door Liesbeth Koenen ©
17-02-1996
Vrij Nederland

Wetenschap

De opkomst van de derde cultuur

THE THIRD CULTURE Beyond the Scientific Revolution door John Brockman. Uitgever Simon & Schuster, 413 p. Importeur Van Ditmar, f 55,55

De ‘derde cultuur’ is iets waarop C.P. Snow hoopte toen hij in 1959 zijn beroemde uitval schreef op de eigenwaan van de ‘literaire intellectuelen’. In Snows voetspoor interviewde John Brockman drieëntwintig ‘nieuwe intellectuelen’: de echte wetenschappers. Dat het tegenwoordig intellectuele status geeft om zich te verdiepen in de archeologie van de evolutie, kunstmatige intelligentie en deeltjesfysica is mooi, maar Brockman slaagt er in zijn gesprekken met de wetenschappelijke supersterren Stephen Jay Gould, Richard Dawkins of Marvin Minsky niet in om de derde cultuur toegankelijk te maken voor iedereen. Toch beweert hij dat in de eenentwintigste eeuw de literaire cultuur plaats zal maken voor de cultuur van de wetenschap.

Plato en Shakespeare hebben afgedaan. Goed, er is nu nog een soort samenzwering gaande van filosofisch en literair georiënteerde intellectuelen die denken het hele intellectuele landschap te beheersen, maar dat duurt echt niet lang meer.

Het publiek wil namelijk iets anders. De spraakmakende gemeente van dit moment houdt zich bezig met de kwesties die in de harde wetenschap spelen.

Mensen willen lezen en nadenken over vragen als deze: is ons heelal het enige, of zijn er een heleboel? Ontstaan er misschien nieuwe universums in ‘zwarte gaten’? En gelden daar dan dezelfde natuurwetten als hier of juist niet? Zijn ‘bewustzijn’ en ‘taal’ een soort bijprodukten van de evolutie? En op welk niveau speelt die evolutie zich nu eigenlijk af? Waarom bestaat seks? Wordt er ergens op een ander, hoger plan wellicht met dezelfde verbazing naar ons gekeken als wij kijken naar de organisatie van een mierenhoop?

Zulke vragen zijn in zekere zin zo oud als de wereld. Ze komen allemaal neer op varianten van ‘waar komen we vandaan?’ en ‘hoe zitten wij en de wereld in elkaar?’.

Nieuw is volgens de New Yorkse literair agent John Brockman dat het tegenwoordig wetenschappelijk onderzoekers zijn die er het meeste over te zeggen hebben. Dat is het uitgangspunt voor zijn boek The Third Culture, Beyond the Scientific Revolution, waarin hij 23 (vrijwel uitsluitend Amerikaanse) genetici, psychologen, astronomen, ontwikkelingsbiologen, natuurkundigen en nog andere onderzoekers aan het woord laat.

Die ‘third culture’ was iets waar C.P. Snow op hoopte. Snow werd wereldberoemd met zijn in 1959 verschenen boek The Two Cultures, waarin hij beschreef hoe de ‘literary intellectuals’ zichzelf, terwijl er even niemand keek, waren gaan bestempelen als de intellectuelen.

De ‘scientists’ (ook grootheden als Einstein, Bohr, Hubble en Von Neumann) werden buitengesloten. Hun werk, zelfs dat van degenen die zich richtten tot het algemene publiek, haalde domweg de kolommen van de invloedrijke kranten en tijdschriften niet meer.

Snows twee culturen laten zich in het Nederlands redelijk goed vertalen als ‘de alfa’s’ en ‘de bèta’s’. Een ‘derde cultuur’ zou op een goede dag de kloof tussen die twee moeten dichten.

Dat is volgens Brockman niet gelukt. Het loopt anders. Hij ziet de verkoopsuccessen van onderzoekers annex auteurs als Stephen Jay Gould en Richard Dawkins (over evolutie), en Marvin Minsky, Daniel C. Dennett, Steven Pinker en Roger Penrose (over de werking van de geest) als het bewijs dat er een derde cultuur ontstaan is die zich rechtstreeks tot het publiek te richt, dat een grote intellectuele honger naar wetenschappelijk nieuws heeft.

