door Liesbeth Koenen ©
02-2005, nr. 81
Akademie Nieuws

Het Papieren Museum van Peter de Grotes Kunstkamer:

Van gebalsemde baby tot zwempak

Dat Peter de Grote bij de Hollanders afkeek hoe je steden en schepen moet bouwen is bekend, maar hij haalde ook een empirische kijk op de wereld uit Nederland. Net als de beste tekenaars om de wetenschappelijke collectie van zijn Kunstkamer vast te leggen. Er zijn duizenden waterverftekeningen bewaard gebleven, en ze worden nu voor het eerst samen uitgebracht.

Het was het allereerste, speciaal voor dit doel gebouwde openbare museum in de wereld: de Kunstkamera van tsaar Peter de Grote, die hoorde bij de ook door hem opgezette Academie van Wetenschappen.

Er zijn nog gravures uit de begintijd, en als je daarop ‘inzoomt’ op de vitrines dan kun je precies de opstelling van delen van de collectie zien. Daar het miniatuurmolentje, wat verderop een gebalsemde baby in een glazen kistje.

Peter de Grote, en na hem de Academie, brachten cultuur en wetenschap uit de hele wereld bij elkaar: antieke munten, planten en dieren uit alle windstreken, bijzondere kledingstukken uit China, anatomische preparaten, wetenschappelijke instrumenten, Franse klompen, Siberische kunstvoorwerpen.

In hedendaagse ogen een intrigerende mengelmoes van een ouderwets natuurlijke historie- annex volkenkundig museum, een antiek- en curiosawinkel en een griezelige kermisattractie.

Een aanzienlijk deel van de voorwerpen is allang verloren of zoekgeraakt, veel zelfs al bij een grote brand in 1747, maar dat wil niet zeggen dat ze ook allemaal helemaal verdwenen zijn. Er is namelijk een gerede kans dat ze voortleven in het ‘Papieren Museum’, op een van de meer dan tweeduizend overgebleven waterverftekeningen die tussen ongeveer 1725 en 1760 van de collectie gemaakt zijn. Die tekeningen worden binnenkort voor het eerst allemaal samen uitgebracht op een DVD, de vrucht van jarenlange Nederlands-Russische samenwerking. Edita, de uitgeverij van de KNAW, brengt hem dit voorjaar op de markt, tegelijk met een Engelstalig boek onder de titel The Paper Museum.

De Russische boekversie is er al. Hij ligt op tafel in de kamer van dr. Debora Meijers, bovenin het Kunsthistorisch Instituut aan de Amsterdamse Herengracht. Zij en drs. Renée Kistemaker, die voor het gesprek van het een paar straten verderop gelegen Amsterdams Historisch Museum naar hier gekomen is, zijn de Nederlandse uitvoerders en drijvende krachten achter de hele onderneming.

Luilekkerland

En een onderneming was het. De opluchting bij beiden dat het nu zo goed als achter de rug is, is duidelijk. “Het was heel veel werk”, zegt Meijers (57), die zich vanuit de kunst- en cultuurhistorie gespecialiseerd heeft in de geschiedenis van verzamelingen en musea en verbonden is aan het Huizinga-instituut. “Ze-ven-honderd bladen met afbeeldingen van munten. Toen we daar aankwamen… dat was geen druppel, maar de emmer die de badkuip liet overlopen. Het is vast het luilekkerland voor elke numismaat, maar ik had eerder associaties met de knopen van fourniturenman van de Albert Cuypmarkt”, lacht ze.

Ze zijn dan ook niet allemaal opgenomen in de boekuitgaven. Kistemaker (59) legt uit: “Het zou onbetaalbaar geworden zijn alle tekeningen in boekvorm af te beelden. Daarom is ervoor gekozen om ze wel allemaal, met de bijbehorende teksten, op te nemen op een DVD. Daar zitten ook zoekfuncties op, en je kunt prachtig de details van de tekeningen zien.”

Het thuisbrengen van de afbeeldingen was een heel karwei. Vooral de wetenschappelijke instrumenten plaatsten Meijers en Kistemaker nogal eens voor raadsels. Veel specialisten hebben hulp geboden bij het maken van de uitgaven.

Wat toen de hele wetenschap was, omvat nu talloze terreinen: van anatomie, zoölogie, botanie, astronomie en geografie tot etnografie, oriëntalistiek, archeologie en numismatiek (muntenleer). Sinds de achttiende eeuw is het differentiëren en specialiseren almaar verder gegaan. Daar ligt ook een van de redenen dat de originelen van de nu bijeengebrachte tekeningen op drie locaties in St-Petersburg liggen: het Archief van de Petersburgse afdeling van de Russische Academie van Wetenschappen, de Hermitage en het Russisch Museum. De tekeningen gingen delen van de collectie achterna.

