloedt, wat op zijn beurt gevolgen heeft voor de groei van een gebiedje in de hersens (de ‘seksueel dimorfe kern’) dat bij mannen groter hoort te zijn dan bij vrouwen. Ook bij normale ratten is er een verband tussen de grootte van die kern en de mate van mannelijk gedrag: hoe groter hoe mannelijker.

Mensen zijn geen ratten, ik weet het. Maar in heel veel opzichten wel. Waar de verschillen beginnen weten we nog lang niet. Maar het aardige van boeken als Over de liefde en The sexual brain is dat ze je ondermeer daarover aan het denken zetten. Ze bieden ammunitie voor de vurige debatten over twee topics die de wetenschap al lang bezighouden, maar waar tegenwoordig daadwerkelijk wat schot in lijkt te komen: de discussie over de samenhang tussen lichaam en geest, en de vraag naar wat aangeboren en wat aangeleerd is, wat ‘natuur’ en wat ‘cultuur’, het nature-nurturedebat dus. Die twee onderwerpen hangen overigens natuurlijk ook samen.   

Tussen lust en last

Het lijkt zelfs wel of dat nature-nurturedebat zich voortdurend in jezelf afspeelt. Het geworstel tussen lust en last, tussen wat ze je verteld hebben, en hoe het in het echt is.

Neem zo’n gegeven als dat vrouwen van nature gemiddeld minder behoefte hebben aan seks. De cultuur, die ook weer deels voortkomt uit de natuur, schrijft van oudsher toch een zekere inschikkelijkheid voor. Dus ze geven toe, en balen daar weer van.

Mannen is ondertussen verteld dat ze zich niet aldoor moeten opdringen, of ze merken dat hun vrouwtje niet zo vaak zin in ze heeft, dus mannen raken ook weer gefrustreerd. Wat een warboel in hoofden, harten en genitaliën.

Als je afgaat op de gesprekken en enquête van de psychologes Annette Heffels en Willeke Bezemer is het vinden van een gulden behoeftenmiddenweg een van de grote strijdpunten tussen de seksen. Na een serie interviews met vrouwen op tv onder dezelfde titel, verscheen van hun hand het boek Liever de lusten.

Het is de neerslag van een onderzoek naar vrouwelijke seks, in opdracht van het weekblad Margriet, en bevat cijfermateriaal en fragmenten van gesprekken.

Tegen haar wil

Daar zit allerlei interessants tussen: slechts 27 procent van de vrouwen zegt nooit tegen haar wil te vrijen, meer dan de helft fantaseert wel eens over vrijen met een ander, en boven de 55 komt meer dan een keer per dag neuken niet meer voor.

Bij de gesprekken hoor je goddank niet die van begrip druipende stem van Heffels, die het mij bijna onmogelijk maakt te kijken naar de interviews met mannen die op het ogenblik worden uitgezonden onder de titel Min of meer macho. Overigens ging het er daar ook weer meteen over dat hij wel de hele dag hop-d’rop wil, en zij helaas niet.

Enfin, met die man-vrouwverschillen is het niet onbegrijpelijk dat er sinds mensenheugenis afspraken, taboes en wetten bestaan in elke cultuur. En dat die vaak over dezelfde dingen gaan. Geen kinderen kunnen krijgen is bijvoorbeeld vrijwel overal een grond voor echtscheiding.

De Grieken Plutarchus en Lucianus (ze leefden in de eerste en de tweede eeuw na Christus) wisten natuurlijk ook al lang dat het huwelijk er was om nageslacht voort te brengen. Een deel van hun geschriften is net in het Nederlands vertaald, ingeleid en van noten voorzien door Hein van Dolen. Twee dunne boekjes voor liefhebbers, met dialogen en opstellen. Dat met werk van Lucianus heet Liefde, vriendschap en laster, dat van Plutarchus Huwelijk. Wat erin staat klinkt voor een groot deel akelig bekend.

Wij hebben alleen Eros en de andere goden vervangen door Darwin en de biologie. Het resultaat is hetzelfde, zij het dat het bij de oude Grieken wel compleet ‘a men’s world’ was.

Reactionaire praat

Plutarchus’ 47 tips voor jonggehuwden bijvoorbeeld kunnen zo in het partijprogramma van de SGP opgenomen worden. Vertrouwde reactionaire praat over hoe de vrouw onder de duim gehouden moet worden, overgoten met een sausje van dat dat juist heel goed is, omdat de goden het zo bedoeld hebben.

Ook de homoseksualiteit, waar driftig over gediscussieerd wordt in beide boekjes, betrof natuurlijk alleen die tussen beeldschone knapen en andere mannen. Het door Lucianus geschreven opschepperige gesprek tussen een Skyth en een Griek over welk volk de vriendschap (alweer: die tussen mannen natuurlijk) het hoogst aanslaat is bijna komisch, zo bekend is de toon.

Ook sprookjes – we gaan weer iets verder in de tijd – zitten tjokvol met dezelfde thema’s, dezelfde clichés. Trouw en maagdelijkheid zijn belangrijk, incest is taboe, iedereen wil een kind, broertjes en zusjes helpen elkaar (Hans en Grietje, Kleinduimpje), stiefouders hebben geen trek het erfelijk materiaal van een ander op te voeden (Sneeuwwitje), enzovoort.

De cultureel antropologe en sociologe Lily Clerkx viste familierelaties en andere thema’s uit Westeuropese sprookjes, vanuit het idee dat je zo meer kunt begrijpen over het leven in vroeger tijden. Kennelijk waren er inmiddels ook heel wat magische en christelijke invloeden te vinden in de belevingswereld van de pre-industriële mens. Jammer dat En ze leefden nog lang en gelukkig weer zo’n integraal uitgegeven proefschrift is (althans, dat moet het haast wel zijn) in de bekende academische stijl van Piet zegt dit, en Marietje beweerde ooit zo, en ik heb het allemaal gelezen. Wel 40 bladzijden noten en literatuur, geen register. De ouderwetse plaatjes maken gelukkig nog iets goed.

Honger boven familiebanden

Een ding komt ook duidelijk naar voren uit de studie van Clerkx: het belang van economische omstandigheden. Honger gaat soms boven familiebanden (Kleinduimpjes ouders laten hun kinderen in het bos achter), jonge helden trekken op zoek naar rijkdom de wijde wereld in, en rivaliteit tussen broers of zusters is meestal het gevolg van onenigheid over de erfenis.

Maar juist in die economische omstandigheden gloort er nog wat hoop voor mensen die de maatschappij, en dan vooral de verhouding tussen mannen en vrouwen, graag anders zouden zien. In Over de liefde stelt Fischer dat de overgang naar agrarische gemeenschappen-met-werktuigen de nekslag voor vrouwelijke bewegingsvrijheid is geweest: daarvoor werkten alle vrouwen naast de mannen, en zwierf men rond, daarna zat iedereen vast op een plek, en ontstond de bekende rolverdeling.

Vrouwen waren niet sterk genoeg om ploegen en wat dies meer zij te bedienen, dus werden ze totaal afhankelijk van mannen. Echtscheiding werd iets heel bijzonders.

Het industriële tijdperk heeft daar verandering in gebracht. Sinds de negentiende eeuw stijgt het echtscheidingspercentage in de geïndustrialiseerde wereld dan ook gestaag.

Fischer is zeer optimistisch over de toekomst. We gaan weer terug naar ons ‘nomadische’ verleden, denkt ze. We zitten niet meer vast aan een plek, waar we ons eigen voedsel verbouwen. Welnee, we bewegen ons van huis naar werk, naar vakantieadres. Jagen en verzamelen doen we nu in de supermarkt. Vrouwen krijgen weer minder kinderen, net als in de oertijd. En ze werken weer, ook net als in de oertijd.

‘Het gaat goed!’

Mannen en vrouwen die zij aan zij werken zien Patricia Aburdene en John Naisbitt zelfs als een van de Megatrends for Women. Hun boek met die titel is zo’n typisch Amerikaans produkt vol overoptimistische statements. ‘Het gaat goed! Het gaat goed!’ schreeuwt het op elke bladzij. Vrouwen starten ondernemingen, krijgen leidende functies, stappen in de politiek. Ze eisen hun recht op! In 2004 zal een vrouw president van Amerika zijn!

Er is veel onzin en ook stemmingmakerij te vinden in deze Megatrends, maar anderzijds verandert er natuurlijk wel degelijk het een en ander. Sommige van die dingen werken overigens beslist op mijn lachspieren. Zou er bijvoorbeeld werkelijk iemand gebaat zijn bij al die vrouwelijke theologie, waar men onder meer speculeert over de mogelijkheid dat de slang in het paradijs zijn vragen expres aan Eva stelde, omdat die intelligenter was?

We zullen zien in hoeverre we de last van de evolutie kunnen afschudden, en of de hooggestemde idealen in ons hoofd het ooit echt zullen winnen van de lage lusten. Je afkomst in gedachten houden kan in elk geval geen kwaad voor een beter begrip van de wereld.

Besproken boeken:

OVER DE LIEFDE De evolutie van monogamie, overspel en scheiding door Helen E. Fischer. Vertaling Marlou Gemmeke Uitgever Contact, 391 p., f 45,-

THE SEXUAL BRAIN door Simon LeVay. Uitgever The MIT Press, 168 p.,f 56,64

LIEVER DE LUSTEN Vrouwen over hun seksualiteit door Annette Heffels en Willeke Bezemer. Uitgever Anthos/Margriet, 238 p., f 27,50

HUWELIJK moraal en praktijk door Plutarchus Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Uitgever Atheneum – Polak & Van Gennep, 94 p. f 25,-

LIEFDE, VRIENDSCHAP & LASTER door Lucianus Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hein L. van Dolen. Uitgever Atheneum – Polak & Van Gennep, 115 p. f 29,90

EN ZE LEEFDEN NOG LANG EN GELUKKIG Familieleven in sprookjes, een historisch-sociologische benadering door Lily E. Clerkx. Uitgever Bert Bakker, 234 p., f 45,-

MEGATRENDS FOR WOMEN door Patricia Asburdene & John Naisbitt. Uitgever Villard Books, 389 p., f 47,05

“Ik wil dat wij écht excellent zijn”

Een bloedrode zon met daaronder een donkerblauw golfje, een lichtblauw golfje en een streep groen. Het logo van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek doet een beetje denken aan dat van de Waddenzee.

“Volgens de ontwerper is die rode stip geen zon, maar een symbool voor ‘de cel’, waaruit al het leven opgebouwd is”, zegt Prof.dr. W. van Vierssen, directeur van het instituut, dat officieel sinds 1 januari 1992 bestaat. Wie weet waaruit het NIOO ontstaan is, begrijpt ook de rest van de symboliek: donkerblauw staat voor half-zoet-half-zout water en zeewater, lichtblauw zijn de binnenwateren en groen is het land.

De kleuren staan voor drie centra die tot voor kort aparte Akademie-instituten waren. Allemaal hielden ze zich bezig met oecologie (‘ecologie’ zeggen anderen): het bestuderen van de relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.

Of simpel gezegd: wat hangt met wat samen in de natuur. Het Delta Instituut in Yerseke keek naar de gevolgen van de Deltawerken voor flora en fauna. Het heet nu Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie (‘estuarium’ is ‘riviermond’, de plaats zoet en zout water in elkaar overgaan, mariene staat voor ‘zee-‘). In Nieuwersluis, waar nu ook de hoofddirectie van het nieuwe NIOO gevestigd is, bevond zich het Limnologisch Instituut, inmiddels omgedoopt tot Centrum voor Limnologie. De limnologie onderzoekt zoete binnenwateren. Achter het Centrum voor Terrestrische (‘land’-) Oecologie ging het Instituut voor Oecologie in Heteren schuil. De instituten dateerden alle drie uit de jaren vijftig.  

Nu vormen ze dan één NIOO. Maar behalve een fusie kregen de instituten ook nog een peer review en een bezuiniging van twee en een half procent te verwerken. Daarnaast kwam de Akademie met een strategienota. Die vier dingen zijn de basis voor een fikse reorganisatie die nog steeds gaande is.

De leiding daarvan ligt in handen van Van Vierssen. “Ik zat al langer in de wetenschapscommissie van het Limnologisch Instituut”, vertelt hij, “en toen Parma, de directeur, met de VUT ging, heb ik een half jaar lang een dag per week min of meer op de winkel gepast.” Van Vierssen (41) is aquatisch (water-)oecoloog en hoogleraar aan het International institute for infrastructural hydraulic and environmental engineering, het IHE, in Delft. “Ik heb daar nu een zogenaamde 0-punts aanstelling”, zegt hij, “voorlopig voor twee jaar, daarna zien we verder. Ik kom wel nog regelmatig in Delft, en ik begeleid een aantal onderzoekers.”

Emotioneel

Het besluit NIOO-directeur te worden en de reorganisatie (“een noodzakelijk maar ook een naar en emotioneel proces”) uit te voeren is hem niet echt licht gevallen. Met kennelijk enthousiasme spreekt hij over zijn werk in Delft: “Het was een leuke baan. Het instituut verzorgt post-academisch onderwijs voor mensen uit de derde wereld. Er worden allerlei cursussen gegeven, altijd lopen er zo’n vierhonderd cursisten rond. We hebben heel hard gevochten voor het ius promovendi, het recht om mensen een doctorstitel te verlenen, en ik denk dat dat nu gaat lukken. Ik heb ook heel veel kunnen reizen.”

Maar aan de fusie en reorganisatie zitten grote voordelen vindt hij: “Als je verschillende expertises kunt combineren dan wordt het makkelijker om beleid te maken, en nu heb je de kans. Oecologie is natuurlijk een vakgebied dat maatschappelijk goed ligt. Maar er is veel milieuonderzoek dat wetenschappelijk niet helemaal je dat is, omdat het in feite politiek onderzoek is. Nu is daar niets op tegen, maar we zijn een Akademie-instituut. Het gaat ons om fundamenteel onderzoek, met als het kan een strategisch randje. Strategisch onderzoek noem je het soort toepassingen dat een horizon van een jaar of vijf heeft.”

“De historie van de drie instituten was, onder meer wat dat betreft, niet hetzelfde. Heteren heeft een echte populatie-traditie. Daar doen ze bijvoorbeeld heel fundamenteel onderzoek naar de koolmezenstand. Aan toepassingen hebben ze pas laatste jaren veel gedaan, bijvoorbeeld met hun onderzoek naar de gevolgen van zure regen.”

“Het Delta Instituut had van oorsprong tot taak de gevolgen van de Deltawerken te monitoren: een hele duidelijke toegepaste opdracht. De laatste jaren is men zich al expliciet op fundamenteel onderzoek naar oecosystemen gaan richten. Binnen het Limnologisch Instituut was er altijd al veel interesse voor toegepast onderzoek.

“Wat er gebeurde was dikwijls zeer nuttig, maar de wetenschappelijke haalbaarheid van van de uiteindelijke onderzoeksdoelen was vaak wat te hoog ingeschat. Men wilde dan bijvoorbeeld een heel meer bestuderen. Maar op bepaalde zoetwatermodellen zijn we nu wel een beetje uitgestudeerd in de oecologie, voor de prakijk hebben ze hun nut inmiddels wel bewezen. We willen ons op het Centrum voor Limnologie nu concentreren op de samenhang tussen een beperkt aantal populaties binnen het oecosysteem, dat wil zeggen op het zogenaamde community niveau. We hebben het begrip ‘oecosysteem’ wetenschappelijk wat meer ingeperkt, en geprobeerd een verdeling van de vragen over de drie centra te maken.”

Van Vierssen is graag bereid een rondleiding te geven door het Centrum voor Limnologie, maar waarschuwt direct dat het maar om een stukje van het NIOO gaat. Het onderzoek van dr. Wolf Mooij, die deel uitmaakt van de werkgroep ‘voedselketens’, past gelukkig goed in het geheel.

Bij de aquaria in de kelder van het centrum vertelt Mooij over de sterke relatie die er bestaat tussen de snelheid waarmee vissen groeien en de temperatuur van het water waarin ze zich bevinden. Omdat vissen koudbloedig zijn komt hun stofwisseling bijna stil te liggen als het koud is, (een baars kan wel een jaar overleven zonder te eten in water van vier graden), maar gaat hun metabolisme juist omhoog als het warmer wordt. In warm water hebben vissen daarom veel meer voedsel nodig.

Werd dit verschijnsel eerst bekeken op verschillen tussen vissoorten, nu wordt er binnen een soort gekeken. De vraag is welke invloed de relatie tussen groei en temperatuur heeft op de natuurlijke selectie. Daarvoor wordt een computersimulatie gemaakt. De volgende stap is kijken op DNA-niveau. “Hi-tech onderzoek voor oecologische doeleinden”, zegt Van Vierssen een tikje trots.

Tevreden

De vakgenotenbeoordeling leverde in juni 1992 een rapport op met 120 aanbevelingen en stellingen. “Die moeten in een paar jaar geïmplementeerd worden”, zegt Van Vierssen. “Kijk, het is natuurlijk niet zo dat het NIOO beoordeeld is. De drie centra zijn apart bekeken: het functioneren van de vaste staf, de samenhang van het werk in de werkgroepen, er is gekeken naar citatie, dat soort dingen. In grote lijnen ben ik tevreden met de manier waarop we beoordeeld zijn. Nu is het dus zaak de goede dingen die er al waren te versterken en de slechte te beëindigen. Het NIOO is tenslotte niet met mij begonnen, zeg ik altijd, er was al heel veel.”

 “In de nieuwe organisatiestructuur gaan we evolutionair biologisch werk meer combineren met de pure mechanistische benadering. We willen weten hoe het werkt in de natuur, maar uiteindelijk ook waarom het werkt zoals het werkt. Dat is een ontwikkelingsvraag, dan kom je terecht bij natuurlijke selectie en survival of the fittest. Op dat punt heeft Heteren nu al een grote naam.”

Een goede naam, ook internationaal, vindt Van Vierssen heel belangrijk. “Iedereen roept dat hij excellent is tegenwoordig”, zegt hij, “maar ik wil dat wij dat écht zijn. Naast de honderdvijftig man vast personeel lopen er hier honderd tijdelijke mensen rond. Er gaat jaarlijks achttien of negentien miljoen gulden doorheen, met beurzen en contracten meegerekend. Dan is de enige maatvoering een internationale. Dat heeft wel gevolgen. Als je in het centrum van het onderzoek wilt meedraaien dan is communiceren belangrijk. Je moet jezelf onderwerp willen laten maken van kritiek, je moet in de wind willen gaan staan. Als je naar buiten treedt dan vindt iedereen iets van je.”

Dus moet je zorgen dat je goed geoutilleerd bent, lijkt de boodschap van Van Vierssen te zijn. Ook in materieel opzicht. Nieuwersluis heeft net een grootscheepse verbouwing achter de rug. Voor het Centrum voor Limnologie is er een nieuw gebouw gekomen, dat heel goed is ingericht, vindt Van Vierssen: “Daar is niet op beknibbeld. We kregen hier laatst de directeur van het prestigieuze Max Planck Institut für Limnologie op bezoek, en die viel echt van verbazing bijna uit de bus toen hij aankwam. De beheerder en het secretariaat van het Centrum voor Limnologie gaan binnenkort ook naar het nieuwe gebouw, dat is psychologisch verstandiger.” 

Daarna zit op de benedenverdieping van de prachtige oude villa die ooit het startpunt vormde van het Limnologisch Instituut, alleen nog de NIOO-directie. Daarboven blijft de bibliotheek gevestigd, en sinds kort zijn er op de zolder kamers voor studenten. Van Vierssen: “Een aio of oio kan onmogelijk hier in de buurt iets huren. De prijzen zijn veel te hoog.”

En het NIOO wil ze graag hebben. “Het gebouw moet vól zitten”, verkondigt Van Vierssen met vuur, “en dat is nog niet zo.” Een aantal aio’s komt uit het buitenland. Van Vierssen: “We hadden  al iemand uit Duitsland, en nu hebben we een Fin aangenomen. Voor senior-onderzoekers hebben we hier binnenkort ook een goede accommodatie. Er worden hopelijk mooie appartementen gebouwd. Daar is in het verleden ook wel over gepraat, maar als je wilt dat de echt goede mensen hier komen dan moet je ze naast de wetenschap nog iets meer iets bieden. Zo iemand zegt anders ‘ik kan ook naar Barcelona, daar kan ik ook nog aan het strand liggen’.”

E-mail

Internationalisering, goede onderzoekers, daar hamert Van Vierssen op. “Dat hoeft niet altijd te betekenen dat iedereen voortdurend op reis moet”, zegt hij, “heel veel kun je via e-mail, de elektronische post doen.”

Maar in de nieuwe functieomschrijving voor een senior-onderzoeker staat wel dat hij of zij een jaar in het buitenland gewerkt moet hebben. Ook verwacht van Vierssen dat senior-onderzoekers na vijf jaar een eigen onderzoekslijn hebben opgezet. Op zijn bureau ligt een dik rapport, waarin 125 nieuwe functieomschrijvingen staan. Sommige van de pijnlijkste beslissingen rond de reorganisatie moeten nog vallen.

Van Vierssen: “Er moeten twintig mensen uit, wie is nog niet bekend. Zo’n reorganisatie is een emotionele gebeurtenis, die niet te lang moet duren. In december en januari moet het af zijn. Het mag dan voor het voortbestaan van het onderzoek noodzakelijk zijn, op individueel niveau kan een beslissing afschuwelijk uitpakken. Gelukkig hebben we goede regelingen bedongen, men kan in drie jaar afscheid nemen. Een aantal mensen is ook al in goede harmonie vertrokken. Die zien ook weer andere toekomstmogelijkheden.”

“Mijn taak hier nu is vooral veel praten. Ik ben er erg voor om onderzoekers veel vrijheid te geven, maar dat kan alleen als er spelregels zijn. De wetenschappelijke afdeling en de algemene zaken zijn nu uit elkaar gehaald. De hoofden vallen onder mij, en dat is nieuw en soms wennen. Maar met een paar goede spelregels kan er heel veel.”

“Een groot instituut hoeven we niet te worden”

Over de relatie tussen de Amerikaanse president Theodore (‘Teddy’) Roosevelt en de teddybeer zijn verschillende verhalen in omloop. Volgens sommige bronnen is de immens populaire knuffelbeer naar Roosevelt genoemd omdat die ooit tijdens een jachtpartij weigerde op een aan een boom vastgebonden beer te schieten. Anderen zoeken de oorsprong in een speelgoedbeertje dat als tafelversiering diende bij het huwelijk van zijn dochter Alice.

Het een hoeft het ander natuurlijk ook niet uit te sluiten. Het statige, meer dan levensgrote portret van Roosevelt dat in het Roosevelt Study Center in Middelburg hangt roept in elk geval weinig associaties met knuffeldieren op. Dr. C.A. van Minnen, directeur van het studiecentrum vond de enorme foto met lijst tijdens een bezoek aan Harvard. “Dat stond daar zomaar”, vertelt hij, “toen heb ik maar gevraagd of ik het mee mocht nemen voor hier.”

“Hier” is zonder twijfel een van de mooiste plekjes in Middelburg. Het Roosevelt Study Center is gevestigd in de oude abdij, midden in het centrum van de stad, aan een grote vandaag zonovergoten binnenplaats. “Vanaf de twaalfde eeuw zat hier al een klooster”, zegt Van Minnen, “dit deel van Walcheren is door de Norbertijnen ingepolderd. Het is een religieus centrum gebleven tot in 1574 de troepen van Oranje binnenkwamen. Sindsdien is het altijd van de provincie Zeeland geweest.” Nog steeds is dat zo, tegenover het Study Center ligt het museum van de provincie en ernaast een ‘Historama’ waar bezoekers een beeld van de geschiedenis van de abdij kunnen krijgen. 

Nieuw-Amsterdam

Maar wat doet een goeddeels Engelstalig instituut dat de naam van twee beroemde Amerikaanse presidenten draagt op deze historische grond? Van Minnen legt uit dat het allemaal 1982 begonnen is, met de bicentennial, (de viering van twee eeuwen Nederlands-Amerikaanse betrekkingen) en met het honderdste geboortejaar van Franklin Roosevelt: “De Roosevelts komen hier vandaan. Hun voorouders vertrokken rond 1640 uit Zeeland naar wat toen nog Nieuw-Amsterdam heette. Dat werd later New York, en daar is dan ook een Roosevelt Institute. In ’82 schonk dat instituut een collectie boeken en documenten aan de provincie Zeeland.”

“Nou zat vroeger de provinciale bibliotheek in dit stukje abdij, maar ze waren al bezig met de verhuizing naar een nieuw, groter gebouw. Daar zou ook die Roosevelt-collectie ondergebracht worden. Maar het nieuwe gebouw bleek al meteen vol te zijn. Daarom hebben Provinciale Staten toen besloten een apart instituut op te richten en dat dan hier, in de oude bibliotheek te vestigen.”

“Kijk, daar op die foto met de koningin en Prins Claus staat ook meneer Vèndunjoevul, Van den Heuvel dus. Dat is een Amerikaanse jurist en investment banker, een Democraat die door zijn afkomst veel affiniteit met Zeeland heeft. Hij is president van het Franklin en Eleanor Roosevelt Institute. Mede door zijn toedoen is het instituut er gekomen.”

Dat kwam voor Van Minnen zelf wat onverwachts. Hij solliciteerde op een baan als wetenschappelijk medewerker, maar niet lang daarna werd duidelijk dat hij directeur van een nieuw onderzoeksinstituut zou worden. “Ik ben historicus”, vertelt hij, “Nederlands-Amerikaanse betrekkingen zijn mijn specialisatie. Ik had een Fulbright beurs gekregen om onderzoek te doen naar de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Amerika, en eigenlijk had ik me er al mee verzoend om als werkeloze mijn proefschrift af te maken toen die advertentie verscheen. Ik solliciteerde en werd aangenomen.”

Kruisrakettendebat

Van het proefschrift kwam voorlopig niet veel. Van Minnen moest een instituut opbouwen, een wetenschappelijke adviesraad creëren, materiaal uit Amerika naar Middelburg brengen, en natuurlijk fondsen werven. Dat laatste bleek niet altijd eenvoudig. Van Minnen: “Het kruisrakettendebat speelde toen nog. Er heerste toch een beetje een anti-Amerika stemming. Het heeft nog heel wat massage gekost. Ook om het rond te krijgen met de provincie, die zich afvroeg of er wel echt een reden was voor dit instituut. Maar nu hebben we een goed draagvlak.”

Het studiecentrum ging in 1986 open. Vanaf 1987 kreeg Van Minnen weer wat tijd voor zijn onderzoek. “Ik ben gepromoveerd op de berichtgeving van Amerikaanse diplomaten in Nederland aan het eind van de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw. Het beeld dat zij zich vormden van Nederland en Europa.”

“Daarin zie je voortdurend de antithese oude-nieuwe wereld: het nieuwe, vrije, democratische Amerika tegenover het corrupte Europa waar een kleine elite het voor het zeggen had. Toen je in 1848 al die revoluties had berichtten ze daar uitvoerig over, en dan zeggen ze ook: ik hoop maar dat het slaagt, en dat het Amerikaanse voorbeeld navolging zal vinden. Amerika diende als hét voorbeeld, en die retoriek vind je nog steeds terug in de jaarlijkse State of the Union van de president. Het is een van de weinige bindmiddelen in het land. “

“Met mijn proefschrift heb ik wel het beeld kunnen corrigeren dat er bestond over de diplomaten die hier in de eerste helft van negentiende eeuw zaten. Het idee was altijd dat elke nieuwe president een hele ploeg nieuwe onervaren diplomaten opleverde. Dat viel hier reuze mee: de meesten hadden wel degelijk politieke ervaring.”

Familiebijbel

Van Minnen typeert het instituut als “een diensverlenend bedrijf voor Amerika-specialisten”. Het bronnenmateriaal, de boeken, microfilms, fiches hebben betrekking op de Amerikaanse geschiedenis, vooral de politiek van deze eeuw. “Uniek buiten de Verenigde Staten” noemt de directeur de collectie. Speciale aandacht is er voor de drie Roosevelts waarnaar het studiecentrum vernoemd is, ondermeer op de permanente tentoonstelling in de vroegere Kapittelzaal van de abdij.

Alle drie stammen ze af van de pionier uit Zeeland: Theodore Roosevelt (1858-1919) is van de Republikeinse tak, zijn nichtje Eleanor (1884-1962) trouwde met de Democraat Franklin Delano (1882-1945) en werd een zeer invloedrijke ‘first lady’. De stamvader heette nog ‘Van Rosevelt’, zoals te zien is in de familiebijbel, het pronkstuk van de tentoonstelling, die verder aardige curiosa zoals brieven en verkiezingsbuttons (“Boy! Do we need a change!” staat er op een speldje voor Franklin Delano) bevat.

Alles gekregen van de twee Roosevelt instituten in New York: het republikeinse van Theodore op Long Island en het democratische van Franklin en Eleanor in Hyde Park. In de Verenigde Staten werken ze maar zelden samen volgens Van Minnen, maar voor het Roosevelt Study Center in Middelburg ligt dat anders. Wel geldt voor beide dat ze “natuurlijk niet hun allermooiste dingen weggeven” zegt Van Minnen. Er bestaat overigens een overstelpende hoeveelheid materiaal. Theodore, “een luidruchtig, veelzijdig man, een groot natuurkenner ook” liet maar liefst 150.000 brieven na, en hij schreef ook nog zo’n twintig boeken.

De bibliotheek, tevens de zolder van het gebouw, bevat nog veel meer. Uitgeschreven radio- en televisie-interviews bijvoorbeeld, ‘stomme’ films van Theodore en alle ‘Public Papers’ tot en met president Carter. In de bibliotheek is ook drs. Hans Krabbendam, de enige aio die het instituut telt, aan het werk.

Hij werkt aan een biografie van Edward Willem Bok, een voorbeeld van een succesvol Nederlander in Amerika. Bok emigreerde aan het eind van de vorige eeuw en was hoofdredacteur van het eerste coast-to-coast verkrijgbare tijdschrift: Lady’s Home Journal. “Een blad dat in vanalles voorop liep”, vertelt Krabbendam. “Daar verschenen bijvoorbeeld de eerste advertenties voor produkten, maar het heeft ook heel veel invloed gehad op de emancipatie van de vrouw. Bok was zelf nogal reactionair, maar hij had wel discussies met Eleanor Roosevelt die juist erg veel heeft bijgedragen aan de vrouwenemancipatie.” In de bibliotheek hangt een mooi, getekend portret van Eleanor. “Zij overziet het hier”, glimlachen Van Minnen en Krabbendam eensgezind.

Van Minnen vertelt dat het de bedoeling is dat er binnenkort een tweede aio komt, en later nog een derde, “maar een groot instituut hoeven we niet te worden”, voegt hij er snel aan toe. De totale omzet is op het moment vijf à zes ton, waarvan de KNAW er twee voor zijn rekening neemt.

Sinds 1990 valt het Roosevelt Studie Centrum officieel onder de Akademie. De samenwerking was de eerste paar jaar “moeizaam” volgens Van Minnen. “De KNAW weet er weg mee om mensen met papier in plaats van met onderzoek aan het werk te houden. Dat het Trippenhuis in de steigers stond vond ik wel symbolisch. In het begin was er een voortdurende wisseling van personeel, telkens moest je alles weer opnieuw uitleggen, op correspondentie werd soms totaal niet geantwoord, maar dan kwam er wel weer van hun kant iets binnen dat dan op stel en sprong geregeld moest worden. Enfin, het loopt nu een stuk beter.”

Mensenrechten

Van Minnen wil graag benadrukken dat het studiecentrum ook een internationale ontmoetingsfunctie heeft. Er worden bijeenkomsten voor historici uit heel Europa georganiseerd, tentoonstellingen (deze zomer bijvoorbeeld over Martin Luther King en de burgerrechtenbeweging), er bestaan onderzoeksprogramma’s voor verschillende Britse en Amerikaanse universiteiten, en er zijn de prijsuitrijkingen.

Sinds 1982 worden de ‘Four Freedoms Awards’ elk even jaar in Middelburg uitgereikt, in principe aan niet-Amerikanen. Die vier ‘freedoms’ zijn de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, de vrijwaring van gebrek en de vrijwaring van angst. Volgens Franklin Roosevelt de belangrijkste mensenrechten en de voorwaarden voor een fatsoenlijke democratie.

In New York werden de prijzen al langer uitgereikt aan personen die zich ingezet hadden voor deze mensenrechten, en het Zeeuwse Roosevelt Study Center bouwt nu ook voort aan een Wall of Fame: in de Kapittelzaal staan op een van de muren de namen van de winnaars sinds 1982.

Vorig jaar werd de prijs (een medaille) gegeven aan voormalig VN-secretaris-generaal Pérez de Cuéllar, aan de dirigent Rostropovich, aan Terry Wait, de man van de Anglicaanse kerk die vijf jaar gegijzeld werd in Libanon, aan Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen en aan Lord Carrington, de oud-secretaris-generaal van de NATO die met zijn vredesmissie voor Joegoslavië zo weinig succes boekte. The Roosevelt Review, de nieuwsbrief van het instituut, toont veel kleurenfoto’s met hooggeplaatsten (leden van het koninklijk huis, afstammelingen van Franklin en Eleanor, de commissaris van de koningin) van deze en andere gelegenheden.

Sponsors

Het studiecentrum heeft ook een jaarlijkse prijs voor Nederlandse doctoraalscripties. “Duizend dollar die ze onderling moeten verdelen, niet zo veel, maar ze zetten het wel op hun cv”, zegt Van Minnen. Hij is erg gelukkig met het beurzenprogramma dat sinds vorig jaar door de telecommunicatiebedrijf AT&T bekostigd wordt. Wie wil kan maximaal vier weken aan een scriptie, proefschrift of artikel komen werken.

“Daar is al door veel buitenlandse onderzoekers gebruik van gemaakt”, zegt Van Minnen. Het aantal sponsors dat het studiecentrum heeft weten te vinden is indrukwekkend, ook in de Kapittelzaal en voorin de nieuwsbrief staat een lange rij, van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tot Heineken en Reader’s Digest. Van Minnen relativeert het onmiddellijk: “De meeste geven maar een klein bedrag, hoor.”

De kleine wonderen van het menselijk taalvermogen

De dochter van Herm weigert om daken te zeggen. Dat vindt ze een belachelijk woord: het moet dakken zijn, ze weet het zeker. Met haar zeven jaar geeft ze daarmee blijk van een grote dosis kennis van haar moedertaal. Want zeg nou zelf, je hebt toch ook plakken, zakken, bakken, hakken, takken, wrakken, slakken, snelheidsmaniakken en nog veel meer. Waarom zou dan uitgerekend bij dak die a in het meervoud ineens een lange aa moeten worden?

“Dat is een uitzondering op de regel”, luidt het volwassenen-antwoord. Maar hoe komt de kleine Pia aan de regel? Je kunt er donder op zeggen dat nooit iemand tegen haar heeft gezegd: “Luister meisje, als je in het Nederlands een zelfstandig naamwoord tegenkomt dat eindigt op de klank ak onthou dan dat je daar in het meervoud altijd akken van moet maken,” of iets van gelijke strekking. Tegen de tijd dat ze zo’n regeltje voor het eerst een beetje zou kunnen snappen, past ze het al jaren toe. Hoe weet ze dan zo zeker – en terecht – dat er met daken iets raars aan de hand is? En waarom praat ze trouwens niet gewoon braaf haar vader en moeder en alle andere volwassen Nederlanders na? Die zeggen nooit dakken.

Het heeft alles te maken met de manier waarop kinderen zich hun moedertaal eigen maken. Op zijn beurt is dat een van de grote wonderen van de evolutie, een wonder dat nog maar zeer ten dele begrepen wordt. En dat terwijl toch al miljarden kinderen over de hele wereld Pia zijn voorgegaan. Want als mensen in één opzicht gelijk zijn dan is het wel hierin. Jongen, meisje, arm, rijk, gekleurd, blank, het maakt niet uit, als ze zeven zijn hebben kinderen in welke cultuur dan ook het taalsysteem bijna helemaal onder de knie. Hoe kan dat?

Daarachter komen is niet eenvoudig, maar een paar dingen kan iedereen meteen zien. Als je een hondje of een klein katje in huis neemt, dat jarenlang vertroetelt, voedt en toespreekt dan gaat het niet terugpraten, wat je ook probeert. Iedere baby, tenzij die echt grote aangeboren afwijkingen heeft, zal dat wel doen. Taal is iets van mensen, en met het vermogen er een te leren word je geboren. Toch erf je niet zomaar de taal van je ouders. Als Pia na haar geboorte naar Moskou verhuisd was en daar door Russen grootgebracht, dan zat ze nu echt niet in over ‘dakken’ of ‘daken’, want dan sprak ze helemaal geen Nederlands maar Russisch.

Kortom, de invloed van de buitenwereld lijkt zo op het oog van groot belang. Hoe groot eigenlijk? Of anders gezegd: wat is er nu precies aangeboren van dat taalvermogen, en wat is afhankelijk van invloed van buitenaf? Dat is de vraag waar het in heel veel taalkundig en ander onderzoek allemaal om draait. Maar met die vraag in gedachten eens uitgebreid wetenschappelijk verantwoord gaan experimenteren kan niet.

Althans, we zijn daar toch wat anders over gaan denken sinds de Egyptische koning Psammetichus de Eerste in de 7e eeuw voor Christus een geitenhoeder de opdracht gaf twee kinderen op te voeden zonder tegen ze te praten. Psammetichus dacht kennelijk dat kinderen spontaan taal ontwikkelen, want zijn bedoeling was erachter te komen wat de oudste taal ter wereld was. Het is een heel beroemd verhaal geworden doordat de Griekse geschiedschrijver Herodotus het twee eeuwen later opschreef.

Of het allemaal waar gebeurd is blijft natuurlijk de vraag, maar de geschiedenis wil dat de kinderen na twee jaar zoiets als ‘becos’ zeiden. Sommigen herkennen daarin het geluid van geiten, anderen zeggen dat het het gewone gebrabbel waarmee elk kind begint moet zijn geweest. Psammetichus daarentegen liet uitzoeken dat ‘becos’ Phrygisch was voor ‘brood’. De Phrygiërs waren dus ouder dan de Egyptenaren, moest hij concluderen.

Er zijn meer van dergelijke verhalen in omloop, maar de meeste hebben gemeen dat ze volkomen oncontroleerbaar zijn. Een uitzondering, althans tot op zekere hoogte, vormen de twee meisjes Amala (helder-gele bloem) en Kamala (lotus). Anders dan Romulus en Remus die Rome gesticht zouden hebben, en Mowgli van Jungle Book zijn ze geen legendes of romanfiguren. Het zijn de enige wolvenkinderen in de geschiedenis van wie met grote zekerheid gezegd kan worden dat ze daadwerkelijk door wolven zijn opgevoed.

In oktober 1920 werden ze in Bengalen in India letterlijk uit een wolvennest gehaald. Hoe ze daar terechtgekomen waren is nooit duidelijk geworden, maar na aanhoudende verhalen over spoken in het bos werd er onder leiding van de Indiase zendeling J.A.L. Singh een jacht georganiseerd, waarbij de moederwolf werd doodgeschoten maar de meisjes gespaard. Dominee Singh nam ze mee naar zijn weeshuis, waar ze later hun namen kregen. Amala werd ongeveer drie jaar oud geschat toen ze gevonden werd, Kamala vijf of zes.

Ze spraken niet. Sterker nog, ze gedroegen zich eigenlijk in alle opzichten als wolven. Ze renden ongelooflijk snel op armen en benen, wilden uitsluitend rauw, liefst ook nog bedorven vlees eten en joegen op kippen en duiven. Hun gezichten waren strak, emotieloos, nooit verscheen er zelfs maar een klein glimlachje op. Niemand zag ze ooit een gebaar naar elkaar maken. Ze hadden een afkeer van licht en waren alleen ’s nachts actief. Dan huilden ze soms ook, als wolven.

Met zijn tweeën in het wolvengezin hadden de meisjes blijkbaar geen gesproken taal ontwikkeld. De vraag is konden ze het daarna alsnog oppikken? Kinderen van drie of vijf jaar hebben zich onder normale omstandigheden al heel veel taal eigen gemaakt. Je kunt, simpel gezegd, met ze praten. Dominee Singh en zijn vrouw waren er natuurlijk vooral op uit de meisjes ‘menselijk’ te maken, en zo hun zielen te redden. Er werd dus meer aandacht besteed aan pogingen ze iets anders dan rauw vlees te laten eten en ze op twee benen te laten lopen, dan aan hun taalontwikkeling. Toch heeft Singh in het dagboek dat hij bijhield daar wel het een en ander van vastgelegd.

De jongste van de twee, Amala, is de eerste die iets door lijkt te krijgen. In de zomer na hun aankomst bij het weeshuis zijn de meisjes hun ergste ‘wildheid’ kwijt en volgen ze mevrouw Singh altijd de slaapzaal in, in de hoop op iets lekkers. Mevrouw Singh vertelt de weeskinderen daar dagelijks simpele verhaaltjes, vaak aan de hand van de religieuze platen die aan de muur hangen. Ze wijst dingen aan, laat de kinderen benamingen herhalen.

Eerder heeft op ongeveer dezelfde manier geprobeerd Amala en Kamala woorden bij te brengen: telkens als de meisjes iets te eten kregen gaf de domineesvrouw er de naam bij, en bleef die herhalen tot het op was. Diezelfde woorden komen wel eens terug in mevrouw Singhs verhaaltjes voor de weeskinderen. En op een goede dag valt het haar op dat Amala opkijkt naar de platen aan de muur, zodra ze een van woorden hoort voor eten en drinken die mevrouw Singh zo vaak herhaald heeft. Amala lijkt ze te herkennen.

Kamala volgt telkens Amala’s blik, maar kijkt nooit als eerste. Het is ook Amala die kort na hun aankomst zoiets als ‘bhoo bhoo’ zegt wanneer ze naar het water loopt, en die al heel snel daarna datzelfde geluid gaat maken als ze dorst heeft.

Maar Amala sterft binnen een jaar. Kamala moet het verder alleen doen, en inderdaad verandert het dierlijke gebrom, gegrom en gehuil dat ze eerst voortbracht in een soort gemurmel en gebabbel – tegen zichzelf en tegen sommige dieren – dat meer op taal lijkt. Voordat ze zelf een woord zegt lijkt ze er al een heleboel te snappen. Ze knikt ja, schudt nee, wijst naar dingen. Pas na meer dan drie jaar komen de eerste woorden. Onder andere voor ‘ja’ en ‘nee’, en ‘rijst’ en ‘ik’ en ‘eten’. Ook de namen van een aantal kinderen en de woorden ‘ma’ en ‘papa’ (voor mevrouw en dominee Singh) zegt ze dan. Kamala is helemaal gek van dingen die rood zijn. Ook dat woord (‘lal’ in het Bengali) leert ze.

Maar ze zal niet gauw iets uit zichzelf zeggen, ze geeft ook lang niet altijd antwoord. Bovendien heeft ze de neiging om dat wat ze zegt in te korten. Van de meeste woorden blijft maar één lettergreep over als Kamala ze uitspreekt. Soms zegt ze een paar woorden achter elkaar, en ook dan vereenvoudigt ze de uitspraak. ‘Ami jabo’ (ik zal) wordt bijvoorbeeld ‘amjab’.

De eerste keer dat ze drie woorden achter elkaar zegt is als ze een paar (rode!) poppetjes van mevrouw Singh heeft gekregen en een houten doosje om ze in te doen. Uitgelaten rent ze dan op handen en voeten rond, terwijl ze uitroept ‘Bak-poo-voo’, haar weergave van ‘Baksa-pootool-vootara’: doos-pop-erin. Maar meer dan zo’n dertig verschillende woorden schijnt ze nooit gebruikt te hebben. Kamala sterft in september 1929, acht jaar na Amala en negen jaar nadat ze uit het wolvehol was gehaald.

Het verhaal van Kamala doet in een aantal opzichten aan dat van Genie denken. Van Genies taalontwikkeling is alleen veel meer vastgelegd. Haar levensverhaal is nog gruwelijker dan dat van Amala en Kamala. Het speelt in Amerika, in een rustig plaatsje in Californië. Genie werd geboren in 1957. Toen ze twintig maanden oud was, en waarschijnlijk net haar eerste woordjes begon te zeggen, werd ze door haar zwaargestoorde vader opgesloten in een klein slaapkamertje. Daar zat ze, meestal vastgebonden op een potje, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Er viel vrijwel niets te doen, niets te zien, niets te horen. Ze kreeg alleen babyvoedsel, dat wil zeggen: als ze niet vergeten werd.

En niemand sprak tegen haar. De vader kon niet tegen geluid, er was niet eens een radio of tv in huis. Als Genie zelf een geluid maakte, huilde omdat ze pijn had of honger, kwam haar vader om haar met een stok te slaan. Of hij bleef buiten de deur dreigend staan grommen en blaffen als een hond. De enige taal die ze in bijna twaalf jaar tijd hoorde was het gevloek van haar vader als hij boos was.

Toen Genie dertien jaar en zeven maanden oud was vond haar vrijwel blinde en evenzeer geterroriseerde moeder eindelijk de kracht haar echtgenoot te verlaten. Ze nam Genie mee. Niet lang daarna stapte ze de Sociale Dienst van Los Angeles binnen, haar manke, kwijlende dochter aan de hand meevoerend.

Onmiddellijk zag men daar dat er iets ernstig mis was met Genie. Ze belden de politie, de ouders werden gearresteerd en Genie werd naar het ziekenhuis gebracht, in eerste instantie omdat ze zwaar ondervoed was: bij de Sociale Dienst schatte men haar op zes of zeven jaar oud, zo klein was ze gebleven. De vader schoot zich op de dag dat het proces begon door zijn hoofd, de moeder werd vrijgesproken omdat men vond dat ze zelf slachtoffer was geweest.

Genie was niet zindelijk, ze kon haar ledematen niet strekken, ze kon niet kauwen. Net in het ziekenhuis reageerde ze op mensen of het dingen waren. En ze praatte niet. Ze was doodstil. Zelfs bij woeste driftbuien, waarbij ze zichzelf krabde, en snotterde en snikte maakte ze geen enkel geluid.

Maar het verzorgend personeel praatte wel tegen haar. Voor het eerst na al die tijd hoorde ze taal. En ze leek een handjevol woorden te begrijpen. Bijvoorbeeld ‘mama’, ‘konijn’, ‘juwelenkistje’, ‘deur’, ‘gaan’ en wat kleuren. Het enige wat men haar in het begin zelf soms hoorde zeggen was ‘hou-op’ en ‘genoeg’ (‘stopit’ en ‘nomore’), en dat zei ze meestal tegen zichzelf.

Maar het horen van taal had al snel effect, al was Genies taalontwikkeling verre van normaal. Nadat ze uit het ziekenhuis kwam woonde ze jarenlang bij een psychologenechtpaar in huis en werden haar taalvorderingen nauwlettend gevolgd en getest door een taalkundige.

Met bijna elk aspect van Genies taalgebruik was iets mis, en dat bleef ook zo. Zo legde ze geen intonatie in haar stem, die bleef robot-achtig klinken. En ze had grote moeite met de uitspraak van woorden. Net als Kamala kortte ze ze vaak in. Van ‘soep’ maakte ze ‘soe’ bijvoorbeeld, en de naam ‘Steve’ sprak ze uit als ‘Teve’. Of ze stopte er juist een klinker bij, om de uitspraak te vergemakkelijken. ‘Stove’ (kachel, fornuis) werd zoiets als ‘setove’.

Dat lijkt overigens sterk op wat alle kinderen doen in het begin, maar Genie kwam maar niet voorbij die fase. Wel leerde ze heel veel nieuwe woorden. Ze in de goede volgorde zetten was het probleem. Genie bleef in een soort telegramstijl praten. Ook meervouden maken, werkwoordsuitgangen of vraagwoorden gebruiken wilde niet goed lukken. Ze bleef ‘jij’ en ‘ik’ en ‘jouw’ en ‘mijn’ door elkaar halen. Dat laatste kennen veel ouders van hun kinderen, maar alweer: Genie kwam niet door die fase heen.

Net als Kamala sprak ze bovendien zelden of nooit uit zichzelf. Haar antwoorden waren meestal kort, een paar woordjes. ‘Waar was je vandaag?’ vroeg haar pleegmoeder dan bijvoorbeeld. ‘Big gym’ (grote gymzaal) antwoordde Genie dan. Tegen haar zeggen dat ze ‘in zinnen moest praten’ of ‘er een vraag van moest maken’ had geen enkele zin. Ze raakte er van in de war, en begon onbegrijpelijke dingen te zeggen als ‘I where Graham cracker?’ (Ik waar Graham cracker?). Toen de pogingen haar zo expliciet te onderwijzen gestaakt werden, hield Genie ook weer op met woordsalade produceren, en ging ze weer gewoon dingen zeggen als ‘no spit bus’ voor ‘ik heb niet gespuugd in de bus’.

Hoe haar taalgebruik op dit ogenblik is, is niet bekend. Een buitengewoon onverkwikkelijke reeks ruzies en rechtszaken hebben ervoor gezorgd dat Genie nu al vele jaren in een tehuis voor zwakzinnigen zit, waar geen van de mensen die haar de eerste jaren begeleidden haar mogen opzoeken.

 

De wetenschappelijke wereld had grote belangstelling voor Genie toen ze gevonden werd. Dat had ondermeer te maken met een hypothese over het menselijk taalvermogen die net een paar jaar eerder gelanceerd was. Die luidde dat er bij het verwerven van je moedertaal sprake is van een ‘kritieke periode’ of een ‘kritieke leeftijd’: als je het niet leert voor je puberteit, dan is het te laat, en zal het niet meer lukken. Kritieke periodes zijn in de biologie een heel normaal en veelvoorkomend verschijnsel. Je vindt ze bij allerlei soorten dieren.

Een bekend voorbeeld is de ontwikkeling van het gezichtsvermogen. Er zijn heel wat nare experimenten met kippen, katten, apen, duiven en nog veel meer gedaan. In het geval van katten en apen blijkt bijvoorbeeld dat het vermogen om met twee ogen te kijken in de eerste drie maanden ontwikkeld moet worden.

Plak je namelijk bij pasgeboren katjes of apen één oog af in die periode, dan gedragen ze zich daarna voor de rest van hun leven alsof dat ene oog blind is: het doet eenvoudigweg niet mee, terwijl er bij de geboorte niets mis mee was. En het zit hem echt in die eerste drie maanden. Want als je op latere leeftijd een oog dichtplakt, zelfs voor nog veel langere tijd, en je haalt het lapje er weer af, dan blijkt er niets aan de hand te zijn. Het beest kijkt gewoon weer met twee ogen.

Dat valt ook te begrijpen als je weet dat het afplakken in het begin een puur fysiek effect blijkt te hebben: de visuele cortex van de dieren waarbij dat gebeurd is, wijkt totaal af van normaal ontwikkelde cortexen. Kortom: katten en apen – en voor mensen geldt waarschijnlijk hetzelfde – komen ter wereld met het vermogen met twee ogen te kijken, maar dat moet nog wel groeien. Letterlijk. En daarvoor moeten de omstandigheden op het juiste moment meewerken. Het idee was dus dat het met menselijke taal eigenlijk net zo gaat.

Daar zijn ook argumenten voor te vinden. Al is het alleen al de ervaring die heel veel mensen delen: na je puberteit wordt het een stuk lastiger een nieuwe taal te leren. Wat bij je moedertaal nog helemaal automatisch ging, moet je nu ineens voor elkaar zien te krijgen met hard studeren en vervelend stampwerk, en dan nog gebeurt het zelden dat je in een vreemde taal hetzelfde gemak bereikt als in je eerste taal.

Maar er is meer, zoals het herstelvermogen. Iemand die op latere leeftijd taalproblemen krijgt door een hersenbloeding of ander hersenletsel, komt daar meestal niet meer (helemaal) vanaf. Dat taal in je hersenen zit wordt alleen al daardoor bewezen, maar waar precies blijkt in de praktijk van mens tot mens te kunnen verschillen: een beschadiging die van de een een afasiepatiënt maakt, hoeft bij de ander geen taalproblemen op te leveren. Of de afwijking zelf verschilt. Er is nog steeds veel te weinig bekend over het menselijk brein, maar maar er zit kennelijk wat ‘rek’ in, en naarmate je jonger bent legt het meer souplesse aan de dag.

Want als kinderen hersenletsel oplopen – het kan zelfs zijn dat er een hele hersenhelft verwijderd moet worden – dan blijken ze vaak miraculeus goed te herstellen. Ook als ze een tijdje niet meer kunnen praten, leren ze dat later vaak weer helemaal opnieuw. De ‘kritieke periode’, zo lijkt het, is dan nog niet voorbij: hun hersens zijn als het ware nog ontvankelijk voor taal, en in staat het opnieuw ‘vast te leggen’. En de grens ligt ongeveer bij de puberteit: daarna gaat het herstelvermogen razendhard achteruit.

Kamala en Genie lijken de kritieke periode hypothese in ieder geval ten dele te bevestigen. Gewoon, vanzelf en goed een taal leren zat er voor hun niet meer in, hoewel het natuurlijk heel moeilijk is conclusies te trekken op basis van twee meisjes die een in alle opzichten totaal afwijkende ‘opvoeding’ gehad hadden voordat ze met taal in aanraking kwamen. Opvallend is dat ze wel woorden konden leren, het was de grammaticale kant van taal die er niet inging. Netzomin als de sociale overigens. Misschien zijn wel niet alle aspecten van taal afhankelijk van die kritieke periode. Tenslotte gaan we allemaal een levenlang door met nieuwe woorden leren, ook in onze moedertaal.

Duidelijk is wel dat ons taalvermogen een krachtig en robuust iets is. Je krijgt het niet zomaar weg, en het laat zich ook niet gemakkelijk tegenhouden. Het heeft maar een klein zetje nodig te om zich goed te kunnen ontwikkelen. Maar dat zetje moet er waarschijnlijk wel zijn.

Interessant in dat verband is een onderzoek van niet zo lang geleden naar een paar dove kinderen in Amerika. Ze groeiden toevallig in elkaars buurt op, maar hadden ouders die helemaal geen gebaren tegen hen maakten, omdat hen verteld was dat dat slecht voor de ontwikkeling van de kleintjes zou zijn. De kinderen bleken tegen de tijd dat ze een jaar of drie waren helemaal zelf een heel arsenaal aan gebaren ontwikkeld te hebben, waarmee ze elkaar van alles duidelijk konden maken. Alleen een echte grammatica kon de onderzoekster in hun gecommuniceer niet ontdekken.

Gebarentalen, zoals die al sinds mensenheugenis in dovengemeenschappen bestaan, hebben die grammatica wel. Ze hebben in feite alle kenmerken die gesproken talen ook hebben. Ook dat zegt weer iets over de stevigheid van het taalvermogen: het kan blijkbaar ook via een ander kanaal lopen. Zelfs doofblinde kinderen kunnen via voelen perfect een taal leren. En zelf kunnen oefenen is ook geen noodzakelijke voorwaarde. Je kunt je moedertaal ook helemaal passief ondergaan, en hem op die manier evengoed als een ander leren.

Het levende bewijs daarvan vormt de Ierse Christopher Nolan. Hij heeft geen controle over zijn spieren, en zal nooit kunnen praten of gebaren. ‘Ja’ of ‘nee’ zeggen doet hij met zijn ogen. Vele lange jaren zat hij in zichzelf opgesloten en lukte het op geen enkele manier om hem met hulpmiddelen te laten schrijven. Pas toen hij elf was kreeg hij een medicijn dat zijn getril en zijn spasmes zodanig kan bedwingen dat hij een typmachine kan bedienen.

Dat gebeurt heel langzaam, letter voor letter, met behulp van een soort stokje dat aan zijn voorhoofd gemonteerd is, en iemand die zijn hoofd ondertussen vasthoudt. Zoals zijn ouders altijd al wisten bleek Christopher een perfecte kennis van het Engels opgedaan te hebben. En schrijven kan hij ook. Hij maakte eerst een prachtige dichtbundel, en in 1987 verscheen de indrukwekkende autobiografische roman Under the eye of the clock. Inmiddels heeft hij zich ontwikkeld tot een ‘gewone’ schrijver, te oordelen aan The Banyan Tree, een dikke roman in zeer literair, zelfs lastig Engels die in 1999 verscheen.

Slim of sociaal vaardig hoef je voor het leren van taal ook al niet te zijn. De Amerikaanse Laura bijvoorbeeld, is wat in de volksmond achterlijk heet. Ze is nu midden dertig, maar ze tekent nog steeds als een kind van drie. Op intelligentietesten scoort ze buitengewoon laag en vaak kun je absoluut niet volgen waarover ze het heeft. Maar dat ligt niet aan haar kennis van het Engels. Die is namelijk uitstekend. Laura praat in prachtige volzinnen, met correcte vervoegingen en verbuigingen en verwijzingen. Ook ingewikkelde ingebedde constructies, relatieve en passieve zinnen zijn geen probleem. Laura’s grammatica wijkt maar op hele kleine puntjes af van wat normaal is.

Ook snapt ze veel van hoe de wereld in elkaar zit. Als je het haar vraagt vertelt ze je zo dat ‘boeken’ niet ‘gelukkig’ kunnen zijn, dat ‘potloden’ niet kunnen zien en dat ‘fornuizen’ geen ‘appels’ eten. Andere dingen begrijpt ze half. Meestal gebruikt ze getallen en tijdsaanduidingen op de goede plaats in de zin en op het goede moment, alleen de precieze invulling gaat verkeerd. Als je naar haar telefoonnummer vraagt, geeft ze keurig een nummer van de juiste lengte, maar het lijkt niet eens op haar eigen nummer.

Of ze vertelt dat haar ouders twee jaar geleden getrouwd zijn, of dat ze nu 19 is, maar volgend jaar 16 zal worden. Maar wat ze maar niet lijkt te vatten is hoe je een gesprek moet voeren. Ze praat dolgraag, maar ze geeft antwoorden die niet slaan op de rest van het gesprek, of ze begint halverwege haar verhaal ineens over iets totaal anders. Wat ze zegt, is met andere woorden niet coherent.

Laura is een van die mensen die laten zien dat datgene wat we in de wandeling ‘taal’ noemen in feite samengesteld is uit verschillende, in principe tamelijk losstaande vaardigheden.

Nog een sterk geval is Chris, die in Engeland woont. Ook hij heeft een i.q. van ongeveer veertig op heel veel intelligentietesten, alleen op de taaltesten scoort hij hoog. Chris is autistisch en kan absoluut niet voor zichzelf zorgen. Hij is nog niet eens in staat zijn eigen jas dicht te knopen, maar hij heeft een geweldige talenknobbel. Van meer dan twintig talen, uit heel uiteenlopende taalfamilies, heeft hij een behoorlijke kennis. Leg hem een stukje tekst in het Nederlands of het Hindi voor, en hij ratelt het zo op. Een ‘idiot savant’ met een talent voor taal. En net als alle ‘savants’ houdt Chris zich nergens liever mee bezig.

Maar niet alle argumenten komen voort uit spelingen van het lot. Er valt ook veel te leren van al die gevallen waarin alles normaal verloopt. Want de gewone gang van zaken laat zich uitstekend rijmen met het idee je met een compleet taalprogramma geboren wordt, en dat je dat programma bijna onherroepelijk en altijd in de goede volgorde moet doorlopen.

Het gaat meteen van start, en zolang er in de buurt van het kind maar taal gebruikt wordt ontvouwen de talige capaciteiten zich vanzelf in de jaren daarna.

Voor ouders is het misschien wat teleurstellend, maar hun invloed op hun kind is niet zo groot als ze vaak denken. In de literatuur zijn er jarenlang discussies geweest over de rol van wat zelfs het ‘motherese’, het ‘moeders’, heette. Volwassenen praten anders tegen kleine kinderen dan tegen elkaar. Ze spreken langzamer, op een hogere toon, ze gebruiken korte, eenvoudige zinnetjes en ze herhalen veel. Het is een universeel verschijnsel, en zelfs kinderen van vier schijnen hun spraak al aan te passen als ze het tegen een hummeltje van twee hebben.

Begrijpelijk dat de gedachte ontstond dat het horen van die ‘aangepaste taal’ een noodzakelijke voorwaarde was om taal te leren. Maar er is nog nooit enig bewijs voor geleverd. Om te beginnen is het niet zo dat het taalgebruik van de volwassenen parallel loopt met het niveau waarop het kind op dat moment is. Het ‘motherese’ verandert onderweg niet zo veel, terwijl de taal van het kind groeit als kool.

Bovendien zijn er culturen bekend waar eigenlijk niet of nauwelijks tegen kleine kinderen gepraat wordt. In het zuidoosten van Amerika heb je bijvoorbeeld een zwarte arbeidersgemeenschap waar ze kinderen gewoon nog niet als mogelijke gesprekspartners beschouwen. Het gekir boven de wieg van anderen vinden ze maar raar. De kinderen draaien wel gewoon mee in het gezin en horen dus vaak taal. En dat blijkt voldoende: ook die kinderen leren hun moedertaal.

Naar de aard, de inhoud en de opzet van het taalprogramma dat kinderen doorlopen is in de laatste tientallen jaren heel veel onderzoek gedaan. Dat wil overigens bepaald niet zeggen dat het nu geheel in kaart gebracht is. Taal is zo’n ingenieus en ingewikkeld systeem dat er nog steeds niet meer dan fragmenten van beschreven zijn. Ook is er nog geen enkele methode ontwikkeld om met zekerheid aan het brein af te lezen welke taalcapaciteiten er bij de geboorte al in zitten, en wat er daarna groeit en hoe.

Maar in de loop van de evolutie is er in elk geval een link tussen taal en stembanden gelegd. Dat klinkt als een open deur, maar dat is het niet. Het bestaan van gebarentalen bewijst dat de twee niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat die link er is blijkt hieruit: alle kinderen over de hele wereld gaan volautomatisch op dezelfde manier hun stem liggen oefenen in de eerste maanden van hun leven. Het geblaas, gekir, ge-uh, ge-daaah en ge-ammmm is universeel.
Baby’s maken in het begin een standaardsetje geluiden.