Hoe het gekomen is dat populair-wetenschappelijke boeken en wetenschap in het algemeen inmiddels wél aandacht in de pers krijgen, wordt niet helemaal duidelijk. Brockman komt niet veel verder dan dat wat er in de wetenschap gebeurt allemaal heel belangrijk is, en dat het allemaal zo hard gaat. Wat trouwens ook waar is.

Brockman heeft gesprekken gevoerd met wat hij ‘derde-cultuur-denkers’ noemt. Ze komen deels uit zijn eigen stal, en verder heeft hij zich bij zijn keuze laten leiden door toeval en persoonlijke smaak.

Na een korte introductie over het derde-cultuur-idee volgen in het boek honderden pagina’s interviews met wetenschappers, waaronder alle bestseller-auteurs van hierboven. Ze vertellen telkens in een monoloog waar ze zich mee bezighouden, waarna een aantal van de andere in het boek geïnterviewden commentaar geven op werk, denken en soms de persoonlijkheid van de hoofdpersoon in het betreffende hoofdstuk.

Als opzet klinkt dat heel aardig, maar The Third Culture is nogal een curieus boek geworden.

Als het bedoeld is om meer mensen warm te maken voor de derde cultuur, dan faalt het jammerlijk. Daarvoor is het namelijk te moeilijk. Wie niet al een beetje thuis is in de vakgebieden die aan bod komen, kan onmogelijk volgen waar de geleerden het over hebben.

En juist omdat er zo’n breed scala aan onderwerpen ter sprake komt, is dat een groot bezwaar. Welke naar intellectueel voer hongerende lezer heeft er nu voorkennis over, om er een paar uit te pikken, zowel evolutionaire biologie, als kunstmatige intelligentie, als deeltjesfysica, als taalkunde, als sterrenkunde? Ik zou zo gauw niemand weten.

Geheel onbedoeld laat Brockman met zijn boek haarscherp zien waar de problemen voor die derde cultuur liggen: in de toegankelijkheid. Daar wordt bij lange na niet genoeg aan gedaan, en zolang dat niet verbetert, zal alleen een klein, elitair groepje voldoende begrijpen van de huidige intellectuele discussies.

De wetenschap heeft zeker aan aanzien gewonnen, dat ziet Brockman goed, en dat is ook in Nederland zo. Je kunt dat hier bijvoorbeeld afmeten aan de populariteit van de wetenschapskaternen van de kranten, die allemaal nog geen vijftien jaar bestaan. Bij lezersonderzoeken blijkt er telkens grote waardering voor te zijn.

Maar ik verdenk die lezers vaak van ‘sociaal wenselijke’ antwoorden. Lezen ze al die pagina’s echt? Ze hebben in elk geval het idee dat ze dat móeten doen, en ze zullen liever niet toegeven dat ze veel van die stukken maar half of helemaal niet kunnen volgen. Want dan ben je dom.

Weinig mensen brengen de arrogantie op om het standpunt in te nemen dat volgens mij het enige juiste is: bij een onbegrijpelijk artikel of boek ligt de fout in principe bij de auteur, en niet bij het gebrek aan intelligentie van de lezer.

En er zijn schrikbarend weinig écht goede non-fictie-auteurs. Zelfs degenen die zo goed verkopen, vragen in mijn ogen meestal te veel van hun lezers. Je moet je vrijwel altijd door saaie of onmogelijk ingewikkelde passages heenworstelen.

Ook bij Stephen Goulds veelgeprezen Wonderful Life, bij Penroses The Emperor’s New Mind, Dennetts Consciousness Explained of Pinkers The Language Instinct, om er eens een paar te noemen die ook in het Nederlands verkrijgbaar zijn.

Hevig redigeren en structureren van dergelijke boeken is de enige manier waarop je die derde cultuur bereikbaar kunt maken voor een veel grotere groep mensen.

