Byebye, zwaaizwaai

Dit is de 187ste keer dat ik u hier iets over taal vertel. En omdat het ook de laatste is, durf ik deze bekentenis te doen: alle keren heb ik u in wezen hetzelfde willen laten zien.

Namelijk wat een wonder menselijke taal is. En wat een wonder u en ik zijn.

We zijn duizelingwekkend goed in taal. En we weten veel meer dan we weten, dan we doorhebben. Alleen weten we dát dan weer niet. Althans, niet vanzelf.

Mij hebben ze dat allemaal ook moeten vertellen. Ik heb geprobeerd het aan u door te vertellen, want ik vond en vind het een indrukwekkende verrassing, die nooit verveelt.  

Het blijft intussen wel een schande dat we op school nog steeds niet standaard allemaal leren dat iedereen taalgevoel heeft. Dat iedereen zelfs feilloos kan ontleden, ook wie denkt van niet.  

Als Nederlands je moedertaal is, snap je bijvoorbeeld donders goed dat Ik heb geleerd mijn vrienden te kussen niet hetzelfde is als Ik heb mijn vrienden geleerd te kussen. Kwestie van taalgevoel, van ontleden. Dat gaat gelukkig automatisch, we doen de hele dag niet anders.

Wel maakt het een hele hoop uit wanneer je een taal leert. Ben je klein genoeg dan gaat bijna alles vanzelf. Groei je met meer talen tegelijk op, dan ben je dus een enorme bofkont.

En nee, die talen zitten elkaar niet in de weg. Ook niet als een van de talen een gebarentaal is.  

Als er al iets in de weg zit dan is het hoe er door de wereld eromheen tegen een bepaalde taal aangekeken wordt. Maar dat heeft dan met die taal zelf niks te maken.

Zo. Dat u het nog even weet.

Rest me u te danken voor uw vaak ronduit hartelijke post, voor de inspiratie voor stukjes die ik daaruit kon putten, en natuurlijk bovenal voor uw aandacht.

Ik groet u en zeg u tot slot gedag in alle stijlen, leeftijden en (streek)talen die ik zo snel kan verzinnen. Tabee. Vaarwel. De ballen. Greetzzz. Doei. Adieu. Houdoe. Los ballos. Tot kijk. Arrivederci. Doeg. Tschüss. Tot in de pruimentijd. Hoi hè. Allahaısmarladık. Au revoir. Byebye. Zwaaizwaai. See you. Ciao. So long. Ajuus. Cheers. Laters.

Nou dag.

Verfrommel

Twee fraaie raadsels trof ik deze week aan. Eerst las ik dit, al in 1969 geschreven: “Er zijn maar weinig woorden waar het van de betekenis afhangt hoe je afbreekt: kwartslagen, rijstrook, buurtje, diplomaatje, en de bedoeling is zo’n woord te ontdekken waar geen s in zit, en dat ook geen verkleinwoord is. Er is er een, dus doe uw best.”

Ha, die wist ik! Inderdaad, dankzij -je en -tje hebben we een hele hoop twee-woorden-in-één. Van  toetjes (kiezen tussen gezichtjes of desserts) en vlootjes (bootjes, kriebelbeestjes) tot uitjes, buitjes en luitjes.

En zeker speelt de s vaak de sleutelrol. Je hebt ook wetstaal (staal of taal), loodspet (spet of pet) en carnavalshit (shit, hit). En de mooiste: pilslikkers, waar je hoe dan doen ook je tong bij nodig hebt.

Trouwens, een fabrikant was zo in de war over dit alles dat hij een tijdje terug besloot ‘kaastengels’ te gaan verkopen. Dat staat er echt op. Stengels waar je met je tengels niet van af kunt blijven, was zijn bedoeling waarschijnlijk.

Maar goed, zonder tje of s ken ik ‘balkanker’, nogal een nare, en ik weet nooit of er echt een anker met een balk bestaat. Vandaar dat dit mijn favoriet blijft: ‘verfrommel’.

Van dezelfde auteur las ik van de week ook dit: “Een kwellend probleem is dit, op school leerde ik: het is ‘hij wordDT’ omdat het ook is ‘hij kenT’, stam + T. Dat klinkt aannemelijk idioot-consequent en ik heb me er jaren bij neergelegd, maar nu hebben we het woord ‘vasten’ en toch niet ‘hij vasTT’. Weet jij hoe dat zitt?”

Nou, probeert, sorry: trachtt u daar maar eens iets tussen te krijgen. Mij is het nooit gelukt, hoewel ik deze ijzersterke redenering over gebrek aan consequentheid in onze spelling al lang ken.

Kenners hebben inmiddels vast de schrijver herkend: Hugo Brandt Corstius, de man die speels Nederlands ‘Opperlands’ doopte, en daar een levenswerk van maakte. 

Van zijn leven maak ik alweer een tijd werk. Ongeveer tegelijk met deze column begon ik aan een biografie van Brandt Corstius. Die slokt grote slokken tijd op. En dat is weer een van de redenen dat volgende week hier mijn laatste Taal! staat.

Hartje hartje hartje

Wat een gouden greep was dat. Ver terug in de vorige eeuw, in 1977, werd er een advertentiecampagne verzonnen voor New York.

Om toeristen te lokken –  toen nog nergens als plaag beschouwd – gebruikten ze er voortaan dit: I❤NY. De afkorting NY recht onder de I en het (rode) hartje. Het oorspronkelijke schetsje, volgens de overlevering op de achterbank van een taxi gemaakt, bevindt zich intussen in een museum.

Zelden zal iets zo vaak nageaapt zijn. En nu lijkt het wel of iedereen iedereen voortdurend hartjes stuurt.

Van de week grasduinde ik gezellig in een mooi gemaakt boek met een mooi bedachte titel: Het zonderwoorden-boek. Ondertitel: waarom we steeds meer zeggen met emoji.

Doen we dat?

Ik geloof er geen moer van. Geweldig, die emoji (nee, dat komt niet van emotie, maar is Japans voor de woorden voor afbeelding en schriftteken). Maar we zeggen er niet meer mee dan we al deden.

De superpopulaire kleine plaatjes illustreren en versieren wat we beweren. Dat wel. Met toeters en bellen en confetti en champagneflessen bijvoorbeeld. Een schitterende functie.

Belangrijker is dat ze kunnen aanvullen wat wegvalt bij taal-op-schrift: de toon en iemands gezichtsuitdrukking en gebaren. De precieze bedoeling, de intensiteit kun je nu duidelijk maken met toegevoegde knipogende, grijnzende, kussende, zelfs kotsende kopjes, met opgestoken duimen, zonnetjes.

Zeker, het zwaaiende handje zegt gedag, dansertjes laten zien dat je vrolijk bent, en zo is er nog een hele hoop leuks te verzinnen. Maar werkelijk onze woorden vervangen? Emoji als een nieuwe taal, ook nog internationaal?

Welnee. Zonder woorden komen we nog steeds helemaal nergens. Ook Het zonderwoorden-boek (de auteur heet trouwens Lilian Stolk) staat er natuurlijk vol mee.

Gelukkig wel. Veel interessante woorden, waarin bijvoorbeeld verteld wordt dat de huilen-van-het-lachen-smiley weliswaar het meest gebruikt wordt wereldwijd, maar ook nogal eens aangezien wordt voor groot verdriet.

Oei. Pijnlijk! Moet je dan weer rechtzetten. Met woorden.

Maken we niet juist overal graag taal van? Zo gaat het zelfs met dat hartje. Van taal (I love…) naar plaatje (I ❤…) ging het weer naar taal. Want nu lees ik aldoor dingen als: ‘Ik hartje mijn verkering’, ‘ik hartje gekke schoenen’.

Echt, ik hartje taal.

Onzinnen

Iets verrassends ontdekt. Dacht dat ik alles wel zo’n beetje kende aan gekke soorten zinnen.

Want je hebt er die prima lopen, maar waarvan je toch geen idee hebt wat ze moeten betekenen. Bekendste voorbeelden: ‘Kleurloze groene ideeën slapen woedend’ en ‘De vek blakt de mukken’.

De eerste zit vol onwaarschijnlijke, om niet te zeggen onmogelijke combinaties. Iets dat kleurloos en groen tegelijk is? En woedend slapen? Huh?

En tenzij u wél weet wat blakken is, en wat een mens zich moet voorstellen bij een vek en mukken, is het ook een raadsel waar dat andere zinnetje over gaat. En tóch kloppen ze ook, en kun je er bijvoorbeeld probleemloos een vraag van maken: ‘Slapen de kleurloze groene ideeën furieus?’ Of je bouwt de boel om naar een ander soort bewering: ‘De mukken worden door de vek geblakt.’  

Wat ook bestaat: zinnen die uitstekend te begrijpen zijn, maar toch niet kloppen. Als we bijvoorbeeld van ‘De vrek bakt de mokkapunten’ even ‘De vrek de mokkapunten bakt’ maken, dan wordt de mededeling echt niet onbegrijpelijk. Maar ongrammaticaal is ie dan wel.

Zo’n bouwfout moet je weer niet verwarren met een intuinzin. Die zet je op het verkeerde been, maar hij klopt wel degelijk. Zoals deze: ‘Dat meisje beweerde dat het nieuws altijd alleen maar op haar smartphone leest.’

Voelde u iets botsen in uw hoofd? Klopt. In eerste instantie denk je dat ‘het’ bij ‘nieuws’ hoort, pas verderop merk je dat ‘het’ moet terugslaan op ‘meisje’.

Maar nu het volgende. Lees even mee. Hoe zit dit voor u? Is dit waar of niet waar: ‘Meer mensen zijn in Amsterdam geweest dan u bent.’

Even nagedacht? Weet u het antwoord?

Of weet u, net als ik, bij nader inzien helemaal niet wat die vraag betekent? Meer mensen dan wat dan?

Maar hij klonk gewoon goed toch?

Dit wordt, hoorde ik laatst, heel toepasselijk een Escherzin genoemd. Naar M.C. Escher, de wereldberoemde Nederlandse tekenaar die bijvoorbeeld trappen tegelijkertijd naar boven en naar beneden liet gaan. Optische illusies. Niet na te bouwen. En onmogelijk de vinger te leggen op waar het ‘m in zit. Wát klopt er niet?

Escherzinnen zijn grammaticale illusies. Dat die bestaan vind ik razend interessant.

Humor helpt

Zo maar zomers zonnig ineens. Een voorproefje voor het echte werk, de zomervakantie. En het perfecte moment voor wat voorbereidende taalwerkzaamheden.

Want vakanties zijn nou eenmaal leuker wanneer je een beetje kunt praten met de plaatselijke kroegbaas  en campingwinkelbediende. Voor wie in Nederland blijft is het simpel. Die kan het ongeveer wel af met locale lekkernijen, en bijvoorbeeld naar boterbabbelaars en bolussen leren vragen in Zeeland, of naar koude schotel en kroezelen in Limburg.

Maar de meeste vakantiegangers vertrekken naar andere landen, en sinds jaar en dag gaat de meerderheid daarvan naar la douce France, het zoete Frankrijk. Verroest schoolfrans traditiegetrouw mee in de achterbak.

Net vorige week kreeg ik een vrolijk roestborsteltje toegestuurd van een lezeres die Franse les geeft. Ze maakte een boekje met de onwaarschijnlijke titel C’est pour le boulanger. Eronder staat: ‘Lees, lach en leer’

Humor helpt. Ook bij het oppoetsen van taalkennis. ‘Het is voor de bakker’, ja, dat zeggen wij, maar de Fransen houden het op ‘l’affaire est dans le sac’, als ze hetzelfde willen zeggen. Leerde ik al lachend.

Meligheid helpt ook. Mij althans. Ik gnoof om de naam van de schrijfster. Onder het voorwoord – het ‘devant mot’, oh nee, in fatsoenlijk Frans de ‘préface’ – staat Anne Moinsnon-le Roi. Ernaast wat dat in goed Nederlands is: Anke Minnee-de Koning.

Zij liet zich inspireren door wat ze haar leerlingen hoorde zeggen. Zo pikte ook ik op dat bij ‘een blauwtje lopen’ in het Frans een konijn komt kijken: ‘poser un lapin’. Dus nee, niet ‘marcher un petit bleu’.

Nog meer meertalige meligheid, nu we toch bezig zijn. Kent u die van die twee mannen op de boot naar Engeland? Ze staan in het donker aan de reling, tot de Engelsman de stilte verbreekt. ‘Quite a night’, zegt hij. Zegt de Groninger naast hem terug: ‘Kwait ’t ook nait.’

Net zoiets als wat een andere aardige lezer me laatst mailde. Hij herinnerde zich van lang geleden op school een populair minidialoogje tussen een verliefde Fransman en een Engels meisje: de Franse jongen stormt haar kamer in en roept uit: ‘Je t’adore!’ Waarop het meisje antwoordt: ‘Shut the door yourself!’

Dat zal inderdaad de deur wel dichtgedaan hebben.

Roken ruiken

Let op! ‘Opletten’ is er ook een. Net als ‘spotten’. Gespot door een oplettende lezer, een vraag vorige week in deze krant: ‘Waarom zetten zij hun leven in?’

Daar viel hem iets aan op: ‘waarom’ is één ding, maar hoe zit het met het ‘wanneer’? Is het al gebeurd of niet? Dat kun je onmogelijk weten zonder hulp van het verhaal eromheen (dat in dit geval in het verleden speelde, maar dat terzijde).

‘Zetten’ is namelijk van alle tijden: wij zetten gisteren, vroeger, in de Gouden Eeuw thee. Maar we zetten ook vandaag of morgen, of tot in de eeuwigheid thee.

Zetten is en blijft zetten, en dat is dus al net zo voor inzetten. En voor doorzetten, afzetten, uitzetten, overzetten, omzetten, neerzetten, klaarzetten, opzetten, toonzetten, verzetten, enzovoort.

Het komt natuurlijk doordat we ‘-ten’ gebruiken om het verleden in te duiken. Dat gaat vanzelf. Zonder nadenken koppen, droppen en schoppen we de bal vandaag, maar was het gisteren dan kopten, dropten en schopten we hem. Met ‘-den’ doen we trouwens hetzelfde: we scoren nu, en scoorden net ook al. 

Alleen soms staat dat –ten of  –den er toevallig al. Dan kunnen heden en verleden samenvallen.

Zoals wanneer we internetten of ravotten. Bij vitten, spitten en klitten. Als we ons bezatten, elkaar onderschatten en bedotten, of opjutten danwel optutten. Bij redden en wedden, schudden en bekladden. Doen of deden we het? Dat ligt er dus maar aan.

Grappiger vind ik het als heden en verleden over iets anders blijken te gaan. Want ook daar hebben we schitterende mogelijkheden voor. Die danken we aan vroeger tijden, toen we een andere tijd gewoon een andere klank meegaven. Bij vragen hoort daarom vroegen, bij glijden gleden en bij glimmen glommen.

Voor de vrolijke verwarring is er dit verschijnsel: ‘zagen’ kan weliswaar komen van ‘zien’, ‘zonnen’ van ‘zinnen’, en ‘braken’ van ‘breken’, maar dat hoeft niet. Zagen (met een zaag), zonnen (in de zon) en braken (getver) kunnen ook nu spelen.

Dat roken ruiken is, maar dan in het verleden, daar zit dan weer wél iets in. Dat vind ik tenminste sinds mijn eigen roken iets uit het verleden is. Want nu kan ik weer ruiken.

Wijsneuzen

Ik kan praten met m’n ogen. De goede verstaander leest mijn blik.

Het sterkst merk ik dat bij de groenteman. Ik hoef maar te kijken naar de smaakvolle tomaten, de stronkjes witlof of de onbegrijpelijk lekkere sperzieboontjes achter hem, en hij doet al een greep. Dat wil zeggen: nog voordat ik de kloppende klankenreeks voor de bedoelde groente of het gewenste fruit heb opgediept uit mijn soms warrige hoofd.

Daar moest ik onmiddellijk aan denken toen ik laatst las over mensen die een rimpel in hun neus trekken en dan de kant op kijken waarheen ze de aandacht van een ander willen sturen. Ze wijzen dus met hun neus.

Het ging om de Yupno. Die leven op Papoea Nieuw Guinea en spreken ook Yupno, een van de vele vele verschillende talen die ze daar hebben. Ze wijzen trouwens wel degelijk ook met hun hand – het is onderzocht – alleen minder vaak dan wij gewoon vinden.

Wijzen is erg menselijk. Dieren in het wild doen het niet. Zelfs apen niet, schijnt – terwijl hun armen, spieren en handen er prima toe in staat zijn, en ze het wel kunnen leren.

Mensenpeuters die nog niet of nauwelijks kunnen praten, doen het allemaal wel. Vaak tegelijk met een van eerste woordjes die uit die aanbiddelijke kindermonden komen: ‘Die, die, die’, zeggen ze dan. ‘Die’ heet dan ook een aanwijzend voornaamwoord.

En ja, we noemen de vinger waarmee we meestal wijzen natuurlijk wijsvinger. Niet bijster origineel. De Duitsers hebben bijvoorbeeld een Zeigefinger. Vaak is het iets met ‘index’, dat uit het Latijn komt en dat wij ook gebruiken. Zij het dan weer niet voor een vinger, maar voor een inhoudsopgave ofwel: een aanwijzer. In het Engels zeg je index finger, in het Frans gewoon index, in het Spaans dedo índice. En zo verder. Of het Yupno spreekt van wijsneus weet ik dan weer niet.

Er wordt vaak gezegd dat taal begint bij (aan)wijzen. Ik weet het niet.

Als ik even de wijsneus uit mag hangen: een blik, een hoofdknik kan hetzelfde effect hebben. En voor de gein kun je dat allemaal taal noemen. Dat deed ik hierboven ook, maar daarmee doe ik de breedte en diepte van ons taalvermogen zwaar tekort.

Woeste verzinsels

Aantrekkelijk, woest, maar onwaarschijnlijk. Aan ideeën over de allereerste taal kleven dikwijls die drie dingen.

Van oudsher is er het soort fraaie verzinsels van de arts Jan Gerartsen van Gorp, die de taal van Adam en Eva nergens sterker in terughoorde dan in het Nederlands, of beter: het Vlaams.

Dat kwam doordat Adam en Eva in Antwerpen gewoond hadden. Daar was het aardse paradijs geweest. En aan de naam Adam zelf zag je het volgens hem al: daar zaten ‘haat’ en ‘dam’ in, Adam moest de haat tegenhouden. Van Gorp werd bekender onder zijn Latijnse naam Becanus. En zijn boek hierover verscheen in 1572.

Becanus heeft moderne opvolgers, mensen die voortdurend verbanden zien tussen woorden, en er vervolgens diepere betekenissen in leggen. Ik herinner me zo’n nieuwe Becanus die zich vroeger altijd aanmeldde voor de jaarlijkse Taalkunde-in-Nederland-dag, en daar dan bijvoorbeeld een betoog hield over de verwantschap tussen ‘bom’ en ‘boom’.

In feite hetzelfde woord, zag hij, dat bovendien perfect uitdrukte waar het voor gebruikt werd. Bom was kort, die ontplofte meteen, maar de langere versie met lange oo liet zien dat een boom er lang over deed om tot wasdom te komen.

En ook tussen talen ontwaarde hij duidelijke verbindingen. Zo waren de Engelsen natuurlijk in de war als ze ten oorlog (war) trokken. Meestal werd er in de zaal vol taalkundigen luid gegniffeld.

Zoals ook de nog steeds actieve Duizenddichter, Willem Hietbrink, er niet op hoeft te rekenen serieus genomen te worden. Ook hij beweert stellig dat het Nederlands de oudste taal is, en dat je dat terugziet in vreemde talen.

De Fransen zeggen ‘brie’ tegen die kaas, maar dat komt van onze ‘brij’. De koe kauwt en herkauwt en heet daarom ‘cow’ in het Engels. Zijn bekendste boekje heet Kwispelen met taal, in zijn eigen analyse: ‘ik wil spelen met taal’, want met ‘kwispelen’ zegt ook je hond ‘ik wil spelen’.

Creatief is het allemaal zeker. Vergezocht ook.

Misschien kwam het daardoor dat ik aan de Becanussen van deze wereld moest denken toen ik laatst las dat er een verband zou kunnen zijn tussen de akoestiek in grotten met oeroude wandschilderingen en het ontstaan van taal.

Romantisch, aantrekkelijk, en erg woest.

Tobias

Als hij echt héél eerlijk is, ja, dan zou hij het liefst een doof kind krijgen. ‘Je wil als olifant toch ook geen tijgerwelpje?’

Dat is de vergelijking die Tobias de Ronde trekt in de film Doof kind, die zijn vader Alex over hem gemaakt heeft. Een hartveroverende feel-good-documentaire. Ik zag hem deze week in de bioscoop.

Tobias is doof geboren en zodra dat duidelijk werd, ging zijn familie Nederlandse Gebarentaal leren. Zodat ze meteen met hem konden ‘praten’.

Dat deden ze zo goed dat Tobias nu aangezien wordt voor iemand uit een familie waarin al generaties doofheid voorkomt, en waar de voertaal dus een gebarentaal is. Zulke families hebben extra aanzien in de dovenwereld.

Raar, van dat aanzien? Kortzichtig en schandelijk, het verlangen naar een doof kind?

Een en ander leverde na afloop fikse discussies op. Tussen horenden. Die moeten bij deze dingen altijd flink slikken, weet ik inmiddels. Want die denken meestal automatisch dat doofheid alleen maar naar en zielig en een grote handicap is, en ze moeten er niet aan denken zelf doof te worden.

Maar dat ligt heel anders bezien vanuit iemand die altijd doof is geweest en een gebarentaal als moedertaal heeft. Die heeft welbeschouwd maar één echt probleem, en dat is dat niet meer mensen diezelfde moedertaal beheersen.

Dat werd ook duidelijk uit een roerend gesprek tussen Tobias en zijn oudere broer Joachim, ook al zo’n schat.

Op zijn eigen verjaardagsfeest voelt juist Joachim, die wel kan horen, zich gehandicapt, omdat zijn vrienden niet vanzelf met zijn broer kunnen praten. Daarvoor hebben ze Joachim als tolk nodig. Maar andersom kan Joachim probleemloos naar een feestje van Tobias.

Op mij maakte intussen iets anders de grootste indruk: de martelgang die we dove kinderen aandoen. Ze zullen en moeten voor ons verstaanbaar geluid gaan produceren. Eindeloos zien we Tobias op filmpjes door de jaren heen oefenen op het woordje ‘bal’. Nooit klinkt het perfect.

Dat er zo aan je gezeten werd door vreemden, vies vond Tobias dat, vertelt hij als volwassene. Want wie niet horen kan moet voelen: leren spreken gaat gepaard met trekken, duwen, kloppen aan en in je mond, je lippen, je gezicht. Ik begreep Tobias’ weerzin volkomen.

(Nootje: zie ook de trailer van de film.)

Het isme wat

Taalvandaal. Daarvoor werd de VVD van de week online uitgemaakt. Geestig gevonden als reactie op een verkiezingsposter, met daarop een mini-enquêtetje: ‘Wie verdedigt onze vrijheid?’ Je kon kiezen tussen ‘Doener’ en ‘Vandalist’.

‘Vandalist’ was het woord waarover de taalpolitie – altijd paraat op internet – struikelde. Dat moest ‘vandaal’ zijn.

Oké. Maar waarom zou de VVD ‘vandalist’ gebruiken? Als vanzelf ging ik me het hoofd breken over wat -isten voor types zijn. Want het gaat om mensen. En wat voor!

Zo kun je een heel orkest bevolken met isten. Om te beginnen de solist en de (eerste) violist. De harpist en de cellist. Een fluitist en klarinettist. Je hebt de percussionisten, de paukenisten. De hoboïst, trombonist en trompettist spelen samen met de hoornisten. En vooruit, we zetten er ook een accordeonist en gitarist in. En een bassist. Dan hebben we de –fonisten (sousa-, vibra- saxe-) en de piccoloïst nog overgeslagen. Net als de componist.

Alleen al vanwege alle specialisten vind je in de gezondheidszorg ook flink wat isten. Ik kwam hardop denkend op internist, orthopedist, anesthesist, logopedist, mondhygiënist, en kom, ook de diëtist en acupuncturist mogen in dit rijtje.

Het leger kent infanteristen en reservisten. Je hebt daarnaast de zich blootgevende exhibitionist, nudist en naturist.

Maar –isten lijken bovenal aanhangers van wel erg diverse overtuigingen en gedachtegoeden. Van moralisten en monarchisten, via populisten en idealisten, tot atheïsten en ietsisten. Kapitalisten, communisten, fatalisten, optimisten, puristen. Bestaan allemaal.

Ook racisten, fascisten, extremisten, fundamentalisten en terroristen passen in deze hoek. Je hebt de sadist, de narcist, de egoïst. Prettiger zijn de illusionist en cartoonist, de levensgenietende hedonist, en de hobby- en lobbyist.

Helaas voor de taalpolitie: de vandalist komt zoveel voor dat hij de woordenboeken intussen gehaald heeft. De nazist, voor ‘nazi’, is ook onderweg daarheen. Ze hebben iets gemeen. De vandalist en nazist zijn te danken aan de woorden vandalisme en nazisme.

De vraag bij woorden maken is eigenlijk altijd: waaraan kun je iets vastplakken? Of wat neem je als uitgangspunt? En bijna alle ‘ismes’ leveren isten op. Socialisme-socialist, pessimisme-pessimist, en zo verder. Zeg nou zelf, waarom zouden de vandalist en de nazist dan geen bestaansrecht hebben?

Het isme wat. Een hartelijke groet van uw linguïst, journalist en columnist,

Liesbeth Koenen

Grote Woorden

Alles kan tegenwoordig maar. Er mag tegenwoordig ook werkelijk helemaal niks meer. Dit land is stuk. Dit land is af. Extreemlinks, extreemrechts.

Grote woorden zijn in de mode. Verraad! Verrader! Alleen verraadst ontbreekt er nog maar aan.

Was het omdat ik een maandje elders zat, en dus vanzelf met iets meer afstand keek dat het me ineens extra opviel? En, eerlijk is eerlijk: even behoorlijk irriteerde.

Want wat is er eigenlijk tegen grote woorden?

Schelden en slaan is onmacht, leerde mijn moeder me. Iets waar ik vroeger graag onmachtig slaand en scheldend op reageerde. Ze had natuurlijk een punt. Meer dan ik toen zag.

Maar ook minder, denk ik inmiddels. Want wie schreeuwt om de macht heeft wél al woorden en een stem. Het zijn de totaal machtelozen die je nooit hoort.

Ik maak er weinig vrienden mee heb ik gemerkt, maar ik zie bij de verschillende polen van de veelbesproken polarisatie hetzelfde gerammel aan de macht, soortgelijk getrek aan de bestaande verhoudingen. En dat uit zich in veel Grote Woorden.

Want volgens mij hebben ze meer gemeen dan je zou denken: de inmiddels bijna spreekwoordelijke boze witte man, de #metoo-vrouw, de DENK-aanhanger, de intersekse-persoon van wie vroeger niemand gehoord had, de dikke medemens, de protesteerder tegen het ‘white privilege’, de doofgeboren voorvechter van gebarentaal, de pleitbezorger voor een Suikerfeestfeestdag, en ja, ook de pedofiel die niet verward wil worden met een pedoseksueel.

Niet te vergelijken vindt u?

Vergelijkingen gaan als bekend nooit helemaal op. Maar het gaat over sekse en seks, godsdienst en uiterlijk, over achtergronden en vooruitzichten. En telkens om groepen die van zich doen spreken omdat ze niet langer accepteren dat anderen in hun ogen meer macht hebben.

‘Ze zouden hun woordkeus en hun toon echt moeten matigen,’ hoor ik vaak, over alle elkaar bevechtende partijen. ‘Het werkt alleen maar averechts.’

Ik aarzel. Ook ik loop geregeld te sussen en sissen: hou je gemak eens een beetje, sla niet zo dóór. En ook wel: stel je niet zo aan.

Maar tegelijk denk ik dat grote woorden en een stevige toon nodig zijn voor het begin van wat dan achteraf een geleidelijke verandering zal lijken. Zonder tamtam blijft alles mat.

Horecamomentjes

Toen ik deze week op de bus erheen stond te wachten, zag ik het ineens. ‘Monte Carlo’ – u weet wel, van de casino’s en de rally – is natuurlijk gewoon ‘Berg Karel’.

Ik heb geloof ik hardop gelachen. Het haalt het frivole er wel vanaf, dit echte horecamomentje.

Wat dat is? Een verrek-zeg-krijg-nou-wat-sensatie over een woord of uitdrukking. Zoals wanneer je erachter komt dat de horeca ‘horeca’ heet omdat iemand ooit de eerste twee letters van hotels, restaurants en cafés aan elkaar plakte.

En ja, ik weet uit ervaring dat ik een deel van u zojuist een horecamomentje bezorgde. De woordspelerigste man van Nederland, de maniakaal melige spelletjesprogrammamaker en schrijver Michiel Eijsbouts beweert de term verzonnen te hebben. Ik ben fan en geloof hem.

Een lichte versie van dit type taalbelevenis doet zich, in elk geval bij mij, nogal eens voor via een andere taal. Dan zie of zoek je plotseling verbanden.

Zo brak ik me hier in Frankrijk laatst het hoofd over het juichende, via de Fransen van de Italianen overgenomen ‘bravo’. En daartegenover ons… eh… nogal brave ‘braaf’. En hoe dat dan weer kon naast ‘brave’ (braav) op z’n Frans en ‘brave’ (breev) op z’n Engels, dat juist dapper betekent.

Dat deed het hier ook. Maar al het dapper lijkt verdwenen uit ons braaf. Eraf gesleten. Braaf? Ja, de hond is braaf. ‘Braaf geweest’, het klinkt werkelijk niet als ‘moedige daden verricht’.

Overigens schijnen de Fransen wel degelijk ook ‘mon brave’ voor ‘beste man’ zeggen. Op z’n Van Agts. Misschien ontdapperen ze daar ook.

En wist u dat het Italiaanse ‘bravo’ ook een huurmoordenaar kan zijn? Ik niet. Nadruk natuurlijk op ‘bra’, niet ‘vo’ bij de Italianen. Het zijn de Fransen die altijd maar weer hun woordeinden van een klemtoon willen voorzien.

Tip: steeds meer Fransen spreken Engels, maar om dat te kunnen volgen is het vaak nuttig om in je hoofd de klemtoon van hun Engelse woorden van achteren naar voren te halen. Goed voor menig oh-verrek-moment.

Enfin,  andersom herinner ik me levendig een Britse jongen die na weken Frankrijk nog steeds niet bedankte met een Frans merci, maar consequent met een Engels ‘genade’: mercy. Juist, met de klemtoon op ‘mer’.

Ondergedompeld

Vroeger had ik een vriendje dat kon toveren met z’n autoradio. Hij wist met een draai aan de knop de grauwe Amsterdamse grachten op slag te veranderen in zonnige Franse streken.

Alleen maar door een Franse zender op te zetten. Het effect van Frans horen was zo verbluffend dat ik er bijna veertig jaar later nog steeds aan terugdenk.

Helemaal nu ik een tijdje in Frankrijk zit. Want hier zet ik aldoor Franse zenders op om mezelf zoveel mogelijk bloot te stellen aan Franse klanken.

Dus staat vaak de tv aan. Ook op de achtergrond, als ik de afwas doe of met een – plaatselijke – krant op de bank zit.

Het voordeel van Franse tv-zenders is in dit geval dat je er alleen maar Frans op tegenkomt. Want wat niet al vanzelf Frans was, is nagesynchroniseerd.

Voor Frans horen is zappen dus nooit nodig. De eindeloze herhalingen van alle bekende Amerikaanse series zijn zelfs bij uitstek geschikt als achtergrondgeluid.

Want ik kan daar slecht naar kijken. Als wat mensen zeggen niet voor de volle honderd procent klopt met de bewegingen van hun lippen, dan krijg ik de kriebels.

Dat is geen totale aanstelleritis. We gebruiken lipbewegingen namelijk echt om te verstaan wat iemand zegt.

In een beroemd onderzoek lieten ze proefpersonen kijken naar iemand die ‘gaga’ zei, maar daaroverheen was het geluid van ‘baba’ gemonteerd. Wat we dan horen is ‘dada’. Iets ertussenin dus. Echt waar. Tot we onze ogen dichtdoen, dan wordt het wat het is: ‘baba’.

Maar dat terzijde. Wat ik hier probeer te doen is opnieuw toepassen wat vanaf mijn eerste lessen Frans de bedoeling was. In 1970 hadden ze net een nieuwe manier van lesgeven verzonnen, met zo’n idioot ingewikkelde naam dat ik hem uit mijn hoofd leerde: de audio visueel structureel globale methode.

Het kwam erop neer dat bij de moderne talen alles de hele les lang alleen maar in die taal ging. Een onderdompeling zou ons boven laten komen als Frans, Duits en Engels kwebbelende eindexamenkandidaten.

U begrijpt dat dat niet gebeurde. Onze puberhersens stonden naar heel andere dingen. En we waren natuurlijk al te oud voor extra moedertalen.

Toch benieuwd waar m’n hersenen van nu toe in staat zijn.

Ergernissenparade

‘Doder dan dood kan toch niet, waarom lees ik dan over dodelijkst?’ ‘Er stond “ze sloegen een zucht van verlichting” in de krant.’ ‘Waarom spreken we accent uit als aksent, maar accessoires niet als aksessoires?’ ‘Ze noemden brillenglazen die niet van glas maar van plastic waren toch glazen.’ ‘Het is u natuurlijk ook al opgevallen dat het woord fantastisch/zeg maar/eigenlijk/super/enzovoort te pas en vooral te onpas gebruikt wordt.’

Het is een kleine greep. Veelkleurig en breed is de ergernissenparade die langskomt in mijn mailbox. En bij alles krijg ik direct of indirect de vraag of ik dat nou niet eens kan aanpakken.

Laat me u vandaag bekennen dat ik me daar vaak zo machteloos bij voel. Ik kan u, zeer gewaardeerde mailer, namelijk niet geven wat u het liefst zou hebben. Wat we allemaal het liefst hebben: gelijk.

Of nou ja, ik kan het u wel geven, maar niemand heeft daar iets aan. Het maakt namelijk niet uit. Terwijl heus: ik voel uw pijn, om het eens te zeggen met een ook al zo vaak ergerlijk gevonden leenvertaling uit het Engels.

Maar heel veel jaren lezerspost hebben me duidelijk gemaakt dat we onze nekharen bij zeer uiteenlopende dingen omhoog voelen gaan.

Wel hebben we dit gemeen: daarna krijgen we last van dat gekke psychologische verschijnsel dat iets ineens overal lijkt te zijn.

Volgens mij hetzelfde mechanisme dat maakt dat je na het kopen van een rode auto tot je verbazing ineens aldoor rode auto’s rond ziet rijden. En heb je net een nieuw woord geleerd, dan kom je het prompt nog eens en nog eens en nog eens tegen. Voor die tijd registreerde je het blijkbaar niet.

Met mijn eigen ergernissen viel ik u hier ook wel eens lastig. Ik gruw van het vage ‘aangeven’ voor ‘zeggen, beweren’. Dat er ‘iets mist’ in plaats van ‘iets ontbreekt’ zal me vrees ik levenslang blijven opvallen, en ‘de data is’ en niet ‘de data (of de media) zijn’ went ook maar niet.

De columns daarover hielpen natuurlijk geen klap. En dat is precies wat ik bedoel: ik kan er niks aan doen.

De onbestuurbaarheid van taal is hier de boosdoener, ik ben slechts de machteloze boodschapper.

Verrukkelijk ouderwets

‘U gebruikt dat woord ook,’ zei er een, met een klein glimlachje.

Eh, wat? Het drong pas later die dag echt tot me door. Ja. Natuurlijk zeg ik ‘verrukkelijk’. Hoezo? Is dat een oudemensenwoord geworden?

Het kwam natuurlijk door de film. De studenten journalistiek met wie ik had staan praten, gingen schrijven over Het leven is vurrukkulluk. De nieuwe film die net zo heet als het inderdaad lang niet meer nieuwe boek van Remco Campert.

Dat kwam uit in 1961. En was volgens de studenten behoorlijk onleesbaar geworden. Ze hadden het erbij gehaald.

Ik keek daarvan op, maar realiseerde me dat het al snel veertig jaar geleden zal zijn dat ik zelf Camperts roomman (zoals hij het woord ‘roman’ erin spelde) las.

Daarom ging ik deze week terug naar het boek, en inderdaad terug in de tijd. Meer dan ik gedacht had werd het iets voor de twitteraar ‘Wiezegtdatnog’. Of voor de lijst ‘vergeetwoorden’, die op internet bijgehouden wordt.

Die verzamelingen zijn mooi, al was het me eerder wel opgevallen dat ik veel vergeetwoorden verre van vergeten ben. Oké, de bedelarmband, de babydoll en het broekpak zijn uit de mode geraakt. Maar bijvoorbeeld bonje, broddelen en briesen (ik beperk me even tot de b) lijken me van alle tijden.

Toch was ik verbaasd over heel wat woorden uit de wereld van 1961. Daarin is sprake van verlofgangers,  en venten met geschriften. Jongens hebben graangele kuiven, er rijden hoogwielende kinderwagens door het park, waar starogige families en langverloofden lopen. Kinderen worden ‘klein gespuis’ genoemd,  en er is een retirade met natuurlijk een retiradejuffrouw.

Ik begreep de moeite die twintigers daarmee hebben wel.

Wat ik juist onthouden had was overigens het goede oor van Campert, en de daar vaak mee samenhangende spellingsgeintjes.

Het ‘vurrukkulluk’ uit de titel natuurlijk. Maar heel ver voor de sms- en chattaal van nu schreef Campert al  ‘teerst’ voor ‘het eerst’, en ‘2 van 1/4tje’.  Lees het hardop voor en ‘Ik heb trek nijslollie’ klopt perfect.

Hij heeft het consequent over het ‘seksjuwelen verkeer’, en er wordt Mary-you-Anna, Marie-Johanna, en Mah-Rioe-Wan-A gerookt, waarna ze gaan giegullen.

Als puber vond ik dat allemaal prachtig. Om niet te zeggen vurrukkulluk. Maar misschien is het inderdaad oubollig geworden.

Droevig lot

Misschien is het wel de kleinste taal van de kleine talen in Europa: het Bildts. En nee, dat spreken ze niet in De Bilt. Wel in Nederland, in een stukje van Friesland dat het Bildt heet.

Ik geef grif toe dat ik er nog nooit van gehoord had. Maar nu wel. Dankzij journaliste Maartje Duin, die voor een radiodocumentaire onder meer op stap ging met de hoofdredacteur van de Bildtse Post, de enige krant ter wereld waarin Bildts wordt geschreven.

Ongeveer 6000 mensen spreken Bildts. Ze heten Bilkerts. Wat het is? Een streektaal met toch alweer vijf eeuwen geschiedenis.

Daar ga ik dan weer een beetje van watertanden. Want wat is er gebeurd? Hollanders kwamen begin zestiende eeuw een Fries gebied inpolderen dat indertijd al Bil of Billand werd genoemd. Die inpolderaars namen hun taal natuurlijk mee.

Maar ze gingen niet meer terug. En bleven blijkbaar min of meer een enclave vormen. Uit hun taal van toen is het Bildts van nu voortgekomen.

Het bouwplan van dat Bildts, de grammatica dus, is na al die jaren vooral Fries geworden. Maar in de woorden spreekt Holland nog een flink woordje mee.

‘Maisy’ zeggen de Bilkerts tegen meisje, en ‘hússy’ tegen huisje. Dat is echt een eindje weg van het Friese ‘famke’ en ‘húske’. Maar behoorlijk in de buurt bij de Hollanders van nu, die als ze een beetje informeel praten ook ‘meisie’ en ‘huisie’ zeggen.  

Je kunt het onmogelijk anders dan interessant en sympathiek vinden allemaal. Neem die hoofdredacteur, Gerard de Jong. Hij nam al op zijn 21ste de hoofdredacteurszetel over van zijn grootvader, die toen stierf.

De Jong gaat het om het behoud van het Bildts. Er dreigt extra gevaar, door een herindeling van gemeentes. En de scheidend burgemeester mag dan altijd Bildts praten met zijn vrouw, tegen zijn kinderen praat hij Nederlands.

Taal is politiek. Een waarheid als een koe. Zonder politieke steun heeft elke taal, groot of klein, het zwaar. Vooral kleine talen wacht vaak een droevig lot.

Ik hou ook mijn hart vast voor het Bildts. Maar misschien brengt De Redder van het Bildts redding. U kunt er zondagavond naar luisteren. Om negen uur, NPO radio 1. Warm aanbevolen.

Tekstkletsen

De letters en tekens op het scherm waren nog allemaal groen, en het ging heel traag, dat weet ik ook nog.

Maar wat een sensatie: ik kon lezen wat mijn vriend aan de ene kant van de stad tikte op zijn computer. Net zoals hij mijn reactie las aan de andere kant. Waar hij dan weer op reageerde, en zo verder.

Inderdaad, dit was de oertijd. De jaren tachtig. Het woord chatten kenden we nog niet, maar dat was – via een modem en een computerprogramma dat Kermit heette – wel degelijk wat we deden.

De herinnering kwam boven omdat iemand me wees op een artikel dat me nogal onzinnig leek. Het behandelde namelijk waarom je boos klinkt als je een punt zet aan het eind van bijvoorbeeld een whatsapp-bericht.

Boos? Maar het bleek geen totale flauwekul. Intussen hebben we natuurlijk een veelvoud aan manieren om te ‘tekstkletsen’. Bijna de hele bevolking is massaal onderling aan het schrijven geslagen. En dat is gloednieuw.

Er ontwikkelen zich nieuwe gebruiken en gevoelens, blijkt. Er is wat onderzoek gedaan al. Geen punt aan het eind van een bericht is spreektalerig, en voelt eerder als een uitnodiging aan de ander om door te gaan.

Wél een punt is formeler en kan ‘einde discussie’ aanduiden. Wat dan weer bozig kan klinken. Mensen blijken ook geneigd om een eenregelig tekstbericht zonder punt als oprechter te ervaren dan eentje met.

Raar en overdreven? Misschien nu nog wel. We zullen zien wat het wordt op den duur.

Om op verder te borduren lijkt me in elk geval de gedachte dat je in geschreven taal nu veel vaker ziet wat we allang kennen van praten: we laten een hoop afhangen van tegen wie we het hebben en van de omstandigheden.

Want ‘dat is dan ook goed klote’ zeg je niet snel tegen de ober in een chic restaurant die meldt dat de bisque de homard helaas op is. Omgekeerd kijk je zelf vreemd op als die ober je verwelkomt met ‘Hé hallo jongens, kom d’r in’.

Wat weer heel gewoon is wanneer je bij vrienden aanbelt. En vertellen die je dat de beloofde kreeftensoep mislukt is, dan is een commentaar met krachttermen vaak wel acceptabel.

Taaltocht

Niets is wat het lijkt. En overal is of was strijd, strijd, strijd. Dat is het beeld dat blijft hangen.

Eindelijk kwam ik toe aan een kleine inhaalmanoeuvre: ik las het boek Lingua van journalist Gaston Dorren. Die neemt z’n lezers mee op een Europese taaltocht vol verrassende taalkronkels en vergezichten.

Een ontstellende hoop uitzoekwerk zit erin, waarvoor Dorren beloond wordt met verkoopsuccessen in andere landen.

Dat is verdiend. Grote delen van de geschiedenis van Europa kun je aflezen aan de grote en kleine talen die er gesproken worden. En let op: grenzen en taalgebied vallen eigenlijk nooit precies samen.

Althans, het ligt er ook aan wat je een taal noemt. We hebben dan bijvoorbeeld wel allemaal geleerd dat ze in Zwitserland behalve Duits, Frans en Italiaans ook Reto-Romaans (pas op: niet Retro-) spreken, maar dat Reto-Romaans is helemaal niet één taal. De verschillen van plaats tot plaats zijn enorm.

Ook de argumenten die altijd gebruikt worden om het Fries een taal te noemen gaan niet op, laat Dorren doeltreffend zien. Oud? Er zijn ook jonge talen. Al lang een spelling? Veel talen hebben nog steeds geen spelling. Enzovoort.

Een les: afdwingen, opleggen blijft moeilijk als het om taal gaat. Misschien hoorde u wel eens dat er in Noorwegen twee ‘Noorsen’ bestaan, het Nieuwnoors (Nynorsk) en een Boekentaalnoors (Bokmål). Dat moest geleidelijk aan één Samennoors worden. Lukt niet.

Terwijl van buitenaf zoiets altijd een volkomen logisch en praktisch streven lijkt. Handig toch, als iedereen dezelfde taal spreekt? Maar in de praktijk wil niemand zijn eigen moedertaal moeten verlaten of veranderen.

Bovendien is taal nou net hét gratis middel voor iedereen om anderen te laten zien en zelf te voelen bij welke groep je hoort.

Stof tot nadenken genoeg, maar Lingua is ook gewoon een heerlijk struinboek.

Dorren strooit gul met smakelijke taalweetjes. Grappig vond ik bijvoorbeeld dat ook de Fransen in de tijd van de Renaissance terug gingen naar de klassieken, waar ze weliswaar vandaan kwamen, maar toen al een heel eind van afgedwaald waren.

Ze leenden uit het oude Latijn bijvoorbeeld fragilis, wat ‘fragile’ werd, terwijl datzelfde fragilis eerder al ‘frêle’ was geworden. En wij namen frêle en fragiel dan later weer allebei over.

Familiebegrip

Het kwam door m’n tante en de Frenkespudding. Ineens zag ik het: taal is een ui. En we hebben allemaal onze eigen taalui in onze kop zitten, die zich laag voor laag laat afpellen.

Uien lijken erg op elkaar, maar toch zijn er geen twee precies hetzelfde. Dus de schillen verschillen, maar als u dit leest dan delen wij grote delen van de buitenste. Dat doen we namelijk met iedereen die huis-tuin-en-keuken-Nederlands vol huis-tuin-en-keuken-woorden kent. Zoals huis en tuin en keuken.

Wat meer naar binnen komen de stukken taal die je in kleinere kring gemeen hebt. Hetzelfde schooltype, dezelfde streek of buurt, dezelfde generatie. Het kan allemaal sterk vergelijkbare taalschilletjes opleveren.

Wanneer gaan we het jargon noemen? Lastig bepalen. Ik weet wel dat ik een schilletje deel met vakgenoten die ook weten wat er met pakweg ‘c-commanderen’ of ‘semantische ambiguïteit’ bedoeld wordt.

Maar ook jongerentaal is een soort jargon, denk ik altijd. Bedoeld of onbedoeld doet het wat alle jargons doen: tegelijkertijd binnensluiten en buitensluiten. Wie boven de veertig ‘vet’ als versterker gebruikt bijvoorbeeld (vet mooi, vet goor), zet zichzelf te kijk. Dan wil je ergens bij horen waar je niet bij hoort.

Het persoonlijkst is het hartje van de ui. Daar vind je de koosnamen en standaardwoordgrapjes die je alleen met je geliefde deelt of deelde. En ook familietaal zit in een diep verstopt, dun laagje.

Nu m’n vader dood is, dacht ik dat alleen m’n broer nog bekend was met het begrip Frenkespudding, genoemd naar een of andere voorouder. Een heeroom zelfs geloof ik, wiens lievelingstoetje het was.

Maar wat een vergissing. Laatst sprak ik m’n tante, de allerlaatste die ik bezit. Ook nog van wat zo onaardig de kouwe kant heet. En wat gaat zij met kerst maken voor mijn neven en nicht, die allemaal achterneven en –nichten hebben voortgebracht? Precies, Frenkespudding.

Mijn uienhartje bleek dus groter dan ik dacht. En die pudding is trouwens verrekte lekker. Ik denk dat ik hem ook ga maken.

En dan zorg ik dat hij ‘zalfie dolfie’ wordt, zoals m’n moeder zei. Al ging dat geloof ik meestal over een goedgelukte saus. Ach ja. Voor je het weet verschuift zelfs familietaal in betekenis.

Een mooie kerst gewenst!

Nootje: Zalfie dolfie, danwel dolfie zalfie had ik even moeten googelen. Blijkt veel vaker gebruikt te worden, geen verzinsel van m’n moeder dus.

Diepgevoelder

 ‘Ik haat de Brexit van alle kanten,’ zei Rutte vorige week. De minister-president was als gebruikelijk uitgesproken in zijn uitspraken, maar ik noteerde deze omdat ik al jaren de haten- en haatontwikkelingen volg.

Haat is beslist niet meer wat het geweest is, kan ik u zeggen. Haat is afgevlakt. De emotie die er in mijn jeugd bij hoorde was meestal veel heviger. En haat komt nu vaker ter sprake. Zo’n beetje alles kan gehaat worden, en zo’n beetje iedereen doet het.

Een tijdje terug zag ik in een Amsterdamse tram een paar ruziënde meiden. ‘Eigen schuld als je hoog gaat doen, en haat op mij gaat gooien!’ hoorde ik er eentje zeggen. Ik was meteen gegrepen. Zo’n onderlinge pubermachtsstrijd ziet er nog precies hetzelfde uit als vroeger, maar het klinkt echt anders.

Een vorm van jongerentaal. Natuurlijk. En bij jongerentaal hoort dat die niet alleen anders, maar ook heftiger is dan de saaie tamme taal van oudere generaties.

En er speelt volgens mij nog iets mee: invloed uit het Engels. Onze haat, in de van oorsprong Nederlandse betekenis dus, is heftiger, diepgevoelder dan de Engelse hate.

‘Er een hekel aan hebben’ was tot voor kort dikwijls een betere vertaling van ‘to hate’ dan ‘haten’ Maar ja, zo gaat dat. ‘Hate’ en ‘haten’ lijken gewoon te veel op elkaar. Gevolg is wel dat er iets van de Engelse betekenis afwrijft op het Nederlandse woord.

Haat is een succesvol aanplakkertje. Ergens achter dat gebeurde al lang: mensenhaat, zelfhaat, rassenhaat. Ergens voor is nu in de mode: haatcampagnes, haatvloggers, haatpredikers en vul zelf maar iets in.

We hebben ook ‘haters’. Die kan ik me van vroeger niet herinneren. Vooral online is het nu een regelmatig aangetroffen mensensoort. Dat lijkt me ook een leenvertaling uit het Engels.

Enfin, hatende minister presidenten zijn dus een jong verschijnsel. Althans. Over een verre voorganger van Rutte (Gerbrandy) ging wel het heerlijke verhaal dat hij een Britse ambtgenoot in Delft begroette met de woorden: ‘I hate you welcome in this town where all the Oranges are buried’. Wat vertaald neerkomt op: ‘Ik haat u. Welkom in deze stad, waar allemaal sinaasappels begraven zijn.’

Jammer jammer dat dat inderdaad niet meer is dan een verhaal.

Ik ben goed

‘Heb een grote tijd’ wenste een goede vriend me toe, toen ik vorige week in de Verenigde Staten was.

Aardig van ‘m, en toepasselijk en geestig. Ik had inderdaad ‘a great time’. En ik vind die letterlijke vertalingen onweerstaanbaar. Om redenen die me duister zijn, krijg ik er al gauw de slappe lach van zelfs.

Dat ontdekte ik denk ik door Klein Duimpje, ‘Little Thumpkin’, in de ‘Engelse’ vertaling van schrijver Rudy Kousbroek. ‘There sits no dry bread in it’, klaagt Klein Duimpjes vader de houthakker tegen ‘his woman’ over dat hout hakken. En hij doet nog wel zo z’n best: ‘I work myself an accident the whole day.’ Little Thumpkin zelf noemt de weg terug vinden na achterlating van een kiezelsteentjesspoor ‘no art on’, geen kunst aan. Enzovoort. Ontzettend flauw, ik weet het.

Hoewel het ook kan zijn dat mijn giechelzucht als eerste gewekt werd door Wim T. Schippers, met zijn vertaalde pophits. Nog altijd ga ik ‘Jij kan rinkelen mijn bèhèhel, rinkel mijn bel’ meezingen bij Anita Wards ‘Ring my bell’. En ook ‘Ik wil dat je mij wil, ik heb nodig dat je me nodig hebt’ kan ik maar niet vergeten wanneer ik ‘I want you to want me, I need you to need me’ hoor (van Cheap Trick).

Die letterlijke vertalingen leggen natuurlijk bloot dat ze de dingen elders anders zeggen. Anders doen.

Neem het volgende. Wanneer je een taal spreekt, spreek je als bekend nog niet de formules, de standaardreacties, de beleefdheidsuitdrukkingen. Ik spreek heus Engels, maar moet toch nog vaak de neiging onderdrukken om echt te reageren bij de standaardbegroeting ‘How are you?’. Niet de bedoeling.

Een waar ik altijd om moet glimlachen, is de afwimpelformule voor eten en drinken. En die heb je nodig ook, want allemachtig, Amerikanen lijken de ultieme kruideniers. Elke twee minuten breken ze ruw in met de vraag of je anders nog iets gehad had willen hebben.

Ik bespeurde dit keer een verandering in het antwoord. Een kwart eeuw geleden was iedereen ‘fijn’. ‘I am fine’ zei je als je niet nóg een glas wou.

Maar ‘fijn’ lijkt ‘goed’ geworden. ‘I am good’ hoorde ik althans overal om me heen. Goed hoor.

Dichterlijke woorden

Redenatie, provocatie, natie. Fermentatie, installatie, nominatie, gratie. Penetratie, normalisatie, emigratie, complicatie, indicatie. Associatie, ventilatie, liquidatie, irritatie, creatie.

Honderden en honderden zijn er. Het gaat maar door: communicatie, educatie, medicatie, circulatie, consternatie en concentratie.

We hebben een ware oceaan aan woorden die eindigen op –atie. Allemaal rijmvoer. En dat hebben we deze week weer nodig. Althans, voor mij blijft de allermooiste Sinterklaastraditie elkaar op pakjesavond eens fijntjes de waarheid zeggen. Graag met humor, en bovenal: met een gedicht.

En elk jaar tegen de tijd dat de dichtader moet gaan stromen blader ik weer ijverig in het eerste goede rijmwoordenboek dat in Nederland verscheen, toepasselijk Nederlands Rijmwoordenboek geheten. Dertig jaar oud, nooit overtroffen.

Ik praatte een keer met de maker. Dat is Jaap Bakker, en hij bleek een hekel te hebben aan rijmen op –atie. Te flauw, te makkelijk, niet bevredigend. Omdat het er zo veel zijn.

Voor wie een doorwrocht, verrassend gedicht of lied wil maken is dat natuurlijk waar, maar voor ons amateurs zijn al die atie-woorden een zegen.

Behalve misschien op één punt. Ze hebben gemeen dat ze van oorsprong Romaans zijn. Maar ‘het hart spreekt geen Latijn’ stelde Bakker.

Hij had daar een mooie extra reden voor. Bakker had een groot computerbestand samengesteld met 10.000 rijmwoorden die aan het einde van dichtregels stonden in twee populaire bloemlezingen met Nederlandse gedichten: een van Gerrit Komrij en een van Hans Warren. In de jaren tachtig nog een enorme klus om te maken.

Het leverde wel iets op. Misschien lag het aan de samenstellers, maar van oorsprong Germaanse woorden bleken het in de gedichten veel beter te doen dan woorden uit de Romaanse talen, zoals het Frans.

De computer telde natuurlijk ook. Het meest voorkomende rijmwoord bleek ‘leven’ te zijn. Daarna kwamen: ‘niet’, ‘zijn’, ‘licht’, ‘gaan’, ‘komen’, ‘aan’, ‘uit’, ‘nacht’ en ‘land’. 

En pas een heel end verderop kwam het eerste Romaanse woord: ‘straten’. Maar dat voelt voor de meeste mensen niet van vreemde komaf. Al hebben we ook ‘wegen’, wat weer wel Germaans is.

Dus u moet het zelf weten, u kunt rijmen met ‘zweten’. Maar misschien haalt u uw dichtinspiratie toch liever uit woorden als ‘transpiratie’. Laat hoe dan ook uw Sinterklaashart spreken.

Slim is dom

Dat het kan, verbaast me toch altijd: vroeger was iets een gewoon, fijn woord. Maar dan wordt er een tijdje aan de betekenis gesjord, gedouwd en getrokken, en dan merk je ineens aan je nekharen dat er iets veranderd is.

Voortaan gaan die bij een bepaald woord prikken. En in je buik voel je argwaan rommelen.

Ik heb het de laatste tijd met ‘slim’. Merkwaardig, niet? Iedereen wil slim zijn per slot van rekening. Het zijn dan ook juist de slimme dingen waarbij ik me licht ongemakkelijk voel.

Slimme meters, slimme camera’s, slimme stoplichten, slimme ijskasten, slimme auto’s, slimme bommen. De gekste dingen worden ‘slim’ gemaakt.

Het betekent vooral dat er software in zit. Die berekent en verzamelt gegevens, waar vervolgens iets mee gedaan wordt. Wat precies is lang niet altijd te voorspellen. En ‘slimme dingen’ ontbreekt het ook aan wat wij ‘gezond verstand’ noemen. Dat alleen al maakt me huiverig.

Neem nou de relatief simpele ‘slimme meters’, die deze week weer eens in het nieuws waren. Ze houden in de gaten hoeveel energie je wanneer gebruikt.

Maar dat blijken ze niet altijd betrouwbaar te doen. En bij sommige zou er door een constructiefoutje gas kunnen lekken. Daarnaast: gaat het de rest van de wereld wel iets aan wanneer u de kachel hoog zet of ik het licht uitdoe?

Zo wordt het etiket ‘slimme meter’ geplakt op wat je ook ‘foutgevoelig’ of ‘gevaarlijk’ zou kunnen noemen, of ‘bemoeizuchtig’. Om niet te zeggen: dom.

Dit heet tegenwoordig geloof ik ‘framen’, maar de truc is waarschijnlijk net zo oud als mensentaal.

Enfin, slim = dom. Dat doet denken aan 1984. Aan wat George Orwell in dat onverslaanbare boek ‘newspeak’, ‘nieuwspraak’ doopte. Het speelt in een land waar het ministerie van Waarheid (dat propaganda verzint en de geschiedenisboeken voortdurend herschrijft) slogans hanteert als ‘Vrijheid is slavernij’ en ‘Oorlog is vrede’.

Een rijke bron aan nieuwe begrippen, die geen spatje minder populair worden. Ook de ‘Gedachtepolitie’ danken we aan Orwell. En natuurlijk Grote Broer. Big Brother. Die meekijkt.

Extra toepasselijk, want die slimmigheidjes in de dingen lijken de Big Brotherwereld met reuzenschreden werkelijkheid te maken.

Ik hou intussen de kaping van het woord ‘slim’ in de gaten.

Borrelpraat

Een half litertje bier erin, dat scheelde hoorbaar. Het waren Duitsers. Bijzondere Duitsers: ze hadden net Nederlands geleerd. En ze wilden meedoen aan een experiment aan de universiteit in Maastricht.

De ene helft dronk iets non-alcoholisch, de andere kreeg bier. En kijk aan, de bierdrinkers spraken daarna beter Nederlands dan de anderen. Vooral hun uitspraak klonk Nederlandser.

U bent niet verrast? Was ik ook niet.

Dit is nou typisch wat ze een ‘ervaringsfeit’ noemen. Stroomt de alcohol naar binnen dan stroomt de vreemde taal ineens veel gemakkelijker naar buiten. Jaren geleden was ik al eens een onderzoek tegengekomen waaruit tot m’n vreugde kwam dat dat geen verbeelding was. Ik onthield: je dénkt niet alleen dat het beter gaat, anderen horen dat ook.

Gek genoeg vonden de drinkende Duitsers zelf hun Nederlands niet beter worden. Misschien is daar nog wat meer drank voor nodig dan ze kregen.

De vraag is hoe dan ook hoe het kan. Wat doet die alcohol precies?

‘Dutch courage’, stond er boven het persbericht hierover. U weet, in het Engels figureren wij Dutch vooral als schraperige, onbetrouwbare zuipschuiten. ‘Going Dutch’ betekent bijvoorbeeld dat iedereen voor zichzelf betaalt als de rekening komt, ‘Dutch gold’ is nepgoud en ‘Dutch courage’ noemden we vroeger jenevermoed.

‘Je moed indrinken’ is onze eigen, wat neutralere uitdrukking. Moet moed? Heb je dat inderdaad nodig om een andere taal te spreken?

Nou, niemand kan het vooralsnog bewijzen, maar een beetje lef lijkt me mooi meegenomen. Want wie voelt zich nou niet al snel stiekem ongemakkelijk, een beetje een aansteller zelfs in een vreemde taal?

Zeker als je écht probeert te praten zoals échte Engelsen of Fransen of wat dan ook het doen. Dat een goed glas je over die drempel kan helpen geloof ik grif.

Maar dan zit ik toch met de ochtenden. Heeft u dat ook? Zelfs als ik uitgeslapen en fris aan de dag begin, heb ik in een vreemde taal opstartproblemen. Dat Engels of Frans of Italiaans wil bij het ontbijt niet lekker rollen. Of m’n tong in de knoop zit.

Ontwaak ik zo moedeloos? En doe ik – ook zonder drank – dan vanzelf in de loop van de dag meer moed op?

Nee, die borrelpraat zit voorlopig nog vol raadsels.

Niet achterlijk

Ha, daar gingen we weer. Het was een vrolijk gezicht. Er werd gesmeten met vleestomaten en paaseieren. Er werd gegierd om de koetjesreep en de blinde vink. De baby-, moeder-, koffie- en kokosmelk spoten in het rond. Met nog een drupje babyolie toe.

Waarom? Het kwam allemaal door de vegetarische gehacktballen en de vegetarische speckstuckjes van de Vegetarische Slager. Daarvan heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit besloten dat ze zo niet meer mogen heten.

In januari was het nog de VVD die meeging in ‘schnitzelgate’, een in Duitsland geboren plan voor een verbod op onder meer de naam ‘schnitzel’ voor schnitzels waar geen dierenvlees in zit. Want ook dat zou misleidend en verwarrend zijn.

Toen, en nu opnieuw barstte het los. Verontwaardiging en lachen. Er klinkt in door: zeg, we zijn niet achterlijk. We weten toch dat spinazie, uien en knoflook ook ‘gehakt’ kunnen zijn. Net zoals dat er aan ‘paaseieren’ geen kippen of vreemdere vogels te pas komen.

We kunnen inderdaad prima overweg met speling en onzekerheden in hoe iets te interpreteren.

Wat daarbij helpt: alle dingen die we toch al wisten, onze ‘kennis van de wereld’. We weten dat baby’s geen melk geven en dat je er geen olie uit kunt persen. Dus denken we niet gauw dat babymelk en babyolie qua betekenis hetzelfde in elkaar zitten als koemelk (komt van koe) en olijfolie (komt van olijf).

Dit is ook wat we nog steeds vóór hebben op automatische vertaalmachines. En een belangrijke reden dat die nog wel even zeer onbetrouwbaar zullen blijven.

Of ‘Vegetarische Slager’ dan wel mocht, kwam ook langs. Ja joh, laat toch, riep ik stilletjes terug. En ik begon me spontaan te verwonderen over het woord slager.

Want vergeet even de vleeshouwerbetekenis en luister met een vers oor. Dan is een ‘slager’ eerder iemand die slaagt dan iemand die slacht. Zoals een drager draagt, een knager knaagt. Of zou slager van ‘slaan’ kunnen komen?

Mijmerend vloog ik ineens terug in de tijd. Naar het menu dat ik ooit met een vriendin opstelde en klaarmaakte voor een hevig in vechten en oorlog geïnteresseerde collega. Immens tevreden waren we toen we bij de kogelbiefstuk, puree en hangop met granaatappel een bijpassende groente verzonnen: sla.

Betrapt

‘Het had ook een stuk slechter kunnen aflopen.’ ‘Aan mij heb je niks.’ ‘Ja, de groeten.’ ‘Pas je een beetje op?’ ‘Was dat jouw glas?’ ‘Dat zou je ook niet zeggen.’ ‘En zo blijven we bezig.’

Betrapt. Dat voelde ik me. Want ja, ook ik gebruik ze graag en grif: de dagelijkse clichés die al jaren verzameld en verspreid worden door Pepijn Hendriks en Wouter van Wingerden.

Twee mannen met verstand van taal die zich in dit verband de clichémannetjes noemen – wat inderdaad weinig origineel is, want zo begonnen Kees van Kooten en Wim de Bie ooit hun carrière. Maar dat terzijde.

Ik zag ze vaak voorbijkomen op internet, wat goed was voor menige grinnik. Nu is er een boekje uit, met een titel die volgens mij een goed voorbeeld is van een nieuw cliché: Het is jouw feestje!

Het is een gemeenplaats die ik me in elk geval niet herinner uit de vorige eeuw. Is het iets uit het Engels? Een leenvertaling van de kreet die ook zit in de prachtige hit It’s my party (and I’ll cry if I want to)?

Ik kan het u niet zeggen. Het is een leuke collectie van 150 clichés – een per pagina – maar het is wel een in alle opzichten nogal dun boekje geworden. Waar de kreten vandaan komen, waar ze goed voor zijn, wat ze betekenen, hoe lang we ze al kennen, wie ze het meest gebruiken? Dat mogen we allemaal zelf verzinnen.

Eén categorie zijn in ieder geval grapjes. ‘Oh, wordt het zo’n dag’, is stevig ingeburgerd inmiddels. Nieuwe smartphones kunnen rekenen op de vraag ‘Kun je er ook mee bellen?’

Nou ben ik dol op grapjes, maar de vraag is hoe lang die leuk blijven.

Ik moet hierbij vanzelf denken aan mijn jaren als caissière in een bioscoop. Wanneer je ze vertelde dat er alleen nog kaartjes voorin de zaal waren, keken negen van de tien klanten je stralend en verwachtingsvol aan en riepen: ‘Ah, nekloge!’

‘Of je een emmer leeggooit’ bij het noemen van de prijs, was het andere vastgeroeste grapje dat op den duur hooguit een grimlachje kon opwekken bij ons in de kassa. Te cliché geworden in onze oren.

Nu ja, het was dus hún feestje.

Groen en geel

Jasses, ineens verzoop de zomer in plensbuien deze week. De kans op nog wat zoele zomeravonden lijkt voorlopig verkeken.

Zoel ja. Niet zwoel. Zoel is het enige woord voor dat aangename, misschien wat lome gevoel bij een perfecte temperatuur met liefst een zuchtje wind. Of zo’n avond ook zwoel wil worden – dus: licht opwindend, sexy – is maar afwachten.

Tenminste, zo is het beslist voor mij.

Maar onder u zijn er velen voor wie een ‘zoele zomeravond’ juist een ‘zwoele zomeravond’ heet. De meeste Nederlanders kennen het woord zoel waarschijnlijk helemaal niet. Zoek met een zoekmachine en zie hoe op internet de ‘zwoele zomeravond’ het glansrijk wint van de ‘zoele’.

En ook woordenboeken zien inmiddels geen of nauwelijks verschil. Die beweren soms bovendien dat het allebei ‘benauwd, drukkend’ betekent.

Nou ja zeg! Klopt niks van. Erger, erger. Groen en geel.

Ho, stop. Daar heb je het weer. Het is gewoon mijn ouderdomskwaaltje dat opspeelt.

Want ga maar na: hoort u nou ooit een twintiger klagen en treuren over de teloorgang van onze mooie moedertaal? Welnee.

Omdat ik het anders geleerd heb dan ik het nu hoor en lees, meen ik het beter te weten. Het is een overbekend verschijnsel. En je ziet het in elke generatie opnieuw opduiken.

Dat gaat ver terug, want ook de oude Romeinen waren er vast van overtuigd dat de jeugd van tegenwoordig geen fatsoenlijke taalbeheersing meer had.

Gelijk kregen ze, kun je zeggen, want het Romeins – dat we natuurlijk meestal Latijn noemen – is inderdaad teloorgegaan. Of anders gezegd: overgegaan in een handvol Romaanse talen.

De ‘fouten’ die de jeugd invoert zijn een van de belangrijke motoren achter taalontwikkeling. En taalontwikkeling is kennelijk nodig om een taal levend te houden. Want als bekend zijn het uitsluitend dode talen die niet veranderen.

Het grappige is ook dat niemand ooit pleit voor herinvoering van de taal van een of twee of tien eeuwen geleden. Wie zich ergert, heeft heimwee naar de taal van z’n jeugd. Vandaar dat ik het, ook bij mezelf, een ouderdomsverschijnsel noem.

En dat zoel en zwoel dan? Wel, als je toevallig zelf alleen zwoel geleerd hebt, mis je ook niks. Zeg ik met de mildheid van de ouderdom.

 

Husselen

Ineens stond er een nieuw bord. Een rode rand rondom een aan een vork geprikt worstje boven een walmende barbecue. ‘Het is niet toegestaan te barbecueën in het hele Vondelpark. Art 3.6 van het Parkreglement’ las ik. Want dat stond eronder.

Ik las het nog een keer, maar kon een grinnik echt niet onderdrukken. ‘Het is niet toegestaan te barbecueën in het hele Vondelpark’ riep de onweerstaanbare neiging op om ‘maar wel in het halve gelukkig!’ te roepen. Of iets dat daarop leek.

Hoe zat dat? Ik maakte een foto, en puzzelde thuis even op de bordtekst. Het Nederlands laat zich zo heerlijk husselen.

Schuiven met stukjes en beetjes zin levert bijvoorbeeld ook dit op: ‘Het is niet toegestaan in het hele Vondelpark te barbecueën’. Maar ja, daarbij blijf ik meteen iets willen terugzeggen als: ‘haha, ik wil ook maar in een klein hoekje.’ En ook ‘Het is niet in het hele Vondelpark toegestaan te barbecueën’ heeft hetzelfde effect.

Voelt u ‘m nog? Dit is dan wel een gevalletje ‘je gaat het pas zien als je het doorhebt’, maar ook ‘als je te lang kijkt zie je het niet meer’.

Het zijn namelijk allemaal wel goede Nederlandse zinnen, ook al lijken ze iets anders te betekenen dan de bedoeling is. Ik bedoel: de husselbaarheid houdt pas echt op bij dingen als: ‘Het is te barbecueën niet toegestaan in hele het Vondelpark.’

Enfin, mijn krakende hersenen kwamen uit op deze verbeterde versie: ‘Het is in het hele Vondelpark niet toegestaan te barbecueën’. Goed. Ik zette de hele zooi op Twitter.

Binnen een halve minuut kwam de eerste twitteraar al met een veel mooiere oplossing: gewoon dat woordje ‘hele’ schrappen.

Verdomd! Het lijkt wel tovenarij: door ‘hele’ weg te halen gaat het ineens wél over het hele park. Kijk maar: ‘Het is niet toegestaan te barbecueën in het Vondelpark.’ Klaar.

Slordigheid, zagen sommigen in de bordtekst. Ik zie er eerder verkeerd uitpakkende zorgvuldigheid in, en heb te doen met degene die de zin maakte. Die dacht natuurlijk: ik moet er nog even uitdrukkelijk bij zetten dat het voor het héle park geldt. Dat daar geen misverstand over kan zijn.

Jee. En dat dát dan precies het misverstand oplevert.

 

Apenpraat

Hij was te verlegen om te gebaren met vreemden. Dat las ik over Chantek, een orang-oetan die vorige week stierf in een dierentuin in Atlanta, 39 jaar oud.

De eerste negen jaar van z’n leven groeide hij op tussen mensen. Zo veel mogelijk als een mens, in een tijd dat er meer van zulke experimenten werden gedaan.

De grootste vraag daarbij was steeds: kan een aap ook taal leren?

Toevallig was ik me net weer een beetje aan het verdiepen in pratende apen van allerlei soorten. Buiten onszelf dan, bedoel ik. Er zijn bekend geworden chimpansees en bonobo’s, er is een wereldberoemde gorilla. En dus de orang-oetan Chantek.

Een heel stel van hen kreeg les in gebarentaal, ook Chantek. Apen hebben namelijk geen strottenhoofd waarmee genoeg taalklanken te maken zijn om goed te kunnen praten. Gebarentaal gebruiken was een vondst.

De opwinding uit die tijd zindert nog na: stel je voor, we zouden er zo eindelijk achterkomen wat er leeft in een andere diersoort.

Nu filmpjes terugzien, en lezen over al die gebarende mensapen is aan de ene kant hartveroverend, aan de andere hartbrekend.

Ja, je bleek ze behoorlijk wat te kunnen leren. Soms wel een paar honderd gebaren. Ontiegelijk slimme beesten.

Maar we zouden het nu geen dier meer willen aandoen. Al dachten juist degenen die de apen trainden vaak dat ze heel veel leerden.

Tot anderen goed gingen kijken. Steeds bleek dan dat die apentaal toch niet zo ver ging. Hun belangstelling ook niet. Apen vragen om eten, kietelen, spelen. En doen vaak gewoon alleen hun verzorgers en trainers na.

Dat die er meer in lezen, is zeker niet altijd opzet of bedrog. Het is een gevolg van onze eigen natuur, ons eigen taalvermogen: we kunnen niet anders dan proberen iets begrijpelijks te maken van wat we zien of horen. En we denken zelfs van robots al snel dat die ons begrijpen.

Vreemde ogen dwingen, zeggen ze. Maar niet bij dierentaal. Zo was er ook de knappe papegaai Alex. Die deed de ingewikkeldste opdrachten. Maar nou net die keer dat er iemand die ik ken kwam kijken, deed Alex niets.

Daaraan dacht ik toen ik las over Chanteks zwijgen uit verlegenheid.

 

Uitspreekbaar graag

‘Mama, wat zijn lesbiennes?’ Het waren de late jaren zestig. Ik was het woord denk ik tegengekomen in de Margriet.

M’n vooruitstrevende moeder legde me onmiddellijk uit dat ook vrouwen verliefd op elkaar konden worden. En dat dat eigenlijk niks bijzonders was.

Zo kwam het dat ik het woord kende lang voordat ik lesbiennes tegenkwam. Althans dat dacht ik.

Voor homo’s (nog meestal ‘homofielen’ genoemd) gold net zoiets. Ik wist wat het waren, en kende er een paar van tv. Albert Mol en Gerard Reve. Maar bij mij op school kwam homoseksualiteit in de hippe jaren zeventig gek genoeg niet voor.

Pas veel later hoorde ik hoe zwaar sommige leerlingen het gehad hadden. Want natuurlijk waren ze er wel, de jongens die op jongen en de meisjes die op meisjes vielen. Maar ze konden, wilden of durfden het niet te laten merken.

Het woord kennen betekent nog niet het ook zien, bleek. En ik moet hier nogal eens aan terugdenken de laatste tijd. Dat komt door wat nu de (even diep inademen) lhbtqia-gemeenschap heet.

Hoorde u er al van? Zeven letters zitten we inmiddels op. En ik geef toe: mijn eerste ingeving is daar ongenadig de draak mee te steken.

Wat moeten we met die ‘Het-halve-alfabet-gemeenschap’? Telkens moet ik nakijken wat het ook weer allemaal was en betekent. Lesbisch, homo, bi, transgender (lhbt dus) kende ik al een tijdje. Nieuwer zijn de woorden queer (als ik het goed begrijp: zonder een vaststaande seks- en/of sekse-identiteit), intersekse (niet helemaal man, niet helemaal vrouw) en aseksueel (geen seksuele aantrekkingskracht voelen).

Onzin? Gekte? Mhm. Ik weet ook: grappen maken over het onbekende, of het afdoen als flauwekul is een bekende en vaak nogal onsympathieke reflex. Niet graag zou ik achteraf wéér akelig blind geweest blijken te zijn.

Maar ik wil wel graag een levensgroot taalbezwaar inbrengen. Zo’n rij losse letters bekt echt ellendig.

Daarom puzzelde ik even op lhbtqia. Kijken of er iets uitspreekbaars van te maken valt.

Wat vindt u van hiltbaq? Of, met de vage associatie ‘blakend in de verte’, blahqit? Qlitbah is dan weer inderdaad een beetje bah, maar hiqlabt vind ik leuk.

Oh, bij een weer nieuwe groep: graag eentje met een klinker.

Vrolijk Vlaams

Zo dichtbij. Zo ver weg. Hun taal is onze taal. Maar hun taal is onze taal ook weer niet. Inderdaad, ik heb het over het Vlaams.

Het is bekend dat de Vlamingen liever ‘het is gekend’ zeggen. Vlamingen kunnen soms ook met minder toe dan wij. Ze hebben ‘iets bij’, waar Nederlanders iets bij zich hebben. Wanneer ze iets beginnen, beginnen ze meteen: ‘we willen beginnen lopen’ bijvoorbeeld, dus zonder ‘te’ of ‘met’ of nog iets anders.

Andere woorden zijn er bij de vleet. Het ‘brugpensioen’ voor de alweer uitgestorven ‘VUT’. De ‘droogkuis’, die in Nederland ‘stomerij’ genoemd wordt. Je hebt de beroemde, maar in werkelijkheid zelden of nooit gebruikte ‘droogzwierder’ voor het zo Frans klinkende ‘centrifuge’.

Maar ook gebeurt het dat er tóch Frans doorsijpelt, zodat een vrachtwagen een ‘camion’ heet en tegen ‘op de korrel nemen’ ‘viseren’ gezegd wordt.

Dat kan ik allemaal aardig behappen en begrijpen. Toch ben ik nogal eens in de war, of onzeker over het Vlaams. Ik leerde toevallig praten in Zuid-Limburg. Dus als ik lees dat ‘zeveren’ Vlaams is denk ik, nee wéét ik: onzin. Dat is Zuidelijks. Dat zeiden wij ook als we onzin kletsen bedoelden. Hetzelfde gaat op voor de schoonbroer, de frituur (voor snackbar), de tas (voor kopje) en de appelsien.

Geeft natuurlijk niks. Maar laatst ging ik zelf de mist in. Eindelijk dacht ik door te hebben wat die Vlamingen anders doen met u en gij en jij. Gooide ik toch weer dingen door elkaar.

Hopelijk heb ik het intussen gesnapt. Ik doe een poging. ‘U’ en ‘uw’ in plaats van ‘jou’ en ‘jouw’ is heel gewoon tegen mensen die je tutoyeert: ‘Kindje, trek uw jasje aan, anders krijgt u het koud.’

En dat tutoyeren doen ze in grote delen van Vlaanderen door iemand met gij of ge aan te spreken. Dus: ‘Ge moet uw jasje aantrekken.’ Niet ‘U moet…’.

Maar, en hier had ik het fout: ze zeggen wel degelijk ‘U moet..’ wanneer er gevousvoyeerd wordt.

Intussen heeft het Nederland soms flink wat invloed. Waardoor je voor Nederlandse oren merkwaardige combinaties kunt krijgen zoals ‘Jij moet uw jasje aandoen’.

Vrolijke verwarring blijft hier op de loer liggen, vrees ik.

Slimme slogans

Smullen vind ik het. Een paar keer per jaar kom ik langs de vishandel waarop in grote letters ‘Wiebe’s haring, ’n openbaring’ te lezen is. Zelden kan ik de verleiding weerstaan zo’n openbaring te kopen – zonder uitjes en zuur graag.

‘Te veel aan je hoofd?’ vraagt de kapper om de hoek op een bord dat dagelijks buiten wordt gezet. Iedere keer als ik er langskom glimlach ik, en vergeet even wat ik zoal aan m’n hoofd heb.

Aan mij zijn de reclamekreten van plaatselijke winkeliers dus enorm besteed. Ik moet ook bekennen dat ik werkelijk áltijd denk ‘Koop gebak van Krul’ zodra iemand (ikzelf bijvoorbeeld) ‘Geen gelul’ roept. Een klassieker, naar verluidt verzonnen door de Haagse bevolking voor de chique banketbakker Krul.

Laatst verscheen Ik verf tot ik sterf, en 343 andere ‘slechte’ slogans. Een vrolijk en luchtig boekje van universitair docent en tekstschrijver Christine Liebrecht en journalist Tefke van Dijk, vol slogans in alle soorten en maten.

Waar we van houden zie je meteen al aan de titel. Die rijmt, deels van achteren (verf-sterf), deels van voren (slechte-slogans). De aanhalingstekens om ‘slechte’ laten zien dat dat een relatief begrip is.

Verrassend, dat zijn de kreten vaak, en dat werkt. Een gewoon lekker vissie een openbaring noemen bijvoorbeeld. Niet mijn Wiebe staat in het boekje, maar een ander die adverteert met ‘Broodje haring, een openbaring’. Ik ken ook een viswinkel die zichzelf aanprijst met ‘Zij die het weten, komen hier haring eten’. Maar in Nijmegen is het de zaak van Wilma Graat die dit beweert.

Zij haalde het boekje. Een toepasselijke naam verhoogt altijd de feestvreugde.

Een gezellige mix met een andere taal kan ook als een tierelier werken. Wie oud genoeg is, weet nog hoe Rijk de Gooyer de naam van het Franse smeerkaasje Paturain zo op z’n Utrechts wist uit te spreken dat het ging rijmen op ‘fijn’. Min of meer.

Wringen doet het ook in ‘Zit je haircut’. Daar moet ik om grijnzen, maar een ander zal hem te gewild vinden. Liebrecht en Van Dijk zitten ook achter de jaarlijkse verkiezing van de slechtste slogan.

De haircut won een paar jaar geleden. Want ja, gorigheid en seks scoren nou eenmaal hoog.

Roodste rood

Ha! Nieuw hoofdstukje deze week van een boek dat maar nooit af lijkt te komen. Ik volg het verhaal al tientallen jaren met rode konen.

Het gaat over kleur. Of nee, kleur is de smoes, de omweg.

In werkelijkheid draait het om de vraag of je woorden nodig hebt om je van iets bewust te worden. Bijvoorbeeld: kun je wel oranje zien als je het woord oranje niet kent? Omdat jouw taal het toevallig niet heeft?

Want niet alle talen hebben evenveel kleurenwoorden. Welke wel en niet is voor zover ze weten niet helemaal willekeurig. Zijn er bijna geen kleurenwoorden dan wordt er in elk geval onderscheid gemaakt tussen zwart, wit en rood. Heeft een taal er iets meer dan komt groen erbij, daarna geel en blauw. 

Vietnamezen zeggen ‘xanh’ tegen alles wat wij blauw en groen noemen. Zien ze dus geen kleurverschil tussen het gras en de lucht?

Dat geloof ik niet. Al langer bekend: ook wie maar één woord heeft voor rood, oranje en geel samen wijst toch hetzelfde roodste rood aan dat wij aanwijzen bij de vraag wat nou echt rood is.

En nu is onderzocht bij een stel kleine baby’tjes welke kleuren zij zien. Dus nog voordat ze er woorden voor hebben kunnen leren. Dat gebeurt dan aan de hand van waar hun aandacht naar uitgaat.

Wat bleek? Alle kleintjes zagen vijf kleuren: rood, groen, blauw, paars en geel.

Dus daarmee beginnen we waarschijnlijk allemaal. Maar dan heb ik toch nog een vraag. Wij hebben dus wel blauw en groen. Maar wat is blauw? Turquoise, lichtblauw, donkerblauw, hemelsblauw? Of helblauw, knalblauw, vaalblauw, staalblauw, nachtblauw, koningsblauw, korenblauw? Of misschien marine, azuur, ultramarijn, indigo, kobalt?  

Het kan natuurlijk dat het u blauwblauw (ja, flauw, sorry) laat, maar voor groen valt iets soortgelijks te doen. Van turquoise (zit tussen blauw en groen in namelijk) via grasgroen, legergroen, olijfgroen, hardgroen en lichtgroen tot smaragd en mint.

Zouden ze in Vietnam nou niet ook gewoon ‘hemels-xanh’ en ‘leger-xanh’ zeggen? En de Vietnamese woorden voor indigo en smaragd gebruiken? En zo dus wel degelijk het verschil uitdrukken tussen allerlei blauw en allerlei groen?

Op het hoofdstuk waarin dat is uitgezocht wacht ik nog.

Niet doorslaan

Kreeg ik weer eens op m’n kop van u. Waarom in vredesnaam dat hele dikke boekwerk waarover ik het had in het Engels moest. Het ging nota bene over het Nederlands. Belachelijk!

Nou ja, ik begreep de gedachte wel. Zelf had ik net een petitie getekend tegen de trend om alle onderwijs op de universiteiten in het Engels te geven. Vanwege de studenten uit andere landen praat en schrijft en discussieert en leest iedereen bij een rap groeiend aantal studies alleen maar in English. Vanaf dag een.

Heeft dat dan geen grote voordelen? Goed voor de internationalisering en dus vast ook de economie? Goed voor ieders Engels, voor de sfeer? Jawel, ook.

Maar als je nog helemaal thuis moet raken in een vak, dan is het een groot voordeel als je in je moedertaal vragen mag stellen, redeneringen kunt opzetten, werkstukken en scripties moet maken.

De vrijheid en wendbaarheid die je in die moedertaal hebt, voel je nou eenmaal niet in andere talen (ja, tenzij je zo’n bofkont bent die met meer dan een moedertaal is opgegroeid). En dat gemak geeft meer ruimte voor precies begrijpen en je exact uitdrukken, voor nuances, voor verhelderende vergelijkingen, voor alles wat je als student nodig hebt.

Dus alles in het Nederlands? Nee, dat is doorslaan. Iets anders zijn de boeken en de artikelen die je moet lezen.

Want weten wat anderen onderzochten, bedachten of gevonden hebben is de bodem onder elke studie. En ja, dat kan alleen als er een gezamenlijke voertaal bestaat. In de praktijk is dat nu meestal het Engels.

Daarom: als je zelf wil meebouwen aan de altijd maar groeiende berg kennis-met-dwarsverbanden die we wetenschap noemen, dan zul je wél een stap verder moeten gaan, en leren ook in het Engels te schrijven. Maar dat vind ik dus iets voor later.

Niet mijn schuld trouwens dat die Syntax of Dutch die ik laatst noemde niet de Zinsleer van het Nederlands heet. Wel mijn schuld dat ik er niet bij vertelde dat hij bedoeld is voor vakgenoten.

Dat mogen ook moedertaalsprekers zijn van bijvoorbeeld het Duits, Swahili, of Papiaments. En ja, gek genoeg leveren die ons soms meer begrip van het Nederlands op.

Hun liggen naast de mayo

Maak u niet bezorgd, ‘hun hebben’ roept nog steeds fikse afkeer op, ook bij jongeren. Anderzijds vinden inmiddels velen ‘de media is’ mooier dan de ‘de media zijn’, en dat geldt ook voor ‘handvaten’ (tegenover handvatten).

Hoe weet ik dat?

Door Wouter van Wingerden, die Nederlands gestudeerd heeft en onder meer een tijd antwoord gaf op vragen waarmee de mensen bij Onze Taal aankomen.

Hij besloot zelf vragen te gaan stellen over dat soort vragen. Dus verzamelde hij vijftig taalkwesties die altijd maar weer terugkomen, en waarover u mij ook graag mag schrijven. Mag ‘je kan’ wel, is een ‘gijzelaar’ niet degene die gegijzeld wordt, ‘plek’ is toch niet hetzelfde als ‘plaats’, enzovoort.

Mooi idee. Nou ja, het is – kleine waarschuwing – wel een beetje voor de taalnerds en -nazi’s onder ons, maar het gaat allemaal een stapje verder dan gewoonlijk.

Van Wingerden vroeg in een enquête niet alleen wat mensen goed vinden en wat fout, maar ook wat ze mooi vinden. Bovendien informeerde hij hoe ze daar zo bij kwamen: hun gevoel, zo geleerd? Aan dat laatste ontleent het boekje dat hij erover maakte z’n titel: ‘Maar zo heb ik het geleerd!’

De antwoordgevers waren overigens geen willekeurige Nederlanders en Vlamingen, maar mensen die extra geïnteresseerd zijn in taal(fouten), want ze werden geworven via onder andere Onze Taal.

Wat hun antwoorden exact zeggen kun je je natuurlijk afvragen, maar toch ligt er nu een mooie momentopname van meningen en gevoelens over schoolmeesterskwesties. Met praktisch advies over wat je moet onthouden: ‘Als je die of dat kunt gebruiken, gebruik dan nooit welke.’

Overigens, u weet dat dat gewraakte ‘hun-als-onderwerp’ nooit op dingen slaat? Niemand zegt: ‘Daar zijn de frieten. Hun liggen naast de mayo.’

Wat ik verder las over ‘hun hebben’ lieten mij peinzend over het Vlaams achter. Gek genoeg is bij Vlamingen ‘hun hebben het gedaan’ namelijk helemaal niet zo’n succes als hier. Ze gaan niet mee in die trend.

En wat ze daar ook niet zeggen is: ‘U bent wel erg laat.’ Ze gebruiken liever ‘gij’.*

Een paar eeuwen geleden kon dat in Nederland ook niet, ‘u’ als onderwerp. Wat is er hier of daar al zo lang zo anders?

*Noot: dit had/heb ik verkeerd begrepen.’U bent wel erg laat’ is geen punt. Ben er op teruggekomen in een latere column: Vrolijk Vlaams

Onzeker

Bij ons is het nu echt bijna verdwenen. Of nou ja, zij het dat bijvoorbeeld ‘zij het’ en ook ‘hetzij’ nog steeds gebruikt worden. En op Prinsjesdag klinkt er elk jaar na de troonrede een luid ‘Leve de Koning!’. Die koning zelf sprak toen hij koning werd de woorden: ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’.

Maar mijn spellingchecker kent ‘helpe’ al niet meer. En veel Nederlanders weten het ook niet goed thuis te brengen, volgens mij. Alleen dat kan verklaren dat de wens ‘het ga je goed’ heel vaak een bewering wordt: ‘het gaat je goed’. Toch echt net wat anders.

Zij, leve, helpe, ga, het heet de ‘aanvoegende wijs’, leerden we vroeger op school. ‘Conjunctief’ in het Latijn. Dat heb ik eerlijk gezegd nooit goed kunnen vatten. Aanvoegen? Wat moet dat wezen?

Scrabble zou voor ons een ander spel zijn zonder, maar feit is dat ze in andere talen vaak doller op de aanvoegende wijs zijn dan wij. De Italianen smijten er werkelijk mee. Ik piekerde er net een poosje over, onder de Toscaanse zon (intragisch voor me inderdaad). Geen drie zinnen ver kom je zonder ‘aanvoegen’.

Toen ik voor het eerst hoorde dat er zelfs na elke ‘ik denk dat’ een ‘congiuntivo’ moet komen, was ik ronduit verontwaardigd. Ik dacht: dat kán toch niet? Ze houden me voor de gek!

Maar het was heus waar. En het draait uiteindelijk om onzekerheid. De aanvoegende wijs is voor alles wat (nog) niet zo is, wat (nog) niet vaststaat. Bij die Nederlandse ouderwetse en formele manieren van zeggen is dat uiteindelijk ook het geval. Ook in een wens zit natuurlijk iets van onzekerheid.

Wel jammer dat die onzekere vormen mij akelig onzeker maken of ik wel de goede vorm gebruik. Gestapelde twijfel. En ik twijfel toch al zo.

Want hoe ver kun je komen in een vreemde taal? Als ik commentaar hoor op het Nederlands van iemand die een andere moedertaal heeft, denk ik dat altijd. ‘Al zó lang in Nederland, en dan nog…’

Ja. Maar ook ik, met al m’n jaren training, met m’n hevige extra interesse en bergen voorkennis, klink in Italië ook nog steeds bij elk woord als una straniera, een vreemdelinge.

 

Jef Trimbos

Achttien. Ach, bestond er een magischer woord? Wat klonk dat aanlokkelijk in de jaren dat ik nog niet eens tien was. Met achttien was je groot, wist ik, volwassen.

Ik had een oom die me jaar in jaar uit lekker maakte met de verzekering dat hij me op mijn achttiende verjaardag mee uit zou nemen in Amsterdam. Amsterdam! Nog zo’n woord boordevol beloftes in mijn oren, al was ik er nooit geweest.

Ik had nog een oom. Maar die had ik niet meer. Of nooit echt gehad. Want die was op zijn achttiende gefusilleerd door de Duitsers.

Een moeilijk woord, gefusilleerd, dat ik heel jong al kende. Omdat mijn moeder me vertelde over haar broertje in het verzet. Het was de duistere wolk die altijd met haar mee zou reizen, de schaduw die over ons gezin hing.

Lang meende ik dat mijn oom toch echt wel een heel leven gehad had. Hij was tenslotte gewoon volwassen toen hij doodgeschoten werd. Idiote gedachte.

Het is een raadsel dat wij elkaar zo vaak verstaan. Zoveel woorden die pas in de loop van de tijd hun invulling krijgen, of die totaal van betekenis veranderen. Zoveel dat heel persoonlijk is.

‘Amsterdam’, de stad waar ik na m’n achttiende te wonen kwam, staat nu voor oneindig veel meer dan de vage spannende beloftes uit m’n kindertijd. En ‘achttien’ lijkt me al decennia juist ongehoord jong.

Bij het woord ‘gefusilleerd’ denk ik áltijd aan m’n moeder. En m’n moeder, die dacht bij ‘broertje’ levenslang aan het jongetje met wie ze giechelend als kind afwisselend ‘vieze’ en dan weer ‘mooie woordjes’ uitwisselde voor het slapen gaan, vanuit hun bedjes.

Want toen ze definitief richting de dood dreef, nog maar een beetje kon praten, vertelde mijn vader haar in het ziekenhuis: ‘Je broertje heeft gebeld.’ Dat kon er nog maar een zijn.

Maar mijn moeder reageerde met een hoopvol: ‘Jef?’ – die op dat moment al ruim een halve eeuw dood was.

Natuurlijk had ik hier vorige week over willen schrijven. Dodenherdenking. Maar het gekrakeel over wie waar waarom herdacht mocht worden stond me in de weg.

Niemand had het daarbij trouwens over jongens als mijn oom. Daarom zette ik zijn naam hierboven.

Het Konings

Oeioeioeioei, hoorden jullie dat? De koning zei zomaar dat hij zich iets besefte. Een paar keer zelfs. Een internetschandpaaltje werd razendsnel in elkaar getimmerd. Want ‘beseffen’ moet zonder ‘zich’.

Mij viel nog iets anders op, luisterend naar het gesprek dat Wilfried de Jong met Willem Alexander voerde ter ere van diens vijftigste verjaardag. De koning had het over zijn jeugdjaren, en zei op een goed moment dat hij blij was ‘dat de beveiligers nooit geklikt hebben naar m’n ouders’.

Begrijpelijke blijdschap. Maar ‘naar’? ‘Tegen m’n ouders’, zou ik gezegd hebben.

Maar ik weet het, dat koninklijke ‘naar’ duikt al tientallen jaren veelvuldig op. ‘Naar jullie vind ik dat niet aardig’ enzo. Al is de woest populaire variant ‘naar..toe’ – ‘geklikt naar m’n ouders toe’ –inmiddels over z’n hoogtepunt heen.

Over ‘naar m’n ouders’ hoorde of las ik niemand. En toch, bedacht ik deze week ineens, hebben de twee dingen wel iets gemeen. Of bedacht ik het me? Dat zeggen ook veel mensen, waaraan anderen zich dan weer geweldig irriteren.

Voor de duidelijkheid: in het Standaardnederlands is het ‘je realiseren’ naast ‘iets beseffen’ en ‘iets bedenken’. En je mag ‘je ergeren’ naast dat ‘iets je irriteert’.

Maar dat is een momentopname. Die ‘zich’ zit vaak nogal los, en hupst vrolijk van woord naar woord, valt er af bij de een, duikt op bij een ander.

De betekenis verandert niet of je nou ‘ik besef’ of ‘ik besef me’ zegt. Het tweede klinkt hooguit iets betrokkener. En datzelfde geldt voor het vage, breed inzetbare ‘naar’. Geen betekenisverandering, hooguit ietsje meer betrokkenheid. Wat dat verder ook moge zeggen.

Opmerkelijk is in ieder geval dat we een koning hebben die gewoon Standaardnederlands praat, zonder de lichte geaffecteerdheid van z’n moeder en grootmoeder.

Het leuke was dat hij zelf uit de doeken deed hoe dat komt: keiharde groepsdwang. Op zijn nieuwe, Haagse school werd hij gepest met zijn ‘Baarnse accent’, vertelde hij. Hij ontkwam dus niet aan de genadeloosheid waarmee kinderen elkaar in dezelfde taalmal proberen te proppen.

Het oefenen op het Haags van Van Kooten en De Bie, ook goed gebruik onder z’n klasgenoten, zal het laatste duwtje richting ‘normaal Nederlands’ hebben gegeven.

En normaal blijft bijzonder voor een koning.

Drie dubbeltje

Jaren zijn een soort meters. Of kilo’s, grammen, liters, centen. Echt waar. Lees even verder, dan ziet u dat u dat eigenlijk allang wist.

Ik ontdekte het onlangs dankzij uw zeer gewaardeerde lezersogen en -oren die zich weer eens verbaasden, een beetje ergerden ook.

‘Over een aantal jaar wil ik naar het buitenland.’ Een lezeres struikelde over zulke opmerkingen. Over ‘een aantal jaar’. Dat moest ‘jaren’ zijn. Het is toch ook niet ‘een aantal huis’ of ‘een aantal mens’, schreef ze me.

Helemaal waar. En toch is er een verschil. Zelf vond ik ‘een aantal jaar’ niet helemaal goed, maar toch ook weer niet verschrikkelijk fout. Wat bijvoorbeeld ‘een aantal boom’ of ‘een aantal merelsnaveltje’ zeker wel is.

Waarom? Wat is dat voor geks?

Daar valt best iets over te bedenken. Want dat blijft een van de geweldige dingen van je moedertaal: die kun je zomaar zelf onderzoeken. Geen laboratorium of apparatuur voor nodig. Hooguit pen en papier, voor de overzichtelijkheid en als geheugensteun.

Taal zit namelijk tussen je oren. Dus moet je daar een beetje gaan rondneuzen, je dingen afvragen, ze uitproberen. Het eerste dat ik bedacht was: ‘een aantal’ lijkt op ‘een paar’. En ‘een paar jaar’ is wél echt helemaal goed is. Dat zal wel een rol spelen.

Volgende gedachte: komt er achter ‘paar’ dan misschien altijd maar één ding?

Nee. Probeer maar. Het hangt van het ding af. ‘Een paar merelsnaveltje’ bijvoorbeeld is totaal fout.

Maar mijn hersens ratelden al snel goede voorbeelden op: een paar uur, een paar kilo, een paar meter, een paar euro, een paar liter. Perfect Nederlands.

Aha. Een ‘jaar’ is soms een maat, iets waarin je afmeet. En blijkbaar meten we ook in geld af.

Maar maten blijven graag in hun eentje, lijkt het. Daarom hebben we het liever niet over een leuke kerel van 44 jaren die 88 kilo’s weegt, en 105 euro’s en tien centen neertelt bij de supermarkt. Met jaar, kilo, euro en cent klinkt dat veel beter.

We weten trouwens nog meer hiervan: het is wel drie kwartier, drie uur en drie seconde, maar niet drie minuut. Wel drie gulden, niet drie dubbeltje of drie rug. Bedenk zelf uw eigen uitzonderingen.

Van ver

Lekker lokaas – online heet het clickbait: ’10 foto’s die bewijzen dat de axolotl de schattigste amfibie ooit is’

Nou, bij mij hadden ze beet hoor, ik klikte meteen. De axolotl! Ik had een hele tijd niet aan hem gedacht, maar onze eerste ontmoeting is me sterk bijgebleven.

Ik kwam hem tegen op reportage, in een laboratorium waar ze proberen uit te vissen hoe alle dieren (ook wij) zich ontwikkelen uit een ei. Schattig vond ik hem niet. Eerder een voorwereldlijk beest: een salamander die z’n kieuwen aan de buitenkant heeft.

De axolotl blijkt inmiddels een troeteldier geworden te zijn. En ach ja, nu zag ik ook dat ie een gek bekkie heeft, dat soms lijkt te glimlachen.

Maar aan z’n bijzondere naam is niets veranderd, die eindigt nog steeds even onuitspreekbaar. Voor ons dan. We kunnen niet anders dan van axolotl ‘axolottul’ maken. Net als bij die beroemde vulkaan, de Popocatépetl. Om de een of andere reden word ik altijd vrolijk van Popocatépetl zeggen, of nou ja, ‘Popocatépettul’ dus, met mijn Nederlandse versie van de exotische slotklank -tl.

Beest en berg, zou er een verband zijn? Ja. Dat bleek zo gevonden. Mexico is wat de Mexicaanse wandelende vis (een bijnaam van de axolotl) en de beruchte vulkaan gemeen hebben.

In Mexico spreken zo’n anderhalf miljoen mensen nog altijd een taal van de Azteken die Nahuatl heet.

Kijk, heb je ’t alweer, datzelfde woordeinde. We beginnen hem door te krijgen: de dingen eindigen in deze vreemde taal op -tl, in elk geval vaak. Ik las prompt dat tépetl, het laatste stuk van Popocatépetl, ‘berg’ betekent.

Maar mijn zoektochtje leverde ook een echte verrassing op. Datzelfde uitheemse Nahuatl heeft ons een rijtje zeer dagelijkse woorden opgeleverd. Ik eet zelf elke dag wel iets met een Nahuatl-naam. U vast ook.

Onze tomaat komt namelijk van hun ‘tomatl’, chocola van ‘chocolatl’, en de cacao waarvan we die chocola maken heet van oorsprong ‘cacahuatl’. En ja, zelfs onze patat is puur Azteeks. Daar heten de onovertroffen aardappelknollen ‘chi-potatl’. Inderdaad, denk ook aan ‘potato’.

Wat je van ver haalt is lekker, als bekend. Wel fijn dat onderweg hierheen dat lastige tl-eind er bij alle eetwoorden vanaf gevallen is.

Uitvinding

Een ferme duik in je eigen verleden nemen. Dat kon dus niet vroeger. Althans, niet op de manier die wij hebben. En voor een aanzienlijk deel van de mensheid bestaat die kans nog steeds niet.

Want die hebben geen brieven, kladjes, schriften met aantekeningen, dagboeken, agenda’s. Hun schoolgegiebel, de roddels en de ruzies van hun leven, de verkapte en de echte liefdesbekentenissen, de gemenigheden en de bewonderende woorden: ze zijn nooit vastgelegd.

Door omstandigheden sta ik in de opruimwoedestand. Ik ga door stapels zakken en dozen vol persoonlijke spullen. Afgelopen week ook door die van mezelf.

En bam. Ineens werd ik vol geraakt door hoe krachtig en machtig die ene uitvinding is: het schrift.

Schrijven levert gestolde taal op. En die hebben we nodig. Dingen precies doorvertellen is namelijk onwaarschijnlijk moeilijk. Zelfs één klein zinnetje even van oor tot oor doorgeven in een kring leidt al tot hilarische resultaten, zoals elk kind weet.

Omdat precieze bewoordingen vervliegen zodra ze onze mond uit komen, zijn oude verhalen, de heldengeschiedenissen die mondeling werden doorgegeven, zo vormvast. Onze hersens hebben hulp nodig van ritme en rijm.

Want ze vergeten veel hoor. Poeh nou. De vrolijke stoere blufpraatjes van m’n opgroeiende vrienden, het superslappe geouwehoer, de Sinterklaasplagerijen. Ik bleek er nog heel wat van in bezit te hebben.

Alles goed voor nostalgisch zwijmelen over vroeger? Nee, dat nou ook weer niet. Je opent voor je het weet ook oude kwesties en de bijbehorende wonden. Want de details en de volgordes komen weer terug, alleen maar doordat het ooit zwart-op-wit is gezet.

In een schriftloze wereld wordt er ook veel toegedekt onder de geruststellende, genadige deken van de vergetelheid. Verontwaardiging en verwijten, en natuurlijk gênante zaken. Foei, wat kon ik bijvoorbeeld bemoeizuchtig zijn.

Met een grijns kieperde ik daarom veel geleden leed, opwinding en onmin in de vuilnisbak.

En een deel bewaarde ik. Misschien laat ik het ooit na aan het Nederlands Dagboekarchief. Wist u dat dat bestaat? Het hoort tegenwoordig bij het Meertens Instituut, en het leuke vind ik dat de brieven en dagboeken ook worden gebruikt voor taalonderzoek.

En geen zorgen: de boel nog een tijd geheim laten houden na uw dood kan.

Tongacrobatiek

Deze week kwam Signor Rossi bij me spoken. Al een tijdje had ik niet meer aan hem gedacht, maar goeiendag, wat heb ik vroeger m’n tong op hem lopen breken.

Want ik wilde het zo verschrikkelijk graag net zo zeggen als de Italianen doen. ‘Signor Rossi’ is hun ‘meneer Jansen’ – als je het letterlijk vertaalt ‘meneer Roden’.

De heren Rossi en Roden hebben hun r’en op dezelfde plaatsen. Maar zijn toch compleet anders. De Italianen willen de r namelijk vóór in de mond maken. En ik had hem nou eenmaal ergens achterin m’n mond leren uitspreken.

Uren pure tongacrobatiek heb ik eraan besteed. Oefenen, oefenen, oefenen. Signor Rossi, Signor Rossi, Signor Rossi.

Ik kan het beetje nu. Maar nooit heb ik bereikt wat ik wilde: Italiaans praten met een bijbehorende vlotte, normale Italiaanse r.

Oké, zegt u nu misschien, de r is ook een tamelijk waanzinnige klank. Dat is een feit. Hoe hij allemaal kan klinken krijg ik hier niet op papier, maar hij kan rollen, trillen, vloeien en brouwen. Je maakt hem vooral met behulp van je gehemelte, je huig of je keel. Hij wordt Goois of Vlaams of nog weer anders.

En toch is het punt niet de r. Ook mijn a’s, i’s, u’s, o’s, en e’s blijven Nederlands klinkende klinkers als ik ze in Italiaanse woorden stop. M’n moerstaal zit in de weg.

Toen ik eindeloos van die tongkrulcapriolen maakte om de Rossi-r te leren was ik 22. Jong, maar voorbij de magische grens. De taalspons in m’n hoofd was al opgedroogd.

Dat gaat beetje bij beetje, en duurt ongeveer tot je zeventiende. Daarna ben je voorgoed heel het vermogen kwijt om vanzelf een taal te leren.

Toen onze Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib naar Nederland kwam was ze vijftien. Nog een klein restje taalspons had ze over. Maar van volautomatisch Nederlands oppikken is op die leeftijd al geen sprake meer. Dus dat haar moedertaal lichtjes doorklinkt in de klanken van haar Nederlands is volstrekt normaal.

Vorige week wekte ik hier voor sommigen de indruk dat ik in het Latijn beginnen (Baudet) net zoiets vind als een accent hebben (Arib). Nee. Door mijn ervaringen met Signor Rossi weet ik heus beter.

Buitengesloten

Ongemak, gêne. Misschien heeft u het ook. Mij overvalt het wanneer ik in een vreemde taal praat met iemand die net als ik Nederlands als moedertaal heeft.

Waarom zou je dat ook doen?

Nou, het kan je zomaar gebeuren. Op de camping, in een restaurant, in het buitenland of gewoon hier. Is er iemand bij die geen Nederlands spreekt, dan ga je als het even kan over op een taal die iedereen wél (een beetje) spreekt. Dat is praktisch en bovendien wel zo aardig.

Totdat de gesprekken erg door elkaar gaan lopen. Want voor je het weet komt dan het malle moment dat je beseft: verrek, nou zitten wij ineens (pakweg) Engels tegen elkaar te praten.

En naarmate ‘wij’ elkaar beter kennen, voelt dat onnatuurlijker. Maar goed, ga je samen weer over op Nederlands dan kunnen anderen je niet meer volgen.

Ik ken tolken gebarentaal die daarom zolang er doven in de buurt zijn consequent alles wat ze zeggen ook gebaren. Om niemand buiten te sluiten.

Ik denk dat oud-SP-leider Jan Marijnissen zich laatst buitengesloten voelde op Facebook, waar een nieuw SP-Kamerlid van Turkse komaf in het Turks gefeliciteerd werd. Marijnissen verzocht prompt krachtig om Nederlands.

Ik snapte hem wel, maar ik begreep ook de Turkstaligen. Gemak voor de ander betekent soms ongemak voor jezelf.

Met je taalkeuze juist expres mensen buitensluiten kan natuurlijk ook. Zo was er afgelopen week een Kamerlid dat in het Latijn begon. Een taal die zelfs voor de paus onnatuurlijk is.

Hij werd tot de orde geroepen door de net herbenoemde Kamervoorzitter Arib. Die op haar beurt elders dan weer commentaar kreeg omdat er Marokkaans doorklinkt in haar Nederlands.

Toevallig zat ik net daarover te lezen in een fijn boekje vol Opzienbarende ontdekkingen over taal, dat exact zo heet. Het is van twee taalkundigen, die samen opereren onder de opvallende naam Milfje Meulskens.

Onder de kop ‘Taalhallucinaties’ vertellen ze over een luisteronderzoek. Daaruit bleek dat wie dénkt naar iemand met een Aziatisch uiterlijk te luisteren, een Aziatisch accent hoort. Ook als dat er helemaal niet is.

Dus we zijn bevooroordeeld? Ja. En je kunt ook zeggen: we zijn voorbereid. Hersens zijn in ieder geval in staat tot opzienbarende taaltrucs.

Dinges

Stout. Stiekem stout was het. Dus spannend.

De jongen die op dat moment de jongen van m’n dromen was, leerde me Chuck Berry kennen. Het bericht van Berry’s dood plaatste me in één klap ver terug in de tijd. Naar een andere ruimte: een jongenszolderkamer waar My Ding-A-ling uit zelfgebouwde boxen klonk.

De enige nummer-1-hit van de rock-‘n-roll-oervader verhaalt van een speeltje dat z’n grootmoeder hem gaf toen hij nog heel klein was. Een Ding-A-Ling. Iets met zilveren ballen. Hij blijft er levenslang mee spelen.

Nou betekent ‘dingle’ ook nog eens bengelen, heen en weer zwaaien. Wat dan weer aardig samengaat met het zwengeltje dat jongens van nature hebben. Maar ons Engels stelde in die dagen weinig voor. Ik denk achteraf dat ik er gewoon alleen getingeling en ‘M’n dinges’ in hoorde.

Dinges. Onschuldiger kan bijna niet. Net als ‘het’.

Juist omdat ‘ding’, ‘dinges’ en ‘het’ alles kunnen betekenen, zijn ze natuurlijk uitzonderlijk geschikt om taboewoorden te vervangen. En weinig zo taboe als seks – inclusief ‘het doen’, en spelen met je eigen dinges of die van anderen.

Ook geschikt voor het deel van alle schuine moppen dat niet zozeer plat is, maar meer van de categorie ‘quasi netjes’. Daar doen ‘het’ en ‘ding’ geregeld dienst. Of spaties spelen de hoofdrol. ‘De pen is machtiger dan het zwaard’ leidt allang tot gegiechel.

Bekend is ook die over Ina (met excuses aan al m’n lezeressen die Ina heten), die de Eiffeltoren op klimt en steeds naar haar vent beneden roept: ‘Kun je me zien?’ ‘Ja,’ zegt hij elke keer. Tot in de mopclou. Daar roept hij: ‘Ik zie je vaag Ina!’

Wat me dan weer doet denken aan een gezelschap geleerden, onder wie dr. Oplul en de doctors Ank en Ugs. Hoewel dr. Oogrekje eigenlijk geestiger is. Maar die is niet schuin.

Dat was de heer A.U. Gurk ook niet. Zijn naam trof ik aan in de Donald Duck. Het ging, meen ik, om een handelaar in zuur. Lang lang geleden, toen ik nog aan het leren lezen was. Die A.U. Gurk snappen, dóórhebben, het was een hoogtepunt in mijn kinderbestaan.

Maar ik dwaal af. Chuck Berry’s Ding-A-Ling forever wou ik maar zeggen.

De baas

In twaalfhonderdzoveel hadden we ‘m al, de baas. Al weet niemand waar het woord vandaan is gekomen.

Dat zocht ik op, omdat het zo veel over bazen ging de laatste tijd. Wie het is, was, wordt, blijft of zou horen te zijn. Van land, stad en krant.

Ik had bovendien onthouden dat we geen enkel woord zo vaak aan een andere taal hebben uitgeleend als baas.

Dat schijnt inderdaad het geval te zijn. Het woord voer weer eens mee op schepen, de wijde wereld in, net als zo veel Nederlandse woorden die in andere talen terechtkwamen.

In het Duits, in alle Scandinavische talen, in Indonesië en het Caribisch gebied kom je onze baas tegen. De Nederlandse geschiedenis, zeker ook die van de koloniën en de slavenhandel, heeft zo zijn sporen nagelaten in vreemde talen.

In de zeventiende eeuw namen kolonisten de baas ook mee naar New York, dat toen nog Nieuw Amsterdam was natuurlijk.

En vanuit New York ging de ‘boss’ op stap naar alle andere Amerikaanse staten. Waarom boss, en geen baas? De aa werd een o? Ach, dat gebeurde wel eens meer. Daar dankt de wereld ook de dollar aan. Dat is namelijk een verbasteringetje van onze daalder.

De boss trok vanuit Amerika uiteindelijk nog veel verder de planeet over. Italianen, Russen, Letten, Denen, Macedoniërs, Fransen, Duitsers, Kroaten en Spanjaarden, ze kennen hem allemaal. En wij leenden hem hier ook gewoon weer terug, onder meer als ‘big boss’.

Ik heb nog een bekentenis. Vast kinderachtig van me, maar ik denk dikwijls spontaan aan kinderen wanneer volwassenen het hebben over ‘de baas zijn’. Klare taal ben ik altijd voor, maar in m’n hoofd dreint ‘ienemienemutte’, die volgens het kinderrijmpje (‘tien pond grutten, tien pond kaas’) de baas is. Ik zie er al snel gestampvoet bij, of rollebollen over het schoolplein.

Maar ik loop achter. Baas is niet kinderachtig. Het is juist een enorm compliment geworden. ‘Wat een baas’, ‘wel een baas zeg’ hoor en lees ik tegenwoordig. Let maar eens op. Grotere waardering en bewondering kun je bijna niet krijgen van dertigers en jonger.

Wel gek: nog steeds doen alleen meisjes en vrouwen ‘bazig’. Of spreekt daar mijn eigen seksistische inborst?

 

Vader

‘Morgen is het veertien jaar geleden.’ We zaten afgelopen zaterdag elk aan onze kant van de lijn met een glas, mijn vader en ik. Onze gebruikelijke telefonische borrel.

Hij had natuurlijk gelijk. Het was in 2003. Eigenlijk weet ik het nog als de dag van gisteren. Zo’n ellendig telefoontje. Hij had een beroerte gehad, lag in het ziekenhuis.

Het eerste dat ik vroeg was: kan ie praten? Hij kon het niet. Een dreun van jewelste.

Mijn vader viel veertien jaar geleden volkomen stil. En ik was buitengewoon pessimistisch. Want dit was nou toevallig iets waar ik een hoop van wist: taal en je hersenen.

Maar die hersenen én mijn vader bleken flexibeler dan ik durfde te hopen. Stukje bij beetje veroverde hij zijn woorden terug. Een kwestie van geluk, en ongelooflijk hard eraan werken. Elke dag weer.

‘Ik ben er genadig afgekomen.’ Ik weet niet hoe vaak hij dat sindsdien gezegd heeft. Zelf heb ik het als een soort wonder beschouwd dat hij na een tijd weer zijn normale volzinnen en zijn normale grappen kon maken. ‘Ik heb er weer greep op gekregen’, formuleerde hij het zaterdag.

Alleen op gang komen en snelheid. Dat is moeilijk gebleven. Vooral helemaal aan het begin van een gesprek. Dus altijd als je iemand net tegenkomt. Niet gemakkelijk.

En wat voorgoed onmogelijk is wanneer taal voortaan via een omweggetje je hersenen door moet: een snel hakketak-gesprek, met geintjes en veel vuur. Een pijnlijk gemis als je daar altijd een groot genoegen in hebt geschept.

Hij klaagde er allemaal nooit over, en ging ook niets uit de weg, wat ik enorm knap vond. Want ik kende ook zijn ongeduld.

Klaagde. Ging. Vond. Kende.

Mijn lieve vader is overgegaan naar de verleden tijd – niet zo lang na ons telefoongesprek is hij plotseling gestorven.

Aan één ding ergerde hij zich soms wel: het ongeduld bij anderen. Daarom wil ik u graag iets vragen, een beetje ter nagedachtenis van mijn vader. Wilt u alstublieft geduld hebben met mensen die niet (meer) vanzelf vlot kunnen praten?

Verbijt uw ongemak. Niet voorzeggen graag, geen zinnen voor ze afmaken, niet erdoorheen praten. Laat ze, geef ze de tijd en de ruimte. Dat helpt echt.

‘Ja dalijk’

‘Tot zo’, appte de vriendin met wie ik anderhalf uur later had afgesproken. Zo? Hmm. Voor de zekerheid tikte ik nog even ’11 uur toch?’ terug.

Want wanneer is zo? Eerder had ik me dat nooit afgevraagd. Maar ter plekke ontdekte ik dat ik het precies wist: het is voor mij alles tussen over een minuut en over pakweg een uur. Later is geen zo meer.

Ik zou zelf dan ook ‘tot straks’ hebben geschreven. ‘Straks’ begint dus blijkbaar over een uur. En het kan voor mij dan de rest van de dag beslaan. ‘Tot straks’ kan in elk geval niet ‘tot morgen’ vervangen.

Geen idee of dat voor anderen ook zo is. Mijn ‘zo’ is blijkbaar niet universeel, mijn ‘straks’ misschien ook wel niet. Wat vindt u?

In de middeleeuwen betekende ‘straks’ trouwens nog ‘onmiddellijk’, nu kan het dus een eind verder weg liggen.

Al kunnen wij Nederlanders, als de hartstochtelijke minnaars van het kleine die we zijn, het weer wat dichterbij halen door er ‘strakjes’ van te maken. Want het dondert niet wat voor soort woord het is, we zullen ze allemaal klein krijgen.

‘Strakjes’ is volgens mij dan weer wel voor iedereen ongeveer hetzelfde is als ‘dadelijk’ (waar we standaard ‘dalijk’ tegen zeggen).

Daarmee betreden we het nuttige terrein van de smoezen en het lekker tijdrekken. ‘Ruim je kamer nou ’s op.’ ‘Ja dalijk.’ ‘Laat jij de hond uit?’ ‘Doe ik dalijk.’ En ook tegen jezelf: ‘ik ga strakjes wel naar de sportschool.’ Sjoemelwoorden met sjoemelbetekenissen.

Dit doet me trouwens ook denken aan mijn kinderopvatting van ‘een paar’. Een vroege jeugdherinnering. Ik was oprecht stomverbaasd dat vier of vijf speculaasjes in de ogen van mijn moeder echt niet door konden gaan voor ‘een paar’.

Dit speelde toen ik nog maar net een beetje kon tellen. ‘Een paar’ koekjes mocht ik. Dat leek mij toen zoiets tamelijk vaags als: minder dan ik eigenlijk op kan. En zes of zeven koekjes kon ik ook heus wel aan. Maar zoveel had ik er niet genomen.

Natuurlijk probeerde m’n moeder me daarna wijs te maken dat ‘een paar’ ‘twee’ is. Maar dat ben ik bij lekkere dingen vrees ik nooit helemáál gaan geloven.

 

Pardoes verkeerd

Laatst tekende ik deze op: ‘Nog snel een foto gemaakt voor zij die het niet willen geloven.’ Wat vindt u? Iets mee aan de hand of een heel normale manier van zeggen?

Ik voel iets vreemds, maar dat had u al geraden. Nog een dan: ‘Voor hij of zij die nog op vakantie gaat hebben we deze aanbieding.’ Ook al een paar keer tegengekomen: ‘met jij en ik.’

Zelf zou ik zeggen ‘met jou en mij’. En ‘voor hem of haar die nog…’, en ‘voor hen die het niet willen geloven’. ‘Ik’, ‘jij’, ‘hij’ en ‘zij’, en trouwens ook ‘wij’ horen niet thuis achter voorzetsels zoals voor, met, door, aan enzovoort. Voor mij althans kunnen ze maar één rol vervullen: die van degene die het doet. Van het onderwerp dus. De eerste naamval kleeft ze aan.

Maar dat lijkt dus te veranderen. Waarom? Twee mogelijkheden. We zouden te maken kunnen hebben met een bekend en krachtig taalverschijnsel: zó bang zijn het verkeerd te doen dat het pardoes toch verkeerd gaat.

Hypercorrectie heet dat. Goed voor mooie woorden als beeldhouder in plaats van beeldhouwer. Omdat ‘houden’ de nette uitspraak van ‘houwen’ is. Maar ja, kloppen doet dat niet. Want met goed vasthouden of met liefde (houden van) haal je geen beeld uit een stuk steen. Daar moet je echt voor houwen.

Aan hypercorrectie danken we bijvoorbeeld ook een eindeloze stroom dannen die eigenlijk alsen zouden moeten zijn: ‘Er zijn toen drie keer zoveel glazen potjes met aardbeienjam gevuld dan nodig was.’

Bijna alles gaat vanzelf, maar dit is nou een van die dingen in het Nederlands die veel mensen bewust moeten aanleren. Ook bij mij heeft m’n vader erin gestampt dat ‘hij is groter als mij’ helemaal fout is. Dat levert als-angst op, en zo vergeten ze tot bij het journaal aan toe dat bij ‘zo’ altijd een ‘als’ hoort.

En er komt tegelijkertijd ook mij-angst uit voort. Dus misschien dat de oprukkende ikken en jijen enzo daar vandaan komen.

Maar als ik moet gokken denk ik dat ‘met jij en ik’ onderdeel is van een gigantische, al eeuwen lopende verschuiving. We zijn op weg naar het einde van de naamval. In ongenade gevallen.

 

Haarkloverijtje

U kwam met een oplossing. Althans, dat leek het te zijn. Een paar lezers schreven me over het ietepetieterige woordje ‘d’r’. Zouden we dat niet gewoon kunnen schrijven in plaats van ‘dier’?

Nee, niet ‘dier’ als ‘beest’. Het ging over het veel te ouderwets klinkende ‘dier’ als je bijvoorbeeld zegt: ‘Janna zei tegen Femke en dier zoontje…’. Dat ‘dier’ slaat op de laatste vrouw, Femke. Het kan onmogelijk Janna’s zoontje zijn.

Je zou inderdaad zomaar kunnen denken dat ‘d’r’ een verkorting van ‘dier’ is. De vlotte, informele variant. ‘Janna zei tegen Femke en d’r zoontje…’ klinkt inderdaad een heel stuk gewoner.

Maar maar maar. ‘D’r’ is geen ‘dier’, ‘d’r’ is hier ‘haar’. Sta mij even een haarkloverijtje toe: dat verklaart waarom je bij dat ‘d’r’ niet zeker kunt weten of het nou het zoontje van Janna of van Femke is. Dat weet je bij ‘haar’ ook niet.

‘D’r’ is trouwens niet zomaar een spreektalerig ‘haar’. Er komt nog iets bij kijken: nadruk. Die kan wel op ‘haar’ liggen (daar heb je háár weer), maar niet op ‘d’r’ (daar heb je d’r weer).

Net zoals ‘ie’ ‘hij’ is zonder nadruk: ‘Daar is ie dan.’

En daar komen we bij voor mij onbegrijpelijke verschillen in wat wel en niet mag met dit soort toch heel belangrijke miniwoordjes.

Want ‘jij’ en ‘jou’ zonder nadruk is ‘je’, en ‘mij’ wordt ‘me’. ‘Zij’, ‘hen’ en ‘hun’ zonder nadruk worden alledrie ‘ze’. En zo schrijven we het ook: aan ‘je hebt ze me gegeven’ ziet niemand iets geks.

Maar nu deze: ‘Daar heeft ie veel plezier van’. U en ik, we zeggen dit allemaal. Het is net zulk correct Nederlands als al die ze’s, me’s en je’s.

Nescio, wiens naam dan wel ‘ik weet het niet’ betekent, wist dit wel. Een eeuw geleden schreef hij daarom al: ‘Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje datti twee dagen in Amsterdam was…’

Waarom i en geen ie? Nou ja, de hoofdpersoon van zijn beroemdste verhaal De uitvreter heet ook Japi, niet Japie.

Maar als Nescio toen al consequent ‘i’ schreef als je het zei, waarom ligt daar dan voor ons nog steeds een taboetje op? Nescio…

Dieren & wieren

Restjes zijn er bij bosjes. Ze zitten vaak vastgeklonken in ouderwetse manieren van zeggen: ‘Te allen tijde is ook wie van goeden huize komt onzes inziens in staat je in koelen bloede te vermoorden.’

Een zin zó vol zichtbare naamvallen dat de Duitsers er nog een puntje aan zouden kunnen zuigen.

Soms besef je het ook niet. Want ‘van ganser harte’ vragen we iemand ‘halverwege’ het feestje ‘ten dans’. ‘Ter ere van’ ‘diens’ verjaardag. Ook daar zitten vreemde verbuigingen in, die we niet meer goed kunnen navoelen. Als we ze tenminste op nieuwe woorden willen loslaten.

Want ik kan bijvoorbeeld wel verzinnen: ‘Dat was weer erg des Piets’, en dat zal wel goed zijn, maar het klinkt een beetje als een grap. En zodra ik Piet omtover in Pieternella ben ik de draad kwijt. ‘Dat is des Pieternella’s’ klopt niet. Maar wat zou het wel moeten zijn?

Ik moet zoiets opzoeken. Het maakt geen deel uit van mijn Nederlands. Ik ken domweg het systeem en de rijtjes niet. Die zijn dan ook al sinds de middeleeuwen, dus tergend traag, aan het verdwijnen. 

Erg? Jammer? Eerlijk gezegd mis ik ze zelden. Maar er is een uitzondering.

Ik vind ‘diens’ een mooi, praktisch woord. In zinnetjes als: ‘Frederik zei tegen Bram en diens zoontje…’ geeft het namelijk duidelijkheid geeft over van wie dat zoontje is. Van Bram.

Bij ‘Frederik zei tegen Bram en zijn zoontje…’ weet je dat niet. Dat zoontje kan ook best van Frederik zijn. Onhandig.

Nu het gekke. Als je de zaak ombouwt naar vrouwen dan moet ‘diens’ ‘dier’ worden. Prima, zou je zeggen. Maar helaas. Dat klinkt belachelijk ouderwets. Luister maar mee: ‘Janna zei tegen Femke en dier zoontje…’ Onbruikbaar in de praktijk.

Net zoiets is er gaande bij ‘wiens’ en ‘wier’. ‘Wier’ en ‘dier’ zijn bovendien wat je van oudsher voor meer mensen gebruikt: ‘Bram en Femke, wier zoontje…’ ‘Frederik en Janna en dier zoontje…’ Vlot is anders.

Dan maar voor alles de mannelijke vorm gebruiken? Het gebeurt vaak, en waarschijnlijk zijn we er naar onderweg. Maar mij doet ‘Femke en diens zoontje’ of ‘Femke wiens zoontje’ voorlopig nog pijn aan m’n oren. Onoplosbaar dit, lijkt het.

Grof

Eerst maar een bekentenisje: ik ben tamelijk grofgebekt. Geen gereformeerde achtergrond, dus er rollen bijvoorbeeld met groot gemak jezussen en christussen uit m’n mond. Ook god, al dan niet samen met het verzoek me te verdommen, gaat hier geregeld over de tong. Net als platte benamingen voor geslachtsdelen en ziektes.

Als een ander scheldt of vloekt schrik ik mede daarom niet zo gauw. Toch lees ik de laatste jaren dikwijls iets waarvan m’n hart een slagje overslaat, zo grof vind ik het.

Ofwel complete bevolkingsgroepen moeten oprotten, ofwel er wordt juist enorm op de persoon gespeeld. Sylvana Simons, Geert Wilders, Dries van Agt, Jan Roos, het maakt niet uit, iedereen is een ‘aandachtshoer’, of wordt meteen voor gek uitgemaakt. In het openbaar.

Moet mogen?

Gevaarlijk onderwerp. Uit ervaring weet ik dat er hierover scheidslijnen lopen dwars door families en vriendenkringen heen. Maar volgens mij lopen gesprekken over de vrijheid van meningsuiting deels zo hoog op vanwege de interpretatie van dat woordje ‘mogen’.

Want dat een ander iets mag zeggen, wil één ding niet zeggen: dat je het dan maar moet accepteren. En niks terug zou mogen zeggen.

Je hoeft helemaal niet te slikken dat er gescholden wordt op dingen en mensen waarvan jij vindt dat dat niet kan. Bestrijd juist de woorden waarvan je moet kokhalzen met je eigen woorden. Zeg: zeg zoiets niet! En leg uit waarom niet.

Dat is iets heel anders dan de hele bevolking verbieden om bepaalde dingen te zeggen. Ik kom toch altijd weer uit op: verbied niets, hooguit directe aansporingen om anderen iets aan te doen, en aantoonbare leugens over iemand (dat heet smaad).

Een groot punt is ook dit: wie mag bepalen wat er mag? En wie bepaalt dat?

Deze week kreeg ik het er koud van. Griezeliger nog dan Trumps adembenemend brutale liegen, is dat hij andersdenkenden rücksichtlos de mond snoert.

Het gaat keihard. Journalisten die opgepakt zijn omdat ze protesten bij zijn inwijding versloegen. Mensen in dienst van het schitterende park de Badlands, wetenschappers bij overheidsinstellingen: ze mogen niet meer met de buitenwereld communiceren.

Met taal kan alles, roep ik graag. Maar met zwijgen en anderen het zwijgen opleggen stranden we geheid.

Superjonge oren

Een ramp is geen lamp, zeuren is iets heel anders dan zeulen. Je hebt ver en vel, balen en baren, brood en bloot, hiel en hier, keren en kelen, torren en tollen. Ze lijken niet op elkaar.

In onze oren dan.

Maar als je opgegroeid bent met Japans, dan hoor je geen verschil tussen lala en rara. De l en de r klinken werkelijk als één klank, hoe merkwaardig ons dat ook lijkt. Wat ze zelf zeggen, vinden wij overigens meestal als r’en klinken, niet als l’en – wat die ouwe flauwe flietsausreclame (‘hele emmel’) nogal dom maakt.

Je oren (nou ja, het zijn je hersens natuurlijk) gaan dus staan naar de taal waarmee je opgroeit. En niet zo’n beetje.

Want wij mogen dan geen enkel probleem hebben met de l en de r, we zijn totaal niet in staat om bijvoorbeeld de drie verschillende k’s, de drie verschillende t’s en de drie verschillende p’s uit elkaar te houden die er toch echt in het Koreaans zitten.

Nou was er van de week daarover een behoorlijk spectaculair nieuwtje.

Nijmeegse onderzoekers gaven les in Koreaanse klanken aan volwassen die in Nederland zijn geboren en getogen, en daarnaast aan volwassenen die als klein kind geadopteerd zijn en uit Korea hierheen gekomen. Hier hebben ze dan gewoon Nederlands geleerd, en ze herinneren zich niets van het Koreaans.

Iedereen vond de lessen echt lastig. Ook de adoptiekinderen. En toch bleken die er aanmerkelijk beter in te zijn dan de proefpersonen die als baby nooit Koreaans hoorden. Zelfs wie alleen maar de eerste paar maanden in Korea had gewoond, kon de verschillende klanken sneller uit elkaar houden en was beter in ze zelf maken.

Dat werd gecontroleerd door mensen die wel met het Koreaans als moedertaal zijn grootgeworden. Dat moest ook wel: onderzoekster Mirjam Broersma vertelde dat ze zelf de verschillen niet kan horen die ze onderzoekt.

Dus kennis die superjonge oren hadden opgedaan, ligt kennelijk nog steeds ergens in de bijbehorende hoofden opgeslagen. Die hoofden zijn zich daar helemaal niet van bewust, maar het is er wel.

Ik heb meteen honderd nieuwe vragen. Maar het wordt intussen steeds duidelijker hoe we kunnen vergroeien met onze moedertaal.