Daarin zitten soms ook klanken die in wat hun moedertaal gaat worden niet voorkomen. Die moeten dus ingebakken zitten. En het definitieve bewijs daarvoor vormen dove baby’s: die gaan ook vanzelf in de eerste zes, zeven, maanden op dezelfde manier hun stem uitproberen. Eerst het gepuf en ge-daaah, daarna dezelfde klanken een paar keer achter elkaar: “dadada” en “nenenene” bijvoorbeeld. Dat moet een volautomatisch deel van het taalprogramma zijn.

En hier moet overigens de oorzaak liggen van het feit dat de woorden voor ‘papa’ en ‘mama’, in tegenstelling tot alle andere woorden, in zo ongelooflijk veel talen zo sterk op elkaar lijken.
Na die beginperiode gaan kinderen die kunnen horen door met wat officieel ‘gevarieerd brabbelen’ heet: ze gaan de klanken die ze produceren langzaam maar zeker aanpassen aan de klanken van hun omgeving. Dan komen er dingen uit als “bapetepoepa”. Dove kinderen vallen op dat moment stil.

Maar ‘zelf doen’ of iets begrijpen van wat anderen doen zijn twee dingen. Voordat een kind letterlijk ook maar één woord kan uitbrengen heeft het al een fabelachtige kennis in huis. Als ze kunnen horen, dan hebben baby’s, schijnt het, hun oren zelfs in de baarmoeder al wijd open. Een baby’tje is direct na de geboorte al in staat de stem van zijn moeder te herkennen.

Sterker nog: een pasgeborene hoort ook het verschil tussen dat wat zijn moedertaal gaat worden en andere talen. Hoe je dat meet? Simpel, met een fopspeen waaraan meetapparatuur gemonteerd zit: een oplettend, geconcentreerd kind zuigt daar harder en sneller aan dan een ongeinteresseerde baby. Een al lang bekend feit dat goede diensten bewijst.

Je kunt de zaak zo instellen dat er automatisch gereageerd wordt op het zuigpatroon van het kleintje. Je begint bijvoorbeeld met hem zijn aanstaande moedertaal te laten horen, verliest hij dan interesse dan komt er een vreemde taal voor in de plaats. Verliest hij ook daarvoor interesse dan komt de moedertaal weer terug, en om die te houden moet de baby blijven zuigen. Dat hebben ze ontzettend snel door. En het blijkt dat ze het liefst hun eigen taal horen. Laat je ze namelijk naar twee vreemde talen luisteren dan vertonen ze geen voorkeur voor de een of de ander. Wat ze herkennen is naar alle waarschijnlijkheid het intonatiepatroon.

En het begint werkelijk al voor de geboorte. Baby’tjes reageren in de eerste 24 uur van hun leven al op deze manier, ook als je ze hun moedertaal wat ‘gedempt’ laat horen, zoals het in de baarmoeder geklonken moet hebben.

Oplettendheid is het belangrijkste meetinstrument zolang een kind nog niks kan zeggen. Daarmee is bijvoorbeeld ook aannemelijk gemaakt dat ze tussen de zeven en tien maanden al doorhebben waar ze het eind van een zin of bijzin kunnen verwachten: als je ze laat luisteren naar een verhaaltje waar mechanisch op de verkeerde, ‘onnatuurlijke’ momenten pauzes in zijn ingebracht verliezen ze sneller hun interesse en wenden hun hoofd af.

Wat voor hun taal normale klankcombinaties zijn lijken ze zo tussen zes en negen maanden in de gaten te krijgen. Uit alles blijkt trouwens dat baby’s heel erg gespitst zijn op taal, voorgeprogrammeerd om daar op te letten. Ze vinden het meteen al leuker om naar woorden te luisteren dan naar andere geluiden, of naar stilte.

 Klanken en intonatie zijn maar een klein onderdeeltje van taal. Het zijn wel de dingen waar alle kinderen op de hele wereld mee beginnen. Zo houden ze vaak ‘al hele verhalen’ voordat er ook maar een woord van te verstaan is: dan zijn ze de zinsintonatie aan het oefenen. De eerste ‘echte’ woorden verschijnen meestal rond het eerste levensjaar, maar het kan ook een stuk later zijn. Er is nogal wat variatie in de aanvangstijden binnen het programma. De volgorde van de onderdelen daarentegen is in principe gelijk.

In het begin schiet het niet zo hard op. Zo’n half jaar na het eerste woord, heeft het kind nog steeds maar een handjevol tot zijn beschikking. Meestal een rijtje als: papa, mama, bal, poes, pop, die, op, nog, melk en zo nog een paar. Een woord als ‘melk’ zal niet direct perfect uitgesproken worden. Kinderen blijven hun uitspraak nog een hele tijd vereenvoudigen. En sommige klanken zijn duidelijk moeilijker dan andere. De r en de l bijvoorbeeld kunnen zelfs jaren later nog voor problemen zorgen.

Tenzij het kind Chinees aan het leren is natuurlijk, daar leidt het verschil in uitspraak tussen een ‘l’ en een ’r namelijk nooit tot een betekenisverschil. Vandaar dat veel Chinezen in het Engels geen verschil horen tussen ‘luizen’ en ‘rijst’ (lice en rice), en die twee woorden dus zelf ook door elkaar heen gebruiken. Daar staat weer tegenover dat ze nooit de frustratie hebben van het jongetje dat de ’r’ nog niet kon zeggen en toen hem gevraagd werd of hij ‘fluit’ at boos uitriep “Niet fluit, fluit!”. Overigens bewaren Chinese kinderen wel nog jarenlang het vermogen om die twee klanken te onderscheiden.

Een paar woorden lijkt niet veel, maar toch is het een enorme stap voorwaarts: het kind is nu in staat aan rijtjes willekeurige klanken (immers, in een andere taal heet hetzelfde weer anders) één specifieke betekenis te hechten. Eventjes worstelt hij daar ook mee. Als kinderen zo’n 75 woorden kennen, meestal net voor hun tweede jaar, dan gaan ze een kort poosje overgeneraliseren. Ineens wordt ieder beest een ‘hond’ of alles wat rond is een ‘bal’.

Maar dat ze niet vaker moeite hebben erachter te komen welk woord nou bij welke betekenis hoort is een klein wondertje. Het tempo waarin op een gegeven moment een kindervocabulair aangroeit is gigantisch. Het kan, als ze weer wat ouder zijn, om tientallen woorden per dag gaan. Sommigen denken daarom dat we de concepten voor die woorden al meegekregen hebben bij de geboorte. Dan hoef je er daarna alleen de klanken (of het gebaar als je een gebarentaal leert) bij te leren.

Wat daar van zij, het zou wel een verklaring zijn voor het feit dat blinde en ook doofblinde kinderen zo weinig moeite hebben met woorden leren en concepten begrijpen. Zelfs niet met concepten die met ‘zien’ te maken hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld heel precies het verschil tussen ‘staren’, ‘loeren’, ‘blikken’ en ‘gluren’ uitleggen.

Overigens is die explosie van nieuwe woorden leren een van de dingen die ons scheiden van de apen. De laatste tientallen jaren zijn er veel pogingen gedaan om bijvoorbeeld chimpanzees taal te leren. Nadat gebleken was dat apestrottehoofden niet voldoende klanken van menselijke taal kunnen vormen, ging men over op symbolen, en op gebarentaal.

Een slim idee. Met intensieve training blijk je ze inderdaad nog heel wat woorden te kunnen bijbrengen, wel een paar honderd. Maar nooit komt dat moment dat het ineens met tientallen tegelijk gaat. De kennis die ze wel hebben, gebruiken ze ook niet om eens gezellig te kletsen, maar altijd om iets te krijgen: eten, gekieteld worden. Een ander punt is die training: anders dan kinderen leren apen nooit spontaan taal. Ze hebben niet datzelfde taalprogramma, wat ook blijkt uit het feit dat het met grammatica nooit iets wordt. Apen bouwen geen zinnen.

Kinderen wel. En eigenlijk al vrij snel. De fases die volgen op de zogeheten ‘een-woord-fase’ zijn de twee-woord-fase en de drie-woord-fase. Daarna houdt de wetenschap op met op die manier te tellen. In die laatste twee fases gebeurt er ook al verschrikkelijk veel. Zodra je meer dan een woord hebt sluipt er al grammatica binnen. Nederlandstalige kinderen zeggen ‘boekje lezen’, Engelstalige ‘read bookie’. De plaats van het werkwoord in de zin is in het Engels anders dan in het Nederlands, en elk kind van twee heeft dat al uitgeplust.

De combinatiemogelijkheden zijn natuurlijk niet eindeloos. Naarmate er meer talen beter onderzocht worden, lijkt het er zelfs steeds meer op dat hun bouwprincipes uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. In de taalkunde woedden al jaren twisten en twistjes die hiermee te maken hebben.

Zijn alle talen, als je ze maar op een abstract genoeg niveau bekijkt, eigenlijk hetzelfde? Worden kinderen geboren met een beperkt setje keuzemogelijkeden, en zetten ze dan op basis van wat ze horen het schakelaartje bij wijze van spreken de ene kant uit of de andere? En hangt de keuze voor bijvoorbeeld het werkwoord op de ene plaats in de zin weer samen met andere dingen? Zo ja, hoe? Het is een ware kluwen van argumenten en voorbeelden, en die is nog lang niet ontward.

Wel is duidelijk dat er in taal heel veel verschijnselen zijn waarvan je niet zomaar kunt zeggen ‘dat is Nederlands’, ‘dat is Russisch’, ‘dat is Engels’. De passieve zin bijvoorbeeld is een heel algemeen fenomeen, niet iets dat typisch is voor het Nederlands. Veel regels en beperkingen op regels spelen in heel veel talen precies dezelfde rol. Echt verwonderlijk is het dus misschien ook niet dat kinderen dezelfde ontwikkelingsfases doormaken.

Een heel bekend voorbeeld zijn die passieve zinnen. Geen kind van vier, of het nou Nederlands, Frans, Russisch of nog wat anders aan het leren is, snapt die. Probeer het maar uit: een vierjarige kleuter kent het verschil tussen ‘de kat zit de muis achterna’ en ‘de kat wordt door de muis achternagezeten’ niet. En je kunt het hem ook niet uitleggen. Het taalprogramma is daar nog niet aan toe.

Net zo is het met het gebruik van woorden als ‘zich’ en ‘elkaar’. Een equivalent daarvan vind je voor zover bekend ook overal. Op wie of wat zulke woorden binnen een zin moeten terugslaan is een knap ingewikkeld mechanisme. En kinderen van zes hebben dat nog niet goed door. Ze denken bijvoorbeeld dat ‘De vader van Jan wast hem’ en ‘de vader van Jan wast zich’ hetzelfde betekenen. Alweer: ze erin instrueren helpt niet. Ze zijn er gewoon nog niet rijp voor. Dat moment komt vanzelf. Net als het moment dat ze zoveel taalbeheersing hebben dat ze in staat zijn een ander foutloos de weg te wijzen. Dan zijn ze bijna in hun puberteit.

 “Kinderen zijn papegaaien”, zeggen ouders altijd. Dat is maar zeer ten dele waar. Ja, natuurlijk nemen ze van alles over van hun omgeving, en dan hoor je ze ineens de stoplappen en geliefde uitdrukkingen uitkramen die je zelf altijd gebruikt. Een onverwachte spiegel. Maar dat dat papegaaien dikwijls inderdaad niets anders is dan papegaaien laat de volgende fraaie dialoog tussen moeder en dochter zien:
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: nee, je zegt het bord.
Eva: mag ik de bord?
moeder: het bord.
Eva: het bord. mag ik nou de bord?
So much for ouderlijke invloed. Verbeteren kan aan twee kanten tot een flinke portie frustratie leiden. Maar ouders vergeten vaak hoe vertederd ze ook kunnen zijn door de creativiteit die hun kleintje ten toon spreidt bij zijn pogingen het allemaal onder de knie te krijgen.

Dikwijls is het dan zo dat een kind de regel doorheeft, maar de uitzonderingen nog niet. Waarom zou je niet ‘verfmens’ tegen een schilder zeggen, of ‘rooksteen’ tegen een schoorsteen? Dat had net zo goed gekund, want die zelfbedachte woorden zijn wel keurig volgens de regels van het Nederlands gevormd. Woorden als ‘vogelen’ voor (het werkwoord:) ‘vliegen’ of ‘winden’ voor ‘waaien’ zijn zo gek nog niet als je bedenkt dat ‘benen’ kunnen ‘benen’ en dat je ‘planten’ heel goed kunt ‘planten’.

En waarom is ‘slaapte’ nou weer verkeerd, als het wel ‘gaapte’ is? De rij voorbeelden kan eindeloos lang gemaakt worden, maar uiteindelijk zullen ze allemaal ‘sliep’, ‘schilder’ en ‘waaien’ leren zeggen, zonder er ooit nog een seconde bij na te denken. Alle kans dat ook Pia later tegen haar kinderen zegt: “Nee schat, het is niet ‘dakken’, maar ‘daken’. Dat is een uitzondering.”

 

NOOT: Bovenstaand stuk is een paar jaren na verschijning een heel klein beetje geactualiseerd.

NOOT 2: Het verhaal van Amala en Kamala zou beter geverifieerd moeten worden. Er is in ieder geval gefraudeerd met foto’s waar ze op zouden staan. Die waren niet van de meisjes, maar werden later ‘nagespeeld’. Het weeshuis had natuurlijk altijd geld nodig. Jammer. Ik was er ook ingetrapt.

“Voor elke hippocampus hebben we veertig aanvragen”

Het doet nog het meest denken aan een werkkast. Op de planken staan plastic emmertjes, ieder jaar heeft zijn eigen plank. De opschriften zijn alleen niet ‘groene zeep’ of ‘schoonmaakazijn’, maar Alz. 93jr., 870 gr. en een mannentekentje, of MS, 53 jr., 1310 gr., vrouw.

In de emmertjes deinen halve breinen in de formaline. Ooit behoorden ze toe aan ondermeer Alzheimer- en Multiple Sclerosepatiënten. Nu vormen ze een soort reservekapitaal voor de Nederlandse Hersenbank: bij nieuwe ontwikkelingen kunnen ze alsnog onderzocht worden. De andere helften bevinden zich in stukjes en plakjes elders: deels in de vriezer, deels in blokjes was, en op allerlei plekken in de wereld.

De Hersenbank is een uniek aanleveringsbedrijf voor wetenschappelijk onderzoek. Hersenbanken vind je tegenwoordig op veel plaatsen in de wereld, maar nergens anders wordt er ook materiaal van zogenaamde “snelle obducties” verzameld.

Snel wil zeggen: binnen maximaal vier uur na het overlijden van een donor. Juist bij hersenweefsel is het voor veel onderzoek van belang er vlug gij te zijn: in geen enkel ander orgaan gaat de afbraak zo snel. DNA-onderzoek en veel hersenvochtonderzoek is alleen met  de snelle-obductiemethode mogelijk. Dat andere hersenbanken desalniettemin geen snelle obducties uitvoeren wekt iets minder verbazing wanneer je het relaas van Hersenbankcoördinator dr. Rivka Ravid (44) gehoord hebt.

Verse uitsnijprocedure

De Hersenbank wordt gesteund door de KNAW en is ondergebracht bij het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek, in hetzelfde gebouw, dat met een luchtbrug vastzit aan het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam.

Ravid, zelf neurobioloog, legt uit dat de Hersenbank in 1985 min of meer op verzoek is opgericht. “Er waren vrij veel onderzoekers die aan verouderingsziekten wilden werken. Nederland heeft op dit moment al zo’n 110.000 demente bejaarden, meer dan de helft daarvan lijdt aan de ziekte van Alzheimer.”

“Door de vergrijzing zal dat probleem de komende tijd alleen maar groter worden. Voor Alzheimer bestaat er geen diermodel, het komt alleen maar voor bij mensen. Dat betekent dat je helemaal afhankelijk bent van humaan materiaal, en dat was in Nederland niet te krijgen. Andere hersenbanken volgen een andere werkwijze, niet de verse uitsnijprocedure die nodig was. Met Alzheimer-patiënten is het hier begonnen.

De organisatie is het grootste probleem. Ravid: “De meeste Alzheimer-patiënten verblijven in verpleegtehuizen. We hebben een heel netwerk van vijftig verpleegtehuizen opgebouwd. Alles draait om goede wil en enthousiasme. Het personeel in de verpleegtehuizen moet mee willen werken, en we hebben een 24-uurs oproepdienst opgezet waaraan zeventien analisten, onderzoekers en neuropathologen meedoen, die vrijwillig ook midden in de nacht en in het weekend hierheen komen om obducties te doen.””

Maar ook daarvoor moet er al veel geregeld zijn. De familie moet bijvoorbeeld een toestemmingsformulier getekend hebben. “Ongeveer een keer per maand ga ik naar een voorlichtingsavond, meestal in een verpleegtehuis, en dan vertel ik over het belang van hersenonderzoek”, zegt  Ravid.

“Maar het is nog echt een taboe. Je hoopt dat zo’n vijf à tien procent van de deelnemers uiteindelijk mee zal doen. De emoties zijn groot. Mensen worden al een uur na hun overlijden naar Amsterdam getransporteerd, en komen dan zonder hersenen terug. Het is meer het idee dan iets anders, want je ziet er niets van, maar veel mensen vinden dat eng. Gemiddeld doet een familie er dan ook een half jaar over voor ze daadwerkelijk het codicil invullen. Niemand mag bezwaren hebben, als er binnen de familie geen overeenstemming is dan doen we het niet.”

Langzame obductie

Om op tijd voor een snelle obductie in Amsterdam te kunnen zijn worden donoren alleen in een straal van zeventig kilometer rond de stad gezocht. “Maar,” vertelt Ravid, “ik kan moeilijk nee zeggen. Wanneer er telefoontjes uit Groningen of Limburg komen, dan vind ik het heel erg moeilijk om mensen teleur te stellen. “

“Bij uitzondering doen we wel eens een ter plekke obducties, want de transporten zijn ongeveer duizend gulden. Wat wel kan is een langzame obductie, dat wil zeggen een die binnen maximaal 48 uur plaatsvindt. Veel onderzoek kan ook nog met behulp van op die manier van werken verkregen materiaal gedaan worden. Van de 120 obducties die we het afgelopen jaar hebben gedaan, bestond ongeveer de helft uit snelle obducties.”

Tegenover elke obductie op een ziek brein, hoort eigenlijk één obductie op een gezond brein te staan. Vergelijkingsmateriaal is onontbeerlijk. In de praktijk blijkt het nog  moeilijker om gezonde breinen te vinden dan zieke. Familie van demente bejaarden wil vaak wel precies weten wat er nu met vader of moeder aan de hand was, en degenen die lijden aan Multiple Sclerose of andere ziektes waarvan de Hersenbank materiaal verzamelt, zullen ook dikwijls bereid zijn een codicil te tekenen, in de hoop dat anderen hetzelfde lijden bespaard zal blijven, maar gezonde mensen zullen niet zo snel op die gedachte komen.

“De oplossing op lange termijn daarvoor ben ik in Los Angeles te weten gekomen”, zegt Ravid, nog steeds verheugd,  “wat i k daar zag was net die film Coma, grote zalen met vriezers, allemaal vol met humaan materiaal. Er wordt daar naar heel veel verschillende ziektes onderzoek gedaan, en ze hebben dus ook heel veel controlemateriaal nodig. Daar hebben ze het systeem dat ze bij elke patiënt aan de partner vragen of die ook een codicil wil tekenen. Partners zijn natuurlijk betrokken bij de ziekte, vaak voelen ze het als een morele plicht om op die manier aan het onderzoek bij te dragen.”

Ravid benadrukt het belang van controlehersenen een aantal keren. “Je moet kunnen matchen”, zegt ze.”Je kijkt naar leeftijd, geslacht, omstandigheden, medicijngebruik enzovoort. Heft liefst wil je twee breinen hebben die maar op één ding verschillen: de ziekte die je onderzoekt. Dat is heel moeilijk te vinden. We hebben dus heel veel hersenen nodig. “

Want een verklaring voor het ontstaan van de ziekte van Alzheimer is er nog lang niet: “De ziekte van Alzheimer is honderd jaar geleden al beschreven”, zegt Ravid, “maar met de kernvraag ‘waardoor ontstaat het?’ zijn we nog niet veel verder gekomen.

Een paar dingen zijn wel duidelijk. Ravid: “Alzheimer-patiënten zijn veel hersenmassa kwijtgeraakt. Er zitten grotere ruimten tussen de windingen, de hersenen zijn geatrofieerd. Het kan wel 400 gram schelen. Normale hersenen wegen tussen de 1200 en 1400 gram, die van Alzheimer-patiënten soms maar ongeveer 700 à 800 gram.”

“Je hebt de zogenaamde preseniele Alzheimer, mensen die de ziekte krijgen als ze nog onder de 65 zijn, daarboven heten het seniele dementen. Hun percentage neemt toe met de leeftijd, eerst is het acht tot tien procent, maar bij degene die tachtig jaar of ouder zijn is het al twintig procent. Er is per leeftijdsgroep geen verschil tussen mannen en vrouwen, alleen in ons preseniele materiaal komen meer mannen voor. En aangezien vrouwen ouder worden vind je in de oudste leeftijdsgroep meer vrouwen.”

Plaques en tangles

Ravid haalt een fotoboek tevoorschijn dat de effecten van Alzheimer toont. Ook het hersenplakje dat al klaarlag om de microscoop laat, slecht tien maal vergroot, de seniele plaques en tangles heel duidelijk zien. Het zijn er veel. Plaques zijn een soort littekenweefsel, terwijl tangles opeenstapelingen van eiwit zijn die maken dat een cel op een gegeven moment helemaal vol materiaal komt te zitten. Het gebied is de hippocampus, een stukje van de temporaalkwab waar veel geheugenfuncties zitten.

“Het interneuronale netwerk is kapot”, legt Ravid uit, “de boodschappers werken niet meer effectief. Die kapotte cellen kunnen elkaar niet meer bereiken.” Het ontstaan van plaques en tangles is op zichzelf genomen normaal, het hoort bij het verouderingsproces; het is de hoeveelheid die het probleem vormt. Alzheimer kan dus beschouwd worden als een vorm van versnelde veroudering.

Maar er zijn nog heel veel vragen onbeantwoord. “Waar ligt de grens bijvoorbeeld?”, zegt Ravid. “Met hoeveel plaques en tangles kun je nog gewoon functioneren? Bij hoeveel wordt geheugenverlies echt storend? We weten het niet. Het onderzoek richt zich nu op het st8muleren van neuronen. Onze vraag is of je daarmee het afbraakproces kunt afstoppen. “

”Een sleutel voor de behandeling van Alzheimer ligt in de vraag waarom de neuronen degenereren. Duizenden mensen zijn nu op zoek naar een verklaring daarvoor. We weten bijvoorbeeld ook niet of we met die plaques en tangles naar een oorzaak of een gevolg kijken, al denken we dat het waarschijnlijk de eindfase van een proces  is dat soms wel vijftien jaar kan duren.“

“Overigens is dementie lang niet altijd het gevolg van de ziekte van Alzheimer. Als je hippocampus en delen van de hersenschors kapot zijn, word je dement, maar die hersendelen kunnen ook beschadigd zijn door andere neuro-degeneratieve ziektes of door kleine bloedingen. Dat kun je soms pas na iemands dood constateren.”

“Dat is trouwens een bekende grap onder neurologen: een ‘goede’ neuroloog vraagt geen obductie aan, want dan loopt hij een behoorlijke kans dat er iets heel anders uitkomt dan zijn diagnose. Nog weer een andere vorm van dementie is de ziekte van Pick, en dan heb je nog de Diffuse Lewy Body Disease, afgekort DLBD, dat is een vorm van dementie die vaak gepaard gaat met hallucinaties.”

De ziekte van Pick en DBLD zijn twee van de vele ziektebeelden die de afgelopen jaren gezorgd hebben voor een enorme uitbreiding van de hersenbank. Het Progress Report 1991 laat een indrukwekkend aantal onderzoeken en publikaties zien waaraan de Hersenbank een bijdrage heeft geleverd.

Ravid: “Resultaten worden in de begeleidingscommissie die we hier hebben besproken. Iedereen die materiaal van de Hersenbank ontvangt moet terugrapporteren. We coördineren ook. Wanneer drie groepen met hetzelfde bezig zijn, dan laat ik ze dat weten. We zorgen ervoor dat nieuwe onderzoekers ook een kans krijgen. De hippocampus bijvoorbeeld is het drukste gebied, voor elke hippocampus hebben we veertig aanvragen; dan kijken we wie er al genoeg hebben, die gaan dan tijdelijk van het protocol af.”

Seizoenen

Vaak is het op initiatief van onderzoekers dat er een nieuwe ziekte aan het lijstje wordt toegevoegd. Dat gold bijvoorbeeld voor de ziektes van Parkinson en Huntington. Ravid: “Het blijkt ondermeer dat er veranderingen in de hypothalamus optreden bij Parkinson-patiënten, om precies te zijn in twee gebiedjes: de Nucleus Paraventricularis en de Nucleus Tuberalis Lateralis. De hypothalamus speelt heel vaak een rol.”

“Een ander kerngebied is de suprachiasmatische kern (dezelfde kern die bij homoseksuele mannen groter bleek te zijn en uit meer cellen te bestaan dan gemiddeld, een onderzoeksresultaat van het Herseninstituut waar een aantal jaren geleden veel over te doen was red.). Die degenereert bij Alzheimer-patiënten, en de grootte en het aantal actieve neuronen wisselen met de seizoenen en over de dag. Die cellen zijn gevoelig voor licht. De fluctuacties van de biologisch klok met de seizoenen hebben te maken met sommige vormen van depressiviteit. Sinds kort verzamelen we hersenmateriaal van mensen die depressief waren.

De wetenschappelijke raad en de Vrienden Multiple Sclerose (MS) benaderden de Hersenbank met het verzoek ook MS-hersenen te gaan verzamelen. “Net als bij Alzheimer is er geen goed diermodel voor die ziekte”, let Ravid uit. “Bij een bepaald rattemodel krijg je de ziekte wel weg met steroïden, maar bij mensen werkt dat niet: er zijn verschillen tussen het model en de ziekte bij de mens. Bij MS gaat het om immunologische veranderingen waarbij het afweersysteem zich tegen het eigen lichaam keert. In januari “90 zijn we ermee begonnen, en voor de eerste resultaten heb je wel drie, vier jaar nodig.

“Problemen bij MS-patiënten zitten in de zogeheten witte stof, het binnenste van een stukje hersenweefsel – de zogenaamde grijze stof zit daar weer omheen. Bij MS-patiënten zie je kleine vlekken in de witte stof, een soort plaques, waar de witte stof wordt aangetast. De aanleiding daarvoor is moeilijk te vinden. Het ontwikkelen en uitproberen van medicijnen duurt bij die groep patiënten dan ook heel lang.”

Familieleden van Huntington-patiënten benaderen de Hersenbank soms ook met verzoeken voor een snelle hersenobductie. Ook de ziekte van Huntington is een aandachtgebied voor de Hersenbank.

Ravid: ”Er is wel een Huntingtonbank in Leiden, maar daar bevindt zich alleen materiaal van langzame obducties. Als familie graag een snelle obductie wil dan kunnen we daarvoor zorgen. We doen dat in goed overleg met Neurologie in Leiden. Omdat ze ziekte erfelijk is (het leidt uiteindelijk tot dementie) voelt de familie zich dikwijls erg betrokken.””

Niet lang geleden is er een begin gemaakt met het verzamelen van breinen van ALS-patiënten. “Dat is die nare ziekte van het bewegingsapparaat waar de beroemde Stephen Hawkins waarschijnlijk aan lijdt”, legt Ravid uit. Het treft vaak jonge mensen, en er is geen medicijn voor.”{ Andere aandachtgebieden zullen ongetwijfeld binnenkort volgen.

Plastic zakjes

Een rondgang door de kamertjes en laboratoria die samen met een aantal kasten en vriezers vol materiaal de Hersenbank vormen, laat iets van de techniek zien. In paraffine gegoten wordt één hypothalamus in 2000 coupes gesneden, plakjes van 8 µ (een µ is een miljoenste meter). Daarna kunnen de coupes verschillende “kleuringen” krijgen, die allemaal iets anders goed zichtbaar maken.

Voor de snelle obducties staat er een heel pakketje klaar: zo’n tachtig genummerde en van een code voorziene plastic zakjes, potjes en tinnetjes waarin de verschillende uitgeprepareerde stukjes hersenen van een van de twee hersenhelften terecht zullen komen.

 Die worden op tachtig graden onder nul ingevroren en in de vriezer gezet, of ze worden onmiddellijk naar een van de vele onderzoeksgroepen in Nederland en daarbuiten gestuurd. De andere hersenstructuren gaan in de formaline voor de diagnostiek. Ze zullen misschien ooit uit de “werkkast” gehaald worden om alsnog onderzocht te worden.

De Nederlandse Hersenbank kost 3,5 ton per jaar. De hoeveelheid onderzoekers die met het unieke materiaal van de Hersenbank werkt loopt in de honderden, en je vindt ze over de hele wereld. Maar het enige geld waar echt op gerekend kan worden is jaarlijks ƒ 80.000,- van de Akademie. De rest van de begroting moet komen uit tijdelijke subsidies en donaties. De medewerkers (naast Ravid twee part-time analisten, twee secretaresses en zeventien medewerkers die bij nacht en ontij klaarstaan om obducties uit te voeren) weten na zeven jaar nog steeds niet of ze volgend jaar hun werk weer zullen kunnen doen.

“Dat afhankelijk zijn van de goede wil van mensen wordt wat vervelend”, drukt Ravid zich eufemistisch uit. Goede wil en betrokkenheid is er meer dan genoeg: op de donateurenlijst staat Ravid zelf, evenals prof. Dick Swaab, directeur van het Herseninstituut. Hun honoraria voor lezingen en publikaties en geld voor prijzen schenken ze aan de Hersenbank.

 

Bedreigd Nederlands

De angsten banen zich een weg naar buiten. Vooral sinds er serieus gepraat wordt over een verenigd Europa, duikt steeds in allerlei gedaanten de vrees op dat onze moedertaal in het samenvoegproces het loodje zal leggen.

Laatst de Tweede Kamer nog. Het eerste geplande debat in de nieuwe zaal ging over de positie van het Nederlands. Die wordt bedreigd vreest men, en dus moeten we in de grondwet vastleggen dat Nederlands de voertaal is in Nederland. Nu is het Nederlands dat al sinds jaar en dag, sterker nog: nooit eerder in geschiedenis hebben zoveel mensen Nederlands gesproken als nu.

Niet alleen doordat er meer inwoners zijn dan vroeger, maar ook doordat er steeds minder dialectsprekers overblijven. En wie wel een dialect spreekt, spreekt daarnaast door onderwijs, kranten, televisie en wat dies meer zij, vrijwel altijd ook de standaardtaal.

Voor Vlaanderen geldt ongeveer hetzelfde: er zijn meer Vlamingen, en die krijgen ook onderwijs en kijken ook televisie, zodat de meesten Standaardvlaams kennen. Dat wijkt in woordenschat (‘je’, ‘ge’ en ‘u’ worden anders gebruikt, ze zeggen ‘proper’ tegen ‘schoon’ en ‘schoon’ tegen ‘mooi’) en grammatica (‘.. voor het eerst zijn mee begonnen’, ‘.. dat het verhaal straks moet gelezen worden’) weliswaar licht af van het Standaardnederlands, maar voor het gemak zeggen we altijd dat die vijf miljoen Vlamingen tot de sprekers van het Nederlands behoren.

Twintig miljoen Nederlandstaligen hebben we dus: dat staat gelijk aan een ruime middenklasser.

Waarom dan die angst dat het Nederlands het zal afleggen? Ik denk dat die berust op een hele serie misverstanden over het verschijnsel taal die, spijtig genoeg, in brede kring een vrijwel onuitroeibaar bestaan leiden. Neem nu bijvoorbeeld het Engels waar het iedereen het over heeft. Dat zou het Nederlands langzaam maar zeker aan het overvleugelen zijn. Is dat zo? Laten we het eens van een paar kanten bekijken. Hoeveel hebben we nu bijvoorbeeld uit het Engels geleend?

Een paar jaar geleden maakten Rik Smits en ik een inventarisatie van de Engelse woorden en uitdrukkingen die je tegenwoordig met een zekere regelmaat in het Nederlands kunt lezen en horen (Peptalk & Pumps, Engels woordgebruik in de Nederlandse taal). Dat boekje bevat ongeveer 3000 leenwoorden, waaronder overigens ook heel oude zoals film, sporten en canvas waarvan bijna niemand zich nog realiseert dat ze uit het Engels komen.

Nu is geen enkel woordenboek compleet, dit ook niet, en sindsdien zijn er nog woorden bijgekomen. Laten we het daarom heel ruim nemen en stellen dat er momenteel 5000 Engelse woorden en uitdrukkingen zijn die je gewoon in het dagelijks leven tegen kunt komen.

Is dat nou veel? De hedendaagse woordenboeken van Van Dale en Koenen bevatten ieder grofweg 100.000 woorden. Vaak zijn dat niet dezelfde woorden, dus daaraan alleen al kun je zien dat ook die woordenboeken niet volledig zijn. Wel kun je aannemen dat iemand met een woordenschat van 100.000 er een fikse algemene ontwikkeling op nahoudt. Voor het rekengemak delen we dat aantal daarom even in tweeën: stel dat de gemiddelde Nederlander 50.000 woorden kent (dat is inclusief de passieve kennis).

Als er daarvan 5000 afkomstig zijn uit het Engels, dan bestaat tien procent van de woordenkennis van Jan en Truus Modaal uit Engelse leenwoorden. Dat is natuurlijk onzin, want in een gemiddelde woordenschat zitten heus niet al die 5000 Engelse woorden.

Maar zelfs als dat wel zo zou zijn, dan nog is het geen dramatisch percentage. Het aardigste onderdeel van het Etymologisch Woordenboek van Van Dale vind ik de naar taal uitgesplitste lijsten met leenwoorden, die achterin het boek staan. Als je die ziet lijkt het wel of we bijna niks ‘van onszelf’ hebben, en zo is het ook. Van de 28.000 woorden die er in dat woordenboek staan zijn er nog geen 10.000 niet geleend, dat wil zeggen: dus afkomstig van de een of andere Germaanse stam.

Absolute topscorers zijn het Frans en het Latijn. En er is niemand meer die bezwaar maakt tegen woorden als accepteren, journaal en omelet (uit het Frans) of idylle, pagina en interrumperen (uit het Latijn), want die woorden zijn ingeburgerd.

Inburgeren is het sleutelwoord. Het drukt ook beter uit wat er gebeurt dan het begrip ‘lenen’. Want als ik iemand een boek leen heb ik het zelf niet meer in huis, en hoop ik in ieder geval dat het weer een keer terugkomt.

Een taal die een woord uitleent raakt zelf dat woord niet kwijt, en krijgt het zelden of nooit meer terug. Wanneer dat laatste wel gebeurt dan kun je goed zien wat inburgeren betekent. Ooit leenden de Fransen het Middelnederlandse woord mannekijn (mannetje, pop), we kregen het terug als mannequin, compleet met Franse tongval. Schrabbelen (krabbelen, schrapen) leenden we uit aan Engeland, en dat kwam terug in de vorm van een spelletje scrabble.

Woorden worden niet zomaar ‘geleend’, ze worden gekneed, er wordt aan getrokken en geduwd tot ze min of meer passen in het systeem van de lenende taal. Daarom zeggen we in Nederland tegen een computer niet kumpjoe:tuh, maar kompjoeter, met een hoorbare r en zonder alle extra lucht en lengte die de Engelsen hun spraakklanken mee weten te geven. Mannequin krijgt nu het terug is in het Nederlands veel minder neusklank mee dan in het Frans, en scrabble heet hier skrebbel.

Hoe gemakkelijker een woord in het Nederlandse klanksysteem is in te passen, des te meer kans heeft het om daadwerkelijk in te burgeren (er zijn natuurlijk meer factoren).

Maar niet alleen de uitspraak wordt aangepast. We maken van een budget rustig twee butgetten, we krijgen telexen binnen en stappen in liften. We gebruiken dus de Nederlandse meervoudsuitgangen, altijd, ook al lijkt dat vaak niet zo (magazines, insiders, credit cards) doordat het Engels net als het Nederlands een meervouds-s kent. Maar het zijn de regels van het Nederlands die bepalen of er –en of een –s achter een geleend zelfstandig naamwoord komt. Net zoals we werkwoorden op de voor ons normale manier vervoegen: ik push, jij managet, hij lobbyt, wij interviewen, jullie kidnappen, zij settelen. De spelling is soms even wennen, maar in de spreektaal valt het niemand op.

En het gaat nog verder: onbewust zien we zelfs het Nederlandse systeem in woorden die van elders komen. Bijna iedereen die Nederlands als moedertaal heeft vindt dat er iets geks is met de woorden floppytje, stickytje en guppytje.

Waarom? Omdat we ook moppie zeggen, en broekie, of we praten over ‘een leuk boompie‘: we kennen die uitgangen pie en kie als een informele of ‘platte’ verkleinvorm. Die nog eens verkleinen is raar, broekietje gaat tegen ons gevoel in, net als guppytje, ook al heten die visjes alleen maar zo omdat ooit een meneer Guppy er een paar vanuit Trinidad naar het British Museum stuurde.

Het Nederlands blijkt dus een grote souplesse aan de dag te leggen als het iets leent. Het doet gewoon of er niks aan de hand is en behandelt nieuwe woorden zoveel mogelijk op dezelfde manier als de rest.

Ik vind het altijd zo jammer dat degenen die bezorgd zijn over het Nederlands geen oog hebben voor de kracht en robuustheid van het taalsysteem. In voorbije eeuwen zijn tienduizenden woorden door dat systeem opgenomen, ingeburgerd geraakt. Maar de meeste mensen zien alleen de leenwoorden die op dit moment een plaatsje aan het bevechten zijn, en de woorden die er na hun jeugd bijgekomen zijn.

Want echt ingeburgerd is een woord pas wanneer er een nieuwe generatie komt die geen herinnering heeft aan de tijd dat een woord nog geen deel uitmaakte van het Nederlands. Een paar generaties geleden werd er nog heftig geprotesteerd tegen horloge en slagroom. Wij zijn grootgeworden met die woorden en kunnen ons dat nauwelijks meer voorstellen. Wat je als kind leert, slik je voor zoete koek. Tenslotte denk je dan van vrijwel alles ‘dat het zo hoort’, dus ook van de woorden die je omgeving gebruikt. En zo begint alles telkens weer van voren af aan: iedereen moet erachter komen dat de wereld niet statisch is, zelfs je moedertaal niet.

Waarom eigenlijk niet? Die vraag is niet een-twee-drie te beantwoorden. Je kunt naar de geschiedenis kijken en eenvoudig constateren dat alle talen voortdurend veranderen. Leentjebuur spelen bijvoorbeeld is overal dagelijkse praktijk. Bestaat er een universele algemeen menselijke behoefte aan variatie in woordgebruik misschien? Dat kan zijn, maar daartegenover staat dat velen (hoevelen eigenlijk?) veranderingen als bedreigend ervaren.

Toch slaat de balans bij alle talen door naar wél lenen en wél nieuwe woorden bedenken. Daar zijn ook zeker redenen voor te geven.

Verreweg de meeste nieuwe woorden (of ze nu geleend worden, of vertaald, of samengesteld uit elementen die we al hadden) komen simpelweg mee met een ding of een idee. Zo kregen we goelasj van de Hongaren, de tjalk van de Friezen en karate van de Japanners. Uit het Engels vertaalden we ondermeer de ‘zorgzame samenleving’ en die eindeloze hoeveelheid combinaties met ‘situatie’ (thuissituatie, schoolsituatie, leefsituatie). ‘Virtuele realiteit’ uit de computerwereld is nog vers, maar gaat het vast maken omdat het werken met een nagebootste werkelijkheid in ontwikkeling is. De politiek leverde ons nieuwvormingen op als ‘reparatiewetgeving’ en ‘meersporenbeleid’.

Nu is het gekke dat er geen enkele weerstand bestaat tegen de pizza of het broodje shoarma, maar vaak wel tegen woorden en uitdrukkingen uit de zachte sector (‘randgroepjongere’, ‘naar jou toe’) en de politiek. Kennelijk heeft niemand per se bezwaar tegen een woord dat er eerst niet was. Men heeft eerder iets tegen het verhullende karakter van die woorden.

Het is alsof er een klein stemmetje binnenin protesteert en roept: ‘ik heb jou wel door’, als er zo’n eufemisme wordt gebruikt.

En toch zijn eufemismen nuttige dingen, waar iedereen wel eens een beroep op doet. De behoefte de boodschap zachtjes aan te laten komen, is een van de oorzaken van het succes van leenwoorden. Die klinken namelijk wat ‘vager’. Hun betekenis ligt nog niet helemaal vast, ze roepen nog niet direct een heel arsenaal aan precieze beelden, bijgedachten en gevoelens op. Woorden die al lang meegaan in een taal doen dat wel. In de Angelsaksische wereld shit, fuck of christ roepen komt dan ook veel harder aan dan datzelfde hier doen.

‘Zachtere’, ‘verhullende’ woorden hebben dus hun voor- en nadelen. Net als geïmporteerde artikelen: sommigen zijn dolgelukkig met de komst van de cheeseburger, de mountainbike en de salad bars, anderen moeten niets hebben van de McDonaldscultuur en die hele health rage met fitnesstrainingen, gejog en gezeur over je cholesterolgehalte.

Ik denk dat de klacht over ‘al dat Engels’ eigenlijk helemaal niets met het Engels te maken heeft. Het is gewoon afkeer van de invloed die (vooral) de Amerikaanse maatschappij op de onze heeft, die Nederlanders laat protesteren tegen Engelse woorden. Ze doen daarmee aan symptoombestrijding, een methode die de kwaal zoals bekend niet geneest.

Maar we hebben nóg ergens nieuwe woorden voor nodig. De mens is een groepsdier en lijdt aan groepsgedrag. Om de (overigens wel altijd vage) grenzen tussen die groepen te bepalen, grijpen we naar het middel ‘afwijkend gedrag’: je kunt aan ons zien en horen van welke groep we deel uitmaken. We proberen ons onder meer net zo te kleden en uit te drukken als de groep of het groepje doet, waar we bij willen horen. Onder professoren klinkt daarom het jargon van hun onderzoeksterrein, corpsballen praten anders dan bouwvakkers en elke nieuwe schoolgeneratie vindt zijn eigen jongerentaal uit. Je jargon verrijken door woorden uit het buitenland te halen is gemakkelijk: ze liggen er als het ware voor. En vaak kun je er tegelijk mee laten zien dat je niet van de straat bent.

Bij het lenen of bedenken van woorden gaat het dus bijna altijd om zaken als cultuur, politiek, psychologie of sociologie. De weerstanden ertegen zijn dan ook van culturele, politieke, psychologische of sociologische aard.

Maar als te doen gebruikelijk krijgt de boodschapper de schuld: de taal. In de volksmond kom je ook altijd ‘talige’ argumenten tegen. ‘Er bestaat toch een goed Nederlands woord voor’ is er zo een. Soms is dat zo, en soms zal dat ook winnen (de wordprocessor is inderdaad definitief verdreven door de tekstverwerker), maar er zijn meer factoren dan alleen maar ‘of er een vertaling bestaat’ (overigens: is die er niet, dan maakt een leenwoord helemaal een dikke kans het te redden).

Neem bijvoorbeeld de halfvertaling virtuele realiteit (virtual reality) van hierboven. Die kunnen we natuurlijk ook ‘nagebootste werkelijkheid’ noemen, maar dat heeft een veel bredere interpretatie dan die computerterm. Daarom geef ik ‘virtuele realiteit’ een redelijke kans ingeburgerd te raken. Het helpt een onderscheiding te maken. Zo gebruiken we in het Nederlands het woord keyboard ook alleen voor muziekinstrumenten, onze computer heeft gewoon een toetsenbord.

‘Het werkt verwarrend’ is nog zo’n kreet, die je op het moment veel kunt horen over het woord ‘controleren’ dat naast ‘nakijken’ ook ‘onder controle hebben’ is gaan betekenen. Zorgen twee betekenissen voor één woord voor verwarring?

Nou, zelden, en dat is maar goed ook. Het Nederlands kent namelijk ontelbaar veel woorden en woordvormen die twee betekenissen hebben. Als dat niet zo was kon er, om maar eens iets te noemen, onmogelijk jaar in jaar uit iedere week een ander cryptogram in de krant staan. Het maakt bijvoorbeeld nogal uit of braken tegenwoordige of verleden tijd is, en of trouw een opdracht is, of een bijwoord, of een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord. Je kunt je hoed, een been of iemand anders afzetten. En wat te denken van: Gegeven de huidige situatie worden de gegevens over het gegeven geld niet aan de inspecteur gegeven. Allemaal geen probleem. De grammatica en de rest van de context geven meestal feilloos de juiste interpretatie.

Bij krantekoppen en andere telegramstijl gaat er dan ook vaker iets mis. De rijschool bij mij op de hoek van de straat bijvoorbeeld heeft in grote letters de nogal ontmoedigende tekst NU OPGEVEN! op de ruit geplakt. Bij de kop ‘Frankrijk spaart het Duitse beton’ moest ik laatst ook even nadenken, maar als je je realiseert hoeveel vormen meer dan één betekenis hebben, dan kun je niet anders dan concluderen dat we daar fabelachtig goed mee overweg kunnen.

Het is zelfs meestal duidelijk wanneer met niet in het minst eigenlijk (het vrijwel tegenovergestelde) niet het minst bedoeld wordt, anders zou J. Heldring zijn collectie van deze fout niet maandelijks kunnen aanvullen.

Maar de meest gehoorde verzuchting is misschien wel ‘iémand moet toch een norm stellen’. Een uitroep die regelmatig gepaard gaat met een verwijt aan taalkundigen: die hebben het er bij laten zitten, die weigeren tegenwoordig hun zegenrijke werk te doen, want ‘van hun mag alles’.

Mijn antwoord hierop is altijd: goed, laten we er inderdaad even van uitgaan dat er een norm gesteld moet worden. Hoe zie je dat voor je? Wie gaat dat doen, en hoe? Een commissie met taalkundigen in Den Haag misschien, die ondermeer beslist welke nieuwe woorden wel en welke niet gebruikt mogen worden, en die iedere maand een bijgewerkte lijst naar media en scholen stuurt? En daarnaast dan een andere commissie (al gauw een kantoortoren vol mensen), die de media nauwgezet volgt en een boete oplegt of een berisping geeft, zodra ergens een woord opduikt dat niet op de goedgekeurde lijsten staat?

Iedereen kan meteen zien dat dat niet kan. Die twee commissies sluiten elkaar feitelijk uit: als de controlecommissie zijn werk goed doet en effect sorteert dan heeft de bijhoudcommissie niets te doen. Een alternatief zou dan zijn de bijhoudcommissie opdracht te geven een zwarte lijst te maken: alleen woorden te verzamelen die niet mogen.

Afgezien van het feit dat de dingen die niet mogen een grote aantrekkingskracht hebben voor velen, komen we daarmee ook bij het eigenlijke probleem: op welke gronden zou zo’n commissie moeten kiezen voor of tegen een woord? Er zijn geen taalkundige criteria die daarbij de doorslag kunnen geven. Iedere taalkundige weet dat alle talen vol zitten met de gekste leenwoorden, ze maken deel uit van het niet te stuiten proces van taalverandering dat elke taal ondergaat. Van taalkundigen verlangen dat ze beslissingen over goede en foute woorden nemen, is net zoiets als van dokters vragen dat ze voortaan aan alle vrouwen de maten 90-60-90 voorschrijven. Wat je ermee bereikt is ongeveer hetzelfde: het voorschrift is voor bijna niemand haalbaar, en alle anderen worden er erg onzeker van.

Betekent dit alles nu dat je al die leenwoorden maar mooi moet vinden? Welnee, dat is ook zo’n raar misverstand. Net zoals je kunt gruwen van iemands schoenen, kun je ook gruwen van zijn woordgebruik. De verkeerde saus over je eten kan de hele maaltijd bederven, de verkeerde woorden kunnen een gesprek finaal vergallen.

Maar het zijn wel smaakkwesties, en niets anders. En je eigen smaak wordt, waar het ook om gaat, bepaald door je achtergrond, je opvoeding en andere toevalligheden. Die bepalen ook voor een goed deel hoe je je huis inricht, zij het dat je uit praktische overwegingen soms niet om lelijke of onhandige spullen heen kunt.

Bij taal gaat het precies zo: je gebruikt de woorden die je zelf mooi vindt, maar soms moet je om jezelf duidelijk te maken toch wel eens iets vreselijks zeggen (dan hebben we gelukkig altijd nog het ironiewapen achter de hand). Ageren mag ook. Het staat iedereen vrij woest te worden over een woord, maar het zal er niet door verdwijnen, evenmin als McDonalds en Ikea hun deuren zullen sluiten omdat u en ik dat verschrikkelijke zaken vinden. Maar eens even lekker schelden lucht altijd op.

Die Engelse woorden gaan dus niet meer weg, net zomin als de Franse uit de vorige eeuw verdwenen zijn. Maar er is nog iets anders aan de hand met het Engels. Het zijn niet alleen de woorden. In kranten en tijdschriften tref je steeds vaker hele Engelse zinnen aan. Van die halfvertaalde interviews, of wervende reclamekreten. Blijkbaar gaan redacties en adverteerders er van uit dat wij dat allemaal begrijpen, en vaak is dat ook zo. Nederland is heel langzaam min of meer tweetalig aan het worden. Tweetalig is het juiste woord, want als er een taal bijkomt betekent dat bepaald niet dat die het zal overnemen van de taal die er al was. De halve wereld is tweetalig, mede doordat moedertalen zo onuitroeibaar zijn.

Miljarden zijn er gespendeerd, ontelbare liters bloed zijn er gevloeid bij pogingen om talen het zwijgen op te leggen. De Basken spreken nog altijd Baskisch, de Catalanen Catalaans, de Armeniërs Armeens en zo zijn er talloze. Een land als India zou nauwelijks kunnen functioneren wanneer de inwoners niet een beetje Engels als voertaal konden gebruiken naast al die verschillende moedertalen die ze er hebben.

Mij lijkt het bepaald gunstig als veel Nederlanders ook Engels zouden spreken. Gewoon, voor gebruik onder bepaalde omstandigheden, op reis, in de handel, in de wetenschap. Het mag best steenkolenengels wezen, meer wordt het meestal ook helemaal niet. Bent u wel eens op een internationaal congres geweest waar de lezingen in het Engels werden gehouden? Ook onder hoogopgeleiden is dat meestal verre van perfect, maar het werkt wel. Wil je zaken uitwisselen met mensen uit andere landen dan kan dat nu eenmaal niet in je moedertaal. Ja, je kunt natuurlijk tegen de klippen op blijven roepen dat jouw taal de lingua franca hoort te zijn, en dat anderen zich maar moeten aanpassen, maar daar komen brokken van.

Het is de tactiek van de Fransen. In Frankrijk denken ze nog altijd dat je taal kunt dwingen. Ze stellen prachtige lijsten op van ‘goede Franse woorden’ waar iedereen zich aan behoort te houden. Wel, die vormen het levende bewijs dat een dergelijke taalpolitiek alleen maar geld- en energieverspilling is. Doet u uw oren maar eens goed open in een Parijs café, of kijkt u eens een avondje TV5: het wemelt ook in het Frans van de verboden Engelse woorden.

In Frankrijk mag je je proefschrift uitsluitend in het Frans schrijven, ze subsidiëren zich er gek aan Franstalige wetenschappelijke tijdschriften. En wat is het gevolg? Dat onderzoeksresultaten de buitenwereld vaak maar mondjesmaat bereiken. Wetenschappers doen ook geen ervaring op in het schrijven van Engelse teksten en hebben daardoor een extra barrière.

Laatst was in Horizon, het onvolprezen wetenschapsprogramma van de BBC, te zien hoe verstrekkend de consequenties van de Franse politiek kunnen zijn. In de kwestie over de ontdekking van het aids-virus (de Amerikaan Gallo versus de Fransman Montaigner, misschien wel het wetenschapsschandaal van de eeuw) speelde een klein samenvattinkje een cruciale rol. De Fransen vergaten er een te schrijven bij hun moeizaam in het Engels vertaalde artikel, en in plaats van dat nog even snel recht te zetten, lieten ze het over aan Gallo. Die maakte van de gelegenheid gebruik de zaak zo te draaien dat het net leek of de Franse resultaten zo’n beetje aansloten bij zijn eigen onderzoek.

Het artikel, dat een echte doorbraak betekende, bleef onopgemerkt: de Fransen hadden het (later HIV genoemde) aids-virus in handen, maar het duurde nog een jaar voor de wereld dat accepteerde, en bijvoorbeeld bloeddonoren ging controleren op het virus. Tienduizenden onnodige besmettingen zijn het gevolg geweest. Daarvoor schieten woorden in elke taal tekort.

“Dan vragen ze of er nog een foto bestaat van de suikerfabriek waar ze geboren zijn”

Aan de hoek van het bureau in de werkkamer van Dr. Peter Boomgaard (45) hangt een prachtige doek waarop in zwart een tijger staat afgebeeld. Boomgaard is sinds 1991 directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde (het KITVL) in Leiden, en de Java-tijger is een van zijn liefdes. Het is ook een van de weinige zaken waarnaar het instituut zelf onderzoek doet, het KITLV levert vooral onderzoeksmateriaal aan anderen.

Boomgaard: “Het is hier in hoofdzaak een hele grote bibliotheek. We hebben zo’n 300.000 banden, de meeste over Indonesië, maar ook alles over Nederlands West-Indië, de Caraïben, Suriname. Ieder jaar komen er alleen al in het Indonesisch en over Indonesië 5000 werken bij, allemaal uit de humaniora en de gamma-richting. De grijze literatuur, dus rapporten en dergelijke, hoort er ook bij.”

“We hebben ook een vertegenwoordiging in Djakarta, een staf van een Nederlander en negen Indonesiërs. Die zijn deels gewoon bezig boeken in te pakken die dan per zeepost hierheen komen. De laatste jaren verzamelen we meer uit de rest van Zuidoost-Azië: Maleisië, de Filippijnen, Cambodja, Vietnam, Birma, Thailand. Dat wil zeggen, de dingen die in een voor de documentalisten leesbare taal verschijnen: Frans, Duits en Engels. Uit Indonesië hebben we wel alles in het Indonesisch, de gekste dingen. Als er straks iemand een scriptie wil maken over Indonesische pulp dan kan dat. We zijn in de wereld de enige die Indonesië echt goed heeft bijgehouden.”

Neêrlandsch Indië

Het instituut werd in 1851 opgericht. Toen ging het nog om de Taal- Land- en Volkenkunde van Neêrlandsch Indië. Die laatste drie woorden zijn, na de onafhankelijkheid van Indonesië, in 1949 geschrapt. Aan de doelstelling is nooit wezenlijk iets veranderd. Op dit ogenblik luidt hij officieel: “het verzamelen en toegankelijk maken van boeken en andere documenten, het stimuleren van onderzoek en het publiceren van werken op het gebied van de talen, geschiedenis, antropologie en andere sociale wetenschappen betreffende Zuidoost-Azië en Oceanië, in het bijzonder Indonesië en het Caraïbisch gebied.”

Het instituut had zijn eerste standplaats in Delft, zat lange jaren in Den Haag, en sinds 1983 is het gevestigd in het Witte Singel-Doelencomplex van de universiteit van Leiden. In 1990 kwam het onder de paraplu van de Akademie. Boomgaard, die historicus is, maakte in een jaar later tot zijn genoegen de overstap van de universiteit van Amsterdam naar het KITLV. Hij zegt “heel blij” te zijn onder de KNAW te vallen: “Bij de universiteiten ben je tegenwoordig zo weggesaneerd.”

Veel tijd en mankracht gaat zitten in het ontsluiten van de bronnen. “We hebben een flinke staf, van zo’n vijftig mensen”, zegt Boomgaard, “en dus ook nog tien in Indonesië. Er zijn hier bijvoorbeeld vier mensen die de hele dag niets anders doen dan titelbeschrijvingen maken. We werken nu ook met het zogenaamde PICA-systeem, met trefwoorden. De retro-invoer is het grote probleem. De dingen van voor 1972 zijn nooit gecomputeriseerd.”

De collectie aanvullen is er ondertussen niet eenvoudiger op geworden. Boomgaard: “Het is niet te geloven zo snel als de prijzen zijn gestegen. Het gaat veel harder dan de inflatie. Dat komt doordat buitenlandse universiteiten, vooral Cornell en Yale, alles zijn gaan kopen.”

Gebruikers van de bibliotheek zijn wetenschappers uit binnen- en buitenland en veel Leidse studenten. “We hadden ook een programma Indonesische studieën”, vertelt Boomgaard. “Dat werd betaald door Onderwijs en Wetenschappen. Er kwamen jaarlijks tien mensen uit Indonesië: historici, linguïsten, van alles. Die bleven dan twee of drie jaar.”

“Die stroom is nu door de onaangenaamheden tussen Pronk en Indonesië stopgezet. Heel vervelend. Vooral voor de Indonesiërs, maar ook voor ons. We hopen dat het toch op de een of andere manier weer door kan gaan. We hebben al eens eerder een breuk gehad, en die is zo schadelijk geweest. Dat weer inhalen is heel lastig. Het belang van Indonesië is ook veel te groot: het is nu het zesde of zevende land ter wereld. Enfin, er zijn net nog drie mensen gepromoveerd, eentje bijvoorbeeld op Atjeh in de 19e eeuw. Vaak maken ze ook gebruik van de archieven in Den Haag, die zijn soms completer dan de Indonesische archieven.”

Foto van opa

Het KITLV heeft ook een Documentatiecentrum voor de Geschiedenis van Indonesië. Boomgaard: “Dat zijn de niet-gedrukte bronnen, met name foto’s.”

Bij de rondgang die we even later door het instituut maken wordt iets duidelijk van de omvang van deze collectie. Meters bakken met cataloguskaartjes, stuk voor stuk voorzien van een kleine reproduktie: foto’s, tekeningen, kaarten. Roerende  plaatjes uit het verleden: pannekoeken bakken in de kampong bijvoorbeeld. “Mensen komen hier en dan vragen ze of er nog een foto bestaat van de suikerfabriek waar ze geboren zijn”, legt Boomgaard uit. “Of ze zeggen: we zoeken een foto van opa. Alles is hier op onderwerp en regio ondergebracht. Iedereen kan afdrukjes bestellen, en daar wordt veel gebruik van gemaakt. Het meeste hier komt trouwens van schenkingen. Dat wordt inderdaad minder, het druppelt nog na. Rond 1950, 1960 houden we op. Nieuw-Guinea is zo’n beetje het eindpunt.”

Vrouwenbibliografie

De Caraïbische afdeling doet in het klein hetzelfde als de Indonesische, vertelt Boomgaard: “Dat hoeft niet zo groot, er komen ongeveer duizend boeken per jaar bij. En het begint steeds bekender te worden. We hebben alleen geen vertegenwoordigers daar, wat betekent dat het hoofd veel reist. Laatst is er een groepje dat werkt aan een vrouwenbibliografie voor het pancaraïbisch gebied wezen kijken wat er nou in de kaartenbak zit in Trinidad en Jamaica.”

De catalogus met KITLV-uitgaven bevat heel wat bibliografieën. Boomgaard: “Over Indonesië hebben we zelfs een bibliografie van bibliografieën.”  Sinds uitgeverij Foris ermee ophield is het instituut zelf een uitgeverij geworden. Zo is er het viermaal per jaar verschijnende tijdschrift Bijdragen tot de Taal- Land- en Volkenkunde, dat al in de vorige eeuw is opgericht. De ongeveer 2000 leden van de Vereniging van het instituut (de helft bevindt zich in het buitenland) kunnen kiezen of ze dat tijdschrift thuis willen krijgen of de Nieuwe West-Indische Gids/New West Indian Guide.

Het KITLV geeft ook een serie uit onder de mooie ouderwetse naam Verhandelingen. Daar valt bijvoorbeeld een boek over het Maleis van Jakarta in. Dat wordt dan in een oplage van 200 exemplaren gedrukt. Ook is er de reeks Bibliotheca Indonesia die Boomgaard “buitengewoon scholarly” noemt, en een ‘translations serie’ van oudere boeken die nu alsnog in het Engels vertaald worden. Veel uitgaven van tegenwoordig zijn in het Engels, en in Jakarta worden er geregeld boeken in het Indonesisch vertaald.

Boomgaard: “We hebben veel incourante boeken. Voor veel dingen geldt: als wij het niet uitgeven, wie doet het dan wel? Onze bestseller is Teeuw, het Indonesisch-Nederlands Woordenboek dat in 1990 uitkwam. En we proberen ook wel eens iets anders. Voor de boekenweek hebben we een bundeltje Aangeraakt door Insulinde gemaakt.”

Het boekje blijkt besprekingen te bevatten van boeken die met Indonesië te maken hebben. De auteurs zijn zeer divers: van Willem Oltmans tot Lisette Lewin en Rudy Kousbroek. Boomgaards eigen bijdrage is een enthousiasmerend verhaal over The history of Java, twee delen uit 1817 van Th. Stamford Raffles, een hoge Britse functionaris (Java was toentertijd in handen van de Britten), die goed uit zijn ogen keek en ook verslag deed van het dagelijks leven op Java.

Veel van dat soort literatuur is er niet. Even later in kelder waar de eigenlijke bibliotheek zich bevindt, wijst Boomgaard nog op Valentijn, een begrip onder Indonesië-kenners. Valentijn reisde rond 1700 rond over de hele archipel. Hij maakte er een encyclopedisch werk over, dat schitterende platen bevat.

“Over drie jaar is de bibliotheek vol”, meldt Bommgaard. “Er zijn nog een paar meter over waar we ook van die verrijdbare kasten kunnen zetten in plaats van vaste, maar dan is het op.” Er staan niet alleen boeken, ook vele jaargangen kranten en tijdschriften (het Koloniaal Weekblad, de Indische Verlofganger, de Locomotief) vullen de planken. In de bibliotheek die toegankelijk is voor bezoekers zijn bovendien nog rijen veelgeraadpleegde naslagwerken en ingebonden tijdschriften te vinden.

