door Liesbeth Koenen ©
25-03-1989
Vrij Nederland

Vreemde kwibussen en gevaarlijke engerds

Wetenschapsjournalistiek als aapjes kijken

De Profs, Vijf fameuze Nederlandse wetenschappers, door Tom Verheul
Uitgeverij Aramith, 109 p., f 27,50

Willem Wagenaar snellend door de gangen in een lange wapperende jurk, Jaap Goudsmit stralend boven een aidsvirusje, Kristofer Schipper die een stokje wierook aansteekt op zijn huisaltaar: rare jongens die wetenschappers moeten de kijkers naar De Profs gedacht hebben. Tom Verheul interviewde vorig jaar voor de VPRO-televisie ‘Vijf fameuze Nederlandse wetenschappers’.

Vier van de vijf gesprekken heb ik gezien, en bovenstaande beelden zijn me sterk bijgebleven. De serie werd overigens prompt bekroond met de prijs voor de beste wetenschappelijke film (de Jaap S. Nieuwenhuis-legpenning) en nu is er een boek van gemaakt dat dezelfde titel meekreeg als de tv-programma’s.

Laat ik het maar meteen zeggen: ik vind het boek beter. Maar nog steeds niet goed genoeg. Verheul portretteerde de vijf heren naar mijn smaak te veel als vreemde kwibussen, types die dingen doen waar wij als gewone mensen geen weet van hebben of zelfs maar zouden kunnen krijgen. Hij laat bovenal de buitenkant van hun vak, positie of persoon zien en vraagt maar zelden door naar de inhoud van hun onderzoek. De inleidingen die anderen dan Tom Verheul voor de boekversie bij elk van de interviews geschreven hebben, kunnen dat maar ten dele goedmaken, al scheelt het genoeg om mij het boek te doen verkiezen.

Wat had ik dan gewild? In twee van de vijf gevallen is daar een eenvoudig antwoord op te geven: lees in Max Pams God dobbelt niet de gesprekken met de taoïsmekenner Rik (=Kristofer bij Verheul) Schipper en de deeltjesversneller Simon van der Meer (tevens Nobelprijswinnaar) nog eens na, dan ziet u het direct. Pams indertijd in Vrij Nederland gepubliceerde verhalen zitten beter in elkaar, lezen prettiger en hebben meer inhoud dan de interviews die Verheul met dezelfde mensen hield. Gaf de televisieserie tenminste nog letterlijk een beeld van Schipper en Van der Meer, op schrift is iedere meerwaarde verdwenen.

Wat heeft Max Pam dat Tom Verheul niet heeft? Een grote dosis nieuwsgierigheid naar en interesse in wetenschappelijk onderzoek, denk ik, en de bereidheid zich daar dan ook in te verdiepen. Maar het allerbelangrijkste is misschien nog wel dat hij beroemde onderzoekers niet met een mengeling van heilig ontzag en een gevoel van ‘aapjes-kijken’ benadert.

Als het goed is, bestaat er een verschil tussen journalistiek en wetenschapsjournalistiek, maar ik ben bang dat Verheul (en nogal wat mensen met hem) dat niet met me eens zou zijn. Onthullend vind ik wat hij in het voorwoord bij De Profs schrijft. In eerste instantie was hij stomverbaasd geweest dat de profs in kwestie zich pertinent wilden beperken tot hun eigen specialisaties en liever geen uitspraken deden over die stukken van hun vakgebied waar ze niet in thuis zijn.

Na een tijdje begint Verheul daar begrip voor te krijgen, en hij vat het zo samen: ‘Ligt de kracht van een wetenschapper in een streng bewaakte beperking, voor de journalist ligt roem in het verschiet als hij zich weet te ontwikkelen tot iemand met een gezaghebbende mening op zoveel mogelijk terreinen; hij heeft zich het recht verworven zijn persoonlijke mening tot opinie te maken.’