 

Bubbels

Het is nog maar kort geleden dat bubbels bovenal vrolijkmakende dingen waren. Je kon ze drinken, of ervan nippen, liefst op zonnige terrassen. Vooral als je vrouw was, geloof ik. Mannen zijn minder van de bubbels.

Want ‘bubbels’ zijn al een tijd het handige woord dat alle witte-wijn-met-luchtbelletjes dekt. Dus ook armeluischampagnes, zoals prosecco en cava. En oké, je kwam ze ook wel tegen in het bubbelbad – nog iets om opgewekt van te worden.

Maar de laatste tijd lees ik veel over andere bubbels. Een stuk minder gezellige. Bubbels waar je in kunt zitten. De bubbel als grote afgesloten luchtbel waarin groepen rondtollen in hun eigen gelijk: als je erin zit hoor, zie, ruik en proef je niet wat er in andere bubbels gaande is, wat ze daar denken en vinden.

Dat gebeurt nu meer dan vroeger, zeggen ze. Want we kunnen veel preciezer bepalen wat we wel en niet willen lezen of bekijken, en met wie we wel en niet willen praten. Internet is daar de schuldige.

En onze natuur, zou ik eraan toe willen voegen. Want die is dol op bevestiging: zie je wel, zie je wel.

Dat maakt dat die bubbels gauw nóg een vorm krijgen. Ze veranderen in kokers. Waardoor je alleen nog maar ziet waar je toch al naar keek. Kokervisie heet dat, ja.

Die kokers doen vaak dienst als roeptoeters. Er wordt hard door geroepen, wat gepaard gaat met een heel nieuw arsenaal aan scheldwoorden. Naast natuurlijk oude vertrouwde als fascist, racist en nazi die over en weer gaan.

Nog tamelijk nieuw is bijvoorbeeld dat de elite niet deugt. En trouwens ‘deugen’ deugt ook niet meer.

Ik weet niet of u die golf aan scheldwoorden al langs zag komen? De deugmens, ook gutmensch genoemd, wil zo graag deugen dat hij z’n kop in het zand steekt en niet ziet wat er gebeurt. ‘Wegkijker’ is vaak een synoniem. Deug-tv, deug-gajes, deugdebiel zag ik ook al langskomen.

Een gloednieuw voorvoegsel dus. Er zit een amusante kant aan al die betekenisverschuivingen. Maar een beetje minder schelden en meer bubbels doorprikken zou ik graag zien.

Al is het maar vanwege de deugniet en de ondeugd. Dat moeten leuke woord blijven.

Slavinken

Al tachtig jaar bestaat het pond niet meer. Afgeschaft. En het ons ook. Dat gebeurde in de IJkwet van 1937. Kilo’s en grammen heette het voortaan.

Maar ja. U weet hoe dat is afgelopen. Nog steeds bestellen we massaal een pondje jongbelegen en twee ons schouderham in blokjes. En nooit worden we dan niet-begrijpend aangekeken.

De gedachte dat je woorden zomaar van bovenaf kunt opleggen of juist schrappen is nog steeds merkwaardig wijdverbreid. U hoorde vast ook dat de VVD Europese regels wil voor ‘een verbod op vleesnamen voor vegetarische producten’.

Dus weg met de vegaworst en het vegetarische gehakt, want dat is maar misleidend.

Dat hebben ze geweten. Geloei en gehoon barstten los in alle media. En slavinken en berenhappen dan? Dat waren zeker geen misleidende woorden!

En hebben we andersom niet de vleestomaat, de spekkoek, de boterham en de lammetjespap, waar juist geen dier bij komt kijken? Mocht alcoholvrij bier nog wel bier genoemd worden als we zo gingen beginnen?

De VVD (de Volkspartij voor Verbieden en Demagogie las ik) kreeg ongenadig op z’n lazer, en ze hadden het niet eens zelf bedacht daar. De benaming ‘schnitzelgate’ was een succes voordat het hier begon: een Duitse minister had eerder al vegaschnitzelverbodverlangens.

Met een vegaschnitzel is de truc inderdaad dat hij sprekend lijkt op een schnitzel. In dat lijken-op zit namelijk een krachtig, maar tegelijk zeer alledaags woordenmaakmechanisme. Daarom hebben we vruchtvlees en vleestomaten. Het lijkt op vlees. Zoals een dropveter lijkt op een veter. En kokosmelk net melk is om te zien.

Maar vegetariërs eten met smaak vleestomaten, geen mens strikt zijn schoenen met dropveters, en lactose-intolerantie is voor niemand een beletsel een slokje kokosmelk nemen.

Neem kattenstaarten, kattenogen en kattentongen. Dat zijn niet alleen onderdelen waaruit die beestjes zijn opgetrokken, maar – achtereenvolgens – ook pluimvormige planten, lichtreflectoren op de weg en bepaalde koekjes en chocolaatjes. Moeite die zaken uit elkaar te houden? Daar heb ik nog nooit van gehoord.

We komen om in de woorden die de lading niet letterlijk dekken. Dat is heel gewoon.

En bovendien iets waar we onze creativiteit in kwijt kunnen. Tijgerbrood. Oesterzwam. Hagelslag. Bokkenpootjes. Vergelijken levert ons verrukkelijke woorden op. En lekker eten.

 

Opruiming

Iets vrolijks, iets luchtigs graag. Dat was het verzoeknummer van een vriendin voor deze afsluiter van het jaar, en ik was er helemaal voor. De dagen zijn al duister en mistig genoeg.

Dus nu grasduin ik driftig in mijn ‘flarden gedachten’ – zo heet m’n steeds veranderende bestand voor dingen die wie-weet-wel-ooit-misschien-een-keer bruikbaar kunnen zijn voor deze rubriek.

Flarden zijn het inderdaad. Zo kom ik een fraaie beeldspraak tegen die me bijbleef. In de ogen van buitenlanders zitten wij Nederlanders ongewoon rechtop op onze fietsen. Dat ontlokte een Italiaanse vriend dit jaar de uitroep: ‘Jullie zijn net centauren!’

Ja, Italianen kennen hun klassieken. Maar er was een extra reden dat de verwijzing naar die mythische paardmensen met hun mannenbovenkant en paardenonderlijf me trof.

Ik onthield het meteen vanwege ons ‘stalen ros’. Maar nu ik dat optik denk ik ineens: zegt iemand dat ooit nog tegen een fiets? Het is taal uit ouderwetse jongensboeken geworden. Maar het is wel hetzelfde beeld als dat van de paardmannen.

Gek taalseksisme heb ik ook verzameld. Honden hebben van oudsher baasjes en vrouwtjes. Nooit hoor je een hondenbezitter roepen: ‘Kom eens bij het mannetje!’ Of: ‘Wat heb je daar? Laat eens zien aan het bazinnetje.’

En nog meer ongelijkheid: niet de gastman en de gastvrouw ontvangen ons, maar de gastheer en de gastvrouw. Waarom geen gastdame?

Valse vrienden had ik ook nog staan. Het Duitse ‘stracks’ dat ‘onmiddellijk’ betekent. Dat kan fijne misverstanden oproepen. Het Engelse ‘pet’, dat geen hoofddeksel is. Want onze pet is hun cap, wat gelukkig wel weer lijkt op kap. Waarom de Engelsen hun huisdier ‘pet’ vinden blijft dan de vraag.

Wat me ook opviel was het malle gebruik van ‘graag’ in zinnetjes als: ‘Wil u graag gebruik maken van de garderobe?’ Maar het is juist de vragensteller die iets graag wil. Een poging tot beleefdheid die helemaal spaak loopt.

En viel het u ooit op dat ‘tam’ en ‘mat’ ongeveer hetzelfde betekenen, en dat de een de omkering van de ander is? En wat denkt u, als ‘klomop’ dode ‘klimop’ is, zou ‘vonk’ dan niet gewoon de verleden tijd van ‘vink’ zijn?

Ik wens u vast van harte een vrolijk en opgeruimd 2017 toe.

 

Dure woorden

Ze praten veel, vlot, en met veel enthousiasme. Kijken je aan, pakken je vast. Ze zijn geen familie, maar hun gezichten lijken toch op elkaar: volle lippen, volle wangen, smalle kinnen, kleine wipneusjes.

Supersociaal worden ze genoemd, bang voor vreemden zijn ze niet. Ze hebben wat het syndroom van Williams genoemd wordt: er ontbreekt een stukje erfelijk materiaal op hun chromosoom 7.

Dat heeft een heleboel gevolgen. Zoals hart- en andere lichamelijke problemen. De meesten blijven ook achter in wat ze kunnen begrijpen. Dat zie je bijvoorbeeld als ze je ze een simpel peuterpuzzeltje laat doen: blokjes en rondjes en sterren in het passende gaatje stoppen lukt ze niet.

Vraag ze wat een fiets is, en ze kunnen elk onderdeel keurig beschrijven, met alle bijbehorende termen. Maar moeten ze er een tekenen dan deugt er niks van, en zit het zadel bijvoorbeeld ineens ergens onder de trappers.

Dat syndroom van Williams komt niet vaak voor. Ik hoorde er voor het eerst van door het werk van psychologe Annette Karmiloff-Smith, en was direct gegrepen.

Waarom? Wel, we denken stiekem allemaal dat slimmeriken vlot praten en de meeste dure woorden kennen. Dat is dus niet waar. Zoals ik onder meer leerde van Annette Karmiloff-Smith. Het bericht van haar dood deze week bracht het terug in m’n herinnering.

Ze bekeek het taalgebruik van een heleboel kinderen met dat Williamssyndroom. Die lijken dus extreem goed in taal. Indrukwekkend is hun gebruik van allerlei geleerde woorden.

En toch zijn er een paar frappante dingen. Het ligt subtieler. Ja, het gebabbel klinkt allemaal moeiteloos, maar de kinderen spreken nooit eens in driedubbeldikke volzinnen, vol zinnen in zinnen. En een paar ontkenningen achter elkaar is ook lastig voor ze. Waarschijnlijk loopt hun geheugen sneller vol dan bij anderen.

Maar stampen, dingen uit hun hoofd leren, dat kunnen ze als de beste. Vaak hebben ze een lievelingsonderwerp waar ze alles van lijken te weten.

Alleen zijn ze dan weer niet zo gevoelig voor de gevoelswaarde van een woord, voor hen is alles gewoon een woord, het ene niet chiquer dan het andere. Kwartjeskennis.

Juist erudiete woorden vallen op. Maar dat je daar slim voor moet zijn, dat klopt dus niet.

Dictee nee

De een klaagt, de ander beeft. Wanneer ik aan vreemden vertel wat ik doe, valt de mensheid ineens uiteen in twee typen. Ligt niet aan mij. De boze- en de bangeriken zijn bij elke taalkundige bekend.

Allemaal gaan ze me ter harte, maar vandaag hou ik het bij degenen die bang gemaakt zijn. Want dat is het. ‘Ik ben zo slecht in taal,’ mompelen ze bedeesd. Of: ‘Nou, dan mag ik wel oppassen met wat ik zeg.’

Het snijdt me door de ziel. Want het is niet waar. Wij taaldieren zijn nou eenmaal juist onbegrijpelijk kundig en bedreven in taal.

Maar de wereld lijkt er vaak op ingericht ons het tegendeel te laten geloven. Vanavond gaat het weer mis op NPO2. Heus, ik vind Philip Freriks een lieverd, maar dat dictee van ‘m is een vergissing. Erop gemaakt om ons fouten te laten te maken. Bah.

Spellen is geen leuk spelletje, vind ik. Dat dictee voedt taalangst. En ben je een beter mens als je uit je hoofd weet dat je staatsiebezoek zo schrijft, en seks met ks? Dat je paraat hebt dat het Groene Boekje stiekem voorschrijft, niet stiekum, en niet miniscuul, maar minuscuul?

En wie o wie heeft er baat bij te weten hoe je wat als ‘sintbernardhond’ klinkt schrijft? Punten, streepjes, hoofdletters, spaties, waar horen ze al dan niet? Ik weet het zonder spieken echt niet. Wie wel?

Maar bij de Hogeschool van Amsterdam kun je erop worden afgerekend. Echt waar? Echt. Journalist Walt van der Linden neemt het sinds een tijdje op voor student Francis, die de opleiding logistiek doet daar.

Van der Linden helpt hem met zijn Nederlands, want Francis komt uit Ghana. Maar aan dat Nederlands komen ze veel te weinig toe. Tussen-n’en en streepjes moeten noodgedwongen voorgaan. Dieptreurig, en principieel onjuist.

Gelukkig dan maar dat er soms ook te lachen valt om spelling. Om Cark bijvoorbeeld. Geintje van een Amerikaanse koffieketen die ook hier merkwaardig populair is. Hoe heet je, vragen ze als je je bestelling doet van een driedubbele caramel macchiato (nee, vraag maar niet). Die naam zetten ze dan op je beker. ‘Cark’ las de man die ‘Marc met een c’ had geantwoord.

Sorry, mannen

Nee, mannen praten niet minder dan vrouwen. Vrouwen zeggen ook al niet vaker sorry dan mannen – sorry, mannen – en mannen vallen anderen niet meer in de rede dan vrouwen dat doen.

Maar vrouwen stellen toch zeker veel meer vragen dan mannen? En in elk geval roddelen ze meer, dat staat vast. Nee en nee. Het is allemaal niet het geval.

Nu is het punt dat u dat waarschijnlijk jammer vindt. Dat is althans de ervaring van taalwetenschapster (zo wil ze graag heten) Ingrid van Alphen.

Want telkens als uit haar eigen onderzoek of dat van haar collega’s blijkt dat vrouwentaal helemaal niet anders is dan mannenpraat, wil de rest van de wereld dat eigenlijk niet geloven. Dus verschijnen er steeds weer stukjes in kranten en bladen waar weinig van klopt.

Van Alphen nam van de week na veertig jaar onderzoek afscheid met een terugblikcollege vol van die mannen-en-vrouwentaalmythes. Hoe er óver mannen en vrouwen gepraat wordt, ja, dat verschilt wel. Daarover had ze het ook.

Een alledaags voorbeeld zit in tekstverwerkers. Wie in Word een woord selecteert, vindt vervolgens onder de rechtermuisknop synoniemen van dat woord.

‘Vrouw’ is bij mij hetzelfde als: eega, echtgenote, wederhelft, maagd, jonkvrouw, madonna, en gek genoeg ook ‘man’. Bij ‘man’ zie ik: mens, echtgenoot, kerel, vent, persoon, boer. Zoek de verschillen…

Zijn taalmythes hardnekkiger dan andere mythes, vroeg Van Alphen zich af. Dat zou best eens kunnen. Maar dat komt ook doordat we er nog steeds niks over leren op school.

Wat dat betreft was er deze week goed taalnieuws. Denk ik. Hoop ik.

Nieuws van de Taalunie, een organisatie waar ik, eerlijk is eerlijk, niet bijster dol op ben. Van de spellingsveranderingen van 1995 ben ik nog niet bekomen, en het is dit samenwerkingsverband voor alle 24 miljoen sprekers van het Nederlands dat daarvoor verantwoordelijk was.

Maar er komen andere tijden. De nieuwe baas (algemeen secretaris heet die daar) wordt taalkundige Hans Bennis. Hij is een fervent voorstander van een schoolvak taalkunde.

Ruim twintig jaar geleden was dat er bijna, maar het plan verdween in de ijskast. Volgens mij kan Bennis het eruit krijgen. En opruiming onder de taalmythes is maar één van de zegeningen van zo’n vak.

Meer dan mooi

Goed, komende week is het afscheid van Ingrid en ook dat van Niek. Nee, u kent ze niet, ik vertel het omdat ik tegen iemand zei: ik heb twee afscheiden.

Maar dat kan niet. Dat wist ik meteen. Maf hoor. ‘Een afscheid’ is uitstekend, normaal Nederlands, maar twee, drie of veel afscheiden is raar, fout. En ik heb niet het flauwste idee waarom.

Dit was dus weer een van die mooie momenten: je merkt dat je iets weet waarvan je niet wist dat je het wist. En je weet ook niet hoe je het aan de weet bent gekomen.

Het is het eeuwige raadsel en grote wonder van een taal door en door kennen. Ik weet ook dat u het met me eens bent: twee afscheiden, dat klopt niet.

En twee afscheids ook al niet. Ja, tenzij je er nog wat achteraan breit. Bij een afscheid horen natuurlijk afcheidsspeeches, afscheidscadeaus, afscheidsborrels of zelfs hele afscheidstournees. Maar dat is valsspelen, daar is die s de lijm tussen twee woorden.

Hij blijft trouwens plakken bij ‘scheids’, de geliefde afkorting van scheidsrechter. Als de scheids een keer af is, hebben we dan wel een afscheids? Sorry, flauw.

Dan liever nog iets waar ik me laatst over verbaasde. Je hebt: in bed, in huis, op school, op kantoor, op kamp, met vakantie, op stap, aan tafel. Maar weer niet: in badkamer, op wc, op stoel, in schuur, in fabriek. Daar moet iets als ‘de’ bij.

Bent u met me eens toch? Maar waarom? Wat is precies het verschil?

Tot slot moet ik nog even terugkomen op vorige week, toen het ging over ons picobello, dat zuiver Italiaans klinkt. Maar de Italianen kennen het niet. En niemand had er een geloofwaardig verhaal over.

Tot nu. Ik hoop vurig dat er woordgeschiedenisverklaarders, ook wel etymologen genoemd, meelezen.

Een lezer besprak picobello herhaaldelijk met Italiaanse vrienden. En die kwamen met een in mijn oren aannemelijke, briljant bedachte verklaring.

Italianen zeggen niet alleen dat iets mooi is (bello), ze zeggen ook graag ‘meer dan mooi’: più che bello. Ongeveer uitgesproken als pjoekèbello, nadruk op pjoe. Dan is het geen gigastap naar picobello. Een meer dan mooie verbastering.

Picobello

Prima is niet prima. Rotto is niet rot, maar kapot. Capotto is niet kapot, en ook geen kapotje, maar jas.

Si, dit gaat over het Italiaans. Sinds me duidelijk is geworden hoe volstrekt onorigineel ik ben, durf ik u daar met een geruster hart mee lastig te vallen. Mijn eigen warme voorliefde voor de taal van de zuidelijke laarsbewoners deel ik namelijk met onverwacht veel anderen.

Welke talen willen mensen het liefst leren, denkt u? Wereldwijd? Inderdaad. Dat zijn Engels, Spaans en Chinees (om precies te zijn: Mandarijn). Niet gek. Honderden miljoenen sprekers, en hun handel en wandel zijn al snel aantrekkelijk voor anderen.

Maar daarna komt dus het Italiaans.

Ik was er weer tijdelijk in ondergedompeld, en dan komt er veel boven. Bijvoorbeeld al die valse vrienden. Capello een kapel? Nee. Haar (die dingen op je hoofd). Daarop zet je dan weer een cappello, met dubbel p, een hoed. Morbido betekent zacht, beslist niet morbide.

Een casino is in Italië alleen een gokhuis als je het laatste stukje nadruk geeft, op z’n Frans: casiNO. Spreek je het gewoon uit zoals wij, dan is het een chaos, herrie, een zootje, en ook een bordeel.

Helemaal in de knel kom je als je valse vrienden ook uit andere talen dan het Nederlands kunnen komen. Bij caldo is onze associatie gauw cold, koud. Maar ja, caldo betekent warm. Zo herinner ik me het gegriezel van een vriendin met trek in een glas koude melk, die ‘Si’ had geantwoord op de vraag: ‘Caldo?’

Bij fattoria denk je aan factory, maar het is een boerderij, geen fabriek. Fabriek is dan weer makkelijk: fabbrica. Een libreria is geen hele bibliotheek – dat is biblioteca – maar slechts een boekenkast of een winkel vol boekenkasten: een boekwinkel. Je parenti (lijkt op parents) zijn niet je ouders, maar al je familieleden.

Oh, en ‘picobello’ bestaat in het Italiaans niet. Jammer, want dat kent elke Nederlander. Het is een verzinsel voor ‘piekfijn’, al klopt dat niet erg. Pico bestaat niet, picco wel, en dat betekent inderdaad piek. Bello, vroeger een geliefde hondennaam, is mooi. Het succes van dit bedenksel is ongekend. We hebben het zelfs aan de Duitsers weten door te geven.

Prima betekent trouwens eerste en eerder en vroeger. Prima toch?

Voor oplichters

Griezelig bericht zeg, deze week. In aantocht: fotoshop voor geluid.

Dit begreep ik ervan: wat we natuurlijk al konden is iemands beeld precies in de vorm kneden die ons uitkomt – meestal jonger, slanker, gladder. Maar binnenkort kan er bijna net zoiets met iemands geluid.

Woorden verdraaien is relatief simpel sinds er alleen nog maar denkbeeldige scharen en lijm te pas komen aan het knippen en plakken in geluidsopnames. Maar om iets ergens anders te kunnen plakken, moet het er wel zijn.

Hoeft straks niet meer. Voeder een computerprogramma een minuut of twintig van je gepraat, en hup, het kan vervolgens woorden maken die je helemaal niet gezegd hebt. Met jouw stem dus. ‘Project Voco’ heet het.

Geinig? Ja, er zal best wat moois en creatiefs mee te maken zijn. Als ik even m’n fantasie op hol laat slaan: misschien kun je op den duur zo wel nasynchroniseren. Dus John Wayne die in de Duitse versie van zijn westerns Duits praat met zijn eigen stem. Nou ja, en met een Engels accent waarschijnlijk.

Maar het beangstigt me. Het ís namelijk al zo moeilijk om leugen en waarheid uit elkaar te houden. We zijn er niet op gemaakt.

Ons onderlinge taalcontact draait standaard op een paar dingen. Waaronder het principe dat de ander de zaak niet belazert. Dat is dus tegelijk de bodem onder het succes van oplichters en leugenaars.

En die grijpen ook online hun kans. De hoax (Internets voor ‘Broodje Aap’) van de week ging uiteraard over Trump.

Talloze keren kwam hij voorbij op een jonge foto, met daaronder een citaat. Hij had in 1998 gezegd dat mocht hij ooit meedoen aan presidentsverkiezingen, hij voor de Republikeinen op zou gaan, want dat waren de stomste kiezers. Liegen zou geen punt zijn, de mensen zouden het vreten.

Het wrange is dat het een demonstratie werd van precies wat Trump daar zogenaamd zei: het verzonnen ‘citaat’ werd massaal geloofd en rondgestuurd.

Zelfs de redactie van de talkshow Pauw trapte erin. Want daar lieten ze hun gast Sylvana Simons, die het ook al geloofde, dat Trumpplaatje-met-citaat gewoon tonen.

Aan het slot van de uitzending moest het rechtgezet. Tikje pijnlijk. We moeten gauw minder goedgelovig worden.

Er intuinen

Wilt u mij om de tuin leiden? Dat heb ik graag. Tenminste, als het komt door een intuinzin.

Die intrigeren me. Een intuinzin is namelijk een goede zin, maar je denkt toch even van niet. Omdat je op het verkeerde been wordt gezet.

Voorbeeld? Voorbeeld: ‘Dat jongetje zegt net dat het speelgoed vaak mee naar bed neemt.’

Grote kans dat u een fractie van een seconde ‘huh?’ dacht en aan het end terug moest naar het begin. Dat gebeurde dan omdat de ‘het’ voor ‘speelgoed’ helemaal niet bij dat speelgoed hoort, maar terugslaat op het jongetje.

De oorzaak? We zijn allemaal keihard en razendsnel werkende ontleedmachines. We beginnen onmiddellijk, wachten niet het eind van de mededeling af. Bovendien doen we in de loop van ons leven een ontzagwekkende hoeveelheid kennis op van hoe onze moedertaal én de wereld in elkaar zitten. En daarmee van wat vaak samengaat.

Dus als we zien ‘Schepen vergaan in een storm’ zijn we verbaasd als het daarna nog verdergaat, bijvoorbeeld met ‘zijn zelden verzekerd’. En na ‘Zij zagen het weesmeisje door’ verwacht je toch echt niet dat daar ‘de verrekijker’ achteraan komt.

Maar het kan allebei wel degelijk. Probeer maar.

Hopelijk deelt u mijn lol in deze hersenkrakers, want dat zijn het. Bijvoorbeeld bij ‘zij kunnen bakken met zulk deeg niet verplaatsen’ slaan hersenactiviteitmetertjes inderdaad even uit. Dat draait erom dat bakken dingen zijn waar iets in kan, maar dat je het ook kunt doen. Met broden, een spiegeleitje of zelfs met heel Holland. Bij pakweg zakken en pakken heb je dat ook. Er kan iets in, én je kunt het doen.

Enfin, dat heel verschillende soorten woorden er precies hetzelfde uit kunnen zien, geeft ook hier weer zeeën aan mooie mogelijkheden. Het is bijvoorbeeld de bodem onder een bekend raadseltje: ‘Wat was was voor was was was?’

Kent u het? Je denkt al snel aan bijen, en aan vuile kleren. Maar grappig genoeg gaat het aldoor om hetzelfde, blijkt uit de oplossing: ‘Voor was was was was was is.’ Hardop voorlezen helpt soms ‘m door te krijgen: ‘was’ is hier steeds de verleden tijd van ‘is’.

Graag meer intuinzinnen! Vind ze, maak ze, stuur ze me.

 

Het gebeurd

Dit gebeurd heel vaak. Of dit: iemand verkeerd in de veronderstelling dat ‘verkeerd’ hier goed gespeld is. Net als ‘gebeurd’ in het zinnetje daarvoor.

Waarom? Omdat we gewoontedieren zijn. En ijzersterk in het herkennen van wat we al kennen. In een flits wordt er dan een miniboodschap doorgegeven: ziet er vertrouwd uit, is in orde!

Gebeurd en gebeurt bestaan allebei. Dat is het punt. Net als verkeerd en verkeert, besteld en bestelt, erkend en erkent, herhaald en herhaalt.

Want eerst gebeurt er wat, en dan is het gebeurd. Je bestelt, erkent of herhaalt iets, met andere woorden: het wordt besteld, erkend of herhaald, en tja, vervolgens is en blijft het besteld, erkend of herhaald.

We hebben hier een flinke kluit woorden te pakken waarbij de kans op een spelfout extra groot is. Dit zit in het Nederlands ingebakken. De reden dat ‘gebeurt’ en ‘gebeurd’ naast elkaar bestaan, is dat we niet nog een ‘ge’ zetten voor een ‘ge’ die er al staat.

Dus geen: het is gegebeurd. En bij ver-, be-, er- en her- lusten we er ook geen ge- meer voor. Geverkeerd, gebesteld, geërkend en geherhaald, het is allemaal helemaal fout.

Verwarrend? Nou, niet als we praten gelukkig. Iedereen die met het Nederlands is opgegroeid doet het vanzelf goed. En ook het verschil tussen ‘ik wordt’ of ‘ik word’ en ‘redt de zeehondjes’ of ‘red de zeehondjes’ hoor je gelukkig niet.

Kan het kwaad? Afgezien dan van de ergernis die spelfouten kunnen oproepen?

Meestal is glashelder welk van de twee bedoeld wordt. Zelfs in krantenkoppen en andere telegramstijl.

‘Jihad Jane veroordeelt tot tien jaar gevangenis’ kwam ik een keer tegen. Om te kunnen veroordelen zou Jihad Jane rechter moeten zijn. Maar ik snapte meteen dat ze dat nou net niet zouden bedoelen.

Een t-tje te weinig kan ook geestige gevolgen hebben. Er zijn nogal wat tekstbordjes bij verkeersborden waarop meer beloofd wordt dan ze waarmaken: ‘Geld voor gehele straat’, ‘Geld ook voor fietsers en voetgangers’. De foto’s zijn een heerlijke hit op internet. Ook hier geldt: ook geld bestaat.

Nou ja, nadenken bij welke woorden hetzelfde klinken maar verschillend gespeld worden helpt me echt. Al blijft het natuurlijk soms heus verkeert gaan.

 

Tada…: De Spelfout

Nou, een feestje werd het niet, de Week van het Nederlands die nu ten einde loopt. Weinig kleurige taalslingers en vrolijke woordconfetti.

Want veel te veel van de aandacht ging weer eens naar gedoe over wat goed en fout is. Met natuurlijk een prominente plaats voor… tada… jaja: De Spelfout. Testjes of je wel weet dat applaudisseren met twee p’s en twee s’en is enzo.

Belangrijk? Ach jawel. Heus wel. Best wel. Maar oersaai is het ook.

En zo blijven de mensen denken dat taal gelijk staat aan spellen.

Is een spelfout dan geen taalfout? Zelden. Dat is ook logisch. Hoe je iets opschrijft, staat in wezen los van de taal waar het over gaat.

Ik weet het: als je eenmaal geleerd hebt te schrijven dan voelt het gauw als één geheel, alsof de spelling een onlosmakelijk deel van een woord is. Maar je hebt schrijven niet nodig om woorden te leren.

Dat is maar goed ook. Van verreweg de meeste van de duizenden talen op aarde bestaat namelijk geen geschreven vorm.

En tegen de tijd dat wij onze kinderen naar school sturen om te leren lezen en schrijven, hebben ze hun moedertaal ook goeddeels onder de knie. Je kunt dan tenslotte al jaren gewoon met ze praten.

Russisch of Chinees is dus niet lastig omdat ze toevallig met het cyrillisch alfabet of karakters geschreven worden. Dat zouden wij hier ook kunnen doen. Het Latijnse alfabet dat we nu gebruiken door het Griekse vervangen kan net zo goed. In Egypte kun je overal je naam in hiëroglyfen laten schrijven op papyrus. Groot toeristensucces. Ook een mogelijkheid.

Oké, een onpraktisch idee, een ander schrijfsysteem beginnen, maar aan het Nederlands verandert het niets.

Dit is blijkbaar werkelijk verwarrend. Afgelopen week vroeg een politicus zich af: als je gebarentaal wil erkennen, moet je dan ook braille gaan erkennen? Dat is hetzelfde misverstand: braille is geen taal. Het is een alfabet, ontworpen voor blinden, dus eentje dat je kunt voelen. En dat je kunt gebruiken voor talloze talen.

Maar vooruit, ik wil niet flauw zijn. Daarom binnenkort een keer over spelfouten. Zelfs spelfouten die echt met het Nederlands te maken hebben.

Handjes omhoog

En ja, daar waren ze weer hoor. De onuitroeibare handjes. Het kan niet over gebarentaal gaan of ze gaan de lucht in en we zien ze ijverig letters spellen.

Meestal zijn het willekeurige handalfabetletters. Eén krant spelde dit keer het hele woord ‘officieel’. Want het bericht ging over het wetsvoorstel dat net is ingediend om de Nederlandse Gebarentaal officieel te erkennen.

Mooi gevonden toch? Nee! Niet!

Sorry als ik geïrriteerd klink. Er ligt een groot, diep misverstand onder die gewoonte. Het l-e-t-t-e-r v-o-o-r le-t-t-e-r u-i-t-s-p-e-l-l-e-n v-a-n N-e-d-e-r-l-a-n-d-s-e w-o-o-r-d-e-n is echt iets heel anders dan praten in gebarentaal. Gebarentaal is geen Nederlands. Ook de Nederlandse Gebarentaal niet.

Het is namelijk een zelfstandige taal. Met dus een eigen woordenschat, en een eigen manier om woorden en zinnen te bouwen. En met een eigen geschiedenis, die hier in Nederland ligt. Daar is het onder doven ontstaan, en tegen alle verdrukking in blijven bestaan.

Onze hersens kunnen hier blijkbaar maar moeilijk bij, is mijn conclusie na dertig jaar over dit onderwerp schrijven. Maar waarom begrijp ik niet goed. Waarschijnlijk ben ik te ongeduldig.

Is die poging tot erkenning geen goed nieuws dan?

Zeker. Oud nieuws ook. In 2010 werd het ook gedaan, in 1997 verscheen er nota bene op verzoek van de regering een prachtig en duidelijk rapport over erkenning, in 1988 bepaalde het Europees Parlement dat landen de nationale gebarentalen moesten erkennen, en ook tussendoor waren er plannen en is er druk uitgeoefend.

Maar ze verrekken het in Den Haag keer op keer. Waarom?

Gebrek aan kennis, denk ik. Vandaar ook mijn gezucht over dat handalfabet. Want hoe kun je politieke steun verwachten voor iets dat massaal niet gesnapt wordt?

Verder kost het natuurlijk geld. Erkenning houdt in dat er veel meer vertaald zal moeten worden.

Maar er was meer nieuws. Een dove Vlaamse politica, ze heet Helga Stevens, wil voorzitter van het Europees Parlement worden. Precies de omgeving waar dat heel goed zou kunnen. Iedereen is eraan gewend dat alles vertaald wordt daar. Ze is officieel kandidaat.  

En dat was dertig jaar geleden denk ik onmogelijk geweest. Dus misschien verandert er toch iets. De verkiezing is in januari. Ik hoop dat ze het wordt.

Smombies

Vergat ik toch MaxLex vorige week! Dank aan de lezers die me erop wezen. Ja, ook Nederland heeft een glamourkoppel dat naamversmolten is. Máxima en Alex, de koningin en de koning, zijn onze eigen Brad en Angelina.

En toch en toch. Lekker bekken zoals Brangelina doet MaxLex niet. En erg wijdverbreid is het gebruik ook niet, meen ik.

Misschien is en blijft het bovenal een Engelse traditie. Net zoals de smog die ze daar hebben, en de brunch: een mengeling van rook en mist (smoke en fog), en van ontbijt en middageten (breakfast en lunch dus).

De meestgebruikte naam voor het verschijnsel komt in elk geval uit het Engels, ook al is het van oorsprong Frans. Portmanteau-woorden heten ze.

Lewis Caroll, de man die Alice in Wonderland verzon, bedacht ook dit. In het boek Through the looking glass hoort Alice bijvoorbeeld dat ‘mimsy’ (tot dan toe geen bestaand woord) de betekenissen ‘ongelukkig’ en ‘dunnetjes’ (miserable en flimsy) gemakshalve combineert.

Indertijd heette een koffer die in twee gelijke delen openklapt in Engeland een portmanteau. De Franse woorden voor ‘dragen’ en ‘mantel’ zitten erin, en het is wat ze daar nu tegen een kapstok zeggen.

Toen ik dat tegenkwam, begreep ik eindelijk waarom ik steeds lees dat die versmeltwoorden (zo noem ik ze zelf maar voor de duidelijkheid) ook wel koffer- of kapstokwoorden worden genoemd in het Nederlands.

We maken in Nederland soms zelfs zelf Engelse versmeltingen. Bij het blad Quest, waar ze vrolijk over wetenschap schrijven, verzonnen ze ‘braintainment’. Van brein en vermaak (entertainment). We hadden al infotainment. En uit diezelfde wereld komt ook de mockumentary, de nep-documentaire (mock is voor de gek houden), en de docusoap, programma’s waarin soapies en andere beroemdheden worden gevolgd.

Portmanteaus kun je natuurlijk gebruiken om nieuwe woorden mee te bouwen, of te smelten. Medisch journalist René Steenhorst bedacht laatst in hooikoortsverband de ‘pollensmog’, wat meteen de voorpagina van De Telegraaf bereikte.

Helemaal van deze tijd zijn de smombies. Ze wandelen en fietsen in steeds grotere getale rond: ware zombies, met gebogen nekken, in hun hand hun smartphone. Het woord dat slim (smart) en telefoon tot één ding maakte.

Moeten we misschien toch nog eens over nadenken.

Versmeltwoorden

Sinds het grootste nieuws van de week bekend werd, breek ik me er al het hoofd over waarom wij niet hetzelfde doen met onze glamourparen.

Natuurlijk heb ik het over de ontkoppeling van Brangelina – voor de verdwaalde enkeling die dat niet allang wist: zo heet het koppel Brad Pitt en Angelina Jolie kortweg in de media.

Geweldig was (was ja, ook alweer voorbij) ook dat andere acteursstel: Tom Cruise en Katie Holmes. Die werden samen TomKat, extra goed gevonden omdat tomcat het woord is voor mannetjespoes en rokkenjager. Nog geestiger was het toen ze een kleintje kregen: hun Tomkitten.

Maar ook niet te versmaden valt het presidentiële paar Billary Clinton.

Het werd en wordt hier allemaal grif overgenomen voor de echtparen in kwestie, maar zelf eens even creatief aan de slag gaan onze eigen roddelmedia niet volgens mij.

Want waarom hadden wij hier geen Kathijs toen Katja Schuurman en Thijs Römer nog dolverliefd waren? Goed, wij hebben ‘Yo en Wes’ met hun daarop rijmende kindje Xess. Maar de langnamige Yolanthe Cabau van Kasbergen en haar Wesley Sneijder zijn niet versmolten tot Yowes, of Yoley.

Van Kathijs hadden we dan bij de scheiding mooi een Kathexit kunnen maken. En voor Xess is het te hopen dat er nooit een Yowexit komt. Zoals we na Brangelina nu wel een Brangexit hebben.

Die zal wel extra aanslaan omdat het woordje ‘ex’ erin zit.

Al moet gezegd dat ‘exit’ als deel van een versmeltwoord sowieso zwaar in de mode is. Het is wat de oude Romeinen al tegen een uitgang zeiden. Wie gaat slapen op twitter zegt twexit bijvoorbeeld. En wat zijn we niet om de oren geslagen met Grexit en Brexit voor een vertrek van Griekenland en Groot-Brittannië uit de EU.

Misschien maken Grexit en Brexit wel deel uit van de beginwoordenschat van het AE, het Algemeen Europees. Want ook in veel andere Europese landen begrijpen ze die smeltwoorden meteen. Het is een lekker mechanisme.

Nou ja, lekker… Een andere keer dan maar over smerige smeltwoorden. Zoals de net gepatenteerde Australisch-Amerikaanse ‘hamdog’ (inderdaad, een hamburger met ook nog een worstje), en de Amsterdams-Brabantse ‘krokodel’. Dat is, geloof het of niet, een kroket met frikandellenragout erin.

Totaal gelul

‘Lullen’ en ‘gelul’ waren nieuw voor me. Begin jaren zeventig zeiden ze dat niet in Zuid-Limburg, en daar had ik toevallig leren praten.

Maar in Zuid-Holland was er ineens sprake van een hele hoop gelul, en lulde ongeveer iedereen. Ik moest er na de verhuizing echt aan wennen, en m’n ouders ook, herinner ik me.

Mark Rutte groeide op in Zuid-Holland, en dus met lullen en gelul. Bovendien is hij net een slagje jonger dan ik.

Dat zijn verzachtende omstandigheden zou je kunnen zeggen. ‘Gelul’ is voor Rutte normaler dan voor mij. Maar ook als ik dat meereken, blijf ik zijn uitroep ‘Totaal gelul’ van afgelopen week bij de wekelijkse persconferentie behoorlijk opmerkelijk vinden.

Waarom? Omdat hij de minister-president is.

Niet grof of plat praten. Dat is wat we onbewust verwachten van mensen met maatschappelijke macht en/of veel aanzien. Als ze daarvan afwijken, valt dat dus op.

En het heeft effect. We schrikken er een beetje van, of we gaan lachen. Of allebei. ‘Plat’ en ‘grof’ halen we natuurlijk graag uit onze voortplantingsonderdelen en de afvoerkanalen van ons lichaam. ‘Die zeikerd heeft wel ballen.’ ‘Klote zeg, dat dat schijthuis je zo verneukt.’ Enfin, vul uw eigen lievelingsvoorbeelden in.

Maar plat is vaak ook: praten met een plaatselijk accent. En ook dat verwacht je niet gauw van koning, keizer, admiraal. Of de minister-president.

Van oudsher is dat dan ook wat de nar gebruikt. Tierend en volks pratend wordt de koning opgevoerd, nagespeeld. Dat geeft wat tegenspel. Omdat macht die bespot mag worden minder gauw uit de klauwen loopt.

Ziehier ook het grote succes van Lucky tv, waarin onze hedendaagse nar Sander van de Pavert de koning bij bestaande beelden steeds plat Haags laat praten. Iets dat die koning overigens naar verluidt zelf ook goed kan en graag doet. Maar niet in het openbaar.

Dat is een verschil met onze premier. Die lijkt zijn eigen nar te spelen. Hij kiest regelmatig grove woorden en mag graag wat Haags inzetten (pleur op!). Natuurlijk doet Rutte dat expres. Hij hoopt er kiezers mee aan te spreken.

Ik ben razend benieuwd of het gaat werken. Wint Rutte de verkiezingen met zijn gelul? Of wordt het toch oppleuren?

 

Onbeleefd

Het Turkse bad praat tegen me. Het zegt: ‘Het spijt me, ik ben dicht.’ Vanaf een briefje, en niet in het Turks, maar in het Engels. We bevinden ons in de hoofdstad van Nederland.

Er hangen sinds kort ook bordjes waarop het gaat over ‘Your sauna’ en ‘Your swimming pool’. Ik blijf het mal vinden die gewoonte. Mijn? Welnee. Ik heb helemaal geen sauna en geen zwembad. Daarom kom ik juist in die sportschool.

Maar nog maller is het nieuwe beleid dat er sinds de verbouwing kennelijk heerst: alle mededelingen zijn nu in het Engels. Niet Engels én Nederlands. Nee. Alleen Engels. En ik vind het onbeleefd, merk ik.

Eerder al kwam iemand me er in het Engels vertellen over abonnementen, en ook belden er mensen die gewoon zomaar, out of the blue, tegen me begonnen in het Engels.

Spreek ik dat dan niet? Heus wel. Maar dat kunnen zij toch niet weten? Eerst even vragen, dat is toch het minste? Of ben ik dan een onkosmopolitisch trutje?

Kan zijn. Maar wat mij betreft: hoe meer talen, hoe meer vreugd. Ik heb alleen m’n bedenkingen wanneer je niet de keus krijgt.

De trend bij bedrijven en ook bij universiteiten om over te schakelen op het Engels lijkt intussen onstuitbaar.

Daarbij is onderschatting een punt. Ik weet toevallig dat het Engels van docenten en staf in de academische wereld dikwijls nogal beroerd is. Als je niet opgroeit met een taal kost het de meeste mensen nou eenmaal heel veel tijd, moeite en aandacht om hem alsnog goed te leren.

Tot in de hoogste kringen geldt dat. Ook de koning spreekt geen Queen’s English, viel me laatst op.

Misschien dat jongeren er allemaal beter in zijn, al is het maar omdat ze van kleins af aan Engels meekrijgen in al die games.

Maar is niet-zo-perfect-Engels eigenlijk erg? Daar aarzel ik over. Mijn ervaring is namelijk ook dat het in de praktijk meestal prima lukt om elkaar duidelijk te maken wat je bedoelt. Maar ja, dat is dan in kleine gezelschappen.

Wel denk ik dit: voor het Nederlands zijn Engelse leenwoorden geen enkel gevaar. Maar het Engels hier vaker als  voertaal gebruiken is dat wel.

Knettergekker

We kwamen al snel lachend terecht in een wedstrijdje wie-is-witheter, jij of ik? Want hij was witheet geworden vanwege mijn witheetheid vorige week.

Even rechtzetten dan maar. Twistpunt waren cookies. Mijn ergernis over de overal op internet terugkerende tekst dat die dingen voor mijn eigen bestwil zijn (‘om u beter van dienst te zijn plaatsen we cookies’) had vooral het stalken als reden. Want elke jas of tas of vliegreis waar ik per ongeluk een keertje naar gekeken heb, duikt daarna dankzij die cookies nog tot in de eeuwigheid op bij totaal andere websites.

Maar goed, cookies doen dus ook allemaal heus nuttige, nodige dingen, meldde een vriend die zich daar beroepshalve juist voor inspant. Waarvan akte.

Onze witheetheidwedstrijd bleef onbeslist, maar de vriend in kwestie – we delen taalgekte – wees me erop dat er iets geks is met ‘witheter’ en ‘witheetst’. Net als met pakweg ‘knettergekker’, en ‘knettergekst’. Dat klinkt allemaal vreemd.

Het lijkt een algemene regel: als je aan de voorkant al een soort vergelijking hebt vastgeplakt, of iets dat de boel versterkt, dan kun je niet zomaar achteraan de zaak vergroten.

Een verrek-zeg-ja-moment. Altijd heerlijk. Daarna komt dan het schatgraven: het zoeken naar meer voorbeelden.

We hebben wel heel prachtige manieren om aan te dikken wat we ergens van vinden, blijkt. Spuugzat en zeiknat. Flinterdun en moddervet. Apetrots, beregoed en mierzoet. Goudeerlijk en ijzersterk. Supermooi en megalelijk. Reuzeleuk en retecool.

Maar inderdaad, ronduit raar wordt het als je gaat vergroten. ‘Ik voel me kiplekkerder dan jij.’ ‘Voor de broodnodigste variatie.’ ‘Vanwege de torenhogere kosten zien we af van dat ene plan en voeren we liever het spotgoedkopere uit.’ ‘Is Oprah Winfrey eigenlijk nog de steenrijkste vrouw ter wereld?’

Regels zijn regels, maar bij taal is het mooie dat je ze soms zelf kunt ontdekken.

En ook dat ze vaak niet zo strikt zijn. Om sommige vergrotingen moet je juist een beetje (glim)lachen. Van een stelletje kun je heel goed zeggen: ‘Hij was smoorverliefder dan zij’. Grijsaards op een bankje vallen prima te omschrijven als ‘de een nog stokouder dan de ander’. Dat verrast.

Mijn stelling: met dit soort gemorrel aan de regels maak je dus ook grappen. Of literatuur.

Witheet

Joost mag weten hoe vaak ik het nu al op een website gelezen heb: ‘Om u beter van dienst te kunnen zijn gebruiken wij cookies.’ En nog steeds denk ik iedere keer: helemaal niet! Dat doe je niet voor mij. Als je er zelf niks aan had keek je wel linker uit.

Flauw van me? Ja, ik weet het wel, schijnheiligheid is zo oud als de wereld.

Misschien ben ik overgevoelig. Maar met welke woorden en redeneringen iets me verkocht wordt, maakt me veel uit. En waar je me echt kwaad mee krijgt is me dingen door de strot douwen onder het mom dat het goed voor me is. Of goed voor de hele wereld.

Van de week at ik weer in de pizzeria die volgens het bordje bij de kassa veiligheid en duurzaamheid heel belangrijk vindt en daarom geen cash aanneemt. Huh?

‘Veiligheid’ is al tijdenlang een prachtbegrip waar je de gekste dingen onder kunt verkopen. En ‘duurzaamheid’ is nog zo’n toverwoord. Maar die pizzabakkers bedoelen volgens mij vooral dat het lekker makkelijk voor ze is.

Die duurzaamheid vind je ook terug in hotelkamers van New York tot Hongkong. Overal hangen of liggen briefjes. Kent u ze? Meestal onder het kopje ‘Red de aarde’ vragen ze je je handdoek vooral langer dan een dag te gebruiken. Want als je het wereldwijd bekijkt, scheelt dat al snel immense hoeveelheden water en energie.

En dat is waar. Maar toch zou ik daar zo graag een keer bij lezen: en wij sparen natuurlijk fijn werk en geld uit.

Enfin, met die handdoeken kun je nog zeggen: bekijk het maar. En pizza’s zijn overal te koop. Het witheetst word ik van de dingen waar ik niets tegen kan doen (de meeste woede komt als bekend voort uit onmacht).

Laatst zocht ik uit waarom de tramhalte vlakbij mijn huis ineens is opgeheven. Wel, het vervoerbedrijf had een uitstekende reden: het duurde te lang om van begin- naar eindpunt te komen.

Aha. Die redenering trek ik graag door. Want wie slecht ter been is, heeft toch al vette pech. Waarom zouden ze voortaan niet gewoon in één ruk doorrijden? Nergens meer stoppen. Gaat nog véél sneller. Grrrr.

Wat er staat

Wat een week. U wordt hartelijk bedankt. Totale gekte was het. Niks kon ik nog gewoon lezen.

Overal bleven de dubbelwoorden opduiken. Natuurlijk in uw reacties op het zomerspel uit Taal! van vorige week. U verwende me met mokken die mokken (je ziet ze pruilen), en met allebei je slapen waarop je kunt slapen. Een paar versies van ‘wat geef je dat weer weer leuk weer’ gaven me weer een zonnig humeur.

En er bleken bovendien prachtige, verrassende verdubbelingen te zijn die alleen op het gehoor bestaan. ‘Heb je aardbeien bij je?’ vond ik een mooie zomerse. En komt u uit deze: ‘Zij het dat zij zei dat hij zei dat hij – hetzij gekleed in zij, hetzij op zijn zij – geheid op de hei wilde heien.’

In de post trof ik ook gouwe ouwe aan. Over de venter uit Deventer. U kent hem misschien ook: ‘En toen was de vent er.’ Een favoriet bleek daarnaast het een tikje stoute ‘als echtparen echt paren dan hebben echtgenoten echt genoten’.

Dit werkt niet zozeer op het gehoor als wel op het gezicht. Aha. Een heel nieuw, verrukkelijk terrein opent zich hier. Kun je gaten slaan in de woorden, en wel zo dat je iets heel anders krijgt?

Nou, dat kan. De gewoonste woorden laten zich soms in de gekste mootjes hakken. Let wel: mootjes die stuk voor stuk ook een los woord zijn. In ‘schilderijen’ zitten bijvoorbeeld ‘schil’ en ‘de’ en ‘rij’ en ‘en’.

In ‘meerdere’ kun je ‘me’, ‘er’, ‘de’ en ‘re’ zien. Lekker korte, vaak voorkomende woordjes die een oceaan aan mogelijkheden opleveren. En dan zijn we in het Nederlands ook nog gezegend met ‘en’ en ‘ver’ en ‘ge’ en ‘je’ die talloze keren terugkomen.

Waarschuwing: als dit je te pakken krijgt, kun je niet meer ophouden. ‘Hotelkamer’ bestaat dan ineens uit zoiets als ‘stop-1,2,3-borstel-daar’ (ho-tel-kam-er). En ‘uitgekleed’ wordt ‘buiten-vreemde-ellende’ (uit-gek-leed).

Bonuspunten vallen hier te verdienen met woorden die zich laten opdelen in een kort zinnetje, of een krantenkop: Ja! Ren lang. Land goed eren!

Zelf een mooi verhaal bij bedenken. Voor op de terugweg van vakantie dit, voor de liefhebber.

Nog één ouwetje ter inspiratie: ‘Er staat wat? Wat er staat: waterstaat.’

Zo. Nu eerst dit

Kun je woorden stelen? Nou en of. Iedereen die deze column overneemt zonder dat ik gezegd heb dat dat goed is, is een dief. Die volgens de wet maximaal vier jaar gevangenisstraf kan krijgen.

Maar wie er een stukje uit steelt én erbij vertelt dat het uit een aflevering van deze rubriek komt, heeft niets te vrezen. Dat is meer een vorm van lenen, en die heet citeren. Dat mag gelukkig.

Alleen doen of je iets zelf bedacht hebt, mag weer niet. Dat noemen ze namelijk plagiaat.

Het was de week van de woordendieverij. Gloedvolle woorden uit de mond van de echtgenote van presidentskandidaat Donald Trump hadden eerder geklonken uit de mond van de echtgenote van Barack Obama, toen die presidentskandidaat was geworden.

Opmerkelijk, vond iedereen nadat het opgemerkt was. Het ging om zo’n zeven procent van het verhaal dat Melania Trump hield.

Is taal niet van ons allemaal dan? ‘Dit zijn algemeen gebruikte woorden’, probeerde Trumps campagneleider inderdaad. En het ging over heel algemene ‘values’.

Dat was waar. Maar losse woorden en onderwerpen zijn nog geen formuleringen. En dat was wat er opviel.

Hoe gek het ook klinkt: de kans dat die zeventig woorden er bij toeval net zo uit kwamen bij een andere speech is onnoemelijk klein. En dat komt weer doordat de mogelijkheden oneindig groot zijn. Dat wil zeggen: de mogelijkheden om goedlopende woordencombinaties te maken. Zinnige zinnen.

U leest ook op dit moment een stuk tekst, een krant vol met zinnen die u nooit eerder exact zo las. En u zegt zelf uw levenlang steeds weer dingen voor het eerst. Een van de alledaagse wonderen die zich afspelen in onze hoofden.

Maar waar ligt de grens? Hoeveel achtereenvolgende woorden kun je claimen als de jouwe?

Daar kregen we ook een lesje in. Er was eens een biermerk dat zijn reclames steevast afsloot met de woorden ‘Zo. Nu eerst…’. Toen kwam er een internetbedrijf dat óók een reclamecampagne maakte met ‘Zo. Nu eerst…’

Toen het biermerk daar bezwaar tegen maakte, kreeg het gelijk van de rechter. Tot deze week. Het internetbedrijf vocht de uitspraak namelijk aan, en won. ‘Zo. Nu eerst…’ is toch van ons allemaal.

 

Vanzelf

Nee, wie er allemaal komen kijken kan ik nergens aan zien. Maar wel welke woorden of vragen geleid hebben naar m’n artikelenarchief op internet.

Daar steek ik onder meer van op dat ik over de gekste dingen geschreven heb (‘grofstoffelijke porno’, ‘vrouwenspinnen die mannetjes eten’, ‘hoe iemand te vergeven’). Maar favoriet zijn zoekwoordrijtjes als ‘zinnen ontleden machine’, ‘taalmachine’ en ‘woordsoorten ontleden’.

Daar is dus behoefte aan. Ik stel me zo voor dat dat vooral onder scholieren het geval is. En altijd als ik me zo’n leerling voorstel, moet ik een beetje grijnzen.

Want oh, wat een akelige teleurstelling moet dat zijn. Waar komen ze uit? Niet bij een fijne machine waar ze maar iets in hoeven stoppen en plop, daar komt het vanzelf ontleed en van woordsoortennamen voorzien weer uit.

Nee, hun zoekwoorden brengen hen bij dertig jaar oude artikelen, lappen tekst van heb ik jou daar. De vrucht van de zomer van 1986, die ik me herinner als warm en loeispannend.

Een hele week luisterde ik in bloedhete zaaltjes naar verhalen van allerlei onderzoekers over taal en computers. Waar stonden we nou met automatisch woorden afbreken, vertalen, ontleden?

Doodeng en geweldig was dat ik voor het eerst een krantenverslag mocht maken van zoiets. Ik schreef bijvoorbeeld: ‘Er zijn al plannen om woordenboeken op schijf uit te brengen voor de pc-bezitter.’ Grappig, zo gedateerd als dat klinkt.

Maar veel is verbazingwekkend genoeg nauwelijks gedateerd.

Neem dat automatisch afbreken van woorden. Dat is nog altijd soms verrekte lastig. Is een minister nou een klein sterretje (mini-ster), of een staatsdienaar (minis-ter)?

En je kunt nog steeds niet alle uitjes eten of ieder diplomaatje uitreiken. Want ook uit-jes of diplomaat-je kan de goede afbreking zijn.

Wij mensen hebben dat vrijwel altijd meteen in de smiezen. Zo’n woord komt namelijk niet alleen. Wij begrijpen uit wat eromheen staat hoe het zit.

Ook al zijn er ontelbaar veel dubbele mogelijkheden. Is ‘boeken’ iets dat je doet, of zijn het dingen die je leest? Machines zien dat niet zomaar.

Die scholieren die in mijn archief belanden klikken natuurlijk meteen verder. Toch zou even doorlezen misschien best zin hebben. Dan zouden ze snappen waarom ze die verlangde ontleedmachine nergens gaan vinden

Zie maar

Dit is ook een mooie: het verschil tussen ‘inzicht’ en ‘inkijk’, schreef een leuke lezeres.

Nou en of. Het scheelt nogal of iemand tegen je zegt ‘Jij hebt inzicht’ of ‘Jij hebt inkijk’. Waarbij het bovendien wonderlijk is dat dat laatste uitsluitend over vrouwen lijkt te kunnen gaan.

Of noemen we het arbeidersdecolleté ook ‘inkijk’? Voor wie dat een nieuw woord is: het wordt gebruikt voor de achterkant van een gebukte mannelijke medemens met een lage broekband. Wat me dan weer doet denken aan m’n vader, die als klein jongetje verbaasd tegen zijn gedecolleteerde moeder zei: jij hebt voor óók billen.

Het ging hier laatst dus over de mogelijkheden en onmogelijkheden met ‘kijken’ en ‘zien’. Daar blijkt nog wel meer moois mee te beleven. Om even in de inkijksfeer te blijven: een doorzichtige bloes is gek genoeg geen doorzichtbloes, maar juist een doorkijkbloes. En heb je in elk opzicht het nakijken als je iets afzichtelijk opzichtigs op zicht krijgt?

‘Kijken doe je met je ogen, zien gaat met je verstand,’ schreef iemand anders. Als we aannemen dat je verstand ook in je achterhoofd zit, dan is daar veel voor te zeggen.

Weinig zo knap en ingewikkeld als de manier waarop we zien. Beeld komt ondersteboven binnen, de ene helft van je netvlies vangt iets anders dan de andere, en daarna gaat het kruiselings je hoofd door. Naar achteren. Daar wordt de hele zaak gesorteerd en uiteindelijk geïnterpreteerd. Een speciaal stukje hersenen ziet bijvoorbeeld alleen kleuren, weer een ander alleen bewegingen. Pas als alles het goed doet, wordt het wat we ‘zien’ noemen.

Anders gezegd, zoals Cruijff het trefzeker verwoordde: ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’ Kijken is nog geen zien, blijkt steeds. Caesar was er vast ook niet gekomen met een ‘Ik kwam, ik keek, ik overwon’.

‘Of kijk jij dat misschien anders?’, vroeg een vriend voor de grap. Want dat kan dus juist weer niet. ‘Iets kijken’ kunnen we niet – hooguit, als uitzondering, kijken we televisie. ‘Misschien bekijk jij dat anders’ is wel prima.

Dat bracht me bij een raadseltje: ‘Kijk maar. Zie maar. Bekijk het maar.’ Die drie lopen op in onvriendelijkheid. Of ligt dat aan mij?

Iets roods

‘Oooh, mag ik hem zien?’ De kleine Kelli was helemaal opgewonden toen ze hoorde dat er een theepot bestond van Miss Piggy, het rijkgevulde, blondgekrulde vrouwtjesvarken uit de Muppet Show.

Natuurlijk mocht ze die zien. Alleen, Kelli was al sinds haar prilste jeugd blind. Met één oog kon ze net het verschil waarnemen tussen een fel licht en zwarte duisternis.

Dus zien was voor Kelli voelen.

Ze voelde de theepot, en ‘zag’ zo twee ogen. Precies daar waar een ander ze waarschijnlijk ook zou voelen. Het waren alleen geen ogen, maar twee kersen op de hoed van Miss Piggy.

Knap blijft het. Kelli was drie en had blijkbaar een behoorlijk goed idee van wat ogen zijn en waar ze horen. Maar hoe zat het met haar vraag de theepot te mogen ‘zien’? Was dat woord gewoon na-apen van anderen? Wat begreep ze er echt van?

Dat viel uit te zoeken. Met een slim bedacht spelletje dat Kelli prachtig vond, en dat haar onder taalkundigen een beetje beroemd maakte.

‘We gaan mama voor de gek houden’, zeiden de twee onderzoeksters die het verzonnen tegen haar. ‘Met dit speelgoed, een duveltje-uit-een-doosje. We gaan zeggen: kijk naar het duveltje, mama, maar dan laten we het duveltje er lekker niet uit springen!’

Gejuich bij Kelli, en zo gezegd zo gedaan. Moeder kwam binnen, hoorde: ‘kijk dan hoe het duveltje uit het doosje springt’, maar niks hoor. Een enorm succes.

Toen iedereen uitgelachen was, vroegen ze Kelli: ‘En, keek mama?’ ‘ Ja!,’ zei Kelli. ‘En zag ze het duveltje?’ ‘Nee,’ riep Kelli enthousiast.

Want het duveltje was niet te zien.

Het lijkt doodsimpel. Maar precies het verschil begrijpen tussen ‘kijken’ en ‘zien’, dat is nogal wat als je pas drie bent en al je leven lang blind. Hoe kan dat?

Dit is voedsel voor discussies over wat er allemaal in ons ingebakken zit, en wat we al doende leren. Einduitslag nog niet bekend.

Feit is dat blinde kinderen meestal praten zonder merkbare ‘gaten’ in hun kennis. Zelden zeggen ze iets dat opvalt. Ik weet van één roerend voorbeeld van een meisje dat een ringetje vast had met een lieveheersbeestje en dat zei: ‘Ik voel iets geks, iets roods.’

 

Spelsneer

‘Koppenmakers bij Metro spellen als hun lezerspubliek’ las ik op twitter. Het bleek een commentaar te zijn op de krantenkop ‘Het verhaal van Madonna haar dansers’. Huh? Geen spelvuiltje aan de lucht.

Wel iets anders dat opviel. Ik reageerde. ‘Madonna haar dansers’, dat is gewoon spreektaal.

Het is dus eerder zoiets als: schrijf je ‘wou’ of ‘wilde’? Zeker, je tekent andere lijntjes of je tikt op andere toetsjes, dus de spelling verschilt, maar het draait om de keus tussen meer of minder spreektaal.

Prompt kreeg ik terug: Maar ‘Koppenmakers Metro schrijven de spreektaal van hun lezers’ is geen sterke tweet!

Daar viel weinig tegenin te brengen. Alleen is de vraag waarom een sneer over spellen dat blijkbaar wel is.

Een spelfout bij een ander opmerken is inderdaad een populair middel om te laten zien dat je zelf beter bent dan die andere stomkop.

Ik beken, ik bezondigde me er heel onlangs ook aan. Mijn smoes: het was een fout (in De Telegraaf van vorige week zaterdag) van de best spellende journalist-in-spe aan wie ik ooit college gaf.

Het ging om een klassieker: we zien weidse vergezichten, geen wijdse. Het komt namelijk niet van wijd, maar van weide. Maar dat het doet denken aan wijd is een feit. Ook zo gek is steiger, een ding dat je gebruikt om te stijgen. Twijfelen dat bestaat naast weifelen is gewoon pesterij volgens mij. En over gevlij en gevlei begin ik maar niet.

Wat voor niet zo streng zijn pleit, is dat de meeste spelfouten geen moment voor verwarring zorgen. Het maakt zelden iets uit. Ook niet bij de beruchte d’s en dt’s.

Maar soms wel. Een paar fraaie doordenkertjes kwam ik tegen in de nalatenschap van Battus, de uitvinder van het Nederlands-voor-de-lol, door hem Opperlands gedoopt. ‘Word(t) je enkel geopereerd’ en ‘Word(t) je kies geopereerd’ las ik op een papiertje.

Aha! Gaat het om lichaamsonderdelen dan horen ze bij ‘je’: ‘je enkel’ of ‘je kies’, en die wordt met dt. Maar als je ‘enkel’ opvat als ‘alleen’, en ‘kies’ als ‘netjes, discreet’ dan zit het anders in elkaar. Dan is ‘word’ net als bij ‘loop je’ of ‘koop je’ zonder t. Slim gevonden.

Beledigd

‘Beledigd zijn doe je zelf.’ Een one-liner om lang over na te denken. Hij is van Ebru Umar, de Metro-columniste die 17 dagen Turkije niet uit mocht. Naar verluidt nu net wegens het beledigen van de president, Erdoğan.

Doet die het zelf? Beledigen, grieven, krenken, raken, schofferen, tarten, vernederen, kleineren. Het zijn allemaal dingen die je kunt doen. Of misschien moet ik in dit geval zeggen: dat kun je proberen.

Als het lukt, dan is iemand inderdaad gegriefd, gekrenkt, geraakt, geschoffeerd, getart, vernederd, gekleineerd. Het is met die zaken zo: je voelt het je, en dan ben je het.

Dat kan trouwens ook per ongeluk gaan. Iemand is diep beledigd, tot op het bot gekrenkt, terwijl jij je als belediger of krenker van geen kwaad bewust bent. Niet wist dat daar nou net de zwakke plek zit van de beledigde. Te laat doorhad dat de ander een ander gevoel voor humor heeft.

Wie zit er aan het stuur? Dat verschilt van woord tot woord. Het is een eigenschap van werkwoorden. Sommige zaken kun je alleen maar doen: lopen, liegen, lijden. Maar een hele hoop andere dingen kun je ook ‘worden’ en ‘zijn’. In dezelfde beledigingssfeer: je jouwt uit en je wordt uitgejouwd. Je belastert, maar je kunt even goed belasterd zijn.

‘Schelden doet geen zeer’ proberen alle rechtgeaarde ouders hun uitgejouwde kind wijs te maken.

Dat ligt niet zo eenvoudig. Het is niet waar dat woorden geen pijn kunnen doen. Ze kunnen wel degelijk dezelfde gebieden in je hersenen laten reageren als gebeurt bij lichamelijke pijn. Sterker nog: pijnstillers slikken helpt ertegen – dan komt het niet zo hard aan. Net zoals, omgekeerd, zelf schelden werkt als een prima pijnstiller.

Maar kun je ook besluiten dat je je geen pijn laat doen door woorden? Kun je het trainen misschien? Als je aandacht sterk in beslag genomen wordt door iets anders, merk je ook niet dat iets in je lichaam pijn doet.

Het is merkwaardig dat we de les die we kinderen proberen bij te brengen als volwassenen lijken te vergeten. Wat zou de wereld niet opknappen van een wijder verbreid inzicht dat ‘beledigd zijn’ iets is dat je ook zelf doet.

Sterretjes

Ik zie sterretjes. Nee, geen jonge BN’ertjes. Ik zie lettervervangers. Vaker en vaker. Dan lees ik bijvoorbeeld ‘dat is mooi kl*te’. En ik begrijp: aha, het is klote. Mooi klote zelfs.

Eerst waren het vooral reacties op internet en persoonlijke berichten. Maar tegenwoordig kom je het ook al in krantenkoppen tegen.

Ik weet niet helemaal hoe ik het moet zien. Sterretjes de plaats laten innemen van letters in scheldwoorden is niet hier verzonnen. Het is een gewoonte die vooral in Amerika enorm succes heeft.

Wat ik eerlijk gezegd altijd merkwaardig vind: het is het land waar de vrijheid van meningsuiting alom als het grootste goed wordt gezien, en waar ook meer mensen dan elders snappen dat dat óók inhoudt dat anderen mogen zeggen wat jij echt gruwelijk vindt. En juist daar zijn ze als de dood voor scheldwoorden. Het is zelfs verboden om op tv bijvoorbeeld ‘fuck’ te zeggen.

Er bestaat een Amerikaanse documentaire film over dat ongehoord populaire woord fuck – zo gezellig verwant aan ons ‘fok’. Die film (uit 2005) heet Fuck, en prees zichzelf nota bene aan met de tekst: ‘de film die het niet waagt zijn eigen naam uit te spreken’.

En inderdaad is de u van Fuck op het affiche vervangen door een ster. Rechtstreeks geknipt uit de Amerikaanse vlag. Dat dan weer wel. Misschien zijn de rijzende hoeveelheden sterretjes bij ons de nieuwe (of juist ouwe…) preutsheid.

Hebben ze eigenlijk zin? Je moet als lezer een potje raaien als er letters wegvallen. Maar de sterretjeskeuze is meestal zo strategisch dat dat geen punt is. Ik vind het daarom nogal schijnheilig.

Enfin, mijn afwijking is dan weer dat ik wil begrijpen wat ‘strategisch’ is. Van ‘fuck’ maken ze bijvoorbeeld nooit eens ‘*uck’. Favoriet is f*ck. En shit wordt sh*t, kut k*t. Want klinkers laten zich een stuk makkelijker weglaten dan medeklinkers. In oude schriften gebeurde dat vaak standaard, daarom weten we niet of de fraaie koningin Nefertite in werkelijkheid niet als Nafirtute of Nofortoto rondwandelde aan de Nijl.

De eerste letter kun je ook niet vervangen, klinker of niet. Nou ja, dat weet natuurlijk iedereen die wel eens een puzzel oplost: de beginletter is het halve werk.

Feiten

Kindermishandeling. Ik weet dat er mensen zijn die het zo noemen: een doof kind laten opgroeien zonder gebarentaal.

Grote, harde woorden. Soms zijn ze nuttig, of misschien zelfs nodig.

Feit: baby’s, peuters, kleuters die niet of niet goed kunnen horen, zijn maar op één manier altijd probleemloos te bereiken. Met een gebarentaal. Bijvoorbeeld met Nederlandse Gebarentaal.

Feit: met je moedertaal leren begin je onmiddellijk, zelfs al in de baarmoeder. Als je tenminste kunt horen. We houden er zelf geen herinneringen aan over, maar de eerste jaren van ons leven werken we ons werkelijk voortdurend een rotje. We leren taal en tegelijk leren we meteen al heel veel via taal. Dat papa en mama ons lief vinden, dat het hondje niet bijt, dat vuur gevaarlijk is.

Feit: al meer dan een halve eeuw weten we dat gebarentalen net zulke talen zijn als gesproken talen. Dat ze dus bijvoorbeeld eigen bouwprincipes hebben. Een eigen geschiedenis. Dat ze onderling allemaal verschillen.

En dat je er precies hetzelfde mee kunt: fluisteren, grappen maken, nieuwe gebaren verzinnen, schelden, dichten, iemand je eeuwige liefde verklaren. Over heden, verleden, verzonnen werelden en de verre toekomst praten.

Feit: de meeste dove kinderen hebben ouders die goed kunnen horen. En die dus een vreemde taal moeten gaan leren om gemakkelijk met hun kind te kunnen ‘praten’. Bovendien ‘vreemd’ in een ander opzicht: niet meer met oren en horen, maar met zien en bewegingen en gezichtsuitdrukkingen.

Feit: met meer dan één taal opgroeien is geen enkel probleem. Ook niet als je doof bent. Talen zitten elkaar niet in de weg. Veel doven kennen meer talen, ook gesproken talen. Maar die leren is gemakkelijker als je net als iedereen van kleins af aan een taal hebt meegekregen.

Feit: al deze feiten zijn te weinig bekend. Althans, alleen zo kan ik begrijpen dat Nederlandse Gebarentaal niet standaard ingezet wordt in het onderwijs aan dove kinderen. En tegenwoordig juist minder dan eerst.

Tot slot een hoopvol feit: deze week ratificeerde de Eerste Kamer een nota bene al tien jaar oud VN-verdrag. Het gaat over de rechten van iedereen met een handicap om in de maatschappij mee te kunnen doen. Er was een gebarentolk bij.

Nootje: Dit stukje wordt verrassend vaak gelezen. Blijkbaar staat er ergens een link. Daarom heb ik het hier laten staan. Maar ik vertel graag dat er een bewerkte, ge-update versie terecht is gekomen in m’n boekje Wat je zegt, gaat vanzelf.

Knorriger

Hoe oud je bent, of je man of een vrouw bent, dat maakt niks uit. En ook niet welke opleiding je hebt gedaan. Of je over tik- en taalfouten valt hangt af van andere dingen, als we de universiteit van Michigan mogen geloven.

Het kan u geen bal schelen? Dan is de kans groter dat u een open, extravert karakter hebt dan dat u gesloten en knorrig bent.

Wat voor veel mensen wel iets uitmaakt, is of het een tikfout is of een taalfout.

In het Engels gaat het dan om dingen als: typ je ‘hte’ in plaats van ‘the’, en schrijf je ‘to’ (naar) als het ‘too’ (ook) moet zijn. Iets vergelijkbaars voor het Nederlands zou denk ik zijn: ‘hte’ voor ‘het’ typen (tikfout), en ‘jouw’ als het ‘jou’ moet zijn (taalfout).

Of je een meegaand type bent, of juist niet erg inschikkelijk scheelt hierbij. Minder inschikkelijk betekent meer ergernis over taalfouten. Maar weer niet over tikfouten. Wie consciëntieus is (als je dat goed spelt ben je het) valt juist wel over typefouten.

Kon de hele week niet goed verzinnen wat we hiermee moeten. En ik had ook bedenkingen. Kan bijvoorbeeld iets als ‘wordt jij’ niet ook gewoon een ‘typefout’ zijn eigenlijk?

En wat telt als fout? Ik weet toevallig dat er massa’s ingezondenbrievenschrijvers zijn die redacties op de vingers tikken omdat ze ‘stoplicht’ tikken in plaats van ‘verkeerslicht’. Terwijl bijna iedereen ‘stoplicht’ zegt.

Er bestaan ook ‘stopcontact’-verbieders. Moet ‘wandcontactdoos’ zijn. Een nogal wereldvreemd woord in mijn ogen.

Maar goed, mijn ogen zijn ook niet meer wat ze geweest zijn. Ik heb zoveel eindredactiewerk gedaan dat er een extra oog bij gegroeid is, een correctorsoog. Dat is lastig. Want het floept ook aan als ik helemaal niet hoef te redigeren.

Mijn derde oog reageert op ‘het gebeurd vaak’ en ‘kassière’ (moet zijn caissière) zoals mijn onderbeen reageert op een welgemikte tik tegen mijn knie. Hop, daar schiet m’n arm al uit om te verbeteren.

Ik probeer dat te onderdrukken. Maar ben ik dus sinds ik taal- en tikfouten registreer knorriger en minder inschikkelijk geworden? Dat zou best kunnen, en dan heeft dat onderzoek gelijk. Get, wat een onaantrekkelijke gedachte.

Wegkijker

Heerlijk bevredigend is het:  iemand ergens voor uitmaken. Voor dropjojo. Rammelkop. Droeftoeter. Prutsmuts.

Je kunt tot mijn vreugde bijna overal wel een scheldnaam van maken.

Gebruikelijk is natuurlijk schelden met behulp van gruwelijke ziektes (tering, kanker), grove geslachtsdeelbenamingen (klote, kut) en afvalproducten van het lichaam (pis, schijt).

Maar het kan zonder. En ook het Opperwezen (godsamme, karistus) kun je gerust eens overslaan.

Ik weet het wel, grof tekeergaan leidt vaak tot opmerkelijke opgeluchtheid. Maar wat vindt u van, pak ‘m beet: zure zeekomkommer? Onsterfelijke oliebol! Pindapiraat! Als je ze met voldoende vurigheid uitspuugt kunnen die ineens keihard aankomen.

En totale onzinwoorden, pure verzinsels – lepeldraaier, uilenspitter, natbal – zijn ook aantrekkelijk.

Het fijnste van iemand uitmaken voor het een of ander, is dat het dan ook klaar is. Het is een van best werkende trucs in een discussie. Je zet er diegene ogenblikkelijk mee weg: ‘Oh, die oelewapper? Nee joh, wat die beweert, daar hoef je niet naar te luisteren. Want dat is een oelewapper.’ Een loepzuivere cirkelredenering, maar hij werkt als een tierelier.

Een heel precieze betekenis is dikwijls overbodig. Want wat betekent oelewapper nou helemaal? Of wat zég je als je zegt: ‘ja maar dát is zo’n zak/trut’?

Maar soms is de betekenis juist doorslaggevend. Af en toe zie je iets ontstaan. Ik volg al een tijdje wat er gaande is met ‘wegkijken’ en ‘wegkijker’. Keurige woorden op het oog, niks plats of grofs aan.

En toch is het een van de felste scheldwoorden van het moment: wegkijker! Wat ermee wordt bedoeld is steeds toegespitster geraakt, lijkt het. Intussen lees ik het meestal ongeveer zo: ‘Ik zie allang dat de islam niet deugt. Jij niet. En daarom stikken we van de problemen en van de terreur.’

Maar ja, dat hardop zeggen valt niet altijd goed. ‘Wegkijker’ lijkt daarom tegelijkertijd een scheldwoord én een verhullende term.

Wel opmerkelijk dat ‘wegkijker’ niet gebruikt wordt door de andere kant in wat hét debat van het ogenblik is. Die heeft tenslotte z´n eigen argumenten en standaardriedels, en zou ook ‘wegkijker’ kunnen roepen: jullie willen niet zien dat het Westen vreselijk vuile handen heeft.

Welles nietes. De macht van het woord. Hoe ver gaat die?

 

Poortwoord

Woorden, ach, het zijn soms net levende wezens. Ze vliegen uit. Ze delen en vermenigvuldigen zich. Passen zich aan. Houden intussen kleine stukjes van hun eigen DNA.

Neem nou landschap. Doodgewoon woord. Maar een maanschap? Een zeeschap of een stadsschap? Nee. Kennen wij niet.

In het Engels heb je die wel. En dat ‘moonscape’, ‘seascape’ en ‘cityscape’ bestaan, komt door het Nederlands. Want ‘landschap’ kwam als ‘landscape’ in het Engels terecht. Van ons geleend dus. En een beetje aangepast. Net als rucksack (van rugzak) en boss (baas) en cookie (koekje).

Ze wisten daar natuurlijk niet dat je dat -schap in het Nederlands voortdurend tegenkomt. Van vriendschap, gereedschap en kampioenschap via blijdschap en weddenschap tot en met het oer-Hollandse koopmanschap en medezeggenschap. Dat -scape van ‘landscape’ plakken ze daarom alleen vast aan woorden die een beetje doen denken aan ‘land’.

Woorden verwateren ook. Neem Watergate, oorspronkelijk een hotel in Washington dat vertaald  ‘Waterpoort’ heet. Het bestaat trouwens nog en is toevallig net weer open, begreep ik (kamers vanaf 620 dollar per nacht).

Ik denk dat intussen nogal wat mensen niet goed meer weten dat de Amerikaanse president Nixon zich uiteindelijk gedwongen zag af te treden nadat in 1972 republikeinen inbraken in dat hotel om de democraten af te luisteren. Dat werd het Watergate-schandaal.

Daarna gebeurde er iets opmerkelijks. ‘Gate’ uit Watergate ging een eigen leven leiden. Of nou ja,  het werd een vorm van samenleven: als je het ergens achter plakte betekende het voortaan ‘schandaal’.

Zo kreeg je Irangate. Dat ging over Reagans stiekeme wapenleveranties aan Iran. Net als Watergate een uiterst serieuze aangelegenheid.

Maar Nipplegate, naar de blote tv-tepel van Janet Jackson, was al een heel wat luchtiger zaak, al zien Amerikanen dat geloof ik vaak anders. Wij deden het hier bijvoorbeeld met Onnogate. Naar Onno Hoes, de burgemeester die zijn versierwerk niet achter gesloten deuren deed.

Intussen is elk relletje ogenblikkelijk een gate. Net hadden we nog een booby-  en een rokjesgate. Blote borsten op een studentenblad, bijna-blotebillen op een stadsdeelkantoor.

Allebei in Amsterdam. Ze moesten uit zicht. Van de Hogeschool Amsterdam, en van een teamleidster.

Onze eerdere boobygate  – Eva Jinek die als journaallezeres in beeld haar decolleté schikte – was gezelliger.

Onhoorbaar

Gewetensvraag voor wie oud genoeg is: klinken de woorden hondenhok, kurkentrekker, kippensoep, worstenbrood en bessensap u nu anders in de oren dan een kwart eeuw geleden? Of komen ze wellicht anders uw mond uit?

Bekentenis: bij mij niet.

U fronst en vraagt zich af waar dit nu weer over gaat. Ach, eigenlijk over niks. Over een onhoorbaar n’etje.

Daar hadden we er altijd al veel van. Het gewone dagelijkse Nederlands spreke we uit zonder n aan het end van heel veel woorde. Dat is geen slordigheid, zoals wel eens gedacht wordt, maar dat is Standaardnederlands.

En ook middenin woorden schreven we al voor de spellingsverandering van 1995 n’en die je niet hoorde. Daarna werden het er nog wat meer.

Want over die spellingswijziging had ik het. Die maakte onder meer van worstebrood worstenbrood, en ja, van pannekoek pannenkoek.

Laat ik nog iets bekennen: ik heb me er toen met hand en tand verzet tegen. Terecht, vind ik nog steeds. Alleen al omdat iedereen om het goed te doen tegenwoordig het verschil paraat moet hebben tussen een afleiding en een samenstelling.

Ik zal u er verder niet mee vermoeien, maar dat onderscheid levert onder meer de spelling ‘ideeëloze ideeënbus’ op. Die is dus volgens de regels. Toch hoor je bij allebei de woorden géén n.

Erg? Wel, die spelling van ons zat toch al vol rarigheden. Waaronder ook heel andere dingen die je niet hoort.

Neem nou au en ou, wat ons gewauwel over een ouwel, een blauw gebouw en mevrouw haar wenkbrauw oplevert.

En deze: ‘wordt’ wordt geschreven met een t achter de d als je die t ook in bijvoorbeeld ‘loopt’ hoort. Al klinkt ‘word’ exact hetzelfde als ‘wordt’. Logisch en systematisch? Mhm. Waarom schrijven we dan niet ‘hij weett’ en ‘jij geniett’?

Stel dat we dat zouden gaan doen. We schrappen pakweg de au, en zetten voortaan een t achter ‘jij zet’. Zoals we eerder wat n’en hebben toegevoegd. Je hoort er allemaal helemaal niets van. Niemand gaat er anders van praten.

Al jaren een raadsel voor mij: waarom denken zoveel mensen dan dat we het Nederlands veranderen? Terwijl we het alleen niet meer precies hetzelfde opschrijven?

Te moeilijk

Goeie grutjes. Schrok ik me daar een hoedje. Ik zag een bericht langskomen op internet: ‘Nederlandse taal te moeilijk’ stond erboven.

Dat is voor mij natuurlijk wat ze tegenwoordig clickbait noemen, een lokaas-link waarop je bijna wel móet klikken. Dus dat deed ik.

Wat bleek? Ik had het zelf gezegd. Althans, in de Telegraafrubriek ‘Wat U Zegt’ las ik dat ik hier vorige week schreef dat de Nederlandse taal veel te ingewikkeld wordt gemaakt. Een onderwerp dat aansprak. Terwijl ik dit tik staan er al 447 reacties onder.

Goed. Is de Nederlandse taal (te) ingewikkeld?

Grappig genoeg blijkt bijna niemand dat te denken. Wat veel reageerders wel denken: dat ze op school Nederlands hebben geleerd. En ook dat het Nederlands heus niet zo moeilijk is, want zij hebben er zelf ook geen moeite mee.

Dat is een waar woord. Wie opgegroeid is met het Nederlands kan er uitstekend mee uit de voeten. Maar dat ligt niet aan het Nederlands.

Dit is nou een van de mooie meevallers van onze fabelachtige hersenen: die kunnen alle talen even goed aan. Waar je een baby’tje ook neerzet, het gaat vanzelf de taal praten die het om zich heen hoort.

Dus hadden ze u en mij na onze geboorte overgebracht naar Rusland of Japan, dan spraken we nu vloeiend Russisch of Japans. Zonder studeren. En we hadden, net als bij alle talen, de belangrijke zaken allang geweten voordat we naar school gingen.

Zoals? Dingen als dit: is Nederlands uw moedertaal, dan zet u uw werkwoorden ergens anders neer in hoofdzinnen dan in bijzinnen. Ook als u dat nu van mij voor het eerst van uw leven hoort. U doet dat. En u vindt het niet moeilijk, geloof me.

Moeilijke talen bestaan alleen voor wie ze op latere leeftijd pas gaat leren. Daar had ik vorige week inderdaad een opmerking over: dat we onze werkwoorden op twee manieren een verleden tijd meegeven – geef wordt ‘gaf’, maar ‘leef’ wordt ‘leefde’, niet ‘laf’ – is vervelend als je het bewust uit je hoofd moet leren.

Op school leren ze ons trouwens wel iets anders: hoe je taal opschrijft. Spellen dus. Verrukkelijk onderwerp. Bewaren we nog even.

Hulp

Mijn moeder ging in de jaren dertig naar de lagere school. Veel was toen nog simpel. Als je niet zo goed kon lezen en schrijven bijvoorbeeld, dan was je gewoon dom.

Mijn moeder had problemen met lezen en schrijven. Dus dacht ze dat ze dom was.

Want dat je tegelijk slim kon zijn, en toch serieuze spellingsmoeilijkheden hebben, wisten ze nog niet. Van woordblindheid of dyslexie had vrijwel niemand gehoord. Laat staan dat bekend was hoeveel mensen er last van hebben.

En last heb je van dyslexie. Mijn moeder heeft het haar leven lang akelig in de weg gezeten. Zodra ze maar vermoedde dat er van haar verwacht werd dat ze ergens een ietsiepietsie zou moeten opschrijven dan zag ze er liever van af.

Zelfs tegen het maken van een boodschappenlijstje kon ze opzien. Niet alleen vanwege voor iedereen lastige woorden als mayonaise, yoghurt en bouillonblokjes, maar ze raakte soms ook in de knoop met druiven (of was het toch driuven?), chips (chisp?) en paaseitjes (paseitjes?).

Dat het niet gaf, dat het niets zei over wie en wat ze was, dat wou er niet echt meer in.

Mijn moeder was al dood voordat iedereen e-mails en andere berichten ging tikken. Ze heeft de zegeningen van de spellingchecker nooit gevoeld.

En dat had ik haar nou zo gegund. Geen twijfel, of vertwijfeling meer, maar een fantastische automatische hulp die je verlost van gevechten met dubbele klinkers en de volgorde van medeklinkers en nog veel meer schrijfkramp.

En nee, die spellingcheckers zijn niet zaligmakend. Ze halen ‘ik wordt’ en ‘het gebeurd’ en ‘ze leiden honger’ er niet uit. Typisch fouten trouwens die mensen ook gauw maken, om dezelfde reden als de spellingscontrole het doet: het ziet er bekend, dus goed uit. Want ‘wordt’ bestaat naast ‘word’, ‘gebeurd’ naast ‘gebeurt’, ‘leiden’ naast ‘lijden’.

Voor foutloos spellen heb je daarom nooit genoeg aan een spellingcontroleprogramma.

Hoort u dat, staatssecretaris Sander Dekker? Kan wezen dat spelling weer mee moet gaan tellen bij de eindexamens, zoals nu besloten is, maar dat dat een verbod moet betekenen op het gebruik van alle spellingshulp voor leerlingen met dyslexie is pure onzin. En oneerlijk. Kunt u dat alstublieft gauw rechtzetten?

Die plaatje

Twee studenten. Ze liepen achter me. We waren in de druilerige rilregen met een stoet onderweg van de tram naar de universiteit in Rotterdam. Daar moest ik zijn om journalisten-in-wording van alles over taal te gaan vertellen.

De twee jongens gingen duidelijk naar een heel ander college. Vast iets technisch. Een gesprek over vier ingewikkelde tekeningen voerden ze. Ze gingen er helemaal in op.

Ik kon het niet volgen, maar luisterde toch totaal geboeid. Naar twee dingen. Hun gesprek zat om te beginnen vol taalwisselingen. Ze switchten van Nederlands naar Turks en weer terug. (Ja, ik kan Turks herkennen sinds ik ooit een onvergetelijke zomercursus deed aan de Zee van Marmara.)

Bij dat heen en weer gaan tussen talen spits ik altijd m’n oren. Zo’n boeiend verschijnsel! Dat je trouwens over de hele wereld aantreft. Om het te kunnen moet je wel meer dan één taal kennen, natuurlijk.

Het switchen gebeurt rustig halverwege een zin. Soms is het alleen een woord, soms gaat het minutenlang door in de ene taal voordat de ander weer aan bod komt.

Maar iets anders trof me nog meer. De studenten voerden hun ingewikkelde gesprek behalve in het Turks in onvervalst allochtonen-Nederlands.

Dat heeft z’n eigen kenmerken. U herkent ze intussen vast ook. De z duurt bijvoorbeeld een fractie langer, en gaat niet snel stiekem de richting van een s uit, zoals in het Standaardnederlands.

En daarnaast hadden de jongens het over ‘die plaatje’, viel me op. In plaats van het Standaardnederlandse ‘dat plaatje’. Dat is ook een bekende. Hét voorbeeld is geworden ‘de meisje’.

Misschien denkt u: allemachtig, studenten aan de universiteit die niet eens fatsoenlijk Nederlands spreken. Maar dat is erg de vraag. Ik had daar net over zitten lezen. In Wijdvertakte wortels, een leerzaam boekje van taalonderzoeker Frans Hinskens.

Tot zijn verrassing bleek de jeugd die dat allochtonen-Nederlands sprak daarnaast wel degelijk ook het Standaardnederlands machtig te zijn. Want dat spraken ze vanzelf als ze met autochtonen praatten. Het is dus eerder een soort dialect, of een groepstaal.

Ik denk daarom dat die jongens achter me gewoon lekker even de taal van hun groep spraken. En bij hun college daarna vanzelf zijn overgeschakeld.

Huis en muis

Met z’n alle een tijdje één kant uit wandelen, daar houden klanken van. Niemand die dat echt snapt, maar het verleden zit propvol voorbeelden. Ook de historie van het Nederlands. Je had bijvoorbeeld eerst  ‘hoes’ en ‘moes’. Toen kwamen ‘huus’ en ‘muus’, en pas daarna zijn we bij ons huidige ‘huis’ en ‘muis’ uitgekomen.

Nou ja, in wat het Standaardnederlands heet tenminste. ‘Hoes’ is onder meer nog altijd prima Limburgs. En Guus moest natuurlijk naar ‘huus’, volgens de megahit die Alexander Curly in de jaren zeventig zong in het Twents.

Huizen en muizen en hoe ze waar uitgesproken werden, spelen de hoofdrol op een letterlijk wereldberoemde kaart. Klankenonderzoeker Marc van Oostendorp hield hem afgelopen week fier omhoog in een kort filmpje. Hij zet elke zondag een of andere mini-les over taal online (even zoeken naar het elektronische tijdschrift Neder-L, en daar naar ‘zondagochtendcollege’).

Deze ging over een dialectkaart  van een kleine eeuw geleden. Heel lang was het voornaamste wat dialectonderzoekers deden nijver van stad tot stad en dorp tot dorp vastleggen op kaarten wat ze er zeiden tegen ‘vaatdoek’ of ‘lucifer’. Of tegen ‘huis’ en ‘muis’ dus.

En wat was nou het mooiste? Niet de gebieden waar ze ‘hoes’ en ‘moes’ en ‘huus’ en ‘muus’ zeiden. Ook niet het ‘huis’ en ‘muis’ dat heel Holland had veroverd, en ook Brabant, inclusief Antwerpen. Nee, één klein stukje op de kaart (het is bijna een Asterix-en-Obelix-verhaal) week af.

Daar zeiden ze wel al ‘huus’ tegen ‘huis’, maar nog ‘moes’ tegen ‘muis’. Kortom, de muis liep achter bij het huis. Waarom? Die klankverschuivingen worden van mens tot mens, van mond tot mond, doorgegeven. Dat kan niet anders.

Dit is de beroemdgeworden verklaring: huizen zijn grote dingen. Ze worden verhandeld, er zit status aan vast. Ze spelen dus een rol in de grote buitenwereld. Ook de buitenwereld wat verderop, waar ze misschien al ‘huus’ zeggen in plaats van ‘hoes’.

Maar muizen? Ach, over die beestjes praat je vooral thuis, achter de voordeur. En daar leeft de ‘moes’ dan een tijdje door voordat hij ‘muus’ wordt.

In bepaalde kringen praat je over bepaalde dingen. Zo is het natuurlijk. Niks om over te miezemuizen.

 

Noot: hier is het filmpje van Marc van Oostendorp te zien.

Best terecht

Dit is natuurlijk de beste-wensen-week. Overal vliegen ze je om de oren. Meestal met nog een ‘nog’ erbij.

Ik heb, moet ik bekennen, een beetje een hekel aan die ‘beste wensen’. Althans, die manier van zeggen bekt voor mij niet lekker. En dit jaar viel me ineens in waarom dat  is.

We willen elkaar hét beste wensen, van harte zelfs. Maar dat is niet hetzelfde als dé beste wensen. Want hoezo zijn die wensen geweldig goed?

Voelt u ‘m? De taal maakt hier een schuivertje, volgens mij. Zoals wel vaker.

Hoe gaat dat. Waarschijnlijk zegt iemand het ineens een tikkeltje anders, of grijpt er net naast. Een ander pikt dat op, of doet toevallig hetzelfde, en hup, even later kan er iets dat eerst niet kon. Of iets dat eerst nog gek klonk, gaat normaal klinken.

Geen idee wanneer die beste wensen begonnen zijn. Maar heel af en toe kun je zo’n mini-verandering op de staart te trappen.

In de jaren zeventig was er een reclamebureau dat iets nieuws bedacht voor het drankje dat James Bond ook graag drinkt – zolang het niet geroerd wordt maar alleen geschud (‘shaken, not stirred’). ‘Uw terechte keus’ werd er toen over Martini gezegd in de advertenties.

Het staat me levendig bij dat ik dat beslist fout vond. Zeker, een keus kon terecht zijn. Maar dat maakte het nog geen terechte keus. (Voor de liefhebber: achter ‘terecht’ kun je geen e zetten, want het is alleen een bijwoord, geen bijvoeglijk naamwoord.)

Intussen valt het me niet meer op. Is dat een terechte ontwikkeling? Ik weet het niet. Het gaat vanzelf.

Een verschuiving die nog gaande is zie ik ook. Want volgens mij is het nog niet lang dat van omstandigheden gezegd wordt: ‘wat verdrietig’. Mensen konden verdrietig zijn, het was een geestesgesteldheid, iets tussen de oren.

‘Dat is verdrietig’ naast ‘dat is ellendig’ en zo nog een heel stel. Waarom ook niet? Ik voel aankomen dat ik er binnenkort niets vreemds meer in hoor.

Wat wel een raadsel blijft: waarom went het een best wel snel, en vinden we dat wel best, maar het ander niet?

Ik wens u het beste voor 2016 nog.

Bedroefd

Het waren achteraf gezien de opwindendste woordenboektijden, de jaren tachtig. Ik geef toe: daarvóór had ik aan het bestaan van woordenboeken ook nooit een gedachte besteed. Reuzesaai onderwerp, leek me.

Dat veranderde door Bernard Al. Die was halverwege de jaren tachtig de baas van de Van Dalewoordenboeken. Daar was van alles gaande.

In hoog tempo verschenen er voor het eerst echt lekker dikke vertaalwoordenboeken, voor alle moderne talen. Zelf had Al, toen hoogleraar Franse taalkunde, de leiding gehad over de delen Nederlands-Frans en Frans-Nederlands – de twee talen waarin hij toevallig was opgegroeid.

Intussen hebben die vertaalwoordenboeken zichzelf zo’n beetje overleefd, denk ik, omdat er online belachelijk veel gratis te vinden is. Maar toen was het gloednieuw.

Onder Bernard Als bewind kwam er ook een serieus, maar tegelijk vrolijkmakend woordenboek voor kinderen. ‘Blauw’ bijvoorbeeld, heette daarin ‘met de kleur van een wolkeloze lucht’. In plaats van ‘de kleur blauw hebbend’, de gebruikelijke, nietszeggende cirkelomschrijving waar woordenboeken het veel te vaak bij laten.

Wat er ook nog niet bestond, was een groot woordenboek waarin je niet kijkt omdat je wil weten wat een woord betekent, maar juist omdat je een woord zoekt met dezelfde betekenis: een synoniem.

In de landen om ons heen hadden ze daar al veel meer ervaring mee. Of ik wat er bestond eens goed wilde bekijken en vergelijken.

Die opdracht gaf Bernard Al me nu bijna dertig jaar geleden, en al snel was ik gegrepen. Want wat betekent dat, dat twee woorden hetzelfde betekenen? In de praktijk bleken twee woorden gek genoeg eigenlijk nooit helemaal uitwisselbaar te zijn.

Neem ‘droevig’ en ‘bedroefd’. Je kunt het allebei zijn. Maar een ‘bedroefd verhaal’ is raar, terwijl een ‘droevig verhaal’ prima is. Zo zijn er ook kleine verschillen tussen ‘verdrietig’, ‘treurig’, ‘triest’, ‘terneergeslagen’, ‘bedrukt’ en nog meer.

Ik ben het op het moment allemaal. Dat komt ook door Bernard Al. Hij vloog uit zicht toen hij omhoogschoot in de carrièreboom. Maar door de vaak verfoeide ‘sociale media’ kwamen we elkaar weer tegen. We werden vrienden.

Te kort. Vlak voor de kerst werd hij razendsnel ingehaald door de dood. Ook voor dat woord bestaat geen synoniem met dezelfde keiharde gevoelswaarde.

Me hoela!

‘Iedereen zegt het, iedereen doet het.’ In mijn hoofd hoorde ik de stem van Henny Vrienten. De ex-Doe Maar-man zong een regel uit zijn prachtige lied ”t Ouwe Liedje’. Nou ja, dat dacht ik. M’n geheugen, dat liegbeest, had alleen voor de gelegenheid een veranderingetje in de tekst gestopt.

In het echt zingt Vrienten niet ‘Iedereen zegt ‘t’. Maar in het echt zégt wel iedereen ‘t. Wat? Me. Me in de betekenis ‘van mij’. ‘Joh, geef me me jas ’s aan.’ ‘Ik ga vanavond bij me moeder eten.’ ‘Daar is me schatje!’

U zegt dat niet? Jawel hoor, u ook. U weet toch zelf zeker wel wat u wel of niet zegt? Het grappige is: nee. We weten vaak niet wat we precies zeggen. Ook hierin bedriegen onze hersenen ons met overgave en groot gemak.

Juist de dingen die ze er op school ingehamerd hebben denken we ‘goed’ te doen. Dus wie geleerd heeft én goed onthouden dat het ‘mijn’ moet zijn denkt ‘mijn’ te zeggen. Of desnoods ‘m’n’. Want ‘mijn’ zeggen we eigenlijk alleen als er nadruk op het woord ligt.

Maar er is iets geks. Is hier geen sprake van willekeur? ‘Me’ mag niet naast ‘mijn’, maar we vinden ‘je’ naast ‘jouw’ wel prima. Niemand valt over: ‘Joh, geef me je jas ’s aan.’ ‘Ik ga vanavond bij je moeder eten.’ ‘Daar is je schatje!’ En trouwens: ‘mijnheer’ is helemaal ‘meneer’ geworden. Is ook niemand tegen.

Maar dat ‘bezittelijk me’ is nu zelfs uitverkoren tot ik geloof het lelijkste woord van het jaar. In een van die talloze nogal onzinnige eindejaarswoordverkiezingen.

Onzinnig, want woorden zitten zelden aan een bepaald jaar vast, en veel is puur een kwestie van smaak. Of van afkeer van waar we dat woord voor gebruiken (papadag, participatiesamenleving). Zo krijgen de woorden de schuld, maar die kunnen er niets aan doen. 

En nu hebben ze dus een woord gekozen dat werkelijk ie-der-een gebruikt. Niet iedereen schrijft het, maar iedereen zegt het. De frik met het zwaaiende vingertje wint. Saai hoor.

Toen ik het hoorde, dacht ik daarom: me hoela. Of nee, nu lieg ik. ‘Me hoela’ is natuurlijk de nette vertaling van ‘me reet’.

Dicht licht

Ja ja, het kan nog. U was het van plan toch? Kom, ga nou gauw even dichten. Ze wachten wel, die andere plichten. Grijp vanavond uw kans. En hé, misschien heeft u sjans.

Sorry, dit is even een stokpaardje. Sinterklaas moet het van mij eeuwig blijven winnen van de kerstman. Die saaie Santa Claus, die ze in de Verenigde Staten niet eens van zichzelf, maar van ons hebben: ‘Santa Claus’ komt van het Nederlandse woord Sinterklaas.

Maar het is een slap aftreksel. Oké, de dikzak met zijn puntmuts gooit ook pakjes door de schoorsteen, maar wat ontbreekt is het Grote Boek en het Sinterklaasgedicht.

En die zijn samen voor mij de grootste lol van het feest. Santa Claus houdt wel bij of kindertjes braaf zijn geweest, maar onze Sinterklaas is bijna een alziende macht. Voor alle leeftijden bovendien. Sint weet precies wat er het afgelopen jaar gebeurd is. Via zijn versjes laat hij zien wat hij ervan vindt.

Met Sinterklaasavond kun je alles kwijt. Frustraties of complimenten, liefdesverklaringen en gemopper – in versvorm is heel veel aanvaardbaar.

Op hoeveel dagen kun je je omgeving ongestraft lekker plagen? Stop een gedicht in de bus van je vriend z’n fraaie zus. Of zeg iemand dank. Met een fles drank. En een vers, heus niets literairs.

Je mag rommelen, want het mag rammelen. Dat hoort juist. Lekker grammaticafouten maken is ook al toegestaan. Niemand zal je vermoorden als je vrolijk husselt de woorden.

En niet bang zijn dat je het niet kan. Iedereen kan het. Zoeken naar rijmwoorden doen we allemaal. Vroeger dook je daarvoor in een rijmwoordenboek. Geweldige dingen, maar ze werken achterstevoren alfabetisch, en dat is niet altijd simpel.

Maar dat hoeft tegenwoordig niet meer. In onze tijden, waarin de Sint pint, en we rappen, appen en zappen, tikken ze zonder gefoeter alles in op de computer. Vraag bijvoorbeeld gewoon: ‘Wat rijmt er op machtig?’ En floep, daar verschijnt een lange rij antwoorden, van prachtig, tachtig en drachtig tot krachtig papachtig.

Er zijn ook kant-en-klare gedichten te vinden, maar doe dat nu niet. Ze zijn echt niet beter dan u ze kunt maken. Wel onpersoonlijker.

Ik wens u een heerlijk avondje.

Wim

De eerste keer dat ik hem zag, stond hij te swingen op een feestje. Iemand zei: dat is Wim Emmerik. Hij is doof.

Verbazingwekkend vond ik dat. Later hoorde ik dat hij zelfs een dansopleiding had gedaan. Gevoel voor ritme en elegantie, dat zat er bij hem in.  En het kwam er ook uit bij iets dat ik nog meer bewonderde: zijn talent als dichter.

Dat dichten deed Wim namelijk in de Nederlandse Gebarentaal. Omdat hij door een hersenvliesontsteking zijn gehoor verloor toen hij een jaar oud was, was dat zijn moedertaal.

Nou blijft het hoe dan ook een mirakel wat je allemaal met bewegingen van je bovenlichaam, je armen, handen, vingers, en met gezichtsuitdrukkingen kunt doen. Je kunt daar net zoveel mee ‘zeggen’  als met je stembanden en de pakweg honderd spieren en spiertjes die lucht verplaatsen als je praat.

Kijken naar bewegingen, of luisteren naar bewegende lucht. En daar dan ontelbaar veel dingen uit begrijpen. Dat de gedachten uit het ene hoofd op die manier in de hoofden van anderen terechtkomen. Als ik eerlijk ben, vind ik het talent voor taal dat wij mensen hebben onbegrijpelijk.

En dan kunnen we er ook nog eens poëzie mee maken. Wat is poëzie dan? Wim Emmerik liet me er op een andere manier naar kijken.

Stiltes, herhalingen, terugkerende klanken, rijm. Dat zijn een paar van de hulpmiddelen die van gewone taal een gedicht kunnen maken. En van gewone gebarentaal poëtische gebarentaal.

Hoe? Soms door met twee in plaats van met één hand te gebaren. Soms door een ‘handstand’ te gebruiken die eigenlijk hoort bij een ander gebaar. Er bestaat een gedicht van Wim Emmerik over Amsterdam waarin de gebaren voor zon en water gemaakt worden met een stukje van het gebaar voor glinsteren erin, waardoor alles lijkt te glinsteren.

Heel aantrekkelijk is ook dat je een gedicht in gebarentaal even goed van onderaf, bovenaf of opzij kunt bekijken. Wat een prachtig effect kan geven.

Wim Emmerik is afgelopen week gestorven. Zoek zijn naam op internet en bekijk eens een filmpje van zijn gedichten. Zelfs als je er geen barst van begrijpt, spat de schoonheid er nog vanaf.

Geen gerania

Bespottelijk vond hij het. Ik kon toch niet echt menen dat ‘de data zijn net ingevoerd in de computer’ een prima zinnetje was? Dat moest beslist ‘de data is net ingevoerd’ zijn. ‘Hij’ was een collega-journalist die een generatietje jonger is dan ik.

Zoals bekend heeft de jeugd de toekomst, dus ‘data’ is bezig te veranderen, te verenkelvoudigen. Een nieuwe gevoelswaarde te krijgen, zou je ook kunnen zeggen. Precies hetzelfde is gaande met ‘media’. Niet langer hebben die het gedaan. Nee, ‘de media heeft het gedaan’ vinden tegenwoordig veel, misschien wel de meeste Nederlanders.

Nou ga ik daar niet meer aan wennen, maar ik snap deze verandering als ik eerlijk ben best. Wat er allemaal omgaat in computers is zo massaal dat je dat niet meer gegeventje voor gegeventje kunt bekijken. Het is een stroom, zoiets als water. Water kun je ook niet opdelen.

En ook de media worden (ik hou me toch nog maar even aan het meervoud) nogal eens gezien als één blok. Dikwijls een blok sensatiezoekers, verdraaiers of nog iets anders dat weinig positief is.

Daar komt nog iets bij. Medium en datum worden alletwee op nóg een manier gebruikt, ook al is het allemaal wel terug te voeren op zoiets als ‘doorgeefluik’ en op ‘gegeven’ (datum betekent letterlijk ‘gegeven’ in het Latijn). Maar als ik zeg dat de krant een medium is, voelt u inmiddels waarschijnlijk  de aanvechting opborrelen om in te bellen met uw levensvragen voor de geesten aan gene zijde.

En van de week vroeg iemand me of het wel oké was dat de Belastingdienst het over ‘datums’ had waarop er betaald moest worden. Had hij vroeger niet geleerd dat het altijd ‘data’ moest zijn? Zeker, maar ‘datums’ voor ‘op verschillende dagen’ heeft nu de woordenboeken bereikt. En dat zou wel eens alles te maken kunnen hebben met de digitale wereld en de bijbehorende computerdata.

Willekeur hou je trouwens toch. We mochten altijd al museums en centrums gebruiken naast musea en centra, maar niemand zit bij mijn weten achter de gerania. En wie, behalve die ene vriendin die het voor de gein doet, heeft het nou over fotoalba?

Het beestje

Het is altijd de eerste vraag. Nou vooruit, de tweede. Nadat we gehoord hebben of het een jongetje of een meisje is, willen we meteen weten: hoe heet ie? Of: hoe heet ze? Bij iedere baby opnieuw. Het mensje moet een naam hebben.

En het beestje? Groot en breed was de verontwaardiging deze week over Artis. De Amsterdamse dierentuin schaft het gebruik af om pasgeboren dieren een naam te geven. Want dieren zijn geen mensen, en met een naam vermenselijken we ze.

Ik moest onmiddellijk denken aan Jane Goodall. In haar eentje bracht die vanaf begin jaren zestig eindeloze uren met engelengeduld door in de buurt van een troep chimpansees in Tanzania. Ze liet de dieren wennen aan haar aanwezigheid. En andersom leerde zij de chimpansees kennen. Zo zag ze bijvoorbeeld dat verschillende chimpansees verschillende karakters hadden. Ze deed vervolgens toch wat haar ten strengste verboden was door andere diergedragonderzoekers. Ze verzon namen. Ze noemde de chimpansees Flo en Fifi en David Grijsbaard. Mocht niet, want dan vermenselijkte ze de dieren.

Ik moest ook meteen denken aan vriend E., die ons de slappe lach bezorgde met verhalen over de muizen die achter zijn plinten woonden. Dat ging dan over de moedermuis die haar mouwen opstroopte en  zware boodschappentassen vol etensrestjes naar haar hol torste voor haar bloedjes van kindermuisjes.

Wat E. deed was de muis vermenselijken. En dat was waarom wij zo om hem moesten lachen. Juist omdat we donders goed weten dat muizen geen mensen zijn.

Alle mensen willen weten hoe alles heet. Van kleins af aan. Dreumesjes benoemen kraaiend wat ze tegenkomen in hun wereld: sok, bal, hond, mama. Het is een van de grote verschillen tussen ons en slimme mensapen. Die kun je heel wat gebaren of symbolen bijbrengen. Als je ze beloont tenminste, met eten, kietelen, spelen. Maar ze gaan nooit uit zichzelf vragen: hoe heet dat? Ze zijn niet te vermenselijken.

Hoorde u ook het geestigste van de nieuwe Artis-koers? Het girafje waarmee die werd ingezet krijgt wel degelijk een naam. Wij mogen hem niet weten, maar het is hoe de verzorgers het beestje noemen. Ach, verzorgers laten zich niet ontmenselijken.

Smerig

Smerige kruidenboter. Het stond er echt. Op alle plastic doosjes kruidenboter in de supermarkt. Iemand had ergens de tekst voor de stickers gemaakt en gedacht: deze is lekker smerig, dat zet ik erop.

Het is alweer een tijdje geleden dat ik daar met een grote grijns een aantekening over maakte. Voor m’n verzameling taalgrappen, want die is nooit compleet. En ik heb een extra zwak voor grappen die het moeten hebben van hoe we onze woorden en zinnen bouwen.

Hoe het in dit geval zit, daar loop ik dan lang over te piekeren. Gevoelsmatig begreep ik de fout best. Je hebt toch ook schuimige kruidenboter, die je over je kruimige aardappeltjes kunt doen. Waarom zou ‘smerig’ niet kloppen als  rommelig en rimpelig prima zijn. En bazig en wazig, rozig en ranzig. Om kriebelig van te worden.

In de weg zit beslist dat smerig ook al ‘goor, vies’ betekent. Dat was niet handig, want wie wil er nou iets vies aanprijzen? Zelfs vieze plaatjes in vieze blaadjes zijn niet meer zo in trek als vroeger, schijnt. Terzijde: het bericht dat de Amerikaanse Playboy ophoudt met foto’s van geheel blote vrouwen, leverde meteen overal  heerlijke vergelijkingen op: of McDonald’s stopt met hamburgers, het is als een telefoonboek zonder telefoonnummers, een café zonder bier, een broodje kroket zonder kroket, Bassie zonder Adriaan.

Maar om het van de andere kant te benaderen: wat de stickertekstverzinner waarschijnlijk bedoelde was ‘smeerbaar’. Toen dacht ik het te weten: ‘baar’ en ‘ig’ kun je allebei ergens aan vastplakken, maar waaraan, dat verschilt. Iets dat je kunt smeren is smeerbaar, wat op te lossen valt is oplosbaar, van leveren komt leverbaar, halen en voelen zijn goed voor haal- en voelbaar, en zo verder.

Allemaal herkenbaar toch? Net even anders verwoord: ‘baar’ gebruik je als er gewerkt en gedaan wordt, dus bij werkwoorden. Daar kun je geen ‘ig’ achter zetten.

Zou het waar zijn? Ik bleef toch nog even opletten en turven. Oké, ‘ig’ gaat dan misschien niet, maar ‘erig’ wel degelijk. Levert leuke woorden op: hebben en huilen geven hebberig en huilerig. Je hebt ook glibberig, tobberig en bibberig.

Zeker, taal is vaak kliederig en treiterig.

Heldenmoe

De held is niet meer wat hij geweest is. In mijn herinnering bevond hij zich vroeger heel vaak op sokken. Of je kwam hem tegen in zinnetjes als ‘dat is ook geen held, zeg’. En soms nog een graadje laatdunkender: ‘pff, wat een held.’ De Nederlandse held was kortom nogal eens een antiheld.

Maar dat is helemaal over. Het wemelt tegenwoordig van de heuse helden.

Om te beginnen zie ik dat we met graagte de Amerikaanse gewoonte overnemen om overheidsdienaren zoals brandweermannen en soldaten helden te noemen. Maar wat me nog meer opvalt is dat nu ook iedereen zijn hoogsteigen helden lijkt te hebben. Goede onderwijzer gehad? Held! Lekker boek gelezen? Geschreven door een heldin. Aardige winkelier? Held!

Kortom, je noemt iemand niet een held omdat die iets heldhaftigs doet, maar omdat jij een fan bent. Eerst vond ik het nog wel een aantrekkelijke betekenisverschuiving, en begon ik me af te vragen wie mijn helden dan wel zijn. Maar intussen bespeur ik een zekere heldenmoeheid bij mezelf. Het is als met de blauwe brilmonturen. In eerste instantie denk je: verfrissend. Maar nu half Nederland er een op z’n neus heeft, begint dat effect snel uitgewerkt te raken.

Nu ja. Ik  vraag me toch af wat er nou aan de hand is met dat woord held. Moet je het een leenvertaling noemen? Zoals wolkenkrabber en witteboordencriminaliteit de bekende leenvertalingen zijn van sky scraper en white collar crime? En zoals de Fransen onze aardappels in de vorm van ‘appels van aarde’ (pommes de terre) overnamen? Het is ook hoe we aan slagroom gekomen zijn: vertaling van Schlagsahne.

‘Leenvertaling’ zelf schijnt trouwens een leenvertaling te zijn. Van het Duitse Lehnübersetzung.

Maar gebiedsuitbreiding van een al bestaand woord dekt de lading toch beter in het geval van ‘held’. Je ziet het vaker. Neem ‘brein’ en ‘episch’. Je had altijd al het brein ergens achter, maar ‘brein’ gebruiken voor hersenen, die natte helften vol kronkels, is pas de laatste kwart eeuw gewoner geworden. Dankzij het Engelse ‘brain’.

‘Episch’ – ‘in heldendichtvorm’ – hadden we ook allang. In jeugdtaal is dat nu via het Engelse ‘epic’ uitgebreid naar zoiets als ‘heel bijzonder’. Ofwel: episch!

Veel we

‘Vindt tante An het niet te koud worden hier buiten?’ ‘Heeft mama wel een tabletje tegen de pijn ingenomen?’ Een gewaardeerde lezer herinnerde zich dat er op die manier vroeger bij hem thuis niet over, maar juist tégen tante An en tégen zijn moeder gepraat werd door de rest van de familie.

Hij had er zelf een hekel aan, en vermoedde dat het om een halfbakken tussenvorm ging: iets tussen u en jij in. Omdat het een te formeel en het ander te joviaal zou klinken.

Ik weet niet of dat zo is. Maar het is wel een opmerkelijke beleefdheidsvorm. Want het is evengoed obers- en verkoperstaal. In het restaurant: ‘Mag ik mevrouw nog een keer bijschenken?’ In de kledingwinkel: ‘Misschien wil meneer deze pantalon ook nog even aantrekken?’ En natuurlijk bij de slager, die zich vooroverbuigt en zegt: ‘Wil de jongedame een plakje worst?’

Het klinkt een beetje oubollig allemaal, merk ik. Misschien is dit wel aan het uitsterven.

Het deed me ook meteen denken aan wat het verpleegsters-wij heet. Dat kent u: ‘En hoe voelen we ons vandaag?’ tegen de patiënt. Politieagenten doen het volgens mij ook: ‘Waar waren we naar onderweg met 160 kilometer per uur?’

Ook al oubollig, maar het is inderdaad een perfecte ontwijkingsmanoeuvre. Je hoeft niet te beslissen of je ‘jij’ of ‘u’ zegt. 

Maar ja, dat speelt weer niet als je tegen een kind praat. En dat doen we vaak precies zo: ‘Kom, dan gaan we lekker slapen.’ Onzin natuurlijk, de bedoeling is dat alleen die kleine de oogjes dicht gaat doen.

Klef kan het ook al klinken: ‘Waar gaan wij zo helemaal alleen naartoe met dat leuke hondje?’ (Of nog erger: kontje.) En ‘we’ is bovendien geschikt om een snijdend of ironisch commentaar te geven: ‘Oh oh oh, wat zijn we weer fijn behulpzaam.’ Of: ‘Gaan we moeilijk doen?’

En intussen moeten we dit weer niet verwarren met het wij van koningen en koninginnen. Dat heet de pluralis majestatis, waar ook dikdoeners zich soms graag van bedienen. Dat is dan een ‘we’ als de kauwgombalbel die kikkers al blazend onder hun kinnetjes vandaan kunnen toveren.

Wat doen ‘we’ toch merkwaardig.

Jijs en jes

Het begon natuurlijk allemaal vanaf eind jaren zeventig bij dat Zweedse zet-je-zaakjes-zelf-maar-in-elkaar-woonwarenhuis. De klant was daar ineens consequent een jij, en nooit een u. ‘Hier kun jij jouw bestelling ophalen.’ ‘Jij kan de lamp vastklemmen of vastschroeven.’ Zo worden we nog steeds toegesproken. Ze peperen het ons bovendien wel heel erg in door aldoor ‘jij’ te schrijven, zelfs als het ‘je’ moet zijn.

Maar dat terzijde. Het was intussen wel degelijk een teken van de veranderende tijd.

Nu beleven we alleen nog wat eindgepruttel. Deze week las ik op Twitter iemand die zich beklaagde over een pakjesafleverbedrijf. ‘Ben je niet thuis op dit tijdstip? Dan kun je met de kaart die ik in je brievenbus…’ en nog veel meer jijs en jes stonden er op een in de bus gegooid briefje. Onbeleefd, vond de ontvanger.

Het bedrijf reageerde meteen, want zo gaat dat op Twitter. Het had ‘gekozen voor een communicatiestijl die in onze ogen het beste bij deze tijd past.’ Communicatiejargon om van te gruwen, maar daarom nog wel waar, denk ik.

In de jaren zestig had mijn moeder een leeftijdgenoot in de kennissenkring tegen wie ze ‘ju’ zei. Want ‘u’ voelde te afstandelijk, maar ‘jij’ ging te ver. Gevoelde afstand duidelijk maken, lijkt intussen de belangrijkste functie te zijn geworden van uën, of vousvoyeren, zoals het Franse leenwoord wil.

 Die afstand kan zitten in tijd: iemand is veel ouder. Of in positie: ook een broekie van een agent mag rekenen op mijn u. Of in humeur: als ik boos ben u ik liever. Maar tussen leeftijdsgenoten van vrijwel alle leeftijden is het in de dagelijkse omgang bijna merkwaardig geworden om u te zeggen.

Dat is hard gegaan. Eerlijk gezegd vind ik het soms knap lastig om te bepalen wat ik moet gebruiken. Want ik weet ook wel dat er nog zat Nederlanders zijn die dat getutoyeer een doorn in het oog is.  Soms maak ik er daarom in de eerste mail aan een vreemde maar een opmerking over.

Ik krijg toevallig nogal eens post van onbekenden. Van u bijvoorbeeld. Maar dat is gemakkelijk. Zoals ik word aangesproken, zo praat ik terug. Dan weet u dat.

Taaldwang

Nou is hij ineens dood. Toevallig net vorige week raakte ik verzeild in een pittig gesprek waarin Frank Martinus Arion een belangrijke rol speelde. Het ging over taal en dwang en geschiedenis en schuld. En ook over wat praktisch en handig is. 

Frank Martinus Arion was een Curaçaoënaar die in het Nederlands schreef (lees zijn meeslepende boek Dubbelspel als u dat nog niet deed) en tegelijk erg voor het Papiaments was. Ook op school.

Maar als hij dan zo voor de lokale taal was, waarom gebruikte hij die dan niet in zijn boeken? Dat had mijn gespreksgenote hem een keer voorgehouden. Zijn antwoord dat hij liever meer mensen wilde bereiken, beslechtte voor haar de discussie. Geen onderwijs in het Papiaments dus, dat lag voor de hand.   

Begrijpelijke gedachte, maar toch zeurde het door in mijn hoofd daarna. Papiaments is wat de meeste geboren Curaçaoënaars met de paplepel binnenkrijgen. En wat je ook overal buitenshuis kunt horen. Het is daar dus moedertaal én voertaal. Op Aruba en Bonaire gaat het ongeveer net zo.

Leren is het lekkerst in je moedertaal. Dan moet die moedertaal op de ABC-eilanden maar veranderen, zegt u misschien: zo onhandig, zo’n klein taaltje dat verder niemand kent.

Maar als je zo begint. Er bestaan duizenden talen. De meeste onooglijk klein, en ook het Nederlands stelt op de totale wereldbevolking vrij weinig voor. Wat nou als Den Haag zou besluiten dat al het onderwijs hier voortaan maar in het Engels of Chinees moet? Gesteiger en woede alom, denk ik. En moeten wij dat dan wel willen opleggen aan anderen? Lastig hoor.

Daar komt nog iets bij: de ontstaansgeschiedenis van het Papiaments. Die is verre van fraai. De taal is gegroeid uit de contacten tussen de slaven die uit verschillende streken kwamen, en dus verschillende moedertalen hadden. Met ook stukjes en beetjes uit de talen van hun handelaren en de plantagebezitters.

Er is weinig over uitgezocht. Maar Frank Martinus Arion deed er voor zijn proefschrift nou net wél onderzoek naar. Ook daarom hoopte ik laatst dat ik hem nog eens voor een interview over dit soort zaken zou kunnen strikken. Echt jammer, het zal niet gebeuren.

Beestenboel

In de zomer dat ik negen was, leerde ik Dr. Dolittle kennen. Ik vrat me door de boeken over hem. Nog nooit had ik zoiets moois gelezen. Een mensendokter die een dierendokter werd, want van zijn papegaai leerde hij de talen van alle dieren. Dat wou ik ook!

Eerder had de heilige Franciscus er ook geweldig mee gescoord. Die preekte tegen aandachtig luisterende vogels, en sloot een deal met de plaatselijke wolf.

Praten met beesten. We willen het zo graag dat het in sprookjes, legendes en andere mooie vertellingen aan de lopende band gebeurt. Maar in het echt? Het idee bij die beestenboelverhalen is dat dieren eigenlijk hetzelfde tot hun beschikking hebben als wij. Dat het een kwestie van vertalen is. Dat het Wolfs of het Merels net zoiets is als het Zweeds of het Maleis.

Vorige week hoorde ik op de radio een bioloog vertellen over potvissen en hun dialecten. Die grote walvissen waren maar liefst achttien jaar lang met microfoons achtervolgd door Canadese onderzoekers. Ze keken ook naar wat de potvissen deden. Als je computermodellen losliet op al die gegevens bleken verschillende groepen potvissen voor een deel verschillende potvisgeluiden te maken. Vandaar het praten over dialecten.

En toch en toch. Niemand verstaat de kliks en andere onderwaterherrie. Zou het echt een soort mensentaal zijn? De Dr. Dolittle-lezeres in mij moppert en mokt. Ik ken intussen bovendien de verleidelijkheid van overal taal in zien. Bijvoorbeeld: als meerkatten (gek genoeg zijn dat apen) verschillende alarmkreten blijken te gebruiken voor gevaar uit de lucht, de bosjes en van de grond, dan denken wij graag dat ze gewoon ‘adelaar’, ‘luipaard’ en ‘slang’ roepen.

Zou de drongo begrijpen wat hij zegt? Dat is een nogal leuke Afrikaanse vogel die een ware ster is in andere dieren nadoen. Bijvoorbeeld zo’n alarmkreet. Hij maakt er handig gebruik van om aan voedsel te komen.

Ik vroeg het me af omdat volgende week weer het taalfestival is waaraan de drongo zijn naam al een paar jaar leent. Bij Drongo draait alles om meer dan één taal (leren) kennen. Je kunt er bijvoorbeeld allemaal spoedcursussen doen. Jammer genoeg nog niet in een dierentaal. 

Nice

Nais of nies? Wat las u? Nou ja, ze kloppen alletwee. Het is in Nice in Zuid-Frankrijk namelijk nogal very nice. Dat ontdekte ik vorige week, maar rijke Britten hadden het al heel veel langer door.

Omdat zij vanaf de negentiende eeuw de halve Côte d’Azur hebben volgebouwd om prettig te overwinteren, keek ik nog even na of Nice z’n naam misschien dankt aan het Engelse woord voor prettig, leuk, aangenaam.

Maar nee. Het zijn valse vrienden. De plaats Nice heet hetzelfde als die Amerikaanse schoenen: Nike. En dat is hoe ze in het oude Griekenland hun godin van de overwinning noemden. 

Maar met nice van aardig enzo heeft het niets te maken. Want dat begon ooit als een woord voor ‘onwetend’. Het heeft wonderlijke betekenisomzwervingen gemaakt, schijnt. Onwetend werd gek, dom, en nog naarder. Maar daarna ging de waardering weer omhoog. Via verlegenheid en gereserveerdheid – eigenschappen die ze in de achttiende eeuw mooi vonden – kwamen we bij het prettig en leuk van nu.

Dus ook elders wil een woord voor hoe we ons ergens bij voelen wel eens heen en weer stuiteren. Zo was ‘leuk’ nog niet zo erg lang geleden helemaal geen leuk woord. Sommige ouderen herinneren zich uitstekend dat ze dat niet mochten zeggen van thuis. Te plat. Het betekende overigens van oorsprong lauw. En was lauw een tijdje terug niet ook ineens een positief modewoord? En werd ‘wreed’ niet cool?

Intussen pikte ik aan de Hemelsblauwkust (Côte d’Azur komt van een boektitel) nog een paar leuke valse Franse vrienden op. Als Fransen zeggen dat ze lange tanden hebben (avoir les dents longues)  bedoelen ze dat ze verrekken van de honger. Terwijl wij juist met tegenzin dingen naar binnen werken als we eten met lange tanden. Ook grappig: bevind je je in het Frans naast je schoenen (être à côté de ses pompes) dan ben je er niet helemaal bij met je hoofd. Heel wat anders dan ons naast je schoenen lopen, wat we van trots of arrogantie doen.

Geschikt om hier in te voeren leek me sokkensap. Dat is hoe ze iets goors te drinken in het Frans noemen. Jus de chaussette. Very nice.

:-) ;-) :-(

Een stierenkop. Dat is wat je ziet als je een hoofdletter A ondersteboven zet. Met een beetje fantasie dan. Maar zo is de A wel ooit begonnen. Ze denken al bij de Egyptenaren. Een plaatje van één ding ontwikkelde zich tot iets veel handigers: een letter. Iets dat je iedere keer dat je een klank hoort kunt gebruiken. Steeds opnieuw.

En allemachtig, wat hebben we daar een hoop lol van. Ook mét alle gedoe dat spelling natuurlijk ook is (d’s, t’s, tussen-n’en).

Maar goed, niet alles wat je hoort laat zich zomaar in letters vangen. Hoe maak je bijvoorbeeld snel duidelijk dat iets een grapje is, dat je het aardig bedoelt? Dat hoor je aan iemands stem, en letters zijn niet vanzelf ‘toonaangevend’. JE HEBT wel BOZE LETTERS. Maar die kunnen net zo goed algemene opwinding (IK BEN GESLAAGD) betekenen.

Voor deze dingen gaan we al een tijdje graag terug naar plaatjes. Want chattend, sms’end, enzovoorts, maken we gauw ruzie, is gebleken. Of je krijgt minstens gekke misverstanden.

Plaatjes helpen. Eerst typten we ze van leestekens. Zoals :-). Als u dat niets of weinig zegt: hou uw hoofd even naar links, dan ziet u een lachend gezichtje. Een knipogend is deze: ;-) en een droef :-( krijgt z’n mondhaakje andersom.

Heel lang vond ik die emoticons (zo heten ze) een beetje kinderachtig. Maar ik ben ze gaan waarderen. Er kwamen minitekeningetjes van gezichtjes in alle gemoedstoestanden, en daar zijn intussen massa’s kleine plaatjes bij gekomen. Van de gekste dingen. Ik moet bekennen dat ik een kinderlijk genoegen beleef aan jarige vrienden bestoken met felicitatieberichtjes die bijna helemaal bestaan uit plaatjes. Taartpunt, feesthoedje, geluksklavertje, zoenmond, ballon, champagneglas, bosje tulpen, cadeaudoos.

Intussen zijn er al mensen die denken dat we hierdoor op weg zijn naar een wereldwijde beeldtaal. Eén taal voor allemaal. Een oude droom. Waar ik de wereld uit moet helpen.

Neem zo’n verjaardagswens: het is een opsomming. Eentje die woordeloos duidelijk is? Nou nee. Eén voorbeeld: Nederland zegt het graag met een bosje bloemen, maar ik weet toevallig dat ze in Italië dan meteen aan een begrafenis denken. Van harte!

Spiegel

Weet u hoe een Klingon een ander succes wenst? U weet misschien niet wat een Klingon is. Klingons zijn een voorbeeld van buitenaards leven. Het soort leven waar ze deze week nog eens extra hard naar op jacht zijn gegaan.

Alleen zijn Klingons  verzonnen. Ze zitten in de Star Trekseries en -films. Ze lijken ook verdacht veel op mensen. Een norse uitvoering, met veel diepe voorhoofdsrimpels. Maar goed. Bij de Klingons is ook een taal verzonnen. Ik heb hier een heel boek vol Klingon, maar alleen het woord voor ‘succes’ ken ik uit mijn hoofd. Dat is K’plah.

Een nogal onmogelijk woord voor Nederlandse kelen en tongen. En blijkbaar ook voor de Amerikanen die het bedachten. Iets dat begint met kpl? Lekker buitenaards. Maar hoe zeg je het? Mhm. Dus moffelden ze er een kommaatje in. Hoe je dat uitspreekt mag je denk ik zelf weten.

Er zijn 48 mogelijkheden als je een Nederlands woord wilt laten beginnen met een of meer medeklinkers volgens prof. Marc van Oostendorp. En hij kan het weten, want van taalklanken heeft hij z’n dagelijks werk gemaakt. Zijn lijst loopt van p, t, k, b, via pr, tr, kr, chr, fl, tot en met sn, sl, schr en spl.  De combinatie kpl, of zelfs alleen maar kp, zit er inderdaad niet bij.

Wat er ook niet in staat is ps. Daar dacht ik even over na. Maar hij heeft natuurlijk gelijk. Psalm (‘snarenspel’), alles met pseudo (‘nep’, zoals nepnaam: pseudoniem), alles met psych (‘geest’), het zijn wel Nederlandse woorden, maar we hebben het allemaal geleend van de oude Grieken. Hun monden stonden blijkbaar wel naar ps. De onze hebben er nog altijd wat moeite mee. Spiegoloog is niet toevallig een uitspraakgrapje.

De zaak is trouwens merkwaardig gespiegeld. Beginnen met ps, daar gaan we dus van sputteren. Maar sp, het omgekeerde, rolt er lekker uit: spat, spet, spot, spit, spuit, spijt. Gek genoeg eindigen we weer niet graag op die sp, maar juist wel op de lastige begincombi ps.

Daarom zeggen kinderen graag weps tegen een wesp. En volwassenen trouwens ook vaak. Bips, bups, Babs? Geen punt. Maar wesp en gesp zijn kleine tongbrekertjes. Rapsen en beripsen gaat eigenlijk ook lekkerder dan raspen en berispen. Oeps.

Kleintjes

‘Weet je hoe oud hij was toen hij naar Nederland kwam, pap?’, vroeg ik. Nee, verrek, dat had hij niet gevraagd.  Met bewondering had mijn vader net over het Nederlands gesproken van zijn in Turkije geboren huisschilder. Dat had hij trouwens ook tegen de man zelf gedaan. Die had de complimenten gewaardeerd, maar ook verzucht dat het tussen hem en ‘de’ en ‘het’ nooit goed zou komen.

Inderdaad. Doe het maar. De koe en het paard. De pen en het potlood. De stoel en het bed. De beker en het glas. De tulp en het vingerhoedskruid. Verschrikkelijk. Geen peil op te trekken.

Dat is nou echt een van de fijne dingen van het Engels. Alles is daar ‘the’. Maar wij ploeteren ook als we der-die-das-Duits of le-la-Frans willen leren. Alleen de kleine taalsponsjes die alle baby’s zijn, kunnen moeiteloos de willekeur aan, die in elke taal wel ergens zit. Die slurpen het allemaal gretig op. Vraag is wanneer je te oud begint te worden om nog ongemerkt ook alle de’s en hetten in te zuigen. Mijn vaders schilder was blijkbaar niet jong genoeg meer.

Gelukkig zijn er wel wat trucs in dit geval. Je kunt om te beginnen zo veel mogelijk Madurodam-Nederlands spreken. Want verklein de boel, en je hebt gegarandeerd  een het-woord te pakken. Dan heb je zekerheid. Dus zie bijvoorbeeld het kindje in de weer:  het aait het koetje, plukt het tulpje, pakt het pennetje en schuift het stoeltje bij het tafeltje. En ’s nachts kiept het het bekertje water om in het bedje.

