door Liesbeth Koenen ©
03-1997, nr. 1
Taalschrift

‘Je kunt de ANS zelf het gezag toekennen dat je wilt’

Onlangs verscheen de tweede, ingrijpend herziene druk van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS). Vijf auteurs, gesteund door meer dan veertig redactieleden, waren er ruim tien jaar mee bezig. Liesbeth Koenen sprak met twee van de auteurs. ‘De mensen willen horen: dit is goed, dat is fout.’

We zitten aan een tafeltje in de kantine van de Nijmeegse letterenfaculteit. Buiten is het kil en duister, binnen zijn er koffie en krentenbollen. En naast de kopjes liggen de twee dikke delen van de nieuwe editie van de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst.

Resultaat van een enorme hoeveelheid werk. Eindredacteur Walter Haeseryn (neerlandicus, Vlaming en al twintig jaar in Nijmegen werkend aan de ANS) bekijkt de tweeduizend pagina’s dan ook met “gepaste trots, ja toch wel”, terwijl bij redacteur Maarten van den Toorn (Nederlander, emeritus-hoogleraar Nederlandse taalkunde) de “opluchting, dat de tweede editie er nu ís” overheerst.

De eerste oplage van het boek is al bijna uitverkocht, terwijl er tot dusver opvallend weinig publiciteit geweest is (Van den Toorn: “De uitgever heeft het een beetje laten zitten. Ze hadden de NOS kunnen krijgen, maar er is veel te lang getalmd”). Reacties uit vakkringen zullen nog even op zich laten wachten, al zit een speciaal nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde wel al in de planning, en ook de veertigkoppige redactieraad is nog niet bijeen geweest om het eindresultaat te bespreken.

Tijd dus voor een bescheiden startschot. De Belgisch-Nederlandse delegatie van de vijf auteurs (de anderen zijn Kirsten Romijn, Guido Geerts en Jaap de Rooij) is bereid zich vast enig commentaar voor te laten leggen én te laten ontlokken.

Maar eerst nog even de achtergronden. De tweede editie van de Belgisch-Nederlandse, voor de helft door de Taalunie gefinancierde onderneming die ANS heet, verscheen afgelopen november, dertien jaar na de eerste. Plannen voor een groot naslagwerk over het Nederlands bestonden echter al in de jaren zestig.

Haeseryn: “Het verzoek kwam uit de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, al heette die toen nog niet zo. Docenten Nederlands in het buitenland zijn onze oorspronkelijke, en in zekere zin ook de voornaamste doelgroep. Er zijn in het buitenland meer dan tweehonderd instellingen waar op universitair niveau Nederlands gedoceerd wordt. Bij die mensen – altijd een enthousiaste groep – bestond een grote behoefte aan een naslagwerk. Vaak zitten ze geïsoleerd, en hebben ze maar weinig toegang tot bronnen.”

Van den Toorn valt in: “Voordat de ANS er was, had je alleen leergrammatica’s, die ook veel kleiner waren. De ANS is geen leerboek, maar een grote verzameling gegevens waaruit docenten kunnen putten voor hun leerprogramma.”

Gegevens over woorden en zinnen wel te verstaan, want daarover gaat de ANS, al is in de tweede editie een ‘kleine klankleer voor de morfologie’ toegevoegd.

Afleidingen, vervoegingen en verbuigingen van woorden zijn nu eenmaal ten dele onderhevig aan klankwetten. Van den Toorn: “Het gaat om dingen als ‘huis-huizen’. Anders moet je dat elke keer weer uitleggen.” De manier waarop taalverschijnselen in de ANS beschreven worden, sluit zo veel mogelijk aan bij de traditionele schoolgrammatica’s.