‘Weertijgers’

Boomgaards eigen belangstelling voor Indonesië kwam min of meer toevallig tot stand. “Ik heb geen banden met Indië”, zegt hij. Na een scriptie over de oorzaken van de Mexicaanse revolutie wilde hij graag “iets met demografische ontwikkelingen elders in de tropen”.

Dat werd uiteindelijk een proefschrift over de bevolkingsontwikkeling van Java in de negentiende eeuw, gekoppeld aan de economische ontwikkeling daar. Boomgaard: “Een van de opvallendste dingen vond ik dat er zoveel scheidingen waren. Men trouwde, dan ging het na een jaar mis en niemand die opkeek van een scheiding. In sommige periodes waren er net zoveel scheidingen als huwelijken en gemiddeld liep 50 of 60 procent van de huwelijken stuk.”

Tegenwoordig is Boomgaard vooral geïnteresseerd in wat hij de ecologische geschiedenis noemt: “Ik realiseerde me dat ik niets wist van de plaatsen waar geen mensen woonden, geen landbouw was. Ik hou me nu bezig met twee grote projecten. Een naar de ontwikkeling van het bosgebruik en -beheer, en een naar de geschiedenis van de Java-tijger.”

“Die kwam ik zo veel tegen in de bronnen. Nu staat hij op het punt om uit te sterven. Ik wil integrale geschiedschrijving bedrijven, ook de betekenis van die tijger in de cultuur onderzoeken. Er zijn bijvoorbeeld jaarlijkse cijfers van hoeveel mensen er gedood zijn door tijgers. Met behulp van de bronnen kan ik terug tot ongeveer 1600. Ik ben benieuwd in hoeverre het gedrag van de tijgers in de loop der tijd is veranderd.”

“Men denkt altijd dat dieren a-historisch zijn, maar dat is niet zo. Het beest heeft met alles te maken. Met bijgeloof: in sommige delen van Java zag men er gereïncarneerde voorouders in, op andere plaatsen geloofden ze in ‘weertijgers’ zoals wij in Europa ‘weerwolven’ hadden. En er waren rituele tijger-waterbuffelgevechten waarvoor de regenten de Nederlanders uitnodigden. Echt jacht werd er trouwens niet op gemaakt. Javaanse vorsten jagen niet op tijgers. Dit in tegenstelling tot wat er in Brits-Indië gebeurde. Daar zijn ook cijfers van en die wil ik gaan vergelijken.” 

Er zijn nog meer plannen voor de nabije toekomst. Boomgaard: “Naar sociaal-economische zaken wordt te weinig onderzoek gedaan, dat is echt een lacune. Die ‘Bijdragen’ zijn ook te traditioneel, daar moeten wat modernere studies in komen. We willen meer publikaties die een grotere groep mensen aanspreken. En op dit moment worden alleen de hoofden van afdelingen en ik geacht onderzoek te doen. We hebben nu een onderzoeksvoorstel voorgelegd aan de Akademie. Met een beetje hulp zal er binnenkort meer onderzoek gedaan kunnen worden: op projectbasis, en met visiting scholars. We willen workshops en seminars gaan organiseren.”

“En dan is er het Azië Instituut dat opgericht wordt. De minister heeft op voorstel van de Commissie Staal twee miljoen uitgetrokken voor postdoc-opleidingen. Ik zit voor Indonesië in het voorlopig bestuur. De opzet is alleen iets te veel binnen de grenzen gebleven vind ik. Ik hoop dat het Azië Instituut over een paar jaar wat internationaler gericht zal zijn, net als de European Association for South East Asian Studies, de EASEAS die we gaan oprichten.”

“De ogen zijn een onderdeel van de hersenen, we passen ons aan als er iets mis is”

“De enige full time ogendokter in de tent ben ik”, zegt dr. A.J. Otto (62), algemeen directeur van het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut, het IOI.

Als om dat te demonstreren ontvangt hij in witte doktersjas, en het eerste dat in zijn kamertje in het Academisch Medisch Centrum in het oog springt, is zo’n letterkaart met steeds kleiner wordende lettertjes waarmee je je zicht kunt testen. Alleen valt er niets anders op te lezen dan ‘IOI’ en ‘OTTO’.

Het IOI bevindt zich in wat eens een parkeerplaats had moeten worden. Daar bleken toen technische bezwaren tegen te zijn, en nu is de kamer van Otto zo ongeveer de enige in het AMC waar de ramen open kunnen. De rest van het instituut is voor een willekeurige bezoeker een doolhof van gangen waarachter zich kantoortjes, werkplaatsen, laboratoria en andere werkruimtes bevinden. Volgens Otto werken er in totaal 102 mensen en zijn er 48 formatieplaatsen. “Allemaal specialisten, van immunologen tot fysici en biologen”, vertelt hij.

Het instituut bestaat sinds 1972, in het begin was het gehuisvest in het Wilhelmina Gasthuis. “Het idee erachter was heel logisch”, vindt Otto. “De minister zei: elk academisch ziekenhuis heeft een groot aantal opdrachten: naast de patiëntenzorg ook nog onderwijs, specialisten opleiden en onderzoek. De middelen zijn beperkt, en dan vormen de onderzoeksfaciliteiten altijd de sluitpost. Zowel financieel als in de tijd. Kijk, de poli’s zitten vol, die gaan toch voor. Voor het klinisch gebonden én voor het fundamenteel onderzoek heb je apparatuur en specialisten nodig. Daarom ontstond het plan die te concentreren. Er kwamen extra fondsen van het ministerie om interuniversitair fundamenteel onderzoek te doen.” 

Nóg accuter

“Uiteindelijk is dat alleen met de cardiologen en met oogheelkunde van de grond gekomen. We doen basic research naar het zien en het oog ten behoeve van de oogheelkundige universiteitsklinieken. En we breiden nog steeds uit. Alle Nederlandse universiteiten doen mee, alleen die van Nijmegen officieel nog niet. Dit jaar hopen we ook met de zeven Belgische universiteiten te gaan samenwerken. Er is nu al regelmatig contact. Met die participatie hopen we nieuwe wetenschappelijk personeel-plaatsen te creëren, ook al wordt ons ruimteprobleem dan nóg acuter.”

Er zijn ook andere contacten met het buitenland. Otto vertelt van een in Amsterdam opgeleide Arabier die nu onderzoek doet in Egypte en vanuit het IOI begeleid wordt. Verder zijn er projecten in Thailand (onderzoek naar eventueel Vitamine A-gebrek bij kinderen) en Sierra Leone waar gekeken wordt naar de resultaten van een therapie tegen rivierblindheid en naar immunologische factoren. 

Albino’s 

Het onderzoek in Amsterdam wordt voor een groot deel gestuurd door vragen vanuit de kliniek. “Dat is de kleuring van je werk”, zegt Otto nuchter. “Maar het blijft fundamenteel onderzoek. Bijvoorbeeld naar de vraag hoe het netvlies en de hersenen op kleur en beweging en dergelijke coderen, op welke manier de zenuwbanen naar de hersenschors lopen, en hoe de cellen daar geschakeld zijn. “

“Bij albino’s is er iets verkeerd met die banen, en daarover komt dan de vraag uit de kliniek. Daarnaast doen we ook veel onderzoek naar inwendige oogontstekingen, uveitis. Dat is geen gewone infectie, maar een aangeboren eigenschap. Die proberen we te analyseren en te overrulen met therapieën.”

“Onze oftalmologische morfologen houden zich ook met basisvragen bezig. Die willen weten hoe het anatomisch zit, bijvoorbeeld welke zenuwcellen waarmee verbonden zijn. Dat gaat dan met behulp van ‘tracertechnieken’, speciale kleurmethoden van weefselcoupes en de electronenmicroscoop, waarmee je ook naar de verbindingen tussen de zenuwcellen, de synapsen kunt kijken. “

“En dan is er de lens, een stukje glashelder weefsel in je oog dat zeventig, tachtig jaar helder blijft. Wat voor vezels zijn dat, hoe veroudert de ooglens, wat verandert er? Er zijn zoveel vragen, en we hebben hier ook de mensen en de apparatuur om antwoorden te vinden. Ik geloof dat er drie microscopen van twee ton staan. Dan zegt bijvoorbeeld iemand ‘gut, ik heb zo’n raar kristal gevonden in de lens van dat kindje, kunnen jullie daar eens naar kijken?’. In het biochemisch laboratorium onderzoeken ze bijvoorbeeld de samenstelling van tranen. Ondermeer wat de consequenties van medicijngebruik of vitaminegebrek daarvoor zijn.”

De afdeling oftalmogenetica van het IOI heeft ook de beschikking over een databestand met erfelijke gegevens. Otto: “Op het gebied van de oftalmogenetica zetten we steeds kleine stapjes. Indertijd is er op verzoek van oogartsen begonnen met het kijken naar erfelijke familiare oogaandoeningen. Gewoon nog volgens de oude Mendel-wetten. Komen er bijvoorbeeld kwaadaardige oogtumoren in de familie voor? Hoe erft het over? Is dat een geslachtsgebonden afwijking of niet? Dat soort vragen. Nu hebben we een bestand met eigenlijk alle families in Nederland waar iets speelt. In de rest van de wereld is men daar jaloers op. Inmiddels is het vaak één klein stukje eiwit dat je van alles kan zeggen: het is een DNA-laboratorium geworden.”

Maatschappelijk blind

Te zien aan de borden met foto’s die overal in het IOI hangen kan er met je ogen heel wat mis gaan. Otto vertelt over retinitis pigmentosa: “Als je dat hebt gaat je netvlies in de loop van je leven te gronde. Er is dan iets verkeerd met de stofwisseling van het netvlies. Het gaat vaak om jonge mensen die moeilijk in het donker kunnen zien, hun gezichtsveld raakt steeds beperkter, de koker wordt steeds smaller, maar daarbinnen zien ze wel scherp.”

“Het is soms voor anderen moeilijk te begrijpen dat die mensen op een gegeven moment maatschappelijk blind worden, maar wel de hele avond tv kunnen kijken. Wat ze dan doen is meer met hun ogen en hun hoofd gaan bewegen. De ogen zijn een onderdeel van de hersenen, we passen ons aan als er iets mis is. Adaptatie hoort bij zien.”

“Maar de hersenen redden wel altijd eerst zichzelf: wanneer er iets gebeurt, als je flauwvalt, of in shock raakt, of wat dan ook, dan zorgen de hersenvaten eerst dat ze zelf zuurstof krijgen. “

“Het oog is als het ware een uitstulping van de hersenen, en het netvlies wordt dan ook gevoed door de hersenvaten. De overige oogvaten worden niet zo in de watten gelegd en met egards behandeld als de hersenvaten. De vaatvliesvaten voeden de gele vlek, de macula lutea, het deel van het oog dat zorgt dat je scherp kunt zien. Dat bevat uitsluitend de bekende kegeltjes.”

“Wanneer die vaatvliesvaten de gele vlek niet goed voeden, verlies je het vermogen scherp te zien, maar je kunt dan bijvoorbeeld wel nog uitstekend fietsen, omdat je genoeg overzicht over de omgeving hebt. Het gaat dan om ‘slijtage’ van de bloedvaten, en hersenweefsel speelt bij slechtgevoede delen op safe: het maakt littekenweefsel. Helende littekens kunnen geen kwaad, het stofwisselt niet, maar functioneert ook niet. Wij proberen er achter te komen welke membranen in de gele vlek er precies aangaan, en soms sturen we met een laserbehandeling het littekens maken bij. We proberen de mensen maatschappelijk valide te houden.”

Het IOI heeft ook een hoornvliesbank in huis. Die is eigenlijk voortgekomen uit het onderzoek. Otto: “Hoornvliezen zijn ander materiaal dan bijvoorbeeld harten en nieren. Die zijn doorbloed, maar hoornvliezen zijn een niet-gevasculariseerd gebied.”

“Ze transplanteren had altijd al een goede kans van slagen, maar er was een tijdsprobleem. Wanneer een specialist bijvoorbeeld eerst nog naar de familie van een donor moet, en pas de volgende dag kan opereren, dan kost dat tijd. Net als het onderzoeken of de donor geen aids had, en of de eigenschappen van zijn bloed genoeg overeenkomen met die van de ontvanger. Operatiekamers zijn ook niet meer zomaar op afroep beschikbaar. Om de benodigde overbruggingstijd te krijgen is er een nieuwe preserveringsmethode ontwikkeld.”

Iedere huisvrouw

“Vroeger deden we met hoornvliezen wat ze ook met harten en nieren doen: de stofwisseling op een laag pitje zetten en de boel op ongeveer vijf graden houden. Maar dan sterven er ieder uur kwetsbare celletjes, en dat verkleint de helderheidskans.”

“Inmiddels is duidelijk geworden dat de overlevingskansen voor een hoornvlies het beste zijn wanneer je ze bewaart in hetzelfde soort water als er in je oog zit, en niet koud, maar op 32 graden. Dan heb je organisatorisch langer de tijd.”

“Enfin, het ontdekken van dat procédé heeft uiteindelijk een hoornvliesbank opgeleverd. De preservering gebeurt hier: het oog komt binnen, het hoornvlies wordt eraf gehaald, en dan wordt er bijvoorbeeld gekeken hoe vitaal het is. In Denemarken werkt men nu helemaal zo, dus het wordt elders overgenomen. En Eurotransplant betaalt het bij ons aangestelde personeel voor dat werk. Overigens zijn hoornvliestransplantaties bij mensen heel gemakkelijk te doen, dat kun je iedere huisvrouw leren. Bij ratjes is het bijvoorbeellveel lastiger.”

“We doen ook onderzoek aan de samenstellende dlen van de oogkas. Bij ons is dat echt een apart orgaan: ook als je je ogen dicht hebt bijvoorbeeld weet je waar ze zitten, naar welke kant ze ‘kijken’. Voor dat soort zaken zijn uitgebreide zenuwschakelingen nodig die we bekijken.”

“Apen zijn de enige dieren met ogen die op de onze lijken, ook met net zulke oogkassen. Daarom werken we hier ook met gedragsgetrainde apen. Die laten we naar een televisiescherm kijken, waar bijvoorbeeld beweging of verschil in lichtintensiteit waargenomen kan worden. Ondertussen meten we de stroompjes elektriciteit, die we afnemen van het hoofd met elektroden. Zo krijgen we een beeld van waar de potentialen naartoe gaan.”  

Een rondgang door het instituut voert onder andere langs hokken met ratten en konijnen. In een ander kamertje zit een onderzoeker met een dode of bewusteloze rat voor zich op het snijtafeltje. “We zijn heel voorzichtig met proefdieren”, benadrukt Otto. “We zullen bij een konijn bijvoorbeeld nooit in alletwee de ogen iets inspuiten ofzo. We maken ze niet blind.” Ook voor de apen schijnt goed gezorgd te worden. Zo goed dat “deze trouwste onderzoeksmedewerkers” (Otto) slechts door twee mensen bezocht mogen worden, en zeker niet door de verslaggeefster of de fotograaf.

“Als je hier de concentratie niet opbrengt, waar dan wel?”

“Huize NIAS, toch een beetje een rustoord voor vermoeide academici,” zegt iemand die zelf geen fellow wilde worden met lichte spot. “Een geweldige instelling, een verademing,” zegt een van de NIAS-gasten enthousiast. NIAS is de afkorting voor wat voluit The Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences heet.

Onderzoekers kunnen hier een klein jaar rustig werken. Rust en rustiek zijn inderdaad de twee woorden die je onmiddellijk voor de geest komen wanneer je het NIAS in Wassenaar nadert. Vroeger een politie-academie, nu een aantal fraaie villa’s in de bossen, verbonden door paden en bruggetjes. Alles groen, groen, groen.

Bruidsschat

Op initiatief van de Leidse professor Uhlenbeck, zelf hoogleraar linguïstiek en Javaanse taal- en letterkunde, werd het NIAS in 1970 opgericht. Achterliggend idee: onderzoekers uit de alfa- en gamma-wetenschappen de kans geven zich een tijdje helemaal aan onderzoek te wijden. Tien maanden lang geen colleges, geen bestuurlijke rompslomp. Tot 1988 viel het NIAS onder het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, sindsdien zit het onder de paraplu van de Akademie.

“De Akademie heeft vast nooit een instituut met zo’n mooie bruidsschat verworven”, zegt directeur van de Kaa, doelend op de anderhalve hectare grond die bij het NIAS hoort. In oktober 1991 zal met de bouw van een nieuw gebouw begonnen worden, want er is meer ruimte nodig. Ondermeer voor de zomercursussen voor aio’s en oio’s (assistenten en onderzoekers in opleiding), maar er zullen ook verblijven en werkkamers voor tijdelijke gasten komen.

Wat moet je doen om een jaartje fellow te worden? Prof.dr. Dirk J. van de Kaa, hoogleraar demografie en sinds 1987 directeur van het NIAS, legt het graag uit: “We hebben hier altijd zo’n veertig onderzoekers, van wie ongeveer de helft uit het buitenland komt. Wie hier wil komen kan daar zelf een verzoek voor indienen. Wij willen graag weten wat iemand tot dusver gedaan heeft, en wat hij van plan is op het NIAS te gaan doen. Er worden hier heel wat artikelen en boeken geschreven.”

Een selectie van de produktie van de laatste tijd ligt op tafel. Ook bij de ingang van de hoofdvilla staat een uitstalkast waarin te zien is dat er aan zeer uiteenlopende onderwerpen gewerkt wordt: van de verzorgingsstaat tot de dictatuur van het design, van “human motor controll” tot “Jews in another environment”. Veel publikaties (het NIAS geeft overigens zelf niets uit) zijn in het Engels, en dat is ook de voertaal op het NIAS.

De belangstelling uit het buitenland is groot. Van de Kaa: “Maar een op de vijftien buitenlanders die willen komen wordt gekozen. Ik maak meer mensen ongelukkig dan gelukkig als ik ze terugschrijf. Bij de selectie speelt geld ook een rol. We kunnen niet iedereen een volledig stipendium geven, dus als de instelling waar iemand vandaan komt bij wil dragen is dat mooi. En verder proberen we altijd een aardige groep samen te stellen, met een goede spreiding over de disciplines.”

Maar het NIAS ontvangt niet alleen individuele onderzoekers. Zo’n 25 fellows maken deel uit van een van de drie themagroepen die er elk jaar zijn.

Van de Kaa: “Die zijn wat gerichter bezig. Voorstellen voor thema’s worden beoordeeld door de wetenschapscommissie. Die bestaat uit vijftien mensen: vertegenwoordigers van NWO, van de samenwerkende Nederlandse universiteiten, van de commissie Geesteswetenschappen, van de Sociaal Wetenschappelijke Raad, en van afdeling Letterkunde van de Akademie. Die komen drie of vier keer per jaar bij elkaar, en ieder najaar kiezen ze de themata. Daarna volgt er dan overleg met potentiële fellows.”

“Leidende gedachten zijn telkens: is er voortgezet onderzoek te doen? Mag je verwachten dat een geconcentreerde inspanning tot iets zal leiden, en zal het uitstraling naar de universiteiten en hogescholen hebben, want daar werken we eigenlijk voor. Zo’n themagroep levert meestal een symposium of een workshop op, en daar verschijnt dan weer vaak een bundel van.”

‘Om een idee te geven: het afgelopen jaar waren de thema’s ‘Labourmarket and Institutions’, taalverwerving en ‘Law and psychology’. Dat laatste levert dan bijvoorbeeld een boek met casestudies op. Gevallen waarbij het gaat om de bewijsvoering en de bewijslast op basis waarvan mensen al niet veroordeeld zijn. De hoogleraren Crombag en Wagenaar maakten deel uit van die themagroep.”

Sinds begin september zijn er weer drie nieuwe groepen aan het werk. Onderzoeksthema’s dit jaar: “Orality versus Literacy”, waarbij het ondermeer gaat om de invloed van oraliteit (“vertelcultuur”) op de ontwikkeling van de geletterde cultuur, “The Reception of American Mass Culture in Europe” (hoe heeft de Amerikaanse massacultuur zich in Europa verspreid, en hoe werd daarop gereageerd?) en “Europe on the Move” (hoe zit het met de Europese mobiliteit en infrastructuur?). Onderwerpen waar de negentien individuele onderzoekers van het moment zich mee bezighouden strekken zich uit van milieurecht tot de geschiedenis van de psychoanalyse.

Daarover zullen dus het komende jaar vast wel lezingen te horen zijn op Nederlandse universiteiten, want veel gasten die in hun eentje onderzoek verrichten of uitwerken geven tijdens hun verblijf gastcolleges.

Geen telefoon

Sorteert het nu ook werkelijk effect, de rust van het NIAS? Gezegd moet worden dat men er alles aan doet om het de fellows naar de zin te maken. De lunch in de villa die het Ooievaarsnest heet is voortreffelijk, en blijkt dat bij navraag gemeen te hebben met alle maaltijden. Afleiding en smoezen om niet aan het werk te gaan worden de gasten zoveel mogelijk ontnomen. Zo hoeven ze geen dagen in bibliotheken door te brengen op zoek naar een bepaalde titel: een pendelbusje haalt en brengt alle gewenste boeken uit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het meest opvallende aan de werkkamers is dat een telefoon ontbreekt.

Van de Kaa: “Er komen hier wel mensen die als ze dat horen zeggen ‘oh nee, dat niet, ik kan onmogelijk zonder telefoon’. Als ze er per se een willen kunnen ze die ook wel krijgen, maar meestal zien ze er toch maar vanaf wanneer ik ze uitleg dat het juist onze opzet is de fellows een omgeving te bieden waarin ze ongestoord kunnen doorwerken. In een lege kamer, met alleen papier en een computer en met uitzicht op groen.”

Gevolg van het ontbreken van privételefoons is dat het in de gang van de hoofdvilla waar wel een telefoon staat, een continu komen en gaan van bellers is.

Met de werklust van de fellows zit het volgens van de Kaa wel goed: “Als je hier de concentratie niet opbrengt, waar dan wel? De mensen hebben ook een motivering om het goed te doen, en die is buitengemeen sterk, want ze leggen het zichzelf op.”

Storende factor voor Nederlandse fellows blijkt nogal eens de universiteit waar ze werken, of hun geweten. Van de Kaa: “Het is voor de Nederlanders veel moeilijker om allerlei bestuurlijke dingen niet te hoeven. Ik begrijp dat nooit helemaal en denk dan: laat ze nou eens een keer echt gaan. Maar het is vaak ook wederzijds. Fellows zijn loyaal aan hun vakgroep, of ze hebben studenten die ze niet in de steek willen laten. Toch is het ook voor vakgroepen belangrijk dat hun hoogleraar of hun UHD (Universitair Hoofddocent red.) een boek publiceert. Ik hoop dan ook dat er binnenkort een doorbraak komt: dat of het NIAS, of de universiteiten geld gaan reserveren om fellows ook in hun bestuurlijke taken te laten vervangen.”

Sinterklaas

De buitenlanders hebben andere problemen. Die moeten leren fietsen, ook al omdat de openbaar vervoer verbindingen vanaf het NIAS niet bepaald ideaal zijn. Ze leren ook hoe hard het hier kan regenen, en hun gezin met hen, want dat komt dikwijls mee. En zo kan het gebeuren dat na een poosje hun kinderen de bestelling gaan doen in een restaurant of op Nederlands overschakelen als ze onderling iets uit te praten hebben en liever niet verstaan willen worden door hun vader en moeder. De kans dat de fellows zelf even snel Nederlands leren is op het NIAS niet zo groot. Met Sinterklaas verzorgt the social committee gedichtjes in het Engels.

Sinds de komst van van de Kaa is er wel het een en ander veranderd op het NIAS. Er is al voor een half miljoen geïnvesteerd, ondermeer in computers. Zelfs eenvoudige pc’s waren er een paar jaar geleden nog niet. Nu is iedereen aangesloten op een netwerk, de VAX is bijna operationeel, en met behulp van e-mail (elektronische post) onderhouden de fellows contact met vakgenoten in binnen- en buitenland.

Zoals ze ook zullen blijven doen wanneer ze Wassenaar weer verlaten hebben. “Hier doen mensen contacten voor het leven op,” zegt van de Kaa, “en dat is belangrijk voor Nederland. Je moet dus de goede mensen zien te trekken, en dat lukt je niet zonder goede equipment.”

Hulp om iedereen te leren kennen biedt in elk geval een groot plakkaat met pasfotootjes en namen van de gasten dat op de deur van de bibliotheek hangt. De bibliotheek zelf bevat niet veel meer dan een collectie naslagwerken. En er is een speciaal plankje voor het werk van de fellows-van-het-moment.

“Scientific soul”

Van de Kaa schept duidelijk genoegen in zijn functie. Wanneer een van de fellows tijdens de lunch opmerkt dat hij hier zijn “scientific soul” teruggevonden heeft, straalt hij. En hij mag er graag op wijzen dat de letter A in NIAS er niet voor niets staat: het gaat hier om advanced studies, en er wordt goed werk gedaan. Wel is het zaak van tevoren precies te weten wat je komt doen, en dat is voor de jongeren soms moeilijk, zo wil hij wel toegeven. Wat hij zelf leuk vindt? “Mijn werk dwingt me voorstellen en andere stukken te lezen over terreinen die ik niet ken. Dat is interessant”, zegt hij.

Ondertussen laat hij ook zijn eigen vak, de demografie, niet in de steek. Hij houdt zich bezig met de aio-opleiding, geeft colleges, begeleidt promovendi en schrijft ook zelf nog steeds.

“Met mensen omgaan” noemt hij als een tweede aantrekkelijk aspect van zijn functie. Dat voordeel heeft ook zijn vice-voorzitterschap van NWO: “Dat brengt je in contact met iedereen.” Toch blijft het NIAS zijn hoofdfunctie, ook al houdt hij dat niet in zijn eentje draaiende. Er zijn achttien mensen in vaste dienst.

Onder wie een tuinman. Hij is de enige die met zijn grasmaaimachine de rust en stilte bij een wandelingetje over het terrein verstoort.

De helse herinneringen van nummer 174517, over Primo Levi

Hij was bezeten van scheikunde, techniek en wetenschap, en hij schreef daar ook over. Maar de bekendste boeken van Primo Levi gaan vooral over het concentratiekamp waar hij als verzetsstrijder en jood in belandde. Hij moest blijven vertellen welke verschrikkingen zich daar afgespeeld hadden. Tot er niets meer te vertellen viel?

 

Niet op commandotoon, maar zacht, gedempt klinkt elke ochtend het bevel “Opstaan”, soms in het Duits, meestal in het Pools: Wstawa. Het woord maakt een definitief einde aan de onrustige nachten van de gevangenen van Auschwitz. Het is 1944. Primo Levi is ingedeeld in Block 45 van wat hij zijn leven lang het “Lager” zal noemen. Want dat is het woord dat de Duitsers gebruiken voor de vernietigingskampen. Gevangenen heten er Häftlinge. Primo is sinds februari Häftling 174517, een nummer dat direct na zijn aankomst in zijn arm is getatoeëerd. Hij is 24, een joodse Italiaan uit Turijn. Niet lang daarvoor is hij afgestudeerd als scheikundige, maar dat lijkt hem een eeuwigheid terug.

In het Lager is niets zoals het “buiten”, in de gewone wereld was: wie na drie maanden nog leeft is een oudgediende. Iemand die weet dat je zelf aan een lepel moet zien te komen, die geleerd heeft te slapen bovenop een pakketje met zijn bezittingen: schoenen, muts, etensgamel, en als hij geluk heeft naald en draad om knopen mee aan zijn gore, vette gevangenishemd te zetten. Iemand ook die dat pakketje in het washok tussen zijn knieën klemt wanneer hij zich met het slijmerige, stinkende water dat er uit de kraan komt staat te wassen. Want een moment van onoplettendheid betekent al je spullen kwijt zijn.

De oudgediende is in staat ’s nachts aan het gekletter te horen of de emmer al in de “gevarenzone” is. Doordat ze alleen soep te eten krijgen moeten de Häftlinge van een barak elke nacht minstens tweehonderd liter water zien kwijt te raken: meer dan twintig emmers vol. De laatste gebruiker moet hem gaan legen in de latrine. Gekleed in hemd en onderbroek, op klompsandalen sleept hij zich slaapdronken door de sneeuw, met de walgelijk warme emmer die tegen zijn blote benen botst en die door het klotsen onvermijdelijk onderweg al iets van zijn inhoud verliest.

Maar de nacht brengt meer verschrikkingen: nachtmerries, Levi’s steeds terugkerende droom over zijn thuiskomst bijvoorbeeld. Zijn familie, zijn vrienden zijn er allemaal. Eindelijk, eindelijk kan Primo vertellen over de honger, de luizencontrole, de Kapo die hem op zijn neus geslagen heeft, het krankzinnig harde werken in de nattigheid en de kou, over het gevoel van uitputting dat geen moment ophoudt. De opluchting te praten is immens. Totdat hij ziet dat niemand naar hem luistert. Zijn zus keert zich van hem af en loopt weg, de andere toehoorders doen of hij er niet is en praten met elkaar over andere dingen.

Levi is niet de enige met deze angst. Alberto, zijn beste vriend in het kamp, heeft dezelfde droom, net als heel veel anderen, zoals later zal blijken uit de getuigenissen van overlevenden. De Duitsers dreigen er ook altijd mee: zelfs al zouden sommigen aan de dood weten te ontsnappen, zeggen ze, dan nog zou de buitenwereld nooit geloven dat die perfect geoliede nazi-moordmachine met de gaskamers echt bestaan heeft. Toch is de drang om later te vertellen wat er gebeurd is, de wil te getuigen, een van de belangrijkste dingen die Primo Levi op de been houden. Hij kijkt, observeert en slaat alles wat hij ziet op in zijn geheugen. De manier waarop hij die herinneringen later verwoord heeft (vooral in zijn eerste boek Is dit een mens? dat al in 1947 uitkwam) zouden hem uiteindelijk wereldberoemd maken. Op de een of andere manier lukte het Levi om in het vernietigingskamp een deel van zijn nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit te bewaren.

Nieuwsgierig was hij altijd al geweest. En intelligent. De kleine Primo moet een stil en tamelijk verlegen jongetje geweest zijn, maar wel eentje dat bijzonder oplettend was. Hij had ook altijd goede cijfers. “Vraag het maar aan Primo, Primo weet alles” bleef tot het einde van zijn leven een standaardgrap onder zijn vrienden en familie, wanneer ze ergens geen antwoord op wisten.

Levi groeide op in fascistisch Italië: ongeveer een jaar na zijn geboorte (op 31 juli 1919) kwam Benito Mussolini aan de macht. Levi’s ouders, Cesare Levi en Ester Luzzati, waren beide afkomstig uit joodse families, maar ze deden niet erg veel aan hun geloof. Vader Levi was bijvoorbeeld zo dol op ham, dat hij telkens opnieuw voor de verleiding bezweek er eentje te kopen, ondanks het joodse gebod geen varkensvlees te eten. Primo werd dus niet buitengewoon vroom opgevoed – bij het feit dat hij joods was dacht hij eigenlijk nooit na – en na Auschwitz was het voor hem helemaal onmogelijk geworden om aan te nemen dat er een god bestond.

Italië was dan wel fascistisch, er was een groot verschil met het fascisme in nazi-Duitsland: joden werden er niet vervolgd. Pas in november 1938 – Levi was toen 19 – werden er onder druk van Duitsland rassenwetten van kracht in Italië. Toen werden de joden ineens uitgesloten van allerlei banen, ze mochten geen radio hebben of overlijdensadvertenties plaatsen, en er verschenen overal bordjes “verboden voor honden en joden”. Als schooljongen kon Primo nog een beschermd leventje leiden. Hij kwam uit een kleurrijke, redelijk welgestelde en ontwikkelde familie. Zijn grootvader was dokter, zijn vader een ingenieur met een brede belangstelling. Primo groeide op tussen boeken. Het gezin, (vader, moeder en Levi’s twee jaar jongere zus Anna Maria) woonde aan de Corso Re Umberto, in een bakstenen herenhuis, niet ver van het centrum van Turijn. Afgezien van een paar “onvrijwillige onderbrekingen”, zoals hij het zelf noemde, bleef Levi zijn leven lang in datzelfde huis wonen.

Primo was verlegen, maar ook handig en al vroeg geïnteresseerd in techniek. Op zijn elfde probeerde hij het hart te veroveren van een negenjarig meisje op wie hij dodelijk verliefd was, door haar een klok te geven. Je kon er niet op zien hoe laat het was, maar hij werkte wel en Primo had hem helemaal zelf ontworpen en met een vriendje gebouwd van Meccano-onderdelen. Tot zijn grote teleurstelling keurt het meisje zijn meesterwerk nauwelijks een blik waardig. Jongensverdriet.

Levi houdt het lang moeilijk met meisjes. Als hij al in de twintig is heeft hij voor het eerst een vrouw in zijn armen: Giulia, een oud-studiegenootje, en een collega van het farmaceutisch laboratorium in Milaan waar hij in 1942 is gaan werken. Giulia is verloofd. En bang voor onweer: die angst drijft haar in Primo’s armen. Hij verlangt hevig naar haar, maar durft dat niet echt te laten merken. Primo Levi’s rol is die van goede vriend en luisteraar. Van kind af aan “kleeft me het biechtvaderschap aan” zegt hij zelf. Ondertussen is hij er in die fase van zijn leven van overtuigd dat zijn onvermogen vrouwen te benaderen nooit meer over zal gaan.

Zijn grootste avonturen voor zijn deportatie naar Auschwitz, beleeft hij op wandeltochten in de Piemontese bergen, met zijn vriend Sandro Delmastro. Sandro is een taaie, die met zijn blote handen klimt en dagen zonder eten kan als het moet. Primo leert voor het eerst ontberingen kennen, en raakt een beetje gehard. Hij is Sandro, (die zelf in 1944 door de fascisten met een nekschot vermoord werd), daar altijd dankbaar voor gebleven.

Avontuur vond hij ook in de scheikunde. Levi hield echt van het mengen, scheiden en experimenteren met stoffen. Nog voor hij chemie ging studeren voerde hij al volstrekt onverantwoorde proefjes uit, onder andere in een tot laboratorium omgebouwde slaapkamer van de ouders van een vriend. Resultaat: ontploffingen, die gelukkig geen blijvende gevolgen hadden. Levi bouwde ondertussen een zeer persoonlijke relatie op met de stoffen waarmee hij werkte.

In zijn boek Het periodiek systeem (verschenen in 1975) is daar veel van terug te vinden. Alle hoofdstukken in dat boek hebben een chemisch element als titel: van Argon tot Koolstof. Hij vertelt over die stoffen (“Tin was een vriend”) en hun eigenschappen (“Natrium is kneedbaar als was”), of over de manier waarop hij ermee in aanraking kwam en verbindt ze vernuftig met gebeurtenissen of personen die belangrijk waren in zijn leven. Hij was in staat de wereld door een soort chemie-bril te bekijken, en hij vond het zelf zo’n mooi vak dat hij niet kon nalaten er anderen over te vertellen. Zonder dat er onbegrijpelijke technische termen gebruikt worden, spreekt uit veel van Primo Levi’s verhalen de lol die hij in wetenschap had.

In 1941 studeert Levi summa cum laude (met de hoogste lof) af. “Van het joodse ras” staat er op zijn bul. Werk vinden was voor een jood lastig geworden. Na even een half-legaal baantje bij een asbestmijn bij Turijn gehad te hebben, verhuist Levi met een club vrienden naar Milaan. De tijd van grote veranderingen breekt aan. In 1942 jaar sterft zijn vader aan kanker. In 1943, als de Duitsers het noorden van Italië bezetten, (het zuiden staat inmiddels aan de kant van de geallieerden), besluit Levi het verzet in te gaan. Hij en zijn vrienden trekken – onervaren als ze zijn – de bergen in om als partizaan te vechten tegen het fascisme.

Maar veel kans daarvoor krijgt hij niet. Binnen een paar maanden wordt zijn groep verraden. Levi wordt op 13 december 1943 opgepakt en naar Fossoli gebracht (een overgangskamp, zoiets als Westerbork in Nederland). Om redenen die hij zelf nooit helemaal begrepen heeft (vage nooit eerder gevoelde trots?) vertelt hij daar tijdens de verhoren dat hij joods is. In februari 1944 volgt dan de deportatie naar Auschwitz. Levi’s moeder is inmiddels ondergedoken op het platteland, zijn zuster is koerierster voor de partizanen. Allemaal overleven ze de oorlog.

Waarom overleeft Levi het vernietigingskamp Auschwitz, en zoveel anderen niet? Wat is het verschil tussen De verdronkenen en de geredden, zoals Levi ze in de titel van zijn laatste boek aanduidt. “De besten zijn allemaal dood” zegt hij daarin. De “geredden” zijn degenen die zich aanpasten: de egoïsten, de collaborateurs, de spionnen. Die daarnaast ook nog een forse portie geluk hadden, want in het kamp kon je nergens op rekenen.

Levi had in de hel die het Lager was een paar dingen mee: hij was jong, slim en vindingrijk, hij had scheikunde gestudeerd en kende meer talen dan alleen Italiaans. Dat laatste was van levensbelang in de Toren van Babel die de vernietigingskampen waren. Het kleine beetje Duits dat hij sprak liet hij door een medegevangene bijspijkeren, tegen betaling van halve broodrantsoenen. Toen hij veel later, als directeur van een verffabriek eens onderhandelde met Duitsers, vroegen die, verbaasd over de plat- en ruwheid van zijn taalgebruik, waar hij Duits geleerd had. “In het Lager” was het pijnlijke antwoord.

Zijn studie zorgde ervoor dat Levi na een paar maanden ingedeeld werd bij het chemie-commando: Kommando 98. Eerst hield dat nog steeds sjouwen en graven en ander uitputtend werk in, maar in de winter van ’44-’45 kwam hij in het laboratorium van de Buna-fabriek (een dochteronderneming van IG-Farben) terecht. Dat betekende: warmte en veel dingen om te stelen. Die werden dan in het kamp weer omgezet in eten.

Alles wat Primo “organiseerde” (de kampterm voor de levendige handel) deelde hij met zijn vriend Alberto, die op zijn beurt hetzelfde deed. Zo aten ze samen het halve bord stijfgeworden soep op waar nog een lepel in stak, dat ze geruild hadden tegen een stel pipetten die Levi uit het laboratorium had meegenomen. Zo’n half leeggegeten bord kon in het Lager alleen komen van iemand die doodziek was. Vlak daarop kreeg Primo roodvonk en moest naar de ziekenbarak. Alberto niet, die had als kind roodvonk gehad. Vandaar dat Levi zonder hem achterbleef toen de Russen en dus de bevrijding vlakbij waren, en de Duitsers in de nacht van 17 op 18 januari 1945 alle “gezonde” Häftlinge meenamen op een dodenmars. De altijd optimistische en ongebroken Alberto die Primo erdoor gesleept had, kwam niet terug.

De bevrijding betekende niet dat de overlevenden meteen op een comfortabele trein naar huis werden gezet. Europa was een chaos. Primo Levi maakte een zes maanden durende zwerftocht door Polen, de Oekraïne, Wit-Rusland, Roemenië, Hongarije en Oostenrijk voordat hij thuis was. Die absurde reis waarin onbekommerd geluk en verschrikkelijke kwellingen elkaar in een moordend tempo afwisselden, heeft hij zeventien jaar daarna beschreven in Het Respijt. Thuis is iedereen er nog en gelukkig luisteren ze als hij dagen en dagen aan een stuk door vertelt.

De eerste maanden daarna zijn een verschrikking voor Levi. Hij heeft een oninteressant baantje bij een vernisfabriek aangenomen, maar door zijn hoofd spoken de schuldgevoelens, de beelden uit het kamp, “de naam en het gezicht van de vrouw die met mij naar de onderwereld was gegaan en niet was teruggekeerd”. Hij schrijft koortsachtig en zonder vooropgezet plan aan Is dit een mens. Dan ontmoet hij Lucia Morpurgo. Binnen een paar uur weet hij dat zij het is, voor de rest van zijn leven, en zo is het ook gegaan. Ze trouwen in 1947 en krijgen later een dochter, Lisa, en een zoon: Renzo.

In 1947 verschijnt ook zijn boek. Het wordt gunstig besproken, maar niemand koopt het. De laatste 500 exemplaren van de eerste druk zijn begin jaren zestig verloren gegaan bij de grote overstroming in Florence. Levi moet dus zijn brood op een andere manier zien te verdienen. Hij wordt scheikundig onderzoeker bij een kleine vernisfabriek bij Turijn. Daar blijft hij (uiteindelijk als directeur) tot 1975 werken. Pas dan wordt schrijver zijn hoofdberoep. Op dat moment is er al heel wat van hem verschenen, autobiografisch werk, dat inmiddels wel succes heeft in binnen- en buitenland, maar ook verzonnen verhalen. Een soort “fantastische vertellingen” waarin techniek en wetenschap vaak een rol spelen. Voor hemzelf zat er duidelijk verschil tussen zijn herinneringen en het meer literaire werk, zijn eerste bundel vertellingen verscheen onder het pseudoniem Damiano Malabaila.

Het afscheid van zijn loopbaan als chemicus noemde hij “een meer pure, minder besmette bevrijding” dan die uit het Lager. Toch bracht het hem niet helemaal wat hij gehoopt had. Vooral in de jaren tachtig stokte zijn produktie. Hij was vaak somber, had “de indruk de reservoirs te hebben uitgeput”. Het Lager bleef hetgeen dat hem het meest intrigeerde. De ideeën die hij naar aanleiding van zijn herinneringen aan Auschwitz in de loop der jaren ontwikkelde over de menselijke psyche, legde hij uiteindelijk vast in de bundel essays De verdronkenen en de geredden. Zijn naam is er definitief mee gevestigd.

De 11e april 1987 is een stralende lentedag, een van de eerste van dat jaar. Aan de Corso Umberto Re, in het huis waar zijn lievelingsstoel staat op dezelfde plek waar hij ruim 67 jaar eerder geboren werd, wordt Primo Levi dood aangetroffen op de bodem van de liftschacht. Is hij van de derde verdieping naar beneden gesprongen? Veel vrienden en familie denken van wel, ook al had niemand het verwacht. Was het een opwelling? Een langgekoesterd plan? Kon hij niet meer tegen de ziekte van zijn moeder die al heel lang verlamd in bed lag? Waren het toch de oorlogsherinneringen, of het feit dat het schrijven niet meer goed wilde lukken? In de documentaire van Netty Rosenfeld over Levi, die in maart door de VPRO werd uitgezonden, zegt Primo’s nicht Giulia dat hij waarschijnlijk niets meer te zeggen had. Hij had alles al opgeschreven. Op zijn graf staat: Primo Levi, 174517, 1919-1987.

“Ik heb zo’n hekel gekregen aan de boekenkist, daar praat ik niet meer over”

Noemen ze hem nu De Groot of Grotius? De wetenschappelijke staf van het Grotius Instituut – historici en filologen, drie mannen, een vrouw – weet het eigenlijk niet. “Alletwee door elkaar” zegt de een, “De Groot als het over zijn Nederlandse geschriften gaat, anders Grotius”, zegt een ander.

Interessant vinden ze wonderkind en homo universalis Hugo de Groot allemaal. Nog steeds, ook na jaren zoeken en puzzelen met handschriften en oude uitgaves van deze internationaal bekende geleerde uit de Gouden Eeuw.

Dat alles om anderen van dienst te zijn: want vakhistorici en andere geinteresseerden zijn degenen die aan de slag moeten met de niet-corrupte versies van De Groots werken die het instituut “bezorgt”, zoals dat bij teksten zo mooi heet. De staf heeft er plezier in. Ze zijn zo in Grotius’ leven en werken ingevoerd dat ze onderling aan een half woord voldoende hebben om gezamenlijk in lachen uit te barsten over iets dat een buitenstaander waarschijnlijk zelfs na uitvoerige uitleg nog niet helemaal zou kunnen vatten.

De medewerkers bezetten een rijtje kamers die allemaal rechtstreeks in de bronnenzaal van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag uitkomen. Dat is ideaal, volgens instituutshoofd Dr. Henk Nellen. “Je hoeft niets uit het magazijn aan te vragen, je kunt de boeken zo van de plank pakken. En ik loop regelmatig voor één letter of de juiste interpunctie naar beneden.”

Hoe dat in de toekomst zal zijn weet hij niet. Het Grotius Instituut zal binnenkort samen met het Bureau Basisvoorziening Tekstedities en het Secretariaat voor de Erasmuseditie één Akademie-instituut gaan vormen. Hoe dat precies zal heten, of waar het gehuisvest zal worden kan hij nog niet zeggen.

Voelt hij voor zo’n fusie? Nellen: “Ja, ik denk dat zo’n groter instituut op zich goed is. Een grotere groep kan inspiratie opleveren. En er staat nog genoeg op stapel. Zoals het ijverige ambtenaren betaamt hebben we onze werkzaamheden uitgebreid. De gedichten zijn erbij gekomen, dat worden vijf delen, waarvan er dit jaar nog twee uitkomen.  We zijn net begonnen met de Groots theologica: dat worden al drie delen. En we willen ook graag werk van tijdgenoten gaan uitgeven.”

 Hapklaar

Het Grotius Instituut bestaat precies vijfentwintig jaar. Het jubileum wordt vanwege de op handen zijnde fusie niet speciaal gevierd. Wel is er altijd een presentatie wanneer er een nieuw deel van De Groots correspondentie verschijnt.

Want voor die correspondentie werd het instituut opgericht. Van 7600 brieven moet de juiste tekst vastgesteld worden en die teksten worden dan ook nog eens voorzien van een uitgebreid notenapparaat met uitleg. Nellen: “Iedere boektitel, iedere persoon wordt geannoteerd. We maken de bronnen hapklaar voor de gretige historicus.”

En dat is veel werk. Om een idee te geven: de maand juli 1643 is nu af. Dat zijn de brieven 6294 tot 6347, die samen vijftig getikte pagina’s A4 opleveren. De brieven, en ook de antwoorden die erop kwamen, worden chronologisch uitgegeven. Het einde is dus in zicht: Hugo Grotius stierf op 28 augustus 1645. Over vier of vijf jaar verschijnt deel zestien van de briefwisseling en dan rest alleen nog de uitgave van brieven die nog steeds uit archiefcollecties en andere hoeken en gaten tevoorschijn komen.

Nellen: “We schatten dat meer dan de helft kwijt is. Het probleem met de brieven is natuurlijk dat hij ze verzond. Je bent dus afhankelijk van wat de ontvanger met zijn post gedaan heeft. Soms weet je uit oude veilingcatalogi waarin dan abstractjes staan dat er meer brieven geweest moeten zijn. Maar De Groots brieven waren altijd populair. Zelfs tijdens zijn leven verschenen er al uitgaves van. Er zitten ok echt juweeltjes tussen. Alle edities tot 1950 zijn ons referentiekader.”

Je moet een beetje polyglot zijn om De Groots brieven te kunnen lezen: veertig à vijfenveertig procent schreef hij in het Latijn, ongeveer een kwart in het Nederlands, nog eens een kwart in het Frans en een klein beetje – drie of vier procent – in het Duits.

Dat is goed te begrijpen voor iemand die Hugo de Groots leven kent en daarnaast bedenkt dat Latijn het Engels van de zeventiende eeuw was. De Groot woonde tot zijn grote droefenis lange jaren in ballingschap in Parijs en ook een tijdje in Hamburg.

Terwijl het allemaal zo mooi en veelbelovend begonnen was: op zijn achtste maakte de kleine Grotius uit Delft al gedichten in het Latijn, op zijn elfde ging hij rechten studeren in Leiden, en op zijn zestiende werd hij advocaat. Binnen de kortste keren was hij behalve jurist ook nog theoloog, classicus, filoloog, historicus, staatsman en diplomaat. Maar een echte homo universalis mag je hem van Nellen niet noemen: “De Groot leefde in de tijd dat de natuurkunde opkwam. Hij was bijvoorbeeld een tijdgenoot van Kepler en Galileï. Dat volgde hij niet. Grotius was een echte humanist, die zich baseerde op het oude Latijnse en Griekse erfgoed. Zoeken naar iets nieuws hoorde daar niet bij.”

Delfts orakel

Hoe De Groot in Parijs terecht kwam weet elke Nederlander: in een boekenkist. Bij dat woord loopt Nellen onmiddellijk de kamer uit onder het roepen van de woorden: “De boekenkist! Daar heb ik zo’n hekel aan gekregen. Ik praat er niet meer over”.

Hij blijkt niet echt gevlucht te zijn. Even later komt hij weer binnen met een boek dat uitgegeven is toen de geboorte van Hugo de Groot (op 10 april 1583) vierhonderd jaar geleden was. Het Delfts orakel Hugo de Groot heet het, een titel die Vondel hem toedacht. Daarin ook het verhaal van de boekenkist, en wat er aan voorafging. 

“Alderliefste” 

Met al zijn kwaliteiten en zijn ervaring, bijvoorbeeld als juridisch adviseur van de Oost-Indische Compagnie en als pensionaris van Rotterdam, was De Groot de gedoodverfde opvolger van Van Oldenbarnevelt. Hij had zijn politieke lot aan dat van de raadpensionaris verbonden.

En dat het met Johan van Oldenbarnevelt slecht afliep weet ook elke Nederlander. Het drama voltrok zich in 1619, tijdens het Twaalfjarig Bestand. (Hugo de Groots hele leven lang was het oorlog, naar later zou blijken: de Tachtigjarige Oorlog.) Prins Maurits brak in dat jaar de politieke macht van de Remonstranten (de aanhangers van Arminius die in 1610 was overleden) waartoe Oldenbarnevelt en De Groot behoorden. De eerste werd onthoofd, de tweede opgesloten in slot Loevestein.

De Groots “alderliefste” vrouw Maria van Reigerberch, met wie hij in 1608 getrouwd was, voegde zich daar bij hem, met hun dochtertje Cornelia. In 1621 volgde de spectaculaire, door zijn vrouw en de dienstbode Elsje van Houweningen beraamde, ontsnapping per boekenkist.

Een gegeven dat zo tot de verbeelding spreekt dat er zelfs onderzoekers geweest zijn die zich bezighielden met de vraag welk boek als De Groots hoofsteun heeft gediend. Afstammelingen van Grotius claimen de kist in hun bezit te hebben, maar er is ook een kist in Amsterdam die “de echte” zou kunnen zijn: die zou uit de nalatenschap komen van de familie Daetselaer waar De Groot zich verkleedde voordat hij naar Antwerpen en later Parijs vluchtte.

De kist in slot Loevestein is zeker niet authentiek: die is een keer op een veiling aangeschaft omdat men gek werd van de bezoekers aan het slot die bleven vragen naar “de boekenkist waarin Hugo de Groot ontsnapt is”.

Fotografisch geheugen

Tegen de tijd dat Grotius in Parijs arriveerde, waar hij met open armen ontvangen werd, was er al heel wat werk van hem verschenen. Zijn boek over het zeerecht Mare liberum was beroemd. Zijn in Parijs geschreven boek “over het recht van oorlog en vrede” (De iure belli ac pacis) zou nog veel beroemder worden. Dit jaar kwam er nog een nieuwe Nederlandse vertaling van uit. Zijn boek In-leydingh tot de Hollandtsche rechts-geleertheyt werd tot in achttiende eeuw gebruikt aan de Leidse universiteit bij de colleges over het “hedendaags recht”.

Wat was er zo bijzonder aan het werk van De Groot dat het zolang zo populair bleef? Nellen: “Hij bracht orde in de chaotische stand van de wetenschap. Er was nog nooit iemand geweest die had geinventariseerd wat de gebruikelijke rechtsgang was in de wereld. Er waren alleen een hoop kwesties en veel jurisprudentie. De Groot was een echte systematicus. Een ordenende geest die hield van verdelingen en onderverdelingen. En hij wist heel veel. Er zijn getuigenissen dat hij een fotografisch geheugen had, al zullen ze dat toen niet zo genoemd hebben. Het was een helder schrijver. Zijn Latijn levert nooit echte problemen op. Je begrijpt meteen wat hij bedoelt. Zelfs zijn nagelaten papieren zijn heel ordelijk.”

“Of hij ook oorspronkelijk was zou ik niet durven zeggen. Dat je oorlog zou kunnen voeren volgens regels was nieuw. Maar vaak is het moeilijk om na te gaan op wie hij zich baseert, hij pleegt soms plagiaat zonder het te zeggen. Originaliteit was in de zeventiende eeuw natuurlijk ook helemaa geen verdienste. Zendingsdrang had Grotius trouwens wel: hij was heel bang dat hij dood zou gaan voor hij alles gezegd had. Hora ruit, de tijd vliegt, was zijn lijfspreuk. Hij had ook de angst dat zijn ideeën verdraaid zouden worden. Hij werkte koortsachtig en ergerde zich aan drukkers die hun werk niet goed of niet snel genoeg deden.”

Verdraagzaamheid 

“Met zijn opvattingen over theologie was hij in zekere zin zijn tijd vooruit. Hij vond dat je mensen niet om hun geloof mocht verketteren en wilde de dogmatiek laten rusten. Onderlinge verdraagzaamheid was zijn devies. En alles en iedereen in zijn waarde laten.”

“Dat deed hij ook met bronnen: hij probeerde de bijbelse geschiedenis te verzoenen met andere bronnen. Dat was nieuw. Zijn bijbelannotaties beslaan 3000 folio-vellen. Ze gaan allemaal over hoe de bijbel in zijn historische context opgevat moest worden. Hij probeerde die bijbel te plaatsen binnen de kennis van de Griekse en Romeinse geschiedenis die er toen was. Die bronnen waren nog nooit gebruikt.”

De Groot heeft een imposante hoeveelheid werk nagelaten. Ook gedichten (veel gelegenheidspoëzie), toneelstukken (Adamus exul bijvoorbeeld, waar Vondel zijn Adam in ballingschap voor een groot deel op gebaseerd heeft), en geschiedkundig werk (onder andere een geschiedenis van de Gothen, Vandalen en Longobarden). Het meeste is in het buitenland geschreven.

Zijn leven lang heeft Hugo de Groot gehoopt dat hij terug kon keren naar zijn vaderland. Zijn verwachtingen waren hoog gespannen toen Prins Maurits stierf en opgevolgd werd door Frederik Hendrik in 1625. 

Stijve bovenlip

De Groot waagt het erop en komt even naar Nederland. Maar omdat hij volledig eerherstel verlangt gaat het mis. Hij wordt vogelvrij verklaard en vlucht naar Hamburg, waar hij de ongelukkigste en minst produktieve twee jaar van zijn leven doorbrengt.

In 1634 treedt hij in Zweedse dienst en wordt ambassadeur in Parijs, wat hij tien jaar zal blijven. Hij werkte er hard maar de politieke omstandigheden warenwaren moeilijk en waardering bleef uit. In 1645 reist hij naar Stockholm en neemt ontslag uit Zweedse dienst.

Op de terugweg naar Frankrijk lijdt hij schipbreuk. Hij wordt ziek en overlijdt in Rostock, 53 jaar oud. Drie jaar voor de Vrede van Munster, die de oorlog zou beëindigen. Een vrede waaraan De Groot met zijn geschriften over tolerantie een wezenlijke bijdrage had geleverd.

“Het was een nette, keurige correcte man,” zeggen de medewerkers van het Grotius Instituut, “het type van de stijve bovenlip”, “een Pietje Precies met een hele lieve broer”.

Wat nu de leukste brieven zijn om te bewerken? Nellen: “De persoonlijke brieven. Vooral aan zijn broer Willem en aan zijn zwager. Vaak ging het om opvoedingsproblemen met zijn drie zoons, Cornelis, Pieter en Diderik, die in Holland woonden en daar hun opleiding kregen.” Over het nut van de uitgave van de werken van Grotius is hij duidelijk: natuurlijk zijn er veel dingen te bedenken die een directer en praktischer nu hebben, “maar wie zich in de zeventiende eeuw verdiept kan de boeken en brieven van De Groot niet passeren”.

“Het hart levert niet op krediet”

Er wordt goede koffie, mét cafeïne, geschonken bij het ICIN, het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland. “Júist met cafeïne,” zegt instituutsdirecteur Prof. F.L. Meijler, “die décafeïne heeft een hoger cholesterolgehalte, net als gekookte koffie. Ach, weet u, als het om het hart gaat wordt er heel veel onzin beweerd.”

“Dat komt omdat we moeilijk kunnen aanvaarden dat we iets niet weten. We willen voor elk probleem een oplossing, en dat geldt ook voor artsen. Dat zijn net mensen. Die zeggen liever niet tegen een patiënt ‘ik weet niet hoe u er aan komt’. Dat verkoopt ook slecht natuurlijk. Ik ben erg doortrokken van het tekortschieten van onze kennis. We weten onvoldoende hoe het hart werkt, want telkens als we een gordijn hebben opgetrokken blijkt er weer een ander achter te hangen.”

Meijler (65) komt er een paar keer op terug. “We willen zo graag verklaringen, daaraan danken godsdiensten hun bestaan, maar we hebben niet voor alles een verklaring. Als twee dingen gelijktijdig optreden betekent dat nog niet dat er een oorzakelijk verband is. Professor Durrer, de oprichter van het ICIN, zei altijd ‘ja, ja, als ze in Afrika op de tamtam slaan krijg je een zonsverduistering’. Dat er dus een causaal verband zou zijn is natuurlijk bullshit. Het klopt allemaal niet. Preventie geeft geen garanties. Johan Cruyff bijvoorbeeld had met al die sport juist gezond moeten zijn. Ik zeg niet dat die veertig sigaretten per dag waar iedereen het over had en de spanningen géén ongunstige factoren geweest zijn, maar je komt ook coronair lijden tegen bij niet-rokende rentenierende vegetariërs.” 

Zuurstofschuld 

Coronair lijden is jargon voor het terrein waar het ICIN zich op richt: problemen in het functioneren van de kransslagaders, de twee slagaders die de hartspier verzorgen, en die dus van vitaal belang zijn voor de bloedsomloop en zuurstofvoorziening in ons lichaam.

Meijler: “Het hart is een bijzonder orgaan. Je hebt er natuurlijk maar een van, maar het is ook het enige orgaan dat niet levert op krediet. Andere organen kunnen nog wel functioneren met een ‘zuurstofschuld’, maar de hartspier heeft de gekke eigenschap dat hij al zijn geld meteen opmaakt: zodra er een blokje bloed naar het hart gaat wordt het direct ook weer helemaal leeggemaakt. Een kransslagadervernauwing is echt heel vitaal, want dat kan maken dat er niet voldoende bloed de hartspier bereikt.”

“Hoe het hart werkt is natuurlijk in zekere zin wel bekend, en ook al zijn we voor sommige dingen nog in het stadium van het geloof, mijn nieuwsgierigheid wordt wel altijd gewekt. En ik ben ook vervuld van de pure schoonheid, de perfectie van het hart. Dat is tachtig, negentig jaar lang in staat om tussen de vijf en tien liter bloed per minuut uit te pompen. Reken maar uit wat dat betekent. Dan kom je al gauw op 7000 liter per dag. Het rendement is enorm, er is geen pomp, geen machientje dat zo effectief werkt. En het loopt overal op, het vreet echt alles.”

Beperkte middelen

Het ICIN kan helpen bij de zoektocht naar de precieze werking van het hart, maar eigenlijk bestaat het instituut niet, zegt Meijler: “Het is een state of mind. Het werk gebeurt niet hier, maar op de verschillende universiteiten, inde ziekenhuizen en de laboratoria. Dit hier is een kantoor waar projecten gecoördineerd worden.”

“Professor Durrers optiek was indertijd dat in een klein land met beperkte middelen en talenten het diagnostiseren en behandelen van cardiale calamiteiten beter gebundeld kon worden. Het gevolg is geweest dat de cardiologie het in Nederland goed gedaan heeft. Wij zijn bijvoorbeeld heel vroeg begonnen met spectroscopisch onderzoek. Dat maakt gebruik van de magnetische resonantie in het hart, een fysisch principe waarmee je de biochemie binnenin een cel kunt bestuderen, zonder dat je die cel kapot hoeft te maken. Die chemische processen zijn om te zetten in beeld. Daarmee kun je de menselijke hartspier onderzoeken, en dat is bijvoorbeeld heel belangrijk bij harttransplantaties.” 

Meijler, zelf cardioloog met nog steeds een paar patiënten, volgde ICIN-oprichter Durrer in 1983 op. Op het ogenblik is het instituut gevestigd in het ‘winkelhart van Nederland’ Hoog Catharijne in Utrecht, maar het begon allemaal in 1973 met samenwerking van de ziekenhuizen van de UvA, de VU, Utrecht en Rotterdam. De andere universiteiten sloten zich later aan.

Toen het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, waar Durrer werkte, een hartkliniek gebouwd had, kwam daar wat bureauruimte voor het ICIN. Na de sluiting van het WG maakte het instituut een kleine rondgang door Utrecht: van het Academisch Ziekenhuis, via het bestuursgebouw van de universiteit nu dan sinds een paar jaar de Catharijnesingel.

Een praktisch gelegen plek, vindt Meijler: “Eens in de maand komen alle hoogleraren hier, en het scheelt gewoon reistijd. Zelf ben ik vanuit hier met een beetje geluk in een half uur op de Akademie. Maar het is hier natuurlijk niet de ambiance van een universitair ziekenhuis, en ik mis die wel.”

Alles bij elkaar werken er in het niet-bestaande instituut toch nog zo’n 65 mensen. Velen part time of op tijdelijke basis. Bij het ICIN geen klachten over ruimtegebrek: er is net een vleugeltje bijgekomen dat nog niet eens ingericht is. Bij de PUI-operatie is het ICIN-budget van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen overgeheveld naar de KNAW, die Meijler als lid goed kende. De basisfinanciering bedraagt 2,8 miljoen gulden, maar de omzet is bijna tien miljoen. Het ICIN heeft onder andere wat Meijler een “marriage de raison” noemt gesloten met de Hartstichting.

Meijler: “Die heeft in de fondsenwerving een monopolie. Wanneer wij als ICIN de straat op gaan dan komt er gewoon minder geld binnen. Dus financiert de Hartstichting sommige projecten. Momenteel zijn we aan het praten over een lump sum, in plaats van die betaling per project.”