Iemand die verbaasd is dat toponderzoekers zich bij hun leest wensen te houden heeft niet begrepen wat wetenschap is. Bij het portretteren van wetenschappers is dat beslist een hinderpaal. En iemand die opinies verwart met kennis van zaken maakt een grove fout. Want het ging hier niet om meningen, het ging uiteindelijk om onderzoeksresultaten.

Vragen naar het abnormale geheugen zoals Verheul bij Wagenaar deed (Wagenaar wilde daar niets over zeggen) is principieel anders dan vragen naar iemands ideeën over pakweg het huwelijk of het Rooms-katholicisme. Een integere wetenschapper weet dat je héél veel van iets af moet weten wil je een verantwoord oordeel kunnen vellen. In veel vakken is het voor één persoon allang niet meer mogelijk om alle ontwikkelingen te volgen. Dat je je daarom niet bevoegd voelt om op dezelfde manier over de specialisaties van je collega’s te praten als over die van jezelf lijkt me niet meer dan normaal.

Ik geloof dan ook niet dat er roem in het verschiet ligt voor de wetenschapsjournalist die op zoveel mogelijk terreinen thuis is. Om de juiste vragen te kunnen stellen, om je niet in de luren te laten leggen (en er wordt in de wetenschap wat gebeunhaasd!) heb je veel voorkennis nodig. Het ontbreken van voorkennis zorgt voor het ‘Viruly-effect’ dat erg veel mensen kennen: de grote vliegheld moet eens gezegd hebben dat hij zo graag kranten en tijdschriften las, want daar kon je zo verschrikkelijk veel van leren. Alleen de stukken over vliegen, die sloeg hij altijd over, want die krioelden van de fouten.

Nu wil ik Verheul niet te hard vallen. Hij heeft natuurlijk twintig keer mooiere, interessantere en betere programma’s gemaakt dan het gros van wat zich keer op keer achter de tv-knop blijkt te bevinden. En het sterft in dit land van het volk dat zich – in nog veel ergere mate dan Verheul voor journalisten propageert – bezondigt aan het hebben van een mening zonder daarbij enige feitenkennis te vertonen.

Het koor van kakelende kippen rondom hersenonderzoeker Dick Swaab is daar het recentste voorbeeld van. Verbijsterend om te zien hoe alle media hun zendtijd en kolommen wijd open zetten voor ‘de mening’ van rijen mensen die geen flauwe notie bleken te hebben van waar de hele ‘affaire’ om draaide. Ik begrijp eerlijk niet hoe iemand daar luid en duidelijk stelling in durft te nemen terwijl hij zelfs niet de moeite heeft genomen om Hans van Maanens interview met Swaab in het Parool, waar de deining mee begon, (goed) te lezen.

Maar misschien begrijp ik het ook wel: het werkt. Bijna niemand heeft het in de gaten. Van Swaab zal nog lang door velen gedacht worden dat hij een griezel is. En daarmee vertegenwoordigt hij de andere kant van het beeld dat in brede kring over wetenschappers bestaat: je hebt maffe genieën (de vijf van Verheul) en je hebt gevaarlijke engerds.

De taak van de wetenschapsjournalist is nou net om daar verandering in te brengen. Daarom ben ik zo streng voor Verheul en vind ik het niet terecht dat hij die penning gekregen heeft omdat hij in staat zou zijn geweest ‘een groot publiek te interesseren in een moeilijk te visualiseren onderwerp: het werk van vijf vooraanstaande wetenschappers.’ De cursivering is van mij. Verheul heeft zich immers nauwelijks gericht op het werk, maar veel meer op de buitenissige mensensoort ‘toponderzoeker’.

Gevolg is dat de inleiding bij het gesprek met Jaap Goudsmit veel spannender is dan het gesprek zelf. Dat die man van hot naar her vliegt en praatjes houdt geloof ik graag, maar ik lees ademloos door als het over het griezelig slimme gedrag van het aidsvirus gaat.

