door Liesbeth Koenen ©
02-1991, nr. 4
Maandblad O

TAAL

Mag ik u zeggen?

‘Ken je die bak van de ketchupfles die nog een keer wilde spetteren? Je kijkt er naar.’  Een poster op de glasbak om de hoek. De poster spreekt mij aan. Met jij. Daar hebben de schrijver van de postertekst en ik nooit iets over afgesproken.

Netzomin als het Zweedse woonwarenhuis Ikea me ooit gevraagd heeft of het me mag tutoyeren. Toch staren mij daar, als ik weer eens zo’n goedkope boekenkast kom kopen, overal borden met ‘je’ aan. ‘Hier laat je je wagentje achter’ , ‘Aan deze kassa kun je betalen’ en soortgelijke mededelingen shockeren me tot mijn eigen verbazing telkens opnieuw. Op de labeltjes aan de meubels staat zoiets als ‘als je dit wilt kopen, ga dan naar de balie, dan word je verder geholpen’. Wend ik me inderdaad tot het baliepersoneel, dan word ik ineens consequent met u aangesproken.

Dit land is aan een gigantische verwarring ten prooi. Leg maar eens aan een buitenlander die Nederlands probeert te leren uit wanneer tutoyeren hier gebruikelijk is. Alle kans dat u er niet uitkomt.

Zeg je ‘je’ en ‘jij’ tegen familie, vrienden en collega’s? Tegen mensen die ongeveer net zo oud zijn als jezelf bent? Nee, zo eenvoudig is het in ieder geval niet. Voor wie boven de vijftig is, ligt het meestal sowieso anders: vijftigers en daarboven hebben vaak nog een automatische piloot die spontaan op ‘u’ overschakelt bij het ontmoeten van nieuwe mensen, ook hebben ze in 99 van de 100 gevallen nooit ‘jij’ tegen hun ouders mogen zeggen.

Een opvoeding die in gemengde gezelschappen van oud en jong nog verdomd lastig kan zijn, omdat het daar regelmatig voorkomt dat twee personen van de oudere generatie beiden getutoyeerd worden door een broekie, – bijvoorbeeld omdat dat onder broekies nu eenmaal usance geworden is, en de vijftigers in de dagelijkse omgang geen ouwe zak willen lijken – terwijl ze tegen elkaar ‘u’ en ‘meneer zus’  of ‘mevrouw zo’ zeggen.

En ook voor de oorlogse en na-oorlogse generatie hangt het er maar vanaf. Waar vanaf? Ik denk van drie dingen: van de reden waarom je iemand (aan)spreekt, van het type dat je bent en/of voor je hebt, èn van hoe aardig gesprekspartners elkaar vinden.

Maar dat levert zoveel variabelen op, dat je er alleen open deuren mee kunt voorspellen: als je ruzie hebt met het winkelpersoneel is u zeggen wel zo verstandig, net zoals wanneer je voor de rechter moet verschijnen, maar blijkt het winkelmeisje echt met je mee te willen denken over welke jurk het mooiste staat, dan ligt tutoyeren voor de hand.

Tot zover gaat alles goed. Maar er zijn zo veel tussengevallen…  Wat zeg je als dertiger tegen de groenteman waar je dagelijks komt en die in de veertig is? Mijn ervaring is dat je er samen een soort spelletje van maakt: wij spelen dat we de groenteman en de mevrouw die boodschappen komt doen zijn. Dus de groenteman zegt overdreven vriendelijk en een ietjepietsje te hard: ‘Ja, mevrouw, zègt u het maar.’ En dan kom ik, net iets te tuttig: ‘Nou, groenteman, ik had zo gedacht dat we vandaag maar weer eens spinazie moesten eten.’ Een of twee zinnen verder gaan we dan op normale toon door en zeggen we dingen als ‘ja zeg, wat had je dan gedacht?’ en ‘dankjewel’.