Maar ook de industrie is soms bereid veel geld te steken in onderzoek. Bijvoorbeeld in het ICIN-project dat Regress heet. Meijler: “Dat is een onderzoek naar het effect van cholesterolverlaging op het ziektebeeld van het kransslagadersysteem bij mannen tussen de 55 en 70. Die mannen hebben wel coronair lijden, maar geen verhoogd cholesterolgehalte. De vraag is of er een ‘vertraagde progressie’ plaatsvindt, dat wil zeggen: een langzamere achteruitgang bij de patiënt, wanneer je toch die cholesterol verlaagt. Dat kan met een spulletje dat pravastatine heet. De industrie stopt twaalf miljoen in dit onderzoek dat nu dik een jaar loopt. Die hebben hooggespannen verwachtingen.”

“Kijk, er zijn drie manieren om patiënten met een kransslagadervernauwing te behandelen: je legt een ‘omweggetje’ aan, een by pass, of je dottert ze, dan maak je de doorgang wijder door in de ader een soort luchtballonnetje op te pompen, of je geeft ze medicijnen. Nou werd er altijd gedacht dat die drie groepen ongeveer even groot waren, maar het blijkt dat de meeste patiënten medicijnen krijgen. Dat is dus een hele grote markt.”

Enthousiasme

“Ikzelf verwacht van het onderzoek niet zo erg veel, omdat we eigenlijk niet weten wat we doen. Coronair lijden en een hoog cholesterolgehalte zijn wel gecorrelleerd, maar het is natuurlijk niet gezegd dat je de ziekte geneest wanneer je die cholesterol nu maar omlaag brengt. Een geneesmiddel is volgens mij toch een middel in plaats van een doel. Wat niet wegneemt dat ik wel eens zou willen weten of zo’n kunstmatige cholesterolverlaging effect heeft. Door die vraag wordt mijn enthousiasme voor het project ingegeven.” 

Sinasprilletje

Het ICIN coördineert ook een onderzoeksproject naar het openhouden van by passes. Het blijkt dat bij een flink aantal mensen zo’n by pass een jaar na de operatie weer dicht zit. Geef je ze anti-stollingsmiddelen en asperine dan is er meer kans op succes. In welke volgorde en verhouding die middelen toegdiend moeten worden is wat er onderzocht wordt.

Meijler: “Vanuit Groningen komen er razend interessante resultaten. Nog niet alles staat helemaal vast, maar het lijkt er toch op dat je die patiënten het beste eerst even kunt anti-stollen, en daarna moet je ze asperine geven. Dat hoeft maar een heel klein beetje te zijn, zoiets als er in een sinasprilletje zit. Anti-stollingsmiddelen zijn heel duur, en daar blijken we maar weinig van nodig te hebben. Deze studie gaat tientallen miljoenen per jaar besparen. Daarom vind ik ook dat WVC wel eens een paar centen aan ons kan uitgeven. Kosten in de wetenschap moeten niet je eerste incentive zijn, maar je kunt ze wel in de gaten houden.”

Dan is er nog het netwerk met de prachtige naam CADANS. Meijler: “Ook daarin zijn we niet meer dan een soort transformatorhuisje, we hebben hier alleen een paar computertjes staan. In CADANS komen informatica en cardiologie samen. Het is een netwerk tussen de onderzoekscentra waarin patiëntengegevens zitten. Bijvoorbeeld de ECG’s van alle Academische Ziekenhuizen, en angiogrammen, dat zijn röntgenopnames van de kransslagader.”

“CADANS is echt een goed voorbeeld van het bundelen van krachten. Stel, je wilt weten hoe het met een bepaalde afwijking zit bij vrouwen van veertig met rood haar – ik noem maar iets willekeurigs – dan is het prettiger als je een miljoen electrocardiogrammen tot je beschikking hebt dan bijvoorbeeld maar tienduizend.”

Meijler spreekt met verve over alle ICIN-activiteiten. Publiciteit is vreselijk belangrijk, zegt hij, ook al omdat politici pas iets doen als het moet, dus als er ergens belangstelling voor is. Die belangstelling moet je wekken. Daarom geeft het instituut bijvoorbeeld ook een kleurrijk en glanzend ICIN Journaal uit. Maar Meijlers neiging om aan de weg te timmeren geeft tot zijn spijt niet altijd het gewenste resultaat.

Zo vindt hij het nog steeds jammer dat geen enkele omroep de prachtige film heeft willen uitzenden van de walvisexpeditie waarvan hij een paar jaar geleden deel uitmaakte. Dat was meer een privé- dan een ICIN-onderneming, maar Meijler wil er graag over vertellen. Vooral ook omdat hij hoopt binnenkort opnieuw op jacht te kunnen gaan naar het enige electrocardiogram dat nog niet bekend is: dat van de walvis.

Waarom de walvis? Meijler: “Dat is echt een fascinerend verhaal. Kijk, de walvis is het grootste zoogdier dat er bestaat. Een walvissenhart kan zo groot zijn als een paard. Maar dat hart is wel gebouwd met de blauwdrukken en de bakstenen van een mensenhart, en dat geldt ook voor een muizenhartje. Ze zijn allemaal hetzelfde. Voor alle harten van zoogdieren geldt dat ze pas samentrekken na een elektrisch signaal. Dat is wat een ECG signaleert.”

‘Als je nu de ECG’s van al die dieren vergelijkt dan blijkt er iets merkwaardigs. Neem bijvoorbeeld een rat van een half pond. Die heeft een hart dat een of anderhalve gram weegt. Een olifant kan twintigduizend keer zo zwaar zijn, en die heeft dan ook een hart van bijvoorbeeld vijfentwintig kilo. Van al die beesten kennen we de ECG’s. Een ECG meet zoals gezegd een prikkel, een elektrische impuls. Die begint ergens en verplaatst zich. Hij gaat van A naar B. Bij een rat duurt dat bijvoorbeeld 35 milliseconden, en bij een olifant 350 milliseconden, dus tien keer zo lang. Maar de afstand die overbrugt moet worden is bij de olifant veel meer dan tien keer zo groot.”

“En dat terwijl al die harten van hetzelfde materiaal en volgens het zelfde plan gebouwd zijn. Dat is verbazingwekkend. Op dit moment kennen we de getalletjes van alle zoogdieren, behalve die van de walvis. Het probleem is dat je bij een beest van dertig, veertigduizend kilo op het juiste moment op de juiste plek een electrode moet aanbrengen. De vorige keer is dat niet helemaal goed gelukt. Alleen al om het hele spectrum compleet te krijgen wil ik het daarom nog een keer proberen.”

Estafette 

“Maar die gegevens zijn ook belangrijk voor mensen. Ze kunnen ons helpen om ritmestoornissen te begrijpen. Mijn idee is nu dat er sprake is van een soort estafette: het gaat niet om een en dezelfde prikkel die door het hele hart gaat, de prikkel wordt als het ware ‘overgegeven’. Ik denk dat dat gebeurt bij de bindweefselring die tussen de hartboezem en de kamers zit. Dat is een barriere waar de impuls niet overheen komt. Daar vindt dus de overdracht plaats. En het oponthoud bij het doorgeven van het stokje is in kleine hartjes relatief groot. In een walvissenhart moet het dus razendsnel gaan. Hoe snel precies wil ik graag meten.”

“En weet u, walvissen zijn van die aardige, intelligente beesten. Hun onderlinge communicatie is groot, ze vertonen sociaal gedrag en ze beschikken over een fantastisch navigatievermogen. Je kunt ze zo achterna varen. En ze hebben ook zo’n interessante manier van vrijen: altijd in een trio. Dat komt omdat ze zo groot en log zijn. Een mannetje moet het vrouwtje tegenhouden terwijl het andere mannetje met haar paart. Of ze daarna van plaats wisselen is niet bekend.”

Directeur Dr. A.F. Marks over de gestructureerde heilige drie-eenheid van het SWIDOC

Goud, rose, blauw, gestreept of met stippeltjes: de tafel ligt vol boeken, brochures en ander drukwerk in vele kleuren.

Dr. A.F. Marks, directeur van het Sociaal-Wetenschappelijk Informatie- en Documentatiecentrum (in de wandeling SWIDOC) heeft het materiaal dat de afgelopen week is binnengekomen, even uitgestald om duidelijk te maken dat “grijze literatuur” er zeer zeker niet grijs uitziet.

Ook de inhoud van al die publicaties is bepaald kleurrijk. De titels variëren van Graffitti, kunst of criminaliteit? via Effecten van het Europese integratieproces tot Kindermishandeling, van signaal naar hulp. Alle rapporten en studies binnen de sociale wetenschappen (inclusief rechten en economie) die niet via de boekhandel of uitgeverijen verspreid worden, vormen samen de grijze literatuur die het SWIDOC verzamelt. Een enorme berg die elk jaar hoger wordt. In 1990 kwamen er een kleine drieduizend aanwinsten voor de “Rapportencentrale” binnen. En dan te bedenken dat het verzamelen en toegankelijk maken van dit type materiaal maar een van de taken van het SWIDOC is.

Het SWIDOC bestaat sinds 1963. Het is ontstaan uit een initiatief van de Sociaal-Wetenschappelijke Raad van de Akademie om een registratie van lopend sociaal-wetenschappelijk onderzoek in te stellen. Directeur Marks (52): “Het kwam eigenlijk indirect voort uit het Weinbergrapport dat in ’61 aan de Amerikaanse president werd aangeboden. Er was na de Tweede Wereldoorlog zowel in de Verenigde Staten als hier zo’n explosieve groei van onderzoek dat het nodig werd ergens te registreren wie waar mee bezig was. Het overzicht was zoek, en als je dat wel hebt voorkom je dubbel werk.”

“We hebben trouwens wel al een keer meegemaakt dat twee mensen blijkbaar hetzelfde juridisch onderzoek wilden beginnen en dat een van de twee bij wijze van spreken tot op de minuut nauwkeurig wilde weten wanneer de ander zijn plan had aangemeld. Dat liep echt hoog op, er werd gedreigd met een kort geding. Maar wat wij doen gaat natuurlijk niet verder dan registreren. We zijn niet aansprakelijk. We zeggen ook tegen de mensen dat ze zelf maar moeten komen kijken hier, als ze echt zeker willen zijn. Binnen een vakgebied of specialisme heb je soms synoniemen die wij niet altijd als zodanig herkennen.”

Periodiekenparade 

“Het is allemaal begonnen als een klein bureautje dat in een hoekje bij de Akademie gehuisvest werd. Het SWIDOC deed toen ook niets anders dan lopend onderzoek bijhouden. En dat doen we dus nog steeds. Op dit ogenblik hebben we 1400 adressen waar jaarlijks een printje met gegevens heengaat. Dat zijn de gegevens die wij hier in onze bestanden hebben. We vragen de onderzoekers of het allemaal nog klopt. Soms wordt bijvoorbeeld de doelstelling van een project bijgesteld. En we willen weten of de uitvoerders nog op schema zijn, wanneer ze verwachten dat ze hun proefschrift of een andere publicatie afhebben. Als ze niet reageren – en dat gebeurt niet veel hoor – dan sturen we ze een herhaald verzoek. En er komen steeds nieuwe projecten bij: vorig jaar zo’n 470. Alles bij elkaar zijn we behoorlijk compleet.”

“Pas later is de Rapportencentrale aan dat bureautje gekoppeld. Daar kun je nu tienduizenden documenten vinden. En die zijn allemaal zo gecatalogiseerd dat je op verschillende zaken kunt zoeken: op onderwerp, op auteur, op instituut en er is ook een geografische catalogus. Het materiaal van de laatste jaren is natuurlijk geautomatiseerd. Dat kun je dus ook “on-line” raadplegen. De Rapportencentrale maakt deel uit van onze afdeling Documentaire Informatie. Daar hebben we nog veel meer: 175 Nederlandse tijdschriften bijvoorbeeld. Iedere maand komt onze Periodiekenparade uit.”

“Daarin zijn de inhoudsopgaven van al die tijdschriften te vinden. Eigenlijk zou je voor al die artikelen een index op inhoudelijke trefwoorden moeten hebben. Want een titel zegt lang niet alles. Dat geldt in zijn algemeenheid: vooral grappige of pakkende titels vertellen vaak niets over waar het werkelijk over gaat. We krijgen hier soms de gekste dingen binnen. Ik herinner me dat we een onderzoek kregen over “het gedrag van jonge meisjes in de middagpauze”. Wat moet je je daar nu bij voorstellen? Dat bleek uiteindelijk te gaan over de middenstand die er de dupe van is dat veel kantoren verplaatst zijn naar buiten de stad: de typistes en secretaresses die in die kantoren werken gaan tussen de middag niet meer gauw even boodschappen doen.”

Betalen

“Over een inhoudelijke ontsluiting van die tijdschriftartikelen zijn we nu aan het praten. We kunnen dat onmogelijk alleen doen, dus hebben we de redacties van al die 175 tijdschriften uitgenodigd. Die blijken gelukkig mee te willen werken. Die redacties kunnen dat zelf tenslotte ook het beste. De bedoeling is dat er voortaan 9000 artikelen per jaar ontsloten zullen worden.”

De afdeling Documentaire Informatie bevindt zich beneden in het prachtige pand vol marmer en houten betimmeringen aan de Herengracht in Amsterdam dat vroeger als bank dienst deed. Via de loketten waar toen de gelduitgifte plaatsvond, wordt nu documentatie verkocht. Wie informatie-op-maat wil hebben, – en dat is nu precies wat het SWIDOC kan leveren – moet daarvoor betalen.

Niet extreem veel overigens: het gaat om ongeveer acht procent van de begroting, maar volgens Marks zijn de mensen gelukkig meer en meer bereid geld neer te tellen voor de geleverde diensten en goederen.

Druk is het niet op de afdeling die uitkijkt op de tuin met eeuwenoude bomen en een iets jonger tuinhuis. Er lopen twee jonge meisjes rond die bij het zoeken in de computerbestanden geholpen worden door een medewerkster. “Nee,” zeggen ze “we zoeken meer iets dat direct met antropologie te maken heeft.”  Marks, die zelf antropologie en niet-westerse sociologie studeerde en die vakken vijftien jaar lang doceerde aan de universiteit van Leiden, reageert enthousiast: “Hoorde u dat. Dat is nou zo mooi van het systeem dat we hier hebben: je kunt heel precies en toegesneden zoeken.”

Het bezoekersaantal is groeiende (in 1987 nog 375 personen, in 1990 al 702), maar ongeveer negentig procent van de aanvragen komt schriftelijk of telefonisch binnen. Documentaire Informatie is de plek waar alles samenkomt: wie iets wil weten over lopend onderzoek moet ook daar zijn en hetzelfde geldt voor degenen die gebruik willen maken van Steinmetzarchief, de derde poot van “de heilige drie-eenheid” die het SWIDOC in de woorden van Marks is.

Dat archief bestaat sinds 1972. Het is een data-archief van onderzoeksmateriaal dat met een computer gelezen kan worden. Het idee achter deze SWIDOC-afdeling is glashelder: voor heel veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek wordt een schat aan gegevens verzameld die in principe ook op andere manieren gebruikt kunnen worden.

En niet alleen bij vervolgonderzoeken. Gegevens kunnen uitgetrokken of bewerkt worden. Oud onderzoek hergebruiken spaart tijd en geld. In het Steinmetzarchief zitten bijvoorbeeld alle NIPO-weekenquêtes sinds 1962. Ook onderzoeksgegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn er te vinden. Duizenden magneetbanden die om de paar jaar “overgespoeld” moeten worden, omdat anders de gegevens onbetrouwbaar kunnen worden. De toekomst is aan de CD-ROM: de cd-tjes waar geen muziek, maar gegevens op staan. Die nemen weinig ruimte in, en ze zijn veel moeilijker te beschadigen dan de ouderwetse tapes.

De medewerkers van het archief voeren op verzoek (en zoals gezegd tegen betaling) analyses op het materiaal uit. Zo werd hen onlangs gevraagd naar het percentage jongeren dat op een bepaald moment van de dag slaapt. Dat was voor iemand die een paar dagen later een lezing moest houden over het veranderende slaapgedrag in Nederland. Die gegevens komen dat uit een groot tijdbestedingsonderzoek waarvoor mensen van alle leeftijden en uit alle lagen van de bevolking wekenlang van kwartier tot kwartier bijgehouden hebben wat ze deden.

Buitenland 

Ook buitenlandse gegevens zijn via het Steinmetzarchief te bereiken. Door uitwisselingscontracten zijn de belangrijkste data-bestanden in andere landen toegankelijk. Omgekeerd zorgt het Steinmetzarchief dat zijn gegevens in het Engels zijn: eenderde van de informatieverzoeken komt uit het buitenland. Het SWIDOC is sowieso een internationaal georiënteerde instelling. Het is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de Nederlandse sociaal-wetenschappelijke bijdrage aan SIGLE, dat is het System of Information about Grey Literature(waaraan voor andere gebieden bijdragen geleverd worden door onder andere de Koninklijke Bibliotheek en de KNAW Bibliotheek).

Bij Documentaire Informatie kunnen ze on-line even gemakkelijk in hun eigen literatuurbestanden zoeken als in Amerikaanse en Engelse zoals Psychological Abstracts, de Social Science Citation Index en de Smithsonian Science Information Exchange. En natuurlijk levert het instituut bijdragen aan internationale projecten en boeken. Momenteel ligt er een inschrijving van het instituut op een projectvoorstel van de EG waarvoor een tender was uitgegeven. Het project beoogt in het kader van de Europese integratie de documentatie van onderzoek te verbeteren. Eén instelling zou een soort mondiaal overzicht moeten hebben. Marks hoopt oprecht dat zijn instituut het project toegewezen krijgt.

Sneeuwbaleffect

Alledrie de SWIDOC-poten (de combinatie van functies en werkzaamheden is volgens Marks uniek in de wereld) groeien als kool. Alle bezuinigingen van de laatste jaren ten spijt. Marks spreekt van een sneeuwbaleffect: de naamsbekendheid van het SWIDOC wordt nog steeds groter. De uitleen is in een paar jaar verdubbeld.

Marks vindt dat hij niet mag klagen, en dat de Akademie hem goed gezind is, ondanks de daar door hem gesignaleerde reserves tegen sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Maar zijn standaardantwoord op de vraag hoe het gaat luidt “still going wrong” omdat er alleen maar meer en meer binnenkomt. Information overload heet dat in jargon. En die brengt geen evenredig verhoogde budgetten met zich mee.

Marks wijst er daarom graag op dat zijn instituut een belangrijke educatieve en culturele functie vervult, en dat het voorkomen van dubbel onderzoek en het opnieuw gebruiken van onderzoeksgegevens natuurlijk wel veel geld bespaart. Alleen niet bij het SWIDOC. 

Een belangrijke wens van directeur Marks voor de toekomst is toch dat er meer van zijn instituut gebruik gemaakt zal worden. Marks: “Er is laatst een studiedag geweest van de RAWB en het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen over het wetenschapsbeleid in de jaren negentig. Ik heb daar in een discussiegroepje gezeten en het is me enorm opgevallen dat er zo weinig oog bestaat voor formele informatiecircuits. Mijn opmerkingen daarover vielen echt dood. Iedereen heeft het over de informele circuits, over contacten met collega’s en dergelijke. Vooral in de sociale wetenschappen lijkt iedereen er vanuit te gaan dat wat hij nodig heeft ‘er toch wel is’. Maar dat komt er natuurlijk niet vanzelf. Bovendien wordt er naar mijn idee te weinig gebruik gemaakt van bestaande literatuur.”

“Veel wetenschappers lijden aan wat wij information underuse noemen, omdat ze al gauw denken ‘we kennen het terrein waarop we werken wel’. Daarom draaien ze soms veel te veel in hetzelfde kringetje onderzoekers rond. De socioloog Bram de Swaan heeft het daar wel eens over gehad onder de titel ‘Referenties en reverences: parochialisme op universiteiten’. Vaak is er natuurlijk ook meer dan een persoon kan behappen. Maar daar zijn wij nu juist voor. Onze informatie is gestructureerd en dat betekent dat je systematisch dingen af kunt werken.”

Uitgesproken Nederlands

Dagelijks spreken zo’n vijftien miljoen mensen miljarden woorden Nederlands. Er komen veel meer zinnen uit monden dan uit pennen of tekstverwerkers. Toch draaien schoolmeesters en ingezonden-brievenschrijvers in dit land al jaren een zeer beperkt standaardrepertoire af.’Hij word’ is een doodzonde, de lijdende vorm moet zoveel mogelijk vermeden worden, ‘groter als’ is verboden.  Discussies gaan over spelling, en over de jeugd, die geen fatsoenlijke brief meer kan schrijven. En over onze mooie taal, die het af zal leggen tegen het Engels. Maar hoe ziet gewone spreektaal eruit? Waarom maken jongens wormzinnen en hoe lang duurt een pijnlijke stilte? Liesbeth Koenen luisterde naar Nederlands. 

Spreektaalclichés: uit meligheid begon Inez van Eijk ze zo’n dertig jaar geleden te verzamelen. Op vakantie aan het Gardameer maakte ze er samen met een vriendin een sport van om tuttige conversaties te noteren. Haar collectie “Dooddoeners en stoplappen”, te vinden in een Prisma‑uitgave die net zo heet, is echt om te huilen. Honderden pagina’s gemeenplaatsen, standaardreacties, uitgekauwde grapjes. Het boekje, ‑ verschenen in 1987 en jammer genoeg nu al niet meer te koop ‑ vormt het onomstotelijke bewijs dat onze spreektaal boordevol afgezaagde woordcombinaties zit. Want u kent ze allemaal: 

“Zo. Kô je ’t ’n beetje vinden?”

“Welja joh, ’t is eigenlijk vlakbij hè?”

“Kom d’r in. Geef die plu maar hier. En let niet op de rommel.” 

En niet alleen begroetingen verlopen volgens dit of een soortgelijk ritueel. Hele gesprekken kunnen zo volgeleuterd worden:  

“Nou. Hè, hè, daar zitteme dan. Jij koffie?”

“Ik sla niks af as vliegen. Een bakje leut knapt een mens van op.”

“En … hoe gaat ‘t?”

“Nou, we leven nog hè?”

“Ach ja, dat zeg ik. Hier ook alles z’n gangetje. Nog iets van Peter gehoord de laatste tijd?”

“Nou, da’s óók toevallig, ik kwam ‘m gister nog tegen bij Loes.”

“Tisniewaar! Wat is de wereld toch klein! Issie nog steeds eh…?”

“Ja, wâ dach jij? Ik zei nog tegen ‘m, pas maar op zeg ik. “

“Tistochwat! Affijn, we kennen ‘m langer dan vandaag, wat jij?”

“Zó is dat. Zeg, ik moet ‘r weer ’s vandoor. ’s Kijken of m’n huis d’r nog staat.”

“Leuk dat je geweest bent. Je komt ‘r wel uit hè?” 

Spoelt u maar even, ja. Een kleine steekproef in mijn omgeving wees direct uit dat een dergelijk dialoogje afgrijzen oproept, maar toch tot gegiebel leidt. Ook Inez van Eijk bekijkt haar eigen verzameling nog steeds met gemengde gevoelens: “Aan de ene kant verbaas je je over de rijkdom, de vindingrijkheid van de Nederlandse taalgebruiker, maar je wordt tegelijk ook beroerd van de emotionele armoede die eruit spreekt. Ik heb het idee dat het gebruiken van stoplappen en clichés te maken heeft met je ongemakkelijk voelen, niet goed weten wat je moet zeggen, dus dan wordt het weer een dooddoener.” 

Onvermogen, onzekerheid, compassie, passie: zodra iemand zijn mond open doet kan elk woord meteen boekdelen spreken. Een effect dat op papier nooit te bereiken valt. Want spreektaal opschrijven kán niet.

Ook het gesprekje hierboven is geen spreektaal. Het lijkt er wel op ‑ behalve van Eijks stoplappen heb ik er nog wat kenmerken ingestopt ‑ maar het staat in feite nog mijlenver af van “the real thing”. Iedere fantastische dialoog uit de wereldliteratuur, elk levensecht interview dat u ooit gelezen hebt, het was een leugen. En dat geldt zelfs voor vrijwel alle goede films, toneelstukken en reclamespotjes. Proef op de som: zet de tv aan op een net waar op dat moment Nederlands gesproken wordt, doe uw ogen dicht, luister tien seconden. Beslis dan: dit is gespeeld of echt. Als het gespeeld is hoort, voelt, proeft u dat, want in ’t echt gaat het domweg niet zo.  

Hoe gaat het dan wel in het echt? Waarom is spreektaal zo herkenbaar als spreektaal? Wat rolt er ongemerkt uit onze monden? Anders gezegd: welke kenmerken maken dat onze oren ergens “spreektaal” in horen?

Het definitieve en complete antwoord daarop kent niemand. Een speurtocht naar de spreektaal levert weliswaar heel wat op, maar het zijn allemaal losse stukjes. Dat hoeft niet echt te verbazen, want ál onze kennis van het fenomeen taal tot dusver is fragmentarisch. Het is het sociale bindmiddel bij uitstek, een machtig wapen dat kan vlijen of neersabelen, het voertuig voor onze gevoelens, ons begrip van de wereld, en toch zijn de geleerden nog maar net begonnen er iets van te snappen.

En dat is eigenlijk wél merkwaardig. Want praten en begrijpen wat anderen te vertellen hebben, dat kan iedereen die goede oren en onbeschadigde hersens heeft. En dan zouden we niet weten wat dat nou precies wil zeggen? Toch blijkt dat het geval. Aan een flinke, volwassen schoenmaat is de taalkunde nog niet toe. En gewone spreektaal, de taal van alle doodordinaire normale dagelijkse gesprekken, is binnen dat brede vak een nogal ondergeschoven kindje.

Spreektaal is zoiets als een eerste levensbehoefte. Wat staat breedschalig onderzoek daarnaar dan in de weg? Om te beginnen: wetten en praktische bezwaren natuurlijk. Geld, tijd en energie zijn in wetenschapsland schaarse middelen, en je hebt van alle drie flinke doses nodig om spreektaal te onderzoeken. Het INL, het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (“woordkunde”) in Leiden heeft een databank voor de woorden van het twintigste‑eeuws Nederlands, dus zeker ook voor nieuwe woorden. Nu wordt een deel van de woordenschat geboren in de monden van sprekers om pas daarna een carrière in de schrijftaal te beginnen.

En sommige woorden zullen zelden of nooit het genoegen beleven “publiekelijk” opgeschreven te worden: “plu” voor “paraplu” bijvoorbeeld, of “zekers” en “pietsje”, of “tyfuslijer” en “gratekut”.

 Het INL wil al die woorden natuurlijk toch in zijn bestanden hebben staan, want ze maken deel uit van het Nederlands (het idee dat woordenboekenmakers bepalen wat goed is of betamelijk, is verdwenen, de taak van een lexicograaf is tegenwoordig niet meer en niet minder dan gewoon noteren wat hij hoort en leest).  Maar als het om gesproken Nederlands gaat behelpt het INL zich met de teksten van het Jeugdjournaal. Bij gebrek aan mankracht ‑ banden uitschrijven is een van de tijdrovendste karweitjes die je kunt bedenken ‑ geen slechte noodoplossing.

Professor Piet van Sterkenburg, directeur van het INL en ook hoofdredacteur van het Van Dale woordenboek Hedendaags Nederlands en het Handwoordenboek Hedendaags Nederlands, is dol op het Jeugdjournaal, en begint te glimmen als hij erover praat. Hij heeft ronduit gelijk als hij zegt dat het Jeugdjournaal voor een journaal zo’n bijzondere woordkeus heeft. Uitdrukkingen uit het dagelijks spraakgebruik als “niet meer kapot kunnen”, “daar zit ‘m de kneep” en “’t wel kunnen schudden” zijn in het Jeugdjournaal heel gewoon, terwijl je ze in het volwassenen‑journaal niet snel zult tegenkomen. 

Van Van Sterkenburg verscheen vorig jaar het boek Taal van het Journaal, Een momentopname van hedendaags Nederlands, een titel die iets meer belooft dan waargemaakt wordt: het boek gaat vooral over het woordgebruik in de verschillende NOS‑journaals, en een taal bestaat uit heel wat meer dan dat. Feit is wel dat via het nieuws veel nieuwe woorden het spraakgebruik binnenkomen, (“straatverbod”,  “sofinummer”, “spitsvignet”), die meteen het gesprek van de dag kunnen worden.

Toch zijn zulke woorden zeker niet “typisch spreektaal”. Interessanter is het wat dat betreft te kijken naar voor‑ en achtervoegsels of hele woorden, die zoals het in jargon heet “produktief” zijn, dat wil zeggen: je kunt ze gebruiken om ter plekke een nieuw woord te formeren, en dat is iets dat in de spreektaal nogal eens gebeurt. Van Sterkenburg trof overigens geen modewoorden als “‑gebeuren” (popgebeuren, sinterklaasgebeuren) en “‑plaatje” (inkomensplaatje) aan in zijn collectie journaalteksten (uit 1987), evenmin als, zoals hij ze noemt, “informele bekrachtigers” als “bere‑”, “klote‑”, “loei‑” en “rete‑”.

Topscoorders daarentegen zijn de voorvoegsels “top‑” (van topacteur tot topzakenlui), “anti‑” (anti‑apartheid tot anti‑westers), “niet‑” (niet‑aangemeld tot niet‑verzekerde), “non‑” (non‑actief tot non‑volk) en “thuis‑” (thuisbasis tot thuiszorg).

Sommige van die modieuze nieuwvormingen roepen onmiddellijk de gedachte op aan Jan Kuitenbrouwers boekje Turbotaal  (daarin blijkt ook dat het achtervoegsel “o” en “afko’s” op “o” erg produktief zijn: dumbo, fantastico, techno, demo). Zulke modewoorden leiden vooral een rijk leven in de spreektaal. De kracht van het boekje van Kuitenbrouwer zat ‘m in het feit dat hij als eerste een aantal dingen opschreef die zijn lezers om zich heen hoorden, of, nog mooier, zélf zeiden. De aha‑erlebnis blijkt een grote aantrekkingskracht te hebben.

Een aantal turbo‑uitdrukkingen zal de reguliere woordenboeken wel bereiken, andere zullen alweer verdwenen zijn vóór een volgende nieuwe herziene druk. Van een woordenboek kun je onmogelijk verwachten dat het een complete en correcte inventarisatie van de spreektaal op één moment geeft.

Maar wie probeert met behulp van dictionaires inzicht te krijgen in wat spreektaal is, komt sowieso niet erg ver. De meeste woordenboeken hebben geen aanduiding “spreektaal”, alleen in de Grote Van Dale kon ik in de lijst gebruikte afkortingen ook “spreekt.” vinden. Achter welke woorden staat dat dan? Drie dikke delen doorvlooien op dat ene toevoeginkje is geen doen, maar gelukkig bleek de firma bereid om de computer het zoek‑ en noteerwerk te laten verrichten. Resultaat: één velletje met woorden die het etiket “spreektaal” opgeplakt hebben gekregen, ruim 100 stuks, van “achterelkaar” tot “zwijnderij”.

Daar zouden we al pratend niet ver mee komen. Het lijstje is dan ook nogal willekeurig en bovendien verouderd: “broer” staat er bijvoorbeeld in. Omdat de omschrijving in de Grote Van Dale daarvan luidt “de gewone spreektaalvorm voor broeder”. Iets dergelijks zou je ‑ overigens met even weinig recht ‑ ook over “zus” kunnen zeggen, en dat staat weer niet op het spreektaallijstje. En wie heeft bedacht dat “zoenen”  “Noordndl. spreekt.” is? Bedoelt Van Dale met Noordnederlands soms niet‑Vlaams? En moeten we in Nederland dan “kussen” gebruiken als we schrijven? Dat lijkt me aantoonbare onzin.

Wat je wel weer spreektaal kunt noemen zijn woorden als “geeneens”, “nakie”, “niksen” en “strakjes”.

Ook de Grote Koenen levert maar weinig spreektaalwoorden op. Daar is men ook vergeten om voorin bij de afkortingen “spreekt” op te nemen, terwijl een aantal woorden toch dat label meegekregen heeft. Bij Wolters‑Noordhoff wordt momenteel hard aan een tweede druk van het woordenboek gewerkt, en daarbij worden ook de labels kritisch bekeken. Een tipje van de sluier wil men er wel al oplichten: ook in de volgende druk zal het label “spreekt.” nog voorkomen, maar er vinden wel verschuivingen plaats. De woorden “niks”, “nee” en “kwiek” bijvoorbeeld verliezen hun speciale etiketje, maar bij “omkukelen”, “ophoesten” en “oplawaai” zal het wel blijven staan.  

Het lijkt er hard op dat woordenboekenmakers met de term “spreektaal” niet goed uit de voeten kunnen. Betekent dat dan dat de woordkeus nauwelijks iets uitmaakt voor de bepaling of iets wel of geen spreektaal is? Ja en nee. Heel veel woorden kom je natuurlijk tegen bij willekeurig welk taalgebruik dan ook. De meest frequente woorden in de spreektaal zijn volgens een onderzoek uit de jaren zeventig van de Werkgroep Frequentie‑onderzoek van het Nederlands: ik, ja, eh, dat, en, een, de, niet, het, is, je, wel, dan, maar, dat, ook, dan, ze, van, die.

Om maar even de eerste twintig te nemen. Voor die woorden maakt het niet of nauwelijks uit of je een formeel of informeel gesprek voert, noch of je hoog of laag opgeleid bent, en ook niet of je jong of oud of man of vrouw bent. En behalve “eh”, dat prettig genoeg meegeteld is, lijkt geen van die woorden typisch spreektaal te zijn.

Jammer van dit onderzoek is alleen, dat er van elk van de onderzochte groepen (bijvoorbeeld: jonge vrouw, hoog opgeleid, informeel gesprek) slechts 7500 uitgeschreven woorden zijn bekeken (ter vergelijking: de woordenboeken Hedendaags Nederlands bevatten er een kleine 100.000, en die allemaal maar één keer natuurlijk).

De superfrequente woorden  zoals die hierboven komen daar toch wel uit, maar verder zal het toevallige gespreksonderwerp een onevenredig grote invloed hebben gehad op het beeld van woordfrequenties in gesproken Nederlands dat in het onderzoeksverslag gegeven wordt.

Het grote probleem is de bewerkelijkheid: al die woorden moeten ook nog eens gecodeerd worden wil je er echt iets van kunnen zeggen (het voegwoord “dat” is een ander “dat” dan het aanwijzend voornaamwoord “dat”). Een tweede probleem, dat in heel veel wetenschappelijk onderzoek speelt, is dat de onderzochte sprekers niet echt spontaan konden praten. Ook het informele gesprekje werd met een onderzoeker en natuurlijk de bandrecorder aan gehouden. Gevolg: in de hele frequentielijst is geen onvertogen woord te vinden. Ja, drie “jeetjes” en zeventien “gohs”.

Waarschijnlijk is wat de redactie van het Basiswoordenboek van Van Dale (bedoeld voor middelbare scholieren, en in veel opzichten het beste woordenboek dat ik ken) gedaan heeft dan ook nog het verstandigste. Ook daar ontbreekt de aanduiding “spreektaal” in het lijstje voorin, maar de computer geeft de volgende korte maar krachtige uitdraai: asem, d’r (=haar), d’r (=er), duppie, effe, enigst, hullie, ie, ikke, ‘m, mekaar, met (=op het moment dat, zoals in “met dat ik van m’n fiets stap, komt..”), m’n, ‘n, ‘r, ‘t, z’n.

Stuk voor stuk duidelijk gevallen van spreektaal, dat wil zeggen: op school wordt ons geleerd het zo niet op te schrijven. (Ook al heeft dat bijvoorbeeld Nescio er nooit van weerhouden heeft om consequent “‑i”, “‘t” ,”z’n”, “m’n” etcetera te schrijven, en bevat de ondertiteling van elke willekeurige serie op de Nederlandse televisie reeksen “ie”‘s.) En over vrijwel alle andere Nederlandse woorden kun je twisten: oplawaai en omkukelen uit de Grote Koenen, of achterelkaar en nakie uit de Grote Van Dale zouden tenslotte best in een kranteartikel of fraaie roman kunnen staan.

 Maar woordenboeken kennen natuurlijk wel nog een heleboel andere “labels”, aanduidingen als “populair”, “ruw”, “vulgair”, “informeel”, “literair”, “familiair” etc. Het wel of niet gebruiken van een woord uit een van die categorieën heeft alles te maken met de vraag tot wie je je richt en met welk doel.

En in de praktijk ben je al pratend sneller familiair of ruw dan al schrijvend. Daarbij mag alleen niet vergeten worden dat datgene wat wij onder “schrijftaal” verstaan, hoofdzakelijk bepaald wordt door zakelijke, journalistieke en literaire geschriften. Dagboeken en privécorrespondentie zullen als het om de woordkeus gaat, opvallende gelijkenissen vertonen met de spreektaal: “Wat een kloteweer vandaag” is een mededeling die in een brief aan een goede vriend zeker niet misstaat, maar als beginregel van het weeroverzicht in de krant is hij niet erg geschikt.

Registers is hier het sleutelwoord. Voor zover bekend vind je die in alle talen. Een taal echt goed beheersen, betekent automatisch: verschillende registers tot je beschikking hebben. Voor de koningin trek je een ander register open dan voor je moeder of echtgenoot. Bij de dokter of een ambtenaar van de burgerlijke stand praat je anders dan tegen een kind. En dat doe je helemaal vanzelf. Tegen je collega’s heb je het over ‑ ik doe hiervoor een willekeurige greep uit de lijst “populair” van het Basiswoordenboek van Van Dale ‑  “aftaaien”, “geschift” en “geen porum”, maar tegen je baas zeg je eerder “naar huis gaan”, “een beetje vreemd”, en “geen gezicht”.

Verschillende omstandigheden vereisen verschillende registers. En de verschillende labels in woordenboeken zou je daarom kunnen zien als registeraanduidingen. Ook al zijn de scheidslijnen tussen registers dikwijls boterzacht. Volgens de Grote Van Dale zijn “kontneuken” en “godsliederlijk” informeel, maar “neukdoos” en “hemelzeiker” vulgair.

Wat binnen welk register gepast wordt gevonden, is ook niet iets dat voor eeuwig vastligt. Twee generaties geleden kon je je mond met zeep gaan spoelen als je “trut” of zelfs “rot” gezegd had, nu hoor je ook de keurigste types kalm beweren dat iets gelul is. In de nieuwe druk van de Grote Koenen zullen de  collecties “ruw”, “plat” en “bargoens” niet groter geworden zijn, maar “familiair” is wel gegroeid. 

Je zou kunnen zeggen dat “schrijftaal” een apart register is. Met een aantal merkwaardige kenmerken. Allereerst: je kunt je niet dezelfde vaagheden veroorloven die in spreektaal ongemerkt passeren. Een mededeling als “zeg..eh” kan honderdduizend verschillende dingen betekenen, van “dat waren wel genoeg koekjes” tot “ik wil naar huis, ga je mee?”.

“Een half woord” is wanneer je het voor een ander publiek dan een enkele ingewijde bedoelt, domweg niet genoeg. Wel‑of‑niet‑tutoyeren bijvoorbeeld kun je in gesprekken  redelijk goed in het midden laten. En met de veranderde of nog steeds veranderende sociale code die daarvoor geldt, kan dat bijzonder praktisch zijn. Maar in de eerste de beste brief moet je al kiezen. Afwisselen, zoals ik bij de groenteman en de kaasboer doe, is uitgesloten. Als je schrijft kun je geen woord “wegmoffelen”.

Misschien dat daarom ook alles wat zwart‑op‑wit staat harder aankomt. Je moet, of je nu wilt of niet, expliciet zijn. En bij emotioneel sterk geladen woorden komt daar nog eens bij dat hun betekenis bijna helemaal afhangt van hoe je ze uitspreekt. Tussen neus en lippen door, met een spoortje van een lach in je stem? Of komt het er keihard en verbitterd uit? Mompelt je geliefde half vertederd “ach, stomme trut” voor zich uit, of bijt hij ’t je toe? Nuances die maar moeilijk en nooit rechtstreeks op papier te krijgen zijn. 

Een verandering van toon kan de betekenis van een simpele mededeling (“ja, leuk”, “moet je doen!”) 180 graden doen draaien. Een accent dat nét even ergens anders komt te liggen ook (“gá nou gauw” voor “schiet op” tegenover “ga nou gáuw” voor “ik geloof er niks van”) . Zelfs “weten wie ’t zegt” is soms al genoeg om andere interpretaties uit te sluiten. Als iemand iets ironisch bedoelt, hoor je dat (meestal althans) direct. Op papier leidt het al snel tot misverstanden en zelfs misbruik.

Recent voorbeeld van dat laatste is tekstwetenschap‑professor Teun van Dijk die een interview met Gerrit Komrij in NRC Handelsblad gelezen had, en uit Komrijs overduidelijk ironisch bedoelde woorden dat hij een “bijna seniele kwijlende man” is, “met één been in het graf” concludeerde dat Komrij misschien wel aids heeft. Of was dat soms ook ironisch bedoeld?

Aanhalingstekens helpen niet genoeg tegen misverstanden, omdat die voor te veel verschillende dingen gebruikt worden. Hugo Brandt Corstius stelde ooit voor een ironieteken in te voeren, dat dan aan het begin van een zin geplaatst moest worden. Een toevoeging aan ons schrift die me heel wat interessanter lijkt dan bijvoorbeeld de verbindings‑n in kuttenkop en pruimenpit waarover dure spellingscommissies nu al vele jaren praten. Maar dat terzijde. 

De mogelijkheden die je hebt met stembuigingen en klemtonen zijn natuurlijk een van de meest in het oogspringende kenmerken van de spreektaal. Beroepssprekers kunnen daar mee spelen. Jan Roelands, een man met een fabelachtige inspreekervaring, zei altijd dat het belangrijkste voor een goede “stem” op de radio of bij documentaires zeker niet het timbre was, maar dat het ging om begrip van de tekst in kwestie: de juiste nadruk en pauzes leggen, laten merken dat je weet waar je over praat.

Roelands, die in 1989 onverwachts overleed, was er een meester in. U kent zijn stem allemaal nog, maar hoe hij klonk kan ik onmogelijk onder woorden brengen: iemands stemgeluid is werkelijk een volslagen uniek aspect van spreektaal dat uitsluitend in onmogelijk vage termen beschreven kan worden.

Ook de wetenschap weet er geen raad mee. Bij het Instituut voor Perceptie‑onderzoek (IPO) in Eindhoven probeerden ze er ooit achter te komen wat er nu zo karakteristiek was aan de stemmen van Philip Bloemendal (de Polygoon‑journaal‑stem) en de actrice Mary Dresselhuys: ze kwamen er niet uit. Apparatuur kan het nog niet meten, maar mensen hebben dikwijls letterlijk al genoeg aan één ademtocht om iemands stem te herkennen.

Toch zit er in Jan Roelands’ opmerking over tekstbegrip een sleutel tot meer inzicht in wat spreektaal is. Cees Manintveld, van het stemmenbureau Multi‑Voice in Hilversum waar iedereen een “stem” kan huren voor documentaires en commercials, zegt feitelijk net zoiets: je moet laten horen dat je weet wat je zegt. Het moeilijkste inspreekgenre is volgens hem “zo’n spotje waarin het moet lijken of iemand gewoon zijn eigen ervaringen staat te vertellen”. Natuurlijk, er zijn wel eens van die teksten die niet zo lekker bekken (Manintveld geeft als voorbeeld “nu u uw formulier…” en van die zinsneden als “dat ‘t’ ‘t…”), die moeten dan even omgegooid worden, maar het belangrijkste voor een “stem” is toch dat hij op natuurlijke plaatsen nadruk legt en zich kan inleven in een sfeer.  

Het gaat kortom om “echt”, en wat doe je in het echt? Praten, denken en voelen tegelijk. En dat heeft grote consequenties voor de hele machinerie die telkens wanneer je je mond open wilt doen in gang gezet wordt. Voor spreken komt nogal wat kijken. Hoe we het precies doen is niet bekend, maar professor Willem Levelt (directeur van het Max Planckinstituut voor Psycholinguistiek in Nijmegen) zette de aanwezige kennis en theorieën een paar jaar geleden bij elkaar in zijn boek Speaking.

Héél in het kort komt het er op neer dat we eerst het concept (wat dat ook precies moge zijn) van wat we willen meedelen opvissen uit ons hoofd. Dat concept gaat naar “de formulator”, die moet zorgen dat de gedachte of het idee een talige vorm krijgt. In die formulator is een hele batterij zelfstandige “modules” aan het werk: eentje die de juiste hoeveelheid lettergrepen aanmaakt, eentje die de goede klanken kiest, een die zorgt voor de verbuigingen, een die de woorden in een grammaticale volgorde zet, et cetera.

Die modules werken razendsnel, veel sneller dan we ooit zelf kunnen volgen. Om het tempo te verklaren waarin wij praten, moeten ze parallel werken, dus dwars langs elkaar heen.

Dat verklaart allerlei “domme” versprekingen: “Dan staan ze te schoppen op je klouder” is er zo een. De juiste klanken zijn daar gekozen, het juiste aantal lettergrepen ook, en met de woordvolgorde is niets mis, alleen is de “sch” van “schouder” per ongeluk op de plaats van de “kl” (van kloppen) terechtgekomen. De “sch” en de “kl” (alletwee medeklinkerclusters, zoals dat heet) waren wel al klaargelegd, en toen de “sch” vergeven was, bleef de “kl” over. Gevolg: twee fouten in een zin, in plaats van een. Het zijn ook altijd óf klinkers óf medeklinkers die verwisseld worden, of anders complete lettergrepen (“verkrachte eenden”).

Vaak zie je in een verspreking ook ineens twee gedachten of manieren van uitdrukken tegelijk opduiken, (“een fluitketel die heeft ze ernstig noodzakelijk als theedrinkster” waar “is noodzakelijk voor” en “heeft ze nodig als” door elkaar lopen) en soms kun je er zelfs iemands gedachten uit lezen, zoals bij de mevrouw die op tv zei: “dat was eigenlijk de enige waar ik op dat moment …. ’t meeste aan had”.

Blijkbaar vond die het toch te grof te beweren dat ze aan niemand anders ook maar iets gehad had. Over het hoe en waarom van verspreken of “bijstellen” is verder niet veel bekend. Je kunt alleen constateren dat het vaker voorkomt wanneer iemand moe of dronken is (dan is “het juiste woord” bij een concept vinden ook lastiger). Waar weer tegenover staat dat een niet al te grote hoeveelheid alcohol juist een grotere vlotheid en trefzekerheid in het spreken kan geven.

Levelt geeft ook cijfers: we produceren al pratend gemiddeld vijftien spraakklanken per seconde, dat wil zeggen twee à drie woorden, hoewel dat op kan lopen tot zeven woorden per seconde. Elke drie tot vijf seconden zit daar een hoofdwerkwoord tussen, en slechts bij één promille van de selecties die we uit ons mentale woordenboek maken, gaat het fout en zeggen we bijvoorbeeld “een hoge, eh.. lage drukgebied” of “hori, eh, verticaal”. 

Op dit moment probeert men op het Max Planckinstituut te onderzoeken wat we bij het praten verhoudingsgewijs moeilijk vinden. Het schijnt dat onze ogen werkelijk de spiegel van onze ziel zijn: oogpupillen reageren op mentale inspanning. Daarvan willen Levelt en de andere onderzoekers gebruik maken. Echt eenvoudig is dat niet: de reacties van de pupil zijn complex. Hij kan zowel groter als kleiner worden, en het duurt maar liefst 1,3 seconden vóórdat de reactie maximaal is. Een spreker is dan al gauw vijf of zes woorden verder.

Maar er is een terug‑reken‑methode ontwikkeld en de eerste voorzichtige conclusies sluiten aan bij wat je intuïtief zou verwachten: een zin of een bijzin beginnen is niet speciaal lastig, maar er wordt aan de pupillen te zien echt hard gewerkt tijdens kleine pauzes en op het moment dat in een zin het accent, dus de nadruk gelegd wordt. Met andere woorden: bedenken wat we willen gaan zeggen (dat gebeurt tijdens die pauzes) en het belangrijkste uit de mededeling benadrukken kosten meer aandacht dan bijvoorbeeld een zin construeren. Dat laatste gaat blijkbaar nog meer op de automatische piloot.

Toch hapert ook die automatische piloot nog wel eens, en bovendien heeft hij zo zijn eigen stuurmanstrucjes. Dr. Frank Jansen (werkzaam aan de universiteit van Leiden) is gepromoveerd op Syntaktische konstrukties in gesproken taal, een proefschrift dat gebaseerd is op een veertigtal interviews met allerlei Leidenaren. Wat hij daarin hoorde zou je ontluisterend kunnen noemen: tjonge, wat praten we allemaal slordig.

Al die zinnen die halverwege in de lucht blijven hangen, al die zaken die maar weggelaten worden, en dan de keren dat we halverwege een mededeling een andere mededeling beginnen, of de zin anders afmaken dan we hem begonnen zijn. Toch: in het dagelijks leven merk je daar niets van. Het is ook niet vervelend voor wie spreektaal hoort.

Spreektaal is vluchtig, zegt Jansen, en dat is een feit dat iedereen kan controleren. Zelfs vrijwel direct nadat u een mededeling gehoord of zelf uitgesproken heeft, zult u die onmogelijk woordelijk kunnen herhalen.

Oh ja, de bedoeling, de essentie, die herinnert u zich nog wel, en daar kunt u opnieuw een formulering bij zoeken, maar u kunt het niet zomaar nog een keer precies zo zeggen. (Tenzij het om korte, veelvoorkomende of simpele vragen en zinnetjes gaat natuurlijk, zoals “Heb je honger?” of “Daar gaat‑ie weer”.) Zo produceren en verwerken we taal nu eenmaal: de bedoeling is wat er blijft hangen, maar de vorm waarin die gegoten wordt is alleen een voertuig dat direct uit het zicht verdwijnt zodra het zijn bestelling heeft afgeleverd. Een valse start (“ga even, ach.. ik bedoel geef even…”) is daarom zo weer vergeten.

Vaak heb je niet zo veel woorden nodig om een bedoeling over te brengen, bijvoorbeeld omdat je aan iemands gezicht al ziet dat hij begrepen heeft wat je wilde zeggen. De zin dan nog afmaken is verspilde moeite (en het kan nog irritant worden ook: mensen die er op staan hun “punt even af te maken” terwijl je allang gesnapt hebt waar ze heen willen, wekken al gauw wrevel op). Ook kun je een gebaar (fles omhooghouden) simpelweg ondersteunen met een paar woorden (“Jij nog?”). Van alles weglaten is volstrekt normaal en natuurlijk in gesproken taal.

Op papier ziet het er vaak niet uit, maar let maar eens op, iedereen zegt dingen uit het onderzoek van Jansen zoals (tussen haakjes staat wat er is weggelaten): “’s avonds dan zitten ze nog weer huiswerk te maken, (dat) had je vroeger niet” of “hij ging failliet, nou (toen) stond ik op straat” en “(U) moet me goed begrijpen”. Denk ook aan Trudy Labij  in die overtuigende reclame voor luchtverfrissers: “(dat) Hebtie thuis niet, zulke lekkere luchten.”

Maar waar we aan de ene kant dingen weglaten, herhalen we aan de andere kant ook nogal wat. Bijvoorbeeld als we parafraseren, in andere bewoordingen ongeveer hetzelfde nog eens zeggen: “Ik vind ‘m wel leuk, wel vriendelijk”.

Maar ook als we de typische spreektaalconstructie gebruiken die ik maar even de “hij‑zegt‑zegt‑ie”‑constructie zal noemen: “Hij zegt dus ‘dat zie je hartstikke verkeerd’, zegt‑ie, ik zeg ‘man, ga een eind wieberen’ zeg ik, nou, hij zegt..” enzovoort. Voor “zeggen” kan natuurlijk ook een ander werkwoord worden ingevuld (“ik ben in september ben ik aan die cursus begonnen”), en de volgorde van onderwerp en werkwoord mag ook meteen al werkwoord‑onderwerp zijn: “wat denk je? Loopt‑ie weg, loopt‑ie” of “Komt‑ie hoogstpersoonlijk binnenzetten, komt‑ie”.

U gelooft niet dat u zo praat? Bijna niemand gelooft dat van zichzelf, en toch: dikke kans dat u het doet. Net als “echoën”: “ik had geen doel meer hè, had geen doel meer” of simpelweg “toen heb ik eh heb ik niet gewerkt”.

Een principe waar ook iedereen voortdurend op terugvalt is wat Jansen voor het gemak het dikke‑dingen‑buiten‑boord‑principe noemt. Is bijvoorbeeld het onderwerp van de zin wat ingewikkelder dan zetten we dat als het ware buiten de mededeling door er met een woordje als “die” of “dat” of “daar” naar te verwijzen en dan pas de rest van de zin af te maken.

Bijvoorbeeld: “Hoe die ooit van z’n leven in Oegstgeest is gekomen dat weet ik niet”  en “en wie dan de goedkoopste van de drie was die kreeg het”. En het hoeven niet eens echt “dikke dingen” te zijn, in spreektaal verwijzen we heel dikwijls met één samenvattend woordje naar het vorige zinsdeel (“die ouders daar maakte je kennis mee”, “in december dan werd er geld opgehaald”, “toen ik wegging toen zei iemand..”). 

In schrijftaal (dan) laat je die woorden weg, maar in spreektaal ontlasten dergelijke verwijzingen het geheugen. Zowel dat van de spreker als dat van de luisteraar: je bouwt als het ware verder op dat ene woordje, en datgene waar het op slaat, de inhoud, is al “verwerkt”.

Lezen gaat veel sneller dan luisteren (gemiddeld horen we 180 woorden per minuut, en lezen we er 300) maar schrijven gaat juist stukken langzamer dan praten.

Met andere woorden, waar in een gesprek produktie‑ en consumptietempo gelijk op gaan, is er in het schriftelijk verkeer een groot verschil tussen die twee. Misschien dat daaruit een deel van de verschillen tussen schrijftaal en spreektaal te verklaren is. Die samenvattende, terugverwijzende woordjes heeft het geheugen bij een snellere “tekstverwerking” blijkbaar minder hard nodig. Hetzelfde geldt voor herhalingen. Snel na elkaar eenzelfde woord wéér gebruiken, of veel verkleinwoordjes (in de spreektaal stikt het daar van) in de tekst stoppen, wordt zelfs al gauw hinderlijk bij het lezen. Of is die afkeer ons op school aangeleerd?

Net zo snel schrijven als je praat is uitgesloten, dat lukt de wereldrecordhouder sneltypen nog niet. Dat betekent dat je op een andere manier taal gaat produceren. Overdachter. En op papier zie je ineens de ongerijmdheden, de antwoorden die beginnen met “ja, nee”, de nergens op slaande tussenwerpsels als “dat zeg ik” of “nou, daarom”. En het valt op als zinnen halverwege.. en dan weer een nieuwe beginen en nou ja, dat is dus allemaal een ramp om te lezen, tenminste vind ik hoor en eh… ik niet niet alleen trouwens, de weerzin tegen gesproken taal lezen die hebben heel veel mensen, dat zei Frank Jansen ook.

Karel van het Reve lanceerde een tijdje terug in Het Parool het plan om een paar honderd boeken met louter uitgeschreven bandopnamen van gesprekken uit te geven. Hij denkt dat hij daar met plezier in zou lezen, en dat is pertinent een vergissing.

Hij vergist zich trouwens ook als hij denkt dat het onderzoek naar de grammatica van het gesproken Nederlands nog moet beginnen (daar zouden die paar honderd boeken als uitgangspunt voor moeten dienen). Vooral naar de spreektaalconstructie waar hij zelf een uitstekend oor voor blijkt te hebben is nu juist relatief veel onderzoek gedaan.

Dat is de “Melk hou ik veel van” constructie, zinnetjes waarin het voorzetsel ergens achteraan is blijven staan, terwijl het in geschreven taal de zin moet openen: “Van melk hou ik veel” (speciaal voor van het Reve: in jargon heet dit prepositie‑stranden). In spreektaal zijn zinnen als “Misdaadfilms kijk ik graag naar”, “Emigreren voel ik weinig voor” en “Tanden poetsen zie ik het nut niet van in”, zoals van het Reve terecht opmerkt, volstrekt normaal. Ze vallen niet op, ze worden niet fout gevonden.

Toch bestaan er zeker normen in de spreektaal. Een norm die zelfs uitsluitend en alleen in de spreektaal kan gelden is die voor de goede klemtoon: catalógus, pagína, vidéo en normalíter vallen niet binnen het standaardnederlands.

Wie die woorden toch zo uitspreekt weet niet hoe het hoort, en wordt (door de hogere klassen) automatisch ingedeeld bij de lagere klassen. Normen zijn er ook voor woordgebruik. Allereerst bestaan er natuurlijk nette en niet‑nette woorden, al zullen dat zeker niet voor iedereen dezelfde zijn (hoe algemeen geaccepteerd is “trut” bijvoorbeeld inmiddels?). Of iemand niet‑nette woorden gebruikt hangt af van zijn opvoeding en het gezelschap waarin hij verkeert. Maar wie vloekt in de kerk of tegen de minister‑president wijkt af van de norm.

Maar daarnaast zijn er van oudsher in het Nederlands een paar heel merkwaardige woorden die, in ieder geval in sommige kringen, niet mogen: je mag niet “gebakjes” zeggen, dat moet “taartjes” zijn, iets doet geen “zeer” maar “pijn”, het is niet “op vakantie” maar “met vakantie”, je hebt niets voor je verjaardag “gehad”, je hebt iets “gekregen”.

De niet‑getolereerde woorden worden of werden geassocieerd met lage milieus. Dat geldt nog sterker voor allerlei contaminaties als “optelefoneren”, “dat kost duur” en natuurlijk het verwisselen van “kennen” en “kunnen” (“kan je die?”) en “liggen” en “leggen” (“nou, ik leg”). Ook zogenaamde hypercorrecties (“beeldhouder” voor “beeldhouwer”, “even groot dan” voor “even groot als”) en malapropismen (woorden die nét even verkeerd gebruikt worden: “hypokritisch” voor “hypocriet”, “bolsjewisme” voor “botulisme” enzovoort) vormen een dodelijke weggever.

“Door de mand vallen” is de uitdrukking die dr. Joop van der Horst, historisch taalkundige, gebruikt. Zegt Ruud Lubbers een keer “hun hebben” dan gaat hij door de mand. Het gevoel dat er steeds meer “hun‑hebben‑zeggers” komen is wijdverbreid, ook al heeft niemand het nagemeten.

Het gekke met “hun” als onderwerp gebruiken, is dat het een tegenargument lijkt te zijn tegen het gangbare idee dat “sociaal gestigmatiseerde” (in de terminologie van Van der Horst) taalveranderingen altijd in de onderste lagen van de maatschappij beginnen. Ze houden dat stigma totdat de verandering compleet is. Of “hun hebben” het zal halen, durft niemand te voorspellen, maar in ieder geval is het gebruik ervan volgens van der Horst niet bij de lagere klassen begonnen.

“Hun” is uit andere delen van het land naar het westen komen overwaaien. Het gaat om een hypercorrectie of een overgeneralisatie van dialectsprekers: in een aantal dialecten is de vorm voor het onderwerp en het lijdend voorwerp gelijk, namelijk alletwee “ze”. Dialectsprekers hoorden in het standaardnederlands “hun” gebruiken waar zijzelf “ze” zeiden en namen dan aan dat “ze” in het standaardnederlands altijd “hun” moest zijn.

Ondertussen is er op dit moment een grote verandering in de spreektaal gaande die geen stigma heeft, en dus ook door vrijwel niemand opgemerkt wordt: de verschuiving van “dat” naar “wat”. Van der Horst schat dat 90 procent van de bevolking consequent dingen zegt als “Het meisje wat ik gezien heb”, “het kadootje wat ik nog moest kopen”, “het pak wat jij toen aanhad”. In de 17e eeuw vond de verschuiving van “daar” naar “waar” plaats (“het huis daar ik gewoond heb” was tot die tijd normaal) en nu is “dat” dus aan de beurt. Ook “wie” voor “die” kom je regelmatig tegen (“de jongen wie ik tegenkwam”), maar dat lijkt toch iets minder frequent te gebeuren.

Van der Horst wijst er overigens op dat niet alle veranderingen in de spreektaal beginnen. Soms loopt de schrijftaal voorop, zoals bijvoorbeeld bij het gebruik van het woordje “zich”. Half Nederland zegt nog steeds “z’n eigen” of “‘m”, maar geschreven wordt het zo niet meer.

“Zich” is zijn zegetocht begonnen in de tijd van de reformatie (puristen opgelet: het is een germanisme, dat via Duitse theologische geschriften het Nederlands binnengeslopen is). Eerste drukken van het werk van Vondel hebben nog “z’n eigen”, maar in latere drukken heeft hij ervoor gezorgd dat het “zich” werd.

Volgens professor Jaap van Marle, historisch taalkundige en directeur van het P.J. Meertensinstituut dat onder andere dialecten onderzoekt, is het achtervoegsel ‑baar (eetbaar, voelbaar, zichtbaar) ook iets dat in de schrijftaal ontstaan is.

Steun voor dat idee vindt hij in het feit dat het in geen van de Nederlandse dialecten een equivalent heeft. En alweer: ook ‑baar kwam via het Duits binnen. Overigens merkt Van Marle op dat het dialectonderzoek flink wat hinder ondervindt van het feit dat er maar weinig bekend is over gesproken standaardnederlands. Van dialecten bestaat meestal geen geschreven versie, alle onderzoek richt zich dus op de spreektaal, en dan weet je dikwijls niet of je te maken hebt met een algemeen spreektaalfenomeen, of met iets dat speciaal voor het dialect in kwestie geldt.

Veranderingen in de spreektaal traceren, ook Van Marle zegt het, is een lastige klus. Oude opnames bestaan niet, en van literair taalgebruik weet je nooit hoever het van de gesproken taal afstond. Wel kun je soms iets over de uitspraak aan de weet komen uit rijmende gedichten: als “paard” en “staart” onder elkaar staan kun je er gevoeglijk van uitgaan dat ze op dezelfde klank eindigden.