Maar goed, van al die kleintjes krijg je wel de kriebels. Er overal meer dan één van nemen, helpt ook. Want dan weet je juist weer zeker dat je met ‘de’ goed zit: de kinderen aaien de paarden, en schrijven met de pennen en de potloodjes op de stoelen en de bedden.

Nog een handige dan, die weer ‘het’ oplevert. Heel veel het-woorden zelfs. Want voor zo goed als alle werkwoorden kun je ‘het’ zetten. Het lopen en het lanterfanten, het laden en lossen, het lijden en verblijden. Ach, zet gewoon alles in bij het leren van het taaltje Nederlands.

Goed/fout

Nou, dat zat me niet glad. Beetje denken dat ik de kwestie goed/fout, verloedering en de God van het Nederlands er hier vorige week in een keer doorheen kon jassen. Lukte me niet. En er kwam natuurlijk commentaar op.

Volgens sommigen van u moet ik anderen van u hoognodig de les lezen, heropvoeden. Ik moet u niet meer lastig vallen met hoe het zit of hoe het werkt, maar met hoe het hoort.

Maar dat is het nou net. Ik heb de waarheid niet in pacht. Ook de anderen die voor taalbaas worden aangezien (Neerlandici, woordenboekenmakers) weten dat wat ze weten relatief is.

M’n eigen broer, die van taal en van wanten weet, was degene die me in herinnering bracht dat er eigenlijk niks zo democratisch is als taal. Want omdat iedereen praat, heeft ook iedereen invloed. Maar niemand heeft alle macht.

Met z’n allen kneden en duwen we het Nederlands door de tijd. En waar we ook op uitkomen onderweg, het is  altijd bruikbaar voor iedereen. Met ruimte voor onderlinge verschillen en voor verandering. Dus nooit een eenheidsworst, en ook is nooit iedereen volmaakt tevreden.  

Eén misverstandje wil ik graag uit de weg helpen. De taalbazen, die dus niet de baas zijn, krijgen vaak het verwijt dat ze roepen: ‘Het maakt niet uit hoe je praat, als ze je maar begrijpen.’

Inderdaad zeggen sommigen dat. Zouden ze niet moeten doen, want het is niet waar. Het maakt juist veel uit hoe je praat. Chic of plat, jong of oud, formeel of losjes, Nederlands als moedertaal of niet, welke streek of stad:  zodra iemand maar even z’n mond opendoet hoor je dat, en nog meer. En in een flits plakken we daar dan ook van alles aan vast. Net zoals we in een oogopslag opnemen hoe iemand eruit ziet, en daar onmiddellijk vergaande conclusies uit trekken.

Wat wel weer mooi is: het went ook snel. Na een paar minuten kun je vaak al door iemands taalgebruik en kleding en haarstijl heen kijken. Als dat nodig of nuttig is, tenminste.

En schrijven dan? De d’s en t’s en andere gruwelijk misgaande spellingsdingen? Ja, komt nog een keer.

Voelen

‘Dat kleine meisje kon helemaal niets zien en niets horen. Toen kwam er een juf. Die liet haar een pop voelen, en dan schreef ze meteen in de hand van het kleine meisje: p-o-p. En de volgende dag weer: p-o-p, en weer. Het duurde heel lang, maar op het laatst begreep het meisje het. Toen leerde ze alle woorden.’

Het was het eerste taalverhaal dat ik in mijn leven hoorde. Ik was zelf nog een klein meisje, en totaal gegrepen. In mijn herinnering probeerde ik me wekenlang voor te stellen hoe dat dan zou zijn: doof en blind. En hoe fantastisch dat geweest moest zijn voor dat meisje dat ze het doorkreeg van dat spellen. Dat de wereld voor haar openging.

Heel veel later begreep ik: oh, dat ging over Helen Keller, de beroemde doofblinde Amerikaanse, die de hele wereld afreisde. En dus taal geleerd had. Zelfs een paar talen. Door te voelen: een soort snelschrift spellen in haar hand, en later bijvoorbeeld ook de bobbeltjes van het brailleschrift.

Een wonder, lijkt het. Je denkt: ja maar, als je niet kan zien of horen, dan kan je het toch nooit vatten? Ze vroegen Helen Keller bijvoorbeeld over kleuren. Ze was er glashelder over. Een kleur was voor haar net zoiets als ‘hoop’, of ‘idealisme’. Die woorden begrijp je, maar ze gaan niet over iets dat je aan kan wijzen, of vast kunt pakken. Wel heb je er associaties bij. ‘Rood’ deed Helen denken aan ‘liefde’ en ‘schaamte’.

Aha. Dat is eigenlijk niet zo bijzonder. Iedere taal barst van de woorden voor onzichtbare en onhoorbare begrippen. Natuurlijk, je hebt dingen als ‘hoop’ en ‘idealisme’,  maar ook ‘de’ en ‘van’ en ‘worden’ kun je niet vastpakken, ruiken, bekijken. Toch begrijpen en gebruiken we zulke woorden allemaal massaal. Dat kunnen mensen dus, ook als niet alle zintuigen goed werken.

Misschien kan die gedachte voor ietsje meer begrip zorgen. Want dat mag wel. Volgens Marleen Janssen, de enige hoogleraar doofblindheid ter wereld, zijn er maar liefst 40.000 Nederlanders doofblind. Wat betekent dat ze minstens grote problemen hebben met én horen én zien. Maar het betekent niet dat hun taalvermogen stuk is.

Vrienden

De steward reikte het miniflesje witte wijn met bijbehorend glaasje aan. Met een stevig Engels accent sprak de vrouw naast me: ‘Geniet, maar drink met mate.’ Opmerkelijk, dacht ik, dat ze nou net die toch wat brave overheidskreet had opgepikt. Want ze had me net verteld dat ze minder Nederlands had geleerd dan haar lief was, in de vier jaar dat ze als Canadese in ons land had gewoond.

Dat is trouwens vooral onze schuld, en niet alleen bij haar. Nederlanders zijn beroemd om hun onwil om Nederlands te praten tegen iedereen die ook maar een spoortje van een Engels accent laat doorklinken. Want dan willen wij fijn ons beste Engels uitproberen.

Maar Elisabeth, zo heette mijn buurvrouw in het vliegtuig, had een speciale reden om de anti-alcoholcampagne te onthouden. Ze vond hem zo sympathiek: dat het beter voor je was om niet alleen te drinken, dat de regering hier vond dat je dat met je maten moest doen. Want zo had zij het begrepen. Totdat iemand haar uit de droom had geholpen natuurlijk. Zo had ze ook geworsteld met ons woord ‘snel’. Want dat leek zo op ‘snail’, en dat is slak, en slakken zijn als bekend verre van snel.

Daarmee zat ik nog voor ik thuis was van vakantie vanzelf alweer bij de ‘valse vrienden’, waarover het hier vorige week ging. En toen moest het grote smullen nog beginnen: uw voorbeelden waren met golven mijn e-mailbox binnengestroomd. Waaronder verrukkelijke rijtjes uit het Turks, waar ze je bij je ontbijt graag een broodje bal serveren. ‘Bal’ is namelijk ‘honing’. En ‘top’ is dan weer ‘bal’.

Zo zijn ‘tap’ en ‘bak’ en ‘et’ geen drinken-en-etenopdrachten, maar aansporingen te aanbidden,  kijken en doen. Ik herinnerde me ook prompt weer dat ‘bir’ niet ‘bier’ is, maar één. En bir birra is één bier. Heel lang geleden deed ik namelijk een zomerlang een cursus Turks. In Turkije. En poeh, die valse vrienden zijn dan ongeveer de enige die je hebt. Tenminste érgens een aanknopingspuntje.

Daarom vergeet ik ook nooit dat ‘etlap’ Hongaars is voor ‘menu’, en ‘campai’ (één lettertje verschil met Campari)  Japans voor ‘proost’!

Zoek

‘Oh, dus jij hebt het ook?’ Opluchting en gepuf. Ik kom het nogal eens tegen –  helaas ook bij mezelf. Gelukkig zeg, ook anderen graven tevergeefs in hun geheugen op zoek naar een woord. Of naar een naam.

Het slechte nieuws: niemand ontsnapt. Wie ouder wordt, moet harder en langer zoeken. En het wordt alleen maar erger. Weinig dat zo bloedirritant kan zijn. Tot wakkerliggens aan toe.

Nu het goede nieuws: wij zijn de eerste generatie die hulp in huis hebben. Althans, bijna iedereen in Nederland heeft nu een internetverbinding, en de meesten hebben die bovendien altijd bij zich, in de vorm van hun slimfoon (smartphone), of hun plak (tablet).

Ik weet nog goed dat het eind jaren tachtig bij een grote woordenboekenmaker ging over het ideale woordenboek. Daarin zou je het antwoord willen kunnen vinden op vragen als: ‘Hoe heet ook weer zo’n ding, zo’n jas die eskimo’s gebruiken? Een soort jak is het.’ Dat was toen het voorbeeld. Maar ja, hoe doe je dat? In een woordenboek staat alles op alfabet. Een prachtvinding, maar je moet het woord al weten voor je het kunt vinden.

Sindsdien is er veel veranderd. Niet alleen heten eskimo’s liever inuït (wat alleen al omdat het een fraai zichzelf tegensprekend woord is goed is, merkte cabaretier Erik van Muiswinkel laatst op), maar nu tik je in je zoekmachine in: eskimo, kleding, jak. En hop, bovenaan verschijnt ‘anorak’.  Zo’n houten huis in Zwitserland? Als je geld aldoor minder waard wordt? Dat is hoe we het zelf formuleren. En dat kun je nu in de computer stoppen. Die spuugt netjes chalet en inflatie uit. In die zin is de rekenmachine een taalmachine geworden.

Er is ook een nadeel. Zoeken levert soms meer op dan waar je naar zocht. Helemaal niet alle eskimo’s vinden eskimo een scheldwoord, en ze heten ook niet allemaal inuït, las ik bij even doorklikken.

Jee. En dan laat ik de hoofdlettervraag nog liggen (een hele kwestie, blijkt: wel of niet hangt af van de vraag of je het hebt over één bepaald volk of dat het een overkoepelend woord is). Ook over alle woorden voor sneeuw die e/Eskimo’s/i/Inuït zouden hebben liever een andere keer.

Verzinsels

De waanzin. Ik wist echt niet wat ik zag. En ook niet wat ik moest: de slappe lach krijgen of zachtjes huilen.

Ik begon te tellen en kwam tot over de 850. Allemaal verschillende woorden en uitdrukkingen met voorbeelden erbij. Is het ‘ik luister hen af’ of toch ‘ik luister hun af’? Trakteer je hen straks op een ijsje, of hun? Ben ik hun of juist hen geld schuldig? Werd het goede antwoord hen of hun voorgezegd? En zo gaat het maar door. De lijst staat op internet. Met bewonderenswaardig brave ijver verzameld door het genootschap Onze Taal.

Waarom? Uiteindelijk omdat het een verzinsel is, dat hele verschil tussen hen en hun. We zitten er nu zo’n vier eeuwen mee. Het is bewust bedacht in de tijd van P.C. Hooft. Waarom? Omdat ze toen alles van de oude Romeinen en Grieken zo prachtig vonden. Die gloriejaren gingen we opnieuw beleven (vandaar ook dat die tijd ‘renaissance’ heet, wedergeboorte). Dus moest het Nederlands gekneed worden in de richting van het Latijn.

Maar ja, wij zijn de oude Romeinen niet. En ook zeventiende-eeuws Nederlands leek heus niet op Latijn. In het Latijn draait veel om naamvallen, en die was het Nederlands-van-toen al zo’n beetje allemaal kwijtgeraakt in de middeleeuwen. Met hen (voor de vierde naamval) en hun (derde naamval) moesten die dus terugkomen. Vandaar ‘ik geef het hun’ naast ‘ik geef het aan hen’.

Verwarrend? Dat klopt. Het wrong, het wringt, het zal blijven wringen. Want het Nederlands werkt op een andere manier. Bijna alle grammatica krijg je cadeau, gewoon, al opgroeiend. Maar dit moet iedereen bewust uit zijn hoofd leren. En dan nog. Het blijft akelig lastig. Daarom is er ook die gekke opsomming-per-woord gemaakt.

Dan mogen we nog blij zijn. P.C. Hooft, die nu natuurlijk vooral voortleeft in onze belangrijkste prijs voor schrijvers en in een Amsterdamse winkelstraat  vol met van die ellendige veel te hoge auto’s die je het zicht benemen (de PC-tractor), had nog een plannetje. Dat is niet gelukt: naast ‘hen’ en ‘hun’ wilde hij ook ‘hem’ en ‘hum’ invoeren. Je zou er zwaar van uit je hum raken.

Onlust

Een onlust komt nooit alleen. Maar onrust juist altijd. Ineens had ik dat door. Het kwam denk ik door Baltimore. Daar waren onlusten. Er was onrust. Maar andersom: daar was onlust, er waren onrusten, is gek. Om niet te zeggen fout.

Waarom toch? Het stikt ook in andere talen van de woorden die altijd eenzaam en alleen blijven, en weer andere die juist steeds in het meervoud moeten staan. Ooit vloog en voer ik een weekje van de ene zomerse Azoor, naar de andere. Of was het van het ene Azoor naar het andere? Geen idee. De Azoren zijn zo verplicht met z’n allen, dat ik dat niet zou weten. Hoewel ze allemaal een naam hebben en je ze kunt tellen, moet je ze altijd gezamenlijk noemen.

Hetzelfde bij de Antillen. Dus kunnen we niet zeggen dat de koning en koningin deze week aankwamen op Antil Bonaire. Het moet met die eilanden omslachtiger: ‘We gingen snorkelen in het belachelijk blauwe water van Bonaire, een van de Antillen.’  Maar ja, ‘Aruba, Bonaire en Curaçao, drie van de Antillen’ klinkt ook weer merkwaardig. Ze zijn wel telbaar, maar je kunt het beter niet doen?  

Verwarrend, en ik zie weinig logica. Hoeveel lurven en hurken hebben we eigenlijk? We weten niet eens wat het zijn, maar wel dat ‘ik pakte hem bij zijn lurf’ niet kan. Net zo min als ‘op één hurk gaan zitten’. Toch ben ik geneigd te denken dat we twee hurken hebben. Van m’n lurven ben ik minder zeker.

Twee benen, dus twee hurken, zo zal het in mijn hersens (zijn er ook altijd meer) wel vaagweg werken. Maar neem nou broek en bril. Die bestaan ook uit twee delen, maar dat vinden ze alleen in andere talen belangrijk genoeg om er een meervoud van te maken. Engelsen bijvoorbeeld trekken trousers aan en zetten glasses op hun neus. De Italianen voelen het met hun pantaloni en occhiali al net zo. Maar daar kunnen andere dingen weer niet.

Nou ja, alles kan natuurlijk. En onbegrijpelijk wordt het ook al niet. Dus maak ik nu met een gerust hart een aanstalt dit paperas af te sluiten. 

Korterlands

Hele nieuwe taal geleerd deze week. Heerlijk. Niets voor hoeven doen. Want ik kende ‘m al. En u trouwens ook. Wij lezen namelijk kranten, dus lezen wij koppen. Daarom kennen wij naast het gewone Nederlands ook het ‘Koppenlands’.

Want als we bij het ontbijt ‘Dode in woning taxipaar’ zien staan, dan vinden we dat geen halve seconde vreemd. We  vullen het zaakje moeiteloos en volautomatisch aan tot zoiets als: ‘Er is een dode gevonden in de woning van een taxi(echt)paar.’ Net zoals we bij ‘Omroepen houden grote voorsprong’ heus wel begrijpen dat ze eigenlijk ‘de omroepen’ bedoelen, en ‘een voorsprong’.

De, een, van, is. Woordjes van niks. We kunnen wel zonder. Je vraagt je af waarom we normaal gesproken zo lang van stof zijn. Het kan kennelijk gemakkelijk korter.

En niet alleen in koppen. Het ‘Korterlands’ bestaat uit een gezellig ratjetoe van dingen, waar het Koppenlands er maar eentje van is. Valt er tijd, geld of ruimte te besparen dan gaan we inkorten namelijk. Al toen de monniken nog met de hand alles overschreven gebeurde dat voortdurend (r met een streepje erboven stond bijvoorbeeld voor ‘ridder’, co was ‘coninc’, dus koning). Dit leerde ik alvast rondsnuffelend in een kersvers boekje dat, inderdaad, Korterlands heet. Schrijver is de taalonderzoeker prof. Hans Bennis.

Precies zoals je mag verwachten, is Bennis die varianten op het Nederlands echt gaan onderzoeken. Neem nou ‘Aap drinkt blikje cola’. Een typische, klassieke krantenkop, net zoiets als ‘Man bijt hond’. Wil je van dat Koppenlands gewoon Nederlands maken, dan geef je ‘aap’ en ‘blikje’ hun lidwoord terug: ‘Een aap drinkt een blikje cola’. Prima in orde. Niks aan de hand.

Nu iets mafs: een koppenmaker kan, afhankelijk van de ruimte die hij heeft, besluiten maar één van die twee lidwoorden terug te zetten. Maar dan zal hij altijd ‘Aap drinkt een blikje cola’ doen en nooit ‘Een aap drinkt blikje cola’. Want dat klinkt raar. Het Koppenlands heeft een eigen grammaticaregel: laat lidwoorden maar weg, maar liever niet na een lidwoord dat niet is weggelaten.

U wist niet dat u dat wist. Het is ons ook nooit verteld, en elke logica ontbreekt. En toch klopt het. Smullen!

Brutaal

Het online warenhuis heeft veranderd hoe je moet betalen. En meteen ook hoe ze het noemen. ‘Mijn betaalgemak’ heet het tegenwoordig. Nou, dacht ’t niet. Hún betaalgemak zullen ze bedoelen.

Ik weet het, het is al niks bijzonders meer. Het stikt van de Mijn (vul in: Bedrijfsnaam) en Mijn (vul in: Banknaam). De commercie is er dol op. En de truc om de zaak om te draaien is natuurlijk oeroud.

Maar van de brutaliteit kijk je soms toch even op. Toen allerlei computerprogramma’s ineens begonnen om ‘Welkom’ op je scherm te zetten als je ze opende, was ik verontwaardigd. Hallo zeg, die computer is van mij, en voor die software had ik betaald. Dus zij mij welkom heten? Omgekeerde wereld. Grappig genoeg kan ik dat nu al niet meer helemaal navoelen.

Alles went, als bekend. Dus verzinnen ze steeds nieuwe dingen. Een stug staaltje overkwam me afgelopen dinsdag. Rond vijf over twaalf ging de telefoon. Een merkwaardig nummer zag ik, dus ik nam op met een argwanend ‘Ja?’. Vanwege de Engels met een Indiaas accent sprekende bellers die mij steeds wijsmaken dat ze van Microsoft zijn en dat ik een probleem heb. Of zoiets. Ze klinken dwingend, maar ik leg altijd meteen op.

Dit keer geen oplichters uit verre landen. ‘Heb ik het genoegen te spreken met mevrouw Koenen?’ zei een geforceerd vrolijke jongeman. Een verkoper van een krant die ik de deur uit heb moeten doen. Ik vertelde maar meteen dat mij iets verkopen niet zou gaan lukken, en legde onmiddellijk neer. Direct daarna kreeg ik een e-mail.  Met dit onderwerp: ‘Geachte mevrouw Koenen, bevestiging van uw telefoongesprek’ Mijn telefoongesprek? Zijn ze mal? Het bericht begon ook nog zo: ‘Hartelijk dank voor het plezierige telefoongesprek met u op dinsdagmiddag rond 12:05.’ Om hartelijk te lachen.

Een standaardmail. Maar het zal heus dikwijls werken. Het is namelijk ontzettend makkelijk om ons te bedonderen. Ik denk vaak aan Eliza, de computerpsychiater uit de jaren zestig. Niet meer dan een automatisch programma met een paar standaardreacties zoals  ‘Oh ja?’ en ‘Kun je daar wat meer over vertellen?’.  Verbluffend levensecht. Het verhaal wil zelfs dat mensen er zienderogen van opknapten.

Geinig

Een lekker potje briesen. Daar zou ik nou wel eens trek in hebben. Maar ja, er woedt een tweegesprek in mijn hoofd dat boos zijn lastig maakt.

Dit is het punt: ik vind dat je om alles moet kunnen en mogen lachen. Echt. Ook om rampen en gruwelen. Om struikelen en blunderen. Om uiterlijk en innerlijk. Ik kan dagen grinniken om een tekening van een dikke vrouw die haar hand opsteekt en roept: ‘Taxi!’ En de taxichauffeur die ook zijn hand opsteekt en terugroept: ‘Dikke vrouw!’ 

Of, nog een dikkevrouwenmop, ook al van striptekenaar Hein de Kort:  Riet, beslist te dik, staat op een weegschaal en roept kwaad naar haar man: ‘Piet, heb jij weer met de zwaartekracht lopen rommelen?’ Daar moet ik, ook te dik, hard om lachen.

Maar ik krimp een beetje in elkaar iedere keer als Matthijs van Nieuwkerk in de dagelijkse lach- en bloopersrubriek van De Wereld Draait Door weer een itempje aankondigt met een doventolk. Een geinig stukje gebarentaal.

Het lukt me maar niet het geinig te vinden. Ik zit me plaatsvervangend te schamen en op te winden. Niet omdat ik kan volgen wat er gebaard wordt. Zo groot is mijn kennis niet. Maar ik weet wel iets anders: wij pratende horenden doen ongelooflijk veel met stembuigingen. Onze razende nieuwsgierigheid of voorzichtige vreugde, onze argwaan, liefde, onzekerheid: ze klinken letterlijk door in wat we zeggen.

Diezelfde dingen kun je probleemloos ook in gebarentaal leggen. Alleen moet dat natuurlijk met zichtbare zaken. Dus die uitgesproken gezichtsuitdrukkingen, die soms nogal ondubbelzinnige bewegingen zijn niet iets extra’s. Niet iets dat komt  bovenop wat er tegelijkertijd gezegd wordt. Het is in plaats van. Wat lastig indenken blijft als je altijd hebt kunnen horen.

Maar veel inlevingsvermogen bij taaldingen kun je ook niet verwachten eigenlijk. In een land waar ze je op school nog niet eens de allersimpelste weetjes bijbrengen over de wonderen van taal. Over wat een baby’tje al kan, over de hoeveelheid gratis grammatica waar je geen school voor nodig hebt, over wat je wél echt moet leren. Over…  Kijk, dat is nou een echt goede reden om kwaad te worden.

Eponiemen

Nou ja zeg, was Teeven vorige week net met Opstelten opgeteefd, kwam hij meteen alweer terug door op de Kamerzetel te gaan zitten waaruit de verse minister Van der Steur zojuist was opgestaan.

Toch heb ik wel hoop dat we het woord opteeven erin houden. Voor als een minister en een staatssecretaris tegelijkertijd voortijdig vertrekken.  Zoals we nog steeds ‘een Boekestijntje doen’ hebben. Naar het loslippige Kamerlid dat aldoor dingen in de openbaarheid zei die hij dan weer moest terugnemen. Totdat hij vrolijk vertelde over een bezoekje aan de koningin. Dat was een Boekestijntje te veel, en toen moest hij weg. Maar hij leeft voort, net als Balkenende in de balkenendenorm. U weet wel, die bovengrens aan salarissen waar bijvoorbeeld alle bankiers nog steeds keihard om lachen.  

Misschien komt het met die politici nog eens zover als met  de heren Diesel, Braille en Guppy. Iedereen weet wat diesel, braille of een guppy is, maar bijna niemand meer wie het waren. Net zoiets is er aan de hand met Alzheimer en Parkinson, colbert en condoom. Calvinisme en sadisme. Dotteren, fröbelen en boycotten. Kalasjnikovs en uzi’s. Decibel, volt en watt. De saxofoon en de Mercedes. Kiekjes en hopjes. Nicotine en januari. Stuk voor stuk woorden die komen van een naam.

Naamvernoemingswoorden dus, die meestal ‘eponiemen’ heten. Het blijft een verrukkelijke, eeuwigdurende bron. Alle soorten en maten namen zijn bruikbaar. De wereld zit inmiddels vol met eponiemen. Zelfs wijzelf zitten er vol mee: adamsappels, buizen van Eustachius, eilandjes van Langerhans, Golgi-apparaten.

En we stoppen ons er ook graag vol mee. Naast bintjes en flikjes (Bintje zat in de klas van een schoolmeester die ook aardappelkweker was, en Caspar Flick had een chocoladefabriekje) eten we bijvoorbeeld ook sandwiches. Die danken we aan de vierde graaf van Sandwich, een zo gepassioneerd kaartspeler dat hij zijn vlees tussen twee sneetjes brood liet serveren. Kon hij lekker doorspelen.

Verzonnen personen kunnen ook. Echo en chaos, narcis, hyacint en iris komen uit de  mooie verhalen van de oude Grieken. Hier verzonnen we ma Flodder. Die trouwens intussen bijna helemaal verdreven lijkt te zijn door het begrip Tokkies – geen mythe of tv-serie, maar echt.

Netjes

Meteen moest ik aan de ‘aardbeiden’ van m’n vader denken. De minister-president had nog geprobeerd ‘het recht te breiden’, zei Emile Roemer afgelopen week. Het ging over de opgestapte Opstelten en Teeven (wat trouwens nog de vrolijke vondst ‘opteeven’ opleverde, een woordspelletje met optiefen natuurlijk), maar dat doet er minder toe. De SP-man sprak in de Tweede Kamer, waar netjes praten en zorgvuldig uitspreken net iets meer voor de hand liggen dan bij het avondeten thuis.

En dan gaat het wel eens mis. Je doet je best en je slaat door. Kan ook de beste gebeuren. Maar nog nooit was ik zo blij als toen het mijn vader overkwam, nu een dozijn jaren geleden. Hij had trek in aardbeiden, en sprak in die zomerdagen ook over de sproeder in plaats van de sproeier, die hij aan had gezet in de tuin. 

Een paar maanden daarvoor was hij nog helemaal woordeloos. Letterlijk. Na een beroerte kon hij een tijd niets meer uitbrengen. Daarna was hij begonnen de woorden beetje bij beetje weer bij elkaar te sprokkelen.

En die gekke fouten met aardbeiden en sproeder betekenden dat z’n onbewuste kennis er nog zat. Dat hij nog wist dat ‘glijden’ al snel als ‘glijen’ klinkt, als je normaal praat. En ‘goede’ als ‘goeie’. Dus dat de d vanzelf in een j verandert in lopende spraak, wanneer die toevallig staat tussen een ei/ij of een oe en een e (‘uh’).

Niet niks. Ook al paste hij het soms nog per ongeluk toe op de verkeerde woorden. Het gaat trouwens ook op voor de e en o (tevreeien aankleeien, dooie rooie), net zoals we na een ou graag een w zeggen (die ouwe is verkouwen). Tot we met nadruk gaan praten. Of gaan schrijven.

Dat is wat erachter zat bij Roemer. Hoewel? Gek genoeg wordt ‘recht te breiden’ ook nogal eens opgeschreven, zag ik later op internet. Dat kan geen versprekinkje zijn, geen fout die voortkomt uit het netjes willen doen (‘hypercorrectie’ is de nette term). Blijkbaar zijn er mensen die niet doorhebben dat het hier gaat om insteken, omslaan, doorhalen, af laten gaan. Of leert niemand meer breien?  

Kletskousen

Weinig! Net iets meer dan een kwart van de Nederlanders praat tegen z’n auto. Als we tenminste een geinig onderzoekje van de ANWB mogen geloven. Dat meldt ook dat ongeveer een op de zes ondervraagden een bijnaam voor z’n auto heeft. Koekblik, (race)monster en gebakje schijnen vaak gebruikt te worden.

Nou heb ik zelf ook wel eens in een gehuurd groen koekblik rondgetoerd, en ach ja, racemonster zal vooral een diepgevoelde wens uitdrukken, maar gebakje? Enfin, de Italianen noemen vanwege de neus hun kleinste Fiat, de 500, massaal muisje: Topolino. Dat doen ze trouwens al sinds 1936, en dat muisje is in zekere zin de vader van de Volkswagen die overal Kever heet. Want Hitler keek graag af bij zijn Italiaanse collega-dictator Mussolini. Liet Mussolini zich il Duce noemen, de Leider, dan wou Hitler net zo heten: der Führer. Mussolini vond dat er een betaalbare auto voor de Italianen moest komen, en gaf opdracht tot wat de Topolino werd. Hitler vroeg vervolgens hetzelfde aan meneer Porsche, wat niet de Porsche werd, maar de Kever.

De vorm is een ding. Maar naast Gouden Mokkeltje en Beukenootje (daarbij denk ik, excuseer, onmiddellijk dat ze eigenlijk Neukebootje bedoelen) tekende de ANWB onder meer ook nog Dappere Dodo op als autonaam. Hoe kan een auto nou toch dapper zijn? Maar ik herken de neiging. En beken de mijne ook wel eens ‘braaf’ te hebben genoemd, met handklopje op het dashboard en al…

Het is dat idiote talent van ons om onze hele omgeving te vermenselijken. We vinden bijvoorbeeld kleine uitvoeringen van alles al snel schattig en lief. Niet alleen baby’s en jonge katjes laten ons smelten, maar met even veel gemak roepen we uit: wat een schattig huisje, kijk nou, zo’n lief boeketje. Waanzin, welbeschouwd.

Taal is communicatie zeggen ze. Geloof het maar niet. Dat zie je alleen al aan die praatlust tegen onze auto’s, en nog een heleboel andere dingen ook (‘ho, niet omvallen’ tegen de stapel kranten, ‘jou doen we maar eens in de was’ tegen de handdoek). Ook als er helemaal niks terugkomt babbelen velen van ons er lustig op los. Stelletje kletskousen.

 

Vertaalmachine

Het was een meisje. Ze werd geboren om 6 uur 23 in de ochtend, langs de kant van de weg ergens in Ierland, in een ambulance. En dat gebeurde met behulp van Google Translate volgens een berichtje dat vorige week viel te lezen. De moeder sprak namelijk geen Engels, maar Swahili. En dat spraken de ambulancebroeders nou weer niet. Die hadden er daarom hun smartphone en het vertaalprogramma van Google bij gehaald.

Nieuwsgierig naar hoe dat dan gegaan was, ging ik verder op zoek. Wat was er dan vertaald? En hoe precies? Want misschien had ik even niet opgelet. Misschien was de automatische vertaalmachine, die ons al sinds 1945 steeds opnieuw ‘binnen vijf jaar’ beloofd wordt, nu dan toch een feit.

Dat valt nog te bezien. Ik kon niet meer vinden dan dat de vrouw duidelijk had gemaakt dat ze wilde persen. En ik las dat het hoofdje van het baby’tje al zichtbaar was. Dus die persdrang leek me meer iets waar kennis van moeder natuur bij nodig was dan kennis van de moedertaal van die moeder-in-wording. En had ze het Swahiliwoord voor ‘persen’ zelf gedicteerd, in barensnood?

Meer vragen dan antwoorden dus. Maar voor de gein gooide ik even de aflevering Taal! van vorige week in Google Translate. Ik liet er Engels van maken.

Op het oog is het resultaat indrukwekkend. Een gigantisch geheugen vol woorden en woordcombinaties heeft een echte krachtpatser opgeleverd. Maar begrijpen wat er staat doet de machine nog steeds niet. Want twee keer ‘heet’ wordt twee keer ten onrechte ‘hot’. Het programma heeft niet door wanneer ‘heet’ ‘heel warm’ is of van het werkwoord ‘heten’ komt. Wij snappen dat vliegen kunnen vliegen, mollen mollen, en boeren boeren. Computers niet.

Google Translate blijft daarnaast een heuse Louis van Gaal zodra het gaat om beeldspraak. Het programma maakt van We rennen achter de feiten aan’ net als de voetbaltrainer We are running behind the facts’. Dat is je reinste ‘kaus bausen’ (zogenaamd Duits voor ‘koud buiten’) en vais ton corridor (nep-Frans voor ‘ga je gang’) waar we op school om gierden. De enige echte vertaalmachines zijn we nog steeds zelf.

Missen

‘Kijk, hier mist nog wat.’ ‘Oh, er mist iets…’ Elke dag hoor of lees ik het. Vaak wel een paar keer zelfs. En toch kom ik er maar niet van af:  in gedachten zie ik dan elke keer een heleboel o zo kleine waterdruppeltjes als rook sierlijk omhoog kringelen.

Dat vind ik eigenlijk nogal flauw van mezelf. Want ik weet heus wel dat niemand dat bedoelt. Hun mist komt niet van misten, maar van missen. Helaas, mijn hersens laten zich niet altijd sturen, en ze staan soms wat scherp afgesteld. Iemand moet het doen, dat missen, vinden ze: ‘Ik mis je, liefste.’ Dat is prima. Geen hersenprotest. Of: ‘Labradoodle Dolly mist haar baasje.’ Ook goed. En in een weer net andere betekenis: ‘Ze missen de bus.’ Geen punt.

Het is precies dat wat bij ‘ontbreken’ ontbreekt. Dat kan heel goed zonder iemand die het doet. Bij ‘er ontbreekt iets’ wringt er niets.

Wat me ook een terugkerend  hersenhikje geeft: komende week donderdag opent de tentoonstelling. Hè, wat?, denk ik dan automatisch. Kan een tentoonstelling iets openen? Hotemetoten openen tentoonstellingen. Tentoonstellingen zelf gáán open, of ze worden geopend.

Bij missen en openen kun je nog Engelse invloed vermoeden. There is something missing. The exhibition opened this week. Maar dat gaat niet op voor wijzigen. En dat is er ook zo een. ‘Met ingang van volgend jaar wijzigen de openingstijden.’ Huh, maar wát wijzigen ze dan? Ik zie een persberichtenschrijver voor me die op een middag dacht: veranderen? Veel te gewoon woord. Laat ik het vervangen door wijzigen, dat klinkt officiëler en formeler. Of hij dacht: de openingstijden worden gewijzigd? Nee, ho, dat is te passief. Actieve zinnen moet ik maken!

Ik weet natuurlijk niet of dat klopt. Lastig nagaan. En hoe verspreidt zoiets zich daarna dan in vredesnaam? Maar glashelder is dat er speling zit in wie en wat er bij een werkwoord moet of kan. Er zijn altijd wel verschuivingen gaande. Soms probeer ik me voor te stellen hoe die lijntjes lopen in m’n hoofd. Al dat kunnen en moeten paraat hebben voor vele duizenden woorden. Pfff, dat die hersenen niet vaker hikken.

IJzersterk

Helemaal niet rationeel. Overal klonk deze week het ‘ik ben Charlie’, en ik zag meteen het onooglijke roodbruine vaasje voor me dat mijn moeder koesterde. Ze had het gekregen van haar Charley, de Canadees die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bij haar thuis werd ingekwartierd. Mijn moeder was zestien, smoorverliefd en niet voorgelicht. Dus ze begreep pas later echt helemaal wat Charley bedoelde met zijn herhaalde ‘I only have babies in Canada’.

De naam Charlie riep kortom een glimlach bij me op. Gelukkig, want het had even goed anders kunnen zijn. Namen zijn nou eenmaal een heel bijzonder soort woorden. Met een gekke betekenis. Wat pakweg een ‘krukje’ is of ‘kreunen’ of ‘keurig’ kun je omschrijven, in elk geval een heel eind. En het is voor iedereen min of meer hetzelfde.

Maar een naam? Wat die betekent is vaak volstrekt persoonlijk. Van een tijdlang een kreng van een Sylvia in je klas krijg je de neiging volgende Sylvia’s met argwaan tegemoet te treden. Totdat een Sylvia je beste vriendin wordt, dan vervaagt de oude.

Voor onze eigen naam zijn we bijna allemaal supergevoelig. Iemand die hem verkeerd zegt of spelt, het doet bijna pijn. Het is dan ook een favoriete kinderpesterij. Woedend werd ik van het  uitentreuren zeurderig gezongen ‘Lies-beth Koe-nen houdt van zoe-nen’, wat nog lang niet waar was. Zoenen is het stomste dat er bestaat als je klein bent. En ik had mooi pech met die achternaam. Want de achterliggende gedachte, waar overigens geen kind bij nadenkt, is nu eenmaal: waar je op rijmt zegt iets over jou. Er is een geheimzinnige directe relatie. Magisch denken, dat volwassenen ‘nomen est omen’ (de naam is een voorteken) noemen of ‘what’s in a name’.

Geintjes worden ook door volwassenen niet altijd gewaardeerd. Waar gebeurd verhaal: twee heren stellen zich aan elkaar voor. ‘Appel’, schudt de eerste de ander de hand, ‘Moes’ zegt de tweede, naar waarheid. Waarna meneer Appel meneer Moes bijna tot moes sloeg,  ervan overtuigd dat hij zwaar in de maling genomen werd. Tja.

Maar juist omdat iedereen zich zo vereenzelvigt met zijn naam is ‘Je suis Charlie’ een ijzersterke slogan.

Lallen

Het heeft iets bezopens. Zangvogeltjes vruchtensap met een scheut drank voorzetten in de hoop zo meer te gaan begrijpen van ons eigen gelal. Maar dat gebeurt, begreep ik deze week.

Het is net een vervolgverhaal. Iedere keer komt er weer iets bij waardoor wij mensen weer meer gebekt lijken te zijn als vogeltjes. Hun zingen en ons praten hebben van alles gemeen. Pas geleden zijn er bijvoorbeeld zo’n vijftig genen gevonden die blijkbaar nodig zijn om klanken te leren maken. Alleen vogels die kunnen zingen hebben ze. En wij mensen.

En net zoals je op tijd en genoeg tegen ons moet praten als we klein zijn, zo moet je tegen jonge vogeltjes zingen. Beroemd werd de Amerikaanse witkeelgors. Zijn gezang heeft wel wat weg van het fluiten van mensen, maar intrigerender is hoe hij het liedje oppikt dat bij zijn soort hoort. Witkeelgorsen beginnen allemaal te zingen als ze ongeveer vijf maanden oud zijn. Ook als ze in totale stilte zijn opgegroeid. Maar het blijft eeuwig een onbeholpen versie van het witkeelgorswijsje als ze niet het goede voorbeeld hebben gekregen. 

Dat blijkt nogal nauw te luisteren. Een witkeelgorsje moet een soortgenootje horen tussen de tiende en veertigste dag van z’n leven. Daarvoor of daarna helpt niet, maar vier minuten is al genoeg om het goeie deuntje perfect te leren. Wonderlijke dingen.

Hoe zat het met die drinkende zangvogels? Wel, net als wij houden zebravinkjes wel van een slok, blijkt. Ze kukelen daarna niet meteen van hun zitstokken af en vliegen ook niet tegen de kooiwanden aan, dus straalbezopen worden ze niet uit zichzelf. Maar inderdaad gaan ze anders zingen: niet zo hard en slordiger. Ze gaan dus lallen. En nu wordt nog uitgepuzzeld waarin ‘m dat precies zit, en wat dat zegt over vogel- en mensenhersenen.

Overigens weten we wel allang dat het zaak is een ambulance te bellen wanneer iemand ineens gaat lallen of raar praten zónder dat alcohol de boosdoener kan zijn. Alle kans dat iemand dan een beroerte heeft namelijk.

Waarom wij juist als we ‘m om hebben zo graag gaan zingen is weer een andere kwestie. Ben ik ook benieuwd naar.

Fijne dag!

‘Tien plakken’, vroeg ze. We waren in de kaaswinkel, en ik hoorde het haar zachtjes en wat aarzelend zeggen. Ze zou heel goed Frans kunnen zijn, dacht ik meteen. ‘Een ons?’, antwoordde het meisje achter de toonbank, dat het niet goed verstaan had. ‘Uh, ja, ongeveer’, sprak de dame die waarschijnlijk een Française was. Maar in een ons kaas passen geen tien plakken. Enfin, het kwam natuurlijk allemaal in orde. Want de Française sprak eigenlijk heel goed Nederlands.

Beter dan ik Frans. En toch herkende ik ogenblikkelijk haar verlegenheid. Of misschien is lichte gêne een beter woord in dit geval. Die overvalt mij ook als ik op vakantie ben. Dan sta je in zo’n  Franse supermarkt, met nog veel en veel meer soorten kaas en vlees. Zeker, je kunt als het moet alles aanwijzen, maar hoe zeg je nou netjes hoeveel je wilt? Eigenlijk zijn het een soort beleefdheidsformules.

Afluisteren welke woorden van je worden verwacht, is de truc die ik mezelf al doende aanleerde. Echte Fransen vragen om plakken en stukken, bleek. Tranches en morceaux. En ons ons, daar doen ze niet aan. ‘Honderd gram’ zeggen is normaal. Wat wij in het Nederlands weer gek vinden, te formeel.

Wat beleefd is, is trouwens niet alleen afhankelijk van plaats en taal, maar ook van tijd. Reden dat ik me tot een botte bejaarde aan het ontwikkelen ben.

Een jaar of vijftien geleden is het denk ik begonnen: dat ze je in alle winkels ‘nog een fijne dag’ gingen wensen. Een afscheidsformule die volgens mij is overgenomen uit de Verenigde Staten. Voor mij voelt het nog altijd onnatuurlijk. Ik word er ongemakkelijk van, al heb ik heus geleerd om vrolijk ‘Jullie ook’ terug te zeggen.

En sinds een paar jaar kom ik het niet alleen in winkels, maar ook aldoor in het wild tegen. Uit de monden van mensen die minimaal een generatie onder me zitten. Jonkies. ‘Fijne avond’, roepen ze me allerhartelijkst toe. En opnieuw: terugzeggen ‘jij ook’ heb ik nou wel onder de knie. Maar het zal niet in me opkomen om zelf spontaan ‘fijne dag’ te roepen. Hork die ik ben.

Onthand

Streepjes, bochtjes, rondjes. Dat is wat u ziet. Dat is wat ik uit m’n toetsenbord laat komen. Maar wie dit leest, heeft op een goed moment geleerd om daar letters in te zien. En wie een hele hoop gelezen heeft, denkt er geen fractie van een seconde meer over na. De streepjes, bochtjes en rondjes worden volautomatisch woorden in je hoofd.

Lezen gaat op den duur zelfs een heel stuk sneller dan we kunnen praten (en dus luisteren). Voor wie het exact wil weten: per minuut spreken we gemiddeld 180 woorden uit, terwijl we er ongeveer 300 kunnen lezen. Het teksten voorlezen door Matthijs van Nieuwkerk is dan nog weer een categorie op zich.

Hoera dus voor dat ene gebiedje in onze hersenen dat zo supersnel kan ontcijferen wat er staat. Een hersenstukje dat echt iedereen gebruikt bij het lezen. Ook de Chinezen als ze karakters lezen.  

Je moet alleen wel de tijd en gelegenheid hebben gehad het te leren. Ik was eens in China, en ook een keer in Egypte. Totaal onthand voelde ik me. Want ik heb geen Chinese karakters geleerd en ook geen Arabisch schrift. Als je winkelopschriften en straatnaambordjes niet kunt uitspreken, zelfs niet ‘op z’n Nederlands’, heb je ineens geen enkel houvast. Hoe moet je onthouden waar je was? Hoe kun je weten wat er écht zit in dat blikje met smakelijk ogende foto uit de plaatselijke supermarkt? Wat vraagt die geldautomaat me?

Iets dat daar sterk op lijkt, maakt een op elke negen volwassen Nederlanders altijd mee, gewoon in eigen land. Want zo akelig veel mensen kunnen niet goed genoeg lezen en schrijven. De NCRV maakte er een televisieserie over, Zeg eens b. Ik heb er met ontzag naar zitten kijken. Dappere mannen en vrouwen van alle leeftijden, die ook wel eens een reisje op internet willen boeken, een liefdesbrief schrijven, de stationsborden snappen. Allemaal waren ze ooit door de mazen van het schoolnet geglipt.

Dus moesten ze terug naar school. De schaamte en smoezen voorbij. Ze gingen, en ze leerden. Ik hoop dat ze dit stukje lezen, want ik maak een diepe, diepe buiging voor ze.

Vlamingen

Wanneer zouden de Vlamingen uit de ontkenningsfase komen? Hoewel. Het is ook vermakelijk. Steeds maar weer de vraag: is wat wij spreken nou ook gewoon keurig Nederlands of toch niet?

In Nederland kan het geloof ik echt niemand wat schelen. Iedereen hier weet ook exact waaraan je een Belg herkent (ja, behalve aan de krant in z’n auto waarmee ie door de bochten kan scheuren en andere flauwigheden). Aan z’n Nederlands.

Vanaf de eerste ademtocht is het bij wijze van spreken al duidelijk. Klanken klinken anders. De zinnen zingen meer. En er zijn bosjes woorden en uitdrukkingen die geen Nederlander ooit spontaan uit z’n mond laat komen. Vlak over de grens is iets geen ‘dagelijkse’, maar ‘dagdagelijkse kost’, mensen hebben er ‘dingen bij’, in plaats van ‘bij zich’. En de stomerij heet als bekend de ‘droogkuis’.

Het lijkt bovendien of ze ginds nog doller zijn op alles verkleinen dan wij. Een koffietje zul je daar wel, maar bij ons niet gauw tegenkomen. En Vlaamse frieten heten in Vlaanderen juist meestal frietjes.

In België werken op scholen leraars, in de kranten verschijnen artikels, waar Nederlandse leraren artikelen lezen. ‘Zo’n dagen’, vinden Vlamingen normaal, terwijl wij alleen ‘zo’n dag’ kennen – want zijn het er meer dan zeggen we ‘zulke’. Om het lekker verwarrend te houden is ons ‘jou’ vaak hun ‘u’. En ‘jij’ is ‘gij’. (Gij daar, zal ik u eens wat vertellen over dat Vlaams van u?) Ze hebben hun woordvolgorde ook echt niet op orde in onze oren. In Nederland zegt niemand ‘Ik zou alles kunnen in gang zetten’. ‘In gang kunnen zetten’, is het hier.

Nou is het grappige dat ze dat in Vlaanderen allemaal ook weten. Veel van deze voorbeelden staan in een online test, waar de Vlaamse krant de Standaard deze week mee kwam. Die laat zien ‘hoe Vlaams je Standaardnederlands is’.

Ze kennen dus het verschil. Maar Standaardnederlands? Wat is er toch tegen om ook over Standaardvlaams te praten? Of voor mijn part ABV, Algemeen Beschaafd Vlaams. Dat bestaat allang: net als overal is dat de taal van het journaal. Tijd dat de Vlamingen vrede krijgen met het Vlaams.

Rus zach

Nou heeft Haagse Harry  zelf een tuin op zijn buik. Die fraaie uitdrukking voor ‘dood’ leerde ik van hem, het eeuwig in plat Haags scheldende veel te dikke stripfiguurtje met een hart van goud. Zijn bedenker en tekenaar Marnix Rueb is vorige week overleden. Of nee, hij is natuurlijk ‘de molle van dichbè gaan bekèke’. ‘Een verdieping lagâh gaan waune.’

Lastig dat Haags? Het knappe van Harry, nou ja van zijn schepper Rueb, was dat zijn les 1 je meteen Haags liet praten: je moet namelijk ‘hagtop leize’. Dat werkt. Rueb, die zelf juist uit de chiquere Haagse kringen kwam, had een ontzettend knap oor. Wat hij hoorde kon hij zo omzetten in letters, dat het heus als Haags klinkt als wij die voorlezen.

Is Harry’s Haags een taal? Een dialect? Een accent? Wel, het lijkt het meest op doodgewoon Nederlands met verschoven klanken. Vooral de klinkers moeten eraan geloven. De oo wordt bijvoorbeeld au (wauning), en wat als au klinkt, wordt âh. Dus in het Haags verklaar je je liefde met een romantisch ‘ik hâh van jâh’. Het vreemdst is de r, die vaak ook âh wordt (lekkâh), of een g (hagtop), maar dat went.

Wat klinkt als ei wordt è, en ee wordt ei. Dus ‘geel’ is in het Haags ‘geil’, en ‘geil’ is ‘gèl’. Ut groen-geile boekie is daarom geen viezeplaatjesblaadje voor beginnelingen, maar net als het Groene Boekje voor het Standaardnederlands een keurige (nou ja…) spellingsgids voor het plat Haags. Groen en geel zijn de Haagse kleuren. 

Het verrukkelijke boekje (ook van mede-auteurs Sjaak Bral en R.J. Rueb), bevat trouwens wel degelijk ook ‘gèle pagina’s’. Daar kan je zien dat onder een Haags klankendekentje platte en gore woorden al gauw gezelliger en minder grof lijken. Het ‘orgaanvleis’ stuitert over de bladzijden, maar om ‘haufpèn in je lul’ voor ‘gèl zèn’ moet ik erg grinniken, net als om ‘effe voâhhuidjogge’ (ander woord voor ‘rukke’) en ‘ùit ze bùik hùile’ (uitdrukking voor ‘zèke’) .

Harry’s Haumpeitz, z’n website, is er nog. ‘Kommie doen?’ blaft  hij je meteen hartelijk toe als je op het openingsplaatje klikt. Even ‘Rus zach’ zeggen, Harry.

Grappen

Altijd jaag ik op grappen. Want ik wil ze snappen. Ja, de clou natuurlijk, maar mijn privéafwijking is een andere. Ik wil zo graag weten hoe het werkt. Wat is nou het recept voor een grap?

Dus ik noteer en maak ruwe onderverdelingen. Dat Peter R. de Vries per ongeluk een enkelband voorspelt voor een man zonder benen, (bladerunner Pistorius), is best geestig, maar doet niet mee. Mij gaat het om woorden, taal. Dus ik word blij van de kop ‘”De Dikke” houdt zich van de domme’ boven een rechtbankverslag waarin een verdachte met de bijnaam De Dikke zegt van niks te weten. Ik grijns bij ‘Elke dag een snipperdag’ boven een artikel over uien. En ik geniet stiekem van kindermoppen zoals ‘Zegt een naaimachine tegen een nietmachine: “Ik naai.” Zegt de nietmachine: “Ik niet!”‘ 

De woordspeling heeft, vind ik, ten onrechte een slechte naam. In stilte bewonder ik dan ook de redactie van RTL Boulevard. Daar zit iemand die werkelijk elke naam en elk woord kan vervormen tot iets min of meer toepasselijks. Boek verboden met de tapes van kroongetuige Ros? ‘Afgerost’, staat er dan in beeld. Weer een kindje geboren? ‘Geveeliciteerd!’ Goed, soms valt er een in de categorie smakeloos (over de vermoorde Nicky Verstappen ‘Snicky’), maar die bestaat ook. Zo is ‘Ik heb geen openingszin, maar jij hebt een opening en ik heb zin’ bepaald onsmakelijk, maar best knap gevonden.

Enfin, als liefhebber zette ik m’n ogen en oren op scherp na het bericht dat Seth Gaaikema gestorven was. Nu zouden zijn beroemde en beruchte woordspelingen wel bij bosjes geciteerd worden. Dat viel tegen. Ik zag vooral woordspelingen óver hem langskomen. Nederland is ontSeth, a Seth day, en keer op keer: ‘Game, Seth and Match’. De categorie flauw, te herkennen aan de flauwe glimlach die de grap oproept.

Inmiddels ook onderdeel van m’n groeiende grappenrecept: een doordenkertje is bevredigender, voelt niet gauw als flauw. Zoek voor de gein nog een keer Gaaikema’s met plaatsnamen volgepropte lied ‘Ik zie een Hinde loopen’ op. Zeg zelf, niet de titel geeft de meeste voldoening, maar: ‘omdat ik niet kan schaken en nog veel Rotter dam’.  

 

De hinderpaal taal

Droombeeld: alle wetenschappelijk onderzoek van alle tijden en talen staat on line. Liefst samen met lekker veel bronnen en ruwe gegevens. Dus niet alleen boeken en artikelen, maar ook kleitabletten en papyrusrollen, oude dagboeken en labaantekeningen, en nog oneindig veel meer. En dan tik of spreek je wat zoektermen in, en floep, daar verschijnt in je eigen taal wat de Japanners erover te zeggen hebben, wat er in Engeland in de fameuze zeventiende eeuw over is opgeschreven en welke conclusies Indiase onderzoekers trekken. Je komt vanzelf uitsluitend terecht bij gegevens die ertoe doen, en overal vind je handzame samenvattingen.

Nu de echte wereld. Een Telegraafbericht op internet over een zware zeebeving toont direct daarnaast een advertentie voor een fijn cursusweekend overleven op de Rucphense heide. Laatst vond een vriendin een brief op de mat, gericht aan ‘Lieve inwoners van de busje Eeghenlaan en het busje Eeghenstraat ‘. Ook de rest van het schrijven (‘de inbreker ging door onze rug tuin’, ‘verhuur alstublieft ons weten’) begon pas enigszins begrijpelijk te worden toen ze zich realiseerde dat het om een computervertaling uit het Engels ging (van is busje, back achter en rug, en let zowel laat als verhuur).

De automatische omzetting van achttiende-eeuwse artikelen uit De Vaderlandsche Letteroefeningen met Optical Character Recognition (te vinden bij e-laborate.nl) maakt van ‘het menschelyk geslagt’ ‘het menfchelyk geflagt’ en achter ‘geraoedsgefïeldheid’ blijkt bij controle gewoon ‘gemoedsgesteldheid’ schuil te gaan. Verbaasd lees ik deze week in een mailtje ‘Ok zit Nietzsche boot niks op 40000 vortex te mailen.’ De volgende dag volgt gelukkig de uitleg: het is wat je na autocorrectie van iPhone overhoudt van ‘Ik zit niet voor niks op 40000 voet te mailen.’ Spellingcheckers vinden tegenwoordig flessentelefoon, geelhork en opmuizen prima woorden. En ook tegen een computer praten, levert nog altijd hilarische resultaten op.

Ze liggen voor het opscheppen. Bij de weidse vergezichten op een ideale digitale wereld staat kortom een ding gigantisch in de weg: taal. Computers begrijpen er nog steeds geen bal van. Intussen wordt ons al sinds 1945 ‘binnen vijf jaar’ de vertaalcomputer beloofd. Er wordt gesleuteld en gedaan, en soms lijkt het nog heel wat. Maar het fundament ontbreekt. We weten zelf veel te weinig over ons ingenieuze taalvermogen.

Het rare is intussen dat alleen taalkundigen dat lijken te beseffen. Taal is ons kennelijk zo eigen, is zo gewoon, dat het voor niet-ingevoerden meestal een makkie lijkt. Of weet iemand een betere verklaring voor het onbegrijpelijke feit dat taalonderzoek niet allang op elke universiteit vooraan staat zodra de onderzoeksgelden worden verdeeld?

Sijtje Boes revisited

Een kippe-endje is het. Vijftien kilometer ofzo. En in alle bijna dertig jaren dat ik in Amsterdam woon, had ik die nimmer afgelegd.

Want ja, wie gaat er nou naar Marken? Dat is voor toeristen, en goed, oké, ook voor schrijfster Lydia Rood, die er woont en daar heel vrolijk over kan vertellen.

Maar weet u – ja, waarschijnlijk weet u dat allemaal alláng – zelfs de weg erheen is een en al schattigheid en fraaiheid. Hollands zijn de luchten, Hollands de huisjes. Veel groen en wit en hout en daklijsten met krullen. En overal water.

Kennelijk is ergens bepaald dat het zo mooi moet blijven, want de enige hoge en moderne gebouwen onderweg zijn alleen in de verte te zien vanaf de dijk van Durgerdam: als je terugkijkt naar Amsterdam. Daar gaat het trouwens wél heel hard met de nieuwbouw van IJburg enzo, want ik geloof dat ik wel tien grote kranen telde.

Maar de moderne wereld laat zich op Marken (nu bijna een halve eeuw, sinds de opening van de dijk in 1957, officieel geen eiland meer) al snel vergeten. Vaak, heel vaak zijn toeristenattracties niet voor niks toeristenattracties, besefte ik weer ‘ns. En zonder de toeristen zien ze er steevast het aantrekkelijkst uit.

Een bezoekje op een zondagmiddag in december is daarom alleszins aanbevelingswaardig. Dat alles dicht is, zelfs de kerk in de Kerkbuurt, nou ja, dat is dan de prijs. Je hebt wel het rijk alleen.

Even dacht ik zelfs dat er geen mensen in de poppenhuisjes woonden, maar een wandelingetje door de supersmalle achterafstraatjes gaf me ongelijk. Een zeer hedendaagse vrouw hing over een half deurtje naar buiten te roken en naar binnen te praten.

Bij het haventje, op zoek naar de boot naar Volendam die elk half uur moest gaan volgens het bord bij de ingang van het dorp, wist ik ineens echt helemaal zeker dat ik eerder op Marken geweest was. 

Op de zijkant van een huisje las ik namelijk ‘Sijtje Boes’. Het trof me als een mokerslag, al wist ik niet meteen waar het op sloeg.

Maar het kwam langzaam terug. Het zal in de zomer van 1967 geweest zijn. Negen was ik, en ik verslond alle delen Dr. Dolittle én het dagboek van Anne Frank, want we deden die vakantie een hele hoop klassiekers, ook het Achterhuis.

Uit ongeveer die tijd zwerft door mijn hoofd ook een beeld van iemand in klederdracht in een klein kamertje. Thuis op zoek gegaan: ach ja, natuurlijk, Sijtje Boes werd wereldberoemd omdat ze stromen toeristen ontving in haar typisch Markense huisje. Ik twijfel trouwens een beetje of ik haar toen zelf gezien heb, want er staat me ook iets bij van licht teleurgestelde ouders.

Enfin, meer over haar te weten komen, viel nog niet mee, maar op het net sprokkelde ik bijeen dat ze van 27 oktober 1895 tot 10 april 1983 geleefd heeft, en de vroeg-twintigste-eeuwse toeristen al met snuisterijen stond op te wachten. In de jaren dat er voor de Markense jeugd een hervormd en een gereformeerd looprondje langs de dijk bestonden, werd er over haar gepraat, omdat ze centen had en Engels sprak. Aandoenlijk Engels, hoorde ik in een aflevering van Van Gewest tot Gewest. Maar bepaald een pittige dame.

Het kijkhuisje van toen is nu een souvenirwinkel met haar naam. Dat die gesloten was, vond ik niet erg. Dat de beloofde boot in de verste verte niet ging, was wel jammer.

Hoofddoeken en gekkigheid

‘Raad je ’t af, dan raad je ’t aan.’ Het is een wijsheid die ik, net als het prachtig onzinnige ‘mooi rood is niet lelijk’, altijd uitsluitend in het plat-Brabants heb gehoord. De stem van mijn vader of mijn moeder zegt in mijn herinnering zoiets als ‘rojdunnut óf, don rojdunnut oan’.

En ik hoor het vaak, want ik denk het vaak. Het is namelijk een heuse overweging in al die dilemma’s van tegenwoordig.

Neem de hoofddoek. Of nou ja, dat is nou net de vraag: moet je die nemen? Moet je het nemen dat grote aantallen vrouwen menen hun haren te moeten bedekken? Daarin gesteund, aangemoedigd, geprest door minstens even grote aantallen mannen?

Kun je een dergelijke ongelijkheid, die bovendien mannen tot een soort wilde beesten verklaart, accepteren? Of leiden verzet en protest ertegen juist alleen maar tot het nog aantrekkelijker maken om iets om je hoofd te knopen? Zijn al die behoofddoekte hoofden inmiddels zelf vooral een vorm van verzet en protest tegen van alles?

Kan zijn, maar toch. Ik kan het niet helpen. Steeds meer voelt elke hoofddoek die ik in de tram, in de winkel of op straat tegenkom als een klap in m’n smoel. Ik reageer er fysiek op, merk ik, zo ver-schrik-ke-lijk vind ik het.

Het is 25 jaar geleden dat ik in Amsterdam-Oost woonde en allemaal moslim-overbuurvrouwen had, die eindeloos uit het raam stonden te staren. Treurend, eenzaam. Buiten kwamen ze ongeveer eens per week, als ze in lange regenjas, met hoofddoek uiteraard, drie passen achter hun man lopend naar de supermarkt gingen.

Het contrast met mijn volstrekt vrije bestaan vond ik schrijnend. Het maakte me tegelijk extra gelukkig met mijn eigen grenzeloze mogelijkheden, waarvan ik heel goed wist dat die pas door de generatie pal voor mij veroverd waren.

Maar ik was nog een genadeloos optimistische aanhangster van de vooruitgangsgedachte. Bij de aanblik van de troosteloze vrouwen (meisjes, het waren generatiegenotes – wat ik me niet goed genoeg realiseerde op dat moment), troostte ik mezelf dat het met de achter-hun-man-aan-slofsters om een fase ging. En dat hoe dan ook de volgende generatie – die vanzelf met het Nederlands zou opgroeien – niet meer aan die gekkigheid mee zou doen.

Dat werd bevestigd toen ik niet lang daarna een zomer door half Turkije trok. Overal hetzelfde beeld. Oma’s in zwarte lange, traditionele gewaden, moeders in regenjas met hoofddoek, en de (klein)dochters in gewone kleren zonder iets op hun hoofd.

Dat het maar door en door zou gaan met die importbruiden en –bruidegommen, waardoor je steeds weer een anderhalfste in plaats van een volgende generatie kreeg, heb ik niet voorzien.
En ook niet dat dat gegeloof van die gevaarlijke mijn-god-is-de-enige-ware-godsdiensten nog steeds maar zo serieus genomen zou worden.

Daarin zit ’m dus het dilemma. In al die vrouwen die (al dan niet stiekem) graag af zouden willen van hun haarbedekking en het bijbehorende gedachtegoed. Die kunnen wat mij betreft niet genoeg steun krijgen, maar als iedereen doet alsof hoofddoeken normaal zijn, wordt het een hels karwei voor ze.

Slim (re)ageren, dat is de opdracht, maar tegelijk de vraag, want wat is slim in dezen?
Ik krijg denkelijk nog wel even de kans daarover na te denken, want de hoofddoek komt telkens terug. Net als het handen geven, dat afgelopen week weer eens prominent langskwam. Het is allemaal hetzelfde. Ik beraad me, maar wou dat ik raad wist.

Beestjes, beeheeheestjes

Geen enkele reden kan ik ervoor verzinnen, maar het is een feit dat ik vrijwel niemand ken die net zo over dieren denkt en vooral voelt als ik.

Zo heb ik aan katten en honden helemaal geen hekel, maar ik lig toch niet bij elke kwispelstaart of het minste gesnor in katzwijm. Zeker vind ik huisdieren wel eens vermakelijk, en soms ook lastig en opdringerig, maar het vaakst zie ik beesten waar ik medelijden mee heb, omdat ze zo’n beperkt of ‘vermenselijkt’ bestaan binnenshuis leiden.

Maar het lukt me weer bijzonder slecht om het verorberen van een stukje konijntje of lammetje zieliger te vinden dan het eten van plakjes koe of varken.

En evengoed ontgaat mij totaal waarom je geen vlees, maar wel vis zou willen eten.

Toch zijn er hele volksstammen die die verschillen zeer scherp zien en vooral voelen.
Het is onzin natuurlijk. Of de dood van een dier zielig is, hangt niet af van zijn aaibaarheidsfactor, zoals voor een hoop mensen lijkt te gelden. Het leven dat ie daarvoor leidde, dát is wat mij betreft de enige echte factor die telt.

Daarom koop ik never ever ooit mijn vlees in de supermarkt. Ik ga naar een slager die zijn spullen niet uit de bio-industrie haalt. Want allemachtig, wat gaat het er daar goor aan toe. In M, het kleurenmagazine van de NRC, beschreef Gerard van Westerloo net nog het korte, walgingverkwekkende leventje van vleeskippen, die zich van een vederlicht donsje naar twee kilo smaakvrij vlees vreten in een maand.

Maar gek genoeg halen ook de zieligheidsadepten vaak “ach, wel zo makkelijk” hun fileetjes en gehakt van de schappen van Albert Heijn of de Aldi. Fileetjes en gehakt zijn trouwens ook zo favoriet omdat je het beest er niet meer aan af kan zien, net zoals een vis vooral geen kop met oogjes meer mag hebben op je bord.

De mens als struisvogel, die zich liever niet te veel informeert, en zich dus nog wel eens met een plaatje van een hondje of een spotje over een paard wil laten wijsmaken dat er hier massaal beesten gebruikt worden om mascara en lipstick op te testen, terwijl dat al bijna tien jaar verboden is.

En dan moeten dieren nu, met dank ook aan een stelletje onnadenkende sentimentele BN’ers op de lijst van de Partij voor de Dieren, in de grondwet. Wat ze daar moeten doen? Ik zie met verbijstering aan hoe het idee heeft postgevat dat na de negers en de vrouwen nu de dieren gaan emanciperen. Waanzin. Dieren kunnen zich niet organiseren, niet voor zichzelf opkomen, geen afspraken met ons maken.

Wij kunnen alleen maar onderling afspraken maken. Onder meer over dieren. Vaak is daar reden voor, want ja, we hebben absoluut een morele plicht ze waar en wanneer we maar kunnen een normaal leven te geven.

En laten we nou eens gewoon beginnen met de bio-industrie een gevoelige tik uit te delen, want dat is simpel en doeltreffend, net als het recept: ga eindelijk weer eens naar een fatsoenlijke slager.

In shock over Jan Peter

Ben nog steeds in shock, merk ik. Jan Peter en ik hebben een gedeeld verleden. Ik wist het eerlijk niet, maar sinds ik erachter ben moet ik er telkens aan denken.

Het komt allemaal door die serie die nu loopt in Vrij Nederland. De gehele JP wordt week na week besproken, ook van toen ie nog helemaal geen MP, niet eens in spe, was.

Eén foto heeft me als een mokerslag getroffen. Ik bladerde onbevangen door het blad en dacht op een goed moment zo vaagweg: die jongen ken ik, geloof ik, waarvan ook weer? 
Het bleek Balkenende te zijn, op z’n 32ste. Lenzen, ander kapsel, echt, je zou hem op straat absoluut niet herkennen. Maar ik herkende ’m wel, van de studentenvereniging waar we tegelijk lid van geweest blijken te zijn. Het was een Pascal-lulletje!

Want die jongens van het dispuut Pascal vonden wij oersaai en braaf. Losers eigenlijk. En passé. Het hoekje rechts-achter op de sociëteit (nou ja, het was een duistere en nogal gore kelder, zij het wel op de Herengracht) daar vond je de laatste resten conservatief Nederland.
Pakken en dassen en wat brallen, en dat ook nog in disputen die uitsluitend uit jongens bestonden. Jongens die angstvallig onder mekaar bleven. In de tweede helft van de jaren zeventig waren die dingen eigenlijk ondenkbaar geworden.

Dachten we. Wij van de vrolijke, informele, maatschappijkritische, onkerkelijke, nogal eens slabakkende, onszelf ontplooiende en bovendien gemengde disputen. Wij waren aan de winnende hand. De wereld was voorgoed veranderd. Dat een enkeling dat nog niet doorhad, ach, pech voor hem.

Het artikel in VN schetst intussen een verenigingsleven in de Jan Peterjaren van bidden en zooien. Balkenendes dispuut Pascal ging later op in het VU-corps, staat er ook. Daar klopt allemaal geen hout van.

Zijn en mijn en nog een heleboel andere disputen waren juist opgegaan in wat vrij vertaald ‘ons vriendenclubje’ heette. Het VU-corps was afgeschaft. Voortaan was er IAN, Institutio Amicitiae Nostrae. Voor wie niet naar het corps wou, geen bal wou worden of zijn. Dat was het idee. Vandaar dat er met mij een hele hoop andere UvA-studenten rondliepen op sociëteit Lanx. Waar echt nimmer nimmer gebeden werd.

Maar ik kan niet anders dan constateren dat er in mijn beeld van toen dingen niet kloppen. Was het te rooskleurig, te naïef? Feit is dat IAN allang weer het VU-corps geworden is. Feit is dat mijn eigen Areiopagos allang weer een jongensdispuut geworden is. Feit is dat het bidden hand over hand toeneemt, net zoals veel te veel andere conservatieve krachten groeien als een gek.

Tegelijk denk ik al sinds zijn aantreden als MP juist over Balkenende dat hij stukken naïever is dan ik. Dat hij een veel te rooskleurig en simplistisch beeld van de wereld heeft. Wat buitengewoon gevaarlijke kanten heeft. Maar ik begin dat nu wel beter te begrijpen. Dat is ook waar mijn shock vandaan komt. Niet van dat ik een generatiegenootje van de minister-president ben en hem vroeger wel eens gezien heb, maar van het feit dat zo’n Pascal-lulletje de koers van het land bepaalt.

Pech gehad

Ik zou het wel even willen hebben over de Koerden. Omdat niemand het erover heeft.
Vervelend genoeg weet ik er alleen – mede daarom – eigenlijk te weinig van. Maar wel dat ik het gek vind.

In gepraat over Turkije en de EU duiken de Armeniërs natuurlijk al jaren en jaren telkens op. De laatste weken spelen ze merkwaardigerwijs een hoofdrol in de Nederlandse politiek.

Maar hoe je de massale moord op ze ook noemt, de Armeniërs in kwestie zijn al lang en hoog en breed dood. Een kleine eeuw om precies te zijn.

Naarmate de zaak hoger oploopt, krijg ik meer het gevoel dat het een soort afleidingsmanoeuvre voor het heden en recente verleden is.

Hoe het op dit moment allemaal loopt, weet ik niet precies. Je hoort er als gezegd weinig van, maar vaststaat dat het Turkse leger tussen 1985 en 2000 duizenden Koerdische dorpen in Zuid-Oost-Turkije heeft leeggejaagd en platgebrand.

Hoeveel doden er gevallen zijn? Het getal 60.000 wordt genoemd. Dat de Turkse overheid er zeer veel meer op haar geweten heeft dan de Koerden en hun PKK is zeker.

En ook dat onder anderen Koerdische journalisten stelselmatig vervolgd, gemarteld en vermoord werden. Nog steeds is een op de vijf inwoners van Turkije een Koerd, en ze worden domweg al ontzettend lang hardhandig onderdrukt.

Maar het is net of niemand daar zijn fikken aan wil branden. Is er een partijstandpunt over de Koerden dat alle PvdA’ers en CDA’ers per se moeten onderschrijven? Geloof er niks van.
Terwijl daar toch alle reden voor zou zijn. Neem alleen al het Koerdisch, kinderachtig genoeg tot voor kort steevast een dialect van het Turks genoemd door de Turkse overheid, terwijl het in een heel andere taalfamilie thuishoort.

Als bekend heeft Turkije om te mogen beginnen te praten over een lidmaatschap van de EU beterschap moeten beloven over de mensenrechten in het land. Officieel is daarom sinds een paar jaar het Koerdisch niet meer verboden, maar in de praktijk wordt zelfs het oprichten van een schooltje waar je die taal ook kunt leren met bureaucratische middelen vrijwel onmogelijk gemaakt.

Lippendienst aan die mensenrechten dus. Dat daar niet harder tegen geprotesteerd wordt, ook niet in Europees verband, zal wel komen door de lamgeslagenheid die de hele politiek tentoonspreidt zodra het over Irak gaat. De lafheid op dat vlak is werkelijk fenomenaal.

Want daar gaat het natuurlijk óók over: de buren. Zuid-Oost-Turkije grenst aan het ook nog zeer olierijke Noord-Irak. En dat is immers al een soort Koerdistan. Aj. Daar komt kennelijk zoveel explosiefs bij elkaar dat iedereen liefst stijf zijn mond dichthoudt. Koerden pech gehad.

Ik denk dat daarom dat hele spiel van verontwaardiging over de Armeniërs me met zo’n slechte smaak in mijn mond liet zitten. Dus, Den Haag, Parijs, Brussel: genoeg over de Armeniërs! Kijk eerst maar eens om je heen naar het hier en nu. En vraag je af: wat zullen ze over een kleine eeuw zeggen over ons?

De inhoud van Ali B.

Sterk staaltje heb ik nog eens aan den lijve meegemaakt. Tijdens een uitzending waar ook ik (voor iets anders) in zat, liet Sonja Barend, hevig verontwaardigd, een stukje Hans Janmaat zien, en kondigde ze vervolgens aan een aanklacht tegen hem te zullen indienen.

Trots, met krachtdadige blik en licht verbeten trek langs de mond stond ze het applaus voor dit geweldige initiatief te incasseren.

Ik weet echt niet meer precies wat Janmaat gezegd had, het zal niet smaakvol geweest zijn, maar ik herinner me wel haarscherp het afgrijzen dat ik voelde temidden van het klapvee.

En de verbazing en de schrik die daarna alleen maar groeiden. Want mijn spontane pogingen iets op te brengen over de gevaren van een verbod op onwelgevallige meningen werden onmiddellijk keihard afgestopt.

Altijd gedacht dat mijn eeuwige wrevel over Sonja Barend zat in dat hypercorrecte waar elke uitzending van doordesemd was, maar afgelopen zaterdag, toen ze voor het eerst in tien jaar weer een programma deed vanuit De Rode Hoed, wist ik ineens dat de kern hem in iets anders zat: Sonja Barend wist altijd alles al. Dat was het punt. Voordat de uitzending begon, had ze besloten hoe het zat en welk moreel oordeel daarbij hoorde, en dat kwam áltijd uit.

Nu, aan het slot van haar carrière, die ze wil bezegelen met een serie programma’s over vijftig jaar televisie, is ze nog altijd een discussieleidster die een discussieprogramma leidt waarin discussie helemaal niet de bedoeling is.

Want het is toch ronduit maf als je Paul de Leeuw uitnodigt om een oordeel uit te spreken over de invloed van Paul de Leeuw op de verruwing van de omgangsvormen in ’t land? Viel best mee, was zijn verrassende conclusie.

Ook Henk Kamp was gekomen, om nog eens verontwaardigd te wezen over Jan Mulder die een tijd terug ‘ach man, sodemieter toch op’ tegen hem had geroepen. En ja, daar kwam in het gesprek alweer Ali B. langs, die laatst bij Pauw en Witteman je en jij heeft gezegd tegen de minister-president.

Is dat allemaal dan niet erg? Nou, eerst even dit: er werd geen halve seconde ingegaan op wat Mulder en B. te zeggen hadden gehad. Waar het over ging. Mulders woede betrof het Nederlandse asielbeleid. Dat velen dat beschamend en woedendmakend vinden, mag dat niet eens genoemd?

En Ali B was de eerste die ik Balkenende rechtstreeks aan heb horen spreken over het totale gebrek aan protesten van regeringszijde tegen de Israëlische (cluster)bombardementen op Libanon. Hij had het ook heel direct over het schoothondengedrag van Nederland tegenover Amerika, en de in zijn ogen kwalijke steun aan de oorlogen in Afghanistan en Irak.

Wou de minister-president ingaan op wat de troetelallochtoon te melden had over wat er leeft bij allochtonen? Nee, Balkenende kwam niet verder dan fel zeggen dat ie net nog in het Holocaustmuseum geweest was. Als je dat gezien had, nou dan hield je je kop wel, was de strekking van zijn reactie. Daarmee was de kous weer af.

Het was demagogisch, het was smakeloos, en ook dom en gevaarlijk. Gedrag een minister-president onwaardig. Maar alle aandacht ging daarna naar de tutoyerende rapper. Ik ben zelf best voor een beetje vormelijkheid, maar dit vind ik toch echt een geval van zoekgeraakte verhoudingen.

Overigens, even tot slot, ik heb wel een theorietje over waarom Ali B. JP durfde te tutoyeren. Ik weet dat hij al zijn leven lang in Nederland woont, maar het Nederlands heeft ie niet van huis uit meegekregen. Het heeft daarom voor hem een paar trekjes van een vreemde taal gehouden. Ik doel niet op de typische Marokkanentongval (dat is ook groepsgedrag, sociale code, mode) maar op de onmogelijkheid de gevoelswaarde die woorden hebben altijd exact aan te voelen. Het is een heel algemeen verschijnsel, dat een andere dan je moedertaal tot in alle hoekjes en gaatjes beheersen zo’n ellendig lastig karwei maakt. Neem even vloeken, daaraan is het makkelijk te zien. Djiezus kraaist klinkt in Nederlandse oren minder godslasterlijk dan Jezus Christus. Ook als je weet dat het hetzelfde betekent. Ik denk dat Ali B wist dat ie brutaal was, maar dat ie toch niet zo brutaal is als zijn gejij tegenover Balkenende klonk. Hij zat er met zijn inschatting over wat kon en niet kon net een fractie naast, en de crux daarvan zat ’m in zijn kennis van het Nederlands.

Opblaasbaar Italiaans

De taal, de stad, de geuren, kleuren en smaken. In mijn hoofd zijn ze innig verbonden, en zelfs na een kwart eeuw blijk ik er nog steeds naar believen in en uit te kunnen stappen. Florence is voor mij een bad.

Het Italiaans smaakt in de ochtend naar menthol met chloor. Smerig blijft het, dat ondrinkbare kraanwater, maar op het moment dat ik het al tandenpoetsend herken, het weer weet, word ik er ongemeen vrolijk van.

Houtvuur, iets dat op geroosterd brood lijkt, door de stad zwerven dezelfde geuren, en de bistecca alla fiorentina is nog altijd de smaakvolste biefstuk ter wereld. Oké, als gevreesd is de schitterende oude bar vol flessen en fusten verdwenen, maar verder lijkt alles er nog te zijn. En elke stap, elke hap geeft mijn Italiaans een opkikker.

Ik leerde het indertijd allemaal in het Istituto Michelangelo, verreweg de mooiste school die ik ooit bezocht heb, in hartje Florence aan de Via Ghibellina. Niets, helemaal niets was er veranderd. In de hoge, altijd koele gang naar de entree stond zelfs A. gewoon te praten met een student toen ik aan kwam lopen.

Was ik verbaasd, was hij verbaasd? Nauwelijks. Binnen een kwartier hadden we in een van de smalle straatjes achter de school op een mini-terras een aperitivo in de hand, en zetten we het gesprek dat dit keer een kleine negen jaar had stilgelegen voort.

Dat mensen nooit ene moer veranderen, weet ik nou wel, al wordt dat met de jaren een geruststellender gedachte. Maar wat ik nog steeds niet goed kan geloven en begrijpen is dat dat Italiaans zich voorgoed in mijn hersens genesteld heeft. Normaal gesproken houdt het winterslaap, is er alleen een kleine harde kern over die zich ergens teruggetrokken in een uithoekje van mijn geest bevindt. Oproepbaar voor noodgevallen, en beperkt inzetbaar in Italiaanse restaurants.

Maar laat mij langs de Arno wandelen en de Toscaanse glooiingen en bomen op de oever aan de overkant zien, en mijn Italiaans begint voorzichtig weer te stromen. Gooi er nog een heuse papagallo (‘papegaai’ noemen de Italianen de jongens die toeristenmeisjes proberen te versieren) bovenop (‘Ciao, da dove sei, where you from?’) en ik antwoord het jochie vloeiend, vlot en lachend dat ik meende nu echt te oud te zijn voor dat gedoe. ‘Ma sei veramente carina’ (maar je bent echt leuk) sprak hij bedremmeld, waarop ik hem hartelijk dankte.

In minder dan twee dagen vult mijn hele hoofd zich weer met Italiaans. Het is mijn opblaastaal. Ik ga er weer in denken, net als 25 jaar geleden, toen ik in Florence woonde. Maar ik kan er ook weer echt in praten. Het gevoel voor de bal keer razendsnel terug. Ik proef wanneer er een conjunctief moet komen, en ineens herinner ik me ook de bijbehorende vormen. Woordenschat, uitdrukkingen, alles is weer wakker geschud.

Een zeer lange lunch, die de Italianen pranzo noemen, sluit mijn sentimental journey af. Het Nederlandse omroepsysteem, mijn privé-theorieën over het menselijk geheugen, ik zweer dat ik ze begrijpelijk weet te behandelen – met dank aan de chianti ook.
Daarna, in de trein terug hoor ik A. nog de godganse nacht tegen me doorpraten. ’s Ochtends is de leegloop weer begonnen. Tot de volgende keer. Alla prossima.

 

Italiaans leren? www.michelangelo-edu.it

Boterham met amygdala

Ik had het natuurlijk ook helemaal verkeerd aangepakt in m’n brief. Pas toen ik Freddy Heineken aan de telefoon van alles begon te vertellen over de emoties en driften in de amygdala in zijn hersenen, ging het onderwerp voor hem leven en werd hij alsnog enthousiast.

Dat was te laat. Hij belde om te zeggen dat hij helemaal niks zag in dat idee van mij om aan nog een Heinekenprijs te beginnen.

Jammer jammer. In de loop der jaren had hij er vijf ingesteld, en ze waren niet kinderachtig: een kwart miljoen gulden, later omgezet in 150.000 dollar, voor de vier wetenschapsprijswinnaars (chemie, medicijnen, geschiedenis en milieu), en een ouderwetse ton voor de prijs voor een Nederlandse kunstenaar (inmiddels 50.000 euro). Zijn idee om de Akademie van Wetenschappen te laten bepalen wie de gelukkigen waren, bleek goed uit te pakken. Heinekenprijswinnaars wonnen steeds vaker later een Nobelprijs voor hun onderzoek.

Maar de Nobelprijzen en de Heinekenprijzen hadden gemeen dat ze niet bestonden voor een vakgebied dat als een gek groeide en aan de lopende band razendinteressante kennis afscheidde. Een terrein met de bedroevend onaantrekkelijke naam ‘cognitiewetenschappen’. Zeg zelf, geen normaal mens weet wat dat is. Terwijl het nota bene gaat om het begrijpen van alles wat het leven de moeite waard maakt: denken, voelen, praten, leren, reageren, er komt geen end aan wat er allemaal onder valt, en dat had ik geloof ik in mijn brief over een Heinekenprijs voor cognitiewetenschap ook keurig opgesomt.

Maar ja, dat zegt natuurlijk niks over waarom je in vredesnaam zou willen weten wat je amygdala, in het Nederlands amandelkernen, zijn en doen.

En daar zijn hopen redenen voor. Ik volg zelf zoveel mogelijk wat ze erover uitvinden sinds 1993, toen ik hoorde over mensen die niet veel meer begrepen van dieren en planten nadat een virus hun amandelkernen te pakken had gehad. Ze kletsen maar raak over bijvoorbeeld de afmetingen van beesten, of ze verzinnen zelf nieuwe dieren.

Dat sprak ontzettend tot mijn verbeelding, omdat je niet verwacht dat je je amandelkernen – evolutionair een behoorlijk oud stukje brein – nodig hebt bij modernmenselijke zaken als praten en uitleggen.

Basale dingen als angst en lust, daar zijn ze voor. Dat je bij gevaar al wegschiet voor je je gerealiseerd hebt waarom. Letterlijk: voordat dat wat je ziet of hoort je ‘denkende’, ‘bewuste’ hersenschors bereikt heeft, hebben je amandelkernen al de opdracht ‘hollen!’ gegeven (of juist ‘stilstaan’ natuurlijk). Dat is knap, handig en ook wel logisch, maar waarom zouden bij die overlevingsmechanismen ook de concepten van levende dingen zitten? Concepten die in verbinding staan met zoiets evolutionair moderns als je taalvermogen?

Nou ja, als niet iedereen daar loeienthousiast van wordt, even goeje vrienden, maar Freddy Heineken begreep de lol ervan wel. Zijn snelle, wonderlijke geest associeerde er onmiddellijk op door, waardoor hij uitkwam op boterhammen besmeerd met amygdala die hij wel zou lusten. Vraag me niet het uit te leggen.

Afgelopen week, toen ik een zware pil die The Amygdala heet doorwerkte, dacht ik een paar keer terug aan dat gesprek dat achteraf ons laatste bleek te zijn. Een aantal maanden later was hij dood.

Inmiddels is hij er toch gekomen, die prijs, dankzij Heinekens dochter Charlene: deze week wordt de eerste Heinekenprijs voor Cognitie uitgereikt. Ik denk dat dat inderdaad in de geest van haar vader is, zoals ze liet weten, ook al bromde die in 2001 nog dat het allemaal veel te veel geld kostte.

Hersenvensters

Dat er niks te zien was op de scan, dat was een wonderlijke verrassing. Ik had werkelijk gedacht dat de neuroloog me zou gaan vertellen hoe groot de schade in mijn vaders hersenen was, en waar het precies zat.

Welnee, dat kon hij helemaal niet. En dat hij helemaal niets gezien had, was nog normaal ook. Dat was nou net hoe hij zeker wist dat mijn vader geen hersenbloeding had gehad, maar een herseninfarct. Op een CAT-scan komt bloed kennelijk wel, maar een plotselinge aderverstopping niet in beeld. Later nog eens een plaatje maken? Om alsnog te kijken hoeveel weefsel er waar was afgestorven omdat het geen bloed meer kreeg? Had geen enkele zin. Nou ja, hooguit voor wetenschappelijk onderzoek.

Haarscherp registreerde ik wat de neuroloog zei, maar veel bleef ergens in mijn hoofd zweven, vond nog geen landplaats. Ik was in shock. Sinds twee dagen had ik een vader die geen woord meer kon zeggen. Naast de grote schrik die zoiets oplevert, voelde ik ook vrijwel direct de bizarheid. Ik zat ineens met m’n neus wel heel erg bovenop mijn lievelingsonderwerp: taal en hersenen.

Dat ik daarom ooit taalwetenschap was gaan studeren en er daarna al heel veel jaren over schreef, bleek me een rare mix te hebben opgeleverd van kennis en gebrek aan kennis. Geen idee van die scan. Maar zonneklaar was dat mijn vader leek te lijden aan een zeer zware afasie. (Wij gebruiken het Griekse woord voor niet-spreken als verzamelterm voor alle taalproblemen door een hersenbeschadiging) Hij kon helemaal niet praten en ook niet schrijven. Intussen kon je aan zijn reacties zien dat hij ons wel begreep. Goeie kans dat zijn gebied van Broca beschadigd was. Ja, dat dacht de neuroloog ook.

Maar gezien had hij het dus niet. En in elk geval mijn vader zou er ook helemaal niets aan hebben als het wel zo was geweest. Want voor zijn kansen om vooruit te gaan maakte het niet uit. Dat bleef afwachten. Gaan oefenen – sorry, revalideren in ziekenhuiswereldjargon – moest hij sowieso.

Eigenlijk wist ik dat natuurlijk best. Ieder z’n eigen hersenen. Mijn taalgebiedje van Broca of van Wernicke is het uwe niet, en onze motorcortexen beginnen vast ook niet exact op hetzelfde punt. Wie hoever waarvan herstelt, en hoe dat dan gaat, is helemaal mysterieus. De oplossing daarvoor is ook nog steeds ver weg, ondanks alle fancy apparaten van de laatste decennia (na de CAT –scan kwam de PET, en de MEG en natuurlijk de fMRI., en de ene afkorting zorgde voor nog spectaculairdere en preciezere beelden dan de ander) .

Ik vrees dat ze juist daarvoor niet genoeg gebruikt worden. Nog nooit heb ik gehoord van iemand die na pakweg een beroerte opnieuw leerde praten of iets anders, en die ondertussen wekelijks de meest geavanceerde scan liet maken. Dat is niet verbazingwekkend, want zo iemand heeft het waarachtig al zwaar genoeg. Je snapt wel dat een onderzoeksvoorstel voor zoiets het niet gauw haalt.

En toch en toch. De gedachte komt net als de woorden van de neuroloog over wetenschappelijk onderzoek regelmatig terug. Dat komt door mijn vader. Ik heb gezien en gehoord hoe hij beginnend bij helemaal niets met heel hard werken beetje bij beetje weer de complete beschikking over zijn taalvermogen kreeg. Maar zijn gemak is nooit teruggekomen. Mijn vader praat via een omweg, zegt hij zelf. Zo voelt het voor hem, en zo klinkt het ook.

Maar is het ook zo? Is er in zijn hoofd een nieuwe route aangelegd? En hoe ziet die er dan uit? Wat had ik het eigenlijk graag niet alleen van buiten maar ook van binnen gevolgd.

Enfin, ik weet niet eens zeker of scans van het een of andere type daar genoeg van kunnen laten zien. Maar soms knaagt het aan me dat we wel een venster hebben op de reparatiemogelijkheden die onze hersenen zelf hebben, maar dat we er niet doorheen kunnen kijken.

(Eenmalige column voor een nummer van Triakel, het blad van het Universitair Medisch Centrum Groningen, dat helemaal ging over apparatuur in het ziekenhuis)

Het Grote Herdenken

Help. Het Grote Herdenken. Ik peer ’m. De stad uit, het land uit. Al ver voor het wederom 11 september was, vond ik het niet te harden.

De gevolgen van die vermaledijde dag zijn zo bedroevend en ook zo beschamend, alle maatregelen van iedereen werken zo averechts dat ik er vaak geen woorden voor heb.
Laat ik daarom hier alleen maar twee dingen even opbrengen.

Vorige week werd het gebracht als gewoon, normaal nieuws. CNN kwam ermee. En iedereen nam het over, zonder commentaar. De war on terror had nou precies evenveel slachtoffers geëist als de hele elfde september.

Het bleek te gaan om het aantal in Irak omgekomen Amerikanen. Misselijkmakend vind ik de onuitgesproken onderliggende gedachte dat alleen Amerikanen slachtoffers zijn in dezen. Alle dooie Afghanen en alle dooie Irakezen (zelfs volgens het Pentagon zijn dat er momenteel 3000 per maand) zijn toch eigenlijk maar Untermenschen. Het is dát denken, dat vergif is voor de wereld.

In hetzelfde verband wijs ik op wat volgens de beroemdste taalkundige die we hebben, Noam Chomsky, een zo goed als universele wet is. Ik parafraseer even wat hij zegt: terreur wordt in overweldigende meerderheid door de sterke partij gebruikt. Ze zeggen altijd wel dat het het wapen is van de zwakke partij, maar dat komt doordat de sterken ook bepalen hoe de dingen genoemd worden, wat de doctrines zijn. Daar hoort bij dat ze hun eigen terreur nooit als terreur zien. Zo gaat het altijd. Ook de ergste massamoordenaar kijkt op die manier naar de wereld.

Dat is trouwens ook heel erg. Ik vrees dat Chomsky door 11 september voorgoed verloren is voor de taalkunde. Hij heeft het te druk met de wereld.

Itempjes onversneden oorlogs-propaganda

Nog voordat al het nieuws het helemaal wakker schudde, zat mijn geweten al zachtjes te piepen achterin m’n hoofd.

Was het de koorts die ook in m’n kop zat? Bitter koud had ik het, en ook sloegen de vlammen me voortdurend uit. Waarschijnlijk herinnerde dat me aan de schaamte die met een zekere regelmaat in me opflakkert sinds het tot me doordrong dat er, mede uit mijn naam, in Afghanistan bommen gegooid worden.

Uit Nederlandse F-16’s, door Nederlandse militairen, bovenop Afghanen.
Je zou het zo niet zeggen, maar dat is al jaren het geval. Met af en toe een tussenpoosje helpen wij namelijk sinds oktober 2002 de ‘geallieerden’ (u weet wel, die kent u als the good guys uit de Tweede Wereldoorlog). Als het nodig is ook met het bombarderen van ‘vijandelijke doelen’ of ‘vijandelijke strijders’, danwel de alomtegenwoordige ‘terroristen’. Terwijl echt helemaal niemand weet waar die woorden voor staan.

Ook moet er hier nog steeds een piepklein krantenberichtje rondzwerven dat melding maakt van de inzet van onze F-16’s tegen betogende Afghanen.

Mijn geweten kraakt en steunt en vraagt: jamaar, waarom mogen de Afghanen van ons niet demonstreren? Wij zijn toch juist enorm vóór het recht op vrije meningsuiting?

En trouwens, denk ik ook maar steeds, hebben we Afghanistan soms de oorlog verklaard dat we mensen zonder enige vorm van rechtspleging vanuit de lucht executeren?

Want niemand noemt het zo, maar dat is volgens mij toch echt het geval. Als mijn geweten uit zijn slaperige hoekje komt, ziet het althans precies dat.

Op dit moment, nu er die officiële ‘missie’ (mooi eufemisme ook weer) in Uruzgan is, gebeurt dat bombarderen nog een stuk vaker dan eerst. Zo vaak dat het het nieuws haalt. Althans… Itempjes ‘ingebed journalisme’ die uitliepen op onversneden oorlogspropaganda zag ik.

En het ergste is dat ik zeker weet dat de journaalredactie, inclusief de journalist-in-bed, zichzelf nou juist heel kritisch vond. Neem vrijdags. Een interviewtje met een bommengooier. Dat werd er gewoon bij verteld. En nee, die dacht er desgevraagd niet zo bij na dat hij slachtoffers maakte, en trouwens, als ie ze al maakte, wist ie zeker dat diegenen het verdienden. Dit alles met een lachje gebracht. Einde item.

Pardon? Een willekeurige F-16-vlieger als beul, als uitvoerder van een nooit opgelegde straf?
Hij heeft het vast niet van zichzelf. In het leger heb je daar je superieuren voor. Zaterdags parafraseerde de Telegraaf bijvoorbeeld de gevoelens van Majoor Ronald, “een veteraan op de F-16”, aldus: “Dat er doden vallen onder de vijand is ‘part of the job’. Zijn opdracht is bevriende militairen ontzetten, dan is er geen tijd voor filosofische beschouwingen.”

Moord als filosofische kwestie.

Ik geloof van mijn kruin tot mijn teentopjes dat elk mens zelf moet nadenken en beslissen. Nooit meer Befehl ist Befehl als excuus graag. Wat allemaal niet wegneemt dat de politiek wel degelijk verantwoordelijker is dan de uitvoerders van het beleid.

Stuitend stil is die politiek. Af en toe het Kamerritueel: Kamervragen. Bijvoorbeeld nadat het onvolprezen VPRO-radioprogramma Argos een Amerikaanse journaliste liet getuigen dat er in de door ons gebombardeerde grotten gevluchte bange mensen hadden gezeten. ‘Burgers’ in het oorlogsjargon, geen ‘strijders’.

Tja, wat had de opgetrommelde en vervolgens geheel geschokte Bert Bakker (van regeringspartij D66) dán gedacht? Het is toch ronduit stom, of vooruit, laten we het naïef noemen (ook zo’n fijn politiek woord) te denken dat er géén onschuldige dooien zullen vallen als je instemt met bommen gooien?

Als klap op de vuurpijl hadden we afgelopen weekend onze rompkabinet-minister-president, die aanwipte in Afghanistan om te verklaren dat onze jongens de helden van deze tijd zijn. Orwell, where art thou?

Mijn knagende geweten voelt zich zo eenzaam. En extra schuldig, omdat het juist daarom toch zo vaak weer in de sluimerstand gaat.

Goed racisme

Ik ben zo enorm niet-antisemitisch opgevoed dat ik er heel lang nooit op bedacht was dat iemand wel eens joods kon zijn.

Want hoe kon je dat weten? Mijn moeder, die me over de oorlog vertelde vanaf dat ik kon luisteren, had me juist geleerd dat alles wat de Duitsers erover zeiden onzin was. Die hadden die idiote karikaturen met haakneuzen, en nergens op slaande verhalen over inhalige rijkdom en complotten.

In werkelijkheid was er natuurlijk helemaal niks waaraan je een jood zou kunnen herkennen, niet aan zijn uiterlijk, niet aan zijn positie, niet aan zijn gedrag. Wat alleen nog maar weer eens liet zien hoe onzinnig racisme is. Alle mensen hebben gewoon een velletje over hun neus, en iemands ras doet er nergens voor toe.

Daarmee was voor mij de kous af. Pas veel later begon het langzaam bijstellen van dat beeld. Ik leerde bijvoorbeeld met moeite dat er allerlei namen bestaan die een joods belletje moeten doen rinkelen. Wat ook weer niet wilde zeggen dat elke Meijer of De Winter of Judith of David per se joods is.

Zo simpel als het voor mij als kind met die nette brave opvoeding van me was, mijn verwarring over het jodendom is daarna maar blijven groeien. Dat ik op die namen heb moeten leren letten, komt doordat het in de praktijk wel degelijk heel vaak uitmaakt of iemand wel of niet joods is. Op allerlei schalen, tot aan de wereldvrede aan toe.

En dat is soms verdomd problematisch, want wat ik er ook over zeg, ik moet per definitie op eieren lopen.

Om te beginnen in het dagelijks intermenselijk verkeer. Want je hebt joden tegenover wie je vooral niet moet beginnen over dat joods-zijn, want dat vinden ze onzin en oninteressant. Je hebt er die geen gesprek kunnen voeren zonder dat hun joodse roots ter sprake komen en die ongeveer alles wat ze ondernemen in een joods licht zien. Dan heb je joden die het er soms eens over hebben, als een cultuur waar ze nou eenmaal iets uit mee hebben gekregen en waar ze dus aan gehecht zijn. En natuurlijk zijn er ook de gelovige, meer of minder orthodoxe joden. Daarnaast zie je iemand tijdens zijn leven ook nogal eens tussen categorieën wisselen.

Aan mij om maar voorzichtigjes af te tasten met wat voor jood ik te maken heb. Het is namelijk de onuitgesproken maar zeer zwaarwegende norm dat ik voor allemaal veel begrip en respect opbreng.

Niet dat ik dat niet wil, ofzo, maar de vraag die me wel al lange tijd bezighoudt is: dat ik dat moet, is dat geen racisme dan? Of is dat misschien goed racisme?

En nog zoiets: hoe je het ook wilt bekijken, de staat Israël is gebouwd op rassenwetten. Als je moeder een jodin is of was, mag je er zo, zonder meer komen wonen. Anders niet. Moreel geoorloofd racisme? Kan dat wel bestaan?

Ik zit er echt mee. Maar ik ben vrees ik zelf niet van het goede ras om die vragen te mogen stellen.

Intussen is het ook mijn wereldvrede.

Jeltjes verrukkelijke spel

Bitter koud buiten, en reuzeknus binnen was het. In het eersteklasrijtuig van de trein van Den Haag naar Amsterdam zaten Jeltje van Nieuwenhoven, Wouke van Scherrenburg en een mij onbekende derde vriendin lekker te rebbelen, roddelen en roken.

Kennelijk hadden ze daarvoor al heerlijk geborreld. Ik zat er toevallig naast, en kon niet anders dan alles wat ze zeiden opvangen. Het gebeurde toen publiekslieveling Jeltje nog niet lang Kamervoorzitter was, en Wouke nog lang niet weg bij Den Haag Vandaag.

En ikzelf was geloof ik nog behoorlijk naïef. Want ik keek toch nog aardig op van de luchthartige, lacherige én lawaaiige wijze waarop de Tweede Kamervoorzitter en de Gevreesde Interviewster en plein publique zaten uit te wisselen hoe ze mekaar in de media de hoogte in hadden gestoken.

“Heb je gezien hoe ik jou noemde als dittemedat?” vroeg de een gretig. Waarop de ander antwoordde: “Ja, maar las jij ook dat ik jou de beste zussemezo vond?” Lachend, gierend, brullend. Niet vaak zo’n staaltje dikkemik gezien in m’n leven.

Het beeld is me altijd bijgebleven: politiek en journalistiek tegen elkaar aanschurkend in één warm rijtuig. Ik begreep ook waarom Van Nieuwenhoven en Van Scherrenburg er helemaal niet mee zaten. Beiden nemen namelijk dat hele Den Haag eigenlijk absoluut niet serieus. Je ziet, hoort, voelt dat ze het een spelletje vinden, die politiek. Een verrukkelijk spel, zeker, maar toch niet veel meer.

De herinnering kwam afgelopen zondag weer helemaal boven, toen Van Nieuwenhoven de eerste Zomergast van deze zomer was. Ze had buitengewoon weinig te melden – wat jammer was, want het is de VPRO eindelijk gelukt een presentator te vinden die niet bloedje irritant is. Hoera voor Joris Luyendijk. Die kan het nog een enorm eind schoppen, als ie tenminste dingen terug gaat zeggen.

Met al haar nietszeggendheid lukte het Van Nieuwenhoven toch om me heftig te schokken. Het was haar blik op Tony Blair. Die kan zo goed speechen, moet u weten. Twee sterke voorbeelden liet ze zien. Een: Blair noemt Diana de dag na haar dood de ‘people’s princess’. Twee: Blair geeft grif toe dat er geen ene moer waar is gebleken van alle aan de wereld voorgehouden redenen om Irak binnen te vallen, maar spijt heeft hij desalniettemin niet.

“Het is demagogie!” riep Van Nieuwenhoven er onmiddellijk bij uit. Maar ze vond het zo prachtig. Is het ook. Blair brengt het knap en zijn speech writers en spin doctors zijn vaklui. Maar het is de debating club niet! Wat Blair zegt en doet, is niet vrijblijvend.

Het is eerder alsof je in ademloze bewondering voor Goebbels zit te applaudisseren, zonder een woord te wijden aan de doden en andere slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog – om ook eens wat demagogisch te zeggen. Nou ja, het is eigenlijk nog erger: de oorlog in Irak werd en wordt met gedoogsteun van Van Nieuwenhovens PvdA gevoerd.

Daar had oud-Midden-Oostencorrespondent Luyendijk toch werkelijk wel een paar woorden aan mogen wijden. Gek, het lijkt net of ie zelf toch niet helemaal gelooft wat hij allemaal beschrijft in Het zijn net mensen, beelden uit het Midden-Oosten.
Overigens: lees dat boek. Het is goed, en akelig actueel.

Amerikaanse obsessies

‘WAARSCHUWING’, staat er in hoofdletters op het glazen koffiepotje, en daarachter, onderstreept:. ‘OM STUKGAAN OF VERWONDINGEN TE VERMIJDEN’.

Dan volgt een hele reeks aanbevelingen (niet stoten, niet boven het hoofd van mensen houden, weggooien indien gekrast) die bijna tot onderaan het ding doorloopt. Ook het koffiezetapparaat waar het bij hoort staat vol met instructies. Een eenvoudig kopje koffie zetten lijkt in Amerika al gauw een levensgevaarlijk klusje. Maar wat er nou net niet tussen alle do’s and dont’s te lezen valt: pas op met water knoeien en elektriciteit. Dus staat het koffiezetapparaatje vrolijk bovenop de magnetron, die je er hier in heel veel hotelkamers ook bij krijgt.

Mooie service allemaal (een normale ijskast, niet zo’n met poppenhuisflesjes volgepropt nepkastje als bij ons, zie je ook vaak), maar soms weet ik echt niet of ik nou moet lachen of huilen om de obsessies van de Amerikanen.

Ze wisselen elkaar ook in stevig tempo af. Was bijvoorbeeld tien jaar geleden ‘vetvrij’ nog de alomtegenwoordige aanbeveling (het stond, zonder dollen, op pakken suiker), daarna werd alles ‘low on carbs’ (weinig koolhydraten), en tegenwoordig zijn ‘transvetten’ de boosdoeners die overal niet in zitten (‘0% transvet’, juichen zakken moddervette chips). Enfin, het verandert als bekend allemaal geen ene moer aan de nog steeds gestaag toenemende vervetting van de bevolking.

Ook als het om drinken of roken gaat, blijf je hier als eenvoudige toerist vaak je ogen uitwrijven.

Het klopt allemaal niet. De anti-rookterreur is natuurlijk in dit land uitgevonden, maar in Pittsburgh loopt desalniettemin alles en iedereen overal te roken – tot en met het personeel in de supermarkt aan toe. Maar een winkel vinden waar je een paar pilsjes kan aanschaffen, blijkt vrijwel ondoenlijk.

In Seattle, waar ik dit zit te schrijven, is het ook een dolle boel. Daar verkopen ze wel degelijk alcohol, geen enkel punt, maar je moet erg uitkijken via welke weg je die naar huis (of hotel) vervoert, want voor je het weet, loop je over een pleintje waar drank drinken OF in bezit hebben verboden is!

Maar wat de kroon spant, wat ik niet eerder zag en volledig idioot vind, is het plaatselijke rookverbod dat afgelopen december is ingegaan. Dat strekt zich namelijk uit tot 25 voet buiten alle openbare gebouwen. Dat is een meter of zeven.

Een stamgast van het ruige 5 point cafe,, dat 24 uur per dag open is en ontzettend op een bruine kroeg lijkt, vertelde me hoe hij op die vervloekte dag de laatste roker was geweest, die ze om middernacht naar buiten hadden moeten duwen. Zijn verontwaardiging en ongeloof waren nog altijd niet over, maar het boost was hij toch omdat roken nu eigenlijk ook in de buitenlucht overal verboden is: ‘Er is altijd wel een openbaar gebouw binnen die 25 voet.’

Gevolg voor iemand als ik, die niet meer rookt en er ook niet meer aldoor aan placht te denken, is in elk geval een niet aflatende reeks confrontaties met het fenomeen roken. Overal, echt o-ve-ral bordjes dat het niet mag of juist wel of nog niet hier, maar wel daar. Etcetera. Obsessief, dat is het.

Het moest verboden worden!

De geest zwiept en vindt geen houvast. Komt het door het weer?

Het is verrukkelijk warm. Alles staat open. Daarom kunnen zomerbloemengeuren en barbecuestank, zwembadjesgeplons en kinderstemmengeschal, een keur aan vliegend en kruipend gedierte én heel soms een zuchtje verkoeling allemaal vrijelijk naar binnen waaien.
Misschien dat dat zo afleidt van wat ik eigenlijk graag wil: verder nadenken en hier vervolgens razendslimme dingen zeggen over allerlei gewichtige zaken.

Zoals het oprukkende repressieve klimaat, waar de laatste tijd echt ie-der-een over begint tegen me. Van winkelier tot schrijver, van twintiger tot tachtiger. En het gekke is: niemand is ervoor. Waarom is het er dan toch? Wie douwt het door?

En: waar gaat het heen. Is er een methode die kan voorspellen of het echt eng is, of dat de pendel wel weer terugzwaait voordat mijn dagelijks leven werkelijk tot in alle uithoeken bespied en ingeperkt wordt?

Maar ver voor ik daar iets zinnigs over verzonnen heb, fladderen mijn gedachten als nachtvlinders verder. Naar de vrijheid van meningsuiting. Omdat ik daar voor de ontelbaarste keer wat stoms over las in de krant.

De stommiteit komt altijd neer op hetzelfde: de essentie van wat vrijheid van meningsuiting is, wordt gemist. Want iedereen wil hem tóch beperken. Grappig genoeg toevallig nou altijd precies op het punt waar men iemands uitlatingen of gedachtegoed te stuitend vindt worden. Wat toch een beetje neerkomt op: ik gun u van harte alle vrijheid het met mij eens te zijn.

Enfin, dat weet ik allemaal al eindeloos lang, en ik begrijp ook het bijbehorende gevoel nog wel, de instinctmatige reactie die ook mij soms doet uitroepen ‘het moest verboden worden!’. Maar waar ik maar niet achter kom, is waarom het in dit geval blijkbaar bijna niet te doen is eens één, hooguit twee stapjes verder te denken (bijvoorbeeld: als ik zelf de maat aller dingen ben, is er per definitie geen vrijheid). Ik vat het niet. Is dat mijn domheid?

Nog voor ik ergens vandaan een antwoord op die vraag voel opkomen, ben ik alweer elders aangeland in mijn hoofd. Ik wil namelijk ook weten waarom de meeste mensen het liefst een is-gelijk-tekentje zetten tussen taal en denken. Hoe het toch komt dat ze zo graag willen dat je aan een specifieke taal meteen kunt zien hoe degenen die hem spreken denken, de wereld zien – wat natuurlijk hopelijk geweldig afwijkt van hoe ‘wij’ in elkaar zitten.

Ik vermoed er enig magisch denken in. Dat is trouwens enorm in. Dat toeval niet bestaat, gelooft geloof ik ook een grote meerderheid. En daar móet iets achter zitten, lijkt me.
Zwiep zwiep. Bent u er nog? Dat is aardig. Want al kan ik zelf mijn associaties wel met elkaar in verband brengen (makkelijk zat), ik word er toch ook een beetje dizzy van.

En lichtelijk ontmoedigd. M’n gedachten bundelen en vervolgens richten op één ding, focussen, zoals het tegenwoordig steeds vaker heet, waarom wordt dat in de loop van de jaren nou niet eens wat makkelijker? Heeft dat misschien te maken met….

Hé-ho-stop. Echt tijd mezelf een flinke zwieperd te verkopen, en af te zwaaien.

‘In ieder geval doorvechten ajb’

Natuurlijk had ik haar een keer moeten gaan interviewen. Ik heb geen flauw idee waarom ik dat nooit gedaan heb. Ronduit stom. En nu is Jo Daan dood.

Zondag 11 juni stierf ze, 96 jaar oud. Kelere, precies twee keer zo oud als ik. Indrukwekkend, maar dat was het voormalige boegbeeld van het Nederlandse dialectonderzoek denk ik sowieso.

Zelf ken ik haar alleen van wel eens een brief, en later natuurlijk e-mails. Reacties op mijn krantenstukken en –stukjes, waar soms een hele uitwisseling achteraan kwam. Ik realiseer me dat ze al in de negentig was toen ze zich in haar mailtjes nog steeds op kon winden over de discriminatie die dialect- en streektaalsprekers meestal ten deel valt.

Jo Daan werkte lang, van 1939 tot 1975, op het Meertens Instituut – toen het nog niet zo heette en P.J. Meertens gewoon haar baas was.

Een baas die het nog niet eens nodig vond Jo Daans dialectologieafdeling een bandrecorder te verschaffen toen Han Voskuils volkenkunde wél al zo’n ding had.

Water en vuur, die twee naar verluidt. Voskuil noemt haar in Het Bureau ‘Dé Haan’, en schijnt haar als een onmogelijke bitch neergezet te hebben.

Maar dat weet ik niet helemaal zeker, want ik las Voskuils weergave van zijn jaren op het Meertens evenmin als Jo Daan dat deed. Die las namelijk geen boeken van mensen die ze niet aardig vond, zei ze.

Ik geloof dat ik helemaal begrijp waarom ze Voskuil niet moest. Diens afkeer van z’n werk, de spek-en-bonenmentaliteit waarmee ie alles deed, zijn totaal tegenovergesteld aan Daans passie voor haar vak. Die echt nooit verdwenen is: nog in maart van dit jaar kwam ze uit de Achterhoek naar Amsterdam om William Labov te zien, de man die in Amerika begon naar taalveranderingen en taalvariatie te kijken en zo het vak sociolinguïstiek uitvond.

Waar Voskuil uiteindelijk toch vooral interesse in zichzelf had, wou Jo (ze had van haar moeder geleerd dat eenzijdig tutoyeren niet mocht – dus of ik maar wou proberen Jo en jij tegen ’r te zeggen) juist de rest van de wereld interesseren in haar vak, de taalkunde.

“Als taalkundige kan je met taalgebruikers zelden over taal praten,” schreef ze me onder meer. Absoluut een feit. Ze wist ook hoe het kwam, het zat ’m in ons: “Wij kunnen ons ons denken in de tijd dat we nog geen taalkundige waren, niet meer voorstellen.” Voor de oplossing waren beide partijen nodig: “De enige remedie is de anderen een beetje op te tillen tot ons niveau.”
Vertellen, er les in geven, uitdragen. Ze vroeg het mij ook: “Ze weten hoe langer hoe meer van de vermogens van heel jonge kinderen, maar dat het taalvermogen daar ook bij hoort lijkt bij veel ‘leken’ niet door te dringen. Kun je daar niet eens iets aan doen?”

Toen mijn taalrubriek op de Achterpagina van de NRC stopgezet werd, mailde ze: “Ik wou je toch vragen op een of andere manier te blijven pleiten voor taalkunde op school. Er zou zoveel wanbegrip over taal verminderd of opgeheven kunnen worden als er maar eens wat lesuren aan taalkunde, als vak, besteed zouden worden.”

Dat Jo Daan dat haar hele leven niet heeft meegemaakt, is een grof schandaal.
Ze sloot haar mail af met: “In ieder geval doorvechten ajb.” Goed, Jo, we blijven het proberen.

 

NASCHRIFT
Ai. Fout. Dat met die bandrecorder zat anders, schrijft Marc van Oostendorp me. Onder dankzegging citeer ik voor het gemak uit zijn mail:
“In de geest van de overledene moet ik je zeggen: dat klopt niet. In haar boekje over de ‘Geschiedenis van de dialectgeografie’ (eigenlijk vooral haar eigen herinneringen) vertelt ze hoe ze een eerdere bandrecorder uiteindelijk kon vervangen door een nieuwe: “Het werd een Revox die veel beter, maar ook veel zwaarder was en zonder auto niet vervoerbaar was. Ik kocht, op afbetaling, een autootje, want het Dialectenbureau had er geen geld voor. De aanschaf van een bandrecorder door de afdeling Dialect had blijkbaar indruk gemaakt, want toen Voskuil, die niet kon en niet wilde autorijden, ook ging opnemen, kreeg de Volkskunde-afdeling een semi-beroepsrecorder die veel duurder was, maar licht genoeg om te dragen. Het Dialectenbureau mocht die niet lenen”.”

Rookmagie

Nicotineverslaving is een hersenziekte, en rokers zijn psychiatrische patiënten. Hun brein is bovendien permanent veranderd.

Toe maar.

De overigens niet bijster sterke VPRO-avond over roken, was de tweede gelegenheid in een paar dagen waarbij ik hoofdschuddend zat te denken: als dit allemaal waar is, kan het bijna niet waar zijn dat ik ermee opgehouden ben.

En dat ben ik wel degelijk. Afgelopen januari om precies te zijn, van de ene dag op de andere, en zonder pleisters, pillen of kauwgom.

Over wat er moeilijk en makkelijk aan was en is, heb ik me sindsdien veel lopen verbazen, maar ik functioneer intussen al met al volgens mij behoorlijk normaal.

Hoe kan dat als mijn genotssignalensysteem helemaal omgegooid is en de contactpunten tussen mijn hersencellen zich afwijkend hebben ontwikkeld? Want dat dat zo is, staat wel vast volgens neurobioloog Huib Mansvelder, die ik toevallig vorige week interviewde voor Akademie Nieuws. Al helemaal omdat ik als puber begonnen ben met roken. Hij denkt dat mijn hersens in elk geval latent eeuwig verslaafd blijven.

Mhm. De wetenschap heeft tegenwoordig wel een heel weinig bemoedigende boodschap voor de verstokte roker die graag wil stoppen.

Vroeger was het gewoon aangeleerd gedrag dat je dus weer kon afleren, werd ook nog gememoreerd bij het gespeelde proces tegen de tabaksindustrie dat de VPRO met echte advocaten en getuige-deskundigen opgezet had. Maar de ondervraagde psychofarmacoloog liet de slinger nu helemaal doorslaan naar onomkeerbare fysieke afwijkingen.

Dus, denk je dan al snel, het zal er wel tussenin zitten. Zelf merk ik dat ontwennen vooral een kwestie van wennen is. De eerste weken zonder sigaretten moet je er domweg ontzettend vaak aan denken. Al die keren dat je anders opstak. Je hebt het dan even geweldig druk met niet-roken.

Maar dat neemt vanzelf gestaag af. Zelfs na meer dan drie decennia bijzonder fiks roken, bleken drie maanden voor mij al voldoende om te vergeten er bij mijn bezoek op aan te dringen toch vooral lekker op te steken. Omdat ik er zelf helemaal niet aan dacht. Mensen zien roken doet me merkwaardig weinig, en ik sta gek genoeg ook nogal neutraal tegenover hoe het ruikt. ‘Oh ja’, denk ik wandelend langs gebouwingangen, rookpalen en in kroegen en restaurants.

Soms heb ik wel heimwee – daar lijkt het op. Op onverwachte momenten. Of als ik iets voor het eerst zonder roken doe. Ook een kwestie van wennen dus. En verbodsbepalingen wekken in mij nog steeds prompt een rookverlangen, maar inmiddels is niet roken een stuk gemakkelijker dan niet te veel eten.

Er is in mijn hersenen dus absoluut al van alles veranderd. Ik vertel mezelf dat ik aldoor nieuwe verbindingen aan het aanleggen ben tussen mijn hersencellen, en dat ouwe vanzelf verzwakt raken omdat ze niet meer gebruikt worden.

Ik denk dat dat in elk geval waar is, ook al zal er nog wel meer spelen. Intrigerend, en hoopgevend vind ik dat ik dat allemaal in gang gezet heb door het lezen van één boekje. Een puur cognitieve vaardigheid, waar je je hersenschors voor gebruikt, niet je genotscentra.
Jan Geurtz maakte mij met zijn De Opluchting wijs dat ik kon besluiten gewoon uit mijn verslaving te stappen. Lettertjes die zomaar mijn hersenzieke cellen bereikten en ingrepen – Geurtz is de rookmagiër van deze eeuw.

Esprit d’escalier

Volgens HP/de Tijd ging Antjie Krog vorige week vrijdag tijdens een diner eens met koningin Beatrix van gedachten wisselen over allerlei maatschappelijke thema’s.

Het zat net een beetje anders. De zachtjes sprekende Zuid-Afrikaanse dichteres was een van de eregasten op een symposium in paleis Noordeinde, waar de koningin ik denk wel 150 schrijvers, uitgevers, taalkundigen, politici en nog zo wat ontving.

Het ging – onder de bezielde en bezielende leiding van Adriaan van Dis – over het ‘Nederlands buitengaats’, en behalve Zuid-Afrika waren ook Vlaanderen, Suriname, de Antillen en Indonesië vertegenwoordigd door schrijvers.

Geen idee eigenlijk of ik u mag vertellen dat Krog haar zalm en lam en ijs uiteindelijk een paar tafeltjes verderop at dan de koningin. En dat we in de Galerijzaal zaten en dat later, na de zaaldiscussie, het ‘afsluitende drankje’ zo geanimeerd was dat het geweldig uitliep.

Je hoort er altijd van alles over, maar niemand heeft me iets verzocht of verboden. Ook niet de, inderdaad hoffelijke, hofmaarschalk (fantastisch dat dat niet alleen een woordenboekwoord is), die tijdens het aperitief spontaan over de Marot eetzaal begon te vertellen, en aan wie ik op mijn beurt het verschil tussen taal- en letterkunde trachtte uit te leggen.

Want zoals zo verschrikkelijk vaak bij dit soort bijeenkomsten – wie ze ook organiseert – lag ook aan deze middag de onuitgesproken veronderstelling ten grondslag dat literatoren bij uitstek verstand van taal hebben. Sterker nog, dat zij stiekem degenen zijn die in feite bepalen of en hoe talen zich handhaven en ontwikkelen.

Het is een vorm van magisch en romantisch denken, waarover elke taalkundige je kan vertellen dat het aantoonbaar onjuist is, gewoon niet waar. Maar op de een of andere manier bereikt dat inzicht het letterkundigenkamp maar zelden.

Meestal komen beide partijen ook niet op dezelfde symposia. Dat dat nu eens wel gebeurde, was alvast mooi, en ikzelf had het in elk geval met mensen uit alle richtingen over het gapende gat tussen taal- en letterkunde dat nodig eens overbrugd moet.

Een bijzonder concreet en tastbaar punt lag overigens aan het eind van de avond wel op tafel. Nadat Antjie Krog zich ongelukkig had betoond met het ongelooflijke gebrek aan Nederlandstalige boeken in zelfs de universiteitsbibliotheken in Zuid-Afrika, zei mede-eregast Ellen Ombre hetzelfde over Suriname, waar ze sinds negen maanden weer woont, en volgden daarna gelijkluidende klachten uit de Antillen en Indonesië.

Alleen in Vlaanderen is men natuurlijk ruim voorzien, en niemand wou ook het Vlaams als ‘Nederlands buitengaats’ zien, maar verder blijkt het bittere armoe te zijn in de landen met een Nederlandse connectie, of beter in dit verband: een connectie met het Nederlands.

Er werd gesproken over het opzetten van een fatsoenlijke basisbibliotheek, op minstens vijf buitengaatse plaatsen. Ik heb geen idee of er nu vanzelf circuits gaan lopen en geldkranen gaan druppelen, maar ik ben vast niet de enige auteur die met plezier een stapeltje boeken zou doneren voor in den vreemde.

Natuurlijk had ik naar de zaalmicrofoon moeten lopen om dat ideetje erin te roepen, maar ik bedacht het pas thuis. Net als wat ik tegen onze vorstin had moeten zeggen. Esprit d’escalier, wat kan je daar een last van hebben.

Achachach, gutgutgut

Op z’n best uit een zeer schuine ooghoek kan ik ernaar kijken. Want het is me allemaal een partij gênant, zeg… Kunt u het nu al alomtegenwoordige gedoe vanwege de Kamerverkiezingen van volgend jaar serieus nemen? Ik red ’t niet – ik krijg er aldoor m’n hoofd helemaal niet bij zelfs.

Die ridicule vertoning tussen Verdonk en Rutte over het VVD-lijsttrekkerschap, met het ene openbare debat na het andere, waarna iedere keer minstens een van de twee zich nog openbaarder over de toon, opstelling, woordkeus, weet ik ’t, van de ander beklaagt. Achachach, gutgutgut.

Die parmantig potsierlijke toon die ze allebei intussen aanslaan, die rare triomfantelijke blikken van vooral Verdonk (ja, ze is erger dan Rutte), wat moet je ermee als eenvoudige kiezer? Hoe kúnnen ze denken dat dit zoiets als ‘nieuwe politiek’ is? Zelfs als ze wel degelijk een zinvolle kwestie opbrengen, dan staan het kinderachtige gesteggel en de overduidelijk ingestudeerde one-liners in de weg dat je ernaar luistert.

En nee, het ligt niet aan de VVD. Van de restantjes D66 glijden m’n ogen en oren ook meteen af iedere keer. Lousewies van der Laan die onvoldoendes uitdeelt aan d’r eigen partij, stemmen die opgaan de boel op te heffen, ongelukkige leden die een nieuw D’66 willen stichten. Het gaat maar door, en het kan me maar niet boeien. Achachach, gutgutgut denk ik elke keer.

Ook bij Marcel van Dam en Wouter Bos die robbertjes vechten over wat PvdA-kwesties en –oplossingen kunnen en mogen wezen. Die AOW is natuurlijk belangrijk, ook voor mij, I know I know, maar ik kijk en zie eigenlijk vooral twee ongelooflijke gladjanussen. En dan glibber ik vanzelf alweer verder.

Naar de premier, die vlot wil doen en op een skateboard springt, wat genadeloos met een uitglijder wordt afgestraft. En nou gaan ze ’m pimpen, las ik. Achachach, gutgutgut.
Waar ik ook kijk, ik zie gedoe voor de bühne, onderling gekrakeel, kretologie, spelen op de man en de kijkcijfers. En onder dat alles ligt een zee aan onbegrip over wat nou die befaamde kloof tussen Den Haag en de kiezers inhoudt.

Veel te veel dingen beginnen en eindigen ook weer in de eigen Haagse kring. Daar krijg je rondjes draaien van, en je in je eigen staart bijten. Tegen de hond zeg je dan inderdaad achachach, gutgutgut.

Nou ja, ik hoop maar dat het ook aan mij ligt. Aan mijn leeftijd, of de lente ofzo, en dat het iemand of iets in Den Haag nog voor de verkiezingen gaat lukken mijn aandacht even stevig vast te houden. En dat ik daarna ook weet op welke partij ik wil stemmen. Want zoals ik er nu naar kijk wordt het een blancostem. En eigenlijk vind ik dat ook iets om achachach, gutgutgut tegen te zeggen.

Het heerlijkste moe

Losscheuren is toch wel de metafoor die perfect past. Haarscherp herinner ik me de eerste keer dat ik die wonderlijke prikkeling in alle ledematen voelde, die zwaarte in het hoofd. Achteraf gezien moet ik een ongelooflijk braaf schoolmeisje geweest zijn, want het gebeurde pas in mijn eindexamenweek.

Prachtig juniweer. Of was het nog mei? We hadden in elk geval ’s nachts op school álle lokalen leeggehaald, de stoelen stuk voor stuk op het dak en de patio gezet. Ontzettend flauwe stunt, ik geef het toe, waar we nog een hele tijd zoet mee geweest waren. En om de effecten van onze nachtelijke arbeid te kunnen bestuderen, moesten we natuurlijk nog vóór het eerste uur op school zijn. Voor het eerst in mijn leven ging de wekker af na niet meer dan een paar uur slaap.

Voor het eerst die tweestrijd. Dat lichaam dat met elke cel roept: liggen blijven! Doe je ogen dicht en zeil weer weg, want er is geen sprake van dat je de wereld al in kunt. En de geest die zich realiseert: maar het is onontkoombaar.

Ik herinner me m’n verbazing. Dat ik écht niet toe kon geven aan de ongekende aantrekkingskracht van mijn bed. Nog nooit had iets zo tegennatuurlijk gevoeld. Ineens ging ook alles vertraagd, en eenvoudig wassen en aankleden bleek een gevecht tegen de zwaartekracht te zijn.

Nu weet ik: met voldoende adrenaline (echt iets móeten dus) en koffie is het bloed wel weer in een aanvaardbaar stroomtempo te brengen. Maar toen dacht ik aan een stuk door, de hele dag, te zullen moeten vechten tegen het intense verlangen mijn lichaam uit te strekken en dat niet te tillen hoofd neer te leggen.

De mist in de hersenen naar een hoekje jagen, kan ik inmiddels ook behoorlijk goed. Daar blijft ie dan een beetje loeren en gluren, klaar om zich weer te verspreiden zodra de klus die me uit bed gejaagd heeft, geklaard is.

Zo dalijk zal ie me bespringen. Ik begon dit stukje diep in de nacht, lijdend aan het heerlijkste moe dat er bestaat. Het moe dat mág. Het hèhè-moe. Dat weldadig, bevrijdend, beloftevol is. Je krijgt het soms na lang hard werken cadeau.

Ik kreeg het ditmaal na het de wereld insturen van het allerallerlaatste hoofdstuk van mijn manuscript. Dat ontzettend bevredigende ‘mama mia, ik ben kapot, maar goddank hoef ik even niks’-gevoel. Dat dan nog nét een lekker laatste stootje adrenaline voor je aanmaakt, waardoor het lijkt of je ook nog best even achter mekaar bijvoorbeeld een Deze-weekje kan schrijven over het heerlijkste moe dat er bestaat.

Maar ik viel om. Kroop dus mijn bed in, en kwam er na een paar uur weer uit om dit stukje te tikken. Dat toen ineens vanzelf over de twee extremen van moe ging gaan. De komende tijd maar weer eens een beetje een normaal slaappatroon uitproberen. Dan kan ik voortaan weer bijtende commentaren verzinnen op zaken als een paus van wie je eerst aids moet krijgen voor je een condoom mag gebruiken.

Voorproefje

Helemaal geen tijd deze week om de week te becommentariëren. Het manuscript van Hoe mijn vader zijn woorden terugvond moet namelijk af. Bij wijze van voorproefje daarom wat flarden daaruit. Ik denk wel dat ze min of meer voor zichzelf spreken, maar kijk voor wat meer achtergrond vooral ook even op de site van uitgeverij Nieuw Amsterdam (link bij ‘op komst’).

****************

– “Kan ie praten?” vraag ik als blijkt dat hij in elk geval nog leeft.

– “Nee.”

Dreun. “Ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen, maar je vader heeft vanmiddag een herseninfarct gehad,” heeft Treesje, zijn vriendin, me daarnet opmerkelijk kalm verteld. Het is het soort telefoontje waar je stiekem altijd op bedacht bent. Nu vluchten niet meer kan, overvalt me een fatalistische berusting. En tegelijk is alles in mijn hoofd op tilt geslagen, rinkelt iedere alarmbel op zijn hardst. Want niet kunnen praten = afasie. En afasie is het griezeligste, gruwelijkste dat ik me voor kan stellen.

(….)

Ik aai zijn rug, zijn hand, vraag hem me te knijpen. Zijn rechterhand krijgt hij nauwelijks dicht. Hij gebaart naar de linker: ja, het verschil is groot. Intussen maakt hij geen enkel geluid. Niets. Geen kreun, geen mhm, geen huhuh. Wel trekt hij telkens allebei zijn benen onder zich, en gaat dan in zijn vertrouwde kleermakerszit zitten. Zijn rechterbeen lijkt in elk geval niet zwaar aangetast.

(….)

Ja, mijn vader schrijft. Maar wat? Iets dat lijkt op ‘mond’, maar dat bedoelt hij niet. ‘Mono’ verschijnt er daarna op het leitje en ‘momo’. Bedoel je ‘mama’? Nee. Hij blijft het proberen: mamor, mamoek. Licht verbaasd kijkt hij naar wat hij produceert. Het blijft een raadsel wat hij wil zeggen.

(….)

En bovenal heb ik geen flauw benul wat ik moet doen. Wat zeg je tegen een afaticus? Waar begin je als je hem weer wil leren praten? Hoe pak je dat in vredesnaam aan? Machteloos en hulpeloos voel ik me. Ook het internet biedt geen uitkomst. Ik vind alleen algemeenheden en vaagheden. Dat de communicatie met afasiepatiënten moeilijk is, en dat het ook voor de familie altijd een hele schok blijkt. U meent het.

(….)

Ik laat hem woorden nazeggen. Hij luistert, kijkt, spant zich geweldig in, maar bakt er weinig van. Tot hij ineens opgewonden, woest begint te gebaren tussen zijn mond en de mijne. Ik begrijp het. Ik heb toevallig hetzelfde woord twee keer achter elkaar gezegd, en de tweede keer kon hij het ‘meezeggen’. Is dat de truc? We proberen snel of het echt werkt. En ja, ineens gaat het! Het voelt als een doorbraak. Wa-ter, lo-pen, pra-ten, drin-ken, Lies-beth, Trees-je, Marc. Ik spreek heel overdreven en langzaam, en hij klinkt alsof hij doof is, maar alles komt eruit. Hij is waanzinnig blij, ik ook.

(…..)

Dat is waar ik bang voor ben. Dat ie het niet opbrengt. Dat ie het zal laten zitten. Alleen maar gaat zitten wachten tot het ‘weer goed komt’. En het komt zeker niet vanzelf goed. Zijn enige kans is oefenen, oefenen, proberen, proberen, en nog eens en nog eens. Maar zelfs in ‘dankjewel’ nazeggen, gewoon zo’n woord dat handig is om te kunnen inzetten, heeft hij geen zin. Dat je ergens moet beginnen, het lijkt hem niks te zeggen.

(….)

Ik zal vandaag niet rusten tot ik gehoord heb dat het oké is als mijn vader minder bètablokkers gaat slikken. Via de assistente komt aan het eind van de middag het verlossende woord: hij mag de helft (!) van zijn dosering van vier pilletjes laten staan. Natuurlijk doet hij dat diezelfde dinsdag prompt.

Het effect is verbluffend. Een vrolijk lachende vader met weer kleur op zijn wangen doet me open als ik ’s woensdags naar een zonnig Zeeland gereden ben. “Thee?” vraagt hij, en gaat die zetten. Hij voert me mee naar de tuin waar nu grote bakken violen staan. “Koos,” legt hij uit. Zo heet Treesjes tuinman.

(…)

“Uit – mun – tend!” beweert mijn vader de volgende middag aan de telefoon, wanneer ik informeer hoe het vandaag met hem gaat. Er klinkt spot in door. Dat zijn gevoel voor humor het infarct heeft overleefd, is inmiddels wel duidelijk.

(….)

Nog maar net een jaar geleden blijkt er een wet ingegaan te zijn die zich inderdaad niets aantrekt van hoe je eraan toe bent. Zonder aanzien des persoons neemt ie je je recht om te rijden af – iets dat je trouwens zelf moet gaan melden aan het CBR, het rijbewijzenbureau. “On – recht – vaardig!” briest mijn vader als ik het hem vertel.

(….)

Zijn uitdrukkingsmogelijkheden zijn vooralsnog erg basaal, maar hij begint er wel mee naar buiten te treden..Tot mijn verbazing hoor ik dat hij een kort briefje geschreven heeft aan zijn buren in Oegstgeest, om ze te bedanken voor het doorsturen van de post enzo.

(….)

Ik durf niet met zoveel woorden tegen mijn vader te zeggen dat hij echte vooruitgang waarschijnlijk al heel binnenkort wel kan vergeten. Ik kan hem toch zijn motivatie om zijn best te doen niet afpakken?