Balsemkunst

Kistemaker schat dat ze de afgelopen dertien jaar zo’n 25 keer in St-Petersburg geweest is, en ook Meijers was er zeven, acht maal te vinden. In zekere zin is dit project een direct uitvloeisel van de grote, zeer succesvolle ‘Peter de Grote en Holland’-tentoonstelling, die in 1996 opende in het Amsterdams Historisch Museum, waar Kistemaker tussen 1991 en 2001 ‘Hoofd museale zaken’ was, en waaraan ze nog steeds verbonden is. Dat Peter de Grote in 1703 aan de oever van de Neva, op van de Zweden veroverd terrein uit het moeras een stad liet stampen die geïnspireerd was op wat hij in Nederland had gezien – inclusief grachten – is gevoeglijk bekend.

“En iedereen heeft het ook altijd over de scheepvaart, waarover hij alles van de Hollanders leerde”, zegt Kistemaker, “maar de empirische benadering kwam ook hier vandaan, al was Peter de Grote zeker geen kamergeleerde. Maar er bleken ook nog meer banden dan we al wisten te zijn met het Papieren Museum.”

Dat Peter de Grote de basis legde voor zijn Kunstkamer met in Nederland aangeschaft materiaal wist men wel. In 1717 kocht hij de complete collectie preparaten (ruim tweeduizend stuks) van de anatoom Frederick Ruysch, een meester in de balsemkunst, wiens werk onlangs nog in Amsterdam tentoongesteld is.

En een nog grotere verzameling naturalia kwam van de destijds wereldvermaarde Amsterdamse apotheker Albertus Seba, een collectie die ook de inspiratiebron vormde voor het classificatiesysteem van de Zweedse natuuronderzoeker Carolus Linnaeus. Maar ook voor het vastleggen van de collecties, wat hij van belang vond voor het bestuderen van het materiaal, haalde Peter de Grote het beste van het beste uit Nederland, onder wie Dorothea Maria Gsell, de dochter van Maria Sybilla Merian.

Meijers vertelt: “Merian was zelf op expedities geweest, nog op haar zestigste, onder andere naar Suriname, en ze had een enorme productie van tekeningen van planten en vooral insecten. Ze liet daar ook een prachtig boek, met ingekleurde gravures van maken, enfin ze was bekend in heel Europa. De lijfarts van Peter de Grote kocht haar collectie op de dag dat ze stierf. En Peter de Grote nam haar dochter in dienst met de opdracht om alle spullen te gaan tekenen.”

Kistemaker vult aan: “Er was indertijd geen enkele traditie om naar het leven te tekenen in Rusland. Er was geen atelierpraktijk, geen kunstacademie, niets. Je kunt zeggen dat dat voor een belangrijk deel geïntroduceerd is via het vastleggen van de wetenschappelijke collectie van de Kunstkamer. Er gingen overigens ook Russen in Nederland in de leer. Voor de Academie van Wetenschappen werden ook veel Duitsers aangetrokken, en die denken dat ze daar aan de wieg gestaan hebben, maar de Nederlandse bijdragen zijn ook heel groot.”

Jammer genoeg is maar van zo’n vijf procent van de tekeningen bekend wie ze maakte. Dat er nog geleerd moest worden, kun je ook duidelijk zien. Sommige tekeningen zijn knullig, onbeholpen, maar andere zijn ware meesterwerkjes.

De waterverfschilderingen van klompen en kleren doen soms sterk denken aan Jopie Huisman, de Workumse voddenkoopman die zulke realistische schilderijen van zijn handel maakte, de planten zijn zeer gedetailleerde stilleventjes die in geen enkel leerboek zouden misstaan, en ook het naschilderen van een scheepje uit kruidnagels is met grote precisie gebeurd.

Nu het boek en de DVD bijna af zijn, lukt het Renée Kistemaker en Debora Meijers weer steeds beter om de charme en de rijkdom van het Papieren Museum te zien, en over wat ze zelf de mooiste tekening vinden, hoeven ze alletwee niet lang na te denken. “De schoen met de plateauzool. Waarschijnlijk Zuid-Amerikaans, en zo te zien is het ingebrand leer. Die komt ook voor op het boek te staan”, zegt Meijers meteen.

“De Chinese donkerblauwe jas. Mooie stof, prachtig getekend”, zegt Kistemaker, “maar de grootste verrassing was het zwempak. Het komt uit de collectie van Seba, en de tekening was al te zien bij de ‘Peter de Grote en Holland’-tentoonstelling. Daar werd het nog een ‘achttiende eeuws vest’ of zoiets genoemd, maar de beschrijving in de achttiende eeuwse catalogus noemt het een kledingstuk ‘ad natandum’, om te zwemmen, dat bovenin gevuld was met kurk.”