Maar taal wordt sowieso nooit zo geschreven als hij klinkt. Al pratend versmelten de woorden (“vinknieleuk”), passen klanken zich aan elkaar aan (“inpakken” klinkt altijd als “impakken”), reduceren allerlei medeklinkers tot een stomme ê (“vênavênt” voor “vanavond”) etcetera. De manier waarop in belleterie Jan met de pet altijd sprekend opgevoerd wordt staat daarom meestal helemaal niet zo ver af van de manier waarop de bazen en “mevrouwen” praten. Die zeggen óók “wat woudie nou” of “da’s feel mooier” of “doe ’s sachjes”.

In het Nederlandse klankpatroon vinden er bij tijd en wijle wel echte verschuivingen plaats. Soms kun je de herinnering daaraan in de spelling nog terugvinden: de ei en de ij, die sinds de 17e eeuw hetzelfde klinken, en de ou en de au die tot in de vorige eeuw verschillend geklonken moeten hebben.

In veel dialecten zijn die verschillen trouwens wél nog steeds te horen. En het is aardig te bedenken dat dé Nederlandse spreektaal pas sinds de tweede helft van de 19e eeuw bestaat.

Voor die tijd waren er volgens Van der Horst alleen maar verschillende dialectgebieden, en was er uitsluitend sprake van een min of meer gestandaardiseerde schrijftaal. Het “west‑Nederlands” is de standaardspreektaal geworden, en het heeft tot ver in deze eeuw geduurd voordat scholing en later ook radio en televisie ervoor gezorgd hadden dat nu vrijwel iedere Nederlander het standaardnederlands ten minste als tweede taal kent.

 De standaardklanken zijn nog steeds aan verandering onderhevig: Joop van der Horst bespeurt op dit moment de neiging om de o steeds meer als een au uit te spreken (“laupen”), en Frank Jansen heeft het idee dat de r in veel woorden aan het verdwijnen is (“zwart” bijvoorbeeld klinkt vaak als “zwat”, “voor mij” als “voo mij”).

Maar dat het Nederlands van nu in ieder geval nog ongeveer zo klinkt als dat van vijftig jaar geleden valt op te maken uit een uiterst curieus boek dat dateert uit de oorlog: Spoken Dutch heet het, en het is geschreven door de beroemde Amerikaanse taalgeleerde Leonard Bloomfield.

Het is een soort Nederlands‑op‑reis boekje, dat vol staat met fonetisch gespelde zinnen en dialogen. Bloomfield heeft daar een bijzonder slimme en duidelijke vorm voor gevonden. Maar degenen voor wie het leerboek bedoeld was gingen natuurlijk niet met vakantie. Vandaar bijvoorbeeld dit dialoogje tussen Annie, die verderop in de lessen nog ten huwelijk gevraagd zal worden, en een sergeant:

Annie: hep‑jê‑van‑MORghê an‑êt‑chêVECHT MEE‑ghêdaan?

Sergeant: JAA. ik‑was‑êr‑van‑êd‑bêGHIN tot‑êt‑EIND‑bei.

Annie: was‑êt‑ERCH?

Sergeant: ên‑TEIT‑lang haddê‑wê‑t‑erch‑MOEIJlik. mein‑rêzjieMENT kwam‑NET achtêr‑dê‑TENKS‑aan. toen‑wei‑êr‑aankwamê was‑tê‑VEIjant nogh‑DRUK‑an‑t‑SCHIEtê.

Annie: hebbê‑jullie‑VEEL‑MANNê verLOOrê?

Sergeant: JAA, HEEL‑wat.

Enfin, de vijand wordt wel verslagen. Een boek om uren in te lezen. De conclusie blijft dat er aan onze uitspraak en grammatica weinig veranderd is sindsdien, alleen zijn sommige zaken en woorden verdwenen (TIEN‑sent voor‑dê‑FOOJ bijvoorbeeld, en het telegraafkantoor).

Overigens is er aan het gesprekje tussen Annie en de sergeant nog het een en ander over spreektaal af te lezen. Spreektaal gebruik je in gesprekken, en gesprekken hebben een aantal kenmerken.

Ze zijn, zoals de taalkundige Grice het uitdrukt, gebaseerd op samenwerking. Mensen zeggen meestal niet zo maar iets, ze proberen elkaar iets duidelijk te maken. Dat betekent dat zowel degene die praat als degene die ernaar luistert er van uitgaat dat er niet nodeloos veel of nodeloos duister gesproken wordt, én dat wat er gezegd wordt waar en relevant is. De sergeant geeft antwoord op de vragen van Annie, en Annie reageert daar weer adequaat op.

Dat klinkt ietwat triviaal, maar er zijn aardige experimentjes gedaan waarbij een onderzoeker consequent die samenwerkingsprincipes schond en daarmee zijn gesprekspartner tot wanhoop of razernij bracht (“Weet u zeker dat het half drie is?” “Ja.” “Maar bent u er echt honderd procent van overtuigd?” “Ja, natuurlijk!” “Ja maar, u moet het me echt eerlijk zeggen hoor.” ). U kent misschien zelf de irritatie die bovenkomt wanneer iemand op álles wat u zegt met “ja” of “nee” antwoordt, of dat geliefde kinderspelletje: bij wijze van antwoord uitsluitend de woorden van de ander te herhalen (“Jij bent gek.” “Jij bent gek.” “Hou nou op!” “Hou nou op!” etcetera).

Huis‑en‑tuin‑en‑keuken gesprekken hebben ook als we wel “samenwerken” vaak een bijzonder grillig verloop. Mededelingen gaan dwars door elkaar heen, de onderwerpen springen van hot naar her.

Natuurlijk, gesprekken bij de groenteman of de dokter hebben een aantal voorspelbare elementen, maar ook daar kan de spreker ineens gaan uitwijden over pas gelande marsmannetjes of de zoete geur van voorjaarsbloemen.

Wat er wel altijd gebeurt is dat we “omstebeurt” spreken. Die beurten kunnen we geven en nemen, maar de patronen daarin zijn voor mannen anders dan voor vrouwen. Bij gesprekken waaraan zowel mannen als vrouwen meedoen schijnt gemiddeld 98 procent van de interrupties van de mannen afkomstig te zijn.

Drs. Ingrid van Alphen, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar het taalgedrag van jongens en meisjes, en de verschillen beginnen al vroeg. Wanneer ze tussen de vijf en de vijftien zijn trekken zowel de jongens als de meisjes zich in ongemengde vrienden‑ en vriendinnenclubjes terug.

De jongens leren daar om de een of andere reden monologen te houden en “wormzinnen” te maken (zinnen die zonder pauzes minutenlang maar doorgaan en doorgaan, en door hun intonatie anderen ervan weerhouden “in te vallen”), terwijl de meisjes ‑ in kleinere groepjes dan de jongens ‑ juist dialogen voeren, en steeds de anderen ook een kans geven iets te zeggen. Meisjes zeggen eerder dingen als “zullen we dit of dat ..” dan “ik wil dit…”, en eerder “ja, dat is misschien wel zo, maar ..” dan “nee, ik vind..”.

En wanneer ze vrouw geworden zijn geven ze nog steeds veel vaker dan mannen zogenaamde “minimale responsen” als “hmm” en “mhm” die aangeven dat ze luisteren naar de ander.

Van Alphen hangt de interessante stelling aan dat “hm” en “mhm” zeggen voor mannen een andere betekenis heeft dan voor vrouwen: mannen drukken er instemming met wat ze horen mee uit, terwijl vrouwen alleen maar “ik luister nog” bedoelen. Vandaar dat vrouwen altijd roepen dat mannen niet kunnen luisteren, en dat mannen niks van vrouwen snappen: als die de hele tijd instemming hebben zitten betuigen, blijkt daarna alsnog dat ze het toch niet eens waren met wat de man beweerde.

Van Alphens oplossing voor alle miscommunicatie die het gevolg is van het “ondersteunende en harmonieuze” gedrag van de meisjes en de “concurrerende en bevechtende” houding van de jongens: probeer ze een soort sociale tweetaligheid mee te geven. Stimuleer op scholen bijvoorbeeld in discussiegesprekken felheid bij meisjes en ondersteunend “gehm” en “geja, maar toch..” bij jongens.  

De legpuzzel van de spreektaal is nog verre van compleet. Wel is duidelijk dat de stukjes van divers materiaal gemaakt zijn, en forse verschillen in grootte en vorm vertonen. Nog een ding dat uniek is voor spreektaal moet genoemd: de mogelijkheid je mond te houden, een tijdje niets te zeggen.

Hoe snel een stilte pijnlijk wordt is cultuurafhankelijk (volgens Van Alphen kun je in Japan veel langer zwijgen dan hier), maar je kunt daar ook gebruik van maken. De nieuwe voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), professor Rinnooy Kan, gaf laatst een mooie tip: krijg je een salarisaanbod, hou dan je mond en tel tot tien. Bij de zevende tel krijgt de werkgever het al benauwd, en zal hij denken dat je iets veel hogers in gedachten had. Negen van de tien keer zal hij een hoger bod doen.

Maledicta

Waarschijnlijk is haat toch hetgeen dat hem gaande houdt. Haat tegen de hypocrisie, en haat tegen wat hij consequent ‘Cacademia’ (‘de Universischijt’) noemt. Reinhold Aman is een naar Amerika geëmigreerde Beier. Hij heeft zelf een doctorstitel in middeleeuwse literatuur en filologie, en hij is hoofdredacteur, uitgever, verzender en alles tegelijk van een uniek tijdschrift: Maledicta, the international journal of verbal aggression.

Maledicta gaat over beledigen, schelden, vloeken, kortom: over verbale agressie als fenomeen. Het tijdschrift verscheen voor het eerst in 1977 en inmiddels zijn er tien delen. Alle in de kleur van de haat: geel. Oplage: 4000, abonnementen in 73 landen, abonnees in Nederland: ongeveer 40.

De tegenstand die Aman in de loop der jaren te verwerken heeft gekregen is fors. Het aantal bijdragen in Maledicta dat onder pseudoniem verschijnt opvallend hoog. Toch heeft Aman met zijn werk een doel voor ogen dat overal elders als volstrekt eerzaam gezien wordt: hij wil dat een universeel verschijnsel in kaart wordt gebracht.

In het ´Editorial´ van het allereerste nummer wijst Aman op het merkwaardige feit dat artsen over de meest misselijkmakende onderwerpen mogen schrijven, maar dat degenen die zich met schelden en vloeken bezighouden worden beschouwd als paria’s of perverselingen. Het taboe dat rust op beledigende termen, zelfs in een wetenschappelijke context, is op zichzelf al een interessant onderwerp voor wetenschappelijk onderzoekers uit allerlei disciplines: van psychologen en antropologen tot filologen, sociologen en taalkundigen.

Maledicta houdt zich in principe bezig met alle talen, tijden en culturen. Artikelen gaan over de relatie tussen christenen en moslims in de Balkan, over Karl Marx als “maledictor’ (“kwaadspreker’), over seksuele verwensingen uit Japan en de negatieve benamingen van medisch personeel voor hun patiënten (“ondankbare patiënt’ is er eentje die doodgaat). Maledicta inventariseert de nare grappen over de ontplofte Challenger, kijkt welke vieze woorden in welke woordenboeken zijn opgenomen (en concludeert dan bijvoorbeeld dat er speciale “schone’ Texaanse edities bestaan, te vergelijken met een aparte Van Dale voor Staphorst), beschrijft de bijnamen en beledigingen die verschillende bevolkingsgroepen voor elkaar gebruiken, ontwerpt vragenlijsten die bij onderzoek kunnen helpen.

Verbale agressie is voorzover dat na te gaan valt ook van alle tijden: inderdaad, reeds de oude Egyptenaren lieten ons in hiëroglief-vorm een nu drieduizend jaar oude verwensing na: “Moge een ezel met je copuleren! Moge een ezel met je vrouw copuleren! Moge je kinderen met je vrouw copuleren!’. Het eerste deel van deze kreet leidt naar het schijnt in het Midden-Oosten nog altijd een bloeiend bestaan. Reden voor Aman om genoemd hiëroglief op te nemen in de collectie verwenskaartjes die Maledicta-lezers kunnen bestellen (een mooie om aan een vijand te sturen is ook´Moge al je tanden en kiezen uitvallen, behalve een, zodat je nog kiespijn kunt krijgen!´).

De verwensing schijnt overal voor te komen, maar hij is vaak lang, en vereist in veel gevallen creativiteit van de verwenser. Waarschijnlijk dat je ze daarom minder vaak tegenkomt dan simpele scheldwoorden, hoewel bijvoorbeeld ‘krijg de grafkanker achter je hart zodat de dokter er niet bij kan’ in Nederland toch een zekere bekendheid heeft verworven. ‘Krijg een houten kindje door je neusgaten’ is in sommige kringen ook populair, en Vrij Nederlands ‘Geknipt voor u’ kwam laatst met een heel moderne: een ruitewisserbiljet op een slecht geparkeerde auto waarop de bestuurder toegewenst werd dat hij zonder benzine kwam te staan, ‘om 17.15 uur in de Maastunnel in Rotterdam’.

De laatste voorbeelden laten zien dat verbale agressie zeker niet altijd het gebruik van taboewoorden betekent. Het laat trouwens ook zien dat schelden verschrikkelijk grappig kan zijn. Maledicta is ook daarom een merkwaardig tijdschrift: het heeft wetenschappelijke pretenties, maar je moet vanzelf regelmatig lachen als je erin leest.

Dat laatste is overigens zeker ook de bedoeling van Aman, die wat mij betreft zelf de allermooiste artikelen schrijft. Goed en effectief schelden is een kunst die maar weinigen beheersen. Aman heeft het in de vijfentwintig jaar dat hij zich nu met verbale agressie bezighoudt volledig onder de knie gekregen. Maar voor de meeste mensen is schelden een simpele uitlaatklep die, zo vertelt Aman zijn tegenstanders ook altijd, moord en doodslag voorkomt.

De macht van het woord is groot. Het is een merkwaardige gedachte dat het uitspreken van een aaneenschakeling van bepaalde klanken daadwerkelijk oplucht of pijn doet. Welke klanken daartoe in staat zijn hangt enkel en alleen af van de toevallige betekenis die ze in een bepaalde taal hebben (de Turken schijnen in ieder geval vroeger bij het voorlezen of citeren uit de koran alle passages te hebben overgeslagen waarin het woord ‘am’ voorkwam: ‘am’ is Arabisch voor ‘of’, maar Turks voor ‘kut’).

Een rode draad in de artikelen van Maledicta is het beledigen van autoriteiten, waarbij god natuurlijk nummero 1 op de lijst staat. Maar ook grappen over filmsterren en politici of andere beroemdheden vallen in die categorie. Aman houdt een ruime definitie van verbale agressie aan: eigenlijk alle woorden of combinaties van woorden die je op de een of andere manier van je stuk brengen, je op het verkeerde been zetten.

Iemand voor dom uitmaken is misschien nog wel de meest gangbare belediging ter wereld. In Maledicta komt het telkens terug, en ook de middelen lijken wel universeel: dieren (ezel), geslachtsorganen (lul) en uitwerpselen (drol) leveren de standaardscheldwoorden. Het zijn rijke bronnen, en ze worden flexibel toegepast. Niet alleen op domheid, maar op ongeveer alles wat in negatieve zin afwijkt.

In de ene cultuur heeft het een de overhand, in de andere het ander: Duitsers en Amerikanen gebruiken bijvoorbeeld wat meer uitwerpselen (Scheisse, shit), wij meer genitalia (kut, klote) om ongenoegen te uiten. Het gaat ook om multi-inzetbare woorden. Zeker in het Nederlands kun je er vanalles mee doen: zelfstandige naamwoorden worden bijvoeglijk (lul-lullig, pis-pissig), of een werkwoord (lullen, kloten), of een soort voorvoegsel dat iets negatiefs aanduidt (kutweer, klotestreek, lulargument).

Als voorvoegsel zijn ook ziektes nog steeds in trek (klere-, tyfus-,pokke-, pest-), waarbij gezegd moet worden dat de ziektes die hier niet of nauwelijks meer voorkomen minder ‘sterke’ scheldwoorden opleveren dan nog steeds dodelijke aandoeningen als kanker (kankertrut, of, gehoord uit de mond van een ontevreden puber voor de spiegel: ‘kankerhaar’) en aids. Het laatste wordt zelfs nooit als algemeen voorvoegsel gebruikt, alleen ‘aidslijer’ valt geregeld te horen.

Waar verschillen tussen culturen vandaan komen (waarom is voor Amerikanen alles ‘fucking’?) is iets waarover je alleen kunt speculeren. Maar het is interessant te zien dat in verschillende culturen dezelfde dingen taboe zijn. En dat al die taboes toch weer geen echte taboes zijn, omdat ze er bij kwaadheid en de lust te kwetsen toch uitkomen. 

Bladeren en lezen in Maledicta zet aan het denken. Op de eerste plaats roept het voortdurend de behoefte op om eens na te gaan ‘hoe wij dat zeggen’ (hoog tijd dat er een groot artikel over het Nederlands komt), maar daarnaast roept het vragen op over de creativiteit van taal en over menselijke agressie. Aman schuwt niets: racisme, seksisme, xenofobie, ze bestaan, dus hij geeft het weer. ‘They say it, we print it’ (ze zeggen het, wij

drukken het af) is van het begin af aan het motto van het tijdschrift geweest. Daarmee wordt een bronnenverzameling aangelegd die uniek in de wereld is, en die voor het eerst ook de kans geeft verschuivingen te gaan volgen. Welke scheldwoorden of scheldgebruiken blijven, welke veranderen? Daar valt op dit moment nog maar erg weinig over te zeggen.

Veel verder dan verzamelen gaat Maledicta overigens niet: van theorievorming zijn hooguit af en toe kleine aanzetjes te vinden.Dat moet iets te maken hebben met het feit dat, (zeker in het preutse, religieuze Amerika waar toch de meeste bijdragen vandaan komen en de meeste abonnees zitten), een wetenschapper het zich niet kan permitteren van verbale agressie een serieus onderzoeksobject te maken.

Dat dat met humor en eufemismen wel kan is op z’n zachtst gezegd raar. Wat juist zo opvalt bij het lezen van Maledicta is dat die vlak tegen verbale agressie aanliggen. Eufemismen hebben als tegenhanger taboewoorden die ingezet worden bij schelden. De zaken en mensen waartegen we ons willen afzetten zijn dezelfde zaken en mensen waar we grappen over maken.

Heel veel humor is natuurlijk pure verbale agressie. En bijna altijd gaat het dan om afwijkingen van de ‘norm’, en wel de norm van de verbale agressor: vrouwen vinden mannen niet normaal, en vice versa, dus maken ze seksistische grappen. Voor blanken en negers, homo’s en hetero’s, buitenlanders en binnenlanders, gelovigen en ongelovigen geldt hetzelfde. Grappen en schelden zeggen zowel iets over de samenleving waarin ze te horen of te lezen zijn, als over de menselijke psyche. Voer genoeg dus, en niet alleen voor psychologen.

Alle nummers van Maledicta zijn nog steeds verkrijgbaar. De Maledicta Press heeft ook nog een aantal andere uitgaven: een herdruk van een boek uit 1944 vol scheldwoorden en uitdrukkingen van verschillende volkeren voor elkaar bijvoorbeeld, waarin de Hollanders niet gespaard worden, en een collectie How do they do it’s (nauwelijks vertaalbaar: ‘Mountain climbers do it on top’‘Linguists do it with their tongues’, ‘Anne did it frankly’).

Deze maand is Aman bovendien een Nieuwsbrief, Maledicta Monitor, begonnen. In de eerste aflevering onder andere grappen en scheldwoorden voor Saddam Hoessein (‘The Butcher of Baghdad’, en als je ‘Saddam’ van links naar rechts leest klinkt het als ‘mad ass’: ‘razende reet’), en een bibliografie van onlangs verschenen boeken op het Maledictaterrein, waaronder Arendo Joustra’s Homo-erotisch Woordenboek.

“Erasmus dekt zich altijd in”

Wat “Desiderius” is het Nederlands zou moeten zijn, is niet bekend, maar Erasmus was echt zijn doopnaam. Hele theorieën zijn er bedacht over de naam “Desiderius”, dat via “begeren” (Latijn:”desidero”, ik begeer) afgeleid zou zijn van “Gerrit”, de naam van Erasmus’ vader. “Maar dat schijnt toch allemaal niet waar te zijn” zegt dr. Hans Trapman, uitvoerend secretaris van het Secretariaat voor de Erasmuseditie.

“Althans, zijn vader heette wel echt Gerrit, en er is onlangs door mensen in Italië uitgezocht dat hij een verering voor de heilige Erasmus had. Dat was een normale naam. Inmiddels staat ook wel vast dat Erasmus’ vader priester was. Er is wel gedacht dat Erasmus onder andere daarom een beetje geheimzinnig deed over zijn geboortedatum: dan kon hij nog voor de priesterwijding van zijn vader geboren zijn. Enfin, zijn ouders zijn in ieder geval nooit getrouwd.”     

1469 is het geboortejaar dat meestal aangehouden wordt voor een van de beroemdste Nederlanders die de geschiedenis telt. Ten onrechte. Trapman: “Ik heb net een artikel binnengekregen van zo’n  honderd pagina’s waaruit blijkt dat Erasmus in 1466 geboren is.”

Het Erasmusonderzoek is met andere woorden springlevend, er bestaat zelfs onderzoek vanuit een psychoanalytische benadering van Erasmus’ persoonlijkheid. Toch behoort onderzoek óver de befaamde humanist niet tot de taken van het Secretariaat, dat is er echt alleen voor de Erasmus-editie. De derde in de geschiedenis, maar de eerste kritische, compleet met varianten en een verantwoording bij alle teksten. De vorige uitgave is de zogenaamde “Leidse editie”. Die verscheen tussen 1686 en 1727. In geschriften heet de jongste editie kortweg ”ASD”, naar “Amsterdam”.

Sinds 1969, toen het Secretariaat (naar men dacht: 500 jaar na Erasmus’ geboorte) zijn werk begon, zijn er achttien delen verschenen van wat officieel ”Opera Omnia Desiderii Erasmi Roterodami” (verzamelde werken van Desiderius Erasmus van Rotterdam) heet. “Zonder subsidie,” zegt Trapman met lichte trots in zijn stem.

“Uitgever Elsevier heeft ons nooit verteld hoeveel exemplaren ze van elk deel drukken, maar het moeten er toch zeker zo’n zes-, zevenhonderd zijn. Onbetaalbaar voor particulieren ja. De enige manier om op dit moment goedkoop aan een niet-corrupte Latijnse tekst van Erasmus te komen, is een uitgave kopen van de Italiaanse uitgeverij Elogio della follia. Ik heb net ontdekt dat ze daar een deel van onze teksten gewoon gefotografeerd hebben. Ze geven er een Italiaanse vertaling naast. Ik heb Elsevier erop gewezen, die gaan nu proberen er iets aan te doen.”

Beroemd en succesvol

Trapman schat dat er nog zeker twintig delen zullen volgen en dat het werk niet voor 2010 klaar zal zijn. En dat terwijl Erasmus’ brieven al in een kritische uitgave bestaan: het onvolprezen werk van het Engelse echtpaar Allen, dat mevrouw Allen na het overlijden van haar echtgenoot in 1958 voltooide. Trapman toont in een van de delen een in memoriam voor Percy Stafford Allen: geheel in het Latijn.

De Brieven (”Epistolae”) waren overigens een van de ”ordines” (“ordes” of categorieën) die Erasmus zelf tijdens zijn leven voor zijn teksten bedacht. Hij was beroemd en succesvol genoeg – voor zover bekend was hij de eerste Nederlander die van zijn pen kon leven – om te voorzien dat zijn verzamelde werken na zijn dood uitgebracht zouden worden. Vandaar dat hij alles al vast keurig ordende. “Novum Testamentum” (Het Nieuwe Testament dat Erasmus uit het Grieks in het Latijn vertaalde en annoteerde), en “Adagia” (spreekwoorden) zijn nog twee van de in totaal negen “ordes”. Erasmus’ gedichten zijn voor het eerst in een kritische editie verschenen in 1956. Dr. C. Reedijk verzorgde die uitgave.

Op dit moment zijn er zo’n tien mensen bezig met de een of andere Erasmustekst. “Tenminste, dat zeggen ze,” zegt Trapman ironisch. Hij doelt op een van de problemen bij dit enorme project: voor degenen die het uitvoeren is het feitelijk liefdewerk. Het is al lastig genoeg gekwalificeerde tekstbezorgers te vinden, sancties op het overschrijden van afgesproken termijnen zijn moeilijk voor te stellen. Trapman: “Er zijn wel contracten, maar een datum wordt daar veiligheidshalve niet op ingevuld.” Het liefst ziet Trapman daarom jongeren die moeten promoveren aan een werk van Erasmus beginnen: het is ook in het belang van de promovendi zelf om door te werken. Steekproeven van een redactiecommissie moeten de kwaliteit waarborgen.

Talenkennis

Perfecte of foutloze delen maken is onmogelijk, alleen al omdat niet alles met zekerheid vast te stellen is. Eén keer is het echt verkeerd gegaan: onlangs is de “Lingua” opnieuw uitgegeven, omdat de eerste versie te veel fouten bevatte. “Een pijnlijke zaak,” zegt Trapman, “die zich ruim vijftien jaar geleden heeft afgespeeld. Hoe dat gebeurd kan zijn weet ik niet precies.” De abonnees hebben voor dit extra boek niet hoeven te betalen, het is bekostigd uit de Olympiaprijs die de Erasmuscommissie in 1985 ontving van het Alexander S. Onassisfonds.

Overal, in Engeland, Canada, Duitsland, Italië, Polen, en nog veel meer landen wordt er gewerkt aan de Amsterdamse Erasmuseditie. Commentaar kan zowel in het Engels als het Frans en het Duits gegeven worden. Wie zich in Erasmus wil verdiepen dient er een behoorlijke talenkennis op na te houden. Trapman: “Eerst probeerden we per deel één taal aan te houden, maar daar zijn we van afgestapt. Het is toch al lastig om een deel af te krijgen: vaak wordt er door vier verschillende mensen aan gewerkt, die allemaal een eigen tekst voor hun rekening nemen. Er hoeft er maar een het af te laten weten of ziek te worden en het boek kan niet verschijnen.” 

“Seelenmassage”

Het Secretariaat heeft een serviceverlenende en coördinerende taak. Trapman omschrijft zijn eigen functie als “half wetenschappelijk, half organisatorisch”. Een doordeweekse dag wordt gevuld met zaken als het controleren en aanvullen van kopij, het beantwoorden van vragen van medewerkers, een bezoek aan een bibliotheek om oude Erasmusedities te bekijken et cetera. Contacten onderhouden en “Seelenmassage” zijn altijd belangrijke ingrediënten. Er werken bij het Secretariaat vier mensen die samen tweeëneenhalve formatieplaats vullen. Het is daarmee een van de kleinste Akademie-instituten.

Op het ogenblik is het Secretariaat nog te vinden in een oud bankgebouw aan de Herengracht in Amsterdam. Hetzelfde gebouw waar ondermeer ook het SWIDOC (Sociaal-Wetenschappelijk Informatie- en Documentatiecentrum) te vinden is. Bij gebrek aan een eigen, af te sluiten ruimte ontvangt Trapman de verslaggeefster in een schitterend versierde vergaderzaal met dubbele deuren waarachter naar hartelust bankgeheimen besproken konden worden.

Het Secretariaat zelf bevindt zich boven in het niet met betimmeringen en goudverf verfraaide deel van het pand. Een grote kamer die in de woorden van Trapman nog het meeste weg heeft van een redactielokaal: bureaus, computers en kasten met boeken en correspondentie. Dat de collectie ‘Erasmiana’ die hier staat verre van compleet is, valt gemakkelijk te illustreren aan de hand van een willekeurige bibliografie die Trapman van de plank haalt: voor de periode 1962 tot 1970 alleen al zijn er 1996 pagina’s nodig om te beschrijven wat er aan boeken en artikelen over Erasmus verschenen is.      

Nieuwe huisvesting zal zich dus altijd “in de buurt van boeken” moeten bevinden, zegt Trapman. Er is momenteel sprake van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Daar is bijvoorbeeld het Bureau Basisvoorziening Tekstedities al gevestigd, een van de kleine Akademie-instituten waarmee het Secretariaat samengevoegd zou moeten worden. Maar ook Rotterdam zou geen slecht idee zijn.

Trapman: “Ze hebben daar in de gemeentebibliotheek een fantastische Erasmus-collectie, de grootste ter wereld.” De gemeente Rotterdam levert al eens in de drie jaar een bijdrage aan de Erasmuseditie in wording: dan komt de ”Conseil international pour l’edition des oeuvres complètes d’Erasme” bijeen in het Parkhotel. Rotterdam betaalt overkomst en verblijf van het internationale gezelschap geleerden dat officieel de zorg heeft voor het totstandbrengen van de kopij.

De juridische status van deze raad is niet helemaal duidelijk, maar in de praktijk zijn er nooit problemen met de Erasmuscommissie van de Akademie (voorzitter: Prof. S. Dresden) waaraan het Secretariaat verantwoording moet afleggen. De ”Conseil” werd onder presidentschap van Prof. J.N. Bakhuizen van den Brink, en mede op initiatief van Dr. Reedijk die de uitgave van Erasmus’ gedichten verzorgde, al in 1963 opgericht. Daarmee werd de basis voor het Secretariaat gelegd.

Maar wie hebben er nu iets aan al dat werk dat bij elkaar meer dan veertig jaar in beslag zal nemen? Trapman is er kort over: “Iedereen die met de zestiende eeuw bezig is. Of het nu theologen of historici zijn of mensen die zich bezig houden met emblemata, niemand kan om Erasmus heen.” Als Erasmus zo belangrijk was, hoe komt het dan dat terwijl iedereen zijn naam kent, vrijwel niemand meer over hem weet te vertellen dat hij een humanist was die ”Lof der Zotheid” heeft geschreven?

Trapman: “Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik denk toch dat zijn ideeën te veel zijn doorgedrongen. Wij vinden waar hij voor stond gewoon. ‘Lof der Zotheid’ valt daarom tegen als je het nu leest, zij het niet zo erg als Mores ”Utopia”, dat is pas echt saai. Kijk, Erasmus was dé opvoeder van de zestiende eeuw. Hij heeft heel veel handboeken voor het onderwijs geschreven. Sommige dingen zijn prachtig. ‘De Copia’ bijvoorbeeld, dat bevat dan tweehonderd manieren waarop je ‘Ik heb uw brief met genoegen gelezen’ kon zeggen, of ‘Ik zal altijd aan je blijven denken’. Die man kende ook alle klassieken,Horatius, Terentius, noem maar op, én de bijbel uit zijn hoofd. Alles wat hij schreef zit vol toespelingen op anderen. Dat maakt het soms lastig om teksten goed te begrijpen, maar ik bewonder het ook zeer.”

Verdraagzaamheid

“Verder was Erasmus natuurlijk een man tussen partijen: niet katholiek, niet Lutheriaans. Hij is degene waar onze beroemde zogenaamde ‘verdraagzaamheid’ vandaan komt. Zijn boodschap was eigenlijk vrij banaal: dat je christelijk moet leven, dat je het christendom altijd en overal in de praktijk moet brengen. En dat alles in beschaafde vorm moet gebeuren. Wat er voor hedendaagse ogen vervelend aan is, is dat hij ”altijd” het nuttige met het aangename wilde verenigen. Alles wat hij geschreven heeft, en dat is ongelooflijk veel, is moralistisch. Ik vind dat soms stomvervelend.”

Trapman, die theologie en kerkgeschiedenis studeerde, was oorspronkelijk in de middeleeuwen geïnteresseerd. Hij promoveerde op een boekje dat net buiten die periode viel: de ”Summa der godliker scrifturen”, uit 1523. Het eerste boek dat in Nederland ooit verboden werd. Het bevatte een mengsel van de ideeën van Erasmus en Luther.

Zo kwam Trapman, nu tien jaar geleden, bij het Secretariaat van de Erasmuseditie terecht, ook al bekent hij Luther eigenlijk spannender te vinden. “Luther noemde Erasmus een gladde aal,” zegt hij “en daar had hij wel gelijk in. Erasmus dekt zich altijd in. Hij zal nooit de dogma’s van de kerk in twijfel trekken, maar wel steeds opnieuw de bewijsvoering. Iemand die een vertaling in humanistisch Latijn maakt van de bijbel gaat terug naar de grondtekst, is dus al snel ketters en ondermijnend voor de kerk.”

Manifeste Leugens

“En als je kijkt wat de varianten van zijn teksten zijn dan gaat het voortdurend om toevoegingen als ‘enigszins’, ‘sommige’,’de meerderheid’. Het zijn als het ware tactische veranderingen. Staat er eerst ‘Hovelingen, die zus of zo doen’, dan wordt dat ‘Hovelingen, van wie de meesten..’.  Heel slim, maar ik heb het liefst dat hij scheldt. Zoals in zijn brieven en polemieken als het gaat over religieuze problemen en stijlproblemen.”

“Wat dat betreft heb ik trouwens nog een primeurtje. In december komt er een onuitgegeven geschrift voor de eerste keer uit. Erica Rummel in Canada heeft dat teruggevonden in het oudste wetenschappelijk tijdschrift in Nederland: het Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis, uit 1829. ”Manifesta Mendacia” heet het,’Manifeste Leugens’. Het gaat over de biecht, het is gericht tegen vier Dominicanen, en Erasmus blijkt er heel orthodox in te zijn. Hij zegt zelf altijd te biecht te gaan, en dat tot zijn dood te zullen blijven doen. Daar heeft hij zich nergens anders zo over uitgelaten. Het geschrift is niet echt uitgewerkt, en Erasmus is er heerlijk fanatiek in. Hier is hij echt door het dolle heen. Prachtig.”

Ook al weet hij nooit helemaal zeker of Erasmus nu serieus is of niet, toch had Trapman hem wel gekend willen hebben: “Hij was tijdens zijn leven al erg populair. Hij moet heel geestig geweest zijn. Je merkt aan zijn geschriften dat hij hield van spelen met taal, dat hij daar zelf lol aan beleefde. Iedereen wilde ook brieven van hem ontvangen. Er waren mensen die zo’n brief overal met zich meedroegen, tot hij helemaal uit elkaar viel.”     

Vervelend wordt het werk nooit, vindt Trapman. Het is afwisselend, het opzoeken en terugvinden van citaten is vaak net een puzzel, en dan is er het Latijn. Trapman: “Latijn is mooi.Vooral het Latijn van de humanisten, die echt de oudheid lieten herleven. Middeleeuws Latijn is veel minder interessant, dat volgt gewoon de Nederlandse woordvolgorde. Erasmus wilde van het Latijn weer een levende taal maken, en hij is niet bang. Hij lacht anderen uit die alleen maar Cicero na-apen, geen enkele zinsnede zelf durven te bedenken. Zijn Latijn lezen is een genoegen. Het geeft een enorme bevrediging, dat kan ik verder niet uitleggen.”

Tekeningen van Hahn, brieven van Marx en een steen uit Parijs 1968

Even verderop worden de pakhuizen verbouwd tot yuppenwoningen, maar het pakhuis op nummer 31 aan de Cruquiusweg in Amsterdam is kortgeleden  het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis geworden. Een gigantisch pand, waar nog een extra verdieping ‘tussengehangen’ is, en waar voorlopig gemakkelijk nog meer bij kan. Ondanks de zes kilometer boeken en andere geschriften die er al opgeslagen zijn.

Twintig miljoen hebben de verbouwing en verhuizing alles bij elkaar gekost, maar de waarde van de zaken die voor dat geld een fatsoenlijke huisvesting hebben gekregen is niet te schatten. Zelfs heel letterlijk niet: het IISG heeft collecties waarvan niemand weet dat ze er zijn. Omdat de gever geheimhouding als voorwaarde voor zijn schenking heeft gesteld. Maar er zijn ook collecties bij die iedereen kent: de briefwisseling tussen Marx en Engels bijvoorbeeld. Sinds een heel klein briefje laatst 50.000 D-Mark bleek op te leveren ligt er helemaal een kapitaal in de kluizen.

Het woordje “Internationaal” in de naam van het instituut is geen loze interessantdoenerij. Vanaf het allereerste begin verwierf men brieven, vlugschriften, boeken, tekeningen, kranten, tijdschriften en affiches uit het buitenland: alles als het maar te maken had met sociale bewegingen. In de praktijk betekende dat meestal arbeidersbewegingen, maar inmiddels zijn ook de kraak- en vredesbeweging ruim vertegenwoordigd.

Het instituut werd in 1935 opgezet als een soort reddingsactie. Na 1933 was het urgent geworden om archieven en bibliotheken uit Duitsland en later ook uit Oostenrijk te halen. De gigantische bibliotheek van Max Nettlau bijvoorbeeld, die toendertijd de rijkste collectie ter wereld op het gebied van anarchistische ideeën en bewegingen bezat, met onder andere de manuscripten van Bakoenin.

De Spaanse burgeroorlog leverde ook heel wat politiek gevoelig materiaal op, zelfs zo gevoelig dat een aantal jaren geleden een groepje Spanjaarden die deel uitmaakten van een splintergroepering het materiaal dat indertijd in bewaring is gegeven kwam opeisen. Met behulp van een bezetting. Er bestaan foto’s van. Ook van de opgekalkte leus “Fischer fascista”.

Dr. E. Fischer is directeur van het instituut. Hij is op vakantie.  Adjunct-directeur  J. Kloosterman en hoofd algemene zaken drs. H. Wals nemen de honneurs waar. Met groot enthousiasme vertellen ze hoe het instituut nog steeds aan reddingsacties doet. Er is materiaal uit Latijns-Amerika, en de laatste tijd komt er veel uit Turkije binnen. Een medewerker bracht van de zomer foto’s, video’s en zelfs een spandoek mee terug uit China. Wals: “Dat heeft iets lijkepikkerigs, maar ook dat soort dingen moeten bewaard worden.”     

De geschiedenis van het instituut is zelf eigenlijk ook ‘sociale geschiedenis’ geworden. In een prachtig, in 1986 uitgegeven boek De papieren van de revolutie, beschrijft Maria Hunink de jaren tot 1947. Het doorzettingsvermogen van oprichters N.W. Posthumus, hoogleraar in de Economische Geschiedenis, en Nehemia de Lieme, directeur van de Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank is bewonderenswaardig. Een belangrijke hindernis die telkens genomen moest worden bij hun pogingen de een of andere collectie te verwerven, was de gehechtheid van de collectioneurs aan hun verzamelingen.

Sommige verhalen doen bijna komisch aan. Max Nettlau bijvoorbeeld krijgt spijt meteen nadat hij een contract met Posthumus getekend heeft, en spoedt zich een dag later met zijn inmiddels doorgestreepte en ongeldig gemaakte overeenkomst naar Posthumus. Die vervolgens zijn armen stijf tegen zijn lichaam houdt en absoluut weigert Nettlaus envelop in ontvangst te nemen. Posthumus was zo slim geweest het contract nog de dag van ondertekening te laten inschrijven in het handelsregister in Wenen waar bovenbeschreven scène zich afspeelde.

Grenzeloze chaos     

Waarlijk heroïsch zijn de verrichtingen van Annie Adama van Scheltema, weduwe van de dichter en vanaf het begin bibliothecaresse van het instituut. Onder de ogen van de nazi’s sleept ze koffers vol archieven naar Nederland. Uit handen van de Russen redt ze een deel van de Trotski-archieven, die in Parijs opgeslagen waren. Een ander deel is voorgoed bij een nooit opgehelderde inbraak verdwenen. Reden voor het instituut om de naam Trotski in alle geschriften te vervangen door ‘Abel’ (Stalin had Trotski een aantal keren aangduid als ‘Kaïn’).     

Wat er in die eerste jaren verworven werd grenst aan het ongelooflijke. Van het archief en de bibliotheek van Domela Nieuwenhuis en de ‘Sozialdemokratische Partei Deutschlands’ tot de persoonlijke documenten van Alexander Herzen. Maar ook een eerste druk van het anoniem verschenen Kommunistisch Manifest, een verzameling werken over de bedelarij op het eind van de 18e eeuw, documenten van Jeronimo de Bosch Kemper, grondlegger van de Nederlandse sociologie, en de jaargangen 1821-1835 van het Nederlandse vrouwentijdschrift Pénélopé. Letterlijk te veel om op te noemen, en dat gebeurde dan ook niet. De eerste jaren werd er vrijwel uitsluitend verzameld en opgeslagen.

Kloosterman: “In Duitsland is net een rapport van de Sicherheitsdienst gevonden over de toestand in het instituut in 1940. De Duitsers waren erg geïnteresseerd in de verzameling, de SS en het Nationaal Arbeidsfront streden onderling over wie het zou krijgen. Het meeste heeft de oorlog gelukkig overleefd. Maar het beeld dat uit dat rapport rijst is er een van grenzeloze chaos. Alles was volgestouwd met papier. Nergens was plaats, overal stonden dubbele rijen en in de gangen kon je niet lopen door de tot aan het plafond opgetaste kranten. Je kon dus ook niks vinden. Alleen als iemand toevallig wist waar iets de laatste keer neergelegd was.”

Rechtse regering   

Ontsluiting van het materiaal. Van de 100 mensen die tegenwoordig op het instituut werken houdt zo’n tweederde zich daarmee bezig. De nieuwe tijden bieden daarvoor geheel nieuwe mogelijkheden. Er zitten inmiddels een half miljoen boektitels en periodieken in de computer (de centrale computer heeft een opslagcapaciteit van zeven maal 340 Megabyte). En in augustus is er een proefproject begonnen dat het mogelijk moet maken om (in eerste instantie zo’n 2000) foto’s en plaatjes te digitaliseren en dan op een apart, aan een terminal én het geautomatiseerde bestand gekoppeld videoscherm te projecteren. Dat betekent dat men binnenkort bijvoorbeeld alles over een persoon tegelijkertijd kan bekijken: zijn portret, boeken en artikelen die hij of zij geschreven heeft, maar ook alles wat er over diegene verschenen is.

Zeer tevreden is men over het geld dat het Ministerie van Onderwijs hiervoor beschikbaar heeft gesteld. Kloosterman: “Buitenlandse instellingen zijn stomverbaasd dat wij van een rechtse regering zo’n mooi gebouw en allerlei middelen krijgen. Als in Frankrijk Mitterand valt, betekent dat ook dat de automatiseringsplannen van de baan zijn voor instellingen als de onze. Met de automatisering is het heel hard gegaan. In 1982 hadden we bij wijze van spreken nog geen elektrische schrijfmachine, en nu komen ze uit het buitenland kijken hoe wij het doen.”

Modeverschijnsel

Wat gebeurt er nu met al dat materiaal? Kloosterman en Wals stellen dat het instituut meer een documentatiecentrum dan een bibliotheek is. Tegenwoordig zijn er dagelijks zo’n dertig a vijftig bezoekers. Mensen die meestal lang blijven en gemiddeld veel aanvragen bij de uitleenbalie, ook al wordt er maar weinig materiaal uitgeleend. Kloosterman: “Twintig jaar geleden, twee panden terug, was het heel anders. Toen zaten er alleen een paar buitenlandse hoogleraren in de studiezaal. Pas in de jaren zeventig kwamen de Nederlanders. Sociale Geschiedenis werd een modeverschijnsel.”

Dat is nu weer over. De invalshoek voor onderzoek is veranderd, zegt Wals. “De aanpak is nu comparatief en internationaal. Er vindt veel meer uitwisseling van wetenschappelijke kennis plaats. Wie zich wil bezighouden met de opkomst van de arbeidersbeweging, vergelijkt bijvoorbeeld de gang van zaken in Frankrijk met die in Duitsland. Wat je wil weten is welke factoren een rol spelen. Waarom het in het ene land anders loopt dan in het andere. De parochie-instelling is verdwenen. Onderzoekers willen inzicht krijgen in de infrastructuren, en niet een beetje aan sociale geschiedenis doen omdat ze dat leuk vinden. In dit nieuwe gebouw kunnen we nu zelf ook grote congressen organiseren. We kunnen tot 200 man ontvangen.”

De jonge Marx

Onderzoek leidt natuurlijk tot publikaties. Er is een eigen stichting die boeken uitgeeft. Die kunnen handelen over de meest uiteenlopende zaken, van het club- en buurthuiswerk tot de geschiedenis van SDAP. De biografie van ‘sociaal-democratische tekenaar’ Jan Rot die vorig jaar verscheen werd zelfs een kleine hit. Soms ook geeft men alleen maar een wetenschappelijk verantwoorde complete tekst van iets uit. ‘Terug naar de bron gaan’ kan nuttig zijn: de zogenaamde ‘jonge Marx’ bijvoorbeeld en diens economisch-filosofische manuscripten blijken helemaal niet te bestaan. In werkelijkheid werd er op basis van een complex van aantekeningen van Marx, opmerkingen in de kantlijn en dergelijke in de jaren twintig ‘de humanistische kant van het Marxisme’ gecreëerd. En sindsdien nam de een na de ander dat over.     

Toch blijft er, hoe mooi en geklimatiseerd het nieuwe gebouw ook is, een zwaard van Damocles boven het instituutsmateriaal hangen: het vergaat. Conservering is het grootste probleem dat men op het instituut kent. Op een bepaald moment is het complete conserveringsbudget weliswaar geschoven naar de verfilming en het op microfiches zetten van materiaal, maar veel is al niet meer te verfilmen.

Kloosterman: “Je moet niet vergeten dat veel van de wat wij hier hebben het allergoedkoopste en gemeenste spul is wat de makers maar konden krijgen. Grote delen vallen uit elkaar. Oude kranten moeten eerst geconserveerd worden voor je ze op film kunt zetten. Iedere keer dat je er een raadpleegt wordt de boel beschadigd.” Kloosterman en Wals praten er terughoudend over, alsof de gedachte dat alles tot stof ligt te vergaan te onverdraaglijk is om toe te laten. Ook het zorgen voor de juiste temperatuur en vochtigheid is niet meer dan uitstel van executie.

Zoveel mogelijk digitaliseren lijkt voorlopig het beste. En restaureren natuurlijk, – het instituut heeft een eigen restauratie-atelier, –  maar pas als je grote hoeveelheden tegelijk kunt redden begint het zoden aan de dijk te zetten. De heren zijn  voorlopig nog skeptisch, maar misschien dat het conserveringsprocédé war Akzo laatst mee in het nieuws kwam uitkomst kan brengen.

Panoramabier     

Wie een blik mag werpen op de feitelijke archieven wordt overweldigd door de hoeveelheid en de diversiteit. Eindeloze rijen archiefkasten die door een ingenieus systeem aan elkaar gekoppeld zijn: wie in een bepaalde kast moet zijn draait eenvoudigweg twee kasten een eindje uit elkaar. De rest blijft ruimtebesparend een aaneengesloten blok. In de kasten staan ingebonden kranten en tijdschriften. Uit de Franse revolutie bijvoorbeeld, of uit Managua nu: ‘La Prensa’, de krant die regelmatig een tijdje verboden wordt. Er is het blad van de Russische Communistische Bond ter Bestrijding van Godsdienst, er staan jaargangen van ‘De katholieke onderofficier’ en de hoofdartikelen uit de NRC vanaf 1844. Maar ook de giro-afschriften van de PvdA in de jaren zestig en lidmaatschapskaarten van de vakbond.

Eind 1990 wordt het Nationaal Vakbondshistorisch Museum geopend in het door Berlage gebouwde voormalige gebouw van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond, aan de Amsterdamse Henri Polaklaan. Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief en de Economisch-Historische Bibliotheek (opgericht in 1915) zijn  na een scheiding van de beide collecties in 1936 nu weer onderdeel van het instituut. Sinds kort hoort ook het Persmuseum erbij. 

Er moet nog veel uitgezocht worden. In de opslagplaats van ‘curiosa’ staan uit dat Persmuseum bijvoorbeeld een bierflesje van Panorama naast de originele politieke tekeningen en karikaturen die Albert Hahn maakte. De kasten met curiosa bevatten de meest wonderlijke dingen: van dodenmaskers tot een steen die in 1968 in Parijs geworpen is. Verder pijpekoppen, ballpoints, bestek, speelkaarten, buttons en aanstekers met leuzen. Mooi is een fabriekslandschapje achter glas in water dat bij schudden niet gaat sneeuwen maar ‘roeten’: “Berlin tut gut” staat erop. Op deze afdeling liggen ook de goed verpakte spandoeken, en vaandels uit vroegere tijden, van het “mannenkoor van de Diamantbewerkers” bijvoorbeeld. Er zijn ook schilderijen en affiches, sommige ingelijst zoals die van de Commune van Parijs.

AJC-dansen

Keine afbeeldingen van al dat materiaal staan op de catalogusfiches. In de bakken met foto’s en prenten kunnen bezoekers zelf grabbelen. Een willekeurige greep levert plaatjes op van AJC-dansen en van de gemeenteraad van Zaandam, waar in 1914 voor het eerst socialisten in zaten. Onderschrift: “Het gezag is dus in handen van de bestrijders van het gezag. Er zijn heel wat woorden gebruikt om hieraan een schijn van redelijkheid te geven.”     

Dallas In het Catalaans

Ze zijn er nog, de sprekers van het Friulaans. Aromoens of Corsu, maar makkelijk hebben ze het niet. Aanstaande maandag begint een serie radioprogramma’s over minderheidstalen in Europa. “Duidelijk is dat de positie van minderheidstalen niets met die talen zelf te maken heeft.”

“Als het met de grutto achteruitgaat maakt iedereen zich druk om hem te redden, maar als er een taal dreigt te verdwijnen hoor je hooguit ‘zo gaat dat nou eenmaal’. Er bestaat eindeloos veel meer sympathie voor beestjes dan voor uitstervende talen.”

Bitterheid, woede, trots, strijdlust: de emoties vechten om voorrang bij de aanwezigen op de geanimeerde bijeenkomst die deze week gehouden werd ter ere van een lange serie radioprogramma’s van de NOS over minderheidstalen in Europa.

Die serie  — een soort zomerspecial van het enige taalprogramma dat de radio kent: ‘Wat een taal’, vroeger ‘de Taalshow’ geheten — gaat aanstaande maandag van start, maar anders dan de titel en ook de plaats (Radio 5) misschien doen vermoeden, gaat het niet over het Turks in Nederland of het Italiaans in Duitsland.

Het gaat over het Fries in Nederland, het Sardijns in Italië, het Pomaaks in Griekenland, anders gezegd: over autochtone minderheidstalen.

In de Europese Gemeenschap, het ‘Europa van de twaalf’ worden sinds mensenheugenis tientallen talen gesproken. Maar het talencircus in Straatsburg, zetel van het Europese Parlement, komt niet verder dan negen talen waarin en waaruit aan de lopende band vertaald wordt. (Ieren doen het met Engels, Luxemburgers hebben het Frans en Duits en de Belgen gebruiken Franse en Nederlandse vertalingen, – de laatste overigens te herkennen aan oranje papier.)

Wie van de Europarlementariërs toevallig Friulaans, Aromoens, Corsu of Galicisch als moedertaal heeft, heeft pech.

Een flagrant onrecht volgens Willy Kuijpers, een Vlaming die in het Europees Parlement een Regenboogfractie-zetel bezet. Hij wordt niet moe uit te leggen dat de Europese Gemeenschap ieder van zijn inwoners niet meer dan een pakje sigaretten kost, en dat van dat pakje slechts een halve sigaret opgaat aan vertaalkosten.Dat mag wat hem betreft rustig een hele worden, zodat ook de sprekers van minderheidstalen het “democratische grondrecht” kunnen krijgen om zich van hun moedertaal te bedienen.

Uitwassen

Wie de radioserie hoort, veertien afleveringen van een half uur, kan niet anders dan concluderen dat de minderheidstalen in Europa er beroerd voorstaan. Centrale overheden houden op zijn zachtst gezegd niet zo van minderheidstalen. Men gaat uit van een land, een volk, een taal en dat heeft al voor heel wat uitwassen gezorgd.

In Frankrijk was tot ver in deze eeuw het ‘teken-systeem’ op scholen volstrekt normaal: het eerste kind dat betrapt werd op het spreken van Occitaans, of Bretons of iets anders dat geen Frans was, kreeg van de meester een steen of een muts of iets dergelijks als ‘teken’. Dat teken werd de hele dag door de kinderen onderling doorgegeven zo gauw ze iemand de verboden taal hoorden gebruiken. Degene die aan het eind van de dag het teken in zijn bezit had kreeg slaag.

Een onsmakelijk staaltje opgelegde sociale controle, maar nog niet zo schokkend als de maatregelen die men in Griekenland wel nam: tot in de jaren dertig gebeurde het daar dat van iemand die Macedoons sprak de tong werd uitgesneden.

Mensen zijn vergroeid met hun moedertaal. “Ik weet niet of ik ’t nou helemaal kan, want ik word helemaal ontroer van”,  zegt mevrouw Roser Misiego i Llagostera als ze een stukje uit een Catalaans gedicht “dat de mensen in Catatonië gewoon ondersteboven gehaald heb” wil citeren. Al twintig jaar woont ze in Nederland, maar ze droomt van Olympische Spelen  — die in 1992 in Barcelona, het kloppend hart van

Catalonië gehouden worden — met een eigen Catalaans volkslied, en de eigen Catalaanse vlag. De folder over die Olympische Spelen is gesteld in achtereenvolgens het Engels, het Frans, het Spaans en het Catalaans. Het Catalaans toch weer achter het Spaans: typerend zegt Roser Misiego boos.

Ze is de felste van alle pleitbezorgers voor minderheidstalen in de hele serie. Haar moedertaal staat er ook het beste voor: er zijn acht miljoen Catalanen (drie miljoen meer dan Denen bijvoorbeeld). Ze hebben een machtige historie en ze wonen in een economisch  sterk gebied: de oostkust van Spanje.

De meeste Spanjegangers die op vakantie willen aan de Costa Brava, of op Mallorca zouden geen ‘Spaans op reis’ maar ‘Catalaans op reis’ moeten meenemen. Tijdens Franco moest Roser Misiego nog stiekem in een garage, in de avonduren leren lezen en schrijven in haar moedertaal, maar sinds Franco’s dood is de positie van het Catalaans op alle fronten verbeterd: er is onderwijs in het Catalaans, er zijn Catalaanse radio- en tv-zenders (Roser Misiego, stralend: “JR uit Dallas spreekt bij ons Catalaans”), en ook voor een eenvoudig baantje in een winkel moet je Catalaans kennen.

De economische positie en het ‘groepsgevoel’ van de sprekers, het al dan niet bestaan van onderwijs, boeken, kranten of uitzendingen in een minderheidstaal lijken telkens de belangrijkste factoren te zijn voor de kansen die zo’n taal heeft om het te redden.

Zigeuners

Alleen ‘groepsgevoel’ kan trouwens al genoeg zijn: het Romanes, de taal van de zigeuners, kent geen geschreven vorm, maar “zal blijven bestaan zolang er zigeuners zijn. Anders was het allang weg”, meent kenner Paul Öfner.

Omdat alle geschreven bronnen ontbreken kan naar de afkomst van het Romanes alleen geraden worden op grond van de kenmerken van de taal zelf: verwant met Indiase talen, draagt het bijvoorbeeld sporen van het Perzisch, Armeens en Nieuw-Grieks (Petalo, de naam van een beroemde zigeunerkoning in Nederland is uit het Grieks geleend en betekent ‘hoefijzer’). Andersom worden er ook dingen overgenomen: joekel is Romanes voor ‘hond’.

Vooral in de afgelopen tweehonder jaar zijn er in Europa door de opkomst van nationale staten, door gecentraliseerd onderwijs en door de media heel wat taalvariëteiten weggevaagd of volkomen in de marge geraakt. Het zijn ook letterlijk vaak de uithoeken van een land waar een minderheidstaal het langst blijft bestaan.

Maar er zijn ook, soms merkwaardige tegenbewegingen: op het eiland Man stierf in 1974 de laatste moedertaalspreekster van het Manx. Dat kreeg toen zoveel publiciteit dat er een groep mensen in actie kwam die het Manx weer in ere wilde herstellen. Er zijn nu weer sprekers, zij het van Manx als tweede taal.

In Cornwall maken ze het nog doller: sinds 1777 bestaan er daar geen moedertaalsprekers van het Cornish meer. Toch beweren tachtig mensen het vloeiend te spreken. Waarom spreken ze Cornish? Om zich af te zetten tegen Engeland.

Als een ding duidelijk wordt uit deze ‘Wat ’n taal’-serie dan is het wel dat de positie van minderheidstalen niets met die talen zelf te maken heeft. Ze stammen trouwens, afgezien van het Baskisch, allemaal af van hetzelfde Indo-Europees. In de talen zit het dus niet, het zijn de omstandigheden.

Zouden daarom alle liedjes die in de serie te horen zijn zo weemoedig klinken? Enfin, om zelf de bekoring te ondergaan van geheimzinnige zinnen en klanken waarin alleen soms een woord vaagweg iets bekends heeft zult u de radio moeten aanzetten.

Dan kunt u er ook achter komen wat een glas ‘Langue d’Oc’ betekent en waarom de Engelsman Bonifatius zonder taalproblemen in Dokkum kon gaan preken. En luister in die uitzending over het Fries dan meteen ook even naar het fantastische nummer ‘De Friese frustratieblues’.

‘Wat ’n Taal’ wordt gemaakt door Jan Roelands en Jannie Verheijen. Uitzending iedere maandagmiddag van vijf tot half zes, Radio 5.

De nummers corresponderen met de uitzendweek. Tussen haakjes staat de uitzenddatum.  Week 1 (12/6) en week 2 (19/6) vormen de algemene inleiding.
3. Baskisch (26/6)
4. Goidelisch (Iers, Schots en Manx) (3/7)
5. Brits (Welsh, Cornish, Bretons) (10/7)
6. Occitaans (17/7)
7. Jiddisch (24/7)
8. Fries (31/7)
9. Catalaans (7/8)
10. Luxemburgs en Elzassisch (14/8)
11. Romanes (21/8)
12. Corsu en Sardijns (28/8)
13. Friulaans en Ladinisch (4/9)
14. Aromoens en Pomaaks (11/9)$$
 

Nog twee rijmdagen tot sinterklaas

Er wordt op dit moment weer heel wat afgeworsteld met het Sinterklaasgedichtenprobleem. Hou even op met het wezenloos vullen van vellen, neem deze krant ter hand en volg ze op: de adviezen van twee onverbiddelijke vaklui.

‘Vreselijk,’ roept Pieter Nieuwint, ‘Sinterklaas is leuk, maar het is heel erg dat je enthousiast moet doen over verschrikkelijke gedichten. Je wordt verplicht alles waar je in geloofde te verkwanselen. De gêne van een slecht gedicht, dat kent toch iedereen? Je hart bloedt als je na het struikelend voorlezen van zo’n monstrum een gelukkige glimlach in de richting van de gever stuurt.’

Op zoek naar een antwoord op de vraag hoe het toch komt dat Sinterklaasgedichten van die onmiddellijk herkenbare, echte Sinterklaasgedichten zijn, kom je snel terecht bij de schrijvers van het ‘Het Lyrisch Lab’, een rubriek over de techniek van dichten, rijm en liedjes schrijven in het maandblad Onze Taal: Pieter Nieuwint (anglist, liedjesschrijver, ex-cabaret Ivo de Wijs) en Jaap Bakker (neuroloog, liedjesschrijver, maker van het Nederlands Rijmwoordenboek) maken om de beurt een artikeltje voor de nog steeds lopende serie.

Beiden beginnen spontaan over het bruiloften- en partijenwezen als het Sinterklaasgedichtenprobleem hen wordt voorgelegd. Daar zie je het al: gelegenheidsdichters verwaarlozen het ritme. Bakker: ‘Dat is het grote verschil tussen amateurs en professionals.’

Nieuwint: ‘De mensen kunnen niet tellen. Ik heb vaak op feesten liedjes begeleid op de piano. En dan komt de ceremoniemeester van tevoren vragen of je de melodieën kent.’

’Nou dat is altijd ‘Op een mooie Pinksterdag’ of ‘Over 25 jaar’, dus die liedjes ken ik wel. Maar dan vraag ik: ‘klopt het?’ En dan roepen ze: ‘ja hoor! We kunnen het zo meezingen met de plaat.’ Als je het dan later speelt, klopt er geen bal van.’

’Een regel met 22 lettergrepen uit ‘een mooie Pinksterdag’ heeft er dan ineens zestien, of zeventien. En het enige dat ze hoeven te doen is gewoon tellen. En een beetje op beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen letten.’

Sint Nieuwint

‘Op feesten valt het dan nog mee: een melodie zorgt dat je tot op zekere hoogte binnen een stramien gehouden wordt, ook al gaat iedereen om de twee regels uit de bocht, maar Sinterklaasgedichten zijn veel erger. In een Sinterklaasgedicht houdt de tweede regel op bij het rijmwoord. Dan krijg je van die dingen als: ‘Wat krijgt Gerard dit jaar nu toch eens voor Sinterklaas? Nou misschien speculaas.’

Nieuwint gruwt dan ook van de De Nieuwe Rijmenbundel, een uitgave van Uitgeverij Sintnicolaasrijmenblad in Roosendaal die voor f 4,85 bij de bladenman te koop is. 150 versjes op verschillende thema’s. Nummer 62 onder het kopje Vaak uitstellen:

’t Is niet voor ’n oplossing zorgen,

met steeds uit te stellen tot morgen.

Jij weet het misschien anders uit te leggen

maar… morgen kun je blijven zeggen.

Alleen de afgesproken leuke dingen

hoeft men jou niet af te dwingen,

zoals vanavond ben je zeker attent

voor het ontvangen van sint z’n present.

                        Namens Sint

Nieuwint: ‘Het enige dat hier goed aan is, is de lengte. Mensen gaan vaak maar door, vier, vijf blocnotevellen vol. En dan krijg je wat je ook hebt bij slechte sprekers: iedereen zit inwendig te bidden of er alsjeblieft in het zaaltje ernaast een bom mag ontploffen. Alles, als het maar ophoudt.’