En zo gaat het niet alleen met mij, en ook niet uitsluitend bij de groenteman. Gewoon, automatisch zonder nadenken u zeggen gebeurt volgens mij steeds minder vaak. Zelfs als ik zo’n vijftien jaar na dato een leraar van de middelbare school tegenkom waar ik vijf jaar lang probleemloos ‘meneer’ en ‘u’ tegen heb ik gezegd, dan blijk ik hem nu uitsluitend nog een tikje spottend ‘meneer Verlaan’ te kunnen noemen, terwijl hij continu met ‘zeker, mevrouw Koenen’ antwoordt.

Ligt het aan mij? Nee. Het onderwerp houdt me al jaren bezig, en ik heb inmiddels heel wat mensen naar hun ervaringen gevraagd. Bij vrijwel iedereen heerst moordende onzekerheid. Er is niets, geen enkele vuistregel, waar je op terug kunt vallen. Ik ken iemand die toen ze 33 werd vond dat ze nu oud genoeg was om iedereen die ‘je’ en ‘jij’ tegen haar zei per definitie terug te tutoyeren. Of ze zich daar in de praktijk altijd aan houdt waag ik te betwijfelen. Stel, ze ontmoet op een dag iemand als Duisenberg, en die zegt ‘Ach, wat aardig, jij werkt bij Economische Zaken begrijp ik’, zou ze dan echt terugzeggen: ‘Ja, en jij zit bij De Nederlandsche Bank, is het niet?’

Er is de afgelopen decennia veel veranderd. Vroeger stelden vrouwen zich voor met ‘(me)juffrouw’ of ‘mevrouw’ en alleen jonge meisjes gaven hun voor- en achternaam, dat laatste beslist met de bedoeling dat die voornaam ook gebruikt zou worden. Dat is helemaal over: vrouwen van bijna alle leeftijden kunnen zich nu voorstellen met hun voornaam, en dat betekent beslist niet vanzelf dat je ze daarna ook inderdaad met ‘Elselien’ of ‘Johanna’ mag aanspreken.

Jongens en mannen stelden zich overal en altijd voor met niet meer dan hun achternaam (wat tenminste nog eens tot komische botsingen kon leiden tussen de heren Appel en Moes, waarbij Appel er diep van overtuigd was dat Moes hem voor de gek hield – waar gebeurd) en die naam was ook onder collega’s vaak hun aanspreektitel: ‘Terhulst, kun jij die offerte even doen?’,  ‘Zeg, Minderweg, kom jij naar Christa’s verjaardag?’.

Meerderen op het werk waren altijd ‘u’, evenals je verder onbekende dienstverleners (die toen geloof ik nog niet zo heetten). Dat begreep ik onder meer uit Levenskunst voor jonge mensen (van Mr. A.M.J. Deinse, Elsevier, 1963): ‘taxichauffeurs, bedienend personeel in bussen, trams e.d. en in restaurants e.d, huishoudelijk personeel, leveranciers enz. behoort men niet te tutoyeren.’ 

Denkend aan Amsterdamse taxichauffeurs, trambestuurders en het gemiddelde horecapersoneel daar, barstte ik in hoongelach uit toen ik dat de eerste keer las. De ‘Levenskunst’ voorziet op geen enkele manier in het probleem dat zich het vaakst voordoet: zij tutoyeren jou. En wat doe je dan? Ach, vaak wil je ook de lulligste niet wezen. Je laat het maar zo, en zelf wissel je af, of je laat het in het midden. Het aantal formuleringen waarin rechtstreeks aanspreken en dus vous- of tutoyeren vermeden kan worden is fabelachtig groot, en varieert van ‘merci’ of ‘dank’ tot het gebruiken van het onpersoonlijke of algemene ‘je’ (‘Ja, met zoiets ben je ook niet echt geholpen, hè.’), of, ook heel handig: jullie (‘Hebben jullie ook gewoon een garnalencocktail?’).