Bodybuilden voor beginnelingen

Voel ik mij belachelijk? Reken maar. Het gewichtheffen met m’n rug, het woest rondtrappen onderweg naar nergens, het een voor een mijn voeten optillen terwijl ik op een enorme bal zit te hopsen, het werkt allemaal nogal op m’n eigen lachspieren.

En dat ligt geloof ik niet aan mij. Het begon al bij mijn intakegesprek – dat blijken ze te houden in sportscholen, in elk geval in de mijne – dat onderbroken werd door het plotse geproest van een vriendin-sinds-heel-lang. Slap van het lachen stond ze naar me te wijzen.

Goed, zo onwaarschijnlijk is het dus om mij cross-walkend of op een lopende band lopend aan te treffen. En eerlijks is eerlijk, eigenlijk kom ik daar ook niet voor. Als ik er toch ben, pik ik geregeld zo’n raar apparaat vol toeters en bellen en hartslagmeters mee, maar ik kom om te zwemmen. Of nou ja, ik kom om mezelf een rug te bezorgen die ik zonder pijn en moeite recht kan houden.

Sinds wanneer en waarom ik die niet meer heb, mag Joost weten, maar dat is een hard feit dat zo snel mogelijk uit de weg geruimd moet worden. Spierkracht kan mij redden. Dus doe ik nu aan bodybuilden voor absolute beginnelingen.

Afgezien van een paar lachlustopwekkende oefeningetjes is zwemmen daarbij het devies. Dat doe ik nu meer dan twee maanden vier, vijf, soms wel eens zes keer per week, minstens twintig minuten non-stop.

En nu gebeuren er dingen die ik in de sportsector mijn hele leven nog niet heb meegemaakt. Ik ga bijvoorbeeld vooruit! Eerlijk, ik zweer dat ik harder door het water ga dan half januari. En ik word er ook nog minder moe van, heb zat lucht – al kan dat natuurlijk ook heel goed komen van het niet-roken, waar ik toevalligerwijs op hetzelfde moment mee begonnen ben.

Maar het allerleukste vind ik dat ik eindelijk slag begin te krijgen van de schoolslag. Het is wat laat geef ik toe, een kleine vier decennia nadat ik het leerde, maar het is net of ik het nu pas begrijp. Inmiddels voel ik zelfs bij bijna elke slag waarom het goed voor me is. En ik moet me wel zwaar vergissen als ik niet met de week ook móóier zwem.

Het zal mijn oude gymnastieklerares mevrouw Wessel deugd doen. Ik kan het haar misschien nog vertellen ook, want ik zag dat ze voornemens is naar de schoolreünie te komen die binnenkort gehouden wordt. Eeuwig hield ze ons voor dat we nog wel aan haar zouden denken als we op ons veertigste hijgend en puffend en onszelf vervloekend op een matje oefeningen zouden liggen doen omdat we niet een beetje in beweging waren gebleven.

Dat had ze goed voorzien, al heb ik het nog tot een eindje na mijn veertigste kunnen uitstellen. Maar dat is ook al niks bijzonders. Behalve de gierende vriendin ontmoette ik in de sportschool tot dusver uit mijn kennissenkring reeds een uitgever, een columnist en een psychiater. Allemaal van mijn leeftijd.

Hoe oud de inslechte Turkse oom uit de prima Talpa-serie Van Speijk is, weet ik niet, maar vast ook zoiets – en ja, ook hij komt zwemmen. In het echt heeft hij trouwens een lieve bloemetjeshanddoek.

Stemmen in een zwart gat

Als Amsterdams provinciaaltje kom ik er natuurlijk rijkelijk laat mee, maar sinds 7 maart loop ik me de hele tijd af te vragen hoe het godsmogelijk is dat we tegenwoordig als er verkiezingen zijn allemaal onze stem in een black box stoppen. Want dat is wat zo’n stemmachine toch echt is.

Elektronisch stemmen is, nu ook de hoofdstad meedoet, geloof ik in het hele land ingevoerd, en werkelijk alles alles alles is er verkeerd aan. Want hoe kun je ooit nog controleren of een stemming wel klopt? Een democratie kan toch niet afhangen van de werking van een computerprogramma? Plus de programmeurs erachter?

Fouten, storingen, fraude. Ze liggen op de loer, en je hoeft niet eens te merken dat er sprake van is. Dat kan toch niet?

Zie het even zo. Stel u de volgende omkering voor: niet wij sturen waarnemers om te kijken of de verkiezingen ergens eerlijk verlopen, maar die waarnemers komen bij ons over de vloer. Wat zouden ze zeggen dan? Zouden ze niet alle reden tot wantrouwen hebben? Gewoon, omdat er niks meer waar te nemen valt?

Ik had hier wel eens eerder een beetje over nagedacht – het sterkst na de eerste verkiezing van de tweede Bush – maar de lijfelijke belevenis heeft me klaarwakker geschud. Het elektronisch stemmen vond ik eigenlijk in alle opzichten een heel onplezierige ervaring.

Ten eerste dus vanwege het gevoel dat je stem een groot zwart gat in verdwijnt. Maar ook vond ik het verwarrend. Je schijnt bijvoorbeeld blanco te kunnen stemmen met zo’n machien, maar ik heb niet gezien hoe. Overzicht ontbreekt ook anderszins: eerst kies je een partij en verdwijnen alle andere partijen voorgoed uit zicht. Daarna druk je dan nog eens op een knop voor de persoon die je binnen die partij wil hebben.

Wat überhaupt niet meer kan, denk ik althans, is een ongeldige stem uitbrengen. Krassen zetten door alle partijen. Met je rode potlood hartjes tekenen. In koeienletters ‘zakkenvullers’ schrijven. Elke creativiteit en mogelijkheid tot individuele expressie is gesmoord.

En waarom wordt mij met de stemmachine ook alle privacy afgenomen? Hoezo moet ik open en bloot, door iedereen van alle kanten bekeken, mijn keus maken? Waarom staan de stemmachines niet in stemhokjes, waar je nog even na kan denken, diep in je eigen hart kijken? Op het naaktstrand heb ik me nooit zo naakt gevoeld als vorige week in het stemlokaal.

Na de verkiezingen regende het berichten met extra redenen het black-box-stemmen ferm af te wijzen. Een stroomstoring in Buitenveldert was er geweest. Daar sta je dan. Amsterdam Anders/de Groenen kwam drie stemmen tekort voor een zetel. Vroeger was een hertelling dan aangewezen. Maar dat heeft geen zin. Uit de machines rolt namelijk steevast dezelfde uitslag.
Doodgriezelig vond ik het verhaal van de brievenschrijver in Het Parool die er niet bij mocht zijn toen de stemmachine werd afgesloten.

Enfin, hij deelde mijn schrik en angst voor dit systeem dat oncontroleerbaarheid paart aan een heilig vertrouwen in techniek. Het een is gevaarlijk, het ander ook nog dom. En die apparaten zijn bovendien veel duurder dan het rode potloodje

Het grootste raadsel: waarom vindt (vrijwel) iedereen het toch zo prachtig? En sorry, dat beetje tijdwinst op de verkiezingsavond is geen reden.

 

Updateje november 2006: Okee, we krijgen het rode potlood even terug. Mooi succes van wijvertrouwenstemcomputersniet.nl. Toch vrees ik dat het principële punt niet gezien wordt, en dat we dus straks wél ‘veilige’ (mag er eens een tijdje een verbod op dat woord misschien?) computers krijgen.

Even ontzettend afgeven op aangeven

Ja, mag ik ook ‘ns fulmineren? Lekker irrationeel tegen een woord? Helemaal wee en eng word ik er namelijk van. Het is klef en laffig. Het is Balkenende-speak, pr-klets, het is de taal van dokters, managers, rapportenmakers, en alles en iedereen uit de zachte sector.

Al een paar jaar valt het me op, en nu ze het zelfs op mijn ouwe school doen, wordt het me echt te machtig. Stel je even voor: kreeg ik een mooi mailtje over de aanstaande reünie (mede-oud-Rijnlanders, die is op zaterdag 8 april, en trouwens, onze school bestaat ineens al vijftig jaar) met daarin een verwijzing naar de bijbehorende website, ga ik daar kijken en lees ik: “Op dit moment hebben 45 oudleerlingen aangegeven aanwezig te zullen zijn”

Aangegeven… waah! Het woord waar ik allergisch voor ben. Help. Ga toch weg. Zeg gewoon beloofd, of gezegd, of voor mijn part toegezegd, maar niet dat vage, voze ‘aangegeven’.

Kijk, aangeven doe je met spullen: Annie d’r tasje, een glas versgeperst grapefruitsap, de krant, een mohair trui, de appelmoes en het zout, zes kerstballen in een doos, de zweep, nu ja, alles wat zich maar in handen laat nemen.

En oké, je kunt ook jezelf aangeven, of een ander mens (zwartwerker, bijstandsfraudeur) of een misdrijf (diefstal, smaad). Je pasgeboren kindje aangeven is prachtig. Een overlijden aangeven niet – maar dat moet nu eenmaal.

Verder wil ik nog wel toegeven dat iets aangegeven kan staan, al dan niet duidelijk. Je kan de toon aangeven, en die kan vervolgens zelf hetzelfde doen met de muziek. Wijzers geven de tijd aan, getallen en cijfers hoe het ervoor staat. Tegen richting aangeven heb ik ook zeer zeker niets.

Maar ik ga gillen van “mevrouw heeft zelf aangegeven het niet te willen”. Het is bedektaal, die zowel kan betekenen dat mevrouw in een hoekje zat en geen enkele sjoege gaf, als dat ze in de isoleer geëindigd is omdat ze de hele tent urenlang bij mekaar schreeuwde.

Het is zogenaamd objectief. Het is paternalistisch en slap. Verstoppertje spelen. Zeg toch waar het op staat! Niet: “de minister geeft nogmaals aan dat hij een andere benadering heeft,” maar pakweg: “de minister verrekt het om in te gaan op wat er tegen hem ingebracht wordt”. Niet: “Frederikje geeft vaak aan honger te hebben”, maar “Als je even niet oplet jat Frederikje de koekjes uit de knuistjes van andere kinderen”. Maar bovenal: zeg toch gewoon ‘zeggen’ in plaats van dat aanstellerige ‘aangeven’.

Ik vrees overigens dat het misselijkmakende ‘aangeven’ is voortgekomen uit dat je met aankruisen, doorstrepen of afvinken de gekste dingen kunt aangeven. Maar daar geef ik verder nou eens helemaal niks om. Het moet weg!

Dus als u het allemaal even wilt doorgeven: dat enge aangeven per heden allemaal opgeven graag.

Op reportage in 1860

Vroeger, ja vroeger was op fotoreportage gaan wel even wat anders. Niks filmpjes, laat staan memory sticks en aanverwanten, maar glasplaten om de wereld op vast te leggen. Zwaar, breekbaar. En dan moest je ook nog genoeg chemicaliën om ze mee in te smeren meesjouwen. En natuurlijk eerst op het goede licht wachten, dat dan vervolgens eindeloos lang op de gevoelige plaat moest vallen voor je wat had.

Maar dan had je ook wat. Althans, als je het talent, het geduld en de avontuurzucht bezat van de negentiende-eeuwer Isidore van Kinsbergen. Ga als u maar even kunt voor 26 februari kijken op de Keizersgracht 401 (Huis Marseille, museum voor fotografie) in Amsterdam, dan ziet u zelf wat ik bedoel.

Ik had nog nooit van de man gehoord, moet ik bekennen, maar hij moet beslist leuk geweest zijn. Iemand met een boel talenten. Op zijn dertigste, in 1851, naar Indonesië vertrokken. Theatermaker, decorschilder, gravuremaker, en vanaf pakweg 1860 fotograaf die foto’s van werkelijk adembenemende kwaliteit heeft gemaakt.

Dat je bijna anderhalve eeuw terug in de tijd kijkt, merk je eigenlijk nergens aan. Het fotograferen was nog maar net uitgevonden, maar wat je ziet is bijna niet te geloven: zo gestoken scherp, zo veel diepte, zo veel tinten.

En zo veel onderwerpen. Indrukwekkende, enorme stillevens van Javaans fruit. Een rondreizende Chinese slotenmaker. Portretten van alle bevolkingslagen in Batavia. De vorsten van Yogyakarta. Geplakt onder andere foto’s: blote meisjes van Java. De slavinnen van de koning van Bali. Een serie boeddha’s, en het gigantische tempelcomplex de Borobudur.

Dat laatste was in opdracht. Van Kinsbergen werd gevraagd Javaanse oudheden vast te leggen. Overheden waren indertijd kennelijk bereid heel veel geld te stoppen in zulke expedities. Tonnen zelfs, als je het aardige omrekenprogrammaatje mag geloven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (zie www.iisg.nl/hpw/calculate.html). Dat leert dat de rond 1870 door het Nederlandse gouvernement en het Bataviaasch Genootschap uitgetrokken 37.500 ouderwetse guldens van toen nu ongeveer 350.000 euro waard zijn.

Van Kinsbergen kwam thuis met onder meer bijna 40 foto’s van de Borubudur, de eerste in de geschiedenis (daarvoor waren er alleen een klein aantal Daguerreotypes van gemaakt – ook op de tentoonstelling te zien). Voor sommige had hij wel tien dagen voorbereiding nodig gehad. Deels gingen die zitten in het letterlijk zichtbaar maken van de te fotograferen onderwerpen. Overwoekerde tempels werden zo goed mogelijk vrijgemaakt door de koelies, die natuurlijk ook bij het toenmalige tijdsgewricht hoorden.

Fotoshoppen kon ook nog niet. Maar Van Kinsbergen zag er geen been in de langzaam en met fikse inspanningen tot stand gekomen glasplaatnegatieven te bewerken. Hij maakte wel eens mooiere luchten, of hij krabde complete achtergronden weg, zodat bijvoorbeeld de witte boeddhabeelden bijna van het afdrukpapier af springen uit het zwart.

Ik bofte, want ik kreeg de tentoonstelling toevallig te zien met live commentaar van de samenstelster, indologe Gerda Theuns-de Boer. Ze maakte ook een boek over zijn oeuvre, waarvan nu voor het eerst door haar zoekwerk zoveel bij elkaar gebracht is. Het heet Isidore van Kinsbergen (1821 – 1905), Fotopionier en theatermaker in Nederlands-Indië.

Getroffen

Soms ineens heeft iemand een formulering opgeschreven die me uit mijn normale afgestomptheid rukt. Dit keer stond ie in ’t – inderdaad meestal snelle – snelnieuws van De Telegraaf . ‘Al-Zawahiri niet in getroffen Pakistaans dorp’ las ik op www.telegraaf.nl/snelnieuws.

Het was het woord ‘getroffen’ dat me vol raakte. Want dit was de kop boven een vervolgbericht, en het klonk alsof het om een aardbeving ging, of een orkaan of blikseminslag, of anders een eng virus.

Maar zo was het niet, wist ik. Damadola, het dorpje in kwestie, was ‘getroffen’ door een bombardement, dat ook voor exact die plek bedoeld was. Geen willekeurige act of God dus, maar gericht mensenwerk.

Nou ja, de achterliggende bedoeling was mislukt. Er waren minstens achttien mensen dood, maar Al-Zawahiri, de Al Quaida-man die de Amerikanen tijdens een etentje hoopten te raken met een bom, zat er niet tussen. Met enig cynisme kun je zeggen dat dus eigenlijk niemand ‘het trof’ vorige week daar vlak bij de grens met Afghanistan.

Maar daar gaat het me niet om. Juist dat wat wonderlijk gekozen woord ‘treffen’ maakte dat ik eens wat verder over het bericht na ging denken. Ineens ging ik me van alles afvragen. Zoals: wat nou als ie wél tussen die achttien of meer mensen had gezeten? Was dan alles kits?
Ik bedoel: heb ik iets gemist, of is ergens in de laatste jaren besloten dat het volkomen normaal is te proberen verdachten te executeren vanuit de lucht? Dat als ze het stempel ‘terrorist’ hebben gekregen, ze vogelvrij zijn – net als iedereen met wie ze toevallig aan tafel zitten?

Want met bommen heb je snel bijschade (om ‘collateral damage’ maar ’s te vertalen), bijvoorbeeld onder de ‘vrouwen en kinderen’ die altijd maar weer genoemd worden in de verslaggeving. Ook nu. Maar vrouwen per definitie als ‘onschuldig’ zien is natuurlijk alledaags seksisme.

Ik realiseerde me nog iets: dat dit hoogstwaarschijnlijk dagelijkse kost is in Afghanistan. Al jaren inmiddels. Bommen die onschuldigen van alle leeftijden en geslachten doden. En dat dit bombardement nu zo veel aandacht kreeg, kwam alleen omdat het toevallig net over de grens, in Pakistan gebeurde. En toen? Grote demonstraties volgden – in Pakistan. Woedende protesten klonken – uit Pakistan.

Maar verder bleef het stil. Ook in Nederland, waar toch het sturen van onze jongens naar Afghanistan al weken the talk of the town is. Maar dan gaat het over de rol van D66, en of er lijkzakken terug kunnen komen.

Ben ik nou gek of is dat gek? Waarom wordt er niet gepraat over de gevolgen van meedoen met de Amerikanen?

Vorige week schijnt de ambassadeur uit Afghanistan (nou ja, uit het kleine deel van dat land dat onder controle van de Amerikanen en hun helpers is) in Nova uitgelegd te hebben dat onze jongens erheen moeten, omdat we anders gegarandeerd ook hier een ‘Madrid’ of een ‘Londen’ zullen krijgen.

Maar zou het niet precies andersom wezen? En waarom gaat de discussie daar dan niet over? Dit alles trof me ineens. Maar begrijpen doe ik er niks van.

Niets te verbergen en toch bang

Sorry hoor, als u deze week luchthartige nieuwjaarswensen van me verwacht. Zit er niet in, we doen gelijk zware kost. Met reden.

De kans dat u en ik ten onrechte de status van verdachte gaan bereiken is sinds 1 januari namelijk spectaculair gegroeid.

Tegelijkertijd zijn er twee nieuwe wetten ingegaan. Door Europa wordt vanaf heden al uw telefoon- en internetverkeer vastgelegd en bewaard, en door de nationale ‘Wet bevoegdheden vorderen gegevens’ kan voortaan elke willekeurige agent vrolijk uit gaan vissen waar u zoal lid van bent, wat u wanneer en waar aanschaft, welke boeken u de komende tijd gaat lenen, en nog veel meer. Bedrijven en instellingen zijn verplicht om die (klant)gegevens te leveren.

Ho, wacht even als u nu denkt: “Dat gezeur weer. Ze weten toch allang alles van me, en dat geeft niks, want ik heb niks te verbergen.” Wel, ik ook niet, maar toch krijg ik het ongelooflijk benauwd van die nieuwe wetten. Om minstens drie redenen.

Om te beginnen een simpele, gevoelsmatige: het gaat in principe niemand ook maar ene ruk aan of ik met de paus mail, of 36 keer per dag mijn geliefde bel. Welke zwerftochten ik over het net maak, wie ik een bloemetje laat bezorgen of een exemplaar van Tommy Wieringa’s prachtboek Joe Speedboot, of ik nou inderdaad lid van die sportclub ben geworden en me m’n lijfrentepolis laat uitbetalen: dat zijn mijn zaken, en mijn zaken alleen.

En daarbij hoort dat ik zelf bepaal wie ik er wat van vertel. Maar als het legaal is om al die dingen uit te zoeken achter mij om, zelfs zonder dat ik het ooit te weten kom, dan voelt dat of ik een deel van mijn vrijheid kwijt ben, ook al doe ik in mijn eigen ogen niks fout.
Dat is het tweede punt: wat in mijn ogen onschuldig is, kan in die van een ander heel makkelijk verdacht gemaakt worden.

Daarbij denk ik altijd aan al die Amerikaanse films en series waarin de beslist onschuldige verdachte geheel in het nauw wordt gebracht door een nare advocaat, die ergens iets opgeduikeld of gehoord heeft en het dan zo weet te draaien dat de jury en de rechter wel móeten denken dat de goeierik toch een slechterik is. Wij kijkers weten dat dat niet waar is – en dat er dalijk bewijsstukken of een getuige uit de hemel komen vallen die zorgen dat alles goedkomt.

Maar in het echte leven zijn er geen alwetende kijkers. Dat leverde altijd al een risico op, maar nu er naar believen in een zee gegevens gevist mag worden, is de kans dat er iets tussen zit dat tegen je gebruikt kan worden vele malen groter. Ver voor je arrestatie geldt ineens al: anything you do, can and will be used against you in a court of law.

Doen ze niet? Politie en justitie zijn toch niet gek, weten heus wel wat ze doen? Twee woorden: Schiedammer parkmoord. En meer algemeen: gekluns, stommiteiten en onprofessionalisme zijn in elke beroepsgroep volstrekt normaal. Kijk maar naar hoe het toegaat in uw eigen wereld. Dat is mijn derde reden om licht huiverend 2006 in te gaan.

Domme taalkundigen en hun puzzelwerkjes

Tien jaar geleden noemde Maarten van den Toorn, oud-hoogleraar taalkunde, zichzelf in het openbaar ‘een burgemeester in oorlogstijd’. Die oorlog ging over de spellingsveranderingen die toen op handen waren, en werd in zijn geheel uitgevochten over de hoofden heen van vrijwel iedereen die het betrof: de vele miljoenen spellers van het Nederlands.

De uitkomst is bekend. De commissies van de Taalunie (met als voorzitter Van den Toorn) en de politiek douwden de invasie van de tussen-n’en erdoor. En hoe het volk daar ook over morde, een Februaristaking bleef uit.

Die komt er nu wel. De chicste kranten, de NOS en alle opinieweekbladen gaan de voor volgend jaar aangekondigde aanpassingen van de spelling boycotten.

Een hoeraatje is hier beslist op z’n plaats, al lukt het me niet om een sterk beter-laat-dan-nooit-gevoel te onderdrukken. Want de media, samen met de grote woordenboekenuitgevers, zouden juist in 1995 de perfecte stakingsleiders geweest zijn.

Tegelijk is het verzet van nu eigenlijk ingegeven door de wijzigingen van toen. Je merkt dat aan alles. De commentaren van de boycotters leggen ook genadeloos bloot dat men de nu tien jaar oude regels nog steeds niet begrepen heeft. Van de wanhopig in een pannenkoek prikkende Marga van Praag in het Journaal tot de NRC, die eerder al ‘Ideeëloos’ als kop boven een hoofdcommentaar zette, als summum van de idiote wijzigingen die de Taalunie in petto heeft. Toch is dat allemaal echt oud nieuws. Kwestie van de toen ingevoerde hervormingen (nu wel) consequent toepassen.*

Ik heb eerlijk gezegd ook altijd een beetje het gevoel gehad dat daar een belangrijke oorzaak lag van de volgzaamheid van een decennium geleden: juist een hoop ‘professionals’ durfden niet hardop toe te geven dat ze er geen bal van snapten. Ze vonden dat ze dat wél behoorden te doen, en namen zich voor binnenkort toch echt de zaak eens even goed te bestuderen.

Toen bleek dat dat niet hielp, was het te laat. Anderen dachten: ach, zo moeilijk kan het toch niet wezen, het zal wel loslopen. Sindsdien is er doorgemodderd, en bleef er veel onvrede en onzekerheid hangen. Dit is de eerste gelegenheid die een uitweg te geven. Zoiets is het volgens mij.

Intussen is en blijft het een ongehoord schandaal dat er spellingsregels zijn ingevoerd waar geen normaal mens chocola van kan maken. De schuldigen zijn de taalkundigen die in al die commissies en werkgroepen van de Taalunie gaan zitten, en met hun puzzelwerkjes vol uitzonderingscategorieën en hun gepiel met wel-of-geen streepje of hoofdletter verdomme mijn eigen vak de taalkunde een verdomd slechte naam bezorgen.

Maar het is ook zo ingewikkeld, roepen ze stuk voor stuk, en we ontdekken nog van alles, en dan willen de ministers weer iets anders, dus dan krijg je compromissen, en ja… Was er dan afgebleven, denk ik dan. Had geweigerd! De spelling van voor ‘95 was heel wat minder problematisch dan die van nu.

Dan had je ook geen burgemeesters in oorlogstijd gekregen. Maarten van den Toorn voelt het zich zo te zien nog steeds. Hij sprak in het Journaal namens de Taalunie, en in zijn onzekerheid kreeg hij bijna geen normaal woord Nederlands over zijn lippen. Dure termen, geaffecteerd geluid. Dat benadrukte nog eens wat hij toch al uitstraalde: boosheid, en dédain voor het volk, dat te stom is om het allemaal te willen begrijpen.

Maar het is natuurlijk andersom. Er is een handjevol taalkundigen dat kennelijk te dom is om te begrijpen dat de fijnslijperij waar zij zelf mee werken absoluut niet thuishoort in ons dagelijks leven.

Als je dan ook nog bedenkt dat het eindresultaat ook voor ingevoerden niet of nauwelijks werkbaar is, dan kun je nog maar een ding hopen: dat de mediaboycot alsnog een volksoproer in gang zet. En dat dat leidt tot het terugdraaien van de regels. De kosten die dat met zich meebrengt kunnen wat mij betreft uit de opheffing van de Taalunie betaald worden.

 

* NOOT: Voor wie een poging wil doen het te snappen: het gaat bij ‘ideeëloos’ niet om een samenstelling, maar om een afleiding (‘loos’ wordt dus niet gezien als een los woord, maar als een achtervoegsel, zoals ‘lijk’ of ‘ig’). Afleidingen krijgen geen tussen-n, vandaar het tegenintuïtieve ideeëloos, dat dan ook per ongeluk als ‘ideeënloos’ in het Groene Boekje terecht was gekomen.

Nou ja, uiteraard heeft men op die regel wel een paar uitzonderingen verzonnen. Die zijn bij mijn weten overigens nieuw. In mijn Groene Boekje uit ‘95 kan ik in de uitleg voorin niets vinden over de achtervoegsels ‘schap’, ‘dom’ en ‘achtig’, maar op het Taaluniewebsitegedeelte over het nieuwe Groene Boekje (ook rechtstreeks in te tikken als: http://woordenlijst.org) is er een hoofdstukje gewijd aan die drie. Bij afleidingen met ‘schap’, ‘dom’ of ‘achtig’ moet je net doen of het samenstellingen zijn, staat er. Dus moet je er de tussen-n-regels op toepassen, dus moet het ‘vedettedom’ wezen, naast ‘sterrendom’ (want je hebt wel vedettes, maar geen sterres).

Waarom ‘loos’ niet ook in dat rijtje staat? Vraag het me niet. Zullen ze wel bewaard hebben voor over tien jaar, als er weer verder gemorreld moet worden.

Ouwelullengedachten

De kapper op zaterdagmiddag. Het breekbare dametje van ergens in de zeventig vraagt voorzichtig of de muziek wat ouderwetser mag. Prompt voldoen de jonge dingen die er wassen, knippen en verven blijmoedig aan dat verzoek, en zetten Madonna voor haar op.
Daar moest ik – ik kon het niet helpen – al even prompt erg hard om lachen. Als je erin geboren bent, zijn de jaren tachtig natuurlijk heel ouderwets.

Intussen voelde ik me daar in mijn kappersstoel toch licht gemangeld. Alsof ik in een nieuwe tussen-tafellaken-en-servet-fase zit. Ik herinner me de entree naar de puberteit levendig. Zo op je dertiende kun je enerzijds nog geheel tot pure kinderlijkheid vervalllen (dom giechelen of dom ruziemaken met m’n kleine broertje), maar heb je tegelijk uiterst volwassen problemen en gevoelens (serieuze verliefdheid, echte akelige eenzaamheid).

Nu trekt mijn hart aan de ene kant nog steeds naar dat zorgeloze jeugdige, dat de volumeknop steevast gevaarlijk ver open wil zetten. Dat zo’n aangenaam laagje vrolijke onkwetsbaarheid met zich meebrengt. Maar ik voel anderzijds ook al erg mee met een oude dame in wier oren Madonna waarschijnlijk niet anders klinkt dan de hedendaagse vormeloze boemboemnummers in de mijne. Trouwens, eigenlijk is Madonna, al is ze toevallig exact even oud als ik, al van ‘na mijn tijd’. Achteraf blijkt ‘je tijd’ verdomd kort te duren.

Dat het onontkoombaar is dat je daarna een ouwe lul wordt, heb ik inmiddels begrepen. Ook al snap ik het waarom niet helemaal: iedereen doet ’t.

Maar ik behoud me het recht voor me te verzetten. Bijvoorbeeld tegen het zich opdringende gevoel dat veel vroeger beter was. Dat mag ik niet zomaar denken van mezelf.

Dus oefen ik van tijd tot tijd in het verzinnen van dingen die absolute aanwinsten zijn, en die nog niet bestonden toen ik klein was.

Simpele, zoals de wandeltelefoon. Nee, niet het mobieltje, dat blijf ik stiekem een enorm onding vinden (ja, ouwe lul), maar gewoon de snoerloze hoorn die je thuis hebt. En die je nu toestaat onder het bellen een borrel te halen of het houtwerk en de tegeltjes af te nemen. Het is mijn grootste huishoudelijke hulp.

en hele grote is natuurlijk de pc (heb ik bijna twintig jaar in huis) en in het kielzog daarvan het internet en e-mail (bijna tien jaar). Juist omdat ik me m’n leven zonder die dingen niet zo goed meer in kan denken, moet ik mezelf soms vertellen hoe heerlijk en handig het is dat ze ze hebben uitgevonden.

Maar ik weet ook nog dat ‘hokken’ (voor de jonge lezertjes: ongetrouwd samenwonen) een schande was en homo’s hele rare wezens waren. Ik mocht de eerste klassen van mijn lagere school geen lange broek aan, en als je niet naar de kerk ging op zondagochtend kon je niet echt deugen. Net op tijd werden aantrekken wat je wou, vrijen met allerlei mensen van elke kunne, lekker atheïst zijn, alleen blijven wonen en geen kinderen wensen geaccepteerd.

En dat ik me nou net over dit soort zaken tegenwoordig wel eens zorgen maak voor de toekomst, ach, dat zullen wel bangige ouwelullengedachten zijn.

Blinde paniek

Dat het zo ontzettend om licht draait, ik zweer dat ik het niet wist. Ik dacht dat het allemaal een kwestie was van lettergrootte. Met het klimmen der jaren worden hele kleine lettertjes onleesbaar, meende ik. En daarna de ietsje grotere, en dan de ‘gewone’.

Maar wat blijkt? Zodra het licht een beetje minder helder is, beginnen de randjes van letters van allerlei groottes domweg te verkruimelen. Naarmate het duisterder wordt, veranderen ze langzaam maar onontkoombaar in een grijze brij waarin geen woord meer te herkennen valt. Waarom heeft nooit iemand me verteld dat dat me stond te gebeuren?

Eigenlijk vind ik het niet te geloven: lekker in het zonnetje kan ik prima de krant lezen. Gestoken scherpe letters. Maar hoe ik ook mijn best doe, ’s avonds onder een lamp lukt het me niet meer.

Onbegrijpelijk. En ik heb toch veel ervaring met slecht zien. Vanaf mijn negende een bril, ik weet eigenlijk niet beter. De verte was altijd wat vaag. Nu ja, dat was dan zo. Een bril en vanaf mijn zestiende lenzen losten het op. Bij elke lichtsterkte. Dat was geen punt, had er niets mee te maken.

Dichtbij kon ik wel alles haarscherp waarnemen. Troost en geruststelling vond ik daarom altijd in het feit dat ik desgewenst overal met m’n neus bovenop kon gaan hangen. Lenzenloos de straat oversteken was dan wel eng, heel dichtbij was alles zichtbaar en dus veilig.

Niet meer dus. Ik ben driftig op weg ook zo iemand te worden die voortdurend op meewarigheid van de jonkies mag rekenen. Steeds vaker moet ook ik half geïrriteerd in mijn tas grabbelen naar de leesbril.

Hoe vaak heb ik stiekem iets triomfantelijks onderdrukt als ik dat anderen zag doen? Nu heb ik soms last van blinde paniek. Omdat ik zonder hulpmiddelen écht hulpeloos ben. Aldoor. Ik word, hoe ik het ook draai of keer, blinder en blinder.

Het is al een tijd gaande natuurlijk. Ik kon me ook voorbereiden, want ik zag de laatste jaren massa’s generatiegenoten turen, hoorde ze soms zachtjes foeteren. En een volgende keer waren ze dan overstag gegaan, en hadden een leesbrilletje aangeschaft.

Maar waarom vertelden ze me er zo weinig over? Misschien had ik dan de eerste tekenen beter kunnen duiden. Hoe vaak heb ik de afgelopen tijd niet gedacht dat mijn lenzen ’s avonds een beetje besloegen ofzo? Dat ik daarom wat er op mijn beeldscherm stond niet zo goed zag?

Ook zo stom: ik heb een leesbril altijd alleen met lezen geassocieerd. Me niet gerealiseerd dat je alles wat dichtbij is niet goed meer ziet als je dichtbij niet goed meer ziet. Inmiddels begrijp ik waarom de voegen tussen de tegeltjes op de wc zo vaag geworden zijn, en waarom de ui die ik sta te snijden in de beginnende schemering er uit ziet alsof ik mijn lenzen niet in heb.

Verwarrend is het intussen nog steeds, en vermoeiend. Vooral op al die vele momenten dat ik me door de verhouding licht en afstand op het randje bevind van net-wel-een-bril-nodig-hebben en net-niet.

Maar dat op de wip zitten zal vanzelf wel overgaan – als mijn ogen vrolijk verder achteruit denderen.

Menselijke proporties

En toen was ik zomaar ineens nog maar één handdruk verwijderd van Osama Bin Laden. Een wat onwerkelijke gedachte. Het komt doordat ik vorige week even praatte met Robert Fisk, de enige westerse journalist die drie keer sprak met de man wiens naam zo’n symbool geworden is, dat je er eigenlijk geen pratend mens meer achter vermoedt.

Ik geloof dat ik daar meteen de reden mee te pakken heb dat ik al jaren elk stuk van Fisk dat ik tegenkom lees. Hij brengt het wereldnieuws voor mij terug tot menselijke proporties.

Dat hij Bin Laden zo vaak interviewde (voor het laatst in ‘96), is ook geen stunt ofzo, maar eerder een logisch uitvloeisel van het feit dat hij al dertig jaar in het Midden-Oosten zit, en zijn lezers (in eerste instantie zijn dat tegenwoordig die van de Britse krant The Independent) week in week uit vertelt wat hij daar ziet, hoort en denkt.

Tjonge, wat is dat inzichtgevend. Fisk schrijft allerlei soorten artikelen. Interviews, reportages, achtergronden, bespiegelingen. Alles uit de eerste hand. In Bagdad, Beiroet of Bethlehem, hij gaat zelf kijken, zelf op onderzoek uit, zelf praten met alle partijen. En doet daar dan in glasheldere woorden verslag van.

Dat is bijzonderder dan wij geneigd zijn te denken. Krijgen we niet elke dag een stortvloed aan berichten uit het Midden-Oosten?

Zeker, maar heel veel daarvan is wat Fisk ‘hoteljournalistiek’ gedoopt heeft. Bij een bijeenkomst in Amsterdam van de Dick Scherpenzeelstichting (denktank en discussieplatform voor de verslaggeving in de Nederlandse media over niet-westerse landen en Noord-Zuidverhoudingen) schetste hij hoe het tegenwoordig in Bagdad gaat.

Vrijwel alle journalisten zitten in de hermetisch afgesloten ‘Groene Zone’. Daar bevinden zich, onder meer in de oude paleizen van Saddam, de nieuwe Irakese regering, de Amerikaanse ‘officials’, de ambassades én dus de journalisten. Letterlijk achter ijzeren muren. Hun verslagen zijn gebaseerd op telefoongesprekken met militairen buiten de Groene Zone. Melden die dat bij een aanval 41 opstandelingen zijn gedood, dan horen wij diezelfde mededeling ’s avonds in het journaal als nieuwsfeit.

Dat zijn collega’s de straat niet op durven, begrijpt Fisk, die zelf soms te bang is om te kunnen schrijven, maar dat ze ons dat niet vertellen, dat neemt hij ze kwalijk. Want 41 opstandelingen gedood? Zouden daar heus geen ‘gewone’ burgers en kinderen tussen zitten?

Overigens ziet Fisk het moment naderen dat elke vorm van rechtstreekse verslaggeving uit Irak onmogelijk wordt. Hijzelf komt ook niet meer verder dan in een oud, onopvallend barrel racen naar een zelfmoordaanslag, snel een foto nemen van een brandende baby, een interview van dertig seconden houden met een getuige, en dan als de sodemieter weer wegwezen.

Buiten de Groene Zone heerst in heel Irak alleen nog maar chaos, zegt hij. Het is over, de oorlog is verloren. De Amerikanen hebben geen keus, ze moeten weg, maar ze hebben geen keus, ze kunnen niet weg. Dat is volgens Fisk, een vriendelijke, onopvallende man in een blauw vestje, de stand.

Van Robert Fisk lezen of naar hem luisteren word je niet opgewekt, nee. Maar zijn kennis, ervaringen en zijn grote verteltalent – hij bleek ook een fantastische spreker te zijn – helpen beslist om meer te begrijpen van alle onbegrijpelijks waar de kranten mee volstaan.
Fisk was ook in Nederland vanwege de (naar verluidt goede) Nederlandse vertaling van The Great War for Civilisation, the Conquest of the Middle East (De grote beschavingsoorlog, de verovering van het Midden-Oosten, uitgegeven door Ambo Anthos, te koop voor 39,95). Een enorme pil, die ook een eeuw geschiedenis beschrijft. Ik ga lezen hoe het allemaal gekomen is, want ik ben er diep van overtuigd dat het verleden de sleutels voor de toekomst bevat.

Tip van Fisk voor wie de journalistiek in wil: ga vooral niet naar een school voor de journalistiek, ga geschiedenis studeren.

Op z’n egeltjes

Zou ik dan tenminste inmiddels wat diepzinnigs over pijn hebben verzonnen? Sinds een paar weken ben ik gevloerd. Aan mij heb je niks. Een rug en een been die ineens niet meer mee wilden doen, immobiliseren ook de rest van mijn lichaam goeddeels.

Vrijwel totale afhankelijkheid levert dat op. Alles moet me aangedragen worden, en hoe luxe dat ook klinkt, ervan genieten valt me niet licht.

Het akeligste gevolg van iets als dit, is dat je regelmatig verdwijnt. Een verkeerde beweging, een enkel kuchje, het uitgewerkt raken van de pijnstillers, per ongeluk verliggen in je slaap, het leidt allemaal tot plotseling veranderen in pure pijn. De vlammen slaan me dan uit, het beneemt me letterlijk de adem en het lijkt of alles wat me normaalgesproken mens maakt met één woeste slurp uit me wordt gezogen. Terwijl ik me vervolgens automatisch in alle opzichten doodstil houd, schreeuwt alles van binnen om verlossing.

Dat je met martelen iemand alles kunt laten zeggen, begrijp ik op die momenten volkomen. De pijn terzijde schuiven? Een hoekje van je geest vrijhouden waar je dapper standhoudt? Mijn bewondering voor iedereen die dat kan, is immens. Want ikzelf hou geen geest over als mijn rug me martelt.

Mijn begrip voor mensen die niet helemaal goed ter been zijn of zich anderszins niet gewoon kunnen bewegen, groeit ook al spectaculair. Mijn god zeg, de peilloze diepte van de bank alleen al, de ondraaglijke zachtheid van de stoel, de nooit opgemerkte bolling in een vloerplank, de onbereikbaarheid van het trapemmertje in de badkamer, de onmogelijk opgehangen wc-rol, ik bezie dit huis met geheel nieuwe ogen.

Afgezien van de verga-momenten (die uren lijken te duren, maar in werkelijkheid niet meer dan minuten in beslag nemen, mijn gevoel voor tijd is ook al naar de knoppen) is het een kwestie van alles op z’n egeltjes doen: heeel voorzichtig. Want pijn maakt bang voor pijn. Ik heb geen flauwe notie hoe het met mijn pijndrempel is gesteld (hoe kan een mens weten of ie flink is, of juist een zeurneus?), maar merk dat ik als de dood ben hem over te gaan.

En bewegen moet juist. Enfin, het is gedoe, gesodemieter, gezeur, dat leidt tot irritante blikvernauwing. Ik erger me eerlijk gezegd wezenloos aan m’n eigen geobsedeerdheid, en kan me er toch niet aan onttrekken. Met de diepe gedachten over het fenomeen pijn valt het dus bar tegen. Excuses, gewaardeerde lezer.

Pijn vergeet je gelukkig, zei mijn moeder altijd. Gelijk had ze, maar misschien dat het me lukt om als dit over is te onthouden hoe alomtegenwoordig en stuitend opdringerig pijn kan voelen. Hoe een onzin het is te denken dat je je daartegen kunt verzetten. En hoe een ongelooflijke bof het is om in een tijd en een deel van de wereld te wonen waar pijnstillers bij elke drogist te koop zijn voor een prikkie. Als ik in god geloofde zou ik hem alleen al daarvoor zodra ik dat weer kan op mijn blote knietjes danken.

Hééle kleine lettertjes

Exact op het Matthias de Vriesplein in Leiden huist het Instituut voor Lexicologie van Piet van Sterkenburg, de onverlaat onder wiens verantwoordelijkheid er inmiddels een hele reeks doldwaze Groene Boekjes verschenen is – en dat is geen toeval.

Want die De Vries maakte, samen met zijn compaan Te Winkel, de eerste spelling van het Nederlands die verplicht werd gesteld, de ‘bloote-beenenspelling’ die menschen als mijn oma nog leerden.

Dat verplicht stellen, ik geloof hoe langer hoe meer dat ze daar nooit aan hadden moeten beginnen. Het is uitgedraaid op een veel te machtig circus van belangen van een paar kleine partijtjes (een handjevol mensen op het Matthias de Vriesplein, de geldverslindende Taalunie, en de fluitend binnenlopende Sdu uitgeverij), terwijl degenen die voor dat alles het geld fourneren, de Nederlandsprekende burgers, het nakijken hebben.

Want al die betrokken partijtjes doen hun werk gewoon slecht, en zijn inmiddels zo te zien vooral bezig zichzelf bezig en in stand te houden. De idiote willekeur en slordigheden van tien jaar geleden zijn bijvoorbeeld verkoopargument voor de nieuwe aanpassingen van nu. Als het niet zo om te janken was, zou je erom kunnen proesten.

Misschien moesten we dat ook maar doen. Ikzelf geef het in elk geval op. Vraag me niet u de paarde(n)bloemuitzondering-die-voortaan-geen-uitzondering-meer-is uit te leggen. Ik heb er geen trek in, en het is ook volslagen onbelangrijk. En dacht u dat het zin had als we ons gingen verdiepen in wat er nu weer wel en niet aan elkaar geschreven of met een hoofdletter of accentje moet?

Nee. Schluss, mooi geweest. Gelukkig dat Matthias de Vries deze week nogal toevallig ook iets leuks en aardigs voortbrengt. De man figureert in ons Handboek Nederlands. Als spellingbedenker, en ook als grondlegger van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Daarom staat er zelfs een plaatje van hem aan het begin van het deel dat over woorden gaat. Wie het boek heeft: sla bladzijde 146 op en kijk eens goed. Matthias de Vries is daar helemaal uit hele kleine lettertjes opgebouwd.

Dat komt zo: de gravure die er van hem was, was niet direct fraai, en wel saai. Daarom verzon mijn co-auteur Rik Smits dat het toepasselijk zou zijn hem weer te geven in lettertjes. Met dat doel schreef hij een computerprogramma waarmee dat kon. Maar daar kan nog veel meer mee.
Het programma is inmiddels uitgebreid, geperfectioneerd en wat niet al, en net nu gaat er een helemaal nieuwe website de lucht in, in vier talen, waar iedereen op de wereld elke foto of afbeelding in lettertjes en/of cijfertjes kan laten omzetten. Waar dat goed voor is? Lees het Nederlandse persbericht hieronder, en u weet alles.

LetterPix.com

PERSBERICHT – 17 oktober 2005

Nieuw: binnen een minuut je portret in duizenden lettertjes. Kleine lettertjes, maar dan leuk. Je eigen gezicht, dat van je vriend of vriendin, je idool, hond of kat, Boeddha of Balkenende feilloos opgebouwd uit letters en cijfers, komma’s en punten. Dat kan met LetterPix.com, de site die elke foto omzet in een ragfijn portret in lettertekens. Of ze weergeeft in grote, ferme karakters, bijna abstract van dichtbij, maar heel herkenbaar van wat verder weg. Portretten om aan de muur te hangen of op je eigen koffiemok, of muismat te laten zetten. Om bij de kopieerwinkel op je hoogstpersoonlijke unieke t-shirt, tas of jas te laten drukken, of werkstukken, rapporten, jaarverslagen en dagboeken mee op te sieren.

Een LetterPix-portret is een uniek, heel persoonlijk cadeau. Niet alleen omdat jij alleen bepaalt welke foto, tekening of andere afbeelding de basis vormt, maar ook omdat je LetterPix kunt maken uit elke combinatie van letters en cijfers die je maar wilt. Je aanbedene of idool in de letters van haar of zijn naam – of in die van de jouwe natuurlijk, een bruidspaar opgebouwd uit de tekens van hun trouwdatum, je auto in de symbolen op zijn nummerbord, de Jeugd van Tegenwoordig samengesteld uit ‘watskeburt’.

LetterPix is internetkunst voor iedereen en door iedereen. Alles wat je nodig hebt is een digitale foto in jpg-, gif- of png-formaat van niet meer dan 150KB. Dat kan een bestaande afbeelding zijn of een zelfgemaakte, gescand of uit camera of mobieltje. Stuur je foto in op de site en het resultaat komt direct als pdf-bestand per e-mail naar je toe, klaar om te printen met de Acrobat reader. Experimenteer gratis naar hartelust tot je het beste resultaat hebt, en koop dan pas voor €4.50 je favoriete LetterPix, in zwart of een van twintig andere kleuren.

NB: LetterPix in het Nederlands vind je op
www.nl.letterpix.com

Taalschandaal

Halleluja, wat een hoop taalflauwekul kregen we vorige week over ons heen. Eerst was er die koddige vooraankondiging dat de troonrede sprankelender dan ooit zou worden. Op de redactie van het tv-programma Goedemorgen Nederland gingen de harten daar meteen verwachtingsvol van kloppen. Ze belden me op, want ik had vast wel ideeën over hoe mooi het nieuwe taalgebruik zou worden, en zou ik die dan de ochtend van Prinsjesdag met het Nederlandse volk willen delen?

Ik probeerde uit te leggen dat ik geen helderziende was, en dientengevolge hooguit de ochtend ná de derde dinsdag iets over het veranderde spreken van Hare Majesteit kon komen vertellen, maar dat mocht niet, want het programma doet alleen aan ‘vooruitblikken’. Dat dat bij Goedemorgen Nederland hetzelfde betekent als ‘koffiedik kijken’ was taalschandaaltje één.
Enfin, ik nestelde me natuurlijk knus voor de buis zodra de Gouden Koets en de hoedjes voorbij begonnen te trekken. Had ik kunnen voorspellen wat ik vervolgens uit de mond van onze vorstin hoorde?

Nauwelijks. Dat het sprankelend zou worden, had ik niet verwacht. Mijn hoop was gevestigd op een begrijpelijker, beleidsjargon-armer verhaal dan gebruikelijk. Wel vorstelijk uitgesproken uiteraard, met dat unieke koninklijke accent dat ook prinses Laurentien zo snel zo knap onder de knie heeft gekregen (even tussendoor: dat gaat Máxima nooit lukken – het is te subtiel, en veel subtiliteiten en gevoelswaarden van woorden en uitdrukkingen ontgaan vreemdetaalleerders, daarom spreekt de aanstaande koningin zo’n buitengewoon charmant mengelmoesje van heel chic en heel onchic Nederlands).

Die uitspraak was er, maar toen Beatrix uitgesproken was, zei ik nogal onparlementair tegen mijn televisiescherm: ‘Maar je hebt helemaal niks gezegd! Schande!’ Onder ‘sprankelender’ verstaan Balkenende c.s. blijkbaar ‘vaag, vaag, vaag’. Taalschandaaltje twee. Gevolg: ik had eerlijk geen idee wat me verteld was.

Net als zestig procent van de bevolking, viel daarna overal te horen en te lezen op gezag van een of ander adviesbureautje, dat, hé dat kwam goed uit, dezelfde week ook Laurentien had gestrikt voor een speech over begrijpelijk Nederlands.

Nu is dat laatste iets waar geen zinnig mens tegen kan zijn. Vraag is: hoe bepaal je wat voor wie wanneer begrijpelijk is? Nou, dat wist het bureau precies. Er zijn vijf niveaus van begrijpelijkheid, en de overheid ‘communiceert’ meestal op het vijfde, onbegrijpelijkste. Die niveaus waren hun vinding, en ze zijn gebaseerd op zaken als al dan niet lange woorden of lijdende zinnen opschrijven.

Heel lang geleden heb ik al geleerd argwanend te zijn over dingen als ‘leesbaarheidsindexen’ (dankjewel Bert Meuffels). Bij taalgebruik komt veel te veel kijken dat zich niet laat vangen in cijfers of formules, die daarom slechts schijnwetenschappelijkheid bieden. Lange woorden bijvoorbeeld, hoeven niet moeilijk te zijn, en lijdende zinnen al helemaal niet (geloof me, u wordt gek van een tekst met alleen actieve zinnen).

Ik kan niet uitsluiten dat ze bij dat bureau tóch een werkende toverformule hebben bedacht – helaas vroeg niemand naar hun systeem, en is er op hun website geen letter over te vinden – maar aanwijzingen daarvoor zijn er niet.

Want van de voorbeelden waar ze mee kwamen, kwam ik niet onder de indruk. Zo had de koningin niet mogen zeggen dat het de regering ‘niet onberoerd liet’ dat het vertrouwen in de overheid zo gedaald is. Tja. Ik denk dat heel wat mensen die die uitdrukking niet kenden, toch op hun klompen hebben aangevoeld dat Den Haag zegt dat het nu zó erg is dat helemaal negeren niet meer gaat.

En wat ook weinig vertrouwen inboezemde, was het taalgebruik van het bureau zelf. De Volkskrant neemt bepaald wel eens lekkerder leesbare artikelen op dan het hunne, en de man die in het journaal over ‘begrijpelijk Nederlands’ mocht vertellen deed dat in zulke rapportentaal (“inefficiënte overheidscommunicatie”) dat ie er voor op z’n kop kreeg van de verslaggeefster.

Maar uitzenden deed het journaal het wel. En dat een zo belangrijk onderwerp zomaar op grond van niks dagenlang in alle media geconfisqueerd kan worden door een bureautje op zoek naar publiciteit, is nog het grootste taalschandaal.

Waarom de SGP in hoger beroep moet winnen

Oké, wat nou als ik een partij begin die het legaliseren van alle drugs als centraal programmapunt heeft? En stel, dat heeft aardig wat succes. De principiële gedachte dat mensen het zelfbeschikkingsrecht over hun eigen lichaam hebben, en de verwachting dat het de maatschappij een hoop geld en ellende zou schelen wanneer het verschil verdwijnt tussen breezers, bier, wijn en whisky enerzijds en hasj, heroïne, xtc en coke anderzijds, blijken goed voor een zeteltje of twee in de Kamer.

Zeg zelf, het zou zomaar kunnen. Maar dan. Zou mijn Volkspartij Voor Vrije Drugs wel mogen rekenen op de gebruikelijke overheidssubsidie om mijn fractie draaiende te houden? Of zou een rechter kunnen bepalen dat drugs nu eenmaal verboden zijn bij de wet, en dat de wens dat te veranderen bovendien indruist tegen allerlei Europese verdragen en afspraken?

Ik vraag me dat natuurlijk af vanwege de rechterlijke uitspraak vorige week over de Staatkundig Gereformeerde Partij, die acht ton subsidie kwijtraakt omdat vrouwen discrimineren niet mag. Als ze dat toch willen dan moeten ze hun organisatie maar helemaal zelf betalen, was de gedachte die ik in een aantal hoofdcommentaren van kranten enthousiast onthaald zag worden.

Wat een griezelige kortzichtigheid. Begrijp me wel, als ik ergens niets in zie dan is het wel in de SGP. Met de beste wil van de wereld kan ik niet begrijpen dat iemand (man of vrouw) daarop zou willen stemmen. Hun beginselprogramma (te vinden op www.sgp.nl, zij het niet op zondag) vind ik ronduit stuitende lectuur. En echt niet alleen omdat SGP’ers menen dat de man het hoofd van de vrouw is. Hoe ze het in hun gereformeerde hoofden weten te draaien, snap ik ook niet, maar de partij is in feite zelfs tegen de democratie, getuige dit citaat: “De overheid regeert bij de gratie Gods (…). Zij ontleent dus haar gezag niet en kan dat ook nimmer ontlenen aan het volk.”

Maar wat ik vind (of u) doet er absoluut niet toe. Juist omdat we wel in een democratie wonen, mág de SGP streven “naar een regering van ons volk geheel op de grondslag van de in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods”. De partij mág aan dat streven verbinden dat vrouwen dus geen volwaardig lid kunnen worden en nooit mee mogen regeren. Ze mag ook proberen heel Nederland te overtuigen van haar gelijk. Want de vrijheden van godsdienst, vereniging en meningsuiting zijn onmisbare pijlers voor elke democratie. En de prijs die iedereen daarvoor moet betalen, is het verdragen van geloven, verenigingen en meningen die ingaan tegen alles wat je lief is.

Het gaat daarom niet aan de ene volksvertegenwoordiger anders te behandelen dan de andere. De SGP de subsidie ontzeggen die alle andere gekozen Kamerfracties wel krijgen, is principieel onjuist.

En het idee dat er geen overheidssubsidies mogen naar discriminerende instellingen is gewoon dom. Als je daar consequent in wilt zijn, dan kunnen bijvoorbeeld gemeentes alleen nog sportclubs met uitsluitend gemengde teams subsidiëren, dan hoeft geen enkel mannenkoor ooit aan te kloppen bij de Raad voor Cultuur, en mag Amsterdam noch de Gay Pride noch zwemles voor allochtone vrouwen financieel steunen. Moge de SGP in hoger beroep winnen.

Beelden van Taizé

Het is allemaal de schuld van frère Roger, dacht ik van de week, gezeten bij restaurant La Favola (ga daar vooral ook eens zitten, op de Amstelveenseweg in Amsterdam). Hij heeft er nooit weet van gehad, maar zonder hem zou ik hier niet zo vrolijk losbarsten in de moedertaal van de Italiaanse familie die de zaak bestiert.

Frère Rogers bizarre dood (op zijn negentigste in zijn zelf begonnen kerk vermoord) bracht een hoop beelden van het plaatsje Taizé. Ik herkende hoe het er uit zag, maar vond niets van mijn eigen herinneringen terug in het brave, weeë beeld dat overal geschetst werd.

Oecumene, jeugd die intense behoefte heeft aan spiritualiteit, mediteren, bidden? Het was in Taizé dat ik het begrip ‘Latin lover’ aan den lijve leerde kennen. In een moeite door werd ik verliefd op het Italiaans, en deed een overlevingspakket Italiaanse woorden en zinnetjes op, dat uitstekend van pas kwam toen ik later in Florence serieus werk ging maken van het leren van die taal.

Na het vertrek van de Italiaanse minnaar arriveerde de Joegoslavische, aan wie ik het woord ‘jebati’ overhield, waarvan ik niet weet hoe je het schrijft, noch wat de exacte gevoelswaarde is, maar wel dat je er ‘de liefde bedrijven’ mee kunt aanduiden (waar precies is natuurlijk de vraag nu er geen Joegoslaven en Joegoslavisch meer bestaan – me nog vaak afgevraagd hoe het met Tommy en zijn vriend Vito zou zijn).

In Taizé leerde ik dat ‘ontvangst’ in het Frans accueil is, want bij de accueil togen M. en ik aan het werk. We hadden immers net eindexamen in meer dan een handvol talen gedaan, en konden dus mooi de weg wijzen aan al die leeftijdgenootjes uit talloze landen.

Poeh, Frans praten viel nog vies tegen, al kwam ik wel verder dan de Britse Michael, die we tevergeefs probeerden zover te krijgen dat hij merci niet langer als het Engels voor ‘genade’ uitsprak.

Drinken mocht officieel niet, maar er was alleen al daarom elke dag ruim voldoende wijn. Het van organisatiewege verstrekte voedsel was een stuk kariger, dus toen de grote club Italianen een keertje pasta maakte, was dat een festa van jewelste.

Meer beelden: in de grote tenten waarin we sliepen, werd het een geweldige modderpoel als het regende. Soms viel de elektriciteit uit, en van al die dingen werd het alleen maar nog gezelliger.

We werden overdag geacht in groepjes te discussiëren en praten over ‘The second letter of Taizé’. Ik geloof niet dat het me gelukt is die brief ook maar een keer door te lezen. Wel weet ik nog dat hij ging over ‘sharing’, en sharen, dat wilden we wel. Zoals het piepkleine blauwe tentje van mijn Latin lover, dat we trouwhartig om de nacht aan M. en de hare afstonden.
Discussiëren en praten wilden we trouwens ook. En leren, over elkaar, elkaars landen, gewoonten, talen. In een paar weken Taizé stak ik ongelooflijk veel op.

Ik was lang niet de enige die er niet uit vroomheid maar toevallig terechtgekomen was. Anderen kwamen omdat ouders hun kind juist hier met een gerust hart heen durfden laten gaan. Zo gaat het vast nog, en ik kan me dus maar niet voorstellen dat het nu in Taizé zo anders toegaat dan in 1977.

God als smoes

God is overal. De kolonisten in Gaza verwachtten afgelopen week Zijn ingrijpen, met een welgemikt aardbevinkje ofzo, omdat Hij immers bepaald heeft dat alle bezette gebieden in Israel voor de joden zijn, het uitverkoren volk.

Dat laatste hebben ze natuurlijk gemeen met de Amerikanen. Bush kan nog geen lullige baseball-wedstrijd in Texas bezoeken zonder Gods zegen over iedereen af te roepen en Hem te vragen vooral door te gaan “our great country” te zegenen. Zelfs hier in Nederland hebben we dat ‘God bless America’ zo ontzettend vaak gehoord dat bijna niemand zich meer lijkt af te vragen wat dat eigenlijk voor God is, die Amerikanen voortrekt.

Maar God woont ook dichter bij huis. Hij zit in Netwerk, De Ochtenden en Met het Oog op Morgen, zodra Tijs van den Brink van de EO het programma doet. Die vindt het namelijk belangrijker een goed christen dan een goed journalist te zijn, vertelde hij Vrij Nederland.

Over de hele wereld trekt God vrouwen sluiers, burka’s, hoofddoeken en niqaabs aan. Hij snijdt hun clitoris eraf, houdt ze binnen en ontzegt ze onderwijs. De homoseksuele creaties van Zijn schepping mogen niet bestaan, dus het heeft Zijn instemming als die hun verlangens naar liefde en vrijen levenslang wegduwen, en anders executeert Hij ze wel. God hakt de handen van dieven eraf en zaait kanker onder kinderen. Hij deelt zwaarden en bommen uit, en maakt benijdenswaardige martelaars van degenen die ze gebruiken.

Ik bedoel: alles is Zijn wil, als het zo uitkomt. Ieder z’n eigen God, die een smoes voor de gekste dingen kan bieden. Dat maakt Hem, van welke denominatie Hij ook is, erg gevaarlijk. Want Zijn onfeilbaarheid maakt gewone verantwoording afleggen overbodig. Wie God aan zijn zijde heeft, heeft het gelijk aan zijn kant.

Intussen zie ik God het publieke domein steeds vaker betreden, met meer agressie dan ik gewend was. Alleen al daarom wil, nee móet ik proberen te snappen hoe Hij het doet. En gezien de buitengewone breedte en lengte van Zijn wondere wegen (jajaja, ik ken ook de al even nergens op slaande claims dat Hij een ander woord voor Liefde of Vrede is), kan het niet anders of het gaat niet om God.

Waarom wel? Hoeveel ik er ook over nadenk, ik kom steeds hier weer uit: God is het ideale machts- en onmachtsmiddel. Geschikt voor wie macht wil houden of krijgen, maar ook voor wie zich machteloos voelt.

Een enge cocktail. De Bushes en de Bin Ladens gebruiken het godsgeloof om op het wereldtoneel aan invloed te winnen. Daar hebben ze een hoop succes mee, net zoals veel te veel mannen van deze wereld veel te veel vrouwen achter het aanrecht houden (waar ik trouwens allemaal meer van begrijp dan van de enorme homohaat en –angst onder gelovigen).

Die machtzoekers bereiken op hun beurt het makkelijkst de massa’s machtelozen die zich overgeleverd weten aan het lot. Wie voor zijn gevoel weinig of geen invloed heeft op de inrichting van zijn leven, maakt van het lot al gauw liever ‘God’, want dan sluit je een onverwacht gunstige wending niet uit. Je verweren of organiseren (lastig en gevaarlijk) hoeft niet.

Dat blijft ook de enige houtsnijdende verklaring voor het feit dat slechts twee procent van de relatief goedopgeleide Amerikanen zegt niet in god te geloven: er zijn nauwelijks vangnetten in de VS, en je kukelt griezelig gemakkelijk over de rand van de maatschappij.
En toch, het enige wat we uiteindelijk kunnen doen, is er massaal niet in meegaan. De smoes God niet accepteren. Het elders zoeken. Mogelijkheden te over.

Naaktstrand

Wat een vervelende stukjes over nudisme zaten er in de stapels vakantiekranten, zeg. Niks aantrekkelijks aan, wat ik zo las. Stiekem cognac moeten drinken uit een koppie (want alcohol is verboden, en sigaretten trouwens ook), ruzie in de vereniging en binnen het gezin of je soms wél kleren aan mag, en klachten van de oude garde over het luie consumentisme van de jonge.

Dat hadden de mensen die me de laatste weken vroegen naar het naaktstrand vast ook gelezen. Ze klonken in elk geval nogal vol onbegrip over wat ik daar nou zocht, en ook, zoals bijna iedereen altijd, licht huiverig. Ik denk dat ze dat laatste zijn voor de gedachte dat ze ooit zelf hun kleren in het openbaar zouden uittrekken. Maar daar kan ik kort over zijn: dat went razendsnel.

In de hele tijd naakt rondlopen heb ik ook geen zin, dat is maar onpraktisch. Op het strand ligt het anders. Waarom? Naast dat bloot zwemmen zo aangenaam is en je gevrijwaard blijft voor verschuivende bandjes en akelig verbrande randjes, is het er gek genoeg ontroerend.

Al die lijven in alle kleuren, vormen en leeftijden, van griezelig wit tot door en door bruin, van graatmager tot tonnetje rond, van volmaakt glad tot van top tot teen gerimpeld. En alles er tussenin. Ze hebben er minieme borstjes, en joekels, opmerkelijk lange pikken en petieterige piemeltjes. Ze zijn getekend of nog niet.

Dat verplichten niet kan, zie ik ook wel, maar eigenlijk zou ik willen dat alle pubers en iedereen die erover denkt haar of zijn lichaam te verbouwen een paar middagjes op een naaktstrand gaat zitten. Gewoon, om eens te zien hoe échte mensen er uitzien.

Want verreweg het meeste bloot dat wij onder ogen krijgen, is niet van onze omgeving, maar van jong volk dat speciaal op het toevallige schoonheidsideaal is uitgezocht, en er z’n geld mee verdient. Die zijn nooit in het prikkeldraad gevallen, hebben geen buikoperatie achter de rug. Met een normaalgevormde boezem of een pik van gemiddelde lengte kom je maar zelden langs in de huiskamer.

Puber zijn moet tegenwoordig daarom echt nog veel lastiger wezen dan vroeger. De laatste week op de camping begon hun seizoen. Ik zag ze, herkende alles en vermaakte me – maar had ook met ze te doen. Dat je vólcontinu bewust zijn van jezelf. Elke seconde, lijkt het. Van hoe je eruit ziet, van wat je aanhebt, van hoe je loopt, klinkt, kijkt, lacht. Allemachtig wat een strijd. Geen wonder dat er zo veel gegiecheld moet door de meisjes en zo schonkig ongeïnteresseerd gedaan wordt door de jongens. Je moet toch wat om af te reageren?

Met terugwerkende kracht begreep ik mezelf-van-toen ineens beter. Dat ik school er eigenlijk nauwelijks bij kon hebben, dat ik zo weinig zicht had op hoe het er in de rest van de wereld aan toeging, dat zo verschrikkelijk veel me werkelijk geen hol kon schelen. Alle aandacht ging naar het overleven en het in de juiste banen brengen van al die hormonen. Ik was nog nooit eerder zo blij geen puber meer te zijn.

Vakantieboeken

Extreem luid & ongelooflijk dichtbij, door Jonathan Safran Foer, Ambo/Anthos, 2005, 372 blz., vertaling van Extremely Loud & Incredibly close door Gerda Baardman en Tjadine Stheeman.New Yorks jongetje van negen dat zijn vader verloren heeft bij de 11-septemberaanslagen vindt een sleutel die hem langs een heleboel kleurrijke New Yorkers voert. Indirect levert het ding hem toch ook de gehoopte toegang tot zijn vader op, en wel in de persoon van diens vader. Het heden wordt gemengd met de geschiedenis van de grootouders, Duitsers die Dresden overleefden, verhaallijnen die uiteindelijk keurig samenkomen. Tikje hysterisch-Amerikaans en ongeloofwaardig hier en daar, maar er zitten prachtige en goedgeschreven verhalen (het bombardement op Dresden bijvoorbeeld) in. Onvergeeflijk: de illustraties (het boek zit vol opmaakgeintjes en foto’s) zijn niet vertaald. Vertaling zelf is overigens heel redelijk. Een 7,5.

De thuiskomst, door Anna Enquist, Arbeiderspers, 2005, 415 blz. Elizabeth Batts, de vrouw van de achttiende-eeuwse ontdekkingsreiziger Captain Cook, is in de handen van Anna Enquist een interessant en vooral heel menselijk mens geworden. Het boek is onmiddellijk aangrijpend en meeslepend, en bevat bovendien veel meer dan het in alle recensies breed uitgemeten verdriet van Elizabeth om al haar gestorven kinderen. Van de logistiek die er komt kijken bij de wereld ontdekken, via de klassegevoeligheid van Engeland tot bedenkingen over de consequenties van James’ reizen (het exporteren van syfilis). De pointe aan het slot over het werkelijke eind van James op Tahiti had van mij niet echt gehoeven, doet een beetje gewrongen aan, maar erg is het ook niet. Een 8,5.

Never Let Me Go, door Kazuo Ishiguro, Faber and Faber, 2005, 263 blz. Tjonge, wat een knap boek weer van Ishiguro (de man van The Remains of the Day). Wederom in een setting ver weg van de wereld, opnieuw met een fabelachtig oog voor wat mensen zeggen en niet zeggen als ze iets zeggen. Dit keer gaat het over opgroeiende kinderen. Hun onderlinge loyaliteit, hun onderlinge gemeenheid, hun pogingen greep te krijgen op de wereld. Over de gruwelijke omstandigheden die Ishiguro daarvoor bedacht heeft, zal ik niets verraden. Buitengewoon subtiel, geweldig leesbaar boek waarbij je iedere keer denkt: ja, zo gaat dat, wat knap dat ie dat weet! Een 9,5.

Life of Pi, door Yann Martel, Canongate, 2003 (verschenen in 2001, Man Booker Prize), 319 blz. Een joch van zestien dat in zijn eentje een schipbreuk overleeft, en maandenlang blijft overleven op een reddingsboot waarop zich ook een Richard Parker geheten Bengaalse tijger bevindt, ongeloofwaardiger kan bijna niet. En toch heeft Yann Martel er een volkomen aannemelijk, spannend verhaal van gemaakt, dat alleen wordt ontsierd door veel gerefereer aan god en godsdiensten. De hele geschiedenis wordt al aangekondigd als een die je in god zal doen gaan geloven. Maak u niet bezorgd: dat gebeurt niet. Een 7,5.

The Curious Incident of the Dog in the Night-time, door Mark Haddon, Vintage, 2004, 272 blz. De wereld bezien en beschreven door de ogen van een autist. Dat is dieptragisch, bij vlagen ontzettend grappig en ook ontroerend. Zijn speurtocht naar de moordenaar van de hond van de buurvrouw brengt Christopher Boone bij een waarheid waarvan de gruwelijkheid niet echt tot hem door kan dringen, en toch ook weer wel. Onmogelijk om te weten of wereld werkelijk zo bedreigend en lastig is voor een autist, maar het zou heel goed kunnen, denk je bij het lezen van dit originele boek. Een 8.

Some Rain Must Fall and Other Stories, door Michel Faber, Canongate 2000 (voor het eerst uitgekomen in 1998), 242 blz. Faber is de man van de enorme pil en hit The Crimson Petal & the White, waarvan ik twee vakanties geleden smulde (de Nederlandse vertaling heet Lelieblank en scharlakenrood). Deze verhalen zijn ouder, en je ziet hier als het ware een talent van alles uitproberen en intussen groeien. Het zijn vijftien heel uiteenlopende verhalen, die in allerlei delen van de wereld spelen, soms ook onder het kopje fantasy vallen, maar stuk voor stuk de moeite van het lezen waard zijn, al lijkt een aantal nog een beetje onaf. Hoofdrolspelers zijn onder meer een in getraumatiseerde kinderen gespecialiseerde juf, een alcoholische non, god, een dapper door haar vader bezwangerd meisje diep in de binnenlanden van Australië dat via NASA hoopt te ontsnappen, en een stelletje moderne kunstenaars dat een hak gezet wordt. Rijk en breed en aangenaam. Een 7,5.

Het groeit me niet op de rug, hoogtepunten uit de literatuur over geld, samengesteld door Renzo Verwer, BZZTǒh, 2000, 192 blz. Een beetje veel casino misschien, en Multatuli daar kom ik al mijn leven lang niet doorheen, maar verder een heerlijke collectie geldverhalen. Mijn favoriet zijn de bijdragen van Maarten ’t Hart, de notoire vrek die indrukwekkend krankzinnige redenaties weet te verzinnen om toch maar een beetje geld uit te kunnen geven. Belangrijke truc ook is te zorgen dat er lekker weinig geld binnenkomt. Wat een absurde geest. Jules Deelder en de fiscus vond ik ook een hoogtepunt. Een 7,5.

De emigrés, door W.G. Sebald, De Bezige Bij, 2005, 254 blz., vertaling van Die Ausgewanderten door Ria van Hengel (in het Duits verschenen in 1992). Wonderlijk boek, dat het woord ‘plompverloren’ oproept. Het begint maar ergens, en eindigt maar ergens. Eigenlijk is het geen boek, maar zijn het de in een bandje gestopte levensgeschiedenissen van vier (half)joden die voor/door de oorlog naar andere landen vertrokken zijn. Maar het zijn ook weer niet hun levensgeschiedenissen, het is wat Sebald (zelf ook zo’n emigré) min of meer toevallig van ze aan de weet is gekomen. Flarden. En toch leidt dat tot verhalen die je uit wilt lezen, al blijven ze een beetje smaken naar meer en voelt het allemaal wat willekeurig aan. Een 7,5.

Ghostwritten, door David Mitchell, Vintage, 2001 (voor het eerst verschenen in 1999), 427 blz. Het eerste boek van Mitchell, wiens vorig jaar verschenen Cloud Atlas ik werkelijk fantastisch vond. En daarom viel dit stiekem een beetje tegen. Het is in zekere zin een voorstudie voor zijn Wolkenatlas. Ook hier losse levens uit verschillende tijden die toch verweven zijn, ook hier heel verschillende stemmen en een soort einde der tijden. De man kan echt geweldig schrijven, heeft een sombere, illusiearme kijk op de wereld die me zeer aanstaat, maar de krachtpatserij ging me een beetje tegenstaan. Vast flauw, maar zo was het. Geen cijfer, omdat ik het niet eerlijk kan beoordelen.

Consciousness and Language, door John R. Searle, Cambridge University Press, 2002, 269 blz. Gebladerd, hier en daar stukken gelezen. Het is een verzamelbundel, en ik vond het allemaal oninteressante ouwe koek, bracht het niet op, en legde het terzijde.

Atonement, door Ian McEwan, Vintage, 2002 (verschenen in 2001), 372 blz. McEwan heeft iets te veel aanloop nodig, maar verder is dit een zeldzaam spannend, slim, gruwelijk boek. Zit ontzettend veel verschillends in, en voert je van cliffhanger naar cliffhanger. Een meisje van dertien, schrijfster in spe, doet iets dat wel begrijpelijk is, maar ook onvergeeflijk. De consequenties zijn verwoestend, zij het niet voor haar. Van echte atonement (boetedoening) is uiteindelijk toch geen sprake, al gaat het nooit meer weg. Sterke stukken over familieverhoudingen en de terugtocht van de Engelsen naar Duinkerken bij het begin van de Tweede Wereldoorlog. Ook opmerkelijk veel romantiek, en een hoop over wat schrijven wel en niet vermag. Een 9.

Le testament francais, door Andreï Makine, Mercure de France, 1995, 343 blz. En Français, oui. Ook met woordenboek ernaast gaat dat te langzaam. Tot bijna de helft gekomen. Een lief, mooi verhaal over een Française in het harde en koude Siberië, verteld door een kleinkind voor wie er via grootmoeders verhalen hele werelden opengaan. En passant komt ook de hele twintigste eeuw voorbij. Veel clashes tussen Rusland en Frankrijk, het Russisch en het Frans. Heftig van plan het uit te lezen.

Een sentimentele reis door Frankrijk en Italië, door Laurence Sterne, Salamander Klassiek (Athenaeum – Polak & Van Gennep), 2005, 203 blz., vertaling uit 1992 van A Sentimental Journey through France and Italy. By Mr. Yorick (geschreven in 1767) door Frans Kellendonk. Grappig boekje, dat de tocht van een Engelse grote versierder (dat is dat sentimentele) beschrijft. Veel is van alle tijden, blijkt, zelfs tweedehandsautohandelaren. Sterne vond zo’n beetje de roman uit, en het is opvallend hoeveel herkenbaars er in dit kleinoodje zit. Prettig vertaald, mooi uitgegeven. Een 8.

De reis naar Sachalin, door Anton Tsjechov, met een nawoord van Frank Westerman, Atlas, 2004, 405 blz., vertaling van Iz Sibiri, Ostrov Sachalin (verschenen in 1895) door Anita Roeland. Interessant. Tsjechov op het verslaggeverspad, en hij is niet lui en ook niet bang voor een ontberinkje meer of minder. Sachalin was een strafeiland. Veel gevangenen bleven er als ballingen/kolonisten nadat ze hun straf hadden uitgezeten. Tsjechov doet zijn best allerlei cijfers en andere gegevens boven tafel te krijgen, praat met hopen mensen en stuit op veel slecht bestuur en corruptie. Doet wonderlijk modern aan. Een 8.

Number 9 Dream door David Mitchell, Random house 2003 (uitgekomen in 2001), 400 blz. Mitchells tweede boek. Met vaart geschreven verhaal van een Japanse jongen die net twintig wordt en naar Tokio komt, op zoek naar zijn vader. Nog niet uit, maar beleef er al meer plezier aan dan aan dat eerste boek van ’m.

En nu weer aan het werk.

Buitenleven

D’r was fik. Grote fik. Een brede zuil van rook, die uitliep in een angstaanjagende paddestoel, versluierde de zon steeds verder. De blote lijven op het strand kleurden er oranje van, maar dat interesseerde niemand. We zaten eerste rang. In colonne kwam het ene na het andere vliegtuig aanscheren. Vlak voor onze neus doken ze naar het water, schepten in één beweging een grote hoeveelheid zee, keerden en trokken een paar meter voor de vloedlijn weer op, met wiebelende vleugels, nog even zoekend naar een nieuw evenwicht. Rakelings gingen ze over onze hoofden heen.

Een zeldzaam spectaculair gezicht, en het ging maar door, uren achter elkaar. In de verte, als ze terugvlogen naar de brand om hun lading te lossen, of als ze laag over de bomen weer aankwamen, leken het van die speelgoedvliegtuigjes, zoals een kind ze zou tekenen. Van dichtbij was je elke keer weer blij dat zo’n felgeel monster grommend zijn neus optrok, en dat zijn rooie buik niet in het zand landde. ‘Sécurité civile’ stond er op de zijkanten. We keken de bemanning in het gezicht. Fantastische machobaan moet dat wezen, in je element in de strijd met de elementen, en alles mogen doen wat geen piloot ooit mag.

Het kwam allemaal omdat het zo vreselijk hard woei. Reden dat wij en onze tent zelf ook al zo onze eigen strijd met de elementen voerden. Met plezier. Natuurlijk, het is bloedhinderlijk als je alles voortdurend klemvast moet zetten, brillen en hele boeken botweg van tafel waaien, handdoeken nog met geen zes wasknijpers aan de lijn willen blijven, maar zolang dat hooguit een paar dagen duurt, is het gewoon een van de vele kanten die zitten aan buiten leven.

En het buitenleven vind ik iedere keer weer een ware sensatie. Het komt er meestal maar eens in de paar jaar van, en dan is het voor hooguit een paar weken, maar wat een verrukking. Plaats en locatie moeten goed gekozen worden, maar heel Zuid-Europa is ’s zomers geschikt. Ik tik dit aan de Côte d’Azur, onder een plataan (laptop op een krukje, muis op de koelbox ernaast). Musjes en mieren ruimen kruimels etensresten op en doen de voorafwas. Minisalamandertjes schieten voor je voeten weg bij de wc’s. De pijnbomen en oleanders geuren zoals ze dat alleen in warme streken kunnen, en de lucht en de zee zijn gewoon belachelijk blauw. De manier waarop de bladeren boven mijn hoofd afsteken tegen de lucht, de Renoir-zonnevlekjes overal om me heen, het is pure prachtige kitsch.

Maar wat ik altijd weer vergeet, terwijl ik het toch echt weet, is hoe het overgeleverd zijn aan de elementen voelt. Hoe allesoverheersend lichamelijke sensaties zijn. Dat warm echt idioot warm kan zijn bijvoorbeeld, dat een beetje wind dat je huid en haren streelt zo gelukkig kan maken, dat een wandelingetje op een perfect zoele zomeravond of de koelte van het zeewater je van top tot teen kunnen vervullen met een luxegevoel dat zich verder niet onder woorden laat brengen. Het is je lichaam dat die dingen onthoudt, je verstand heeft er nauwelijks verstand van. Mijn verstand weet alleen dat het eens in de zoveel tijd het lichaam ruim baan moet geven. Daar knapt het zelf ook enorm van op.

Het bier is blond

Natuurlijk, ze verstaan me, maar bij elk woord voel ik van top tot teen dat ik raar klink. Automatisch verzacht ik mijn g een beetje, maar ik weet ook wel dat het ’m daar niet in zit. Waarin wel? Hoe werkt het hier? Welke codes-van-thuis doen het wel, en welke niet? Ik vraag het me voortdurend af in de winkels, restaurants en kroegen van Brugge, een buitengewoon charmant stadje met gouden randjes aan de gebouwen en gekloste kantjes aan de kleedjes en bloesjes.

Vlak over de grens is het eigenlijk, en de ober en ik praten allebei Nederlands. Toch verstaat hij ‘warme chocola’ als ik zeg dat we ‘zo graag’ twee pilsjes willen, een misverstand dat vervolgens maar half rechtgezet blijkt te zijn bij de herhaling van de bestelling: warme zomernamiddag of niet, hij komt het terras op wandelen met een pilsje en een kannetje hete choco. Enfin, het leidt allemaal tot vrolijkheid, en eigenlijk is dit de enige keer dat er werkelijk iets even misgaat.

En toch is alles anders. Een pilsje heet hier ‘blond’, en dat moet je er wel even bij vertellen. Wijst een meneer op een terras naar zijn lege kop koffie, dan zingt de serveerster bijna: “Koffietje?” De verkleinwoordjes vallen erg op. Zijn ze hier echt nog erger dan bij ons? Zeker is dat overal ‘frietjes’ bij geserveerd worden, nooit frieten, en dat haringen als ‘Hollandse maatjes’door het leven gaan. Of we ‘knoflookbroodjes’ willen, vraagt de ober die overigens ook overtuigend Engels en Spaans blijkt te spreken.

Het is allemaal volmaakt begrijpelijk, maar bij ons zeggen we het zo niet. In toeristenfolders en in kranten kom je geen alinea ver zonder dat de tekst zichzelf als onmiskenbaar Vlaams verraden heeft. Andere voorzetsels, andere woordvolgorde, andere woorden. De meeste opschriften zijn ook dodelijke weggevers. Er is de wagen van de ‘droogkuis’, in het raam hangt een briefje dat men op zoek is naar een ‘poetsvrouw’ en voor studenten zijn er geen baantjes, maar heel veel ‘jobs’ in de aanbieding. ‘Wegens faling uitverkoop’ staat er bij een boekwinkel. Intussen liggen in de boekwinkels wel precies dezelfde boeken als bij ons.

Prettig is dat een jeugdherberg hier nog gewoon jeugdherberg heet, en de lagere school is nog altijd de lagere school. Maar wat ik graag zou weten: vinden de Vlamingen ons gebruik van ‘je’ en ‘u’ net zo verwarrend als ik het hunne? Voelen zij zich in pakweg Amsterdam net zulke raarpraters als ik in Brugge? En zijn ze intussen even gecharmeerd?

Pruillip

‘Pling’ zei het alarmbelletje in mijn hoofd, toen ik in de Volkskrant las dat álle landelijke kranten ons de afgelopen tijd geadviseerd hebben om ja te zeggen bij het referendum.

Allemaal, zonder uitzondering. ‘Pling’: net als alle grote politieke partijen. Doodgegooid zijn we na de nee-uitslag met commentaren en discussies over de kennelijke ‘kloof tussen politiek en burger’, maar dat was al oud nieuws. Hoogste tijd, plingde mijn belletje, voor een diepgaand onderzoek naar de kloof tussen journalistiek en burger. En naar het verband tussen beide kloven. Want net als bij de politieke partijen verschilt het gat van krant tot krant. Zo stemde zowel de meerderheid van de PvdA-kiezers als die van de Volkskrantlezers (tuurlijk: vaak dezelfden) tegen het advies in tegen. Eigenlijk zeiden uitsluitend CDA-stemmers met de MP ja. Bij het Algemeen Dagblad en de Telegraaf was het het ergst: zij waren voor de Europese grondwet, maar ongeveer tweederde van hun achterban bleek tegen. Van de mensen die helemaal geen krant lezen, zei zelfs driekwart nee. Alleen Trouw- en NRC-lezers stemden op het nippertje voor.

Bij al die cijfers zie ik meteen een berg vragen voor me, maar een paar volstrekt voor de handliggende luiden natuurlijk: zit de journalistiek wellicht te dicht bovenop het politieke establishment? Schurken de kranten niet te hard tegen de macht aan? Lopen de abonnees soms daarom zo gestaag weg?

Die vragen stelde de Volkskrant niet, ze trok alleen een nuffige pruillip. Ze hadden wél goed bericht over het referendum, protesteerde de hoofdredacteur. De krant trof geen enkele blaam, concludeerde wat verderop de ombudsman.

Even terzijde, maar misschien ook wel juist to the point: wat is dat toch met die ombudsmannen? Piet Hagen in de NRC komt met zijn ‘De krant achteraf’ ook maandelijks tot de ontdekking dat de NRC de fantastischste krant op aarde is, en de NRC-hoofdredactie schiet steevast in de blijf-van-me-lijf-stand bij het beantwoorden van lezersvragen. Alleen de wekelijkse ‘Persweeën’ van Paul Arnoldussen in Het Parool – léés die krant! – gaan altijd echt ergens over en geven inzicht.

Dat gezegd zijnde had de Volkskrant-ombudsman wel een interessant detail uitgezocht: waar de redactie het ja-kamp steunde, lag dat bij de columnisten merkwaardig anders: de columnisten in dienst van de krant waren stuk voor stuk ja-zeggers, het twijfel- en nee-kamp werd bevolkt door losse medewerkers. Nog meer voer voor onderzoek van buitenaf en introspectie binnen de krant zelf.

Laat ik daarvoor vast wat leesvoer aandragen, twee krakend verse aanraders om de discussie een lekkere zwengel te geven. ‘Het nieuws ligt op straat’ is de kop boven een kort maar krachtig stuk van Gelderlanderjournalist Marc de Koninck, te vinden in De Journalist van 3 juni. Weg met al het institutionele, geagendeerde persberichten-overschrijfnieuws, zegt hij kort samengevat.

Iets soortgelijks, toegespitst op de wereld van de wetenschap, is ook akelig vaak de boodschap die Hans van Maanen uitdraagt in een hoekje van de Volkskrant. Week in week uit wast hij in zijn rubriek ‘Twijfel’ goedgelovige journalisten de oren, maar die blijven maar doof. Dus hadden we laatst weer overal een geinig berichtje over het aantal minuten dat mannen doen over klaarkomen als ze ’m erin hebben gestopt. Waar komt zoiets nou ineens vandaan? Lees nog even bij die ex-Paroolman (www.vanmaanen.org) welke commerciële partijen erachter zitten.

Medicijnen tegen geloof

Wie een opperwezen wil aanbidden, gaat wat mij betreft z’n gang maar, zolang ie maar twee dingen laat: fatsoen confisqueren als iets waarvoor je gelovig moet zijn, en het geloof een domein binnentrekken waar het niks te bieden heeft – hooguit voor spraakverwarring en tijdverspilling zorgt.

Over beide word ik in mijn slechte momenten werkelijk razend, en afgelopen week kwamen er sterke staaltjes langs. Onder de bizarre titel Geloof? effe checke! (laat ’m effe tot u doordringen) bracht de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht de resultaten van een onderzoek dat op katholieke middelbare scholen was gehouden in de bovenbouw. Wat vinden die jongens en meisjes tussen de vijftien en achttien heel belangrijk? Rechtvaardig zijn (89 procent) en een goed mens zijn (86 procent). De drie minst populaire levensdoelen: ‘leven begeleid door God’, ‘vertrouwen in God hebben’ en ‘geloof hebben’. Wat concludeert de onderzoekster die ik op de radio hoorde: de jeugd van tegenwoordig heeft een hele andere taal, daarom zeggen ze niet meer ‘heb uw naaste lief’, maar dat bedoelen ze wel, en dús zijn ze eigenlijk hartstikke gelovig. Ja, doei zeg!

En dan was er natuurlijk onze minister van onderwijs en wetenschap, die in een interview met de Volkskrant duidelijk maakte het zeer wezenlijke verschil tussen geloof en wetenschap niet te zien, en die mede daarom meent dat een debat tussen onderzoekers en gelovigen zinvol zou zijn. Ze werd onmiddellijk teruggefloten, maar dat zal haar niet afbrengen van haar dwaalgedachten.

Wat wel? In mijn optimistischer momenten denk ik dat er één remedie is tegen het platte idee dat de hele wereld de schuld van God is: kennis. Het ging Van der Hoeven natuurlijk om de evolutie, en in alles wat ze erover zei, proefde je vooral klokken en klepels.

Maar stel nou dat ze zich alsnog goed zou willen informeren, welk overzichtelijk stapeltje toegankelijke boeken over de evolutie zou iemand haar dan eens moeten geven? Daarop past maar een, dieptreurig antwoord: ze zou naar het buitenland moeten uitwijken, want hier is er gewoon niks (nee, kom me niet met die filosoof Bas Haring, want de enormiteiten over evolutie die ik in zijn Volkskrantcolumns lees, ontnemen mij elk vertrouwen in zijn Kaas-en-evolutie-boek).

En gold dat nou nog alleen voor het onderwerp evolutie, allez, maar het landschap Nederlandstalige boeken waaruit je als gewone, geïnteresseerde burger op een aangename manier kennis en inzichten uit de wetenschap kunt opdoen, biedt een dorre aanblik. Hoe kan dat in een zo hoogontwikkeld en zo hoogopgeleid land?

Toevallig discussieer ik daar deze week over, in de Balie in Amsterdam, waar de Vereniging van Wetenschapsjournalisten regelmatig een wetenschapscafé organiseert, samen met het universiteitsblad Folia. “Waarom verschijnen er zo weinig boeken van Nederlandse wetenschapsjournalisten?” luidt de vraag. Het belangrijkste antwoord daarop is: tijd. En tijd is geld. Wie in dienst is van een krant of blad heeft geen tijd, wie freelancet geen geld.

Het is dus geen toeval dat twee van de drie auteurs die dit jaar genomineerd zijn voor de Intermediair/Eurekaprijs (‘voor het beste Nederlandse non-fictieboek op het terrein van kennis en wetenschap’) aan een universiteit werken, en de derde (Nicoline van der Sijs) naar verluidt een waar monnikenbestaan leidt, inclusief de gelofte van armoe. En academia is ook al geen garantie voor kwaliteit, want met die van het enige boek dat ik las, was het droef gesteld (zie de Onze-Taalrecensie van Mineke Schippers Trouw nooit een vrouw met grote voeten in het archief).

Veel zinvoller dan het organiseren van discussies met gelovigen, lijkt het mij daarom als Van der Hoevens departement auteurs zou gaan ondersteunen die de ammunitie kunnen leveren voor op feiten gebaseerde, en vaak wel degelijk broodnodige debatten.

Oorlogsburen

In de zeventien jaar dat ik er woonde, heeft er een hele stoet jonge meiden gezeten. De ene na de andere opgewekte benedenbuurvrouw betrok de etage onder mij, waar de keuken nog zo’n ouderwets schouwtje had, en een voor doorgeschoten welvaartskinderen veel te laag granieten aanrecht.

Ik ben er vaak genoeg binnen geweest. Daar hebben de kantoorbediende Benjamin de Behr en zijn acht jaar oudere vrouw Kitti de Behr-van Hasselt dus gekookt, de afwas gedaan, zich gewassen ook, want een douche of wastafel was er niet. Hoe lang ze er gewoond hebben, weet ik niet. Ook niet of ze het er naar hun zin hadden, lang of kort getrouwd waren, kinderen hadden gewild of misschien wel hadden. Eigenlijk weet ik maar twee dingen: in februari 1941 was de Wilhelminastraat 97 2-hoog in Amsterdam hun adres, en in 1943 kwamen ze allebei om in Auschwitz, zij op 14 januari, hij op 30 april. Oh ja, en ik weet dat het joden waren, natuurlijk.

Het is schuld van Wim de Bie dat ik de hele tijd moet denken aan deze asynchrone huisgenoten, die ruim veertig jaar vóór mij door dezelfde voordeur binnenkwamen, dezelfde trappen oproffelden als ik talloze malen gedaan heb. Die vast ook wel eens uit het zolderraam hebben gehangen, en misschien wel geregeld koffie dronken bij hun bovenburen. Die dus mijn huis in hun hoofd hadden in Auschwitz.

Op Bieslog las ik namelijk vorige week over de website www.joodsmonument.nl. Een beter, slimmer, gruwelijker monument heb ik nooit gezien. Het idee is eenvoudig: het is een database met namen, adressen, data en soms nog meer gegevens van alle joden die de oorlog niet hebben overleefd. U moet er zelf gaan kijken. Tik, net als De Bie (en ik vervolgens dus ook) eens wat straten in, en loop virtueel door de buurten die u kent. Misschien woonde er bij u om de hoek ook een gezin dat volgens de bewaard gebleven inboedellijst noodgedwongen een ‘vierpersoons auto’ achterliet in de garage, een strijkplank in de badkamer, en in de woonkamer een ‘wandkast met waardeloze spullen’.

Veel ‘waardeloze spullen’ zijn er weggehaald, nadat de mensen waren weggehaald. Of zichzelf hadden aangemeld om op transport te gaan, of opgepikt waren bij een razzia op straat – dat staat er niet bij. Wel valt bij heel veel adressen te lezen: ‘Situatie in februari 1941’. Ook bij Benjamin en Kitti de Behr. Dat moet haast betekenen dat ze gehoor hebben gegeven aan de verordening van Rijkscommissaris Seyss-Inquart van 10 februari dat “degene die geheel of gedeeltelijk van joodsche bloede zijn en hun verblijf hebben in het bezette Nederlandsche gebied” zich moesten aanmelden. Een maatregel die de Duitsers, naast een gulden leges van iedereen die aan de verplichting voldeed, hun perfecte registratiesysteem opleverde.

Enfin, van joodsmonument.nl was ik vele malen meer onder de indruk dan van Bush, die afgelopen weekend ook de oorlog kwam herdenken, en weliswaar veel betere speechschrijvers heeft dan Balkenende, maar zich naar ik vrees allang niet meer realiseert dat het overal waar hij verschijnt automatisch oorlogsgebied wordt. Zijn boodschap van vrijheid komt uit pantserwagens, vanachter kilometers prikkeldraad en ondoorzichtige schermen, van plaatsen waar alle bewoners gefouilleerd worden en in de wijde omtrek een ‘aanwezigheidsverbod’ geldt. Waar Bush zich begeeft met al zijn ‘beveiligingsmensen’, staat om de zoveel meter een zwaarbewapende militair, en wordt het luchtruim continu bewaakt. Elke mogelijke wanklank wordt bij voorbaat verboden. Dat zijn dingen waar ik lang over na kan denken.

Stadsherstel, herstel ook hier de stad!

Het licht dat in deze tijd van het jaar ’s ochtends op mijn bed valt, is rood, blauw, oranje, geel, groen, enfin, een mini-regenboogje. Ook na vijf jaar word ik daar op een bijna kinderlijke manier elke dag verschrikkelijk vrolijk van. Het zijn de kleine glas-in-loodraampjes boven mijn ramen die die magische truc trouw verzorgen.

De Gordel 20-40 – naar de twintigste-eeuwse jaren dat ie gebouwd is – heet het hier, en Amsterdamse School. Ah, Berlage, Plan Zuid, Rivierenbuurt, denkt u nu vast als u Amsterdam een beetje kent. Half goed. Ik wist het vroeger allemaal ook niet, maar Berlage en de zijnen hebben nog veel meer op hun geweten. Enorme delen van de Baarsjes bijvoorbeeld. Het beruchte Mercatorplein? Van de hand van Berlage.

De vele pleintjes, de verscheidenheid aan grote en kleine straatjes maken die Baarsjes al veel aantrekkelijker dan algemeen bekend is, maar het allerleukst is de variatie in de kleine dingetjes. Hier een erkertje, daar wat afwijkend metselwerk, verderop een beeldje, een uitbouwtje. Er zijn ronde en ovale ramen, veelhoekige en vierkante. Het houtwerk heeft sierrandjes, de deurknoppen zijn apart.

Als tegenwicht tegen het eeuwige hangen achter de computer heb ik de laatste tijd heel wat uren in de Baarsjes rondgelopen en onderwijl vaak genoten van die, in makelaarsjargon, ‘authentieke details’. Toch overweeg ik inmiddels mijn wandelroutes naar elders te verleggen. Ik vond het al zo erg van het uitzicht vanuit mijn eigen huis, maar nu zie ik het overal: de ramp die zich in de jaren tachtig en negentig voltrokken heeft. Onder het mom van handig en onderhoudsvrij zijn duizenden en nog eens duizenden voor- en achtergevelaanzichten domweg vermoord doordat er felwitte plastic kozijnen en deuren in gezet zijn. Allemaal met een bij voorbaat al ingebouwde zwarte rouwrand langs alle ramen.

Het is armoeiig, het vloekt, het past niet, het doet ronduit pijn om naar te kijken. Mijn eigen glas-in-loodraampjes schijnen op het laatste nippertje gered te zijn bij de renovatie, maar bij mijn overburen en op ontelbare andere plaatsen zijn ze verdwenen, vervangen door plastic dat overdag detoneert als een gek, en ’s avonds de huizen extra zwarte, holle, kille ogen geeft. Hetzelfde zie ik in Oud-West, de Rivierenbuurt, de Pijp, maar nergens is het volgens mij zo erg als hier. Kilometers kaalslag.

Enfin, als ik de ‘Kadernota voor de welstandsbeoordeling in Amsterdam’ (excuseer mijn Ambtenaars) uit februari vorig jaar goed lees, dan is men tot inkeer gekomen. Ik zal u de omzichtige, lange formuleringen besparen, maar ze noemen de gevelkozijnen hét beeldbepalende gevelelement, en bevelen daarom voortaan “het in beginsel handhaven van de oorspronkelijke materiaaltoepassing” aan.

Maar dat is niet genoeg. Ik wil het uitzicht dat ik nooit gehad heb terug! Hier ligt een nieuwe taak voor Stadsherstel, die fantastische erfenis van de onlangs overleden Geurt Brinkgreve, een man die ongeveer eigenhandig de hele binnenstad gered heeft van de ‘modernisering’. Dat de doelstellingen van Stadsherstel (“karakteristieke panden opknappen”, “authentieke details restaureren”, “originele uitstraling teruggeven”) nog eens helemaal van toepassing zouden worden op andere stadsdelen had hij vast nooit voorzien, maar het is wel gebeurd. Daarom alsjeblieft, Stadsherstel, herstel ook hier de stad!

Ik – snap – het – niet

De bommen en granaten in Irak, alle lijken en getraumatiseerden, de kapotgeschoten infrastructuur en nog veel meer verschrikkelijks rechtvaardigen we in Nederland omdat, koste wat kost, de vreselijk dictator Saddam eruit en de democratie erin moest.

Maar gaat de dictator van een uiterst ondemocratisch ministaatje en een al even ondemocratische megakerk van ouderdom dood, dan vaardigen we de minister-president af voor zijn begrafenis en schreeuwt jan en alleman moord en brand dat de koningin niet ook gaat.

Is niet hetzelfde? Waarom eigenlijk niet? Was er werkelijk reden voor egards en eerbetoon en een herdenking in de Kamer? Hoe ver week bijvoorbeeld het gedachtegoed van de nu dode paus eigenlijk helemaal af van dat van de imams die Verdonk het land uit wil zetten? Ze kunnen elkaar (mag nog ook, mannen-in-jurk onder mekaar) een handje geven: geen genade voor homo’s, seks voor je plezier ten strengste verboten, vrouwen moeten hun heil zoeken in keuken en kinderkamer, en wie niet in de Almachtige wenst te geloven, wachten de vreselijkste straffen. Zoek de verschillen.

Een tijdje terug hoorde ik een priester op de tv de moslims bedanken voor het weer ‘op de kaart zetten’ van godsdienst in ons land. Zou dat het zijn? Is het de wijdverbreide, verstikkende islam-omzichtigheid die afgelopen week oversloeg naar het katholicisme?

Of oversloeg? Het sloeg volkomen door. Naar zulke overdoses paus, Polen en ‘pelgrims’ dat ik mijn ogen en oren niet kon geloven. En was de kwantiteit al onverdraaglijk, de kwaliteit benam me helemaal de adem.

En het maakte me bang en boos. Wat is er godverdomme aan de hand? Waarom denkt ineens vrijwel elke verslaggever dat ie devoot moet doen? Wanneer is het reçu geworden voor journalisten om als slippendrager van de Heilige Stoel op te treden? Hoe halen ze het in hun hersens bij het achtuurjournaal om bij de correspondente te informeren hoe die ‘deze dag beleefd heeft’? Waarna het mens ongeveer in tranen uitbarstte. Kom op zeg, ga je werk doen, troel!

Zakelijkheid, eens een kritische vraag, een niet-katholiek perspectief op de dingen, het was er vrijwel niet bij. Lachwekkend was ook de claim dat Giovanni Paolo II hoogstpersoonlijk het communisme ten grave gedragen had. Het is nog niet eens een jaar geleden dat over Reagan exact dezelfde propaganda met opmerkelijk succes verspreid werd.

Ook de kranten gingen maar door, pagina na pagina, dag na dag, tot nota bene de lezers in ingezonden brieven gingen smeken of het op kon houden.

Ja, ja, behoefte aan nieuwe, lekker massamediaal te beleven rituelen, fijn even een sprookjeswereld in, een soort carnaval-buiten-het-seizoen. Ik ken de ‘verklaringen’. En ach, voor alle buishangers en de ‘heilig-hem’-roepende Pieterspleinbezoekers zal er wel wat in zitten, al roepen die naar mijn stellige overtuiging een volgende keer even makkelijk ‘kruisig hem’.

En toch blijf ik na het pausbombardement van afgelopen week uiteindelijk zitten met één overweldigend en machteloos gevoel: Ik – snap – het – niet. Zo weinig aanleiding, zo veel kritiekloze aandacht. Dus denk ik tegelijk als altijd: in godsnaam, doe mij een godsdienstvrije wereld.

Om te janken

Een substantieel deel van de 58.000 mensen die in Nederland in verpleeghuizen wonen, ongeveer een op de drie namelijk, verhongert en droogt uit. Dat is al jaren bekend en het is nog steeds niet over, bleek afgelopen week. Zorgen dat bewoners genoeg te eten en drinken krijgen vergt namelijk niet, zoals u misschien zou denken, een beetje opletten en wat medemenselijkheid, nee, je hebt er richtlijnen voor nodig. En zestig procent van de verpleeghuizen heeft die niet, dus wat wil je dan ook?

Gemiddeld toch zeker eens per week wordt er een meisje dat in Nederland woont besneden. Maar gelukkig is het meestal de lichte vorm. Ze krijgen alleen maar een snee door hun clitoris, dus dat valt weer mee.

De Noord-Zuidlijn, dat lullige lijntje waar niemand op zit te wachten en dat overal in Amsterdam voor verkeerschaos zorgt, brengt dit jaar 65 miljoen euro meer kosten met zich mee dan verwacht. Niet meegerekend: de 100.000 euro voor elke week dat de boel op de Vijzelgracht stil blijft liggen (onderling aannemersconflictje), noch de euro’s die momenteel in het gat onder het Centraal Station verdwijnen, omdat ze niet weten hoe het daar verder moet. Maar het gaat de goeie kant op, want vorig jaar kwam er nog 92 miljoen bovenop de al geplande kosten.

Ludo van Halderen, baas van NUON, het energiebedrijf dat er sinds de voor ons aller heil ingestelde liberalisering van de energiemarkt de grootste administratieve puinhoop van maakt, verdient dit jaar 42 procent meer dan in 2004, namelijk 815.000 euro, exclusief een pensioenstorting van 599.000 euro. Maar dat is verder prima, want zijn salaris is niet omhooggegaan. Het gaat hier om een bonus “voor prestaties op de langere termijn”, en oh ja, een klein bonusje van 63.000 euro dat hij nog te goed had omdat het eerder door de chaotische NUON-financiën niet uitbetaald kon worden.

Onder leiding van Cees Smaling begon uitgever PCM tientallen internetactiviteiten, van reissite Bekpek via vacaturesite Clickwork en tv-programma annex veilingsite Spott tot de eigen nieuwssite EN.nl, zonder dat er ook maar bij een daarvan met normaal gezond verstand was nagedacht over de verhouding tussen kosten en opbrengsten. In een moordend tempo verschenen en verdwenen plannen voor onder meer een boekensite, een culturele site, een kennismakingssite, een consumentensite, en werden gratis e-mail en gratis archieventoegang ingevoerd.

Vrijwel alles werd weer opgedoekt toen elke reserve van het bedrijf er in een paar jaar doorheengedraaid was. Smalings ik-wil-bij-de-grote-jongens-horen droom van een beursgang werd omgezet in een vroegtijdig vertrek, waarna zijn opvolger Bouwman de uitverkoop aan een Britse investeringsmaatschappij mocht doen. De eerste winstgevende titels verdwijnen nog dit jaar in een geen-vlees-geen-vis samenraapsel van zeven PCM- en Wegenerkranten, aanleiding voor ex-adjunct Redmar Kooistra van het op verdwijnen staande Algemeen Dagblad om in een ingezonden brief te wijzen op het feit dat geen enkele bestuurder ooit de verantwoordelijkheid heeft genomen voor alle vervlogen miljoenen. Smaling leest nog steeds de krant, en schreef deze week terug in de NRC. Kooistra ziet het natuurlijk fout, het zit heel simpel zo: “PCM heeft, net al vele andere (pers)ondernemingen op dat gebied prijzige lessen geleerd. Achteraf is dat niet zo bijzonder, wellicht zelfs onontkoombaar.”

Magische boekenweek

De grotemensenboekenweek begon een beetje armetierig. Vlak na middernacht was nota bene het water – tot die tijd te koop voor twee euro per glas – op het Boekenbal op. Ooit voelde ik op een boekenbal een potentiële verslaving opkomen bij het eerste hapje kaviaar uit mijn leven, nu viel er nog geen kaasblokje te bekennen. En te slopen viel er ook al niks. Nog nooit een boekenbal met zo weinig versiering gezien, dus dit jaar geen vermakelijk gênante taferelen van halve en hele beroemdheden die veel te vroeg op de avond al lopen te sjouwen met een of ander losgetrokken decorstuk of een mislukt schrijversportret.

Gelukkig maakte dat alles niets uit voor het traditionele paraderen door de gangen van de Stadsschouwburg, dat zich bijvoorbeeld heel goed leende om Nelleke Noordervliet in het voorbijgaan alsnog een paar Leni Saristitels (ze kon er even niet opkomen tijdens de tv-boekenquiz de avond ervoor) door te geven, veel te kort bij te praten met Frank Westerman en nog korter te zwaaien naar Philip Freriks. Ook het swingen op de al even traditioneel door uitgever Vic van de Reijt gedraaide ouwe plaatjes ondervond geen hinder van de karigheid.

En ach, andere jaren was er weer geen aardige en toegankelijke Koningin van Georgië – de treffende omschrijving waarmee Sandra Roelofs, echtgenote van de nog verse Georgische president Sakaasjvili, geïntroduceerd werd door Hugo Brandt Corstius’ onvolprezen Ina Rilke, die trouwens bezig is Nooit meer slapen voor de Angelsaksische wereld te ontsluiten.

Verder was de jurk van Mieke van der Weij schitterend, droeg Christine Otten een echte Valentino en glansde het gouden strikje van Kees Beekmans bijna net zo fel als mijn handtasje. Kortom, het was een gemoedelijke avond, geen onvertogen woord, of het moest van Klaas Koppe zijn, die al twintig jaar de prachtigste foto’s maakt op elk boekenbal (zie voor een veel te kleine selectie klaaskoppe.nl) en die al twintig jaar gedoe heeft met de entreekaarten en die er toch altijd weer is. Ook het boekenweekthema – geschiedenis – leidde tot niet meer dan een gigantische nogal obligate overdosis geschiedenis in de kranten.

Voor de rel moeten we dit jaar bij de kinderboekenweek zijn. De kinderen hebben in vijftig jaar pas een keertje een bal gehad, maar een thema is er altijd. Die week is in het najaar, en net als bij de volwassenen wordt een half jaar eerder bekend gemaakt waar het over moet gaan. Dit keer is dat ‘magie’, onder het motto ‘de toveracademie’. Een nogal late, niet bijster geïnspireerde reactie op Harry Potter. En dat draagt nog eens extra bij aan de geweldige lachlust die ik meteen voelde kriebelen bij de eerste protesten uit christelijke kring die ik afgelopen week las.

Magie is ontzettend gevaarlijk, vindt men daar, toveren is van de duivel. Want weet u wat het punt is: kinderen kunnen fictie en werkelijkheid nog niet goed uit elkaar houden. Heerlijk.

Wat een subliem inkijkje biedt dit in christenharten, waar een afgrondelijke angst moet heersen dat kinderen ineens haarscherp al die opmerkelijke gelijkenissen gaan zien tussen god en de bijbel, en alle andere sprookjesfiguren en –boeken.

Het seksuele verkeer

Ik heb het een paar keer gedaan in een overvolle tram: me omdraaien en nogal luid “zeg, hou je pik een beetje bij je” zeggen tegen iemand die tegen me aan stond te wrijven met een stijve. De eerste keer dat ik dat durfde, was het een dikkerd in een roodgeblokte bloes die nota bene mijn schouder als opwindmiddel gebruikte. Met een bij zijn hemd passend hoofd drong hij zich razendsnel naar de dichtstbijzijnde uitgang en was weg. Doordat ik de omerta die er over dit soort gebeurtenissen heerst had verbroken, was bij mij ook meteen alle ongemak verdwenen. Een goed recept dus.

Wat je aanmoet met seksuele avances die je onplezierig vindt, is iets dat je in de praktijk moet leren. In alle seksuele verkeer moet je namelijk oefenen. Je moet doorkrijgen wanneer een blik en een gebaar betekenen dat iemand je aantrekkelijk vindt, je moet opmerkingen op waarde leren schatten. Je moet ook handigheid opdoen in zelf laten merken dat je voor iemand valt. En leren om snel genoeg in te grijpen wanneer een ontmoeting een kant uitgaat waar je niet heen wilt. Het is een subtiel spel, waaraan je ongelooflijk veel plezier kunt ontlenen, en dat ook wel eens te ruw gespeeld wordt of anderszins ontspoort.

Een keertje heb ik me het bed in laten kletsen terwijl ik echt niet wou door een jongen wiens naam ik allang vergeten ben, maar van wie ik nog wel heel precies weet dat hij lid was van een studentendispuut dat alleen jongens toeliet – hetzelfde dispuut dat eerder onze huidige minister Donner van Justitie had geherbergd, maar dat terzijde. Toen al vond ik zulke ongemengde disputen niet erg gezond. Het ontbrak die jongens aan oefenmateriaal, aan manieren om te leren normaal met de andere sekse om te gaan.
Waarmee ik overigens alleen het maar blijven doordrammen van die jongen wil verklaren.

Dat ik daar uiteindelijk toch in meeging, was geheel en al mijn eigen verantwoordelijkheid. Stom was dat, en leerzaam. Zo heb ik het altijd gezien, ook toen een aantal jaren daarna de term date rape in zwang kwam, en ik begreep dat mijn avondje van toen daaronder viel. Met dat veel te zware, traumaverwekkende woord kwamen ook de gedragscodes. Jongens werd voorgehouden dat ze voor elke zoen en aanraking eerst toestemming moesten vragen. Absurd. Wat een lustkiller, en hoe discriminerend tegenover vrouwen.

Sindsdien is het hard gegaan met de trend om seks vooral als een probleem te zien, in plaats van als een onderdeel van het dagelijks leven. Het is mijn diepe overtuiging dat codes en verboden en gedragsregels uiteindelijk meestal averechts werken, omdat seks onontkoombaar is. Je kunt er maar beter mee leren omgaan, maar daar moet de cultuur je wel de gelegenheid voor bieden. Als Cynthia B., die toch al 51 is, niet in Amerika was opgegroeid, maar ergens waar ze had kunnen oefenen op technieken en vaardigheden die je wél de seks bezorgen die genoegen verschaft, maar het meeste andere op tijd afstoppen, dan had ze Lubbers (gegeven dat daar inderdaad reden voor was) kunnen toevoegen dat ie zijn pik een beetje voor zich moest houden. Meer was geheid niet nodig geweest.

Massale oerhysterie

Honger en dorst, lust en onlust, wakker zijn of slapen, homo zijn of hetero, vluchten of vechten: het is slechts een deel van wat er kolkt en woelt in het minuscule hersenkwabje met de deftige naam hypothalamus. “Het is maar goed dat we een forse cortex hebben om hem af te remmen”, zegt Herseninstituutdirecteur Dick Swaab erover in het komende nummer van Akademie Nieuws.

De kronkelige hersenschors als het dunne laagje beschaving dat om onze driften heen ligt. Het is een beeld waar ik toch al zo vaak aan denk de laatste tijd. Ik ben daar niet meer gerust op sinds ik me verdiepte in weer een ander kwabje, vlakbij de hypothalamus: de amygdala, oftewel de amandelkernen. Ook daar is het een poel van oerdriften, maar bovenal ontspruit er de angst.

En griezelig genoeg gaat dat letterlijk sneller dan je denkt. De amygdala stuwen je hartslag al op, gooien allerlei hormonen je bloed in, zorgen dat je je schrap zet vóórdat je hebt begrepen waarom. Want alle alarmseinen gaan eerst naar alles wat de lichaamsfuncties in gang zet, en dan pas naar de hersenschors, die de zaak kan begrijpen en overdenken. Fobieën zouden, denkt men, wel eens kunnen ontstaan door de wonderlijke werking van de amygdala.

Zelf zie ik in die instinctieve reactie op mogelijk gevaar een soort tastbare reden waarom angst inderdaad, zoals het cliché wil, een slechte raadgever is. Er zijn er natuurlijk veel meer. Waar in de hersenen bijvoorbeeld de besmettelijkheid van gevoelens geregeld wordt, weet ik niet, maar het is ongetwijfeld ook iets dat zich ergens in evolutionair niet al te jonge hersengebieden bevindt. Je snapt ook nog waarom dat mechanisme het gered heeft: het is goed voor je overlevingskansen als de angst van een soortgenootje automatisch op jou overslaat, zodat jij het ook zonder nadenken op een hollen zet.

Maar hoe verder onze wereld zich verwijdert van de savannes waar we werden wat we nu zijn, des te minder adequaat worden onze hersens. De blindheid en de aanstekelijkheid die bij angst horen zijn tegenwoordig soms levensgevaarlijk. Want die oerreacties worden even goed opgeroepen door de aanblik van angstige soortgenootjes ver weg. De massamedia brengen ze toch in beeld, en dat leidt makkelijk tot massahysterie.

De golf angst die momenteel door het land giert, is er een buitengewoon benauwend voorbeeld van. De hersenschors remt niks meer af, het lijkt wel of alle verbindingen tussen de oerdriften en het bewuste, logische denken verstopt of verbroken zijn. Doodsbang voor terrorisme en moslimextremisme zullen en moeten we zijn. Politici en andere meningenverkondigers zijn werkelijk bijna in paniek. Dat steekt kijkers, luisteraars en lezers aan, en inmiddels is de zaak zo opgezweept dat je je verdacht maakt als je er niet in mee wilt gaan.

Als je bijvoorbeeld zegt: het verbieden van het goedpraten (wat kan daar allemaal mee bedoeld worden?) van terrorisme (geen woord dat zo hard infleert) staat gelijk aan het invoeren van de bij extremistische regimes heel populaire gedachtepolitie. Of: er is niet veel logisch doorredeneren voor nodig om te zien dat het beperken van de bewegingsvrijheid van vooralsnog onschuldigen en ze zomaar fouilleren en zich laten identificeren, de onveiligheid en de kans op terrorisme en extremisme juist vergroten, dat alle recente en in het vooruitzicht gestelde maatregelen averechts werken.

Toch blijf ik het zeggen, in de hoop dat de rede terugkeert, de hersenschors weer meer wordt dan een krompratend schaamlapje voor hysterische angsten.

Het Pavlovhondje in mij

Ach, ik ben ook maar een Pavlovhondje. Althans, de mensenvariant. Ik ga niet kwijlen, maar denken, en mijn hersenen leggen net iets sneller een onzinverband dan een hondenbrein. Om precies te zijn: in een keer. Honden moet je echt een beetje trainen voordat ze een belletje als ‘de etensbel’ gaan interpreteren, en zodra ze hem horen automatisch hun speekselklieren in werking zetten, of er nou echt een bakje voer komt of niet. Ik hoef maar een keer de luxaflex schoon te maken, en het is gebeurd.

Wat? Wel, daar moet ik even wat bekentenissen aan vastknopen. Mijn huisvrouwelijke capaciteiten hebben een, laten we zeggen, beperkt bereik. Zo komt het dat in de kleine vijf jaar dat meer dan honderd smalle lamelletjes mij altijd de gewenste mix van zon en schaduw kunnen schenken in mijn werkkamer, ik die dingen exact eenmaal had schoongemaakt. Mijn blindheid voor stof en vuil is gelukkig goed ontwikkeld.

Maar niet totaal. De laatste tijd zit ik tot gekmakens toe aldoor maar achter mijn computer, en die staat recht voor de luxaflex. Een paar weken geleden deed ik ineens iets stoms: ik stond op van achter m’n bureau, pakte in de keuken keukenpapier en glassex, en maakte het vieste stukje – waar het inregent als het raam openstaat – snel even schoon. Achterlijk natuurlijk, want een stukje schoon maakt de rest alleen maar smeriger.

Dat had ik kunnen weten, maar waar ik niet op voorbereid was, waren de stromen gedachten, gezichten, beelden, gevoelens die met die paar simpele handelingen meekwamen. Ik wist het direct: het waren de zaken die me zeer bezighielden een paar jaar terug, bij de eerste schoonmaakbeurt. Alsof ze opgeslagen lagen in mijn motorische geheugen-voor-luxaflex-schoonmaken.

En nou kom ik er niet meer vanaf. Want natuurlijk roept elke weer frisse lamel om een volgende frisse lamel. Ik heb er dus maar even mijn pauzeroutine van gemaakt. En iedere keer, of ik het nou probeer tegen te houden of niet, of ik eraan denk of niet: pling, daar komen diezelfde koppen en kwesties van toen weer boven. Bizar, en een tikje lastig.

Misschien is het hetzelfde mechanisme dat mij elke keer dat ik aan mijn nootmuskaatmolentje draai, doet denken aan Jan Roelands. Ik was dol op Jan Roelands, een ouderwetse radiomaker met een prachtstem die hij ook inzette bij eindeloze hoeveelheden documentaires. Hij was de bedenker en presentator van de Taalshow, die later Wat een taal ging heten. Zo leerde ik hem kennen, maakte kennis met radio, leerde van hem wat daar wel niet allemaal mee kon. Twee dagen voordat we elkaar eindelijk nog eens buiten de studio zouden zien en hij zou komen lunchen, was hij ineens dood. Het is al meer dan vijftien jaar geleden, maar de nootmuskaatmolen die hij me ooit gegeven heeft, roept hem nog steeds bij elke gelegenheid dat ik ’m gebruik in herinnering.

Het kan natuurlijk zijn dat dit allemaal een particuliere afwijking van mij is, maar anders heb ik een tip: wilt u voortleven in de geesten van familie en vrienden, bedelf ze dan onder geschenken die een beroep doen op hun motoriek.

Voor biefstukkenbakkers

Meteen weer vergeten hoor, wat u in het Volkskrant Magazine van 15 januari onder het kopje ‘Kooktechniek’ las over het bakken van een biefstuk. Onno Kleyn, die het stukje schreef, wil u het leven als biefstukkenbakker nodeloos ingewikkeld maken, en uw biefstuk zal van zijn behandeling niet opknappen. Bovendien slaat hij de belangrijkste stap over, namelijk die van de aanschaf. Daarom hier lekker een ik-weet-het-lekker-beterstukje. Gaat-ie.

Punt een: stap onmiddellijk en voorgoed van de gedachte af dat u bij de supermarkt prima een biefstuk kunt halen. Zoek een echte slager, liefst een die zijn eigen, niet gemaltraiteerde koeien uitzoekt. Moet u daar lang voor zoeken: toch doen. Zit-ie een eind uit de buurt: niet erg. U hoeft er niet vaak heen, want vlees kan behoorlijk goed tegen invriezen (ja, u moet dan dus wel een vriezer hebben). Bijkomend voordeel: u draagt bij aan het kansje dat ook uw kinderen en kindskinderen op gevorderde leeftijd nog eens een fatsoenlijk, smakelijk stukje vlees kunnen eten.

Punt twee: biefstuk kunt u in allerlei soorten krijgen, maar het lapje dat u het lekkerst vindt, heet ossenhaas. Het heeft maar een nadeel: het is spuugduur, maar daarvoor dalijk onder EXTRA 4 een oplossing. Anderhalf ons (laat het afsnijden in een dikke plak, van zeker twee centimeter) is een aangename, niet-krenterige en niet-patserige eenpersoonsportie.
Punt drie: als u denkt dat u uw biefstuk graag ‘medium’ eet, dan is dat hoogstwaarschijnlijk een vergissing, toe te schrijven aan de kwaliteit van de biefstuk die ze u normaliter voorzetten. Ossenhaas wilt u rood, geloof me.

Punt vier: de ossenhaas moet liever niet ijskastkoud de pan in. En ook niet nat. Dus geef hem even wat opwarmtijd, en dep hem helemaal droog met keukenpapier. Daarna kunt u hem al dan niet rijkelijk met zelfgemalen peper bestrooien. Maar niet, NOOIT, met zout.
Punt vijf: bakken doet u in boter, desnoods in goeie olie, maar niet, NOOIT, in margarine. We houden het voor de boterzachte ossenhaas even op boter. U gooit een lekkere kluit in een koekenpan, die op een hoog vuur staat dat u wat lager (maar niet helemaal klein) zet als de boter gaat schuimen. De boter netjes verspreiden door roeren of schuddelen met de pan. De truc is te zorgen dat de boter wel heel heet maar niet bruin is als de ossenhaas (of welk ander te bakken of braden stuk vlees ook) erin gaat.

Het ideale landmoment voor vlees in boter is als het schuim begint weg te trekken. Dat duurt altijd langer dan je gedacht had, zelf als je weet dat het dat doet. Maar het is de enige manier om uw ossenhaas een knapperig korstje te geven. En ook dat wilt u. Bak het biefstukje (of de biefstukjes natuurlijk) pakweg een minuutje aan de ene kant, geef er af en toe even een tikje tegen zodat ie niet vastbakt, en draai het dan om. De dichtgeschroeide kant mag nu, al dan niet rijkelijk, met zout bestrooid worden. Bak de achterkant maximaal twee minuten, draai de biefstuk weer om en strooi ook over die kant zout. Nog een minuutje laten bakken: klaar. Laat de biefstuk even rusten (buiten de pan!) voor u hem gaat eten, daar wordt ie minder bloederig van bij het aansnijden. Aanbaksels losroeren met klein beetje water en daar is uw jus.

EXTRA 1: Doodsimpel chicmakertje voor wie van blauwe kaas houdt. Roer door de jus die in pan is achtergebleven (of door een deel daarvan als u ook gewone jus wilt overhouden), op een laag vuur wat roquefort. Hoeveel? Proef zelf. Laat rustig smelten, blijf roeren. Giet vervolgens jus-roquefortmengsel over biefstukje.

EXTRA 2: Voor een echte restaurantsmaak, -geur en -look: gooi wat in weinig water geweekt en daarna een beetje uitgeknepen eekhoorntjesbrood (ook in Nederland meestal op z’n Italiaans porcini genoemd, vers nauwelijks verkrijgbaar) in de koekenpan, even op hoog vuur bakken, dan laag zetten. Beetje weekwater erbij, en alle aanbaksels losroeren. Dan een flinke dop whisky erdoor, goed doorroeren, en tot slot een stevige scheut room, liefst room die speciaal geschikt is voor warme gerechten (anders gaat de boel schiften, is niet vies, maar ziet er niet uit). Giet de boel over de biefstuk, of doe in een juskom.

EXTRA 3: Al het bovenstaande is ook van toepassing op herten- en struisvogelbiefstukjes. Trouwens ook op grotere, meerpersoonsbiefstukken, die alleen wat langer gebakken moeten worden (hoeveel langer is natuurlijk afhankelijk van de grootte/dikte, is niet een-twee-drie een simpele vuistregel voor te geven). Die zijn vaak niet overal even dik, wat een voordeel is als er eters tussen zitten die blijven volhouden dat ze hun biefstuk medium of zelfs well-done (helemaal doorbakken) willen. Snij het vlees na de rust (zeker vijf minuten bij een grotere biefstuk) in flinterdunne plakjes, en zie alle schakeringen van roze en rood: er zit voor elk wat wils tussen.

EXTRA 4: U vindt ossenhaas erg duur, maar bent wel verslingerd geraakt aan zo veel malsheid? Laat de slager een simpel, goedkoop lapje biefstuk hakken (niet malen! wordt het te fijn van, en hakken geeft een fantastisch echt slagersgeluid in de winkel). Dan krijg je dus gehakte biefstuk, ofwel biefstuk-tartaar, en dat is heel wat smakelijker dan wat ze meestal als tartaar verkopen. Rauw ook lekker, maar daar hadden we het nu niet over. Gehakte biefstuk maak je op dezelfde manier als gewone biefstuk. Extra goed droogdeppen alleen, en peper en zout mogen erdoorheen gekneed. Maak een mooie, stevige, al dan niet afgeplatte bal en manoeuvreer een beetje voorzichtig bij het bakken om te voorkomen dat ie uit elkaar valt. Klassiek bij gehakte biefstuk zijn gebakken dunne uiringen. Kunt u mee beginnen: in de koekenpan met een beetje boter ze op een zacht vuurtje zacht en lichtbruin laten worden. Dan eruit, klont boter erbij, vuur omhoog, en weer als de belletjes beginnen weg te trekken het vlees erin. Als het klaar is de uitjes nog even terug in de pan (indien gewenst er eerst wat jus uit halen), dan over de biefstuk gooien. Je kunt van gehakte biefstuk trouwens ook een echt lekkere hamburger maken.

Het mirakel van taal

Nou, dat komt goed uit. Het nieuwe nieuws van 2005 lijkt zo sprekend op het oude (Israël is Gaza binnengevallen, tientallen doden in Irak, paus roept op tot vrede, dodental Azië stijgt) dat we het daar niet van moeten hebben. Is ook veel te deprimerend allemaal. Deze week daarom maar eens een stukje over iets dat niet stuk te krijgen is, of althans zelfs onder de meest erbarmelijke omstandigheden nog een uitweg weet te vinden: ons taalvermogen.

Ook al omdat er een goeie kans is dat u iets dergelijks hier verwacht. Met dank aan de webredactie van Onze Taal en de redactie van de elektronische nieuwsbrief Taalpost, die Peptalks op oudejaarsdag uitriepen tot nummer 1 in de categorie populair-wetenschappelijke taalwebsites. Jippie!

Sindsdien stroomt u van heinde en ver toe, dus laat me u gauw vertellen van het taalmirakel dat de Amerikaanse psychologe Susan Goldin-Meadow al tientallen jaren onderzoekt, en waarover ik toevallig net aan het lezen ben (boeiende dingen doorvertellen is volgens mij wat je maar het beste onder de vaak slechtbegrepen term ‘populair-wetenschappelijk’ kunt verstaan). Er zit nogal een gruwelijke kant aan de basis van Goldin-Meadows research. Het gaat over peuters en kleuters die zonder taal opgroeien. Omdat hun overigens liefhebbende ouders niet beter wisten. De kinderen in kwestie zijn zo doof, dat ze niks horen van wat hun ouders en andere mensen zeggen, en de ouders wisten niet dat je ze dan wel prima gebarentaal kunt leren. Die hoopten dat de kleintjes later op school zouden gaan leren praten en liplezen.

Wat nou zo mooi is: die kinderen zijn absoluut niet voor een gat te vangen. Want wat gebeurt er? Je moet in het dagelijks leven wat, dus ouders gaan wel wijzen en dingen uitbeelden en andere gebaren maken. De kinderen ook. Maar die doen het al heel gauw anders dan de ouders. Ze gebruiken bijvoorbeeld vaste gebaren voor hetzelfde begrip. Ze stellen gebaren samen uit verschillende elementen, en net als alle andere kinderen op dezelfde leeftijd gaan ze zinnen bouwen, en zinnen van zinnen maken. Structuur en hiërarchie aanbrengen. Ze proberen als het ware taal te destilleren uit het vrij willekeurige en ongestructureerde aanbod van hun ouders.

En het is niet zo dat die ouders hun eigen gesproken taal mimen. Wat de Amerikaanse kinderen die Goldin-Meadow onderzocht gingen doen, leek niet op Engels. Maar wel sprekend op de gebaren die Chinese kinderen aan de andere kant van de wereld onder dezelfde omstandigheden gingen maken. Ook die deden bijna alles wat alle taallerende kindertjes doen, met dezelfde ‘uitkomsten’ als de Amerikaanse ‘thuis-gebaarders’, zoals ze genoemd worden. Onderzoeksgegevens die een ongekend inzicht in het mirakel van taal bieden.

Volgens Goldin-Meadow is er overigens een rechtstreeks verband tussen de gebaren van de kinderen en het menselijk denkvermogen. Doen u en ik het ook zo. Maar dat moet ik nog eens beter lezen, en daarna moet ik er denk ik nog eens diep over nadenken. Verslag volgt, zo niet hier, dan toch in het grote boek over het menselijk taalvermogen dat Rik Smits en ik dit jaar echt waar heus gaan afmaken. Zo, heb ik u ook meteen mijn goede voornemen voor 2005 verteld.

Taalbang

Vreselijk dol op Margreet Dolman ben ik niet, maar afgelopen week zong haar mispelende ‘Ik ben een beetje misselijk’ meteen door mijn hoofd toen ik las over de paardebloem die nu toch weer paardenbloem moet worden. De tweede stem yellde al snel een variant op een voetbalstadionnenharte(n)kreet: pi-po-paardenlul.

Sorry, ik reageer wat erg fysiek merk ik. Het was nogal een zware week waarin we ook weer zo’n schandelijk bangmaak-dictee te verstouwen kregen, dat het moest hebben van accenten, streepjes en hoofdletters die zelfs de jury niet allemaal goed had. Dit maal was het nota bene opgesteld door Campert en Mulder, de jongens van het Camu-hoekje in de Volkskrant, die beter zouden moeten weten dan ook bij te dragen aan het ijskoude taalangstklimaat dat in Nederland al zo lang als ik me herinner heerst.

En niets wijst op komende dooi. In dit land van dominees en schoolmeesters wordt over taal voortdurend hel en verdoemenis gepreekt, en is een spelfout al gauw een doodzonde. Het lijkt wel een soort nationaal masochisme, waarbij het Nederlands het nooit goed kan doen.

Ga maar na: er woont hier een jeugd die zijn taalkennis dag-in-dag-uit creatief inzet bij het sms’en, msn’en of ander gechat. Wie wil spelen met de regels moet ze kennen, en alleen al aan alle in- en afkortingen kun je zien dat jongeren perfect doorhebben hoe het klanksysteem van het Nederlands in elkaar zit. Wordt ze dat verteld? Welnee, de goegemeente zegt eensgezind: taalverloedering! Of neem de Engelse leenwoorden die soepeltjes het Nederlandse taalsysteem binnen glijden, dat daarmee nog maar weer eens zijn kracht en flexibiliteit toont. Maar wie er bezwaar tegen heeft, roept geen schande van de invloed van Amerika op onze cultuur, maar van het Nederlands, dat als boodschapper van het kwaad altijd weer de schuld krijgt.

Bij dat roepen blijft het meestal. In helder redeneren, argumenteren en debatteren hebben we in Nederland nauwelijks traditie. Is dat omdat dominees en schoolmeesters liever ex cathedra verordonneren hoe het moet? Tegenover alle bangmakerij – nog eens extra aangezet door de onzeker makende spellingswijziging van 1995, waar echt geen na een decennium ineens in te voeren paardenbloem of kattenkruid tegen gewassen is – staat niets. Geen aansluiten in het onderwijs bij de fabelachtige kennis en creativiteit die ons taalvermogen automatisch met zich meebrengt, en geen training in het houden van duidelijke, goed gestructureerde, door feiten geschraagde verhalen, die ook voor een ander moeiteloos te volgen zijn. Geen wonder dat goede redenaars en goede non-fictie hier zo’n zeldzaamheid zijn. Je leert hier hooguit ambtenaren- en rapportentaal, wollig poldernederlands.

Dat alles wreekt zich momenteel verschrikkelijk. Want dat er hoognodig gediscussieerd moet worden, is iedereen duidelijk. Maar bijna niemand kan het. Luister naar inbelprogramma’s, kijk naar een gemiddelde B&W, lees de ingezonden brieven en opiniestukken, leg uw oor te luisteren bij de groenteman: hartekreten vermengd met wat modderig geredeneer gaan hier door voor ‘maatschappelijk debat’.

Je zal in dit taalklimaat maar een van die kwart miljoen allochtone vrouwen zijn over wie Máxima afgelopen week vond dat ze alsnog beter Nederlands moeten leren. Of een van die professoren die binnenkort worden afgerekend op het zelf publiekelijk vertellen over hun werk.

