Waar ik mee bezig ben

Lopende zaken

Op het ogenblik zijn dit de dingen waaraan ik het grootste deel van m’n tijd besteed.

Column Taal!

FotoTaalfotoIn oktober 2014 ging ook De Telegraaf over op pagina’s in tabloidformaat.  De week daarvoor kreeg ik tot mijn verrassing  de vraag of ik  een taalcolumn wou overwegen. En zo ja, of ik  daar eens over wilde komen praten. Drie dagen later zat ik op de redactie en twee dagen daarna had  ik de eerste aflevering geschreven. Sindsdien vul ik elke week één kolom in de zaterdagskrant.

Onder de simpele naam Taal! gaat het daar over inderdaad zo’n beetje alles wat maar met taal te maken heeft. Over m’n nepnichtje, over valse vrienden, en over de macht van rechts bijvoorbeeld. Maar ook dat gebarentaal misschien wel niet zo grappig is als ze bij bloopersrubrieken denken,  en dat wij  iets kunnen opsteken van lallende zangvogeltjes. Het ging een keer over olifantenvoetjes, die me iedere keer als ik eraan denk weer raken, en ik schreef over bijster, hoeven, snars en nog een hele hoop andere woorden waarvan je geen chocola kunt maken als je er geen ‘niet’, ‘geen’, of iets anders onpositiefs bij vermeldt. Deze week zal het weer wat anders zijn. Commentaar, vragen en verzoeknummers zijn altijd welkom.

De foto die boven de rubriek staat is gemaakt door Johannes Dalhuijsen.  

Hugo Brandt Corstius

Biografie in wording 

1935 geboortekaartje HBCOp 28 februari 2014 stierf Hugo Brandt Corstius. De man die ontelbaar veel dingen was en nog meer namen had. Hij studeerde wis- en taalkunde, en bleef levenslang in de weer met tellen en rekenen met woorden en letters. Hij werd een superproductieve columnist en schreef graag recensies. Was Vestdijk-, Hofstadter- en Multatulibewonderaar. Zijn pen was even scherp als bot. Daarom werd hij bewonderd, gevreesd, verguisd, verafgood, gehaat. Maar hoe dan ook: als je wilde volgen wat het gesprek van de dag was dan las je zijn columns.

Er waren altijd wel kwesties, die met enige regelmaat de vorm aannamen van rellen. Brandt Corstius z’n hele inboedel werd in 1966 geveild vanwege een niet-betaalde psychiaterrekening van negentig gulden. Er was de PC Hooftprijs 1984 die hij niet mocht krijgen van het CDA, hij maakte VVD-leider Hans Wiegel uit voor lul op de radio, en schreef de beruchte columns tegen criminoloog Wouter Buikhuisen en tegen het idee dat criminaliteit biologisch bepaald zou kunnen zijn. Onder anderen collega-columnist Renate Rubinstein en filmer Theo van Gogh kregen er ook lang en vaak van langs.  En niemand die onder zo ontzaglijk veel verschillende namen schreef. Piet Grijs en Battus en Jan Eter en Stoker en Maaike Helder en nog een paar kent u misschien. Maar J. Trapjes? Cees Stam? Magriet Vermeer? Manneke Pik? Hij was het. 

Ik had in de jaren tachtig college van hem gehad, was zelfs bij hem afgestudeerd en daarna bleven we elkaar tegenkomen. Bij de kranten, bladen en uitgevers waar we voor of over schreven, en soms – steeds vaker – ook daarbuiten. Hugo hield van borrels en feestjes, als hij ze niet zelf hoefde te organiseren althans. We konden ons bij gelegenheid gezellig samen opwinden over de onzin die er altijd maar weer over taal beweerd werd. Taalkundigen delen nu eenmaal een deel van hun wereldbeeld. Op de dag van zijn dood schreef ik een kort in memoriam voor de NRC. Daarna dook ik op verzoek van De Groene een paar weken onder in zijn werk. Dat me, hoewel ik het kende,  opnieuw trof. Geestig, gek, grof, knap, z’n tijd vooruit, volstrekt origineel. Ik kwam boven met dit stuk.

In de zomer van 1961 verdiende Hugo Brandt Corstius bij in de Del Montefabriek in Californië. Daar hoorde die pet bij.

In de zomer van 1961 verdiende Hugo Brandt Corstius bij in de Del Montefabriek in Californië. Daar hoorde die pet bij.

Weer wat later vroeg Hugo’s weduwe, gelauwerd vertaalster Ina Rilke, of ik eens wilde komen kijken in Hugo’s werkkamer. De nalatenschap bleek rijk. Meteen al zag ik een schrift met schoolopstellen. En een map columns van Cees Stam, een pseudoniem dat me ontgaan was. Over die pseudoniemen gingen m’n hersens vervolgens zachtjes malen. Onder het baantjes zwemmen gooiden ze ineens dit idee mijn bewustzijn in: als je nou eens een biografie zou maken met daarin allemaal mini-biografietjes van alle, of in elk geval de belangrijkste pseudoniemen. ‘Stoker woonde op de voorpagina van de Volkskrant van toen tot toen.’ ‘Voordat Battus het taal-alter-ego van HBC werd schreef hij…’ ‘Na een aanklacht wegens majesteitsschennis was Jan Eter…’ In die trant. Er begon een plan te groeien, waar ik natuurlijk met allerlei betrokkenen over praatte. Anderen vonden zo’n biografie tot m’n vreugde een goed idee.

In 1977 karakteriseerde Hugo Brandt Corstius het werk van zijn pseudoniemen Grijs, Eter en Battus op een aantekenkaartje.

In 1977 karakteriseerde Hugo Brandt Corstius het werk van zijn pseudoniemen Grijs, Eter en Battus op een aantekenkaartje.