Daar is een reden voor. Haeseryn: “Die docenten Nederlands zijn lang niet altijd taalkundigen, en zelfs lang niet altijd neerlandici. Meestal zijn ze vooral letterkundig geïnteresseerd. Het uitgangspunt moet daarom zijn dat je geen al te hoge eisen aan je publiek kunt stellen. Je mag niet verwachten dat ze ingevoerd zijn in de modernste theoretische taalkundige ontwikkelingen.”

Datzelfde geldt voor een andere doelgroep, van wie Van den Toorn het belang wil benadrukken: “Naast die ‘buitenlanders’ heb je ook de mensen die willen weten of iets goed Nederlands is. Die graag hun vooroordelen bevestigd zien, wat dan trouwens dikwijls niet gebeurt. Kwesties als ‘als of dan’ en ‘doordat of omdat’, en de volgorde ‘gekomen is’ tegenover ‘is gekomen’. Over die volgordes bestaat allerlei geouwehoer. Er staat bijvoorbeeld een heel verhaal over in het Stijlboek van de Volkskrant, de ene volgorde is dan ‘helderder’ en ‘krachtiger’. Dat is allemaal onzin, beide volgordes zijn gewoon goed. Maar dat soort dingen moet je ook in de ANS kunnen vinden.”

Beschreven in termen die je bekend mag veronderstellen bij iedereen die zich nog aardig wat herinnert van schoollessen over woordsoorten en ontleden. Maar daar zit een probleem: veel onderzoek naar hoe het Nederlands in elkaar zit, is niet gedaan door schoolgrammatici. Er zijn allerlei stromingen en uitgangspunten.

Zo heb je in Nederland al heel lang de unieke onderzoeker P.C. Paardekooper, die met zijn eigen ontleedmethode grote delen van de Nederlandse syntaxis (zinsbouw) te lijf is gegaan. Zijn Beknopte ABN-syntaksis (tegen de duizend pagina’s) wordt alom geprezen vanwege de vele, vaak scherpzinnige observaties over de (on)mogelijkheden van het Nederlands.

Op sommige scholen is en wordt Paardekooperiaanse terminologie gebruikt, maar lang niet op alle. Sommige van Paardekoopers inzichten vind je ook bij de generatieve grammatici (hij was er alleen eerder mee), die juist in de afgelopen tientallen jaren grote hoeveelheden gegevens over het Nederlands boven tafel hebben gekregen. Maar in het onderwijs is daar vooralsnog weinig van terug te vinden.

Hoe los je dat op? Haeseryn: “We gaan eclectisch te werk. In deze tweede druk nog meer dan in de eerste.” Het is een feit dat een flinke hoeveelheid literatuur die bij de eerste editie ontbrak nu wel verwerkt is. Ook heeft een rijker geschakeerd gezelschap zijn medewerking verleend.

Van den Toorn: “De ANS heeft dus een breder draagvlak dan eerst. Toen werd er ook wat meesmuilend gereageerd: die lui die willen iets, laat ze hun gang maar gaan. En toen het er was, kwam het commentaar van dit deugt niet en dat deugt niet. Voor de tweede editie waren alle vakgenoten wel bereid mee te doen.”

Onder meer door in de redactieraad en daaruit gevormde werkgroepjes zitting te nemen en advies te geven over hoe bepaalde onderwerpen het best behandeld konden worden. Eerste versies van door de redactieleden geschreven hoofdstukken gingen naar raadsleden die tevoren hadden aangegeven waarin ze geïnteresseerd waren. Voor het woordje ‘er’, de behandeling van werkwoordstijden en voor de aanpak van nevenschikkingen en samentrekkingen werden speciale conferenties belegd en adviezen gemaakt.

Op basis daarvan werden dan de stukken over die onderwerpen uit de eerste ANS bewerkt voor de nieuwe versie. Eindredacteur Haeseryn had dat graag voor nog veel meer onderwerpen zien gebeuren. “De ideale situatie zou zijn over alle kwesties advies te kunnen vragen. Maar de tijd is toch beperkt. Subsidiegevers willen een keer resultaten zien.”