De wereld volgens Margreet Hirs

Misschien had ik wel een overdosis moslimdiscussie te pakken, een allergische reactie ofzo – hoe dan ook, ik was even akelig ziek. En toen dat overging in afwisselend dromerig waken en droomrijk slapen, had ik toevallig een bijpassend medicijn in huis: het droomland waarheen Margreet Hirs me met elk boek meeneemt. Haar nieuwe Haventijd lag net naast m’n bed toen ik er ook overdag in belandde.

Immense vertrouwdheid is een van die dingen die dromen vaak bieden. Je bevindt je op locaties waarvan je zeker weet: dit ken ik, hier hoor ik, dit is thuis, zelfs als dat niet waar is. Hirs bezorgt me keer op keer dat gevoel doordat ze Italië en de Italianen door en door kent en tot in haar poriën aanvoelt. Het land is het schijnbaar terloopse decor dat al haar werk een ongekende hoeveelheid sfeer geeft. Ik maak me sterk dat het zelfs geen moer uitmaakt of je Italië kent of niet, lees erover bij Hirs en je begrijpt alles.

Maar haar boeken zijn geen simpele liefdesverklaring aan Italië. Dat is hooguit een extraatje. Romeins theater, Bittere honing, Rood en groen en ook Haventijd gaan over volharding tegen de klippen op, verregaande laksheid en kortzichtige ambitie, eenzaam afzien voor de goede zaak, loyaliteit, ongecompliceerde lust, schofterig egocentrisme, het menselijk gezicht van de zelfkant, de geuren, kleuren en smaken, en de butsen en builen van het echte leven. Ook de recente actualiteit (dit keer onder meer de antiglobalisten en een verdwaalde islamitische zelfmoordterrorist) is iedere keer slim verweven in de verhalen. Hirs heeft mensenkennis en haar wereldbeeld is dientengevolge verre van vrolijkmakend, maar toch word ik van al haar boeken vrolijk.

Margreet Hirs, pasen 2008. foto: Liesbeth Koenen

Dat komt doordat ze stiekem inderdaad een beetje een droomwereld schept, met behulp van magisch-realistische elementen, en andere kleine wondertjes. Op zich wonderlijk dat ik daarvoor val, want ik hou niet zo erg van schrijvers als Márquez, Allende en Lampo, noch van sprookjes voor volwassenen (The Lord of the Rings). Maar bij Hirs is een pratend zwijntje, een kakkerlakje als huisdier, een magische ring, een weemoedig weeklagende oude stad zowel ontroerend als geloofwaardig. Ook het satanisch genoegen waarmee ze bad guys tussen de bedrijven door akelig aan hun end laat komen en good guys (en dolls) wat geluk gunt, doet mij glimlachen en grinniken.

Datzelfde effect had indertijd het lezen van het oorspronkelijk Mexicaanse, trouwens ook als ‘magisch-realistisch’ gecategoriseerde, en al even zinnenprikkelende boek Rode rozen en tortilla’s. Margreet Hirs is de Laura Esquivel van de Lage Landen. Maar ja, haar werk staat te boek als ‘literaire thrillers’, en het wordt uitgegeven door een thrilleruitgever. En inderdaad, er zitten altijd thrillerelementen in, maar het heeft nooit iets van een whodunnit. Gevolg is wel dat als je ernaar vraagt in de ene prestigieuze hoofdstedelijke boekhandel ze Hirs’ nieuwe boek niet eens besteld hebben, en in de andere zeggen ze ‘we verkopen heel weinig van haar’. Tja, als je haar werk niet ruimhartig inslaat en uitstalt… Dat zal wel te maken hebben met het feit dat recensenten slecht uit de voeten kunnen met boeken die eigenlijk buiten de geijkte standaardindelingen vallen. Maar u weet nu wat u met de boekenbonnen van de Sint moet doen: haal Hirs in huis.

Monsterlijke krachten

“Dat is een fabriek!”, reageerden mijn ouders geschokt toen ze hoorden dat er op mijn middelbare school ruim achthonderd leerlingen zaten. Bijna 35 jaar geleden is dat inmiddels. Klein schooltje zou het nu zijn.

Ik moest er aan denken toen ik afgelopen week in de NRC las over de immense populariteit van de laatste zelfstandige Mavo’s in het land. Net als de aparte gymnasia hebben ze een leerlingentoestroom die ze niet of nauwelijks aankunnen, en toch moeten ze intussen heel hard vechten om hun zelfstandigheid te behouden. Erg veel kleiner dan mijn middelbare school zijn die zelfstandige scholen meestal niet, maar vergelijk het voor de lol met de serieuze plannen die er in Amsterdam bestaan om per volgend jaar twee scholen (de ISA en het ROC ASA – afkortingen die ik niet voor u zal uitspellen) te laten fuseren tot één megafabriek van 27.000 leerlingen.

Een weerzinwekkend aantal. Er zijn in de wereld monsterlijke krachten aan het werk. Die alles waar we bang voor zijn of anderszins ongelukkig van worden in de hand werken, versterken. Niet individualisering is het probleem van onze maatschappij, maar juist de ontindividualisering die het gevolg is van de schaalvergrotingen die op alle terreinen plaatsvinden.

Jatten en vernielen, vervreemding en eenzaamheid, frustraties en fundamentalisme, ik ben er tot in al mijn vezels van overtuigd dat dat allemaal in razend tempo af zou nemen zodra we teruggaan naar scholen, ziekenhuizen, bedrijven, overheidsinstellingen, winkels met een menselijke maat. Het gekke is dat eigenlijk ook bijna iedereen dat zou willen.

Wat houdt ons toch tegen? Ik denk dat ik het weet: de klasse van de managers, beleidsmakers en adviseurs, die zo langzamerhand een geheel nieuwe klassestrijd rechtvaardigt. Zij zijn het uiteindelijk die maken dat schaalvergroting vooral naar verdere schaalvergroting voert, en dat er daardoor overal verschraling intreedt.

Het punt is: groeit een organisatie, wat voor een ook, dan groeit er vanzelf een steeds gapender gat tussen degenen die beslissingen nemen en plannen maken en degenen voor wie die uiteindelijk bedoeld zijn. Ondoordringbare papierwinkels en andere bureaucratie, vergald werkplezier, verdwenen persoonlijke verantwoordelijkheid, en veronachtzaamde wensen van klanten, patiënten, leerlingen, burgers zijn het gevolg.

Het mechanisme is natuurlijk op zichzelf al heel oud, maar de zaak is out of control geraakt. Iedere keer dat opnieuw blijkt dat de beloofde efficiëntie, synergie en kostenbesparingen bij schaalvergroting achterwege blijven, gaan de managers en beleidsmakers namelijk op advies van de adviseurs nieuwe managers en beleidsmakers aannemen, extra bestuurslagen creëren, die ook weer beleid gaan maken, gaan managen. Daar wordt de organisatie meestal nog weer stroperiger van, dus moet daar nodig nieuw beleid tegen komen, enzovoort, ad infinitum.

Overal zitten er daarom nu enorme, nog steeds uitdijende waterhoofden, die gigantische budgetten opslorpen. Ten koste van de werkvloer, u weet wel: de handen aan het bed, de leerkrachten, de vaklieden, de schoonmakers, kortom de mensen die het werkelijke werk doen. Met steeds minder voldoening.

Ik hoop zo vurig dat zij de revolutie gaan leiden, dat ze de stoomwalsende managers – die inmiddels met zovelen zijn dat ze niet kunnen zien dat hun ‘werk’ vooral bestaat uit het hinderen van het echte, wél noodzakelijke werk – kunnen keren voordat de hele maatschappij knarsend en piepend en schurend ontspoord is.

Touché

Hutsekluts. Uitgeput en door elkaar geschud voel ik me van alle verslagen, debatten, commentaren. Wat moet ik? Ook vertellen wat ik van Theo van Gogh en zijn werk en zijn ideeën en zijn stijl vond? Of mijn eigen belevenissen met ’m breed uitmeten? Nee, want het doet niet terzake.

Moet ik andere commentaren becommentariëren dan? Tegen Holman roepen: “Theodor, jongen, denk nou niet dat Theo ‘dus gelijk had’, dat is net zo min waar als dat ie elke vrouw kon krijgen.”? Dacht het niet.

Mijn ergernis met u delen over de schijnheilige reacties (de overlijdensadvertentie van de AVRO: “Theo van Gogh was een uitermate creatief en eigenzinnig mens en een uitgesproken vrijdenker, wars van dogmatiek. Om die reden paste hij bij ons.”), of de onzinnige en gevaarlijke (het kabinet dat geen idee heeft, en dus paspoorten wil innemen en à la Bush ‘de oorlog’ verklaart)? Nee, dat wil ik allemaal niet.

Ik wil het hebben over twee dingen die in mijn hoofd bleven hangen, beide opgebracht door Marokkanen die te zien waren op het Amsterdamse tv-station AT5.

“Waarom”, zei de ene Marokkaan, als ik zijn woorden even in autochtonen-Nederlands vertaal: “word je opgepakt zodra je een jood uitscheldt, terwijl de islam bespotten en beledigen wel mag van de rechter?”

Tja. Vrijheid van meningsuiting is superbelangrijk, maar er zijn grenzen, het mag geen kwetsen worden. Hoe vaak heb ik dat gehoord de afgelopen dagen? Het benauwt me verschrikkelijk. Waarom begrijpt bijna niemand dat zulke grenzen stellen niet kán? Dat ‘gekwetst’ of ‘beledigd’ per definitie subjectieve gevoelens blijven, waar een rechter nooit objectieve maatstaven voor kan aanleggen?

Het is de prijs voor het vrije woord: verdragen dat anderen dingen zeggen die jou toevallig doen walgen. Als we die niet willen betalen, levert dat sowieso willekeur, oneerlijkheid en discriminatie op. Nu is de tendens bijvoorbeeld dat moslims, EO’ers en Buttigliones niet mogen zeggen dat homo’s zieke engerds zijn, ook al vinden ze dat oprecht, terwijl anderen wel mogen beweren dat alle gelovigen volstrekt achterlijk zijn. Op dit moment kan het inderdaad heel goed zo uitkomen dat een uitspraak over joden wel, en eentje over moslims niet bestraft wordt door de rechter. Over tien jaar kan dat allemaal omgekeerd liggen, maar hoe de verdeling ook uitvalt: altijd zijn er groepen die reden hebben zich achtergesteld te voelen, die daardoor wrok kunnen gaan koesteren. Iets waar vervolgens alle groepen last van krijgen. Dat is een van de redenen dat het vrije woord absoluut moet zijn.

“Hoezo is moord nooit gewoon?”, zei de tweede Marokkaan, die zojuist – anders dan de meesten – niet omfloerst, maar recht voor zijn raap gezegd had dat Van Gogh het gewoon over zichzelf had afgeroepen. “Moord is toch nooit gewoon”, had de verslaggever gereageerd. Wel, dus, vond de Marokkaan: “Kijk dan naar Irak, daar wordt aan een stuk door gemoord, en daar hoor je niemand over.”

Touché. Daarom, ongeveer het enige zinnige wapen tegen fundamentalisme dat ik zo gauw kan verzinnen, is het vrije woord inzetten om eindelijk een serieus openbaar debat te beginnen over de Nederlandse politiek tegenover zowel Israël als Irak (lees: Amerika). Dries van Agt (afgelopen zondag weer in Buitenhof) probeert dat, maar hij kan het niet in zijn eentje af. En ook wie ons beleid uitstekend vindt, doet er verstandig aan te proberen dat uit te leggen aan alle moslims voor wie het een zeer zwaarwegend punt is.

Geautomatiseerde hersens

Op mijn wasmachine zit een knopje ‘handwas’. Klinkt als een ingebakken tegenstrijdigheid, maar sinds ik dat apparaat heb, zie ik voor het eerst regelmatig de bodem van mijn wasmand. Mijn gasfornuis kan ook de afwas doen (heus), en schenkt mij daardoor dagelijks een leeg aanrecht. Mijn tandenborstel is elektrisch, mijn radio zoekt zelf de zenders op, mijn vriezer is mijn voorraadkast, mijn koffie wordt gezet door een machine, sneetjes brood krijgen met mijn rooster vanzelf iedere gewenste bruinte, en mijn slagroomkloppertje heeft het allang afgelegd tegen een mixer.

Toen ik op mijn negentiende het huis uit ging, had ik niet één van die dingen. Mijn huishouden is steeds verder geautomatiseerd geraakt, en niemand die er iets bijzonders in ziet. Ook zelf ben ik meestal razendsnel over de eerste kick heen bij weer een nieuw apparaat, ondanks dat ik nota bene nog levendige herinneringen heb aan de gevaarlijk stomende zinken wasketel waarin mijn moeder de zware lakens met een wit-uitgeslagen houten tang heen en weer roerde, aan het groene ‘oog’ waaraan je kon zien hoe de radio langzaam opwarmde, aan het voorzichtig ‘opschenken’ van de koffie, aan hoge stapels toast die afgekrabd moest worden omdat ie weer eens te laat met de hand was omgekeerd, en aan de hele middagen en lamme armen die het maken van een eenvoudige cake kostte. Allemaal vervlogen inspanningen, je vraagt je af waar we in vredesnaam alle veroverde tijdwinst gelaten hebben.

Maar ik heb nóg een staaltje automatisering in huis, dat ook een hoop tijd en ergernis kan schelen, en waaraan het een stuk lastiger wennen is. Het gaat dan ook om de automatisering van mijn hersens, en die zijn traag in snappen dat ze geautomatiseerd kunnen worden. Maar dat is precies wat je met het internet kan doen.

Hoe? Simpel voorbeeld. Ik zit naar een film te kijken, met een acteur die ik absoluut vaker gezien heb, maar waar ook weer, als wie of wat ook weer? Vroeger bleef ik me dat een filmlang afvragen, iets dat vreselijk afleidt. Nu wip ik even naar mijn computer, tik de filmnaam in de zoekmachine, plus de naam die de acteur in die film heeft. Et voilá, daar is zijn echte naam. Nog heel even verder zoeken en ik heb alle films waarin ie nog meer heeft gespeeld, ik zie foto’s, enfin, binnen de kortste keren weet ik waar ik hem van kende.

Dat dat kan, vind ik revolutionair. Kijk, het internet als bron van kennis die je nog niet had (en als handige corrector) is al zo fantastisch, maar dat je kennis die je wel hebt maar onmogelijk meer op kunt diepen tóch terug kunt halen, is een soort wonder.

Ik heb dat nu al heel wat keren beleefd, en de voldoening is groot, maar ik ben ook nog aan het leren hoe de knoppen van dit magische apparaat het handigst te bedienen zijn. Welke zoektermen gebruik je waarvoor? Wat werkt, wat niet?

Wat ik intussen graag zou willen weten: dat dit kan, wat zegt dat eigenlijk over kennis, en over onze hersenen?

Gottegot

Maandagochtend, net aan het werk, de bel. “Wie is daar?”, roep ik niet overdreven vriendelijk het trapgat in. “Mijn naam is Marian.” “Waar komt u voor?” “Nou, voor u.” Argwanend zeg ik: “Wat wilt u van mij?” “Ik wil met u over het woord van God praten”, antwoordt Marian, exact zoals ik al vreesde. Na mijn “Dan bent u volkomen aan het verkeerde adres” vertrekt ze zonder dat we elkaar gezien hebben.

Meestal word ik nogal giftig van Godswoordverkopers aan de deur, maar dit keer overviel me een vermoeide treurnis. Gottegot, wat intens triest dat iemand haar moed, energie en inzet stopt in het anderen lastig vallen met haar Opperwezen.

Ze bleek een voorbode van de rest van de week. Of is het iedere week raak en was ik er nu wat gespitster op? Hoe dan ook, het godsgeloof vrat heel wat verhitte krantenkolommen en radio- en tv-uren op. Daarin werd weer een partij ingewikkeld geredeneerd en emotioneel uitgehaald, terwijl de kwesties – mag jongetjesbesnijdenis, en mogen gezichtssluiers en naveltruitjes op de Vrije Universiteit – zo simpel waren als wat.

Want stukjes afsnijden van babypiemels is al verboden door de wet, om precies te zijn: door de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden van 24 augustus 1815, waarin artikel 11 van Hoofdstuk 1 (Grondrechten) luidt: “Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.” Wel, er bestaat geen wet die van besnijdenissen een uitzondering maakt. De Europese Grondwet spelt ook nog eens uit dat je “in het kader van de geneeskunde en de biologie de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene” nodig hebt. Vind maar eens een Europese baby die brabbelt dat ie zijn voorhuid net zo lief kwijt is.

Dan was er de voze VU, die dacht dat gezichtsbedekkingen verbieden makkelijker zou zijn als je tegelijk blote buiken de toegang tot collegezalen zou ontzeggen. Dat gaf weer ruim baan aan de mantra’s van de moslimmeisjes-met-hoofddoek: het is niet omdat we moeten, we willen het heus zelf. Maar wie meent een hoofddoek of nog erger om haar hoofd te moeten doen, heeft de overtuiging niet gelijkwaardig aan mannen te zijn. Want geen hoofddoekdraagster verlangt dat ook mannen hun haren bedekken. Sekse-discriminatie dus, en ook dat mag niet van de wet.

Dat zijn allemaal geen meningen, maar feiten. Alleen wordt het zicht daarop totaal vertroebeld doordat God erdoorheen fietst. Dat levert steeds weer benauwde omzichtigheid, leugenachtig gedraai en lachwekkende smoezen op. Dan veroorzaakt zicht op een navel plotseling communicatieproblemen, en staan de voormannen van de joden en de moslims ineens eensgezind hun ontbrekende voorhuid te verkopen als een hygiënemaatregel. Terwijl de VU, mét Van Kooten en De Bies Positivo’s, natuurlijk in werkelijkheid denkt: ‘onze God is de beste’, en hoofddoekdraagsters en besnedenen hun gebruik alleen maar verdedigen omdat het bij hun godsdienst hoort.

Pas als er een eind gemaakt wordt aan de huidige interpretatie van ‘de vrijheid van godsdienst’, die voortdurend boven andere vrijheden, zoals die van meningsuiting gesteld wordt, kan het openbare debat eerlijk gevoerd worden. Wat zou dat gezond zijn, en een hoop verspilde energie en moeite schelen.

Porties en proporties

Fikkie is afgelopen week weer moddervet geworden, misselijk zelfs, van alle porties die ie van mij mocht hebben. Oké, Hazes kon lekker uithalen en had een talent voor meezingers, maar my goodness, dat is toch geen reden om hem na zijn dood onmiddellijk alle radio- en tv-zenders te laten confisqueren. Dode volkszanger, jippie! Een echt smulonderwerp voor alle redacties in het land. Zelfs de actualiteitenprogramma’s wisten niks actuelers te verzinnen.

Flauw en elitair van mij om me daaraan te ergeren? Ik zou er vast minder over vallen als ik niet zo vaak het gevoel had dat de verhoudingen in de berichtgeving domweg zoek zijn. Dat nuchtere feiten elke dag opnieuw begraven worden onder kolkende emoties. Ook bij zaken die heel wat ingrijpender zijn dan een gestorven BN’er.

Het griezeligste aspect daarvan is misschien wel de schijnbaar volledig geaccepteerde tendens om de wereld in A- en B-mensen onder te verdelen. Zo zaten de Twin Towers vol A-mensen toen ze naar beneden gehaald werden. Binnen de kortste keren werden er in Afghanistan cluster- en andere bommen gegooid die veel meer mensen doodden dan de ongeveer drieduizend slachtoffers die er op 11 september in Amerika vielen. Kennelijk B-mensen, want zij verdienden geen massale verontwaardiging, geen minuten stilte, geen jaarlijkse herdenkingen, geen monument. En hoeveel van die B-personen er daarnaast diezelfde winter nog verhongerd zijn, omdat de toevoerlijnen voor voedselhulp werden afgesneden? Wie het weet, mag het zeggen.

Buitenproportioneel is het geringe aantal berichten uit dat land, zij het dat alles wat je kunt lezen in de krant wijst op een puinhoop zonder weerga. Buiten Kaboel heerst er pure anarchie. De Taliban, de krijgsheren, ze hebben het op veel plaatsen gewoon weer voor het zeggen. Maar ja, het zijn daar allemaal toch wat achterlijke types in lange jurken. B-mensen. Dus dat wij daar met onze F16’s de Amerikanen hielpen ze plat te gooien, is niet zo erg.

Wedje leggen? U weet allemaal dat er in Irak inmiddels ruim duizend Amerikaanse militairen omgekomen zijn. En geeneen van u weet hoeveel Irakezen in dezelfde tijd gedood zijn. Dat weet namelijk helemaal niemand precies. Maar zelfs de meest conservatieve schattingen vertellen dat er meer dan tien keer zo veel Irakese burgerslachtoffers zijn. Let wel: burgerslachtoffers. Stuk voor stuk B-mensen.

Maar wat ook onze gevoelens zijn, hoezeer misschien ook te snappen valt dat wij ons, wat ze ook doen, verwanter voelen met Amerikanen dan met Afghanen en Irakezen, die cijfers tellen wel. Net als het gebrek aan interesse ervoor in de ‘gewone’ media (op het internet is er voor wie wil zoeken natuurlijk wel heel veel te vinden). Niemand vindt zichzelf namelijk een B-mens. Noch zijn moeder, baby, broer of verloofde.

Leed wegstrepen tegen ander leed, verdriet vergelijken met verdriet, ik kan het niet. Maar het gebeurt in feite dag in dag uit in de journalistiek. En soms worden de scheve proporties me echt te dol, en snak ik naar een portie nuchtere feiten. Dan wil ik bijvoorbeeld naast die ene kist op de middenstip van de Arena, even ook alle verse kisten in Afghanistan en Irak in het nieuws zien.

Vals

Er staat een hek in de IJhaven in Amsterdam, om Amerikaanse toeristen die van een cruiseschip afwandelen te beschermen tegen terroristische aanslagen. En niemand die de slappe lach krijgt.

Het is misschien uiteindelijk ook meer om te huilen, maar ik hoor het niemand doen. Net zoals er alleen hier en daar een opiniestukkenschrijver of een advocaat in de woestijn staat te roepen over de nieuwe vrijbrieven voor politie en Openbaar Ministerie om wie dan ook af te luisteren, te fouilleren, extra lang vast te houden. Als het aan het kabinet ligt, hoef je daar namelijk niet langer verdacht voor te zijn. Een vaag vermoeden dat iemand wellicht iets terroristisch van zins is, is genoeg. De kans dat de Kamer met deze zoveelste antiterreurmaatregelen instemt, is ongeveer honderd procent.

Twee valse aannames liggen aan de basis van het gemak waarmee er ingegrepen wordt in ons rechtssysteem en in ons dagelijks leven. De eerste is dat hekken, poortjes, politiemensen, camera’s, fouilleren enzovoort terroristen tegenhouden. Dat doen ze niet. Er zijn altijd gaten en kieren in het systeem waar wie echt kwaad wil doorheen kan glippen.

Zelf laatst meegemaakt op het vliegveld van Boston: eindeloos in de rij staan, schoenen uit, dingen uitpakken en ga zo maar door. Mijn domme reisgenoot heeft zijn toilettas in zijn handbagage gestopt. Dat kost hem zijn schaar, die meteen gespot wordt door de röntgenapparatuur. Maar zijn bloedjescherpe zakmes en zijn grote Opinelmes, die in dezelfde toilettas zaten, mogen onopgemerkt vrolijk meereizen tussen de passagiers.

Afgelopen weekend was er het zoveelste bericht over een journalist die met een goedgelijkende nepbom een vliegtuig had weten te bereiken. Nee, dat betekent niet dat de bewaking en de beveiliging nog strenger en beter moeten. Het laat zien dat waterdichte controle domweg niet kán.

De tweede aanname, en ook dat is wishful thinking, luidt dat wie niets verkeerd doet, ook niets te vrezen heeft. Dat was al nooit helemaal waar, maar daarvoor waren er veiligheidskleppen ingebouwd in het rechtssysteem. Dingen als dat er een gerede verdenking moest zijn, en bewijs, en dat je advocaat meteen een compleet dossier kreeg. Als dat wegvalt, zijn alle burgers vogelvrij. Een paar keer met uw mobieltje op zak stomtoevallig in de buurt van echte boeven geweest? Ze kunnen u zo opsluiten. U hebt een naamgenoot die iets op zijn kerfstok heeft? U zou de eerste niet zijn die daarom van zijn bed gelicht wordt. Een foutje bij het gegevens invoeren maakt dat de computer uw nummerplaat uitspuugt? Een ‘vermoeden’ dat u ergens bij betrokken bent, is er zo. En dan mogen ze u oppakken en vasthouden. En denk nou maar niet dat u zachtzinnig ondervraagd zult worden.

En zelfs, stel, stél nou dat er hier een aanslag als bijvoorbeeld in Madrid zou plaatsvinden, dan nog móet je je als regering en Kamer afvragen of je maatregelen helpen en deugen. Wanneer het gaat om onze ‘aanwezigheid’ (mooi vaag eufemisme is dat toch) in Irak worden de Donners, Kampen en Balkenendes niet moe te roepen dat terreurdreiging geen rol mag spelen. Je mag er niet voor wijken. Waarom mag onze rechtsstaat er dan wel voor wijken? De terroristen hebben al gewonnen voordat er in Nederland ook maar één terrorismeslachtoffer gevallen is.

Minister van alchemie

Wist ik niet: Newton, de man die zich realiseerde dat er zoiets als zwaartekracht moet bestaan, wou wat hij bedacht allemaal voor zichzelf houden. Publiceren? Ben je belazerd, dan ligt het op straat! Dat was ongeveer z’n motto. Briljant als hij was, dit was een bijzonder stom trekje. Daardoor kon hij bijvoorbeeld zijn collega-onderzoeker Leibniz veertig jaar lang van plagiaat betichten. Want misschien had Leibniz wel dat halfgeheime manuscript van hem gezien en…

Het gevolg is dat middelbare scholieren nu al eeuwenlang bij de wiskundeles leren op zijn Leibniz’ te rekenen. Hij ontwikkelde hem ietsje later dan (maar wel helemaal los van) Newton, maar zijn methode voor wat we nu kennen als integraal- en differentiaalrekenen was meteen beschikbaar.

Ik las dit van de week, aan het eind van een nacht die ik besteedde aan bijlezen over het wonderlijke goedje RNA. Vroeger was dat altijd een ondergeschoven kindje, niet meer dan een boodschappenjongen van ons erfelijk materiaal, het DNA, en dát was waar de halve wetenschappelijke wereld op joeg. Toen de buit binnen was (alle DNA-code op een rijtje), viel die nogal tegen, want wat stond er nou eigenlijk in die code? Wel, RNA blijkt onmisbaar om daarachter te komen. Ook is het onze redder als er vreemde indringers ons lichaam in komen, want dan slaat het alarm en marcheren vervolgens de afweertroepen binnen. En in de verte klinkt toekomstmuziek die belooft dat de strijd tegen veroudering gewonnen kan worden, maar ook daarbij kom je niet om RNA heen.

Heerlijk en verschrikkelijk was die nacht. De allang overschreden deadline voor het interview over RNA schoof almaar nog verder door, en wat ik las over het spul was verdomd lastig. Maar ik had ook het gevoel dat er een wereld voor me op een kiertje ging. Om het hoekje zag ik weidse vergezichten, en het genoegen dat dat geeft zal ik wel nooit goed kunnen uitleggen aan wie het niet kent.

Tegenwoordige onderzoekers willen hun kennis wel delen. Het in onze ogen bizarre gedrag van Newton (sowieso een arrogante, onmogelijke vent) heeft bijgedragen aan wat nu de normale gang van zaken is: als je iets bedacht of gevonden hebt in de wetenschap stuur je je verhaal op naar een tijdschrift dat over jouw vak gaat. Vakgenoten kijken vervolgens of het de moeite waard is, en vinden ze van wel, dan wordt je artikel gepubliceerd en weet voortaan iedereen het. Niet waterdicht, maar een hele verbetering in vergelijking tot de zeventiende eeuw.

Maar in de 21ste eeuw gaat het nog een stap verder. Volgens de Volkskrant van afgelopen zaterdag gaat minister Van der Hoeven van Onderwijs en Wetenschap in de wet vastleggen dat universiteiten en andere instellingen waar ze onderzoek doen voortaan ook niet-vakgenoten moeten vertellen wat ze allemaal vinden en bedenken. Uitstekend idee. Ik gun iedereen heerlijke nachten waarin ze wél inzicht krijgen, maar niet zo verschrikkelijk hoeven te zoeken naar iets begrijpelijks als ik laatst.

Jammer alleen dat Van der Hoeven niets anders te bieden heeft bij deze ware revolutie dan het ein-de-lijk opheffen van de geldvretende, rapportenschuivende en ook verder niet-functionerende Stichting Weten voor wetenschaps- en techniekcommunicatie. Waar de wetenschappers zomaar de kundigheid, de tijd en het geld vandaan moeten halen om hun werk duidelijk en aantrekkelijk aan gewone mensen uit te leggen, daarover zwijgt zij in alle talen. Moet de wetenschap dus toch weer, net als voor Newton, aan de alchemie, op zoek naar de Steen der Wijzen, om zelf het benodigde goud te maken.

Nieuwssnacks

Vrachtwagenchauffeur verliest met hard spugen kunstgebit van 3000 euro. Beatrix moet een nieuw mobieltje aanschaffen. Zwaar bijgelovige Roemeen die zich op vrijdag de dertiende opsloot in zijn huis, is daar doodgestoken door een wesp. De nieuwe bijbelvertaling zal in vijf aaneengesloten dagen en nachten voorgelezen worden in boekhandel Donner. Door het warme weer heeft iedereen limonadevoorraden ingeslagen en dreigt er een tekort aan kunststofflessen.

Volmaakt oninteressante faits divers van de afgelopen week, die ik toch allemaal lees, en u nu ook. De aantrekkelijkheid zit hem in het pure hap-slik-wegkarakter, denk ik. Het tot me nemen van dergelijke berichten bezorgt me dan ook altijd hetzelfde vage kwade geweten als het gedachteloos leegeten van een schaal kaaskoekjes of stroopwafels. Het is lekker, maar voor je het weet zit je vol, zonder een bevredigd gevoel en mét de wetenschap dat je eigenlijk iets anders op je menu had staan.

Ik moet natuurlijk het serieuze nieuws lezen, en dat doe ik ook, maar het ‘verantwoorde’ mediamenu smaakt me de laatste tijd niet meer zoals vroeger. Dan bedoel ik even niet het parmantige gescheld en geschreeuw in allerlei opiniestukken en columns, en ook niet het feit dat er veel nieuws is waar ik hoe dan ook een ontzettend vieze smaak van in mijn mond krijg, nee, de manier van opdienen van gewoon hard nieuws is dikwijls zo raar.

Zo las ik dat een Congrescommissie heeft uitgezocht dat Bush’ belastingverlaging vooral aan de allerrijkste Amerikanen ten goede is gekomen. ‘Hoezo een onderzoek?’ denk ik dan. ‘Dat was toch bij de invoering meteen bekend? Gewoon de bedoeling?’ Maar dat staat ineens niet meer in de krant.

Andere bericht: ‘Luie apen ijverig na genbehandeling’ Help. Mijn onmiddellijke associatie is Somni 451, de kloon uit Cloud Atlas (lees dat boek! auteur heet David Mitchell) die ‘gegenoomd’ is om te glimlachen en 19 uur per dag te staan in een ondergronds fastfood restaurant. Fantasie? Kijk hoeveel er al van Orwells 1984 is uitgekomen. De krant doet intussen lacherig: ongetwijfeld zouden heel wat bazen hun personeel zo’n behandeling willen laten ondergaan.

Nog eentje: van vier gevangenen op Guantanamo Bay is bepaald dat ze ‘enemy combatants’ zijn, ‘wat betekent dat ze tot in het oneindige vastgehouden kunnen worden zonder aanklacht’. En daar gaan de radertjes in mijn hoofd weer: oh ja, kan dat? Hoezo?
Zo komen er dagelijks dingen langs waar ik erg op moet kauwen, en dan nog heb ik moeite het te verteren. Is het gek dat ik dan maar liever weer ga snacken?

Snoep nog maar even met me mee. Bij het Amsterdamse Grachtenfestival zal de sopraan Francine van der Heijden wiegeliedjes voor op schoot gehouden baby’s tot één jaar zingen. Oprah Winfrey wordt misschien wel jurylid bij een rechtszaak. Op de Grote Markt in Brussel ligt een deken van 700.000 begonia’s. Robert Redford blijkt in 2001 zijn ogen te hebben laten liften. Een beetje waterraket (meestal een limonadefles) haalt na lancering met gemak een hoogte van zeventig of tachtig meter. Een vleesetende bacterie heeft …

Heimwee

Bericht op mijn antwoordapparaat: “Hai, ik sta hier in het hartje van Florence…” Steek, auw. Hetzelfde gevoel als wanneer ik een plaatje of een stukje film zie van de dom, de Ponte Vecchio, het Uffizi museum, nou ja, al die toeristenclichés. Mij raken ze vol.

Ik noem het heimwee, maar dat klopt geloof ik niet helemaal. Heimwee heb je naar je huis, je gewone bestaan, naar kunnen doen wat je altijd doet, las ik net in de Volkskrant die het vakantieseizoen vierde met een stuk over de heimwee van kinderen op kamp. Dat sommigen daar hun leven lang niet overheen groeien, begrijp ik absoluut niet. Iets missen dat je op elk gewenst moment kunt terugkrijgen, lijkt mij overbodig, zo niet onzinnig. Mijn Florentijnse huis en bestaan bestáán niet meer. Ik kan er niet naar terug, en daarom heb ik heimwee.

Geen stad ter wereld voelt zo exclusief ‘van mij’ als Florence. Nog steeds, terwijl ik er maar een half jaartje woonde en dat nu bovendien godbetert al 23 jaar geleden is. Het zal wel komen doordat ik hem helemaal op mijn eentje veroverd heb. Vanuit het niets. Toen ik er op een natte en koude ochtend in januari arriveerde, had ik er nog nooit zelfs maar een paar uur op doorreis doorgebracht. Mijn Italiaans bestond uit stronzo (klootzak) en ho mal di testa (ik heb hoofdpijn). Van Michelangelo had ik gehoord, net als van Da Vinci, en dat was het wel.

Ik kwam om de taal te leren en avonturen te beleven. Toen ik weer ging, was dat goed gelukt, maar ik had er ook een ‘hometown’ (ik kan er geen Nederlands woord voor bedenken) bij. Een stad waar ik werkelijk de weg kende, en al doende had leren kijken naar en genieten van mooie dingen.

Gebouwen, beelden, schilderijen, ik had er eerder nooit een ruk aan gevonden, maar in Florence deed ik mijn geheel eigen versie van het syndroom van Stendhal op: ik werd niet gek omdat ik zoveel fraais niet kon verwerken, het fraais hielp me om niet gek te worden in mijn eentje, op een kamertje waar ik zelfs geen tv of telefoon had. Mijn bezoeken aan een verder uitgestorven Uffizi, het met mijn neus telkens bovenop de bronzen Perseus van Cellini staan (gewoon buiten op straat!), de beelden die Michelangelo maar half uit het marmer bevrijd had, en de tientallen andere dingen die iedereen ooit in zijn leven zou moeten zien, ze hebben me daar gered en voorgoed veranderd.

Zeven jaar geleden is het nu dat ik er voor het laatst was. Elk jaar neem ik me vast voor: ik ga weer. Ik zal ook weer gaan, maar ik ben bang, bang dat Florence niet meer zo van mij is. Bang dat die tot het plafond met drankflessen en vaten volgestapelde bar op de Via Ghibellina helemaal niet meer bestaat, dat de stilte op het plein voor de Santa Croce omgezet is in herrie, dat zich in dat hele onbestaanbare stadscentrum inmiddels nooit meer een authentieke Florentijn vertoont. Dat ik echt alleen nog maar een toerist tussen de toeristen kan zijn.

Allemaal geketend

We deden 4750 mijl over de trip van Philadelphia naar Los Angeles. Hoeveel hamburgers dat zijn? Hoeveel bacon en eggs en slappe koffie? Ik heb het niet bijgehouden. Wel weet ik dat we ergens in pakweg Missississippi anderhalf uur gezocht hebben naar een eetgelegenheid, wat voor eentje dan ook, die niet onderdeel van een keten was.

De Taco Bell, de Pizza Hut, Wendy’s, de McDonalds natuurlijk, de Subway, de Burger King, de Dairy Queen, de Burger Barn, het Waffle House, Jack in The Box, de Kentucky Fried Chicken, de Chinese Wok, Arby’s, de Outback, de Dunkin Donuts, ze vermoorden Amerika. Nee, niet omdat ze de Amerikanen zo ontstellend dik maken – dat doen ze uiteraard ook – maar omdat ze alles overnemen, en en passant ook nog de harten van menig stadje leegzuigen. Charme, keuzevrijheid en de menselijke schaal worden in heel Amerika vermorzeld onder ketengeweld.

Stadje na stadje zie je in Amerika hetzelfde. Buiten het stadshart bevindt zich de strip: de toegangsweg naar het eigenlijke plaatsje, die aan weerszijden gevuld is met ketenrestaurants én ketenwinkels en ketenmotels. Want het is niet alleen de uit-eten-sector, dat is alleen waar je reizend van de ene kust naar de andere het meeste last van hebt: dat wij anderhalf uur honger overhebben voor het vinden van een niet-gestandaardiseerde sandwich of hamburger komt doordat we weten hoe het ketenvoedsel smaakt (je moet alles een keer proberen).

Maar elke strip heeft ook wéér een Family Dollar-supermarkt, een schoenwinkel van de Payless Shoes Source, een Walgreens-drogist, et cetera. Opnieuw kan slapen alleen in een Days Inn, een Best Western Motel, een Motel 6, allemaal met hun eigen, vrijwel dezelfde, standaardinrichting, hun airco en hun (o gruwel) niet te openen ramen. Wandelen van het een naar het ander kan er nauwelijks, alles is ingericht op met de auto komen en met de auto weer gaan.

Heb je de strip eenmaal achter je gelaten dan kom je akelig vaak in een uitgehold stadshart. Prachtige panden en pandjes, alles beloopbaar, de aanblik sympathiek, charmant. Maar er is geen leven. Veel is zelfs dichtgetimmerd. De banieren met de tekst “historic downtown” (blijkbaar voelen heel wat gemeentebesturen wel aan dat er iets te bewaren valt) hebben niets fiers, ze maken je triest.

Mij maakt het bovendien allemaal bang. Ik vrees mijn eigen voorland te zien hier. Een wereld waarin ik geen keus meer heb. Waarin de ketens domweg de macht hebben. De totale ‘verblokkering’, zoals het bij ons heet, is hier in Amerika het verst. Maar straks is ook in Nederland de laatste bakker, de laatste slager verdwenen, en hebben ook wij alleen nog per auto te bereiken supermarkten, die vol staan met honderd keer dezelfde smaakvrije fabriekskaas en fabriekskoekjes en fabrieksbroden van steeds een ander merk. Is ook de enige keus voor kleren, schoenen, huishoudspullen, wat dan ook, die tussen de ene keten of de andere. Kun je alleen in grote steden, mits je flink wat geld op zak hebt, nog variatie en finesse, en fleur vinden. Zijn we allemaal geketend.

Churchspotting U.S.A.

Van Jacksonville, North Carolina naar Saluda, South Carolina, zondag 13 juni 2004.
Apostolic Truth Tabernacle
Baptist Chapel
Baptist Church (34 x)
Baptist Temple
Bay Branch Church
Believers Bible Fellowship (where the love of God abounds)
Bethany Fellowship Chapel
Bethel A.M.E. Church
Bethel Baptist Church (3 x)
Bethel Pentecostal Holyness Church
Bethel Word Church
Beulah A.M.E. Church
Blake’s Chapel Advent Christian Church
Born Again Baptist Church
Born Again Christian Academy
Catholic church
Christian Living Family Center – Marianist Family Ministry inc.
Church of Christ (2 x)
Church of God (2 x)
Church of Jesus Christ of the Latter Day Saints
Community Bible Fellowship
Dean’s Chapel Pentecostal Holyness Church
Deliverance Tabernacle
Ebenezer A.M.E. Church
Ebenezer Baptist Church
Emmanuel Church
Empowerment Ministeries
Episcopal Church
Episcopal Church of the Advent
Faith United Methodist Church
Family Worship Center
Fellowship of Believers
First Assembly of God
First Baptist Church (6 x)
First Calvary Baptist Church
First Church of the Nazarene
First Free Will Baptist Church
First Nazareth Baptist Church Sanctuary
First Presbyterian Church
Free Will Baptist Church
Friendship Baptist Church
Gethsemane Apostolic Church
Good hope Baptist Church
Greater Highway Church of Christ
Greater Zion Tabernacle Apostolic Church inc., d.a.w.
Harmony Church
Harvest Time Evangelistic Center
Haw Bluff Baptist Church
Herring’s Chapel Church
House of God Church
Iglesia Adventista del Septima Dia
Iglesia Apostolica de la Fe in Christo Jesu
Jesus Saves Church
Landmark Holyness Church
Lebanon United Methodist Church
Lifeline Church of God
Luberton Bible Fellowship
Lutheran Church
Mercy Temple Pentecostal Holiness Church
Methodist Church
Midland Pentecostal Holyness Church
Missionary Baptist Church
Mount Carmel Holyness Church
Mount Pleasant A.M.E. Church
Mount Rena Missionary Baptist Church
Mount Tabor A.M.E. Church
Nazareth United Methodist Church
New Ebenezer Baptist Church
New Hope C.M.E. Church
Non-denominational East Side Christian Church
Our Saviour Lutheran Church
Outreach Family Fellowship
Pentecostal Free Will Baptist Church
Praise Temple
Presbyterian Church (7 x)
Providence Presbyterian Church
Red Bank Baptist Church
Redemption Assembly
Rosa Green Missionary Baptist Church
Rowan Paws Church
Saint Barnabas Orthodox Church
Saint Christopher’s Episcopal Church
Saint John’s A.M.E. Church
Saint Jude the Apostle Catholic Church
Saint Paul’s A.M.E. Church (4 x)
Spirit of Calgary Full Gospel Church
St. John’s Lutheran Church
St. Joseph Catholic Church
St. Luke African Methodist Episcopal Church
Supernatural Deliverance Tabernacle
Tabernacle of Jesus Christ
Temple Beth Israel
The Apostolic Way Church
The Church in the Lord Jesus Christ of the Apostolic Faith inc.
The Church of God & True Holyness (free of charge the word of God)
The Harvest
The Presbyterian Church U.S.A.
The True Vine Outreach Ministery
Trinity Christian Fellowship
Trinity United Methodist Church (2 x)
Union Baptist Church (3 x)
Union Bethel A.M.E. Church
Union Lutheran Church
United Faith Tabernacle Holyness Church
United Methodist Church (8 x)
Victory Christian Center
Walker Chapel
Wesley United Methodist Church
Will of Faith Southern Methodist Church
Wilson Chapel Baptist Church
Zion Chapel A.M.E. Zion Church

Huizendomino

Wennen doet het niet. Je zet het nieuws aan, en hop, daar komt weer zo’n maatregel uit Den Haag langs die wel over jou gaat, maar waarbij het toch net is of je niet bestaat. Nu weer de plannen met huurders. Binnen een paar jaar mogen verhuurders zo veel huur vragen als ze maar willen. En Sybilla Dekker – dat is onze minister van Volkshuisvesting – weet dat dan de complete woningmarkt vanzelf kerngezond gaat worden. Haar eigen dominotheorie luidt ongeveer alsvolgt: hoge huren jagen bewoners hun huis uit naar de nieuwe huurhuizen die verhuurders gaan bouwen van het geld van de huurverhogingen.

Hollebolle waanzin, waarbij de zaak bij het eerste het beste dominosteentje al stagneert, en waaraan grote stapels stenen helemaal niet meedoen. Dekker wil vooral dat er huizen komen voor starters, maar ik zie in dit ‘systeem’, mocht het al werken, toch echt alleen maar huizen vrijkomen waarvan de huur nou net omhooggejaagd is. Ook zie ik een VVD-minister ingrijpen op een manier die zo slecht past bij het liberale gedachtegoed van vrije markt en vrije individuele keuzes dat ik het bijna niet kan geloven. Zo móeten de woningbouwcorporaties het extra huurgeld investeren in dure huurwoningen, en zijn de plannen gebaseerd op het doodgriezelige standpunt dat de staat het recht heeft te bepalen waaraan mensen hun inkomen besteden.

Want dat zit er ook achter. Volgens Dekker, die het ook echt met zoveel woorden op tv zei, moet het maar eens uit zijn met al dat volk dat maar blijft zitten waar het zit omdat het een lekker lage huur heeft. Een lekker lage huur heb ik ook heel lang gehad. En lekker geen badkamer, en lekker een plee die niet eens dicht kon als je erop zat, en lekker een supergammel balkon, en lekker veel tocht en vocht. Dat er meestal een direct verband is tussen de huurprijs en wat je ervoor krijgt, is de minister blijkbaar niet bekend. Nou ja, met haar plannen verdwijnt dat verband natuurlijk vanzelf.

Wat dus ook verdwijnt, is de vrijheid te zeggen: ik wil mijn vaste lasten laag houden, mezelf niet klemzetten. Toevallig ben ik zo iemand. Ik moet ook wel, want ik ben zo’n in de ogen van Den Haag sowieso onbestaanbaar menstype: mijn inkomen wisselt van jaar tot jaar, soms gigantisch. Ik ben namelijk een freelancer, een van de 600.000 zelfstandigen die de beroepsbevolking telt. En gezien de Kafkaeske ervaringen met het verplichte ziekenfonds voor die groep (zie ‘Zo gaat het’ onder columns in het artikelenarchief), zie ik het er nog van komen dat de minister straks gaat bepalen dat ik op basis van een paar vette jaren in magere tijden mijn huis uitgezet mag worden.

En waar zit in de dominotheorie de gewone huisbaas? Die heb ik toevallig. In de loop van vier huizen heb ik er zelfs zeven gehad. Geeneen had denkelijk de verleiding kunnen weerstaan het cadeautje van de minister dankbaar te aanvaarden. Of moeten de huisbazen van de extra huuropbrengsten soms nieuwe pandjes aanschaffen?

Oh ja, dat in dit dominospelletje de heilige hypotheekrenteaftrekkers, aan wie huurders altijd al meebetalen, weer ontbreken spreekt natuurlijk voor zich.

Siliconenhoop

Ik hou mijn hoop gevestigd op de siliconendames. Inmiddels moet toch een substantieel deel van de Nederlandse vrouwen minimaal dezelfde boezemomvang hebben als ik toevallig van nature bezit. Een groeimarkt voor de kledingindustrie, zou je zeggen. Maar die heeft het nog steeds niet door.

Wat een teleurstelling zal het zijn voor al diegenen die na zelfverkozen snij- en opvulwerk eindelijk een decolleté overtuigend kunnen vullen. Zelf ben ik al mijn hele volwassen leven gewend dat het in kledingwinkels ongeveer zo gaat: kijk, hoera, een hartstikke leuk bloesje. In mijn maat. Gauw passen. Sluit aan de onderkant prachtig aan, ruimte zat, maar ai, de knoopjes aan de bovenkant gaan of helemaal niet dicht, of laten, eenmaal gesloten, een gapend gat danwel hinderlijk getrek zien. Borsten en middel passen niet samen in een confectiemaat. Met jasjes gaat het trouwens al net zo, maar die hoeven gelukkig meestal niet dicht.

Naar een bloes of jasje was ik deze week op jacht. Om te dragen als ik voor het eerst van mijn leven naar een heuse Hollywoodpremière (http://www.foxsearchlight.com/theclearing/) ga. Robert Redford komt ook, dus het luistert nogal nauw. ‘Casual chic’ schijnt de dress code te wezen, en door een klein wonder had ik al zo’n omni-inzetbaar feestelijk zwart jurkje gevonden dat elke vrouw nodig heeft, maar ik nooit tegenkom. Daar moet alleen vanwege dat ‘chic’ iets moois op, en zowaar, dat hing ergens aan een rek te lonken: een doorzichtig zwartzijden bloesje vol smaakvolle glitters. Spuugduur, maar ik viel er helemaal voor, en had bovendien een volmaakt excuus om lekker veel geld uit te geven.

Dat ging mooi niet door, want voor al dat geld zat de boel natuurlijk weer eens klemvast. En had ik nou Jane Mansfield- of Dolly Parton-achtige proporties, alla. Maar ik ben maar heel gewoon, statistisch de vleesgeworden middelmaat. Want de gemiddelde confectiemaat in Nederland is niet 38 maar 42, al is dat kledingontwerpers en -makers blijkbaar niet wijs te maken.

Nou vermoed ik dat mijn siliconenzusters nog erger in de knel zitten dan ik. Siliconenborsten zien er uit of ze minder meegeven dan de mijne, al weet ik dat niet zeker omdat ik er nog nooit een in de hand gehad heb. Hoe dan ook, ik ben zwaar teleurgesteld dat de toename van het aantal ruimere boezems nog altijd niet tot ruimere bloesjes leidt. Misschien is dat dom: ik weet toch dat de kledingindustrie zich nooit ene ruk aantrekt van de werkelijkheid.

Want iets fatsoenlijks vinden in maat 42 is altijd een hels karwei. Ja, een vormeloze trui, een fladderbroek met elastiek, een boerentrienenrok, dat kun je krijgen. Maar iets dat de lichaamscontouren accentueert in plaats van verhult? Iets dat slank maakt in plaats van dik? Daar moet je met een kaarsje naar zoeken, en ik beschouw dat als een grote belediging. Net als de andere gehanteerde benaming voor maat 42: XL. Extra Large! Alsof het verdomme om condooms gaat. Alleen gemiddeld grote lullen willen extra groot heten. Ik niet. Ik wil alleen maar een passend glitterbloesje.

De seksuele moraal

Ergens in de laatste tien jaar is het dus definitief fout gegaan. Toen is seks helemaal verdacht, verkeerd, gevaarlijk geworden. Ik heb het precieze omslagpunt gemist, begreep ik dit weekend, toen de Volkskrant terugkwam op een enquête die seksuoloog Peter Leusink laatst bij 977 huisartsen heeft afgenomen.

Wat daar volgens mij uit bleek, was niet veel meer dan dat huisartsen ook mensen zijn (driekwart van de mannen en eenderde van de vrouwen voelde zich wel eens seksueel aangetrokken tot een patiënt, bij 3,3 procent kwam het ooit tot seksueel contact), maar met die gedachte stond ik nogal alleen. Het nieuws werd werkelijk overal prominent gebracht, de minister van Volksgezondheid beloofde onmiddellijk de huisartsen aan te spreken op hun seksuele moraal, RTL Nieuws sprak over ‘huisartsdaders’ die zich vergrepen aan patiënten, enfin, een grote misstand was aan het licht gekomen.

Maar toen dezelfde Leusink twaalf jaar geleden dezelfde misstand bij gynaecologen en KNO-artsen op basis van een zelfde onderzoek naar buiten bracht, werd er amper gereageerd. Hij is verrast over de impact die zijn onderzoeksresultaten dit keer hebben, meldde de Volkskrant zaterdag. Dat begrijp ik. Dezelfde feiten, totaal anders ontvangen, en nog unaniem ook. Dat de seksuele moraal van tegenwoordig niet meer die is waarmee ik opgroeide (en die toen nog maar pas bevochten was), wist ik, maar waar ik van schrok, is dat er geen enkel, zelfs geen schril tegengeluidje te beluisteren viel. Dokters die het met patiënten doen, zijn machtsmisbruikende viezeriken, punt.

Ja, die zullen er vast tussenzitten, net als in elke andere beroepsgroep. Maar zou het niet zo kunnen zijn dat – net als overal elders in de maatschappij – het merendeel van de seksuele contacten tussen dokters en patiënten een gevolg is van het simpele feit dat beide partijen daar zin in hadden? En nu we het er toch over hebben: waarom mocht laatst dat meisje Loos eigenlijk niet naar bed met die voetballer Beckham? Staat het inmiddels vast dat alle buitenechtelijke seks verwerpelijk is?

Nee, goed, we zijn niet terug bij de jaren vijftig, of op weg naar Amerika. In Nederland leidt een blote tv-borst niet tot een tepel-gate, halen soap-acteurs geen lachwekkende capriolen uit met beddenlakens, zijn er geen bittere gevechten om het homohuwelijk of grote demonstraties voor abortus – en dat zijn mooie verworvenheden, maar intussen strekt ons sekslandschap zich wel uit onder steeds duisterder doemwolken.

Zo’n twee decennia duurt nu de zondvloed aan gruwelberichten over aids, date-rape, incest, pedofielennetwerken, kinderporno, seksuele intimidatie en internetlokkers. Dat heeft niet alleen het beeld van de werkelijkheid vertekend, het is die werkelijkheid ook echt aan het veranderen. Want wie aldoor herinnerd wordt aan de gevaren van seks, wordt bang, begint niet vrij te vrijen. Wie krijgt ingepeperd dat overal misbruik op de loer ligt, en dat elk misschien niet voor de volle honderd procent gewenst seksueel contact traumatische gevolgen heeft, wordt moeilijk een weerbaar mens op dit terrein, loopt zo een trauma op. Funest en de pest. Enfin, mijn hoop blijft gericht op de jeugd, die vaak wijs en eigenwijs is. Laten die dus lekker op hun eigen verstand en gevoel afgaan.

Nog ongezonder roken

Lang heb ik kunnen doorgaan met ‘nog gezond roken’, zoals het bij de sigarenwinkelier al snel heette, maar ook mijn niet-gangbare merk sigaretten schreeuwt me nu van iedere pakje toe dat roken dodelijk is en zo meer.

Dat moet van de EU, en vrijwel niemand heeft er iets op terug durven zeggen. Rokers is inmiddels zo lang verteld dat die tabak slecht voor ze is dat ze voortdurend alleen nog maar besmuikt en verontschuldigend doen over hun verlangen er nog een op te steken.

Roken is toch ook verschrikkelijk ongezond met al die enge schadelijke stoffen? Ja ja, stil maar, ik kijk wel uit het tegendeel te beweren, en stinken doet het ook, dat is ook al waar. Maar er zijn intussen toch goede redenen te vermoeden dat juist die verplichte doodsbedreigingen de gezondheid ernstig schaden. Ik hou het zelfs niet voor onmogelijk dat over een aantal jaren de EU veroordeeld wordt tot het uitbetalen van vele miljarden schadevergoeding aan zieke rokers.

Is het mij in m’n verslaafde bol geslagen? Denk dat gerust, maar ik had graag gezien dat er iemand in het Europees Parlement was opgestaan die een paar vragen had gesteld. Zoals: “Is het u allen bekend dat woorden hele rare dingen met je kunnen doen? Weet u dat we veel gevoeliger voor suggestie en associaties zijn dan we door hebben? Kent u bijvoorbeeld de volgende feiten? Als je mensen een rijtje woorden te lezen geeft dat met bejaarden te maken heeft (grijs, wandelstok, bingo), dan lopen ze daarna stuk voor stuk beduidend langzamer weg dan anders. Vertel ze: denk even een paar minuten aan professoren, en ze worden ter plekke slimmer, want ze scoren vervolgens opmerkelijk veel hoger op een algemene-kennistoets dan degenen die níet eerst die wonderlijke instructie hebben gekregen.

Wist u dat soortgelijke effecten al talloze malen zijn vastgesteld, en is daar rekening mee gehouden in de besluitvorming? Kunt u bijvoorbeeld met zekerheid stellen dat de tekst ‘Roken werkt zeer verslavend’ die verslavendheid niet mede in de hand werkt?”

Roken is zo taboeverklaard dat er bij mijn weten ook geen Europarlementariër geweest is die ons afweersysteem erbij betrokken heeft. Terwijl daar werkelijk alle reden voor is: dat systeem reageert zowel sterk op nare stress als op gevoelens van geluk en tevredenheid. Ook dat is een steeds terugkerende uitslag van bergen onderzoek.

Roken maakt gelukkig, een alleen bij rokers bekend gegeven dat elke discussie met niet-rokers een grote portie wezenloosheid geeft. De niet-roker kent domweg het intense en immense genoegen dat tabak verschaft niet (en dat is trouwens volgens mij precies wat ex-rokers soms zo fanatiek maakt). Troost, beloning, afleiding, de roker heeft ze voortdurend voor het grijpen. Het doet er niet eens toe of nicotine nou bijvoorbeeld echt de concentratie verhoogt of niet, voor de roker werkt het zo, en al die dingen dragen bij aan zijn levensgeluk. En gelukkige mensen leven langer en gezonder.

Maar wat nou als elke sigaret gepaard gaat met schuldgevoel en angst? Liefst nog gemengd met ergernis over de opdringerigheid en bemoeizucht van zwartomrande waarschuwingsteksten? Schuldgevoel en angst en ergernis zijn vormen van ongezonde stress. Die de kans dat je afweersysteem schadelijke rookstoffen netjes pareert, verkleint.

Kan ik het meten? Uitrekenen hoeveel schade de anti-rooklobby de rokers toebrengt? Hard maken dat roken steeds ongezonder wordt? Nee, nee en nee, maar dat kan niemand op dit moment. Twijfel ik niet? Jawel hoor. Het gaat mij er juist om dat anderen helemaal niet twijfelen. Er wordt wereldwijd nogal hard gewerkt aan het grote raadsel van de wederzijdse beïnvloeding waaraan lichaam en geest onderhevig zijn. Wat daar nog allemaal uit komt, wie zal het zeggen? Maar wat we nu weten bevat wel degelijk serieuze aanwijzingen dat ooit mijn gekscherende sigarenwinkelier met zijn maandenlang volgehouden ‘Ah, u rookt nog gezond’ toch niet helemaal gek zal blijken te zijn geweest.

Was Ich noch…

Geen idee of het raar is – geloof niet dat ik ’t er ooit met iemand over gehad heb – maar met een zekere regelmatig blijken er toepasselijke regels van liedjes door mijn hoofd te spelen. Zomaar. Helemaal vanzelf. De resultaten van onbewust denkwerk die opeens het bewustzijn komen binnenvallen. Het is soms werkelijk griezelig, omdat zo’n liedje me dan iets vertelt dat ik nog niet eens hardop had durven denken, laat staan zeggen. Maar dat ik momenteel met André Hazes rondloop is zo gek niet. Dit is de laatste keer hoor ik hem flink uithalend zingen.

Dat komt omdat dit de laatste ‘Zeggen en Schrijven’ is, om het even te schrijven zoals ik het zou zeggen (voor wie ik hier in raadselen spreek: schoolmeesters vertellen dat ‘omdat’ aan het begin van deze zin ‘doordat’ moet zijn). De redactie wil deze tweewekelijkse twee kolommen namelijk voortaan weer voor andere dingen gaan gebruiken.

Maar hey, nu is het nog even my party. And I’ll cry if I want to. Ten minste twee keer is deze rubriek schandelijk misbruikt. Vorig jaar kregen de eindexamenkandidaten van het VWO bij de opstelopgaven dit voorgeschoteld: “In haar column in NRC Handelsblad van 13 september 1999 poneert Liesbeth Koenen de volgende stelling: ‘Kijk, dat we in dit land in het openbaar kunnen zeggen en schrijven wat we vinden, is heel mooi, en een groot goed, maar de vrijheid van meningsuiting moet natuurlijk niet te ver gaan (…).’ Schrijf een betoog waarin je de door Koenen geformuleerde stelling aanvalt dan wel verdedigt.”

Fijne types daar bij die examencommissie. Inderdaad opende ik mijn stukje die dag met de geciteerde woorden, maar het was beslist niet mijn stelling. De rest was gevuld met afschuw over de wetenschap dat de meeste mensen er inderdaad exact zo over denken.

Nog steeds maakt het me ontzettend bang dat zo weinigen snappen wat vrijheid van meningsuiting is. Laatst bleek dat nu ook de minister-president al bij de gedachtenpolitie zit. Hij meende een imam in het openbaar te moeten vertellen dat diens denkbeelden niet door de beugel kunnen. Tolerant Nederland. Het is hier fantastisch: u bent vrij te vinden wat ik ook al vind. Bij de Taliban zijn de middelen waarmee monden gesnoerd worden oneindig veel erger, maar de achterliggende redenering is dezelfde.

Enfin, vals citeren is een ding, doldwaas maakte het bisdom ’s-Hertogenbosch het. Toen in 1998 Theo, mijn ‘koning der zuivel’, zijn zaak sloot hield ik een droeve lofzang op de buurtwinkel. Ik vertelde dat ik in de grote stad woonde, maar dat mijn buurtje net een dorp was, compleet met dorpsgekken en dorpspomp (Theo’s kaaswinkel). Wat nu las regiovicaris Jos van Genugten? “Toen Theo, de groenteboer, vertrok uit het dorpje van journaliste Liesbeth Koenen schreef ze hierover (…)” waarna nog lappen citaat volgden. Allemaal voer voor Van Genugtens hartstochtelijke pleidooi voor het laten voortbestaan van de parochie in het kleine dorp. Het staat nog steeds op het internet. Iedereen leest wel eens iets dat er niet staat, maar hem toevallig goed uitkomt, toch was dit staaltje blind geloof wel sterk.

Inmiddels heeft het volgende liedje zich aangediend: Was Ich noch zu sagen hätte…Welk ander stokpaardje wil ik nog eens berijden? Bovenal dat u nooit bang voor taal moet zijn, dat uw kennis van uw moedertaal zo fenomenaal is dat nog niemand hem heeft kunnen bevatten. Dat taal en spelling heus twee verschillende dingen zijn, ook al voelt het niet zo. Dat het goed gaat met het Nederlands. Dat taalkunde meteen vanaf de brugklas een schoolvak moet worden, zodat een volgende generatie het voorgaande van jongs af aan weet. Dat vrijwel alle miljoenen die in de Taalunie gaan zitten puur weggegooid geld zijn, dat veel beter in pakweg gebarentaalvoorzieningen gestopt zou kunnen worden.

Dan de restanten. Voor cryptogrammenliefhebbers had ik bijvoorbeeld nog liggen: van ‘wellen’ komt ‘geweld’, ‘diensters’ zijn absoluut geen mannelijke ‘dienders’, noch vice versa, ‘ongezouten’ is meestal hetzelfde als ‘hartig’. Ook had ik u bij gelegenheid willen melden dat Nim Chimpsky al ruim een jaar dood is, maar dat komt nog wel eens, don’t know where, don’t know when. Ondertussen ben ik u blijvend veel dank verschuldigd voor uw aandacht en voor alle reacties die ik in de loop van de jaren van u kreeg.

Steeds los ser

We hebben een plaktaal, maar als we hem opschrijven is de lijm steeds vaker zoek. Overal kom ik spaties tegen die me in de war brengen.

Ik stap in Amsterdam in lijn een en lees op een groot bord: ‘Deze tram is voorzien van video bewaking’. Onwillekeurig denk ik: ‘Wat is het nou jongens, video of bewaking?’
Oog en oor botsen hier. Ik hoor dat ‘videobewaking’ één woord is, maar zie dat niet terug. Mijn slager verkoopt ‘Peper Paté’ in plaats van ‘Peperpaté’. Een winkel verder kun je ‘verse vlies pinda’s’ aanschaffen en ‘heerlijke haring salade’.

Maar laat ik nou niet de indruk wekken dat alleen de middenstand gaten laat vallen waar ze niet horen. Alleen in de reguliere pers is het verschijnsel niet vaak aan te treffen, daarbuiten is het echt schering en inslag. In reclamefoldertjes, op het internet, en ook heel veel in persoonlijke post. De laatste tijd kwam ik ‘taarten gevecht’ tegen, en ‘maatschappij kritisch’ en ‘Engels talig’ en ‘virus scanner’. Bij de recente oogst ook ‘registratie procedure’ en ‘computer programma’.

De meeste spelfouten kunnen me niet zo gek veel schelen. De onuitroeibare onnodige apostrof-voor-een-s (salade’s) bijvoorbeeld zet me niet op het verkeerde been, evenmin als een erdoor geglipte ‘ik vindt’. Maar wat als twee woorden geschreven wordt, lees ik nou eenmaal ook als twee woorden.

Daar zit ook precies de oplossing. Het is eigenlijk gek dat hier nogal wat verwarring over bestaat, want het is heel eenvoudig. Spellers hoeven maar een ding te doen: even hardop zeggen wat ze willen gaan schrijven.

De truc van onze taal is namelijk dat er altijd maar één hoofdaccent te beluisteren valt in een woord, dus ook in woorden die samengesteld zijn uit twee of nog meer andere woorden. Zo heb je ‘salón’ en ‘táfel’, en dat wordt samen ‘salóntafel’, wat weer gemakkelijk is uit te breiden met ‘kléédje’ tot ‘salóntafelkleedje’, waar desgewenst ook iets als ‘salóntafelkleedjesklopper’ van te maken valt. En probeer maar, dat klinkt echt anders dan de losse woorden ‘salon’, ‘tafel’, ‘kleedjes’ en ‘klopper’. Op dezelfde manier wordt ‘véél’ en ‘gehóórd’ ‘veelgehóórd’, ‘búiten’ en ‘verblíjf’ ‘búitenverblijf’, en levert ‘kanárie’ en ‘géle’ ‘kanáriegele’ op.

Voor het beste resultaat is het verstandig het (vermoede) woord een beetje overdreven, als het ware met gevoel voor theater uit te spreken. En als het laatste deel maar uit een lettergreep bestaat, biedt bij twijfel een verbuiging of een meervoud uitkomst. Maak dus van ‘grasgroen’ ‘grásgroene’ en van ‘printerknop’ ‘prínterknoppen’.

Ik zie een paar oorzaken voor die foute spaties. Er is een categorie mensen bij wie ze waarschijnlijk vallen toe te schrijven aan te vaak Engels lezen. Ik zag het altijd al veel bij wetenschappers, maar steeds meer mensen moeten voor hun werk Engels lezen en schrijven, of brengen veel tijd door op het goeddeels Engelstalige internet.

Het Engels heeft andere conventies en spelt bijvoorbeeld ‘nail polish’ en ‘computer game’, waar het bij ons toch echt ‘nagellak’ en ‘computerspelletje’ moet zijn. Om het nog moeilijker te maken worden andere Engelse samenstellingen weer wel aan elkaar of met een streepje ertussen geschreven (je hebt ‘night train’ naast ‘nightwork’ en ‘night-time work’). Een Nederlander raakt daar al gauw de kluts van kwijt. En slecht voorbeeld doet in dit geval kennelijk ook slecht volgen.

Verder maken de spellingmeesters het ons van oudsher moeilijk door bepaalde betekenisverschillen met een spellingsverschil te honoreren. Naast ‘te veel’ bestaat ‘teveel’ (‘te veel zout in de pap’ tegenover ‘een teveel aan zout in de pap’), maar ze klinken hetzelfde. Soms lijken de meesters de één-hoofdaccentregel zelf niet te kennen. Hoe anders valt te verklaren dat we geacht worden om ‘onderméér’ als twee woorden te schrijven? We zeggen niet ‘ónder méér’.

Tot slot is er het algemene probleem met spelling: juist vanwege de sociale druk – goed spellen moet – slaat de onzekerheid gauw toe. Wie aarzelt en bang is het fout te doen, doet het nu eenmaal sneller verkeerd, omdat angst het geheugen vertroebelt. En dat verschijnsel is sinds de laatste spellingsherziening alleen maar sterker geworden. Juist omdat daar zulke doldwaze inconsistenties in zitten en je zulke ingewikkelde redeneringen moet kunnen volgen, denken veel meer mensen dan eerst dat álle spellingsregels ze boven de pet gaan.

Kleuren horen

Kan een kanarie geel zijn? Het is bijna een mop, zoiets als ‘Is de paus katholiek?’

Maar wat nou als je het antwoord op die vraag echt schuldig moet blijven? Niet omdat je geen kleuren kunt zien, want dat kun je prima. Houden ze je een tomaat voor dan zeg je meteen: die is rood. Maar het uit je hoofd zeggen, dat gaat niet. En het goede kleurenpotlood vinden om een plaatje van een wortel in te kleuren lukt ook al niet. Terwijl je precies weet hoe kanariepietjes, tomaten en wortelen eruit zien en waar ze goed voor zijn. Alles is dus gewoon, alleen ‘kleur’ maakt voor jou geen deel uit van de betekenis die een woord heeft.

Moeilijk te snappen, maar het overkwam een Amerikaanse vrouw van 52. Sinds ze een hersenbloeding heeft gehad, weet ze domweg niet meer welke kleur de dingen (en planten en dieren) horen te hebben.

Ze is de allereerste persoon ter wereld bij wie dit is vastgesteld. Wat je noemt een aanwijzing dat onze kennis van concepten bestaat uit elementen die op verschillende plaatsen in onze hersens zijn opgeslagen. En dat gaat zwaar tegen je intuïtie in: dat een citroen geel is, hoort gevoelsmatig echt tot de kern van dat woord.

Zodra ik zoiets lees gaat mijn hart een tikje sneller kloppen en waait mijn geest allerlei kanten uit. Ik moest in dit geval direct denken aan een vrij veel voorkomend, maar nog onverklaard verschijnsel dat ‘synesthesie’ heet. Zo noem je het als iemands zintuigen als het ware door elkaar lopen.

Er bestaan bijvoorbeeld mensen die vormen proeven, en dus dingen zeggen als: ‘Bah, er zitten niet genoeg punten op de saus’. De sensatie schijnt heel sterk te zijn, alsof ze die punten echt aanraken, al weten ze dat dat onzin is. Voor anderen heeft wat ze horen een geur, maar wat het meeste voorkomt zijn kleurassociaties. Dat het woord ‘maandag’ rood is, de naam ‘Frederik’ beslist geel, of een stem groen.

Per persoon liggen de kleuren vast, maar onderling verschillen synestheten (zouden ze zo heten?) in wat ze waarbij zien, al roept de letter ‘o’ opvallend vaak de kleur wit op en is voor velen de letter ‘u’ geel of bruin. Het zijn overigens niet de geringsten die dit aan den lijve ondervinden. Zo hoorde de schrijver Nabokov ook kleuren in woorden, en had naar verluidt voor sir Isaac Newton elke muzieknoot een kleur.

Klinkt dit alles u kleurrijk maar wel wat bizar in de oren? Mij ook, maar er is een gerede kans dat u iemand kent die kleuren hoort. De meesten houden daar echter stijf hun mond over dicht. Bang voor gestoord aangezien te worden.

Hoe dan ook, in zekere zin is dat kleuren horen het omgekeerde van wat de onfortuinlijke Amerikaanse gebeurde. Voor degenen die kleuren-synesthesie hebben, maakt ‘kleur’ ook deel uit van de betekenis van woorden waar voor een normaal mens ‘kleur’ helemaal niet bij hoort. Is dat misschien ook een aanwijzing dat ‘kleur’ zijn eigen hersenlocatie heeft? En dat je hem daar kunt ‘ophalen’ om aan een concept vast te plakken?

Ik weet nooit of ik iets kan overbrengen van de opwinding die dit soort onderwerpen in mij teweeg brengt. Nou ja, in elk geval heeft u er nu in tamelijk gewone bewoordingen over kunnen lezen. Zelf moest ik weer even wat teleurstelling wegslikken. Dat zit zo. Het onderzoek naar die mevrouw die niet meer weet dat kanaries meestal knalgeel zijn, staat in het gloednieuwe nummer van Nature Neuroscience, een van de ‘kopbladen’ van het beroemde Britse tijdschrift Nature.

Van beide krijg ik per e-mail uitgebreide overzichten. Die worden gemaakt door journalisten met een talent voor samenvatten en een neus voor goede koppen. En dan haal je, enthousiast gemaakt, zo’n artikel van het internet, en dan is het steevast geschreven in het bekende, ondoordringbare jargon. Met de even bekende verwijzingen (zie Jansen en Klaassen 1993 en 2000) die nieuwsgierig maken, maar waarvan je nog niet eens een tweezins-samenvatting krijgt.

Wat ontzettend jammer toch. Zou een verbod op literatuurverwijzingen-sec niet een idee zijn? Dat zou meteen een eind maken aan dat eindeloze namen noemen uitsluitend ten behoeve van de citatie-indexen. En waarom zou boven het echte artikel ook niet gewoon mogen staan: Kan een kanarie geel zijn?

Zelf doen!

Niks vrijheid voor Cohen en Kok. Arme Amsterdamse burgemeester en arme premier. Muurvast zaten ze met hun toespraken voor de natie, want het Nationaal Comité 4 en 5 mei had hun onderwerp al van tevoren voor ze vastgesteld. Denken aan de doden en feesten vanwege de bevrijding moest dit jaar onder de kreet ‘Vrijheid is leven zonder angst’.
Tja, wie dat stelt, beweert dat vrijheid helemaal niet bestaat. Want leven zonder angst, dat is nou echt voor niemand weggelegd. Een onzinleus dus. Geen wonder dat Cohen en Kok hoorbaar worstelden met dit ‘thema’, want dat betreft het hier.

Wie het bedacht heeft? De website van het comité (www.4en5mei.nl) geeft daar geen enkel uitsluitsel over, maar je kan er wel goed zien dat het een reuze moderne organisatie is. Ze hebben ‘kerntaken’ en trouwens ook speldjes en petten en T-shirts en stickers, alles met logo. En de thema’s tot en met 2005 staan al vast. Volgend jaar gaat het over ‘vrijheid en communicatie’, jawel, en die rare stelling van nu valt blijkbaar onder ‘sociale aspecten van vrijheid’.

Zonder nou flauw te willen doen: als je doel is om “het draagvlak onder de Nederlandse bevolking” voor 4 en 5 mei in stand te houden, is dit dan de manier? Een comité dat, nog steeds volgens de eigen doelstelling, “richting” geeft en “invulling” aan hoe wij met z’n allen oorlog en vrede moeten gedenken?

De bemoeizucht staat me tegen, maar ik betwijfel bovendien of je met speeches indruk kunt maken, snaren kunt raken als de inhoud opgelegd pandoer is. Volgens mij zijn er in wezen maar twee manieren om overtuigend iets over te brengen. En het lastige is: als het om de Tweede Wereldoorlog gaat is één kanaal al bijna afgesloten.

Wat we horen van iemand die we kennen en vertrouwen en die er zelf bij was, vinden we automatisch geloofwaardig. Het brengt de dingen als het ware binnen handbereik, zelfs onvoorstelbare zaken kun je bijna aanraken wanneer ze iemand zijn overkomen die jou nabij staat. Maar wie nu kind is, wordt per definitie niet meer grootgebracht door ouders met oorlogsverhalen uit de eerste hand. Zelfs de grootouders voor wie de oorlog geen verhaal is, maar beleefde werkelijkheid en dus in zekere zin ‘normaal’, zijn hard aan het uitsterven.

Dat levert een probleem op, want vrijwel iedereen meent dat op de juiste manier vertellen over de oorlog kan helpen voorkomen dat iets dergelijks nog eens gebeurt. In het dagelijks leven nemen nu de tweedehandsverhalen al erg toe, maar alhoewel ook ik mij nogal geroepen voel om de generatie na mij zoveel mogelijk door te geven van wat mij toevallig met de paplepel werd ingegoten, zal dat nooit kunnen tippen aan de rechtstreekse verslaggeving van mijn ouders.

Het zal binnenkort helemaal moeten komen van de andere manier die er is om mensen te overtuigen. De methode die vreemden ten dienste staat. Die zit een stuk subtieler in elkaar. Vreemden hebben namelijk niet het krediet dat familie en vrienden bezitten. Rauwe emotie, heilige verontwaardiging of onvoorwaardelijk enthousiasme accepteren we alleen grif van degenen die we al vertrouwden.

Alle anderen moeten gewoon met een goed verhaal komen, en daarbij is dit het cruciale punt: dat de toehoorder of lezer genoeg ruimte gelaten wordt. Die moet zélf de conclusie trekken dat het om iets belangrijks gaat, of iets waars, of goeds. De doorgewinterde redenaar, essayist, politicus of andere opinieleider kleedt zijn zaakje dus altijd zo in dat de gevolgtrekkingen weliswaar onontkoombaar zijn, maar zich toch niet al te opzichtig opdringen.

Het lijkt wel alsof met grote passie roepen dat iets HEEL BELANGRIJK is, bij de toehoorder de afstand oproept die de boodschapper kennelijk zelf niet op kan brengen. In de meeste mensen zit ingebouwd dat ze missionarissen van elk slag in eerste instantie wantrouwen. ‘Zeker aandelen’, denken we stiekem, zelfs als we wel beter weten. Het maakt de kleuter in ons wakker die bij alles zegt: ‘Zelf doen!’. Zelf wikken en beslissen. Zelf uitmaken of het de moeite waard is.

Om die reden werken GROTE WOORDEN zo gauw averechts. En daarom zijn vooraf bepaalde dikke thema’s die “richting” en “invulling” aan 4 en 5 mei moeten geven funest. Zolang de Cohennen en de Kokken verplicht zijn zich daaraan te houden kunnen ze niet eens overtuigen.

Leessensatie

Zes was ik, misschien net zeven, en ziek. Lekker kinderziek, niks ernstigs. Ik wist het niet, maar ik stond op het punt mijn eerste overweldigende leeservaring te beleven. Dat had ik te danken aan mijn vader, die, heel lief, een nieuw deeltje uit de fantastische Wipneus en Pim-serie voor me had gekocht.

Heette het Wipneus en Pim en de watermannetjes? Er kwam in elk geval een bolvormig amfibievoertuig in voor, dat geweldig tot mijn verbeelding sprak. Reuze spannend was het verhaal. Ik smulde, en zo gebeurde het. Voor het eerst in mijn leven las ik een boek in één ruk uit. Stomverbaasd was ik erachter te komen dat dat kon. Wat voelde ik me trots, maar ook leeg en onthand daarna. Ik had gedacht dagen onder de pannen te zijn.

Want zo was het tot dan toe geweest. Dat leren lezen was me nog vies tegengevallen. Geen idee waarom. Hoe andere kinderen het deden was me een raadsel, zelf speelde ik maandenlang alleen maar vals en dat benauwde me zeer.

De leesles bestond namelijk, althans in mijn herinnering, uitsluitend uit het uitentreuren aanwijzen van plaatjes die in een vaste volgorde boven het schoolbord hingen, en het voorzeggen van het woord dat daar dan onder stond. Nu weet ik alleen nog dat het met ‘maan, zaag’’ begon, maar toen kende ik al gauw alle combinaties uit mijn hoofd. Ik kon dus braaf meedoen als ik een beurt kreeg, maar was me er sterk van bewust dat dat geen lezen was. Pas in de kerstvakantie bleek ik ineens op eigen houtje woorden te kunnen ontcijferen. Een waar wonder.

Misschien kwam het wel doordat leren schrijven ook al een hel was. Ten eerste moest dat met het martelwerktuig de kroontjespen. De halve klas zat daar met hun onwennige, gespannen klauwtjes altijd zo hard op te drukken dat het pennetje binnen de kortste keren gespleten raakte. Netjes schrijven was dan sowieso uitgesloten. Nieuwe pennetjes werden bijna nooit verstrekt.

Maar het knoeien was nog erger. Nog ruik ik de vlekkenverwijderaar – inmiddels een verboden stof schat ik – die niet alleen de inkt maar ook de lijntjes in het schrift uitwiste en toch nog een gore bruine vlek achterliet. Op een kwaad moment had ik zoveel geknoeid dat ik, tot grote verontwaardiging van mijn ouders, een stuiver mee naar school moest nemen voor een nieuw schrift.

Het werd speciaal bij mij zo’n zootje omdat mijn hand alles wat ik net had geschreven (nou ja, het was toen nog meer tekenen) even zo hard weer uitveegde. Ik hoor tot de pakweg tien procent van de mensheid die linkshandig is. Dat gevlek voorkomen is supereenvoudig, maar de non die ik in de eerste klas trof, gaf me de oplossing niet. Nou was het een absoluut kreng, maar waarschijnlijk wist ze het ook echt niet, want nog steeds gaat het vaak fout.

Mede-linkshandigen van alle leeftijden zie ik zich al schrijvend letterlijk in bochten en hoeken wringen, alleen maar omdat ze vroeger nooit verteld is dat ze gewoon hun blaadje schuin moeten leggen. Ouders, onderwijzers, heel alstublieft, onthou voor eens en altijd: linkshandigheid is helemaal niet erg, en die kinderen zijn heus niet gehandicapt, ze moeten alleen hun schrift of blocnote altijd een tikje naar rechts geven. Meer niet. Gelooft u het niet, ga dan maar eens Het Linkshandig Universum binnen (te vinden op www.riksmits.org), kijk onder ‘Schrijven’, en zie in een oogopslag het verschil tussen links en rechts.

Kennelijk heb ik de blaadjestruc ooit zelf ontdekt, en ook verder is het met dat lezen en schrijven wel goed gekomen. Een mirakel vind ik het nog steeds. Via Wipneus en Pim voltrok het leeswonder zich voor het eerst in alle hevigheid, en gezien de oplage van vier miljoen van die boekjes ben ik vast niet de enige voor wie dat opgaat. Vorige week is hun schepper, een Maastrichtse broeder die onder het pseudoniem B.G. Van Wijckmade schreef, overleden, en werd er soms nogal flauw gedaan over die twee intens brave en vast erg katholieke kabouters.
Volwassenen die zich ergeren aan de suikerzoetheid, oppervlakkigheid en incorrectheid van kinderboeken vergeten geloof ik dat ze vroeger ook rotzooi lazen. Wie niet? De niet te overtreffen sensatie die lezen kan geven leer je nou juist daarmee.

Doen we effe

Iedereen lachen: haha, dat domme ex-Veronica, noemt zich ineens urine! Toen Engelse journalisten de nieuwe naam Yorin (bedoeld als afkorting van ‘you’re in te movement’) tegenkwamen, hadden ze namelijk flink gegniffeld. In ‘yorin’ lazen ze ‘urine’ op z’n Engels.

Of die lachende reporters het inderdaad alleen lazen, of dat er ook behulpzame Yorin-employés aanwezig waren die het op die manier voorzeiden, meldde het verhaal niet. Dat had goed gekund, want een uitspraakfoutje is zo gemaakt. Hoe dan ook vrees ik dat de naam verzonnen is door Nederlanders, die daarbij wat dingen vergeten zijn.

Ten eerste dus kennelijk om het verzinsel voor te leggen aan een paar mensen die het Engels als moedertaal hebben. Dat had vast de ‘pissige reacties’, het ‘gezeik’ en andere flauwe grappen kunnen voorkomen.

Maar men heeft zich ook niet genoeg gerealiseerd dat Engelse woorden in Nederlandse monden al vlug vanzelf worden vernederlandst. Al helemaal in Nederlandse contexten. Een enkel correct uitgesproken buitenlands woord in een verder Nederlandse zin wordt zelfs snel aanstellerig.

Probeer maar eens ‘Pak jij even de mixer‘ te zeggen of ‘Ik heb zo’n last van stress‘ met een echt Engelse uitspraak van de hier cursieve leenwoorden. Dat geeft een raar effect. Het even omschakelen naar een ander uitspraaksysteem kost ook moeite. Misschien klinkt het daarom gauw uitsloverig. Philip Freriks heeft het volgens mij dan ook uitsluitend aan zijn charme en zijn immer aanwezige ironische ondertoon te danken dat hij bij het nieuwslezen wegkomt met zijn zeer Franse uitspraak van de vele woorden die we uit die taal hebben overgenomen.

Ondertussen kun je aan Yorin nog niet eens zien dat het als Engels bedoeld is. De kans dat het in Nederland vaak naar Engelse urine gaat klinken lijkt me niet zo gek groot, want geheid dat grote aantallen Yorin-kijkers die naam een volle Hollandse o en een achterkeelse of rollende r zullen geven.

Dat van die uitspraak hadden ze trouwens echt kunnen weten bij Veronica. Bij al het gedoe over de naam ‘ME’ die ze in eerste instantie hadden uitgekozen, was een veelgehoord commentaar dat het deed denken aan ‘mie’ van de Chinees. Met het Chinees heeft dat niets te maken, met het Nederlands des te meer. Onze ie is nou eenmaal een andere dan de Engelse.

Het verbaast me altijd weer hoe gemakkelijk buitenlandse-talenkennis overschat wordt. ‘Dat doen we wel effe’ denken velen, en dat is niet waar. Met de uitspraak kan er al verschrikkelijk veel misgaan, maar elke taal barst ook van de subtiliteiten op ieder ander gebied. Een woordje net op de verkeerde plaats, een term die een andere bijklank heeft dan de letterlijke vertaling, een manier van zeggen waarvan de bedoeling een raadsel blijft, het ligt allemaal voortdurend op de loer en kan vergaande gevolgen hebben. Je zag het mooi bij Máxima, die op de vraag van een journalist ‘Weet u wel waar u aan begint?’ licht verwilderd begon te kijken. Met al haar ijverig verzamelde kennis van het Nederlands snapte ze absoluut niet wat de man van haar wou.

Hier ligt ook mijn grootste bezwaar tegen colleges in het Engels aan de universiteiten, en tegen Engelstalige lezingen zodra er maar een native speaker van dat Engels in de buurt is: het Engels van Nederlanders is te dikwijls niet goed genoeg, iets wat ze zelf gek genoeg niet door lijken te hebben.

Ik dacht er ook weer aan bij het relletje vorige week tussen de Vlaamse minister-president Dewael (what’s in a name?) en de Nederlandse ambassadeur in Brussel. Die laatste had, op zich terecht, geen zin zich iets van de Vlaamse taalpolitiek aan te trekken, en liet weten daarom geen gevolg te zullen geven aan Dewaels verzoek meer gebruik te maken van het Nederlands in de contacten met de buitenwereld. Een diplomatieke taal, meestal het Engels, hield de voorkeur. Alsof het communiceren in een vreemde taal nooit een belemmering of misverstand opwerpt.

Toch denk ik dat die zelfoverschatting uiteindelijk een gevolg is van zelfonderschatting. De schuld van de scholen. Zolang die je niet laten zien hoe ver, diep en breed de kennis reikt die je van je moedertaal hebt, krijg je niet het inzicht dat er ook bij een vreemde taal goed beheersen onnoemelijk veel komt kijken.

Oorlogsgevoel

“Ik krijg helemaal een oorlogsgevoel”, zei een naoorlogse mevrouw vrijdag verlekkerd bij de lege melkschappen. Bijval was haar deel. 

Het was natuurlijk krankzinnig, om niet te zeggen gênant, dat iemand in die verder overvolle winkel een verband met de oorlog legde, maar ook had het iets knus. Ineens was er reden om in de anonieme supermarkt het stuurse stilzwijgen te doorbreken, ging er een golfje saamhorigheid langs de uitstalplanken. Eigenlijk wil iedereen dat dolgraag, zag ik weer eens.

Praten is onze natuurlijke habitat, die Dirk van den Broeck en de Aldi ons afpakken.
Enfin, ondertussen was dat nationale gehamster dat de ijskasten tot de nok toe gevuld moet hebben wel een indrukwekkend staaltje macht van de media. Een betere zaak waardig, zou je zeggen.

Laat ik er een noemen. Het Nyumbani-project. Het wat? Excuses. Ik weet het, woorden uit talen waar we niets van weten geven geen houvast. Er zijn geen elementen zoals voor- of achtervoegsels die je kunt herkennen, er is zelfs niets waaruit je zou kunnen opmaken om wat voor soort woord het gaat. Een naam? Een werkwoord? Onthouden wordt daar ook erg lastig van, zelfs al voorziet iemand zo’n in onze oren willekeurige klankenreeks meteen van een betekenis.

Want als ik u vertel dat ‘nyumbani’ Kiswahili is voor ‘mijn huis’ helpt dat maar weinig vrees ik. Ouderwets stampwerk (nyumbani-nyumbani-nyumbani) is het enige, waarbij we dan noodgedwongen, maar gelukkig wel helemaal automatisch de Nederlandse uitspraak- en klemtoonregels gebruiken. Op je moedertaal kun je altijd terugvallen, en daarom ligt ook bij u de nadruk op ba als u het woord nyumbani leest. Op de voorlaatste lettergreep dus, dat is normaal in het Nederlands en dientengevolge de reden dat zo veel mensen normaliter in plaats van normaliter zeggen.

Nee, aan de naam is niet veel aandacht besteed, die was er gewoon vanzelf, maar rond het Nyumbani-project zoemt zachtjes zo’n zelfde saamhorig ‘oorlogsgevoel’. Het verschijnsel is bekend: iemand komt met een plan, en mensen eromheen reageren met ‘ja, moeten we doen’, waarna een aanstekelijk heen en weer gegooi met ideeën volgt. Dit keer maakte ik het mee op het internet, maar het werkt hetzelfde.

Nu is het lastige punt alleen dat het hier allemaal gaat om de uitgekauwste liefdadigheid van de laatste eeuwen: geld voor zielige negertjes in Afrika. Om precies te zijn voor weesjes in Nairobi, die stuk voor stuk hun ouders aan aids hebben verloren, zelf ook besmet zijn met Hiv, en zonder een Nyumbani geheten weeshuis op straat of gewoon niet meer zouden leven.
Iet Rubio, een Nederlandse fotografe die in Kenia woont, had het met eigen ogen gezien, trok het zich aan en riep de hulp in van ook fotograferende of schrijvende collega’s met wie ze dagelijks dingen uitwisselt in een e-mailgroep. Enthousiasme en veel goede wil waren het gevolg, maar hoe vertel je de wereld dat ze moeten kijken op een website (www.deining.org) en storten op een rekening (96.84.97.845 van de Stichting Weeskinderen Kenia, onder vermelding van ‘Project Nyumbani’)? Een persbericht waarin ook het flitsende e-karakter van de actie werd benadrukt leek in elk geval een mogelijkheid.

Dus maar eens informeren bij het ANP, het persbureau dat grootleverancier van nieuwsberichten is. Geen krant zonder ANP-berichten. Hoe komt het ANP aan zijn nieuws? Wel, onder meer uit persberichten, maar als je ze er eentje stuurt, weet je nooit of het ANP er ook een bericht van maakt.

Daar hebben ze nu een oplossing voor. Ik weet niet hoe lang al, maar ik schrok er hevig van. Voor 535 gulden, exclusief BTW, kan nu iedereen kopen dat zijn persbericht gegarandeerd arriveert bij 360 redacties en organisaties. En wel zo: “Uw bericht komt niet binnen op een overbelaste fax of boordevolle e-mail inbox, maar rechtstreeks op de nieuwsmonitor van de ontvangers terecht tussen alle ANP berichtgeving. U lift mee op het kwaliteitsnetwerk van het ANP.” Op deze ‘service’ kunt u ook een abonnement nemen. Heineken, Fiat en de Bovag gingen u bijvoorbeeld al voor.

Dat het hard gaat met de commercialisering van het nieuws wist ik, maar niet dat nieuws en reclame nu al standaard als gezamenlijk pakketje de redacties bereikten. Hierbij welt ineens een heel ander oorlogsgevoel bij me op: angst voor wat ons nog te wachten staat.

Macht?

Het is een pure eenmanszaak. Onbegrijpelijk. Meer dan zes miljard mensen, en niemand anders dan Reinhold Aman die zijn levenswerk heeft gemaakt van onderzoek naar schelden, verwensen en vloeken. Al tientallen jaren verzamelt en beschrijft hij zonder vooringenomen waardeoordelen een universeel verschijnsel in zijn tijdschrift Maledicta, en tegenwoordig ook op zijn website (ga kijken: www.sonic.net/maledicta).

Natuurlijk, er zijn karakter- en cultuurverschillen, maar verbaal geweld borrelt en bruist in ons allemaal. En allemaal houden we ons op gezette tijden in, want schelden doet wel degelijk zeer. Dat is maar goed ook, want alleen om die reden voorkomt het dagelijks moord, doodslag en hartkwalen.

Ik denk altijd dat de Bond tegen het Vloeken dat vergeet. Vorige week haalden ze daar hun 25.000ste lid binnen. Het heeft wel iets aandoenlijks, zo’n vereniging die vecht tegen de bierkaai met een werkelijk volledig onzinnige slogan. Altijd als ik zo’n papegaaienaffiche met ‘word geen naprater’ zie, grinnikt een deel van mij ‘hoe dachten ze ánders aan een woordenschat te komen?’, en denkt een ander deel licht geërgerd: ‘wat een miskenning van het hele fenomeen vloeken’.

Want als het alleen een soort stoerdoenerij was – wat de bond impliceert – dan zou hartgrondig vloeken niet zo opluchten. Juist dat bepaalde woorden zo’n enorm effect kunnen hebben, zowel op jezelf als op anderen, maakt vloeken en schelden zo interessant. Ook dat het dikwijls heel dicht tegen humor aanligt boeit me mateloos. Welke verbanden tussen gevoel en verstand zijn daar de oorzaak van?

Het blote feit dat er zoiets bestaat als een bond die vloeken wil tegengaan, zegt een hoop over de kracht van taboes. Maar ook veel van Reinhold Amans leven is exemplarisch voor de angst die sommig taalgebruik oproept. Dat hij een aantal jaren geleden meer dan vijftien maanden in de gevangenis doorbracht vanwege het versturen van een paar erg onaardige kaartjes aan zijn ex-vrouw had zeker te maken met zijn bezigheden. Zijn onderzoek doet de ooit naar Amerika geëmigreerde Zuid-Duitser, hoewel hij een keurige Phd. heeft, ook niet aan een universiteit ofzo, maar vanuit zijn huis in Californië. En zoals gezegd: helemaal in zijn eentje.

Maar in 78 landen wachten de abonnees op Maledicta nu al sinds 1998 op de volgende aflevering van het tijdschrift. Dat komt vooral door dat huis, en de bijbehorende tuin. De angst die te verliezen verlamt Aman al jaren. Hij is er depressief van, een persoonlijke gevangenis die erger is dan eentje met prikkeldraad, schreef hij me laatst. En nu is het onvermijdelijke onlangs gebeurd: zijn stokoude huisbazin is overleden.

Van Maledicta is Aman, die volgende maand 65 wordt, bepaald niet rijk geworden. Het huis kopen is dus uitgesloten. Maar een ander huren in feite ook. Het punt is dat in de tuin zeker tien verwilderde katten wonen, die van een wisse dood gered werden door kat-o-fiel Aman. Die beesten zijn, ik heb het zelf gezien, werkelijk zijn lust en zijn leven. Maar in het land van de onbegrensde mogelijkheden heb je geen huisbazen die een woeste kattentuin toestaan.
Aman, die door alles heen zijn zwarte gevoel voor humor bewaart, is als de dood voor medelijden, wil eigenlijk niet dat ik u dit alles vertel. Maar hij is ook in paniek.

Dit weekend las ik dat een miljardair Vitesse heeft gered. Zijn miljardairs alleen te porren voor plat vermaak? Of is er misschien toch een rijkaard die Aman en zijn katten hun huis en tuin wil laten houden? Desgewenst heeft ie ook platte lol in de aanbieding trouwens. Poep, pies en seks zijn nou eenmaal wijdverbreide Maledicta-categorieën.

De macht van het woord, dat is de kern van alles waar Aman zich mee bezighoudt. Hoe ver reikt die? En meer in het bijzonder: hebben mijn woorden hier misschien de macht de droom van een ander te vervullen? Het zal wel naïef zijn, maar wat zou ik dat geweldig vinden. En nee, lieve mecenas, niet omdat ik aandelen heb. Ik vind dat dit instituut, want dat is ie, moet blijven. En ik heb nou eenmaal een geweldig zwak voor die narrige man met zijn minuscule hartje, zijn grote schrijftalent en zijn volstrekt originele geest.

Dit is zijn adres: P.O. Box 14123, Santa Rosa, CA 95402-6123, USA. Ook armelui kunnen daar het werk van Aman bestellen.

De ONS

Hij wilde-n-’t self met alle geweld hebbe, zo’n boek, maar ’t bestond niet. Dus ging-ie ’t make. En nou ’t ’r is, heeft-ie d’r niks an, want hij is t’r nie meer.

Ach, wat een tragiek. Jelle de Vries had in 1999 net het manuscript van Onze Nederlandse spreektaal (kort af als ONS) ingeleverd, toen hij zomaar ineens in zijn slaap overleed. Meer dan tien jaar had hij besteed aan proberen zo goed mogelijk op te schrijven hoe wij echt praten.
Wat een fantastisch oor moet de man gehad hebben. De Vries z’n boek (heus, zo zeggen we dat), zojuist alsnog uitgekomen bij de Sdu, werkt als een grote spiegel. Of, nou ja, ik weet even niet wat het auditieve equivalent van een spiegel is, maar wie in de ONS bladert en leest, hoort ineens zichzelf praten.

Er is namelijk heel veel dat we anders zeggen dan schrijven. Niet omdat we slordig zijn, of een accent hebben, of eigenlijk dialect spreken ofzo, maar omdat het Standaardnederlands nou eenmaal zo gesproken wordt: ‘Lieverd, ik ken die hele mensen niet’, ‘D’r staat wat in de krant dat je MOET lezen’, ‘Ev’oplette!’, ‘Dat slaat nerges op, jonges’, ‘Ik zat naast iemand die vond er niks an’, ‘Hier zitten d’r nog, van die vlekken’, ‘Wie z’n lipstick is dit?’, ‘Daar gaat ze nou met al d’r vele geld’, ‘Nee, ken ik niet’, ‘Kpas wel op’, ‘Záchjes!’ ‘Hijp-t’r kijk op’.

Het ziet er misschien raar uit, maar doe even uw ogen dicht, zeg het hardop voor uzelf, en het klinkt allemaal bekend, vertrouwd zelfs. Het is ook niet een kwestie van plat praten, het zijn voorbeelden uit de gewone, dagelijkse spreekpraktijk.

De Vries heeft er daar dus heel veel van verzameld, en zijn 563 pagina’s tellende ONS (natuurlijk een grapje op de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst) is een taalschat die barst van de juweeltjes. Nou was Jelle de Vries geen taalkundige, al had hij wel een MO Engels, maar onder meer een liedjesschrijver en programmamaker voor de VARA. Hij was de man achter Klatergoud, dat als ik het goed begrepen heb eerst een radioprogramma was, maar dat ik me zelf van de televisie herinner. Met Tonny Huurdeman in een prominente hoofdrol. Geen idee hoe het zou zijn om dat nu terug te zien, maar toen vond ik het geweldig. Het was grappig, vol woordspelingen en zo gewaagd dat veel van mijn klasgenootjes – het was rond 1970 en ik woonde nog in het diepe Roomse zuiden – er niet naar mochten kijken.

Het is natuurlijk het type werk waarbij een grote gevoeligheid voor en interesse in normaal, alledaags spraakgebruik geweldig van pas komt, maar een overzichtswerk waarin De Vries zijn eigen observaties eens kon toetsen was er inderdaad niet. Dat dan zelf maar gaan samenstellen, daar alleen al aan beginnen, is uiterst moedig. Talent voor taalkunde had hij absoluut. Toegang tot alle literatuur niet, want een aantal spreektaaldingen uit het Nederlands, is wel degelijk uitvoerig onderzocht en beschreven. Maar ik zou een kniesoor zijn als ik daarover doorzeurde.

De Vries was ook eigenwijs genoeg om waar het hem uitkwam zijn eigen onderscheidingen en terminologie te verzinnen. Het resultaat is niet overal even aantrekkelijk, maar als ik voortaan televisie kijk of radio luister zal ik vaak ‘bastaardtaal!’ denken. Dat woord gebruikt De Vries voor spreektaal waarin schrijftaal doorklinkt. De omroep is ervan vergeven. Dat gaat niet alleen om het schenden van de Nederlandse klankwetten (‘uitzending’ móet echt uitgesproken als ‘uitsending’, maar de Margrieten Branddzzma denken van niet), maar ook om woordkeus en zinsconstructies.

Zo houdt De Vries er glashard aan vast dat ‘Als het aan de kat lag, kocht ze Whiskas’ ongrammaticale bastaardtaal is. Zet dat inderdaad maar naast ‘Als ’t aan de kat lag kocht-ie rosbief’. Het gebruik van ‘hen’ (in plaats van ‘hun’) noemt hij krachtig taalverkrachting. En wie de vorige zin zo voorleest als hij er staat bezondigt zich ook aan een ongrammaticaliteit: dat ‘hij’ moet in gesproken Nederlands beslist ‘ie’ worden.

Heel Hilversum en ook Aalsmeer zou de ONS eens moeten lezen, dat zou ons van veel aanstellerij afhelpen. Maar ook iedereen die dat half miljoen buitenlanders waar van de week over bericht werd wat Nederlands probeert bij te brengen, kan ontzettend veel plezier hebben van het werk dat Jelle de Vries heeft verricht.

Groepsgesprek

Stel u voor: u zit aan een gigantische tafel met tientallen, zelfs honderden mensen en u kunt toch iedereen verstaan. Er wordt namelijk nooit door elkaar gepraat, maar uitsluitend om de beurt. Een tafelschikking is er niet, dus als u een gesprek begint, weet u niet wie van uw tafelgenoten zal reageren.

Wel lopen er vaak een paar conversaties door elkaar, en die kunnen in toon en aard mijlenver uiteen liggen. Zeker de helft van het gezelschap doet nooit een mond open. U kunt zelf beslissen tegen wie u iets terugzegt, en dat kan meteen, maar desgewenst ook rustig dagen later. De hele tafel kan steeds horen wat u te vertellen heeft, maar ondertussen kunt u zelf toch nog doen of iets u helemaal ontgaan is. En oh ja, onderonsjes behoren ook tot de mogelijkheden.

Vergelijkingen gaan altijd mank, maar dit is ongeveer waar het deelnemen aan een e-mailgroep op neerkomt. Mijn conclusie na ruim een half jaar dagelijkse ervaring met een paar van die groepen: het is werkelijk een nieuwe gespreksvorm en ik voorspel het een grote toekomst, ook al kan ik die nog niet helemaal overzien.

Iedereen kan op het internet een e-mailgroep beginnen, en dat kost vooralsnog niks (zie: http://groups.yahoo.com). E-mailberichten gaan automatisch naar alle leden van de groep, die er natuurlijk mee kunnen doen wat ze willen: uitvoerig beantwoorden, alleen even scannen, ongelezen weggooien, het staat je vrij. Een groepslid buiten de groep om mailen kan ook altijd. Mailtjes kun je een voor een laten binnenkomen, of in verzamelberichten die er maximaal vijfentwintig bevatten. Maar elke groep krijgt ook vanzelf een internetsite. Wie dat wil, kan afzien van post in zijn mailbox en zich beperken tot het volgen van en deelnemen aan de discussies via de website. Daar staan ook alle eerdere berichten nog.

Nou heb je heel veel algemeen toegankelijke groepen, over de gekste onderwerpen, maar mijn eigen ervaringen beperken zich tot de besloten variant. De eerste waar ik aan meedeed werd opgericht voor een groep die in de echte wereld al bestond: leden van de FreeLancers Associatie, van wie ik de meesten persoonlijk kende. Een e-mailgroep leek me al snel ideaal voor elk type vereniging, omdat het een efficiënte manier is om dingen uit te wisselen en te inventariseren, om eens een balletje op te werpen én om razendsnel iets aan de weet te komen.

Omdat er geschreven wordt in plaats van gepraat, gaat het vaak toch anders dan aan de cafétafel. Een ononderbroken betoog opzetten bijvoorbeeld is een stuk makkelijker. Andersom kun je even nadenken over een reactie. Zo groeien ideeën en plannen vanzelf, en ontstaat er een soort virtuele gemeenschap waarin iedereen een eigen rol heeft. Dat heeft beslist iets moois.

Het groepsgevoel bleek grappig genoeg ook sterk aanwezig bij de volgende e-mailgroep waar ik aan begon, en die op het internet ontstaan is. De Deininggroep (zie: www.deining.org) is voor zelfstandigen die hun brood verdienen in een communicatief vak. Honderd mailtjes per dag bleek hier gewoon te zijn.

Oef. Dat is wennen ja, maar als je jezelf even de tijd gunt, leer je om op een andere manier met zulke mail om te gaan. Er zit veel geouwehoer en geleuter bij, wat de ene keer een prettige afleiding is, en die je een volgende keer rustig overslaat. Maar ik pik ook een boel op. Bij Deining kende ik hooguit een of twee mensen van tevoren al, en desalniettemin dacht ik binnen de kortste keren dingen als: Oh, dat is Marietje weer, die is een beetje maf, of: ha, kijken wat Pietje vandaag te melden heeft. Net de echte wereld. Ook wrijvingen en geflirt komen voor, net als zeer geestige reacties.

Maar ondertussen zitten er wel een paar gevaarlijke kantjes aan veel e-mailgroepsgesprekken. Je praat al gauw behoorlijk vrijuit. We zijn nu eenmaal niet ingesteld op tegen pakweg twee honderd onzichtbare mensen tegelijk praten, en je vergeet dus dat je dat doet, en dat je van het merendeel van de luisteraars in feite geen flauw idee hebt wie ze zijn.

En waar gesprekken meteen vervluchtigen, schrijf je hier min of meer voor de eeuwigheid. Elke onbezonnenheid kan je dus nog heel lang nagedragen worden. Hmm. Ik zie ineens een toekomst vol Joschka Fischers voor me…

Maakbaar

Vroeger, ja, vroeger, jongens en meisjes, toen dachten de mensen nog dat je de wereld zo zou kunnen krijgen als je hem hebben wou. Je moest dan gewoon alleen maar goeie maatregelen nemen, en mooie wetten in elkaar timmeren enzo, en dan bouwde je vanzelf de ideale maatschappij. Daar zou iedereen dezelfde kansen en mogelijkheden hebben, en dat zou vast ook gelukkig maken.

Tegenwoordig zijn ze niet meer zo naïef hoor. Dat merk je wel aan hoe ze praten over die ‘maakbare samenleving’: alsof het om een erg lief, vroeggestorven troetelbeestje gaat, waar je nog over glimlacht maar dat nou eenmaal bij een andere tijd hoorde.

Want nu, nee nu zijn we veel harder en zakelijker. Alles is op de economie gericht, en dus op geld en ‘de markt’. Over idealen hoor je niet veel meer, en over maakbaarheid al helemaal niet.
Enfin, elke generatie kent nu eenmaal zo zijn eigen kreten. Maar de maakbare samenleving uit mijn jeugd laat prachtig zien dat het verdwijnen van een term nog niet het verdwijnen hoeft in te houden van datgene waar hij voor stond.

Want in werkelijkheid, jongens en meisjes, dames en heren, is het geloof in de maakbaarheid van de maatschappij juist veel groter dan toen ik jong was. Kijk maar hoe het gaat. Je ziet het misschien het duidelijkst bij zaken die iedereen schokken: een ontploffende vuurwerkfabriek, een cafébrand met veel doden en nog meer gewonden. Zegt dan iedereen meteen: wie laat er nou een bom in een woonwijk staan, of wie hangt zijn altijd bomvolle zaak nou toch vol met superbrandbaar spul? Nee, het gaat al gauw alleen maar over vergunningen die al of niet in orde zijn, over brandweervoorschriften die al of niet worden nageleefd.

Men is het vertrouwen in de overheid kwijt, lees ik steeds in de krant. Niet waar. Het vertrouwen is juist oneindig groot. Bij vrijwel elke kwestie, bij ieder probleem zoeken politiek, publiek en pers het massaal in maatregelen, nieuwe wetten, bepalingen, vergunningen, gedragscodes, reguleringen.

Een van de onderliggende gedachten daarbij is dat je de wereld in woorden kunt vangen, dat uitputtende opsommingen mogelijk zijn. En de overtuiging dat je daarmee het kwaad kunt uitbannen is diepgeworteld. Maar van oudsher draait het in het recht heel vaak om niet vast te pinnen woorden als ‘redelijk’ en ‘billijk’. Dat is niet voor niks. Ik zou er nog ‘gezond verstand’ aan willen toevoegen, en, vooruit, ‘fatsoen’. Hoeveel je ook vastlegt, wat je ook aan ‘naleving’ spendeert, zonder die dingen wordt het nooit iets.

Inmiddels leven we in een overgereguleerde, steeds verder dichtgetimmerde maatschappij, waarin niet wordt bijgeleerd. Een andersoortig voorbeeld: dat er van de flexwet helemaal niks flexibeler werd, heeft de overheid er niet van kunnen weerhouden om per dit jaar een begrip ‘zelfstandige’ in te voeren dat nog een ongelooflijke hoeveelheid gelazer gaat opleveren.
Geen wonder eigenlijk dat in een dergelijk klimaat het geloof in de maakbaarheid en regelbaarheid van taal zo groot is. Heeft u laatst de doven op het Binnenhof gezien? Van wie de verantwoordelijke staatssecretaris trouwens niet eens een petitie wilde aannemen? Ze stonden er herrie te maken omdat het met de erkenning van de Nederlandse Gebarentaal nu al jaren voor geen centimeter opschiet.

De gedeeltelijke smoes die Den Haag daarvoor heeft, is dat er eerst voor alles een standaardgebaar moet komen. Dat er nu zomaar vrolijk verschillende gebaren voor hetzelfde begrip worden gebruikt kunnen we natuurlijk niet hebben. Keuzes moeten er gemaakt! Dan krijgen we tenminste ‘Het Groene Boekje’ voor gebarentaal.

Daarbij vergeten we dan voor het gemak dat dat groene boekje alleen maar laat zien hoe je gangbare woorden opschrijft. Daar is het gangbaar worden juist aan vooraf gegaan. Een eeuw geleden sprak niet meer dan drie procent van de bevolking wat toen het ABN ging heten. Niet afspraken en regelgeving, maar scholing en de media hebben het Standaardnederlands ontwikkeld en tot een overweldigend succes gemaakt. Gebarentaal moet dus in opleidingen en op de televisie, en daar helpt erkenning nou net bij.

Dat je over taal van bovenaf besluiten kunt nemen is een misverstand dat steeds weer opduikt. Ook in al die eindeloze discussies over het Engels. Gelooft u mij: niemand kan beslissen ‘het Nederlands af te schaffen’ .

Magische woorden

Het heeft wel iets vertederends, en iets komisch tegelijk. Het ANP meldt: “2000 was vruchtbaar jaar voor nieuwe woorden”, en allerlei kranten nemen het bericht meteen gretig over, met vermelding van de frequentie waarmee het nieuwverzonnen ‘bereikbaarheidsoffensief’ en het oude ‘vuurwerkbedrijf’ voorkwamen.

Journalisten zijn vaak dol op lijstjes ‘nieuwe woorden’, die nu al ongeveer een decennium op gezette tijden en verschillende manieren tot ons komen. Deze keer is het gewoon reclame voor een boekje van Van Dale, dat dit jaar zijn nieuwjaarsgeschenk voor het gemak ook maar meteen in de handel brengt.

Niks tegen hoor, het bedrijf profiteert simpelweg van het feit dat de techniek de geestesgesteldheid van de mensen ver vooruit gesneld is. Want nog steeds heersen de middeleeuwen volop. Ook vijf en een halve eeuw na de uitvinding van de boekdrukkunst is het gevoel heel sterk dat dingen die zwart-op-wit staan een diepe waarheid vertegenwoordigen. Staat het in een boek dan is het helemaal echt.

Hoe krachtig die magie nog is, blijkt wel uit het enthousiasme van juist journalisten voor opsommingen van woorden die in de krant hebben gestaan. Daar zetten ze ze nota bene zelf in. En het is absoluut niks bijzonders, maar ook weer wel.

Om te beginnen bestaan er helemaal geen vruchtbare en onvruchtbare jaren voor nieuwe woorden. Zolang het Nederlands nog niet is uitgestorven, zal niet alleen elk jaar, maar elke dag, elke minuut supervruchtbaar zijn voor nieuwe woorden. Ze worden bij bosjes gemaakt, aan de lopende band.

Meestal uit oude woorden trouwens. Nieuw, ook in die jaarlijstjes, is zelden werkelijk nieuw. Bestaande elementen worden bij elkaar gebracht. Dat doen we automatisch, vanzelf, het is zelfs onmogelijk om te besluiten dat je geen nieuwe woorden zult verzinnen.

Dat is namelijk een buitengewoon cruciaal onderdeel van wat we ‘een taal kennen’ noemen. Woorden zijn wegwerpdingen die toch niet slijten. Je zet ze ter plekke in elkaar, en soms hou je ze dan een tijdje in de buurt, gebruik je er een vaker, soms ook blijft het bij eenmalig gebruik. De losse onderdelen blijven intussen altijd beschikbaar om weer andere woorden van te maken.

En het is ook heel wel mogelijk dat verschillende mensen hetzelfde woord verzinnen. Toen er vorig jaar in Enschede een vuurwerkfabriek ontplofte, waren er ongetwijfeld een heel stel die de samenstelling ‘vuurwerkramp’ voor het eerst van hun leven maakten. Dat dat woord ook al in woordenboeken stond, doet daarvoor niet ter zake. Ook een journalist zal het niet eerst gaan opzoeken, om te kijken ‘of het wel bestaat’.

Aan de meeste ‘nieuwe’ woorden wordt geen enkele gedachte gewijd. Ze spruiten namelijk helemaal vanzelf voort uit de creativiteit die ieder van ons in zich heeft. En zelfs bij een opvallend en origineel woord als ‘geninabrinkt’ (heeft vorig jaar ook in de krant gestaan) zal de maker hooguit achteraf gedacht hebben: verrek, dat is leuk. Maar het is al gebeurd voor je het weet. Dit voorbeeld laat overigens ook iets zien van de flexibiliteit van ons taalvermogen: van een naam kun je rustig een werkwoord maken. Het van de ene woordsoort een andere maken, en daar tussen heen en weer gaan, doen we ook allemaal.

Niet alleen journalisten dus. Want al die jaarlijstjes geven wel een beetje een vertekend beeld. Ze komen uit de computer rollen, maar wat er in die computer zit, is niet wat u en ik tegen elkaar zeggen, of wat er vorig jaar in alle koffiekamers van Nederland afgekletst is, of op de televisie. Het gaat om geschreven journalistieke teksten. Je hebt tegenwoordig prachtige databanken, waarin een heleboel kranten in digitale vorm staan. Daarin zoeken is een makkie, en zo verschijnen dan die overzichten.

Laat u overigens niet van de wijs brengen. Er komen ook getallen uit de computer, en dat ziet er lekker exact en verschrikkelijk wetenschappelijk uit. “Met 349 scores staat ‘bereikbaarheidsoffensief’ op de eerste plaats”, zegt het ANP-bericht. En daarin is dan niet meer terug te vinden dat er weliswaar gezocht is in veel kranten, maar bijvoorbeeld niet in de Telegraaf.

Zeggen al die nieuwe woorden dan helemaal niks? Jawel, precies dat wat u als krantenlezer al wist: wat er vorig jaar in het nieuws was.

De onbeleefden

De trein is bijna helemaal verlaten. Het is ellendig weer. In de verte op de snelweg zien we veel blauwe zwaailichten en voortkruipend verkeer. Van de bovenleidingbreuk die ons een uur extra zal gaan kosten, weten we nog niets.

We zitten, lezen, praten, maken aangenaam plannen voor het nieuwe jaar. Totdat Annemiek binnenkomt. De anonieme reiziger is een uitstervend ras. Bij het betreden van trein, tram of bus weten de meesten tegenwoordig immers niet hoe gauw ze zich bekend moeten maken. “Ja, met Annemiek”, tettert het ook dit keer meteen.

Bijna een uur blijven we proberen ook zelf een gesprek te voeren. Onze Annemiek belt op haar mobieltje de een na de ander, en denkt zo te horen dat ze haar stroom clichés vanuit pakweg Timboektoe helemaal aan de andere kant van de wereld moet zien te krijgen.

We komen domweg niet meer uit boven haar geklep, dat ons overigens inhoudelijk ook met stomheid weet te slaan. Werkelijk elke tweede zin bevat een ‘dan ik heb ik iets van’ en de rest bestaat voornamelijk uit uithalen van het type ‘jajohperciehies, vinnikoohook’. Vijf opeenvolgende gesprekken die vrijwel uitsluitend uit stoplappen bestaan.

Ons eigen volume omhoog brengen helpt niet, en nadat we voor de vierde keer zijn stilgevallen – wat, neemt u dat van me aan, in ons geval wel wat wil zeggen – zeggen we er maar eens iets van. Zowaar, dat blijkt feilloos te werken. Het lopende gekwek wordt direct afgebroken en er wordt geen nieuw slachtoffer gebeld.

Moet een goed voornemen voor dit jaar zijn om de onbeleefden sneller op hun onbeleefdheid te wijzen? Ik vind dat maar lastig. Deels uit gêne. Want ik snap eigenlijk niet dat mensen zelf niet snappen dat ze met hun herrie in volle vaart geheel ongevraagd het leven van onbekenden binnendenderen. Uit ongeloof dat ze dat niet zo dalijk alsnog zullen beseffen, houd ik dikwijls lang mijn lippen op elkaar.

Iets dergelijks heb ik ook met mailtjes. Nog steeds krijg ik dagelijks elektronische post onder ogen die een zoekplaatje is. Verbazingwekkend op hoeveel manieren je de prachtige antwoordfunctie die e-mail heeft verkeerd kunt gebruiken.

Voor wie beeldschermpost nog nieuw is: de meeste programma’s maken na een druk op de antwoordtoets niet alleen een kopietje van de tekst waarop je wilt reageren, maar zetten meteen ook voor elke regel een speciaal tekentje, meestal een haakje. Het doel daarvan is natuurlijk dat oorspronkelijke tekst en het antwoord daarop makkelijk van elkaar te onderscheiden blijven. Schitterend bedacht.

Maar wat ik aan dwars door elkaar lopende oorspronkelijke en antwoordteksten zie, doet mij vermoeden dat bepaald niet iedereen automatisch begrijpt wat de achterliggende gedachte is. Dat is ook weer een beetje gênant. Waarom kijken mensen niet naar wat ze doen? Moet ik er wat van zeggen? Bij elk doolhofmailtje vraag ik het me weer af. Of ben ik dan een zeur? Of erger nog: even erg. Want met mijn commentaar kom ik ook ongevraagd iemand lastigvallen.

En natuurlijk ben ik ook wel eens te bang om iets te zeggen. Tegen de echte aso’s op straat bijvoorbeeld. Die zijn meestal sowieso resistent tegen sociale druk, en sommigen van hen vertonen ware heldenmoed. De treinreis met Annemiek eindigde veel te laat in een ijskoud Amsterdam, waar de trams allang naar huis waren. Dat levert altijd een fikse chaos bij de taxistandplaats op. Voer voor sociologen. Doorlopen en aansluiten in de rij is meestal te veel gevraagd, ook al kreeg ik de meute – ik meld het niet zonder trots – in mijn eentje wel zover naar voren dat we tenminste allemaal onder het afdak konden wachten in plaats van in vieze de regen die op onze hoofden miezerde.

Maar altijd heb je smerige voorkruipers, die gauw naar een aankomende taxi lopen terwijl ze nog lang niet aan de beurt zijn. Meestal zwijgt iedereen dan. Zo niet deze nacht. Gejoel en geroep van alle kanten viel zo’n smiecht dit keer ten deel. Hij trok er zich geen moer van aan, stapte in terwijl er allerlei volk op hem afliep, en was vertrokken. Ik zou het niet eens gedurfd hebben.

De onbeleefden hebben de halve wereld. Ik denk toch dat ik er in het nieuwe jaar sneller en vaker iets van ga zeggen, voordat ze de hele wereld hebben overgenomen. Doet u mee?

LOL + LOL

Nog steeds schrijft ze consequent verw8 en n8, en ook kr8ig. En ik vind het nog altijd leuk.

Tegenwoordig komt haar post elektronisch binnen, maar in de tijd dat het ouderlijk gezag nog zo groot was dat we minimaal de schijn van huiswerk maken moesten ophouden – we waren net vijftien – schreven we elkaar achter onze bureaus brieven met de hand. Omdat we in parallelklassen zaten, vond voor schooltijd de uitwisseling plaats van onze huiswerkvervangers vol verw8ingen en dingen die ge4d moesten.

Arme leraren. Het maakte niet uit wat ze deden of probeerden, alles was interessanter dan welke leerstof ook. Het was het eerste jaar dat de vrouw van Job Cohen Nederlands gaf, onder meer aan mij. Een vak dat ik later nog jarenlang zou studeren, maar toen ging al mijn aandacht tijdens de lessen naar de brieven van mijn hartsvriendinnetje, of naar mijn buurman, over wie die brieven dan weer gingen.

Het is een rare gewaarwording dat die lerares nu de voorpagina’s haalt als ‘de zieke vrouw van’, terwijl voor mij de nieuwe burgemeester van Amsterdam dus ‘de man van’ is. Ik kan het de pers niet echt verwijten, maar publiekelijk teruggebracht te worden tot iemand met alleen maar een gezondheid lijkt me gruwelijk. Zelf zie ik een aardige, voor de klas nog wat onzekere jonge vrouw voor me, die haar lenzen per ongeluk droog liet koken op de wc van een aftands pensione in Rome. Het beeld dat kranten je geven over zaken waar je al voorkennis over had pakt vrijwel nooit goed uit.

Ho, ik ontspoor. Dit is een luchtig stukje over het versieren en bekorten van informele schrijfcontacten met rebus8ige afkortingen. Daar is met al dat snelle e-mail- en chatverkeer veel meer markt voor dan toen ik op school zat. En het strekt zich ook verder uit dan de schooljeugd. Die heeft voor zijn natuurlijke speelsheid en grote voorliefde voor geheimschriften alleen nog het rijk alleen in de SMS-berichtenwereld, waar volgens mij geen volwassene aan meedoet.

Maar die zitten tegenwoordig allemaal wel achter beeldschermen waar ze berichten intikken en binnenkrijgen, vaak zelfs on line, zodat snelheid er erg toe doet. En ik heb sterk de indruk dat de creativiteit nog te wensen overlaat. Je ziet wel jatwerk uit het Engels, en dat is niet onbegrijpelijk. Er bestaan veel meer Engelssprekenden dan Nederlandssprekenden die kunnen helpen verzinnen, en bovendien hebben die bofkonten een paar erg bruikbare toevalligheden.

Twee cijfers die voor drie heel frequente voorzetsels staan (2 en 4 voor to, too en for) bijvoorbeeld, en een letter waarmee twee persoonlijke voornaamwoorden gespeld kunnen worden (U voor jij en jullie, zo kreeg je de popgroep U2), terwijl hun ik (I) van zichzelf al maar een lettertje telt. Dat schiet op, net als het feit dat er nauwelijks vervoegd wordt in het Engels. Als je hun C (voor zien) tegenover onze Z zet, dan kunnen zij daar dus meer mee dan wij. UC?

En toch is er alle reden ons te laten inspireren door wat ze in het Engels doen. Hebben wij immers niet FF T ZZ (inderdaad: effe thee zetten)? Veel mensen kennen die, maar waarom niet ook eens geschreven over een boterham met KK, en eten we met kerst geen HH?

Het is even wat zoeken en uitproberen, maar neem de N en de R die voor de heel veelvoorkomende woordjes ‘en’ en ‘er’ gebruikt kunnen worden. Je kan NX schrijven, in plaats van ‘niks’, en D voor ‘deed’. Er liggen mogelijkheden in de V en de W. Je kunt ge9 zijn met Wmoed en ver3t LLlange SS in MM te planten. Ik geef maar een willekeurig voorbeeld. Niet mee eens? Kl88 bij de bAA, en zelf in de kerstvakantie leukere zinnetjes bedenken.

Er ligt trouwens nog een groot terrein braak: dat van de afkortingen voor mededelingen die bestaan uit een rijtje beginletters. Die heb je in het Engels ook bij bosjes. De populairste daarvan in de Nederlandse elektronische kletswereld is LOL, die voor Laughing Out Loud staat, maar het natuurlijk zo goed doet omdat ‘lol’ en hardop lachen graag samengaan.

‘Lol’ is ook wat je leest als je het getal 707 op een rekenmachientje op zijn kop leest. Ik vraag me af of nog steeds elke nieuwe generatie scholieren de som lol+lol=hihi ontdekt. Het was indertijd een groot suc6.

Rijm fijn

Vreemde tijden. De volwassenen zijn tegenwoordig bang voor Sinterklaas. Nog helemaal niet zo lang geleden zaten de kinderen altijd in angst. Want die enge Zwarte Pieten praatten maar raar, en hadden zo’n harde roe, en je wist maar nooit of je niet meemoest in de zak, naar Spanje.

Typisch kindergegriezel, dat is uitgestorven. Maar nu die kleintjes van toen opgegroeid zijn, zelf allang kinderen hebben, lijden ze aan grote-mensenangst voor de Sint. En dat ze bang zijn verdoezelen ze, zoals grote mensen dat doen, met smoesjes. Ze zoeken ontsnappingsclausules. “Sinterklaas is voor de kleintjes”, zeggen ze, en trekken daar een stoer gezicht bij. “Wij zelf doen er niet meer aan, we geven mekaar wel wat onder de kerstboom.”

Kletspraat. Sinterklaas is juist voor de groten. Het is ons nationale jaarlijkse zuiveringsritueel en het is bijzonder slecht voor de geestelijke gezondheid van gans ons volk dat het om zeep wordt geholpen.

Want wanneer anders dan op vijf december kunnen wij elkaar zonder probleem, zo keurig aanvaard fijntjes de waarheid vertellen? Even die onderhuidse ergernis die toch vaak opspeelt gevaarloos ter sprake brengen? Bewondering en waardering op zo’n manier uitspreken dat het niet meteen klef of wel erg heavy wordt? Iemand eens lekker plagen met zijn gekke gewoontes?

Kijk, witte aanplakbaarden en zwarte schmink zijn alleen versierselen. Ook pepernoten en chocoladeletters dienen als aankleding. De kern van het Sinterklaasfeest, of beter: het hart, zit in de surprises en de versjes. Die zijn een fantastisch sociaal smeermiddel, en als dat verdwijnt – en er komt bovendien alleen maar zo’n domme, uitsluitend ‘hohoho’ uitstotende Santa voor in de plaats – dan wordt het zaakje stroever. Ik wil niet overdrijven, maar ik geloof eerlijk dat het langzaam verdwijnen van de oude Sinterklaastradities het zelfreinigend vermogen van onze samenleving aantast.

Dat is veel erger dan een keer per jaar even met de billen bloot te moeten. Want ik denk dat daar de angst ligt: oef, oef, dalijk zeggen ze iets naars van me! En ook het zelf de confrontatie met iemand anders zoeken wordt maar eng gevonden. Dat is sowieso kortzichtig, want de Sinterklaas-manier is verstandiger dan de recht-voor-zijn-raapmethode, waar het tenslotte vaak toch op uitdraait als dingen onuitgesproken blijven sudderen.

Ach, iedereen weet wel dat verpakken effectiever is dan iemand plompverloren de naakte waarheid voor de voeten te gooien. En juist Sinterklaasversjes zijn geweldig verpakkingsmateriaal. Dat heeft een duidelijke reden. Rijm maakt dat de vormkant van taal onevenredig veel aandacht trekt. Diep van binnen weten we namelijk allemaal dat het er niets toe doet welke klanken we voor welk begrip gebruiken. Uiteindelijk is dat alleen maar stom toeval. Zo behandelen we wat we horen ook: we pikken de bedoeling er direct uit, en vijf seconden later kunnen we ons de exacte bewoordingen ook met de beste wil van de wereld al niet meer herinneren.

Maar wie rijmt, zegt als het ware ‘sliep-uit’ tegen die arbitraire omhulsels van begrippen. Het is spelen met een basisprincipe van alle talen. Hé, wacht ’s, zeggen onze taalintuïties daarom als we rijm horen of lezen: dit is ineens geen toeval meer. En dan gaan we erop zitten letten. Dat leidt af van de inhoud, en dus kun je die inhoud veel pittiger dan anders maken.

Het mooie is: we zijn allemaal zo taalgevoelig dat er voor dat afleideffect maar weinig nodig is. Daarom doet het er ook niet toe als een Sinterklaasrijmpje typisch ‘sinterklaasrijm’ is. Laat ‘fijn’ fijn rijmen op ‘rijm’. Laat ook ritme en metrum lekker mank lopen. Doe er maar een stoplap met ‘denken’ en ‘schenken’ in. Gebruik gerust twintig regels achter elkaar die op ‘eren’ of ‘atie’ eindigen. Geeft allemaal helemaal niks. De werkzame bestanddelen zitten er toch in.

Daarom, lezers, hou nu meteen op met lezen. Stel een daad, doe iets voor uw land, en ga vanavond Sinterklaasgedichten schrijven. Giet uw liefde voor uw geliefde in een versje, leef uw frustratie voor uw baas of ondergeschikte uit in rijmwoorden, kastijd uw kind met een streng gedicht, gun uw oude moeder een rijmende persoonlijke noot.

Enfin, u ziet maar. Maar verlos uzelf in elk geval vandaag nog van de angst voor Sint en Piet, want geloof u mij: ze verdienen het niet.

Zo gaat het

Wegmasseren heet het, het in de doofpot stoppen van de gevolgen van fout beleid, stom geregel of slecht ge-manage. En meestal werkt het prima, maar deze keer niet. Deze keer trek ik voor u een wel heel grof voorbeeld net van de rand van de doofpot af.

Laat me u eerst in het kort het droeve verhaal vertellen. Het gaat over uw groenteboer, uw schoonheidsspecialiste, uw columnist, over binnenschippers, boeren en kunstenaars. Over de zeshonderdduizend Nederlanders die gemeen hebben dat er niet elke maand een vast bedrag aan salaris of uitkering binnenkomt: zelfstandigen.

Zelfstandigen mochten vroeger niet in het ziekenfonds, ook niet als ze maar weinig verdienden. Dat onrecht moest worden rechtgezet! En zo geschiedde, maar met een wet die vorig jaar zo hoteldebotel door het parlement gejast en vervolgens zo snel ingevoerd werd, dat er van alles aan rammelde. Opnieuw kregen de zelfstandigen geen keus. Mochten ze vroeger niet, nu moeten ze ineens het ziekenfonds in zodra ze onder de inkomensgrens komen. Dat bleek al meteen minstens veertigduizend van hen duizenden guldens per jaar extra te kosten, plus het verlies van hun particuliere verzekering.

Dat laatste is nog het ergste, want veel zelfstandigen hebben nu eenmaal sterk schommelende inkomens. Gaat het een tijdje beter, dan worden ze weer even vrolijk uit het fonds gekieperd, en dan moeten ze maar zien of ze zich weer kunnen verzekeren. Heb je in de tussentijd kanker gekregen of had je het misschien ooit? Pech gehad, zoek het maar uit, of betaal voortaan een exorbitante premie.

Tikje vreemd, toch. Maar nog gekker is dat de toegang tot het fonds afhangt van wat je drie tot vijf jaar geleden verdiende, terwijl je premie op het lopende jaar wordt gebaseerd. Zo zit je dus al gauw in je rijke jaren duur in het fonds, en moet je er juist als het minder gaat weer uit. Dat betekent ook Kafkaëske bijeenkomsten met je belastingadviseur: zou je nu wel een aftrekbare investering doen, of iets aan je pensioen? Komt je inkomen daar niet mee onder de over drie of vier jaar geldende ziekenfondsgrens? Je wordt er als zelfstandige knettergek van, en ziek.

Nu hetgeen waar ik inmiddels alleen nog maar machteloos verdrietig van ben. Want je hoopt toch dat je eigen overheid met een open oog kijkt of ze het goed doet. Zopas is de wet geëvalueerd, en je zou denken: dat zal er wel pittig aan toegegaan zijn.

Nee. Het rapport is een fantastisch staaltje slimme misleiding geworden. Het staat vol geruststellende tussenkopjes als ‘soepele behandeling’, ‘goede maatregel’, ‘goed verloop invoering’, en verstopt alle cijfers zorgvuldig. Alleen dat de (kleine) meerderheid tevreden is, telt. De brieven vol steeds dezelfde beargumenteerde bezwaren die zelfstandigen-organisaties schreven zijn wel integraal opgenomen, maar in de conclusies spelen ze geen rol. De oplossing van alle problemen, de verplichting afschaffen, wordt afgedaan in een ultrakorte passage over wat er in de parlementaire behandeling naar voren is gebracht over “het karakter” van de wet. Welgeteld één zin volgt er dan: “Een keuzemogelijkheid voor zelfstandig ondernemers om al dan niet toe te treden past daar niet in.”