Helaas is ook Brockman niet goed genoeg. Interviewen is een vak, en ‘decor’, structuur en vertalen zijn de sleutelbegrippen voor een goed weergegeven onderhoud met een wetenschappelijk onderzoeker.

Elke onderzoeker is een specialist, en de interviewer heeft de taak de lezer duidelijk te maken waar in het wetenschappelijk landschap het specialisme in kwestie staat. Dat is het decor waarin het verhaal zich afspeelt. En het verhaal zelf moet logisch in elkaar zitten. Daarvoor zijn de structuur en het vertalen van jargon de middelen.

Brockman beperkt het decor tot het noemen van ’s mans (een keer vrouws) vak en een paar publikaties. De rest van de plaatsbepaling laat hij aan henzelf over, en aan de ‘commentatoren’ die pas ná het eigenlijke interview aan bod komen. Dikwijls snap je pas tien pagina’s verder wat je daarvoor hebt zitten lezen. Daarnaast blijft erg veel jargon (inclusief hele theorieën) helemaal onverklaard.

Gevolg is dat heel veel passages op zijn best kunnen dienen als ‘bluff your way into science’-gidsje.

Wist u bijvoorbeeld dat er naast zwarte ook witte gaten vermoed worden? En dat apen hypernerveus worden van een rode kamer, maar heel kalm van een blauwe? Ze houden trouwens ook helemaal niet van muziek.

Nu ja, zo kan ik wel even doorgaan, maar dat zijn natuurlijk niet de centrale issues. Zo is er de vraag of je machines intelligent kunt maken. Wat daar nu precies de problemen bij zijn, kun je uit de interviews niet opmaken. Wel wordt duidelijk dat er soms absolute haat en nijd heerst tussen onderzoekers onderling. Maar waarom kunstmatige intelligentie-mensen als Minsky en Schank zo’n bloedhekel aan de theoretische taalkunde hebben, blijft duister.

Ik vind overigens dat Brockman voor een boek dat hoort te gaan over ‘human nature and the nature of the universe’ onevenredig veel ruimte heeft gegeven aan artificiële intelligentie, en opvallend weinig aan de cognitieve psychologie en neurowetenschappen, waarin in razend tempo steeds meer bekend wordt over de werking van ons brein.

De psycholoog Steven Pinker vertelt er het meeste over, maar ik heb zijn bijdragen over taal met gemengde gevoelens gelezen. Het is Pinker gelukt om aansluiting te vinden bij wetenschappers uit andere disciplines, wat voor elk vakgebied alleen maar gunstig kan zijn, maar de manier waarop hij zich de resultaten van een kleine veertig jaar taalkundig onderzoek toeëigent, deugt niet helemaal.

Heb ik nu helemaal niets aardigs te zeggen over een boek waar ik toch heel veel uren in heb zitten lezen? Het idee van die derde cultuur spreekt me zeker aan. Niet alleen omdat wetenschap belangrijk is (het bepaalt inderdaad tot op veel grotere hoogte ons dagelijks leven dan de meeste mensen beseffen), maar vooral ook omdat het zo leuk is.

Ik zou soms willen dat ik op de een of andere manier het intense genoegen kon overbrengen dat je kunt beleven aan het lezen van een goed populair-wetenschappelijke boek. Het stomme is: op school vertellen ze niet dat er zoiets bestaat. Ik heb het ook maar toevallig ontdekt.

Vroeger las ik alleen literatuur. Maar wat vinden de meeste mensen het mooiste aan literatuur lezen? Dat ze zich kunnen verliezen, ergens anders verkeren, een andere blik op de wereld krijgen. Goedgeschreven ‘derde-cultuur-boeken’ bieden dat allemaal, met nog een extraatje: meer inzicht in hoe de wereld in elkaar zit. Laten we dus hopen dat er nog veel geschreven zullen worden, ondanks het slechte voorbeeld dat The Third Culture zelf geeft.