Het nu gepubliceerde resultaat, daarover zijn beiden het eens, is een hele verbetering ten opzichte van de vorige editie. Maar een volgende zal ongetwijfeld nóg beter zijn. “Soortgelijke naslagwerken in het buitenland hebben ook moeten groeien, pas na vele edities wordt het echt de standaard”, vertelt Van den Toorn, en Haeseryn zegt: “Waarschijnlijk is niemand zich zo goed bewust als wij van wat er allemaal nog niet goed is”.

Maar is het doel van begrijpelijkheid voor een groot publiek met die eclectische aanpak eigenlijk wel haalbaar? Wordt het niet vanzelf een enigszins hybride product? Wie nu kijkt naar het hoofdstuk over zinsbouw vindt daar Paardekooperiaanse termen als achter-pv en voor-pv, de ANS-redactie zelf bedacht de term ‘polen’, en uit de moderne theoretische taalkunde komt het begrip ‘constituent’.

Niet bepaald gesneden koek voor de gemiddelde ex-scholier. “Ja, we gaan toch uit van wat er beschikbaar is”, zegt Haeseryn, en Van den Toorn voegt toe: “Stel, je wilt de hele zaak Paardekooperiaans doen. Dan kom je met de syntaxis een heel eind, maar we hebben ook een heel deel morfologie. Daar voorziet hij niet in. De generatieve grammatica heeft ook alleen bepaalde dingen goed uitgezocht. Je blijft hoe dan ook met manco’s zitten, en er is geen tijd om dat allemaal aan te vullen.”

Maar ook als je de verschillende terminologieën uit de diverse onderzoekskaders er even buiten laat, valt er op de toegankelijkheid van de ANS heel wat af te dingen. De nieuwe editie heeft weliswaar een veel groter en verfijnder register, maar de argeloze opzoeker komt wel erg vaak terecht bij lastig te volgen tekst. De taal waarin de dingen worden uitgelegd vertoont veel trekjes van die van de specialist die er zelf helemaal in zit.

“Mm”, mompelt Haeseryn, “is het toch nog te moeilijk…” “Dat weet ik niet”, zegt Van den Toorn, “Je moet voor het raadplegen natuurlijk wel de terminologie kennen. In een atlas of een woordenboek is het makkelijker dingen op te zoeken. En er wordt helaas nou eenmaal erg weinig aan taalkundige vorming gedaan op school.”

Allebei willen ze graag voorbeelden horen van dat moeilijke, gecondenseerde taalgebruik. Dat kan. Een passage uit het deel waar de ANS op tafel net openligt. Een zin die begint met: “in het algemeen geldt dat de wederkerende voornaamwoorden van de eerste en tweede persoon gebruikt worden om te verwijzen naar de in persoon en getal overeenkomende persoonlijke voornaamwoorden…” is typerend voor de stijl van de ANS.

Er worden weliswaar alleen schoolgrammaticatermen gebruikt, maar zijn Van den Toorn en Haeseryn niet bang dat veel mensen aan het eind van zo’n stukje tekst het begin alweer vergeten zijn? “Nou”, bromt Van den Toorn, “het moet natuurlijk ook niet infantiel gaan worden.” “Het is niet de bedoeling dat ze het niet kunnen volgen”, zegt Haeseryn, “daarom gebruiken we juist ook veel voorbeelden.”

“Wat een beetje aan die kritiek tegemoet zou kunnen komen, is een project dat nog niet van start is gegaan, maar waar wel plannen voor zijn. We willen op basis van het materiaal van de ANS een modulaire grammatica gaan maken die op een groter publiek gericht is, en waarin alles geconcentreerd wordt rond klassieke twijfelgevallen en problemen. Neem een kwestie als de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm. Die wordt nu wel behandeld, maar het staat ingebed in een heel hoofdstuk over het onderwerp. In zo’n modulaire grammatica – de Duitse Duden heeft iets soortgelijks – zou je dat als het ware zonder theoretische ballast kunnen uitleggen.”