Puzzelwerk

Die Latijnstalige contemporaine catalogus is een goudmijn voor het noodzakelijke puzzelwerk, en een belangrijke bron voor de begeleidende teksten bij alle tekeningen van het Paper Museum, waar vooral Bert van de Roemer, die toevallig halverwege het gesprek ook even komt binnenlopen, veel tijd en energie in gestoken heeft.

Uit de catalogus valt op te maken wat de volgorde van de oorspronkelijke opstelling was, maar het geeft ook een beeld van de verdwenen tekeningen. Meijers: “Er waren 58 dozen. Het meeste dat er nu is, zit overigens nog in de oorspronkelijke dozen, wat heel bijzonder is. Er zijn er negentien van over, en ze zien er uit als grote boeken, omkleed met leer. Gebaseerd op wat daar gemiddeld in gaat, schatten we dat er tussen de vier- en vijfduizend tekeningen geweest zijn. En het kan heel goed dat een deel ervan nog opduikt.”

“Alle vlinders zijn bijvoorbeeld weg, en er is een goede kans dat die met de collectie een keer naar elders verhuisd zijn. En de mineralen, en de cameeën en andere gesneden stenen. Het is bekend dat Catharina de Grote daar dol op was. Misschien dat er nog tekeningen liggen in de archieven van de Hermitage.”

Cameeën

Dat Catherina de Grote bij de oprichting van het Hermitage Museum een paar fraaie collecties, waaronder die cameeën, uit de Kunstkamer haalde, laat nog eens zien hoeveel invloed Nederland op de ontwikkeling van kunst en wetenschap in Rusland gehad heeft. Alle gebouwen liggen ook vlak bij elkaar, en alles werd ongeveer tegelijkertijd opgericht. De tekenwerkplaats was in de Academie van Wetenschappen, en de drukkerij werd ook voor wetenschappelijke publicaties gebruikt.

“We zien deze uitgave als een corpus, dat anderen voor verder onderzoek kunnen gebruiken”, zegt Kistemaker, die heel blij is dat NWO het project gesteund heeft, onder andere door de salarissen van de Russen aan te vullen, en de foto’s van de tekeningen te betalen. Meijers: “Maar zonder het Amsterdams Historisch Museum, ook als financieel onderkomen, hadden we het ook niet kunnen doen.”

“De vroeg-moderne verzamelgeschiedenis is een onderwerp waar wij ons al sinds eind van de jaren tachtig mee bezighouden”, zegt Kistemaker. “De bekende tentoonstelling ‘De Wereld binnen Handbereik’ was daar het eerste resultaat van in 1992. Sindsdien heeft ons museum daar internationale bekendheid mee gekregen, en daarom hebben wij dit project gedaan.”

Meijers: “Het materiaal moet je ook in een internationale context interpreteren. Alle hoven presenteerden indertijd in beeld de werken die ze bezaten. Als de drukkers even niets te doen hadden dan werden ze aan het werk gezet, en dan was het eindproduct een rijkgeïllustreerde catalogus die naar een bevriend hof ging. Een voorbeeld is die aan het Deense hof, maar die heeft een stuk minder mooie illustraties. Ook de Franse Lodewijk de Veertiende had niet zo’n prachtig bestand. Nergens is er iets dat lijkt op het Papieren Museum, niets ook dat zo goed gedocumenteerd is. De catalogus was een soort bezoekersgids.”

“Het was een compleet schaduwmuseum”, zegt Kistemaker. Zes jaar heeft het project al met al geduurd. De samenwerking met de Russen is een verhaal apart. Meijers denkt nog wel eens terug aan de uren die de officials haar lieten wachten, terwijl ze eigenlijk zo graag in het archief had gewerkt.

Kistemaker zag met genoegen dat er inderdaad telkens als ze daar waren zoiets als een team ontstond, dat volgens een strak format de beschrijvingen van de tekeningen maakte – en zich onderling verstaanbaar maakte met Engels, Frans, Duits, Italiaans. “Samenwerken is niet normaal in Rusland”, zegt ze. “De hiërarchie is sterk, maar er was een grote openheid om samen iets te doen, en een groot enthousiasme voor het onderwerp.”

The Paper Museum of the Academy of Sciences in St. Petersburg c. 1725-1760, Introduction and Interpretation, Renée E. Kistemaker, Natalya P. Kopaneva, Debora J. Meijers and Georgy L.Vilinbakhov (eds.). ISBN 90-6984-426-5 book/DVD, € 69,-

Noot: hier de pdf-versie van het stuk, met plaatjes.