Zo is ook het gekeuvel met de astronoom Oort wel aardig, daar gaat het niet om, maar het krijgt pas reliëf als je je realiseert dat ons heelal de afgelopen zestig jaar op een onwaarschijnlijke manier ‘uitgedijd’ is en dat Oort dat voor een goed deel op zijn geweten heeft: toen hij begon bestond in de ogen van de wetenschap eigenlijk alleen ons eigen Melkwegstelsel en wist niemand veel van de structuur ervan. De oerknal en het idee dat het heelal sindsdien aldoor uitdijt zijn nog maar jonge theorieën.

Nu is lang niet iedere ‘prof’ in staat op een begrijpelijke manier uit te leggen waar hij zich mee bezighoudt. Dat zal Verheul ook wel parten hebben gespeeld. Maar iemand die dat zeker wel kan is de geheugenspecialist Willem Wagenaar. Al jaren en jaren sla ik geen stuk van zijn hand in NRC Handelsblad over.

Toch is ook bij het interview met hem weer de inleiding het helderst en inzichtgevendst. Daarin wordt duidelijk dat de pers  (althans een deel daarvan) ten onrechte over Wagenaar heen viel na zijn getuigenis bij het proces tegen Demjanjuk, de man die tijdens de Tweede Wereldoorlog ‘Ivan de Verschrikkelijke’ geweest zou zijn.

Wagenaar heeft in Israël niets anders beweerd dan dat de identificatieprocedure aantoonbaar onzorgvuldig was geweest en dat mensen de gekste dingen vergeten of verkeerd reconstrueren in hun geheugen. Over de schuldigheid van Demjanjuk (die geïdentificeerd werd op basis van een rijtje foto’s waarop alleen hij aan het van te voren bekende, grove signalement voldeed, en die zei zich allerlei zaken slecht of niet te herinneren) sprak hij met geen woord. Natuurlijk niet. De bewijsvoering was ondeugdelijk, maar daarmee was noch Demjanjuks schuld, noch zijn onschuld bewezen.

Jammer is het dat Verheul in het eigenlijke interview niet doorvraagt naar Wagenaars onderzoek naar zijn eigen geheugen. In de hoop meer te weten te komen over de strategieën waarvan we ons bedienen bij het oproepen van herinneringen hield Wagenaar zes jaar lang schriftjes met gebeurtenissen in zijn eigen leven bij. Het enige onderzoeksresultaat dat de kijkers kregen te horen, was dat het noemen van een dag en een datum niet per definitie voldoende is om de gebeurtenissen van die dag weer naar boven te brengen in het geheugen. Nauwelijks schokkend. Wat voor soort extra aanwijzingen wél werkt werd niet duidelijk, terwijl me dat nu juist zo bloedje interessant lijkt om te weten.

Aanzetten en aanknopingspunten zat dus eigenlijk in De Profs, en het boekje kopen kan ook absoluut geen kwaad (er is toch al zo weinig op dit gebied, de wetenschapsjournalistiek is, zeker op televisie, nog steeds niet aan grote-mensen-schoenen toe), maar daar staan te veel gemiste kansen tegenover.

Nog eentje: neem onze nationale held, Nobelprijswinnaar Simon van der Meer. Die geeft doodleuk en eerlijk toe dat zijn geldverslindende onderzoek een grote gok was, dat hij gewoon geluk heeft gehad, en dat de resultaten van zijn werk geen enkele maatschappelijke toepassing hebben. Het was aardig geweest even door te praten over het ontzag dat in brede kring leeft voor moeilijk te volgen  onderzoek naar elementaire deeltjes. Opent dat ontzag beurzen die voor anderen gesloten blijven? Hoor je daarom ineens niets over die vreselijke ‘maatschappelijke relevantie’? Vragen genoeg voor volgende interviewers.

Nootje: Op mijn knipsel stond stom genoeg geen datum. De publicatieweek is daarom een heel klein beetje een gok.