Haeseryn verwacht overigens dat op den duur alleen dat soort afgeleide producten nog in boekvorm zullen verschijnen. Hij begint nu met een aantal collega’s in Nijmegen aan de ontwikkeling van een elektronische ANS. Daarnaast heeft hij als taak als het ANS-materiaal ‘te beheren’. Maar als je dat alletwee tegelijk moet doen, kan het laatste nooit goed gebeuren, zegt hij.

Het gesprek komt op de praktische invulling van de toekomst. Er zijn nu weer een paar aan de ANS gerelateerde projecten begonnen (zoals die ‘elektronisering’, maar er komen ook contrastieve deelgrammatica’s voor het Duits en voor het Frans), maar er is geen ‘vaste voorziening’.

Van den Toorn zou het liefst een ‘ANS-bureau’ opgericht zien: “Zoals je ook het Instituut voor Nederlandse Lexicologie hebt. Het hoeft niet zo groot te zijn. Je zou het met twee mensen kunnen ‘bemensen’, die het materiaal beheren en vast aan een volgende editie beginnen. Maar het zal er niet van komen, want de Taalunie wil het niet.”

“Momenteel is er maar een persoon echt voor de ANS aangesteld”, valt Haeseryn in, “en dat ben ik. Een complete staf zou natuurlijk veel beter zijn, en op den duur komt dat ook aan de orde. Maar ik moet even iets corrigeren over de Taalunie. De mensen van het algemeen secretariaat zien wel degelijk het belang van een permanente voorziening. Het Comité van Ministers is veel lastiger te bereiken, want je stuit bij de ambtenaren op de ministeries vaak op een muur van onbegrip.”

“Ja”, zegt Van den Toorn, “dat een woordenboek nooit af is, begrijpt iedereen: er komen steeds nieuwe woorden bij. Maar over zo’n grammatica denkt men al gauw ‘die is nu klaar, mooi zo’. Terwijl er natuurlijk steeds nieuwe dingen bekend worden. Bovendien verandert het Nederlands ook. We hebben nu in de tweede editie bij de zogeheten ‘Croma-constructie’ (Hou je van vlees, braad je in Croma) gezet dat het informeel taalgebruik is. In de eerste editie stond nog dat het niet goed was. Ikzelf vind het nog steeds vreemd, volgens mij moet het ‘dan braad je in Croma’ zijn, maar jonge mensen vinden die constructie heel gewoon.”

Goed en fout. Ook over de normativiteit van de ANS is naar aanleiding van de eerste editie heel wat gediscussieerd. De reacties liepen nogal uiteen: sommige vonden de ANS veel te tolerant, anderen juist weer te streng.

“Kijk”, legt Van den Toorn uit, ‘je kunt het boek zelf het gezag toekennen dat je wilt. Je kunt natuurlijk zeggen: ik maal niet om zo’n ANS, ik weet het zelf beter. Maar er zijn ook mensen, zoals bij het blad Onze Taal, die krijgen vragen te beantwoorden en dan grijpen ze terug op de ANS.”

Haeseryn: “Maar dan kun je er wel verschillende kanten mee uit. Aan wie zich daar iets aan gelegen wil laten liggen, proberen we adviezen te geven. Vaak zeggen we: je hebt A en B, en veel mensen vinden B niet goed. Dat kun je als ANS-gebruiker als een waarschuwing opvatten. Maar we hebben er ook vaak bijgezet dat er volgens ons als redactie geen bezwaar hoeft te bestaan tegen een bepaald woord- of zinsgebruik.” Van den Toorn: “Maar dat willen mensen meestal niet. Die willen horen: dit is goed, dat is fout.”