Klaar ben je. Maar ja, minister Borst had de evaluatie dan ook toevertrouwd aan een partij die vanaf het eerste moment zelf zeer betrokken was bij de invoering: het College van Zorgverzekeringen. Tja, dat die mensen dan vooral tevredenheid over de uitvoerende instanties onder woorden brengen…

Dat ik er nog van opkeek. Politici zijn rond de jaarwisseling bestookt met klachten en brieven, maar politici zijn niet van onze wereld. Rob Oudkerk (PvdA) liet weten dat het ziekenfonds nou eenmaal mensen nodig heeft die niet veel kosten maar wel veel betalen. Agnes Kant (SP) gaf wie zich onrechtvaardig behandeld voelde wel gelijk, maar de SP is voor één basisverzekering voor iedereen. De VVD was natuurlijk tegen de verplichting, maar deed verder geen mond open. En bij monde van Stephanie van Vliet hield D’66 stug vol dat zelfstandigen solidair moesten zijn met werknemers, die immers ook in het ziekenfonds moeten. Dat zij geen werkgeverspremies hoeven te betalen wuifde ze weg, en over het feit dat verzekeringsmaatschappijen geen terugkeergarantie bieden loog ze dat het allemaal geregeld was. Zo gaat het. Haagse praat, doofpotspeak.

Allergisch

Allergieën zijn rare dingen. Tijdenlang kun je iets toegediend krijgen en er gebeurt niets. En dan van de ene op de andere dag begint het te kriebelen, en dat wordt erger, totdat op een kwaad moment de kleinste dosis al uitslag, bulten en verschrikkelijke jeuk veroorzaakt.

Ik vrees dat ik dat niks-meer-verdragen-stadium inmiddels bijna bereikt heb voor de woorden emoties en emotioneel. Als ik ze hoor, slaan mijn oren meteen dicht, en mijn lichaam zet zich schrap. Het voelt alsof er ergens achter mijn borstbeen een benauwd stemmetje ‘nee! nee! niet doen!’ piept.

Dat ligt niet aan die woorden zelf. Die kunnen er ook niets aan doen dat ze voortdurend de geilheid van half journalistiek Nederland moeten bevredigen, noch dat de rest van de bevolking het al even lekker vindt, en dientengevolge vaak nog voordat de scoringsdriftige verslaggever ernaar vraagt begint te roepen over ‘de emoties’ die ‘kwamen’ of liever nog ‘loskwamen’, en over dat het zo ‘emotioneel werd’.

Zo schrikbarend vaak hoorde ik de laatste jaren in dat soort mededelingen een onecht, voos element, dat die valsheid voor mij een onderdeel van de betekenis van de woorden in kwestie is geworden. Een akelige parasiet die meelift en die zich niet eenvoudig laat verdelgen.

Want je mag er alleen maar naar kijken, liefst in close-up, maar aankomen niet. Emoties zijn heilig, zullen en moeten serieus genomen. Gezichten worden in de ernstig-stand getrokken. Ik kan het niet helpen, maar bij de journalisten zie ik er steeds zelfvoldaanheid doorheen schemeren (‘zeg er maar eens wat van’), en wie zijn verhaal mag doen zie ik vaak denken ‘nou hoor ik er ook bij’. En ook daar krijg ik ontzettend de kriebels van.

Bij andere taalverschijnselen verkeren mijn reacties in een minder ernstige fase. De mode van de wegvallende tussen-s’en werkt voornamelijk op mijn lachspieren. Zo hoorde ik gisteren Tineke Netelenbos over een ‘rijkdienst’ in plaats van een ‘rijksdienst’ praten. Ik zweer het u, vraag de band van Buitenhof maar op. Ik denk dat het een door ambtenaren verzonnen manier is om nepchic te doen. Op universiteiten doen ze ‘onderzoekvoorstellen’ en de NS verkoopt al vele jaren ‘vervoerbewijzen’. Onuitspreekbare woorden waar ik van ga giechelen.

Misschien kunt u in deze dingen met me meevoelen, ik weet het niet. Maar voor mijn afkeer van het woord ‘communicatie’ heb ik tamelijk particuliere motieven. Ja, het is natuurlijk ook zo’n flutwoord dat van alles moet verhullen. Als partijen elkaar het liefst het kot uit slaan zegt men in polder-Nederland dat de communicatie verbeterd moet, en maakt bijvoorbeeld een overheidsinstantie een giga-misstap dan beloven ze voortaan krachtiger te zullen ‘communiceren’ dat ze heus alleen goede bedoelingen hebben.

rgerniswekkend inderdaad, maar mijn allergie is elders begonnen. Bij de altijd als waarheid als een koe gebrachte gedachte dat taal en communicatie hetzelfde zijn. Een van de grote, diepgewortelde mythen over taal. Nog onuitroeibaarder dan de overtuiging dat eskimo’s honderden woorden voor sneeuw hebben (nee, dat is een klein begonnen verzinsel dat grappig genoeg geleden heeft onder een sterk sneeuwbaleffect: decennialang groeide het aantal woorden in elke volgende publicatie zomaar aan).

Het gaat namelijk twee kanten uit niet op. Lang niet alle communicatie is taal. Zoals Jan Koster, hoogleraar taalkunde in Groningen, het zo treffend zegt: de verrichtingen van de PTT en het seksuele leven van de mier zijn ook communicatie. En als we het even tot mensen willen beperken dan horen de glimlach, uw haardracht of type horloge, en het behangetje van de buurvrouw er ook bij. Allemaal dingen die iets communiceren zonder dat er ook maar het kleinste beetje taal aan te pas komt.

Maar, en dit onderdeel van de mythe is het hardnekkigst, ook lang niet alle taal is communicatie. Wie een kruiswoordraadsel of een cryptogram zit op te lossen communiceert helemaal niets, maar gebruikt onmiskenbaar taal. Dat geldt ook voor de geheime-dagboekschrijver en verder voor iedereen door wiens hoofd flarden zinnen of hele monologen gaan als hij gewoon op de bank zit.

Wat is taal dan wel? Nou, deze omschrijving dekt de lading in elk geval beter: een middel om je gedachten uit te drukken, ook tegen jezelf, ook als je niet hardop praat.

Witzelsucht

Met geen mogelijkheid kan ik me herinneren wat er nou toch zo leuk was. Weet u het nog? Waarom hingen wij urenlang hikkend, snikkend en letterlijk slap van het lachen in onze schoolbanken? En waarom toch is die roes waarin álles grappig is nu bijna niet meer terug te halen?

Je zou zeggen: omdat we tegenwoordig geen tijd meer hebben voor flauwe geintjes. Maar misschien is het wel zo dat we er de hersens niet meer voor hebben. En dat we daar nog blij mee moeten zijn ook.

Witzelsucht is de prachtige Duitse term voor het verschijnsel dat je ziet bij mensen met een bepaalde beschadiging in hun voorhoofdskwab: ze hebben zelf ongelooflijke lol, maken de hele dag van alles een gebbetje, en zijn meestal in gezonde ogen niet grappig. Er kan eens een geestig bon mot tussendoor glippen, maar kinderachtige ongein is de regel, en veel is domweg ongepast.

Groeit er in onze voorhoofden op weg naar volwassenheid een rem op platte en slappe grappen? Er zitten daar wel meer remmen: op agressie en lust bijvoorbeeld. Ongeremdheid op allerlei gebied is vaak een kenmerk van mensen die de pech hadden dat er in dat deel van hun hersenschors iets stuk ging, om welke reden dan ook.

Ik snap ondertussen maar weinig van humor in het brein. Waar zit het nou? Zit subtiliteit middenvoor ofzo? Deels bevindt het zich natuurlijk ook links. Want om te kunnen lachen om iets wat je verteld wordt, zul je in elk geval taal moeten begrijpen. Uit klanken moet je de woorden kunnen vissen, uit opeenvolgende woorden moet je kunnen opmaken wat er bedoeld wordt, en dat gebeurt ruwweg in het gebied boven je linkeroor.

Maar dat is ook weer niet helemaal waar. In de linker hersenhelft zit, althans bij de meeste mensen, inderdaad de ‘rekenkant’ van taal, die al die reeksen pauzeloze, half ingeslikte en met elkaar versmolten klinkers en medeklinkers voor je in stukjes breekt, of andersom, als je zelf praat: voor je opbouwt, construeert. Maar voor het precies interpreteren heb je toch weer je rechter hersenhelft nodig.

Juist de leuke dingen, de dubbele bodems, de woordspelletjes ontgaan je bij een beschadiging rechts. Wie dat heeft, is geneigd alles letterlijk te nemen, ook beeldspraak, en daar zit elke taal tjokvol mee. Zo iemand heeft grote moeite iets ‘in zijn eigen woorden’ samen te vatten, en is zelf ook niet leuk. Zijn grappen zijn gauw ruw, onbeholpen.

Dus, grof gezegd: links ontleedt, rechts interpreteert? Nee. Ook dat is maar de vraag. Deze week komt Michael Gazzaniga (Gedzènniga, spreek de g’s uit als in goal) weer eens naar Nederland, de Amerikaan die erg beroemd werd met zijn onderzoek naar split-brain-patiënten: meestal lijders aan een zware vorm van epilepsie bij wie de verbinding tussen de twee hersenhelften is doorgesneden om te voorkomen dat aanvallen overslaan naar de andere kant. Dat klinkt gruwelijk, maar werkt goed. Je merkt niets bijzonders aan ze, en nog mooier: ze voelen zichzelf ook gewoon.

Dat ze dat niet zijn, blijkt pas in het laboratorium, waar je ervoor kunt zorgen dat dingen werkelijk maar één van de twee hersenhelften bereiken. Woorden op een beeldscherm bijvoorbeeld. De rechter hersenhelft kan, dat werd duidelijk, wel wat taal verwerken. Korte opdrachten als ‘lach’ of ‘loop’ zijn geen enkel probleem, maar praten doet alleen onze linker hersenhelft.

En het blijkt ook nog een kletsmajoor. Want voert een split-brainpatiënt netjes de opdracht uit en je vraagt hem vervolgens waarom hij lacht of opstaat en wegloopt, dan komt de linkerhelft, die ware de reden niet kan snappen, met onzinpraatjes. ‘Ach, jullie met je rare onderzoeken ook’ zegt de lachende patiënt, en de wandelaar beweert bijvoorbeeld even een blikje cola te gaan halen.

Gazzaniga’s conclusie: we hebben links een ‘interpretator’ zitten, die greep op de wereld houdt voor ons, die graag dingen op een plausibele manier met elkaar verbindt, en die als het moet zelfs interpretaties voor je verzint uit het niets.

Maar interpreteren ging toch juist rechts? Of is dat weer een ander soort interpreteren? Ik ben nog zwaar in verwarring over dit alles. Maar zolang niemand me tegenspreekt, troost ik me met de gedachte dat mijn sterk afgenomen vermogen de slappe lach te krijgen een teken van een gezonde voorhoofdskwab is.

Lef en schwung

“Vet cool!” had een ongetwijfeld jonge bezoeker in het gastenboek geschreven. Had hij uitgezocht waar zijn naam vandaan kwam? Een wonderlijke dialectuitdrukking proberen thuis te brengen voor de dialectwedstrijd? Moppen getapt uit de moppenbank? Of gewoon een Turkse pizza en poffertjes gegeten in de Nederlandse multicultikeuken?

Ter ere van de wetenschapsweek was het gisteren onder andere bij het Meertens Instituut in Amsterdam open dag. Ze verzamelen en onderzoeken daar van alles dat met dagelijkse cultuur en met taalvariëteiten te maken heeft. U kent het waarschijnlijk als Het Bureau, en dat het zo veel enthousiasme weet te ontlokken aan een kind stemt mij hoopvol.

De bedoeling van de wetenschapsweek is om iedereen buiten de onderzoekswereld te laten zien wat daarbinnen gebeurt. Maar ik vrees ondertussen dat het tekenend is dat Voskuils boekenreeks het instituut meer bekendheid heeft gegeven dan honderd open dagen en honderd stukjes in de krant daarover ooit voor elkaar zouden hebben gekregen.

Ga nou eens kijken hoe de kunstmafia het doet, riep Rob van Hattum laatst de Nederlandse wetenschap toe, die naar zijn zeggen uit een stelletje grijze muizen bestaat die zich niet durven te presenteren. Van Hattum is eindredacteur van Noorderlicht, het wetenschapsprogramma van de VPRO-televisie, en voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wetenschapsjournalisten die laatst vijftien jaar bestond en dat samen met de ook jubilerende onderzoeksorganisatie NWO vierde. Zijn smakelijke tirade (“introverte briljante sufkoppen”, “…€infiltreer, chanteer desnoods…€ maar doe wat!”) stond op 30 september in het wetenschapskatern van deze krant afgedrukt.

Het grappige is dat bij dezelfde gelegenheid diezelfde Van Hattum op zijn kop kreeg van Martinus Veltman, vorig jaar samen met Gerard ’t Hooft winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde. Hij kreeg toen uiteraard de complete Nederlandse pers over zich heen, maar dat was hem slecht bevallen. De verslaggeving was prut, vond Veltman, die het geestig samenvatte als: “Iedereen weet nu dat ’t Hooft en ik die prijs gekregen hebben voor het hebben van onenigheid.” Ook Van Hattums Noorderlicht had nou net het geschil tussen de twee eruit gepikt.

Wiens schuld is het nu? Waarom haken zo veel mensen meteen bij het woord ‘wetenschap’ al af? Hoe komt het dat de onderzoeksbudgetten in Nederland belachelijk laag zijn? Waar ligt de verklaring voor het wonderlijke feit dat de overstap van een literaire auteur naar een andere uitgever overal artikelen en commentaren oplevert, terwijl er bij het vertrek van een ijzersterke onderzoeker naar het buitenland nog niet het kleinste berichtje afkan? Het laatste heeft voor de Nederlandse cultuur heel wat meer gevolgen.

Ik denk dat Van Hattum en Veltman alletwee groot gelijk hebben. De gemiddelde Nederlandse onderzoeker moet hoognodig eens wat lef en schwung aan de dag gaan leggen. En dat wil niet zeggen dat ze hun resultaten moeten opblazen of versimpelen. Ze hoeven maar twee dingen te leren.

Het belangrijkste is dat ze zich aanwennen om in gewone, liefst aanstekelijke woorden te vertellen wat ze doen, en geloof me: dat kan altijd, bij elk type onderzoek. Kwestie van flink oefenen op de buurvrouw en het kleine neefje. Daarnaast moeten ze hun blik verruimen. Het barst van de onderzoekers die helemaal weggekropen zijn in hun kleine, eigen hoekje, waar ze sinds jaar en dag hun werk doen. Ze weten zelf niet meer waar dat hoekje zich bevindt. Maar het brede verband is nu eenmaal waar de buitenwereld, terecht, in geïnteresseerd is.

Journalisten moeten ook bijleren. Er is de veel te grote categorie die eens met lef en schwung moet gaan schrijven. Want tjongejonge, wat zijn stukken over wetenschap nog vaak taai en saai. Maar de oplossing daarvoor zit hem niet in makkelijke sensatieberichtgeving over ‘herrie in de tent’.

Wie een aantrekkelijk, toegankelijk stuk wil maken over wetenschappelijk onderzoek moet zelf heel goed begrepen hebben waar het over gaat. Dat vreet tijd. Dus alleen extra investeringen van zowel verslaggevers als onderzoekers kunnen maken dat we voortaan niet langer een hype als Het Bureau nodig hebben om op ruime schaal een blik in de onderzoekswereld te kunnen werpen. Trouwens, in het echt doen de meeste onderzoekers, anders dan Voskuil, niet met gêne en een voor-spek-en-bonen-gevoel hun werk.

Rood waas

Nooit meteen reageren als je boos bent. Niet schelden, niet vloeken. Laten bezinken. Ik weet het, ik weet het, en ik heb het ook geprobeerd, een weekend lang. Maar ik blijf me toch wel zo allejezus verschrikkelijk kwaad maken.

Om de arrogantie, het misselijkmakende paternalisme, en de onbegrijpelijke ongeïnformeerdheid van mevrouw J.F. de Vries, die ik persoonlijk niet ken, maar die topambtenaar is bij het ministerie van WVC en die het bestaan heeft om afgelopen vrijdag op Werelddovendag tegen een zaal vol doven te zeggen dat ze eerst maar eens moeten bewijzen dat de Nederlandse Gebarentaal een levende taal is voordat er sprake kan zijn van erkenning.

Het rode waas wil maar niet voor mijn ogen vandaan. Al bijna veertig jaar is bekend dat gebarentalen in wezen niet verschillen van gesproken talen. Schandelijk genoeg zijn sindsdien toch nog vele generaties doven overal ter wereld eerst aangelopen tegen een bot verbod op gebarentaal gebruiken, en daarna tegen een halfslachtige ‘oplossing’ waarbij ze een door horenden verzonnen mengelmoesje van gebaren- en gesproken taal moesten leren. Dat noemde men, huilt en lacht u even mee, ‘totale communicatie’.

Allemaal goed bedoeld natuurlijk, heus waar, maar wel was het consequent zo dat die goedwillende horenden, ook en juíst op de doveninstituten, de dienst uitmaakten en bepaalden dat hier geboren en getogen doven geen onderwijs in hun eigen taal kregen. Zelfs nog in de tijd dat er voor immigrantenkinderen al van alles op dat vlak was. En laat me er voor de duidelijkheid dan nog één keer op wijzen dat elk immigrantenkind de taal van het nieuwe land prima vloeiend kan leren spreken en verstaan, terwijl dat een puur fysieke onmogelijkheid is voor vrijwel alle dove kleintjes.

Enfin, eindelijk, eindelijk is die achterstelling van doven nu ongeveer achter de rug en kan officiële erkenning de laatste restjes opruimen, maar dan komt zo’n ambtenaar de klok compleet terugdraaien. Hoe levend wou u het eigenlijk hebben, mevrouw de Vries? Een taal die nu al honderden jaren verdrukking, kleinering en verboden heeft overleefd, is niet dood te trappen, dacht ik.U niet?

Bovendien ligt er in Den Haag al sinds juni 1997 een uitstekend, op verzoek geschreven rapport van de Commissie Nederlandse Gebarentaal waarin glashelder wordt uitgelegd dat niets de erkenning van die taal in de weg staat. Waarom meent u het dan nu beter te moeten of kunnen weten? Dat het geld, kost kan toch verdorie op dit moment niet echt het probleem zijn!

Haagse rapporten… Zucht. Ik vrees een beetje dat mevrouw de Vries Méér dan een gebaar niet gelezen heeft, ook al verzekerden de staatssecretarissen van Onderwijs, Welzijn en Cultuur me indertijd alledrie vol vuur dat dit nou eens niet in een la zou verdwijnen. Het had immers allemaal al veel te lang geduurd. Hun drie opvolgers (Adelmund, Vliegenthart en Van der Ploeg) hadden bij aantreden ook beslist de beste intenties. Maar ondertussen zit de erkenning in een grote pot vol stroop, en komt de topambtenaar die daar iets aan zou kunnen doen met een miesmakend, in feite ronduit beledigend praatje.

Oké, goed, ze zal het vast niet kwaad bedoelen, dus laat ik dan nou maar eens ophouden me kwaad te maken. Misschien kan ik iets doen aan de wereld van onbegrip die ook verder spreekt uit het verslag over haar optreden dat Trouw maakte.

Ik las bijvoorbeeld dat ze gebarentaal een ‘visueel aantrekkelijke taal’ had genoemd. Goh, leuk voor de doven. Maar het is precies hetzelfde als zeggen dat het Nederlands een ‘akoestisch aantrekkelijke taal’ is. Een nogal onzinnige mededeling.

Voor sprekende horenden blijkt het vaak ontzettend moeilijk te snappen dat gebarentaal gewoon hetzelfde is als wat ze zelf doen, alleen dan via een ander kanaal. Dat bijvoorbeeld het vermogen abstracte begrippen te begrijpen en daarover dingen uit te wisselen in ons hoofd zit, en niet in onze monden, kelen en tongen.

En toch weet iedereen dat eigenlijk heel goed: aan hetzelfde begrip kunnen totaal verschillende klanken opgehangen worden. Wij noemen het oorlog en vrede, de Engelsen war en peace, en in Frankrijk hebben ze het over guerre en paix. Als willekeurige klanken een begrip kunnen ‘vangen’ en overbrengen, dan kunnen willekeurige bovenlijfbewegingen dat net zo goed. Zo simpel is het.

NOOT: Deze column is nogmaals verschenen in Woord en Gebaar van oktober 2000.

Dax, blob, gorp

“Kijk ’s, dit is een dax. Zie je de dax? Kun je hem op je hoofd zetten?” Er zitten soms licht mallotige kanten aan het vak van taalonderzoeker. Daar sta je dan, met een of ander poppetje in je hand een jonge peuter wijs te maken dat het een dax is. Dat lukt trouwens heel makkelijk. Want laat je het kind daarna een rij speeltjes zien, waaronder een soortgelijk maar bijvoorbeeld anders gekleurd poppetje en zeg je “pak de dax maar”, dan pakt het kleintje feilloos de dax.

Maar dat doet het niet wanneer je het eerste poppetje hebt geïntroduceerd met de woorden “Kijk ’s, dit is Dax. Zie je Dax? Kun je hem op je hoofd zetten?”. Alleen precies hetzelfde poppetje wordt dan als Dax herkend. Kinderen die nog niet eens anderhalf jaar oud zijn en zelf net een handvol woorden kunnen zeggen, hebben al haarfijn het verschil door tussen ‘een dax ‘en ‘Dax’. Tussen een soort en een naam dus.

Onzinwoorden als dax en blob en gorp maken inmiddels deel uit van een rijke onderzoekstraditie. Ze zijn op allerlei manieren ingezet om erachter te komen hoe kinderen het toch voor elkaar krijgen om in razend tempo het ene na het andere woord te leren.

Hun prestaties op dat vlak zijn werkelijk fenomenaal, het is een van de grote wonderen van ons taalvermogen: elk kind leert tussen zijn anderhalfste en zijn zesde iedere dag opnieuw tussen de vijf en de tien nieuwe woorden. En niet door stampwerk of invuloefeningen of andere inspanningen die wij arme volwassenen ons moeten getroosten als we zoiets willen, maar vanzelf. En die woorden zitten er dan ook echt in. Waar wij in een Frans restaurant voor de zoveelste keer moeten opzoeken wat pleurottes of rognons ook alweer waren, doet een kind zijn woordenschat met veel meer gemak op.

En het is allemaal nog indrukwekkender als je je realiseert wat een ‘een woord leren’ inhoudt. Het punt met woorden is namelijk dat ze nooit alleen komen. Er zit van alles aan vast. Natuurlijk de toevallige klanken, maar dat is in zekere zin nog het minst interessante. We hadden immers even goed ‘vies’ tegen ‘lekker’ en ‘lekker’ tegen ‘vies’ kunnen zeggen, en dat had verder niets uitgemaakt voor de eigenschappen van die woorden.

Want om de eigenschappen draait het. Die heb je in soorten en maten. Er zijn de dingen die met de betekenis te maken hebben. Daar zitten vaak hiërarchieën in: een pocket is een soort boek, rennen is een soort lopen wat weer een vorm van je voortbewegen is. En er zijn altijd allerlei dwarsverbanden. Alle boeken hebben met lezen te maken en alleen wat leeft en pootjes heeft kan rennen.

Maar een woord kennen betekent ook weten hoe je het kunt gebruiken, en hoe niet. Van werkwoorden moet je bijvoorbeeld altijd weten hoeveel bijbehorende ‘rollen’ er te verdelen zijn. Dat zijn er een, twee of drie. Nooit meer, nooit minder. Bij ‘zitten’ bijvoorbeeld kan er maar een: ‘Ik zit een kruk’ of ‘Ik zit hem het bankje’ is onzin, alleen de rol van de zitter (‘Ik zit’) kan uitgedrukt worden. De meeste werkwoorden hebben twee spelers in het ‘plot’ dat ze beschrijven: wie of wat het doet, en wie of wat er gedaan wordt (‘Rik schildert de achterkamer’, ‘Regen teistert Italië’). Drie rollen heb je bij woorden als ‘sturen’ en ‘verkopen’: ‘Floris stuurt/verkoopt Annetje een boeket.’

We doen die dingen vanzelf goed, we weten niet eens dat we ze weten. Laat staan hoe we aan die kennis gekomen zijn. Je weet niet wat je weet is voor mij nog altijd de mooiste samenvatting van waarom taal interessant is om je mee bezig te houden.

Het is de door Wim Klooster bedachte titel van een taalschoolboek. Klooster nam deze maand afscheid als hoogleraar Nederlandse taalkunde. Toen hij in het vak begon, was de meeste onbewuste taalkennis nog echt helemaal onbewust. Nu hij vertrekt, begint zowaar de oorsprong van die kennis te dagen. Daarom zullen kindertjes in laboratoria nog een tijdje allerlei onzin te horen krijgen die toch zinvol is. ‘Kijk, dit is Pietje, hij is aan het gorpen’ tegenover ‘Pietje gorpt zijn neus’ bijvoorbeeld, of ‘Deze blob is nogal daxerig’ . Totdat we begrijpen hoe de hele machinerie werkt.

Leugens!

“Je liegt!” riep ik verontwaardigd tegen het televisiescherm. Het was zaterdag en Erwin Kroll had net enorm staan opscheppen over de prachtige dag die het in heel Nederland geweest was. Nou, hier aan de Zeeuwse kust, waar ik toevallig even zit, viel het anders zwaar tegen. En Krolls beloftes over de vrijdag daarvoor waren ook al vals gebleken. 

Zijn valse beloftes leugens? ‘Beloven’ en ‘liegen’ kunnen in elk geval heel goed samengaan, maar het zijn in hun aard wel totaal verschillende woorden. Want beloven doe je door het te zeggen en liegen juist door het niet te zeggen. Ik bedoel dit: beloven hoort tot die grappige klasse van wat ze performative speech acts of ook wel, nogal lelijk, performatieve taaldaden noemen.

Zeg je ‘ik beloof dit of dat’ dan heb je het ook meteen gedaan. Het woord wordt niet bij de daad gevoegd, maar is de daad. Er zijn meer van die zeggen-is-doen-woorden, vaak in de plechtige, religieuze of feestelijke sfeer: Ik doop u, ik vervloek je, hierbij benoemen wij hem tot onze nieuwe secretaris, ik zweer dat ik het zal doen, laat me je feliciteren!

De magie van het woord, en wel die waar vooral kinderen zo prachtig hartstochtelijk in kunnen geloven. Beloftes van en aan kinderen wegen loodzwaar (“Vooruit, zwéér het!”, “Maar je had het beloohoofd!”), waar volwassenen wel weten dat ook de serieuste toezeggingen en de allerbeste voornemens in de praktijk lang niet altijd worden uitgevoerd. Daarom hechten wij aan afspraken op papier, stellen we contracten op en weten we intussen ook dat ook dat geen garanties biedt.

Levenservaring maakt zo dat we van veel woordbetekenissen in de loop van ons leven de scherpe randjes afschaven. Het is allemaal onderdeel van de grote vergrijzing die gewoonlijk al ver voor je grijs wordt begint: jeugdig zwart-witdenken verandert langzaam maar zeker in alle tinten die er tussen zwart en wit in zitten. Dat jaarverslag zou absoluut uiterlijk deze week af zijn? Wel, kennelijk is het niet gelukt, constateren we schouderophalend. Zij beloofde eeuwige trouw? Ach, ze zal het gemeend hebben, maar sommige dingen kún je nu eenmaal helemaal niet beloven.

En liegen? Leugenvrij overleven in het maatschappelijk verkeer is ondoenlijk, dus stellen we na onze kindertijd ook de betekenis van ‘liegen’ bij, al blijft er een harde kern over. In echt liegen zit bijvoorbeeld altijd opzet besloten. Wie liegt, wéét dat ie dat doet, ook al kun je nooit liegen door te zeggen ‘ik lieg’. Wel kun je weer heel goed leugens vertellen zonder te liegen.

Maar bovenal kom je er in de loop van de tijd achter dat veel liegen een kwestie is van niet-zeggen, van weglaten, van woorden kiezen die nou net een iets andere gevoelswaarde hebben en zo meer. Tegen zulke leugens is verweer ook veel moeilijker dan tegen flagrante, botte onwaarheden. Het is niet zo verschrikkelijk moeilijk een overtuigend beeld van iets te schetsen dat toch echt bezijden de waarheid ligt.

Eigenlijk denk ik nog steeds dat dat is wat Beatrix bedoelde toen ze een tijdje terug liet weten dat in haar ogen de leugen regeert in de journalistiek. Die journalistiek zelf vatte het woord leugen op de kinderlijke manier op, en ontkende dan ook kinderlijk heftig verontwaardigd.

Beschuldigd worden van liegen is naar, op een leugen betrapt worden vaak nog onaangenamer. Misschien is dat wel de reden dat er in onze hersens een ijzersterk beschermingsmechanisme is ontstaan dat liegen voorkomt. Ons geheugen richt veel zaken precies naar onze wens in. Het pakt hier eens een feit, daar eens een gebeurtenis, mengt dat met wat wishful thinking en een modderige redenering, en hup, daar ligt weer een kersverse leugen die niet zo aanvoelt.

Het is een onstuitbaar, autonoom proces dat al tot veel moord en doodslag aanleiding heeft gegeven, net als tot de stiekem door mij gehate wijsheid dat ‘de waarheid altijd in het midden ligt’.

Loog Erwin Kroll nou eigenlijk echt? Ik denk eerlijk gezegd altijd als ik hem zie dat de man veel liever weergod dan weerman geweest zou zijn. Dolgraag zou hij ons dagelijks mooi of dan toch ten minste interessant weer geven. Hij zal om die reden afgelopen zaterdag de weersomstandigheden wat zonniger hebben ingezien dan ik. Typisch grote-mensenliegen.

Zuh Frenzjuh

“Wat zijn ze toch arrogant en naar, hè?”, lachen mijn reisgenoot en ik telkens als we een staaltje Franse aardigheid of hulpvaardigheid meemaken. En al jarenlang gebeurt ons dat vaak, bij elk bezoek aan Frankrijk opnieuw. Onze theorie: de botte Fransen waar wij in Nederland zo lekker over kunnen sputteren, zijn een mythe. In werkelijkheid is het een simpele taalkwestie.

De meeste vakantiegangers hebben in hun bagage niet veel meer dan een paar handenvol Franse woorden en kreten, die ze overigens over het algemeen blijmoedig en met zwaar accent inzetten. Maar als de Fransen je niet snappen, slaan ze dicht, weten ze zich niet goed raad. Andere talen dan Frans spreken ze immers niet, en wat moet je dan? Oké, dat is ook een beetje de cultuur, die in Frankrijk wat nuffiger reacties voorschrijft dan pakweg in Italië of Spanje, maar dat even terzijde.

De praktijk leert dat je echt maar een beetje Frans hoeft te spreken om de gemiddelde Fransman direct te laten ontdooien. Met oog daarop nog eens een conversatiecursus volgen kan ik warm aanbevelen. Mij heeft dat over de drempel heen geholpen van het bij elk zinnetje opnieuw zo vreselijk moeten schakelen en nadenken. Er ligt nu altijd een voorraadje huis-tuin-en-keuken-Frans klaar in mijn hoofd, en mijn kijk op de mensheid, de Franse in het bijzonder, is daar beslist van opgeknapt.

Nou ja, dat was zo tot deze zomer. Ineens lijkt er iets veranderd in Frankrijk en ik ben erover in verwarring. In het eerste het beste hotel in Béthune zette de mevrouw achter de balie spontaan haar beste Engels in tegenover mijn beste Frans. De meneer in Chateaudun de volgende dag idem dito.

Ik ben hardnekkig Frans terug blijven praten, ook de rest van de reis. Tot mijn verbazing gebeurde iets dergelijks namelijk nog een paar keer.

Om te beginnen was ik natuurlijk een beetje beledigd. Doe je je best de taal van het land te spreken, willen ze het niet eens horen. Daar komt bij: ik kan met mijn hand op mijn hart zeggen dat mijn Frans beter is dan het zeer Fransklinkende Engels dat ik hoorde. Maar er is ook een andere kant.

De balie- en andere medewerkers deden immers ook hun best, wilden het mij gemakkelijker maken. En namen daarbij voetstoots aan dat ook ik dé lingua franca van onze wereld wel zou spreken. Nog terecht ook. Je kunt zelfs zeggen dat er iets eerlijks in zit als beide partijen niet hun eigen, maar een vreemde taal proberen te spreken.

Jaren geleden werd er al geschat dat anderhalf miljard mensen Engels spraken. Voor een groot deel daarvan is het niet hun moedertaal. En dat is praktisch. Tweetaligheid is ook helemaal niks bijzonders. Het grootste deel van de wereldbevolking spreekt meer dan een taal. Dat valt alleen al te begrijpen uit het feit dat er niet meer dan een paar honderd landen zijn, terwijl er minstens vijfduizend talen bestaan.

Nieuw is het gebruik van een lingua franca zeker ook niet. In de middeleeuwen schreef elke wetenschapper in het Latijn, en wist men elkaar trouwens ook zonder internet en e-mail feilloos te bereiken. Overal zijn in de loop van de tijd handelstalen ontstaan. In India en grote delen van Afrika is Hindi spreken naast je moedertaal nog steeds absoluut noodzakelijk om mee te kunnen draaien in de maatschappij.

En toch, en toch. Ik voel een lichte spijt wanneer ik op de camping een Fransman met een Duitser Engels hoor praten, zoals laatst. Misschien komt dat doordat het Engels de taal van het alles lijkt te worden: niet alleen van de wetenschap, maar ook van de handel, van heel veel cultuur en van het toerisme. Nog even en het is voor niemand meer nodig om Frans of Duits te leren, en daarmee verdwijnt een deel van de diversiteit, de veelkleurigheid in de wereld. Wat dat betreft betreur ik stiekem de cultuuromslag die ik in Frankrijk bespeurde.

Nou ja, ik deed deze vakantie in elk geval veel begrip op voor de Engelstaligen in Nederland die ik vaak heb horen klagen dat het godsonmogelijk is hier Nederlands te leren. Want er is hier geen ober of buschauffeur of winkeljuffrouw te vinden die niet een mondjevol Engels spreekt. En de behoefte om vreemde-talenkennis bij elke gelegenheid ten toon te spreiden is kennelijk universeel.

Hele chique

Vandaag doen we les en een spelletje. Er staan toch alleen maar komkommers in de krant, dus het kan wel een keertje. Speciaal voor degenen die mij graag de les lezen het volgende.
Tientallen exact dezelfde terechtwijzingen moet ik inmiddels ontvangen hebben. Gemiddeld toch wel eens in de zes maanden krijg ik namelijk post van een lezer die dezelfde twee fouten bevat en die ongeveer zo luidt: “U schrijft in uw artikel van dan en dan ‘hele lekkere wijn’ (of ‘hele leuke dingen’, of ‘hele mooie gevoelens’). Dat u als neerlandica nou toch niet weet dat dat helemaal onjuist is! Wat valt me dat tegen. Het moet natuurlijk ‘heel’ zijn.”

Wel, gewaardeerde lezers, om te beginnen ben ik geen neerlandica – ik studeerde het zeer aanbevelenswaardige prachtvak algemene taalwetenschap, maar dat terzijde – en ten tweede weet ik best dat het ‘heel lekkere’ of ‘heel leuke’ of ‘heel mooie’ moet zijn.

Althans, ik weet dat dat een boel mensen is en wordt verteld op school. Maar ‘heel lekkere wijn’ loopt niet lekker. Daarom hoor je het ook nooit iemand zeggen. En daarom zal ik, ook al komen er nog honderd brieven, lekker ‘hele lekkere wijn’ blijven schrijven.

Is ‘het loopt niet’ dan een goede reden? Ja. Uiteindelijk is dat namelijk het enige uitgangspunt dat we hebben. Hoe anders zou je er ooit achter kunnen komen wat goed Nederlands is? Wat er kan en niet kan? ‘Zegt mijn gevoel dat dit in orde is’ vormt dan ook de beginvraag voor iedereen die graag wil weten hoe zijn taal op een bepaald punt in elkaar zit.

Maar inzicht daarin komt ook juist van wat niet in orde is. Fouten bedenken is een beproefd recept onder taalkundigen, maar experimentjes met de mogelijkheden kan iedereen doen. Laten we er een vakantiespelletje van maken. Woordvolgorde in het Nederlands leent zich daar opvallend goed voor. Een beetje puzzelaar zal het allicht aanspreken.

Het gaat zo: bedenk met zijn allen een lekker lange zin, met veel voorzetsels erin en minstens een handjevol bijvoeglijke naamwoorden. Zoiets als ‘Daar huppelde het vlotte meisje door de bloeiende weiden langs de eeuwiggroene coniferen het grote, boze bos in, recht in de armen van de lelijke toverkol’. Enfin, laat uw eigen fantasie werken.

Schrijf de zin op in duidelijke blokletters. Knip hem in stukken. Moeilijkheidsgraad een: hou zinsdelen als ‘door de bloeiende weiden’ en ‘de lelijke toverkol’ bij elkaar. Ga nu schuiven en kijk hoeveel verschillende goedlopende zinnen er te maken zijn. Verbaas u. Let ondertussen vooral ook even op het werkwoord. Met de rest kan bijna alles, maar iets als ‘huppelde’ is nauwelijks van zijn vaste plekje te krijgen.

Door naar moeilijkheidsgraad twee: knip elk woord los en sla ook met deze bouwstenen aan het metselen. Het aantal mogelijke zinnen is explosief gestegen. Wie de meeste zinnen kan maken is natuurlijk de winnaar. Kibbel daarbij vooral gezellig over vragen als ‘kan een bos vlot of langharig zijn?’, ‘bestaan er eeuwiggroene toverkollen?’ en ‘zag iemand soms ooit een bos huppelen?’.

Behalve vermaak biedt zo’n middagje woorden verwisselen ook gratis zicht op de indrukwekkende kennis die u van uw moedertaal bezit. Want bij al die combinatiemogelijkheden weet u toch maar mooi wat goed en wat fout is, en ook wat wringt, of een beetje raar aandoet. Daar wordt geknabbeld aan de randjes van de regels.
Dat u die kent, komt niet omdat de schoolmeesters ze met u hebben doorgeëxerceerd. Gelukkig mogen die zich beperken tot dingen in de marge, naast hun belangwekkendste taak: schrijfonderwijs geven.

Maar daar valt nog wel eens een gaatje in. Nog even een korte les over een blinde vlek voor een groot deel van schrijvend Nederland. Ook hopen journalisten zijn blijkbaar in de war over chic en chique, en daar heb ik last van. Want lees ik bijvoorbeeld ‘ze was chique gekleed’ dan blijven mijn ogen haken. ‘Chique’ is immers de manier om wat als ‘sjieke’ klinkt op te schrijven. En dat klopt niet.

Het is heel eenvoudig: ‘sjiek’ is ‘chic’ en ‘sjieke’ is ‘chique’. Wie dat onthoudt, doet het vanzelf goed. Dan heb je nog ‘sjieker’ en ‘sjiekst’, dat is altijd ‘chiquer’ en ‘chicst’. Zo, die komkommer heeft u ook weer op.

Buitenkans

Kling, kling! Nagalmend metaal. Het geluid maakt deel uit van mijn nieuwe huis. Op het pleintje hier in de Baarsjes hebben ze ooit een schitterend voetbalveldje aangelegd, compleet met tribunes en ijzeren goals. Het is het domein van jongetjes en jongens met ouders uit velerlei landen. Ze schieten, sliden, schreeuwen elkaar toe en laten het doel galmen. Voor mijn deur wordt dagelijks eindeloos gescoord, tot diep in de nacht.

Zoiets wordt heel snel achtergrondmuziek, en het duurde dus even voordat tot me doordrong dat er iets niet klopte. Ik stond wat deuren te schilderen. De doodse stilte in de stad was al twee keer verbroken door gejuich en gejoel dat uit open ramen en deuren naar buiten vloog. Nederland-Joegoslavië, op weg naar 6-1. Alles wat maar een beetje de lol van voetbal inzag, zat voor de buis. Dat ik buiten toch kling kling hoorde, kón dus niet, realiseerde ik me ineens.

Mijn raam is ook een tribune. Die bood nu voor de eerste keer zicht op meisjes. Drie stuks, van uiteenlopende grootte en kleur. Ze hadden goed naar de jongens gekeken, bleek, en deze buitenkans namen ze met verve waar. Terwijl de verfkwast in mijn hand langzaam uitdroogde, zag ik schijnbewegingen, losjes uit de heupen genomen penalty’s, formidabele reddingen en bloedserieuze smoeltjes. Zo keek ik toch voetbal. En genoot.

Theo

Het griezeligst is misschien nog wel dat ik me verdacht maak bij velen alleen al door over hem te schrijven. Zo erg is het. Dus laat ik meteen maar even zeggen: ik ben geen vriendjes met Theo van Gogh, en ook ben ik geen antisemiet. Ik geloof overigens geen halve seconde dat hij dat wel is, maar dat doet er hier niet eens toe.

Kijk, dit is het punt. Wij denken in het vrijdenkendste land ter wereld te wonen. Waar de vrijheid van meningsuiting gekoesterd wordt door de complete journalistiek, die zichzelf graag als de Koningin der Aarde ziet. Hier kun je tenminste gewoon zeggen wat je denkt, word je niet in het cachot gegooid als je iets onwelgevalligs zegt.

De theorie is ijzersterk, en ook erg aantrekkelijk en geruststellend. En toch is het in de dagelijkse praktijk ondertussen zo dat er in de hele Nederlandse pers geen plaats is voor Theo van Gogh. Dat is geen collectieve afspraak, geen van hoger- of desnoods lagerhand genomen besluit, het is hoe de wereld werkt. Juist daarom word ik er zo bang van.

Van Gogh is volmaakt oneerbiedig tegenover alles wat tot de gevestigde orde hoort. De politiek, de monarchie, de rechtspraak, tv-beroemdheden, gevreesde journalisten, gelauwerde schrijvers, ze krijgen er allemaal keihard van langs. In zijn geheel eigen, wat gedragen tongue-in-cheekstijl. Hij is gepassioneerd over dingen, heeft absoluut schrijftalent, gevoel voor humor, zelfspot en een polemische aanpak. Wat hij schrijft is vaak een pijnlijke waarheid.

Is dat niet een schets van de ideale columnist? Hoe komt het dan dat ik zijn columns alleen op zijn website (www.theovangogh.nl) en in niet of nauwelijks besproken boeken (het laatste: De gezonde roker) kan lezen?

Omdat Van Gogh uithaalt, beledigt, provoceert, en zo ook zijn hoofdredacteuren uitprobeert, tart. En dan komt er herrie, en dan moet ie weer weg. Want herrie, confrontaties, daar houden we niet zo van in dit land van sussen en consensussen. Waar las ik toch laatst dat onze poldercultuur van eindeloos overleggen en vergaderen stevig bijdraagt aan onze krankzinnig hoge WAO-cijfers? Omdat conflicten die niet aangegaan worden doorzieken, en daar worden mensen ziek van.

Van Gogh zoekt conflicten juist op, gaat expres vol overdrijving frontaal in de aanval. En natuurlijk schiet hij daarbij van tijd tot tijd totaal mis of door, en ook ik vind hem soms reuze flauw, ronduit goor in zijn vergelijkingen en puberaal. Nou en? Er zit tenminste leven in. Aan columnisten hóór je je regelmatig te ergeren. Gezapigheid en braafheid is er toch al veel te veel in de media, en échte discussies zijn er veel te weinig.

Maar zelfs de klassieke rol van nar mag Van Gogh niet spelen, want het geestige maar nogal scherpe toespraakje voor de koningin dat hij, nota bene op verzoek, geschreven had ter gelegenheid van de opening van de nieuwe vleugel van het museum van zijn achteroom Vincent, mocht uiteindelijk niet uitgesproken worden.

Het past allemaal bij de steeds maar doorgroeiende tenen van steeds meer mensen. Er is angstwekkend veel waar je in Nederland niks van mag zeggen. Actiegroepen, belangenorganisaties en privé-personen staan bij het minste of geringste in de rij voor de rechter.Want oh oh oh, er is misschien wel iemand beledigd. En ze hebben het tij mee. Kijk maar naar het Openbaar Ministerie dat tegenwoordig helemaal uit zichzelf tot in het absurde achter beledigers aangaat, terwijl ze daar toch waarachtig wel andere dingen te doen hebben.

Zien al die natuurlijk goedbedoelende aanklagers niet dat hun klacht een zwaktebod is? Van de week nog: homo’s die de paus voor de rechter willen hebben.. Kom nou toch jongens!, denk ik als ik dat zie. Laat nou eens zien dat je echt geëmancipeerd bent, en maak je gewoon vrolijk om de praatjes van die oude man in zijn jurk.

In een echt vrij land kan iedere minder- en meerderheid zijn zegje doen, zonder angst voor maatregelen van bovenaf. De media doen er niet aan zelfcensuur, maar geven de ruimte aan spetterende debatten. Zo’n land is een illusie, Utopia, maar kunnen we niet ten minste proberen zo dicht mogelijk in de buurt te komen?

Dus terug naar Theo van Gogh. Welke krant, welk blad haalt die man weer binnen?

Handig

Ik kon een grinnik niet onderdrukken toen ik zaterdag in Het Parool las dat het woord ‘suffix’ webjargon is voor ‘achtervoegsel’. Maar meteen bedacht ik me, want ik ben braaf geconditioneerd: was dit niet het verwerpelijke superieure lachen van de gymnasiast? Het is tenslotte maar toeval dat die geleerd heeft dat ‘suffix’ Latijn is voor alle soorten achtervoegsels, niet alleen die in webadressen.

Er is iets moeizaams met dat Latijn kennen. Het lijkt soms wel of iedereen die gymnasium gedaan heeft lid is van een geheim genootschap, dat geheime kennis deelt. Het geheime wachtwoord is meestal een terloopse opmerking, een half zinnetje waaruit bijvoorbeeld blijkt dat iemand de herkomst van een bepaald woord kent. Zo weten wij: het is er een van de club.

De niet-gymnasiast kijkt over het algemeen tegen ons op, of geeft op ons af.
Een besmuikt ‘wij’ tegen ‘zij’. Kan het belachelijker? De diepere oorzaak ligt ongetwijfeld in de nog steeds heersende gedachte dat er geen moeilijker middelbaar onderwijs bestaat en dat je er dus verschrikkelijk knap voor moet zijn. Terwijl toch de mammoetwet al meer dan dertig jaar geleden is ingevoerd, en ‘gymnasium’ sindsdien voornamelijk betekent: meer cultuurgeschiedenis en meer taal dan het atheneum biedt. Het is maar net wat je ligt.

De elitegeur die er om gymnasiasten heen hangt – en die ze zich natuurlijk vaak maar al te graag laten aanleunen – maakt intussen dat het bij de altijd maar voortdurende discussies over het bestaansrecht van dit onderwijstype in mijn ogen steeds over de verkeerde dingen gaat. De ene kant vindt dode talen leren onzinnig en tijdverspilling, de andere kant schermt met grote woorden als Cultuur en Erfgoed en Grammatica. Maar ondertussen is mijn eigen kennis van het Grieks en Latijn bovenal een handige eerste-hulp-bij-vreemde-talen.

Een puur praktische functie die jaar na jaar inzetbaar blijft. Ik blijk een grote bak met puzzelstukjes in mijn hoofd te hebben. Lees ik een boek in het Engels, een krantenkop in het Spaans, hoor ik een Frans liedje of kijk ik naar de ondertitels bij iemand die Roemeens spreekt, steeds gebeurt er automatisch hetzelfde: ik haal uit mijn voorraad Griekse en Latijnse stammen een exemplaar en kijk of dat enigszins past op wat ik zie of hoor.

‘Suffix’ of iets dat daarop lijkt? Da’s ‘achtervoegsel’, concluderen mijn hersens nog voor ik er bewust over nagedacht heb. Het Engelse ‘radiate’ heeft vast met ‘stralen’ te maken, de Fransen zullen met ‘déculpabiliser’ wel zoiets als ‘ontschulden’ bedoelen, en als bij de Italianen de ‘amarezza’ overheerst, dan zijn ze zeker bitter. Het Grieks, en veel vaker nog het Latijn, geeft aanwijzingen, een richting waarin ik moet zoeken.

Vind ik op die manier inderdaad de oplossing, vallen de dingen op hun plaats, dan levert dat echte voldoening en een kick op. Behalve nuttig is kennis van de klassieke talen dus ook aangenaam. ‘Het nuttige met het aangename verenigen’ is trouwens een uitdrukking die we van de Romein Horatius hebben overgenomen.

Dat wist ik niet, maar ik las het in Nota Bene, een onderhoudend, leerzaam en gedegen boekje van Nicoline van der Sijs en Jaap Engelsman over de invloed van het Latijn en Grieks op het Nederlands. Die is groot. De truc met de puzzelstukjes pas ik ook erg vaak binnen mijn eigen taal toe. Bij bepaalde varianten van het Nederlands, bijvoorbeeld het Taalkundigs en het Dokters, kun je nauwelijks zonder. Artsen kunnen het meestal niet laten wat jargon te laten vallen, maar ook namen voor medicijnen begrijp je dikwijls vanzelf met kennis van de klassieken. Nou ja, wie in een Alfaatje rijdt of met Ajax sopt, staat indirect ook in contact met de klassieke oudheid.

Het allermooist en intrigerendst vind ik uiteindelijk het steeds maar verder uitdijende netwerk in mijn hoofd van verbanden en dwarsverbanden binnen talen en tussen talen, waarvoor dat Grieks en Latijn de basis vormen. Het gymnasium, echt, ik kan het van harte aanraden.

 

NB: Het boek met diezelfde titel is pas geleden uitgekomen bij de Sdu, en staat vol nieuws en doorkijkjes voor gymnasiast en niet-gymnasiast. De gustibus non est disputandum natuurlijk, maar mijn smaak is het.

Vaste gewoontes

Dit gebeurt me steeds vaker: ik bel zelf iemand op, en diegene beantwoordt de telefoon met een begroeting en mijn naam, in plaats van die van zichzelf. Net of er ineens op grote schaal telepathie onder mijn vrienden en bekenden voorkomt. Dat is het niet. Het is natuurlijk gewoon een technisch foefje.

Degene in kwestie krijgt op zijn telefoon, of op een speciaal apparaatje of zijn computerscherm mijn telefoonnummer in beeld, en herkent dat. Er is zelfs al een enkeling die niet mijn nummer maar mijn naam ziet, omdat hij die voorgeprogrammeerd heeft in zijn mobieltje.

Apparatuur voor- of omprogrammeren gaat in een keer, maar mijn eigen hoofd heeft meer tijd nodig, merk ik. Tientallen jaren verliep het begin van een telefoongesprek volgens een vast stramien. En een van de redenen dat ik altijd iets moet overwinnen als ik naar het buitenland bel, is dat ze daar meestal andere telefoongebruiken hebben. Maar de laatste tijd kan ik ook in Nederland niet meer op de vertrouwde patronen rekenen.

Met openingen van telefoongesprekken is het een beetje als met opmerkingen over het weer en andere gemeenplaatsen. Je uit ze gedachteloos. Veel van die dingen haal je ook in een klap op uit je geheugen. ‘Lekker weertje vandaag’ of ‘nou, nou, het is wat’ of ‘met de firma De Vries’ hoeven bij veelvoudig gebruik niet meer iedere keer opnieuw geconstrueerd te worden, maar vormen op den duur als het ware een woord. Wel zo efficiënt.

Stoplappen en rituelen, zoals begroetingen en afscheidswoorden, zijn ook noodzakelijke smeerolie in de omgang en de conversatie. Je kunt er veilig op terugvallen en bijvoorbeeld gaten in een gesprek mee opvullen. De vraag is of we nu voor het telefoneren nieuwe vaste gewoontes gaan krijgen.

Neem die gsm’etjes. Die hebben in elk geval een voordeel: ze zijn zo goed als altijd maar van één persoon. Je hoeft je daardoor niet meer eerst door partner en of kinderen van degene die je echt wilt spreken heen te werken. Er zitten ook geen telefonistes of secretaresses tussen. Het gevolg is dat mobiele bellers massaal met ‘hallo’ opnemen. Ze gaan er van uit dat de beller al weet wie hij aan de lijn krijgt. Bij hun gewone toestel thuis blijven ze wel hun naam zeggen.

Ik vrees dus dat de eenvormigheid voorlopig voorbij is, zeker met die mogelijkheid van nummerherkenning erbij. Al kun je je van dat laatste afvragen of het een succes blijft. Willen we wel altijd herkenbaar in beeld als we bellen? Het is heel eenvoudig om je eigen nummer te laten afschermen, dat kan zelfs per telefoontje dat je pleegt (eerst *31* intoetsen).

Enfin, de mobiele telefoons zijn natuurlijk een sterk staaltje individualisering. Het is grappig te zien dat het met e-mail, de andere grote hit op de communicatiemiddelenmarkt, nog niet zover is. Bij elektronische post zie ik zelfs een ware terugval in ouderwetse rolpatronen. Het barst momenteel nog van de vrouwen die de e-mailaansluiting van hun man gebruiken. Ik ken maar een omgekeerd geval, waar manlief omdat hij er tot zijn verdriet niet meer helemaal onderuit kan zich schoorvoetend mailtjes laat sturen op het adres van zijn vrouw.

Gezamenlijke aansluitingen zijn ook heel gewoon. Dat leidt om te beginnen vaak tot wonderlijke, slecht te onthouden adressen. Lotte en Sander Bakema zijn dan te bereiken op losa@provider.nl. Let op: meestal mag de vrouw voorop, waarschijnlijk onder invloed van het aloude gebruik dames te laten voorgaan. Of het hele gezin heeft gezellig een enkel adres, dat dan lsat@provider.nl luidt, omdat de Bakema’s twee kinderen hebben die Anna en Thomas heten.

Iets zeggen op het antwoordapparaat of de voicemail van ‘Lotte, Sander, Anna en Thomas’ die nu even niet thuis zijn, vind ik soms al lastig als ik toevallig alleen Sander maar niet zijn hele gezin ken. Nou ja, dan roep ik maar gewoon ‘Zeg Sander, de vergadering wordt toch de 23ste’, maar van mijn mailtje aan hem vraag ik me altijd af of Lotte, Anna en Thomas het ook lezen.

Post is privé. Natuurlijk kan Sander besluiten dat Lotte een aan hem gerichte brief mag lezen, maar het heeft iets wonderlijks om dat altijd al bij voorbaat te doen. Moet ik nou constateren dat de individualisering en emancipering maar hele dunne laagjes zijn? Benieuwd hoe lang het duurt voordat persoonlijke e-mailadressen de standaard zijn.

Glibberig goedje

Kunt u omschrijven wat een tafel is? Achterlijke vraag, natuurlijk kunt u dat. U zult bijvoorbeeld zeggen: een ding op poten waar je iets op kunt zetten. Uitstekende definitie. Alleen: de meeste stoelen en bedden vallen er ook onder, maar weer niet die grappige kubus naast de bank waar je zo prettig je koffiekopje op kwijt kunt. Je hebt trouwens ook tafels met één poot.

Andere definitie dan: een tafel is een meubelstuk dat je gebruikt om relatief kleine gebruiksvoorwerpen niet op de grond te hoeven zetten. Maar daar valt het kastje met de fruitschaal ook onder, net als de antieke muziekdoos in mijn ouderlijk huis. En de omgekeerde kartonnen doos op het balkonnetje van mijn buren, waarop ze bij mooi weer hun asbak en bier uitstallen, is dat een tafel? En als ik mijn glas nou op een stoel zet, wordt die stoel dan een tafel?

Daar kun je een oeverloze filosofische discussie aan wijden, maar wat ik maar wil zeggen is: zelfs van een volstrekt alledaags woord is het exact vastleggen van de betekenis erg lastig, zo niet onmogelijk. Dat is nogal raar, omdat ons gevoel ons zegt dat we precies weten wat een tafel is.

Betekenis is een glibberig goedje. Zo zijn er al heel wat generaties onderuit gegaan bij hun pogingen de wereld terug te brengen tot een beperkt aantal begrippen of onderliggende concepten waar alles onder valt.

De behoefte aan orde en netheid zit ons nogal ingebakken. Categoriseren moet natuurlijk ook om te overleven. Vrijwel het complete dierenrijk doet hetzelfde: indelen in eetbaar en niet-eetbaar, vijand en niet-vijand, geschikt om bij het nestje-bouwen te gebruiken en ongeschikt, enzovoort.

De gedachte dat je alles in één systeem kunt onderbrengen heeft een behoorlijke aantrekkingskracht. Of je als een veldheer de hele wereld in een blik kunt overzien. Het kan zijn dat het mogelijk is – je weet maar nooit – maar tot dusver loopt het steeds stuk op twee dingen.

Wie zo’n poging onderneemt kijkt met zijn eigen ogen, en die zijn niet objectief. Een prachtig voorbeeld vind ik altijd dr. L. Brouwers, wiens zeer kloeke Het juiste woord voor het eerst in 1931 verscheen. Hij ging uit van tien hoofdbegrippen, zoals ‘algemene betrekkingen’, ‘het verstand’ en ‘maatschappij’, die elk weer verschillende onderverdelingen kregen, zodat hij uiteindelijk op duizend ingangen uitkwam, waarachter dan vaak tientallen of honderden woorden en uitdrukkingen staan die te maken hebben met dat begrip. Dat levert een rijk boek op, maar als ik zo’n classificatie zou maken, dan zou ‘priesterkledij’ zeker niet een van mijn duizend begrippen worden, en ook zou ik het woord ‘masturbatie’ niet onderbrengen bij ‘oneerbaar’.

Daarnaast is er het probleem dat vergelijkbaar is met het inrichten van een boekenkast. Het doet zich al voor bij een paar honderd boeken waar wat uiteenlopende non-fictie tussenzit. Heb je eenmaal een aantal categorieën bedacht, dan blijf je toch altijd nog met stapeltjes zitten die in meer dan een of in geen enkele categorie thuishoren. Bij woorden gaat het net zo, en heb je er tien- of honderdduizenden dan zit je al gauw met je handen in het haar.

En dan te bedenken dat dit alleen nog maar gaat over woordbetekenissen. Hun invloed op zinsbetekenissen, het hoeft geen betoog, is groot. Maar ze maken zeker niet in hun eentje de dienst uit. Want met precies dezelfde woorden kun je heel verschillende dingen zeggen. ‘Hij heeft geleerd zijn vrienden te e-mailen’ is niet hetzelfde als ‘Hij heeft zijn vrienden geleerd te e-mailen’, en ‘Ik wist niet dat je kwaad werd’ is iets anders dan ‘Ik wist dat je niet kwaad werd’.

Dat we in ons hoofd een vormsysteem én een betekenissysteem hebben, blijft de enige verklaring voor het feit dat er talloze zinnen zijn waarvan ons gevoel zegt: prima zin, maar het betekent niks, of iets raars (klassieke voorbeelden: ‘de vek blakt de mukken’, ‘groene ideeën slapen woest’) en daarnaast evenzovele waarvan we zeggen: ik snap het wel, maar het is fout (‘deze zin fout is’). Het is nog steeds maar ten dele bekend hoe en waar die twee systemen op elkaar inwerken, maar dát ze het doen, en wij elkaar dus begrijpen, blijft mij met ontzag vervullen. Net als dat we allemaal precies weten wat een tafel is.

Hoofd op hol

Kwam ik maar van Vulcan. Die oortjes hoef ik niet, maar een mindmeld kunnen uitvoeren, wat zou ik daar niet voor over hebben. In een van de Startrekfilms laat Mr. Spock, de oer-Vulcaniër, zijn eigen geest zelfs even samensmelten met die van een walvis. Zijn planeetgenoot Mr. Tuvok, uit de serie Startrek Voyager, heeft inmiddels rondgedwaald in de koppen van zo ongeveer elke soort uit het hele universum.

Zelf zou ik aan mensenhoofden ruimschoots voldoende hebben. En dat verlangen groeit alleen maar, terwijl ik nota bene bijna elke week wel weer wat bijleer over hoe mensenhersenen werken – hersenonderzoek is nou eenmaal erg populair en er komen daarom aldoor persberichten en verslagen langs die erover gaan. Maar naarmate er meer apparaten verzonnen worden waarmee je in levende, reagerende hersenen kunt kijken, en er meer testjes en proeven gedaan worden, word ik almaar ongeduriger.

Want wat zie je nou eigenlijk? Je laat iemand iets doen, of iets zien, of ergens aan denken, en hop, op de plaatjes licht er een stukje hersenschors op, pakweg ergens boven z’n linkeroor, of achter z’n voorhoofd. Of je krijgt een piekje of een dalletje in de golfpatronen waarmee hersenreacties ook al kunnen worden vastgelegd. Je meet bloedstromen, magnetische activiteit, of elektriciteit, de metertjes slaan uit of niet, of een beetje, maar wat wéét je dan?

Niet hoe het is om degene te zijn die je loopt te bestuderen. Van kleins af aan houden ze ons voor dat het goed is om je te verplaatsen in een ander, maar doe het maar eens!

Nou ja, in het dagelijks leven ga ik er voor het gemak maar van uit dat iemand anders wel ongeveer hetzelfde in elkaar zal zitten als ik. En tot op grote hoogte is dat ook zo. Regelmatig sta ik bijvoorbeeld tegenover een persoon die precies even zeker weet als ik wat er toen en toen gebeurd is, of wie waar wat zei, alleen komt die dan wel met totaal andere gebeurtenissen, namen, plaatsen en data aan’

En het vervelende is dat ik me ervan bewust ben dat mijn het-absoluut-honderd-procent-zeker-weten helemaal niks betekent. Ons geheugen is namelijk van nature volstrekt onbetrouwbaar. Zo voelt het niet, en eigenlijk geloof ik het stiekem ook niet, maar de bewijzen zijn helaas overweldigend.

Wie eerlijk is, moet toegeven dat ie het zelf ook wel eens heeft gemerkt. Van die dingen als dat jij zou zweren dat die reis eerst naar Canada ging en daarna pas naar Amerika, of dat Pietje met Marietje en zeker niet met Sofietje op dat feestje kwam aanzeilen. Het staat in je geheugen gegrift, je ziet het nog helemaal voor je. Maar aan de hand van een agenda of foto’s kan keihard vastgesteld worden dat je je echt vergist. Rara.

Dit is wat mij betreft het verontrustendste dat al dat onderzoek naar hoe onze hersens werken tot dusver heeft opgeleverd. Wat wij herinneringen noemen, zijn in feite dikwijls bedenksels die we ook nog zonder het te merken bedacht hebben. De grote breimachine in ons hoofd breit allerlei lapjes en patronen die niet bij elkaar horen toch aan elkaar, laat gaten vallen, haalt gevallen steken op de verkeerde plaats weer op, en staat nooit stil.

Het blijkt zelfs kinderlijk eenvoudig om mensen herinneringen aan te praten. Dat doe je zo. Laat je door een familielid, zonder dat je dat weet, een mengsel van ware en onware verhalen vertellen, en een paar weken later geloof je niet alleen oprecht dat je bijvoorbeeld ooit als kleuter verdwaalde in een groot warenhuis, je hebt er zelfs heuse nare herinneringen aan. En dat blijft zo, ook als ze je daarna vertellen dat je belazerd bent. Doodeng.

Maar hier levert een mindmeld natuurlijk niets op. Want dit voelt bij iedereen hetzelfde: we geloven van ganser harte onze eigen hersens, of ze ons voorliegen of niet. Anders wordt het pas bij hersenen die beschadigd zijn (door een hersenbloeding, of een ongeluk) of die altijd al een afwijking hadden.

Wat je dan allemaal tegenkomt! Een ouderwetse kermisexploitant zou er bij staan te kwijlen, want het is een absolute freakshow. Met een mindmeld-apparaat ernaast zou er goud geld te verdienen vallen voor zo’n ‘komt dat zien’ roepende man. Want wat bijvoorbeeld als je die herinneringen-breiende machine niet meer hebt. Als die stil is gezet?

Dan word je iemand die vastzit in zijn verleden. Er bestaan mensen die al vele tientallen jaren geen nieuwe herinneringen meer kunnen maken omdat hun hippocampus (een hersengebiedje ergens middenin in je hoofd) stuk is. Die zien zichzelf in de spiegel, en elke dag opnieuw schrikken ze zich rot van die ouwe kop. Hun leven tot het moment van die beschadiging herinneren ze zich prima, maar daar houdt het op. Dokters en verplegers – buiten een inrichting wonen zit er dan niet meer in – hebben zichzelf al duizenden keren aan hen voorgesteld, maar het lukt ze niet dat te onthouden.

En toch kunnen zulke patiënten nog bijleren. Als je ze laat oefenen met behendigheidsspelletjes of met ondersteboven de krant lezen, dan worden ze er steengoed in, maar iedere keer dat ze het doen dénken ze dat het voor het eerst is. Leg je ze een aantal malen dezelfde raadselzin voor zoals ‘De noten waren onaangenaam omdat de naad knapte’, dan zullen ze na de eerste keer altijd spontaan meteen de oplossing weten (pas als je aan een doedelzak denkt, wordt die zin begrijpelijk), maar tegelijk houden ze vol er nooit eerder van gehoord te hebben.

Hoe voelt dat? Hoe sta je in de wereld als je dat hebt? Of neem de mensen met blindsight, ‘blindzicht’. Die zweren dat ze geen barst zien, en alles wijst daar ook op, maar vraag je ze te gokken of ze een kruis of een cirkel, of rood of groen zien, dan scoren ze ver boven kansniveau. Dan heb je de ‘gezichtenblinden’: die zijn niet in staat gezichten te onthouden of te herkennen. Kleren gaan wel, baarden en lang haar helpen, en stemmen zijn geen probleem, maar ze lopen letterlijk hun eigen moeder voorbij op straat. Dolgraag zou ik weten wat je in dat geval ziet als je een gezicht ziet.

Ook zou ik, eventjes althans, willen ervaren hoe het is wanneer je geen bewegingen kunt waarnemen. Stilstaande dingen en mensen: geen probleem, maar als iemand zich beweegt, verschijnt en verdwijnt hij aldoor in en uit beeld. Ik kan me domweg niet voorstellen hoe dat is. Smaken voelen (‘de saus is nog niet puntig genoeg’) of kleuren horen (‘die vrouw met die groene stem’) lijkt me ook fantastisch. En heus, het bestaat.

Nog dwazer zijn degenen die aan een kant van hun lichaam verlamd zijn, maar stug volhouden dat er absoluut niets met ze aan de hand is. De ene smoes na de andere verzinnen ze. Ze zitten in een rolstoel, ja, god ach, maar natuurlijk kunnen ze wel lopen. En die lamme arm die daar ligt? Die is helemaal niet van hem, joh, die is van de dokter!

Erg akelig moet het zijn om in je naaste familie alleen nog maar bedriegers te zien. Dat gebeurt als de verbinding verbroken wordt tussen het deel van je hersenen waar je mee kijkt, en het stukje dat alles te maken heeft met honger, angst, lust en andere heftige gevoelens. Je ziet iemand die sprekend lijkt op je vader of je moeder, maar het gevoel dat dat hoort op te roepen is er niet meer. Je hersens concluderen: dit is een bedrieger. Er is zelfs een man bekend die dat van zijn hond dacht. Maar spreekt zo iemand aan de telefoon met diezelfde familie, dan heb je een goede kans dat er niets aan de hand is. De verbinding tussen luisteren en gevoel is in dat geval wel intact.

Het allermoeilijkst na te voelen zijn echte persoonlijkheidsveranderingen. Er zijn hersenbeschadigingen die maken dat je ineens de hele dag alleen maar flauwe grappen maakt. Gaat er een ander stukje kapot, dan snap je juist geen enkele grap meer. Of je gaat je plotseling heel bot en ruw gedragen in de omgang. Of je verliest je bij alles wat je doet in details, omdat je absoluut niet meer in staat bent dingen in hun geheel te overzien. Zelfs schijnt een bepaalde beschadiging ertoe te kunnen leiden dat je ineens vreselijk in God gaat geloven, en voortaan alleen nog bloedserieus, uiterst devoot in het leven staat.

Het zit dus zo. Je kan kijken waar er iets stuk is, of waar de hersens juist actief worden. En zo langzamerhand is ook overduidelijk dat er nooit twee gevallen hetzelfde zijn, en dat de verschillende typen zenuwcellen en de ontelbare boodschapperstoffen cruciale rollen spelen, net als de vraag hoe evolutionair oud en nieuw spul verbonden zijn. Er wordt heftig bijgeleerd. De laatste berichten over de herstelmogelijkheden van ons brein zijn hoopgevender dan ooit. En dat is allemaal uiterst boeiend, maar toch blijf ik in mijn eigen hoofd dikwijls een rariteitenkabinet zien als ik er aan denk. Daarom spijt het me zo dat mindmelds natuurlijk science fiction blijven.

BIJBEHOREND KADER:
Iemand die met grote overtuiging vertelt wat hij gezien of meegemaakt heeft, wordt over het algemeen geloofd. Diegene gelooft het bovendien zelf ook. Maar dat betekent niet dat het werkelijk zo gebeurd is. Ons geheugen gooit dingen namelijk door elkaar, verzint er zaken bij en laat weer andere dingen helemaal weg.

Dat is al talloze malen vastgesteld, maar onze hersens willen het niet weten. Dus wanneer geheugendeskundigen, zoals de Nederlandse professor Willem Wagenaar en de Amerikaanse professor Elizabeth Loftus, bij een rechtszitting verklaren dat we vaak het gezicht van de een aanzien voor dat van een ander, of dat verdrongen herinneringen aan seksueel misbruik evengoed verzonnen of aangepraat kunnen zijn, dan krijgen ze woedende reacties, vol ongeloof.

En zegt iemand dat hij zich iets niet of niet goed herinnert, zoals vorig jaar bij de Bijlmerenquête een paar keer gebeurde, dan laadt hij (of zij) al gauw de verdenking op zich te liegen. Terwijl het heel waarschijnlijk is dat ze gewoon naar waarheid antwoorden, zei de hoogleraar rechtspsychologie Hans Crombag toen prompt. Hij had enig recht van spreken, als degene die een jaar na de Bijlmerramp studenten en collega’s de vraag voorlegde of ze de filmbeelden van de inslag gezien hadden. Liefst 55 procent had ze gezien, en kon ook details geven over de hoek waaronder het vliegtuig neerstortte en over hoe lang het duurde voor de brand uitbrak. Nadat Crombag had onthuld dat die beelden helemaal niet bestaan, vroeg een collega verbaasd: “Weet je dat echt zeker?”.

Er zijn in de wereld veel landen, waaronder de Verenigde Staten, waar je doordat iemand zegt iets gezien te hebben in de dodencel kunt belanden. Zouden we binnenkort eens de grootheid van geest kunnen opbrengen om de waarheid over het menselijk geheugen tot ons door te laten dringen? En zou het dan niet onmiddellijk verboden moeten worden om ooit nog iemand te veroordelen zonder dat er glasharde, onafhankelijke, niet op getuigenverklaringen berustende bewijzen voor zijn misdaad bestaan?

Opdringerig

Verzet is zinloos, besefte ik vorige week ineens tot in al mijn vezels. Nu nog komen er ook bij mij enorm veel emoties los, iedere keer als ik een verslaggever hoor zeggen dat ‘de emoties loskwamen’ of dat iets ‘heel emotioneel’ was, maar al die ergernis, afkeer, en walging leiden nergens toe. Ik moet het opgeven. Wat ik normale verslaggeving vind, is voorgoed iets van vroeger geworden, vrees ik.

Het is al zeker vijf jaar bezig: de omfloerste stemmen, het vragen naar de bekende weg, het inzoomen op – liefst zelfverwekte – tranen, en het wordt alleen maar erger. Wie nu opgroeit, denkt vast al dat het zo hoort.

Maar gevoelens zijn toch heel belangrijk? Wat is er eigenlijk tegen om daar alle ruimte aan te geven bij de berichtgeving over rampen en ellende in Nederland of elders?

Ik geloof dat mijn allergie voor de emo-tv voortkomt uit twee dingen. Het is net als met al die sentimentele Amerikaanse B-films waarvan ik er meer gezien heb dan me lief is. Ze dwingen me in een bepaalde richting, zijn bedoeld om mij de tranen in de ogen te brengen, en het ergste is: ik ben daar niet ongevoelig voor. Als ik niet uitkijk, knijpt ook mijn keel zich dicht bij de slotscène, waarin de happy family herenigd wordt of ongeluk blijkt te leiden tot nieuwe zingeving of onrecht na een lange strijd wordt omgezet in een nieuwe wet.

De B-filmformule maakt met welgekozen woorden en beelden misbruik van de menselijke natuur, en het is het opdringerige dat me het meest tegenstaat. Want ik kan echt en onecht gevoel daardoor niet goed meer in mezelf onderscheiden. De waterlanders die dreigen op te komen zijn een soort reflex, die zich trouwens heel eenvoudig laat onderdrukken.

Nu zijn het bij films en series scenarioschrijvers en acteurs die die standaardreacties teweeg brengen. Kijken hoeft ook helemaal niet. Maar in de echte wereld gaat het om echt leed, en dat journalisten zich daarbij tegenwoordig zo vaak gedragen als slechte acteurs vind ik werkelijk stuitend. Naast de opdringerigheid, die mij onvoldoende ruimte laat om na te gaan wat ik werkelijk vind en voel, is er dus de onoprechtheid. Ik hou er niet zo van om televisie een verderfelijke invloed toe te schrijven, maar hoe komen journalisten er anders toe een rol te spelen?

Ik geloof daarbij overigens niet in hun kwade bedoelingen. Volgens mij hebben ze de gemaaktheid van hun optreden meestal helemaal niet door. Toch is die voor iedereen na te gaan, ook voor henzelf.

Ze moeten ook maar eens doen waartoe ik ben overgegaan: het geluid uitzetten. Want alleen maar de kranten lezen voor het nieuws is onvoldoende. Sommige dingen moet je nou eenmaal zien. Zonder commentaar maken bijvoorbeeld die krankzinnige oorlogsbeelden uit Enschede zelfs meer indruk. Maar wie het geluid ook bij de interviews weglaat ziet het haarscherp. Gezichtsuitdrukkingen en gebaren laten er vaak geen enkele twijfel over bestaan dat wat er gezegd wordt niet voortkomt uit werkelijke betrokkenheid.

Het is een experiment dat iedereen wel eens toepast. In een gezelschap zie je in de verte dikwijls exact hoe iemand eraan toe is. Woorden en stembuigingen leiden niet af, en dat iemand zich ongemakkelijk voelt, zich aan staat te stellen, dolverheugd is, of over iets staat te draaien is dan onmiskenbaar.

Vorige week stond er een onderzoekje naar liegen in Nature beschreven. Daar kwamen interessante gegevens uit. Mensen met een hersenbeschadiging in hun linker hersenhelft die daardoor taalproblemen hadden, waren beter in het herkennen van leugenaars dan patiënten met een hersenbeschadiging aan de rechterkant, en ook dan een controlegroepje studenten. De onderzoekers concluderen dat afasiepatiënten dus extra gevoelig zijn voor misleidend gedrag.

Men had ze laten kijken naar video’s met personen die probeerden hun negatieve gevoelens te verhullen, afgewisseld met dezelfde vertellers die oprecht iets positiefs zeiden, in willekeurige volgorde. Maar één ding was niet geprobeerd. Wat gebeurt er nou wanneer je bij iedereen het geluid uitzet? Want in zekere zin is dat bij afasiepatiënten het geval: als je niet meer begrijpt wat er gezegd wordt, dan kijk je naar beeld zonder geluid. Ik maak me sterk dat de andere onderzochte groepen het dan significant beter zouden doen dan nu het geval was.

Saaai

Bang voor hun hachie, bang voor de baas, bang zelfs om belachelijk gevonden te worden door collega’s. Er heerst nogal wat angst onder journalisten, als ik mag aannemen dat een afgelopen week bekend geworden Amerikaans onderzoek (te vinden achter www.people-press.org)

een beetje representatief is.

Tegen de driehonderd journalisten van allerlei slag deden eraan mee, en liefst veertig procent vertelde aan zelfcensuur te doen. Van sommige onderwerpen blijven ze helemaal af, bij andere verzachten ze formuleringen of laten er dingen uit. En dan zitten degenen die niet willen toegeven dat te doen, misschien niet eens tegenover zichzelf, er nog niet bij.

Amerikaanse toestanden? Ach. Het kan zijn dat de druk van de commercie in de Verenigde Staten erger is dan hier, maar geloof me, ook in Nederland gebeurt het dat een voor het uitgeefconcern ongunstig artikel toch maar niet geschreven wordt, of een voor adverteerders onaantrekkelijk programma niet gemaakt.

Naarmate de media verder vercommercialiseren – en het gaat hard – zal vermijdings- en aanpassingsgedrag alleen maar normaler worden. En dat is dan over het algemeen niet eens omdat het onderling zo wordt afgesproken, laat staan dwingend opgelegd, maar omdat het nu eenmaal bijna vanzelf zo werkt. Het risico op gelazer en gedoe op het werk sluiten de meeste mensen, journalisten incluis, liever uit.

Dat is treurig, en in sommige gevallen ook laakbaar, maar begrijpen doe ik het wel. Wat ik niet goed snap, is dat meer dan driekwart van de zelfcensureerders zei onderwerpen die ze zelf belangrijk vinden te laten liggen omdat ze te ingewikkeld of te saai zijn.

Dat staat gelijk aan jezelf een brevet van onvermogen uitdelen. Is het voor elke journalist nou niet net de kunst, of nee, gewoon het ambacht, om alle nieuws zowel boeiend als helder door te geven?

Saaiheid is iets raars. Zo is een uitstekend geschreven stuk over een doodsaai onderwerp niet saai, terwijl het altijd erg moeilijk is je aandacht te houden bij een duf geschreven, rammelend artikel, ook als het over iets boeiends gaat.

Het is dus maar de vraag of er eigenlijk wel saaie onderwerpen bestaan. Zelf heb ik dikwijls met verbazing geconstateerd dat een opdracht die me absoluut slaapverwekkend leek (ga praten met de maker van rapport x, of de vinder van stofje y) uiteindelijk juist erg leuk en leerzaam was. Verdiep je ergens in, en er blijkt bijna altijd een verhaal achter te zitten vol onverwachte kanten.

‘‘zinloos geweld?’saaai’’ zeiden Fokke en Sukke een tijdje terug. In een vraaggesprek in Het Parool van afgelopen zaterdag met een van de makers van die strip, die tegenwoordig tot mijn genoegen dagelijks in deze krant staat, deed de interviewer daar wat verontwaardigd over. Nou weet ik niet hoe het u vergaat, maar bij de zoveelste stille tocht, waarbij alweer de verslaggever devoot staat te kijken – niet omdat ie zich zo voelt, maar omdat ie denkt dat het zo moet – gaat mijn hand tegenwoordig als vanzelf naar het zapknopje. Aan krantenverslagen begin ik vaak niet eens meer.

Dat is niet omdat ik het onderwerp an sich saai vind, het is de eenvormigheid die me verveelt. Soortgelijke gebeurtenissen die op ongeveer dezelfde manier verteld worden, roepen al snel een ja-dat-weet-ik-nou-wel-gevoel op.

Dat is lastig voor journalisten, want om dat te voorkomen is niet-aflatende creativiteit nodig. En helaas is dat niet simpelweg een van god gegeven eigenschap die je hebt of niet. Creativiteit is vooral een kwestie van tijd. Zinnen op mogelijkheden, een andere vorm proberen en vooral ook: je op zoek naar nieuwe invalshoeken verder informeren, kan niet in een vloek en een zucht.

Tijd is ook de cruciale factor bij ingewikkelde onderwerpen, die dus kennelijk zo vaak blijven liggen. Iedereen weet dat je iets zelf door en door gesnapt moet hebben voor je het vlot aan een ander kan vertellen. Maar de tijdsdruk in de journalistiek staat dat dikwijls in de weg. Bovendien helpt de journalistieke cultuur bepaald niet mee. Juist effe vlot een itempje draaien of een stukkie tikken wordt stoer gevonden, en wie zich wél lang en breed met zaken bezig mag houden hoort meteen tot een speciale ondersoort: de onderzoeksjournalist. Die is uiterst zeldzaam.

Schrijftaal

Op een kwade nacht in de zomer na mijn eindexamen zag ik een scheerlijn over het hoofd en ging genadeloos op mijn bek. Verbrijzelde voortand. Zo kwam het dat het Italiaanse talenwonder Pio, die ik net ontmoet had, een vriend voor het leven werd. Bij de tandarts in Macon, waarheen hij me dagen achtereen in zijn oranje fiatje 500 vervoerde, bleek ie ook al volmaakt Frans te spreken.

Maar indrukwekkender was natuurlijk zijn Nederlands. Dat had hij niet geleerd door hier te gaan wonen, maar door zich erin te laten onderwijzen aan de universiteit van Cagliari (spreek uit: Káljarie) door een Vlaamse, die dat trouwens deed aan de hand van fragmenten uit De familie Doorsnee.

Annie Schmidts hoorspelserie was op dat moment al tientallen jaren afgelopen, maar door Pio’s roerende vertolking ken ik nu toch een stuk van een liedje dat begint met ‘Achter de kinderwagen’. Pio zelf was toen overigens al van talen overgestapt naar muziek, en bezig met zijn dirigentenopleiding.

Studie niet afgemaakt dus, en Nederlands was sowieso maar een bijvak naast Engels en Duits, en toch is het als we elkaar zien nog steeds slechts een kwestie van even flink borstelen, en hup, de roest is weg, en we voeren weer hele gesprekken in het Nederlands. Intense interesse is de basis: pakweg de helft van ons gepraat gaat over hoe zeg je dit in het zus en hé, kijk, dat is verwant met zo. Ik heb zelfs meegemaakt dat hij na een weekje hier logeren tussen neus en lippen door ineens voortdurend grappen in en over het Nederlands begon te maken.

Dat is een kenmerk van echte kennis en waar talent. Spelen met een vreemde taal is ontstellend lastig, want het is helaas maar zeer zelden dat je eigen taal daar juist bij helpt. (Goed, terzijde een voorbeeldje van moedertaalhulp: in een wat melige opwelling vroeg ik eens aan de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky toen die net een ‘eyes exam’ achter de rug had of hij geslaagd was. Vrijwel onmiddellijk lichtten zijn ogen op en sprak hij triomfantelijk: ja, ik had een tien! Had ‘examen’ ook in het Nederlands ‘onderzoek’ als tweede betekenis gehad dan was dat vast nooit in me opgekomen.)

Er ligt hier een onverwachte parallel met schrijven. Losjesweg kleine woordspelingen rondstrooien gaat een auteur zelden makkelijk af. Het lijkt wel of wat er moeilijk is aan het leren beheersen van een andere dan je moedertaal, ook moeilijk is als je probeert iets meer te schrijven dan alleen standaardbriefjes met standaardtekst. Juist dingen als je woordkeus en zinsbouw afwisselen (dat moet op papier veel harder dan in het gesproken dagelijks leven), een opvallende wending geven, een dubbele bodem leggen, geestig zijn, kosten tijd en denkwerk.

Vertoont leren schrijven trekjes van een nieuwe taal leren? Toen ik ooit de Amsterdamse cursus wetenschapscorrespondentie volgde dacht ik wel aldoor: pfoeh, dat is veel te veel, dat kan ik nooit allemaal onthouden, laat staan tegelijk toepassen. Precies het gevoel dat je overvalt bij taallessen. Braaf volhouden en oefenen leidden ook daar ertoe dat de stukjes op een gegeven moment op hun plaats vielen.

Maar het summum van moeilijk moet dan wel aantrekkelijk schrijven in een vreemde taal zijn. Ik denk dat dat waar is. Zelfs een vrij eenvoudig Engels mailtje naar Amerika kost me minstens twee keer zoveel tijd als eentje in het Nederlands.

Hoe lang William Shetter over zijn Nederlandstalige berichten aan mij doet, weet ik niet, maar ze lezen als een trein en meestal kun je helemaal nergens aan merken dat Engels zijn moedertaal is. Shetter begon in de jaren vijftig al Nederlands te leren, gewoon voor de lol. Hoewel hij hier nooit gewoond heeft, is zijn beheersing absoluut verbluffend. Een ongelooflijk staaltje maakte in een paar jaar geleden mee, toen mijn taalinterviews in een boek uitkwamen. Shetter bleek dat besteld te hebben, las de meer dan 300 pagina’s stuk voor stuk door en stuurde mij vervolgens vellen vol correcties. En op een of twee na, waar hij zelf ook twijfels bij had, waren die allemaal volledig terecht.

Nu is de man wel taalkundige, maar ik verzeker u dat dat weinig voorspelt over iemands talentalent. Schrijftalent heeft hij ook al. Zijn gevarieerde en instructieve taalcolumns vindt u op http://home.bluemarble.net/~langmin/.

Dubbelgesprek

“Hè get, daar zit weer de een of andere bobbel aan de bovenkant. Eroverheen maar. Voorzichtig, met het kleine kwastje. Ai, toch een likje op de muur. Waar is de rol keukenpapier? Voorzichtig afvegen, nee, niet uitvegen. Ah, maar daar komt zo’n stukje waar ie los zit van de muur, dat schiet even op. Nu weer een paar flinke repen afplakband voor het onderkantje. Zorgvuldig plakken, anders heeft het geen enkele zin, en dan lekker het middendeel opvullen met de brede kwast. Zo, daar is de volgende hoek. Nee, niet weer kijken hoe veel er nog moet, stug doorgaan, dan is het straks ineens toch klaar.”

Gedachten bij het schilderen van plinten. En ja, bij muren, deuren en ramen gaat het, mutatis mutandis, net zo. Maar zijn dit wel echt mijn gedachten? Ik kan ze opschrijven, maar had dat even goed met andere woorden kunnen doen.

Normaal gesproken werk ik met mijn hoofd. Lezen, schrijven, gesprekken voeren, soms anderen vertellen hoe ze hun schrijven kunnen verbeteren, dat is het wel zo’n beetje. Allemaal dingen waarbij je gedachten kunnen afdwalen, en ik kan u verzekeren: dat doen ze, meer dan me lief is. (Heb, nu ik een paar alinea’s gevorderd ben, al zesentachtig keer aan heel uiteenlopende, totaal andere zaken dan dit stukje gedacht.)

Wat niet kan, is doorwerken én de geest tegelijk op iets anders richten. Daar is een vorm van lichamelijke arbeid voor nodig. Nou is daar altijd voldoende van voorhanden in elk huishouden, maar dat zijn routineklussen, waar, in elk geval bij mij, nooit hele dagen in gaan zitten.

Wekenlang bijna alleen maar verven maakte me erg bewust van de vreemde gesprekken die je met jezelf voert. In mijn hoofd is het een groot onderhandelingshuishouden met mezelf. Een continu straffen en belonen bovendien: nu eerst dit vervelende deel van het karwei, en dan mag je weer met de grote kwast verder. Als dit stuk muur af is, dan heb je even rust en een sigaret verdiend. Ik geloof dat ik inderdaad mezelf toespreek, en ‘je moet, je mag’ denk, in plaats van ‘ik’.

Maar ik weet het niet zeker, want het is wel het type uiterst vage gesprekken, waarin je niet daadwerkelijk formuleert. De gedachten halen zelden of nooit het moment dat je ze omzet in echte klanken, afgezien dan van een enkel tevreden ‘Zo!’ of aanverwante kreten. Het is net of je half in taal kunt denken, want helemaal taalloos is die stream of consciousness niet. En af en toe dient zich wel degelijk een gewone hele volzin aan.

Dat halfbewuste gedenk heeft dan tot rekenwerk in je hersens geleid en die gooien vervolgens een heldere conclusie je bewustzijn in. Zoals: welbeschouwd bestaat een huis uit een waanzinnige hoeveelheid randjes, met daartussen op te vullen vlakken. Of: ‘Beneden alle peil’, dat liedje van Boudewijn de Groot, speelt natuurlijk door mijn hoofd vanwege die ene zinsnede: ‘ik ken er ieder plekje van’. Centimeter voor centimeter door je nieuwe huis gaan heeft hetzelfde resultaat.

Op die momenten wordt ook het dubbelgesprek doorbroken. Want dat is wat me nog het meest intrigeert: dat je moeiteloos dwars door dat geonderhandel over de te volgen verfkoers vrolijk een heel ander gesprek met jezelf kunt voeren. Sterker nog: dat je dat in feite aldoor doet. Hoeveel concentratie de arbeid ook vereist, de dingen die je in je verdere leven heftig bezighouden, dringen zich toch onstuitbaar op, als vochtplekken door de verf.

Dus herbeleeft mijn geest onder het witten de Balie-avond over auteursrecht-in-het-digitale-domein van laatst, met dat fantastische buffet met ‘gouden bergjes’ en ander lekkers na, of peins ik over de gelegenheidskrant ‘De Vrije Schrijver’ vol bijdragen van freelance-auteurs van naam, die wonderlijk genoeg nog geen merkbare belangstelling bij andere media heeft gewekt, en nog meer.

Letterlijk over die dingen praten met iemand anders lukt ook uitstekend. Ook dan hobbelt de kwast gewoon netjes achter mijn andere gedachtenstroom aan. ‘Vooruit, praten en breien’ was de aansporing die ik als kind kreeg (van mijn moeder, die overigens net zomin kon breien als ik) en dat heeft kennelijk geholpen.

Zo’n handenarbeidersbestaan vol dubbelgesprekken, in plaats van de wisselgesprekken waarmee mijn leven nu vol zit’ mhm, ik zal er wel niet geschikt voor zijn, maar de aantrekkelijkheid zie ik scherp.

Onbedoeld

Razend word ik er soms van, en ook heb ik er al dikwijls erg om moeten lachen, maar snappen waar het aan ligt, doe ik nog steeds niet. Ik heb het over het volgende, naar ik vrees universele verschijnsel: je denkt dat je zus of zo hebt gezegd of geschreven, dat weet je zelfs heel zeker, en dan blijkt dat het in de oren of ogen van iemand anders iets heel anders is geworden. De luisteraar of lezer heeft het omgekeerde begrepen, of geeft er een interpretatie aan die veel verder gaat dan je in je onschuld bedoelde.

Je schrijft bijvoorbeeld een stukje over je interesse in grappen die met zinsbouw te maken hebben, zoals ik in de vorige Zeggen & Schrijven deed. Ik vertelde – dacht ik – dat ik verschillende typen syntactische grappen spaarde, en dat ik het dus graag zou weten als iemand misschien nog een niet-genoemde soort kende. Meer niet.

Wel, ik ben de afgelopen weken bedolven onder de brieven, kaartjes, knipsels en mailtjes met grappen, moppen, woordspelingen en taalfouten in alle soorten en maten. Dat zo veel mensen kennelijk zomaar die moeite willen nemen, was een aangename ontdekking en een mooie opkicker voor mijn wereldbeeld. Ik ben u dan ook een zeer welgemeend ‘hartelijk dank’ verschuldigd.

Maar, maar, maar. Uit veel van al die post bleek dat u zich veel meer voorstelde van mijn verzameling dan terecht is. Of mijn collectie te bezichtigen viel, vroeg u, of ik hem op wilde sturen, of hij op het internet stond, of er een boek van kwam, het ging maar door.

Had ik echt de indruk gewekt dikke mappen moppen of ordelijke ordners in huis te hebben? Ja dus, maar het was niet mijn opzet, want dat is domweg niet het geval. Vergeef mij mijn afwijking, maar het gaat me uiteindelijk om het inzicht in de grammatica dat syntactische grappen bieden. Daar heb je geen eindeloze variaties op hetzelfde thema voor nodig, een soorten-inventarisatie en een idee over de frequentie zijn voldoende.

Blij was ik daarom onder meer met Ik zag haar hurken, een zinnetje dat niet alleen bij degene die het me stuurde maar ook bij mij direct de vraag oproept: oh ja, en hoe zien die er dan uit? ‘Hurken’ is hier natuurlijk bedoeld als werkwoord, althans, dat is de enige zinnige ontleding, maar omdat je heel goed kunt zeggen ‘Ze ging op haar hurken zitten’ schuift de bezittelijke betekenis van ‘haar’ er als het ware voor.

Hoe moeilijk het ook is te begrijpen waarom iemand jouw bedoelingen niet ziet, andersom vind ik het soms erg gemakkelijk te raden dat iemand niet bedoelt wat ik toch lees of hoor. Want niet alleen de weg naar de hel is volgeplaveid met goede bedoelingen, ze leiden gelukkig ook tot komieke mededelingen. Er zijn altijd wel een paar slogans of standaardzinnetjes in omloop die me steeds weer op het verkeerde been zetten.

‘Betaal met je pincode’ lees ik de laatste tijd overal in winkels. Ja zeg, ze mochten willen dat ik mijn pincode uitruilde tegen wat boodschappen! Mooi niet, en dat is natuurlijk ook helemaal niet echt wat ze van me verlangen. Winkeliers willen al duizenden jaren maar één ding: je geld. Alleen is het inmiddels niet langer van belang of het cash is of niet.

Op ditzelfde terrein zijn er meer onbedoelde boodschappen. ’s Nachts op de televisie bij een paar commerciëlen, lees ik aldoor de woorden ‘seks met je creditcard’ boven zo’n dame met beeldvullende borsten, en eerlijk gezegd: ik heb het nooit geprobeerd, maar het lijkt me niks. En ligt het nou helemaal aan mij, of wilt u soms ook de betaalautomaat toespreken met de woorden ‘Nou, zeg op, hoeveel heb ik?’ als weer eens het zinnetje ‘Uw geld wordt geteld’ verschijnt?

Het zijn voorbeelden van onbedoelde extra betekenissen die niet tot verwarring maar tot een glimlach leiden. Net zoals het staaltje bedrijfsblindheid van de Amsterdamse televisiezender AT5 waar ik me lang mee vermaakt heb. Een vast onderdeel van de uitzendingen is ‘het weer’, en dat onderdeel wordt altijd gesponsord. Tijdenlang werd het item afgekondigd met de woorden ‘Het weer werd mede mogelijk gemaakt door…’ en dan volgde de naam van de geldschieter van dat moment.

Iedere keer opnieuw vroeg ik me af hoe bijvoorbeeld een tuincentrum het geflikt had de temperatuur en de neerslag te beïnvloeden. Jammer genoeg zijn ze er een tijdje terug wakker geworden of gemaakt, en nou zegt de voice over ‘het weerbericht’ in plaats van ‘het weer’.

Grappen sparen

“Goed, goed, ik ga wel weer het hele weekend wassen”, verzuchtte ik, omdat de schone sokken op bleken te zijn. “Mooi, daar zal het weekend lekker schoon van worden. Vergeet je het niet af te drogen?”, kreeg ik terug.

Ik heb een gloeiende hekel aan vrijwel elke huishoudelijke bezigheid, maar nu was mijn dag goed. “Ha! Dat is er weer een”, antwoordde ik stralend. Want hoewel sparen ook al mijn fort niet is, spaar ik syntactische grappen, grappen die berusten op onze interpretatie van hoe een zin is gebouwd. Omdat ze zo zeldzaam zijn, en omdat het me intrigeert hoe dat komt.

De meeste zijn gek genoeg van precies hetzelfde type. Ze gaan allemaal ongeveer op dit stramien: Komt een klant de kledingwinkel binnen en zegt: ‘Ik wou graag die jurk in de etalage passen’. Antwoordt de winkeljuffrouw: ‘Nou mevrouw, liever niet, daar zouden de mensen die langslopen erg vreemd van opkijken’.

U snapt ’m? Dan kunt u ontleden. Want dit wat tuttige mopje draait helemaal om de vraag waar de voorzetselbepaling ‘in de etalage’ bij hoort. Onze kennis van de wereld zegt meteen: bij ‘die jurk’ natuurlijk, ze zijn samen bedoeld als het lijdend voorwerp van de zin. Maar volgens de grammatica van het Nederlands had ‘in de etalage’ echt net zo goed bij ‘passen’ kunnen horen.

Dat dat werkelijk zo is, valt te zien aan zinnetjes waar je zonder een duidelijke context niet uitkomt. Want wat betekent ‘Ik zag de man met de verrekijker’? Daar is maar een antwoord op: twee verschillende dingen. Ofwel ‘ik’ had een verrekijker, ofwel ‘die man’. Opnieuw gaat het om waar je de voorzetselbepaling – in dit geval ‘met de verrekijker’ – aan ‘vastkoppelt’

Onze woordvolgordemogelijkheden zijn veel groter dan we meestal denken. Juist die dingen met voorzetsels kun je bijna overal neerpoten. Ter illustratie een oefenzinnetje voor de liefhebber: Met een vrolijke lach ging ze in opperbest humeur op onderzoekingstocht door de stad, langs straten, pleinen en grachten. Opdracht: schud de zin op alle manieren door elkaar, maar maak alleen grammaticale zinnen, en hou de vijf voorzetsel-zinsdelen heel (als je op woordniveau gaat husselen komt er helemaal geen eind aan de mogelijkheden). Ontdek dat ze alle vijf het begin van de zin kunnen vormen, al verschuift de betekenis vaak een beetje. Merk onderweg ook op dat het werkwoord in het Nederlands altijd op de tweede positie moet staan, tenzij we een vraag stellen (ging ze‘?).

Sorry, het ging hier over grappen. Die met het lekker wassen van het hele weekend vanwege de vuile sokken, verheugde mij, omdat de clou nou eens niet in een voorzetsel zat. Wel in een verkeerde ontleding. Althans, formeel was het wel in orde – anders viel er niets te lachen – maar ‘het hele weekend’ was natuurlijk bedoeld als een tijdsbepaling, niet als lijdend voorwerp. Een heel geschikt exemplaar voor mijn verzameling dus.

Rest mij nog u over het topstuk in mijn collectie te vertellen. Dat dank ik aan ex-Monty Phyton Michael Palin, die ergens in de jaren negentig een schitterend neurotisch schoolhoofd met een onoverkomelijke bruggenfobie speelde, in een serie die GBH heette. Daarin sprak hij op een goed moment de woorden: ‘I wouldn’t trust bishop Tutu even wearing one’.

Kijk, dat is een pareltje. Een zeer originele grap, die in vertaling zelfs min of meer overeind blijft: ‘Ik zou bisschop Tutu nog niet vertrouwen als hij er eentje aan had’. Jammer alleen dat wij de naam Tutu net iets anders uitspreken dan wanneer we met ‘tutu’ een type danskledij bedoelen.

Hier zit de crux hem in dat het niet kan. Je kunt ‘one’ en ‘eentje’ helemaal niet terug laten slaan op ‘tutu’. Maar dat kunnen we dus wel, al wringt het en wordt het daarom grappig.

Naar analogie hiervan bedacht ik aan een rijk gevulde tafel in Frankrijk het volgende om bij thuiskomst te vertellen: ‘Ik zat in Sancerre en ik dronk het’. Het was nog waar ook. Niet zo mooi als Palins opmerking, geef ik toe, maar toch een aardig verwoorde vakantiebelevenis.
Ach, grappen moet je natuurlijk helemaal niet bewust zelf gaan zitten bedenken. Je moet ze horen, of desnoods lezen. Als u nog een ander soort syntactische grap kent, mag ik hem dan voor mijn verzameling?

Standen

Proef het woord even: fatsoensrakkerij. Niet echt een aangename nasmaak, hè? De fatsoensrakker is een naar mannetje, dat z’n medemensen niks gunt. Toch is hij ineens erg populair, want je komt hem voortdurend tegen in de pers dezer dagen.

Zelfs waar hij niet thuishoort. ‘Fatsoensrakkerij is prijs van democratie’ stond er boven een opiniestuk in de Volkskrant van afgelopen woensdag. Een kop die eerder een grappig kijkje in de ziel van de dienstdoende redacteur gaf, dan dat hij netjes de lading dekte van wat docent politieke theorie Meindert Fennema te vertellen had. (Hoeveel misplaatste koppen zouden er per dag in de wereld verschijnen?)

Ook als u het niet gelezen heeft, hoef ik het vast niet uit te leggen: het ging over de bonnetjes van Bram Peper, ex-burgemeester, nu minister, en Harry Groen, net ex-wethouder van Amsterdam. Fennema schreef er een ronduit goed artikel over, dat zeker niet om fatsoensrakkerij draait.

Het was de laatste weken overigens wel inzichtgevend te zien wie en hoevelen ineens de controle op wat er gebeurt met door ons allen opgebracht geld, volautomatisch gelijkstelden aan die vermaledijde fatsoensrakkerij. Rare synoniemen.

Maar Fennema bracht iets heel anders op. Hij zegt in zijn stuk dat meer openbaarheid (bonnetjes opvragen bijvoorbeeld) voortaan alleen maar harder nodig zal zijn, omdat er steeds meer machthebbers komen die zich uit de heffe des volks omhooggewerkt hebben. Een gevolg van de onstuitbare democratisering van de samenleving. Arbeiderskinderen zoals Peper en Groen móet je wel op hun handen kijken, want ze hebben thuis niet geleerd dat je met declareren juist erg moet oppassen, omdat de familienaam geen gedonder kan verdragen.

Fennema formuleert het voorzichtiger, en gelijk heeft ie. Want oei, hij brengt iets ter sprake waar een fiks taboe op rust. De standenmaatschappij is namelijk afgeschaft in het collectieve denken, en nu heerst er zwijgplicht.

Dat is nog niet zo lang zo, realiseerde ik me. Toen ik klein was, spraken mijn ouders (geen arbeiders) regelmatig over beschaafd en onbeschaafd. Het ging over ‘dat het sterke benen zijn die de weelde kunnen dragen’, over ‘patjepeeërs’, en ‘z’n plaats niet kennen’.

Dat werd wel niet in brede kring uitgedragen, zeker niet, maar inmiddels kan ik bijna geen onderwerp verzinnen dat zo gevoelig ligt. Zulke dingen in gezelschap opmerken is nu beslist moeilijker dan moppen-die-eigenlijk-niet-kunnen tappen. Zelfs bij het opschrijven van die kreten uit mijn jeugd, die langzaam aan het verdwijnen zijn, denk ik al: als ze nou maar niet meteen geloven dat ik een arrogant kakwijf ben. Alsof dat erger zou wezen dan een poenerige proleet zijn.

Ondertussen zijn de standen natuurlijk helemaal niet verdwenen. We praten er niet over, we schrijven er niet over, maar we weten het allemaal. Ze zijn alleen wat afgezwakt, geëgaliseerd, zoals zoveel in de samenleving.

En dat brengt in feite voor iedereen onzekerheid met zich mee, want door wat we dan maar de democratisering zullen noemen, kent inmiddels de meerderheid van de bevolking zijn precieze plaats niet meer. Die plaats is er wel, maar je wordt geacht te doen of het niet zo is. Hoe ga je dan om met je werkster? Hoe spreek je haar aan, waar heb je het wel en niet over? Ik ken mensen die dat zo lastig vinden dat ze niet meer aan een ‘hulp’ beginnen. Andersom komt vast ook voor.

Maar het onzekerst is, vrees ik, de klasse van de social climbers, die ook het standsbewustst van allemaal is. De enkelingen met wie ik het daar wél eens over gehad heb, zijn daar zeer uitgesproken over.

Ik vraag me af of Peper en Groen geraakt zijn door Fennema’s artikel. Zouden ze het gevoel hebben ‘door de mand gevallen te zijn’, de angst van menige stijger op de ladder?

Pijnlijke vraag. Voor zwijgen over deze dingen is ook wat te zeggen. Net zoals ik uit beleefdheid nooit iemand durf aan te spreken op zijn tafelmanieren, en ik de hun-hebben-zeggers niet verbeter, om eens twee standsafhankelijke dingen te noemen. Rationeel vind ik beide onbelangrijk, alleen ben ik er toevallig op geconditioneerd om ze altijd te registreren. En toch kent de ‘aristocratische cultuur’ waar Fennema het over heeft, wel degelijk ook een waardevolle moraal. Zou de hoogste klasse op een gegeven moment weer uit the closet komen?

Zekerheid

“Voor de zekerheid zou ik toch het liefst opnieuw opereren, vanwege dat verhoogde hormoon.” Gesprek in de spreekkamer. Mijn gynaecoloog had overlegd met een aantal collega’s. Hun meningen waren verdeeld, en hij gaf nu de zijne.

Zekerheid. Wie wil dat nu niet? Het kon zijn dat wat hij gezien had tijdens de sterilisatie geen goedaardige cyste was, maar kanker. Wat daar nog eens extra voor pleitte was dat er meer van het hormoon CA 125 in mijn bloed zat dan normaal is. Maar nee, dat betekende niet per se dat ik met een kwaadaardige tumor rondliep. Aan mij de keus. Het zaakje in de gaten houden met regelmatig een echo was het alternatief.

Over hoe groot alle verschillende risico’s waren – waaronder ook nog dat om na een operatie eindeloos aan de pillen te moeten – daar viel in feite geen zinnig woord over te zeggen.

Enfin, het liep goed af. Een jaar later gaf de gynaecoloog spontaan grootmoedig toe dat ik gelijk had gekregen door zijn toch-weer-snijden-advies niet op te volgen. Uit de laatste echo was gebleken dat dat ding echt alleen maar een cyste kon zijn. Mooi, inderdaad, maar het heeft me niet meer los gelaten, en telkens als ik iets lees over de kosten in de gezondheidszorg denk ik aan wat me overkwam.

Want het was natuurlijk allemaal niets bijzonders. Het kan niet anders of er worden aan de lopende band vergelijkbare gesprekken over risico’s gevoerd in Nederlandse ziekenhuizen. Dat gebeurt tussen ongelijkwaardige gesprekspartners.

Nee, ik bedoel nu even niet dat de patiënt afhankelijk is en gevoelig voor de autoriteit van de witte jas enzo – dat komt er nog eens bij. Het gaat om wat het begrip ‘risico’s’ inhoudt. Wat artsen zien als een risico, zal vooral zijn ingegeven door hun eigen positie en mogelijkheden. En van daaruit lichten ze ook hun patiënten voor.

Het lijkt volstrekt logisch dat een dokter niet op zijn geweten wil hebben dat iemand aan kanker doodgaat als hij dat had kunnen voorkomen. Maar dat is te simpel. Voor elk risico dat je uitsluit, krijg je andere terug. Er is altijd een prijs die betaald moet, al is het maar als een ouwe dweil en met een gezellige ziekenhuisinfectie wakker worden uit een operatie die achteraf onnodig bleek.

Maar ik vrees dat de tijdgeest zowel dokters als patiënten parten speelt. Risico’s accepteren, vinden we steeds moeilijker. En dan kunnen we er ook nog zo verschrikkelijk slecht mee rekenen. Stiekem denken we al gauw: het is gewoon fifty-fifty. Wat er blijft hangen van de woorden in zo’n spreekkamer is: je hebt kanker of je hebt het niet.

Je zal maar die ene zijn, is ook een gedachte die leidt tot veel te veel onderzoek. Van bevolkingsonderzoeken naar borst- en baarmoederhalskanker is inmiddels duidelijk dat de winst vrijwel nul is. Maar ze afschaffen ho maar, terwijl er rationeel bekeken geen reden is ze te handhaven. Dat mensen voortdurend voor niks de stuipen op het lijf wordt gejaagd (de zogeheten vals-positieven) en dat anderen ten onrechte geen behandeling krijgen (de vals-negatieven) laat nog eens zien dat ‘voor de zekerheid’ een uiterst dubieuze frase is.

De gekste dingen probeert minister Borst nu al jaren om de stijging van de gezondheidskosten eindelijk een halt toe te roepen. Ondertussen wordt het ene gat met het andere gestopt, en is de ene onrechtvaardigheid nog niet weggewerkt of er is een volgende (het laatste voorbeeld is de werkelijk schandelijke manier waarop vele tienduizenden kleine zelfstandigen nu benadeeld worden, maar zie daarvoor www.monitor.nl/ziek), en het zal allemaal nooit helpen zolang er bij de dokter geen heel andere gesprekken gevoerd gaan worden.

Dat vereist veel. Dokters zijn ook maar mensen, en ze vinden bovendien steeds veeleisender types tegenover zich. Die willen dat er ‘iets gedaan wordt’. Al is het maar voor de zekerheid. Omdat de onderzoeksmogelijkheden zullen blijven groeien als kool, gaat dat totaal uit de klauwen lopen. Want steeds vaker kunnen medici dus inderdaad ‘iets doen’, wat ook hun dikwijls meer bevrediging geeft dan praten, en maar eens even afwachten.

Ministers doen ook het liefst dingen. Maar om de steeds verdergaande medicalisering om te keren zal er vooral lang en heftig ingepraat moeten worden op dokters én patiënten.

Slinkend hart

Mag ik u hartelijk danken? U heeft van mij een poëziekenner gemaakt. Dat is mooi meegenomen als je altijd gedacht hebt van gedichten hooguit te hooi en te gras kennis te hebben genomen.

Met weinig inspanning toch scoren, het is een genoegen dat je niet vaak genoeg kunt smaken. Hoe dan ook, mijn hart zwol van trots toen ik van de week de uitslag van een enquête onder Cultureel-Supplementlezers in handen kreeg. U mocht zeggen wat u nou het mooiste Nederlandstalige gedicht vond, en van de top honderd die daaruit kwam, kende ik er zeker 97.

Schat ik tenminste, want elke hulp bij het tellen ontbreekt, en ook is er vals gespeeld. De uitslag is meteen in boekvorm verschenen, onder de voordehandliggende titel Het mooiste gedicht, De favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen. Het bevat natuurlijk honderd gedichten, denk je dan. Maar wat staat er achterin in de verantwoording? Dat het uitverkoren werk van de enige poëet op aarde wiens verzamelde gedichten ik al een heleboel keer van a tot z gelezen heb, niet is opgenomen. Gerard Reve laat zich nooit bloemlezen, ook niet voor deze gelegenheid.

Drie van zijn gedichten had u erbij willen zien, alleen Rutger Kopland met vier en topscoorders M. Nijhoff en J.C. Bloem met zeven doen het beter. Of misschien wel niet. Want of Reves poëzie wellicht de top drie uitmaakte, wordt listig verzwegen (net als — schande — het geboortejaar van alle gedichten). Enfin, de rest van dit stukje zou zo heen kunnen gaan aan cijfermateriaal, maar ik ben Battus niet.

En of het ironische versje De dichter van onze kersverse eerste Dichter des Vaderlands wel echt op nummer honderd staat, is van minder belang dan vraag of dat nu inderdaad het enige gedicht van Gerrit Komrij is dat u mooi genoeg vindt om in deze hoge regionen mee te doen.
Ik vrees dat het vooral toevallig een erg bekend gedicht is.

Dat gezwollen hart van mij begon al snel weer te slinken toen ik de favorieten nog eens goed bekeek. Het Wilhelmus? Ook nog ergens halverwege die top honderd? U maakt een grapje! Hermans Gorters Mei? De eerste regel zult u bedoelen. En op school hebben ze u gewoon ooit dat opmerkelijke maar volmaakt onbegrijpelijke krinklende-winklende-waterding-gedicht van Gezelle laten lezen, en dat is blijven hangen. Ook houdt u de fragmenten boven overlijdensadvertenties bij (test: van wie is Weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven en wie schreef Zeven maal om de aarde te gaan?).

Wat er uit de enquete kwam, is een prachtige Bluff your way into Dutch poetry, waar desalniettemin veel uit te leren valt. Dit zijn de gedichten die we doorvertellen, waar we elkaar op wijzen, in het onderwijs of elders. Die ons raken. Dit is de canon.

Voor de tallozen die zelf dichten of willen dichten ligt er nu ongeëvenaard materiaal voor de cursus ‘hoe word ik ook onsterfelijk?’. Ik vat vast het een en ander samen. Regel een: rijmen helpt, metrum moet. Verreweg de meeste ‘mooiste gedichten’ zijn klassiek in dat opzicht. Veel experimenteler dan Van Ostaijens Marc groet ’s morgens de dingen wordt het niet.

Regel twee: schrijf over clichés. Dood en liefde, familie en natuur, die doen het het best. Stop er liefst een paar bij elkaar in een gedicht (de dood van een tuinman, de liefde voor een stervende vader). En geen ellenlange verhalen, pak wat details, of een enkel beeld, en laat het vaak allemaal uitdraaien op verlangen of weemoedigheid (desnoods over net geplante sla).
Maar maak het weer niet te hoogdravend graag: Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten en Groots en meeslepend wil ik leven haalden alletwee de top honderd niet.

En misschien het allerbeste advies: zoek er een componist bij. Niets draagt zo bij aan het verspreiden van een gedicht als een melodie. Er zit er in die hele top honderd maar een waarvan ik alle woorden zonder haperen van begin tot eind kan weergeven. Zingend, wel te verstaan, opzeggen gaat niet. Ik vind het dus geen gedicht. Het is een liedje, maar het gaat wel over familie (vader-dochter), liefde (van vader voor dochter, van dochter voor engerds), natuur (eendjes, hondjes) en weemoedigheid. Juist: Annie M.G.’s Op een mooie Pinksterdag.

In Spokanië

Is er grotere kleine-jongetjesromantiek denkbaar dan je eigen wereld fantaseren? Massa’s jeugdigen verzonnen ooit zelf een land, een taal. Maar geen een liet zijn kinderziel zo origineel volwassen worden als Rolandt Tweehuysen, die inmiddels de vijftig gepasseerd is.

Ademloze bewondering verdient hij. Met ongeëvenaarde volharding bouwt hij sinds het begin van z’n puberteit gestaag en bloedserieus voort aan het isolationistische koninkrijk Spokanië, waar de inwoners Spokaans spreken. De net in de Dominicusreeks uitgebrachte reisgids voor het hoofdeiland Berref bevat maar een fractie van zijn verzameling fictieve feiten over het eilandenrijk en de taal.

Dat boek, met de eenvoudige titel Spokanië: Berref, is een perfecte pastiche. Tweehuysen schreef het samen met zijn vriend Joost de Haan, en er staat geen woord in dat niet waar had kunnen zijn. Zelf vond ik het effect hilarisch. Die half-truttige stijl, de kleurenfoto’s en kaartjes en al die typische toeristenonderwerpen: de geschiedenis, legendes, beschrijvingen van plaatselijke bezienswaardigheden (frensnurps ofwel ‘grijnskoppen’) en gebruiken (maanbaden met maanbrillen), restauranttips, zelfs de telefoontarieven (20 toefos per minuut voor een gesprek naar Nederland) ontbreken niet.

En toch is de ijzeren consequentie waarmee de illusie van de echtheid van Spokanië gehandhaafd wordt in de gids nog niets vergeleken bij het monument dat Tweehuysen voor het Spokaans heeft opgericht. In het boek staat verhoudingsgewijs veel taalinformatie, maar ik leende een exemplaar van Tweehuysens nog steeds onvoltooide grammatica van het Spokaans: zo’n 220 hoofdstukken, meer dan 1500 pagina’s. Zo dik zie je ze zelden, en je kunt je niet eens een voorstelling maken van hoe veel uren daar in moeten zijn gaan zitten.

Een compleet uit de hand gelopen grap? Is Tweehuysen een doorgedraaide fanaat? Wellicht ook, maar zo eenvoudig ligt het niet. Nadat hij het Spokaans verzonnen had, ging hij namelijk taalkunde studeren. En vervolgens liet hij zijn taalkundige kennis los op het Spokaans. Niet voor de lol, maar gemeend.

Net als die reisgids is daarom ook de grammatica domweg niet van echt te onderscheiden. Tot in alle details klopt het. Volgens Tweehuysen is hij ook echt, en ik denk dat hij daar tot op grote hoogte gelijk in heeft.

Zijn redenering luidt ongeveer: ik heb dat Spokaans bedacht, en dat ging intuïtief. Waar het allemaal vandaan is gekomen weet ik niet, maar wat eruit is gekomen moet volgens mij een natuurlijke taal zijn. En al ben ik de enige spreker, en beheers ik het niet perfect omdat ik nooit met native speakers kan oefenen, hoe veel sprekers een taal heeft, doet er in principe niets toe. Het is gewoon een echte taal.

Tweehuysens liefste wens is dan ook dat behalve hij ook andere taalkundigen het Spokaans zouden onderzoeken. Een minder absurd idee dan je zo zou denken. Zo wees na een lezing een collega hem al eens op een samenhang tussen twee losstaande verschijnselen waar Tweehuysen zelf nooit bij stil had gestaan. Dat gaf wel inzicht in het taalsysteem van het Spokaans, en laat zien dat de gewone onderzoeksmethoden toe te passen zijn.

Wat de uitkomsten betekenen, is alleen de vraag. Kun je een beeld krijgen van wat er post heeft gevat in het hoofd van Tweehuysen, die zegt zelfs in het Spokaans te dromen? Hij noteerde wat er aan regels en constructies in hem opkwam als niet-taalkundige, al probeerde hij er wel een totaal andere taal dan het Nederlands van te maken. Dat is gelukt, en het Spokaans is knap ontoegankelijk geworden, in elk geval voor degenen uit onze toevallige taalfamilie.

Zou dat voor iedereen zo zijn? Er lijken unieke elementen in te zitten: de verleden tijd wordt gevormd door het werkwoord en het lijdend voorwerp om te draaien. Er is geen taal bekend die dat ook doet. Maar kun je zomaar een onmogelijke taal bedenken? Is dat geen contradictio in terminis?

Vooralsnog valt Tweehuysen nogal tussen twee werelden. Taalkundigen vinden bijvoorbeeld een congreslezing waarin een vergelijking getrokken wordt tussen Zweedse en Spokaanse passieven “te controversieel”, maar daarbuiten beschikt niemand over de kennis die nodig is om het Spokaans zien voor wat het is.

Avontuurlijke, ruimdenkende taalkundige gevraagd dus. Kijk voor u solliciteert ter oriëntatie vast even op www.spok.demon.nl.

Babbelbehoefte

“Meneer, uw jas zingt.” Bijna had ik het gezegd tegen de man die ik net inhaalde op straat. Nog steeds word ik elke keer lacherig van die mechanische melodietjes en riedeltjes die dof opklinken uit binnenzakken en tassen. Grabbel, grabbel, het volume van het gejengel neemt toe, en ja hoor, daar istie: het mobieltje. Ik kan het maar niet serieus nemen.

Daar heb ik natuurlijk ongelijk in, want ik geloof dat inmiddels een op de drie Nederlanders met zo’n ding rondloopt. De babbelbehoefte is onstilbaar, en het is me een raadsel.
Neem nu dit. Het is eerste kerstdag, de sfeer in het restaurant waar we eten is licht feestelijk, het veel-gangendiner heerlijk en in volle gang. Overal om ons heen tafeltjes met net iets mooier dan normaal uitgedoste families en stellen. Licht, muziek en stemmen zijn gedempt. Totdat iedereen ineens even helemaal stilvalt. Aan het tafeltje schuin achter me gaat de telefoon.

Een knap koppel, zij blond, hij donker, eind dertigers schat ik. Hij haalt met een onbewogen gezicht het apparaat uit zijn jas, en reikt het haar aan. Een calamiteit misschien, denk je dan. Maar nee, daar bleek niets van. Het was eerder een geval van ‘saved by the bell’, want de twee hadden elkaar zo weinig te vertellen dat het ons daarvoor al spontaan was opgevallen.
Nou ja, deze deden tenminste nog samen met één gsm’etje, eerder zag ik al eens een man en een vrouw die beiden, tegenover elkaar zaten te bellen boven de borden, en dat was niet in de een of andere lunchtent of zo, maar ook ’s avonds, in een restaurant dat voedsel serveert dat voor zulk gedrag veel te lekker is.

Ik ben zelf een fervent beller. Vriend en vijand drijf ik tot wanhoop doordat mijn lijn eindeloos bezet blijft. Maar ik moet er werkelijk niet aan denken om in trams, treinen, cafés en andere openbare ruimtes in een apparaatje te gaan zitten praten. Waarom al die andere mensen dan wel? Wat is het mooie dat ik kennelijk niet zie?

Natuurlijk is praten wat ons allen bindt. Het is het sociale smeermiddel bij uitstek, en spraak verraadt: nergens anders kunnen we zo haarscherp mee aangeven van welke groep we deel uitmaken. Zijn al die mobieltjes dan even zovele draadjes die de verbinding met de groep moeten bevestigen? Want het is wat iedereen opvalt aan dat mobiele bellen: het leeuwendeel van de gesprekken gaat over waar de beller zich bevindt, waar hij/zij zojuist was, en wanneer hij/zij denkt zich elders te zullen bevinden. Een virtueel groepsverband blijft op die manier continu in stand.

Is de individuele telefoon dus een trend die tegen de individualiseringstrend ingaat? Dan werkt dat op zijn best maar zeer ten dele. Juist omdat mensen zich, anders dan dieren, in heel veel verschillende groepen kunnen bewegen, ontstaat er een soort strijd tussen de groepen. En vervelend genoeg wint de bellende groep altijd.

Want ik zit ernaast, en word genegeerd. Dat geldt zeker wanneer iemand met wie ik zelf (mede) in gesprek was gebeld wordt of gaat zitten bellen, maar gek genoeg voelt het dikwijls ook zo bij wildvreemden. Daarmee onderhoud je, wanneer je je bij elkaar in de buurt bevindt, namelijk toch een soort los-vast contact van kijken, inschatten, misschien eens glimlachen. Wie aan het bellen slaat, is daar niet meer bereikbaar voor. Ik denk echt dat de kans om in de bus eens een praatje aan te knopen verminderd is. Dat is slecht voor de sociale cohesie.

Enfin, het primaat van de telefoon ergert me wel vaker. Sta je in een winkel te wachten bij de balie tot je geholpen wordt, dan rinkelt er weer zo’n rottelefoon, en gaat een klant die níet de moeite genomen heeft zelf te komen vóór.

Telefoonterreur kan heel ver gaan. Vorig jaar werd in Engeland een man van 28 tot twaalf maanden cel veroordeeld omdat hij op een vlucht van Madrid naar Manchester in een Boeiing 737 consequent geweigerd had zijn mobieltje uit te zetten. Kunt u zich voorstellen dat je wens gebeld te kunnen worden zo groot is dat je het gewoon verrekt te luisteren als ze je vertellen dat het in een vliegtuig werkelijk gevaarlijk is?

Sowieso is dat het aspect dat ik het slechtste begrijp van het succes. Dat je altijd en overal te vinden bent. Ja, ja, ik weet wel, ‘je kan ’m ook afzetten’, maar eeuwige bereikbaarheid is toch het doel. En gatver, wat staat dat me tegen. Misschien ben ik wel niet zo’n groepsmens.

Gauw, gauw

Soms zijn dingen zo gênant dat je moeite hebt ze door te vertellen. Goed. Even slikken; hier komt ie. Deze week zag ik in HP/de Tijd en in Vrij Nederland een paginagrote kleurenadvertentie van de NPS. De trotse kop: Taal en literatuur bij de NPS.

Daaronder staat wat ze ermee bedoelen: er volgt een complete opsomming van de NPS-programma’s over die twee prachtonderwerpen. U wilt dat ook niet missen? Wel, vanavond is er op de tv het jaarlijks dictee, eind januari komt er een keer Nederlandse poëzie en half mei al is er weer iets: dan zenden ze de uitreiking van de Librisprijs uit. Bovendien hebben ze, op Radio 5, een wekelijks boekenprogramma, met daarin een half uur het programma ‘Wat een taal’ dat al weer heel wat jaar geleden naar dat station verbannen werd.

Dat het intens treurig gesteld is met taal en literatuur op radio en televisie blijkt in feite eens te meer uit zo’n advertentie. Met een dermate armzalig rijtje opscheppen, het is toch ronduit schrijnend dat iemand dat bedenkt?

Het is akelig met die NPS, maar de omroepen zijn stuk voor stuk even fantasieloos. Ik zal u vertellen hoe het gaat. Voor literatuuritems weet ik het niet uit de eerste hand – ik zie of hoor alleen zelden iets geïnspireerds – maar voor taalonderwerpen word ik nogal eens opgebeld. Dat gebeurt inmiddels een jaar of tien, en redacties hebben in dat hele decennium precies twee onderwerpen weten te verzinnen. U kunt de evergreens raden: het populaire duo Spelling en Verloedering.

Zelfs als het telefoontje in eerste instantie over iets anders lijkt te gaan, draait het er meestal toch op uit dat ik moet komen praten over de schriftelijke weergave van het Nederlands, of over de teloorgang van onze geliefde moedertaal. Of het nou gaat om dat dictee ieder jaar, of om de steeds maar aanzwellende stroom Engelse leenwoorden, of om het verschijnen van een of ander woordenboek, bij alles ziet elke redactie alleen diezelfde invalshoeken. Ach, wat missen ze toch veel daarmee.

Weet u, in het afgelopen jaar heb ik voor het eerst nogal wat keren nee gezegd als er weer zo’n verzoek binnenkwam. Dat is niet om flauw te doen, al vindt de andere kant dat geloof ik wel al gauw. Maar ik begin me een grijsgedraaide plaat die blijft hangen te voelen (zou die uitdrukking uit het pre-cd-tijdperk blijven hangen?). Het krijgt op den duur iets belachelijks om jezelf alwéér te horen zeggen dat taal en spelling maar zeer ten dele met elkaar te maken hebben, en dat niet goed kunnen spellen dus niet betekent dat je je taal niet beheerst. En ik merk dat ik begin te raffelen bij mijn prevelementje over de onverbiddelijkheid waarmee iedereen zijn Nederlandse grammatica loslaat op al die Engelse woorden.

Nee, ik zeg niet dat ze het daar allemaal nooit meer over moeten hebben. Ik snap zelfs dat juist die onderwerpen perfect passen in de slappe emotieverslaggeving die nergens meer weg te slaan is. Maar ik heb zelf een beetje mijn bekomst van de matheid en beperktheid van programmaredacteuren. En dit jaar struikelde ik ook nog over een beangstigend gebrek aan journalistieke principes.

Mijn welgemeende complimenten aan de firma Van Dale, die zijn pappenheimers kent en vóór verschijning van de nieuwe editie van hun Dikke geen recensie-exemplaren gaf, maar wel een pakketje leuke voorbeelden en cijfers. Mijn weigering alleen op basis daarvan een oordeel te geven, maakte bij de redactie van onder meer Middageditie geen enkele indruk. Gauw, gauw ging voor goed. Het boek moest en zou besproken op de dag dat het uitkwam, en zo geschiedde, door mensen die er op zijn best een uurtje in hadden kunnen bladeren. Dat ging trouwens in de pers al net zo. Zelfs deze krant plaatste prominent de inhoud van het Van Dalepersbericht op de voorpagina.

Maar ik geef de hoop niet op. Het gaat komen. In de volgende eeuw wordt wat in deze ontdekt is gemeengoed. Dan gaat er bijvoorbeeld eens gediscussieerd worden over de onuitroeibaarheid van het Nederlands, en over de inventiviteit van het taalsysteem dat we delen. Ik weet het zeker. Er komen programmamakers die, gegrepen door de ontzagwekkende kanten van menselijke taal, uitzendingen gaan maken waaraan verwondering en echt-willen-weten ten grondslag liggen.

Uitbarsting

“Ja! Ja! Ja!”, zeiden Christopher Nolans ogen met het teken waarmee hij al die jaren al bevestiging uitdrukte. Het was het antwoord op zijn moeders vraag of dit was hoe hij dacht, of hij zo in elkaar zat.

Christopher had zojuist zijn allereerste woorden aan de buitenwereld kenbaar kunnen maken. Het was augustus 1977, en hij was bijna twaalf. De krachtsinspanning moet ongehoord zijn geweest, maar hij had een vijfregelig gedicht getypt. ‘I learn to bow’, Ik leer te buigen, heette het.

Voor iemand die nooit ook maar de geringste controle over zijn spieren, en dus over zijn bewegingen had gehad een zinnetje vol dubbele bodems. Vanaf zijn derde al bedacht Christopher gedichten, en borg die ergens in zijn hoofd op, maar niemand die het wist. Want hij kon niet praten, niet gebaren en ook een typemachine bedienen lukte op geen enkele manier.

Zuurstofgebrek bij de geboorte gaven de dokters als oorzaak voor het feit dat hij totaal gevangen zat in zijn telkens door spasmen opgeschrikte lichaam. Ook al wist zijn moeder onmiddellijk dat daarbinnen een gewoon, intelligent kind leefde, hij kon dat alleen met zijn ogen vertellen. Het Ierse gezin, dat in Dublin woonde, liet hem wel zo veel mogelijk meedoen met alles. Christopher ging ook naar school, maar wat hij daar leerde viel niet te toetsen.

Een nieuw medicijn bewerkstelligde tenslotte net genoeg ontspanning om hem zelf de letters op een toetsenbord te laten raken met een ‘eenhoorn’, een stokje dat met behulp van een band om zijn hoofd bevestigd zat. Zolang althans iemand zijn kin ondersteunde.

Moeizaam en langzaam ging het, en het lukte ook niet altijd, maar het verschil met helemaal nooit een woord kunnen zeggen, moet overweldigend geweest zijn. Christopher bleek het Engels tot in de puntjes te beheersen. Hij vormt het levende bewijs dat zelf oefenen – met eerst gebrabbel, dan de een-woordfase, de twee-woordfase enzovoort – niet noodzakelijk is voor een gewone taalontwikkeling. Puur op het gehoor had hij zich alles eigen gemaakt, ook een opvallend grote woordenschat.

Christopher Nolan kon nu losbarsten, en dat deed hij. Dam-burst of Dreams heet zijn eerste boek dat in 1981 uitkwam. Het bevat gedichten, verhalen, toneel. En het begint met een korte autobiografie. Niet alleen de geschiedenis zelf is aangrijpend. Christophers levenslust is indrukwekkend, maar ook zijn taalgebruik.

Bij een andere auteur zou je denk ik al gauw een beetje moe worden van het eindeloze allitereren (‘Increasingly incredibly, incongruously she incorrigibly invited impertinent, irrelevant collation of identical ideologies.’) en het anderszins op elkaar laten aansluiten van klanken, maar in dit geval heeft het iets roerends, omdat je er zo de ontdekking van het spelen met taalvormen in ziet. Christophers vreugde daarover straalt van de bladzijden.

Hij bedenkt ook graag nieuwe woorden. Dat ‘dam-burst’ bijvoorbeeld staat in geen van mijn woordenboeken, maar beeldend en duidelijk is het wel. Je ziet zijn dromen plotseling met kracht naar buiten stromen.

In 1987 verscheen Under the Eye of the Clock, Nolans levensverhaal. De ergste woordspeligheid was daar al uit verdwenen, maar de creativiteit geenszins. En nu, na twaalf jaar, ligt er een heel ander boek. Een roman die speelt op het Ierse platteland.The Banyan Tree is de titel.

Als je het niet al weet, kun je nergens aan zien dat het boek letter voor letter bevochten is. De bekende loftuitingen op de achterflap gaan uitsluitend over Nolans schrijftalent, de korte biografische gegevens reppen niet van spasticiteit. Ik denk dat Christopher Nolan nu puur beoordeeld wil worden op zijn schrijfkunst, en dat snap ik, maar ik kan het niet. Nog niet eens een alinea lang ben ik in staat te vergeten dat de auteur niet kan praten, niet kan bewegen zoals hij wil.

Ik schiet dan ook helemaal niet op met het boek. Het is opvallend lastig Engels, maar bovenal word ik afgeleid door bijgedachten. Zo beschrijft Nolan uitvoerig en minutieus allerlei bewegingen, hoe het voelt om te karnen bijvoorbeeld. Hij verlustigt zich erin, proef ik. Dus daar ga ik dan over na zitten denken, in plaats van door te lezen.

Daarom begrijp ik die eindeloze discussies over dat je een werk puur op zichzelf moet bekijken en beoordelen ook nooit. Alsof je die keus hebt.