Uren conversatie zijn zonder een direct ‘jij’ of ‘u’ te vullen: ‘Ik voel me de laatste tijd niet zo lekker.’ ‘Oh, en hoe komt dat?’ ‘Kweenie.’ ‘Waar zit de pijn? En wat zegt de dokter? Kan die er niks aan doen?’ ‘Ach, hoe gaat dat? Dokters weten ook niet alles, en je voelt je in zo’n spreekkamer ook niet vrij om eens uitgebreid je verhaal te doen…’ ‘Ja, ik ken ‘t, dat heb je daar inderdaad.’ enzovoort, enzovoort.

Vermijden op papier is stukken lastiger. Daar begint het probleem al bij de aanhef. ‘Levenskunst’ raadt voor het zakelijk schriftverkeer nog Zeer of Hooggeachte Heer/Mejuffrouw Coster (naast Hooggeachte Mevrouw, zonder achternaam) aan, of simpelweg Mijne Heren.

Nog steeds gaat het in brieven vormelijker toe dan bij een daadwerkelijke ontmoeting. Zeer Geachte kom je daarom ook nog steeds tegen, evenals merkwaardigerwijs Mijne Heren (mijne heren in den lande, mag ik u erop wijzen dat er tegenwoordig te veel vrouwen in zaken zitten om die aanhef te rechtvaardigen). Geachte mevrouw Coster is tegenwoordig geen probleem meer. De Mejuffrouw is bijna geheel uitgestorven, alleen mijn bank richt zijn correspondentie nog steeds aan Mejuffrouw Koenen.

Wel signaleer ik al een tijdje een nieuwe aanspreekvorm, die blijkbaar tussen vormelijk en persoonlijk in moet liggen: steeds vaker krijg ik brieven waarboven Geachte Liesbeth Koenen staat. Ik begin er al een beetje aan te wennen. Soms vervolgt de briefschrijver dan met ‘u’, soms met ‘jij’.

Aan de telefoon gebeurt het nog wel eens dat gesprekspartners halverwege of bij een tweede gesprek van ‘u’ overschakelen op ‘jij’. En dat heeft volgens mij alles te maken met de graad van gemoedelijkheid die de conversatie weet te bereiken.

Zelf heb ik al een paar maal mee mogen maken dat iemand met schuine strepen ging praten: ‘mag ik u/je vragen..’ Dat biedt in ieder geval een opening om een afspraak te maken, en die krijg je meestal niet. Want wel of niet tutoyeren wordt pas gemakkelijk wanneer er duidelijkheid is, een soort overeenkomst. Alleen wordt die overeenkomst dikwijls stilzwijgend gemaakt: je maakt kennis (iedereen noemt voornamen), schudt handen, en je schat even met een schuine blik. En in de meeste gevallen zit je dan wel goed. Helemaal gemakkelijk zijn in dat geval natuurlijk de echt steile of vormelijke types: dan wordt het ‘u’ aan beide kanten, en daarmee uit.

En toch en toch en toch. ‘U’ is niet meer gewoon ‘beleefd’, het draagt ook altijd de component ‘afstand’ in zich mee. Vandaar dat geworstel en die onzekerheid. Kiezen voor tutoyeren of niet heeft werkelijk gevolgen voor de atmosfeer van een gesprek.

Op de televisie zijn daar soms aardige staaltjes van te zien. Adriaan van Dis raakt nog wel eens in de knoop (‘Ja, nee, ik zeg toch maar u, tutoyeren wil onder deze omstandigheden niet lukken’) en ik zag Ischa Meijer een keer met Rob de Nijs, die helemaal de kluts kwijtraakte omdat Meijer voor de camera ineens ‘u’ bleek te zeggen, en ‘meneer de Nijs’. Van Dis en Meijer maken gebruik van de afstand die met ‘u’ gecreëerd wordt, en die vanzelf een zekere objectiviteit suggereert.

Ik kan u verzekeren dat ook nogal wat geschreven interviews waarin men elkaar vousvoyeert in werkelijkheid heel wat ouwe-jongens-krentenbrood-achtiger verliepen. Ach, je weet hoe dat gaat, hè?