Maar er bestaat ook zoiets als ‘varianten’, en taalveranderingen. Wie weet komt er nog eens een ANS-editie die ‘hun hebben’ goed vindt. Nu is dat nog een deels regionale, deels sociale variant: beneden de rivieren, en in de bovenste sociale lagen hoor je het niet.

Hoewel? ‘Hun’ als onderwerp lijkt steeds normaler te worden. Van den Toorn: “Heel veel studenten zeggen het. Ze vinden het afschuwelijk als je het erover hebt, veroordelen het, maar ze doen het wel. Als je ze daar dan op wijst, schrikken ze. Maar ik hoorde het laatst ook uit de mond van de vrouw van een vroegere minister-president. Overigens is het Zweeds ons hier allang in voorgegaan.” Haeseryn wijst nog op de zuidelijke variant ”m heeft’, ‘hem heeft’ dus, die juist in het ‘noorden’ weer niet voorkomt.

Overigens geeft de ANS alleen regionale varianten, de sociale blijven buiten beschouwing. “Dat ligt ook verdomd gevoelig hoor”, zegt Van den Toorn.

De regionale soms ook. Wie een tijdje doorgebracht heeft met bladeren en lezen in de ANS ziet onmiddellijk dat het West-Nederlands dé norm is voor het complete taalgebied. En wie erachter wil komen waaruit de verschillen tussen het Nederlands en het Vlaams bestaan, moet een fikse omweg bewandelen. Via het register kan hij alle ongeveer 150 ‘regionale verschijnselen’ opzoeken. Maar daar zitten alle regio’s tussen.

Is dat een politieke beslissing geweest? Haeseryn: “In de meeste gevallen gaat het ook niet om Vlaamse, maar echt om zuidelijke varianten. Noord-Brabant, Zuid-Limburg en Zeeland doen dikwijls mee. Een van de kritieken op de vorige ANS was dat we niet vertelden over welke regio het ging. Dat hebben we nu geprobeerd wel zo veel mogelijk te doen. Maar om nu te zeggen dat de norm voor wat we standaard-Nederlands noemen in de meeste gevallen uit het westen komt, ik weet niet of dat helemaal waar is… De standaardtaal is daar historisch natuurlijk wel ontstaan.”

Protesten uit België verwachten de twee niet. Die zijn bij de eerste editie ook uitgebleven, en het beleid is niet wezenlijk veranderd. We praten nog even door over wat je nou wel en niet moet opnemen. De manier waarop in België ‘ge’, ‘jij’ en ‘u’ door elkaar gebruikt worden, is voor Nederlanders niet te volgen. Welk systeem daarachter zit, wordt in de ANS niet uitgelegd. “Maar het gebruik van die woorden in Vlaanderen is vaak gewoon fout”, legt Haeseryn uit. “Ze halen systemen door elkaar. Dan hebben ze geleerd dat het anders is, maar ze weten het niet goed. Dan krijg je bijvoorbeeld ‘Je hebt uw boek vergeten’. Maar het Vlaamse systeem is eenvoudiger: ‘ge’ is daar altijd onderwerp, en ‘u’ wordt voor de voorwerpen gebruikt. En met beleefd en onbeleefd heeft het niets te maken.”

Was het niet een goed idee geweest dat Vlaamse systeem in de ANS uit te leggen? Het maakt veel duidelijk. “Ik denk niet dat dat in de ANS moet”, reageert Van den Toorn. Haeseryn: “Het is een niet-standaardtaalsysteem. En ik geloof ook niet dat je het in de Vlaamse pers zult tegenkomen. Want dat is ook een van onze criteria geweest. Daarom hebben we nu het achtervoegsel -ster voor inwoners, ook de mannen, opgenomen. In Oost-Nederland is een Leekster iemand uit Leek. Dat hadden we in de vorige editie niet, maar we werden bestookt met krantenartikelen waarin dat achtervoegsel stond. Maar goed, het blijven allemaal afwegingen. Iemand anders zal de grens ergens anders leggen.”