Kijkje in de ziel

Het heeft iets magisch, dat je het kan meten, terwijl het toch zo logisch als wat is. Leest u even het volgende: ‘De sheriff zag de indiaan en de cowboy merkte de paarden op’. Had ik u de woorden van die zin met hele kleine tussenpoosjes (om precies te zijn 686 milliseconden) een voor een op een scherm kunnen geven, dan hadden uw hersenen 600 milliseconden na het woordje ‘merkte’ zeker duidelijk meetbaar gereageerd.

Of het ook werkt als je meteen de hele zin kunt overzien, is de vraag, maar dan nog kunt u het waarschijnlijk wel navoelen. Er is niets verkeerd met dat wildwesttafereel, maar pas bij ‘merkte’ merk je dat ‘de cowboy en de indiaan’ niet bij elkaar horen. En juist díe interpretatie ligt kennelijk het meest voor de hand. Misschien omdat je al lezend, en dus ontledend, uitgaat van het simpelste type zinsbouwsel, of wellicht stel je je automatisch in op wat het meeste voorkomt.

Hersenactiviteit kun je via elektroden op je hoofd vastleggen in getekende golfpatronen, in een elektro-encefalogram, de hersenvariant van een ECG. Bij daadwerkelijke fouten in de zinsbouw slaan de metertjes op een soortgelijke manier uit als net, bij dat ietsje onverwachte vervolg met ‘merkte’ op ‘de cowboy’. En het mooie is: je kunt die reactie voorkomen door mensen ‘De sheriff zag de indiaan, en de cowboy merkte de paarden op’ te laten lezen. Hetzelfde, alleen nu met een kommaatje na ‘indiaan’, zodat je niet gaat denken dat ‘de indiaan en de cowboy’ een geheel vormen.

Dat dergelijke subtiliteiten nu echt zichtbaar te maken zijn, heeft iets van een kijkje in de ziel. Rare betekenissen (‘ik beleg mijn brood met sokken’) veroorzaken weer een andere kenmerkende hersenreactie (al na 400 milliseconden), die trouwens op zijn beurt lijkt op wat er gebeurt wanneer je een sommetje met een verkeerde uitkomst ziet.

Ik geloof eerlijk waar niet dat er een scheiding tussen lichaam en ziel is. Maar ja, het dualistische Descartes-denken is metersdiep geworteld in de cultuur waarin ik ben grootgebracht, dus die nieuwe mogelijkheden om naar binnen te kijken terwijl je hersenen gewoon hun dagelijkse werk doen, vervullen me telkens weer met ontzag en verbazing.

En er kan nog veel meer. Met die elektroden kun je uitstekend reactiesnelheden meten, maar allerlei hersenscans (er komen steeds meer soorten) zijn juist weer goed in laten zien waar de activiteit plaatsvindt. Het combineren van verschillende technieken die op hetzelfde moment meten, is de volgende stap.

En die moet nodig gezet, want nog steeds weten we in feite verbazingwekkend weinig over het hoe, waar, wanneer en waarom van taal in ons brein. Maar het begint iets te worden. Voor het eerst is er een boek uitgekomen – The Neurocognition of Language – waarin grote hoeveelheden onderzoek op dat gebied worden samengevat. Samenstellers zijn Colin Brown en Peter Hagoort van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen, die ook die sheriff-zinnen aan proefpersonen voorlegden.

Als het een beetje meezit (het is nog niet helemaal rond) gaat diezelfde Peter Hagoort binnenkort een gloednieuw onderzoeksinstituut leiden waar een enorme batterij apparatuur taal en ook andere cognitieve functies (zien, geheugen, aandacht) letterlijk in beeld zal kunnen brengen.

Er moet nog veel basiswerk verzet worden, maar daarmee komt wel het moment in zicht dat een theorie die ik al jaren aanhang, getest zou kunnen worden. Volgens mij zit de aantrekkelijkheid van de meeste humor, maar ook die van poëzie, of schitterend geschreven proza simpelweg in afwijkingen van onze verwachtingspatronen.

We moeten al lachen om een ander accent, en ook dubbele betekenissen zijn een onuitputtelijke bron van vermaak. Ons ‘natuurlijke uitgangspunt’ bij luisteren en lezen is dat er bij één vorm niet meer dan één betekenis hoort. En welke vorm welke betekenis heeft, is toeval, doet er niet toe. Maar bij poëzie, zeker rijmende, wordt er met die regel gespeeld. De vorm doet er daar ineens juist erg toe. Goed proza moet het ook hebben van onder meer onverwachte woordkeuzes en zinswendingen.

Stel je voor dat je straks iemands hersenreacties kunt meten op grappen, gedichten, romans, dan zou je die uitslagen voortaan zelfs als recensies, of illustraties bij recensies in de krant kunnen zetten.

Eskimosneeuw

Vergelijken is leuk. Neem de Turken. Die hebben een en hetzelfde werkwoord, içmek, voor ‘roken’, ‘drinken’ en ‘soep eten’. Of kijk naar het Italiaans. Daarin heb je aan de ene kant ‘zien’, vedere, maar alles wat er via je andere zintuigen binnenkomt – dus ‘horen’, ‘voelen’, ‘ruiken’ en ‘proeven’ – kun je uitdrukken met sentire. En wat wij Nederlanders met ‘leren’ afkunnen, moet per se in tweeën gesplitst in bijvoorbeeld het Frans, Duits en Engels (apprendre/enseigner, lernen/lehren, learn/teach).

Geen twee talen delen de wereld in exact dezelfde partjes in, lijkt het, en dat heeft vaak een grote aantrekkingskracht. Volgens mij doordat we er zo graag een verborgen boodschap in zien. Want hoe je de dingen zegt in een bepaalde taal, zegt dat niet tegelijk alles over de volksaard en het wereldbeeld van de groep in kwestie?

Wel, eigenlijk geloof ik daar geen barst van. Onze perceptie van het leven en de wereld hangt veel minder af van de inhoud van onze woordenschat dan we geneigd zijn te denken. Drinken en roken hetzelfde in Turkije? Kan zijn. Maar reken maar dat iedereen daar het verschil kent tussen zijn slokdarm en zijn luchtpijp, en probleemloos een fles van de nationale drank raki kan onderscheiden van een pakje Maltepe-sigaretten.

En Italianen hoef je heus niet uit te leggen dat je rozegeur niet vast kunt pakken, of dat er aan geluid geen smaak zit. Net zo goed als wij best kunnen vatten dat je voor ‘zelf iets leren’ altijd een ander woord gebruikt dan voor ‘iets leren aan een ander’.

Mijn stelling is: het is soms lastig, en wennen, maar wat ze in een andere taal doen is nooit onbegrijpelijk. En waarom zo veel mensen het in hun hart liever anders zien, is me een raadsel. Ze hebben u vast ook wel eens verteld dat de Eskimo’s tientallen of zelfs honderden woorden voor sneeuw hebben. Als een kind in een iglo opgroeit, omringd door ijs en sneeuw, dan leert het onderscheidingen zien die voor een gewoon mens niet zijn weggelegd.

Klaarblijkelijk is die gedachte zo bekoorlijk dat dit ongeveer het bekendste taalverhaal ter wereld is. Maar het is je reinste flauwekul. De Amerikaanse antropologe Laura Martin ging de gangen van de eskimosneeuw na, en het bleek een hilarische zwaan-kleef-aan-geschiedenis.

Begonnen in 1911, met een artikel waarin niet meer dan vier termen werden genoemd, in 1940 gevolgd door een stuk dat op grond van niets beweerde dat er minstens zeven waren, waarna er bij elk volgend artikel in hoog tempo zomaar meer sneeuwtermen uit de lucht kwamen vallen. Martins speurtocht is voorlopig geëindigd bij de topscore van vierhonderd! En na die vier beginwoorden werd er natuurlijk nooit meer ergens een Eskimowoordenlijst gegeven.

Saillant detail is dat de eerste uit-z’n-duimzuiger de amateur-taalkundige Benjamin Lee Whorf was, wiens naam voortleeft in de Sapir-Whorf-hypothese. Die stelt, jawel, dat taal bepaalt hoe we denken, en dat bij elke taal een andere manier van denken hoort, omdat talen allemaal verschillende onderscheidingen maken.

Dat doen ze, maar zelfs als je van het woordniveau afwijkt, gaat het nog steeds om concepten die te begrijpen zijn, en die je dus kunt leren gebruiken. Als wij Spaans of Italiaans gaan studeren, of Frans willen leren schrijven, dan blijken we ons ineens veel vaker rekenschap te moeten geven van de sekse van degenen over wie we het hebben. Dat heeft namelijk nogal eens invloed op de vorm van onze zinnen. Simpel voorbeeld: wie zijn de ‘wij’ in ‘wij zijn vrij’?

Alleen mannen, alleen vrouwen, of een gemengd gezelschap? In het eerste en laatste geval zeg je in Italië ‘siamo liberi’, anders ‘siamo libere’. Het is inderdaad wennen, maar heus, dat kan.

Net zoals een Chinees in staat is de gewoonte op te doen om bij elke zin na te denken over het moment waarop die zich afspeelt of -speelde. Dat hoeft niet in het Chinees, maar in onze contreien zit er altijd automatisch een tijd besloten in de werkwoordsvorm. Gelukkig is ‘tijd’ een concept dat ook elke Chinees uitstekend snapt.

De dingen die aan de oppervlakte kunnen en moeten komen, verschillen van taal tot taal, maar alleen wat bij elk mens aanwezig is, al is het maar in de diepte, kan daadwerkelijk ergens opduiken.

Onverdacht

Elsbeth Etty moet haar mond houden over bijstandsmoeders, want ze is zelf geen moeder. Het stond zaterdag met zoveel woorden in een ingezonden brief in deze krant. Dat is natuurlijk onzin, maar ook zit er iets in.

Wie mag wat zeggen? Wanneer en waarmee krijg je de algemene opinie mee? Het klinkt akelig onrechtvaardig, maar de boodschapper is daarvoor heel vaak belangrijker dan de argumenten die hij gebruikt. En je onttrekken aan dat ijzersterke mechanisme is opvallend lastig. Zo komt het erg goed uit dat staatssecretaris Verstand zelf een werkende moeder van drie kinderen is. Daardoor staat ze ontegenzeggelijk sterker met haar voorstel bijstandsmoeder te verplichten om te gaan solliciteren.

Toch is die ‘je moet er geweest zijn om erover mee te kunnen praten’-gedachte niet waar ’m de crux zit. Want als rokers zeggen dat rokers gezelliger mensen zijn, dan worden ze al gauw weggehoond. Ja, ja, smoesjes, goedpraterij. Maar schrijft Maarten ’t Hart, die nooit gerookt heeft, eerst dat hij een aperte hekel aan rook heeft en vervolgens: “Zoveel is wel zeker: rokers zijn over het algemeen aardiger, socialer, hartelijker dan niet-rokers” (hij doet dat in De gevaren van joggen, een werkelijk erg geestige verzameling columns), dan klinkt dat al een stuk overtuigender.

Het is ingewikkeld. Neem dit. Het is een feit dat ik u meer kan vertellen dan welke journalist-in-dienst-van-een-krant ook over nut en noodzaak voor u allen van het werk dat de FLA (dat is de FreeLancers Associatie) doet. Toch zult u, zodra u hoort dat ik een van de FLA-bestuursleden ben, een krantenartikel van een vaste journalist dat het belang van die FLA benadrukt eerder willen geloven dan eentje van mij. De reden achter mijn kennis van zaken maakt me tegelijk een boodschapper die met argwaan bekeken wordt.

Onverdachtheid is het sleutelwoord. En niet alleen van de persoon die iets te berde brengt, er zijn ook altijd opvattingen die van zichzelf al verdacht zijn, wie ze ook uit. Mij viel het bijvoorbeeld op dat bij de schier eindeloze reacties op de plannen van Verstand helemaal niemand ronduit zei: “Het idee dat wij met z’n allen verplicht zouden zijn alleenstaande vrouwen die toevallig kinderen hebben met kinderen en al te onderhouden, was altijd al belachelijk. Waarom zouden we? Waar halen ze dat recht eigenlijk vandaan?” Toch zijn er absoluut bosjes mensen die er zo over denken. Die hebben hun verdachte mening – de communis opinio is immers dat bijstandsmoeders zielig zijn – binnenskamers gehouden.

Maar een onverdacht iemand kan wel degelijk veel indruk maken met een erg verdachte opinie. Een sterk geval zag ik laatst in een nu eens niet volvet item dat het programma Netwerk had met kinderboekenmaker Ted van Lieshout .

Over alles wat met seks en kinderen te maken heeft, wordt in mijn ogen tegenwoordig ongelooflijk paniekerig gedaan. Ieder onderscheid lijkt te verdwijnen, nog even, en een keer een potloodventer zien, betekent dat je leven in gruzelementen ligt. Dat is gevaarlijk. Net als het botweg negeren of ontkennen dat ook prille pubers al kunnen barsten van de seksuele gevoelens.

Als ik zulke dingen zeg, heb ik niks extra’s om mijn woorden kracht bij te zetten. Laat staan dat een pedofiel die hetzelfde beweert geloofd wordt. Maar nu zat daar op de televisie een veelgelauwerde schrijver en tekenaar vriendelijk en weloverwogen te vertellen over de relatie die hij zelf op zijn twaalfde had met een man. En vooral over het plezier dat hij eraan beleefd had. Het kleine boekje dat hij erover maakte heet Zeer kleine liefde. Van Lieshout las eruit voor.

Het feit dat hij twaalf was, maakte dat het om iets anders ging dan wanneer hij zes geweest zou zijn, legde hij uit. En hij waarschuwde voor het gevaar dat volwassenen kinderen juist een trauma aanpraten door verschrikt te roepen dat er iets heel, heel vreselijks is gebeurd.

Hoe hij het allemaal letterlijk zei, weet ik niet meer, maar hij bracht het innemend en zonder enige sensatiezucht. Ik bewonderde hem ook om z’n durf. Want het kan twee kanten uit werken: Van Lieshouts verdachte meningen kunnen als het ware afwrijven, en hem een deel van zijn onverdachtheid ontnemen. Laat dat alsjeblieft niet gebeuren…

Beleefd mailen

Ruim vijfduizend mailtjes bleken er van de week in mijn elektronische in- en uitpostbussen te zitten, terwijl ik lang niet alles bewaard heb. Volgens mij mag ik dus wel zeggen dat ik enige e-mailervaring bezit, al heb ik die pas in de laatste drie, vier jaar opgedaan. Heb ik nou ook recht van spreken over hoe het hoort?

Daar heb ik namelijk erg uitgesproken ideeën over, merk ik. Toch wel minstens een keer per week komt er een mailtje binnen waarvan ik denk: nee, zo moet het niet. Wie bepaalt eigenlijk wat nette nieuwe omgangsvormen zijn wanneer er een middel voor onderling contact bij verzonnen wordt?

Nou ja, e-mailen is maar in een aantal opzichten iets nieuws natuurlijk. Brieven schrijven doen we al duizenden jaren, e-mail biedt alleen wat extra gemak. Dat wil zeggen: als je de mogelijkheden goed inzet, en er bij na wilt denken dat het gemak dat jou dient niet per se ook dat van degene aan wie je schrijft hoeft te zijn. Beleefdheid komt meestal neer op rekening houden met de ander, en bij e-mailen is het niet anders.

Neem het gebruik van de reply-knop, een verrukkelijke vinding. Je krijgt een bericht van iemand binnen, en het aanklikken van die knop geeft je meteen drie dingen. Het adres van de afzender wordt automatisch het adres waaraan je jouw antwoord wilt sturen, er staat direct een kopie van de tekst die je binnenkreeg op je scherm, en vóór het onderwerp dat de afzender opgaf, zijn de letters ‘re’ (van reply, of als u wilt, van ‘reactie’) verschenen.

Eerst dat laatste. Op een envelop zet je meestal niet het onderwerp van je brief, maar wie een e-mailbericht binnenhaalt, ziet voordat hij het openmaakt twee dingen: wie de afzender is, en wat het ‘subject’ is. Als de schrijver daar tenminste iets voor ingevuld heeft. Ik moet bekennen dat ik ook niet altijd een kop verzin bij mijn briefje (het heeft veel weg van koppen maken), maar met het oog op dingen terugvinden, is het wel zo praktisch.

Als je dat onderwerp tenminste niet tien mailtjes lang laat staan, want de kans dat het na het telkens met behulp van de reply-knop uitwisselen van een aantal briefjes nog steeds over hetzelfde gaat, is niet groot. Gelukkig kun je daar als ontvanger iets aan doen: voor je je mailtje wegstuurt eerst het oude onderwerp weghalen en een nieuw invullen.

Maar dingen weghalen, is kennelijk voor veel mailers moeilijk. Het aantal keren dat ik mijn eigen woorden integraal teruggestuurd krijg, is verbijsterend hoog. Het ergste vind ik dit: ik stuur iemand een lange lap tekst. Er komt antwoord. Ik maak het open, en zie de complete kopie van mijn eigen brief. Met m’n muis moet ik daar dan alinea voor alinea doorheen lopen. Helemaal aan het end staat eens een keer de reactie. Het is me wel eens overkomen dat er alleen ‘okee’ onder stond.

Dat is om meerdere redenen ergerlijk: het is erg onoverzichtelijk, het bezorgt mij werk, maar het is ook netvervuiling en computervulling. Eindeloos dezelfde gegevens heen en weer blijven sturen levert onnodig dataverkeer op, en die tekst die ik zelf stuurde, die had ik al, want wie een mailtje verzendt, houdt vanzelf een kopie.

Dat werken met kopieën zorgt geloof ik nogal eens voor verwarring. Iemand vertelde me laatst bang te zijn het oorspronkelijke bericht kwijt te raken, als hij na op de reply-knop gedrukt te hebben mijn tekst verwijderde. Maar binnengekomen post raak je alleen kwijt door hem in de prullenbak te gooien.

En het is zo mooi, die reply-knop. Ten eerste kun je precies datgene laten staan waarop je een antwoord wilt schrijven. Zo kun je punt voor punt door iemands brief heenlopen, en die ziet meteen wat van hem en wat van jou is. Want voor de stukjes van de tekst waarop je reageert, staat vanzelf het >tekentje. Komt het met het verwijderen van niet-relevante tekst zo uit dat die haakjes verdwenen zijn, dan kun je nieuwe intikken.

Maar ook als je niet zo exact wilt reageren op iemands woorden, dan is het buitengewoon handig de kopie van het bericht waarop je antwoordt op je scherm te hebben: je kunt controleren of je niks vergeet. Alleen, ik vind het beleefd om voor het versturen nog even de muis te nemen, de tekst van het oude bericht te markeren, en hop, het zaakje te deleren.

Bek dicht!

‘Kijk, dat we in dit land in het openbaar kunnen zeggen en schrijven wat we vinden, is heel mooi en een groot goed, maar de vrijheid van meningsuiting moet natuurlijk niet te ver gaan, je moet altijd oppassen dat het niet doorschiet.’

Mee eens, hè, met die stelling? Je kunt als maatschappij nu eenmaal niet zomaar alles goedvinden, dat er grenzen gesteld moeten worden is logisch.

Help, brrr. Ik voel meteen een ijskoude hand om mijn hart, want ik weet bijna zeker dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking er inderdaad zo over denkt. Nog net niet iedereen zal meteen volmondig ‘ja’ antwoorden, maar de consensus is angstwekkend groot en breed. Van links tot rechts, in de media, in de politiek, bij belangenorganisaties en overheidsinstellingen, men wil niks liever dan dat er ingegrepen wordt, straf uitgedeeld bij een onwelgevallige mening.

En het wordt absoluut erger. Het Openbaar Ministerie begon onlangs zelfs al uit eigen beweging een onderzoek naar wat een vers aangetreden bisschop ooit over homo’s gezegd had, nadat ze daar eerder al met graagte achter columnisten en politici aangingen die ook homo’s, of christenen of joden of buitenlanders beledigd zouden hebben.

Moet dat dan niet? ‘Nee!’, zou ik willen schreeuwen. Dat is doodgriezelig omdat – laat ik de grote woorden eens niet schuwen – het gaat om een aantasting van de fundamenten van de democratie waarin wij leven. Is iedereen vergeten dat we landen waarin van overheidswege bepaald wordt welke meningen wel en niet acceptabel zijn, dictaturen noemen?

Er zijn tenminste twee doorslaggevende redenen om de vrijheid van meningsuiting onder alle omstandigheden te blijven koesteren. Houden we het even bij bisschop Eijk. Stel: u bent katholiek. Wilt u dan liever wel of niet weten hoe uw kerkbazen aankijken tegen bepaalde groeperingen? Wint u ermee wanneer er van hogerhand ‘bek dicht!’ wordt geroepen tegen zo’n man? Dacht u dat hij zijn mening daardoor zou herzien? Natuurlijk niet. Hij kijkt voortaan alleen wel link uit die in de openbaarheid te brengen. Ik heb hem al geweldig zien draaien en schutteren. Zelfcensuur is dus wat je bereikt. Levensgevaarlijk, omdat dat een publiek debat onmogelijk maakt, terwijl de maatschappij tegelijk het zicht verliest op wie welke opinies heeft.

Daarnaast betekent het loslaten van de vrijheid van meningsuiting per definitie dat de tijdgeest regeert. En daarin zit altijd willekeur. Van het gedrag van homo’s mag je momenteel niks zeggen. Maar als ik hier een vlammende tirade begin tegen de intense, verdorven saaiheid van al die heterostellen hoef ik echt geen seconde te vrezen dat ik het OM op mijn dak krijg.

Dat gedoe rond Eijk liet trouwens ook zien dat het met de vrijheid van godsdienst ook al de verkeerde kant uitgaat. Want wat hij zei was natuurlijk niks bijzonders, homo’s mogen niet van de paus. Gaan we dalijk de moslimleiders aanklagen vanwege hun schandelijke discriminerende idee dat vrouwen als maagd het huwelijk in moeten?

Het is allemaal een heilloze weg. Alleen met meningen en argumenten uitwisselen kun je proberen denkbeelden die je niet bevallen te veranderen. Er zit niets anders op dan SGP’ers hardop te laten zeggen dat vrouwen niet aan politiek mogen doen, zodat anderen, na even hartelijk gelachen te hebben, die gedachte met hartstocht kunnen bestrijden. En ja, op exact dezelfde manier moeten antisemieten en buitenlanderhaters hun zegje kunnen doen. Maar dan worden er mensen gekwetst! Dat risico zit erin, ja, sterker nog, het is op geen enkele manier te vermijden. Het leven zit vol risico’s. Het is een kwestie van ze tegen elkaar afwegen. Maar het lijkt de laatste tijd of we dat onomstotelijke feit niet meer willen accepteren.

Bij alles klinkt de roep om ‘maatregelen’, en politici haasten zich die te nemen, in plaats van tot kalmte te manen en eerst eens goed na te denken. Het gevolg: we hebben een anti-discriminatie-artikel in onze wet, dat intern tegenstrijdig is, omdat je nu eenmaal niet iedereen kan ontzien. ‘Foute meningen’ (en wie zal dat bepalen, dalijk is het uw mening) met verboden aan het zicht onttrekken, is niet meer dan een bezweringsformule. Net als bordjes ‘geweldloze zone’ ophangen in de Amsterdamse binnenstad zoals gisteren gebeurde, door een minister nog wel.

Familierepertoire

Ik was zeker niet ouder dan vier. Mijn moeder zat op het voeteneind van het bed waarin ik geboren ben, en ze beeldde het voor me uit. De vuist van haar ene hand plaatste ze met kracht in haar, halfopen, andere hand. “Kijk, dit is de kom van je heup, en daarin draait dan zo het gewricht,” deed ze voor. Op Dolle Dinsdag werd haar broer door die kom geschoten – en door zijn hand, omdat hij die toevallig in zijn zak hield. Mijn oom was 24, ging een hele tijd bijna dood, en heeft daarna nooit meer goed kunnen lopen.

Waarschijnlijk werd op diezelfde dag mijn moeders lievelingsbroer, achttien op dat moment, gefusilleerd. In het verzet gezeten, opgepakt. Pas vier jaar later gevonden.

De ultrakorte versie van twee oorlogsverhalen die horen bij mijn vroegste jeugdherinneringen. Er waren er meer, ik hoorde ze vaak, en ze hebben allemaal gemeen dat ik ze enerzijds absoluut fascinerend vond (dat gat in die hand, die jonggestorven held), en anderzijds volkomen gewoon. Ze raakten in de loop van de tijd zelfs sleets, gingen een ‘ja-ja-dat-weten-we-nou-wel’-gevoel oproepen, en stiekeme ‘daar-gaan-we-weer’-verzuchtingen.

Mooi vind ik dat niet van mezelf, maar het is een feit. Het heeft erg lang geduurd voordat ik me realiseerde om wat voor gruwelijke en ingrijpende dingen het eigenlijk ging, en dan nog bleef het besef vermengd met dat gevoel van volstrekte vertrouwdheid, normaalheid.

Dat is beschamend, maar ik sta er niet alleen in, begreep ik van de week toen ik Hoe ik mijn moeder vermoordde van Theodor Holman las. In dat net verschenen boek (naar de film van Theo van Gogh, waarin Holman en zijn moeder zelf de hoofdrollen speelden) vormen de oorlogsherinneringen van Holmans moeder en hoe hij daar beurtelings geïrriteerd en hongerig naar meer op reageert, een van de rode draden. De verhalen (over Indië en het Jappenkamp) zijn totaal anders dan die van mijn eigen moeder, en Holman gedraagt zich ook helemaal niet zoals ik me tegenover mijn moeder gedroeg, maar toch was het volkomen bekend terrein voor me.

Waarschijnlijk kán een kind de familieverhalen die het hoort helemaal niet zien voor wat ze zijn, is het net als met je moedertaal: je zuigt het allemaal op, het wordt een deel van jezelf, en zelf, ja, ach, zelf ben je immers altijd ‘gewoon’. Daar komt bij – of misschien is het hetzelfde mechanisme aan het werk – dat je tegenover je dichtstbijzijnde familie nooit beleefd bent. Ja, je drukt je misschien wel beleefd uit, maar zeker in gedachten ben je genadeloos over ouders, broers, zussen. Ook daarover gaat het mooie en licht gewaagde boek van Holman.

Ondertussen zijn familieverhalen ijzeren repertoire. Ook voor lezers. Maar het maken van dit stukje roept wel een oud dilemma op, een dat ik niet eerder zo sterk aan den lijve ondervond. Ik merk dat ik met schroom schrijf over mijn familiehistorie. Niet zozeer vanwege mijn eigen minder fraaie rol, maar vooral omdat ik me ervan bewust ben dat ik me, al is het maar een paar alinea’s lang, geschiedenissen toe-eigen die ook het leven van tientallen anderen, vaak heftig, beïnvloed hebben. Bijna per definitie zullen in hun ogen mijn samenvatting, mijn omvorming, mijn blik, de verkeerde zijn.

Het is natuurlijk een bekende discussie. Waarover mag een schrijver schrijven? Is de familie van jeugdbeschrijvers als pakweg Wolkers, ’t Hart en Van Dis wel zo gelukkig met die bestsellers? Hebben balende ex-Bureaugenoten van Voskuil niet gewoon gelijk?

Eigenlijk vrees ik van wel. Ik vind het namelijk ook geen aanlokkelijk idee: dingen van mezelf verwerkt tot openbaar verhaal teruglezen, met alle vervormingen vandien. Maar het is een moeilijk te weerstane verleiding. Ik begrijp erg goed dat het eigen leven populaire grondstof is voor veel auteurs. Want ik moet u bekennen: het is lekker om in de wereld rond te lopen met een extra paar meekijkende ogen, met een mannetje in je hoofd dat op de gekste momenten commentaren geeft als ‘mhm, dat is bruikbaar’ en ‘zeg, hoe zou je dat eens mooi onder woorden brengen?’. Het is een van de grote aantrekkelijkheden van schrijven-als-vak, welk schrijven ook.

Hoe het gevaar te bezweren dat je eigen exhibitionisme er niet toe leidt dat ook de piemel van allerlei anderen voorbij komt flitsen? Ik weet het waarachtig niet.

Open kanalen

Gierende frustratie. Je zit als een vis stom te happen in de lucht, en er komt niks, of hooguit een enkel woord dat ook nog krakkemikkig klinkt. Een taal een miniem klein beetje spreken is een verschrikking.

Ik weet niet of u dat gevoel onverdraaglijk dom te zijn kent. Er bestaat die fase waarin er een gapend gat ligt tussen actieve en passieve taalkennis: je begrijpt veel simpele huis-tuin-en-keuken dingen die tegen je gezegd worden best, maar je kúnt er maar niet adequaat op reageren. Dat wringt geweldig, omdat het intuïtief niet lijkt te kloppen. Toevallig staat het zo met mijn Spaans, en het kwam hard aan deze vakantie.

Weliswaar is het al dertig jaar geleden dat ik mijn allereerste Spaans leerde (dos cola), maar het is sindsdien niet hard opgeschoten. Goed, in plaats van twee cola kan ik al lang ook bier en wijn (cerveza en tinto) bestellen, maar verder groeide mijn kennis van het Spaans eigenlijk alleen maar doordat ik een paar andere Romaanse talen leerde.

Dat heeft een merkwaardig effect. Een paar jaar terug ontdekte ik dat ik met behulp van een woordenboekje een heel end kwam met het lezen van El Pais, maar in een winkel of restaurant maakt het kunnen volgen van het wereldnieuws weinig tot niets uit voor je spreekvaardigheid.

Die blijkt voor een groot deel af te hangen van standaardfrasen, beleefdheden en kreten. Van die dingen die als het ware het kanaal tussen sprekers openhouden, de ander laten weten dat je het volgt en dat je geen botte hond bent. En dat is precies waar woordenboekjes tekortschieten. Ik had er twee bij me, een heel klein handtasexemplaar en een iets uitgebreider. Typisch boekjes die gericht zijn op de toerist, en ik heb me er dit jaar met verve op gestort.

Dat moest ook wel. Niet eens zo erg ver van Torremolinos – waar ik op doorreis op een terrasvol zich te pletter vervelende Nederlandse pubers eens een broodje at bij ik meen ‘De kaashut van Piet’ – is er een schitterend stukje Zuid-Spaanse kust waar obers en winkelpersoneel werkelijk geen woord over de grens spreken en nog bijzonder onwennig reageren op het taalgestuntel van een buitenlander. Daar wil je bijvoorbeeld foutloos en met overtuiging ‘oké’ kunnen zeggen. Kan het eenvoudiger?

Wel, het ene woordenboekje gaf ‘muy bien’ en ‘correcto’ als vertaling, het andere begon met ‘O.K.’ en ‘está bien’. Niet dat de Spanjaarden je niet snappen als je dat zegt, maar zelf gebruiken ze aldoor ‘vale’. Daar is in de praktijk nog achter te komen, maar wanneer je nu precies wel of niet ‘por favor’ voor ‘alstublieft’ zegt, weet ik nog steeds niet. De woordenboekjes geven geen enkele aanwijzing.

En dat is niet uit ruimtegebrek, want ze stikken van de woorden waar je nou niet meteen op zit te wachten. Dat ‘appendicitis’ ‘apendicitis’ is, ‘formule’ ‘fórmula’, ‘opera’ ‘ópera’ en ‘patent’ ‘patente’ kan ik wel ongeveer raden, voorzover ik het al zou willen weten. Bovenop de frustratie zo weinig te kunnen zeggen, kwam dus nog eens de frustratie het niet eens op te kunnen zoeken.

Enfin, ik heb me wel weer eens gerealiseerd wat in het intermenselijk verkeer de werkelijk belangrijke dingen zijn. Het eerste waar je over moet kunnen praten is handel. Hoe heet een product en wat kost het in welke hoeveelheid? Een portie inktvis, een ons ham, een week huur, daar begint het. Daarna kom je eventueel toe aan wat basisconversatie. Daar is het weer natuurlijk nummer een. Lukt dat eenmaal, dan is de volgende stap familie (‘Is dat uw zoon?’) en daarna komt het werk (‘Wat doen jullie als je niet op vakantie bent?’). In een vreemde taal wordt het leven gauw tot zijn essentie teruggebracht.

Door alles heen drong zich trouwens sterk de factor op die tijd speelt bij taal. De gewone spreeksnelheid gaat voor een beginneling nou eenmaal echt te hard. Je moet dus hopen op een gesprekspartner die begrijpt dat volumevermeerdering niet helpt (wat is dat toch voor ingebakken reflex?), maar langzamer praten wel. Tegelijk merk je dat er wel een limiet op zit. Superlangzaam praten, houdt niemand lang vol, terwijl je eigen ‘bedenktijd’ voor een antwoord ook beperkt is. Stiltes tussen spreekbeurten mogen niet te lang duren. Ik ga maar eens tijd vrijmaken voor Spaanse les.

Rudy weet raad

Wat was dat nou eens prettig om te lezen. Heeft u het ook gezien? Rudy Kousbroek die de strijd aan wil binden met de verloedering van het Nederlands? Het stond op 21 juli hier op de Achterpagina.

Vertelde ik u laatst nog dat ik me geen raad wist met al het leed van Nederlanders die beroerd worden van het Nederlands van andere Nederlanders, nu gloort er ineens hoop voor de ongelukkigen. Zelf schreef ik rust en kalmte voor, bij gebrek aan taalpijnstillers, en ik maande tot inschikkelijkheid omdat ik geen idee had bij welke rechter ik wie of wat zou moeten aanklagen. Maar dat zag ik helemaal verkeerd volgens Rudy Kousbroek.

Het kan anders. Tenminste, dat begrijp ik uit wat hij schrijft. Hij roept op tot verzet. Hoe hij dat wil gaan aanpakken, houdt hij nog even geheim, maar ik heb er alle vertrouwen in. Ik weet natuurlijk niet hoe het voor u is, maar ik lees Kousbroek graag. Over de meest uiteenlopende zaken zegt hij zinnige dingen, dus hij zal heus niet over dit onderwerp zomaar wat roepen.

Ik ben dus razend benieuwd welke methoden en technieken hij denkt te gaan gebruiken, en hoop van harte dat hij die binnenkort in het openbaar zal willen onthullen. Voor mij persoonlijk is dit ondertussen een flinke opluchting. Voortaan kan ik alle taalergeraars verwijzen naar verzetsleider Rudy Kousbroek.

Dus stuur uw mooie, de afgelopen maanden uit de monden van nieuwslezers opgetekende verzameling verkeerd uitgesproken Nederlands (twijfeláchtig, óverleg) de volgende keer niet meer naar mij, maar naar hem. Doe dat ook met de klacht dat er véél te vaak accenten op het woord ‘een’ staan, én met de verzuchting dat dat werkelijk te weinig gebeurt. Vergeet niet de twee pagina’s bewijsmateriaal (zorgvuldig uitgeknipte en opgeplakte stukjes artikelen) in de envelop te stoppen, en denk eraan ergens op te merken dat dit alles nota bene in deze kwaliteitskrant gestaan heeft.

Betrapt u een journalist op een fout gespelde naam, of ‘gemeenzame taal!’ (het woord ‘heleboel’)? Schrijf een briefje of kaartje aan Rudy Kousbroek. Wilt u protesteren tegen het afzichtelijke woord ‘inzichtelijk’ of moet u van het hart dat van alle onmogelijke woorden ‘imago’ wel de kroon spant, u weet nu bij wie u moet wezen. Leg hem ook uw met vellen vol voorbeelden gelardeerde stelling voor dat er geen land in Europa is waar zo veel bastaardwoorden worden gebruikt als Nederland. Uw bloeddruk loopt op elke keer als u ‘volslagen onnodig vreemde woorden’ leest, zoals ‘compliment’ en ‘discussie’ en ‘consequent’? Geen nood, Rudy weet raad.

En hij zal vast ook commentaar willen geven als u nog eens een korte verhandeling (nou ja, kort…) schrijft over het hedendaagse gebruik van de gebiedende wijs (waarbinnen onder meer onderscheiden dienen te worden de ‘wenselijkheids-’ en de ‘werkbare’ en ‘onwerkbare imperatief’). Uw zelfbedachte nieuwe uitdrukkingen, uw zelfverzonnen etymologieën, wellicht dat ze voortaan in vruchtbaarder aarde vallen dan bij mij het geval was. En denkt u er niet zelf aan, vanaf heden stuur ik de mij toegezonden klachten, scheldkanonnades, elk taalleed waar ik geen oplossing voor weet linea recta door. Heerlijk!

Ik ben ook zo gelukkig blij met de actiebereidheid van mijn collega, omdat ik er eerlijk gezegd niet op had durven rekenen. In datzelfde stukje las ik dat hij de nieuwe spelling net zo verfoeit als ik. Dat is nou ook wat. Het enige waar ik mij zelf ooit tegen verzet heb op taalgebied, en wel met hand en tand, was de invoering van die ondoordachte nieuwe regels. Ik was er van overtuigd dat dat nu wél iets was dat je tegen zou kunnen houden.

Toen ik indertijd het ene na het andere boze stuk schreef, toen ik mede zorgde dat er Kamervragen kwamen, en stomverbaasd constateerde dat er vrijwel geen journalist bleek te bestaan die zich voldoende in de plannen verdiept had om ze zelfs maar correct te kunnen weergeven, toen ik liet zien dat het broddelwerk was en volksverlakkerij, ach, wat had ik toen graag wat meer steun gehad van mensen als Rudy Kousbroek.

Nou ja. Zand erover. Ik wens hem nu graag van ganser harte alle sterkte toe in de strijd, en ik zie uit naar zijn oorlogsverslagen.

Ontspan u, schik u

Mijn wereldbeeld is een beetje verwrongen geraakt. Net zoals een dokter bijna niet anders kan dan denken dat er een monsterlijke hoeveelheid lijders aan kwalen rondloopt, en een advocaat voortdurend ziet dat de mensheid gekweld wordt door onrecht, zo ontmoet ik verhoudingsgewijs verschrikkelijk veel slachtoffers van het hedendaags Nederlands.

Van dokters en advocaten heb ik wel gehoord dat ze het stomvervelend vinden, of anders toch knap vermoeiend, dat familie, vrienden, kennissen en zelfs willekeurige types met wie ze even aan de praat raken in het café zo vaak ter plekke advies en hulp verlangen. Hier pijn, daar een echtscheidingszaak, iedereen heeft wel wat lijkt het.

En toch hebben alle dokters en advocaten één groot voordeel: ze hebben een praktijk, en anders wel collega’s met een praktijk. Daar kunnen ze tante Mien met haar knieklachten en neef Jan met zijn arbeidsconflict naar verwijzen. Met “maak gerust een afspraak” of “bel eens met die en die” kunnen ze een opkomende hulpvraag (want zo heet dat tegenwoordig) meestal makkelijk smoren. En er is ook nog een gerede kans dat een daaropvolgend praktijkbezoek daadwerkelijk zal helpen.

Maar wat moet ik nou met het leed dat men mij voorlegt? Geheel ten onrechte wordt in mij een taaldokter en taaladvocaat tegelijk gezien. Door velen. Want schrijven over taal, verzeker ik u, levert vanzelf een substantiële uitbreiding van je kennissenarsenaal op. Dat wil zeggen: sommige lezers krijgen op den duur het gevoel je te kennen, en om de een of andere reden zijn er nogal wat die vermoeden dat ik schriftelijk spreekuur houd.

Dus schrijven ze mij waaronder ze lijden. De klachten zijn ernstig. Het Nederlands-van-nu is doodziek, en dat doet hevig pijn, vaak chronisch. De toestand schreeuwt om krachtig ingrijpen. En wetten worden op grote schaal geschonden, het Nederlands is bijvoorbeeld voortdurend slachtoffer van verwaarlozing, mishandeling zelfs. Dat onrecht dient nu werkelijk bestreden, want het heeft al veel te lang geduurd.

Maar in een taal kun je niet snijden om kwaadaardige gezwellen te verwijderen, en ik weet ook niet hoe je hem genezende pilletjes of injecties zou kunnen toedienen. En voor welke rechter zou ik mijn moedertaal moeten dagen? Tegen wie zou ik een procedure kunnen aanspannen?

Als ik toch even een diagnose mag stellen en een analyse van de zaak geven: het Nederlands is kerngezond en lijdt absoluut niet onder ‘misbruik’. Klachten zijn meestal eenvoudige maar onvermijdelijke verouderingsverschijnselen. Bij de klager, wel te verstaan. Die constateert verschillen met vroeger, en veranderingen voelen nu eenmaal al gauw als achteruitgang. Of nee, de formuleringen die ik in ruim een decennium brieven het vaakst ben tegengekomen waren varianten op het hand over hand toenemen van ‘onnodige’ en ‘onlogische’ zaken in het huidige Nederlands.

Daar ligt een opmerkelijke veronderstelling aan ten grondslag. Wie, vraag ik me dikwijls af, leert toch de Nederlanders dat hun taal uit strikt noodzakelijke en volledig logische elementen bestaat, of hoort te bestaan, of bestaan heeft? Alle variatie en creativiteit zouden onmiddellijk verloren gaan als dat zo was. We zouden een kille, saaie en ook onbegrijpelijker taal overhouden. Dat je dingen op verschillende manieren kunt zeggen, en dat er steeds nieuwe dingen bijkomen en andere wegvallen, is een heel essentieel kenmerk van iedere levende taal.

Erger ik me nooit dan? Jazeker wel. Ik word ook steeds ouder. Maar ik weet dat het allemaal verspilde energie is. En dat er eindeloos veel boeiender kanten aan taal zitten. Ook heb ik het voordeel dat ik de stelling dat taal zijn eigen gang gaat, wat je ook ageert of roept, regelmatig bevestigd krijg. In het openbaar iets stellen, helpt echt nooit, ik zweer het. Of dacht u dat er ook maar een ‘Zerviër in Kozovo’ minder in het Journaal te horen was geweest nadat ik hier mijn verbazing over de voortschrijdende ‘verzetting’ van het Nederlands had opgeschreven?

Van echte dokters weet ik dat stressen niet gezond is. Je wild ergeren aan het Nederlands van anderen is daarom buitengewoon onverstandig. Echte advocaten vertellen me dat schikken bij een niet te winnen zaak de slimste strategie is. Dus taalergeraars: ontspan u, schik u.

Een wát?

Johnny Kraaijkamp – de enige echte ouwe – leerde mij het woord revérence. Het moet de zomer van 1967 geweest zijn. Ik droeg mijn appelgroene mini-jurkje met de oranje en witte lengtestrepen. Het was warm in de grote tent van Circus Toni Boltini. De mevrouw die ons naar onze plaatsen was voorgegaan, had intens smerige blote voeten gehad, en ook van de olifanten was ik nog een beetje onder de indruk, toen Kraaijkamp opkwam en vroeg welk kind bij hem in de piste wilde komen. In een nog altijd onverklaard moment van grote moed stak ik mijn vinger op.

En ik ging – ook al zette mijn kleine broertje het direct op een brullen, bang dat de olifanten onverhoeds opnieuw de arena zouden betreden. Kraaijkamp droeg me meteen op een revérence voor het hooggeëerd publiek te maken. ‘Een wát?’, vroeg ik. ‘Een revérence’, zei hij, en hij deed het voor. Ik herhaalde het rare woord in de dikke microfoon, en deed een knullige poging net als hij met gekruiste enkels een buiginkje te maken. Daarna zongen wij hand in hand dat wij zo blij, zo blij waren dat onze neuzen van voren en niet opzij zaten.

Bij veel van de revérences die ik sindsdien ben tegengekomen, heb ik eventjes aan Johnny Kraaijkamp gedacht. Maar het is natuurlijk maar heel zelden dat je een nieuw woord leert onder omstandigheden waarvan je je later alle niet ter zake doende details herinnert. Van hooguit een handje vol kan ik me spontaan tijd en plaats herinneren, wat inhoudt dat mijn kennismaking met tienduizenden woorden volledig in de mist verdwenen is.

Nou leg je natuurlijk de stevigste basis voor je moedertaal in een periode van je leven waar je later sowieso niets meer van afweet, maar ook de herkomst van mijn buitenlandse woordenschat is me eigenlijk een raadsel.

Weet u meer dan dat u wel eens rijtjes stampte? Mij staan een paar beginbladzijden van leerboeken voor ogen. Een groengekleurd Engels, waaruit ik ‘verlaten’ en ‘schort’ (abandon en apron) oppikte, een Latijns dat ambulare, wandelen, tot mijn verbazing in verband bracht met ‘ambulance’, en ooit leerde ik om te imponeren expres het belachelijk lange, maar toch lekkere woord apomnèmoneumata (Grieks voor ‘memoires’) uit mijn hoofd.

Ook van nog weer later staat me verdacht weinig bij. Mijn vriend Andrea moet me toen ik begin twintig was gebruik en betekenis van honderden Italiaanse woorden en uitdrukkingen hebben uitgelegd, en ik weet alleen nog dat we na een bezoekje aan een buurtbioscoop in een buitenwijk van Florence liepen en dat hij vroeg: ‘Gaat je een pizza?’ (Ti va una pizza?), wat een volstrekt gangbare manier bleek te zijn om te informeren of iemand ergens trek in heeft.

Daar zit een verschijnsel dat ik graag zou begrijpen. Ik was op dat moment al maanden in Italië, studeerde ontzettend braaf op mijn lessen Italiaans, praatte niets anders en had die uitdrukking met ‘gaan’ ongetwijfeld al eindeloos voorbij horen komen. Niet geregistreerd dus.

Ik kom er maar niet achter wat nou bepaalt of er een extra bandje in je hoofd meeloopt als je luistert of leest – avonturen als met Johnny Kraaijkamp even daargelaten. En het overkomt geloof ik iedereen: vlak nadat je op een dag een begrip voor het eerst opmerkt of opzoekt, kom je het strijk en zet nóg een paar keer tegen. En toch had je er voor die tijd nog nooit van gehoord. Dat moet haast wel betekenen dat je dat woord eerder gewoon genegeerd hebt. Je hebt er als het ware ‘omheen geïnterpreteerd’.

Op zichzelf is dat een mooie efficiencymaatregel. Iets ongeveer snappen is meestal wel genoeg. We zetten de letterlijke woorden die we horen of lezen ook altijd verbluffend snel om in zoiets ongrijpbaars als ‘de bedoeling’. Helemaal perfect, woord-voor-woord herhalen wat iemand net zei en zelfs wat je zelf zei, is iets waar we heel slecht in zijn, al bedriegen we onszelf graag door die vage bedoeling als uitgangspunt te nemen voor een ‘reconstructie’.

En ook zo merkwaardig: wie zet het registratiemechanisme weer af? Want een nieuw woord in je vocabulaire valt je niet de rest van je verdere leven telkens op. Dat gebeurt alleen vlak na de (bewuste) kennismaking. Is het daarna een kwestie van langzaam outfaden? Of gaat de knop radicaal om?

De zaken en het meisje

Een gesprek over werk was het, met een man die ik mag en wiens werk ik waardeer. Wat niet wegneemt dat hij volgens mij soms dingen anders zou moeten zien en doen. Dat zei ik, daar ging het over, toen ik zomaar, pats, out of the blue kreeg toegevoegd: “Ach, ga jij toch lekker naar je mannie.” Woede vlamde in me op, en die spatte ook naar buiten. Tot zijn onbegrip.

Eerder diezelfde avond had ik met weer een andere man, die ik ook al mag en wiens werk ik eveneens waardeer, een nogal wezenloze discussie stopgezet. Een tijdje terug was ik maar opgehouden zijn e-mailtjes te beantwoorden waarin hij zinnige opmerkingen over mijn werk consequent vermengde met gedroom over mijn “verrukkelijke borsten”. Mijn uitleg dat zulk gedoe mijn plezier in een gedachtenwisseling danig in de weg stond, leverde me, nog steeds per mail, een tedere kus op mijn tepel op. Met een knipoog, dat wel.

Nu we elkaar weer eens live ontmoetten, werd me ook uitgelegd dat het maar aardigheidjes waren en dat het natuurlijk allemaal als een compliment bedoeld was. Impertinent? Buiten de orde? Welnee. Ik moest niet zo flauw doen.

Op het verwijt dat je flauw doet, is het altijd lastig reageren. Wat moet je zeggen? Nietes? Jij doet juist flauw? Ik had het dus verder maar laten zitten, net zo goed een teken van onmacht als boos worden. En het is alletwee erg onbevredigend. Ik sliep er slecht van die nacht.

Het ging tenslotte over iets wezenlijks, en ingewikkelds: de omgangsvormen tussen de seksen. En het kennelijke onvermogen bij die twee mannen om de zaken en het meisje gescheiden te houden. Want daar kwam het bij beiden op neer, al verschilde de uitingsvorm. Je praat over zaken en ineens komt er een opmerking die geen enkel verband heeft met het voorafgaande, maar die mijn rol even inperkt tot die van meisje: iemand met een mannie en borsten.

Wil ik soms ontkennen dat ik ze heb? Nee. Denk ik dat dergelijke gegevens geen rol spelen in het dagelijks verkeer tussen mannen en vrouwen? Ook niet. Maar hoe en wanneer dat aan de oppervlakte komt, maakt nogal wat uit.

Net als bij wie. Natuurlijk kan ik ook mijn schouders ophalen en denken: ach, kerels. Dat is precies wat ik doe wanneer ik op straat word nageroepen, of in de kroeg zo’n versiertype met mooie praatjes tegenkom. Want dat is zoiets als een menselijke variant op wat mannetjeschimpansees doen: vrouwtjes gewoon even het volle zicht op hun erectie geven – ik las er net nog over in Frans de Waals opnieuw uitgebrachte boek Chimpanseepolitiek, Macht en seks onder mensapen. Zulk gedrag kun je tamelijk moeiteloos negeren.

Maar dat wil ik niet bij mannen die ik aardig vind en met wie ik graag praat en lach. Ik wil ze niet simpelweg afdoen als vervelende mannetjes. Ik vind ze immers niet vervelend, maar juist prettig gezelschap. Maar ook heb ik geen zin om door een onverhoedse opmerking op de gekste momenten ineens teruggebracht worden tot een vrouwtje.

Want dat levert mij telkens een dilemma op. Ik wil ze graag serieus blijven nemen. Hoe doe je dat op zo’n moment? Daar heb ik geen antwoord op. Iets anders is dat het na zo’n onverwachte overgang in het gesprek aan mij is om het allemaal een beetje prettig en gezellig te houden. Dat is natuurlijk wat ik het liefste wil, maar ik heb niet altijd trek om die verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven te krijgen.

En vooral staat het me tegen om ook in het vuur van een interessante conversatie steeds verdacht te moeten zijn op de mogelijkheid dat weer even duidelijk gemaakt moet worden dat het een ontmoeting van een mannetje met een vrouwtje betreft. En hoe ik ook mijn hersens pijnig, ik weet werkelijk niet wat ik daaraan kan veranderen. Ik voel me op dat punt dus machteloos.

Daarom, heren, werd ik boos op jullie. En toen mijn pogingen het uit te leggen vruchteloos bleven, beloofde ik te proberen het eens op te schrijven. Rustig en weloverwogen enzo. Wel, ik vond het maar een helse klus, en vrees dat woorden de kloof toch niet echt zullen kunnen dichten.

Netjes vragen

“Doorlopen!”, beveelt de conducteur door zijn microfoontje. Hij klinkt streng, en even later bozig: “Loop naar voren! Loop door!” Tramlijn vier in Amsterdam in de spits. Loeidruk dus. Ik had zelf de laatste zitplaats, terwijl ik toch op het beginpunt instapte.

Bij de achterste ingang, net als bijna iedereen, want op lijnen met een conducteur mogen uitsluitend abonnementhouders via de voorste deur de tram in. Klaphekjes maken van alle andere deuren uitgangen. Het gevolg laat zich raden: drommen zich verdringende passagiers achterin, en voorin nog staruimte zat. Daar helpt inderdaad maar een ding tegen: doorlopen. Maar niemand doet het. Al gauw spreekt de conducteur ons licht wanhopig en erg vermoeid toe: “Voor de zoveelste keer, mensen, loop nou toch door.”

Je hoort aan zijn stem dat hij dit dag in dag uit meemaakt. Om de moed er een beetje in te houden, neemt hij nu zijn toevlucht tot humor. Er klinken tongklakgeluiden door de tram, zoals je voor paarden gebruikt, maar vooralsnog sukkeldraft zelfs niemand naar voren. Ook de mededeling dat er voorin nog genoeg sta- en ligplaatsen zijn, zet niemand in beweging. Er wordt hier en daar gelachen als de conducteur de oplossing voor de nog steeds groeiende drukte omroept: “Mensen in het midden: doorlopen! Mensen vooraan: uitstappen!” Maar gehoorzamen, ho maar.

Ik heb begrip voor de arme man in zijn conducteurshok. Een van de zwaarste onderdelen van een serviceverlenend beroep als het zijne, is te leren leven met het gebrek aan variatie in het menselijk gedrag. Want je ziet het in alle trams en bij alle typen mensen: een diep verlangen om op een eenmaal veroverd plaatsje te blijven staan. De kudde in beweging proberen te krijgen, is dus een soort lopende-bandwerk voor conducteurs.

En het uitentreuren herhalen van iets dat zó voor de hand ligt, iets dat iedere oen toch moet snappen, valt niet mee. In de jaren dat ik caissière in een grote bioscoop was, werd ik ook gek van zeshonderd keer op een dag hetzelfde uitleggen. Dat de zeven zalen over drie kassa’s verdeeld waren bijvoorbeeld, was voor de meesten zeker niet in een oogopslag duidelijk. Ze volgden hun instinct en sloten bij de kortste rij aan, om als ze aan de beurt waren te ontdekken dat het de verkeerde was. Wederzijdse irritatie (“Hoe kan ik dat nou weten?” “Mevrouw, kijk dan, de zaalnummers staan in koeiencijfers boven mijn hoofd!”) lag voortdurend op de loer.

De behoefte om flauwe grappen te gaan maken (je geldlaatje naar je toe trekken en zeggen “Nou, dankjewel” als iemand weer denkt dat je gedachten kan lezen en dus alleen maar zwijgend een bankbiljet voor je neerlegt) bleek op den duur ook voor mij niet altijd te onderdrukken. Maar dat had ik wel moeten doen, weet ik ineens zeker, zittend in lijn vier.

Want al snap ik de conducteur nog zo goed, ik geef mijn medepassagiers groot gelijk dat ze stokstijf blijven staan. Mijn intuïtieve reactie blijkt precies dezelfde. Ik wens mij niet te laten commanderen, voel ik, ook niet door een geinig bedoeld bevel. Ik wil dat het me netjes gevraagd wordt.

Net als de rest van de tram. Want zodra een van de half geplette passagiers roept: “Toe nou mensen, alsjeblieft, doe nou niet zo lullig, loop nou alsjeblieft even door”, stroomt iedereen ineens zonder morren naar voren. Het verzet is in één klap gebroken door het simpele woordje ‘alsjeblieft’.

De fout van de conducteur intussen, is dat hij er geen rekening mee houdt dat zijn publiek niet dezelfde ‘kennis’ heeft als hij. Dat hij de godganse dag hetzelfde zegt, betekent immers niet dat wij het ook de hele dag horen. Want ‘wij’ zijn telkens weer anderen. Bij wie je dus gewoon bij het begin – de normale, beleefde omgangsvormen – moet beginnen.

Om bij iemand het gewenste effect te sorteren, is het nu eenmaal het verstandigst van diegene uit te gaan, en niet van jezelf. Dat is iets dat we in de loop van onze kindertijd leren. Een kleuter kan nog heerlijk tegen een wildvreemde voorbijganger hele verhalen ophangen over de juf en de poes en er daarbij volkomen van uitgaan dat de toevallige passant die ook kent. Een achtjarige heeft dat al grotendeels afgeleerd. Maar het kind in ons kan altijd weer bovenkomen.

Hard huilen

Net een paar doldwaze uurtjes gehad. Mijn nieuwe grammaticacontrole losgelaten op teksten die ik schreef toen ik nog helemaal uit het blote hoofd moest bepalen of mijn zinsbouw en woordkeus wel deugden.

In de vorige versie van mijn tekstverwerker zat wel al een spellingchecker, ook goed voor menige glimlach (voor ‘Alzheimer’ zag hij liever ‘Alchemie’ en ‘visverwerking’ leek hem beter dan ‘zinsverwerking’), maar nu ik Word 97 gebruik, heb ik er een echte dijenkletser bij gekregen.
Dat wil zeggen: hard lachen wanneer het woord ‘beroemde’ iedere keer de tekst ‘Wederkerend voornaamwoord: Beroemde wordt altijd wederkerend gebruikt’ op je scherm doet verschijnen, is verstandiger dan hard huilen. Beroemde wederkerend gebruikt? Ik begrijp niet eens wat daar staat.

Heeft u moeite met ‘als’ en ‘dan’ uit elkaar houden? Laat ik u troosten, ik verzeker u dat u het beter kunt dan Word 97. Het zou immers niet in u opkomen om van ‘iemand gaf als beschrijving…’ ‘iemand zag dan beschrijving…’ te willen maken. Word 97 wil zelfs ‘Nederlands als moedertaal’ veranderen in ‘Nederlands dan moedertaal’.

Geestig is ook de ongelooflijke verwarring over hoofdletters, iets dat maar zijdelings met grammatica te maken heeft, maar a la. Schrijf je na een dubbele punt een hoofdletter, bijvoorbeeld omdat er citaat begint, dan krijg je te lezen: ‘Gebruik van hoofdletters: Na een dubbele punt schrijft men doorgaans geen hoofdletter.’ Ziet u de interne inconsistentie van deze mededeling? Het wordt nog leuker, want schrijf je na een dubbele punt wél een kleine letter, dan krijg je als commentaar: ‘Gebruik van hoofdletters: Begin de zin met een hoofdletter.’

Maar ja, van waar een zin begint, heeft Word 97 geen flauw benul. Kennelijk heeft de maker van de grammaticacontrole gedacht: da’s simpel, na elke punt. Wat bijvoorbeeld betekent dat ‘prof. dr. van Veenendaal’ ‘prof. Dr. Van Veenendaal’ moet worden. Daarnaast dient dus ook de dubbele punt als markeerder voor het einde van een zin, en (je moet er maar opkomen) het haakje sluiten.

Toch haalt dat het allemaal nog niet bij de absolute abracadabra die telkens onder het kopje ‘Overeenkomst in getal of geslacht’ gebracht wordt. Daar zou het dus echt om grammatica moeten gaan. En dan lees je over de zinsnede ‘die paar straten’ dat ‘die’ en ‘paar’ niet overeenkomen in persoon en/of getal. Breng daar maar eens wat tegen in. Een vraag die begint met de woorden ‘welke gebieden’ levert dezelfde opmerking op: ‘welke’ en ‘gebieden’ komen niet overeen in persoon en/of getal. Oh nee?
Mooi is ook: ‘Als ‘duiven’ het onderwerp is van ‘gaan’, komen onderwerp en persoonsvorm niet overeen in persoon en/of getal.’ Mijn controleur stelt daarom ‘de duiven gaat’ voor. En schrijf je ‘…vertelt hij wat hem het meest verbaasd heeft’ dan luidt het commentaar: ‘als vertelt afhangt van heeft dient dit woord te eindigen op -d’. Voorwaar een indrukwekkend staaltje inzicht in de zinsstructuur.

Een feest is tenslotte het toetje van elke spelling- en grammaticacontrole. Aan het eind verschijnt er een venstertje met ‘Statistiek leesbaarheid’. Het staat vol mooie getalletjes. Hoe lang je zinnen gemiddeld waren bijvoorbeeld (denk nog even aan de moeite die Word 97 heeft te bepalen waar een zin ophoudt) en je woorden. Bovendien wordt hier een heus cijfer uitgedeeld. Voor moeilijkheidheidgraad van je tekst. Dit stukje valt in de categorie ‘tamelijk moeilijk’. Mijn excuses. Als u het daarentegen best te doen vond, bedenk dan dat die waardering uitsluitend gebaseerd is op het aantal woorden per zin en het aantal lettergrepen per woord.

Dat is dan meteen ook het enige dat tenminste nog íets zegt, al is het belang van dat soort lengtes voor de toegankelijkheid van teksten erg relatief. Voor het overige is de ‘grammaticacontrole’ volmaakt waardeloos. Doodordinaire volksverlakkerij. Niet één keer ben ik gewezen op iets dat inderdaad fout was, en andersom passeren ongrammaticale zinnen waarin bijvoorbeeld staat het werkwoord op de verkeerde plaats moeiteloos.

Zou je de Reclame Code Commissie ook handleidingen kunnen laten beoordelen? Want dat Word over mijn schouder kan meelezen en ‘achter de schermen’ mijn tekst controleren, onder meer op eventuele grammaticale fouten, zoals staat in het boekje dat ik erbij kreeg, is niet eens meer misleidend, het is een aperte leugen.

Puberhand en stress

Me per ongeluk een avondlang verloren in het verleden. Met behulp van mijn eigen woorden, indertijd in allerlei schriftjes opgeschreven, zoals de halve bevolking nu eenmaal doet in zijn of – vaker – haar jonge jaren. Een gebruik dat leidt tot collecties heftige flarden van je adolescente leven, vellen vol onbevangen clichés. Wonderbaarlijk toch, dat die me even hard en plotseling terug in de tijd kunnen plaatsen als een voorbijwaaiende geur of melodie.

Mijn onbeholpen formuleringen van toen zitten nu vol magie: voor ik het weet voel ik me urenlang in alle opzichten weer vijftien. Toen de gemeenplaatsen nog niet afgezaagd waren, en een halve zin van iemand met groot gemak de hele dag kleurde. Duister door zo’n rotopmerkinkje van R. bijvoorbeeld, altijd over uiterlijk, altijd raak. Of helemaal roze, na een paar lieve woorden van J., voorwerp van al mijn dromen. Een puberhand is gauw gevuld.

Allesbepalend was het, wat de peergroup zei, of doeltreffender nog: schreef. Dingen op papier hebben immers eeuwigheidswaarde, zijn hun eigen herhaaltoets die je desgewenst op slow motion of still kunt zetten. En altijd komen ze harder aan dan wanneer ze mondeling worden overgebracht, ook de woorden die je juist erg graag verneemt. Vandaar ook die noteerdrift natuurlijk. Zo kreeg ik alsnog zwart-op-wit dat D. had gezegd dat J. vond dat ik misschien ach.

Verliezen woorden hun kracht, hun effect naarmate je ouder wordt? Sommige zeker. Nieuwe, die een naam geven aan wat je net aan het ontdekken bent. Ik herinner me bijvoorbeeld lange gesprekken over ‘introverte’ en ‘extraverte’ persoonlijkheden.

Woorden met de charme van een zekere objectiviteit, wat geweldig van pas kwam bij de uiterst belangwekkende plaatsbepaling van iedereen in de vriendengroep. Definities geven hielp ook, want zo bleek dat de tweedeling toch niet noodzakelijkerwijs gelijk opging met ‘gesloten’ en ‘open’ karakters, wederom verrukkelijk gespreksvoer. Maar naarmate je beter in staat raakt bijna iedereen in één oogopslag te plaatsen en je ook wel ongeveer weet waar je jezelf bevindt, verdwijnt de aantrekkingskracht van de indelingstermen.

Als gewoonlijk zit het hem dus niet in de taal. Die is maar een vervoermiddel met een onderweg aldoor automatisch veranderende lading. Wat met hartstochtelijke liefde of haat gezegd wordt, blijft natuurlij kuitwerking hebben, maar bij je derde vriendje weet je dat zijn zo gelukkig makende uitspraken van gisteren morgen kunnen omslaan. En dat dat iets is waarvan je bovendien wonderwel blijkt te kunnen herstellen, net als trouwens van grove beledigingen. Als je wereld groter wordt, je meer weet, krijgen sommige woorden een minder absolute betekenis.

Het boek Prediker heeft ongelijk. Kennis vermeerdert niet de smart (ja, ook, soms), het vermindert de angst. Maar lang niet alle kennis doe je met behulp van simpele levenservaring op. Zonder onderwijzers blijf je op de  meeste gebieden snel  steken. Voor bijna iedereen vervullen bijvoorbeeld dokters en journalisten een leraarsrol, maar die ligt hun lang niet allemaal.

De gevolgen daarvan zijn onophoudelijk te zien en te lezen telkens als het over getuigen van de Bijlmerramp gaat die zich sindsdien niet gezond voelen. Het is een gruwelijk en ingewikkeld spel van nauwelijks te ontwarren misverstanden. Patiënten hebben vaak huizenhoge verwachtingen van wat dokters of ‘een algemeen medisch onderzoek’ kunnen uitrichten.

Die worden voor een groot deel gewekt door de dokters zelf, die altijd liever iets dóen, wat dan ook, dan dat ze vertellen dat ze het allemaal ook niet weten. Dat is een algemeen verschijnsel, dat je helaas niet even rechtzet door nu – terecht – te melden dat ongericht zoeken geen zin heeft, en alleen meer mensen onnodig het medisch circuit in zal trekken.

Daarbij komt: zo goed als we zijn in taal, zo slecht zijn we in rekenen. Met ‘risico’s’ kan bijna niemand omgaan. Ook journalisten niet, die sowieso op een uitzondering na slecht geïnformeerd zijn, en dat graag zo houden, lijkt het vaak.

Door alles heen speelt het taboe op het woord stress. Als dat de ziekteverwekker is, dan is het je eigen schuld, voelen velen, hoe vaak inmiddels ook is aangetoond dat je afweersysteem er meetbaar op reageert. Meer uitleg, minder emotiejournalistiek, wat zou dat gezond zijn.

Negers en mensen

Nou, het is gelukt hoor, ik kan het woord neger niet meer gedachteloos gebruiken. Beetje bij beetje is die term zijn neutraliteit kwijtgeraakt en steeds verdachter geworden. Grote flauwekul vind ik dat, maar ondanks mijn goede voornemen me er niks van aan te trekken, blijk ik er dus niet ongevoelig voor.

Waarvoor eigenlijk? Toch vooral voor de druk van goedbedoelende blanken. Je hebt in Nederland immers geen Black Power-achtige beweging die aandringt op een ander woordgebruik. Oké, ik heb één Surinaamse begin jaren tachtig al eens horen voorstellen om voortaan iedereen uit alle immigrantengroepen ‘zwart’ te noemen, maar zij is een uitzondering gebleven. De Surinamers zelf schijnen intussen nog steeds wel met een gerust hart over negers te praten. Of is dat net zoiets als dat alleen joden jodenmoppen mogen vertellen?

Ik geloof dat vooral in het kielzog van de onafhankelijkheid van Suriname het linkse smaakmakende deel van blank Nederland een collectief schuldgevoel ontwikkelde, dat het vervolgens ook aan de rest van het land probeerde over te brengen.

De grondgedachte was dat diep van binnen elke blanke een racist was. Of we dat nou wilden of niet. Wie dat inzag, kon als het ware schuld bekennen door niet langer het woord neger, dat juist de hele koloniale periode gewoon was geweest, te gebruiken.

Inmiddels is de neger vrijwel geheel uit de media verdwenen. Is dat niet juist mooi dan, en een goed teken? Welnee, ik geloof er niets van. Om te beginnen deugde de methode om dat te bereiken niet: iedereen bij voorbaat schuldig verklaren druist nogal tegen het rechtsgevoel in.

Het gevolg is dat ik het iemand eens ‘maatschappelijke censuur’ heb horen noemen. Dingen verdwijnen niet doordat je ze censureert. En bovendien: stel dat ik inderdaad een racistische ziel heb, dan gaat dat natuurlijk niet over van een bepaald woord niet meer gebruiken.

Al denken geloof ik veel mensen van wel. Als je het nou maar anders noemt, dan gaat de wereld er vanzelf anders tegenaan kijken, is dan de hoop. Dat het zo niet werkt, kun je zien aan de lange rij benamingen die verzonnen is voor degenen die als ‘gastarbeider’ binnenkwamen. ‘Immigrant’, ‘allochtoon’, het willen maar geen vriendelijke, gewone woorden worden. Zelfs ‘buitenlander’ heeft nu vaak een nare bijklank.

Er wordt wat geworsteld met benamingen voor groepen die we juist niet willen beledigen. En het is ook echt lastig. Neem nou die verdwenen negers. We zitten daardoor met een praktisch probleem. Het is veel lastiger geworden om over ze te praten en schrijven, want er is geen goed woord voor teruggekomen.

Althans, geen goed zelfstandig naamwoord. ‘Er liep een zwarte door het parkje’ of ‘Mijn buurman is een zwarte’ blijven raar klinken. Minder problemen heb ik met het bijvoeglijk naamwoord ‘zwart’. ‘De zwarte bevolking’ voelt min of meer neutraal.

Maar bij ‘zwarte mensen’ gaat het wat mij betreft weer helemaal mis. Het inzetten van ‘zus-of-zo-mensen’ is een steeds meer voorkomende poging om niet-negatieve benamingen te gebruiken. Maar daardoor is het juist een waarschuwingsvlaggetje geworden.

Wanneer een deel van de spraakgemeenschap zich geroepen voelt je consequent bij een groep mensen in te delen, pas dan op, zegt dat vlaggetje. Want men heeft het idee dat er omzichtig met je omgesprongen moet worden. Er is iets niet helemaal goed met je. Je bent niet zoals wij, dus benadrukken we voor de zekerheid dat je toch een mens bent.

Daarom hebben we tegenwoordig naast zwarte ook veel Turkse mensen en Marokkaanse mensen, we hebben joodse mensen, invalide mensen, dove mensen. Wat de gebruikers van die woordcombinaties niet doorhebben, is dat ze toch weer discrimineren, wat ze nou net niet wilden. Want we spreken toch ook niet van bijvoorbeeld Amerikaanse mensen, Franse mensen en katholieke mensen?

Heeft het dan nooit zin te proberen de wereld te verbeteren door de taal aan te passen? Ik weet het eigenlijk niet. Laat ik zelf eens proberen op goede gronden een woord in discrediet te brengen. Daar gaat ie: u moet niet meer ‘doofstom’ zeggen. Erg veel doven hebben grote bezwaren tegen die aanduiding, en ik vind dat ze een punt hebben.

‘Stom’ betekent – naast ‘dom’, wat het woord niet aantrekkelijker maakt – dat je niet kan praten. En doven kunnen wel praten, meestal zelfs op twee manieren: ze krijgen allemaal spraakonderwijs, en daarnaast is er natuurlijk de Nederlandse Gebarentaal.

Niet fluit, maar fluit!

Ik had er wel bij willen wezen. Zeven Japanners en de Amerikaanse Patricia Kuhl, allemaal taalonderzoekers, die samen in een geluiddichte cabine zitten te luisteren naar reeksen klanken. Kuhl die glimt van voldoening, want haar uit Amerika meegebrachte geluidsmateriaal heeft de reis goed doorstaan, dus het experiment kan zo beginnen. En dan, als ze opkijkt, die zeven vragende, wat benauwde gezichten die elkaar en haar niet-begrijpend aankijken.

Prachtige series glasheldere la’s en ra’s had Kuhl net gehoord. Maar hoewel alle Japanners Engels spraken, was er niet een die die twee uit elkaar kon houden. Enfin, het is natuurlijk een nooit ophoudende bron van grappen over Japanners die ‘emmels flietsaus’ willen en Chinezen die ‘lekkele lijst’ serveren, maar dat onvermogen de l en de r als verschillende klanken te horen, blijft moeilijk om je voor te stellen als ze in je eigen taal zo overduidelijk anders zijn.

Toch is het een feit dat ze erg veel op elkaar lijken. Een l of een r maken, gaat bijna hetzelfde. Het zit ’m in hoe je de lucht uit je mond laat komen. Gebeurt dat via de zijkanten, dan krijg je een l, hou je je tong anders dan klinkt er een r, waarvan er overigens verschillende soorten bestaan. Peuters en kleuters hebben er vaak ook moeite mee hun mond in de goede stand te krijgen, zoals dat jongetje dat stampvoette ‘Nee, niet fluit maar fluit!’ , toen hij geplaagd werd met zijn uitspraak van het woord fruit.

Zijn productie was nog niet helemaal op peil, maar dat een l en een r verschillend klinken had hij al haarscherp in de gaten, denk je dan. Maar zo zit het niet. Je hoeft helemaal niet te leren dat de l en de r twee klanken zijn, je kunt het hooguit áfleren. Voor Chinese en Japanse baby’s – op die laatsten wilde Kuhl haar testmateriaal ook loslaten – bestaan de l en de r namelijk wel degelijk. Ieder kind zonder hoorproblemen komt fantastisch toegerust ter wereld voor alle talen.

Ze kunnen bijvoorbeeld meteen de ongeveer honderd menselijke spraakklanken die er bestaan herkennen, en in de eerste maanden van hun leven begint het ‘toespitsen’ op hun moedertaal al.
De standaardtestmethode om achter de ‘taalkennis’ van baby’s te komen, is het meten van de frequentie en intensiteit waarmee ze op een speen zuigen. Laat je ze aldoor hetzelfde horen dan raken ze verveeld, maar horen ze iets nieuws dan zuigen ze meteen weer enthousiast verder. Na een reeks la-la-la-la vindt elke zuigeling het interessant om ra-ra-ra-ra te horen.

Op die manier is nog veel meer gebleken. Pasgeborenen kunnen klinkers al altijd herkennen als ‘dezelfde’. Of een i of een è nou wordt voortgebracht door een bassende man, een aanstellerig hoog pratende vrouw, een snoezig kinderstemmetje of een zwaar verkouden type, een baby hoort steeds precies wat wat is. Het is nog altijd niemand gelukt dat een computer bij te brengen.
Hoe mensenhersenen het doen, weten we niet precies. Netzomin als we snappen hoe het komt dat we niet in de war raken van klanken die eigenlijk tussen twee klanken in zitten.

Ook daar zijn mooie experimenten mee gedaan. Je kunt met behulp van techniek een reeks klanken genereren die bijvoorbeeld ba met kleine, exact gelijke stapjes laten overgaan in pa. Dan krijg je automatisch een continuum van spraakklanken, met aan de ene kant een heldere ba die geleidelijk aan verandert in een perfecte pa aan de andere kant. Maar mensenoren, ook die van net-geborenen, horen die stapjes niet. In plaats daarvan horen ze een rij ba-ba-ba die ineens overgaat in een rij pa-pa-pa-pa.

Over dit soort verbazingwekkende onderzoeksresultaten en ook over de hele verdere kindertaalontwikkeling, verschijnt deze week nou eindelijk eens een boek dat bedoeld is voor ouders die er aardigheid in hebben te volgen wat er met hun kind gebeurt. Het is van taalkundige Maaike Verrips, heet De taal van je kind en al ziet het er een beetje uit als een kinderboek, de tekst is zeker niet kinderachtig. Geen gezwam, geen geteut, maar een begrijpelijk overzicht van alle beschikbare kennis, die voor een groot deel nog niet bestond toen de ouders van nu baby’s waren. En wie dan nog meer wil weten: dat kan. Verrips geeft ook al een hele tijd antwoord op kindertaalvragen in het uitstekende elektronische tijdschrift Ouders Online (www.ouders.nl).

Benepen

Als ik het me probeer voor te stellen moet ik er iedere keer zo van grinniken. In Amerika heb je een echtpaar – zij heeft haar gewone baan nog, maar hij doet het full time – dat naar films en video’s kijkt en cd’s afluistert en dan zit te turven. Het moet enorm opletten zijn voor ze, want een heel scala aan dingen wordt bijgehouden.

Ieder glaasje wijn dat op tafel staat bijvoorbeeld is goed voor een streepje in het vakje ‘alcohol/drugs’, elke sigaret of sigaar die al dan niet op de achtergrond in beeld komt, ja, zelfs de Marlboro-man op een billboard wordt onder het kopje ‘roken’ vermeld. Wapens, geweld en bloed zijn nog drie turf-categorieën, en over deze en nog een paar zaken praten of zingen is ook genoeg voor vermelding op de internet-site (www.screenit.com) van de man en vrouw die hun namen er niet bijgeven.

Het draait allemaal om de kinderziel. Ouders kunnen hier lezen of de hedendaagse uitingen van ‘popular culture’ wel geschikt zijn voor hun opgroeiend grut. Het is inzichtgevend om eens een beetje rond te dwalen over de screenit-site. Alle issues die spelen in de Amerikaanse maatschappij zijn hier samengebald in keurige overzichtjes, en wat vooral opvalt, is de buitenproportionele macht die het woord aldoor krijgt toegedicht. Tussen zeggen en doen bijvoorbeeld lijkt maar weinig verschil te zitten.

Zo is er natuurlijk ook een categorie ‘seks/bloot’, die zeer ruim – of beter: erg benepen – geïnterpreteerd wordt. Bij Gone with the Wind (naast recente films zijn er ook een aantal op video uitgebrachte klassiekers gescreend) valt onder dat kopje bijvoorbeeld te lezen dat er ‘gesproken wordt over een ongetrouwde vrouw die zwanger is’. En in de dit jaar met Oscarnominaties overladen film Shakespeare in love maakt iemand een opmerking over een sonnet dat in haar bed is achtergelaten. Het is maar dat u het weet. ‘Bloot’ betekent in Amerika overigens ook elk beetje damesinkijk (some cleavage). Komt erg veel voor.

Bij de dingen die kunnen leiden tot ‘nadoen’ (de categorie Imitative Behavior) heeft het woord vaak ook al de overhand. Je laat je kind naar E.T. kijken, en dat is toch oppassen, want voor je het weet zegt ie dalijk ook ‘hou je mond’ of ‘stommerd!’. Of aapt ie Michael J. Fox na die in Back to the Future onder meer ‘idioot’ roept.

Enfin, dan hebben we het nog niet eens over de vloeken (Profanity) gehad. Helemaal funest voor een kind is woorden te horen als fuck(ing/er), goddamned en… ja, wat eigenlijk? Het echtpaar is zo puriteins dat ze wat ze tellen niet voluit durven op te schrijven. Nou weet ook in Nederland iedereen zo langzamerhand wel wat het f-woord is, maar wat de fuck is het s-woord? Shit? Screw? Sucker? In Pulp Fiction komt het maar liefst tachtig keer voor. Het f-woord viel daar kennelijk niet helemaal bij te houden, want daarvan wordt gemeld dat het ‘minstens 260 keer voorkomt’, waarvan overigens veertig maal in combinatie met ‘mother’, een keer ‘geschreven op een portefeuille’, en vier maal ‘seksueel gebruikt’.

Wat is dat toch in die Angelsaksische cultuur? De BBC die ver na middernacht voor het uitzenden van een film nog waarschuwt dat die ‘explicit language’ bevat, en dat krankzinnige wegpiepen van elk eventueel onwelgevallig woord waardoor Jerry Springer zo mogelijk nog minder het aankijken waard wordt. Zou er nou echt één ouder zijn die de illusie heeft dat zijn kind het gebruik van prettig opluchtende termen als ‘hell’, ‘Jesus Christ’, of ‘son of a bitch’ niet perfect onder de knie zal krijgen?

Misschien. Vorige week las ik dat de TVGuardian binnenkort ook in Engeland verkrijgbaar zal zijn. In Amerika was het apparaat, dat aan de hand van de ondertitels voor doven en slechthorenden alle vieze en heftige woorden wegfiltert, al te koop. Ook daar moet ik om grinniken, want het lijkt me vooral een buitengewoon aantrekkelijk kinderspelletje opleveren: proberen met liplezen te raden wat er echt gezegd wordt. Spánnnunt!

Wat hou ik toch van Nederland, waar de Bond tegen het Vloeken alleen een soort aardige folklore is, en waar uitsluitend de SGP-fractie denkt dat wij ook een TV-Guardian nodig hebben. Staatssecretaris Van der Ploeg zal het net ingediende verzoek daaraan mee te werken ongetwijfeld glimlachend naast zich neerleggen.

Zoek de verschillen

Soms gaat het in de krant over een onderwerp waar je toevallig zelf van alles van afweet, helemaal in zit. Een kop trekt je aandacht, waarna je enthousiast begint te lezen, en het komt voor dat je van binnen langzaam een warme gloed voelt opkomen en denkt, of zelfs uitroept: ‘ja, zo is het!’ of ‘goh, wat een goeie nieuwe invalshoek! Prima stuk, uitstekende brief.’ De lezer het aangename gevoel geven dat hij niet gek is, niet alleen staat in zijn kijk op de zaak, is een van de mooiste taken van kranten.
Maar veel vaker gaat het anders. Hetzelfde onderwerp, dezelfde kwestie blijkt er in het hoofd van de journalist die erover schrijft heel anders uit te zien dan in het jouwe. Gevolg is dat er totaal andere woorden uit komen dan je zelf gekozen zou hebben. Die journalist heeft niet altijd dezelfde bronnen als jij, en de informatie is door een andere zeef gegaan. Daarin blijven soms dingen liggen die beslist door je eigen zeef waren gekomen, en wat wel door de gaatjes gaat, kan een eindproduct opleveren met een verrassend andere kleur.
Ik ken dit verschijnsel natuurlijk al lang, maar afgelopen week trof het me extra sterk en had ik reden eens heel zorgvuldig te kijken waarin de verschillen ’m nou zitten. Dinsdag verscheen er in deze krant een stuk onder de kop ‘Freelancers zetten kranten onder druk wegens auteursrechten’. Om welke freelancers het ging, was niet door de zeef van de verslaggever gekomen. Maar omdat ik een van hen ben, kan ik trouwe Achterpaginalezers vertellen dat bijvoorbeeld Nicolaas Matsier, Ileen Montijn, Max Pam, Hans Ree en Ewoud Sanders, samen met medewerkers van de Volkskrant en Het Parool zoals Maarten van Rossem, Theodor Holman en Johannes van Dam deel uitmaken van een groep van vijftien die onlangs een advocaat heeft ingeschakeld omdat…
Ja, waarom? Weet u wat, ik vertel het eerst in mijn eigen woorden. PCM, uitgever van onder meer alle landelijke dagbladen behalve de Telegraaf, heeft een bedrijf, Media Resultant, dat een databank exploiteert met daarin zo’n drie en een half miljoen artikelen, waaronder een flink aantal complete jaargangen van de PCM-kranten. Wie zich – voor honderd gulden per maand – abonneert, kan via Internet zoeken in die Nederlandse PersDatabank, en – voor vijf gulden per stuk – artikelen opvragen. Ook honderdduizenden artikelen van duizenden freelancers. Maar zonder toestemming en zonder afspraken over een vergoeding mag niemand het werk van losse medewerkers gebruiken. Dat staat in de wet, en wie die overtreedt kan vier jaar gevangenisstraf krijgen. Wij wisten van niets, vandaar die advocaat.
Nu weer naar dat artikel in de krant, dat prachtig laat zien hoe het perspectief op een zaak door een paar kleine woorden ineens kan verschuiven. Zo kon u lezen dat Media Resultant ‘plannen heeft voor commercieel gebruik van teksten’. Plannen hebben is altijd mooi. En in de betekenis daarvan zit verscholen dat de uitvoering nog moet geschieden. Moet u voor de lol toch eens kijken op het Internet (www.persdata.nl), dan kunt u zelf zien dat u vandaag nog een abonnement kunt nemen.
Iedereen die schrijft, neemt onherroepelijk zichzelf mee, en dat levert soms zulke leuke doorkijkjes op. In het bewuste artikel komt ook een andere, deels verwante zaak aan bod. PCM heeft alle freelancers onlangs gevraagd een licentie te ondertekenen waarin ze vrijwel alle rechten op alles wat ze tot dusver voor de kranten schreven tot zeventig jaar na hun dood afstaan. PCM zet daar iets tegenover: drie achtereenvolgende jaren krijgen de medewerkers twee procent van hun… ‘jaarsalaris’, schrijft de NRC-redacteur, die natuurlijk zelf een salaris ontvangt.Grappig. Essentieel aan freelancen is nou net dat je geen salaris krijgt uitbetaald maar een honorarium per geleverd stuk.
Ach, ik zou nog kolommenlang close reading kunnen loslaten op dat ene artikel, maar ik leg u tot slot nog een voorbeeld van subtiele woordkeus voor. ‘Nieuwe freelancers (…) geven bij de publicatie al wel hun auteursrecht in licentie voor elektronisch hergebruik.’, las ik. Het cruciale woord hier is ‘geven’. Wat zou u doen, als u net begon en uw eerste krantenstuk werd geaccepteerd, maar uitsluitend op voorwaarde dat u die rechten meteen inleverde? Mijn eigen definitie van ‘geven’ is een andere.

Roep maar wat

Benijdenswaardig was het: die zekerheid, dat geweldige gemak waarmee de vergaandste conclusies getrokken werden. Ik heb laatst mijn ogen uitgekeken bij Noorderlicht, het wetenschapsprogramma van de VPRO. Heeft u het gezien? Het ging over het ontstaan van taal, althans, dat zeiden ze.

Er was een mevrouw die als jongmaatje op een opgravingsplaats in Israël het rottigste karweitje had gekregen. Ze moest in een diepe, stinkende put graven. Maar de wraak van deze paleo-antropologe-in-wording was zoet: ze vond prompt een zeer gave Neanderthaler. En die Neanderthaler had een botje in z’n keel. Een botje dat u en ik ook hebben, en dat we gebruiken als we bepaalde spraakklanken maken.

De Neanderthaler kon dus praten, concludeerde de inmiddels allang afgestudeerde dame en de commentaarstem zei het haar na. En er was nog een vondst daar uit de buurt. Een brokje steen, wel 230.000 jaar oud. Het was bewerkt, en het leek het meest op een vrouwenfiguurtje. Ah!, wist iedereen op het scherm: het was een symbool. En wie om kan gaan met symbolen beschikt over taal, dus konden de oermensen die het gemaakt hadden praten.

Er was ook een meneer. Een psycholoog die enorm oude stenen pijltjes liet zien, die vastgebonden moesten worden aan stokjes. Dat was gereedschap maken, dat moest je bedenken, plannen, en daarvoor, zo wist hij, had je taal nodig. Toen kwam de mevrouw weer in beeld en die wist ineens dat taal wel meer dan een miljoen jaar oud is. Zalige zekerheid. Ik zei het al: ik was jaloers.

Maar ja, weet u wat zo vervelend is? Al die vondsten zeggen helemaal niets. Papegaaien hebben ook een keel die spraakklanken kan maken, en toch hebben ze geen taal. En symbolen? Tja. Duiven bijvoorbeeld gaan daar ook ontzettend goed mee om. Je kunt ze zo symbolen leren voor rode, blauwe en groene lichtjes. Even oefenen en het gaat vlekkeloos: bij een rood lichtje drukken ze met hun snaveltjes een toets in met daarop het woord rood, blauw licht brengt ze naar de toets waarop blauw staat, en bij groen gaat het ook goed.

Gereedschap plannen dan? Wel, het is al meer dan dertig jaar bekend dat mensapen dat uitstekend kunnen. Die gaan bijvoorbeeld eerst een goede tak zoeken, ontdoen die vervolgens van alle blaadjes, om hem daarna als hengel in een termietenheuvel te gebruiken. Maar erbij praten doen ze niet.

Ook buiten de journalistiek hebben velen niet zo’n trek om een goed verhaal kapot te checken. Iets dat zeker geldt voor de ergste zwammer in het programma. Dat was meneer Terrence Deacon. Wat hij zei over communicerende diersoorten en rituelen viel integraal in de categorie ‘roep maar wat’. Ik kende deze neuroloog al van een fabelachtig verhaal over taal dat ik u niet wil onthouden. U dacht misschien dat uw taalvermogen in u verankerd zat. Is niet zo. U heeft alleen maar grote hersens. En taal, ja, die is al in de wereld, en dat enorme brein hoort dat, pikt het op, en gaat het dan ook gebruiken. Als apen een grotere hersenpan hadden konden ze het ook.

Het staat allemaal in een heel dik boek. En nee, natuurlijk heeft Deacon daarvoor niet lang en oplettend in al bestaande boeken over taal gegrasduind. Dat zou niet goed zijn voor het verhaal. Wie weet had ie anders gelezen over kinderen met maar één hersenhelft. Die gaan toch praten, terwijl ze het met minder moeten doen dan een aap. Of misschien had hij wel in een inleidend taalwerkje gelezen over de vele dovengemeenschappen in de wereld, die allemaal een complete taal ontwikkeld hebben, terwijl ze de taal in hun omgeving toch heus niet konden horen.

Dove kinderen die je geen voorbeeld geeft, doen dat nog steeds: die gaan spontaan zinnen gebaren, en niet eens met een willekeurige gebarenvolgorde. Net zoals kinderen die een beperkte contacttaal – een pidgin – hoorden de elementen daaruit inzetten om er volwaardige zinnen mee te gaan maken. Daarom hebben we nou talloze creolentalen, waarover eindeloze literatuur bestaat. Maar ja, daar kun je je natuurlijk allemaal niet mee bezighouden als je een theorie wilt opstellen over de aard en het ontstaan van taal.
Net zo goed als de VPRO er niet is om dingen tegen te werpen wanneer al die geleerden-in-andere-dingen-dan-taal toch zo’n lekker simpel taalverhaal hebben. Zeg nou zelf, dat zou zonde zijn.

Vetwerk

Een halve seconde van dat echte EO-gepraat is genoeg: mijn hand gaat onmiddellijk automatisch naar de uitknop. Een puur allergische reflex van mijn hele lichaam dat roept: weg, weg! Maar soms blijf ik halverwege steken, omdat een ander deel van mijn hersens al gebiologeerd zit te luisteren.
Onbegrijpelijk is het. Dat mensen met dezelfde moedertaal als de mijne die zó anders kunnen laten klinken. Dat ze me ogenblikkelijk zo geweldig aan het griezelen kunnen krijgen. Waarmee? Hoe doen ze dat? Meestal lig ik me dat in bed af te vragen. Op woensdagnacht is er zo’n man op radio 1 en 2, die de EO-sound tot in de puntjes beheerst. Wat ik er in elk geval voortdurend in hoor is dat hij jaagt, nee geilt op menselijk leed, maar altijd met een hoger doel. Die extra laag die elk woord meekrijgt door de toon waarop het wordt uitgesproken is een essentieel ingrediënt van het EO-geluid.
De jacht slaagt altijd tot op zekere hoogte. Treurnis en ellende zijn ruim voorhanden in nachtelijk Nederland, dus je hebt zat bellers die de EO-man en wakkere meeluisteraars alles willen vertellen. Wat ze terugkrijgen is een bizar mengsel van welzijnsjargon en gepreek. Favoriete woorden zijn bijvoorbeeld ‘verdriet’ en ‘pijn’ (nooit het fysieke verschijnsel, steeds de geestelijke variant) waarmee, aan het stemgedruip af te meten, verschrikkelijk wordt meegeleefd, maar tegelijk hoor je het hijgerige ongeduld om het verlossende woord te spreken. En dat ligt uiteraard bij de Verlosser. Pas als die weer ter sprake is gebracht, maakt het gehijg soms plaats voor flemende getuigenissen die de ongelukkige tot het Grote Geloven moeten overhalen.
Dat blijft toch het mirakel van de rotsvaste gelovige. Alle wegen, van wie dan ook, leiden voor hem nu eenmaal naar de Heer. Of nee, dat zeg ik verkeerd. Die mógen naar de Heer leiden. Bij EO’ers mág er heel veel, is me opgevallen. Naast zinnen als — en ik citeer hier letterlijk — “Dus dan denk je: dat is een straf van God naar mij toe?” hoor je ze dus zeggen “Dat ik mág geloven, is zó fijn!” en “Je praat gewoon met God? Dat mág ook gewoon hoor!”.
Nog één staaltje typisch EO-taalgebruik: het is volgens mij de enige omroep waar je ‘christen’ kunt zijn (of worden). Een tamelijk recente vinding. Toen ik opgroeide was je katholiek of protestant of gereformeerd of nog een andere afsplitsing, en desnoods was je ‘niks’, maar je was zeker geen ‘christen’. Alleen het meervoud ‘christenen’ figureerde in geschiedenisboekjes en dergelijke contexten. Voor dit nieuwe gebruik zullen we de wat godsdienstwaanzinnige Amerikanen wel weer moeten danken.
Ik beleef de EO-praat als stuitend hypocriet, omdat ze zo overduidelijk maar één ding willen: al die betrokkenheid is niet gericht op daadwerkelijk meevoelen en -denken met anderen, maar op de eigen God en het eigen geloof daarin. Dat die zielige telefoontypes kennelijk nergens anders terecht kunnen, vind ik smartelijk, en tóch haalt de EO-schijnheiligheid het niet bij die van die andere christelijke omroep, de NCRV.
Volgt u die geldverslindende ledenwerfcampagne van ze? Paginagrote krantenadvertenties die telkens worden opgehangen aan één woord. Het begon met FATSOEN, vorige week was VERTROUWEN aan de beurt, en daar tussenin zat ook nog wat. In lange teksten trekt de NCRV, godbeteret, ten strijde tegen zaken als ‘de manipulatie met mensen op de buis’ en ‘de sensatiezucht’.
Uit de koker van een omroep die een paar keer per week verantwoordelijk is voor het programma Netwerk is dat een absolute gotspe. In Hilversum schijnt het ‘Vetwerk’ genoemd te worden. En vet is het. Het is een prestatie hoe men erin slaagt vrijwel uitsluitend op sensatie beluste onderwerpen te vinden, en die in beeld- en woordkeus nog eens dik aan te zetten. Mensen worden gemanipuleerd bij het leven. Is het voor elke kijker glashelder dat iemand op het dieptepunt van zijn leven zit, dan is Netwerk toch nooit te beroerd nog even te vragen hoe het voelt, en betekenisvolle stiltes te laten vallen. En gelukkig maar, het werkt altijd: hop, daar zijn de verlangde waterlanders. Terug naar de studio, waar NCRV’s Aart Zeeman er vaak nog verlekkerder van zit te genieten dan de zelfingenomen, correcte praatjes verkopende Fons de Poel van de KRO. Fatsoen, vertrouwen? Me hoela.

Verrekte leuk

Ik verkneukel me. De beste Nederlandse tv-serie aller tijden is weer begonnen. Hoera voor Oud Geld, hoera dus voor schrijfster Maria Goos en een stoet acteurs van wie er niet één slecht of zelfs maar matig speelt.

Zelden heb ik zo kunnen geloven in personages als in deze, al was het in het begin – ik geef het toe – heel even wennen. Het zijn namelijk allemaal net echte mensen, en dus kunnen ze niet zomaar onderverdeeld worden in de good guys en de bad guys waarop wij televisiekijkers geconditioneerd zijn. De levensechtheid zit ’m natuurlijk niet alleen in de karakters, maar vooral ook in de manier waarop die zich uitdrukken.

Het is gek dat het zo’n zeldzaamheid is, maar Maria Goos geeft de acteurs teksten mee die zo uit het dagelijks leven lijken te komen. Sommige mensen hebben dat oor voor hoe er nou écht gepraat wordt. Het is bijvoorbeeld de kracht van Jan (Turbotaal) Kuitenbrouwer, die uitstekend typerende dialoogjes van bepaalde groepen kan weergeven.

En van de week werd er nog een zeer verdiende Zilveren Harp toegekend aan Maarten van Roozendaal, die het zelfs voor elkaar krijgt om rijmend en zingend heel natuurlijk klinkende, alledaagse spreektaal te laten horen (luister bijvoorbeeld eens naar zijn prachtnummer Moe).

Het flardachtige karakter is een van de geheimen van spreektaal. Niet alle zinnen hoeven af. Eén woord, of een paar; als onderdeel van een hele conversatie is het vaak genoeg. Maar iedereen weet ook dat we niet allemaal hetzelfde spreken, al is dat gauw een licht gênant onderwerp. Vorig jaar, bij de eerste reeks Oud Geld was er van alles te doen over het taalgebruik in de kringen waar ze van oudsher rijk zijn. Daar hoort in elk geval het licht geaffecteerde bij dat degenen die de oudste generatie spelen zo knap in hun stem leggen. Het is subtiel, zeker niet het ergste corpsgebral. Bolkesteins aardappel is veel opvallender.

Maar ook de woordkeus is van groot belang. Goos had daar voor ze aan haar scenario’s begon uitvoerig studie van gemaakt, en in een van de afleveringen in het eerste seizoen kreeg de pas in de oude bankiersfamilie ingetrouwde ‘gewone jongen’ Erik een lesje in hogere-kringenspraak van zijn zwager en diens zoon.

Die leken zich erg bewust van wat er zeer zeker niet kon. ‘Ik lust wel een broodje’ zeggen, was geloof ik de ergste doodzonde. Erik moest er hartelijk om lachen. Zouden chique kinderen werkelijk onderricht krijgen in dit soort dingen? Het zette mij aan het denken over mijn eigen afkomst. Helaas heb ik geen echt rijke voorouders, maar toevallig aten wij thuis wel taartjes, die in de ijskast bewaard werden, en uiteindelijk in de wc belandden. Ik weet alleen zeker dat ik er nooit op gewezen ben dat je geen gebakjes, koelkast of toilet moest zeggen. Enfin, die inmiddels wel bekende voorbeelden laten mooi zien dat het allemaal nogal willekeurig is, want verzin maar eens een zinnig argument tegen gebakje.

Maar zou de hogere-standenwoordenschat nou nog uitbreiden? En verdwijnt er ook woordgebruik? Neem dat verrekte leuk dat de oude Splinter zo overtuigend roept van tot tijd, zijn kinderen hoor je het niet zeggen. Klopt dat met de werkelijkheid?

Ik verkeer waarschijnlijk te weinig in de hoogste kringen, en op radio en tv laten ze zich maar zelden horen. De lagere standen hebben daar een grotere plaats veroverd. Daardoor zijn ontwikkelingen in hun jargon beter te volgen.

Wat mij (en u waarschijnlijk ook) al een tijd opvalt, is het bijzonder frequente gebruik van zeker weten, als antwoord op een vraag. Iets dat mijn eigen omgeving volgens mij alleen voor de grap zou zeggen. Net zo is het met de lofprijzing kanjer.

Grenzen tussen klassen zijn natuurlijk altijd diffuus, maar ze bestaan, en tien tegen een dat een zeker-wetenzegger niet uit de hoger opgeleide, beter verdienende sociale laag komt. Hoe toch worden modekreten geboren, en wat bepaalt of ze klassebepaald zijn? Iets kan immers ook leeftijdgebonden zijn, of geografisch begrensd, of ineens bij alles en iedereen aanslaan.

Nog een, geloof ik wat rare vraag. Een van de meest beproefde geintjes is expres plat praten, maar gebeurt dat andersom nou even veel? Ik bedoel, praat de ongeschoolde arbeider als hij geestig wil zijn graag zomaar ineens superbekakt?

Opperboek

Kun je een goed voornemen voor een ander hebben? Ik weet het niet, maar ik heb er een. Battus, lees even mee.

Het is nu meer dan tien jaar bezig. De boekenkast naast mijn bureau is allang overgelopen. Erbovenop, ernaast en ervoor liggen inmiddels ook stapels taalboeken en -boekjes. Ik bezit werkjes over jongerentaal, voetbaltaal, de taal van de adel, politieke taal, banktaal, homotaal, thuistaal, medische taal, vrouwentaal, kantoortaal, zus-taal en zo-taal. En nog ben ik niet tevreden.

Oké, ik snap het wel. We zijn nu eenmaal een groepsdier dat van meer groepen deel uit kan maken dan welk beest ook. Het varieert van familie en leeftijd-, vak-, club-, sekse-, klas- en klassegenoten tot collega’s en medeweggebruikers. Zelfs aan de groepen waar we niet in zitten, ontkomen we niet: die zien we op tv. Bij elke groep hoort groepsgedrag, en bij groepsgedrag hoort meestal groepstaal. In de maatschappelijke struggle for life vervullen die taalboekjes dus een functie: het is een voordeel als je overal mee kunt praten, of in elk geval in staat bent te volgen wat anderen zeggen.

En ja, ik heb die naslagwerkjes vaak zelf met plezier gelezen of doorgebladerd. Maar toch… In mijn hart vind ik ze zo gauw saai. Het groepsgevoel lijkt zich namelijk maar op één niveau af te spelen: dat van woorden en uitdrukkingen. En ook het deel van mijn bonte collectie flinters van het Nederlands dat niet aan een bepaalde groep vastzit, bestaat voornamelijk daaruit. Ik heb boeken met rijmwoorden, scheldwoorden, beeldspraken, leenwoorden; de Nederlandse woordenschat laat zich eindeloos uitsplitsen. Het is een prachtbezit, heus, maar toch kunnen al die meters bij elkaar voor mij niet tippen aan het allermooiste en inzichtgevendste boek over het Nederlands.

Dat bestond al voordat de verzamelwoede bij iedereen toesloeg. Hugo Brandt Corstius, in vrijwel al zijn verschijningsvormen, bracht jarenlang de wonderlijkste zaken bijeen, en in 1981 culmineerde dat in het ultieme boek over het Nederlands. Natuurlijk probeerde de auteur (hij noemde zich in dit geval Battus) ons zand in de ogen te strooien door het Opperlandse taal- en letterkunde te noemen, maar dat moet u niet geloven.

Wie wil weten wat je met het Nederlands kunt doen, leze dit boek. Juist omdat het één grote knabbelpartij aan de randjes van de mogelijkheden is. Het oneigenlijk gebruik van allerlei taalelementen en de volstrekt onzinnige zelfopgelegde beperkingen draaien bijvoorbeeld voor een groot deel om de vraag bij welke vorm er nog enige inhoud rest. Zijn er genoeg woorden met alleen maar a’s om een aanvaardbaar, raar maar waar ‘Zaans drama’ te schrijven? Antwoord: ja. Kun je een zin van enige lengte maken die je twee kanten uit kunt lezen, en die tóch nog iets betekent? Antwoord: moeilijk. Vergelijk de uitroepen ‘Ai de massamedia!’ of ‘Gadsi, ’t is dag’ maar met ‘U, ongure teef, neem een fee terug nou.’

Het Opperlands, dat is nou net zo leuk, bevindt zich overal. Bijvoorbeeld in verwisselingen die gewoon versprekingen kunnen zijn: ‘rafeltand’, een ‘rokje blond’. Het komt telkens neer op spelen met hoe wij woorden en zinnen bouwen, en hoe we die opschrijven. Battus leent ons zijn oog dat ingesteld staat op mooi toeval. Dat zit bijvoorbeeld in simpele woorden als ‘volledig’, ‘lafhartig’ en ‘staren’, die zichzelf intern tegenspreken. Maar ook in het feit dat dingen soms anders klinken dan ze er op schrift uitzien, of andersom (‘Marie, pak die peen ’s’, ‘Wat zalmen er van zeggen’). In het taalkundegedeelte wordt het allemaal haarfijn en op onnavolgbare wijze uitgelegd, het letterkundedeel laat ons bovendien meekijken met het absurdistische oog dat anderen, zoals Daan Zonderland en Kees Stip, bezitten.

Nou is er alleen één tragisch feit. U kunt Opperlandse taal- en letterkunde op het ogenblik niet kopen. Dat is allemaal de schuld van Battus zelf, zegt zijn uitgever. Want die heeft in de laatste druk beloofd dat de volgende een geheel herziene zal zijn. En die moet hij dus maken.

Beste Battus, ik begrijp heel goed dat het een gruwelijke klus is om alle vorderingen in het taalkundig onderzoek en de hele nieuwe letterkundige productie te verwerken, maar oh, wat zou het heerlijk zijn als je mijn goede voornemen voor dit jaar zou uitvoeren.

Kommaatjes

Het is een pietepeuterig, miniem kwestietje, maar het moment lijkt me gepast. Vorige week was er weer het tv-dictee. Nu dat niet meer alleen gesponsord blijkt te worden door woordenboeken- en pennenmakers, maar ook door een grote gloeilampenfabriek in het zuiden des lands – het werd gepresenteerd door Philips Freriks zei de aftiteling – wou ik het maar eens geheel onafhankelijk over de meest voorkomende spelfout in het land hebben.

U komt hem iedere dag tegen, welke krant u ook leest. In bladen en folders, in opschriften en advertenties, echt overal staan kommaatjes waar ze niet horen. Kommaatjes in de lucht, wel te verstaan, ofwel apostrofs, zoals ze officieel heten. Cliché’s, armelui’s (eten), abonnee’s, opoe’s, salade’s, cadeau’s, shampoo’s, Jan’s, Marie’s, Komrij’s, Reve’s, je ziet het voortdurend, en het is allemaal fout. Een groot deel van Nederland is kennelijk nogal in de war over het kommaatje.

Is dat erg? Welnee, ontelbare zaken zijn onnoemelijk veel erger natuurlijk. Het is wel verbazingwekkend. Ik begrijp niet zo goed waarom zo veel mensen, inclusief zo veel broodschrijvers, het regeltje niet snappen. Want je kunt over de Nederlandse spelling op sommige punten terecht klagen, maar de gedachte achter de apostrof-voor-een-s is glashelder.

Een apostrof schrijf je namelijk simpelweg om te voorkomen dat een woord verkeerd uitgesproken of gelezen wordt. Dus na een enkele a, o, u of i. Want spel je bikinis dan zou je kunnen denken dat het woord eindigt op wat we tegen een uitholling in een muur zeggen, en paraplus doet al gauw paramin vermoeden. Iets soortgelijks geldt voor loempias (heb je ook loempivest?) en intros (invara?).

Niet moeilijk, snapt iedereen. En dat gaat ook vrijwel altijd goed. Maar naar analogie van papaja’s, jojo’s, tutu’s en ski’s (en misschien ook baby’s, na leenwoorden op y komt ook een apostrof) denken veel spellers dat er achter élke klinker een kommaatje voor de s hoort. Dat analoge denken is mooi, en helpt ons bij van alles, ook in de spelling, maar hier nou juist niet.

De grootste verwarring komt geloof ik voort uit de e, onze meest frequente letter die maar liefst drie klanken kan weergeven (zie beresterk). Binnenin woorden is niet altijd automatisch duidelijk welke het moet zijn, maar aan het eind is er geen probleem. Een lange ee wordt ofwel als inderdaad een lange ee geschreven (mee, dictee, prostituee), of een accent geeft uitsluitsel (café, logé, prostitué). Voor het verschil tussen en hebben we twee accenten (ik weet verder trouwens niets op è). Een enkele losse e aan het eind van een woord is altijd een toonloze uh (stage, hutje, egoïsme). Daarvan heb je er een heleboel, en ik ken maar één uitzondering: de muzieknoot re. Twee re’s moet je dus aldus schrijven, maar verder hoeft er na een e echt geen apostrof voor de s. En tweeklanken (ei, ij, ie, oe, ui) of het Franse eau ga je ook niet anders uitspreken als er een s achter komt.

Door alles heen speelt, vooral bij namen, soms een ander punt. Zo’n ’s aan het eind van een woord kan twee bronnen hebben: het is ofwel een meervouds-s, of een bezits-s. Bij die laatste doen velen graag de Engelse spelling na. Als het John’s is dan ook Jan’s, vinden ze. Maar Jan’s is echt nooit goed. Dat bedrijven al sinds mensenheugenis toch een apostrofje gebruiken om hun merknamen beter uit te laten komen (Heineken’s bier) is begrijpelijk, maar heus een spelfout.

En nu ik toch over een futiliteit bezig ben, ik heb nog een kleinere. In veel tekstverwerkers en opmaakprogramma’s kun je tegenwoordig de kommaatjes zo mooi twee kanten uit laten krullen. Een aanhalingsteken-openen wordt dan een op zijn kop gezette komma, en sluiten gaat met een gewone: ‘zo’.

Maar ja, er is niet altijd sprake van openen en sluiten. Het programma zelf weet natuurlijk van niets, dat reageert alleen maar op of er wel of niet een spatie aan de apostrof voorafgaat. Na een spatie volgt consequent een kommaatje op z’n kop, dus ook bij ’t, en ’m, en ’s avonds, en ’s-Heerenberg. Zelfs in koppen boven stukken zie ik dat vergeten is er even een gewone apostrof van te maken. Is dat erg? Ach, het heeft hetzelfde nadeel als alle verkeerde of verkeerd geplaatste leestekens: het leidt af. Jammer, want leestekens zijn er voor ons leesgemak.

De ogen van Chomsky

Opsommen wat je in een taal allemaal kunt zeggen, kan niet. Al wil je nog zo graag, al zet je alles wat ooit op schrift verschenen is achter elkaar, en je doet er elk uitgezonden radio- en tv-programma bij, dan nog heb je maar een minieme fractie te pakken. Iedere dag worden er in Nederland miljarden Nederlandse zinnen uitgesproken en opgeschreven die daarvoor nog nooit iemand geformuleerd had.

De eerste keer dat me dat verteld werd, had ik moeite het te geloven. Het is een beetje als met het heelal: dat dat niet ergens ophoudt, is eigenlijk niet te vatten. Nu is het universum heel ver weg, vrijwel helemaal onzichtbaar en onbereikbaar, maar het vermogen om eindeloos nieuwe taal te produceren en te begrijpen, dat bevindt zich dichterbij dan wat ook: in mijn eigen, qua omvang zeer beperkte hoofd.

Wat speelt zich daar af? Wat dóe ik als ik praat of luister? Hoe weet ik wat er kan? En ook: wat er juist niet kan. Want naast eindeloos veel mogelijkheden zijn er ook ontelbare ónmogelijkheden. Grove: zinnetje deze voorbeeld is. Of veel subtielere: ze gaf ’t ’m loopt lekkerder dan ze gaf ’m ’t. Maar geef je ’m een naam, en vul je iets in voor ’t, dan ligt het ineens andersom: de volgorde ze gaf Joep soep is dan gewoon, terwijl ze gaf soep Joep ronduit fout is. Of neem dit: waarom zouden als je zegt zij ziet haar die zij en die haar niet dezelfde persoon kunnen zijn, als dat wel kan in het zinnetje zij hoopt dat Joep haar ziet?

Het zijn maar een paar voorbeelden uit de vele die mij onmiddellijk intrigeerden toen ik erop gewezen werd. Misschien zegt u: ‘nou, ’t zal wel’, maar ik vind het raar om zo veel dingen te weten en te kunnen waarvan ik helemaal niet wist dat ik ze wist of kon.

Ook van die stof tot nadenken: dat mijn onbewuste kennis over het Nederlands gaat, is volstrekt toevallig. Was ik als baby naar pakweg Frankrijk of Japan gesleept dan wist ik zulke dingen over het Frans of Japans, want dan sprak ik dat nu vloeiend, en dat had ik me dan met hetzelfde gemak en in dezelfde tijd eigen gemaakt als het Nederlands. Ruim vijfduizend talen zijn er, en ik had me in allemaal precies zo kunnen thuisvoelen als nu in het Nederlands.

Ik heb een reden om u dit alles vandaag te vertellen. Het is de zeventigste verjaardag van Noam Chomsky, en de constateringen, de vragen en het soort voorbeelden van hierboven vormen een belangrijk deel van het fundament van zijn werk. Hij was een jaar of dertig toen hij geheel eigenhandig een revolutie in gang zette. Omdat hij als het ware met verse ogen naar het verschijnsel taal keek.

Echt originele geesten zijn zeldzaam, maar eens in de zo veel tijd is er ineens iemand wiens blik een vakgebied totaal verandert. Inmiddels werken in alle werelddelen mensen aan een gezamenlijk giga-project: aan de hand van heel veel verschillende talen proberen te begrijpen hoe het menselijk taalvermogen in elkaar zit. Welke mechanismen maken bijvoorbeeld dat je in alle talen oneindig veel nieuwe zinnen kunt produceren? Welke elementen kom je in iedere taal weer tegen? Met welke kennis komt een baby ter wereld, en wat moet hij precies leren?

Dankzij Chomsky zijn er stukken van antwoorden op die vragen gekomen, en het lijkt nu al bijna onbegrijpelijk dat vroeger zelfs de vragen niet gesteld werden. Net zoals het in de jaren negentig eigenlijk niet goed meer te snappen is dat Chomsky verketterd werd vanwege zijn uitspraak dat mensen kennelijk een aangeboren taalvermogen hebben.

Hoe dat eruit ziet, kun je niet van tevoren weten. Dat moet de taalkunde nou net onderzoeken, zegt hij. Ik meld dat nog maar even omdat Chomsky nog wel eens verweten wordt dat hij zo veel rigide, vooropgezette ideeën heeft. Anderzijds krijgt hij regelmatig op zijn kop omdat hij zijn theorie steeds weer verandert. Het is allebei niet waar, en alleen degenen die het niet goed gevolgd hebben zeggen zulke dingen, maar het volgen is ook niet zo eenvoudig.

De techniek die komt kijken bij de tegenwoordige theoretische taalkunde is knap ingewikkeld. Maar wat u nu presteert met dit stukje uitlezen, is dat ook. Dat blijf ik een van de aardigste dingen van het werk van Chomsky vinden: ik had vroeger geen flauw idee hoe geweldig ingenieus en fraai het taalsysteem was dat ik de hele dag gebruik.

Mysterie van taal

De eerste keer dat ik over haar hoorde, was ik een jaar of tien, en het verhaal kwam van mijn aartsvijandin uit de parallelklas. Die was kennelijk zo onder de indruk dat er op de terugweg van school een spontane wapenstilstand uitbrak. De juf had die ochtend verteld over een meisje dat zowel doof als blind was, en dat daardoor niet kon praten.
Dat meisje had zelf ook een juf, en die had een waar wonder bereikt: telkens had ze het kind een pop laten voelen, en dan had ze haar hand gepakt en de letters p-o-p in haar handpalm geschreven. Vijandin deed het bij me voor. Er was waar engelengeduld aan te pas gekomen, maar uiteindelijk had het gewerkt! Het doofblinde meisje had het begrepen en na het woord pop wilde ze van alle dingen weten hoe die heetten. In razend tempo leerde ze alsnog taal.
Tijdenlang heb ik gewacht tot deze waanzinnig tot de verbeelding sprekende geschiedenis ook in mijn eigen klas verteld zou worden, maar het bleek niet tot de afgesproken leerstof te horen. Dat het om de Helen Keller ging, een van Amerika’s grootste nationale heldinnen, begreep ik pas toen ik al volwassen was. Achteraf gezien was het waarschijnlijk haar dood (in 1968, ze was toen bijna 88) die de aanleiding vormde voor mijn enige goede herinnering aan dat nare leeftijdgenootje.
Ik zal later nog wel eens over haar gehoord hebben, maar op een gegeven moment vond ik in mijn oma’s boekenkast The Story of my Life, Helen Kellers autobiografie over de eerste 23 jaar van haar leven. Toen bleek dat het verhaal uit mijn jeugd een beetje bijgesteld diende te worden. Juf Anne Sullivan was inderdaad met ‘ p-o-p’, (of liever gezegd: d-o-l-l) begonnen. Maar ze had nog meer woorden voortdurend gespeld, en de kleine Helen – toen zes, bijna zeven jaar oud – was het handspellen meteen na gaan doen. Alleen snáppen deed ze het niet. Ze haalde bijvoorbeeld ‘w-a-t-e-r’ en ’m-u-g’ (beker) steeds weer door elkaar. Ze raakte zelfs zo gefrustreerd dat ze op een dag de pop in stukken smeet. De doorbraak kwam vlak daarna.
Tijdens een wandeling kwamen juf Anne (Helen zou haar levenslang ‘Teacher’ blijven noemen) en Helen langs iemand die stond te pompen. Terwijl Helen één hand onder het stromende water hield, spelde Anne in de andere w-a-t-e-r. Eerst langzaam, toen snel. En ineens begon het Helen te dagen. Later schreef ze: “Op de een of andere manier werd het mysterie van taal me onthuld. Ik wist op dat moment dat ‘w-a-t-e-r’ dat heerlijk koele iets betekende dat over mijn hand stroomde.”
Op de terugweg naar huis al begon het grote leren. Helen had begrepen dat dingen een naam hebben, en wilde nu van alles weten hoe het heette. Anne was dag en nacht bij haar, en ze spelden voortaan onafgebroken in elkaars hand. Binnen de kortste keren had Helen zich het Engels eigen gemaakt. Ze leerde schrijven (met voorgevormde letters) en lezen, ook in braille, en al heel snel volgden er lessen Frans, en Duits. Nog weer later kwam het spreken, maar tot Helens verdriet werd ze nooit goed verstaanbaar.
Wel converseerde ze over echt alles mee. Ze werd zelfs politiek actief, en maakte zich zeer druk over vrouwenrechten. De hele wereld reisde ze af, vaak om ter plekke te pleiten voor betere voorzieningen voor blinden, en overal ontmoette ze de groten der aarde. Haar geschiedenis leest tegelijk als de geschiedenis van de eerste helft van deze eeuw.
Dat laatste is een van de aantrekkelijke aspecten van het ruim acht honderd pagina’s tellende Helen and Teacher van Joseph Lash dat ik onlangs las. Maar met al mijn lezen ben ik eigenlijk nog steeds net zo onder de indruk als toen ik tien was. Helen begreep misschien het mysterie van taal, maar ik niet. Poppen en water en natuurlijk nog meer kun je voelen, dat snap ik. Maar het merendeel van taal is letterlijk ontastbaar. Politieke pamfletten? Uitvoerige landschapsbeschrijvingen? Complete reisverslagen? Er is niets merkwaardigs te vinden in Helens taalgebruik.
Misschien heeft het veel uitgemaakt dat Helen de eerste anderhalf jaar van haar leven wél kon horen en zien. Inmiddels weten we dat de taalontwikkeling al in de baarmoeder begint. Ook had ze, voor Anne arriveerde, als zo veel dove kinderen, zelf gebaren verzonnen. Gebaren doet iedereen onder het praten, ook blinden, zo werd deze week gerapporteerd. Nog zo’n mysterie: hoe hangt dat allemaal samen?

De waarheid liegen

Uiteindelijk is dit de truc: een goed interview liegt de waarheid. En de journalist die goede interviews schrijft, heeft daar – naast wat talent natuurlijk – twee dingen voor nodig: voldoende voorkennis en voldoende fatsoen.
U moet er niet van schrikken, maar als er in een paginagroot interview tien zinnen te lezen staan die exact zo gezegd zijn, dan is het veel. Daar zijn goede, praktische redenen voor. Wij praten met een snelheid van twee tot zeven woorden per seconde. Gemiddeld komen we uit op zo’n 180 woorden per minuut. Stel, een interview duurt een uur. Zestig keer 180 levert al meer dan tienduizend woorden op. Maar wat u een heel lang kranteninterview vindt, is drieduizend, heel misschien drie en een half duizend woorden lang. Meer tekst past er beslist niet op een pagina waar ook nog een foto, een kop en tussenkopjes op moeten staan.
Over het algemeen ziet u kortere interviews, en ik verzeker u dat die vaak gebaseerd zijn op gesprekken van langer dan een uur. Anders gezegd: het is heel gebruikelijk dat een journalist twintig duizend gesproken woorden terugbrengt tot tweeduizend op schrift. Tot tien procent dus, en eigenlijk is dat ook niet waar, want het zaakje moet bovendien geïntroduceerd. Vertellen wie er waar en waarom aan het woord gelaten wordt, kost zo een paar honderd woorden.
Een interviewer is dus een samenballer. Nu is er altijd wel ballast die direct overboord kan. Gepraat zit vol herhalingen, wijdlopigheden, valse starts, niet-afgemaakte zinnen en andere dingen die geen mens wil teruglezen. Maar dat allemaal schrappen, levert in de verste verte nog niet het gewenste resultaat. Voor elk interview moet bijvoorbeeld echte spreektaal omgezet in schrijftaal die líjkt op spreektaal. Dat is met tamelijk simpele middelen te doen, maar veel belangrijker is dat de journalist moet kiezen. Het is vrijwel nooit mogelijk om alle onderwerpen waarover gesproken is ook in de schriftelijke weergave op te nemen, dus er moeten dingen uit. Daarnaast moet besloten worden welke van de dan resterende zaken veel ruimte verdienen, welke iets er tussenin en wat met een enkel zinnetje afgedaan kan worden. Hoe doe je dat? Waar haal je je selectiecriteria vandaan?
Wel, een fikse portie voorkennis is dan bijzonder handig. Wie goed is ingevoerd in een onderwerp, op de hoogte is van wat er in een bepaalde wereld speelt, en wie al bij voorbaat van alles wist van de geïnterviewde kan veel makkelijker beoordelen wat belangrijk is en wat niet. En dus de dingen samenvatten met begrip, en met oog voor de echte bijzonderheden. Voor het verloop van het gesprek heeft voorkennis natuurlijk ook gevolgen, al was het maar dat je je niet gauw iets op de mouw zult laten spelden.
Maar het is ook een kwestie van fatsoen. Ten aanzien van de ondervraagde, bij wie je toch moeilijk kunt aankomen – al schijnt dat heus te gebeuren – met vragen als ‘Ik had weinig tijd, kunt u even uw boek voor me samenvatten?’. Maar zeker ook ten aanzien van de latere lezers, wie niet maar iets wijsgemaakt mag worden. De journalist moet altijd beide partijen bedienen. Hij is de tussenpersoon die het publiek een helder, eerlijk en juist beeld dient te geven van de persoon en de bedoelingen van de geïnterviewde, en van waar die ‘staat’.
Dat houdt bijvoorbeeld in dat van de drie god-alle-jezussen die in het gesprek gevallen zijn, er maar één op papier mag terecht mag komen, omdat anders het scheve beeld ontstaat van iemand die aldoor vloekt. En soms betekent het juist dingen erbij verzinnen die helemaal niet gezegd zijn. Extra uitleg: het uitschrijven van een afkorting, een bijzinnetje over een persoon die genoemd wordt, een omschrijving van een begrip, de samenvatting van een theorie.
Mag dat dan, iemand dingen in de mond leggen? Ik vind dat het moet. Dat wil zeggen: zolang het bijdraagt aan de soepelheid en de duidelijkheid van het verhaal. Een tijdens het gesprek gedane suggestie (‘U bedoelt…’) mag dus best binnenin een citaat terechtkomen. Wat niet mag, is als het antwoord op de vraag ‘Dus u vindt X een zak?’ ‘Ja’ luidt, opschrijven: ‘Ik vind X een zak’. Voor gevoelig liggende zaken is de formule: ‘Op de vraag of hij X een zak vindt, antwoordt hij: “Ja.”.’
Tot zover mijn bijdrage aan de discussie over citeren naar aanleiding van het geval Huibregtsen versus Van Wissen/de Volkskrant.

Theo’s gave

Theo gaat weg. Eind deze week sluit mijn ‘koning der zuivel’, zoals de luifel meldt, zijn zaak. Frans de groenteman is een paar maanden geleden al vertrokken. Ik moet erin berusten, maar allemachtig, wat word ik er triest en boos van. En dat is niet omdat ik mijn spruitjes nu veel verder weg moet halen en werkelijk geen flauw idee heb waar ik straks fatsoenlijke kaas kan kopen.

 Ik ben om te beginnen treurig omdat ik Theo zal missen, zoals ik Frans al mis. Vijftien jaar lang kwam ik bij ze over de vloer, weer of geen weer, humeur of geen humeur, uitgeslapen of uitgeput. Ik sprak ze vaker dan mijn beste vrienden. Waarover? Op den duur over zo’n beetje alles. Vooral Theo weet wel wat voor hoogte- en dieptepunten mijn leven onderging, en ik deelde deels de zijne.

Maar meestal wisselden we natuurlijk koetjes en kalfjes uit, en buurtnieuws. De brand bij de Chinees op de hoek gezien? Je al opgevallen dat het kantoorboekhandeltje verdwenen is? En ach, Dik, die nog helemaal niet zo lang met pensioen was, is ineens dood. Gesprekken over het bestaan als kleine zelfstandige, over de stralende zon van vandaag en de weer eens opgebroken straat, over dat onmogelijke parkeerbeleid van de gemeente. Eigenlijk niks bijzonders, praatjes bij de dorpspomp. Want ik woon dan wel in de grote stad, mijn buurt is toch net een dorp, met bijna alles wat daarbij hoort, zelfs heuse dorpsgekken.

Hoe moet het nou verder met de dwazen, de eenzamen, de uitbundigen als Theo vertrokken is? Hij weet hoe je tegen ze moet praten. Kent ze, inclusief hun voorgeschiedenis. Theo bezit het niet te onderschatten vermogen de goede toon aan te slaan. Maakt niet uit tegen wie, en we hebben hier alle leeftijden, lagen en landen wonen. Het is de gave van de geboren buurtwinkelier.

Buurtwinkelier, buurtwinkel. Hoort u het ook? Die woorden klinken al bijna ouderwets. Daarom ben ik ook bedroefd. Wat er bij mij om de hoek gebeurt, is wat je bijna overal kunt zien. De buurtwinkel legt het loodje. Maar daarmee verdwijnt er nog veel meer. Ik ben bang dat er straks geen buurt meer over is, nergens meer een dorp in de stad. Omdat niemand het meer zo voelt. Gewoon, omdat er te weinig doorgeefluiken voor de dingen die spelen overblijven. Omdat de kriskrasverbanden die losjes door die paar straten lopen, verbroken worden. Nu ken ik nog allerlei buurtbewoners, groet sommigen op straat, weet wat dingen over hun leven, alleen maar omdat we zo vaak samen in de winkel hebben gestaan. Kletspraatjes van elkaar hebben aangehoord. Gebabbel is de brandstof waarop gemeenschappen draaien.

Maar individuen hebben het ook nodig. Ik voorspel nóg meer drukte bij de Riagg’s. Die zal voortkomen uit het groeiende gebrek aan gelegenheden waar je zomaar even je verhaal kwijt kan aan een vertrouwd gezicht, dat toch automatisch op zekere afstand blijft. Dat heeft grote voordelen, en met wie lukt dat nou anders?

En ook als je niets speciaals op je hart hebt, is de buurtwinkel een ideale bron voor een beetje verstrooiing, simpel contact. Het is prettig als iemand je met naam en al begroet als je binnenkomt, en je wanneer je weer weggaat nog snel sterkte wenst met die lastige klus of dat zieke familielid. Het is roerend een licht ontstemde reactie te krijgen als je een keertje vergeten was een vakantie van te voren aan te kondigen. En het is mooi als er met een vriendelijk woord plakjes worst in kinderknuistjes gestopt worden, of als er gevraagd wordt of je nog wel koffie in huis hebt, en hoe het met de boter staat. Allemaal dingen die goed zijn voor een mens, en die in de supermarkt niet vanzelf voor het oprapen liggen.

Want de supermarkt, dat wordt het. Ik ben boos op een wereld waarin maar zo weinigen zien dat supermarkten ongezond zijn. Niet alleen vanwege al het prefab-voer dat ze daar verkopen, maar nog veel meer vanwege alles wat je er met geen mogelijkheid kunt krijgen. Bij de supermarkt gaan er geen dingen meer op de pof voor die maffe muzikant, ook al heeft hij een goed verhaal en komt hij inderdaad altijd betalen zodra er weer wat verdiend is. Er staat geen krukje waar mevrouw de Vries van 82 op kan gaan zitten, om vandaaraf alles over haar nieuwe heup te vertellen. En niemand feliciteert je er ooit met je verjaardag.

In de supermarkt staan we, net als op de snelweg, met z’n allen zwijgend in de rij.

Deze column is ook verschenen in Het Beste van januari 1999

Stom, stom

Blikvernauwing, dat moet het zijn. Soms heb ik het als ik lees. Een beetje een particuliere afwijking, geloof ik. Een komische column of een ironisch commentaar heeft op mij een bizar effect. Ik lees dat grappige stukje, en grinnik mee tot het uit is. Maar dan kan ik niet zomaar ophouden.
Mijn ‘leesblik’ blijft meestal nog even op ‘grappig bedoeld’ staan, en de eerste paar zinnen van het artikel waar ik direct daarna aan begin, bekijk ik in de verwachting dat ik erom zal kunnen lachen. Wat natuurlijk zelden het geval is, en dan zet ik de knop dus gauw weer om naar ‘neutraal lezen’. Ik begrijp zelf eerlijk gezegd niet veel van dit verschijnsel, en om die reden leg ik het wel eens voor aan iemand, maar dat levert altijd niet-begrijpende blikken op. Beter uitleggen kan ik het jammer genoeg niet, en ach, er heeft verder niemand last van.
Soms heb ik het ook als ik praat. Dat is al vervelender. Tenminste, als de vernauwing een negatieve blik oplevert. Een simpel voorbeeld, waarvan ik wel zeker weet dat het anderen ook overkomt. Een vriendin is nou al drie keer achter elkaar veel later dan afgesproken komen opdagen. Ineens zie je het glashelder: dat mens komt ook ALTIJD te laat.
Je spreekt haar daar dus eens duchtig op aan, vaart lekker uit. Maar er komt weerwerk: twee van de drie keer was er aantoonbaar sprake van overmacht, en trouwens, jijzelf bent toen en toen ook te laat gekomen, weet je nog wel? Ja, dat weet je nog wel, en ineens begrijp je niet meer hoe je blik zich zo heeft kunnen versmallen. Je denkt: wat zit ik ook te zeuren, en hop, je kijk op de zaken en daarmee de gespreksstof en conversatietoon staan weer in de normaal-stand.
Helaas, ook schrijvend lijd ik wel eens aan blikvernauwing. Zo heb ik eens een keer in een naschrift bij een ingezonden brief gezet dat de schrijver zijn kritiek maar voor zich moest houden als hij zelf geen oplossing kon geven voor het probleem waar het over ging. De precieze kwestie ben ik vergeten, en de bewoordingen waren netter, maar ik begrijp tot op de dag van vandaag – meer dan tien jaar later – niet wat me bezield heeft dat op te schrijven. Ik vínd helemaal niet dat je iemand pas mag aanvallen op wat hij beweert als je exact kunt uitleggen hoe het dan wel zit. Dat zou een mooie boel worden. Nou ja, kennelijk voelde ik me in het nauw gedreven. Beschamend blijft het.
Maar nog niet zo gênant als de fout die ik in de vorige aflevering van deze rubriek maakte. Toen ging het onder andere over het abominabele Engels van veel internationaal opererende politici, multinational-directeuren en hoogleraren. Dat Engels is vaak gruwelijk, maar mijn pedante vermaning maar eens te beginnen met voortaan een s altijd als een s uit te spreken, zal daar geen verbetering in brengen. Dat moet namelijk helemaal niet altijd. Wel bij bijvoorbeeld ‘research’ en ‘loose’, waar Nederlandse monden er al gauw een z van maken, maar probeer de s maar eens als s te laten klinken in woorden als ‘resume’, ‘intrusion’ of ‘feasibility’. No way. Alsof ik dat niet wist!
Dagen heb ik me het hoofd gebroken over hoe ik nou zo achterlijk geweest kon zijn. Het enige dat ik kon bedenken: blikvernauwing. De wel degelijk aanwezige alarmbelletjes bij het schrijven genegeerd. Verblind geraakt door ergernis over iemand die ik net daarvoor stapels s’en ten onrechte als z’en had horen uitspreken, en half in de war met een andere regel, die ik ook gaf, en die wél waar is: een d aan het eind van een Engels woord moet, anders dan in het Nederlands, echt als een d worden uitgesproken. Stom, stom, stom.
Ik had mijn vergissing al ingezien, maar er verscheen ook een ingezonden brief in de krant waarin een en ander me fijntjes onder de neus gewreven werd. Ai! En maar goed dat dat gebeurde. De heilige angst voor dergelijke brieven heeft van mij al lang een ander mens gemaakt: het is een zeer werkzaam bestrijdingsmiddel tegen mijn natuurlijke luiheid, mijn ingebakken gebrek aan lust om voor alle zekerheid iets tóch nog even na te kijken. Maar om de angst erin te houden, moet er inderdaad een terechtwijzing komen als ik hem verdien. En natuurlijk gaat dat niet alleen voor mij op. Ingezonden-brieven-schrijver-met-groot-gelijk, u bent de nachtmerrie van elke gewetensvolle journalist, maar wie corrigeert ons nou anders? Blijft u vooral schrijven.