Ik kon een begin maken. Uiteindelijk bleek dat HBC, anders dan ik in eerste instantie verwacht zou hebben, zo ongeveer alles bewaarde. Iedere ontvangen brief, en alle brieven waarin die brief nog eens werd verstuurd – want aan antwoorden en de telefoon opnemen deed hij zo min mogelijk. Er zijn programmaboekjes van de voorstellingen die hij in de jaren vijftig zag, van Hedda Gabler en Wachten op Godot tot de Wimmen Kan en Sonneveld. Bonnetjes uit de kroeg. Flyers van de campagne van Robert Kennedy die hij in 1964 versloeg voor Het Parool. De Bijenkorfbon van een jurk van f 45,- voor zijn kortstondige geliefde Renate Rubinstein. De offertes voor schilderwerk. Alle uitwisselingen met uitgevers. De lezersbrieven. Ook die van de gekken, de slijmerds en de stalkers. Aan materiaal geen enkel gebrek dus.

Van het Letterenfonds ontving ik een werkbeurs. Voorlopig is de planning dat het boek in 2020 uitkomt. Bij Querido, de uitgever van het (meeste) werk van Hugo Brandt Corstius. 

Bij het 75-jarig bestaan van Vrij Nederland schreef ik over zijn begintijd bij dat weekblad, nog voordat Piet Grijs geboren was. En voor de 250 jaar oude Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, waar hij lid van was, maakte ik wat ze daar een Levensbericht noemen. Verschenen in het Jaarboek 2014-2015.

 

Taalgids voor Opperland

Doos Taalgidsen voor Opperland

Doosje Taalgidsen voor Opperland

Twee grote groene boeken, daaruit putte ik voor de mooiste en nuttelooste taalvondsten van Battus, een van de tientallen pseudoniemen van Hugo Brandt Corstius. De Taalgids voor Opperland heet de Rainbowpocket van m’n selectie. Hugo Brandt Corstius liet ons een nieuw door hem verzonnen land na. Tegenover Nederland bedacht hij Opperland. Daar is de voertaal Opperlands (of Opperlans). Het HBC van het Nederlands is het. En dat is altijd ofwel vrolijkmakend, of je fluit bewonderend tussen je tanden. Wie ziet wat Hugo zag? Het meervoud van platzak is platenzaken. Peuterpoepwerppret is het langste woord dat je op de bovenste regel van je qwerty-toetsenbord kunt typen. Ai, de massamedia kun je twee kanten uit lezen, net als Gadsi, ’t is dag. In alle letters van broodpap kunnen holletjes zwart gemaakt worden. Welnee, bolster en toendra zijn gemaakt uit woorden die elkaar tegenspreken, in Opperland basaltwoorden genoemd (vanwege bas en alt natuurlijk). In Opperland vraag je je af waar de s in juwelierslijm plakt, en zie je dat brailleletters alle letters bevat. 

U heeft het beroemde roze boek nog altijd in de kast staan? Volkomen terecht. Maar voor een tientje heeft u het beste uit de twee opvolgers erbij. U heeft het dikke groene boek? Opnieuw: gefeliciteerd. Heeft u ook het groene woordenboek? Zo nee, dan biedt de Taalgids voor Opperland in een moeite door het onzinnigste uit beide. U heeft alles al? Dan hoop ik dat u een ander de vergezichten van Opperland wilt laten zien. 

Over de Taalgids voor Opperland maar ook over de biografie in wording praatte ik in OBA live met Theodor Holman. Het begint na pakweg anderhalve minuut. 

 

 Waargebeurde taalverhalen

Genie, Victor, Nim en nog veel meer mensen en dieren

Het frêle meisje Genie zat tot haar dertiende voornamelijk vastgebonden in een kamertje waar nooit tegen haar gepraat werd.  Toen ze eenmaal bevrijd  was, leerde ze alsnog van alles zeggen, maar ook waren er dingen die ze niet meer leek te kunnen leren. Haar geschiedenis is een van de waargebeurde taalverhalen in een boek dat nog geen goede werktitel heeft, maar waaraan ik toch gestaag doorwerk. Wie er nog meer in voorkomen? De aap Nim Chimsky die opgroeide met gebarentaallessen, de in zijn tijd wereldberoemde mysterieuze Kaspar Hauser, en de nog veel beroemdere Helen Keller die als peuter doof én blind werd, en Christopher die een  geweldig groot talent voor taal heeft, maar voor wie zijn jas dichtknopen te ingewikkeld is. De actrice Pat Neil die na drie hersenbloedingen opnieuw leerde praten, onder een keihard oefenregime van haar man Roald Dahl.

Wat vertellen die taalverhalen over ons? Over taal? Wat begrijpen we door het lot en het leven van al die personen, en die paar dieren? Het boek komt uit bij Nieuw Amsterdam. Ik kon er een tijdje aan werken in Wassenaar op het NIAS, als ‘Journalist in Residence’ (Engels is er de voertaal). 

Grappenboek

Valt de taalgrap te doorgronden? Ik spaar grappen, en vooral ben ik gek op grappen die afhangen van de zinsstructuur, de grammatica. Omdat die zo zeldzaam zijn. Bijna allemaal moeten ze ’t hebben van een voorzetsel.  Nou ja, lang geleden vertelde ik dat allemaal al eens in de column die ik toen voor de NRC maakte. Liefst zou ik er nog veel meer van begrijpen. Kun je flauw, zouteloos, plat en geslaagd en supergrappig met wat taalkunde onderbouwen? Een eindje komen kan zeker. Dit is een doorlopend project. Waar het in uit zal monden weet ik niet precies, maar ik ga voorlopig lachend door met verzamelen en aantekenen. Stuur me uw geinigste en gekste voorbeelden, en u maakt me heel gelukkig.