Het gedichtje ‘Vaak uitstellen’ loopt niet soepel, en is gewrongen, maar de slotregels zijn een stokpaardje van Nieuwint en Bakker: ‘attent’ en ‘present’ zijn geen Germaanse, maar Romaanse woorden. En dat is maar niks.

‘Het hart spreekt geen Latijn’ zegt Bakker. ‘Het is te faciel’ zegt Nieuwint. Vreemde uitgangen, zoals bijvoorbeeld  -atie (zie: relatie, presentatie, statie, concentratie, obligatie, medicatie, prestatie, formatie, inspiratie, transpiratie) vinden ze niet leuk om op te rijmen, omdat er veel te veel mogelijkheden zijn.

Nieuwint: ‘Je voelt intuïtief aan: dat is geen kunst. Al die Romaanse talen hebben dat. Het is ook helemaal geen zwakte van het Nederlands dat Dantes Divina Comedia niet rijmend vertaald kan worden, dat is zwakte van het origineel: je hebt 7000 woorden die op -one of –ane eindigen in het Italiaans.’

’Net als in het Frans, daar heb je duizenden mogelijkheden om op -e te rijmen. Waardeloos. Daar is geen beginnen aan. Het is veel mooier als je tegen iemand zegt: ‘maak eens een gedicht dat rijmt op -elf.’ Dan weet je ook direct dat het niet langer zal worden dan vier coupletten, want er zijn maar vier woorden die op -elf eindigen. Ivo de Wijs heeft dat gedaan met het nummer ‘Een moment voor jezelf’.’

Bakker heeft zelfs bewijzen voor de stelling dat woorden van Germaanse oorsprong het in gedichten beter doen dan woorden die uit de Romaanse talen komen. Op basis van bloemlezingen van Gerrit Komrij en Hans Warren heeft hij een bestand van 10.000 rijmwoorden aan het einde van dichtregels opgebouwd en de computer laten tellen hoe vaak ze voorkomen.

Bakker: ‘Je kunt er natuurlijk pas echt iets van zeggen wanneer je de poëzie met proza gaat vergelijken, maar in de gedichten hebben de Germaanse woorden in ieder geval de overhand. En ‘dichterlijke’ woorden blijken hele gewone dingen te zijn, dingen die dicht bij ons staan.’

De top tien geeft hem gelijk: het meest voorkomende woord is, hoe kan het anders, leven (47 maal), op de voet gevolgd door: niet, zijn, licht, gaan, komen, aan, uit, nacht en land.  Pas tientallen woorden verder komt het eerste Romaanse woord: straten.

Bakker: ‘We hebben ook wegen, maar ik denk dat de meeste Nederlanders straten niet meer als een vreemd woord voelen. Dat geldt ook voor uren, wijn en pijn.’

Nog veel verder op de lijst komen tenslotte duidelijk uitheemse zaken als poëzie, avontuur, muziek en centen aan de beurt.

Het is niet eenvoudig amateurs ervan te overtuigen dat rijmen op de bastaarduitgang -atie lelijk is. Nieuwint: ‘Terwijl iedereen bij pittoresk, soldatesk en grotesk meteen uitroept dat het eigenlijk niet echt rijmt. Met die uitgang -esk valt het veel meer op. Maar alle woorden op -iteit bijvoorbeeld zijn feitelijk ook gevallen van rijk rijm.’  

En rijk, dat wil zeggen ‘identiek’ rijm (koper/goedkoper, zon/horizon, want/wand), is verschrikkelijk armoedig, daar zijn Bakker en Nieuwint het roerend over eens. Bij dichten op  -iteit moet je als het ware nog een lettergreep verder terug om het rijk rijm kwijt te raken: sportiviteit en autoriteit rijmen niet ‘echt’, maar pariteit en rariteit zouden het in een sinterklaasgedicht al veel beter doen. Alle woorden op –iteit rijmen natuurlijk wel gewoon op feit, bijt, kwijt, spijt en wijd en zijd.

Knap slap

Het samen laten gaan van een bastaarduitgang met een goed Germaans woord kan een deel van Nieuwints afkeer van het Romaans wegnemen: ‘Natuur en figuur is niet mooi, dan heb je twee keer dat uit het Frans geleende achtervoegsel -uur. Natuur en bestuur gaat al veel beter.’

Er is nog meer lelijks: woorden die prachtig rijmen maar inhoudelijk te veel op elkaar lijken leiden tot wat Bakker in zijn Rijmwoordenboek ‘slap volrijm’ noemt: paren als iemand/niemand, verdwijnen/verschijnen, nodig/overbodig, weifelen/twijfelen, lijken/blijken en huis/thuis zijn bekende Sinterklaasrijmvoorbeelden.

Ook halfrijm (surprise/kiezen, vleugellam/daar ga je dan) is eigenlijk uit den boze, en zondigen tegen de grammatica mag alleen als het leuk is: ‘Nu ga ik stoppen hoor/want ik ben het bijster spoor.’

Echt leuk is volgens Nieuwint een enorme lange aanloop nemen, heel ingewikkeld doen voor één klein grapje, dat bijvoorbeeld een verdwaalde idiomatische uitdrukking kan zijn.

Nieuwint: ‘Ivo de Wijs had in een van de programma’s een keer een lange monoloog waarin hij vertelde dat hij uit Zeeland kwam. Daar beviel het hem helemaal niet, want de mensen waren stug en vervelend en nog een heleboel meer. Dat eindigt er dan mee dat hij zegt: ‘En toen kreeg je ook nog de watersnood, nou dat was de druppel die de emmer over deed lopen’. Dat vind ik net zo leuk als ‘deduizendpoot greep de gelegenheid met beide handen aan’. Het zijn vondsten, net als de zogenaamde Tom Swifties, dingen als ‘een hoop drollen’ en ‘een troep schoonmaaksters’.’

’Maar ik moet misschien nog wel het meeste lachen om redeneringen in de trant van ‘Ik ga verstandig met geld om, jij bent zuinig, hij is een krent’. Die staan ook in de Opperlandse Taal -en Letterkunde van Battus. Het summum is wat mij betreft ‘Ik ben geestig, jij bent leuk, hij is Seth Gaaikema’.’

Je kunt als amateur maar beter niet per se geestig willen zijn, vindt Nieuwint: ‘Er is niets tegen een ernstig gedicht. Een grappig bedoeld vers dat zijn effect mist, verwoest voor minstens een kwartier de stemming op Sinterklaasavond.’

Vorm en inhoud moeten in ieder geval hand in hand gaan. Het rijm mag niet te veel de aandacht op zich vestigen. Nieuwint ergert zich aan ‘mensen die zonodig sneeuwstorm op twintigste eeuwvorm moeten laten rijmen’.

Kus dus

Bakker spreekt van ‘stuntrijm’. Dubbelrijmen vindt hij ‘meestal eerder spectaculair dan fraai. Wel mooi en ingenieus tegelijk is ‘overtuiging/in broek en trui ging’‘.

Voor een liedje over het hedendaagse zoengedrag bedacht hij de regels: ”t Is een allerzonderlingste intermenselijke toestand/bij ’t minste of geringste staan de lippen in de oe-stand’, en die vervullen hem met trots. 

Ook al omdat de zinsmelodie in orde is en de woordaccenten gewoon op hun eigen plaats kunnen blijven. Bakker: ‘De traditie met Sinterklaas is de waarheid te zeggen, elkaar eens vriendelijk op de hak te nemen. Dat rijmen geeft het een element van onvermijdelijkheid. Het verwijt of de spotternij worden verpakt, en daardoor lijkt het net alsof je zegt ‘ik beweer dat nou wel, maar ik kon ook niet anders, want het moest rijmen’. Hoe beter het gedicht loopt, des te sterker is dat effect.’

Nieuwint: ‘Je kunt je negatieve dingen alleen in een acceptabele vorm kwijt, anders eindigt de avond onherroepelijk met gebroken glazen. Als je echt wil uitpakken moet je zorgen dat je boodschap goed verpakt is. Rijm geeft speelsheid en daarmee een zekere afstand tot de mededeling. Stel je maar eens voor dat je iemand een pakje zou geven met daarbij een briefje: ‘Voor Piet. Het zijn wollen handschoenen, want je mept altijd op de kinderen, en misschien krijgen die nu geen blauwe plekken meer.’‘

Een acceptabele vorm. Voor beiden betekent dat eens afwijken van dat eeuwige gepaarde rijm (a/a, b/b, c/c etcetera). Bakker: ‘Je kunt het jezelf veel gemakkelijker maken door bijvoorbeeld als rijmschema eens ‘abcb’ te nemen. Dan hou je meer tijd over om op het ritme te letten. En als je dan je gedicht ook nog uittypt wordt het beter voorgelezen en heeft het meer effect.’

Nieuwint raadt aan ‘de magische vijfvoet’ te gebruiken: regels van niet meer dan tien of elf lettergrepen. ‘Dan krijg je een natuurlijke pauze en kan de luisteraar geestelijk naar adem happen.’

Nog een gouden regel: ‘Baken het onderwerp af. De grote fout, ook op feesten en partijen is dat iedereen altijd alles in een keer wil behandelen. Je moet er iets uitlichten, dat uitvergroten en liefst flink overdrijven. Dat doet het goed, en het voorkomt ruzie.’

Met klem bestrijden beide heren dat het gebruik van een rijmwoordenboek onsportief zou zijn. Bakker: ‘Het gaat toch om de inhoud. Iets is pas leuk in een goed zinsverband. Ook wanneer je een rijmwoordenboek gebruikt hebt, mag je voor een goed couplet alle eer voor jezelf opeisen.’

Nieuwint: ‘Een rijmwoordenboek is inspirerend, het brengt je op ideeën, maar die moet je toch weer zelf verwoorden.’ Bakker wijst op de bruikbaarheid van jargon  (‘Voor vakgenoten kan ik klysma prachtig laten rijmen op aneurisma’) en namen.

Er staan er heel wat in zijn rijmwoordenboek, en hoeveel dichters zou het niet inspireren te zien dat CPN-er rijmt op mensenkenner en Campari op Mata Hari?

Wie denkt er spontaan aan een sirtaki in Nagasaki en een Gitane voor Diane in Toscane? Een verbinding tussen de R.A.F. en een Toepolev ligt niet meteen voor de hand, net zomin als die tussen de KNMI en claustrofobie.

Dat Nederlands rijmt op Protestants moet in heel wat huisgezinnen te gebruiken zijn. En er komen  altijd nieuwe namen bij. Bakker: ‘Nu met Bush rijmt er weer iets op douche.’ 

De laboranten uit het Lyrisch Lab zijn streng in de leer. Nieuwint (‘De enige goede Sinterklaasgedichten komen voor het Nederlands van de Schoolmeester, en voor het Engels van Ogden Nash’) is nog wat strenger dan Bakker (‘Ik wil niet naar doen over Candlelight-gedichten, ik vind het allang mooi dat mensen zich daarmee bezighouden in plaats van voor de tv te zitten’) maar de strengste dichter in Nederland is volgens Nieuwint nog altijd drs. P, die vindt dat tante niet rijmt op klanten.

De vraag is of die ooit wel een Sinterklaasgedicht krijgt: wie zou er een durven maken voor de man die (Nieuwint:) ‘uitsluitend te evenaren valt, nooit te overtreffen’.

Nieuwint en Bakker hebben zelf al in geen jaren Sinterklaas gevierd. Andersom is de druk ook groot: men verwacht van een professional perfectie. ‘Een Sinterklaasgedicht kost een avond,’ zegt Nieuwint. U heeft er nog twee – maar misschien zijn Sinterklaasversjes toch meer iets voor amateurs.

De rijke “low-culture”-collectie van het P.J. Meertens-instituut

Voor de marmeren balie waar je vroeger geld kon halen, staat nu een zitje voor bezoekers. De koperen sponningen van de kassaramen worden allang niet meer gepoetst. Over een jaar of twee verlaat het P.J. Meertens-instituut voor dialectologie, volkskunde en naamkunde het voormalige bankkantoor aan de Keizersgracht inAmsterdam om zijn intrek te nemen in het dan verbouwde Trippenhuis.

Dat is vooral spijtig met het oog op de kelder van de huidige behuizing: de enorme collectie bandopnamen en enquêteformulieren zal nooit meer zo’n schitterende bergplaats vinden als in de tientallen kluisjes en kluizen achter tralies waar ze nu bewaard worden. Ouderwetse, gelige deuren en deurtjes met prachtige Lips-wapens ontsluiten een schat aan gegevens.

Wat voor gegevens? “Oorspronkelijk was het de bedoeling dat we een verdwijnend cultuurgoed zouden verzamelen en vastleggen. En daarbij ging het primair om de cultuur van de gewone man, met een nadruk op het platte land,” vat Prof. Jaap van Marle (38) samen.

“Maar,” benadrukt hij, “dat is nu niet langer de voornaamste drijfveer. Inmiddels is het ook duidelijk geworden dat noties als ‘de cultuur’ of ‘de taal van de gewone man’ heel wat minder eenduidig zijn dan vroeger wel werd gedacht.” Van Marle is historisch taalkundige en sinds 1986 directeur van het Meertens-instituut, dat overigens pas sinds 1979 die naam draagt.

Dat oorspronkelijke idee allerlei “low-culture”-fenomenen voor het nageslacht te bewaren is wat de drie afdelingen van het instituut bindt. Het begon in 1926 met de oprichting van een dialectencommissie. Later ontstonden er commissies en subcommissies voor Volkskunde en Naamkunde en mettertijd is alles samengevoegd tot de driepoot die het Meertens-instituut nu nog is. De naam is een eerbetoon aan de drie jaar geleden overleden Pieter Jacobus Meertens, een christelijk-rode Zeeuw die direct bij de oprichting secretaris van de dialectencommissie werd, en tot zijn pensionering in 1965 directeur was van wat toen nog gewoon het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde heette. 

Paasvuur

Sindsdien is er meer veranderd dan alleen de naam. Van Marle: “Vroeger werd er dikwijls op een tamelijk willekeurige manier materiaal verzameld, een duidelijke probleemstelling ontbrak dan.  Die werkwijze is nu achterhaald. Wat je verzamelt moet gestuurd worden door onderzoek. Je moet weten wat je ermee wilt doen. Aan kluizen vol vragenlijsten alleen heb je niets, er moet een follow-up zijn.”

Van een puur documentatieve instelling is het Meertens-instituut in het laatste decennium daarom omgezwaaid naar een onderzoekscentrum. Men denkt tegenwoordig ook veel minder in termen van “jammer dat dingen verdwijnen”. Dat betekent dat er naast aandacht voor zaken als de rituelen rond het Paasvuur bij de afdeling Volkskunde nu ook  gezocht wordt naar de opkomst van koffie- en tabaksgebruik. En daarmee schrijf je cultuurgeschiedenis.   

Hetzelfde geldt voor de inrichting van huizen. Het Meertens-instituut is bezig op basis van overgebleven boedelbeschrijvingen uit de 17e en de 18e eeuw een databank op te bouwen die een indruk moet geven van allerlei verschuivingen die zich in de loop der tijden hebben voorgedaan. Waren er schilderijen in huis? Was er wel of niet een bijbel? Het antwoord op zulke vragen kan een beeld schetsen van hoe men vroeger leefde. En alweer gaat de belangstelling hierbij uit naar de niet-elite cultuur.  

Geen gedrocht

Prachtig zijn de volksverhalen en -legendes van het platteland. Oudere mensen weten nu nog te vertellen over dwaallichtjes en kinderzieltjes en spoken. En meneer pastoor had indertijd heel  wat meer macht dan tegenwoordig: hij kon de wind laten draaien als hij dat wilde.

Sommig bijgeloof bestaat nog steeds: dat er van zout morsen ruzie komt bijvoorbeeld. Wie mocht denken dat de Nederlanders een nuchter volk zijn en waren kan uit de uitgaven van het Meertens-instituut leren dat hij zich deerlijk vergist.

Een goed voorbeeld is de aflevering Kwade mensen, Toverij in Nederland van het Volkskundig Bulletin, het tijdschrift van de afdeling Volkskunde. Een boek vol over heksenprocessen, toveren en onttoveren, beschuldigingen, roddel en terechtstellingen. Nog aan het eind van de achttiende eeuw maakt in Meppel Derk Hilbrink Wobbigje Smit wijs dat ze in plaats van zwanger betoverd is.

Hilbrink had er ervaring mee: eerder al had hij een vrouw genezen die iets had uitgebraakt dat op een slang leek, een ander had een adder of een slang afgescheiden, en voor 7 gulden en 24 stuivers bezorgt hij Wobbigje kruiden, poeders en olie (te bewaren in een kistje met zand en zout erop) die haar moeten verlossen van het monster dat ze in zich draagt. Hoewel ze veertien dagen voor de bevalling nog een kopje roet heeft moeten “gebruiken”, en de avond ervoor “de buik gestadig met wolle lappen in zoete warme melk gedoopt laeten beleggen, stijf en sterk” bevalt Wobbigje uiteindelijk natuurlijk toch van een “welgeschapen levendige zoon” en niet van een gedrocht.  

Maar niet alleen in Meppel werd er getoverd. Tussen 1522 en 1726 speelden er in het Limburgse Maasland alleen al 292 heksenprocessen die men heeft weten te achterhalen. De heksen waren meestal relatief oude en arme vrouwen die bijna allemaal gewurgd, verbrand of anderszins terechtgesteld werden. Anderen waren bij de tortuur al bezweken.

Martelen was immers een volstrekt legitieme manier om mensen tot bekentenissen aan te zetten. Wie zich niet zover liet krijgen werd vaak verbannen en daarmee een potentieel slachtoffer bij een heksenjacht in de nieuwe woonomgeving. Stukjes geschiedenis die misschien niet fraai maar zeker interessant zijn.

Internationaal

In tegenstelling tot de universiteiten kan het Meertens-instituut dit soort onderzoek grootschalig aanpakken. Het ontbreken van een onderwijstaak geeft de staf die uit  ongeveer twintig vaste medewerkers en een aantal contractanten bestaat, hiervoor de ruimte. Om vergrijzing te voorkomen vult men volgens directeur Van Marle opengevallen plaatsen tegenwoordig het liefst iedere keer tijdelijk op met jonge onderzoekers. 

Een andere nieuwe trend  zijn de pogingen aansluiting te vinden bij internationaal onderzoek. Tekenend hiervoor mag het genoemd worden dat het Meertens-instituut mede-organisator is van het tweejaarlijkse internationale congres voor historische taalkunde dat in 1991 in Amsterdam gehouden wordt. Van Marle is tot president van het congres gekozen dat verder een gemeenschappelijke onderneming van de KNAW en de VU zal worden.

Taalverlies

Illustratief voor de pogingen aansluiting te vinden bij internationale onderzoeksvragen is ook het volgende: de afdeling dialectologie houdt zich bezig met het totale Nederlandse taalgebied, dus bijvoorbeeld ook met het Nederlands van emigranten in Amerika. Dat laatste onderwerp is op het moment zelfs een speciaal aandachtsgebied.

Ruim twintig jaar geleden zijn er in de Verenigde Staten bandopnamen gemaakt van de restanten van het Nederlands en het Fries bij vertegenwoordigers van verschillende generaties emigranten. Ook hier geldt overigens weer dat de kijk op wat interessant is veranderd is: vroeger vond men taalverlies vooral iets treurigs, tegenwoordig zijn taalkundigen geïnteresseerd in hoe taalverlies en taalverandering in hun werk gaan. Wat verandert er precies? De uitspraak, de vorm van de woorden, de grammatica?

Vragenlijsten     

Een hulp bij dialectologisch onderzoek kunnen ook de dialectvragenlijsten zijn. Sinds 1931 worden er enquêteformulieren rondgestuurd. Stapels papier (er staan tegenwoordig wel overal Apple-computers in het Meertens-instituut, maar die raken niet vanzelf gevuld met gegevens) met daarop de vertaling in dialect van reeksen zinnetjes. Ideaal is zo’n schriftelijke weergave niet, maar het is een heel wat snellere manier van gegevens verzamelen dan het uitschrijven van bandopnames. Daar liggen er trouwens ook bijzonder veel van opgeslagen in de kelderkluizen.

Ferdy E.

Maar niet alleen de blik op het materiaal verandert, ook het materiaal zelf is tegenwoordig anders. Door scholing en de radio en de tv is vrijwel niemand meer een monolinguale dialectspreker.

Het standaard-Nederlands laat steeds meer zijn sporen na in dialecten. Mensen zijn daarnaast mobieler dan in vroeger tijden: uit hoe iemand praat valt niet meer automatisch op te maken waar hij woont. Dat kan lastig zijn, want naast hun werk aan alle verschillende projecten moeten de mensen van de afdeling dialectologie soms ook de politie te hulp schieten.

Het meest recente geval waarbij de deskundigheid van het Meertens-instituut gevraagd werd was de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn. Lang voor het gehele Nederlandse publiek het bandje met de stem die vroeg naar de heer Rosa te horen kreeg, was het al naar de Keizersgracht gebracht. “We zaten met die Ferdy E. volledig op het goede spoor”, meldt van Marle, toch een beetje trots, “de Oost-Nederlandse kenmerken en ook het Indonesisch hadden we eruit gehaald, maar daarmee weet je nog niet waar iemand woont. Die kenmerken verdwijnen niet als iemand verhuist.”  

Dialectologie is een van de twee grote afdelingen van het Meertens-instituut. De andere is de afdeling Volkskunde, en daarbinnen vormt het Volksliedarchief een kleine, min of meer zelfstandige eenheid. Hier is onder meer de unieke collectie volksliederen ondergebracht die mede met de hulp van radioluisteraars door Ate Doornbosch is verzameld, een collectie waar andere landen jaloers op zijn.

De verzameling zal de komende jaren in zeven delen gepubliceerd worden. Het eerste deel is er al. Een dergelijke collectie bevat stof tot watertanden voor zowel historici als letterkundig georiënteerde neerlandici en taalkundigen. Momenteel wordt er nog nagedacht over mogelijke ordeningen (op thema in plaats van op melodie) van het materiaal.

En dan is er nog de Naamkunde-poot. Een kleine afdeling die traditioneel sterk historisch gericht is: men heeft zich vooral beziggehouden met de geschiedenis van locale plaatsnamen.

En weer is de gewone man hier de leidraad: hoe gaf hij zijn omgeving naam? Ieder stukje land bijvoorbeeld, kreeg van de boeren een naam toebedeeld aan de hand waarvan het nu mogelijk is van alles te zeggen over vroegere periodes. Bijvoorbeeld over zaken als begroeiing en bebossing. Daarnaast heeft het Meertens-instituut de complete volkstelling uit 1947 in huis op basis waarvan het Nederlands Repertorium van Familienamen wordt uitgegeven: voor veel mensen het beginpunt van een stamboomonderzoek. Overigens staan alle gegevens van het Meertens-instituut in principe open voor het gewone publiek.

Brillen

Tot slot als laatste bewijs dat de verrichtingen van het P.J. Meertens-instituut bijzonder gevarieerd zijn, een flauwe mop uit een verzameling uit 1670: Een brillekraemer riep: “Brillen, brillen, klaer om te leesen etc.” Een boer daer ontrent staende, haelde sijn almenack uyt sijn sack en besocht al de brillen. Als hij swoer dat hij er geen vinden kost daer hij door lesen kost, seyde de brillekraemer: “Maer vrient, ken je oock wel leesen?” De boer: “Neen ick.”  De oude moppen worden nog in 1988 uitgegeven.

Uitgesproken stemmen

De omroepers van radio en televisie zijn de stemmen van ons land en van onze tijd. Wie bepaalt hoe ze klinken? Waren ze vroeger duidelijker en zorgvuldiger? Is daar een zinnig woord over te zeggen? Op verkenning bij de stemmen van het Gooi. ‘Noraly Beyer – kan die wel?’

Tot ver na de oorlog had Hilversum een eigen stemgeluid. Beschaafd en overduidelijk, iets sjieker dan dat van de gemiddelde luisteraar en enigszins gespannen, alsof er in de ether iets overwonnen moest worden voor de klanken de huiskamer bereikten. Zo klonken de stemmen van Alex van Wayenburg, van Guus Weitzel, van Frits Thors, van Han Hollander en van Philip Bloemendal van het Polygoonjournaal in de bioscoop. In onze herinnering is hun geluid deel gaan uitmaken van de gebeurtenissen die zij aankondigden of versloegen. Rampen en nationale feestdagen, amusement waar men voor thuisbleef en de gebeurtenissen van alledag. De stem van Hilversum werd de stem van Nederland, of althans van een generatie.

Misschien dat het geprononceerde geluid dat Hilversum tot ver in de jaren vijftig produceerde iets te maken heeft met het beginpunt van de omroepcarrière van opvallend veel nieuwslezers en omroepers: de Wereldomroep. Uiteenlopende stemmen als die van Frits Thors, Joop van Zijl, Jaap van Meekeren, Fred Emmer, Philip Bloemendal en Jan Roelands werden daar getraind. Dat wil zeggen: getraind om via de korte golf door ruis en storingen heen gehoord te worden in uithoeken van de wereld. Hard en dui-de-lijk spreken betekende dat. Ieder afzonderlijk woord moest aandacht krijgen, een nonchalante voordracht was uit den boze.

Het achterliggende idee was simpel: het spraaksignaal en ook het taalsysteem als geheel zijn redundant. Redundantie zorgt ervoor dat luisteraars niet alle gegeven informatie nodig hebben om de boodschap te begrijpen. Hoe meer informatie – duidelijk uitgesproken klanken, pauzes bij komma’s en punten – er doorgegeven werd, hoe meer er onderweg verloren kon gaan zonder dat de begrijpelijkheid van de berichten verdween. Wie bij de Wereldomroep kon werken, had zijn brevet van verstaanbaarheid gehaald.

De nieuwe generatie presentatoren klinkt anders. Ook minder goed? Philip Bloemendal vindt van wel. Herhaaldelijk heeft hij de telefoon gegrepen om zijn ongenoegen kenbaar te maken over de nieuwslezers van het ANP want het is naar zijn mening ‘één grote jij-bak in Hilversum.’

Maar echt helpen doen zijn bemoeienissen niet. Eén van de ergste boosdoeners (‘nee, laat ik zijn naam maar niet noemen’) beet hem zelfs onvriendelijk toe dat hij zich ook iedere dag rot ergerde aan Bloemendal, die in de Amsterdamse metro met zijn bioscoopstem de stations aankondigt. Het toeval wil dat uitgerekend deze persoon het nieuws leest als ik bij Bloemendal op bezoek ben. We luisteren ernaar en alsof hij het voelt heeft de man het prompt over een politicus. Het verkeerd leggen van de klemtoon is volgens Bloemendal een van de meest voorkomende fouten onder jeugdige collega’s. De strijd tegen de werkgévers en –némers die de normale wèrkgevers en wèrknemers geheel vervangen hebben, heeft hij al min of meer opgegeven. Het óverleg is vrijwel ingeburgerd.

Allemaal slordigheid en gemakzucht, volgens Bloemendal. Zelf is hij iemand die wetenschappelijke onderzoekers verbaasd doet staan over zijn zorgvuldige uitspraak. Bij het Instituut voor Perceptie Onderzoek (IPO) in Eindhoven liet men hem teksten op normale en letterlijk op dubbele snelheid inspreken (Bloemendal: ‘Ik wist niet dat ik het zo snel kon’). Gewone mensen vertonen dan een verschijnsel dat klinkerreductie wordt genoemd: hun klinkers klinken niet zuiver meer en gaan meer op stomme e’s lijken. Zo niet bij Philip Bloemendal: ook op topsnelheid blijft iedere a een a. ‘Maar,’ zegt hij zelf, ‘iedereen vertelt me altijd dat ik te kritisch ben.’

Kansel

Stemmen, klanken – het zijn niet meer dan luchttrillingen, maar ze zijn goed voor hopen emoties. Veel Nederlanders delen Bloemendals ergernis. Over de uitspraak ‘Nikerakwa’ voor ‘Nicaragua’. Over het aanstellerige gedoe van TROS-presentator Tom Blom die geheimzinnig fluisterend het wereldrecord vallende dominostenen verslaat. Maar ook over het erbarmelijke Engels van onze ministers.

De stemmen van Nederland komen dagelijks via steeds meer radiozenders en televisienetten in steeds meer variëteiten op ons af. Voorbij is de tijd dat alleen door- en met een selecte groep autoriteiten werd gesproken over de zaken die ons allen raken. De democratisering heeft met zich meegebracht dat we niet langer voornamelijk uit de hoogte worden toegesproken: op radio en tv mag iedereen nu meepraten.

Volgens Rien Huizing – vroeger nieuwslezer op de televisie en tegenwoordig hoofd van de radionieuwsdienst ANP – valt de lossere spreekstijl die tegenwoordig door omroepers wordt gehanteerd inderdaad te wijten aan de omstandigheid dat tegenwoordig alle lagen van de bevolking aan het woord komen: interviewers passen zich daaraan aan, ze onderscheiden zich in hun taalgebruik liefst niet te zeer van hun onderwerp. Of dat een voor- of een nadeel is laat hij graag in het midden: de tijden zijn veranderd, en de nieuwsdiensten met hen.

Huizing: ‘Vroeger werd er geroepen: “Stil, jongens, het nieuws is er!”en dan moest het hele gezin zijn mond houden, want vader wilde luisteren. Er bestond toen ook de neiging om dat nieuws als een soort donderpreek van de kansel het publiek in te jagen. Het gewichtige is er nu vrijwel af. Echte oorlogsstemmen, zo noem ik ze altijd maar, bestaan niet meer. Toch heb ik vroeger ook zo geklonken; laatst hoorde ik mezelf toevallig terug in een extra nieuwsuitzending ten tijde van de Cuba-crisis. Ik stond verbaasd over mijn eigen toon.’ Huizing vergelijkt nieuwsuitzendingen met een ritueel, een liturgie.

Bij de radio is al zo’n dertig jaar hetzelfde boekje in gebruik dat het stramien voor een nieuwsbericht geeft. Toon en woordgebruik zijn licht gewijzigd, maar de compositie is hetzelfde gebleven. De tekst moet nog steeds helder zijn, lange en korte zinnen horen elkaar af te wisselen, en al te veel bijzinnen dienen vermeden te worden. Vage criteria, maar Huizing heeft waarschijnlijk gelijk als hij stelt dat het geluid van de radionieuwsdienst in vergelijking met de rest van de programma’s veruit het minst veranderd is. De diskjockey-taal heeft nog maar weinig vat op het nieuws, maar Huizing signaleert wel al de trend om de klemtoon ‘vóórtdurend’ op de eerste lettergreep van een woord te leggen (‘nationaal-économische problemen’). Hij schrijft die toe aan de neiging alles heel hard ‘neer te zetten’.

Fanfare

‘In Nederland zijn we langzamerhand gewend geraakt aan de manier waarop ze het ook in Amerika doen: met fanfare’, weet Cees Manintveld. ‘De boel moet worden opgeblazen en liefst moet er in een stem doorklinken dat alles wat-ie zegt belangrijk is. “Anders zou ik het toch niet zeggen?” – die toon heeft het. Alleen bij het nieuws gebeurt dat hier nog niet.’ Manintveld leidt in Hilversum het internationale stemmenbureau Multi-Voice, dat bemiddelt en begeleidt als er teksten gesproken moeten worden bij films, documentaires en in de reclame.

Over belangstelling van potentiële lezers, sprekers en aankondigers heeft hij niet te klagen, maar de meeste gegadigden voldoen niet direct aan de eisen die het vak stelt. Want stem zijn is een vak, daar is men het in Hilversum roerend over eens.

Wie niet irriteert of afleidt van de boodschap die het publiek dient te bereiken, beheerst dat vak. Een goede stem, die hoor je eigenlijk niet. Het mooiste compliment dat Jan Roelands – de stem bij ontelbare documentaires, bij Teleac en van het wekelijkse radioprogramma Wat een taal – ooit hoorde, kreeg hij na afloop van de persvoorstelling van een film waarbij hij het commentaar geleverd had. Hij werd aan iemand voorgesteld als degene die de teksten geschreven en gesproken had. Gegeneerd bekende de man die hem de hand schudde, dat hij zich helemaal geen tekst herinnerde.

‘Dat betekent’, zegt Roelands enthousiast, ‘dat beeld en geluid één pakketje geworden waren. Dat is precies de bedoeling. Je moet je dienstbaar maken.’

‘Het is wel een vak waar ijdelheid bij komt kijken’, meent Rien Huizing, ‘maar we kunnen geen acteurs gebruiken. Een stem mag niet koketteren, dat staat de voordracht in de weg.’ Bij Multi-Voice melden zich dagelijks ‘mooie stemmen’. Manintveld: ‘Die mensen komen voor-le-zen, en hun moo-ie stem la-ten ho-ren. Dan denken ze dat ze meteen ingeschreven worden en werk krijgen. Maar het gaat erom wat je kunt dóen met je stem. De demonstratieband van een stem voor een klant bevat altijd twee soorten commentaar: een bedrijfspresentatie, die stevig in elkaar moet zitten en ook krachtig gebracht moet worden, en daarnaast een documentairetekst, die niet opdringend mag zijn en niet zo gepusht wordt.’

‘Bovendien staan er een aantal reclamespotjes op zo’n bandje. “Voel je goed, voel je zeker met…” moet intiem klinken, maar een commercial voor een belastingalmanak kan wat zakelijker gebracht worden. En dan hebben we ook altijd een tekst van jezelf met dingen als “Ze hebben me gevraagd of ik iets wil vertellen over.., en, nou, dat vind ik..” Dat is het allermoeilijkste: iets op zo’n natuurlijkemanier zeggen dat het net is of je gewoon praat. De stemtesten die ik doe lopen altijd uit. Je probeert er toch alles uit te halen.’

Stemregie heet die laatste bezigheid en volgens Jan Roelands wordt daar veel te weinig aan gedaan in Hilversum. Zelf vindt hij het heerlijk. ‘Je moet alleen nooit in de val lopen om het voor te gaan doen. Mensen moeten met hun eigen stem werken, zich inleven in de tekst. Ik praat er dan in grote cirkels omheen, maak omtrekkende bewegingen. Het gaat er meestal niet om iets te leren, maar iets af te leren.’ Stemmen moeten volgens Roelands ‘dicht tegen zichzelf gaan aanzitten’, want ‘vernisjes – daar kijkt iedereen doorheen.’ Roelands coachte indertijd Bert Haanstra toen die zelf de teksten van zijn film Bij de beesten af wilde inspreken. Haanstra betoonde zich ‘zeer regisabel’. Bij zichzelf bespeurt Roelands veel voldoening als er eens een keer iemand is ‘die net zolang doorzeikt tot het zo klinkt als hij het hebben wil.’

Maar meestal is hij zelf degene die doordramt en roept dat iets over moet. Tot onbegrip van de producenten. Er was er eens een die verbaasd vroeg: ‘Maar je hebt je toch niet versproken?’ Roelands kan er nog wild van worden. Vertel hem ook niet dat hij een ‘mooie stem’ heeft. ‘Dat zijn allemaal mystificaties! Men zoekt het in de klank, in het timbre van een stem. Maar het zit ‘m niet alleen in het geluid.’

Toontje

De resultaten van wetenschappelijk onderzoek, of beter: het gebrek aan resultaten, lijken Roelands voorlopig gelijk te geven. Welke ingrediënten nu precies het karakter van een stem bepalen, is namelijk nog altijd niet goed duidelijk.

Het IPO geeft grif toe dat de wetenschap voorlopig niet in staat is om zelfs maar aan te geven wat gemist kan worden en wat niet. Om daar achter- te komen probeert men stemmen ‘uit te kleden’, waarbij bijvoorbeeld een tekst geheel op één toonhoogte wordt afgespeeld. Bloemendal klinkt dan zoals te verwachten valt nogal monotoon, maar nog steeds even karakteristiek.

Een onderzoek naar ‘het toontje’ van actrice Mary Dresselhuys liep ook op niets uit. Men kwam er niet achter waar ’t hem in zat. Misschien gaat het om hele subtiele dingen en is de meetapparatuur van het IPO nog te grof, zo luidt een veronderstelling. Bloemendals uitzonderlijke prestaties bij het snel voorlezen gooit men er voor het gemak maar op diens ‘beweeglijke spraakorganen’.

Jan Roelands heeft vanuit zijn praktijkervaring een heel ander idee voor een onderzoek: ‘Laat eens iemand met een zogenaamde aangename stem een tekst lezen zonder de juiste pauzes en zonder het tonen van begrip en zet daar tegenover iemand die geen mooie stem heeft, maar duidelijk weet waar het over gaat. Ik ben er heilig van overtuigd dat iedereen de tweede stem mooier zal vinden dan de eerste.’

Een aftiteling waarop staat ‘Stem: Jan Roelands’ roept om die reden dan ook hevige weerzin bij hem op. Roelands: ‘Ik ben geen stem. Ik zit er zelf aan vast.’ Hij maakt het liefst zijn eigen teksten, want dan kan hij, zoals dat in Hilversums jargon heet, ‘naar zijn eigen bek’ schrijven. Na ruim vijfentwintig jaar heeft hij daar zoveel ervaring in, dat hij eigenlijk alleen nog spreektaal kan schrijven.

Wie de tekst van een van zijn programma’s opvraagt hoeft hooguit op een casettebandje te rekenen: uitgeschreven zijn alle herhalingen en halve zinnen in de ogen van normale lezers al snel fout of irritant en lelijk. Zijn teksten annoteert hij ijverig met halen en accenten en strepen tot ze een soort partituur zijn geworden en van tevoren wil hij ook graag precies weten wie zijn publiek zal zijn. Hoe meer mensen er bijvoorbeeld naar een bedrijfspresentatie komen luisteren, des te minder ‘intiem’ of ‘huiskamerachtig’ zijn toon.

Nieuwslezers bij de radio kunnen hooguit een enkele zinsnede die ‘niet lekker bekt’ in een nieuwsbericht veranderen, maar de presentatoren van het televisiejournaal schrijven hun teksten ook vaak zelf. Er is geen sprake van ‘binnenkomen, zitten, papiertje pakken en voorlezen.’

Wie zelf niet begrijpt wat hij zegt, kan geen doorgeefluik voor informatie aan anderen zijn. ‘Je hoort het direct als dat misgaat’, zegt Noortje van Oostveen, die zelf net achter de schermen van het NOS-journaal is gaan werken, in plaats van erop. De presentatoren weten dus wat er in de wereld gebeurt, ze lezen de telexen, doen mee aan redactievergaderingen en beginnen zo’n anderhalf uur voor iedere uitzending hun tekst te oefenen.

Toch worden er nog vreemde fouten gemaakt, men spreekt bijvoorbeeld over ‘de aanval in de golf van gisteren,’ alsof er ook een ‘golf van vandaag’ bestaat. Van Oostveen denkt dat dat komt ‘doordat je zoveel energie en concentratie in die tien of twintig minuten moet stoppen. Dan zit je wel eens tien seconden op de automaat’.

Foutloos voorlezen is het minst moeilijke aspect van haar vak. ‘Als je dat niet kunt, moet je niet aan dit vak beginnen. Er zijn natuurlijk wel eens van die echte tongbrekers, drie keer ‘sch’ achter elkaar bijvoorbeeld. Of je hebt twee woorden die met dezelfde klank beginnen, zoals bij ‘het huis’ – dan neem je soms de klinkers van het tweede woord al bij het eerste woord en begin je ‘hui’ te zeggen in plaats van ‘het’. Zo’n enkele verspreking zal niemand ons kwalijk nemen, denk ik.’

Over de veel lossere stijl waarin het journaal sinds enige tijd gepresenteerd wordt, maken meer mensen zich druk. Die stijl moet volgens Noortje van Oostveen ‘een goed midden houden tussen afstandelijkheid en betrokkenheid. Het NOS-journaal moet in de feiten die het brengt en in de woordkeus objectiviteit nastreven, ook al weten we dat dat niet echt bestaat. Met soms een lachje of een handgebaar proberen we het nieuws aantrekkelijk op te dienen, maar het mag niet zo zijn dat de mensen na afloop zeggen: “nu weet ik wat Joop van Zijl ervan vindt.” De kijkers mogen door ons niet van het nieuws worden afgeleid.’

Philip Bloemendal wordt juist heel erg afgeleid door de nijver bewegende handen van Joop van Zijl en doordat hij ‘geen punten leest’. Ook vindt Bloemendal dat we tegenwoordig dikwijls worden toegesproken alsof we kleine kinderen en analfabeten zijn.

Het televisiejournaal heeft de benadering van zijn publiek inderdaad wezenlijk veranderd. De manier waarop Maartje van Weegen de Nederlanders deze week nog gezellig-begrijpend vertelde ‘dat er weer even angst voor radio-actieve straling was’ zou vijf jaar geleden nog ondenkbaar zijn geweest. Presentatoren en correspondenten tutoyeren elkaar dat het een lieve lust is: ‘Dag Laura..’, ‘Zeg Philip, hoe zit het nu precies met…’, ‘Bedankt, Haye!’

En de heringevoerde weerman voert de ‘persoonlijke betrokkenheid’ aan het eind van iedere uitzending tot maximumsterkte op. Erwin Krol meldt af en toe vrolijk dat hij ons ‘voor morgen mooi weer te bieden heeft’ alsof hij het zelf heeft gemaakt.

‘Wat de een gemakkelijk en prettig vindt om naar te luisteren, is voor de ander weer te nonchalant. We moeten natuurlijk ook iedereen bedienen, mensen van alle opleidingsnivo’s,’ zegt Rien Huizing diplomatiek. Los van alle technische eisen (juiste klemtonen, begrip, kennis van buitenlandse namen), wil hij benadrukken dat de stem van een nieuwslezer ook een eigen karakter moet hebben. Hij spreekt van ‘allure’. Want al te glad gebrachte teksten gaan het ene oor in en het andere weer uit.

In Hilversum wordt die stelling door iedereen onderschreven. Maar de vraag hoe ‘eigen’ een stem mag zijn blijkt een teer punt. Anders geformuleerd luidt die vraag namelijk: Noraly Beyer, de donkere presentatrice met haar onnederlandse r-en, haar z die een s wordt en haar v die als een f klinkt – kan die nu wel of niet? Wie met ‘nee’ antwoordt, loopt kans dat hem racisme wordt verweten. In Hilversum spreekt men daarom vooral over haar presence, die heel goed is, en over haar uitstekende kennis van journalistieke zaken. ‘Ze zou uitstekend het nieuws in Paramaribo kunnen presenteren,’ zegt Philip Bloemendal. ‘Ze spreekt prachtig, maar het is geen ABN.’

Rien Huizing zou haar niet aannemen voor zijn radionieuwsdienst, omdat je het op de radio alleen van het geluid moet hebben. Op de televisie kan Noraly Beyer volgens hem prima, want daar wordt je gesteund door ‘de expressie van gelaat en gebaar’. Noortje van Oostveen ziet geen enkel probleem ‘zolang er in Nederland zoveel honderdduizenden Surinamers wonen.’ Maar wonen er dan geen honderdduizenden Limburgers, Groningers en Tukkers die wegens hun regionaal gekleurde tongval een baan op radio of televisie wel kunnen vergeten? Dat heeft inderdaad iets vreemds, moet de Journaal-redactrice toegeven.

Veronica

Regionale accenten mogen in de reclame juist weer wel. Bij Multi-Voice ziet men in de belangstelling daarvoor ‘golven,’ modes. Na een hit van een Haagse zanger is het Haags een tijdje in, maar dan komen het Gronings en het Limburgs weer. En is geen peil op te trekken. De trend van het moment is een grote vraag naar jonge stemmen.

De Veronica-stem van ‘je bent jong en je wilt wat’ (die Jos Bergenhenegouwen heet) werkte al bij Manintveld voor hij van de voormalige piratenomroep de kans kreeg de meest uiteenlopende onderwerpen met dezelfde hoge graad van geëxalteerdheid te begeleiden. Alles klinkt hetzelfde. Niemand wilde hem vroeger hebben en nog is de vraag naar zijn geluid maar heel beperkt. Vreemd eigenlijk, want het imago dat er bij hoort, doet voor Veronica wonderen. De kijkcijfers van deze omroep zijn op zichzelf tamelijk bedroevend, maar de ledenaanwas is al jaren spectaculair. Het lijkt niet gewaagd te veronderstellen, dat dat iets met de zeer karakteristieke, schreeuwerige presentatie te maken heeft.

Schreeuwerig? Aan de Veronica-stemmen kun je inderdaad afhoren dat ze goed hard zijn opgenomen. Volgens de deskundigen van het Instituut voor Perceptie-Onderzoek helpt het niet wanneer je de volumeknop zachter zet; de ‘moeite’ waarmee een tekst is ingesproken blijft er namelijk altijd in doorklinken. Dat maakt voor sommigen het Veronicageluid zo ergerlijk.

Stemmen roepen emoties op, maar in hoeverre mogen ze zelf emotioneel zijn? Volgens Philip Bloemendal horen in een nieuwsbulletin de voetbaluitslagen net zo te klinken als het overlijdensbericht van de koningin. Wat Jan Roelands betreft moet een stem strakker klinken naar mate de bijbehorende beelden emotioneler zijn. ‘Meegaan’ mag niet. Sterker nog: soms zijn de beelden zo emotioneel dat alleen stilte gepast is. Hij ontnam zichzelf eens een klus door de redactie van Brandpunt ervan te overtuigen dat hun beelden van de Berlijnse muur zo krachtig waren dat gesproken woord er alleen maar afbreuk aan kon doen.

Wie bewust poogt emoties te laten doorklinken beweegt zich bovendien op een hellend vlak. Uit een proef van het IPO blijkt dat luisteraars doorgaans niet erg goed zijn in het herkennen van de bedoelde emotie. Hoe meer interpretatiemogelijkheden aan proefpersonen werden voorgelegd (verdriet, vreugde, woede) des te groter hun verwarring. Zeker is, dat een combinatie van korte klinkers en lange medeklinkers een ‘kortaf’ effect geeft, ook als de tekst in zijn geheel even lang duurt als bij ‘normale’, gemiddelde klinkers en medeklinkers.Snel en haastig lijken teksten die zonder pauzes worden uitgesproken, met het aantal syllaben per seconde heeft dat minder te maken. Een goede stem kan dus goed ‘timen.’

Mopperen

‘Stemmen’ poneert Cees Manintveld, ‘zijn de spiegel van de ziel. Alles zit erin. Stemmen worden ook rijper, al kun je niet horen hoe oud iemand is. Daarom moet ik iedere paar jaar een nieuwe demo-cassette van al mijn stemmen maken.’

Dat Philip Bloemendal nog net zo klinkt als veertig jaar geleden is dus een illusie. Maar wel een illusie die gebruikt kan worden. Bloemendal is de enige presentator die ik tegenkom, die ‘zijn’ stem op kan zetten, die hem aan en uit kan doen. Het geluid dat hij professioneel voortbrengt is uniek en onverbrekelijk verbonden met herrijzend Nederland en het bioscoopjournaal.

De reclamemakers van de Postbank benutten handig die collectieve associatie toen ze hem vroegen te helpen bij de introductie van de giromaatpas. Aanvankelijk was nieuwspresentator Koos Postema ingeschakeld om vaderlijke adviezen te verstrekken over het gebruik, maar daar stak de Reclameraad een stokje voor: Postema’s objectieve journalistenimago verhulde compleet dat het hier om reclame voor een commercieel produkt ging.

De stem van Philip Bloemendal gaf op een heel andere manier een oud-vertrouwde glans aan het zeer nieuwerwetse electronisch betalen en dat mocht wèl. Zijn timbre hoort bij het ouderwetse avondje naar de bioscoop: het licht gaat uit, zacht piepend schuift het voorhang open, de projector zoemt en in een romig zwart en wit zijn daar de eerste beelden. Dankzij zijn stopwatch zet de commentator zonder een schep adem vooraf onmiddelijk keihard in: het eerste kievitsei, een huishoudbeurs, de Keukenhof in volle bloei – toen was geluk nog heel gewoon.

Zijn huiskamerpubliek indachtig had Bloemendal aanvankelijk de tekst bij het Postbank-filmpje met een doordeweekse stem ingesproken, maar dat was uiteraard niet de bedoeling. Professioneel voorzag hij daarop de beelden van zijn kenmerkende geluid, de stem van een generatie die al bijna verdwenen is maar waar we dierbare herinneringen aan hebben.

Een vriendelijke ronde man is hij, bijna zeventig jaar oud inmiddels, en niet de lange, magere heer die veel mensen in gedachten met zijn stem associëren. Hij wil eigenlijk liever niet aldoor mopperen en benadrukt graag dat sommige nieuwslezers van nu het juist heel goed doen. Hij heeft ook wel eens de telefoon gepakt om Rennie Pereira te complimenteren na een perfect gelezen nieuwsbulletin. Een stem zijn, vindt hij, heeft soms grote voordelen. Als Philip Bloemendal voor diabetespatiënten collecteert stapt hij gewoon een warenhuis binnen en zet zijn stem op. Het geld stroomt dan binnen.

Noot: een stuk van 3680 woorden, goeiendag, wat een lap. Ik had niet eerder zo’n omvangrijk onderwerp te pakken gehad, en alles netjes aan elkaar breien bleek nogal een klus waar ik me danig op verkeken had. En hoe ik moest beginnen, wist ik ook niet echt. Vandaar dat ik het goed vond dat de chef van het Zaterdags Bijvoegsel, – dat was toen Hans Maarten van den Brink – de eerste alinea’s schreef. Hij schudde ze zo uit zijn mouw, ik zie het nog voor me. Gloedvol proza ook. Zoiets is me verder nooit meer gebeurd, en ik ben dit stuk altijd blijven voelen als ‘niet helemaal van mij’, alsof ik vals had gespeeld. Meer dan drie decennia later is dat begin voor mij nog steeds zó overduidelijk niet mijn toon, niet mijn woordkeus. Om niet te zeggen: niet mijn stem – het onderwerp van het artikel. Maf is dat. Er volgde overigens nog flink veel discussie en commentaar op dit verhaal, tot ver buiten de NRC, vooral naar aanleiding van Bloemendals opmerkingen over Noraly Beyer. Wat die laatste allemaal toen over zich heen kreeg was echt naar en schokte me.

 

Brusselse kermis

Wat bestelt u in Brussel? ‘Twee koffie’ of ‘deux cafés’? Spreekt u de taxichauffeur in het Frans of in het Nederlands aan? Een willekeurige toerist of andere bezoeker van de Belgische hoofdstad krijgt maar moeilijk zicht op welke van de twee officiële talen hij bij voorkomende gelegenheden kan gebruiken. Iemand die daarnaast ook nog weet hoe gevoelig de ‘taalkwestie’ in heel België ligt, hoort zichzelf al snel hakkelend informeren naar de talenkennis van degene die hij aanspreekt.

Velen met mij zullen zo geconstateerd hebben dat niet iedereen in Brusselse winkels of restaurants Nederlands spreekt. Hoe goed het Frans is van degenen die dat wel doen, valt voor een Nederlander moeilijker te overzien. Maar de werkelijke situatie blijkt nog veel ingewikkelder dan een voorbijganger zo op het oog zou zeggen. Sera de Vriendt en Roland Willemyns (van de Vrije Universiteit van Brussel) hebben er onlangs onderzoek naar gedaan. In een artikel dat de titel ‘Linguistic research on Brussels’ meekreeg doen ze er verslag van.

De eerste interessante vraag die de Vriendt en Willemyns beantwoorden is: hoe is het nu allemaal zo gekomen? Brussel ligt tenslotte in het Nederlands sprekende deel van België en pas in de afgelopen twee eeuwen heeft het zich ontwikkeld tot een overwegend Franssprekende stad. Het is nu de enige plek in België waar de locatie niet bepaalt welke taal de officiële is. Het Nederlands en het Frans hebben daarom voor een flink deel van de Belgen, zo’n tien procent, precies dezelfde status. En dat komt uiteindelijk allemaal door de Spanjaarden.

Tachtigjarige oorlog

De tachtigjarige oorlog verdeelde het Nederlands sprekende deel van de wereld in twee stukken. Grofweg: Vlaanderen en wat nu Nederland heet. Tegen de tijd dat dat Nederland zijn ‘Gouden eeuw’ inging had België te lijden onder een forse braindrain: degenen die tot de Nederlandssprekende intellectuele elite behoorden, vertrokken als ze de kans kregen naar het vrije Holland. Voor de Vlaamse cultuur had dat desastreuze gevolgen.

Omdat de koningen van Frankrijk en de Bourgondische hertogen tot die tijd Heer van Vlaanderen en Belgisch Brabant geweest waren, sprak de Vlaamse adel toen overigens al Frans. In de Spaanse tijd namen de nieuwe hogere klassen en de burgerij dat over.

Na een paar generaties waren het alleen nog de arme lagere klassen die helemaal geen Frans spraken, maar zich uitsluitend in een van de Nederlandse dialecten uitdrukten.

De annexatie van België door de Fransen aan het eind van de 18e eeuw maakte dat niet veel beter. De economische en politieke macht kwam in de loop van de tijd geheel en al in handen van mensen die Frans als voertaal hadden.

De standaardisatie van het Nederlands, die juist na de scheiding van de zuidelijke en de noordelijke Nederlanden op gang kwam ging dan ook vrijwel geheel aan België voorbij. Zo bleven er naast het Nederlands allerlei dialecten bestaan van wat nu meestal het Vlaams wordt genoemd. Een taal die geen ‘standaardvorm’ kent hoeft niet op veel prestige te rekenen.

Toch is het de rest van Vlaanderen, nadat er in 1830 een eind was gekomen aan het kortstondige samengaan met Nederland, gelukt om vrijwel geheel eentalig Vlaams te worden. Hoe kon Brussel dan in precies dezelfde tijd zo ‘verfransen’?

Die verschuiving is, zo melden de Vriendt en Willemyns, te danken aan het feit dat het Frans de taal van de rijken en machtigen was. Dat waren degenen die de nieuwe natie gingen leiden, na de afscheiding van Nederland. In eerste instantie liep de sociale tweedeling zelfs parallel met een geografische tweedeling van de hoofdstad, in een Vlaams en een Franssprekend stuk. Pas later zijn de verschillende buurten door elkaar gaan lopen.

In Nederland werd de eerste stoot tot het voor iedereen aanvaardbare en begrijpelijke amalgaam dat nu het ABN heet, gegeven door de vertaling van de Statenbijbel. In België begon dat proces pas eeuwen later.

Ik neem aan dat, net als overal elders, het onderwijs en de media daar een beslissende rol in hebben gespeeld. Men richt zich wel op Nederland, (zoals onder andere mag blijken uit het aantrekken van de Nederlandse Prof. Paardekooper die zichzelf rustig een ‘zendeling in het land van de ABN-heidenen’ noemt), maar het ‘Algemeen Beschaafd Vlaams’ wijkt toch duidelijk af van het ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’, zowel in de woordenschat als in de grammatica.

Gezien de geschiedenis is dat niet meer dan logisch. Overigens maakt die geschiedenis ook iets duidelijk over het ‘underdog-gevoel’ van veel Vlamingen ten opzichte van zowel de Walen als de ‘Hollanders’. Het is simpelweg de afspiegeling van een eeuwenlange underdog-positie.

Inmiddels verfranst Brussel niet verder juist omdat er een min of meer door iedereen aanvaarde standaardnorm van het Vlaams bestaat. Dat zorgt voor een veel sterkere positie tegenover het Frans dan er vroeger was. Tegenwoordig betekent Vlaams spreken ook niet meer automatisch dat je arm bent en deel uitmaakt van een lage sociale klasse.

Brussels Nederlands

Dat alles neemt natuurlijk niet weg dat er in Brussel een unieke situatie bestaat, die in de rest van België niet voorkomt. Erg veel mensen spreken nu zowel Frans als Vlaams, al is dat nog steeds niet voor iedereen het geval.

De Vriendt en Willmyns onderscheiden een heleboel verschillende ‘soorten’ sprekers. Brussel heeft als politiek, cultureel en economisch centrum van het land grote stromen immigranten uit alle delen van België te verwerken gekregen. Die brachten allemaal hun eigen Vlaamse of Waalse dialect mee, dat dan nog generaties lang bewaard kon blijven. Maar tegenwoordig zijn het vooral de oudere inwoners van de stad die echt ‘eentalig’ (Vlaams of Frans, dat maakt niet uit) genoemd moeten worden.

In een inmiddels toch wel door-en-door tweetalige stad ligt het voor de hand dat die talen elkaar beïnvloeden en dingen van elkaar overnemen. Er is zoiets ontstaan als ‘Brussels-Nederlands’ en ‘Brussels-Frans’.

Van het eerste is nog niet zoveel bekend, maar van het tweede geven de Vriendt en Willemyns een aantal voor Nederlanders goed te volgen voorbeelden. Het kan namelijk gebeuren dat mensen Frans met een Nederlandse woordvolgorde spreken. ‘Een schoon hemd’ wordt dan gewoon une propre chemise in plaats van une chemise propre en ‘niet rijp genoeg’ krijgt de letterlijke vertaling pas mur assez (moet pas assez mur zijn).

Men neemt ook klanken en woorden over. Behalve dingen uit de keuken zijn vooral lachwekkende woorden of andersoortige ‘krachttermen’ favoriet. Zo noemt men in Brussel in een Franstalige conversatie iemand pas ‘dik’ als het gaat over iemand die absurd belachelijk dik is. Bucht (‘bocht’) wordt gebruikt voor ‘rotzooi’ en rammeling voor een pak slaag.

Het overzicht dat de Vriendt en Willemyns schetsen doet alles bijelkaar een beetje Brusselse kermis-achtig aan. Welke taal (of dialect) men spreekt is voor een deel ook nog afhankelijk van de plaats waar men zich bevindt. Wie meer dan een variant tot zijn beschikking heeft laat zijn keuze afhangen van met wie hij praat: familie, collega’s, winkeliers, vreemden et cetera.

Op zichzelf genomen is dat een universeel verschijnsel: u praat tegen uw vrienden ook anders dan tegen een ambtenaar op het stadhuis. In een stad waar zoveel dialecten en talen door elkaar heen lopen is dat alleen nog veel opvallender, en — zeker voor buitenlanders — verwarrender.

Anderzijds heeft zo’n ratjetoe zeker zijn charme, maar het lijkt bijna onontkoombaar dat dialecten langzaam maar zeker uitsterven zodra boeken, kranten, tijdschriften en vooral de televisie ergens grootscheeps hun intree doen. Overal vertoont de jongste generatie een grote neiging zich aan de standaardtaal aan te passen. Over honderd jaar zal ook Brussel weer heel anders klinken dan nu.

Het artikel van de Vriendt en Willemyns is verschenen in het boek ‘The Interdisciplinary Study of Urban Bilingualism in Brussels’, van E. Witte en H. Baetens Beardsmore (samenstellers).

Een bijna poëtisch woordenboek

Van Dale Basiswoordenboek Nederlands door Monique Huijgen en Marja Verburg 574 blz., De Ruiter 1987,  f 38,50 ISBN: 90 05 011688

“Nee, dames en heren, dit is een prachtig boek. Ik heb het nog niet helemaal uit, maar het begint met ene ‘Aagje’, en het eindigt met ‘zwoel’, dus ik denk dat ze elkaar wel krijgen.”

Zo begon de kinderboekenschrijver Karel Eykman afgelopen maandag zijn praatje in een klaslokaal van de J.H. van Dale-school in Sluis. Deetman en de vertegenwoordiger van zijn Belgische ambtgenoot hadden toen de eerste twee exemplaren van het Van Dale Basiswoordenboek Nederlands al te pakken, en de obligate toespraken over ‘cultuurgoed’ en ‘belang voor de jeugd’ waren dus achter de rug.

Ik weet het niet echt zeker natuurlijk, maar ik denk dat heel wat generaties kinderen geleerd hebben hoe je met een woordenboek om moet gaan door ‘vieze woorden’ op te zoeken.

Eijkman dacht dat misschien alleen jongetjes dat deden, maar ik kan hem verzekeren dat ook de meisjes gevoelig waren voor “de fascinatie dat dat zomaar gedrukt staat!”, zoals hij het noemde. Deze Basis Van Dale biedt oefenmateriaal te over aan de kinderen vanaf tien jaar voor wie het boek bedoeld is. Het opvoedkundige aspect is daarbij overigens niet vergeten: bij kut, lul en neuken staat keurig de aanduiding grof.

Kinderen zelf hebben trouwens erg originele ideeën over welke woorden wel en welke niet in een woordenboek thuishoren. Van Dale (in samenwerking met de educatieve uitgeverij de Ruiter) heeft eerst een proef van de letter e gemaakt en die onder andere aan wat schooljeugd voorgelegd.

In Onze Taal van januari deed Rik Schutz (medewerker bij Van Dale Lexicografie) verslag van dit vooronderzoek. Hij geeft geweldig mooie voorbeelden met motivaties. Zo kon eskimo er rustig uit, want “je zet mens er toch ook niet in”, en elders mocht ook wel weg (“gek woord”) , evenals employé, want dat is “Frans: betekent gewoon vrouw”. Echografie “is wel duidelijk” en eenrichtingsverkeer “slaat nergens op”, kortom, je zou denken dat de Grote Van Dale op een A4-tje moet kunnen als je deze richtlijnen streng toepast, stelt Schutz terecht.

Zo is het niet gegaan. De Basis Van Dale heeft 25.000 ingangen, waarvan er 900 uitsluitend Vlaams zijn. Het boek is bedoeld voor de hele Nederlandstalige markt, en dat lijkt alleen al uit commercieel oogpunt geen onverstandig idee.

Leerzaam is het ook, ik kwam bijvoorbeeld te weten dat de Vlamingen hun ‘oudtante’ groottante noemen, dat ze in plaats van ‘blut’ rut zijn en dat ze hun haar niet ‘touperen’ maar creperen.

Maar het gaat bij een woordenboek niet alleen om welke woorden erin staan, wat er achter die woorden staat is minstens even belangrijk. In dit opzicht verschilt de Basis Van Dale duidelijk van de gewone markt.

De grootste verdienste van dit naslagwerk vind ik dat het helemaal aan kinderen aangepast is, maar nergens kinderachtig wordt. Ik kan me zelfs voorstellen dat ook een volwassene meer heeft aan de omschrijving “slangetje om wondvocht weg te laten lopen” voor drain dan aan “draineerbuis”, zoals de hedendaagse Van Dale geeft.