Hondsberoerde vorm

Ze waren zo meedogenloos als dertienjarigen maar kunnen zijn, mijn nieuwe klasgenootjes. Ik praatte raar, en voor zover ik dat zelf nog niet door mocht hebben, werd het me bij bijna elk woord dat ik zei met luide commentaren duidelijk gemaakt. Met een accent uit het diepe zuiden viel op die leeftijd in het westen niet te overleven. Binnen twee maanden kon je daarom aan mij niet meer horen dat ik in Limburg had leren praten.
Het rare was dat ik in Limburg ook al nooit echt voor vol was aangezien op taalgebied. Mijn ouders kwamen er niet vandaan en ik sprak dus geen dialect, al verstond ik het wel, wat met het oog op straatspelletjes en later de grappen van de leraar Latijn overigens maar goed was ook. Inmiddels voldoe ik al weer vele jaren braaf aan de taalnormen van mijn regionale omgeving, maar juist omdat ik tot in mijn vezels gevoeld heb hoe onzinnig en gemeen het is om iemand aan te kijken op zijn toevallige taalgebruik, ben ik mordicus tegen taaldiscriminatie.
En toch doe ik er zelf voortdurend aan. Ik kan het niet laten. Verschrikkelijk genoeg mag zelfs een Limburger niet zomaar op mijn consideratie rekenen. Natuurlijk, ik ben geen puber meer die iemand unverfroren gaat lopen nabauwen en uitlachen. Het is ook niet dat ik een zachte g en een zangerige zinsmelodie grappig vind ofzo, ik kan me er alleen zo slecht van losmaken. Het leidt af, trekt de aandacht naar zich toe, of ik dat nou wil of niet. Net zo goed als het taalgebruik van een duidelijke Groninger, Tukker, Vlaming of welke buitenlander dan ook dat doet. Daar discrimineer ik nou weer niet in.
Maar ik ben in feite net zo erg als die klasgenootjes die me frustreerden door steeds maar te letten op hóe ik iets zei, in plaats van op wát ik ze vertelde. Hoe dat kan? Ik ben bang dat het gaat om een alomtegenwoordig, krachtig fenomeen waar geen goede voornemens tegen helpen. Afwijkende vormen zijn voor ons mensen nu eenmaal onweerstaanbaar. Of het nou om het zien van een superdunne taille of een knoeper van een neus gaat, of om het horen van gestotter of een ander accent of woordgebruik dan het onze, het valt ons op.
Alles wat anders is dan anders onmiddellijk je aandacht geven, is natuurlijk een mooi overlevingsmechanisme, maar zo’n instinct komt wel eens ongelegen. En dan kun je maar een ding doen: wachten tot het overgaat (en ondertussen de zaak zoveel mogelijk negeren). Want ken je iemand eenmaal een poosje, dan kijk je vanzelf voorbij aan dat litteken of die driedubbele onderkin, en dan hoor je dat geslis en die wonderlijke uitspraak niet langer. Gewenning verloopt via een eenvoudige wet: hoe kleiner de afwijking, des te sneller wen je eraan.
Bij een eerste kennismaking blijft hoe iemand klinkt ondertussen van groot belang voor of hij ook gehoord wordt. Wie graag iets wil bereiken bij zijn gesprekspartner zal er, als hij slim is, dus alles aan doen zo ‘normaal’ mogelijk te praten, want alleen dan kan de inhoud alle aandacht krijgen. Ja, dat zou je denken. Maar zelfs (of juist?) in de hogere regionen van de maatschappij lijkt dit erg slecht door te dringen. Al jarenlang ben ik regelmatig verbijsterd over het hondsberoerde Engels waarmee veel politici menen aan de onderhandelingstafel te kunnen gaan zitten. Ook zag ik eens een promotievideo-voor-het-hele-bedrijf van een Nederlandse multinational, waarin de hoogste baas er niet in slaagde ook maar één zin echt Engels te laten klinken.
En laatst hoorde ik een heel stel hooggeleerde heren praatjes houden over prestigieuze onderwerpen voor een uitgelezen internationaal gezelschap. In het Engels dus. Nou ja, Engels, er was er tenminste één over wie iemand bij het verlaten van de zaal aan me vroeg: ‘Welke taal sprak die man, weet jij dat?’ Juist in academische kring vind je dikwijls een raar soort dédain hierover. Bij hen gaat het immers niet om de vorm, maar om de inhoud van wat ze zeggen, vinden ze. Merkwaardigerwijs kun je ze niet duidelijk maken dat een afwijkende vorm de toehoorders het zicht op die inhoud totaal kan benemen. Ondertussen kan iedereen gemakkelijk beter Engels leren. Hier is vast les een: een s is in het Engels echt een s, ook tussen twee klinkers, zoals een d echt een d is, ook aan het eind van een woord. Rezearch en wort zijn dus niet goed. Tip: kijk eens in een woordenboek om te zien waar die Engelsen hun woordaccenten leggen.

Prettige zweer

“Nee joh, het is samen, niet zamen. Je hebt het ook al aldoor over een zleutel.” Opgevangen conversatie van een willekeurig gezelschap aan een tafeltje verderop in het restaurant.

De ‘verzetting’ van de s-klanken van het Nederlands lijkt onstuitbaar, en het valt steeds meer mensen op. Zommige, zenzuur, rezurzjeurs, zirca, verperzoonlijkt, zoldaten, zeizoenen, ik hoor ze aan de lopende band voorbijkomen. “Een hele speziejale manier…”, zegt een showmaster, en iemand anders spreekt over een “dizzident geluid”. Je zou er licht van in je hoofd worden.

Af en toe neemt het hilarische vormen aan. Een hoogleraar had het een tijdje terug over “een ruimtezonde”, en ‘VOZee-schepen’ vond ik ook een pracht van een nieuwvorming.

Waarom doen mensen zo raar? Wat is er aan de hand? Is tegenwoordig ineens iedereen benauwd om voor een platprater aangezien te worden? Want op zichzelf is het geen nieuw verschijnsel. Amsterdammers die netjes willen praten, staan er al heel lang om bekend dat ze op dit punt aan het hypercorrigeren slaan. “De son in de see sien sakken”, is fout weten ze, en daarom krijgen ze neiging om van álle s-en een z te maken, ook van de s-en die wel degelijk tot het ABN horen.

Hypercorrectie is het mechanisme dat sommigen ertoe brengt over een ‘beeldhouder’ te spreken – ‘houwen’ is immers de platte vorm van ‘houden’ – en dat velen ‘twee maal zo groot dan’ laat zeggen of opschrijven. Want ‘groter als’ kan een doodzonde zijn in het sociaal verkeer.

Maar de ‘verzetting’ is inmiddels een wel heel wijdverbreid verschijnsel, dat niet (meer?) per se afhangt van een Amsterdamse achtergrond. Is het misschien iets Randstedelijks? Ik hoop van harte dat iemand binnenkort eens gaat uitzoeken wat er gaande is, want ik kan er niet echt de vinger op leggen. Maar ik heb wel een paar indrukken.

Om te beginnen gaat het niet alleen om de s, maar ook om de f. De f is alleen niet zo vrequent als de s, en het valt dus minder op. Maar gehoord binnen één SBS6-actienieuws-uitzending uit dezelfde op dit punt erg getalenteerde nieuwsleestersmond: vamilieleden en oevenwedstrijd.

Het past in hetzelfde patroon, ‘feel fan mijn frienden finden fakantie ferrukkelijk’ is ook plat. En het verschil tussen een s en een z , en dat tussen een f en een v is exact hetzelfde, en maar heel klein.

Niet meer dan een trilling van de stembanden, zoals iedereen die even een vinger op zijn keel, boven de adamsappel houdt, kan voelen: bij de s en de f gebeurt er niets, bij de z en de v vibreert de boel. Stemloos tegenover stemhebbend heet dat onder fonologen.

Ik heb ook het idee dat het erger is wanneer mensen voorlezen. Dat is niet onbegrijpelijk als het inderdaad om onbewuste pogingen gaat ‘beschaafd’ te praten. Wie van papier of autocue spreekt, wil dat graag vooral netjes doen.

En bovendien schrijven we niet alles zoals het klinkt. Sommige s-en moet je wel degelijk als een z uitspreken, vaak als ze tussen twee klinkers staan: prezident, rezultaat, en alles wat eindigt op -iseren en -isatie. Maar andersom komt ook voor: een z na een f of een t-klank bijvoorbeeld wordt automatisch een s (afseggen, rotsooi). Dat laatste is geen kwestie van onbeschaafdheid, maar gewoon de fonologie van het Nederlands. Die voorkomt geloof ik ook nog steeds dat een s of f aan het eind van een woord ooit een z of v wordt. We hebben immers juist de omgekeerde regel (van grazen komt altijd gegraas, van graven gegraaf).

En om de een of andere reden zit de c erg dwars. Ik kan niet één voorbeeld bedenken van een c die een z moet worden, maar voor mijn gevoel hebben de z-zeggers het extra op de c gemunt: zertificaat, gedezideerd, zitaten, ik heb het allemaal gehoord. Mooi is ook ‘doceren’, dat er heel vaak uitkomt als ‘dozeren’, terwijl dat nou net de goede uitspraak van ‘doseren’ is.

Aparte vermelding verdient tot slot de onsmakelijkste resultante van deze trend. Dat is de ‘prettige zweer’ waar ik het mensen steeds over hoor hebben. Oké, het is het logisch gevolg van de s in ‘sfeer’ vervangen door een z. Want bij gebrek aan de mogelijkheid in het Nederlands een woord met ‘zv’ te beginnen wordt de f geen v, maar vanzelf een w, alleen moet ik er toch telkens even van slikken.

Verhaarders

Op elke eindredactie zit er wel een: een verhaarder. Zo iemand die wekelijks uren in het Groene Boekje bladert. Doel: kijken of er in de tekst die hij moet corrigeren misschien woorden staan die ‘vrouwelijk’ zijn. Schrijft een auteur bijvoorbeeld over ‘de werkelijkheid en hoe we hem manipuleren’ dan weet de eindredacteur: dat is fout, ‘werkelijkheid’ is vrouwelijk, dus manipuleren wij ‘haar’. En zo komt het dan in de krant.

Want de eindredactie heeft nu eenmaal letterlijk het laatste woord. Is er dus weer eens een ‘hem’ van me verhaard, dan zie ik dat pas als het te laat is, en de ‘haren’ in honderdduizenden de wereld in zijn gegaan. U mag het geneuzel en zwaar overdreven vinden – in mijn betere momenten denk ik er ook zo over – maar een dergelijke verbetering maakt me iedere keer weer écht boos. Zeg ik er vervolgens iets van dan wordt het meestal ruzie.

De verhaarders menen namelijk eerlijk dat ze zoiets als een spelfout verbeterd hebben, terwijl ik volhoud dat het gaat om een ingrijpen in de stijl, in de toon van het artikel dat ik geschreven heb. Waarom ik gelijk heb, zal ik u uitleggen. Dat gelijk is overigens niet absoluut, maar deels regionaal.

Wie boven de rivieren opgroeit, weet aan het eind van zijn kindertijd weliswaar van vele duizenden woorden of er ‘de’ of ‘het’ voor moet, maar hij kan de de-woorden niet opsplitsen in mannelijk en vrouwelijk . Waarom niet? Omdat het verschil er gewoon niet is. Dat is in de loop van vele eeuwen langzaam maar zeker verdwenen. Iets dat hand in hand ging met het afslijten van het naamvalssysteem dat inmiddels alleen nog voortleeft in bepaalde woorden en uitdrukkingen (uitentreuren, te zijner tijd, in der minne, ’s avonds).

Als standaardtaalsprekers het onderscheid mannelijk-vrouwelijk niet kennen, dan maakt dat per definitie geen deel uit van de standaardtaal. En net als overal elders bepaalt ook hier de bevolkingsgroep met de meeste economische en culturele macht de norm.

Het standaardnederlands is daarom het Nederlands van de bovenste maatschappelijke lagen in de randstad. En die zeggen zowel over een stoel als over kast: ‘hij staat daar niet goed, kun je hem niet aan de andere kant van de kamer zetten?’ Weet u welk van de twee ‘eigenlijk’ vrouwelijk is? Dan komt u waarschijnlijk van beneden de rivieren, waar het voor veel mensen anders ligt.

In dialecten vind je ook wél nog vaak verbogen lidwoorden. Als ze het daar over een kast hebben, dan is de opmerking ‘ach, ze staat weer open, ik doe haar wel even dicht’ dus helemaal niet gek. In de ondertiteling op de Vlaamse tv zie je dat soort dingen nogal eens voorbijkomen.

Maar in de rest van de Nederlandssprekende wereld valt het op. ‘Haar’ en ‘zij’ klinken, zodra het niet gaat om vrouwen (of voor de dierenwereld: vrouwtjes), deftig en ouderwets. Naar echte schrijftaal. En dat klopt precies. Juist in de schrijftaal is het verschil nog heel lang min of meer kunstmatig in stand gehouden. Colijns voorgelezen toespraken zaten nog vol verbuigingen, maar van Kok zouden we het absurd vinden als hij sprak over ‘den helen dag’.

Er zijn wel nog wat restjes. Zo is het nog steeds gewoonte om bijvoorbeeld naar ‘regering’ en ‘commissie’ met ‘haar’ te verwijzen. Op papier althans. Welke woorden uit die klasse vrouwelijk zijn, is – anders dan het de-het-onderscheid – iets dat je bewust moet leren. Iets dus waarmee je kunt laten zien dat je een fatsoenlijke opleiding genoten hebt, dat je niet van de straat bent. Ook al zal wie veel ‘haart’ en ‘zijt’, daar meestal niet bij nadenken.

Maar dat het allemaal niet echt deel uitmaakt van het Nederlands valt af te lezen aan een ander verschijnsel. In navolging van het haar- en zij-gebruik bij woorden als ‘regering’ en ‘commissie’ lees je ook vaak dingen als ‘het kabinet heeft haar standpunt bepaald’ en ‘het comité zal haar werkzaamheden voortzetten’. Daarmee wordt ‘haar’ en ‘zij’ puur aan de betekenis van woorden gekoppeld.

Mijn bezwaar tegen verharende redacteuren is dus dat ze mijn tekst ouderwetser maken, en gekunsteld. Hun geblader in het Groene Boekje is veelzeggend. Grappig en ook tekenend is dat ze het ondertussen bij datzelfde Groene Boekje ook niet meer weten. In de nieuwe versie staat achter een hele hoop woorden (stoel en tafel bijvoorbeeld) geen geslachtsaanduiding meer.

Schande!

Jammer. Dat ik nu in mijn eentje in een hoekje van de krant schande ga roepen, is bij lange na niet genoeg. Hoe veel journalisten en politici heb je eigenlijk nodig voor een schandaal? Moeilijk te zeggen, maar zolang die twee smaakmakende, elkaar voortdurend voedende groepen het er niet uitvoerig over hebben, kom je nergens. Zonder mediaophef geen schandaal.
Maar mijn verontwaardiging en droefenis komen juist voort uit het feit dat journalisten en politici kennelijk niets zien in een ongemeen belangrijke zaak. Want dat hebben ze net nog eens genadeloos duidelijk gemaakt. Een totale, schier eindeloos lange kabinetsformatie is het woord niet één keer gevallen. Sinds een week zijn ze officieel in bedrijf: de Minister van Onderwijs, de Staatssecretaris van Onderwijs en de Staatssecretaris van Cultuur. Met z’n drieën bestieren ze het Ministerie van OC&W. Van W? Waar is de W? Wie doet wetenschap? En waarom weet ik dat zelfs nú nog niet? Hoe is het mogelijk dat niemand ernaar vroeg?
Ik ben bang dat ik weet hoe het komt, maar eigenlijk wil ik het niet weten. Ik denk namelijk dat de publieke-agendabepalers een akelig getrouwe afspiegeling van de Nederlandse bevolking vormen. Het woord ‘wetenschap’ roept ook bij u vrijwel altijd één van drie reacties op: een gaap, een moeilijke frons of een angstige blik. Waar het ooit mis gegaan is, weet ik niet precies, maar aan ‘wetenschap’ kleven momenteel bijna alleen akelige associaties: saai, lastig, of men vindt het maar eng wat er allemaal in achterafkamertjes bedacht en in laboratoria gebrouwen wordt.
Dus als er een voorstelrondje met alle ministers te zien is op tv, dan levert dat weliswaar nóg meer geleuter met en over chauffeurs op, maar geen uitsluitsel over in wiens portefeuille wetenschap terecht is gekomen. Onze nieuwe Minister van Onderwijs, begreep ik, zal gaan over onderwijszaken. En daar kwam weer het rijtje au fond volstrekt marginale punten waarover politiek en pers zich maar druk blijven maken: de grootte van de klassen, de boeken en computers daarin, de studiefinanciering en de ov-jaarkaart.
Marginaal, omdat het allemaal niets toevoegt aan de essentie van elke opleiding. De kern van alle onderwijs is proberen over te brengen wat we weten over drie dingen: hoe de werkelijkheid in elkaar zit, hoe dat zo gekomen is en hoe je haar kunt manipuleren. Of het nou gaat om rekenen, taal en aardrijkskunde, of om metaalbewerken, de verpleging, of astronomie, het fundament is steeds kennis. En kennis moet kunnen groeien.
Ho! Oeps, nou was ik bijna gaan zitten zeuren over hoe alles om u heen er niet geweest was zonder wetenschap, en ik wou al gaan vertellen dat welvarende landen dat alleen kunnen blijven als ze een substantieel deel van hun rijkdom stoppen in kennisvermeerdering, en als ik niet uit had gekeken was ik ook nog begonnen over de principiële onmogelijkheid om van tevoren te weten waar de kennisdoorbraken zullen zitten. Maar ik doe het niet, want het heeft geen zin. U gelooft het namelijk allemaal wel, of niet.
En toch is er voor het woord wetenschap zeker een weg terug. Naar een prettige bijklank, en naar de volgende kabinetsformatie. Hart voor de wetenschap vind je op dit moment vooral binnen de wetenschap zelf. En daar moeten ze hun mond veel meer gaan roeren. Sterker nog: er moet hoognodig oproer komen. Heren en enkele dame, niet meer u steeds verder laten terugduwen in uw eigen hoekje en aan onderling gebakkelei uw krachten spenderen, maar een keihard, gezamenlijk offensief beginnen! Als u nou eindelijk eens – in niet-academische bewoordingen graag – ontstellende stampei gaat maken over de idiote, inmiddels vrijwel voltooide uitholling van het wetenschappelijk bestel, dan komt de pers vanzelf luisteren, en dan is er ineens wél een schandaal, en moet de politiek de koers omgooien.
En als de journalisten langskomen, toon ze dan meteen die waanzinnige passie waarvan ik toevallig weet dat die in velen van u leeft, dat hartstochtelijke verlangen naar begrijpen hoe de wereld in elkaar zit, en de immense voldoening als je er weer iets meer van snapt dan eerst. Geef gerust toe dat wetenschap soms ook stomvervelend, moeilijk en gevaarlijk kan zijn, maar vertel waarom u het toch doet. Geloof me, uw enthousiasme is besmettelijk.

Post en wraak

Van de week kondigde de PTT Post weer eens een verslechtering van de dienstverlening aan. Voortaan loopt u een veel grotere kans dan voorheen dat de postbode pas om drie of vier uur ’s middags uw brievenbus vult.

Ik kan u verzekeren dat dat prima zal lukken, toevallig heeft men in mijn eigen buurt al een grote ervaring opgedaan met deze werkmethode. Maar u zult het helemaal niet erg vinden, wist een woordvoerder, want de meesten van u zijn toch niet thuis overdag.

Die PTT toch, altijd een goed verhaal klaar. Weet u nog dat het versturen van een kaartje ineens net zo duur werd als het versturen van een brief? Dat was veel gemakkelijker en overzichtelijker voor ons. Ook verschrikkelijk handig waren wat later velletjes van tien postzegels voor het buitenland. Het kostte ineens wel een kwart meer om iets over de grens te sturen, maar daar sprak de PTT wijselijk zo weinig mogelijk over. Sinds begin dit jaar is er voor dat buitenland trouwens ook nog een ondoorzichtig systeem met ‘priorityzegels’ bij gekomen. Enfin, bestudeert u vooral een keer de folder ‘Tarieven en kwaliteit’.

Eisen aan uw brievenbus en het formaat van uw pakjes en brieven, het verdwijnen van talloze postagentschappen en postkantoren, het opheffen van de lichting van tien uur ’s avonds, nu ja, er komt geen end aan de manieren waarop de PTT de service weet te verminderen. Hoe lang is het inmiddels geleden dat er twee postbestellingen per dag waren? Ik word prompt overvallen door een oma-vertelt-gevoel als ik daarover begin.

Toch durf ik te voorspellen dat de grote ommekeer binnen tien jaar daar zal zijn. Het aantal ‘poststukken’ zoals het geloof ik in PTT-jargon heet, zal dramatisch afnemen. Want u gaat massaal aan de e-mail. Ik zal u uitleggen waarom. Dat wil zeggen: degenen onder u die de elektronische post nog niet zelf ontdekt hebben.

Samen met onder meer de pil en de contactlens behoort e-mail tot de grote zegeningen van deze eeuw. Het is doodeenvoudig, spotgoedkoop en er kan veel meer dan de klassieke post ooit zal bieden. Neem een vervelend karweitje als iemands adres overtypen als je zijn post wilt beantwoorden. Dat hoeft niet meer als diegene je een e-mailtje heeft gestuurd. Een druk op de ‘antwoord-knop’ en hup, het staat er al, geheid foutloos.

Die knop doet nog iets: hij geeft je vanzelf een kopie van wat de ander je schreef. Voor de duidelijkheid wordt de tekst in de kantlijn overal gemarkeerd met het tekentje >. Je kunt dan rechtstreeks reageren op iemands woorden. De gedeeltes waar je niets op terug te zeggen hebt, zijn in een oogwenk te verwijderen. E-mail heeft natuurlijk ook alle voordelen van de tekstverwerker: doorstrepen, uitgummen, tipexen, dat hoeft allemaal niet. Net zomin als een envelop pakken, een postzegel plakken, naar de brievenbus lopen. Als de brief klaar is, stuur je hem vanuit je stoel meteen weg. En het mooie is: zodra e-mail verstuurd is, is het ook bezorgd bij de geadresseerde. En het maakt niet uit waar ter wereld die woont.

In een paar seconden je post in Amerika, Australië of Afrika. De PTT doet daar al gauw tien dagen over. Anders dan bij telefoneren, spelen tijdsverschillen geen rol. Kijken of er iets in je elektronische postbus zit, doe je als het jou uitkomt. Ideaal. Het is dus nog mooier dan vroeger, toen een ’s ochtends gepost briefkaartje ’s middags aankwam. Met e-mail kun je elkaar dag en nacht direct antwoorden.

Ondertussen herleeft er een oude traditie. Ik schrijf tegenwoordig weer met vrienden en bekenden. Maar ook voor het zakelijk verkeer is e-mail bijzonder handig. Ook al omdat je alles wat er maar in een computer kan mee kunt sturen met je e-mailbericht: plaatjes, programma’s, teksten. Kwestie van de ‘aanhechtknop’ aanklikken. En er kan nog meer. Iets dat je binnen hebt gekregen, kun je meteen doorsturen naar een ander. En hetzelfde briefje kan bovendien in honderd- of voor mijn part duizendvoud rondgestuurd worden.

Bijkomend voordeel voor wie het leuk vindt, is dat er automatisch een wonderlijk dagboek op je harde schijf groeit. Als je zoals ik zowel voor de lol als voor het werk e-mailt, dan krijg je vanzelf een chronologisch geordend archief van zaken- en privéleven. Je kunt er nog op trefwoord in zoeken ook. Mocht u nog twijfelen over de aanschaf van een computer en een Internetaansluiting: bedenk dat het uw wraak op de PTT kan zijn.

Over de doden

Sinds er ruim twintig jaar geleden tot mijn enorme schrik ineens iemand die ik kende tussen stond, van mijn eigen leeftijd, sla ik de overlijdensadvertenties nooit meer over. Ik lees ze goed, kijk vaak verder dan de namen. Een beetje een morbide gewoonte, maar ik kan het niet laten.

Het is in elk geval een dagelijkse les in pluk-de-dag-technieken. Kijk, zegt zo’n bericht, ieder moment kan je leven totaal en voorgoed overhoop gegooid worden. Dan kunnen de allerliefsten en allerbelangrijksten zomaar verdwenen zijn.

Nou ja, andere mensen lezen in de Privé lezen over de ellende van Bekende Nederlanders, of kijken naar programma’s vol enge ziektes of naar Het spijt me voor hun portie gevoelens-via-een-omweg. Een emotionele uitwerking hebben rouwadvertenties al gauw. Allereerst natuurlijk in de vorm van – nogal gratuit, ik weet het – medeleven: goh, wat jong, jee, ook nog veertig jaar weduwe geweest, ach, wat een mooi weemoedig tekstje, enzovoort. Maar vaak ook in de vorm van ergernis.

De grootste is dat ik er dikwijls niet achter kan komen wie er dood is. Wat moet ik met een Els die betreurd wordt door Yolanda, Peter-Hans, Corianne, Moepie en nog zeventien andere collega’s? Wie zijn al die mensen, en waarom mag ik hun achternamen niet weten? Misschien kende ik Els namelijk wél. Ze kan ook de dochter van iemand zijn, of de moeder, of een vriendin van een bekende, en dan wil ik dat weten. Om de een of andere reden zijn het overigens vooral Volkskrantadverteerders die lezers in het ongewisse willen laten.

Ronduit ongemakkelijk voel ik me bij twee steeds populairdere gewoontes, die ik in alle kranten tegenkom. Ik weet heus wel dat iedereen de dood op zijn eigen manier moet verwerken enzo, en dat is ook echt waar, maar ik kan er niet aan wennen dat daarbij de overledenenaldoor aangesproken moeten worden. Ik vind het raar om aan iemand die het nooit zal kunnen lezen te schrijven: “je was een fantastische vriend” of “jouw gevoel voor humor heeft ons keer op keer geïnspireerd”. Het heeft ook iets bitters: nou ineens al die aardige dingen zeggen. Had dat maar eerder gedaan, denk ik dan.

Dode ondertekenaars zijn een ander gekte. Steeds meer zie ik onder de dode om wie het gaat namen met een kruisje staan (hetzelfde gebeurt trouwens ook wel erg vaak in geboorteaankondigingen). Ik maak me sterk dat de dode rouwenden in kwestie daar meestal geen inspraak in gehad hebben. Laat ik gauw de gelegenheid te baat nemen om nu al iedereen te verbieden om mij na mijn eigen overlijdensadvertentie ooit nog op te voeren in die van een ander. Het kan wel wezen dat jullie het gevoel hebben dat ik ‘er nog helemaal bij hoor’, maar dat is leuterkoek.

Aan de dood zitten ook merkwaardige taalproblemen. Heel veel proppen in weinig (inderdaad spuugdure) regeltjes leidt gauw tot verwarrende berichtgeving. Overbekend zijn natuurlijk de onuitroeibare varianten op “Net genietend van zijn pensioen nam God tot zich…”.

Maar ik lees ook nogal eens dat “mijn lieve man, vader en opa” gestorven is. Hoe je het ook draait of keert: dat kan niet, in dat zinnetje moet meer dan één bezittelijke voornaamwoord, of ‘mijn’ moet ‘onze’ worden (ook niet echt fraai, maar alla).

En ik struikel altijd over “Geschokt vernamen wij…” of “Diep bedroefd ontvingen wij het bericht…” Dat is ook onmogelijk, althans er zit een verkeerde volgorde in besloten. Want éérst hoor je dat iemand dood is, en dan pas ben je geschokt of ontroerd of ontroostbaar. En of ze daarmee ook ruimte proberen te besparen weet ik niet, maar advertentieopstellers lijken zich niet meer te herinneren dat ‘herinneren’ een wederkerend werkwoord is, en schrijven dus rustig “We zullen Piet herinneren als een…” of “We herinneren haar als degene die altijd…”.

Enfin, ook buiten het advertentiewezen is het soms lastig. Sinds mijn moeder dood is, loop ik zelf tegen een onmogelijkheid in het Nederlands op. Ik kan niet goed meer over mijn ouders praten. Want ik weet soms niet wat er op moet volgen. Zijn of waren ze bijvoorbeeld mensen die altijd een biertje en een borrel klaar hebben staan? Voor mijn vader gaat dat nog steeds helemaal op. Een verleden tijd klopt daarom voor mijn gevoel niet, maar een tegenwoordige tijd kan ook niet. Vreemd dat ze net als in het echt ook in in de taal gescheiden moeten worden.

Ik ben fijn

Moet ik de hoop dan maar opgeven? Ik ben zo langzamerhand bang dat ik het nooit leer. Net vier weken door Amerika getrokken en weer honderden keren ‘Hoe zijn jullie jongens het vandaag aan het doen?’ gehoord, maar aan het end van de reis kon ik nog stééds de neiging tot een echt antwoord nauwelijks onderdrukken.

Ik weet het al jaren, ‘How are you guys doing today?’ betekent niet meer dan ‘Hallo’, maar dat blijft op de een of andere manier een oppervlakkig weetje, niet iets dat ik me zo eigen heb gemaakt dat ik automatisch de goede reactie geef. Telkens als ik niets terugzeg, of vlakjes ‘Fine’ mompel, zoals het hoort, voel ik me een onbeleefde hork.     

Het rare is dat eigenlijk juist de andere partij dat is. Volslagen onbekende obers, hotelhouders of winkeljuffrouwen vragen je in Nederland niet hoe het met je gaat bij wijze van begroeting. Dat wel doen, doorbreekt onze codes. Je neiging: desalniettemin welwillend ingaan op de vraag.

Ik weet niet wat er zich in mijn binnenste afspeelt bij deze zich steeds herhalende gelegenheid, maar het lijkt wel of codes, rituelen, beleefdheidsformules ‘dieper’ zitten dan de toevallige taal. Ze laten zich in elk geval minder makkelijk vervangen dan de klanken en grammatica van je eigen taal.

Je moet ook een stap verder. Letterlijk terugvertalen helpt je alleen van de wal in de sloot. In feite moet je gewoon vergeten wat de woorden in ‘Have a nice day’ betekenen, en die klankreeks in zijn geheel opslaan en er het etiketje ‘Tot ziens’ opplakken. Zoals je andersom ‘Nee, dank u’ in de Amerikaanse horeca dient te vervangen door de letterlijke vertaling van ‘Ik ben fijn’. Ook dat blijf ik lastig vinden. ‘I’m fine’ zeggen, klinkt in mijn eigen oren of ik toneelspeel. 

En je moet het ook zo verschrikkelijk vaak zeggen. De beleefdheid schrijft in de Verenigde Staten immers voor dat het bedienend personeel je elk moment komt vragen of alles wel naar wens is, en of je nog iets wil. In Nederland zal geen barman het in zijn hersens halen om je voordat je glas bier leeg is, aan te bieden een nieuwe te tappen. In het betere restaurant hier is vragen of het smaakt en of je nog iets nodig hebt zoveel als een doodzonde. 

Toch wennen dat soort ‘onbeleefdheden’ van de andere partij gek genoeg makkelijker dan die van jezelf.  Ik kijk ook niet meer op van het tempo waarin de gangen opgediend worden in Amerika. Ik weet bovendien dat de vraag ‘Kan ik nog iets voor u halen?’ wil zeggen ‘Zal ik de rekening maar brengen?’, en ik voel me als die prompt arriveert terwijl mijn bord nog half vol is veel minder weggekeken dan de eerste keer dat ik het land bezocht (gezellig blijft overigens iets anders). Sterker nog, toen ik dit maal in een wegrestaurant bijna een half uur op mijn bestelling moest wachten, ben ik verontwaardigd gaan klagen. Dat zou hier niet gauw in me opkomen. Maar de formule ‘I’m fine’ uitspreken, blijft een ongemakkelijk gevoel geven.

Beleefd zijn in een vreemde taal is altijd lastig. Nog zo een: hoe maak je netjes duidelijk dat je een fooi wilt geven van zo- en zoveel? Wat is het protocol in Amerika? ‘Geef me maar tien dollar terug’, of ‘Maak er maar vijfentwintig van’ werkt niet, heb ik gemerkt. Daarmee bezorg je de ander kennelijk dezelfde onzekerheid die je zelf voelt bij allerlei omgangsrituelen. Personeel kijkt je een beetje raar aan, en gaat toch het complete wisselgeld staan uittellen. Met gênante vervolgdialogen als gevolg.   

Onderweg heb ik me vaak afgevraagd waarom ze mij op school nooit het standaardantwoord ‘I’m fine’ bijgebracht hebben. Ze doen in al die schoolboekjes wel alsof alles over ‘dagelijkse situaties’ gaat, maar in de praktijk blijk je al gauw met je mond vol tanden te staan. Het moet toch simpel zijn? Ik ben tenslotte ook van het kinderlijke idee afgebracht dat ‘Welke tijd is het?’ een wel erg merkwaardige manier is om te vragen hoe laat het is. Dan moet het vrij eenvoudig zijn om in de klas een Amerikaans-restaurant-scenario te oefenen.

De juiste openingszinnen kennen, is goud waard in het intermenselijk verkeer. Het zijn basisvaardigheden, die tegelijk juist speelruimte geven. Want heb je je door het juiste taalgebruik geïdentificeerd als een keurig, net iemand, dan kun je je daarna gerust allerlei fouten permitteren.

Seks hebben

Het is allemaal de schuld van Clinton. Of, nou ja, het komt door dat gedoe met die processen. Dat meisje Lewinsky* heeft volgens mij de genadeklap gegeven, en nou komen we er niet meer vanaf: voortaan moeten we het in Nederland over ‘seks hebben’ hebben. Het begon ermee dat ineens elke journalist zich afvroeg of Bill Clinton nou wel of geen seks had gehad in z’n achterkantoortje, maar al snel bleek dit type activiteit een grote vlucht genomen te hebben.

Een politieagent werd veroordeeld omdat hij seks had met een suïcidale vrouw, las ik in de krant, en scholieren gebruiken hun vakantie dikwijls voor het hebben van onveilige seks. En iedere keer als ik het lees of hoor, voel ik weerzin. Ik vind deze leenvertaling uit het Engels, want dat is het, onverteerbaar.

Maar dat vind ik tegelijkertijd grote flauwekul van mezelf. Er is niks tegen leenvertalingen. Tranentrekker (van tearjerker) bijvoorbeeld, is in mijn ogen bepaald een aanwinst. Harde schijf, dubbeldekker, streepjescode en haalbaarheidsonderzoek, allemaal uit het Engels vertaald en zo geleend. Prima woorden. Maar met ‘seks hebben’ wringt er iets. Het past niet helemaal in het Nederlandse systeem.

Aan de losse woorden kan het niet liggen: ‘seks’ is niks nieuws, dat hebben we volgens Van Dales Etymologisch Woordenboek al rond 1950 overgenomen, en ‘hebben’ is een van de frequentste Nederlandse woorden. Toch kun je in het Engels veel meer ‘hebben’ dan in het Nederlands. Weliswaar hebben wij honger, dorst, zin, pijn, angst, en nog zo wat, terwijl de Engelstaligen ‘hongerig’ of ‘in pijn’ zijn.

Maar in het Engels héb je weer lunch, koffie, diner, een snack, nou ja, alle etens- en drinkwaren. En je hebt seks. ‘Have’ is als het ware consumptiever dan ‘hebben’. Het consumptieve ‘hebben’ gebruiken wij in het Nederlands alleen bij een paar woorden als lol en plezier.

Dat sluit dan mooi aan bij ‘seks hebben’, zult u zeggen. Maar er wringt nog iets anders. De criminele contexten waarbinnen we deze zegswijze hebben leren kennen, maken hem niet aantrekkelijker, maar ook de associatie met de verwrongen manier waarop Amerikanen tegen seks aankijken bezorgt me mijn gevoel van afkeer.

Voor Amerikanen is seks al heel snel vies, voos en vunzig. Uit alle Amerikaanse films, series, comedy’s, soaps en talkshows waarmee we in Nederland overvoerd worden, spreekt angst voor seks. Het is een enge, eigenlijk oncontroleerbare drift. Dat leidt tot moeizame verhoudingen tussen de seksen, tot dat rare dating-circuit, auto-achterbankengefoezel, obsessies en stiekem gedoe. En in filmscènes natuurlijk tot het beroemde krankzinnige gedrapeer van, in en met lakens.

Ik ben misschien een beetje bang dat die Amerikaanse blik op seks besmettelijk is. Seks is toch al bezig een verdacht artikel te worden. Het lijkt wel of alles wat je erover in de media tegenkomt, gaat over de een of andere vorm van misbruik, en dat woord misbruik devalueert bovendien in rap tempo. Eén kneep in je billen, of één vrijpartij die achteraf toch niet zo verstandig was, en je bent getekend voor het leven. Dat is zo’n beetje de tendens aan het worden, en het bevalt me niks. Voor je het weet, praat je dat mensen nog aan ook.

Al die dingen kleven voor mij ‘seks hebben’ aan. Maar helaas moet ik deze uitdrukking een grootse toekomst voorspellen. Hij vult namelijk een gat in de taal. Op twee manieren. Seks is van oudsher taboe, en dus zo’n onderwerp waar we twee typen woorden voor hebben: platte en verhullende. De eufemismen kun je onderverdelen in oubolligheden als ‘gemeenschap’ of ‘het doen’, medische/Latijnse termen zoals ‘coïtus’, en woorden met een nogal diffuse, maar wel vriendelijke betekenis (vrijen, naar bed gaan). Allemaal niet erg geschikt voor modern mediagebruik.

Daarnaast lijkt ‘seks hebben’ een uitdrukking te worden met een echte eigen betekenis, een verzamelterm die we nog niet hadden: ofwel het gaat om orale seks (alweer zo’n leenvertaling, geloof ik), of om handmatige bevrediging van de ander, ofwel om echte penetratie. En het kan ook een combinatie uit die drie zijn. Alleen geknuffel, gezoen en geaai vallen er zeker niet onder. Enfin, gelukkig is het alleen een mediawoord. Tenminste, het lijkt mij sterk dat er in de huiskamer tegenwoordig gezegd wordt “Zullen we even lekker seks hebben, schat?” Brr, ik zou er niets van moeten hebben.

*Noot: ‘Dat meisje Lewinsky’? Foei toch. Schaam me met terugwerkende kracht voor die misplaatste laagdunkendheid. Zag de serie ‘The Clinton Affair’. Met afgrijzen gekeken naar wat Monica Lewinsky over zich heen kreeg. Had er toen weinig oog voor, sterker nog: ik deed in feite mee. Bah.

Radiolezen

De tijd dringt en dringt en dringt, en toch kan je maar één ding doen: wachten. Wanneer gaan ze iets zeggen? Gids erbij: is dit het type muziek dat je mag verwachten op de zender die je zoekt? Wie weet. Geduld. Ah, de afkondiging! Nee dus! Verkeerde station. Verder draaien aan de knop. Is dit hem dan? Dat programma begint echt zó. Wacht, het ANP-nieuws. Dan is dit vast Radio 1. Als het tenminste niet de regionale omroep is… Zie je wel, wéér het begin gemist.
Natuurlijk, het lag aan mezelf. Ik luisterde niet genoeg radio, was te lui om na het zoveelste gehussel met zenders opnieuw op mijn apparaat aan te geven waar wat zat, kon dus nooit iets vinden, en zo bleef ik weinig radio luisteren. Maar dat is nu allemaal voorgoed veranderd. Ik ben als een kind zo blij met mijn nieuwe speeltje: een radio die je kunt lezen. Misschien heeft u er allang een thuis, en waarschijnlijk bestaan ze al jaren, maar ik wist het niet.
Het gaat om een verbluffend praktisch staaltje toegepaste techniek. Tegenwoordig worden er samen met het geluid ook letters en cijfers meegestuurd, die in het venstertje van de radio kunnen verschijnen. Een soort radio-teletekst. Je hoeft niet meer te wachten op een op zichzelf vaak hinderlijke ‘station call’, maar je leest direct de precieze frequentie, en als het meezit, vind je achter een bepaald knopje ook de zender en omroep, de programmanaam en het programmatype, en wat de uitzender verder maar wil vertellen aan de luisteraars. Het mooie van schrift is dat een handjevol letters en cijfers een wereld van verschil kunnen maken. Aan ’r 1 NOS’ bijvoorbeeld, heb je al gauw genoeg. Het kan ook uitgebreider. De Vlaamse Radio 1 laat opgewekt weten dat we luisteren naar ‘De zuidkant, informatie over de zonnige kanten van het leven’, en voor de liefhebber wordt het telefoonnummer van ‘NCRV’s nachtzorg’ in beeld gebracht.
Voor luieriken en knoppenangstigen is het dus tegenwoordig allemaal perfect geregeld. Nou ja, bijna. Een onopgelost probleem blijft dat ook het meest gerenommeerde bedrijf kennelijk nog steeds geen fatsoenlijke tekstschrijver kan vinden voor de handleiding. Je moet daarom eerst door tamelijk onbegrijpelijke, ook nog buitenlandse tekst heen om erachter te komen dat één druk op één knop genoeg is om automatisch achter elkaar dertig zenders voor te programmeren. Dat is fantastisch, want juist omdat je kunt lezen wat je hoort, is de volgorde niet van belang. Je hoeft niet te onthouden dat Radio 1 op kanaal twee zit, en de regionale zender op tien, want je kunt het zo zien.
Twee dingen begrijpt mijn radio verkeerd. Als ik de powerknop op de afstandsbediening indruk dan loopt meteen het woord ‘welcome’ over het schermpje. Dat is de omgekeerde wereld. Dit is toevallig wel mijn huis, daar wens ik niet door een vreemdeling van welke soort dan ook welkom geheten te worden. Jammer genoeg komt ook het tijdsgewricht op stuitende wijze tot uiting. Niet alle zenders sturen alle typen informatie mee. Gedachteloos druk je dus op het knopje dat van type informatie naar type informatie overschakelt. Maar oeps, ook de functie ‘TA’ zit onder dat zelfde knopje. Druk je een keertje te veel dan ben je ineens je zender kwijt. TA staat namelijk voor Traffic Announcement, en doet je radio op hol slaan. Op eigen houtje gaat hij lopen zoeken waar ze misschien files aan het voorlezen zijn. Een treffende illustratie van het oppergezag van de autorijder.
Ook ligt misbruik van het prachtsysteem op de loer. Radio Tien Gold gebruikt de leesfunctie al om reclame te maken voor zichzelf. Nog even, en ze gaan die ruimte natuurlijk verkopen aan luierfabrikanten of uitzendbureaus. Enfin, je kunt het uitzetten.
Maar de allermooiste service biedt, ere wie ere toekomt, het commerciële station Sky Radio. Die geven in beeld artiest en titel van het nummer dat je op dat moment hoort. Ideaal. Het vervloeken van de dj die na dat schitterende liedje niet zegt wie het was, is daarmee verleden tijd. Alleen begrijp ik echt niet waarom niet iedereen dat doet. Ook buiten de popmuziek liggen hier massa’s mogelijkheden. Welk concert is dit? Wie wordt er hier geïnterviewd? Dit lijkt me nou een makkelijk te scoren puntje in de concurrentiestrijd tussen de publieke en commerciële omroepen. Hilversum, geef ons meer radio te lezen!

Jijën en uën

Catherine Keijl van de week tegen de Minister van Binnenlandse Zaken: “Nou Hans, jou hoeven we eigenlijk niet meer voor te stellen, maar doe het toch nog maar even.” Boink. Er botst iets in mijn hoofd. Ik vind dat Catherine Keijl, of welke tv-ondervrager dan ook, géén jij tegen een minister moet zeggen. Ben ik een ouwe zeurneus aan het worden?

Als er íets aan het veranderen is in Nederland, dan zijn het wel de sociale codes voor tutoyeren. Zou er over honderd jaar nog iemand u zeggen? Dat valt serieus te betwijfelen. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat we met z’n allen het pad aan het effenen zijn voor het Engelse systeem dat alleen ‘you’ kent. Maar onderweg zitten wij in ons dagelijks taalgebruik wel met een uiterst gevoelige, subtiel liggende kwestie. Je zal maar een buitenlander zijn die Nederlands wil leren. Kunt u zo iemand uitleggen wat hier moet en mag als het om jijen en uën gaat?

Wellicht heeft u er nooit last van, maar voor mijzelf is het een van de weinige zaken waar ik al pratend geregeld bewust over nadenk. Vaak is het knap lastig, en ik weet eigenlijk niet wat ik precies voorsta, of doe. Toch heb ik strikte ideeën. Jij tegen Dijkstal is kennelijk over de schreef, maar ik ben geloof ik niet consequent. Toen ik een keer stomtoevallig aan de praat raakte met minister Melkert, op een feestje dat helemaal niets met politiek te maken had, probeerde ik de directe aanspreekvorm te vermijden, omdat zowel u als jij me ongepast voorkwam.

Anderzijds laat dat misschien wel precies zien waar de tutoyeer-criteria liggen: het zit ’m in leeftijd en status. En dat is altijd zo geweest, maar allebei die dingen zijn aan het schuiven. Melkert is weliswaar minister, maar hij was niet in functie, en bovendien is hij net zo oud als ik. Onze generatie spreekt in principe leeftijdgenoten en alles daaronder met jij aan. Ik schat dat die gewoonte al iets eerder begonnen is: bij de babyboomers. Toen die opgroeiden is de zaak van ‘je tutoyeert nooit, tenzij…’ omgeslagen naar ‘je tutoyeert altijd, tenzij…’

Het zal wel weer het gelijkheidsideaal geweest zijn. Dat morrelde ook nogal aan de status van mensen. De dokter, de politieagent en de professor verloren mét een deel van hun gezag het recht op altijd met u aangesproken worden.

Schuift de tutoyeer-grens nu langzaam op, tot iedereen die nog u zei uitgestorven is? Zo simpel blijkt het ook weer niet te zijn, want het aantal jongeren dat denkt u tegen mij te moeten zeggen groeit gestaag. Met de jaren, om precies te zijn. En ondertussen past een deel van de zestigers en zeventigers zich ook driftig aan. Op de middelbare school zei je meneer en mevrouw tegen de ouders van je vrienden, en tegen de vrienden van je ouders. Maar ontmoet ik diezelfde mensen nu, ruim twintig jaar later, dan stelt de ene helft zich aan me voor met voornaam, terwijl de andere helft nota bene u tegen mij zegt. Ondertussen tutoyeren de kinderen van mijn vrienden me allemaal.

Het is erg verwarrend. En vaak is het onduidelijk of de veranderingen nou alleen in jezelf of in de hele maatschappij zitten. Leeftijd is een relatief begrip. Voor tieners zijn twintigers hele oude volwassenen, maar voor veertigers zijn vijftigers vrijwel leeftijdgenoten. Maar ook status is iets relatiefs. Die groeit niet alleen met je mee (als het goed is), hij blijft ondertussen je leven lang afhankelijk van de omstandigheden. Ben ik patiënt dan zeg ik u tegen de co-assistent al is dat nog zo’n jong knulletje, maar een oudere collega-journalist die ik voor het eerst ontmoet, spreek ik met jij aan. En soms ook weer niet.

Jongleren met je sociale vaardigheden, dat is het. Want ondertussen kan de verkeerde wel of niet tutoyeren een geweldige faux pas zijn. Of Catherine die maakte tegenover Dijkstal is trouwens discutabel. Je moet je status natuurlijk ook een beetje bewaken, en al die toeterende, vals zingende, uitzinnig juichende, in Sterrenslag en praatshows optredende politici hebben daar bepaald afbreuk aan gedaan. Of is dat ouderwets gedacht?

Geen gehoor

Als je doof geboren wordt, is dat maar om één reden vervelend: dat er hier niet veel meer mensen doof geboren worden. Want was dat wel zo, dan kende iedereen vanzelf gebarentaal. Zoals in het begin van deze eeuw nog, op het Amerikaanse eilandje Martha s Vineyard, waar in een paar piepkleine plaatsjes eeuwenlang veel erfelijke doofheid voorkwam. Doof zijn was er niks bijzonders en het weerhield niemand van het vervullen van welke functie dan ook, omdat iedereen van kleins af aan gebarentaal begreep én gebruikte. Ook de horenden benutten graag de extra mogelijkheden, zoals op afstand roddelen met een verrekijker, of in een loeiende storm op een bootje de bemanning iets duidelijk maken.
Weliswaar groeit de meerderheid van de wereldbevolking tweetalig op, maar dat heeft uiterst zelden als reden dat er zo veel doven zijn. Dus is bijna nooit een van die twee talen een gebarentaal. Dove kinderen zijn daarom over het algemeen akelig afhankelijk van de goodwill van de horende wereld.
Goddank wonen u en ik in een beschaafd land. Wij laten dove kindertjes niet eenzaam wegrotten. We hebben doveninstituten. En daarom is er gelukkig een Nederlandse Gebarentaal ontstaan. Ons taalvermogen heeft namelijk de opmerkelijke eigenschap dat het er hoe dan ook uit komt als je mensen bij elkaar zet. Is er geen (gemeenschappelijke) taal dan vinden ze die vanzelf uit. Onder doven wordt het altijd een gebarentaal, die telkens volkomen gelijkwaardig blijkt te zijn aan gesproken talen. Dat laatste is nu ruim dertig jaar bekend. Ook weten we al een hele poos dat ons vermogen om als een spons een taal op te nemen in de loop van onze jeugd snel afneemt.
Dus, denkt u, in Nederland doet iedereen er alles aan om te zorgen dat dove kleintjes meteen aangesproken worden in de enige taal waarin ze gegarandeerd een normale taalontwikkeling kunnen doormaken. En uiteraard heeft deze autochtone taalminderheid recht op onderwijs in eigen taal en cultuur. Er is dus goed onderwijsmateriaal, zoals gebarenwoordenboeken, ook bijvoorbeeld voor horende ouders en familie en buren. Die kunnen ook allemaal naar het wekelijkse televisieprogramma in gebarentaal kijken. Universitair onderzoek naar de Nederlandse Gebarentaal wordt gestimuleerd, er verschijnen regelmatig uitgaven in, en de overheid subsidieert mooie festivals waar gebarenpoëzie valt te zien, en voorstellingen in gebarentaal.
En omdat moedertaalsprekers van de Nederlandse Gebarentaal in het aardige, nette en steenrijke Nederland wonen, wordt er andersom hard aan gewerkt de Nederlandse taal en cultuur toegankelijk te maken voor doven. Nieuwsuitzendingen worden getolkt, en ook bij andere programma’s zie je vaak de ‘gebarenpostzegel’ in een hoekje. Bij toneelvoorstellingen en lezingen wordt dikwijls een hoekje gereserveerd voor de gebarentolk.
Wel. Mooi niet. Eigenlijk kan ik niet geloven dat van al die dingen er nog steeds zelfs niet één waar is. Hoe dat kan? Ik hoop dat het vooral gebrek aan kennis en niet alleen onwil is. De regering vindt (hoera!) dat gebarentaal als officiële taal erkend moet worden, en liet daarom een commissie uitzoeken hoe dat het beste kon. Die commissie ontdekte meteen dat de Haagse ambtenarij geen flauw benul maar wel vooroordelen had, en nam dus in haar heldere rapport, dat in juni 1997 verscheen, veel extra uitleg op. Paarlen voor de zwijnen van de Raad voor Cultuur. Die bestond het onlangs om negatief te adviseren over een op te zetten televisieprogramma over en in gebarentaal, onder meer omdat sommige woorden en begrippen niet met gebaren uit te drukken zouden zijn.
Zo blijft gebarentaal onbekend. Dus als er dan eens iets aardigs gebeurt, zoals laatst toen de voorstellingen van de Spice Girls vertaald werden door gebarentaaltolk Mindy Brown, dan wordt die door een Parool-recensent als een soort aanstelster afgeschilderd. Nooit gebarentaal gezien natuurlijk, en dus ook niet bedacht dat alles wat hij zelf met intonatie en volume doet in gebarentaal met expressie gebeurt. Enfin, in 2010 moet het hier een beschaafd land zijn. Volgens de aanbevelingen in het commissierapport, maar ook volgens de VPRO-serie Het jaar van de opvolging die dan speelt: bij een spreekbeurt van een politicus staat er een tolk naast hem. Alleen vindt de camera van nu dat nog zo gek dat hij er voortdurend op inzoomt.

Voor aap

De pratende aap is een soort monster van Loch Ness. Wat je ook doet, eens in de zoveel tijd duikt hij weer op, en altijd tot grote vreugde van de verzamelde pers. Toch wil Nessy daar in Schotland nooit eens een rondje zwemmen voor de camera, en heeft niemand ooit een aap vastgelegd die riep: ‘Ha, jongens, leuk dat jullie er weer allemaal zijn. Waar zullen we het vandaag eens over hebben?’

Dat is wel verschrikkelijk jammer. Zo’n voorwereldlijk beest, wat zou het prachtig zijn als hij bestond. En geen mens die niet valt voor de charme van onze bijna-soortgenootjes de mensapen. Wie wil er nou niet weten hoe het voelt om een chimpansee te zijn?

Dus staan toeristen en journalisten als Nessy weer eens gesignaleerd is, gebroederlijk naar dat Schotse meer te turen, en wordt elk verslag over een aap die iets doet dat op taal lijkt gewoonlijk grif geloofd. Maar dat uitgerekend de chimpansee Washoe momenteel opnieuw de kolommen van kranten en tijdschriften haalt – een van haar verzorgers heeft een boek over haar geschreven – is toch licht bizar.

Het is nu bijna een kwart eeuw geleden dat ‘Project Nim’ begon. Nim Chimpsky moest voor eens en voor altijd duidelijk maken of Noam Chomsky gelijk had met zijn uitgangspunt dat alleen mensen een taalvermogen bezitten. Waarom? Omdat de gegevens over Washoe niet beschikbaar of niet controleerbaar waren.

De vrouwtjeschimpansee van het psychologenechtpaar Gardner had eind jaren zestig voor flink wat consternatie gezorgd. Het begon toen net een beetje door te dringen dat de gebarentalen van doven volwaardige talen waren, die je dus zou kunnen gebruiken om de taaltalenten van apen te testen. Want op praten met een stem zijn apen nu eenmaal niet gebouwd. En inderdaad bleek Washoe in staat om, met veel oefenen, in een paar jaar tijd meer dan honderd verschillende gebaren uit de Amerikaanse Gebarentaal te leren. Sensationeel nieuws. De Gardners verkondigden dat ze een aap taal geleerd hadden.

Nou ja, de verschillen met mensenkinderen lagen wel voor het oprapen: die hebben immers geen intensieve taaltrainingen nodig, en ze pikken desalniettemin zodra ze een beetje met praten begonnen zijn élke dag zes tot tien nieuwe woorden op, minstens tot aan hun zesde verjaardag. Maar daarover ging het in de verhitte discussies meestal niet. Die spitsten zich toe op het combineervermogen van Washoe. Kon ze zelf nieuwe gebaren maken, en als ze meer gebaren achter elkaar zette, zat daar dan een patroon in? Met andere woorden: beschikte Washoe, net als elk kind dat aan een taal is blootgesteld, over een grammatica?

Het viel voor de buitenwereld niet uit te maken. Er waren tot de verbeelding sprekende anekdotes, er waren stukjes film en aantekeningen, maar precieze gegevens ontbraken. Dat wilde psycholinguïst Herbert Terrace met Nim beter doen. Bij Nim Chimpsky werd alles van het begin af aan exact vastgelegd, op nauwomschreven manieren. Toen het project na vier jaar stopgezet werd, lag er een gigantische berg ruwe gegevens, en was iedereen die Nim onderwezen of verzorgd had enthousiast en optimistisch over zijn prestaties. Allemaal hadden ze gezien hoe slim en creatief hij was, en hij leek zelfs voorkeuren voor bepaalde gebarenvolgordes te hebben.

Meer dan twintigduizend genoteerde ‘uitingen’ van Nim, met hun context, werden er uiteindelijk geanalyseerd, en tientallen banden met video-opnames. Maar tot Terraces verbazing en teleurstelling kon hij geen enkel patroon vinden. Hoe veel grammaticale zinnen in gebarentaal Nim ook als voorbeeld gehad had, hijzelf maakte geen zinnen. Volgordes waren willekeurig, en heel vaak bleek hij alleen zijn leraren na te praten. Volgens Terrace was bovendien al Nims taalgebruik gericht op iets (gedaan) krijgen. Niet echt het inkijkje in de chimpanseeziel waar we op wachtten.

Er zijn na Nim nog meer projecten geweest. Sommige lopen nog. Maar nooit is er meer zo veel materiaal verzameld, of een soortgelijke analyse gemaakt. Enfin, over de blinde vlekken en menselijke zwakheden van de meeste apentaalonderzoekers een andere keer meer.
Nim Chimpsky is ondertussen allang met pensioen. Hij woont ergens in Texas, op de Black Beauty Ranch, een soort bejaardentehuis voor beroemde dieren. Jammer dat hij niet nog véél beroemder is.

Pasgemaaid gras

Hoe ruikt een roos? Wat is een typische verflucht? Waarnaar stinkt kattepis? Ik zal het u vertellen. Rozen ruiken onmiskenbaar naar rozen, verse verf naar verse verf en kattepis naar kattepis. Een betere omschrijving is er niet.

 Voor geuren hebben we nauwelijks een eigen woordenschat. Goed, we spelen soms leentjebuur bij het kleine woordreservoir voor smaken en onze tastzin (zoet, zuur, scherp), of we doen het met onze lichamelijke reacties (iets ruikt opwindend, misselijkmakend), maar voor de rest ruikt pasgemaaid gras uitsluitend naar pasgemaaid gras en sinaasappel naar sinaasappel. ‘Geur’ en ‘stank’, dat onderscheid kennen we: een positief-neutraal woord en een negatief woord. Nou vooruit, er is nog de overkoepelende term ‘lucht’, en wijn heeft ‘bouquet’, en eten, drinken en roken kunnen een ‘aroma’ verspreiden.

Betekent dat armzalige rijtje nou dat we slecht zijn in geur waarnemen? Domme vraag. Nee. We kunnen eindeloze hoeveelheden geuren onderscheiden, opslaan en herkennen. Het reukvermogen werkt zelfs perfect als we geen flauw benul hebben wát we ruiken. Een bepaalde geur brengt ons in een flits automatisch terug naar het huis van oma, naar die eerste grote liefde, of naar een ellendige vakantie. Maar wat er nou indertijd in de lucht hing, is vaak met geen mogelijkheid te benoemen.

Toch is bijna iedereen geneigd te denken dat we de wereld zien, voelen, beleven in de termen die we ervoor hebben. Zo ook de kunsthistoricus John Gage, die vorige week in deze krant werd aangehaald nadat hij een prijs had gewonnen voor zijn onderzoek naar kleur, kunst en cultuurgeschiedenis.

De prestaties van onze neus staan niet alleen. Ons oog, memoreerde Gage, kan ook ontelbare kleurnuances onderscheiden. Toch hebben de meeste talen niet meer dan tussen de acht en elf verschillende basistermen voor kleuren, en Gage zou heel graag zien dat taalkundigen zich met de kleuren van kunstwerken gingen bezighouden. Hij denkt namelijk dat het beperkte kleurvocabulaire een dwingend effect heeft op de waarneming, want perceptie en taal zijn nauw met elkaar verweven.

Dat is vreemd. Of hij het echt zo bedoeld heeft, weet ik niet, maar volgens mij zegt Gage: we nemen al die nuances wel waar, maar omdat we er geen namen voor hebben, nemen we ze toch niet waar. Haalt hij misschien ‘waarnemen’ en ‘overbrengen wat je waarneemt aan een ander’ door elkaar?

Maar er is wel het een en ander bekend over kleur en taal, en daar zitten intrigerende universalia tussen. Talen verschillen inderdaad in hoeveel basistermen ze hebben om het kleurenspectrum mee te beschrijven, maar niet willekeurig.

Het minimum aantal schijnt drie te zijn, en dan gaat het steevast om zwart, wit en rood. In talen met vier termen komt groen erbij, en dan volgen geel en blauw. Zonder de primaire kleuren dus geen woorden voor de plekken op het spectrum die daar tussenin zitten. Er is een duidelijke hiërarchie, die naarmate het keurenvocabulaire van een taal groter is, minder voorspelbaar wordt, maar bij een uitbreiding gaat het wel telkens om complementaire paren van het spectrum.

Weinig termen betekent dat het ‘bereik’ van een kleur relatief groot is. Oranje heet ook rood, en paars blauw. Het grappige is nu dat als je mensen vraagt om het roodste rood of het groenste groen aan te wijzen, dat iedereen op een kleurenkaart hetzelfde rood en groen aanwijst. Onafhankelijk van hoeveel kleurentermen een taal toevallig heeft. In die zin is onze waarneming dus helemaal niet afhankelijk van taal.

Toch blijf ik met een vraag zitten, die bij mijn weten in al die taalonderzoekjes nooit gesteld is. Zouden de sprekers van zo’n taal met bijvoorbeeld maar vijf kleurentermen zich in het dagelijks leven niet toch vaak wat preciezer uitdrukken? Combineren, omschrijven, ter plekke iets nieuws verzinnen, kan immers in elke taal.

Als wij over de geur van sinaasappels kunnen praten, dan kan een oranjeloze taal ook over de kleur van sinaasappels praten. De Engelsen doen dat met orange standaard, wij gebruiken bijvoorbeeld aubergine, smaragd en saffraan dubbel, of we nuanceren met samenstellingen – van roomwit tot gitzwart – of praten over ‘die gelige kleur van jouw trui’. Het zou me ongelooflijk verbazen als dat géén universele mechanismen waren.

Laffe honden

Hoera, onze minister van onderwijs heeft openlijk spijt betuigd. Onder Ritzens directe verantwoordelijkheid werd de pannenkoek geboren, samen met onder meer het gedachtegoed de ruggengraat en secondelang, spelwijzen waar iedereen van schrok. Ritzen hield tot dusver zijn mond, maar van de week werd hij geciteerd in een aantal kranten. Hij had in een interview met het blad van de Taalunie laten weten niet dolverheugd te zijn over die nieuwe spelling, en meteen wees hij de boosdoeners aan: het waren de taalkundigen geweest. ‘We’, zo liet hij weten, waren toch nog te veel met die mensen meegegaan. Voor ‘we’ moet u lezen: het Comité van Ministers (van onderwijs) van de Taalunie, dat sinds 1980 als enige kan besluiten de spelling van het Nederlands te veranderen. Van die mogelijkheid werd in 1995, onder Ritzen, voor het eerst gebruik gemaakt.
Terugkijkend is Ritzen daar dus niet tevreden over, maar ja, omzien doet hij liever niet. “We moeten naar de toekomst kijken”, zegt hij ferm. Daar ziet hij een mooie oplossing: “De komende twintig à dertig jaar geldt: handen af van de spelling.” Een vertrouwd geluid, niet? Ritzens reactie past in de paarse traditie: krokodilletranen plengen en de rotzooi de rotzooi laten, in plaats van de verantwoordelijkheid nemen en de zaak oplossen. Maar, eerlijk is eerlijk, voor zo’n houding hoef je geen politicus te zijn. Ritzen is de hekkesluiter van een hele stoet zwarte-Pietspelers.
Want de minister zegt nu dat de taalkundigen het fout hebben gedaan, maar lang daarvoor hadden die taalkundigen al laten weten dat het de schuld van de ministers was. Hadden die nou maar integraal alle voorstellen van de deskundigen overgenomen, dan was er niets aan de hand geweest. Dat je onder geen beding mag aankomen met bijvoorbeeld een spellingsvoorschrift dat afhangt van een mechanisme dat ook geen taalkundige precies snapt (woorden die naast een meervoud op -en er ook een hebben dat eindigt op -s, krijgen géén tussen-n, maar welke woorden dat zijn weet letterlijk niemand), was kennelijk niet in de deskundige hoofden opgekomen. Wel vertelde een van de verantwoordelijken in het openbaar dat hij zich net een burgemeester in oorlogstijd voelde. En ook kwamen de taalkundigen die zich niet met de spelling hadden beziggehouden bijeen. Dat u hun voorgenomen gezamenlijke protest nergens gehoord hebt, kwam doordat men uiteindelijk toch te bang was misschien een collega voor het hoofd te stoten.
Maar er waren meer laffe en luie honden. De journalisten bijvoorbeeld. Bijna alles wat er in de media over het onderwerp gemeld werd, zat vol feitelijke onjuistheden. Hadden de verslaggevers geen zin zich echt te verdiepen in wat er voorgesteld werd, of ontbrak het ze aan de moed te bekennen dat ze er geen barst van snapten? Hoe dan ook: vrijwel niemand protesteerde.
En vervolgens gingen de uitgevers, inclusief die van kranten, een voor een om, ook al was er geen enkele wettelijke verplichting dat te doen. Dat was de grootste gemiste kans: een boycot van alleen Van Dale en de dagbladen was hoogstwaarschijnlijk al genoeg geweest om de zaak terug te draaien. Maar nee, het zou allemaal wel meevallen, je kon het toch opzoeken, en je had toch spellingcheckers, zo luidde de redenering. Wie boeken uitgaf, was bovendien bang voor een kopersstaking. Het resultaat is nu al anderhalf jaar te zien: het omgekeerde van wat de bedoeling was, namelijk minder eenheid in de spelling dan eerst. Deels omdat de nieuwe regels niet eenduidig zijn, deels omdat velen begrijpelijkerwijs geen enkele behoefte voelen zich eraan te houden. Nog dagelijks kreunen en morren dus de redacteuren en schrijvers, en de rest van de bevolking is in totale verwarring achtergebleven. Eigenlijk is het ook niet te snappen dat aan zoiets futiels als een spellingswijziging op een paar kleine punten zoveel tijd, geld en energie gespendeerd wordt, terwijl het bijna uitsluitend ergernis en onzekerheid blijkt op te leveren.
Ondertussen lacht er één in zijn vuistje. Dat is de Sdu, die met het groene boekje de droom van elke uitgever zomaar in de schoot geworpen kreeg: een compleet manuscript waar zelfs geen letter aan veranderd mág worden, en dat alleen in honderdduizendvouden gedrukt en verkocht hoeft te worden.

De ongrijpbare, doodgewone dood

Dat in den beginne ‘Het Woord’ was, is een misverstand. Alles aan en in ons is eerder ontstaan. Ons drift- en verdere gevoelsleven, onmisbare lichaamsfuncties als de bloedsomloop en het spijsverteringsstelsel, het was er allemaal allang toen de menselijke evolutie zijn voorlopig eindpunt bereikte in ons taalvermogen.

Maar zoals bekend bouwt de evolutie vrolijk in het wilde weg voort op wat er al aanwezig was. Als de soort er maar mee overleeft. ‘Oud’ en ‘nieuw’ sluiten daardoor soms op wonderlijke, moeilijk te snappen manieren op elkaar aan. Er zijn bijvoorbeeld overduidelijk verbindingen tussen ‘gevoel’ en ‘verstand’, maar hoe die precies liggen, weet niemand.

Zo blijft het knap lastig om gevoel in taal te vangen, terwijl we dat toch graag willen. Het gemoed moet van tijd tot tijd gelucht. Soms om enthousiasme te ontladen, vaker om iets negatiefs kwijt te raken. En laten we daar nou juist het ongrijpbare en oncontroleerbare in ons voor aangrijpen, die oude dingen die er al waren voor we konden praten.

Want om onze woorden een extra gevoelswaarde mee te geven, putten we onophoudelijk uit het lexicon dat hoort bij seks, ziekte en stofwisseling: klootzakken leveren trutten kutstreken of komen met lulsmoezen, idiote teringlijers hebben een pestbui als ze lopen te kankeren, en kakmadammen en snotapen vinden slijmjurken retegezellig, vooral als het poepiedruk is.

Dat extra effect komt natuurlijk voort uit het feit dat het eigenlijk taboe is die woorden te gebruiken. Waarom dat zo is? Dat is een universeel raadsel.

Want we hebben hier zeker niet te maken met een vreemde Nederlandse afwijking. Volgens dr. Reinhold Aman, de ‘Vorst van de Vloek’, die voor zijn tijdschrift Maledicta 220 talen uit alle delen van de wereld onderzocht op verbale agressie, kom je in elke cultuur de lichaamsfuncties (inclusief seks) als expressiemiddel tegen.

Religie en familie zijn de twee andere bronnen, en afhankelijk van de cultuur is het een beetje meer van het een dan van het ander. Familie doet het bij ons toevallig niet zo goed (je kunt hooguit ergens een broertje aan dood hebben), maar god des te beter (godallemachtig nou! jezus, dat kan je wel zeggen). En ook in die twee categorieën zit dat element van het oncontroleerbare en ongrijpbare, terwijl je er toch afhankelijk van bent: temidden van wie je geboren wordt, kun je niet zelf bepalen, maar je zit er op vele manieren aan vast, en godsdiensten zijn speciaal uitgevonden om alles waar je in het leven niets aan kunt doen nog een schijn van zin en samenhang te geven.

Maar het ongrijpbaarste en oncontroleerbaarste van alles is de dood. Het moment dat alle lichaamsfuncties stoppen, en dat er geen moedertjelief of Heilige Vader meer aan helpt.

Geen wonder dat het woord het goed doet als ‘versterker’. Het gaat bijvoorbeeld uitstekend samen met allerlei ‘gevoelswerkwoorden’: je kunt je dood lachen, vervelen, schrikken, generen, ergeren, schamen en nog meer. Opnieuw is het de taboewaarde van het woord die zorgt voor het versterkende effect, maar de overdrijving (mooi dat je van al die dingen niet echt doodgaat) helpt ook. Net als bij de uitdrukking ‘ergens mee doodgegooid worden’, en combinaties met ‘dodelijk’ (die opmerking was dodelijk, hij is dodelijk verlegen), en uiteraard in de verwensing ‘ach, val dood’.

Dood is het engste, naarste, gruwelijkste, afschuwelijkste dat er bestaat. Als positieve versterker zul je het dan ook niet aantreffen. Dingen zijn doodgriezelig, je bent er doodsbenauwd of gewoon ‘als de dood’ voor. Je wordt doodsbleek uit doodsangst voor een doodsmak. En allemaal verwijst dat naar de verschrikkelijke angst die de dood ons inboezemt. Maar naast ‘bloedmooi’ is er geen ‘doodmooi’, naast ‘godsallejezus lekker’ klinkt ‘dodelijk lekker’ raar, en waar ‘tering (of kut) hé, wat gaaf’ dagelijks opklinkt uit jeugdige monden, zul je ze nooit ‘dood hé, wat gaaf’ horen roepen. Het enige positieve is misschien dat je altijd nog stukken beter ‘doodmoe’ kunt zijn dan ‘levensmoe’.

Maar er zit nog een kant aan de dood. Het is de enige absolute zekerheid voor iedereen. In elk opzicht kunnen we wel een beetje verschillen, maar dood moeten we werkelijk allemaal. Daarom beschouwen we het kennelijk ook als eigenlijk niks bijzonders.

Dat moet je althans opmaken uit een hele reeks samenstellingen die allemaal iets laconieks uitstralen, een no big deal-gevoel opleveren. Je kunt op je dooie gemakkie, doodgemoedereerd met je doodonschuldigste gezicht iemand eens doodleuk doodgewoon de waarheid zeggen. Dat is doodeenvoudig en doodgemakkelijk. Doodnormaal toch?

Grappig in dat verband is dat ‘dood’ in feite het gewoonste woord voor niet-langer-levend is dat we hebben. Synoniemen zijn óf eufemismen (overleden, gestorven, heengegaan, wijlen, weggenomen, weggerukt, ontvallen, overgegaan et cetera) óf een stuk platter (gecrepeerd, kapot, kassiewijlen, er geweest, de pijp uit, tussen vier plankjes, onder de groene zoden, of zoals Haagse Harry zegt: een tuin op z’n buik).

En dat zijn allemaal andere woorden voor ‘dood zijn’, De Dood zelf moet het zonder een fatsoenlijk equivalent stellen. Er zijn alleen wat van die personificaties als ‘de man met de zeis’ en ‘Magere Hein’, en een paar altijd verder uitbreidbare omschrijvingen als ‘het eeuwige niets’ en ‘het grote zwarte gat’. Ze hebben gemeen met woorden als ‘het overlijden’, ‘het sterven’, en voor mijn part ‘het heengaan’, ‘de ogen voorgoed sluiten’ en ‘de pijp aan Maarten geven’ dat ze allemaal alleen maar slaan op het moment dat De Dood intreedt.

Wat dat ook moge wezen. Aan het woord dood kun je prachtig zien hoe ongrijpbaar de betekenis van woorden kan zijn, en ook dat dat niks geeft. Geen mens weet wat dood is, ook al gelooft inmiddels een flink deel van de Nederlanders in reïncarnatie (maar dat roept gek genoeg nooit herinneringen aan het dood zijn op schijnt, alleen aan andere levens). En toch is dood een doodgewoon en zeer frequent woord, dat we aan de lopende band zonder nadenken gebruiken.

Behalve dan in rouwadvertenties, daar wordt het beestje nog steeds heel zelden bij de naam genoemd. Toch gek, want niemand lijkt er in diezelfde advertenties nog een been in te zien om eerdere doden, die van niets weten, met behulp van kruisjes als treurenden op te voeren, noch om de dode over wie het gaat, en die niets meer kan horen, toe te spreken. Of ben ik een dooievisjesvreter als ik me daaraan erger?

Chomsky’s spijkerbroek

Er is waarschijnlijk geen enkele auteur van wie ik al zo vaak plezier gehad heb als van Noam Chomsky. Zijn idee dat taalkunde in feite een zoektocht naar de menselijke natuur is, maakte er een echt spannend vak van.

Chomsky’s vermogen zich te verbazen over de meest simpele, alledaagse taalverschijnselen, wierp voor het eerst een helder licht op de ingenieusheid van een systeem dat iedereen met het grootste gemak hanteert. Maar zijn taalboeken lezen, is bepaald geen makkie. Taal zit nou eenmaal knap lastig in elkaar, en bovendien is Chomsky zo’n auteur die al redenerend schrijft, met als gevolg dat hij soms aan het eind van een redenering concludeert dat hij er zo niet uitkomt, en dus een andere redenering moet opzetten.

Verwarrend voor de eenvoudige student die ik was toen ik met zijn boeken kennismaakte, maar ook heel inzichtgevend.

Toen ik hem in mei 1986 voor het eerst ontmoette voor wat mijn allereerste kranteninterview zou worden, had ik vrijwel al zijn taalwerk gelezen. Ik was dus prima voorbereid, maar oh, wat vond ik het doodeng. Totaal onnodig, bleek meteen. Chomsky’s glimlach was geloof ik wat me toen nog het meest verbaasde. Die was niet alleen buitengewoon aardig, maar ook een beetje verlegen. En toch combineerde dat wonderwel met zijn gedreven antwoorden.

Zijn onstuitbare spreken is wat iedereen bijblijft. Of je nou alleen met hem bent, of hem voor publiek hoort spreken, of het over taalkunde gaat, of politiek, of de rol van de media: Chomsky lijkt volstrekt onvermoeibaar. En al gaat het in een ongelooflijk tempo, hij klinkt nooit gehaast.

Ik ken verder niemand die zo indringend, maar toch niet opdringerig praat. En het gaat hem steeds om de zaak, niet om zijn eigen, onwaarschijnlijk succesvolle persoon (in de Arts and Humanities Citation Index, die aanhalingen van 1980 tot 1993 geeft, is hij de enige nog levende persoon uit de top tien. Hij staat op nummer acht, net na Plato en Freud, en voor Hegel en Cicero).

De god van de taalkunde is wars van aanbidding. Ook in uiterlijk vertoon heeft hij geen interesse. Legendarisch is het hok op het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston dat zijn werkkamer is. Thuis – zo ontdekte ik een paar jaar geleden – ontvangt hij in spijkerbroek en kapotte trui, in de huiskamer waar sinds de jaren vijftig nooit meer een nieuw meubelstuk is binnengekomen.

Laat ik bekennen dat het leuk is om een mok superslappe koffie van Chomsky geserveerd te krijgen, en interessant om te zien hoe hij woont, maar tegelijk heeft die platte nieuwsgierigheid (‘beroemdheidje kijken’) iets gênants. Want daar gaat het natuurlijk allemaal niet om. Als ik aan Chomsky denk, schaam ik me ook voor mijn geestelijke luiheid, maar word ik meteen geïnspireerd om ertegen te vechten. Met hem praten heeft iets opwindends omdat zijn geest jouw geest aan het werk zet. Wat hij vertelt is namelijk echt origineel en meestal glashelder.

Er zit één andere kant aan. Met al zijn briljantie is Chomsky dermate rationeel en cerebraal dat er geen ruimte overgebleven lijkt voor begrip voor het volle leven, waarin kolkende passies en dierlijke driften de overhand kunnen krijgen. De vraag is ook of ze dat bij hem kunnen. Intrigerend feit: er bestaat niet één roddel over hem, op welk vlak dan ook. Ik denk ook dat Chomsky oprecht meent dat de mens van nature goed en welwillend is, hooguit te irrationeel (“Wat rationaliteit betreft zitten we nog steeds in de middeleeuwen”, zei hij eens tegen me).

Dat Chomsky terwijl hij zo vaak gelijk heeft, het toch lang niet altijd krijgt, heeft volgens mij alles te maken met zijn slechte oog voor zwakheden als ijdelheid, geldingsdrang of ordinaire angst en onzekerheid. De meeste mensen gaat het namelijk wél vooral om zichzelf en hun positie in de wereld. Daar rekening mee houden, lukt hem slecht.

Dit zijn natuurlijk mijn eigen, gekleurde gedachten. Graag zou ik die van een ander ernaast zien. Juist daarom was laatst het lezen van de eerste biografie over Chomsky (Noam Chomsky, a life of dissent, MIT Press, door Robert F. Barsky) zo’n totale desillusie.

Niets van wat mij zo boeit, kwam ik erin tegen. Het bleek een gortdroge opsomming van wie Chomsky wanneer in zijn leven tegenkwam, waaraan hij wanneer bijdroeg, et cetera. Geen mooie introductie op zijn denkbeelden, vrijwel niets over hun impact, en veel te weinig over zijn wonderlijke persoonlijkheid. Zonder voorkennis zou je denken: waarom in vredesnaam een biografie over deze man?

Wie dat wil snappen, kan beter een keer naar hem gaan luisteren, of desnoods een boek van hemzelf lezen.

Het eeuwige taalchagrijn

Ze geven het nooit op. Wekelijks zijn ze goed voor minstens een hele kolom in de brievenrubrieken van de dagbladen. Ik noem ze de taalchagrijnen.

Ze zijn boos dat de krant ‘chique’ spelt (dat betekent tabak!) of dat een plaats ‘plek’ genoemd wordt, of dat zelfs Van Dale nu al het woord ‘behartenswaardig’ heeft opgenomen, en altijd is de boodschap dat het bergafwaarts gaat met onze taal en cultuur. Ik volg dat gevecht tegen de bierkaai met een mengeling van geamuseerdheid en ergernis. Het verontruste burgermansfatsoen dat er dikwijls uit spreekt doet me grinniken. Hinderlijk vind ik het volmaakte gebrek aan inzicht in de eigenschappen van taal, en de ontstellende arrogantie om te denken dat je je eigen smaak als norm op kunt leggen aan de rest van het land.

Laatst kreeg ik toevallig een oud boekje in handen van een soort ingezonden-brievenschrijver-in-het-kwadraat. Zo’n zuiver geval van een taalchagrijn had ik nog nooit gezien. Meneer N.C. ten Hagen laat zijn verontwaardiging en woede helemaal de vrije loop.

Mijn eigen geamuseerdheid en ergernis bereikten nieuwe toppen bij het lezen van passages als:  “Tientallen voorbeelden zijn er aan te halen van het stupide negatief-gewauwel van omroepers, verslaggevers, ministers, staatssecretarissen, kamerleden en verder allen die voor radio of televisie hun woordje doen! Het is duidelijk dat die negatievelingen min of meer geschift zijn, maar de waanzin is in Nederland zo verbreid, dat het voor een normale nederlander steeds moeilijker wordt aan de infectie te ontkomen. De nederlander die nog gewoon, normaal en beschaafd nederlands spreekt en schrijft, wordt door de dwazen voor ouderwets, bekrompen of iets van dien aard aangezien! Zij kijken je met kalfsogen aan, als je je best doet je taal zo zuiver mogelijk te spreken of te schrijven, vrij van idiotismen, grammaticale fouten, schuttingwoorden, kwajongens uitdrukkingen en perversiteiten!! … Wat een wanorde in Nederland, wat een schooiers, wat een oplichters, wat een verslaafden en sadisten, wat een vandalen en gedegenereerden, maar vooral wat een schenners van de nederlandse taal!!”

Heilige verontwaardiging heeft altijd iets ontroerends. Ten Hagen weet zo absoluut zeker dat hij gelijk heeft en dat hij alleen maar hoeft uit te spellen hoe verschrikkelijk het in dit land gesteld is, om iedereen te overtuigen. En daarmee het geestelijk verval een halt toe te roepen. Wie zijn 93 pagina’s tellende, in eigen beheer uitgegeven boekje De verloedering van onze nederlandse taal gelezen heeft kán toch niet anders dan onmiddellijk zijn leven beteren. Dat rotsvaste geloof spreekt uit elke pagina, en dat moet Ten Hagen op de been gehouden hebben terwijl hij al die uitroeptekens zat te tikken.

Toen hij eind jaren zeventig zijn aanklacht schreef was Ten Hagen zelf al ver in de zeventig. Waarschijnlijk leeft hij nu niet meer, maar uitgestorven is zijn soort nog lang niet. N.C ten Hagen is exemplarisch voor een grote groep mensen.

De meesten zullen zich in iets bedektere termen uitdrukken, en ik hoop dat het niet allemaal net zulke academici-haters zijn (“die zielige mannetjes en vrouwtjes die zo graag drs. of dra. voor hun naam willen hebben”, “.. juristen of andere lieden met een titel voor hun naam, hetzij professor, doctor, ingenieur of het stumperige drs. missen geheel de kennis des onderscheids. Dat wil zeggen dat zij in ’t geheel niet intelligent zijn.”, “die zogenaamde ontwikkelden of geleerden!!”), maar Ten Hagen vertolkt beslist de gevoelens van een deel van het volk.

Dat volk vindt natuurlijk dat alles minder wordt, maar dat is niet interessant. Veel opvallender vind ik dat bij allen die ten strijde trekken tegen de verloedering van onze mooie moedertaal dezelfde misverstanden leven.

Om te beginnen halen ze altijd taal en spelling door elkaar, een vergissing die bijna de complete gealfabetiseerde wereldbevolking maakt. Ook Ten Haven is er diep van overtuigd dat de spellingsvereenvoudiging van vlak na de oorlog het Nederlands vereenvoudigd heeft. En hij heeft het dan speciaal over het afschaffen van de verplichting om verbuigings-n-en (‘van den ouden man’) te schrijven. (Overigens: bent u zich er van bewust dat het volgens de wet nog steeds toegestaan is ze wel te gebruiken?).

Maar dat die verplichting verdween had er alles mee te maken dat niemand die dingen meer uitsprak. Dat gebeurde hooguit nog bij het voorlezen van teksten, niet in alledaagse conversaties.

Het Nederlands was dus al veranderd, de spelling hobbelde daar achteraan. En zeker: het moet voor al die kinderen die die n-en nooit hoorden, en er dus ook geen intuïties over hadden, een hele opluchting zijn geweest dat ze ze niet langer hoefden te schrijven.

Dat het Nederlands door het verdwijnen van de naamvallen gemakkelijker geworden is, denken veel Nederlanders die nu leven en die Duitse rijtjes hebben moeten stampen. Maar het is flauwekul. Een Duits kind leert heus niet moeizamer Duits dan een Nederlands kind Nederlands.

Maar met deze kwestie zitten we wel bij de kern: de gedachte dat je via het onderwijs – dus van overheidswege – taalveranderingen kunt opleggen danwel tegenhouden is de grootste denkfout van wereldverbeteraars à la Ten Hagen.

De taalgemeenschap is het ongehoorzaamste stuk vreten dat je kunt bedenken. Die luistert nergens naar, alleen naar zichzelf. Neem het verdwijnen van die naamvallen: dat is een flink uit de kluiten gewassen taalverandering. Een die zich volkomen buiten het onderwijs om voltrokken heeft. Die zelfs lijnrecht tegen het onderwijs inging.

Ach, het is natuurlijk ook waanzin om te denken dat je je moedertaal op school leert. Op school leer je lezen en schrijven. En ontleden, de bron van weer zo’n onuitroeibaar misverstand. Hoe vaak zou ik nou al gehoord hebben dat ‘men’ tegenwoordig de grammatica van het Nederlands niet meer kent? Ook bij Ten Hagen is het raak, en net als zovelen met hem concludeert hij dat men dus “onze nederlandse taal” niet meer kent.

Stel je voor, dat zou een mooie boel zijn. Als we werkelijk de grammatica van het Nederlands niet meer kenden dan konden we niet met elkaar praten. Maar dat bedoelen de klagers niet.

Met ‘de grammatica kennen’ willen ze zeggen: in staat zijn woordsoorten en zinsdelen te benoemen. Nuttige vaardigheden soms, daar niet van. Ik geloof dat een beetje inzicht in je eigen taal je bijvoorbeeld beslist kan helpen bij het leren van een andere taal. Maar het gaat om inzicht in de kennis die je al had.

Want wie Nederlands als moedertaal heeft kent daarmee vanzelf de grammatica van het Nederlands. Zo simpel is het echt. Zij het dat die kennis wel oneindig veel complexer en interessanter is dan het grammatica-onderwijs op school laat zien. Aan wat ze je daar leren zou je in het dagelijks leven bij lange na niet genoeg hebben.

En dan nog … , probeer u maar eens voor te stellen hoe het zou zijn om inderdaad bewust zinnen te gaan bouwen aan de hand van schoolgrammaticakennis.

Gaat u een hoofdzin of een bijzin maken, of een samengestelde zin? Wordt het misschien een vraag? Waar komt het onderwerp? Vooraan? Kies daar dan een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord of een naam of een verzelfstandigd werkwoord voor, zet daar al of niet een lidwoord bij, of een aanwijzend voornaamwoord of een paar bijvoeglijke naamwoorden, of construeer eerst een zin die de rol van onderwerp kan nemen, waarvoor dan al die keuzes – en nog meer – ook weer gemaakt moeten worden.

Als je bij het praten zo na moest denken zou je gek worden. Andersom, luisterend, zou het ook niet echt opschieten. Prettig dat je eigen zinnen bouwen en die van anderen interpreteren in het normale leven ongemerkt gaat.

Daarom schenken de Ten Hagens er ook nooit werkelijk aandacht aan. De Ten Hagens denken diep in hun hart dat woorden en uitdrukkingen een taal maken. Die vallen hun op. En het moet gezegd: op dat vlak verandert er ook altijd het meest.

Daar kun je volgens de taalchagrijnen dus ook zien dat het Nederlands ziek is, en “taal-injecties en taal-pillen nodig heeft tegen de voortwoekerende infectie” om Ten Hagen nog maar eens aan te halen. Het Nederlands is volgens hem besmet geraakt met “idiotismen” van domoren, stuntels, kwallen, schooiers, taalverminkers, kortom: onbeschaafde lieden, de geestelijke sadisten in onze samenleving. En dat worden er steeds meer. Ze martelen Ten Hagen en andere “beschaafde, intelligente personen” door onverdraaglijke woorden te bezigen als ‘uiteindelijk’, ‘eigentijds’, ‘persoonlijk’, ‘normaliter’ en ‘hartstikke’. Allemaal “ziektes”.

Grof geschut voor woorden waar nu al helemaal niemand meer problemen mee zal hebben denk ik. En altijd zijn het dezelfde argumenten waar mensen als ten Hagen mee komen: de woorden zijn ‘overbodig’ of ‘onlogisch’. Zeggen dat je iets “met eigen ogen” gezien hebt is dom, want met wiens ogen had je het dan willen doen. Iets “ontzettend leuk” vinden kan niet, want die twee woorden spreken elkaar tegen. “Niet slecht” zeggen tegen iets dat je goed vindt is ook al uit den bozen, want waarom zou je?

Ja, waarom zou je. Voor de variatie meneer Ten Hagen, of uit speelsigheid, of om er de nadruk op te leggen. Eens een ander woord gebruiken, of een woord anders gebruiken geeft de kans iets extra’s te doen, wat creativiteit kwijt te raken.

Goed voor de geestelijke gezondheid, om een onderwerp aan te snijden dat u ook graag van stal mag halen. Ten Hagen vindt zelfs dat er een GEESTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST (hoofdletters van hem) moet komen, om het Nederlands van de verloedering te redden. Voor je het weet heb je Orwells Thought Police in huis. Ondertussen trekt geen taal zich iets aan van reactionaire praat. De taalchagrijnen mogen tot in lengte van jaren humeurig blijven, taal is daar totaal ongevoelig voor. Ten Hagens aller landen: toe, spaar jezelf de moeite en stop je energie eens in iets waar je misschien nog wat voor terugkrijgt. 

Noot: Hierna schreef ik nog één column, maar de volgende O is nooit meer uitgekomen. Einde van een blad dat in zijn onderwerpskeuze z’n tijd nogal ’s vooruit was. Ik heinner me nog dat ik de column wel betaald heb gekregen. Reden te meer hem toch een keer te publiceren. Als extraatje. Hier komtie.

EXTRA

Nooit gepubliceerde column

TAAL

Shampoo in een eeuwigdurende loop

Weet u hoe u uw haar moet wassen? Ik ook. Al jaren. Maar de producent van mijn shampoo denkt dat we het niet weten. Want zo lang als ik me kan herinneren ‑ en ik ben heel trouw aan mijn merk ‑ staat er een gebruiksaanwijzing op iedere fles die ik koop. Ik geloof niet dat de tekst ooit wezenlijk veranderd is, dat zou me opgevallen zijn: op de w.c. en in bad heeft een mens vaak niets beters te doen dan te lezen wat hem toevallig voor ogen komt.

Bijna ritueel lees ik daar dan ook dezelfde woorden honderden keren opnieuw. Schoonmaakmiddelen, wc‑papier, douche‑gel, alles wat maar in een beschreven verpakking zit valt ten prooi aan mijn onbedwingbare leeslust.

Dat zinloze lezen geeft een vervreemdend effect. Voor hele zinnen geldt blijkbaar hetzelfde als voor losse woorden: als je ze maar dikwijls genoeg herhaalt krijgen ze op den duur iets raars. Vooral kinderen spelen dat spelletje graag: vijftig keer achter elkaar erwt of tafel of speelgoedautootje of iets dergelijks zeggen.

Elk woord wordt op die manier ‘gek’, en dat komt omdat het los wordt gemaakt van zijn inhoud. De koppeling vorm‑betekenis gaat meestal zo automatisch dat we ons niet eens bewust zijn van het feit dat woorden allebei die aspecten hebben. Sterker nog: vorm en inhoud zijn zo verbonden dat wie voor het eerst een vreemde taal leert het vaak eigenlijk maar idioot vindt dat Fransen, Duitsers of Engelsen tegen een tafel niet ook gewoon tafel zeggen.

Taalbespeler Battus speelt in zijn Encyclopedie prachtig op die kinderlijke gedachte in door onder het lemma ‘taal’ te vermelden dat onze taal een wonder van vernuft en charme is, wat je onder meer direct kunt zien aan het feit dat wij voor een tafel het handigste en precies raakste woord ‘tafel’ hebben. En zo is het. Voor ons gevoel dan, en zolang we er niet over nadenken of woorden en zinnen isoleren. 

Maar ik geloof nooit dat de schrijvers van teksten op allerlei wc‑ en badkamerproducten zich realiseren dat hun schrijfsels vanzelf holle frasen worden voor veel mensen (ik deel mijn afwijking ongetwijfeld met heel wat anderen). Zij hebben andere bedoelingen.

Aan die van mijn shampooproducent erger ik me al jaren. De gebruiksaanwijzing luidt namelijk alsvolgt: ‘Op vochtig haar inbrengen. Licht inmasseren. Even laten inwerken. Zorgvuldig uitspoelen. Behandeling herhalen.’ Wat de fabrikant wil, is denk ik het volgende: ik moet mijn haar niet één maar twee keer wassen en zo zijn omzet verdubbelen.

Dat is natuurlijk onzin. Als je je haar net gewassen hebt dan is het bij een fatsoenlijke shampoo schoon, en dat is nu net het moment waarop je het niet hoeft te wassen. Een goedkope verkooptruc dus, zij het een waaraan wel meer fabrikanten zich schuldig maken.

Misschien erger ik me daarom uiteindelijk nog het meest aan de fout die de maker van dit toch zo eenvoudige tekstje gemaakt heeft. Hij (of zij, wie zal het zeggen), zegt namelijk niet wat hij bedoelt. Wie deze gebruiksaanwijzing opvolgt staat tot in lengte van jaren  zijn haren te wassen. Het rijtje opdrachten keurig uitvoeren leidt er immers toe dat je iedere keer opnieuw de behandeling herhaalt.

Waren we geen mensen, maar computers dan zouden we met deze voorschriften vast komen te zitten in een eeuwigdurende lus. Tot ons geheugen vol was. Iets dat trouwens bij mensen veel eerder het geval is dan bij computers.

In de structuur van menselijke taal kom je dat ‘Drosteblikjes‑effect’ namelijk ook heel veel tegen  (je kunt bijvoorbeeld binnen een zin een bijzin beginnen, waarin weer een bijzin zit, waarin enzovoort), maar erg ‘diep’ kijken kunnen we meestal niet.

Probeert u de volgende zin maar eens uit te plussen: de tekst op de shampoo die het meisje dat haar haar dat vies was wilde wassen las bevatte een onzinnige gebruiksaanwijzing.

Daar zit het randje van ons geheugen. Meer ‘tussenresultaten’ (het bijhouden van wat bij wat hoort, taal is vaak rekenen) kunnen we blijkbaar niet vasthouden.

Maar ook met die geheugenbeperkingen is het Droste-effect (of: recursie) verantwoordelijk voor een van de belangrijkste kenmerken van menselijke taal: het oneindig aantal mogelijkheden om zinnen te bouwen.

Recursie is echt een natuurverschijnsel. Maar geen gemakkelijk begrip. Dat je iets op zichzelf kunt toepassen, dat je binnen de uitvoering van een procedure diezelfde procedure kunt ‘aanroepen’, is een gedachte waar iedereen in eerste instantie aan moet wennen.

Een verhelderend voorbeeld van een recursieve wet vind ik De Wet van Hofstadter. Die luidt aldus: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, ook al houd je rekening met de Wet van Hofstadter.’ Een perfecte formulering van een overbekende frustratie: je wéét dat het langer zal duren dan je nu denkt, en dan nog valt het altijd tegen.

Hofstadters wet staat in zijn – ten onrechte veelal ongelezen gebleven – tophit Gödel, Escher, Bach. Daarin worden overigens allerlei recursieve structuren en processen besproken. Ook de in de jaren tachtig pas echt populair geworden fractals, die prachtige grillige patronen die zichzelf herhalen en die je terugziet in kustlijnen, bomen, bergen en dergelijke.

Maar recursie zit in de meest simpele dingen: bij gewoon tellen herhaal je ook steeds dezelfde stap, desnoods tot in het oneindige.

De recursie in taal laat Hofstadter jammer genoeg liggen. Terwijl bijvoorbeeld Ray Jackendoffs uitwerking van de X-bar-theorie toch al wereldfaam had op het moment dat Hofstadters boek geschreven werd. Zonde dat onderzoeksresultaten uit het ene specialisme maar heel moeizaam doordringen bij een ander specialisme.

Maar goed, de X-bar-theorie. Zelf vind ik die van een verpletterende schoonheid, een van de mooiste inzichten in taal die er bestaan. Hij komt ongeveer op het volgende neer: de bouwprincipes voor taal zijn aldoor dezelfde, voor alle soorten basisbouwstenen die je gebruikt. Stukjes bouwsel die je met behulp van die bouwprincipes gemaakt hebt kunnen bovendien zelf weer een gewone basisbouwsteen zijn, waarmee je een groter geheel kunt bouwen.

Ingewikkeld? Tamelijk, maar minder ingewikkeld dan het op het eerste gezicht lijkt. Er zijn namelijk niet veel bouwprincipes, en er bestaan ook maar weinig basisbouwstenen. Je hebt om te beginnen vier hoofdsoorten woorden. Er zijn werkwoorden (standaardafkorting V van Verb), je hebt namen, voornaamwoorden en zelfstandige naamwoorden (aangeduid met N van Noun), dan zijn er bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden (A van Adjective en Adverb) en voor- en achterzetsels (P van Pre- en Postposition).

De categorieën V, N, A, en P hebben een eigenschap gemeen: ze kunnen allevier als uitgangspunt dienen voor het bouwen van een constituent, in het Engels: phrase of P. Zo krijg je VP’s, NP’s, AP’s en PP’s. Dat zijn de elementen waarmee je zinnen kunt maken. Soms bestaan ze uit één woord, vaak ook uit meerdere.

Grove test: een phrase kun je in zijn geheel op een andere plaats in de zin zetten. Neem het volgende voorbeeld: ‘Die bloedmooie jongen zit elke avond in de kroeg op de hoek’. Daarin horen de drie woorden ‘die bloedmooie jongen’ duidelijk bij elkaar, en hetzelfde geldt voor ‘elke avond’ en ‘in de kroeg op de hoek’, terwijl ‘zit’ in z’n eentje een constituent vormt. Je kunt wel zeggen: ‘In de kroeg op de hoek zit elke avond die bloedmooie jongen’, waarbij alle phrases intact zijn gebleven, maar niet ‘In bloedmooie die elke jongen kroeg de zit avond hoek de op’, om er maar eens een geval van walgelijke woordsalade van te maken.

‘Die bloedmooie jongen’ is een voorbeeld van een NP, de N ‘jongen’ wordt het hoofd van de phrase genoemd. Binnen die NP zit een AP die in dit geval maar uit een woord bestaat: de A ‘bloedmooie’.

Bij de PP ‘In de kroeg op de hoek’ is het verschijnsel recursiviteit heel mooi aan het werk te zien. Het voorzetsel ‘in’ is het hoofd. Bij het hoofd hoort een NP: ‘de kroeg op de hoek’, maar die NP bestaat zelf weer uit een hoofd (‘de kroeg’) en een PP ‘op de hoek’, die op zijn beurt ook uit een hoofd (‘op’) en een NP (‘de hoek’) bestaat.

Je kunt daar heel gemakkelijk nog verder in gaan, en er een soort drietrapsraket van maken: ‘in de kroeg op de hoek van de straat’ waarbij je drie van elkaar afhankelijke PP’s hebt, en zelfs een vierde trap laat zich eenvoudig aanhaken: ‘in de kroeg op de hoek van de straat achter de kerk’. PP’s kunnen dus NP’s bevatten (in de kroeg), maar NP’s ook PP’s (de kroeg op de hoek).

De mogelijkheden om al die constituenten te combineren zijn duizelingwekkend. Het lijkt wel of alles in elkaar grijpt.

Maar bij het bouwen van phrases (de verzamelterm luidt XP’s) moet altijd aan ongeveer dezelfde voorwaarden voldaan worden, het gaat allemaal op dezelfde manier. Telkens combineer je een hoofd met een of meer XP’s tot een grotere XP, en uiteindelijk kom je bij de grootste XP: een hele zin.

De bouwvoorschriften kunnen wel van taal tot taal (licht) verschillen. Zo komen bijvoorbeeld de A’s in het Frans meestal rechts van de N te staan (une chose grande), in het Nederlands is het andersom (een groot ding). ‘Het hoofd regeert naar rechts of naar links’ is het majestueus aandoende jargon hiervoor.

Recursie is een machtig en prachtig instrument. Het basisgegeven is begrijpelijk, en geeft daarom ook echt inzicht, terwijl wat je ermee kunt doen letterlijk eindeloos is. Hoog tijd dat de woordenboeken Nederlands van Van Dale en Koenen het woord eens opnemen trouwens.

Vrouw zijn

Ik ben een vrouw, en dat valt niet mee. Gelukkig ziet de maatschappij dat tegenwoordig ook in, en daarom wordt er van alles aan gedaan om mannen en vrouwen nu eindelijk eens gelijke rechten en kansen te geven.

Zo word ik sinds een tijdje bij heel wat sollicitaties voorgetrokken. Een nuttige maatregel tegen discriminatie. Het prettige is bovendien dat er in regeringskringen aan alles gedacht is: nu er veel meer vrouwen werken is het met de kinderopvang helemaal in orde gekomen. Nergens meer wachtlijsten, overal schappelijke prijzen. De prioriteit die het kabinet daaraan geeft – zo zie je hoeveel het uitmaakt of er vrouwen meeregeren – verdient louter complimenten. 

Maar ook elders loopt het prima. Bij trouwen en scheiden bijvoorbeeld is de gelijkheid nu toch wel een feit.

Want stel, ik word het op een goed moment zat om mijn eigen brood te verdienen. Geen probleem, kwestie van een echtgenoot vinden die wel voor twee wil werken en mijn baan opzeggen. Dan zit ik levenslang gebeiteld. Ook als ik die vent na een paar jaar niet meer leuk vind. Na een scheiding heb ik, naar het zich nu laat aanzien, namelijk tenminste twintig jaar recht op alimentatie.

Daarna mag mijn ex de rechter vragen of die het redelijk vindt dat hij me nog langer moet betalen. En zou het niet verschrikkelijk onredelijk zijn om na zo’n periode te verlangen dat ik ineens weer voor mezelf ga zorgen?

Laatst leek het alleen even de verkeerde kant op te gaan. Goddank greep de Eerste Kamer in: een wetsvoorstel om de alimentatieduur na korte, kinderloze huwelijken te beperken tot de duur van het huwelijk konden ze daar niet accepteren, omdat dat natuurlijk heel onbillijk zou zijn voor vrouwen die pas op hogere leeftijd trouwen en hun baan daarvoor opzeggen.

En het zou ook van de gekke zijn te denken dat een AOWtje wel genoeg is voor een gescheiden vrouw. Staatssecretaris Kosto zag in dat de Senaat gelijk heeft en paste zijn wetsvoorstel deze week netjes aan. Als vrouw kun je ook in de toekomst van je huwelijksdag tot je dood verzekerd zijn van een inkomen waar je geen poot voor hoeft uit te steken. Mooi, die gelijke rechten en kansen.

Het lot van de boodschapper (m/v)

Het raadseltje is al heel oud: vader en zoon krijgen een vreselijk auto-ongeluk en worden alletwee zwaargewond naar het ziekenhuis afgevoerd. De vader overlijdt onderweg. Als de zoon op de operatietafel ligt deinst de chirurg terug en stamelt: “Oh nee, deze operatie kan ik niet doen, dat is mijn zoon.” Rara. Bent u een gore seksist of weet u het antwoord? Douglas Hofstadter, de man van Gödel, Escher, Bach, niet de minste dus, wist het na ongeveer een minuut diep nadenken.

Achteraf schaamde hij zich zo verschrikkelijk dat hij er niet meteen op had kunnen komen dat er ook vrouwelijke chirurgen bestaan, dat hij besloot zijn leven te beteren. Sindsdien schrijft hij sekse-neutraal. Dat wil zeggen, hij vermijdt formuleringen met ‘he’, ‘his’ en ‘man’ of ‘men’ zoveel mogelijk. In plaats daarvan gebruikt hij veel ‘they’ en ‘that person’, of hij omschrijft iemand met behulp van diens positie of functie: ‘the logician’, ‘the letter carrier’ (in plaats van ‘the mailman’).

Hofstadter stopt een hoop tijd en energie in die eenmansactie van ‘m. Hij heeft er ook echt over nagedacht en verwerpt lelijke maar makkelijk uitvoerbare oplossingen als telkens hij of zij schrijven, of die twee woorden consequent afwisselen.

Dat ziet er onnatuurlijk omslachtig uit en leidt de lezer af, vindt ook hij. Dus hij schuift en zoekt en doet van alles om maar niet seksistisch te schrijven. Weliswaar twijfelt hij zelf wel eens aan het nut ervan, maar hij gelooft toch dat er te gemakkelijk over het onderwerp heen gestapt wordt. Het veelgehoorde argument dat woorden als ‘hij’, uitdrukkingen met ‘man’ erin en de aanroep ‘hé jongens’ tegenwoordig net zo goed op vrouwen kunnen slaan, gaat er bij hem niet zomaar in.

Met een analogie probeert hij dat duidelijk te maken en het seksisme in taal bloot te leggen: van seksisme maakt hij racisme. Het moet gezegd, alle man-vrouw-verschillen in taal veranderen in blanke-zwarte-verschillen geeft een tamelijk krankzinnig resultaat. In een bladzijdenlange aanklacht tegen dat gezeur van ‘negristen’ vervangt Hofstadter elk woord met ‘man’ door een woord met ‘white’ (‘mailwhite’, ‘Frenchwhite’, “there is great beauty to a phrase such as ‘All whites are created equal'”), ‘he’ is ‘whe’ geworden etcetera. Om van ‘white’ telkens ‘person’ te maken, zoals de negristen wensen, zou natuurlijk idioot zijn (‘a person Christmas’, ‘egg persons’), is de strekking van het verhaal.

Hofstadters ideeën over dit onderwerp en dat racistische stuk tekst zijn te vinden in zijn boek Metamagical Themas, de bundeling van zijn columns uit Scientific American: een prachtig boek dat even prachtig vertaald is door het trio Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters.

Zij vonden mooie equivalenten in het Nederlands met ‘blank’ voor ‘man’ (‘drieblankschap’, ‘groenteblanke’, ‘op de blanke af’), en ‘persoon’ in plaats van ‘blank’ (‘Oranje-Persanje-Bleu’, ‘de handel in persoonlijke slavinnen’, ‘Aan de persoonlijke top der duinen’).

Hofstadter was er van overtuigd dat juist dit stuk uit zijn boek niet vertaald zou kunnen worden. De vertalers bewijzen in elk geval dat dat wel kan. Maar bewijzen ze nu ook dat het Nederlands een smerig seksistisch taaltje is? Of wijst Hofstadters tekst uit dat het Engels seksistisch is?

Zo simpel is het niet. Analogieën zijn gevaarlijke dingen: ze gaan namelijk nooit helemaal op. Hofstadter gaat er veel te veel van uit dat de betekenis van woorden vastligt. Maar we stellen de betekenis van woorden juist telkens bij, afhankelijk van onze ervaringen met dat woord.

Ik meen eerlijk dat Hofstadter het op de verkeerde plaats zoekt. Dat mensen bij het woord chirurg of wiskundige eerst aan een man denken heeft niet zozeer te maken met hun zwarte seksistische zieltjes, het komt eenvoudig doordat de meeste  chirurgen en wiskundigen mannen zijn. Van allerlei woorden hebben we een soort prototype in ons hoofd.

Als je proefpersonen daarnaar vraagt blijken ze dezelfde prototypes in hun hoofd te hebben voor bijvoorbeeld groenten en vogels. Bij ‘vogel’ komen ze eerst met ‘mus’ en ‘merel’ aanzetten, en zien ze niet meteen een pinguïn voor zich, dat is namelijk een weinig vogelachtige vogel. Vraag je ze om typische groenten, dan scoren bloemkool en worteltjes hoger dan aubergines. Prototypes zijn ondermeer gebaseerd op wat we het meest om ons heen zien, en ze kunnen dus ook flink verschillen van cultuur tot cultuur.

Zo is een vrouwelijke chirurg nog steeds een weinig chirurg-achtige chirurg. Evenals een vrouwelijke voorzitter, top-industrieel of rechter. Degenen die toevallig veel met een vrouwelijke rechter in aanraking zijn gekomen hebben hun prototype ‘rechter’ al bijgesteld, voor anderen zal dat nog even duren. Dat regelt zich vanzelf wel.

Aangenomen althans dat de verdeling van mannen en vrouwen over allerlei posities en functies in de maatschappij daadwerkelijk zal veranderen. Tenslotte hebben wij ook een heel andere voorstelling bij het woord ‘dokter’ dan onze voorouders een paar honderd jaar geleden: dokters kunnen en doen nu andere dingen dan toen. Dat heeft de betekenis van dat woord bijgesteld.

Het is merkwaardig hoe kortzichtig ook verstandige mensen dikwijls zijn als het om taal gaat. Ik erger me vrijwel dagelijks rot aan het feit dat taal altijd de schuld krijgt. ‘Verbeter de wereld, begin bij de benamingen voor dingen’ lijkt voor bosjes goedbedoelende idealisten het motto. Maar het betekenisverschil tussen ‘secretaris’ en ‘secretaresse’ komt alleen maar voort uit de praktijk, het zit ‘m niet in die woorden.

Ze vervangen door andere heeft geen zin als de wereld niet verandert. Doet hij dat wel, dan komen de woorden vanzelf: ik ben secretaris van een stichting. De trend is duidelijk wat dit betreft: de doctoranda is vrijwel verdwenen, ook vrouwen noemen zich tegenwoordig historicus, voorzitter, journalist. De mannelijke vorm wint het ja, maar over een tijdje slaan die woorden voor iedereen zowel op mannen als op vrouwen. Taal past zich aan aan de praktijk. En dat kun je niet omdraaien.

De gedachte dat je de wereld kunt veranderen door taalveranderingen op te leggen (of tegen te houden) is een diepgeworteld misverstand. Laten we de negers geen negers meer noemen maar zwarten! En de blanken witten. Alsof de taxichaufeurs in Amsterdam dan ineens geen racistische taal meer uitslaan (Echt zelf gehoord: “Nee, zo’n groepje zwarten laat ik staan hoor, die zoeken maar een andere taxi”). Alsof je anti-semitisme kunt verhelpen door over ‘joodse mensen’ te gaan praten.

Goedbedoelde domheid. Voor de zoveelste keer wordt de boodschapper vermoord. Precies hetzelfde doen de klagers die maar doorzeuren over de verloedering van onze taal. Al die anglicismen die het Nederlands binnensluipen, die vervuiling moet op alle mogelijke manieren tegengegaan worden! En hoe denken ze dat doen? Met behulp van ingezonden brieven. Want het is allemaal slordigheid en onoplettendheid van dat tuig dat tegenwoordig de kranten vol mag schrijven.

Maar dat is het niet. Iedereen gaat voorbij aan de werkelijke reden dat we nu veel meer Engelse woorden gebruiken dan vijfentwintig jaar geleden. Die heeft alles te maken met zaken als economie en politiek. En met de televisie.

Het is de angelsaksische cultuur die binnendringt. En die brengt woorden met zich mee. Als wij allerlei zaken uit Amerika gaan overnemen, of het nu resultaten van wetenschappelijk onderzoek zijn of oplossingen voor maatschappelijke problemen, of de inrichting van het onderwijs, dan nemen we vaak automatisch ook de Amerikaanse benamingen over (‘black spots’, ‘graduate schools’, ‘management trainingen’). Als we dag en nacht Engels horen in series, popsongs en noem maar op, allicht dat we daar wat van meenemen. De woorden film en sport zijn ook ooit op die manier in het Nederlands terecht gekomen: we hebben hetgeen waarvoor ze staan met naam en al geimporteerd.

Als die angelsaksische invloed al erg is, dan zijn het in ieder geval niet de Engelse woorden die erg zijn. Die passen zich namelijk keurig aan aan hun nieuwe omgeving. Vreemd toch dat juist de taalpuristen nooit oog hebben voor de onvoorstelbare kracht van het taalsysteem dat ze menen te moeten verdedigen.

Zodra een woord geleend wordt, krijgt het met het Nederlandse systeem te maken: werkwoorden krijgen Nederlandse uitgangen (‘surfen-surfte-gesurft’, ‘debuggen-debugte-gedebugt’) en de uitspraak past zich automatisch aan aan hoe wij praten. En hoe langer het woord het uithoudt, hoe Nederlandser het gaat klinken (niemand praat over hemburgers of spreekt het woord computer uit met de extra ademtochten die Engelssprekenden gebruiken).

Enfin, boodschappers doodschieten en oorzaak en gevolg door elkaar halen zijn nu eenmaal een geliefd tijdverdrijf. De oude Grieken dachten al dat alle andere mensen barbaren waren omdat ze geen Grieks spraken. Jammer dat de beschaving sindsdien zo weinig opgeschoten is. 

Manipuleren mag

Wist u dat onze kroonprins al jaren vecht tegen een krokettenverslaving? Alle snackbarhouders in Leiden, waar de prins geschiedenis studeert, hebben onlangs in het diepste geheim bezoek gehad van een employé van het koninklijk huis.

Willem-Alexander is zo verslingerd aan de oerhollandse lekkernij (de kalfskroket is zijn grote favoriet), dat hij vaak ’s nachts zijn huis aan het Rapenburg uitsluipt, op zoek naar een krokettenbakker die nog open is.

Vindt hij er een, dan bestelt hij direct een dozijn kroketten, die hij achter elkaar naar binnen propt. In het ontlopen van zijn bodyguards is Alex, zoals onze toekomstige koning voor vrienden heet, een expert geworden. Een onhoudbare toestand. Daarom heeft onze vorstin opdracht gegeven om alle krokettenverkopers in Leiden en omgeving persoonlijk te benaderen. Hen is gevraagd de prins nooit meer een kroket te verkopen en dit “geheim van Huis Ten Bosch” goed te bewaren. In ruil daarvoor kreeg iedereen f 5000,- zwijggeld uitbetaald. Dat geld moet ook de misgelopen inkomsten goedmaken.

Exclusief voor O wil snackbarhouder J.R. toch vertellen over Willem-Alexanders junkiegedrag. “Ik hou erg veel van ons koningshuis, maar het Nederlandse volk heeft er recht op te weten dat de kroonprins verslaafd is”, zegt R. terwijl hij een portie bitterballen in het vet gooit.

De rest mag u zelf verzinnen. Net als de details over de liefdesrelatie tussen Ruud Lubbers en Hanja Maij-Weggen. En het ware verhaal achter het dreigend failliet van Freddy Heineken. Of bedenk zelf een roddelartikel dat u meer aanspreekt.

De methode is simpel: roer verzinsels en feiten door elkaar. De onderlinge verhouding tussen die twee ingrediënten en de vorm waarin het mengsel gegoten wordt bepalen de geloofwaardigheid van het eindprodukt.

En met dat recept valt grof geld te verdienen. De Story en de Privé zijn het levende bewijs, en ik begrijp dat heel goed. Waarschijnlijk ben ik belachelijk naief, maar ik kan me telkens opnieuw verbazen over ‘de macht van het woord’, om het maar even ruim te definiëren.

Ik vind het namelijk zo moeilijk me eraan te onttrekken. Als ik hoor dat Nancy Reagan het deed met Frank Sinatra, dan maak ik me daar automatisch een voorstelling van, of ik het nou geloof of niet. Al weet ik nog zo goed dat ‘de bladen’ draaien en liegen, toch lees ik bij de sigarenboer iedere week de koppen over liefdesbaby’s, huwelijksdrama’s, geknakte carrières en ander leed.

Ik bewonder Wim Kaasmaker die in het eerste nummer van het fantasievolste blad van Nederland (Peter Mullers De Nieuwe Amsterdammer) zelfs een bericht over winderige oma’s die het Rijksmuseum niet meer in mogen nog een schijn van waarheid wist te geven. Ondanks alle woordspelingen met ‘wind’ die er in het stuk staan.

Het zal allemaal wel met conventies te maken hebben. Ongeschreven regels, waarop een groot deel van de wereld draait.

Een van die regels is dat je er normaal gesproken van uitgaat dat je gesprekspartner niet staat te liegen. In de taalwetenschap staat dat uitgangspunt bekend als een van de samenwerkingsprincipes van Grice. Maar die principes (de andere zijn kort samengevat dat je niet nodeloos veel, of duister of over irrelevante dingen praat, en dat je ervan uitgaat dat degene die je tegenover je hebt dat ook niet doet) bedacht Grice in de jaren zeventig voor gesprekken. Bij woorden op papier wordt het een tikje anders, maar blijkbaar hebben we wel de neiging die principes over te dragen op geschreven teksten, – ze als criterium te gebruiken.

Schrijver en lezer zijn toch op de een of andere manier gesprekspartners. Dat hoor en lees je terug in de oordelen van (al dan niet professionele) lezers. “Die brief is wel goed Frans, alleen die uitweiding over de geschiedenis van onze stichting doet er in dit geval niet toe. Dat hoort er niet in thuis.”  “Meneer van der Heijden, u heeft een meesterwerk geschreven, maar u heeft er teveel woorden voor nodig. Met honderd bladzijden minder had u f 50.000 kunnen verdienen, nu gaat de AKO-prijs aan uw neus voorbij.”  “Aardig stukje dat je gemaakt had voor ons partijblad, ik kon alleen de passage over de noodzaak de kinderbijslag af te schaffen niet volgen.” “Heb je al die artikelen over het enige echte Troje gelezen? Wat een onwaarschijnlijke flauwekul.”

Andersom werkt het natuurlijk ook. Lof gaat naar degene die helder, overtuigend en to the point schrijft. Ik geloof dat slechts een hoogst enkeling er een speciale voorliefde voor duister proza of ‘hermetische’ poëzie op nahoudt. Al verwachten we moeilijk te doorgronden taalgebruik natuurlijk eerder in een roman of dichtbundel dan in het hoofdartikel van de Volkskrant.

De plaats of het decor waarbinnen een tekst te vinden is, speelt een grote rol bij het leveren van een oordeel. Zelfs al voordat je begint te lezen (of te luisteren, maar dat gebeurt weer in iets andere decors) neem je een aantal decorstukken snel in je op. Wat is dit voor tekst? Waar komt hij vandaan, waar staat hij, wie is er aan het woord? Het antwoord op die vragen kleurt de bril waarmee je leest.

Ervaren lezers hebben voor alles een verwachtingspatroon: voor hoofdartikelen, voor officiële brieven, voor recensies, voor novelles, voor de wijkkrant, voor autobiografieën, voor sprookjes, voor elk genre dat ze kennen.

Binnen het genre blijven de samenwerkingsprincipes overigens nog steeds belangrijke criteria. Een science fiction verhaal moet wel intern consistent zijn, in een autobiografie mag niet te veel gelogen worden, een novelle hoort niet wijdlopig te zijn.

Toch ligt hier de goudmijn voor de manipulator. In die verwachtingspatronen. Schokkend vond ik het om een tijdje terug te lezen dat de nieuwste trend bij bedrijven het aanmelden van nepvacatures is. Stel je voor: sta je als werkeloze op het arbeidsbureau (dat zich overigens krankzinnig genoeg nu alweer jaren Jobcentre noemt) in de bakken banen te bladeren, loop je het risico dat de prachtbaan die je ziet helemaal niet bestaat. Dan krijg je op je sollicitatie een briefje thuis “dat er intern een oplossing gevonden is”.

Dat allemaal omdat het bedrijf zo nodig de arbeidsmarkt wilde aftasten. Een ordinair geval van liegen, in een context waar je dat niet verwacht.

En om nog even terug te komen op de samenwerkingsprincipes bij het spreken: dat geldt ook voor beweren dat je een bom bij je hebt in het vliegtuig, terwijl daar geen sprake van is. Ieder jaar opnieuw duiken er berichten op in de kranten over vliegtuigen die vanwege zo’n gek terug naar huis moesten.

Het nieuwste misbruik dat er van ‘de macht van het woord’ gemaakt wordt is bijten of steken met een naald onder het uitroepen van de kreet “ik heb aids”. Nogal een gore truc. Want een besmetting is tenslotte niet helemaal onwaarschijnlijk wanneer je een junkie bent. Voor de agenten die dit overkomt moet het een nachtmerrie wezen.

Ook ‘de bekende hoogleraar’ (his words, not mine) tekstwetenschap Teun van Dijk probeert zijn woorden geloofwaardigheid te geven door gebruik te maken van de omgeving waarin hij zich bevindt: de Wetenschap.

Al jarenlang stuurt hij met jargon doorspekte maar verder totaal ongefundeerde beschuldigingen de wereld in (het komt er geloof ik altijd op neer dat iedereen een racist is), en altijd weer zijn er mensen die hem geloven, al was het alleen al “omdat zo’n man natuurlijk toch niet voor niks professor is”. In de kwestie Komrij (die volgens Van Dijk de werkelijke auteur is van De ondergang van Nederland, een boek dat waarschuwt voor een moslim-machtsovername) is de tekstprofessor geheel door het dolle heen geraakt. Toen bekend werd dat er daadwerkelijk een proces zou komen naar aanleiding van Komrijs aanklacht tegen Van Dijk wegens smaad, liet de hoogleraar weten dat hij nog steeds geen enkel overtuigend argument had gehoord waarom Komrij niet onder de naam Rasoel had geschreven.

Daarmee zette hij een stap die in ieder geval voor sommigen net iets te ver buiten de verwachtingspatronen ligt. Een dergelijke omkering van de bewijslast is ook werkelijk te dwaas voor woorden.

Van Dijk werd prompt uitgefoeterd en -gelachen in het taalprogramma van NOS-radio en in Jan Blokkers column in de Volkskrant. Toch hadden de kranten allemaal zonder verder commentaar (had nou eens even wat collega’s uit de taalwetenschap geraadpleegd, jongens, dan had je kunnen horen hoezeer deze man de risé van het complete vakgebied is, en dat er bosjes taalwetenschappers rondlopen die zich doodergeren aan de slechte naam die die Van Dijk hun vak bezorgt) de reactie van de professor in een berichtje gezet.

Toch leidt het manipuleren van feit en fictie in de juiste context niet tot misbruik en leugens, of de Privé, maar juist tot veel onvergetelijk fraais. Ook de literator is nu eenmaal een manipulator. Pas geleden verschenen er vrijwel tegelijk twee boeken die ik zeer de moeite waard vind, en die allebei met de werkelijkheid spelen: Apenliefde van Theodor Holman en Het zwaard van de kreeft van Margreet Jansen en Henk Pröpper. Ze berusten beide op de realiteit. Ze zijn schrijnend, ellendig en om te lachen (Holman het vaakst), maar ook helder, to the point en geloofwaardig.

Apenliefde lijkt het echtst: het is een verzameling korte stukjes in de ik-vorm die leven en liefdes van een gescheiden vader beschrijven. Herkenbaar en geloofwaardig op elke bladzijde. Nu heeft Holman werkelijk een dot van een dochter van acht, en ook een ex en een moeder, en andere personages uit Apenliefde bestaan ook echt. Toch houdt hij bij hoog en bij laag vol dat geen van de dingen die hij beschrijft ook daadwerkelijk zo gebeurd is. Hij heeft erbij verzonnen, samengeklapt, verdraaid en verfraaid.

Het zwaard van de kreeft wordt gepresenteerd als een novelle, in de hij- en de zij-vorm, maar het beschrijft in werkelijkheid de liefde tussen de twee auteurs. Die mondt uit in een definitieve scheiding omdat zij doodgaat aan kanker. Waar gebeurd ja, en nee, geen eng of sentimenteel boek om te lezen. Natuurlijk is er ook in dit geval uitgedund en vergroot en verkleind, maar Pröpper zegt dat de Janna en Rik in het boek vrijwel compleet de Margreet en de Henk uit de werkelijkheid zijn. Sommige manipulatoren van de realiteit verdienen een enorm lezerspubliek.

Heimelijke toorn

Gek is dat. Vroeger waren cryptogrammen moeilijk. Toen ik jong was werd er met eerbied gesproken over een buurman die ze oploste: zo iemand hoorde tot een speciale, extreem intelligente mensensoort. Tegenwoordig zitten er in de lulligste radioprogramma’s telefoonspelletjes waarbij de luisteraars een prijs kunnen verdienen met de goede oplossing van een cryptogram.

Ook in televisiequizzes zie ik ze voorbij komen, en echt, al die kandidaten zijn er vaak verdomd knap in. Niet alleen in cryptogrammen trouwens. Het valt me al een tijdje op dat ik nauwelijks de televisie meer kan aanzetten of er is het een of andere taalspelletje bezig. Lingo, Boggle, Scrabble, Rad van Fortuin, De Puzzelkampioen, Jackpot, Tien voor Taal, echt alle gezindten (hoe heette die quiz van de EO nou ook alweer, ze waren nota bene een van de eersten) doen eraan mee. Je moet je soms – ok, net iets te vaak – door een verschrikkelijke spelleider heenbijten, maar dat is de moeite waard, want al die spelletjes samen zijn bijzonder inzichtgevend.

Op de televisie loopt namelijk volgens mij een groot, lang psycholinguistisch experiment over woorden. En de kijkers thuis vormen daarbij een soort controlegroep: omdat zij mee moeten kunnen doen, moeten de spelletjes gebruik maken van een type kennis dat we allemaal gemeen hebben.

En met woordkennis is dat het geval. We kennen natuurlijk niet allemaal dezelfde woorden, maar we delen wel de manier waarop ze in ons geheugen zitten. In die taalspelletjes wordt voortdurend het bewijs geleverd dat de structuur van ons mentale woordenboek stukken praktischer is dan die van gewone dictionaires in boekvorm.

Die zijn alleen met behulp van een nogal onnatuurlijk criterium te raadplegen: het alfabet. Terwijl wij in ons hoofd op alle mogelijke manieren kunnen zoeken. Op categorie, op klank, op betekenis, op pure vorm, op associatie. We hebben een netwerk waar voorlopig geen computerjongen of -meisje van durft te dromen.

De programmabedenkers zullen het niet zo in de gaten hebben, maar dat netwerk met al zijn toegangen is hun basismateriaal. En het aardige is dat ze, in hun verlangen de kijkers steeds weer iets nieuws te bieden, voor het oog van de wereld de grenzen en mogelijkheden van dat woordenweb aan het aftasten zijn.

Zelfs zijn ze in staat er nieuwe draadjes bij te spinnen, of bestaande connecties te verstevigen. Want de bouwprincipes voor ons mentale woordenboek mogen dan voor iedereen gelijk zijn, het bouwen zelf gaat als het goed is een leven lang door, en er zijn verschillende onderdelen die je speciaal kunt trainen.

Door puzzelen bijvoorbeeld. Een tijdverdrijf waarbij het al gauw om gecompliceerde zoekactiviteiten gaat. Wie regelmatig alleen maar een eenvoudige kruiswoordpuzzel invult, raakt al getraind in het zoeken op betekenissen en categorieën, gecombineerd met het zoeken op vorm en klank.

En dat alles met fabelachtige snelheid. Als ik u de betekenisomschrijving tijdsaanduiding geef, u vertel dat het een woord van drie letters moet zijn, waarvan de derde een u is, dan weet u zelfs zonder zo’n overzichtelijk kruiswoorddiagrammetje onmiddellijk dat de oplossing uur is. Alle kans dat u het een flauwe, doodgemakkelijke opgave vindt. Toch heeft u uit misschien wel honderdduizend woorden (de O-lezer is niet van de straat) op basis van een paar aanwijzingen zonder merkbare moeite het goede gevonden.

Behalve met eenvoudige synoniemen (woord van zes letters voor maar is echter, gaan is lopen, kamer is vertrek etcetera) wordt er in puzzels veel met categorieën (of hyperoniemen) gewerkt: opgaven als vogel of beroep. Het aantal mogelijke goede antwoorden is dan heel groot, maar toch zijn we ook in dat geval in staat snel de weg te vinden, dikwijls met behulp van een paar al bekende letters en omdat we weten hoe lang het gezochte woord is.

Blijkbaar is al die kennis op de een of andere manier beschikbaar. Woorden zitten dus in groepjes in ons hoofd: groepjes planten, dieren, maar ook categorieën als “dingen die je kunt lezen”, “manieren waarop je je kunt voortbewegen”, “zoete eetwaren”, “kunstvormen”, bij elk van die omschrijvingen kan iedereen spontaan een rijtje woorden opzeggen.

Dat mag banaal klinken, maar het is werkelijk een grote prestatie, zeker als je ook nog bedenkt dat zo’n categorie vrijwel altijd een subcategorie van weer een of meer andere categorieën is, en tegelijkertijd zelf vaak ook weer een of meer subcategorieën bevat. Een manier om je voort te bewegen is bijvoorbeeld “rijden”, en daarbinnen vallen weer “autorijden”, “paardrijden”, “fietsen”. En ook die zijn weer op te splitsen: een vorm van fietsen is “wielrennen”. En om het helemaal ingewikkeld te maken zitten nogal wat woorden in verschillende (sub)categorieën: wielrennen bijvoorbeeld hoort zowel bij “rijden” als bij “sporten”.

En toch kan een minimale aanwijzing al genoeg zijn om precies bij de goede knoop in het woordenweb terecht te komen. Een bijzonder sterk geval zag ik een tijdje terug in Hans van der Togts Rad van Fortuin. De opgave was beroep. Een kandidaat zag alleen maar t….-……t… en riep onmiddellijk uit: treinconducteur.

Knap werk al hielp dat streepje een beetje mee, en had de meneer het geluk dat de eerste letter bekend was. Proefjes in het laboratorium hebben namelijk duidelijk gemaakt dat zodra we de beginklank van een woord horen, alle woorden die met die klank beginnen eventjes “geactiveerd” worden. Iemand hoort een “k”, en prompt wordt elk woord dat met een k begint een flits van een seconde wakker gemaakt, klaar gezet. Naarmate een woord verder uitgesproken wordt (het gaat echt om miliseconden), vallen er kandidaten af: bij “kap” zijn “kantoor” en “karren” alweer afgevallen, maar “kapitaal” en “kapitein” staan nog klaar.

En het gaat werkelijk om de beginklank. Daar kom je bijvoorbeeld achter door proefpersonen een plaatje te laten zien, en ze dan te vragen dat plaatje zo snel mogelijk te benoemen. Toon je een tafel, en laat je ze tegelijkertijd het woord “takel” horen dan zeggen ze sneller “tafel” dan wanneer je ze het woord “wafel” laat horen, dat toch ook erg op “tafel” lijkt. Enfin, wie wel eens een puzzel invult weet dat het hebben van de beginletter het halve werk is.

Het spelletje Lingo maakt gebruik van dat activeringsprincipe. Wie daar aan meedoet krijgt maar weinig aanwijzingen. Er moet zomaar in het wilde weg geraden worden naar een woord van vijf letters waarvan in eerste instantie alleen de eerste gegeven wordt.

Dus je ziet bijvoorbeeld alleen “s”, en dan zeg je “strak” of “sterk” of “sloop”. Stel dat het goede antwoord “stier” is en je hebt “sterk” gezegd, dan wordt aangegeven welke letters goed zijn en op de goede plaats staan (de “s” en de “t” in dit geval) en welke letters wel in het gezochte woord voorkomen, maar ergens anders thuishoren (hier: de “r” en de “e”). Het tempo waarin spelers het goede woord te pakken krijgen is vaak fenomenaal. En alleen maar met de vorm als “ingang”.

Echt iets nieuws op taalspelletjesgebied zit in Jackpot. Daar wordt “geassocieerd”. En ook dat doen we blijkbaar op dezelfde manier. Bij de woorden “rood”, “vuur” en “ladder”, denken de meeste mensen aan brandweer, en bij “bedekking”, “huis”, “rood” aan dakpan.

Dit spelletje laat pas goed zien hoe ingenieus verknoopt dat woordennetwerk in elkaar zit. Spelers krijgen maximaal acht “associaties” om bij het goede woord te komen. En drie blijkt vaak al genoeg te zijn. “Gras, “glad”, “gif” leidt tot adder, “lotus”, “vuurwerk”, “eten” tot Chinees. En dat is voor iedereen te volgen. Eigenschappen (“rood”), uitdrukkingen (bij blaar bijvoorbeeld “billen”), synoniemen (bij adder “slang”): de associaties lopen langs vele wegen.

Ook cryptogrammen moeten vaak aan de hand van associaties opgelost worden. Maar het leuke van cryptogrammen is dat je ook nieuwe verbanden moet leggen. Verbindingen in het web die er nog niet waren. Het cryptogram is in zekere zin inderdaad het ultieme en ook lastigste taalspelletje.

Zo’n beetje alle organisatieprincipes van het mentale woordenboek kunnen een rol spelen, maar je weet bij een opgave niet van tevoren welke van die principes je nodig hebt. Goede antwoorden kunnen bereikt worden via categorieën of synoniemen (een hele mooie vind ik altijd de oplossing gier voor “vogelmest”, waar “vogel” een categorie is en “mest” een synoniem van de omschrijving), via uitdrukkingen of andere betekenisassociaties (tuinen is het antwoord op “erin lopen is het werk van hoveniers”) en ook via de vorm die daarvoor vaak l