De voorbeelden, de uitleg, het is allemaal verfrissend helder. En overal is aan gedacht: het aantal voorbeeldzinnen met “zij” in plaats van “hij” bijvoorbeeld is opvallend. Achter de vele ingeburgerde buitenlandse woorden – vaak Engels: discount, preview, gesetteld, screenen, must, maar ook femme fatale en ciao – staat de uitspraak nog eens gegeven, en meestal ook de letterlijke vertaling. Zelfs grappen als geveltoerist (voor inbreker) en gemeentepils (voor leidingwater) zijn niet vergeten.

Struikelblok

Bijzonder praktisch is de lijst voorin met aardrijkskundige namen en bijbehorende adjectieven en bewoners (Monaco, Monegaskisch, Monegask, Namen, Naams, Namenaar), ook voor niet-kinderen een bekend struikelblok.

Allerlei voor- en achtervoegsels (zoals poly- en -vriendelijk) zijn los opgenomen, en regelmatig staat er bij een woord nog wat taalkundige of gebruiksinformatie. Doordat is bijvoorbeeld een “voegwoord”, “geeft een oorzaak aan” en doch is zelfs een deftig voegwoord dat “maar” betekent. Zelfde is een “bijvoeglijk naamwoord” dat je “na een lidwoord of aanwijzend voornaamwoord” kunt aantreffen, waarna voorbeelden met dezelfde en hetzelfde volgen.

Voor schooljeugd is een kuitenflikker natuurlijk een “sprong waarbij je je voeten in de lucht tegen elkaar klapt” en helemaal niet “een kruissprong bij het dansen” of “een rare, kromme sprong” (hedendaagse Van Dale). En arsenicum is gewoon een “heel erg giftige stof”. Mij lijkt een woordenboek waar de dingen zo in omschreven staan inspirerend genoeg om kinderen bijna vanzelf het nut van zo’n ding te leren kennen.

Hier en daar wordt het boek bijna poëtisch. Blauw bijvoorbeeld kreeg de omschrijving “met de kleur van een wolkeloze lucht” mee. Correct is het wel, en het vertelt meer dan “de kleur blauw hebbend”, zoals de hedendaagse Van Dale vermeldt.

Dat typische woordenboekjargon ontbreekt volkomen in “de jongste telg van de familie Van Dale” (zo noemen ze hem zelf). Van deze nieuwe stijl, die zich bijvoorbeeld ook uit in het consequent gebruiken van “je” in plaats van “men”, zouden gewone woordenboekenmakers nog iets kunnen leren.

Andere produkten

Over de vergelijking met andere soortgelijke produkten kan ik kort zijn. Hun grootste voordeel boven de Basis Van Dale is dat ze goedkoper zijn, maar er staan dan ook veel minder woorden in. Uit Het Schoolwoordenboek van Jacob Dijkstra is meestal niet eens op te maken wat een omschrijving en wat een voorbeeld is. De opmaak van de bladzijden is niet plezierig en de uitleg is te vaak onduidelijk en soms zelfs hypocriet. Een minnaar is niet “een man die van een vrouw houdt”, maar veel eerder “iemand van wie je houdt en met wie je vrijt” (Basis Van Dale).

Heeft men bij Jacob Dijkstra in ieder geval nog zijn best gedaan om de opzet en de omschrijvingen aan te passen aan kinderen, bij Wolters’ Basis Schoolwoordenboek Nederlands is daar nauwelijks nog sprake van. Hier wel de echt woordenboekachtige betekenissen in de trant van nachtblind: “niet goed kunnende zien in het donker” en rechtspraak: “het recht spreken”. Ook nogal wat fouten en slordigheden: regie betekent niet alleen “spelleiding” en clausule schrijf je met een s.

De Basis Van Dale is duidelijk opgezet als een “echt” woordenboek. De opmaak lijkt verdacht veel op die van de volwassen moderne-talen-serie. Het is een stevige pil, die prettig in de hand ligt en die niet bij de eerste groezelige handjes onbruikbaar wordt.

Als opstap naar het grote werk lijkt het me daarom geschikter dan de schoolwoordenboeken die tot dusver te krijgen waren.

Natuurlijk ontbreken er ook dingen en is het niet altijd duidelijk op grond waarvan. Waarom wel de kamergeleerde (“geleerde die weinig weet van het gewone leven en alleen met zijn neus in de boeken zit”) en niet de salonsocialist? Dat woord is misschien een beetje “uit” (“niet langer in de mode, het tegenovergestelde van ‘in’”), maar dat hoeft geen belemmering te zijn. Achter hippie trof ik ook aan: “jongere die zich in de jaren 60 en 70 verzette tegen de bestaande maatschappij door zich anders te gedragen en te kleden”.

Een uitgestorven soort. De “oudere jongere” ontbreekt nog. Misschien zal die zich bij de volgende druk, die ongetwijfeld zal komen, wel een vaste plaats in onze wereld verworven hebben.

De groene ideeën worden volwassen

Wat heeft dertig jaar generatieve grammatica inmiddels opgeleverd? Om te beginnen veel nieuwe gegevens, nieuwe inzichten én een wereldwijd onderzoeksplan voor de grammatica van alle talen. Daarnaast, als bijverschijnsel, nu al tien jaar lang de GLOW-conferentie.

GLOW staat voor ‘Generative Linguistics in the Old World’, ofwel: generatieve taalkunde in de oude wereld. Wat begon met een klein kringetje taalkundigen rond Chomsky in de ‘nieuwe wereld’ breidde zich steeds verder uit.

Het verwijt uit de beginjaren dat de generatieve taaltheorie alleen op gegevens uit het Engels gebaseerd was gaat dan ook allang niet meer op. Op het GLOW-congres dat vorige maand in Venetië gehouden werd, zei een van de onderzoekers van het eerste uur, Prof. Richard Kayne daarover in de wandelgangen: “Het is eigenlijk een beetje een ironische ontwikkeling. Voor de komst van generatieve grammatica was er een sterke traditie om allerlei buitenissige talen te onderzoeken. Mensen wiens moedertaal het niet was probeerden bijvoorbeeld regels voor allerlei Indianentalen op te stellen. Pas daarna kwam het inzicht dat de kennis die je van je eigen moedertaal hebt enorme diepgang heeft en dikwijls ook heel subtiel is.”

Kennis en kennis blijkt twee. Het is keer op keer een vreemde sensatie om je eigen kennis te observeren en tot de conclusie te komen dat je van alles ‘doet’ zonder dat je het weet. Zo zijn er verhoudingsgewijs bijzonder weinig Nederlanders die zich realiseren dat ze in iedere hoofdzin het hoofdwerkwoord op de tweede plaats zetten. Daarbij moet overigens wel bedacht worden dat ‘de tweede plaats’ niet altijd hetzelfde is als ‘het tweede woord’.

Iedere zin kan in stukjes gehakt worden, of, omgekeerd kun je ook zeggen dat iedere zin uit stukjes opgebouwd wordt. Als men u vraagt in een eenvoudig zinnetje als De kleine Robert smeet de jampot uit het raam de bij elkaar horende woorden aan te geven, dan zult u dat eerder zo doen: De kleine Robert – smeet – de jampot – uit het raam dan zo: De – kleine Robert – smeet de jampot – uit het – raam.

Stukjes bij elkaar horende woorden heten in de taalkunde constituenten en om erachter te komen of iets echt een constituent is, kunt u de volgende vuistregel gebruiken: constituenten mogen meestal alleen in hun geheel naar een andere plaats in de zin, en ze kunnen in hun geheel door iets anders vervangen worden. Zo kan de kleine Robert heel goed veranderd worden in hij, en kunnen we de jampot rustig vooraan de zin zetten: De jampot – smeet – hij – uit het raam. In dat geval krijgt de jampot alleen meer nadruk.

Meteen ziet u hier de regel werken die zegt dat het werkwoord op de tweede plaats hoort, De jampot – hij – smeet – uit het raam is geen goede Nederlandse zin. De enige uitzondering hierop zijn vragen: in Smeet – hij – de jampot – uit het raam? moet het werkwoord op de eerste positie staan.

Die posities spelen een cruciale rol in taalbouwsels. Ze vormen als het ware het skelet van de zin en daarmee bieden ze de mogelijkheid om iets over zinnen in het algemeen te zeggen, zoals daarnet over de plaats van het werkwoord in Nederlandse hoofdzinnen. Een voorbeeld uit een andere taal zou de positie van het onderwerp in Engelse zinnen kunnen zijn: dat komt, in tegenstelling tot het Nederlands, altijd voor het werkwoord. Out of the window – he – threw – the jam-jar wordt het in het Engels, en nooit Out of the window – threw – he – the jam-jar.

Deleren

Het verband tussen verschillende soorten zinnen onderling kan ook aan de hand van posities beschreven worden. Vooral in het begin gebeurde dat in de generatieve taalkunde met alle soorten en maten transformaties.

Het idee van een transformatie is niet moeilijk te begrijpen: men ging ervan uit dat alle zinnen die iets met elkaar te maken hebben, – zoals gewone bevestigende en vraagzinnen, en actieve en passieve zinnen – uit elkaar werden afgeleid. Een bevestigende zin kun je transformeren, dat wil zeggen ombouwen, tot een vragende, en van een actieve zin kun je een passieve maken. De transformatie die de jampot straks voorop zette heet topicalisatie (je zet het ‘topic’ van gesprek vooraan), en werd aldus weergegeven:

Hij – smeet – de jampot – uit het raam

De jampot – hij – smeet – uit het raam

De derde positie (de jampot) wordt leeggehaald en vooraan gezet, maar ondertussen moet nu een andere transformatie ervoor zorgen dat het werkwoord weer op de tweede plaats komt.

Echt problematisch wordt het bij de passief-transformatie. Maken we van Els slaat Kees, Kees wordt door Els geslagen dan hebben we ineens een nieuw woord wordt en een nieuw woord door. Bovendien: door Els mag ook wegblijven: Kees wordt geslagen is ook een goede passieve zin.

Als naar eigen believen dingen ingevoegd of weggestreept mogen worden, dan zijn transformaties niet meer dan ‘een constatering op een andere manier opschrijven’. Dat kan wel inzichtgevend zijn, maar als taaltheorie is zo’n aanpak niet geschikt.

Een goede taaltheorie moet niet alleen achteraf vertellen welke zinnen goed zijn en welke niet, maar hij moet dat ook kunnen voorspellen voor nieuwe zinnen. Pas dan weet je echt hoe dat zinnen-bouwen in zijn werk gaat.

Een eerste vereiste is daarbij in ieder geval dat alle elementen waaruit een zin wordt opgebouwd terug te vinden zijn. Dat betekent dat er geen posities ‘bijgemaakt’ mogen worden door een transformatie en ook dat er geen mogen verdwijnen.

Dat wegstrepen heet in jargon ‘deleren’ en het laatste woord daarover is in 1976 gezegd in een artikel in een taalkundig tijdschrift. Dat artikel heette ‘niet terug te vinden deletie’ en bestond uitsluitend uit een lege pagina.

Met transformaties is men dus inmiddels wat voorzichtiger geworden. De wildgroei en de willekeur zijn uit de theorie gekapt, en daar waar nog wel met transformaties wordt gewerkt, moeten andere onderdelen uit de grammatica er als het ware om ‘vragen’. Zo komt een vraagwoord in het Nederlands (en in nog een heel stel talen meer ook) vooraan de zin te staan, omdat het een soort vlaggetje met zich meedraagt waarop ‘ik ben een vraagwoord’ staat.

Het idee is namelijk dat een zinnetje als Wat eet jij? afgeleid wordt van Jij eet wat. Wat vervult hier de rol van het lijdend voorwerp, en het lijdend voorwerp staat in principe niet op de eerste positie van de zin.

Vanwege de ‘terugvindbaarheid’ gaat men ervan uit dat het in eerste instantie op zijn gewone plek, achter in de zin, staat en daarna naar voren geplaatst wordt. Op de oorspronkelijke plaats blijft dan een ‘spoortje’ achter dat er onder andere voor zorgt dat die plek niet door iets anders wordt ingenomen. Zo kun je verklaren dat Wat eet jij een appel? uitgesloten is. (Behalve als uitroep natuurlijk, met een komma achter wat.) En ook hier moet het werkwoord iedere keer op de tweede plaats gezet worden, zoals u ziet.

Die transformaties moet u niet al te letterlijk nemen overigens. Dat is in de beginjaren nog wel eens gebeurd door enthousiaste psychologen die dachten dat we alles al wisten. Die gingen dan testen of het maken en begrijpen van een zin met veel transformaties meer tijd kostte dan een zin zonder transformaties. Dat bleek natuurlijk niet het geval te zijn.

Ook het beperkte aantal transformaties waar nu nog vanuit wordt gegaan (samengevat onder de futuristisch aandoende naam move alpha) is voornamelijk bedoeld als een in- en overzichtelijk beschrijvingsmodel. Je kunt nooit weten of mensen op precies dezelfde manier zinnen bouwen als het model dat je ervan gemaakt hebt, want nog steeds heeft niemand een luikje in zijn hoofd waardoor we naar binnen kunnen kijken.

Voorlopig zou het al fantastisch zijn als er een compleet model bestond dat alle goede zinnen kan maken.

Zover zijn we natuurlijk nog niet. Na dertig jaar zijn nog lang niet alle relevante taalfeiten beschreven en onderzocht. Wel zijn er sinds het idee van de ‘terugvindbaarheid’ van posities belangrijke stappen in de richting van een echte theorie gezet. Het vergelijken van de grammatica’s van heel verschillende talen speelt daar een grote rol bij.

Kayne zegt daarover het volgende: “Je ziet dat onze kennis geweldig gegroeid is. Dat komt voor een deel omdat er nu veel meer taalkundigen uit veel meer landen zijn. Want aan moedertaalsprekers alleen heb je niet genoeg. Linguïsten kunnen elkaar uitleggen waarnaar ze op zoek zijn, en op een zeker abstractieniveau over de feiten praten. Bovendien is de theorie nu zover dat we een bruikbaar instrumentarium hebben om mee te werken.”

De basis is gelegd. Kayne bespeurt een tendens bij taalkundigen om steeds meer talen tegelijk te bekijken. Doordat er een steeds fijnmaziger netwerk van kennis beschikbaar is, kan dat ook. Via de literatuur en congressen als GLOW kan men elkaar daarbij in de gaten houden.

Gevolg is wel dat Fransen en Italianen in hun lezingen op GLOW ook het Nederlands en het Duits erbij betrekken. Het zou me eigenlijk niet verbazen als meer buitenlanders dan Nederlanders iets interessants kunnen vertellen over de positie van het werkwoord in het Nederlands.

Het onderwerp van het tiende GLOW-congres was overigens ‘de structuur van constituenten’. Dat lijkt bijna een symbolische keus. Het ontstaan van GLOW valt ongeveer samen met de eerste revolutionaire ideeën over constituentstructuren die gemaakt hebben dat de taalkunde eindelijk het predikaat ‘wetenschappelijk’ begint te verdienen.

Dat idee heeft de naam X-bar meegekregen. Het is aantrekkelijk en elegant, en houdt ongeveer het volgende in: alle constituenten worden in principe op dezelfde manier opgebouwd. Ze hebben allemaal een ‘kern’ of een ‘hoofd’ uit een van de vier grote woordcategorieën: namen en zelfstandige naamwoorden (afgekort tot N), werkwoorden (V), bijvoeglijke of bijwoordelijke naamwoorden (A), en voor- of achterzetsels (P).

Rondom die kern kunnen verschillende dingen staan, die samen een constituent vormen. Maar binnen een constituent kan ook weer een nieuwe constituent beginnen. Zo is ‘de man’ een naamwoordelijke constituent (‘man’ is het hoofd), maar ‘de man van de vrouw’ ook.

Binnen de naamwoordelijke constituent valt ook nog een voorzetsel-constituent: ‘van de vrouw’, en daarin zit weer een nieuwe naamwoordelijke constituent, namelijk ‘de vrouw’.

Ook een werkwoordelijke constituent, zoals ‘at’ in ‘Jan at’ kan nog een naamwoordelijke constituent ‘in zich hebben’: ‘at een appel’. Uiteindelijk bouw je zo een zin op. Omdat je binnen constituenten altijd weer nieuwe constituenten beginnen bestaat ‘de langste zin’ ook niet en zijn de variatiemogelijkheden letterlijk eindeloos. Met andere woorden: taal is recursief en dat zit hem hierin.

Zeggingskracht

Daarmee is de kous natuurlijk niet af. Talen verschillen in de manier waarop ze hun constituenten opbouwen. Om een simpel voorbeeld te geven: in de Germaanse talen zoals het Nederlands staan de bijvoeglijke naamwoorden meestal voor een zelfstandig naamwoord (‘een fantastisch huis’), in de Romaanse talen zoals het Italiaans, komen ze er meestal achteraan (‘una casa favolosa’)

In de afgelopen tien jaar is het ook mogelijk geworden om te werken met wat Kayne ‘een nieuw soort bewijs voor een hypothese’ noemt: het blijkt dat er een samenhang tussen verschillende eigenschappen van talen bestaat.

Hebben ze eigenschap A dan kun je er donder op zeggen dat ze eigenschap B, C, en D ook hebben, maar E, F en G juist niet. Die ‘clusters’ eigenschappen maken dat er een theorie met veel meer zeggingskracht ontstaat. Taalkundigen kunnen bij het opstellen van hun hypothesen ‘bewijsmateriaal’ uit andere talen halen, en ook voorspellingen doen.

Een opvallende conclusie na dertig jaar generatieve taalkunde is in ieder geval dat er veel meer komt kijken bij het maken van zinnen dan men ooit gedacht had. Zo langzamerhand is duidelijk dat het complete organisatieschema voor een enkele zin, waarin allerlei hiërarchieën en afhankelijkheden op elkaar inspelen, nauwelijks onderdoet voor het organisatieschema van een middelgroot bedrijf.

Kleurloze groene ideeën slapen furieus

Het verhaal gaat dat Noam Chomsky zeeziek in een bootje midden op de Atlantische Oceaan zat toen hij het zeker wist: mensen moeten zoiets als een taalorgaan hebben, iets speciaals in hun hoofd dat ze onderscheidt van dieren en dat kinderen de mogelijkheid geeft iedere taal te leren, van Navaho tot Nederlands.

Dat was in 1953, en achteraf lijkt het helemaal niet zo’n schokkende gedachte. Inmiddels zijn we veel meer gewend geraakt aan het idee dat allerlei functies, eigenschappen en kwaliteiten van dieren (inclusief de soort mens) een specifieke lichamelijke basis hebben. Aan de mogelijkheden zijn duidelijke grenzen: mensen krijgen – om maar eens een geliefd voorbeeld van Chomsky zelf aan te halen – geen vleugels maar armen.

Voor taal geldt hetzelfde: kinderen kunnen wel Turks en Swahili als moedertaal hebben, maar geen Basic of Marsiaans. Waarom dat zo is, en wat het Turks, het Swahili en alle andere talen ‘bindt’, dat zijn intussen de vragen waarop taalkundigen over de hele wereld antwoorden zoeken.

Om het zover te krijgen viel nog niet mee: zoals dat alle nieuwlichters overkomt heeft ook Chomsky moeten leuren met zijn werk. Pas in 1957 werd er voor het eerst een boekje van hem uitgegeven, nota bene in Nederland bij uitgeverij Mouton in Den Haag. Syntactic Structures heette het en zodra het verscheen was de taalkundige wereld in rep en roer: hier werd iets heel nieuws verteld, deze man keek anders naar taal en stelde ook andere vragen dan men tot dusver had gedaan.

Dit jaar is het dertig jaar geleden dat de ‘Chomskyaanse revolutie’ losbarstte. Een moment om bij stil te staan.

Volgens Chomsky zelf staan we nog maar net aan het begin en is er van een grote sprong voorwaarts nog geen sprake. Daarvoor, zegt hij, zijn er nog te weinig antwoorden op alle vragen. Maar aan de andere kant ben je in de wetenschap al een eind op weg als je eenmaal de juiste vragen kunt stellen. Om te beginnen: wat moet je theorie precies verklaren? Zo stelde Galileo Galilei zich de vraag hoe het kon dat als de aarde plat was, de vogels er niet vanaf vlogen. Omdat die vraag niet te beantwoorden was kon het idee van een platte aarde niet kloppen. Zijn oplossing was revolutionair in de ware zin des woords: als je ervan uitgaat dat de aarde rond is, dan heb je een theorie die verklaart waarom vogels niet in het niets verdwijnen. (zie noot aan het end)

Uit elkaar plukken

Eeuwenlang hield de meest gangbare taaltheorie niet meer in dan dat iedere taal een tamelijk willekeurige verzameling afspraken is die door imitatie geleerd wordt. Chomsky vroeg zich af hoe het dan kon dat slimme kinderen in het algemeen de grammatica van hun moedertaal niet sneller onder de knie krijgen dan domme, en waarom letterlijk iedereen het leert, en hoe het überhaupt mogelijk is dat kleine kinderen zoiets ingewikkelds zo snel leren beheersen. Er moet dus meer aan de hand zijn.

Chomsky’s vragen lijken op het eerste gezicht nog heel wat lastiger te beantwoorden dan die van Galilei. Er zijn krankzinnig veel verschijnselen die je moet verantwoorden als je wil weten uit welke ingrediënten al die op het oog zo verschillende talen zijn opgebouwd.

De eerste paar decennia van de ‘generatieve grammatica’ (zoals Chomsky’s aanpak te boek staat), hebben dan ook eerst en vooral een samenhangende karakterisering van zeer uiteenlopende taalfeiten opgeleverd. Tegelijk daarmee konden steeds beter de onderdelen afgebakend worden waaruit wat ‘taal’ bestaat, ‘taal’ in zijn geheel bestuderen is namelijk ondoenlijk, dat zou net zoiets zijn als ‘de wereld’ bestuderen. Je zult de verschijnselen uit elkaar moeten plukken en uit moeten zoeken wat bij wat hoort, pas dan kun je theorieën en deelterrein opstellen.

Wat wij in de wandeling taal noemen is vergelijkbaar met een dikke ui: opgebouwd uit allerlei lagen en laagjes die je een voor een moet afpellen om inzicht in de opbouw van het geheel te krijgen. Dat is wat er in de generatieve grammatica gebeurt.

Merkwaardig genoeg stuit deze in wetenschapskringen zeer gebruikelijke aanpak regelmatig op verzet. De reden daarvoor moet dezelfde zijn die ervoor heeft gezorgd dat de taalkunde enkele eeuwen achterloopt bij de natuurwetenschappen.

Taal is zo ‘menselijk’ dat je al gauw het idee krijgt dat je jezelf in plakjes aan het snijden bent als je in werkelijkheid alleen je taal analyseert. Het zit dermate dichtbij en in mensen dat het heel moeilijk blijkt er op een afstandje naar te kijken. Vooral de gedachte dat gevoelens, ideeën en ‘intermenselijke communicatie’ een mechanisch vervoermiddel (taalstructuur) nodig hebben, dat helemaal los staat van emoties of bedoelingen, lijkt weerzin op te roepen.

Toch is dat juist wat Chomsky van het begin af aan verdedigd heeft. Al in zijn eerste boekje is een van de belangrijkste dingen waar hij op wijst het feit dat een zin wel volstrekte onzin kan zijn, maar dat hij daarmee nog niet ongrammaticaal is.

Woordsalade

Twee beroemd geworden zinnetjes laten dat zien: Colourless green ideas sleep furiously (‘Kleurloze groene ideeën slapen furieus’) en Furiously sleep ideas green colorless (‘Furieus slapen ideeën groen kleurloos). Wat die eerste zin betekenen moet mag Joost weten, maar het is wel een zin.

Het tweede voorbeeld blijft wat je ook doet of bedenkt woordsalade. ‘Grammaticaal’, kortom, is iets anders dan ‘begrijpelijk’. Ook omgekeerd valt dat te bewijzen: Winnetou-Nederlands (‘Jij uitkijken moet gauw’) snapt een kind, maar grammaticaal kun je het niet noemen.

Zinnen bouwen, dat kan iedereen, en dat doet iedereen ook voortdurend. Het maakt niet uit waar je het over hebt of wat je ermee wilt. Het rare is alleen dat we zelf niet weten hoe we dat doen. Niemand kan in zijn eigen hoofd naar binnen kijken om te zien welke regels bijvoorbeeld het Nederlands heeft.

Toch weet u direct dat Cleopatra onderhield Lubbers een middaglang over de draagkracht van de democratie goed Nederlands is. De kans dat u die zin ooit eerder bent tegengekomen is bijzonder gering, maar u kent uw moedertaal. Daarom weet u ook dat pakweg Cleopatra Lubbers onderhield een middaglang over de draagkracht van de democratie niet in orde is, ook al begrijpt u misschien prima wat ermee bedoeld wordt.

De kennis die we klaarblijkelijk hebben over wat een goede zin is en wat niet is voorlopig het enige dat ons kan helpen bij het zoeken naar hoe taal werkt. Ook dat idee is nogal eens verkeerd begrepen.

Wat mensen weten over hun moedertaal is niet hetzelfde als wat ze er in de praktijk mee doen. Al pratend vergissen ze zich nogal eens, en ze maken hun zinnen lang niet altijd af. Daarom heeft het niet veel zin om te proberen achter de grammaticaregels van een taal te komen door naar een geluidsbandje met een verjaardagsvisite luisteren.

Generatief taalkundigen willen weten waaruit de kennis die mensen van het regelsysteem van hun taal hebben bestaat. Die kennis noemen ze ‘competence’. Wat mensen in het dagelijks leven met hun competence doen is iets anders en heet in de taalkunde ‘performance’.

Tot de competence van iedereen die Nederlands spreekt hoort dus het vermogen te zien dat onbegrijpelijke zinnen als kleurloze groene ideeën slapen furieus grammaticaal zijn. Dat vermogen gaat zelfs nog verder: ook zinnen met woorden die helemaal niet bestaan kunnen we als ‘goed’ herkennen. De vek blakt de mukken is een bekende illustratie van het feit dat ‘vorm’ en ‘betekenis’ in principe los van elkaar staan. De blakt vek mukken de is duidelijk fout. De vorm is daar wel veranderd, maar de betekenis is nog precies dezelfde, namelijk: niks.

Volgende week: de stand van zaken.

Noot: Wat ik schreef over Galilei klopte niet. Die was van ‘eppur si muove’: de aarde draait wel degelijk om de zon. De bolvorm was al veel eerder aannemelijk gemaakt, onder meer door Ptolemeus. Schande, maar internet waar je die dingen in no time nog even checkt, bestond nog niet toen ik dit schreef…

De platte A van Amsterdam

“Waar vind ik hier het serviesgoed?” vroeg Prof. William Labov aan iemand van het winkelpersoneel. “Op de vierde verdieping, meneer” wist hij dat het antwoord was. “Waar zegt u?” vervolgde hij dan, en iedere keer antwoordde zijn informant, keurig voorspelbaar, opnieuw met “Op de vierde verdieping”.

Deze scène speelde zich af aan het begin van de jaren zeventig in drie New Yorkse warenhuizen: een heel chic, een minder chic en een helemaal niet chic exemplaar. Labov stelde zulke vragen overal zowel aan oudere als aan jonge personeelsleden en deed daarmee een van de inventiefste taalonderzoekjes aller tijden.

Want waarom vroeg hij iedereen naar de bekende weg? Labov had het idee dat hij een taalverandering op het spoor was: soms hoorde hij mensen in New York de r midden in een woord als fourth wel uitspreken en soms niet. Hij wist dat zo’n r vroeger nooit uitgesproken werd, zoals dat ook in het Brits-Engels niet gebeurt.

Aan het eind van een woord daarentegen (zoals in floor en fair), hoorde je de r meestal wel, en ook wanneer er na de r meteen weer een klinker volgde (zoals in very). Om nu te kijken of er inderdaad een tendens bestond om de r zowel in fourth als in floor uit te spreken vroeg hij overal naar de vierde verdieping.

Chiqueheidsgraad

En omdat je aan kunt nemen dat een verandering bij de jongere generatie zal beginnen, stelde hij de vraag aan mensen van verschillende leeftijden. De chiqueheids-graad van de warenhuizen tenslotte moest een indicatie geven over het wel of niet uitspreken van r door verschillende maatschappelijke klassen (hoger, middel en lager). Labov verwachtte dat hij de meeste r-en zou horen bij jonge mensen uit de hoogste klasse, omdat het erop leek dat de r over was komen waaien uit de betere kringen buiten New York.

Het idee daarachter was simpel: iedereen die een bepaalde status heeft (of soms ook: graag wil hebben) laat dat merken in de manier waarop hij praat, hoe onbewust dat ook gebeurt.

De ‘bewustheid’ was een laatste factor die Labov wilde testen: als mensen beter opletten zullen ze over het algemeen ‘netter’ gaan praten dan wanneer ze gedachteloos voor zich uit kletsen.

Dat verschil is goed merkbaar als je ze een stukje voor laat lezen, maar Labovs idee om zijn informanten hun antwoord te laten herhalen is bepaald ingenieus te noemen. Bijkomend voordeel: niemand had ook maar een flauw benul van het feit dat hij meedeed aan een onderzoek.

Dat laatste is dikwijls een groot probleem voor taalkundigen die ‘spontane taal’ willen bekijken: zodra hun onderzoeksobjecten dat in de gaten hebben, krijgen ze de neiging te gaan ‘monitoren’, dat wil zeggen dat ze op hun eigen spraak gaan letten, waarmee veel van hun spontaniteit verdwijnt.

Antwoordden de mensen nu ook zoals Labov gedacht had? Grotendeels wel. Zo daalde het aantal hoorbare r-en tegelijk met de maatschappelijke klasse (in het goedkoopste warenhuis vielen ze het minst te beluisteren), en was het percentage uitgesproken r-en in floor over het algemeen hoger dan dat in fourth. De ‘herhaling’ gaf inderdaad een verschil te zien: bij meer nadruk verschenen er meer r-en. Alleen in de leeftijd had Labov zich vergist: het bleek niet veel uit maken of iemand jong of oud was.

Hij stelde zijn hypothese bij voordat hij aan een groter opgezet onderzoek begon: zou het niet zo kunnen zijn dat volwassenen uit de hoogste en de laagste klasse het minst geneigd zijn iets aan hun uitspraak te veranderen, ongeacht hun leeftijd? En dat de ‘sociale ambities’ van de midden-klasse gemakkelijker leiden tot een aanpassing aan het nieuwste ‘prestige-accent’? Deze voorspelling kwam uit.

Superberoemd

Na dit superberoemd geworden sociolinguistische onderzoek zijn er nog heel veel gevolgd. Daarbij gaat het niet altijd om het opsporen van taalveranderingen, maar probeert men ook gewoon de situatie op een bepaald moment in kaart te brengen.

Steeds opnieuw blijken factoren als ‘maatschappelijke klasse’, ‘leeftijd’, en ‘oplettendheid’ een rol te spelen. Nog een andere variabele is die van de ‘sexe’: vrouwen praten vaak anders, dat wil zeggen ‘netter’, dan mannen.

De verklaring die sociolinguisten daarvoor geven is dat vrouwen over het algemeen hun status of gevoel voor eigenwaarde niet uit ‘werk’ of ‘geld-verdienen’ kunnen halen. Ze zoeken het daarom ergens anders en vertonen de neiging ‘boven-hun-stand’ te spreken.

Zo’n vijftien jaar na het onderzoek in New York is nu ook wetenschappelijk vastgesteld hoe Amsterdams klinkt. In het P.J.Meertens-Instituut (voor dialectologie, volkskunde en naamkunde) werden al jaren bandjes bewaard met opnamen van Amsterdamse mannen en vrouwen uit verschillende maatschappelijke klassen. Ze waren onderverdeeld in jong en oud, en allemaal hadden ze zowel een formeel als een informeel gesprek gevoerd.

H.F. Schatz heeft die gegevens gebruikt om erachter te komen welke klanken kenmerkend zijn voor het plat Amsterdams. In haar (overigens flinterdunne) proefschrift met de merkwaardig aandoende titel Plat Amsterdams in its social context doet Schatz verslag van haar bevindingen.

Voor een deel kunnen die door iedereen die wel eens in een Amsterdamse tram gezeten heeft voorspeld worden. Dat een echte Amsterdammer de son in see siet sakken was al lang bekend. In de hoofdstad kennen de niet-ABN-sprekers nu eenmaal het verschil tussen de s en de z niet, en in het dagelijks leven vallen er daarom regelmatig schitterende staaltjes ‘hypercorrectie’ te horen.

Zo werkte er in de City-bioscoop op het Leidseplein jarenlang een dame die met zwoele stem omriep: “Attenzie damez en heren, over twee minuten begint de hoofdfilm in Zity zez.” Alweer: als mensen erg opletten bij wat ze zeggen proberen ze met hun uitspraak in de buurt van de norm te gaan zitten, ook als ze die norm niet goed kennen en daardoor als het ware te correct gaan praten.

Met de v en de f gebeurt trouwens het zelfde: in plat Amsterdams wordt iedere v een f, (fal foor mijn part allemaal dood). In fonologentaal heet dat dat deze stemhebbende medeklinkers stemloos worden. Als u uw hand op uw strottehoofd houdt kunt u dat controleren: bij de stemhebbende z en v voelt u uw stembanden trillen, bij s en f niet.

Uit het liedje van Danny de Munk dat ik net al citeerde valt nog meer te constateren. In part hoort u een zogenaamde flap-r (je moet er je tong een beetje voor in een kronkel leggen), en in Had ik maar iemand.. eindigt had met een gepalataliseerde t-klank. Het palatum is het harde gedeelte van het gehemelte, en in het Amsterdams worden de t, de n en de s als ze aan het eind van een woord staan, na een korte klinker (zoals in pit, pin en pis), uitgesproken met het puntje van de tong tegen dat harde gehemelte.

De s gaat daar meer van sissen, en het lijkt of er een klein j-tje achteraan komt. Zoals de sj in kasje klinkt, zo klinkt in Amsterdam de s in zijn eentje, ook aan het begin van een woord trouwens (twee sjachte armen..).

Maar ook zo’n beetje alle klinkers klinken anders. Staan ze voor een n waar nog iets op volgt (zoals in kans, kunst, mens en kind) dan worden ze doffer, nasaler en lijken ineens wel wat op het Frans. De lange klinkers i en u (zien en minuut) worden langer gemaakt, maar de tweeklanken (de ui in puin, de ij in pijn bijvoorbeeld) worden korter, terwijl van de lange e en de lange o juist een tweeklank gemaakt wordt: de e wordt een soort ei (twei sjachte armen om me hein), de o een soort ou (fal foor mèn part allemaal doud).

Het is, zoals iedereen eigenlijk wel weet, voornamelijk de ‘lage sociaal-economische klasse’ die dit accent heeft. Woonbuurt, inkomen, beroep en opleiding moeten samen een indicatie geven voor iemands plaats op de sociale ladder. Welke van die factoren het belangrijkste is, of hoe ze zich onderling tot elkaar verhouden, weet niemand.

Dat maakt het interpreteren van de uitkomsten van dit soort onderzoeken nogal lastig: wat je precies meet en hoe dat komt weet je nooit precies.

Algemeen aanvaarde ideeen zijn ieder geval dat er ‘gestigmatiseerde’ en ‘prestige’-vormen bestaan, en dat taalverschillen bewust of onbewust een mogelijkheid tot ‘groepsidentificatie’ geven.

Door de manier waarop mensen praten ‘plaatsen’ ze zichzelf en worden ze andersom door anderen ‘geplaatst’. Een goed voorbeeld van een gestigmatiseerde variant van het Nederlands is het Nederlands met een Limburgs accent. Dat is niet alleen altijd onderwerp van grappen, maar niet-Limburgers denken echt dat die zuiderlingen dommer zijn.

Ook dat is wetenschappelijk bewezen. Laat je niet-Limburgers naar het gepraat van verschillende mensen op een bandje luisteren, dan vinden ze altijd de Limburgers ‘minder intelligent’ en ‘minder beschaafd’. Hetzelfde resultaat vind je zelfs als een en dezelfde persoon precies hetzelfde verhaal met en zonder accent vertelt.

Gestigmatiseerd

In hoeverre het plat Amsterdams gestigmatiseerd genoemd kan worden, is de vraag. Het geniet nu in ieder geval meer ‘aanzien’ dan pakweg een halve eeuw geleden.

Misschien dat dat de reden is voor het geringe verschil tussen oplettend en niet-oplettend spreken dat uit het onderzoek van Schatz naar voren kwam: de Amsterdammer schaamt zich niet voor zijn taal. Maar het zou ook kunnen liggen aan het feit dat degenen die aan het onderzoek meededen niet gevraagd is een stukje tekst voor te lezen. In plaats daarvan werd de graad van ‘formeelheid’ afgemeten aan het verschil tussen gesprekjes met een onderzoekerer en gesprekjes met een (zelf uitgekozen) goede vriend of vriendin. En dan is het ook nog de vraag of men wel echt in staat was de microfoon te vergeten.

Interessant is dat er twee Amsterdamse a’s bestaan: eentje voor mannen en eentje voor vrouwen. Bij navraag wordt de vrouwelijke variant echter niet als ‘typisch Amsterdams’ herkend, dat wil zeggen: er is wel een verschil tussen de Amsterdamse-vrouwen-a en de ABN-a, maar als mensen een oordeel moeten geven over Amsterdamse stereotypen dan pikken ze de mannen-a er wel uit, en de vrouwen-a niet.

Dat die twee klanken naast elkaar bestaan is wel bijzonder, maar omdat niemand het merkt, sluit het toch goed aan bij het idee dat vrouwen meer ‘standaardtaal’ proberen te spreken, omdat ze zo weinig andere manieren hebben om ‘sociaal prestige’ te verwerven.

Of je daar blij mee moet zijn weet ik niet. De Amsterdamse wethouder van onderwijs, mevrouw Wildekamp was het wel. Zij kreeg op een perspresentatie het eerste exemplaar van het proefschrift aangeboden. Wie haar iets over het onderzoek verteld had weet ik niet, maar de uitkomsten geven nou niet direct aanleiding tot blijdschap ‘omdat vrouwen het beter (sic!) doen’. Zeker niet voor een wethouder met zulke woeste ‘gelijkheidsbevorderende’ plannen als deze. (Van haar is onder andere het voorstel afkomstig om alleen nog de vrouwelijke helft van de stad te laten solliciteren naar de functie van schoolhoofd.)

Verder is er natuurlijk geen sprake van een ‘wetenschappelijk bewijs’ dat de Amsterdamse humor uitsterft, zoals Wildekamp had begrepen. Ook de jonge generatie praat plat Amsterdams, en zelfs nog een beetje platter dan de oude.

Over hoe dat komt valt weer veel te speculeren, maar naar het zich laat aanzien zal ook de komende generatie tramchauffeurs nog wel ’n Rondje fan de sjaak door de luidspreker aanbieden als de wissel weer eens niet goed staat op het Weteringcircuit.

U kunt ‘Plat Amsterdams in its social context’ van H.F. Schatz in uw bezit krijgen door contact op te nemen met het P.J. Meertens Instituut, Keizersgracht 569-571 in Amsterdam, telefoon: 020-234698. Het boekje kost f18,75.

“Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in te delen”

Op enkele scholen wordt geexperimenteerd met filosofie als eindexamenvak. Het blijkt een populair vak te zijn bij leerlingen. Wat wordt hun precies onderwezen, en vanwaar de geestdrift?

Kunt u zeggen welke van de volgende uitspraken met behulp van waarneming te controleren zijn?

-Ik ken mijn vriendin door en door

-God is dood

-Mijn moeder houdt van mij

-Alles heeft een oorzaak

-Maria is thuis

-Ik ben vrij

En kloppen de volgende redeneringen?

Alle luizen zijn vegetariërs

Alle muizen hebben luizen

->Sommige muizen zijn vegetariërs

Ik geloof dat de Gaulle gek is

Ik ben de Gaulle

->Ik geloof dat ik gek ben

Als u het antwoord schuldig moet blijven heeft u op school vast geen filosofie gehad. Die kans is overigens nogal groot, want op vrijwel geen enkele school maakt of maakte filosofie deel uit van het vakkenpakket.

Waarom eigenlijk niet? In alle landen om ons heen is het een doodnormaal en gerespecteerd schoolvak. En in Amerika krijgen kinderen soms op de lagere school al filosofielessen waarin ze discussiëren over de vraag of ze nog dezelfde zijn als tien jaar geleden, en moeten vertellen hoe het mogelijk is dat ze van dieren houden maar ze ook opeten.

Nederland heeft meer dominees dan filosofen voortgebracht, en misschien daarmee meer godsdienst- dan filosofie-onderwijs. Dat zou in ieder geval een verklaring kunnen zijn voor het feit dat er met de ontzuiling meer ruimte en belangstelling voor filosofie als middelbare-school-vak is gekomen. Behalve op heel streng christelijke scholen (en dat zijn er niet zo veel meer) blijkt het niet goed mogelijk leerlingen in de hogere klassen nog echte katechese te verkopen. Vaak krijgen ze daarvoor in de plaats dan filosofie.

Ook tamelijk nieuwe vakken als ‘Levensbeschouwelijke vorming’, ‘Kennis van het geestelijk leven’ en ‘Maatschappijleer’ zitten propvol filosofische onderwerpen en worden niet zelden door een filosoof gegeven. Toch is het de vraag of de filosofie geen beter lot verdient dan zo’n versplintering over allerlei andere vakken.

Veel filosofen vinden dat het op school eigenlijk juist een centrale plaats zou moeten krijgen, en voor zover er feiten zijn geven die hen gelijk: op de vier dagscholen in Nederland waar leerlingen filosofie als eindexamenvak kunnen kiezen doet maar liefst twintig à veertig procent dat.

Enquête

Het gaat hier om een experiment dat inmiddels aan zijn dertiende jaar bezig is. Op basis van de leerlingenaantallen alleen al verdient deze proef de kwalificatie “geslaagd”, en het lijkt dan ook de hoogste tijd de experimenteerfase maar eens af te sluiten.

Niemand schijnt daar echt tegen te zijn, ook de bevoegde instanties op het ministerie niet, maar er is één groot probleem: het mag allemaal geen extra geld kosten. Ook nu moeten de scholen die meedoen aan het experiment zelf ruimte maken binnen het rooster, en dat gaat per definitie ten koste van de uren van andere vakken.

Waarschijnlijk krijgt filosofie binnenkort wel een officiële status, maar mogen de scholen zelf weten of ze er een deel van hun tijd en geld in willen steken. Omdat de leerlingenaantallen nog steeds teruglopen en een nieuw eindexamenvak veel moeizaam geknoei met roosters betekent, verwacht niemand dat scholen straks enthousiast en masse filosofie gaan onderwijzen.

Worden de pubers van Nederland daarmee tekort gedaan? Zijn kinderen van vijftien of zestien of zeventien trouwens niet wat jong voor zo’n vak? Wat vinden degenen die filosofie kiezen er leuk aan, en wat juist niet? Dat zijn vragen die zijzelf, hun leraren en hun ouders kunnen beantwoorden.

Twee enthousiaste propagandistes van filosofie als serieus examenvak (Karin Daalderop en Ida Jongsma) hielden onlangs een kleine enquête om de meningen eens te peilen.

Daalderop en Jongsma zijn filosofen, en geven beiden les op een middelbare school. De enquête legden ze voor aan leerlingen, hun ouders en leraren van de school waar Jongsma les geeft: het Montessori Lyceum in Amsterdam. Die school heeft de grootste filosofiepopulatie van het land: vorig jaar deden vier van de zeven klassen eindexamen filosofie, bij elkaar 92 kandidaten. Dat aantal groeit ieder jaar, komende zomer zullen 105 Montessori-leerlingen meedoen aan het centraal schriftelijk. En zo te zien met behoorlijk wat plezier.

Vrijwel iedereen die de vragenlijst ingevuld heeft zegt veel te leren en de stof belangrijk en interessant te vinden. De droom van iedere docent zou je haast zeggen. Daar komt nog bij dat ook de ouders en de leraren die andere vakken geven het bijna allemaal even prachtig vinden.

Wie het lesprogramma ziet kan daar wel inkomen. Filosofieboeken voor de middelbare school bestaan niet of nauwelijks, dat betekent dat het materiaal door de leraren zelf wordt samengesteld.

Op het Montessori Lyceum heeft dat geleid tot een aantrekkelijk ogende stapel ‘readers’: stukken tekst in alle soorten en maten, van Plato tot Marx, van Dessaur tot Darwin, alles verluchtigd met plaatjes, cartoons en opgaven zoals die aan het begin van dit stuk. Aan de hand hiervan worden de landelijk verplichte onderwerpen behandeld. Alle kinderen moeten bijvoorbeeld iets van ethiek, iets van sociale filosofie, maar ook iets van kennistheorie en wetenschapsfilosofie weten. Verder moeten ze in de loop van drie jaar een enorme lijst termen leren thuisbrengen (syllogisme, positivisme, premisse, marxisme noem maar op).

Veeleisend

Wordt er in de vierde nog veel ruimte gegeven aan het zelf bedenken van antwoorden op vragen als “Waarom zijn er mensen?”, “Hebben alle mensen hetzelfde doel in hun leven?” en “Hoe weet je dat iets waar is?”, in de hoogste twee klassen worden leerlingen verondersteld de antwoorden van ánderen te begrijpen en te overzien. De bedoeling is dat er tegen die tijd een vruchtbare voedingsbodem gelegd is, te weten: verwondering, al volgens Plato “het begin van de wijsbegeerte”. Wie geleerd heeft zich te verbazen over alledaagse dingen is een eind op streek.

Geen geringe opgave al met al. Filosofie blijkt dan ook als een weliswaar leuk en nuttig maar ook moeilijk vak gezien te worden. Opmerkingen als “Je moet er wel veel voor doen” en “Het is veeleisend en vraagt concentratie” zijn dan ook in grote getale op de enquêteformulieren terug te vinden. Daarnaast zeggen ze bijna allemaal dat ze “anders zijn gaan denken”: “Alles is veel gecompliceerder geworden” schrijft een meisje uit de vijfde, “Filosofie nuanceert mijn gedachten en traint mijn hersenen” vindt een ander.

Maar de lessen leveren ook aanhangers op. Een meisje van zestien schrijft bijvoorbeeld: “Sartre heeft mij doen beseffen dat ik de verantwoordelijkheid draag voor alles wat ik doe en zeg en die verantwoordelijkheid probeer ik en durf ik nu dan ook te aanschouwen en te dragen. Ik probeer mijn leven nu al existentialistisch in de delen.”

Dat existentialisme is trouwens ook op andere scholen een succesnummer. “Dat komt”, zegt Jongsma, “omdat ze op een leeftijd zijn waarop er van alles met ze gebeurt. Eigenlijk beginnen ze net. Dat betekent aan de ene kant dat je ze nog alles kunt wijs maken natuurlijk, (maar dat geldt voor alle vakken), aan de andere kant is het nou net zo leuk omdat ze voor het eerst de rijpheid hebben om zich van alles af te vragen. Het existentialisme met zijn nadruk op het individu past daar goed bij. En ze komen het ook weer tegen bij Frans.”

Dat het pubers zijn is wel vaker te merken. Jongsma: “Soms beginnen ze te roepen: wanneer gaan we het nu eens over échte dingen hebben? En als ik dan vraag wat ze daarmee bedoelen dan zeggen ze: over GEVOEL. Alsof er een echte oplossing is voor het leven en of ik het antwoord dan maar even wil geven! Maar dat is nou net filosofie: ze mogen er zelf achterkomen dat die oplossing er niet is”.

Een zekere hang naar alomvattende theorieën valt ook te bespeuren bij de onderwerpen waarover de leerlingen in de zesde een scriptie schrijven. Ze mogen dan helemaal zelf een filosoof, een stroming of een thema kiezen, de juf verbiedt alleen Kant en Hegel, “omdat ze zich daar per definitie aan vertillen”. Dingen die tijdens de les niet behandeld zijn kunnen nu een kans krijgen: “Reïncarnatie en Karma”, “Steiner en Kunst”, “Dromen, de stem van de natuur”, “Boeddhisme” en “Capra en het Keerpunt” zijn enkele van de titels die dat dan oplevert. Maar ook “De Stijl”, “Socrates”, “Black Power”,”Descartes” en “Schizofrenie” mogen.

Argumentatieleer

Over wat je kinderen van pakweg vijftien tot twintig op dit gebied moet en kunt bijbrengen verschillen de meningen overigens nogal. Juist omdat er geen schooltraditie voor filosofie is hebben leraren nogal wat vrijheid bij hun interpretatie van het vak. Lang niet alles is verplicht, het is een breed vak en leraren kunnen over het algemeen hun stokpaardjes vrijelijk berijden.

Die laatste mogelijkheid heeft bijvoorbeeld een kleine schoolstrijd tussen Amsterdam en het noorden van het land tot gevolg. Op het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden en het Praedinius Gymnasium in Groningen moeten ze niet veel hebben van de humanistische inslag van het Montessori Lyceum. Wetenschapsfilosofie, logica en argumentatieleer vormen daar de hoofdmoot.

Spruit in Groningen laat zijn leerlingen bijvoorbeeld zelf een empirisch onderzoekje opzetten (“Is het zo dat mensen die roken meestal ook drinken?”), en in plaats van het werkstuk dat de Amsterdamse kinderen moeten maken bestaat het schoolonderzoek in Groningen uit het toepassen van de netgeleerde argumentatieleer op een tekst.

Bij de behandeling van de geschiedenis van de filosofie ligt de nadruk op de periode van Copernicus tot Newton. Volgens Spruit is filosofie moeilijk, “maar het is het enige vak waar je iets aan hebt op de universiteit. Soms is het abstractieniveau van de kinderen nog niet ver genoeg ontwikkeld om de leerstof ‘voorstelbaar’ te maken. Dat geeft niet echt. Omdat ik alle lesmateriaal zelf heb gemaakt kan ik er ook mee ‘spelen'”.

Een voordeel van “werken met eigen werk” is dat je er volledig achter kunt staan en niet voortdurend allerlei voorbehouden hoeft te maken en dingen hoeft te verbeteren in het boek van een ander.

Pieron in Leeuwarden heeft zo langzamerhand een zee aan mogelijkheden voor zijn leerlingen geschapen: ze kunnen allerlei deelgebieden kiezen waar materiaal over bestaat. Zo hebben de leerlingen hier de mogelijkheid om zich in computers en Artificiële Intelligentie te verdiepen. Wetenschapsfilosofie moet volgens Pieron de harde kern van zijn vak zijn: “Daar hebben ze iets aan voor later”.

De meest zinvolle discussies kunnen zich volgens hem afspelen rondom de zogenaamde Nature/Nurture vraag (is iets aangeboren of aangeleerd?). Hij vertelt zijn leerlingen daar eerlijk bij dat hij als aanhanger van Skinner het meest in Nurture ziet. Dit in de hoop al te veel beïnvloeding te voorkomen.

Iets anders gaat het toe in de vierde en laatste dagschool waar leerlingen eindexamen kunnen doen in filosofie: de Christelijke Scholengemeenschap Oude Hoven in Gorinchem. Uiteraard krijgt “het bijbelse gezichtspunt” hier meer aandacht. Docent van der Kam zal hier in ieder geval niet geconfronteerd worden met een klas vol mensen die het Scheppingsverhaal niet kennen, iets dat Jongsma wel overkwam (“Ze vinden dat allemaal een onzin-verhaal, belachelijk gewoon. Dat we op zondag rusten omdat dat in de bijbel staat begrijpen ze ook absoluut niet”).

Van der Kam ziet het overigens als zijn taak zo objectief mogelijk les te geven. Soms zorgt hij zo voor eye-openers, bijvoorbeeld door zijn leerlingen erop te wijzen dat het idee van een onsterfelijke ziel in de bijbel nauwelijks voorkomt, en afkomstig is van Plato.

Uitslovers

Echt moeilijk lijken alleen die leraren het te hebben die filosofie moeten geven op scholen waar het geen eindexamenvak is. Binnen de kortste keren vallen ze, als ze niet uitkijken, in de maatschappijleer-klasse: lekker gratuit discussiëren en vliegtuigjes gooien. In het bijzonder de vier-HAVO klassen lijken niet vol lieverdjes te zitten.

Hier laat zich ook het duidelijkst het gebrek aan traditie voelen: de kloof tussen de universiteit waar de leraar vandaan komt en de HAVO-leerling blijkt stukken moeilijker te overbruggen dan die met het VWO. Bestaande teksten zijn gauw te moeilijk en bovendien moet de leraar nogal eens vechten tegen de tendens dat iemand die bijvoorbeeld een filosofieboek uit de bibliotheek haalt minstens een halve zonderling is en ieder geval een uitslover.

Betsy van Oortmarssen (ze werkt op de Stedelijke Scholengemeenschap in Leeuwarden) probeert grip op de klas te krijgen door op z’n jan-boerenfluitjes abstractere kwesties aan de orde te brengen. Ze begint bijvoorbeeld heel laag bij de gronds wat ethische problemen aan de orde te stellen: Een rolletje drop stelen bij de MIRO, (“die zit hier om de hoek, en dat gebeurt natuurlijk aan de lopende band”), mag dat? En is dat iets anders dan net zo’n rolletje stelen bij de kruidenier?

Vandaar moet dan de stap naar algemenere vragen over goed en kwaad gezet worden. Socrates behandelt ze door te proberen hem in deze tijd te plaatsen: “Stel je voor dat die man nou door onze straten stapt. Hoe zou dat zijn? Wat zou hij zeggen?”

Ook bij Daalderop klinkt soms nogal wat cynisme door over de mogelijkheden in haar vier-HAVO-klas. Ze geeft daar Levensbeschouwelijke vorming, “Maar”, zegt ze, “de leerlingen zijn niet in beschouwingen geïnteresseerd en niet in vorming, ze willen alleen maar leven “.

Er moet nog altijd een stok die hard kan slaan achter de schooldeur staan. Misschien moest filosofie maar eens een echt vak worden. Dan kunnen er ook fatsoenlijke lesprogramma’s voor allerlei schooltypes gemaakt worden, en dan kan de versnippering over andere vakken verdwijnen. Ook al leren kinderen soms alleen maar een beetje goochelen met termen, ze hebben in ieder geval de kans om minder zwart-wit te gaan denken.

De positie van de FONA-commissie

Werpt het bestaan van Fouten- en Ongevallencommissies vruchten af? ‘Deels kun je daar alleen maar over speculeren; het kan zijn dat er een preventieve werking van uitgaat: weten dat er een procedure kan volgen maakt sommige mensen misschien iets zorgvuldiger, en wie al eerder met de commissie in aanraking is geweest kijkt een volgende keer wel uit een patiënt de huid vol te schelden. Hoeveel er onder de tafel blijft liggen is onmogelijk te zeggen, je kunt er hooguit hopen dat de sociale contrôle in een groot academisch ziekenhuis excessen voorkomt.’ Liesbeth Koenen zet de zaken rond FONA-commissies op een rijtje.

De roep uit de jaren zeventig om een stem en rechten voor de meest uiteenlopende bevolkingsgroepen klinkt in het huidige decennium op allerlei manieren na. Veel van de geopperde ideeën uit die tijd zijn de afgelopen jaren in de een of andere vorm in de wet opgenomen (denk bijvoorbeeld aan de ‘wet gelijke rechten’ en de abortuswet), sommige zijn alweer uit het zicht verdwenen, en aan andere wordt nog gewerkt.

Een van de groepen die indertijd voor een betere positie streden bestond uit (ex-)patiënten. En aangezien vrijwel iedereen wel eens met een dokter in aanraking komt ging het om de belangen van een enorm aantal mensen. De voornaamste klacht die geuit werd was tweeledig: patiënten hadden over het algemeen te weinig inzicht in wat doktoren deden, en dat zorgde er te vaak voor dat het zien van een witte jas een verlammende uitwerking had op degene die met een kwaal de spreekkamer of het ziekenhuis binnenkwam. Er moest meer betere voorlichting komen, die de patiënt ‘mondig’ moest maken. Daarnaast moesten doktoren en hun verrichtingen beter controleerbaar worden.

De gevolgen van deze emancipatiebeweging werden tamelijk snel zichtbaar: op de televisie verscheen Aart Gisolf om het volk voor te lichten, veel dokters lieten ineens hun witte jas thuis en bij steeds meer geneesmiddelen zat er een bijsluiter in de verpakking. In dit klimaat werd er in 1974 een studiecommissie opgericht die het begrip FONA-commissie introduceerde.

FONA is de afkorting van Fouten, Ongevallen, en Near Accidents (bijna-ongelukken) en de bedoeling van de studiecommissie was dat alle ziekenhuizen een FONA-commissie zouden krijgen waar artsen en verplegend personeel fouten en dergelijke zouden moeten melden en waar patiënten een klacht konden indienen.

Iets dergelijks bestond immers niet, en een verzamelpunt voor alles wat er mis kan gaan in een ziekenhuis zou het gemakkelijker maken maatregelen te treffen om de kwaliteit van de patiëntenzorg te verbeteren. Voor patiënten zou de drempel om een klacht te uiten lager worden als daartoe binnen het ziekenhuis een mogelijkheid bestond. De studiecommissie die dat alles bedacht bestond uit vertegenwoordigers van verschillende organisaties: de Federatie van Verenigingen van Verpleegkundigen, de Geneeskundige Vereniging tot bevordering van het Ziekenhuiswezen, de Landelijke Specialisten Vereniging en de Nationale Ziekenhuisraad. Een op het oog tamelijk breed gezelschap, zij het dat ‘niet-medische’organisaties ontbraken.

PIONIERSFUNKTIE

In 1976 was het AZL een van de eerste ziekenhuizen die de aanbevelingen van de studiecommissie in de praktijk bracht. Dat het daarmee aan een behoefte voldeed mag wel blijken uit het feit dat er ook uit hele andere ziekenhuizen klachten van patiënten binnenkwamen, waar de commissie natuurlijk niets mee kon doen.

Achteraf blijkt Leiden een pioniersfunctie vervuld te hebben: sinds november 1984 mag een ziekenhuis zich pas ziekenhuis noemen als het de een of andere FONA-commissie (van overheidswege liever Meldingscommissie Incidenten Patiëntenzorg of kortweg Meldingscommissie genoemd) binnen zijn muren huisvest. Hoe die commissie er precies uit moet zien vertelt de wet niet, noch bestaat er een controlerende instantie die een oordeel over de activiteiten en bevindingen van de commissies moet uitspreken. Het staat ziekenhuizen helemaal vrij zelf te beslissen hoeveel ze over hun invulling en uitwerking van dit wettelijke voorschrift naar buiten brengen.

Wat is nu de gang van zaken in het AZL? In de afgelopen tien jaar zijn de samenstelling en de werkwijze van de FONA-commissie nauwelijks veranderd. Dat betekent dat een klacht van een patiënt of een interne melding van verpleging of artsen altijd terecht komt bij: twee leden van de medische staf (door diezelfde staf aangewezen), de directeur Verpleging, een buitenstaander in de vorm van een jurist en de medisch directeur van het ziekenhuis.

 Zij vormen samen de FONA-commissie en moeten beoordelen of een klacht gegrond is of niet, en of het bij een interne melding om een fout, een ongeval, een bijna-ongeval of een complicatie gaat.

BRIEF OF CONFRONTATIE

De procedure is alsvolgt: zowel klachten als meldingen moeten schriftelijk ingediend worden (de secretaris van de commissie is bereid te helpen bij het opstellen van de brief). Bij een klacht krijgt de betrokken afdeling vervolgens twee weken de tijd om commentaar te geven. Bij de eerstvolgende vergadering (er is er minimaal een per twee weken) bekijkt de commissie of dat commentaar voldoende informatie geeft om een oordeel over de klacht te kunnen uitspreken.

Is dat niet het geval dan wordt opnieuw contact met de afdeling gezocht. In ongeveer de helft van de gevallen blijkt dat nodig te zijn, de andere helft van de klachten wordt direct onderverdeeld in ‘gegrond’, ‘ongegrond’ of ‘twijfelachtig’.

Gaat het om niet al te grote zaken (bijvoorbeeld een arts die een patiënt onheus heeft toegesproken) dan krijgen de betrokkenen een brief met de bevindingen van de commissie. Bij grotere zaken (de patiënt vindt dat hij een verkeerde behandeling heeft ondergaan) gaat men meestal over tot een confrontatie van de partijen in het bijzijn van de commissie.

Het effect van een gesprek waarin dingen verhelderd kunnen worden en ieder het zijne kan zeggen blijkt groot: meestal is dit het eindstadium van de klachtenprocedure. Worden de partijen het niet eens dan kan de klager natuurlijk altijd nog een advocaat of de Inspectie van Volksgezondheid verdere stappen laten nemen.

Bij meldingen wordt min of meer dezelfde weg gevolgd: ook daar wordt de betrokken afdeling(en) om commentaar gevraagd en worden de meeste zaken schriftelijk afgehandeld. Overigens is er binnen de afdeling vaak al een besprekingsronde in de trant van ‘Is dit iets voor de commissie?’ voorafgegaan aan de melding, als die tenminste niet een simpele uit zijn bed gevallen patiënt betreft. De commissie blijkt ook een coördinerende functie te hebben: wanneer een patiënt op verschillende afdelingen behandeld is blijkt het soms moeilijk precies te zien waar er iets fout is gegaan. De commissie praat dan met iedereen, zet de zaken op een rijtje en kan vervolgens een oordeel uitspreken.

Is er een fout gemaakt dan is er grofweg gezegd iets gedaan of nagelaten waarvan voorzien kon worden dat het een patiënt schade toe kon brengen, bij een ongeval is er iets onvoorziens gebeurd.

Een voorbeeld van een fout is een gaasje dat in de patiënt is blijven zitten, gaat er iets mis omdat de apparatuur het begeeft dan is er meestal sprake van een ongeval. Een complicatie is eigenlijk een soort ongeval: het gaat daarbij om dingen waarvan bekend is dat ze eens in de zoveel keer voorkomen bij het uitvoeren van een verrichting, maar waarvan niet te voorspellen valt waar en wanneer dat zal gebeuren. Degene die de patiënt behandelt moet dat risico wel mee hebben laten wegen bij de beslissing om iemand bijvoorbeeld te opereren.

Het klassieke voorbeeld van een complicatie is natuurlijk een ontsteking die optreedt na een operatie, maar het kan ook gaan om het per ongeluk opensnijden van een belangrijk bloedvat: iedereen die vaak opereert overkomt dat wel eens.

Deze indeling heeft tot gevolg dat het nog wel eens wil voorkomen dat een afdeling een fout meldt, maar dat de FONA-commissie besluit dat het een complicatie is. Het begrip ‘near-accident’ blijkt nauwelijks te leven: er komt vrijwel nooit een melding van zo’n bijna-ongeluk binnen. Blijkbaar overheerst in die gevallen de opluchting dat het allemaal nog goed afgelopen is en heeft niemand zin daar nog eens mee naar een commissie te lopen.

HINDERPAAL

De verhouding tussen klachten van patiënten en meldingen van het personeel is al jarenlang ongeveer gelijk: er zijn ongeveer drie maal zoveel meldingen als klachten.

In 1985 bijvoorbeeld werden er 60 klachten behandeld (waarvan er 23 gegrond, 18 ongegrond en 19 twijfelachtig bleken) en 169 interne meldingen (merendeels ongevallen). Vergeleken met de beginperiode van de FONA-commissie is het aantal meldingen inmiddels wel verdubbeld, maar de explosieve groei van klachten die verwacht werd is uitgebleven.

De reden daarvoor is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk is het moeten schrijven van een brief en het volgen van een officiële procedure toch voor heel veel mensen een hinderpaal, en anderzijds zullen artsen en verplegend personeel misschien meer gewend zijn geraakt aan mondiger patiënten, waardoor veel zaken ter plekke naar tevredenheid afgehandeld kunnen worden. Een uitleg in begrijpelijke bewoordingen kan wonderen doen en zo een klacht voorkomen.

Daarnaast zullen nog steeds teveel mensen een heilig ontzag hebben voor ‘de dokter’ en het niet in hun hoofd halen te gaan klagen over een onheuse bejegening of een verkeerde behandeling.

Werpt het bestaan van de FONA-commissie nu ook vruchten af? Deels kun je daar alleen maar over speculeren: het kan zijn dat dat er een preventieve werking vanuit gaat: weten dat er een procedure kan volgen maakt sommige mensen misschien iets zorgvuldiger, en wie al eerder met de commissie in aanraking is geweest kijkt een volgende keer wel uit een patiënt de huid vol te schelden. Hoeveel er onder tafel blijft liggen is onmogelijk te zeggen, je kunt hooguit hopen dat de sociale controle in een groot academisch ziekenhuis excessen voorkomt.

Daarnaast leveren de onderzoeksresultaten van de commissie regelmatig nieuwe of andere maatregelen op. Vallen er teveel mensen uit hun bed (dat is al jaren de grootste groep meldingen die binnenkomt) dan moet er gekeken worden of degenen die een bepaald medicijn toegediend krijgen misschien vastgebonden moeten worden.

Het relatief forse aantal meldingen over verkeerde medicatie heeft ertoe geleid dat er nu geen enkel medicijn meer gegeven mag worden zonder dat daar een recept voor uitgeschreven is. Bovendien is er een richtlijn gekomen voor het toedienen van antibiotica voor een ernstige operatie, omdat daar onduidelijkheid over bestond.

Het uitvaardigen van een richtlijn kan dan tot gevolg hebben dat iets wat eerst als een ongeval beschouwd werd nu een fout is geworden: wie zich niet aan de regels houdt zit fout. Of de melding dat een assistent neergeslagen was door de dronken echtgenoot van een patiënt nog nieuwe maatregelen tot gevolg heeft gehad weet ik niet. Je kunt ook niet alles voorkomen in een ziekenhuis waar jaarlijks meer dan twee miljoen verrichtingen worden gedaan. Feitelijk is het percentage fouten of ongevallen dat blijvend ernstig letsel veroorzaakt ongelooflijk klein: dat gebeurt maar bij enkele mensen per jaar.

Al met al mag dus zondermeer geconcludeerd worden dat de FONA-commissie positieve effecten heeft, maar toch kleven er wat merkwaardige aspecten aan de meldingscommissies als verschijnsel. Wat zou er nu bijvoorbeeld meer voor de hand liggen dan alle bevindingen van alle commissies in het land te bundelen om te kijken of daar misschien algemene patronen in te ontdekken zijn? Zoals de zaak nu geregeld is kan geen enkel ziekenhuis leren van de fouten van een ander.

De angst om de spreekwoordelijke vuile was buiten te hangen is enorm. Gevolg is dat het nu allemaal een volstrekt interne aangelegenheid blijft. Het AZL heeft dan misschien toevallig een buitenstaander in zijn FONA-commissie, maar geen enkel ziekenhuis is verplicht het ook zo te doen. Bovendien kan een van de leden van de commissie persoonlijk betrokken zijn bij een klacht of een melding, er is alleen een soort gentlemen’s-agreement dat zo iemand zich dan tijdelijk terugtrekt. En de commissie als geheel heeft per definitie alleen maar baat bij het hoog houden van de naam van het ziekenhuis: zaken intern regelen en afdoen als een ongeval of een complicatie biedt dus voordelen.

De enige reden voor een wettelijke maatregel die geheel naar eigen goeddunken ingevuld mag worden is angst van de wetgever dat de ‘meldingsbereidheid’ binnen de ziekenhuizen terug zou lopen tot praktisch nul. Ook de Inspectie van Volksgezondheid (bij monde van de Hoofdinspecteur Intramurale zorg, de heer Frijland) heeft daar alle begrip voor, al zouden ze daar toch wel graag zien dat alle meldingscommissies hun jaarverslag opstuurden, iets waar ze op dit moment niet toe gedwongen kunnen worden. Nu geeft niemand graag een fout toe, maar de enorme omzichtigheid en het begrip waarmee de meldingscommissies door alle betrokkenen omkleed worden zouden binnen geen enkele andere beroepsgroep denkbaar zijn.

BOOS HET AZL BELLEN

Het enige ziekenhuis dat ooit in de vorm van persbulletins met cijfers over de FONA-commissie naar buiten is getreden is het AZL. Het besluit daarmee op te houden werd voor een goed deel ingegeven door alle telefoontjes en brieven die van andere ziekenhuizen kwamen omdat ze daar naar hun zin veel te veel vragen kregen a la ‘Waarom publiceren jullie je cijfers niet? Hebben jullie soms iets te verbergen?’. In welke bedrijfstak vind je zoveel collegialiteit? Overigens doet ‘boos het AZL bellen’ het ergste vermoeden voor de desbetreffende ziekenhuizen.

Wat is er tegen het publiceren van anonieme en desnoods nog anderszins onherkenbaar gemaakte gegevens? Als iedereen dat zou doen dan zou ook de pers een wat genuanceerder beeld kunnen krijgen. Dat laatste zou dan weer Telegraafkoppen als VERKEERDE DIAGNOSE DIKWIJLS DODELIJK, en kranteartikelen die uitsluitend de situatie in het AZL belichten kunnen tegengaan.

Over de toekomst van de Meldingscommissies is niet veel te zeggen op het moment. Veel zal afhangen van de nieuwe wet patiëntenrechten waaraan gewerkt wordt. Een van de dingen die daar in ieder geval in opgenomen wordt is het klachtrecht.

Er schijnen plannen te zijn patiënten verregaande rechten te verlenen zoals het inzien van hun status waarbij ze dan zelf dingen mogen schrappen of toevoegen. Dat lijkt op het eerste gezicht nu wel weer het andere uiterste. De angst voor ‘Amerikaanse toestanden’ waarbij patiënten geld kunnen claimen voor geleden schade giert begrijpelijkerwijs al door de ziekenhuizen. Een dergelijke wet zal de ‘FONA-cultuur’ (dat wil zeggen: de bereidwilligheid fouten en ongevallen te melden) zeker geen goed doen. En daar is niemand bij gebaat.

GEBARENTAAL

Over de merkwaardige geschiedenis van gebarentaal, de verschillen en overeenkomsten met gesproken taal, en de pogingen een Nederlands gebarenwoordenboek uit te brengen.

Er zijn in Nederland zo’n 25 à 30.000 mensen die ernstige problemen hebben met horen. Hoeveel van die mensen vanaf hun geboorte doof zijn vertellen de statistieken niet, maar ze vormen de grootste groep. Iemand die nooit (goed) heeft kunnen horen weet letterlijk niet wat hij mist. Dat maakt het voor wie goed kan horen nogal lastig zich een redelijke voorstelling te maken van ‘hoe het is om doof te zijn’.

Een ding ligt echter nogal voor de hand: gewoon op dezelfde manier en met hetzelfde gemak leren praten als andere kinderen zal een doof kind niet lukken. Eeuwenlang hield doof-geboren-worden zelfs altijd levenslang-stom-blijven in. En dat stom nog steeds hetzelfde betekent als dom of achterlijk maakt wel duidelijk hoe je er dan voorstond.

Abbé de l’Epée

Het heeft tot de zestiende eeuw geduurd voor de Spaanse monnik Pedro Ponce de Leon de wereld liet zien dat een defect aan het gehoor nog geen defect aan het taalvermogen is: hij leerde de dove kinderen van een adelijke familie spreken, lezen en schrijven. Van hoe hij dat deed weten we niets, maar hij oogstte er de stomme verbazing van geleerden in heel Europa mee.

Ook Jacob Pereire nam het geheim van zijn methode (zelfs opzettelijk) mee het graf in. Pas in zijn tijd, de achttiende eeuw, onstond er enig structureel onderwijs aan doven. Dat was zeker voor een deel te danken aan zijn meest succesvolle leerling: Saboureux de Fontenay, de eerste doofgeborene in de geschiedenis die zelf publiceerde. De Fontenay trad op voor de Academie van Wetenschappen in Parijs, die onder de indruk was van zijn goede intonatie, maar zich beklaagde over zijn trage en hakkerige uitspraak.

Later, toen hij niet langer bij Pereire in de leer was hield de Fontenay op met spreken en bediende zich uitsluitend nog van pen en papier. Tegen die tijd had Pereire zich verbitterd teruggetrokken: de eerste openbare dovenschool werkte met een andere methode en met een andere doelstelling dan hijzelf voorstond.

Die school werd rond 1760 in Parijs gesticht door de Abbé de l’Epée, met de officiële steun van onder andere Lodewijk XVI.

De l’Epée wordt wel de vader van de doven genoemd omdat hij de eerste was die zag dat doven onderling communiceerden met behulp van gebaren. Daar maakte hij bij zijn onderwijs aan hen gebruik van. De stichting van een openbare school betekende overigens dat onderwijs voor het eerst niet meer uitsluitend voorbehouden was aan dove kinderen van rijke ouders die een privédocent konden betalen. De l’Epée wilde dat zijn dove leerlingen in de eerste plaats de mogelijkheid kregen zich op de een of andere manier te uiten en te ontwikkelen.

Wetend dat ze zelf gebaren gebruikten bedacht hij een gebaarsysteem dat hen Frans bijbracht: ieder woord, maar ook iedere uitgang in het Frans kon nu behalve geschreven ook ‘gebaard’ worden. De kinderen leerden wel schrijven en gebaren, maar niet spreken, terwijl Pereire het juist belangrijk vond zijn leerlingen praten en liplezen bij te brengen.

Dilemma

Met dit verschil in inzicht zitten we meteen in het hart van een vaak heftige maar ook verwarde discussie die eeuwen geduurd heeft, en waarvan de naweeën nog steeds voelbaar zijn. Bij het onderwijs aan doven is er natuurlijk sprake van een enorm dilemma: voor iemand die niet kan horen is het bijzonder moeilijk de juiste klanken op het juiste moment en op de juiste plaats te leren uiten.

Voor spraakafzien (er wordt niet alleen naar de lippen gekeken) geldt hetzelfde: verschillen tussen klanken zijn vaak niet te zien en moeten dan geraden worden. Dat betekent dat het voor een een dove altijd moeilijker zal zijn om ‘gewoon’ te praten dan voor een horende.

Maak je gebruik van gebaren dan bestaat dat probleem niet: doven en horenden kunnen dat evengoed leren. Dat gebeurt alleen in de praktijk niet: in het gewone dagelijks leven zal een dove toch voornamelijk mensen tegenkomen die zijn gebarentaal niet begrijpen en dus niet kunnen beantwoorden. Een echte oplossing voor dit probleem is moeilijk voor te stellen.

Bij dat alles komt dan nog eens dat de discussie vaak vertroebeld werd door de waanideeën die er over gebaren bestonden en deels zelfs nog bestaan. De l’Epée bracht zijn leerlingen een gebarensysteem bij dat precies het Frans volgde omdat hij het idee had dat de gebaren die de dovengemeenschap in Parijs spontaan gebruikte nooit alle mogelijkheden van een ‘echte’ taal konden hebben. Een telkens opnieuw opduikend punt was ‘het godsbeeld van de dove’: om het abstracte idee van ‘God’ te kunnen begrijpen is de structuur van een gewone taal nodig. Zieltjes winnen was een belangrijk argument voor dovenonderwijs.

Geen oertaal

Hoe het ook zij, het maakt wel een belangrijk misverstand over gebaren duidelijk: men dacht dat je met spontaan ontstane gebaren alleen kon wijzen en niet verwijzen; waar je in gesproken taal kunt praten over een stoel die ergens anders staat zou je het met behulp van gebaren alleen kunnen hebben over een stoel binnen het gezichtsveld van de ‘sprekers’. Abstracte woorden en ideeën vallen daar per definitie mee af: wie kan het feminisme of de conjunctuur aanwijzen? Waar dit idee vandaan komt is niet zo moeilijk te begrijpen: als je twee mensen die een verschillende taal spreken bij elkaar zet zullen ze in eerste instantie inderdaad alleen iets kunnen uitwisselen over de dingen in hun directe omgeving.

Maar op zichzelf genomen is er natuurlijk geen enkel verschil tussen het uitspreken van een volstrekt willekeurige klankvorm als tafel of het maken van een even willekeurig gebaar om een ding aan te duiden waar je aan kunt eten.

Dat de menselijke natuur nu eenmaal ‘taal’ met zich meebrengt en dat de dovengemeenschappen in de wereld daar gewoon een ander medium voor gebruikten is maar moeizaam doorgedrongen. Pas 25 jaar geleden werd voor het eerst ingezien dat gebarentalen vrijwel alle eigenschappen van gewone (zogenaamde ‘natuurlijke’) talen hebben.

Net zoals er nergens op de wereld twee precies gelijke gesproken talen zijn ontstaan, zo heeft ook iedere dovengemeenschap zijn eigen gebarentaal. ‘Gebarentaal’ is dus niet een soort ‘natuurlijke oertaal’ die maakt dat een Nederlander die niet kan horen probleemloos en vanzelf kan communiceren met een dove Chinees.

Tenslotte zijn ook de gebaren die je in horende gemeenschappen vindt niet universeel: een Griek schudt ‘ja’ en als een Italiaan een Nederlander gebaart naar hem toe te komen denkt die Nederlander dat hij weggestuurd wordt.

Voor zover is na te gaan is er altijd en overal waar meerdere doven bijelkaar kwamen een gebarentaal ‘gesproken’ die dan weer aan nieuwkomers werd geleerd. Hoe, waar en wanneer die talen ontstaan zijn weet niemand, maar ook van gesproken talen is dat vrijwel nooit bekend.

Gebarentalen maken niet, zoals lang gedacht is, alleen gebruik van ‘uitbeeldende’ of ‘iconische’ gebaren: een dak in de lucht tekenen om ‘huis’ te zeggen bijvoorbeeld. Zulke gebaren bestaan wel, maar ze vormen netzomin een meerderheid als de woorden in gesproken talen die een klank nabootsen (zogenaamde onomatopeeën), zoals loeien, grommen of rinkelen.

Bovendien is een iconisch gebaar nog niet hetzelfde als een voorspelbaar gebaar: een boom uitbeelden kan op veel manieren en gebeurt dan ook in de Britse gebarentaal anders dan in de Deense of de Chinese. Zelfs klanknabootsingen zijn allerminst voorspelbaar: een Nederlandse haan zegt ‘kukeleku’, een Franse ‘cocorico’ en een Engelse ‘cock-a-doodle-do’.

False friends

Het vertalen van een gebarentaal in een gesproken taal of andersom levert goeddeels dezelfde moeilijkheden op als het vertalen van de ene gesproken taal in een andere: één woord kan meerdere gebaren als vertaling hebben en andersom kan één gebaar voor verschillende woorden staan. En net als tussen gesproken talen bestaan er tussen gebarentalen onderling wat de Engelsen zo mooi ‘false friends’ noemen: de gebaren die in Japanse gebarentaal man en vrouw betekenen staan in Britse gebarentaal voor goed en slecht.

Gebarentaal gebaren gaat net zo snel als spreektaal spreken, maar een woord uitspreken gaat sneller dan een woord gebaren. Dat moet betekenen dat in gebarentaal verschillende dingen tegelijk uitgedrukt kunnen worden. Het volstrekt lineaire karakter van gesproken of geschreven taal (hoe je het ook draait of keert het ene woord moet altijd na het andere komen) ontbreekt.

Daarin zit het grote nadeel van gebaarsystemen die een gesproken taal op de voet volgen, zoals dat van de l’Epée voor het Frans: ze zijn veel trager in het gebruik dan echte gebarentalen. En in nog sterkere mate geldt dat voor vingerspellen: het letter voor letter uitspellen van alle woorden. Daar wordt trouwens wel gebruik van gemaakt binnen gebarentalen, om namen aan te geven of woorden waarvoor geen gebaar bestaat.

Bij een gebaar moet dus meer komen kijken dan alleen een bepaalde stand van de handen, want die kunnen ook maar een beweging tegelijk maken.

Iedere taal werkt met een beperkt aantal middelen waar eindeloos veel dingen mee gedaan kunnen worden. In gesproken taal zijn die middelen bijvoorbeeld klanken, voor- en achtervoegsels, woordvolgorderegels en intonatie. Samen dragen die zorg voor de betekenis van een zin.

De middelen van gebarentalen zijn anders, maar bewerkstelligen hetzelfde: de beweging die de handen maken, de plaats die ze daarbij innemen (voor de buik, bij het gezicht en dergelijke) en de stand waarin ze staan (open, gesloten, naar beneden, bepaalde vingers omhoog of naar links of rechts etcetera) bepalen samen met de gezichtsuitdrukking de betekenis van een zin.

In ieder geval het complete bovenlichaam is dus betrokken bij gebarentaal spreken. Het gezicht kan de betekenis van het handgebaar bepalen en dus ook veranderen.

Een bepaalde mimiek kan aangeven of het een vraagzin of een ontkenning betreft, een oogbeweging kan van een gewone hoofdzin een betrekkelijke bijzin maken. En doordat je op hetzelfde moment een gezicht kunt trekken en een handbeweging maken gaat gebarentaal spreken even vlot als gewoon praten.

Martha’s Vineyard

Het net niet meer levende bewijs dat een gebarentaal een gewone, complete menselijke taal is waar alles in gezegd kan worden levert wel het eilandje Martha’s Vineyard. Op Martha’s Vineyard, dat voor de Amerikaanse oostkust, iets onder Boston ligt, vestigde zich in de zestiende eeuw een groepje kolonisten uit Kent.

De geschiedenis heeft overgeleverd dat zich onder hen in ieder geval één dove man bevond. Uit het verdere verloop van van het verhaal is op te maken dat hij een vorm van erfelijke aangeboren doofheid had. Erfelijke doofheid is een recessieve eigenschap, maar de al uit Kent daterende geslotenheid van de gemeenschap, die nu bovendien op een eiland woonde, zorgde voor zoveel inteelt dat binnen een paar generaties iedereen op zijn minst enkele dove familieleden had of zelf doof was. Dat is tot in de loop van deze eeuw zo gebleven.

Gehandicapt ben je alleen als je te erg afwijkt van je omgeving. Als een op de tien mensen in je omgeving doof is (dat percentage kwam voor!) dan ben je geen uitzondering meer te noemen. Op Martha’s Vineyard was doof-zijn hooguit lastig, maar nooit een reden om buitengesloten te worden van welke vorm van het sociale leven dan ook.

Op Martha’s Vineyard sprak namelijk iedereen gebarentaal en niemand vond daar iets bijzonders van. Men wist ook niet beter of doofheid kwam overal even vaak voor als ze zelf in hun omgeving gewend waren. Sommige eilandbewoners kunnen nog vertellen hoe verbaasd ze waren nergens iemand gebarentaal te zien gebruiken toen ze voor het eerst in Boston of ergens anders buiten het eiland kwamen.

De verhalen van mensen die die tijd nog hebben meegemaakt, gecombineerd met de verhalen die zij zich van hun ouders herinneren schetsen een gewoon mini-maatschappijtje van vissers en boeren met als enig bijzonder aspect dat alle horende inwoners tweetalig waren. Gebarentaal leerden ze er als kind vanzelf bij, tussen de bedrijven door, van familie en vriendjes en vriendinnetjes. Je zou de doven van nu bijna toewensen dat er veel meer mensen met hoorproblemen op de wereld kwamen.

Spieken

Overigens heeft het kennen van gebarentaal ook voor horenden onderling onbetwistbare voordelen: heel vermakelijk zijn de verhalen van eilandbewoners over spieken in de klas en praten in de kerk. De bemanning van een vissersboot die zich buiten gehoorsafstand van een andere boot bevond kon toch gegevens over de vangst en het weer uitwisselen.

Buurvrouwen die ver van elkaar weg woonden gaven tussen de afwas en het strijken snel even de laatste roddels door. Ze luidden dan eerst een bel om de aandacht te trekken, waarna met behulp van gebarentaal en een kijker het gesprek gevoerd kon worden. En als er ergens een dame binnenkwam waar een stel heren bezig waren aan een onbetamelijk verhaal, dan keerde men haar de rug toe en maakte het verhaal af in gebarentaal.

Een voor doven paradijselijk wereld als op Martha’s Vineyard zal er wel niet gauw van komen, maar een verbetering van hun opleiding en hun rechten is vaak wel mogelijk en bijna overal nodig.

Want wat is er gebeurd nadat de l’Epée zijn school in Parijs stichtte? Zijn initiatief zorgde voor een sneeuwbaleffect: binnen de kortste keren waren er overal in Europa en iets later ook in de Verenigde Staten dovenscholen te vinden.

Vaak was de stichter van zo’n school bij de l’Epée of zijn opvolger Siccard komen kijken. De sporen van de het Franse gebaarsysteem zijn nu nog terug te vinden in de gebarentaal van het Groningse doveninstituut omdat oprichter Guyot in Parijs in de leer was geweest.

Bij het onderwijs aan de kinderen werd er niet echt één strakke lijn gevoerd: meestal leerden ze een op de taal van de sprekende gemeenschap om hen heen gebaseerd gebaarsysteem, en daarnaast wat lezen en schrijven en een beetje spreken.

Totdat in 1880 op een internationaal congres in Milaan om onduidelijke redenen alle gebarentaal en ieder gebaarsysteem uit het onderwijs gebannen werd. Dove kinderen moest alleen nog maar geleerd worden om te spreken en te liplezen: het oralisme als norm werd ingevoerd. De gevolgen van die beslissing werken nog steeds na.

Wat waren de consequenties in Nederland bijvoorbeeld? De afgelopen eeuw is in alle doveninstituten geprobeerd het gebruik van gebarentaal te verbieden. Overigens niet met kwade bedoelingen: de oralistische aanpak leek dove kinderen de beste kansen op meedraaien in de buitenwereld te bieden. Gebarentaal, toch al gezien als een inferieur systeem, zou ze maar afleiden van het einddoel en de kans op ‘ghetto-vorming’ vergroten.

Gewone minderheidstalen

Jammer genoeg leert maar een klein deel van alle doofgeboren kinderen redelijk verstaanbaar praten voor mensen die er niet aan gewend zijn, voor die beruchte buitenwereld dus. Bovendien kost het ze zoveel moeite en energie dat ze de kans lopen hun hele schoolcarrière lang alleen maar ‘taal’ te leren en niets anders. Dat zal een van de redenen zijn dat gebarentalen net zo hardnekkig en onuitroeibaar blijken als pakweg het Catalaans of het Fries.

Tegenwoordig neigt men er dan ook toe om gebarentalen als gewone minderheidstalen te beschouwen. Daar zit echter iets scheefs in: iedere Turk in Nederland kan in principe Nederlands leren, net als iedere Breton in Frankrijk Frans, terwijl iemand die niet kan horen die keus domweg niet heeft.

Meer nog dan enige andere taal verdienen gebarentalen daarom erkenning: een grote groep mensen kan absoluut niet zonder. In Zweden is de Zweedse gebarentaal daarom erkend als de moedertaal van doofgeborenen. Hetzelfde inzicht heeft er in Amerika toe geleid dat American Sign Language (ASL) na het Engels en het Spaans de derde officiële taal van het land is. Dat houdt onder andere recht op onderwijs in die gebarentalen en recht op een tolk in.

In Nederland lopen we met dit alles zwaar achter. Gelukkig is men inmiddels wel net als elders min of meer gewonnen voor het Amerikaanse idee van de ‘Totale Communicatie’, dat wil zeggen: gebarentaal wordt niet langer uit het onderwijs geweerd en het idee is dove kinderen alle mogelijkheden die er zijn aan te bieden, zodat ze zelf kunnen kijken wat ze het prettigst vinden en wat ze waar willen gebruiken.

Dat gebarentalen echte talen zijn wordt alleen nog ontkend door enkele volstrekt onwetende lieden die bijvoorbeeld denken dat talen zonder lidwoorden geen talen zijn (daar zullen de Russen van opkijken) en dat talen zonder geschreven vorm ook niet echt iets kunnen voorstellen (voor de duidelijkheid: de meeste talen kennen geen schriftvorm).

Toch moet er nog een Milanese erfenis opgeruimd worden: door het verbod om gebaren te gebruiken ontbreekt er in Nederland nog altijd een ‘Standaard Gebarentaal’. Rondom de vijf doveninstituten die dit land telt zijn er vijf gebarendialecten ontstaan.

Bovendien bestaat er van geen van die dialecten nog een goede beschrijving. Dat is om verschillende redenen onpraktisch. Allereerst: dove kinderen gaan pas op hun derde jaar naar school. Tot die tijd leren ze alles van hun ouders, die maar in tien procent van de gevallen zelf doof zijn. Kinderen van drie kunnen je al behoorlijk de oren van het hoofd kletsen, sterker nog, in de eerste drie jaar van een mensenleven worden er stevige fundamenten voor iemands moedertaal gelegd.

Het is niet gezegd dat het na die tijd onmogelijk is, maar gemakkelijker wordt het zeker niet. Bovendien moeten ouders hun peuter voordien al uit kunnen leggen dat de kachel of de centrale verwarming heet en dus gevaarlijk is, en dat betekent dat de middelen daarvoor voorhanden moeten zijn. Nu zijn er alleen hap-snap wat cursussen waar per definite een zekere willekeur heerst. Een standaardgebarentaal die de ouders kunnen leren zou een eind maken aan de unieke situatie waarin dove kinderen verkeren: ze leren hun moedertaal van iemand anders dan hun ouders.

Een ander punt is de positieverbetering die het recht op een tolk zou brengen. Een paar maanden geleden waren de eerste afgestudeerden aan de doventolken-opleiding in het nieuws. Het waren allemaal mensen die zelf dove ouders hadden, die kortom gebarentaal met de paplepel ingegoten hadden gekregen.

Nieuwe lichtingen studenten gaan grote problemen krijgen het programma in twee jaar af te werken, want eigenlijk kan dat programma niet echt bestaan: er is niet één gebarentaal die onderwezen kan worden.

Hoe kun je nu zorgen dat er zoiets als een standaardversie -Nederlandse-gebarentaal zal ontstaan? Allereerst door te inventariseren wat er nu bestaat en te zorgen dat wat er gevonden wordt door iedereen geraadpleegd kan worden.

Een paar jaar geleden is de vakgroep Algemene Taalwetenschap van de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind daarmee begonnen. In alle vijf de regio’s werden video-opnamen gemaakt van de gebaren van 2000 Nederlandse woorden in verschillende contexten (aankomen kan arriveren betekenen maar ook zwaarder worden).

Dat leverde maar liefst 15.000 gebaren op die stuk voor stuk geanalyseerd en beschreven moesten worden. Een monikkenkarwei dat het diepste respect verdient. Op dit moment wordt bekeken in welke vorm dit gebarenwoordenboek het best uitgebracht kan worden.

Doordat Nederland zo achterloopt kan het soms genieten van de wet van de remmende voorsprong: er zijn nieuwe technische mogelijkheden, met computers, video en beeldplaat bijvoorbeeld. Bovendien kunnen fouten van anderen vermeden worden: in Zweden is een woordenboek uitgebracht dat maar één dialect als uitgangspunt had, iets dat door de dove Zweden zelf totaal niet geaccepteerd werd. Vandaar de arbeidsintensieve Nederlandse methode.

Aan een inventarisatie van de woorden wordt hard gewerkt, al zijn 2000 stuks natuurlijk niet meer dan een begin. Maar een taal bestaat uit meer dan losse woorden alleen. Het onderzoek naar de grammatica van de gebarentalen in Nederland is nog maar nauwelijks begonnen. Wat meer wetenschappelijke belangstelling (en geld, geld!) is hard nodig.

Ogenschijnlijk lijken gebarentalen zo anders opgebouwd te zijn dan gesproken talen dat ze heel goed bruikbaar zijn om bestaande inzichten over wat ‘taal’ eigenlijk is te toetsen. Bovendien zou meer onderzoek tot een betere beschrijving van de gebarentalen zoals ze nu zijn leiden. En daar zouden de doven weer van profiteren.

Als men daarnaast op de televisie eens begon met regelmatig een vertaling in gebarentaal te geven, dan kijkt over een tijdje niemand meer op van een MacDonalds-reclame in gebarentaal zoals in Amerika allang gewoon is.

Aanbevelenswaardige literatuur:

R. D. Freeman e. a.: Als je kind niet horen kan. Ambo, Baarn 1984. (helder, informatief, bedoeld voor ouders en begeleiders)

N.E. Groce: Everyone here spoke Sign Language. Harvard University Press, Cambridge Ma and London, England 1985. (over Martha’s Vineyard)

H. Lane (ed.): The deaf experience. Harvard University Press, Cambridge Ma and London, England 1984. (geschriften uit de 18e en 19e eeuw van doven en hun leraren)

Noot: Voor dit stuk las ik niet alleen alle genoemde boeken en nog het een en ander, ik sprak ook met Trude Schermer, indertijd gebarentaalonderzoeker bij Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Raar genoeg staat dat nergens. Waar ik me terdege van bewust was ook nog, want het heeft me lang dwarsgezeten. Maar ik wist niet hoe ik het moest doen. Dit was mijn allereerste lange overzichtsstuk en ik moest nog akelig veel  leren. Inclusief trouwens om met iets minder saais beginnen dan ik hier deed…

Dit artikel leverde trouwens wel meteen een verzoek van Nijgh & Van Ditmar op om een boek over gebarentaal te schrijven. Dat heeft even geduurd. Uiteindelijk is dat Gebarentaal, de taal van doven in Nederland geworden, dat begin 1993 verscheen.

De Taalmachine

Vertaalcomputers zijn een denkbeeld uit de jaren zestig. Nu weet men wel beter. Zelfs het weerbericht gaat fout.

Vertalen is een vak. Wie het goed doet kan er zijn brood mee verdienen, wie het heel goed doet kan er zelfs prijzen mee winnen. Is het mogelijk dat vak aan een computer te leren? Of anders gezegd: hoe groot is de kans dat de Nijhoff-prijs ooit nog eens naar een programmeur gaat?

Computers zijn sterren in het onthouden, vinden en koppelen van gegevens. Dat heeft mensen tientallen jaren geleden al op het idee gebracht dat het mogelijk moet zijn om computers teksten van de ene in de andere taal te laten omzetten. Want wat is vertalen anders dan gegevens uit de ene taal koppelen aan gegevens uit de andere taal?

Helemaal zo simpel ligt het niet. Een groot probleem is bijvoorbeeld dat een computer niets begrijpt. Bovendien begrijpen wij zelf ook maar heel gedeeltelijk iets van taal en vertalen. We kunnen een computer wel gegevens laten koppelen, maar dan moeten we eerst zelf weten welke gegevens belangrijk zijn en hoe ze gekoppeld moeten worden.

Zelfs de juiste vertaling van een enkel woord levert al snel moeilijkheden op. Iedere taal heeft hele reeksen woorden met verschillende betekenissen. Zo kun je zowel op een Engelse als op een Nederlandse bank geld halen. Ook kun je er in beide talen op gaan zitten, alleen bevind je je in Nederland dan in de huiskamer of in een parkje, terwijl je in Engeland aan het water zit. Hoe kan een computer weten of het om een geldinstelling of om een uitgebreide stoel gaat?

Of, uitgaande van het Engels, om zo’n zelfde instelling of om een oever? En is een Duitse linse een lens of een lins, een Italiaans paese een land of een dorp? Andersom zijn er in het Frans wel zes verschillende woorden voor verschillende soorten stokbrood. Hoe laat je een computer kiezen tussen baguettes, flûtes en bâtards? En trouwens is een flûte nou een brood, een glas of een fluit?

The box is in the pen
Een veel geciteerd voorbeeld in dit verband is het voor Nederlanders nogal verwarrende Engelse zinnetje The box is in the pen. Een pen is ook in het Engels een schrijfinstrument, maar daarnaast heet wat wij een box noemen ook een pen. Een doos (box) kan zich niet in een pen bevinden, maar wel in een box. De juiste vertaling van pen is in dit geval dus ook box, en niet pen. Maar een computer die niets ziet, hoort, of voelt, mist de aanknopingspunten die wij hebben om te beslissen welke betekenis in welk geval het meest voor de hand ligt.

Uitdrukkingen vormen weer een apart probleem. Een Nederlander wordt in de maling genomen, een Italiaan in de rondte, en een Engelsman wordt aan zijn been getrokken. Een mens kan vaak nog wel aanvoelen dat iets wel een uitdrukking zal zijn, een computer moet je dat altijd expliciet vertellen, anders vertaalt hij letterlijk wat er staat. Met alle komische maar ook vaak onbegrijpelijke resultaten vandien. Alleen heel af en toe gaat het vanzelf goed: zo rookt bijvoorbeeld wel vrijwel heel Europa als een schoorsteen.

Nog lastiger wordt het als je gaat kijken naar de verschillende middelen waarmee in verschillende talen hetzelfde gezegd wordt. Zo wordt I like Margareth in het Nederlands Ik vind Margreet aardig. Het werkwoord like moet vertaald worden met een werkwoord (vinden) plus een bijvoeglijk naamwoord (aardig), en die twee moeten bovendien op heel verschillende plaatsen in de zin komen te staan.

De plaats van woorden in de zin, de syntaxis, is natuurlijk altijd een belangrijk punt waarop talen onderling enorm kunnen verschillen. Woord-voor-woord vertalingen zijn vaker grappig dan grammaticaal. Ik voel me niet goed is in het Engels niet I feel me not good. Evenmin als I feel bad in het Nederlands Ik voel slecht moet worden. Mensen kunnen die dingen redelijk gemakkelijk en deels onbewust oppikken: er is waarschijnlijk niet een tweede klasser op de middelbare school die Kunt u mij misschien vertellen hoe laat het is? op een proefwerk weer zou geven als Can you me maybe tel  how late it is? of Pouvez vous moi peut-être raconter comment tard il est?

Nog lastiger bij Turks
Het aantal problemen dat voor een goede vertaling aangepakt moet worden is voor een deel afhankelijk van hoever talen uit elkaar liggen. Een eenvoudige vraag als Is hij ziek? kan in veel Westeuropese talen nog wel woord voor woord vertaald worden: Is he ill?, Ist er krank?, Est il malade?, maar in bijvoorbeeld het Spaans en het Italiaans wordt het persoonlijk voornaamwoord hij weggelaten: Está enfermo?, É malato? Vertaal je zo’n zinnetje vanuit die talen naar het Frans, Duits, Engels of Nederlands dan moet er schijnbaar uit het niets een woord bijkomen. Nog lastiger wordt het bij het Turks: ook daar kun je hij (o) weglaten, maar dat hoeft niet. Het koppelwerkwoord zijn kent het Turks niet, dus dat moet bij een vertaling uit het Nederlands verdwijnen. Bovendien moeten de nu overgebleven vormen hij/o en ziek/hasta omgekeerd worden. En O hasta wordt pas een vraag wanneer het woordje mi erachter gezet wordt: O hasta mi? Een hele reeks operaties dus voor een eenvoudig drie-woords-zinnetje.

Niet zo gek, al met al, dat het beste vertaalprogramma van dit moment uitsluitend weerberichten van het Engels in het Frans kan vertalen. Die twee talen liggen niet krankzinnig ver uit elkaar en weerberichten zitten natuurlijk boordevol vaste frasen en uitdrukkingen. De zinnen zijn meestal in een soort telegramstijl geschreven en de benodigde woordenschat is heel beperkt. Toch vertaalt dit programma (dat ontwikkeld is aan de universiteit van Montreal) nog twintig procent van de zinnen verkeerd. Daar staat tegenover dat het per jaar maar liefst vijf miljoen woorden verwerkt. Al die vijf miljoen woorden ‘met de hand’ vertalen kost meer tijd dan in een op de vijf zinnen een correctie aanbrengen.

Tegenwoordig denkt niemand meer dat het mogelijk is om binnen een paar jaar tijd een perfect werkende automatische vertaler te bouwen. De eerste golf van enthousiasme uit de jaren vijftig, toen de gedachte aan machinaal vertalen net opgekomen was, is voorgoed weggeëbd. Of beter: die golf bleek stuk te slaan op een muur van onwetendheid. Over vertalen en taal in het algemeen was nog zo weinig nagedacht dat men zich enorm verkeek op de complexiteit van de verschijnselen waar men mee te maken kreeg. Inmiddels is gevoeglijk bekend dat het geweldig moeilijk is alle aspecten van een, laat staan twee talen op een sluitende manier te beschrijven. Dat voorkomt al te hooggespannen verwachtingen van de programma’s waaraan nu gewerkt wordt.

Want na jarenlang stilgelegen te hebben is de geldstroom voor het ontwikkelen van de vertaalmachine weer een beetje op gang gekomen. De reden daarvoor zou kunnen zijn dat zowel de computertechnologie als de taalkunde nu meer mogelijkheden bieden dan pakweg vijftien jaar geleden. Bovendien horen computers zo langzamerhand tot het vaste meubilair van vrijwel ieder bedrijf.

Dat laatste is in ieder geval voor het software-bedrijf BSO een reden te werken aan vertaalprogramma’s. Zij hebben zoiets als een wereldwijd netwerk van computers voor ogen, waarbij het mogelijk moet zijn dat iedereen met ieder ander in zijn eigen taal correspondeert, en ook alle antwoorden in zijn eigen taal op het scherm terugkrijgt. De bedoeling is dat dat alsvolgt gaat lopen: stel ik moet voor mijn firma een brief schrijven aan een van onze Russische klanten. Ik begin te typen en terwijl ik dat doe begint de computer wat ik schrijf meteen te vertalen in het Esperanto. Weet hij niet of ik met board triplex, kost of directie bedoel dan vraagt hij dat even. Is de brief eenmaal vertaald dan flitst de Esperanto-versie via glasvezelkabels naar mijn collega in Moskou. Zijn terminal bewerkt de Esperanto tekst en spuugt mijn brief in het Russisch uit. Een kwartiertje later kan ik mijn baas melden dat de transactie met onze klant doorgaat.

Science-fiction voorlopig dit verhaal. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een vertaling naar het Esperanto probleemlozer zou verlopen dan een vertaling naar een gewone, niet verzonnen taal. Sterker nog: omdat veel dingen niet gedefinieerd zijn in het Esperanto neem je de dubbelzinnigheden en veel van de eigenaardigheden uit je eigen taal mee, en ben je dus nog steeds even ver van huis.

Realistischer project
Bij Philips wordt aan een iets realistischer project gewerkt. Het heet Rosetta (naar de steen) en houdt zich om te beginnen maar met drie talen bezig: Nederlands, Engels en Spaans. Het idee achter deze onderneming is het volgende: voor je een zin kunt vertalen moet je hem eerst analyseren. Die analyse gaat stapsgewijs, en voor iedere stap die je in de ene taal zet, moet je ook een stap in de andere twee talen zetten. Vereist een vraagzin in het Nederlands bijvoorbeeld vijf stappen, dan moeten er bij de analyse van een Spaanse vraagzin ook vijf stappen gezet worden, desnoods eentje waarin er niets gebeurt. Zo hou je volkomen gelijkvormige grammatica’s. Is de analyse van de Nederlandse zin klaar, dan kun je dezelfde weg volgen, maar dan in omgekeerde volgorde, voor het maken van de Spaanse of Engelse vertaling. Het idee is aantrekkelijk, de praktische uitwerking natuurlijk vol valkuilen en addertjes onder het gras.

Het derde en laatste vertaalproject waarbij ons land betrokken is heet Eurotra. Eurotra is een door de EG opgezet en betaald project, waaraan in alle lidstaten gewerkt wordt. Dat juist zij bereid zijn iets dergelijks te financieren is niet verwonderlijk: een goed werkend automatisch vertaalsysteem zou een uitkomst zijn voor de eindeloze stapels papier die in Europees verband geproduceerd worden.

Helaas valt op de opzet van dit project heel wat aan te merken. De medewerkers van Eurotra beginnen nota bene zelf iedere lezing met te zeggen dat er niet veel te verwachten valt van een project waarvan de deelnemers verspreid zitten over een heel continent. Regelmatig overleg met alle betrokkenen is moeilijk, een lijn trekken bij het te lijf gaan van de problemen ook. Want de lijn die van tevoren uitgestippeld is, is inderdaad niet meer dan een stippellijn. Het lijkt of er hap-snap wat ideee”n gebundeld zijn en het is voorlopig maar helemaal de vraag of de verschillende uitvoerders daarmee uit de voeten kunnen.

Rond 1990 moeten al deze vertaalmachine-plannen resultaten op gaan leveren. Dat die niemand de Nijhoff-prijs zullen bezorgen staat wel vast.

De Taalmachine

Hoe ontleedt een computer automatisch een zin, en wat is het nut daarvan.

Het aantal zinnen dat je in een taal kunt maken is letterlijk eindeloos groot. Het aantal teksten dus ook. Wie eerste drukken van Vestdijk spaart weet dat zijn collectie op een dag compleet kan zijn, maar een taalverzamelaar is nooit klaar. Toch worden er her en der in Nederland aan de universiteiten heel wat teksten in computers opgeslagen. Corpuslinguistiek heet dat.

Het aanleggen van een, liefst ‘verrijkt’ corpus is een uitermate tijdrovende bezigheid. Dat verrijken bestaat namelijk uit het toevoegen van taalkundige informatie; bij de woorden wordt bijvoorbeeld aangegeven tot welke grammaticale categorie ze horen (werkwoord, voorzetsel et cetera) en de zinnen kunnen met een codering voor hun grammaticale constructie de machine ingaan. Is een tekst eenmaal op die manier opgeslagen dan kun je de computer woorden en constructies laten zoeken en tellen. Bij het maken van bijvoorbeeld een boekje ‘Nederlands op reis’ kan het handig zijn te weten welke woorden vaak voorkomen. Of de teksten in een corpus werkelijk representatief voor een bepaald soort taalgebruik zijn blijft natuurlijk altijd een beetje een gok.

Corpuslinguistiek was vooral in Amerika tot het einde van de jaren vijftig erg in zwang. Mensen als Zellig Harris (de leermeester van Chomsky) bestudeerden aan de hand van gesproken corpora Indianentalen waar nog nooit iemand naar gekeken had. Van (soms de laatste) Indianen die een bepaalde taal spraken werden bandopnamen gemaakt, en die dienden als uitgangspunt voor de beschrijving van die taal. Aan een dergelijke manier van werken kleven flinke bezwaren: gesproken taal barst bijvoorbeeld van de fouten (vergissingen, versprekingen, valse starts’ enzovoort).

Daarnaast is er het element van willekeur en toeval dat ook voor geschreven corpora geldt: hoe groot je corpus ook is, je hebt geen enkele garantie dat je materiaal ‘taalkundig compleet’ is. Een taalonderzoeker is op zoek naar regelmatigheden en patronen en stelt hypotheses op. Voor een goede beschrijving van een taal blijft hij daarom altijd afhankelijk van het oordeel van sprekers van die taal. Een corpus levert op zijn best een complete beschrijving van zichzelf op, maar nooit van de taal waaruit het getrokken is. Wat precies het nut is van met veel moeite corpora aanleggen van talen waarvan ruimschoots sprekers voorhanden zijn is daarom niet helemaal duidelijk.

Woordenboeken
Toch kan het opslaan van taal bijzonder nuttig zijn. Een voor de hand liggend voorbeeld zijn woordenboeken. De Van Dales worden tegenwoordig met behulp van de computer gemaakt. Dat heeft allereerst voordelen voor de kwaliteit van die woordenboeken: als niet alles met de hand gecontroleerd hoeft te worden sluipen er minder ‘mensenvergissingen’ in. De computer kan de lijst woorden en omschrijvingen die hij al heeft ook snel en zonder vermoeidheidsverschijnselen met andere (vaak buitenlandse) woordenboeken vergelijken en daarmee zorgen voor een grotere woordenschat.

En er zijn al plannen om woordenboeken op schijf uit te brengen voor de pc-bezitters. Dat heeft duidelijke voordelen. Er zijn dan meer ‘ingangen’ mogelijk dan de alfabetische volgorde; je kunt aan alle kanten beginnen, of bijvoorbeeld vragen bij welke woorden het woord bloem in de omschrijving voorkomt. En— misschien niet erg sportief, maar een wanhopige puzzelaar zou een lijstje kunnen vragen van alle woorden van vijf letters die beginnen met een f en eindigen op een n. Daarnaast laat een woordenboek-op-schijf zich veel gemakkelijker uitbreiden dan een woordenboek-in-de-kast.

Woordenlijsten zijn ook nodig bij het laten werken van ontleedprogramma’s. Om maar weer even bij het nut te beginnen: ontleedprogramma’s (parsers in jargon) kunnen helpen een theorie te toetsen en uit te werken. Juist omdat een computerprogramma ‘blindelings’ regels toepast kan het op feilen en fouten stuiten waar mensen overheen kijken. Anderzijds kan het soms ook laten zien dat er nog meer (goede) mogelijkheden zijn om een bepaalde zin te ontleden.

Het maken van een ontleedprogramma kan de computerlinguïst op ideeën brengen. Maar daar schuilt tegelijkertijd het grootste gevaar van de computerlinguïstiek als geheel: om echt interessant werk te kunnen verrichten is het nodig dat een onderzoeker zowel heel veel van taalkunde als van programmeren weet. Veel van zulke mensen zijn er niet. Daarom gaan parsers nogal eens gebukt onder hopen ad-hoc oplossingen.

Schoolgrammatica’s
Overigens is ontleden sinds de komst van Chomsky niet meer wat het geweest is. De ouderwetse schoolgrammatica’s zijn alleen al vanwege hun vaagheid volkomen ongeschikt om als uitgangspunt voor een computerprogramma te dienen. Vrijwel alle ontleedprogramma’s die er momenteel bestaan zijn dan ook geënt op een vroegere of latere versie van Chomskyaanse ideeën over taalstructuur. Voor de taalkunde is het hoopgevend dat de mooiste resultaten op het ogenblik bereikt worden met de nieuwste theorieën, al moet vooraf gezegd worden dat er nog niet één ontleder is die perfect werkt. Dat is niet verwonderlijk, want er is ook nog niet een taal waarvan een volledige grammaticale beschrijving bestaat.

Wat moet een goede parser nu precies doen? Allereerst natuurlijk alle correcte analyses van een zin geven, en niet één foute. Een groot probleem hierbij vormen de dubbelzinnigheden waar iedere taal vol mee zit. Neem een simpel voorbeeld als Jan slaat Piet. Als dat zinnetje uitgesproken wordt kun je aan de klemtoon horen of het Piet of Jan is die de klappen krijgt, in geschreven taal zijn er twee interpretaties mogelijk. Hetzelfde geldt voor Wie slaat Piet? Is wie hier onderwerp of lijdend voorwerp? Een goedwerkende ontleder vertelt je dat beide analyses grammaticaal mogelijk zijn.

Een deel van de dubbelzinnigheden kan ondervangen worden door een goede woordenlijst (in jargon: een lexicon). Daar moet ieder woord met al zijn belangrijke eigenschappen in staan: of een werkwoord al of niet overgankelijk is bijvoorbeeld. Lastig genoeg kan eenzelfde woordvorm nogal eens tot verschillende woordsoorten behoren. Een aardige illustratie is zin (1) waarin de woordvorm gegeven achtereenvolgens een voorzetsel, een zelfstandig naamwoord, een bijvoeglijk naamwoord en een werkwoord is (vergelijk zin (2)).

(1) Gegeven de huidige situatie worden de gegevens over het gegeven geld niet aan de inspecteur gegeven.

(2) In de huidige situatie worden de feiten over het overhandigde geld niet aan de inspecteur verstrekt.

Voor een ontleedprogramma is zin (1) een absolute ramp. Omdat een computer niets begrijpt en het voorlopig onmogelijk lijkt ‘betekenis’ zo te definiëren dat een machine er iets mee kan doen, moeten alle mogelijke analyses nagetrokken worden. In de praktijk zijn dat er al gauw honderden, soms duizenden. De gevolgen van zo’n ‘explosie’ voor de benodigde hoeveelheid geheugenruimte laten zich raden.

De volgorde
Zoals gezegd lijkt een ontleedprogramma in vrijwel niets op een grammatica zoals iedereen die wel van school kent. Veel van de bestaande ontleed-algoritmes zijn gebaseerd op ‘contextvrije herschrijfregels’. Een vrij eenvoudig voorbeeld van zulke regels is te vinden in het kader elders op deze bladzijde. Met contextvrije regels zijn redelijke resultaten te bereiken voor talen waarin de volgorde van de constituenten netjes hand in hand gaat met de interpretatie. Dat is bijvoorbeeld in het Engels veel meer het geval dan in het Nederlands: John hits Pete heeft maar een betekenis: John moet degene zijn die slaat.

Een goede taaltheorie die ook voor talen als het Nederlands opgaat heeft aan contextvrije herschrijfregels niet voldoende. Aan de Hogeschool van Tilburg werken de Amerikaan Craig Thiersch en de Duitser Hans-Peter Kolb samen aan een ontleed-algoritme dat uitgaat van de X-bar-theorie. Het idee dat aan deze theorie ten grondslag ligt is ongeveer het volgende: zinnen worden opgebouwd uit constituenten, en die constituenten worden opgebouwd rond een hoofd. De vier belangrijkste grammaticale categorieën (naamwoord, werkwoord, voorzetsel, bijvoeglijk/bijwoordelijk naamwoord) kunnen het hoofd van een constituent zijn.

De opbouw van de verschillende constituenten (rond een hoofd) en de opbouw van zinnen uit constituenten gaan in principe op dezelfde manier in hun werk. Dit geldt voor alle talen. Daarmee ben je natuurlijk nog niet waar je zijn wilt: zo’n krachtig mechanisme levert behalve grammaticale ook heel veel ongrammaticale structuren op. Dat ‘overgenereren’ wordt beperkt door condities toe te voegen, voorwaarden waaraan de structuren die het mechanisme aan een rijtje woorden toekent moeten voldoen om uiteindelijk goedgekeurd te worden. Die condities kunnen gelden voor een bepaalde taal, of voor een groep talen. Een voorbeeld: in sommige talen worden bepaalde constituenten gebouwd door dingen rechts van het hoofd te zetten, in andere door dingen links van het hoofd te zetten. In het Nederlands, Duits en Engels staat een bijvoeglijk naamwoord links van het zelfstandig naamwoord, in het Frans, Italiaans en Spaans meestal rechts.

In de praktijk kan deze aanpak het volgende betekenen: wanneer alleen uitgegaan wordt van het basis-bouw-schema (X-bar) dan levert een simpel Duits bijzinnetje als ..dass der Karl den Hund schlug maar liefst 634 mogelijke ontledingen op. Door een conditie toe te voegen kan dat aantal gereduceerd worden tot één: de juiste analyse. Wat het werk van Thiersch en Kolb vooral zo interessant maakt is dat ze met het aanpassen van een paar condities hun Duitse ontleder in een handomdraai in een Engelse kunnen omzetten. Dat is behalve leuk voor theoretici natuurlijk ook niet onbelangrijk voor toepassingen van ontleders, zoals bijvoorbeeld in een toekomstige vertaalmachine.

Volgende week:  deel 3 en slot: Vertalen

 

NASCHRIFT

Wat de krant niet haalde, was onderstaand voorbeeldje van een herschrijfgrammatica. Voor de liefhebber alsnog. En uit de uitleg over X-bar was een deel verdwenen dat er beter in had kunnen blijven staan, en dat hierboven daarom dus wel  gebleven is.

HERSCHRIJFGRAMMATICA:
(lees voor de pijltjes: herschrijft als (ofwel: bestaat uit))
ZIN -> NAAMWOORDCONSTITUENT + WERKWOORDCONSTITUENT;
NAAMWOORDCONSTITUENT -> LIDWOORD + NAAMWOORD;
WERKWOORDCONSTITUENT -> WERKWOORD + NAAMWOORDCONSTITUENT;
LIDWOORD -> de, een;
NAAMWOORD -> vrouw, telefoon;
WERKWOORD -> hoort.

Met dit kleine grammaticaatje kunnen precies de acht volgende zinnen gemaakt en ontleed worden:

-De vrouw hoort de telefoon.
-Een vrouw hoort een telefoon.
-De vrouw hoort een telefoon.
-Een vrouw hoort de telefoon.
-De telefoon hoort de vrouw.
-Een telefoon hoort een vrouw.
-De telefoon hoort een vrouw.
-Een telefoon hoort de vrouw.

De Taalmachine

Op veel universiteiten, maar ook bij bedrijven blijken taal en computer inmiddels een of andere verbintenis met elkaar aangegaan te zijn. Met wisselende en soms volkomen onverwachte gevolgen. Over pol-stasjes, reu-koffers en er-flaters.

Onder ‘computerlinguistiek’ wordt alles verstaan waar zowel taal als een computerprogramma bij komen kijken. Alleen tekstverwerkers blijven buiten beschouwing, maar die hebben in principe dan ook niets met taal te maken.

Iedereen die het geluk heeft van een tekstverwerkingsprogramma gebruik te kunnen maken weet dat het niet meer is dan een superschrijfmachine. Je kunt willekeurige rijtjes letters, cijfers en andere tekens intikken, die weer weghalen, er een ander rijtje tussenzetten, een deel van de tekens verplaatsen enzovoort. Maar voor de computer of de werking van het programma maakt het absoluut niet uit of je 100.000 keer een a tikt of bezig bent je levenswerk te schrijven. Pas als het programma een woordafbreekhulp heeft komt er een beetje taal bij kijken.

Bij de krant worden woorden al sinds jaar en dag automatisch afgebroken, en iedereen die regelmatig een krant inkijkt weet dat dat tot rare dingen kan leiden. Zijn techniek en wetenschap dan nog steeds niet ver genoeg gevorderd om een mini-ster en een minis-ter uit elkaar te houden en een reu-koffer te voorkomen?

Het antwoord is: maar zeer ten dele. Het afbreekprogramma dat bij de kranten gebruikt wordt, is van Hugo Brandt Corstius. De onderliggende gedachte is heel simpel: de computer krijgt opdracht woorden zó af te breken dat zowel links als rechts van het streepje een reeks letters komt te staan die voor een Nederlander uit te spreken is. In ongeveer 75% van de gevallen gaat dat goed, maar het levert ook pol-stasjes en er-flaters op.

De enige manier om ervoor te zorgen dat be-stel en pos-ter goed uit de machine komen is ze er met streepje en al in stoppen. Ook het verkeerd afbreken van een verwarrend woord als adelaarsnavel kan daarmee voorkomen worden.

De computer laten zoeken naar eventuele ‘samenstellingen’ helpt namelijk niet: zowel bes als tel zijn goede Nederlandse woorden en hetzelfde geldt voor po en ster. Alle woorden waarmee iets mis kan gaan van tevoren van streepjes voorzien is in principe natuurlijk wel mogelijk, maar kost verschrikkelijk veel tijd en bovendien extra geheugenruimte.

Nog veel moeilijker wordt het bij woorden als uitje en diplomaatje. Het hangt er maar helemaal vanaf of je uitjes kunt eten en diplomaatjes uitreiken. Alleen de omgeving van zulke woorden kan uitwijzen of het om een diploma of een diplomaat, om een ui of een uit gaat.

Bij dit probleem zou aan de volgende oplossing gedacht kunnen worden: koppel aan letterreeksen als uitje en minister, die een dubbele interpretatie hebben een rijtje andere woorden die in de buurt van een van de twee betekenissen verwacht kunnen worden. Vindt de computer in de buurt van minister een woord als Den Haag, regering, of wetsvoorstel dan moet het afbreekstreepje na de s komen, anders na de i.

‘Full-proof’ kan een dergelijk programma natuurlijk nooit worden, want ook in Den Haag kunnen mini-sterren wonen, en in Washington minis-ters. De geheugenruimte en de inspanning die zo’n programma kost zijn commercieel dan ook niet de moeite waard. De kranten nemen de 25 procent foute afbrekingen voor lief en de meeste tekstverwerkers doen alleen een voorstel waarop de gebruiker ja of nee kan zeggen.

Overigens is een niet perfect werkend afbreekmechanisme een automatische woordgrappengenerator en een goudmijn voor cryptogrammenmakers.

De voorleesmachine
Sommige van deze problemen kom je ook tegen bij een andere toepassing van de computer op taal: de voorleesmachine. Op de afdeling fonetiek van de Universiteit van Nijmegen wordt daar op dit moment aan gewerkt. De mogelijkheden die zo’n apparaat zou bieden zijn enorm. Niet alleen blinden zouden ermee geholpen zijn, maar ook mensen die tijdens de afwas de krant willen lezen.

De techniek is inmiddels zo ver dat er machinaal verstaanbare spraak voortgebracht kan worden, al doet het geluid nog wel denken aan robotten en andere science-fictioncreaties uit films. De beste resultaten worden daarbij overigens niet bereikt door simpelweg de afzonderlijke klanken op een rijtje te zetten. Omdat bijvoorbeeld de ie in bier anders klinkt dan die in biet neemt men vaak liever twee klanken samen.

De ongeveer 2000 mogelijke klankcombinaties (difonen) die er zijn, moeten dan stuk voor stuk in de machine opgeslagen worden, zodat Piet niet uit P-ie-t wordt opgebouwd, maar uit P-pie-iet-t, en zoals gezegd, dat klinkt veel ‘natuurlijker’.

Regels
Het onderzoek voor de voorleesmachine richt zich vooral op het omzetten van letters in geluid. Jammer genoeg is er bij geen enkele taal sprake van een een-op-een relatie tussen letters en klanken: het Nederlandse alfabet heeft 26 letters, terwijl de Nederlandse taal ongeveer 40 klanken kent.

Dat hoeft niet altijd problemen op te leveren: een x wordt gewoon omgevormd tot ks en e plus i moet ij worden. Maar hoe moet je een computerprogramma laten weten wanneer een e staat voor een lange (steek), een korte (stek) of een stomme (aanstekelijk) e? Als je alle woorden waar een e in voorkomt gecodeerd voor de juiste uitspraak in het programma stopt levert dat twee grote problemen op: je loopt grote kans dat je machine verschrikkelijk langzaam gaat voorlezen, en woorden die toevallig niet in de ingeprogrammeerde lijst zitten laten de boel toch weer in het honderd lopen.

Net als voor het afbreekprogramma geldt hier dat het tamelijk eenvoudig is enkele grove regels op te stellen die een groot deel van de gevallen dekken. In Nijmegen heeft men de volgende trits opgesteld voor het probleem van de stomme e (gemakshalve aangegeven als u) en dat van het achtervoegsel lijk dat als luk uitgesproken moet worden:

(1) en -> un
(2) be/ge -> bu/gu
(3) lijk -> luk

Regel (1) en (3) worden toegepast aan het eind van een woord (lopun, eerluk), regel (2) aan het begin (bugin, guval). De condities zijn verder dat de regels in de hierboven gegeven volgorde uitgevoerd moeten worden, en dat een woord nooit uitsluitend stomme medeklinkers mag hebben.

Op een woord als gelijk heeft dat het volgende effect: eerst wordt regel (2) uitgevoerd (regel (1) is niet van toepassing), dat levert gulijk op, waarna het toepassen van regel (3) uitgesloten wordt omdat dat een woord met alleen stomme klinkers op zou leveren. De machine leest keurig gelijk voor. U kunt zelf narekenen dat het ook bij de woorden geven, gevecht en begeren goed gaat. Een kippenren echter wordt met behulp van regel (1) kippenrun, een berevel door regel (2) een burevel en regel (3) laat het onderscheid tussen vrouwelijk en een vrouwenlijk verdwijnen.

Onoplosbaar, want niet van te voren in te programmeren, is het probleem met woorden die op je twee manieren uit kunt spreken, zoals regent of bedelen. Voor een voorleesmachine, anders dan voor een afbraakmechanisme in de krant, is een foutenpercentage van bijvoorbeeld 25% niet acceptabel meer.

Dat betekent dat je andere bronnen moet aanboren dan alleen het kijken naar rijtjes letters. Ben je in staat de computer enige grammaticakennis bij te brengen (hoe worden woorden samengesteld, gaat het om een zelfstandig naamwoord of om een werkwoord?) dan wordt in ieder geval een deel van de problemen opgelost. De ge in gevel is geen voorvoegsel zoals in gevoel of geval, en het zelfstandig naamwoord beving wordt anders uitgesproken dan de verleden tijd van het werkwoord bevangen. Daarmee wordt nog niet voorkomen dat vóórkomen ook als voorkómen kan voorkomen, maar het aantal foute uitspraken wordt wel enorm teruggedrongen.

(Volgende week: computers als opslagplaats voor taalmateriaal en als ontleders.)